DEDIEMER-OFWATERGRAFTS-MEIR.

[Inhoud]DEDIEMER-OFWATERGRAFTS-MEIR.Onder de aangenaame wandelingen waarmede het wereldberoemdAmsteldam, in zijnen ommekring pronkt, behoort ongetwijfeld de vermaaklijkeDiemer-ofWatergrafts-meir, te aanmerkelijker daar dezelve door de hand der kunst, en door het taai geduld van den noesten arbeid uit het water voordgebracht is; waarom zeker dichter te recht zingt:Waar de gladde vischjens zwierdenIn het spieglend element,En daar ’t taaje fuikjens cierdenZijn nu kluitjens voor de lent.DeLIGGING,Deezer bekoorelijke plaats, kan gezegd worden te zijn, ten noorden aan denOutewaaler polder, ten oosten, en gedeeltelijk ten zuiden aan de banne vanDiemen, en verder ten zuiden[2]aan deDuivendrechtsche polder, in de banne vanOuderkerk; ten westen wordt zij door denAmstelstroomafgescheiden van de rechtbanne vanAmstelveen—zo vermaaklijk als de Meir zelve is, zo vermaaklijk zijn ook de wegen derwaards, vanAmsteldamaf; deezen zijnnaamlijk, een langs de rivier deAmstelvoornoemd, tot op een vierde uurs, of omtrent 400 roeden van de stads cingel, alwaar de zogenaamdeSchulpbrugligt, en de ringdijk waarin de Meirbesloten is, zijn begin neemt; hetzelfde pad vervolgende, naamlijk langs denWeesperweg, komt men aan het begin van denKruiswegder Meir, alwaar men derhalven ook daarin kan komen: de andere weg, die deOudewaaler weggeheten wordt, ligt op meer dan een vierde minder ver van de stad af, naamlijk buiten deMuiderpoort, en is een zeer vermaaklijke weg, aan wederzijde beplant met boomen; aan den eenen kant is een genoegzaam breed pad voor de wandelaars door een tweede rei boomen afgebakend, welk pad weleer zeer zindelijk onderhouden werd met smids koolen; nog was in vroegere jaaren tusschen gezegde boomen, eene heining van haagedoorn geplant, die, vooral als zij bloeide, eene zeer aangenaame vertooning maakte; ook waren de bestuurders derMeirtot zo verre daarmede vooringenomen, (en niet zonder reden,) dat op zondag, en vooral op hoogtijdsdagen, met naame hemelvaartsdag, een oppasser langs dezelve ging, om, (wegens de bij zulks gelegenheid ongemeenen toevloed van wandelaars,) alle baldaadigheden te voorkomen; doch sedert is die cieraad der Meir geheel te niet gegaan, zo dat men thans, dat hoogst te beklaagen is, niets meer van die haag ontmoet.—Zie verder ons artijkelaanlegengrootte.De grond van deeze droogmaak, is ongemeen vet en vruchtbaar, men heeft er de schoonste wei- en warmoes-landen: de landen liggen ter diepte van 14 voeten beneden het buitenwater, zo dat het overige polderwater, ter hoogte van 15 voeten, moet worden opgemalen: tot in den jaare 1743, geschiedde zulks met vier watermolens, welken elkander het water toemaalden, doch ten gemelden jaare, of daaromtrent, gaf zekereAnthonij[3]de Jong, Koopman teAmsteldam, aan Dijkgraaf en Heemraaden van de Meir, een middel aan de hand om het gezegde opmaalen te doen met slechts twee molens, mits de schepladen uit dezelven te ligten, en zijne nieuw uitgevondene en geoctrooieerde waterschijven in derzelver plaatse te stellen, waarvan hij eene proef, ten zijnen koste, aan bood: dit werd toegestaan, en na dat men, den gehelen winter door dezelve in ’t werk gesteld, en aan de verwachting beantwoordende bevonden had, besloot het collegie van Dijkgraaf en Heemraaden, een beding met gemelden uitvinder, en zijnen medestanderHuibert Ketelaar, te maaken; om de Meir met twee schijfmolens te bemaalen en droog te houden; waartoe hij in de herfst van den jaare 1744, moest gereed weezen: deeze overeenkomst heeft sedert, zelfs boven verwachting, aan het oogmerk beantwoord; blijkens twee getuigschriften, een de dato 13 Mei des jaars 1745, en een van den 25 Mei 1747: „Beiden deeze molens,” leezen wij, „op eenen behoorelijken afstand geschikt, doen niet alleen het werk van de voorige vier molens; maar geraken ook met den minsten wind aan den gang, en slaan het water met veel gemak, uit, in den gemeenen boezem vanAmstelland; zij blijven zelfs in den hardsten vorst doormaalen, en zijn instaat de Meir, vroegtijdig, van het overtollig water te ontlasten:” het gemak dat deeze molens, behalven de vermindering van kosten, aanbrengen, verdient, naar onze gedachte, alle mogelijke lof, en navolging.NAAMSOORSPRONG.Diemermeirwordt dit verrukkelijk oord genoemd, om dat het nabijDiemenligt; doch de oorsprong van den naamWatergraftsmeiris geheel onzeker; wij zouden echter met sommigen eene bedenking kunnen maaken over de mogelijkheid, of niet het water van deeze Meir eerst bestaan heeft in een graft, die door de overstrooming tot een Meir is aangegroeid, waardoor voor[4]den naam vanWatergrafts-meir, dat is de Meir, die weleer slechts een graft, een watergraft was, eenen oorspronk zoude gevonden weezen. Hoe het hier mede zij, dit is zeker dat de waterplas, vóór de bedijking, groot genoeg geweest is, en ook diepte genoeg gehad heeft om met oorlogschepen bevaren te kunnen worden: niet ten onpasse wordt ten bewijze daarvan het volgende bijgebragt: „Omtrent den jaare 1508,” zegt men, „in denGelderschen oorlog, die HertogKareltegen deHollandersvoerde, na den dood vanFilipsvanOostenrijk, verweerden zig die vanAmsteldam, uit eene schans bij deIJpe-sloot, weleer een buurt, daar hetNieuwe diepde landen sedert heeft overstroomd; deeze schans werd gedekt door verscheidene schepen, op het IJ, en één op deDiemer-Meir; waardoor deGelderschengenoodzaakt werden aftewijken—en dergelijk middel van galeiën op de Meir,” vervolgt men, „met onderstand van schepen op het IJ, verdreef ook, in den jaare 1573, het volk vanSonnoij, het welk denDiemerdijkbemagtigd had, omHaarlemte verligten enAmsteldam, ’t welk toen deSpaansche zijdehield, te benaauwen; doch deeze benden werden zelven benaauwd, en een wakkere tegenstand konde haar niet bevrijden van den hongersnood door het missen van toevoer, waarom zij de opgeworpene schans bijIJpe-slootmoesten verlaaten.”AANLEGENGROOTTE.De aanleg deezer Meir moet zekerlijk gebragt worden op den tijd haarer bedijking, en droogmaaking: reeds vóór gezegde bedijking was de plas een eigendom van Burgemeesteren vanAmsteldam, „die in den jaare 1624,” dus luidt de beschrijving desaangaande: „met kennis en goedvinden van den Raad der stad, besloten deeze Meir te bedijken, en tot land te maaken; waartoe zij, in den zelfden jaare, octrooi van de Staaten vanHollandenWestfrieslandverkregen, met vele vrijdommen,[5]die gemeenlijk bij dergelijke onderneemingen worden vergund: dit octrooi werd in den jaare 1626 uitgebreid, door de vergunningen van de landen, kaden, wegen, als anderszins, ’t welk tot de bedijking nodig was van de eigenaars te mogen overneemen: volgends deeze octroojen, werd het werk der bedijking en droogmaaking tot stand gebragt, en de Meir was droog in den jaare 1629,” weshalven de aanleg van dit verrukkelijke oord moet gesteld worden tusschen 1624 en 1629: Burgemeesteren vanAmsteldamverkochten ook aanstonds de drooggemaakte landen, die naderhand, op de 31 julij des jaars 1631, gekaveld, en dus bij kavelingen van tien morgen, aan de koopers toegedeeld werden; en ten opzichte van die landen welken langs den ringmuurliggen, met eene toegift van omtrent één morgen, voor het oude land, aan den voorigen zoom van de Meir.Wat de grootte van ditAmstels paradijsbetreft, de dijk waarin hetzelve begrepen is, gemeenlijk de ringdijk genaamd, heeft eenen omtrek van 2500 roeden, en is rondsom, behalven aan denAmstelen hetNieuwe-diep, omvangen van eene bekwaame ringsloot, waarvan de visscherij aan de stadAmsteldambehoort, doch Burgemeesteren van die stad, zijn gewoon dit recht aan Dijkgraaven en Heemraaden der Meir, voor een zekere somme gelds in ’t jaar, ten behoeve dier plaatse, in pacht te laaten, die dit water in verscheidene parten weder aan visschers verhuuren.Verder vinden wij wegens de grootte der Meir het volgende aangetekend: „Bij het kavelen der landen in de Meir, werden 705 morgen lands uitgegeven; waarvan echter maar 662 morgen 301¾ roeden in de omslagen en gemeene lasten gelden: Burgemeesteren behielden alleen 30 morgen ten behoeve der stadAmsteldam, en uit dien hoofde het recht om als Hoofdingelanden zitting te hebben, tot het hooren van de jaarlijksche rekeningen, en te helpen beraadslaagen en besluiten over zaaken, die ’t Heemraadschap betreffen.”De aanleg is zeer regelmaatig geschiedt; de grond in zijn geheel is kruiswijs doorsneden, met twee breede gemeene wegen,[6]waardoor de Meir in vier deelen gedeeld wordt: de voornaamste deezer doorsneden is deMiddenweg, langs welke verscheidene lantaarns, tot gerief van de bewooneren en de reizigersgeplaatstzijn; er staan ook lantaarns langs den Ringdijk van deSchulpbrugtot aan het Rechthuis; de gezegde schoone breede laan, loopt van deOutewaaler, of zogenaamdeTolbrug, naar deHartsvelderofDiemer-brug; gezegdeOutewaaler-brug, draagt den naam vanTolbrug, om dat op dezelve een tolhek staat, aan ’t welke voor ieder Rijtuigen, een paard of hoornbeest, enz. dat er overgaat, iet moet betaald worden.Voorde schaapen betaalt men geen tol.De kruisweg, die den middenweg omtrent het midden doorsnijdt, begint aan het zandpad over den grootenDuivendrechtschen polder, en eindigt aan hetNieuwe-diep: beide deeze hoofdlaanen zijn grootendeels met opgaande ijpen- en linde-boomen beplant, die een schoon sieraad geeven, door de netheid waarmede zij onderhouden worden; „Verscheidene laanen,” dus luidt eene beknopte beschrijving deezer Meir, welke beschrijving echter veeleer nog te flaauw is dan dat zij eene onwaarheid zoude bevatten; „(Verscheidene laanen,) vermeerderen den luister deezer bedijking; deSchagerlaanis eene der aanzienlijksten, en heeft eenen rijweg naar de midden- en kruis-weg; zij strekt voor eene aangenaame wandeling onder het lommer der net geschorene ijpen-boomen, ter wederzijde van den weg, tot verlustiging van de wandelaaren die hier in den zomer menigvuldig zijn; de andere der voornaamste laanen die er gevonden worden zijn dePaauwenlaan, deGroene-ofBurghorst-laan, en deKlooster-ofSchulp-laan, die echter geenen doortogt hebben: alle deeze laanen en wegen, pronken met aangenaame tuinen, en deftige lusthoven, waarvan veele der landhuizen elkander in pracht trotseeren; ook wordt de bekoorelijkheid vermeerderd door de verscheidenheid der gezichten over de vruchtbaare weilanden, en net beplante moestuinen, terwijl het oor in de lente gestreeld wordt, door ’t gezang der schelle nachtegaalen, die in deeze oord bijzonder[7]haaren zetel verkozen hebben.” Zegt dan de zoetvloejendeWillinkwel te veel, wanneer hij van deeze Meir dus zingt:Zie hier het groene Diemermeir,Met al zijn hoven, al zijn tuinen,Hier over ’t veerijk veld, zo zeerVerheft zijn hooggestegen kruinen;Het ruime meir dat, prat en fier,Zijn hollen boezem ziet ontslagenVan ’t zeenat, dat, met woest getier,Zijn ouden erfgrond zit te knaagen,Door dijken veilig afgeweerd,Op dat geen vloed zijn welvaart deert.Verrukkend Meir, dat ieder wenktEn nodigt op uw hofbanketten,Waarmeê ge uw minnaars voedt en drenkt,Zo mild en rijklijk voortezetten,Gij lokt, gij trekt mij derwaards aan,Om door uw breede en groene dreeven,Naar uwe ruime maliebaan,Langs veld en hoven heen te streeven,Bij ’t klinken van het zoet geluid,Van ’t nachtegaalen orgelfluit.Aan iederen toegang tot de Meir, als ook aan het nieuwe diep en bij de kruislaan, aan het zandpad of de weespervaart, is een wachthuis geplaatst, tot verblijf der nachtwachten; voorheen werd door hen ronde gedaan, doch dit is sinds verscheidene jaaren niet meer in gebruik: er houden nu in ieder wachthuis twee man, en alzo tien zamen post; in den zomer van negen uuren des avonds, en ’s winters van half negen uuren, tot ’s morgens een half uur na het openen der poorten teAmsteldam: voords is ieder nachtwacht met een geladen geweer, een rondstok, en een hond gewapend. Er wordt in de Meir ook een goede brandspuit onderhouden, ten dienste van welke de inwooners verpligt zijn, ten ware zij voor het ontslag van dien dienst betaalen.[8]Het getal der huizen, waaronder met recht gezegd wordt, dat veele deftige en aanzienlijke landhuizen behooren, werdt in den jaare 1730 bepaald, op 227; dit getal is merkelijk verminderd, om dat sinds eenige jaaren verscheidene aanzienlijke buitenplaatsen gesloopt, en tot wei- of warmoesiers-land gemaakt zijn: deeze huizen worden bewoond, indien men er de gezinnen welken op de buitenplaatsen den zomer komen doorbrengen, bij telt, door 250 huisgezinnen; de eigenlijke bewooners der Meir, schat men op een tal van 500, de dienstboden daaronder niet begrepen: deezen zijn nagenoeg voor de helft den Gereformeerden Godsdienst toegedaan, die teDiemenof teAmsteldamter kerke gaan; de overige bewooners zijn van denRoomschen Godsdienst, (uitgezonderd eenige weinigeLutherschen,) behoorende voor een gedeelte onderDiemen, een gedeelte teAmsteldam, en het overige onder de kerk op hetHoedemaakerspad.HetWAPEN.Dit is een zwaan in waterriet; op het lijf der zwaane is een gewoon wapenschild, waarop de letters W. G. M.(Watergraftsmeir.)GODSDIENSTIGE GEBOUWEN.Onder dit artijkel kunnen wij voegelijk plaatsen het school, aldaar aangelegd in den jaare 1786, toen, (op den 1sten Augustus) het onderwijs begon: het staat aan den Ringdijk, niet verre van de Schulpbrug, en is een allezins aan het oogmerk voldoend gebouw; alle de kinderen uit de Meir worden aldaar ter schoole besteld, van wat kerk de ouders ook mogen weezen; betaalende daarvoor niet aan den Meester, die door de Regeering van de Meir op een bepaald tractement aangesteld wordt, maar aan gemelde Regeering zelve; ofschoon de Meester ook de vrijheid hebbe kinderen van buiten het district der Meir in zijne school te ontvangen, na alvoorens door de ouders derzelven, met Heeren[9]Gecommitteerden, (welke ook regeringsleden zijn) dieswegen is gesproken, en als dan een order-briefjen van dezelve aan hem wordt vertoond.Alle jaaren word ook door de opgemelde Heeren in de school, een examen met de kinderen gehouden, en eenige dagen na dat zulks is afgelopen, gaan alle de kinderen onder het opzigt van den meester twee aan twee naar het rechthuis op de zaal, alwaar als dan de geheele Regering vergadert, benevens een aantal aanzienlijke persoonen, welke ’s jaarlijks mildadig tot dit leerschool contribueeren, en wordt als dan aan alle de aanweezende persoonen den staat en balans van het school opengelegd, en vervolgends aan de meestgevorderde kinderen eenige boeken tot prijzen geschonken: de meester is ook verpligt de kinderen der geallimenteerden en de weezen in zijn school te onderwijzen.Een arm- of wees-huis, is in de Meir niet; de armen en weezen worden bij de ingezetenen besteed; de laatsten echter draagen geene onderscheidende, maar burger kleding.WERELDLIJKE GEBOUWEN.Het Rechthuis staat aan den hoek van den ringdijk, en de middenweg; is een allezins aanzienlijk gebouw, in den jaare 1777 geheel nieuw, en vierkant, van gebakkene steenen opgehaald; rondsom heeft het schuifraamen, en van vooren een bordes op colommen rustende: het pronkt ook met een geëvenredigd torentjen, met een slaande klok daarin; echter is in de kap van het gebouw een uurwerk, dat, naar buiten, de uuren wijst, op een wijzerplaat in het frontespies geplaatst—vóór het gebouw staan twee fraaje lantaarns, op steene pijlaaren.Toen het oude rechthuis nog aanwezig was, stond de strafplaats aan de zyde, maar nu is dezelve van vooren.Onder de wereldlijke gebouwen kan ook betrokken worden het tolhek voornoemd, op deOutewaalerbruggeplaatst; hetzelve staat tusschen twee fraaje hardsteenen pijlaaren; boven aan, aan de voor- en achter zijde, zijn in dezelven geplaatst marmere steenen,[10]waarop het wapen vanHolland, dat vanAmsteldam, dat van de Meir, en op het vierde leest men,anno1792, in welk jaar dit tolhuis aldus fraai vernieuwd is.REGEERING.Bij ’t verleenen van octrooi ter bedijkinge en droogmaakinge van deeze Meir, werd, ten aanzien van het Heemrecht vergund, dat de landen in de Meir geregeerd zoude worden, door Hoofdingelanden en eenen Dijkgraaf, (te kiezen uit een door hen gemaakte nominatie, bij de Staten of de Rekenkamer der Graaflijkheids domeinen,) midsgaders door Heemraaden, Penningmeester, en andere bedienden, die door de Hoofd-ingelanden zouden verkozen worden; naderhand, in den jaare 1629, verkregen hoofd-ingelanden, dat alle overdragten en gerechtlijke verbindenissen van vaste goederen in deDiemermeirzouden geschieden, ten overstaan, van Dijkgraaf en Heemraaden: middelerwijl bleef de Hooge en Civile Jurisdictie aan den Gerechte vanAmstelveen, Diemen, enOuderkerk, onder welken de landen van de Meir van ouds gelegen waren; doch daar de eigenlijke grondscheidingen, voor ieder, gevolglijk ook iederer Jurisdictie, niet gemaklijk konde worden bepaald, ontstond er niet zelden verschil over de rechtspleegingen, dat aanleiding tot veele ongeregeldheden gaf, alwaarom in den jaare 1640, bij de rekenkamer der Graaflijkheid vanHollandwerd besloten, aan Heemraaden te vergunnen de Crimineele en Civile Jurisdictie te oefenen met den Bailluw vanAmstelland, en dat de Dijkgraaf, na het overlijden, van den toen in leven zijnde Bailluw, te gelijk Bailluw van deDiemermeirzoude weezen; het welk Burgemeesteren vanAmsteldam, als Ambachtsheeren vanAmstelveen, ook toestonden, ten aanzien van de civile en dagelijksche Jurisdictie, voor zo verre aanging de gronden onder hun rechtsgebied vanAmsteldamin de Meir gelegen, behoudende de crimineele rechtsoefening aan zig: „Van dien tijd af,” vinden wij aangetekend, „zijn de Heemraaden ook Schepenen geweest”.Volgends deeze vergunning, bestaat de regeering over de[11]Diemermeirin twee Hoofdingelanden, verbeeldende Burgemeesteren der StadAmsteldam; den Dijkgraaf, vijf Schepenen of Heemraaden, in opzichte van hun onderscheiden bewind, van Heemraadschap, of crimineel en civiel rechtsgebied, benevens een Secretaris en een’ Penningmeester.De Dijkgraaf is volgends de bovengemelde schikking van de Graaflijksheid rekenkamer, ook Schout van de Meir; doch hij heeft een Substitut, die te gelijk Bode is, en in de Meir zijne woonplaats heeft: deeze heeft een’ justitie-dienaar onder zig.Burgemeesteren vanAmsteldambenoemen bij het openvallen van het Amt van Dijkgraaf, drie van de voornaamsten der Ingelanden, uit welken één door de Staaten vanHollandenWestfrieslandtot Dijkgraaf wordt gekozen; Burgemeesteren stellen ook den Secretaris aan, en verkiezen jaarlijks, het ééne jaar twee, en het andere jaar drie Heemraaden, uit de nominatie van een dubbeld getal, hun door Dijkgraaf en Heemraaden overgeleverd.De verdere bedieningen staan allen ter begeevinge van het Collegie van Dijkgraaf en Heemraaden, in hunne verscheidene betrekkingen, van de hoogste tot de laagste toe.Dit Collegie houdt zijne gewoone rechtdagen, op den eersten maandag in iedere maand: sedert de bedijking schijnt hetzelve in de Meir vergaderd te hebben; doch met den jaare 1645, werd het verplaatst naarAmsteldam, in de Corps de guarde van deRegulierspoort, welke plaats het Collegie op den 11 December des jaars 1645 daartoe vergund was: voor ruim honderd jaaren, (1693,) verkreeg het Collegie eene betere rechtkamer naamlijk onder in het stadhuis teAmsteldam, welke kamer het behield tot in den jaare 1716, toen dat vertrek tot een ander gebruik geschikt, en Dijkgraaf en Heemraaden van de Meir vergund werd te vergaderen, in het Stadhuis voornoemd, boven de kamer van Commissarissen van Zeezaaken, alwaar zij tegenwoordig ook nog hunne rechtdagen en vergaderingen houden.Onder de mindere Amtenaaren boven bedoeld, behoort de gaarder van ’s Lands imposten, welk amt niet door de Regeering, maar door gecommitteerde Raaden begeeven wordt; het[12]wordt thans bekleed door den Substitut Schout, de HeerMatthys Elsman.VOORRECHTENZie wegens het markten inAmsteldam, onder het artijkelBezigheden:het voorrecht dat de bewooners van deeze Meir van de Staaten vanHollandenWestfrieslandhebben bekomen, van naamlijk een tolhek op deOutewaalerbrugte mogen plaatsen, blijkt uit het voorgaande, alwaar wij van dat tolhek spreeken—Een ander voorrecht van deDiemermeir, mag genoemd worden, dat over den middenweg, die, gelijk wij boven reeds gezegd hebben, van deOutewaaler brug, tot aan deHartsvelder-ofDiemer brug, loopt, geene Hessenkarren gevoerd, of varkens gedreven mogen worden.Nog kan men het een voorrecht noemen, dat de bestuurders der Meir niet behoeven te gedogen dat des avonds na beslotene stads poorten, eenig vreemdling zig in dezelve op de openbaare wegen vertoonen; gelijk men in dat geval dan ook door de nachtwachts aangehouden wordt, en rekenschap van zijn daarzijn moet geeven; bij de minste twijfeling aan de waarheid des voorgeevens, of bij ondervinding van de onwaarheid deszelven, wordt men in bewaaringe gesteld.De Meir heeft ook het voorrecht, dat op haaren bodem geene nachtegaalen gevangen mogen worden.BEZIGHEDENDe welgelegenheid, en vruchtbaarheid der landen, in deDiemermeir, heeft dezelven meest tot moesland doen worden, dat een gedeelte van de inwooneren alhier een genoegzaam bestaan verschaft; zij brengen hunne voorraad meest teAmsteldamter markt; waartoe hen, benevens die van deBijlmermeir, eene bijzondere markt op dePrinsegragtter dier stede is vergund: behalven dat, hebben zij verlof ontvangen van driemaal ter week op het Oudekerksplein, en éénmaal op de joode Groenmarkt aldaar te mogen markten.[13]GESCHIEDENISSENWat de Historie deezer aangenaame Meir betreft, na dat dezelve drooggemaakt was, (zie hier voor Art.aanlegengrootte,) kreeg de bedijking, in den voornacht tusschen 5 en 6 Maart des jaars 1651 het ongeluk van een doorbraak, welke door een andere aan denDiemer zeedijk, bovenOutewaal, niet verre vanJaap hannes, veroorzaakt werd: het water liep omtrent de molen aan hetNieuwe diep, over den ringdijk van de Meir, en veroorzaakte daardoor een doorbraak, met een gat, ter lengte van omtrent 25 roeden, en eene diepte van 27 tot 30 voeten, beneden het winterwater; 16 voeten hoog stond het water in de Meir, en meest alles werd door de overstrooming vernield: evenwel was deeze ramp, hoe gewigtig, niet gewigtig genoeg om de ingelanden te doen wanhoopen aan het herstellen van hunnen vernielden arbeid, welke herstelling echter niet gemaklijk ten wege gebragt konde worden, dan door de Meir, die nu geheel onder water stond, weder te laaten uitmaalen, de gebouwen en beplantingen weder op te rechten en in stand te brengen, ten welken einde het octrooi van hunnen vrijdom voor den tijd van tien jaaren werd verlengd: onvermoeide arbeid kwam weder alles te boven; dan alleenlijk voor een zeer korten tijd: want in 1672, toen Nederland door het zwaard des oorlogs, die vervloekte geessel der verschrikkinge, geteisterd werd, moest de Meir niet weinig in dat akelig lot deelen;Naarden, de hoofdstad van het vermaaklijkGooiland, werd door deFranschenveroverd, waarom men met reden voorAmsteldambegon te duchten, het welk ten gevolge had, dat de dijk doorgestoken en geheel de Meir onder water gezet werd; doch dit was echter maar voor korten tijd, en niettegenstaande de veroorzaakte aanmerkelijke verwoesting, werd, zo dra de vijand was afgetrokken, alles in zijn ouden luister hersteld: te recht daarom zingt de dichterVan Borvan deeze Meir:[14]Meir wordt land en landen beeken,Wat Natuur al wondren teelt,Is niet mooglijk uittespreeken,Zo verwart zij in de weeld’!Nu pronkt zij haar kruin met Eiken,Dan met waternimfs sieraad,Nu weêr plant en bloem verrijkenCeres aangenaam gewaad;Plant en bloem en duizend vruchten,Schenkt er gunst te levren aan,Die haar oog en haar genuchtenKiezen in die weeldelaan, enz.In den jaare 1702, brak deDiemerofMuider Zeedijkweder door, het geen andermaal niet weinig bekommernis voor eene overstrooming van de Meir veroorzaakte; doch de ijver waarmede men de handen aan ’t werk sloeg, om overal waar men het noodig oordeelde den ringdijk van de Meir te versterken, werd met een gelukkigen uitslag bekroond; de Meir naamlijk leed geheel geene schade.In onze jongstledene onlusten, hebben de inwooners van deDiemermeirzig zeer onderscheiden in ijver voor de zaak der Vaderlandschgezinden; zij hebben zig met een ongemeenen ijver in de wapenhandel geoefend; het corps van den Rhijngraaf vanSalm, heeft aan het rechthuis een geruimen tijd in bezetting gelegen: bij het aannaderen derPruissen, was men er in geene geringe bekommering, niettegenstaande de gewapende ingezetenen moeds genoeg hadden om de vijand onder de oogen te gaan zien: de laage landen langs denOutewaalerweg, deelden in de gedaaneinundatie, en dePruissenhebben er vervolgends niet zeer verpligtend geleefd, trouwens aldaar nog beter dan elders; van tijd tot tijd ondernaamen voords eenige van de tegenpartij, voornaamlijk uitAmsteldam, baldaadigheden in de Meir te pleegen, doch de loflijke activiteit van den Substitut Schout, den HeereMatthysElsman, reeds gemeld, heeft hen gedwongen dat opzet te laaten vaaren.[15]BIJZONDERHEDEN,Onder deezen zoude in de daad geheel de Meir betrokken kunnen worden; met uitzondering verdienen de ongemeen prachtige lusthoven die er in gevonden worden den aandacht van den wandelaar; die op den hoek van denKruisweg, aan denWeesper weg, pronkt met een zeer fraajeTurkschetent, staande op het wachthuis dat aan dien ingang geplaatst is.—Het tegenwoordige rechthuis, en het tolhek, is mede der bezichtiginge dubbeld waardig.Weleer was ten einde van deSchagerlaan, ook een fraaje Maliebaan, ter uitspanninge van de geenen die zig aldaar kwamen verlustigen; deeze laan had eene lengte van 173 roeden, in haare behoorelijke beschotten ingesloten; aan beide zijde van dezelve stond een rei hoogopgaande en aan de binnenzijde plat geschorene boomen, die eene zeer aangenaame vertooning maakten, en welke aangenaamheid niet weinig vergroot werd, door de lusthoven ter wederzijde langs de rijwegen gelegen: de herberg aan het begin der baane, en die nog aanwezig is, had de huur deezer laane, gelijk zij ook nog hetMaliehuisheet—Behalven met het maliespel, plagt men zig in deeze baan ook niet zelden te vermaaken met het zogenaamd blindloopen, bestaande in eene weddingschap om geblinddoekt de baan overlangs doorteloopen, zonder tegen de zijschotten aantestooten; doch niettegenstaande de menigte gasten welken door deeze vermaaken, zo wel als door de aangenaamheid van den oord derwaards gelokt werden, is de baan van tijd tot tijd zo verre vervallen, dat zij tot eene harddraavers baan gebruikt werd, en eindelijk geheel verdweenen is, gelijk men er thans niet meer van ziet dan de grazige vlakte alwaar dezelve gelegen geweest is.[16]HERBERGEN,Rozendaal.De Schulp.Het Rechthuis.De Maliebaan.Voords nog vier in deSchaagerlaan, die echter sedert eenigen tijd geene andere tap-actens bekomen dan van bier, coffij en thee.REISGELEGENHEDEN,Om zodanig eens te noemen de gelegenheden die in deeze Meir gevonden worden, om in dezelve, en van daar naar elders te komen: die gelegenheden zijn de toegangen reeds gemeld; behalven deezen, ligt digt bij het tolhek op denOutewaaler wegnog een pad dat op den hoogendijk nabijZeeburguitkomt; op gemelden weg is ook nog een pad, waarmede men op denWeesperwegkomt: met de gewooneMuider-enWeesper-schuitenkan men ook vanAmsteldamnaar deSchulpbrug, of van daar derwaards vaaren: aan gemelde brug, in de ringsloot, vindt men des zomers zondags en maandags, gemeenlijk ook nog een zogenaamd Ossemarkts jagtjen, waarmede men voor één stuiver de persoon, naar de stad vaart; deUtrechtsche wegopgewandeld zijnde, tot over den ringdijk, wordt men voor vier duiten de persoon, ook over deAmstelgevaaren.Aan het tolhek vaart ook een geregelde veerschuit naarAmsteldam, des zomers maandag, woensdag en vrijdag, ’s morgens vroeg, en van daar te rug, op dezelfde dagen, ’s middags ten 12 uure: des winters vaart deeze schuit alleenlijk maandags en vrijdags.Toen de Maliebaan nog in stand en bloei was, reed des zondags en maandags, van even buiten den Muiderpoort, eene soort van Post- of zogenaamde Bolder-wagen, naar gezegde baan, en terug; dit was een veer, doch zonder bepaalde uuren; de vracht voor ieder persoon was 2½ stuiver: sedert het vervallen der Maliebaan is dit veer ook te niet geraakt.[1]

[Inhoud]DEDIEMER-OFWATERGRAFTS-MEIR.Onder de aangenaame wandelingen waarmede het wereldberoemdAmsteldam, in zijnen ommekring pronkt, behoort ongetwijfeld de vermaaklijkeDiemer-ofWatergrafts-meir, te aanmerkelijker daar dezelve door de hand der kunst, en door het taai geduld van den noesten arbeid uit het water voordgebracht is; waarom zeker dichter te recht zingt:Waar de gladde vischjens zwierdenIn het spieglend element,En daar ’t taaje fuikjens cierdenZijn nu kluitjens voor de lent.DeLIGGING,Deezer bekoorelijke plaats, kan gezegd worden te zijn, ten noorden aan denOutewaaler polder, ten oosten, en gedeeltelijk ten zuiden aan de banne vanDiemen, en verder ten zuiden[2]aan deDuivendrechtsche polder, in de banne vanOuderkerk; ten westen wordt zij door denAmstelstroomafgescheiden van de rechtbanne vanAmstelveen—zo vermaaklijk als de Meir zelve is, zo vermaaklijk zijn ook de wegen derwaards, vanAmsteldamaf; deezen zijnnaamlijk, een langs de rivier deAmstelvoornoemd, tot op een vierde uurs, of omtrent 400 roeden van de stads cingel, alwaar de zogenaamdeSchulpbrugligt, en de ringdijk waarin de Meirbesloten is, zijn begin neemt; hetzelfde pad vervolgende, naamlijk langs denWeesperweg, komt men aan het begin van denKruiswegder Meir, alwaar men derhalven ook daarin kan komen: de andere weg, die deOudewaaler weggeheten wordt, ligt op meer dan een vierde minder ver van de stad af, naamlijk buiten deMuiderpoort, en is een zeer vermaaklijke weg, aan wederzijde beplant met boomen; aan den eenen kant is een genoegzaam breed pad voor de wandelaars door een tweede rei boomen afgebakend, welk pad weleer zeer zindelijk onderhouden werd met smids koolen; nog was in vroegere jaaren tusschen gezegde boomen, eene heining van haagedoorn geplant, die, vooral als zij bloeide, eene zeer aangenaame vertooning maakte; ook waren de bestuurders derMeirtot zo verre daarmede vooringenomen, (en niet zonder reden,) dat op zondag, en vooral op hoogtijdsdagen, met naame hemelvaartsdag, een oppasser langs dezelve ging, om, (wegens de bij zulks gelegenheid ongemeenen toevloed van wandelaars,) alle baldaadigheden te voorkomen; doch sedert is die cieraad der Meir geheel te niet gegaan, zo dat men thans, dat hoogst te beklaagen is, niets meer van die haag ontmoet.—Zie verder ons artijkelaanlegengrootte.De grond van deeze droogmaak, is ongemeen vet en vruchtbaar, men heeft er de schoonste wei- en warmoes-landen: de landen liggen ter diepte van 14 voeten beneden het buitenwater, zo dat het overige polderwater, ter hoogte van 15 voeten, moet worden opgemalen: tot in den jaare 1743, geschiedde zulks met vier watermolens, welken elkander het water toemaalden, doch ten gemelden jaare, of daaromtrent, gaf zekereAnthonij[3]de Jong, Koopman teAmsteldam, aan Dijkgraaf en Heemraaden van de Meir, een middel aan de hand om het gezegde opmaalen te doen met slechts twee molens, mits de schepladen uit dezelven te ligten, en zijne nieuw uitgevondene en geoctrooieerde waterschijven in derzelver plaatse te stellen, waarvan hij eene proef, ten zijnen koste, aan bood: dit werd toegestaan, en na dat men, den gehelen winter door dezelve in ’t werk gesteld, en aan de verwachting beantwoordende bevonden had, besloot het collegie van Dijkgraaf en Heemraaden, een beding met gemelden uitvinder, en zijnen medestanderHuibert Ketelaar, te maaken; om de Meir met twee schijfmolens te bemaalen en droog te houden; waartoe hij in de herfst van den jaare 1744, moest gereed weezen: deeze overeenkomst heeft sedert, zelfs boven verwachting, aan het oogmerk beantwoord; blijkens twee getuigschriften, een de dato 13 Mei des jaars 1745, en een van den 25 Mei 1747: „Beiden deeze molens,” leezen wij, „op eenen behoorelijken afstand geschikt, doen niet alleen het werk van de voorige vier molens; maar geraken ook met den minsten wind aan den gang, en slaan het water met veel gemak, uit, in den gemeenen boezem vanAmstelland; zij blijven zelfs in den hardsten vorst doormaalen, en zijn instaat de Meir, vroegtijdig, van het overtollig water te ontlasten:” het gemak dat deeze molens, behalven de vermindering van kosten, aanbrengen, verdient, naar onze gedachte, alle mogelijke lof, en navolging.NAAMSOORSPRONG.Diemermeirwordt dit verrukkelijk oord genoemd, om dat het nabijDiemenligt; doch de oorsprong van den naamWatergraftsmeiris geheel onzeker; wij zouden echter met sommigen eene bedenking kunnen maaken over de mogelijkheid, of niet het water van deeze Meir eerst bestaan heeft in een graft, die door de overstrooming tot een Meir is aangegroeid, waardoor voor[4]den naam vanWatergrafts-meir, dat is de Meir, die weleer slechts een graft, een watergraft was, eenen oorspronk zoude gevonden weezen. Hoe het hier mede zij, dit is zeker dat de waterplas, vóór de bedijking, groot genoeg geweest is, en ook diepte genoeg gehad heeft om met oorlogschepen bevaren te kunnen worden: niet ten onpasse wordt ten bewijze daarvan het volgende bijgebragt: „Omtrent den jaare 1508,” zegt men, „in denGelderschen oorlog, die HertogKareltegen deHollandersvoerde, na den dood vanFilipsvanOostenrijk, verweerden zig die vanAmsteldam, uit eene schans bij deIJpe-sloot, weleer een buurt, daar hetNieuwe diepde landen sedert heeft overstroomd; deeze schans werd gedekt door verscheidene schepen, op het IJ, en één op deDiemer-Meir; waardoor deGelderschengenoodzaakt werden aftewijken—en dergelijk middel van galeiën op de Meir,” vervolgt men, „met onderstand van schepen op het IJ, verdreef ook, in den jaare 1573, het volk vanSonnoij, het welk denDiemerdijkbemagtigd had, omHaarlemte verligten enAmsteldam, ’t welk toen deSpaansche zijdehield, te benaauwen; doch deeze benden werden zelven benaauwd, en een wakkere tegenstand konde haar niet bevrijden van den hongersnood door het missen van toevoer, waarom zij de opgeworpene schans bijIJpe-slootmoesten verlaaten.”AANLEGENGROOTTE.De aanleg deezer Meir moet zekerlijk gebragt worden op den tijd haarer bedijking, en droogmaaking: reeds vóór gezegde bedijking was de plas een eigendom van Burgemeesteren vanAmsteldam, „die in den jaare 1624,” dus luidt de beschrijving desaangaande: „met kennis en goedvinden van den Raad der stad, besloten deeze Meir te bedijken, en tot land te maaken; waartoe zij, in den zelfden jaare, octrooi van de Staaten vanHollandenWestfrieslandverkregen, met vele vrijdommen,[5]die gemeenlijk bij dergelijke onderneemingen worden vergund: dit octrooi werd in den jaare 1626 uitgebreid, door de vergunningen van de landen, kaden, wegen, als anderszins, ’t welk tot de bedijking nodig was van de eigenaars te mogen overneemen: volgends deeze octroojen, werd het werk der bedijking en droogmaaking tot stand gebragt, en de Meir was droog in den jaare 1629,” weshalven de aanleg van dit verrukkelijke oord moet gesteld worden tusschen 1624 en 1629: Burgemeesteren vanAmsteldamverkochten ook aanstonds de drooggemaakte landen, die naderhand, op de 31 julij des jaars 1631, gekaveld, en dus bij kavelingen van tien morgen, aan de koopers toegedeeld werden; en ten opzichte van die landen welken langs den ringmuurliggen, met eene toegift van omtrent één morgen, voor het oude land, aan den voorigen zoom van de Meir.Wat de grootte van ditAmstels paradijsbetreft, de dijk waarin hetzelve begrepen is, gemeenlijk de ringdijk genaamd, heeft eenen omtrek van 2500 roeden, en is rondsom, behalven aan denAmstelen hetNieuwe-diep, omvangen van eene bekwaame ringsloot, waarvan de visscherij aan de stadAmsteldambehoort, doch Burgemeesteren van die stad, zijn gewoon dit recht aan Dijkgraaven en Heemraaden der Meir, voor een zekere somme gelds in ’t jaar, ten behoeve dier plaatse, in pacht te laaten, die dit water in verscheidene parten weder aan visschers verhuuren.Verder vinden wij wegens de grootte der Meir het volgende aangetekend: „Bij het kavelen der landen in de Meir, werden 705 morgen lands uitgegeven; waarvan echter maar 662 morgen 301¾ roeden in de omslagen en gemeene lasten gelden: Burgemeesteren behielden alleen 30 morgen ten behoeve der stadAmsteldam, en uit dien hoofde het recht om als Hoofdingelanden zitting te hebben, tot het hooren van de jaarlijksche rekeningen, en te helpen beraadslaagen en besluiten over zaaken, die ’t Heemraadschap betreffen.”De aanleg is zeer regelmaatig geschiedt; de grond in zijn geheel is kruiswijs doorsneden, met twee breede gemeene wegen,[6]waardoor de Meir in vier deelen gedeeld wordt: de voornaamste deezer doorsneden is deMiddenweg, langs welke verscheidene lantaarns, tot gerief van de bewooneren en de reizigersgeplaatstzijn; er staan ook lantaarns langs den Ringdijk van deSchulpbrugtot aan het Rechthuis; de gezegde schoone breede laan, loopt van deOutewaaler, of zogenaamdeTolbrug, naar deHartsvelderofDiemer-brug; gezegdeOutewaaler-brug, draagt den naam vanTolbrug, om dat op dezelve een tolhek staat, aan ’t welke voor ieder Rijtuigen, een paard of hoornbeest, enz. dat er overgaat, iet moet betaald worden.Voorde schaapen betaalt men geen tol.De kruisweg, die den middenweg omtrent het midden doorsnijdt, begint aan het zandpad over den grootenDuivendrechtschen polder, en eindigt aan hetNieuwe-diep: beide deeze hoofdlaanen zijn grootendeels met opgaande ijpen- en linde-boomen beplant, die een schoon sieraad geeven, door de netheid waarmede zij onderhouden worden; „Verscheidene laanen,” dus luidt eene beknopte beschrijving deezer Meir, welke beschrijving echter veeleer nog te flaauw is dan dat zij eene onwaarheid zoude bevatten; „(Verscheidene laanen,) vermeerderen den luister deezer bedijking; deSchagerlaanis eene der aanzienlijksten, en heeft eenen rijweg naar de midden- en kruis-weg; zij strekt voor eene aangenaame wandeling onder het lommer der net geschorene ijpen-boomen, ter wederzijde van den weg, tot verlustiging van de wandelaaren die hier in den zomer menigvuldig zijn; de andere der voornaamste laanen die er gevonden worden zijn dePaauwenlaan, deGroene-ofBurghorst-laan, en deKlooster-ofSchulp-laan, die echter geenen doortogt hebben: alle deeze laanen en wegen, pronken met aangenaame tuinen, en deftige lusthoven, waarvan veele der landhuizen elkander in pracht trotseeren; ook wordt de bekoorelijkheid vermeerderd door de verscheidenheid der gezichten over de vruchtbaare weilanden, en net beplante moestuinen, terwijl het oor in de lente gestreeld wordt, door ’t gezang der schelle nachtegaalen, die in deeze oord bijzonder[7]haaren zetel verkozen hebben.” Zegt dan de zoetvloejendeWillinkwel te veel, wanneer hij van deeze Meir dus zingt:Zie hier het groene Diemermeir,Met al zijn hoven, al zijn tuinen,Hier over ’t veerijk veld, zo zeerVerheft zijn hooggestegen kruinen;Het ruime meir dat, prat en fier,Zijn hollen boezem ziet ontslagenVan ’t zeenat, dat, met woest getier,Zijn ouden erfgrond zit te knaagen,Door dijken veilig afgeweerd,Op dat geen vloed zijn welvaart deert.Verrukkend Meir, dat ieder wenktEn nodigt op uw hofbanketten,Waarmeê ge uw minnaars voedt en drenkt,Zo mild en rijklijk voortezetten,Gij lokt, gij trekt mij derwaards aan,Om door uw breede en groene dreeven,Naar uwe ruime maliebaan,Langs veld en hoven heen te streeven,Bij ’t klinken van het zoet geluid,Van ’t nachtegaalen orgelfluit.Aan iederen toegang tot de Meir, als ook aan het nieuwe diep en bij de kruislaan, aan het zandpad of de weespervaart, is een wachthuis geplaatst, tot verblijf der nachtwachten; voorheen werd door hen ronde gedaan, doch dit is sinds verscheidene jaaren niet meer in gebruik: er houden nu in ieder wachthuis twee man, en alzo tien zamen post; in den zomer van negen uuren des avonds, en ’s winters van half negen uuren, tot ’s morgens een half uur na het openen der poorten teAmsteldam: voords is ieder nachtwacht met een geladen geweer, een rondstok, en een hond gewapend. Er wordt in de Meir ook een goede brandspuit onderhouden, ten dienste van welke de inwooners verpligt zijn, ten ware zij voor het ontslag van dien dienst betaalen.[8]Het getal der huizen, waaronder met recht gezegd wordt, dat veele deftige en aanzienlijke landhuizen behooren, werdt in den jaare 1730 bepaald, op 227; dit getal is merkelijk verminderd, om dat sinds eenige jaaren verscheidene aanzienlijke buitenplaatsen gesloopt, en tot wei- of warmoesiers-land gemaakt zijn: deeze huizen worden bewoond, indien men er de gezinnen welken op de buitenplaatsen den zomer komen doorbrengen, bij telt, door 250 huisgezinnen; de eigenlijke bewooners der Meir, schat men op een tal van 500, de dienstboden daaronder niet begrepen: deezen zijn nagenoeg voor de helft den Gereformeerden Godsdienst toegedaan, die teDiemenof teAmsteldamter kerke gaan; de overige bewooners zijn van denRoomschen Godsdienst, (uitgezonderd eenige weinigeLutherschen,) behoorende voor een gedeelte onderDiemen, een gedeelte teAmsteldam, en het overige onder de kerk op hetHoedemaakerspad.HetWAPEN.Dit is een zwaan in waterriet; op het lijf der zwaane is een gewoon wapenschild, waarop de letters W. G. M.(Watergraftsmeir.)GODSDIENSTIGE GEBOUWEN.Onder dit artijkel kunnen wij voegelijk plaatsen het school, aldaar aangelegd in den jaare 1786, toen, (op den 1sten Augustus) het onderwijs begon: het staat aan den Ringdijk, niet verre van de Schulpbrug, en is een allezins aan het oogmerk voldoend gebouw; alle de kinderen uit de Meir worden aldaar ter schoole besteld, van wat kerk de ouders ook mogen weezen; betaalende daarvoor niet aan den Meester, die door de Regeering van de Meir op een bepaald tractement aangesteld wordt, maar aan gemelde Regeering zelve; ofschoon de Meester ook de vrijheid hebbe kinderen van buiten het district der Meir in zijne school te ontvangen, na alvoorens door de ouders derzelven, met Heeren[9]Gecommitteerden, (welke ook regeringsleden zijn) dieswegen is gesproken, en als dan een order-briefjen van dezelve aan hem wordt vertoond.Alle jaaren word ook door de opgemelde Heeren in de school, een examen met de kinderen gehouden, en eenige dagen na dat zulks is afgelopen, gaan alle de kinderen onder het opzigt van den meester twee aan twee naar het rechthuis op de zaal, alwaar als dan de geheele Regering vergadert, benevens een aantal aanzienlijke persoonen, welke ’s jaarlijks mildadig tot dit leerschool contribueeren, en wordt als dan aan alle de aanweezende persoonen den staat en balans van het school opengelegd, en vervolgends aan de meestgevorderde kinderen eenige boeken tot prijzen geschonken: de meester is ook verpligt de kinderen der geallimenteerden en de weezen in zijn school te onderwijzen.Een arm- of wees-huis, is in de Meir niet; de armen en weezen worden bij de ingezetenen besteed; de laatsten echter draagen geene onderscheidende, maar burger kleding.WERELDLIJKE GEBOUWEN.Het Rechthuis staat aan den hoek van den ringdijk, en de middenweg; is een allezins aanzienlijk gebouw, in den jaare 1777 geheel nieuw, en vierkant, van gebakkene steenen opgehaald; rondsom heeft het schuifraamen, en van vooren een bordes op colommen rustende: het pronkt ook met een geëvenredigd torentjen, met een slaande klok daarin; echter is in de kap van het gebouw een uurwerk, dat, naar buiten, de uuren wijst, op een wijzerplaat in het frontespies geplaatst—vóór het gebouw staan twee fraaje lantaarns, op steene pijlaaren.Toen het oude rechthuis nog aanwezig was, stond de strafplaats aan de zyde, maar nu is dezelve van vooren.Onder de wereldlijke gebouwen kan ook betrokken worden het tolhek voornoemd, op deOutewaalerbruggeplaatst; hetzelve staat tusschen twee fraaje hardsteenen pijlaaren; boven aan, aan de voor- en achter zijde, zijn in dezelven geplaatst marmere steenen,[10]waarop het wapen vanHolland, dat vanAmsteldam, dat van de Meir, en op het vierde leest men,anno1792, in welk jaar dit tolhuis aldus fraai vernieuwd is.REGEERING.Bij ’t verleenen van octrooi ter bedijkinge en droogmaakinge van deeze Meir, werd, ten aanzien van het Heemrecht vergund, dat de landen in de Meir geregeerd zoude worden, door Hoofdingelanden en eenen Dijkgraaf, (te kiezen uit een door hen gemaakte nominatie, bij de Staten of de Rekenkamer der Graaflijkheids domeinen,) midsgaders door Heemraaden, Penningmeester, en andere bedienden, die door de Hoofd-ingelanden zouden verkozen worden; naderhand, in den jaare 1629, verkregen hoofd-ingelanden, dat alle overdragten en gerechtlijke verbindenissen van vaste goederen in deDiemermeirzouden geschieden, ten overstaan, van Dijkgraaf en Heemraaden: middelerwijl bleef de Hooge en Civile Jurisdictie aan den Gerechte vanAmstelveen, Diemen, enOuderkerk, onder welken de landen van de Meir van ouds gelegen waren; doch daar de eigenlijke grondscheidingen, voor ieder, gevolglijk ook iederer Jurisdictie, niet gemaklijk konde worden bepaald, ontstond er niet zelden verschil over de rechtspleegingen, dat aanleiding tot veele ongeregeldheden gaf, alwaarom in den jaare 1640, bij de rekenkamer der Graaflijkheid vanHollandwerd besloten, aan Heemraaden te vergunnen de Crimineele en Civile Jurisdictie te oefenen met den Bailluw vanAmstelland, en dat de Dijkgraaf, na het overlijden, van den toen in leven zijnde Bailluw, te gelijk Bailluw van deDiemermeirzoude weezen; het welk Burgemeesteren vanAmsteldam, als Ambachtsheeren vanAmstelveen, ook toestonden, ten aanzien van de civile en dagelijksche Jurisdictie, voor zo verre aanging de gronden onder hun rechtsgebied vanAmsteldamin de Meir gelegen, behoudende de crimineele rechtsoefening aan zig: „Van dien tijd af,” vinden wij aangetekend, „zijn de Heemraaden ook Schepenen geweest”.Volgends deeze vergunning, bestaat de regeering over de[11]Diemermeirin twee Hoofdingelanden, verbeeldende Burgemeesteren der StadAmsteldam; den Dijkgraaf, vijf Schepenen of Heemraaden, in opzichte van hun onderscheiden bewind, van Heemraadschap, of crimineel en civiel rechtsgebied, benevens een Secretaris en een’ Penningmeester.De Dijkgraaf is volgends de bovengemelde schikking van de Graaflijksheid rekenkamer, ook Schout van de Meir; doch hij heeft een Substitut, die te gelijk Bode is, en in de Meir zijne woonplaats heeft: deeze heeft een’ justitie-dienaar onder zig.Burgemeesteren vanAmsteldambenoemen bij het openvallen van het Amt van Dijkgraaf, drie van de voornaamsten der Ingelanden, uit welken één door de Staaten vanHollandenWestfrieslandtot Dijkgraaf wordt gekozen; Burgemeesteren stellen ook den Secretaris aan, en verkiezen jaarlijks, het ééne jaar twee, en het andere jaar drie Heemraaden, uit de nominatie van een dubbeld getal, hun door Dijkgraaf en Heemraaden overgeleverd.De verdere bedieningen staan allen ter begeevinge van het Collegie van Dijkgraaf en Heemraaden, in hunne verscheidene betrekkingen, van de hoogste tot de laagste toe.Dit Collegie houdt zijne gewoone rechtdagen, op den eersten maandag in iedere maand: sedert de bedijking schijnt hetzelve in de Meir vergaderd te hebben; doch met den jaare 1645, werd het verplaatst naarAmsteldam, in de Corps de guarde van deRegulierspoort, welke plaats het Collegie op den 11 December des jaars 1645 daartoe vergund was: voor ruim honderd jaaren, (1693,) verkreeg het Collegie eene betere rechtkamer naamlijk onder in het stadhuis teAmsteldam, welke kamer het behield tot in den jaare 1716, toen dat vertrek tot een ander gebruik geschikt, en Dijkgraaf en Heemraaden van de Meir vergund werd te vergaderen, in het Stadhuis voornoemd, boven de kamer van Commissarissen van Zeezaaken, alwaar zij tegenwoordig ook nog hunne rechtdagen en vergaderingen houden.Onder de mindere Amtenaaren boven bedoeld, behoort de gaarder van ’s Lands imposten, welk amt niet door de Regeering, maar door gecommitteerde Raaden begeeven wordt; het[12]wordt thans bekleed door den Substitut Schout, de HeerMatthys Elsman.VOORRECHTENZie wegens het markten inAmsteldam, onder het artijkelBezigheden:het voorrecht dat de bewooners van deeze Meir van de Staaten vanHollandenWestfrieslandhebben bekomen, van naamlijk een tolhek op deOutewaalerbrugte mogen plaatsen, blijkt uit het voorgaande, alwaar wij van dat tolhek spreeken—Een ander voorrecht van deDiemermeir, mag genoemd worden, dat over den middenweg, die, gelijk wij boven reeds gezegd hebben, van deOutewaaler brug, tot aan deHartsvelder-ofDiemer brug, loopt, geene Hessenkarren gevoerd, of varkens gedreven mogen worden.Nog kan men het een voorrecht noemen, dat de bestuurders der Meir niet behoeven te gedogen dat des avonds na beslotene stads poorten, eenig vreemdling zig in dezelve op de openbaare wegen vertoonen; gelijk men in dat geval dan ook door de nachtwachts aangehouden wordt, en rekenschap van zijn daarzijn moet geeven; bij de minste twijfeling aan de waarheid des voorgeevens, of bij ondervinding van de onwaarheid deszelven, wordt men in bewaaringe gesteld.De Meir heeft ook het voorrecht, dat op haaren bodem geene nachtegaalen gevangen mogen worden.BEZIGHEDENDe welgelegenheid, en vruchtbaarheid der landen, in deDiemermeir, heeft dezelven meest tot moesland doen worden, dat een gedeelte van de inwooneren alhier een genoegzaam bestaan verschaft; zij brengen hunne voorraad meest teAmsteldamter markt; waartoe hen, benevens die van deBijlmermeir, eene bijzondere markt op dePrinsegragtter dier stede is vergund: behalven dat, hebben zij verlof ontvangen van driemaal ter week op het Oudekerksplein, en éénmaal op de joode Groenmarkt aldaar te mogen markten.[13]GESCHIEDENISSENWat de Historie deezer aangenaame Meir betreft, na dat dezelve drooggemaakt was, (zie hier voor Art.aanlegengrootte,) kreeg de bedijking, in den voornacht tusschen 5 en 6 Maart des jaars 1651 het ongeluk van een doorbraak, welke door een andere aan denDiemer zeedijk, bovenOutewaal, niet verre vanJaap hannes, veroorzaakt werd: het water liep omtrent de molen aan hetNieuwe diep, over den ringdijk van de Meir, en veroorzaakte daardoor een doorbraak, met een gat, ter lengte van omtrent 25 roeden, en eene diepte van 27 tot 30 voeten, beneden het winterwater; 16 voeten hoog stond het water in de Meir, en meest alles werd door de overstrooming vernield: evenwel was deeze ramp, hoe gewigtig, niet gewigtig genoeg om de ingelanden te doen wanhoopen aan het herstellen van hunnen vernielden arbeid, welke herstelling echter niet gemaklijk ten wege gebragt konde worden, dan door de Meir, die nu geheel onder water stond, weder te laaten uitmaalen, de gebouwen en beplantingen weder op te rechten en in stand te brengen, ten welken einde het octrooi van hunnen vrijdom voor den tijd van tien jaaren werd verlengd: onvermoeide arbeid kwam weder alles te boven; dan alleenlijk voor een zeer korten tijd: want in 1672, toen Nederland door het zwaard des oorlogs, die vervloekte geessel der verschrikkinge, geteisterd werd, moest de Meir niet weinig in dat akelig lot deelen;Naarden, de hoofdstad van het vermaaklijkGooiland, werd door deFranschenveroverd, waarom men met reden voorAmsteldambegon te duchten, het welk ten gevolge had, dat de dijk doorgestoken en geheel de Meir onder water gezet werd; doch dit was echter maar voor korten tijd, en niettegenstaande de veroorzaakte aanmerkelijke verwoesting, werd, zo dra de vijand was afgetrokken, alles in zijn ouden luister hersteld: te recht daarom zingt de dichterVan Borvan deeze Meir:[14]Meir wordt land en landen beeken,Wat Natuur al wondren teelt,Is niet mooglijk uittespreeken,Zo verwart zij in de weeld’!Nu pronkt zij haar kruin met Eiken,Dan met waternimfs sieraad,Nu weêr plant en bloem verrijkenCeres aangenaam gewaad;Plant en bloem en duizend vruchten,Schenkt er gunst te levren aan,Die haar oog en haar genuchtenKiezen in die weeldelaan, enz.In den jaare 1702, brak deDiemerofMuider Zeedijkweder door, het geen andermaal niet weinig bekommernis voor eene overstrooming van de Meir veroorzaakte; doch de ijver waarmede men de handen aan ’t werk sloeg, om overal waar men het noodig oordeelde den ringdijk van de Meir te versterken, werd met een gelukkigen uitslag bekroond; de Meir naamlijk leed geheel geene schade.In onze jongstledene onlusten, hebben de inwooners van deDiemermeirzig zeer onderscheiden in ijver voor de zaak der Vaderlandschgezinden; zij hebben zig met een ongemeenen ijver in de wapenhandel geoefend; het corps van den Rhijngraaf vanSalm, heeft aan het rechthuis een geruimen tijd in bezetting gelegen: bij het aannaderen derPruissen, was men er in geene geringe bekommering, niettegenstaande de gewapende ingezetenen moeds genoeg hadden om de vijand onder de oogen te gaan zien: de laage landen langs denOutewaalerweg, deelden in de gedaaneinundatie, en dePruissenhebben er vervolgends niet zeer verpligtend geleefd, trouwens aldaar nog beter dan elders; van tijd tot tijd ondernaamen voords eenige van de tegenpartij, voornaamlijk uitAmsteldam, baldaadigheden in de Meir te pleegen, doch de loflijke activiteit van den Substitut Schout, den HeereMatthysElsman, reeds gemeld, heeft hen gedwongen dat opzet te laaten vaaren.[15]BIJZONDERHEDEN,Onder deezen zoude in de daad geheel de Meir betrokken kunnen worden; met uitzondering verdienen de ongemeen prachtige lusthoven die er in gevonden worden den aandacht van den wandelaar; die op den hoek van denKruisweg, aan denWeesper weg, pronkt met een zeer fraajeTurkschetent, staande op het wachthuis dat aan dien ingang geplaatst is.—Het tegenwoordige rechthuis, en het tolhek, is mede der bezichtiginge dubbeld waardig.Weleer was ten einde van deSchagerlaan, ook een fraaje Maliebaan, ter uitspanninge van de geenen die zig aldaar kwamen verlustigen; deeze laan had eene lengte van 173 roeden, in haare behoorelijke beschotten ingesloten; aan beide zijde van dezelve stond een rei hoogopgaande en aan de binnenzijde plat geschorene boomen, die eene zeer aangenaame vertooning maakten, en welke aangenaamheid niet weinig vergroot werd, door de lusthoven ter wederzijde langs de rijwegen gelegen: de herberg aan het begin der baane, en die nog aanwezig is, had de huur deezer laane, gelijk zij ook nog hetMaliehuisheet—Behalven met het maliespel, plagt men zig in deeze baan ook niet zelden te vermaaken met het zogenaamd blindloopen, bestaande in eene weddingschap om geblinddoekt de baan overlangs doorteloopen, zonder tegen de zijschotten aantestooten; doch niettegenstaande de menigte gasten welken door deeze vermaaken, zo wel als door de aangenaamheid van den oord derwaards gelokt werden, is de baan van tijd tot tijd zo verre vervallen, dat zij tot eene harddraavers baan gebruikt werd, en eindelijk geheel verdweenen is, gelijk men er thans niet meer van ziet dan de grazige vlakte alwaar dezelve gelegen geweest is.[16]HERBERGEN,Rozendaal.De Schulp.Het Rechthuis.De Maliebaan.Voords nog vier in deSchaagerlaan, die echter sedert eenigen tijd geene andere tap-actens bekomen dan van bier, coffij en thee.REISGELEGENHEDEN,Om zodanig eens te noemen de gelegenheden die in deeze Meir gevonden worden, om in dezelve, en van daar naar elders te komen: die gelegenheden zijn de toegangen reeds gemeld; behalven deezen, ligt digt bij het tolhek op denOutewaaler wegnog een pad dat op den hoogendijk nabijZeeburguitkomt; op gemelden weg is ook nog een pad, waarmede men op denWeesperwegkomt: met de gewooneMuider-enWeesper-schuitenkan men ook vanAmsteldamnaar deSchulpbrug, of van daar derwaards vaaren: aan gemelde brug, in de ringsloot, vindt men des zomers zondags en maandags, gemeenlijk ook nog een zogenaamd Ossemarkts jagtjen, waarmede men voor één stuiver de persoon, naar de stad vaart; deUtrechtsche wegopgewandeld zijnde, tot over den ringdijk, wordt men voor vier duiten de persoon, ook over deAmstelgevaaren.Aan het tolhek vaart ook een geregelde veerschuit naarAmsteldam, des zomers maandag, woensdag en vrijdag, ’s morgens vroeg, en van daar te rug, op dezelfde dagen, ’s middags ten 12 uure: des winters vaart deeze schuit alleenlijk maandags en vrijdags.Toen de Maliebaan nog in stand en bloei was, reed des zondags en maandags, van even buiten den Muiderpoort, eene soort van Post- of zogenaamde Bolder-wagen, naar gezegde baan, en terug; dit was een veer, doch zonder bepaalde uuren; de vracht voor ieder persoon was 2½ stuiver: sedert het vervallen der Maliebaan is dit veer ook te niet geraakt.[1]

DEDIEMER-OFWATERGRAFTS-MEIR.

Onder de aangenaame wandelingen waarmede het wereldberoemdAmsteldam, in zijnen ommekring pronkt, behoort ongetwijfeld de vermaaklijkeDiemer-ofWatergrafts-meir, te aanmerkelijker daar dezelve door de hand der kunst, en door het taai geduld van den noesten arbeid uit het water voordgebracht is; waarom zeker dichter te recht zingt:Waar de gladde vischjens zwierdenIn het spieglend element,En daar ’t taaje fuikjens cierdenZijn nu kluitjens voor de lent.DeLIGGING,Deezer bekoorelijke plaats, kan gezegd worden te zijn, ten noorden aan denOutewaaler polder, ten oosten, en gedeeltelijk ten zuiden aan de banne vanDiemen, en verder ten zuiden[2]aan deDuivendrechtsche polder, in de banne vanOuderkerk; ten westen wordt zij door denAmstelstroomafgescheiden van de rechtbanne vanAmstelveen—zo vermaaklijk als de Meir zelve is, zo vermaaklijk zijn ook de wegen derwaards, vanAmsteldamaf; deezen zijnnaamlijk, een langs de rivier deAmstelvoornoemd, tot op een vierde uurs, of omtrent 400 roeden van de stads cingel, alwaar de zogenaamdeSchulpbrugligt, en de ringdijk waarin de Meirbesloten is, zijn begin neemt; hetzelfde pad vervolgende, naamlijk langs denWeesperweg, komt men aan het begin van denKruiswegder Meir, alwaar men derhalven ook daarin kan komen: de andere weg, die deOudewaaler weggeheten wordt, ligt op meer dan een vierde minder ver van de stad af, naamlijk buiten deMuiderpoort, en is een zeer vermaaklijke weg, aan wederzijde beplant met boomen; aan den eenen kant is een genoegzaam breed pad voor de wandelaars door een tweede rei boomen afgebakend, welk pad weleer zeer zindelijk onderhouden werd met smids koolen; nog was in vroegere jaaren tusschen gezegde boomen, eene heining van haagedoorn geplant, die, vooral als zij bloeide, eene zeer aangenaame vertooning maakte; ook waren de bestuurders derMeirtot zo verre daarmede vooringenomen, (en niet zonder reden,) dat op zondag, en vooral op hoogtijdsdagen, met naame hemelvaartsdag, een oppasser langs dezelve ging, om, (wegens de bij zulks gelegenheid ongemeenen toevloed van wandelaars,) alle baldaadigheden te voorkomen; doch sedert is die cieraad der Meir geheel te niet gegaan, zo dat men thans, dat hoogst te beklaagen is, niets meer van die haag ontmoet.—Zie verder ons artijkelaanlegengrootte.De grond van deeze droogmaak, is ongemeen vet en vruchtbaar, men heeft er de schoonste wei- en warmoes-landen: de landen liggen ter diepte van 14 voeten beneden het buitenwater, zo dat het overige polderwater, ter hoogte van 15 voeten, moet worden opgemalen: tot in den jaare 1743, geschiedde zulks met vier watermolens, welken elkander het water toemaalden, doch ten gemelden jaare, of daaromtrent, gaf zekereAnthonij[3]de Jong, Koopman teAmsteldam, aan Dijkgraaf en Heemraaden van de Meir, een middel aan de hand om het gezegde opmaalen te doen met slechts twee molens, mits de schepladen uit dezelven te ligten, en zijne nieuw uitgevondene en geoctrooieerde waterschijven in derzelver plaatse te stellen, waarvan hij eene proef, ten zijnen koste, aan bood: dit werd toegestaan, en na dat men, den gehelen winter door dezelve in ’t werk gesteld, en aan de verwachting beantwoordende bevonden had, besloot het collegie van Dijkgraaf en Heemraaden, een beding met gemelden uitvinder, en zijnen medestanderHuibert Ketelaar, te maaken; om de Meir met twee schijfmolens te bemaalen en droog te houden; waartoe hij in de herfst van den jaare 1744, moest gereed weezen: deeze overeenkomst heeft sedert, zelfs boven verwachting, aan het oogmerk beantwoord; blijkens twee getuigschriften, een de dato 13 Mei des jaars 1745, en een van den 25 Mei 1747: „Beiden deeze molens,” leezen wij, „op eenen behoorelijken afstand geschikt, doen niet alleen het werk van de voorige vier molens; maar geraken ook met den minsten wind aan den gang, en slaan het water met veel gemak, uit, in den gemeenen boezem vanAmstelland; zij blijven zelfs in den hardsten vorst doormaalen, en zijn instaat de Meir, vroegtijdig, van het overtollig water te ontlasten:” het gemak dat deeze molens, behalven de vermindering van kosten, aanbrengen, verdient, naar onze gedachte, alle mogelijke lof, en navolging.NAAMSOORSPRONG.Diemermeirwordt dit verrukkelijk oord genoemd, om dat het nabijDiemenligt; doch de oorsprong van den naamWatergraftsmeiris geheel onzeker; wij zouden echter met sommigen eene bedenking kunnen maaken over de mogelijkheid, of niet het water van deeze Meir eerst bestaan heeft in een graft, die door de overstrooming tot een Meir is aangegroeid, waardoor voor[4]den naam vanWatergrafts-meir, dat is de Meir, die weleer slechts een graft, een watergraft was, eenen oorspronk zoude gevonden weezen. Hoe het hier mede zij, dit is zeker dat de waterplas, vóór de bedijking, groot genoeg geweest is, en ook diepte genoeg gehad heeft om met oorlogschepen bevaren te kunnen worden: niet ten onpasse wordt ten bewijze daarvan het volgende bijgebragt: „Omtrent den jaare 1508,” zegt men, „in denGelderschen oorlog, die HertogKareltegen deHollandersvoerde, na den dood vanFilipsvanOostenrijk, verweerden zig die vanAmsteldam, uit eene schans bij deIJpe-sloot, weleer een buurt, daar hetNieuwe diepde landen sedert heeft overstroomd; deeze schans werd gedekt door verscheidene schepen, op het IJ, en één op deDiemer-Meir; waardoor deGelderschengenoodzaakt werden aftewijken—en dergelijk middel van galeiën op de Meir,” vervolgt men, „met onderstand van schepen op het IJ, verdreef ook, in den jaare 1573, het volk vanSonnoij, het welk denDiemerdijkbemagtigd had, omHaarlemte verligten enAmsteldam, ’t welk toen deSpaansche zijdehield, te benaauwen; doch deeze benden werden zelven benaauwd, en een wakkere tegenstand konde haar niet bevrijden van den hongersnood door het missen van toevoer, waarom zij de opgeworpene schans bijIJpe-slootmoesten verlaaten.”AANLEGENGROOTTE.De aanleg deezer Meir moet zekerlijk gebragt worden op den tijd haarer bedijking, en droogmaaking: reeds vóór gezegde bedijking was de plas een eigendom van Burgemeesteren vanAmsteldam, „die in den jaare 1624,” dus luidt de beschrijving desaangaande: „met kennis en goedvinden van den Raad der stad, besloten deeze Meir te bedijken, en tot land te maaken; waartoe zij, in den zelfden jaare, octrooi van de Staaten vanHollandenWestfrieslandverkregen, met vele vrijdommen,[5]die gemeenlijk bij dergelijke onderneemingen worden vergund: dit octrooi werd in den jaare 1626 uitgebreid, door de vergunningen van de landen, kaden, wegen, als anderszins, ’t welk tot de bedijking nodig was van de eigenaars te mogen overneemen: volgends deeze octroojen, werd het werk der bedijking en droogmaaking tot stand gebragt, en de Meir was droog in den jaare 1629,” weshalven de aanleg van dit verrukkelijke oord moet gesteld worden tusschen 1624 en 1629: Burgemeesteren vanAmsteldamverkochten ook aanstonds de drooggemaakte landen, die naderhand, op de 31 julij des jaars 1631, gekaveld, en dus bij kavelingen van tien morgen, aan de koopers toegedeeld werden; en ten opzichte van die landen welken langs den ringmuurliggen, met eene toegift van omtrent één morgen, voor het oude land, aan den voorigen zoom van de Meir.Wat de grootte van ditAmstels paradijsbetreft, de dijk waarin hetzelve begrepen is, gemeenlijk de ringdijk genaamd, heeft eenen omtrek van 2500 roeden, en is rondsom, behalven aan denAmstelen hetNieuwe-diep, omvangen van eene bekwaame ringsloot, waarvan de visscherij aan de stadAmsteldambehoort, doch Burgemeesteren van die stad, zijn gewoon dit recht aan Dijkgraaven en Heemraaden der Meir, voor een zekere somme gelds in ’t jaar, ten behoeve dier plaatse, in pacht te laaten, die dit water in verscheidene parten weder aan visschers verhuuren.Verder vinden wij wegens de grootte der Meir het volgende aangetekend: „Bij het kavelen der landen in de Meir, werden 705 morgen lands uitgegeven; waarvan echter maar 662 morgen 301¾ roeden in de omslagen en gemeene lasten gelden: Burgemeesteren behielden alleen 30 morgen ten behoeve der stadAmsteldam, en uit dien hoofde het recht om als Hoofdingelanden zitting te hebben, tot het hooren van de jaarlijksche rekeningen, en te helpen beraadslaagen en besluiten over zaaken, die ’t Heemraadschap betreffen.”De aanleg is zeer regelmaatig geschiedt; de grond in zijn geheel is kruiswijs doorsneden, met twee breede gemeene wegen,[6]waardoor de Meir in vier deelen gedeeld wordt: de voornaamste deezer doorsneden is deMiddenweg, langs welke verscheidene lantaarns, tot gerief van de bewooneren en de reizigersgeplaatstzijn; er staan ook lantaarns langs den Ringdijk van deSchulpbrugtot aan het Rechthuis; de gezegde schoone breede laan, loopt van deOutewaaler, of zogenaamdeTolbrug, naar deHartsvelderofDiemer-brug; gezegdeOutewaaler-brug, draagt den naam vanTolbrug, om dat op dezelve een tolhek staat, aan ’t welke voor ieder Rijtuigen, een paard of hoornbeest, enz. dat er overgaat, iet moet betaald worden.Voorde schaapen betaalt men geen tol.De kruisweg, die den middenweg omtrent het midden doorsnijdt, begint aan het zandpad over den grootenDuivendrechtschen polder, en eindigt aan hetNieuwe-diep: beide deeze hoofdlaanen zijn grootendeels met opgaande ijpen- en linde-boomen beplant, die een schoon sieraad geeven, door de netheid waarmede zij onderhouden worden; „Verscheidene laanen,” dus luidt eene beknopte beschrijving deezer Meir, welke beschrijving echter veeleer nog te flaauw is dan dat zij eene onwaarheid zoude bevatten; „(Verscheidene laanen,) vermeerderen den luister deezer bedijking; deSchagerlaanis eene der aanzienlijksten, en heeft eenen rijweg naar de midden- en kruis-weg; zij strekt voor eene aangenaame wandeling onder het lommer der net geschorene ijpen-boomen, ter wederzijde van den weg, tot verlustiging van de wandelaaren die hier in den zomer menigvuldig zijn; de andere der voornaamste laanen die er gevonden worden zijn dePaauwenlaan, deGroene-ofBurghorst-laan, en deKlooster-ofSchulp-laan, die echter geenen doortogt hebben: alle deeze laanen en wegen, pronken met aangenaame tuinen, en deftige lusthoven, waarvan veele der landhuizen elkander in pracht trotseeren; ook wordt de bekoorelijkheid vermeerderd door de verscheidenheid der gezichten over de vruchtbaare weilanden, en net beplante moestuinen, terwijl het oor in de lente gestreeld wordt, door ’t gezang der schelle nachtegaalen, die in deeze oord bijzonder[7]haaren zetel verkozen hebben.” Zegt dan de zoetvloejendeWillinkwel te veel, wanneer hij van deeze Meir dus zingt:Zie hier het groene Diemermeir,Met al zijn hoven, al zijn tuinen,Hier over ’t veerijk veld, zo zeerVerheft zijn hooggestegen kruinen;Het ruime meir dat, prat en fier,Zijn hollen boezem ziet ontslagenVan ’t zeenat, dat, met woest getier,Zijn ouden erfgrond zit te knaagen,Door dijken veilig afgeweerd,Op dat geen vloed zijn welvaart deert.Verrukkend Meir, dat ieder wenktEn nodigt op uw hofbanketten,Waarmeê ge uw minnaars voedt en drenkt,Zo mild en rijklijk voortezetten,Gij lokt, gij trekt mij derwaards aan,Om door uw breede en groene dreeven,Naar uwe ruime maliebaan,Langs veld en hoven heen te streeven,Bij ’t klinken van het zoet geluid,Van ’t nachtegaalen orgelfluit.Aan iederen toegang tot de Meir, als ook aan het nieuwe diep en bij de kruislaan, aan het zandpad of de weespervaart, is een wachthuis geplaatst, tot verblijf der nachtwachten; voorheen werd door hen ronde gedaan, doch dit is sinds verscheidene jaaren niet meer in gebruik: er houden nu in ieder wachthuis twee man, en alzo tien zamen post; in den zomer van negen uuren des avonds, en ’s winters van half negen uuren, tot ’s morgens een half uur na het openen der poorten teAmsteldam: voords is ieder nachtwacht met een geladen geweer, een rondstok, en een hond gewapend. Er wordt in de Meir ook een goede brandspuit onderhouden, ten dienste van welke de inwooners verpligt zijn, ten ware zij voor het ontslag van dien dienst betaalen.[8]Het getal der huizen, waaronder met recht gezegd wordt, dat veele deftige en aanzienlijke landhuizen behooren, werdt in den jaare 1730 bepaald, op 227; dit getal is merkelijk verminderd, om dat sinds eenige jaaren verscheidene aanzienlijke buitenplaatsen gesloopt, en tot wei- of warmoesiers-land gemaakt zijn: deeze huizen worden bewoond, indien men er de gezinnen welken op de buitenplaatsen den zomer komen doorbrengen, bij telt, door 250 huisgezinnen; de eigenlijke bewooners der Meir, schat men op een tal van 500, de dienstboden daaronder niet begrepen: deezen zijn nagenoeg voor de helft den Gereformeerden Godsdienst toegedaan, die teDiemenof teAmsteldamter kerke gaan; de overige bewooners zijn van denRoomschen Godsdienst, (uitgezonderd eenige weinigeLutherschen,) behoorende voor een gedeelte onderDiemen, een gedeelte teAmsteldam, en het overige onder de kerk op hetHoedemaakerspad.HetWAPEN.Dit is een zwaan in waterriet; op het lijf der zwaane is een gewoon wapenschild, waarop de letters W. G. M.(Watergraftsmeir.)GODSDIENSTIGE GEBOUWEN.Onder dit artijkel kunnen wij voegelijk plaatsen het school, aldaar aangelegd in den jaare 1786, toen, (op den 1sten Augustus) het onderwijs begon: het staat aan den Ringdijk, niet verre van de Schulpbrug, en is een allezins aan het oogmerk voldoend gebouw; alle de kinderen uit de Meir worden aldaar ter schoole besteld, van wat kerk de ouders ook mogen weezen; betaalende daarvoor niet aan den Meester, die door de Regeering van de Meir op een bepaald tractement aangesteld wordt, maar aan gemelde Regeering zelve; ofschoon de Meester ook de vrijheid hebbe kinderen van buiten het district der Meir in zijne school te ontvangen, na alvoorens door de ouders derzelven, met Heeren[9]Gecommitteerden, (welke ook regeringsleden zijn) dieswegen is gesproken, en als dan een order-briefjen van dezelve aan hem wordt vertoond.Alle jaaren word ook door de opgemelde Heeren in de school, een examen met de kinderen gehouden, en eenige dagen na dat zulks is afgelopen, gaan alle de kinderen onder het opzigt van den meester twee aan twee naar het rechthuis op de zaal, alwaar als dan de geheele Regering vergadert, benevens een aantal aanzienlijke persoonen, welke ’s jaarlijks mildadig tot dit leerschool contribueeren, en wordt als dan aan alle de aanweezende persoonen den staat en balans van het school opengelegd, en vervolgends aan de meestgevorderde kinderen eenige boeken tot prijzen geschonken: de meester is ook verpligt de kinderen der geallimenteerden en de weezen in zijn school te onderwijzen.Een arm- of wees-huis, is in de Meir niet; de armen en weezen worden bij de ingezetenen besteed; de laatsten echter draagen geene onderscheidende, maar burger kleding.WERELDLIJKE GEBOUWEN.Het Rechthuis staat aan den hoek van den ringdijk, en de middenweg; is een allezins aanzienlijk gebouw, in den jaare 1777 geheel nieuw, en vierkant, van gebakkene steenen opgehaald; rondsom heeft het schuifraamen, en van vooren een bordes op colommen rustende: het pronkt ook met een geëvenredigd torentjen, met een slaande klok daarin; echter is in de kap van het gebouw een uurwerk, dat, naar buiten, de uuren wijst, op een wijzerplaat in het frontespies geplaatst—vóór het gebouw staan twee fraaje lantaarns, op steene pijlaaren.Toen het oude rechthuis nog aanwezig was, stond de strafplaats aan de zyde, maar nu is dezelve van vooren.Onder de wereldlijke gebouwen kan ook betrokken worden het tolhek voornoemd, op deOutewaalerbruggeplaatst; hetzelve staat tusschen twee fraaje hardsteenen pijlaaren; boven aan, aan de voor- en achter zijde, zijn in dezelven geplaatst marmere steenen,[10]waarop het wapen vanHolland, dat vanAmsteldam, dat van de Meir, en op het vierde leest men,anno1792, in welk jaar dit tolhuis aldus fraai vernieuwd is.REGEERING.Bij ’t verleenen van octrooi ter bedijkinge en droogmaakinge van deeze Meir, werd, ten aanzien van het Heemrecht vergund, dat de landen in de Meir geregeerd zoude worden, door Hoofdingelanden en eenen Dijkgraaf, (te kiezen uit een door hen gemaakte nominatie, bij de Staten of de Rekenkamer der Graaflijkheids domeinen,) midsgaders door Heemraaden, Penningmeester, en andere bedienden, die door de Hoofd-ingelanden zouden verkozen worden; naderhand, in den jaare 1629, verkregen hoofd-ingelanden, dat alle overdragten en gerechtlijke verbindenissen van vaste goederen in deDiemermeirzouden geschieden, ten overstaan, van Dijkgraaf en Heemraaden: middelerwijl bleef de Hooge en Civile Jurisdictie aan den Gerechte vanAmstelveen, Diemen, enOuderkerk, onder welken de landen van de Meir van ouds gelegen waren; doch daar de eigenlijke grondscheidingen, voor ieder, gevolglijk ook iederer Jurisdictie, niet gemaklijk konde worden bepaald, ontstond er niet zelden verschil over de rechtspleegingen, dat aanleiding tot veele ongeregeldheden gaf, alwaarom in den jaare 1640, bij de rekenkamer der Graaflijkheid vanHollandwerd besloten, aan Heemraaden te vergunnen de Crimineele en Civile Jurisdictie te oefenen met den Bailluw vanAmstelland, en dat de Dijkgraaf, na het overlijden, van den toen in leven zijnde Bailluw, te gelijk Bailluw van deDiemermeirzoude weezen; het welk Burgemeesteren vanAmsteldam, als Ambachtsheeren vanAmstelveen, ook toestonden, ten aanzien van de civile en dagelijksche Jurisdictie, voor zo verre aanging de gronden onder hun rechtsgebied vanAmsteldamin de Meir gelegen, behoudende de crimineele rechtsoefening aan zig: „Van dien tijd af,” vinden wij aangetekend, „zijn de Heemraaden ook Schepenen geweest”.Volgends deeze vergunning, bestaat de regeering over de[11]Diemermeirin twee Hoofdingelanden, verbeeldende Burgemeesteren der StadAmsteldam; den Dijkgraaf, vijf Schepenen of Heemraaden, in opzichte van hun onderscheiden bewind, van Heemraadschap, of crimineel en civiel rechtsgebied, benevens een Secretaris en een’ Penningmeester.De Dijkgraaf is volgends de bovengemelde schikking van de Graaflijksheid rekenkamer, ook Schout van de Meir; doch hij heeft een Substitut, die te gelijk Bode is, en in de Meir zijne woonplaats heeft: deeze heeft een’ justitie-dienaar onder zig.Burgemeesteren vanAmsteldambenoemen bij het openvallen van het Amt van Dijkgraaf, drie van de voornaamsten der Ingelanden, uit welken één door de Staaten vanHollandenWestfrieslandtot Dijkgraaf wordt gekozen; Burgemeesteren stellen ook den Secretaris aan, en verkiezen jaarlijks, het ééne jaar twee, en het andere jaar drie Heemraaden, uit de nominatie van een dubbeld getal, hun door Dijkgraaf en Heemraaden overgeleverd.De verdere bedieningen staan allen ter begeevinge van het Collegie van Dijkgraaf en Heemraaden, in hunne verscheidene betrekkingen, van de hoogste tot de laagste toe.Dit Collegie houdt zijne gewoone rechtdagen, op den eersten maandag in iedere maand: sedert de bedijking schijnt hetzelve in de Meir vergaderd te hebben; doch met den jaare 1645, werd het verplaatst naarAmsteldam, in de Corps de guarde van deRegulierspoort, welke plaats het Collegie op den 11 December des jaars 1645 daartoe vergund was: voor ruim honderd jaaren, (1693,) verkreeg het Collegie eene betere rechtkamer naamlijk onder in het stadhuis teAmsteldam, welke kamer het behield tot in den jaare 1716, toen dat vertrek tot een ander gebruik geschikt, en Dijkgraaf en Heemraaden van de Meir vergund werd te vergaderen, in het Stadhuis voornoemd, boven de kamer van Commissarissen van Zeezaaken, alwaar zij tegenwoordig ook nog hunne rechtdagen en vergaderingen houden.Onder de mindere Amtenaaren boven bedoeld, behoort de gaarder van ’s Lands imposten, welk amt niet door de Regeering, maar door gecommitteerde Raaden begeeven wordt; het[12]wordt thans bekleed door den Substitut Schout, de HeerMatthys Elsman.VOORRECHTENZie wegens het markten inAmsteldam, onder het artijkelBezigheden:het voorrecht dat de bewooners van deeze Meir van de Staaten vanHollandenWestfrieslandhebben bekomen, van naamlijk een tolhek op deOutewaalerbrugte mogen plaatsen, blijkt uit het voorgaande, alwaar wij van dat tolhek spreeken—Een ander voorrecht van deDiemermeir, mag genoemd worden, dat over den middenweg, die, gelijk wij boven reeds gezegd hebben, van deOutewaaler brug, tot aan deHartsvelder-ofDiemer brug, loopt, geene Hessenkarren gevoerd, of varkens gedreven mogen worden.Nog kan men het een voorrecht noemen, dat de bestuurders der Meir niet behoeven te gedogen dat des avonds na beslotene stads poorten, eenig vreemdling zig in dezelve op de openbaare wegen vertoonen; gelijk men in dat geval dan ook door de nachtwachts aangehouden wordt, en rekenschap van zijn daarzijn moet geeven; bij de minste twijfeling aan de waarheid des voorgeevens, of bij ondervinding van de onwaarheid deszelven, wordt men in bewaaringe gesteld.De Meir heeft ook het voorrecht, dat op haaren bodem geene nachtegaalen gevangen mogen worden.BEZIGHEDENDe welgelegenheid, en vruchtbaarheid der landen, in deDiemermeir, heeft dezelven meest tot moesland doen worden, dat een gedeelte van de inwooneren alhier een genoegzaam bestaan verschaft; zij brengen hunne voorraad meest teAmsteldamter markt; waartoe hen, benevens die van deBijlmermeir, eene bijzondere markt op dePrinsegragtter dier stede is vergund: behalven dat, hebben zij verlof ontvangen van driemaal ter week op het Oudekerksplein, en éénmaal op de joode Groenmarkt aldaar te mogen markten.[13]GESCHIEDENISSENWat de Historie deezer aangenaame Meir betreft, na dat dezelve drooggemaakt was, (zie hier voor Art.aanlegengrootte,) kreeg de bedijking, in den voornacht tusschen 5 en 6 Maart des jaars 1651 het ongeluk van een doorbraak, welke door een andere aan denDiemer zeedijk, bovenOutewaal, niet verre vanJaap hannes, veroorzaakt werd: het water liep omtrent de molen aan hetNieuwe diep, over den ringdijk van de Meir, en veroorzaakte daardoor een doorbraak, met een gat, ter lengte van omtrent 25 roeden, en eene diepte van 27 tot 30 voeten, beneden het winterwater; 16 voeten hoog stond het water in de Meir, en meest alles werd door de overstrooming vernield: evenwel was deeze ramp, hoe gewigtig, niet gewigtig genoeg om de ingelanden te doen wanhoopen aan het herstellen van hunnen vernielden arbeid, welke herstelling echter niet gemaklijk ten wege gebragt konde worden, dan door de Meir, die nu geheel onder water stond, weder te laaten uitmaalen, de gebouwen en beplantingen weder op te rechten en in stand te brengen, ten welken einde het octrooi van hunnen vrijdom voor den tijd van tien jaaren werd verlengd: onvermoeide arbeid kwam weder alles te boven; dan alleenlijk voor een zeer korten tijd: want in 1672, toen Nederland door het zwaard des oorlogs, die vervloekte geessel der verschrikkinge, geteisterd werd, moest de Meir niet weinig in dat akelig lot deelen;Naarden, de hoofdstad van het vermaaklijkGooiland, werd door deFranschenveroverd, waarom men met reden voorAmsteldambegon te duchten, het welk ten gevolge had, dat de dijk doorgestoken en geheel de Meir onder water gezet werd; doch dit was echter maar voor korten tijd, en niettegenstaande de veroorzaakte aanmerkelijke verwoesting, werd, zo dra de vijand was afgetrokken, alles in zijn ouden luister hersteld: te recht daarom zingt de dichterVan Borvan deeze Meir:[14]Meir wordt land en landen beeken,Wat Natuur al wondren teelt,Is niet mooglijk uittespreeken,Zo verwart zij in de weeld’!Nu pronkt zij haar kruin met Eiken,Dan met waternimfs sieraad,Nu weêr plant en bloem verrijkenCeres aangenaam gewaad;Plant en bloem en duizend vruchten,Schenkt er gunst te levren aan,Die haar oog en haar genuchtenKiezen in die weeldelaan, enz.In den jaare 1702, brak deDiemerofMuider Zeedijkweder door, het geen andermaal niet weinig bekommernis voor eene overstrooming van de Meir veroorzaakte; doch de ijver waarmede men de handen aan ’t werk sloeg, om overal waar men het noodig oordeelde den ringdijk van de Meir te versterken, werd met een gelukkigen uitslag bekroond; de Meir naamlijk leed geheel geene schade.In onze jongstledene onlusten, hebben de inwooners van deDiemermeirzig zeer onderscheiden in ijver voor de zaak der Vaderlandschgezinden; zij hebben zig met een ongemeenen ijver in de wapenhandel geoefend; het corps van den Rhijngraaf vanSalm, heeft aan het rechthuis een geruimen tijd in bezetting gelegen: bij het aannaderen derPruissen, was men er in geene geringe bekommering, niettegenstaande de gewapende ingezetenen moeds genoeg hadden om de vijand onder de oogen te gaan zien: de laage landen langs denOutewaalerweg, deelden in de gedaaneinundatie, en dePruissenhebben er vervolgends niet zeer verpligtend geleefd, trouwens aldaar nog beter dan elders; van tijd tot tijd ondernaamen voords eenige van de tegenpartij, voornaamlijk uitAmsteldam, baldaadigheden in de Meir te pleegen, doch de loflijke activiteit van den Substitut Schout, den HeereMatthysElsman, reeds gemeld, heeft hen gedwongen dat opzet te laaten vaaren.[15]BIJZONDERHEDEN,Onder deezen zoude in de daad geheel de Meir betrokken kunnen worden; met uitzondering verdienen de ongemeen prachtige lusthoven die er in gevonden worden den aandacht van den wandelaar; die op den hoek van denKruisweg, aan denWeesper weg, pronkt met een zeer fraajeTurkschetent, staande op het wachthuis dat aan dien ingang geplaatst is.—Het tegenwoordige rechthuis, en het tolhek, is mede der bezichtiginge dubbeld waardig.Weleer was ten einde van deSchagerlaan, ook een fraaje Maliebaan, ter uitspanninge van de geenen die zig aldaar kwamen verlustigen; deeze laan had eene lengte van 173 roeden, in haare behoorelijke beschotten ingesloten; aan beide zijde van dezelve stond een rei hoogopgaande en aan de binnenzijde plat geschorene boomen, die eene zeer aangenaame vertooning maakten, en welke aangenaamheid niet weinig vergroot werd, door de lusthoven ter wederzijde langs de rijwegen gelegen: de herberg aan het begin der baane, en die nog aanwezig is, had de huur deezer laane, gelijk zij ook nog hetMaliehuisheet—Behalven met het maliespel, plagt men zig in deeze baan ook niet zelden te vermaaken met het zogenaamd blindloopen, bestaande in eene weddingschap om geblinddoekt de baan overlangs doorteloopen, zonder tegen de zijschotten aantestooten; doch niettegenstaande de menigte gasten welken door deeze vermaaken, zo wel als door de aangenaamheid van den oord derwaards gelokt werden, is de baan van tijd tot tijd zo verre vervallen, dat zij tot eene harddraavers baan gebruikt werd, en eindelijk geheel verdweenen is, gelijk men er thans niet meer van ziet dan de grazige vlakte alwaar dezelve gelegen geweest is.[16]HERBERGEN,Rozendaal.De Schulp.Het Rechthuis.De Maliebaan.Voords nog vier in deSchaagerlaan, die echter sedert eenigen tijd geene andere tap-actens bekomen dan van bier, coffij en thee.REISGELEGENHEDEN,Om zodanig eens te noemen de gelegenheden die in deeze Meir gevonden worden, om in dezelve, en van daar naar elders te komen: die gelegenheden zijn de toegangen reeds gemeld; behalven deezen, ligt digt bij het tolhek op denOutewaaler wegnog een pad dat op den hoogendijk nabijZeeburguitkomt; op gemelden weg is ook nog een pad, waarmede men op denWeesperwegkomt: met de gewooneMuider-enWeesper-schuitenkan men ook vanAmsteldamnaar deSchulpbrug, of van daar derwaards vaaren: aan gemelde brug, in de ringsloot, vindt men des zomers zondags en maandags, gemeenlijk ook nog een zogenaamd Ossemarkts jagtjen, waarmede men voor één stuiver de persoon, naar de stad vaart; deUtrechtsche wegopgewandeld zijnde, tot over den ringdijk, wordt men voor vier duiten de persoon, ook over deAmstelgevaaren.Aan het tolhek vaart ook een geregelde veerschuit naarAmsteldam, des zomers maandag, woensdag en vrijdag, ’s morgens vroeg, en van daar te rug, op dezelfde dagen, ’s middags ten 12 uure: des winters vaart deeze schuit alleenlijk maandags en vrijdags.Toen de Maliebaan nog in stand en bloei was, reed des zondags en maandags, van even buiten den Muiderpoort, eene soort van Post- of zogenaamde Bolder-wagen, naar gezegde baan, en terug; dit was een veer, doch zonder bepaalde uuren; de vracht voor ieder persoon was 2½ stuiver: sedert het vervallen der Maliebaan is dit veer ook te niet geraakt.[1]

Onder de aangenaame wandelingen waarmede het wereldberoemdAmsteldam, in zijnen ommekring pronkt, behoort ongetwijfeld de vermaaklijkeDiemer-ofWatergrafts-meir, te aanmerkelijker daar dezelve door de hand der kunst, en door het taai geduld van den noesten arbeid uit het water voordgebracht is; waarom zeker dichter te recht zingt:

Waar de gladde vischjens zwierdenIn het spieglend element,En daar ’t taaje fuikjens cierdenZijn nu kluitjens voor de lent.

Waar de gladde vischjens zwierden

In het spieglend element,

En daar ’t taaje fuikjens cierden

Zijn nu kluitjens voor de lent.

De

LIGGING,

Deezer bekoorelijke plaats, kan gezegd worden te zijn, ten noorden aan denOutewaaler polder, ten oosten, en gedeeltelijk ten zuiden aan de banne vanDiemen, en verder ten zuiden[2]aan deDuivendrechtsche polder, in de banne vanOuderkerk; ten westen wordt zij door denAmstelstroomafgescheiden van de rechtbanne vanAmstelveen—zo vermaaklijk als de Meir zelve is, zo vermaaklijk zijn ook de wegen derwaards, vanAmsteldamaf; deezen zijnnaamlijk, een langs de rivier deAmstelvoornoemd, tot op een vierde uurs, of omtrent 400 roeden van de stads cingel, alwaar de zogenaamdeSchulpbrugligt, en de ringdijk waarin de Meirbesloten is, zijn begin neemt; hetzelfde pad vervolgende, naamlijk langs denWeesperweg, komt men aan het begin van denKruiswegder Meir, alwaar men derhalven ook daarin kan komen: de andere weg, die deOudewaaler weggeheten wordt, ligt op meer dan een vierde minder ver van de stad af, naamlijk buiten deMuiderpoort, en is een zeer vermaaklijke weg, aan wederzijde beplant met boomen; aan den eenen kant is een genoegzaam breed pad voor de wandelaars door een tweede rei boomen afgebakend, welk pad weleer zeer zindelijk onderhouden werd met smids koolen; nog was in vroegere jaaren tusschen gezegde boomen, eene heining van haagedoorn geplant, die, vooral als zij bloeide, eene zeer aangenaame vertooning maakte; ook waren de bestuurders derMeirtot zo verre daarmede vooringenomen, (en niet zonder reden,) dat op zondag, en vooral op hoogtijdsdagen, met naame hemelvaartsdag, een oppasser langs dezelve ging, om, (wegens de bij zulks gelegenheid ongemeenen toevloed van wandelaars,) alle baldaadigheden te voorkomen; doch sedert is die cieraad der Meir geheel te niet gegaan, zo dat men thans, dat hoogst te beklaagen is, niets meer van die haag ontmoet.—Zie verder ons artijkelaanlegengrootte.

De grond van deeze droogmaak, is ongemeen vet en vruchtbaar, men heeft er de schoonste wei- en warmoes-landen: de landen liggen ter diepte van 14 voeten beneden het buitenwater, zo dat het overige polderwater, ter hoogte van 15 voeten, moet worden opgemalen: tot in den jaare 1743, geschiedde zulks met vier watermolens, welken elkander het water toemaalden, doch ten gemelden jaare, of daaromtrent, gaf zekereAnthonij[3]de Jong, Koopman teAmsteldam, aan Dijkgraaf en Heemraaden van de Meir, een middel aan de hand om het gezegde opmaalen te doen met slechts twee molens, mits de schepladen uit dezelven te ligten, en zijne nieuw uitgevondene en geoctrooieerde waterschijven in derzelver plaatse te stellen, waarvan hij eene proef, ten zijnen koste, aan bood: dit werd toegestaan, en na dat men, den gehelen winter door dezelve in ’t werk gesteld, en aan de verwachting beantwoordende bevonden had, besloot het collegie van Dijkgraaf en Heemraaden, een beding met gemelden uitvinder, en zijnen medestanderHuibert Ketelaar, te maaken; om de Meir met twee schijfmolens te bemaalen en droog te houden; waartoe hij in de herfst van den jaare 1744, moest gereed weezen: deeze overeenkomst heeft sedert, zelfs boven verwachting, aan het oogmerk beantwoord; blijkens twee getuigschriften, een de dato 13 Mei des jaars 1745, en een van den 25 Mei 1747: „Beiden deeze molens,” leezen wij, „op eenen behoorelijken afstand geschikt, doen niet alleen het werk van de voorige vier molens; maar geraken ook met den minsten wind aan den gang, en slaan het water met veel gemak, uit, in den gemeenen boezem vanAmstelland; zij blijven zelfs in den hardsten vorst doormaalen, en zijn instaat de Meir, vroegtijdig, van het overtollig water te ontlasten:” het gemak dat deeze molens, behalven de vermindering van kosten, aanbrengen, verdient, naar onze gedachte, alle mogelijke lof, en navolging.

NAAMSOORSPRONG.

Diemermeirwordt dit verrukkelijk oord genoemd, om dat het nabijDiemenligt; doch de oorsprong van den naamWatergraftsmeiris geheel onzeker; wij zouden echter met sommigen eene bedenking kunnen maaken over de mogelijkheid, of niet het water van deeze Meir eerst bestaan heeft in een graft, die door de overstrooming tot een Meir is aangegroeid, waardoor voor[4]den naam vanWatergrafts-meir, dat is de Meir, die weleer slechts een graft, een watergraft was, eenen oorspronk zoude gevonden weezen. Hoe het hier mede zij, dit is zeker dat de waterplas, vóór de bedijking, groot genoeg geweest is, en ook diepte genoeg gehad heeft om met oorlogschepen bevaren te kunnen worden: niet ten onpasse wordt ten bewijze daarvan het volgende bijgebragt: „Omtrent den jaare 1508,” zegt men, „in denGelderschen oorlog, die HertogKareltegen deHollandersvoerde, na den dood vanFilipsvanOostenrijk, verweerden zig die vanAmsteldam, uit eene schans bij deIJpe-sloot, weleer een buurt, daar hetNieuwe diepde landen sedert heeft overstroomd; deeze schans werd gedekt door verscheidene schepen, op het IJ, en één op deDiemer-Meir; waardoor deGelderschengenoodzaakt werden aftewijken—en dergelijk middel van galeiën op de Meir,” vervolgt men, „met onderstand van schepen op het IJ, verdreef ook, in den jaare 1573, het volk vanSonnoij, het welk denDiemerdijkbemagtigd had, omHaarlemte verligten enAmsteldam, ’t welk toen deSpaansche zijdehield, te benaauwen; doch deeze benden werden zelven benaauwd, en een wakkere tegenstand konde haar niet bevrijden van den hongersnood door het missen van toevoer, waarom zij de opgeworpene schans bijIJpe-slootmoesten verlaaten.”

AANLEGENGROOTTE.

De aanleg deezer Meir moet zekerlijk gebragt worden op den tijd haarer bedijking, en droogmaaking: reeds vóór gezegde bedijking was de plas een eigendom van Burgemeesteren vanAmsteldam, „die in den jaare 1624,” dus luidt de beschrijving desaangaande: „met kennis en goedvinden van den Raad der stad, besloten deeze Meir te bedijken, en tot land te maaken; waartoe zij, in den zelfden jaare, octrooi van de Staaten vanHollandenWestfrieslandverkregen, met vele vrijdommen,[5]die gemeenlijk bij dergelijke onderneemingen worden vergund: dit octrooi werd in den jaare 1626 uitgebreid, door de vergunningen van de landen, kaden, wegen, als anderszins, ’t welk tot de bedijking nodig was van de eigenaars te mogen overneemen: volgends deeze octroojen, werd het werk der bedijking en droogmaaking tot stand gebragt, en de Meir was droog in den jaare 1629,” weshalven de aanleg van dit verrukkelijke oord moet gesteld worden tusschen 1624 en 1629: Burgemeesteren vanAmsteldamverkochten ook aanstonds de drooggemaakte landen, die naderhand, op de 31 julij des jaars 1631, gekaveld, en dus bij kavelingen van tien morgen, aan de koopers toegedeeld werden; en ten opzichte van die landen welken langs den ringmuurliggen, met eene toegift van omtrent één morgen, voor het oude land, aan den voorigen zoom van de Meir.

Wat de grootte van ditAmstels paradijsbetreft, de dijk waarin hetzelve begrepen is, gemeenlijk de ringdijk genaamd, heeft eenen omtrek van 2500 roeden, en is rondsom, behalven aan denAmstelen hetNieuwe-diep, omvangen van eene bekwaame ringsloot, waarvan de visscherij aan de stadAmsteldambehoort, doch Burgemeesteren van die stad, zijn gewoon dit recht aan Dijkgraaven en Heemraaden der Meir, voor een zekere somme gelds in ’t jaar, ten behoeve dier plaatse, in pacht te laaten, die dit water in verscheidene parten weder aan visschers verhuuren.

Verder vinden wij wegens de grootte der Meir het volgende aangetekend: „Bij het kavelen der landen in de Meir, werden 705 morgen lands uitgegeven; waarvan echter maar 662 morgen 301¾ roeden in de omslagen en gemeene lasten gelden: Burgemeesteren behielden alleen 30 morgen ten behoeve der stadAmsteldam, en uit dien hoofde het recht om als Hoofdingelanden zitting te hebben, tot het hooren van de jaarlijksche rekeningen, en te helpen beraadslaagen en besluiten over zaaken, die ’t Heemraadschap betreffen.”

De aanleg is zeer regelmaatig geschiedt; de grond in zijn geheel is kruiswijs doorsneden, met twee breede gemeene wegen,[6]waardoor de Meir in vier deelen gedeeld wordt: de voornaamste deezer doorsneden is deMiddenweg, langs welke verscheidene lantaarns, tot gerief van de bewooneren en de reizigersgeplaatstzijn; er staan ook lantaarns langs den Ringdijk van deSchulpbrugtot aan het Rechthuis; de gezegde schoone breede laan, loopt van deOutewaaler, of zogenaamdeTolbrug, naar deHartsvelderofDiemer-brug; gezegdeOutewaaler-brug, draagt den naam vanTolbrug, om dat op dezelve een tolhek staat, aan ’t welke voor ieder Rijtuigen, een paard of hoornbeest, enz. dat er overgaat, iet moet betaald worden.Voorde schaapen betaalt men geen tol.

De kruisweg, die den middenweg omtrent het midden doorsnijdt, begint aan het zandpad over den grootenDuivendrechtschen polder, en eindigt aan hetNieuwe-diep: beide deeze hoofdlaanen zijn grootendeels met opgaande ijpen- en linde-boomen beplant, die een schoon sieraad geeven, door de netheid waarmede zij onderhouden worden; „Verscheidene laanen,” dus luidt eene beknopte beschrijving deezer Meir, welke beschrijving echter veeleer nog te flaauw is dan dat zij eene onwaarheid zoude bevatten; „(Verscheidene laanen,) vermeerderen den luister deezer bedijking; deSchagerlaanis eene der aanzienlijksten, en heeft eenen rijweg naar de midden- en kruis-weg; zij strekt voor eene aangenaame wandeling onder het lommer der net geschorene ijpen-boomen, ter wederzijde van den weg, tot verlustiging van de wandelaaren die hier in den zomer menigvuldig zijn; de andere der voornaamste laanen die er gevonden worden zijn dePaauwenlaan, deGroene-ofBurghorst-laan, en deKlooster-ofSchulp-laan, die echter geenen doortogt hebben: alle deeze laanen en wegen, pronken met aangenaame tuinen, en deftige lusthoven, waarvan veele der landhuizen elkander in pracht trotseeren; ook wordt de bekoorelijkheid vermeerderd door de verscheidenheid der gezichten over de vruchtbaare weilanden, en net beplante moestuinen, terwijl het oor in de lente gestreeld wordt, door ’t gezang der schelle nachtegaalen, die in deeze oord bijzonder[7]haaren zetel verkozen hebben.” Zegt dan de zoetvloejendeWillinkwel te veel, wanneer hij van deeze Meir dus zingt:

Zie hier het groene Diemermeir,Met al zijn hoven, al zijn tuinen,Hier over ’t veerijk veld, zo zeerVerheft zijn hooggestegen kruinen;Het ruime meir dat, prat en fier,Zijn hollen boezem ziet ontslagenVan ’t zeenat, dat, met woest getier,Zijn ouden erfgrond zit te knaagen,Door dijken veilig afgeweerd,Op dat geen vloed zijn welvaart deert.Verrukkend Meir, dat ieder wenktEn nodigt op uw hofbanketten,Waarmeê ge uw minnaars voedt en drenkt,Zo mild en rijklijk voortezetten,Gij lokt, gij trekt mij derwaards aan,Om door uw breede en groene dreeven,Naar uwe ruime maliebaan,Langs veld en hoven heen te streeven,Bij ’t klinken van het zoet geluid,Van ’t nachtegaalen orgelfluit.

Zie hier het groene Diemermeir,Met al zijn hoven, al zijn tuinen,Hier over ’t veerijk veld, zo zeerVerheft zijn hooggestegen kruinen;Het ruime meir dat, prat en fier,Zijn hollen boezem ziet ontslagenVan ’t zeenat, dat, met woest getier,Zijn ouden erfgrond zit te knaagen,Door dijken veilig afgeweerd,Op dat geen vloed zijn welvaart deert.

Zie hier het groene Diemermeir,

Met al zijn hoven, al zijn tuinen,

Hier over ’t veerijk veld, zo zeer

Verheft zijn hooggestegen kruinen;

Het ruime meir dat, prat en fier,

Zijn hollen boezem ziet ontslagen

Van ’t zeenat, dat, met woest getier,

Zijn ouden erfgrond zit te knaagen,

Door dijken veilig afgeweerd,

Op dat geen vloed zijn welvaart deert.

Verrukkend Meir, dat ieder wenktEn nodigt op uw hofbanketten,Waarmeê ge uw minnaars voedt en drenkt,Zo mild en rijklijk voortezetten,Gij lokt, gij trekt mij derwaards aan,Om door uw breede en groene dreeven,Naar uwe ruime maliebaan,Langs veld en hoven heen te streeven,Bij ’t klinken van het zoet geluid,Van ’t nachtegaalen orgelfluit.

Verrukkend Meir, dat ieder wenkt

En nodigt op uw hofbanketten,

Waarmeê ge uw minnaars voedt en drenkt,

Zo mild en rijklijk voortezetten,

Gij lokt, gij trekt mij derwaards aan,

Om door uw breede en groene dreeven,

Naar uwe ruime maliebaan,

Langs veld en hoven heen te streeven,

Bij ’t klinken van het zoet geluid,

Van ’t nachtegaalen orgelfluit.

Aan iederen toegang tot de Meir, als ook aan het nieuwe diep en bij de kruislaan, aan het zandpad of de weespervaart, is een wachthuis geplaatst, tot verblijf der nachtwachten; voorheen werd door hen ronde gedaan, doch dit is sinds verscheidene jaaren niet meer in gebruik: er houden nu in ieder wachthuis twee man, en alzo tien zamen post; in den zomer van negen uuren des avonds, en ’s winters van half negen uuren, tot ’s morgens een half uur na het openen der poorten teAmsteldam: voords is ieder nachtwacht met een geladen geweer, een rondstok, en een hond gewapend. Er wordt in de Meir ook een goede brandspuit onderhouden, ten dienste van welke de inwooners verpligt zijn, ten ware zij voor het ontslag van dien dienst betaalen.[8]

Het getal der huizen, waaronder met recht gezegd wordt, dat veele deftige en aanzienlijke landhuizen behooren, werdt in den jaare 1730 bepaald, op 227; dit getal is merkelijk verminderd, om dat sinds eenige jaaren verscheidene aanzienlijke buitenplaatsen gesloopt, en tot wei- of warmoesiers-land gemaakt zijn: deeze huizen worden bewoond, indien men er de gezinnen welken op de buitenplaatsen den zomer komen doorbrengen, bij telt, door 250 huisgezinnen; de eigenlijke bewooners der Meir, schat men op een tal van 500, de dienstboden daaronder niet begrepen: deezen zijn nagenoeg voor de helft den Gereformeerden Godsdienst toegedaan, die teDiemenof teAmsteldamter kerke gaan; de overige bewooners zijn van denRoomschen Godsdienst, (uitgezonderd eenige weinigeLutherschen,) behoorende voor een gedeelte onderDiemen, een gedeelte teAmsteldam, en het overige onder de kerk op hetHoedemaakerspad.

Het

WAPEN.

Dit is een zwaan in waterriet; op het lijf der zwaane is een gewoon wapenschild, waarop de letters W. G. M.(Watergraftsmeir.)

GODSDIENSTIGE GEBOUWEN.

Onder dit artijkel kunnen wij voegelijk plaatsen het school, aldaar aangelegd in den jaare 1786, toen, (op den 1sten Augustus) het onderwijs begon: het staat aan den Ringdijk, niet verre van de Schulpbrug, en is een allezins aan het oogmerk voldoend gebouw; alle de kinderen uit de Meir worden aldaar ter schoole besteld, van wat kerk de ouders ook mogen weezen; betaalende daarvoor niet aan den Meester, die door de Regeering van de Meir op een bepaald tractement aangesteld wordt, maar aan gemelde Regeering zelve; ofschoon de Meester ook de vrijheid hebbe kinderen van buiten het district der Meir in zijne school te ontvangen, na alvoorens door de ouders derzelven, met Heeren[9]Gecommitteerden, (welke ook regeringsleden zijn) dieswegen is gesproken, en als dan een order-briefjen van dezelve aan hem wordt vertoond.

Alle jaaren word ook door de opgemelde Heeren in de school, een examen met de kinderen gehouden, en eenige dagen na dat zulks is afgelopen, gaan alle de kinderen onder het opzigt van den meester twee aan twee naar het rechthuis op de zaal, alwaar als dan de geheele Regering vergadert, benevens een aantal aanzienlijke persoonen, welke ’s jaarlijks mildadig tot dit leerschool contribueeren, en wordt als dan aan alle de aanweezende persoonen den staat en balans van het school opengelegd, en vervolgends aan de meestgevorderde kinderen eenige boeken tot prijzen geschonken: de meester is ook verpligt de kinderen der geallimenteerden en de weezen in zijn school te onderwijzen.

Een arm- of wees-huis, is in de Meir niet; de armen en weezen worden bij de ingezetenen besteed; de laatsten echter draagen geene onderscheidende, maar burger kleding.

WERELDLIJKE GEBOUWEN.

Het Rechthuis staat aan den hoek van den ringdijk, en de middenweg; is een allezins aanzienlijk gebouw, in den jaare 1777 geheel nieuw, en vierkant, van gebakkene steenen opgehaald; rondsom heeft het schuifraamen, en van vooren een bordes op colommen rustende: het pronkt ook met een geëvenredigd torentjen, met een slaande klok daarin; echter is in de kap van het gebouw een uurwerk, dat, naar buiten, de uuren wijst, op een wijzerplaat in het frontespies geplaatst—vóór het gebouw staan twee fraaje lantaarns, op steene pijlaaren.

Toen het oude rechthuis nog aanwezig was, stond de strafplaats aan de zyde, maar nu is dezelve van vooren.

Onder de wereldlijke gebouwen kan ook betrokken worden het tolhek voornoemd, op deOutewaalerbruggeplaatst; hetzelve staat tusschen twee fraaje hardsteenen pijlaaren; boven aan, aan de voor- en achter zijde, zijn in dezelven geplaatst marmere steenen,[10]waarop het wapen vanHolland, dat vanAmsteldam, dat van de Meir, en op het vierde leest men,anno1792, in welk jaar dit tolhuis aldus fraai vernieuwd is.

REGEERING.

Bij ’t verleenen van octrooi ter bedijkinge en droogmaakinge van deeze Meir, werd, ten aanzien van het Heemrecht vergund, dat de landen in de Meir geregeerd zoude worden, door Hoofdingelanden en eenen Dijkgraaf, (te kiezen uit een door hen gemaakte nominatie, bij de Staten of de Rekenkamer der Graaflijkheids domeinen,) midsgaders door Heemraaden, Penningmeester, en andere bedienden, die door de Hoofd-ingelanden zouden verkozen worden; naderhand, in den jaare 1629, verkregen hoofd-ingelanden, dat alle overdragten en gerechtlijke verbindenissen van vaste goederen in deDiemermeirzouden geschieden, ten overstaan, van Dijkgraaf en Heemraaden: middelerwijl bleef de Hooge en Civile Jurisdictie aan den Gerechte vanAmstelveen, Diemen, enOuderkerk, onder welken de landen van de Meir van ouds gelegen waren; doch daar de eigenlijke grondscheidingen, voor ieder, gevolglijk ook iederer Jurisdictie, niet gemaklijk konde worden bepaald, ontstond er niet zelden verschil over de rechtspleegingen, dat aanleiding tot veele ongeregeldheden gaf, alwaarom in den jaare 1640, bij de rekenkamer der Graaflijkheid vanHollandwerd besloten, aan Heemraaden te vergunnen de Crimineele en Civile Jurisdictie te oefenen met den Bailluw vanAmstelland, en dat de Dijkgraaf, na het overlijden, van den toen in leven zijnde Bailluw, te gelijk Bailluw van deDiemermeirzoude weezen; het welk Burgemeesteren vanAmsteldam, als Ambachtsheeren vanAmstelveen, ook toestonden, ten aanzien van de civile en dagelijksche Jurisdictie, voor zo verre aanging de gronden onder hun rechtsgebied vanAmsteldamin de Meir gelegen, behoudende de crimineele rechtsoefening aan zig: „Van dien tijd af,” vinden wij aangetekend, „zijn de Heemraaden ook Schepenen geweest”.

Volgends deeze vergunning, bestaat de regeering over de[11]Diemermeirin twee Hoofdingelanden, verbeeldende Burgemeesteren der StadAmsteldam; den Dijkgraaf, vijf Schepenen of Heemraaden, in opzichte van hun onderscheiden bewind, van Heemraadschap, of crimineel en civiel rechtsgebied, benevens een Secretaris en een’ Penningmeester.

De Dijkgraaf is volgends de bovengemelde schikking van de Graaflijksheid rekenkamer, ook Schout van de Meir; doch hij heeft een Substitut, die te gelijk Bode is, en in de Meir zijne woonplaats heeft: deeze heeft een’ justitie-dienaar onder zig.

Burgemeesteren vanAmsteldambenoemen bij het openvallen van het Amt van Dijkgraaf, drie van de voornaamsten der Ingelanden, uit welken één door de Staaten vanHollandenWestfrieslandtot Dijkgraaf wordt gekozen; Burgemeesteren stellen ook den Secretaris aan, en verkiezen jaarlijks, het ééne jaar twee, en het andere jaar drie Heemraaden, uit de nominatie van een dubbeld getal, hun door Dijkgraaf en Heemraaden overgeleverd.

De verdere bedieningen staan allen ter begeevinge van het Collegie van Dijkgraaf en Heemraaden, in hunne verscheidene betrekkingen, van de hoogste tot de laagste toe.

Dit Collegie houdt zijne gewoone rechtdagen, op den eersten maandag in iedere maand: sedert de bedijking schijnt hetzelve in de Meir vergaderd te hebben; doch met den jaare 1645, werd het verplaatst naarAmsteldam, in de Corps de guarde van deRegulierspoort, welke plaats het Collegie op den 11 December des jaars 1645 daartoe vergund was: voor ruim honderd jaaren, (1693,) verkreeg het Collegie eene betere rechtkamer naamlijk onder in het stadhuis teAmsteldam, welke kamer het behield tot in den jaare 1716, toen dat vertrek tot een ander gebruik geschikt, en Dijkgraaf en Heemraaden van de Meir vergund werd te vergaderen, in het Stadhuis voornoemd, boven de kamer van Commissarissen van Zeezaaken, alwaar zij tegenwoordig ook nog hunne rechtdagen en vergaderingen houden.

Onder de mindere Amtenaaren boven bedoeld, behoort de gaarder van ’s Lands imposten, welk amt niet door de Regeering, maar door gecommitteerde Raaden begeeven wordt; het[12]wordt thans bekleed door den Substitut Schout, de HeerMatthys Elsman.

VOORRECHTEN

Zie wegens het markten inAmsteldam, onder het artijkelBezigheden:het voorrecht dat de bewooners van deeze Meir van de Staaten vanHollandenWestfrieslandhebben bekomen, van naamlijk een tolhek op deOutewaalerbrugte mogen plaatsen, blijkt uit het voorgaande, alwaar wij van dat tolhek spreeken—Een ander voorrecht van deDiemermeir, mag genoemd worden, dat over den middenweg, die, gelijk wij boven reeds gezegd hebben, van deOutewaaler brug, tot aan deHartsvelder-ofDiemer brug, loopt, geene Hessenkarren gevoerd, of varkens gedreven mogen worden.

Nog kan men het een voorrecht noemen, dat de bestuurders der Meir niet behoeven te gedogen dat des avonds na beslotene stads poorten, eenig vreemdling zig in dezelve op de openbaare wegen vertoonen; gelijk men in dat geval dan ook door de nachtwachts aangehouden wordt, en rekenschap van zijn daarzijn moet geeven; bij de minste twijfeling aan de waarheid des voorgeevens, of bij ondervinding van de onwaarheid deszelven, wordt men in bewaaringe gesteld.

De Meir heeft ook het voorrecht, dat op haaren bodem geene nachtegaalen gevangen mogen worden.

BEZIGHEDEN

De welgelegenheid, en vruchtbaarheid der landen, in deDiemermeir, heeft dezelven meest tot moesland doen worden, dat een gedeelte van de inwooneren alhier een genoegzaam bestaan verschaft; zij brengen hunne voorraad meest teAmsteldamter markt; waartoe hen, benevens die van deBijlmermeir, eene bijzondere markt op dePrinsegragtter dier stede is vergund: behalven dat, hebben zij verlof ontvangen van driemaal ter week op het Oudekerksplein, en éénmaal op de joode Groenmarkt aldaar te mogen markten.[13]

GESCHIEDENISSEN

Wat de Historie deezer aangenaame Meir betreft, na dat dezelve drooggemaakt was, (zie hier voor Art.aanlegengrootte,) kreeg de bedijking, in den voornacht tusschen 5 en 6 Maart des jaars 1651 het ongeluk van een doorbraak, welke door een andere aan denDiemer zeedijk, bovenOutewaal, niet verre vanJaap hannes, veroorzaakt werd: het water liep omtrent de molen aan hetNieuwe diep, over den ringdijk van de Meir, en veroorzaakte daardoor een doorbraak, met een gat, ter lengte van omtrent 25 roeden, en eene diepte van 27 tot 30 voeten, beneden het winterwater; 16 voeten hoog stond het water in de Meir, en meest alles werd door de overstrooming vernield: evenwel was deeze ramp, hoe gewigtig, niet gewigtig genoeg om de ingelanden te doen wanhoopen aan het herstellen van hunnen vernielden arbeid, welke herstelling echter niet gemaklijk ten wege gebragt konde worden, dan door de Meir, die nu geheel onder water stond, weder te laaten uitmaalen, de gebouwen en beplantingen weder op te rechten en in stand te brengen, ten welken einde het octrooi van hunnen vrijdom voor den tijd van tien jaaren werd verlengd: onvermoeide arbeid kwam weder alles te boven; dan alleenlijk voor een zeer korten tijd: want in 1672, toen Nederland door het zwaard des oorlogs, die vervloekte geessel der verschrikkinge, geteisterd werd, moest de Meir niet weinig in dat akelig lot deelen;Naarden, de hoofdstad van het vermaaklijkGooiland, werd door deFranschenveroverd, waarom men met reden voorAmsteldambegon te duchten, het welk ten gevolge had, dat de dijk doorgestoken en geheel de Meir onder water gezet werd; doch dit was echter maar voor korten tijd, en niettegenstaande de veroorzaakte aanmerkelijke verwoesting, werd, zo dra de vijand was afgetrokken, alles in zijn ouden luister hersteld: te recht daarom zingt de dichterVan Borvan deeze Meir:[14]

Meir wordt land en landen beeken,Wat Natuur al wondren teelt,Is niet mooglijk uittespreeken,Zo verwart zij in de weeld’!Nu pronkt zij haar kruin met Eiken,Dan met waternimfs sieraad,Nu weêr plant en bloem verrijkenCeres aangenaam gewaad;Plant en bloem en duizend vruchten,Schenkt er gunst te levren aan,Die haar oog en haar genuchtenKiezen in die weeldelaan, enz.

Meir wordt land en landen beeken,

Wat Natuur al wondren teelt,

Is niet mooglijk uittespreeken,

Zo verwart zij in de weeld’!

Nu pronkt zij haar kruin met Eiken,

Dan met waternimfs sieraad,

Nu weêr plant en bloem verrijken

Ceres aangenaam gewaad;

Plant en bloem en duizend vruchten,

Schenkt er gunst te levren aan,

Die haar oog en haar genuchten

Kiezen in die weeldelaan, enz.

In den jaare 1702, brak deDiemerofMuider Zeedijkweder door, het geen andermaal niet weinig bekommernis voor eene overstrooming van de Meir veroorzaakte; doch de ijver waarmede men de handen aan ’t werk sloeg, om overal waar men het noodig oordeelde den ringdijk van de Meir te versterken, werd met een gelukkigen uitslag bekroond; de Meir naamlijk leed geheel geene schade.

In onze jongstledene onlusten, hebben de inwooners van deDiemermeirzig zeer onderscheiden in ijver voor de zaak der Vaderlandschgezinden; zij hebben zig met een ongemeenen ijver in de wapenhandel geoefend; het corps van den Rhijngraaf vanSalm, heeft aan het rechthuis een geruimen tijd in bezetting gelegen: bij het aannaderen derPruissen, was men er in geene geringe bekommering, niettegenstaande de gewapende ingezetenen moeds genoeg hadden om de vijand onder de oogen te gaan zien: de laage landen langs denOutewaalerweg, deelden in de gedaaneinundatie, en dePruissenhebben er vervolgends niet zeer verpligtend geleefd, trouwens aldaar nog beter dan elders; van tijd tot tijd ondernaamen voords eenige van de tegenpartij, voornaamlijk uitAmsteldam, baldaadigheden in de Meir te pleegen, doch de loflijke activiteit van den Substitut Schout, den HeereMatthysElsman, reeds gemeld, heeft hen gedwongen dat opzet te laaten vaaren.[15]

BIJZONDERHEDEN,

Onder deezen zoude in de daad geheel de Meir betrokken kunnen worden; met uitzondering verdienen de ongemeen prachtige lusthoven die er in gevonden worden den aandacht van den wandelaar; die op den hoek van denKruisweg, aan denWeesper weg, pronkt met een zeer fraajeTurkschetent, staande op het wachthuis dat aan dien ingang geplaatst is.—Het tegenwoordige rechthuis, en het tolhek, is mede der bezichtiginge dubbeld waardig.

Weleer was ten einde van deSchagerlaan, ook een fraaje Maliebaan, ter uitspanninge van de geenen die zig aldaar kwamen verlustigen; deeze laan had eene lengte van 173 roeden, in haare behoorelijke beschotten ingesloten; aan beide zijde van dezelve stond een rei hoogopgaande en aan de binnenzijde plat geschorene boomen, die eene zeer aangenaame vertooning maakten, en welke aangenaamheid niet weinig vergroot werd, door de lusthoven ter wederzijde langs de rijwegen gelegen: de herberg aan het begin der baane, en die nog aanwezig is, had de huur deezer laane, gelijk zij ook nog hetMaliehuisheet—Behalven met het maliespel, plagt men zig in deeze baan ook niet zelden te vermaaken met het zogenaamd blindloopen, bestaande in eene weddingschap om geblinddoekt de baan overlangs doorteloopen, zonder tegen de zijschotten aantestooten; doch niettegenstaande de menigte gasten welken door deeze vermaaken, zo wel als door de aangenaamheid van den oord derwaards gelokt werden, is de baan van tijd tot tijd zo verre vervallen, dat zij tot eene harddraavers baan gebruikt werd, en eindelijk geheel verdweenen is, gelijk men er thans niet meer van ziet dan de grazige vlakte alwaar dezelve gelegen geweest is.[16]

HERBERGEN,

Voords nog vier in deSchaagerlaan, die echter sedert eenigen tijd geene andere tap-actens bekomen dan van bier, coffij en thee.

REISGELEGENHEDEN,

Om zodanig eens te noemen de gelegenheden die in deeze Meir gevonden worden, om in dezelve, en van daar naar elders te komen: die gelegenheden zijn de toegangen reeds gemeld; behalven deezen, ligt digt bij het tolhek op denOutewaaler wegnog een pad dat op den hoogendijk nabijZeeburguitkomt; op gemelden weg is ook nog een pad, waarmede men op denWeesperwegkomt: met de gewooneMuider-enWeesper-schuitenkan men ook vanAmsteldamnaar deSchulpbrug, of van daar derwaards vaaren: aan gemelde brug, in de ringsloot, vindt men des zomers zondags en maandags, gemeenlijk ook nog een zogenaamd Ossemarkts jagtjen, waarmede men voor één stuiver de persoon, naar de stad vaart; deUtrechtsche wegopgewandeld zijnde, tot over den ringdijk, wordt men voor vier duiten de persoon, ook over deAmstelgevaaren.

Aan het tolhek vaart ook een geregelde veerschuit naarAmsteldam, des zomers maandag, woensdag en vrijdag, ’s morgens vroeg, en van daar te rug, op dezelfde dagen, ’s middags ten 12 uure: des winters vaart deeze schuit alleenlijk maandags en vrijdags.

Toen de Maliebaan nog in stand en bloei was, reed des zondags en maandags, van even buiten den Muiderpoort, eene soort van Post- of zogenaamde Bolder-wagen, naar gezegde baan, en terug; dit was een veer, doch zonder bepaalde uuren; de vracht voor ieder persoon was 2½ stuiver: sedert het vervallen der Maliebaan is dit veer ook te niet geraakt.[1]


Back to IndexNext