[Inhoud]Het dorp AmstelveenHet dorp AmstelveenAMSTELVEEN, zo wel gelegen,Mild bedeeld met Godes zegen,Leed om Gysbrechts overmoed,Leed door Spanjes dwingelanden,Onlangs viel ’t in Pruisens handen,Laatstlijk heeft er ’t vuur gewoed. (1792.)HETDORPAMSTELVEEN.Zo ons werk niet van dien aart ware, dat wij geene keuze konden doen in de veele plaatsen welken in ons Vaderland voorhanden zijn, (want ons plan vordert dat wij die allen, van hoe grooten aanzien, of hoe gering ook moeten beschrijven;) zo wij deeze of geene plaats ten voorwerpe van onze beschrijving konden verkiezen, ongetwijfeld zouden wij het dorpAmstelveende eer van den voorrang geeven; want in veelerleie opzichten verdient het de aandacht van elk Nederlander: niet alleenlijk is het aangenaam en wèl gelegen; maar ook is het op verscheidene andere wijzen aanmerkenswaardig: het is reeds een voorwerp van de gunst der Graaven geweest, en tevens een voorwerp der blinde woede ten tijde datSpanjebloedmiddelen aanwendde, om de vrije harten en halzen van de wereldberoemde Batavieren door en onder zijn juk te knellen; en wat het in onze laatstvoorledene beroeringen, door het verschillen over de denkbeelden van recht, gerechtigheid en vrijheid, heeft moeten lijden, is nog in verscher geheugenis; ’t heeft ondervonden dat de Nederlanders, spijt alle verbastering nog niet geheel van hunne voorvaderlijke deugd ontaart zijn.… dan, daar van zullen op de volgende en meer andere bladzijden van dit ons werk overtuigende bewijzen genoeg gevonden worden, om er hier van te kunnen zwijgen; wij twijfelen niet of men zal onze beschrijving van dit dorp met genoegen leezen.LIGGING.Het vermaaklijk DorpAmstelveen, (ofAmsterveen, zo als het doorgaands genoemd wordt,) eeneAmbachtsheerlijkheidvanAmsteldam, is gelegen inAmstelland, omtrent twee uuren gaans ten Zuid-westen vanAmsteldam, hebbende ten Oosten deHaarlemmer-meir,[2]ten Westen het dorpOuderkerk, en ten Zuiden,TamenofUithoorn: deszelfs ligging is zeeraangenaam; de weg die vanAmsteldam, of wel van den Overtoom, derwaards gaat, verschaft eene verrukkelijke wandeling tusschen twee reiën lommerijken boomen, achter welken, op verscheidene plaatsen, ruime boerderijen, en aanzienlijke tuinen gelegen zijn: te recht zegt de zoetvloejendeWillink, dat de gemelde aangenaame weg loopt,Langs ijpeboomen, even glad,En net geschoren; welker kruinen,Zo tierig groejen bij het nat,Dat eeuwig wenscht, dien weg te omtuinen:Alwaar het toverend gezichtDen zachten wandelaar verpligt.Amstelland, dat wij boven noemden, was weleer met het steedjen, ’t welk, na nog geen twee honderd jaaren, tot de wereldberoemde koopstadAmsteldamaangewassen is, eene bijzondere Heerelijkheid, niet behoorende onder de eigendommen van deHollandsche Graaven, maar aan het geslacht der Heerenvan Amstel: toen HeerGijsbrecht, van dien naam, als deelgenoot van den bekenden moord aan GraafFloris, het Land moest ruimen, werden zijne goederen verbeurd verklaard, en werden deezen gevolglijk eenvolstrekteigendom van den Graaf;volstrekt, zeggen wij, wantGijsbrechtwas reeds vroeger, voor zekere handelwijze van hem omtrent den Bisschop vanUtrecht, door den Graaf gestraft, daarmede, dat hij zijne goederen, waaronder ookAmstelland, aan den Graave moest opdraagen, waarna hij dezelven weder als een Leen van deezen ontving:Amstellandis volgends sommigen daarna een Leen van deUtrechtsche Kerkgeweest, doch ook weder aan de Graaflijkheid gehecht; anderen ontkennen zulks geheel of ten deele.De uitgestrektheid van deeze gewezene Heerlijkheid is aanmerkelijk groot; zij wordt door denAmstelin twee deelen gescheiden, en aan de West-zijdeNieuwer-Amstelgenoemd, in tegenstelling van de andere zijde die den naam vanOuder-Amsteldraagt; zij bevat de dorpen,Slooten, Slooterdijk, Amstelveen,Ouderkerk, DiemenmetDiemerdam, LoenenenLoosdrecht,[3]Duivendrecht, Waver, Waverveen, Oostdorp, en meer andere vlekjens; ook zelfsAmsteldam, dat men de hoofdstad van deeze Heerlijkheid zoude kunnen noemen: de grond van dezelve is over ’t algemeen laag, week, moerassig en brakachtig; des vindt men er weinig bouwland, in vergelijking van den gras- en veen-grond die er voorhanden is: de laage ligging vereischt groote kosten aan watermolens, om het water geen overhand te laaten neemen; integendeel zijn onder de voordeelen vanAmstellandte tellen, de veenen en ook zelfs de waterplassen welken er zijn, beiden groote winsten aanbrengende, de laatstgemelden door keur van allerleie smaaklijke riviervisch: voor weinige jaaren is bovenAmstelveen, een diep uitgebaggerde veengrond droog gemaakt, en is thans reeds weder tot goed land geworden—dat weleer binnen den omtrek van deeze Heerlijkheid zwaare bosschen, (waarvan geheelHollandtoen rijklijk voorzien was1) gestaan moeten hebben, en in de zo bekende boomstortingen gevallen zijn, blijkt van tijd tot tijd daaraan dat onder het graaven zwaare boomen gevonden worden; aan sommigen van dezelven heeft men vinden hangen, nooten en andere vruchten, die nog zeer goed waren—ons bestek laat niet toe breeder over deeze anders zo aangenaame taak, zo weinig als overAmstellandop zig zelf, te spreeken; des keeren wij totAmstelveenweder.NAAMSOORSPRONG.De naam welke dit aangenaame dorp draagt, verklaart tevens deszelfs afkomst; betekenende naamlijk hetveen dat aan den Amstel ligt, ofAmstels Veen; waarom de eigenlijke naam nietAmsterveen, gelijk wij zeiden dat het doorgaands genoemd wordt, maarAmstelveenis.[4]STICHTINGENGROOTTE.Wat de stichting betreft, daarvan kan, gelijk van veele andere dorpen, enz. niets gezegd worden; zeer waarschijnelijk zijn dezelven hunnen oorsprong verschuldigd aan ’t verblijf van eenige lieden, visschers, landbouwers, of baggerders, welken hunne nooddruft uit de grondsgelegenheid aldaar vonden, en bij wie misschien, door hunnen welvaart van tijd tot tijd uitgelokt, zig veele anderen gevoegd, en zo een buurt gemaakt hebben, welke, na verloop van tijd, in een dorp veranderd kan geworden weezen.Wat de grootte vanAmstelveenbetreft, het geheele Ambacht wordt in de oude verpondings lijsten gesteld op 2670 morgen en 766 roeden; in andere opgaven vindt men er 4076 morgen voor, welk verschil ontstaan kan door eene andere bepaaling van het district, of liever van den grond die onder de opgave betrokken is; thans wordt het wel 6000 morgen groot geschat: in oude lijsten staan voorAmstelveen251 huizen aangetekend; in nieuwere 1167 huizen en één molen; welk verschil weder op de gemelde wijze kan ontstaan zijn, althans de laatste opgaave, bepaalt zig niet binnen den omtrek van het eigenlijke dorp zelf, maar gaat ook over de buurten welken daaronder behooren, liggende aan denAmstel, denVeendijk, de zogenaamdeZwaluwenbuurt, en deNes, ook de geheeleAmstelveensche weg, aan de hand vanLeiden, enz.Ten noorden paalt het rechtsgebied vanAmstelveenonmiddelijk aan dat vanAmsteldam, waarvan de HeerWellekens, in zijneVisschersenJagersgezangen, dus zingt:Juist daar de Mijlpaal staat, uit blaauw arduin gehouwen,Die ’t land en halsrecht scheidt, de beken en Landsdouwen,Van ’t prachtig Amsteldam, en ’t nedrig Amstelveen,Gelijk van stam en naam, maar nu met lotgemeen.’TWAPEN.Dit is een rood Schild, met twee zwarte dwarsbalken doorsneden;[5]op den bovensten balk drie, en op den ondersten één witte kruisen.KERKLIJKE GEBOUWEN.Onder deezen kunnen geene anderen geteld worden dan de Kerk zelve, het Diaconie-Weeshuis, en ’t algemeene Armehuis; in het Diaconie-Weeshuis zijn niet meer dan twintig kinderen, en weinige oude lieden, en het Armehuis is in tweeën gescheiden; zijnde het voorste gedeelte ten dienste derGereformeerden, en het achterste voor deRoomschenenLutherschen, als mede voor de oude lieden van beide gezindheden: voor het Armehuis leest men:Den armen wees tot nut, bragt men dit huis tot stand,Den ouden tot een stut, in Nieuwer Amstelland.Boven den ingang van het Diaconiehuis staan de volgende woorden in een vierkanten steen uitgehouwen: „Door de weldaadigheid vanNieuweramstelenAmsteldam, is dit Diaconie Weeshuis gebouwd, in het jaar 1765.„De Heere houdt de Weezen en Weduwen staande:Ps.126 vs. 9.”Weleer stond boven de poort of ingang, naast het zelve huis nog een versjen, ’t welk door ’t schilderen daarvoor van daan geraakt is: dus luidde het:De liefde omhelst ’t verlaten weesken alhier,Om z’in haar schoot te voên en te onderwijzen,Verkwikt, versterkt met wijs bestier,De Oude, Arme, en afgewerkte grijzen:O Amstelland! wie roemt en volgt u niet,Als men dit huis met zijn bewooners ziet!De Kerk staat op een bemuurd kerkhof, dat met schoon geboomte beplant is; het gebouw pronkt met een aartig spits torentjen, waarin slag en uurwerk is: onder de weinige sieraadjen van binnen munt zeer uit het eeregraf van den beroemden Nederlandschen Dichter,Johan van[6]Broekhuizen, zijner nagedachtenisse geschonken door den Wel Ed. Heer, Mr.Abraham Calkoen, Heer vanKortenhoef, ten tijde der oprichting (1767) Baljuw en Dijkgraaf vanAmstelland, naderhand Hoofdofficier der StadAmsteldam: hetzelve bestaat in eene aloude lijkbus van blaauw arduinsteen, rustende op een dergelijk voetstuk, voor hetwelk een Latijnsch vers van den HoogleeraarBurman, op een wit marmer tafreel is uitgehouwen, zijnde van deezen inhoud:„Ter gedachtenisse vanJohan van Broekhuizen,Overleden in het Jaar 1707.„Gij alle die de Dichtkunst en Wapenoefening bemint, strooit lauren, mirten en veil op dit gewijde graf:Broekhuizen, wiens gedichten die vanPropertiusevenaarten, ligt hier in deAmstelveensche Kerkbegraven; op dat hij ruste in dien zelfden oord, waarin hij, ontslagen van zijne krijgsamten, die hij met eere bekleed had, zig, in stilte, met geleerde oefeningen bezig gehouden heeft: de erkentenis die men aan zijnen asch, waarvoor men zo schandelijk verzuimd had eenig gedenkteken opterichten, na zestig jaaren verloops, de verschuldigde eer bewijst, hebbe haaren verdienden lof, en verstrekke ten treffelijken voorbeelde voor de dankbaare nakomelingschap; doch schoon dit grafteken, gelijk alle anderen, zelfs zulken die uit het kostbaar marmer gehouwen zijn, eindelijk vergaan moet, zullen nogthans de werken van zo groot eenen geest alleen zijnen naam onstervelijk maaken.”Tot genoegen van onze Leezers, maar voornaamlijk tot genoegen van de bewooners vanAmstelveen, zullen wij hier eene kleine schets van de levensbeschrijving diens voortreffelijken mans bijvoegen; ’t kan gezegde bewooners tog niet onverschillig zijn te weeten wie hij eigenlijk was die verdiend heeft, dat hun Kerkjen met zijn eereteken pronkt.Johan van Broekhuizen, was dan eenAmsteldammer,[7]ter dier stede geboren den 20 November des jaars 1649; de zoon van een Hoedestoffeerder, die daarna ook klerk terSecretarijvan de Admiraliteit aldaar was; zijne moederEva Vos, was aan de aanzienlijke geslachten vanWitsenenHudde, vermaagschapt:Broekhuizenwerd van jongs af der studie toegewijd; maakte groote vorderingen in de geleerde taalen, en betoonde al vroeg eene ongemeene zucht voor de dichtkunde derLatijnen; en deeze zucht was in onzen dichter zelfs zo brandend, dat hij, meer dan vijftig versen, in die taale gedicht, slechts één maal gehoord hebbende, dezelven van buiten kende; inderdaad een doorslaand bewijs van eene wonderbaare natuurgaaf, die zo vermaaklijk als in andere gevallen, (doch voor den dichter altoos hoogstwenschlijk,) lastig is; wantBroekhuizenkon met geene mogelijkheid de regelen der Logica, eene drooge schoolsche studie, in zijn geheugen prenten; leevende voorbeelden zouden den man van ondervinding van deeze waarheid meer dan hij verlangde overtuigen: zo geheugt het mij, toen ik lessen in de Wiskunst gaf, meermaals leerlingen gehad te hebben, die uitmuntten in allerleie werken van genie, als daar is het maaken van tooneelspellen, en zamenstellen van romans, dat deezen, spijt alle mijne aangewende moeite, geen denkbeeld van eene rekening van proportie, of zogenaamde regel van drieën konden verkrijgen.Van de schoole gekomen zijnde, besteedde zijn Oom, die hem na den dood zijns Vaders, tot tweeden Vader verstrekte, hem in een Apotheek, waarin hij eenige jaaren doorbragt, zonder echter de dichtkunde van zijne geliefdeLatijnente vergeeten: deeze slaafsche verbinding konde hem, zeer natuurlijk, niet lang behagen; hij kreeg er tegenzin in, en begaf zig tot een vrijer leven, tot den krijgsdienst naamlijk, waarin hij welhaast tot den rang van Vendrig bevorderd werd; hoe zou ook een lievelingskind der Natuur in allerleie standen geene bevordering verkrijgen! intusschen vergat hij zijne waardeLatijnenniet; ook niet toen hij vervolgends onder den dapperenDe Ruiter, een togt ter zee deed, of toen hij, in 1673, in[8]zijne geboortestad, Lieutenant werd over een Vendel van de stads bezetting: behalven dat woonde hij verscheidene veldtogten inDuitschlanden deNederlandenbij: hij zettede zig, na het sluiten van den vrede teNijmegen, met er woon teUtrechtneder, en gaf zig aldaar geheel aan de boekoefening over: van daar kwam hij teAmsteldam, en had het geluk zijne studie voordtezetten in gezelschap van zijne beroemde tijdgenooten de HeerenHulst, Huijdecooper, Heinck,Geelvink, en anderen: BurgemeesterHuddebezorgde hem de Capiteinsplaats van één der Vendelen van meergemelde stads bezetting: toen na het sluiten van denRijswijkschen vrede, dat Vendel afgedankt werd, verkoos onzeBroekhuizeneen aangenaam buitenverblijf, onder het gebied vanAmstelveenter wooning, alwaar hij bij aanhoudendheid van de voornaamste Geleerden bezocht werd, en zijne studiën met onvermoeiden vlijt voordzettede; na lang gesukkeld te hebben, overleed hij aldaar den 15 van Wintermaand des jaars 1707, en werd op den vijfden dag na zijn overlijden, in gevolge van zijnen laatsten wil, in de Kerk teAmstelveenbegraven.—Wat zijn arbeid betreft,PropertiusenTibullus, zijn fraai door hem verbeterd, in ’t licht gegeven, als mede de gedichten vanSanesariusen anderen: zijne eigeneLatijnsche poëzijis door den beroemdenDavid van Hoogstraatenin den jaare 1711 ter persse bezorgd, en weinige jaaren daarna ook zijne Nederduitsche gedichten, voor welken ’t verhaal van ’s dichters leven geplaatst is: kort na zijn overlijden deed de HoogleeraarP. Burmaneene redevoering daarop toepasselijk: welke eere ’s mans nagedachtenis is aangedaan, hebben wij boven gezien.Het Kerkjen is gesticht in den jaare 1594, heeft geen orgel, en is de eenigste die in de banne vanAmstelveengevonden wordt; ofschoon zij bijna 1100 ledemaaten kan tellen: daarentegen zijn er op het zelfde grondgebied wel vierRoomsche Kerken; een van dezelve staat op denAmstelveenschen Weg, tusschen denOvertoom, en deKalfjeslaan, die geen van de kleinste is, een mooi orgel heeft, en door twee Pastoors bediend[9]wordt: hij bevat onder zig wel 800 ledemaaten, behalven de menigte van vreemdelingen, welken des zomers aldaar ter Kerke gaan.De eerste Predikant op dit dorp is (1586) geweestGerard Pauli, zijnde hetzelve alstoen gecombineerd metOuderkerk, doch in 1588 is die combinatie gescheiden—voor eenige jaaren heeft de zonderlinge Leeraarvan der Zouw, door zijne wijze van den volke het Euangelium te verkondigen, dit dorp geen gering voordeel aangebragt, door de menigte van stedelingen, en omliggende bewooners, welken hem kwamen hooren prediken; zijn toon en wijze van verhandelen waren even zonderling; dikwijls brak hij zijne reden af, om de in- en uitgaande menigte te zeggen dat zij minder opschudding moesten maaken; om te zeggen dat men deezen of geenen vermoeiden boêr, welke te weinig begrips van zijne verklaaring konde maaken, en dien hij derhalven in de slaap gepredikt had, optewekken; om aan den koster te klaagen dat de zon, door de kerkglazen schijnende, hem geweldig hinderden, en dat derhalven de glasgordijnen toegeschoven moesten worden; om bij het verschijnen van een of ander gezelschap welgeklede lieden, uitteroepen: „Kijk, kijk! daar komen weêrAmsteldammersaan! maar met geen hart, hongerende en dorstende naar de geestelijke spijs en drank des Euangeliums,” of iet dergelijks—’t geheugt mij zijn Wel Eerwaarden eens het gebod der Wet,Gij en zult niet steelen, te hebben hooren verklaaren, en hem in die verklaaring hooren stellen, dat alle menschen, van wat staat en stand, van wat ouderdom,dievenwaren; zijn Weleerwaarde begon bij de kinderen, die zig niet zelden schuldig maaken, zeide hij, aan het steelen van een appel of peer—tot de Diakens der Kerke gekomen zijnde, dacht ik, de Leeraar zoude evenwel deezen uit zijn algemeen vonnis uitsluiten, maar neen! zijn hoofd naar derzelver gewoone plaats in de Kerk keerende, schreeuwde zijn Wel Eerwaarde uit:Er wordt niet anders als koperen munt in ’t zakjen gevonden!hij liet de uitlegging van de betekenis der woorden aan Diakenen zelven over, en ging voord met zijne rol van dieven verder afteleezen.[10]Van de Wereldlijke Gebouwen,Amstelveenbetreffende, daar het Rechthuis, even als dat op alle andere dorpen, niets bijzonders heeft, des juist niet in den rang van gebouwen geplaatst kan worden, hebben wij geene aantekeningen te maaken, niet anders als dat hetzelve een stads gebouw is;geapproprieerdtot eene wooning voor den Officier, met eenen grooten tuin daar achter, waar voor de Officier voornoemd jaarlijks eene zekere somme aan de stadAmsteldammoet opbrengen: het gebouw heeft anders geen aanzien als dat het in zijn gevel pronkt met het wapen vanAmsteldam: om de drie weeken wordt er, donderdags, rechtdag gehouden.REGEERING.Deeze bestaat voor zo veelAmstelveenzelf aangaat, uit den Balliuw, Schout en zeven Schepenen: eene Ambachtsheerlijkheid vanAmsteldamzijnde, is er ook eene Ambachtsheer over gesteld, die de zaaken, het Ambacht bijzonderlijk betreffende waarneemt; bestaande de crimineele rechtbank aldaar eigenlijk uit Bailluw en Schepenen voornoemd; welke eerstgemelde ook Bailluw vanAmstellandis.Tot het bestuur der Polderzaaken, wordt volgends octrooi vankeizer Karel den Vijfden, dato 31 December 1520, een Dijkgraaf- en Hoog-Heemraadschap opgericht, dat met en benevens het Gerecht vanAmstelveenhet opzicht zoude hebben, over de dijken, bruggen, dijkslooten en andere polderwerken; volgends deeze handvest, zouden van de vijf Landrijksten, vier Heemraaden, en de oudste dier vijf, tot Dijkgraaf verkoozen worden: de Keizer noemde hen Dijkgraaf en Heemraden van de Landen en Dorpen vanAmstelveen, doch hedendaags noemt men dat CollegieDijkgraaf en Heemraaden van Nieuwer-Amstel; het aanstellen van dat opzicht is zijne geboorte verschuldigd aan de klagten die eenigen der Landrijksten bij den Keizer inbragten, daarover dat de vloeden derZuiderzee, dagelijks aanwiessen, en die van het sticht vanUtrechthunne wateren ook dagelijks door molens uitwierpen, en deeden loopen op de landen vanAmstelveen, waardoor de opgezetenen aldaar, indien er niet in voorzien werd, scheenen te zullen[11]bedorven worden, en ten eeuwigsten dage verloren blijven, verzoekende derhalven dat hetzelve door het aanstellen van het bovengemelde Collegie, om desaangaande de noodige voorzorgen te doen neemen, mogt voorgekomen worden; de Keizer het gewigt deezer klagten inziende, willigde hun verzoek in.De verkiezing van deeze Dijkgraaf en Heemraaden geschiedde weleer door de Rekenkamer der Graaflijkheids Domeinen, doch thans geschiedt het door Gecommitteerde Raaden van de Staaten vanHolland, op aanschrijving van Burgemeesteren vanAmsteldam.VOORRECHTEN.Deeze Ambachtsheerlijkheid is, in voorige eeuwen, door de Graaven met verscheidene voorrechten beschonken; van daar heeft het nog een vrij halsgerecht; ook mag, volgends privilegie van GraafAlbrecht, in geheelAmstelland, geen beroep van vonnisse gedaan worden—zij die eenig denkbeeld van het district, waarvan wij hier spreeken, kunnen maaken, zullen zig in gevolge van het eerstgemelde der bovengenoemde voorrechten, niet meer verwonderen dat er teAmstelveenzo dikwijls halsrecht gedaan wordt.Amstelveenheeft ook het recht om die vanAmsteldam, nalaatig bevonden wordende in het onderhouden van de sluizen „op tenMiddeldam, en opSt. Anthonies-poorte,” te beslaan in de boete van zes goudguldens dagelijks, tot duizend goudguldens toe, doch niet hooger.BEZIGHEDEN.Deezen bestaan onder de bewooners van deeze Ambachtsheerlijkheid in het weiden van vee, maaken van melk, boter en kaas, en het veenen, of baggeren van turf, enz.GESCHIEDENISSEN.Hoe de HeerlijkheidAmstelland, en gevolglijk ook dit dorpAmstelveenaan de Graaven vanHollandgekomen is, hebben[12]wij boven, (bladz. 2.) gezien; en in onze beschrijving vanSloterdijk, tekenden wij aan dat dezelve naderhand in het huis vanBrederodezijn overgegaan, alwaar wij ook zeiden, dat niet naauwkeurig bepaald konde worden, langs welken weg (zie aldaar bladz. 2); doch, onder het naslaan van eenige andere dan de toen geraadpleegde schrijvers, vinden wij dat men dien overgang dus opgeeft: GraafJan van Holland, die zijn’ Vader den omgebragten GraafFloris den Vijfdenopvolgde, kwam derhalven ook in het bezit van de verbeurd verklaarde goederen vanVan Amstel; en deeze, in 1299, zonder kinderen komende te overlijden, is hem, als naast in den bloede, tot erfgenaam opgevolgd,Jan van Avennes, welke in ’t begin zijner regeeringe de Heerlijkheden vanAmstelenWoerdenschonk aan zijnen broederGuy; na den dood van deezen, en van GraafJanheeft ’s Graaven zoonWillem(1317,) die Heerlijkheden weder benaderd en aan de Graaflijkheid gehecht.Naderhand heeftAlbert van Beiëren, als Graaf vanHolland, de AmbachtsheerlijkheidAmstelveen, nevens de gevolgen van dien, terOuder-enNieuwer-Amstel(1399,) tot een onstervelijk leen gegeven, aanCoen van Oosterwijk, voor de somma van 3100 schilden; deeze droeg dat zijn eigendom (1402) weder op aanMargaretha van Cleef, des Hertogs tweede Gemaalinne; hier door geraakte na haar overlijden,Amstelveen, en de geheele nalaatenschap der Graavinne aan haare Moeder, medeMargarethagenaamd, die de Heerlijkheid tot 1434 bezat; in welk jaarHendrik van Borselen, Heervan ter Veere, uit krachte van aanhoop, daarmede verleid is geworden; en door het huwelijk vanMargareta van Borsselen, metWalraven van Brederode, gingAmstelveendus in dat geslacht over, zijnde hetzelve in 1529, door HeerWalravenaan de stadAmsteldamverkocht, gelijk wij in ons blad, overSloterdijkhandelende, reeds gezegd hebben.In de woede der hervorming heeftAmstelveendenkelijk gedeeld;[13]want in de sententiën vanAlba, vindt men een banvonnis, tegen zekerenCornelisvanAmstelveen, welke daarin ten laste gelegd wordt, dat hij de kerkplonderaars te drinken gegeven, den Pastoor voor eenen verleider des volks uitgemaakt, en gezegd zoude hebben, dat men van de klokken der kerken roers en geschut zoude gieten.WatAmstelveenin onze jongstledene beroerten heeft moeten lijden, is bij ieder bekend; aldaar tog was om zo te spreeken voor een gedeelte het tooneel des oorlogs.In den nacht van den 30 September, rukte de Hertog, met zijnePruissenreeds tot nabij deHand van Leidengekomen zijnde, nader derwaards; doch eene Patriotsche patrouille vertelde hem weldra met snaphaanskogels, dat zij onversaagd waren: deezen echter waren door de overmagt genoodzaakt zig te bedwingen; de Hertog posteerde vervolgens zijn geschut op den dijk naarAmstelveen, waarop de aanval zoude geschieden; reeds ten 5 uuren in den morgen hoorde men het signaalschot, en terstond daarop begonnen dePruissenteOuderkerkhunne opgeworpene Batterijen te laaten speelen; hunne jaagers gingen op het verlaat los, doch bemagtigden hetzelve niet dan ten koste van veele koppen; want deHollandersvochten als leeuwen, als lieden die bij den oorlog opgevoed waren, welke lof de Hertog zelf hun niet heeft kunnen weigeren—nog herinneren wij ons, met siddering, het geluid der schoten aan welke ’t behoud of verlies van geheelAmsteldamafhing; nog hooren wij de hartlijke beden aan den hemel om overwinning.… doch liever staaken wij dien toon.Eenige honderden schreden achter het gezegde verlaat, lag eene Patriotsche verschansing, door eene welbepalissadeerde gracht van den dijk afgezonderd; deeze werd vervolgends aangetast en veroverd, doch mede ten duuren prijze: ondertusschen was het dag geworden: de dappere ColonelDe Portedie de Patriotten teAmstelveencommandeerde, en het dorp ongemeen versterkt had, liet toen met vier stukken geschuts den dijk beschieten, en deed veelePruissenvallen; de Hertog echter hield[14]stand, zond zijne jaagers, over de grachten, naar de nabijgelegene hooibergen, ten einde van achter dezelven zijnen vijand te beschieten; de onzen maakten een allerhevigst vuur, en betwistten elkander de eer van de meeste en best gerichte schoten gedaan te hebben: ligtlijk begrijpt men dat dePruissenvan hunnen kant mede hun best deeden, waardoor het benaauwdeAmstelveenzig in ’t grootste gevaar bevond, staande ten prooje van de vijandlijke kogels, die echter niet zodanig neder kwamen dat er eenig huis of schuur in de brand geschoten werd: de onzen onvermoeid met schieten aanhoudende, en nu ziende dat men hun van achter de hooibergen bestookte, hadden moeds genoeg om op dePruissische Jaagers, aldaar verstoken liggende, los te gaan, de hooibergen in den brand te steeken, en vooral door hunne welgeoefende scherpschutters, de jaagers voornoemd te verdrijven, niet alleen, maar ook zag de Hertog zig genoodzaakt met al zijne manschap naar deHand van Leidente retireeren, alwaar de Lieutenant GeneraalVan Knobelsdorfeene batterij geformeerd had, omAmstelveenop zijde te beschieten.De Hertog verwachtte alle oogenblikken dat de onzen van achteren geattaqueerd zouden worden, en hij daardoor gelegenheid bekomen van weder te kunnen avanceeren, want dit was zijn plan, maar dit secours bleef vier en een half uur uit, het geen hun veel volks kostte, die door het vuur der patriotten vielen.Tegen tien uuren des morgens kreegen de onzen op den dijk vanOuderkerknieuwe versterking van voetvolk, want hoe heet het ook reeds toeginge, brandde men echter van verlangen, vooral teAmsteldam, om zig tot versterking derwaards te mogen begeeven; men hield zig van eene volkomene overwinning verzekerd—dan God had het anders besloten——wij weeten niet waarbij het toegekomen is, dat dePruissenverscheidene geretrancheerde posten van de onzen op den dijk naarAmstelveenen elders veroverden, de moedige Patriotten aan het wijken[15]bragten, en tot binnen het dorp dreeven; ’t welk aldaar geene geringe schrik veroorzaakte—eene en andere omstandigheden waren dringend genoeg om den ColonelDe Portete doen besluiten, zig naarOuderkerkte begeeven, ’t geen met zo veel spoeds geschiedde dat dePruissennu, gereed zijnde hen met hun eigen geschut te beschieten, hen niet meer berijken konden.TeOuderkerkhad men zig tot nu toe even manlijk gedragen; de gelegenheid van het plaatsjen had den Hertog belet het te naderen, des zag hij ook geen kans om het tot de overgaaf te dwingen; onvoorbeeldig kloekmoedig betoonden de Patriotten zig aldaar, doch door de aankomst vanDe Porte, uitAmstelveen, werden zij geintimideerd, als nu te wel beseffende hoe zij thans langs den zelfden weg (’t zogenaamde groote loopveld, of de Kerkweg,) op de zijde, door dePruissengenaderd konden worden: deColonelsCorkelenLeville, hadden hier het bevel, en beslooten de wijk naarAmsteldamte neemen, liever dan door eene wanhoopige verdediging den Vaderlande nog meer burgers te ontrukken—een ware held weet op zijnen tijd te wijken: de aftogt geschiedde met alle mogelijke stilte, en men kwam behouden teAmsteldamaan.Nog dien zelfden avond werd het plaatsjen zo wel alsAmsteldamdoor dePruissenbezet, waardoor de inwooners, in de uiterste droefheid gedompeld, nu den overlast des soldaats moesten draagen—dat deeze overlast niet gering geweest is bevestigen honderden van getuigen; en te geloofwaardiger worden dezelven, als men beseft, welk haatelijk denkbeeld denPruissenvan de Nederlandsche Patriotten ingeboezemd was geworden; ook hadden zij te veel van de moedige verdediging van deezen moeten ondergaan, om geheel vrij te blijven van den trek tot bijzondere wraakneeming.[16]BIJZONDERHEDEN.Hier onder behoort weder in de eerste plaats de kerk, met het graf vanBroekhuizen(zie boven bladz. 5.)De droogmaakerij, (zie bladz. 3.)Eene wandeling naarOuderkerk, geeft ook bijzonder vermaak.Voords zijn hier en daar nog eenige plaatsen en dingen in oogenschouw te nemen, welken nagedachtenissen van het voorbeschrevene dapper gevecht tegen dePruissendraagen.REISGELEGENHEDEN.Met deUtrechtscheen andere schuiten dieOuderkerkpasseeren, kan men vanAmsteldamtot daar, en terug medevaaren; voords gaat men verders te voet naarAmstelveen: des zondags vaart langs dien weg een Kerkschuit.LOGEMENTEN.HetNieuwe dorstige Hart.HetOude dorstige Hart.HetLand van belofte.DePaauwen.[1]1Om deeze reden stellen sommigen ook niet datHollandzijnen naam zoude ontleend hebben van deszelfs laage(Holle)ligging, maar van de menigte bosschen(Holt, hout)die er gevonden worden.↑
[Inhoud]Het dorp AmstelveenHet dorp AmstelveenAMSTELVEEN, zo wel gelegen,Mild bedeeld met Godes zegen,Leed om Gysbrechts overmoed,Leed door Spanjes dwingelanden,Onlangs viel ’t in Pruisens handen,Laatstlijk heeft er ’t vuur gewoed. (1792.)HETDORPAMSTELVEEN.Zo ons werk niet van dien aart ware, dat wij geene keuze konden doen in de veele plaatsen welken in ons Vaderland voorhanden zijn, (want ons plan vordert dat wij die allen, van hoe grooten aanzien, of hoe gering ook moeten beschrijven;) zo wij deeze of geene plaats ten voorwerpe van onze beschrijving konden verkiezen, ongetwijfeld zouden wij het dorpAmstelveende eer van den voorrang geeven; want in veelerleie opzichten verdient het de aandacht van elk Nederlander: niet alleenlijk is het aangenaam en wèl gelegen; maar ook is het op verscheidene andere wijzen aanmerkenswaardig: het is reeds een voorwerp van de gunst der Graaven geweest, en tevens een voorwerp der blinde woede ten tijde datSpanjebloedmiddelen aanwendde, om de vrije harten en halzen van de wereldberoemde Batavieren door en onder zijn juk te knellen; en wat het in onze laatstvoorledene beroeringen, door het verschillen over de denkbeelden van recht, gerechtigheid en vrijheid, heeft moeten lijden, is nog in verscher geheugenis; ’t heeft ondervonden dat de Nederlanders, spijt alle verbastering nog niet geheel van hunne voorvaderlijke deugd ontaart zijn.… dan, daar van zullen op de volgende en meer andere bladzijden van dit ons werk overtuigende bewijzen genoeg gevonden worden, om er hier van te kunnen zwijgen; wij twijfelen niet of men zal onze beschrijving van dit dorp met genoegen leezen.LIGGING.Het vermaaklijk DorpAmstelveen, (ofAmsterveen, zo als het doorgaands genoemd wordt,) eeneAmbachtsheerlijkheidvanAmsteldam, is gelegen inAmstelland, omtrent twee uuren gaans ten Zuid-westen vanAmsteldam, hebbende ten Oosten deHaarlemmer-meir,[2]ten Westen het dorpOuderkerk, en ten Zuiden,TamenofUithoorn: deszelfs ligging is zeeraangenaam; de weg die vanAmsteldam, of wel van den Overtoom, derwaards gaat, verschaft eene verrukkelijke wandeling tusschen twee reiën lommerijken boomen, achter welken, op verscheidene plaatsen, ruime boerderijen, en aanzienlijke tuinen gelegen zijn: te recht zegt de zoetvloejendeWillink, dat de gemelde aangenaame weg loopt,Langs ijpeboomen, even glad,En net geschoren; welker kruinen,Zo tierig groejen bij het nat,Dat eeuwig wenscht, dien weg te omtuinen:Alwaar het toverend gezichtDen zachten wandelaar verpligt.Amstelland, dat wij boven noemden, was weleer met het steedjen, ’t welk, na nog geen twee honderd jaaren, tot de wereldberoemde koopstadAmsteldamaangewassen is, eene bijzondere Heerelijkheid, niet behoorende onder de eigendommen van deHollandsche Graaven, maar aan het geslacht der Heerenvan Amstel: toen HeerGijsbrecht, van dien naam, als deelgenoot van den bekenden moord aan GraafFloris, het Land moest ruimen, werden zijne goederen verbeurd verklaard, en werden deezen gevolglijk eenvolstrekteigendom van den Graaf;volstrekt, zeggen wij, wantGijsbrechtwas reeds vroeger, voor zekere handelwijze van hem omtrent den Bisschop vanUtrecht, door den Graaf gestraft, daarmede, dat hij zijne goederen, waaronder ookAmstelland, aan den Graave moest opdraagen, waarna hij dezelven weder als een Leen van deezen ontving:Amstellandis volgends sommigen daarna een Leen van deUtrechtsche Kerkgeweest, doch ook weder aan de Graaflijkheid gehecht; anderen ontkennen zulks geheel of ten deele.De uitgestrektheid van deeze gewezene Heerlijkheid is aanmerkelijk groot; zij wordt door denAmstelin twee deelen gescheiden, en aan de West-zijdeNieuwer-Amstelgenoemd, in tegenstelling van de andere zijde die den naam vanOuder-Amsteldraagt; zij bevat de dorpen,Slooten, Slooterdijk, Amstelveen,Ouderkerk, DiemenmetDiemerdam, LoenenenLoosdrecht,[3]Duivendrecht, Waver, Waverveen, Oostdorp, en meer andere vlekjens; ook zelfsAmsteldam, dat men de hoofdstad van deeze Heerlijkheid zoude kunnen noemen: de grond van dezelve is over ’t algemeen laag, week, moerassig en brakachtig; des vindt men er weinig bouwland, in vergelijking van den gras- en veen-grond die er voorhanden is: de laage ligging vereischt groote kosten aan watermolens, om het water geen overhand te laaten neemen; integendeel zijn onder de voordeelen vanAmstellandte tellen, de veenen en ook zelfs de waterplassen welken er zijn, beiden groote winsten aanbrengende, de laatstgemelden door keur van allerleie smaaklijke riviervisch: voor weinige jaaren is bovenAmstelveen, een diep uitgebaggerde veengrond droog gemaakt, en is thans reeds weder tot goed land geworden—dat weleer binnen den omtrek van deeze Heerlijkheid zwaare bosschen, (waarvan geheelHollandtoen rijklijk voorzien was1) gestaan moeten hebben, en in de zo bekende boomstortingen gevallen zijn, blijkt van tijd tot tijd daaraan dat onder het graaven zwaare boomen gevonden worden; aan sommigen van dezelven heeft men vinden hangen, nooten en andere vruchten, die nog zeer goed waren—ons bestek laat niet toe breeder over deeze anders zo aangenaame taak, zo weinig als overAmstellandop zig zelf, te spreeken; des keeren wij totAmstelveenweder.NAAMSOORSPRONG.De naam welke dit aangenaame dorp draagt, verklaart tevens deszelfs afkomst; betekenende naamlijk hetveen dat aan den Amstel ligt, ofAmstels Veen; waarom de eigenlijke naam nietAmsterveen, gelijk wij zeiden dat het doorgaands genoemd wordt, maarAmstelveenis.[4]STICHTINGENGROOTTE.Wat de stichting betreft, daarvan kan, gelijk van veele andere dorpen, enz. niets gezegd worden; zeer waarschijnelijk zijn dezelven hunnen oorsprong verschuldigd aan ’t verblijf van eenige lieden, visschers, landbouwers, of baggerders, welken hunne nooddruft uit de grondsgelegenheid aldaar vonden, en bij wie misschien, door hunnen welvaart van tijd tot tijd uitgelokt, zig veele anderen gevoegd, en zo een buurt gemaakt hebben, welke, na verloop van tijd, in een dorp veranderd kan geworden weezen.Wat de grootte vanAmstelveenbetreft, het geheele Ambacht wordt in de oude verpondings lijsten gesteld op 2670 morgen en 766 roeden; in andere opgaven vindt men er 4076 morgen voor, welk verschil ontstaan kan door eene andere bepaaling van het district, of liever van den grond die onder de opgave betrokken is; thans wordt het wel 6000 morgen groot geschat: in oude lijsten staan voorAmstelveen251 huizen aangetekend; in nieuwere 1167 huizen en één molen; welk verschil weder op de gemelde wijze kan ontstaan zijn, althans de laatste opgaave, bepaalt zig niet binnen den omtrek van het eigenlijke dorp zelf, maar gaat ook over de buurten welken daaronder behooren, liggende aan denAmstel, denVeendijk, de zogenaamdeZwaluwenbuurt, en deNes, ook de geheeleAmstelveensche weg, aan de hand vanLeiden, enz.Ten noorden paalt het rechtsgebied vanAmstelveenonmiddelijk aan dat vanAmsteldam, waarvan de HeerWellekens, in zijneVisschersenJagersgezangen, dus zingt:Juist daar de Mijlpaal staat, uit blaauw arduin gehouwen,Die ’t land en halsrecht scheidt, de beken en Landsdouwen,Van ’t prachtig Amsteldam, en ’t nedrig Amstelveen,Gelijk van stam en naam, maar nu met lotgemeen.’TWAPEN.Dit is een rood Schild, met twee zwarte dwarsbalken doorsneden;[5]op den bovensten balk drie, en op den ondersten één witte kruisen.KERKLIJKE GEBOUWEN.Onder deezen kunnen geene anderen geteld worden dan de Kerk zelve, het Diaconie-Weeshuis, en ’t algemeene Armehuis; in het Diaconie-Weeshuis zijn niet meer dan twintig kinderen, en weinige oude lieden, en het Armehuis is in tweeën gescheiden; zijnde het voorste gedeelte ten dienste derGereformeerden, en het achterste voor deRoomschenenLutherschen, als mede voor de oude lieden van beide gezindheden: voor het Armehuis leest men:Den armen wees tot nut, bragt men dit huis tot stand,Den ouden tot een stut, in Nieuwer Amstelland.Boven den ingang van het Diaconiehuis staan de volgende woorden in een vierkanten steen uitgehouwen: „Door de weldaadigheid vanNieuweramstelenAmsteldam, is dit Diaconie Weeshuis gebouwd, in het jaar 1765.„De Heere houdt de Weezen en Weduwen staande:Ps.126 vs. 9.”Weleer stond boven de poort of ingang, naast het zelve huis nog een versjen, ’t welk door ’t schilderen daarvoor van daan geraakt is: dus luidde het:De liefde omhelst ’t verlaten weesken alhier,Om z’in haar schoot te voên en te onderwijzen,Verkwikt, versterkt met wijs bestier,De Oude, Arme, en afgewerkte grijzen:O Amstelland! wie roemt en volgt u niet,Als men dit huis met zijn bewooners ziet!De Kerk staat op een bemuurd kerkhof, dat met schoon geboomte beplant is; het gebouw pronkt met een aartig spits torentjen, waarin slag en uurwerk is: onder de weinige sieraadjen van binnen munt zeer uit het eeregraf van den beroemden Nederlandschen Dichter,Johan van[6]Broekhuizen, zijner nagedachtenisse geschonken door den Wel Ed. Heer, Mr.Abraham Calkoen, Heer vanKortenhoef, ten tijde der oprichting (1767) Baljuw en Dijkgraaf vanAmstelland, naderhand Hoofdofficier der StadAmsteldam: hetzelve bestaat in eene aloude lijkbus van blaauw arduinsteen, rustende op een dergelijk voetstuk, voor hetwelk een Latijnsch vers van den HoogleeraarBurman, op een wit marmer tafreel is uitgehouwen, zijnde van deezen inhoud:„Ter gedachtenisse vanJohan van Broekhuizen,Overleden in het Jaar 1707.„Gij alle die de Dichtkunst en Wapenoefening bemint, strooit lauren, mirten en veil op dit gewijde graf:Broekhuizen, wiens gedichten die vanPropertiusevenaarten, ligt hier in deAmstelveensche Kerkbegraven; op dat hij ruste in dien zelfden oord, waarin hij, ontslagen van zijne krijgsamten, die hij met eere bekleed had, zig, in stilte, met geleerde oefeningen bezig gehouden heeft: de erkentenis die men aan zijnen asch, waarvoor men zo schandelijk verzuimd had eenig gedenkteken opterichten, na zestig jaaren verloops, de verschuldigde eer bewijst, hebbe haaren verdienden lof, en verstrekke ten treffelijken voorbeelde voor de dankbaare nakomelingschap; doch schoon dit grafteken, gelijk alle anderen, zelfs zulken die uit het kostbaar marmer gehouwen zijn, eindelijk vergaan moet, zullen nogthans de werken van zo groot eenen geest alleen zijnen naam onstervelijk maaken.”Tot genoegen van onze Leezers, maar voornaamlijk tot genoegen van de bewooners vanAmstelveen, zullen wij hier eene kleine schets van de levensbeschrijving diens voortreffelijken mans bijvoegen; ’t kan gezegde bewooners tog niet onverschillig zijn te weeten wie hij eigenlijk was die verdiend heeft, dat hun Kerkjen met zijn eereteken pronkt.Johan van Broekhuizen, was dan eenAmsteldammer,[7]ter dier stede geboren den 20 November des jaars 1649; de zoon van een Hoedestoffeerder, die daarna ook klerk terSecretarijvan de Admiraliteit aldaar was; zijne moederEva Vos, was aan de aanzienlijke geslachten vanWitsenenHudde, vermaagschapt:Broekhuizenwerd van jongs af der studie toegewijd; maakte groote vorderingen in de geleerde taalen, en betoonde al vroeg eene ongemeene zucht voor de dichtkunde derLatijnen; en deeze zucht was in onzen dichter zelfs zo brandend, dat hij, meer dan vijftig versen, in die taale gedicht, slechts één maal gehoord hebbende, dezelven van buiten kende; inderdaad een doorslaand bewijs van eene wonderbaare natuurgaaf, die zo vermaaklijk als in andere gevallen, (doch voor den dichter altoos hoogstwenschlijk,) lastig is; wantBroekhuizenkon met geene mogelijkheid de regelen der Logica, eene drooge schoolsche studie, in zijn geheugen prenten; leevende voorbeelden zouden den man van ondervinding van deeze waarheid meer dan hij verlangde overtuigen: zo geheugt het mij, toen ik lessen in de Wiskunst gaf, meermaals leerlingen gehad te hebben, die uitmuntten in allerleie werken van genie, als daar is het maaken van tooneelspellen, en zamenstellen van romans, dat deezen, spijt alle mijne aangewende moeite, geen denkbeeld van eene rekening van proportie, of zogenaamde regel van drieën konden verkrijgen.Van de schoole gekomen zijnde, besteedde zijn Oom, die hem na den dood zijns Vaders, tot tweeden Vader verstrekte, hem in een Apotheek, waarin hij eenige jaaren doorbragt, zonder echter de dichtkunde van zijne geliefdeLatijnente vergeeten: deeze slaafsche verbinding konde hem, zeer natuurlijk, niet lang behagen; hij kreeg er tegenzin in, en begaf zig tot een vrijer leven, tot den krijgsdienst naamlijk, waarin hij welhaast tot den rang van Vendrig bevorderd werd; hoe zou ook een lievelingskind der Natuur in allerleie standen geene bevordering verkrijgen! intusschen vergat hij zijne waardeLatijnenniet; ook niet toen hij vervolgends onder den dapperenDe Ruiter, een togt ter zee deed, of toen hij, in 1673, in[8]zijne geboortestad, Lieutenant werd over een Vendel van de stads bezetting: behalven dat woonde hij verscheidene veldtogten inDuitschlanden deNederlandenbij: hij zettede zig, na het sluiten van den vrede teNijmegen, met er woon teUtrechtneder, en gaf zig aldaar geheel aan de boekoefening over: van daar kwam hij teAmsteldam, en had het geluk zijne studie voordtezetten in gezelschap van zijne beroemde tijdgenooten de HeerenHulst, Huijdecooper, Heinck,Geelvink, en anderen: BurgemeesterHuddebezorgde hem de Capiteinsplaats van één der Vendelen van meergemelde stads bezetting: toen na het sluiten van denRijswijkschen vrede, dat Vendel afgedankt werd, verkoos onzeBroekhuizeneen aangenaam buitenverblijf, onder het gebied vanAmstelveenter wooning, alwaar hij bij aanhoudendheid van de voornaamste Geleerden bezocht werd, en zijne studiën met onvermoeiden vlijt voordzettede; na lang gesukkeld te hebben, overleed hij aldaar den 15 van Wintermaand des jaars 1707, en werd op den vijfden dag na zijn overlijden, in gevolge van zijnen laatsten wil, in de Kerk teAmstelveenbegraven.—Wat zijn arbeid betreft,PropertiusenTibullus, zijn fraai door hem verbeterd, in ’t licht gegeven, als mede de gedichten vanSanesariusen anderen: zijne eigeneLatijnsche poëzijis door den beroemdenDavid van Hoogstraatenin den jaare 1711 ter persse bezorgd, en weinige jaaren daarna ook zijne Nederduitsche gedichten, voor welken ’t verhaal van ’s dichters leven geplaatst is: kort na zijn overlijden deed de HoogleeraarP. Burmaneene redevoering daarop toepasselijk: welke eere ’s mans nagedachtenis is aangedaan, hebben wij boven gezien.Het Kerkjen is gesticht in den jaare 1594, heeft geen orgel, en is de eenigste die in de banne vanAmstelveengevonden wordt; ofschoon zij bijna 1100 ledemaaten kan tellen: daarentegen zijn er op het zelfde grondgebied wel vierRoomsche Kerken; een van dezelve staat op denAmstelveenschen Weg, tusschen denOvertoom, en deKalfjeslaan, die geen van de kleinste is, een mooi orgel heeft, en door twee Pastoors bediend[9]wordt: hij bevat onder zig wel 800 ledemaaten, behalven de menigte van vreemdelingen, welken des zomers aldaar ter Kerke gaan.De eerste Predikant op dit dorp is (1586) geweestGerard Pauli, zijnde hetzelve alstoen gecombineerd metOuderkerk, doch in 1588 is die combinatie gescheiden—voor eenige jaaren heeft de zonderlinge Leeraarvan der Zouw, door zijne wijze van den volke het Euangelium te verkondigen, dit dorp geen gering voordeel aangebragt, door de menigte van stedelingen, en omliggende bewooners, welken hem kwamen hooren prediken; zijn toon en wijze van verhandelen waren even zonderling; dikwijls brak hij zijne reden af, om de in- en uitgaande menigte te zeggen dat zij minder opschudding moesten maaken; om te zeggen dat men deezen of geenen vermoeiden boêr, welke te weinig begrips van zijne verklaaring konde maaken, en dien hij derhalven in de slaap gepredikt had, optewekken; om aan den koster te klaagen dat de zon, door de kerkglazen schijnende, hem geweldig hinderden, en dat derhalven de glasgordijnen toegeschoven moesten worden; om bij het verschijnen van een of ander gezelschap welgeklede lieden, uitteroepen: „Kijk, kijk! daar komen weêrAmsteldammersaan! maar met geen hart, hongerende en dorstende naar de geestelijke spijs en drank des Euangeliums,” of iet dergelijks—’t geheugt mij zijn Wel Eerwaarden eens het gebod der Wet,Gij en zult niet steelen, te hebben hooren verklaaren, en hem in die verklaaring hooren stellen, dat alle menschen, van wat staat en stand, van wat ouderdom,dievenwaren; zijn Weleerwaarde begon bij de kinderen, die zig niet zelden schuldig maaken, zeide hij, aan het steelen van een appel of peer—tot de Diakens der Kerke gekomen zijnde, dacht ik, de Leeraar zoude evenwel deezen uit zijn algemeen vonnis uitsluiten, maar neen! zijn hoofd naar derzelver gewoone plaats in de Kerk keerende, schreeuwde zijn Wel Eerwaarde uit:Er wordt niet anders als koperen munt in ’t zakjen gevonden!hij liet de uitlegging van de betekenis der woorden aan Diakenen zelven over, en ging voord met zijne rol van dieven verder afteleezen.[10]Van de Wereldlijke Gebouwen,Amstelveenbetreffende, daar het Rechthuis, even als dat op alle andere dorpen, niets bijzonders heeft, des juist niet in den rang van gebouwen geplaatst kan worden, hebben wij geene aantekeningen te maaken, niet anders als dat hetzelve een stads gebouw is;geapproprieerdtot eene wooning voor den Officier, met eenen grooten tuin daar achter, waar voor de Officier voornoemd jaarlijks eene zekere somme aan de stadAmsteldammoet opbrengen: het gebouw heeft anders geen aanzien als dat het in zijn gevel pronkt met het wapen vanAmsteldam: om de drie weeken wordt er, donderdags, rechtdag gehouden.REGEERING.Deeze bestaat voor zo veelAmstelveenzelf aangaat, uit den Balliuw, Schout en zeven Schepenen: eene Ambachtsheerlijkheid vanAmsteldamzijnde, is er ook eene Ambachtsheer over gesteld, die de zaaken, het Ambacht bijzonderlijk betreffende waarneemt; bestaande de crimineele rechtbank aldaar eigenlijk uit Bailluw en Schepenen voornoemd; welke eerstgemelde ook Bailluw vanAmstellandis.Tot het bestuur der Polderzaaken, wordt volgends octrooi vankeizer Karel den Vijfden, dato 31 December 1520, een Dijkgraaf- en Hoog-Heemraadschap opgericht, dat met en benevens het Gerecht vanAmstelveenhet opzicht zoude hebben, over de dijken, bruggen, dijkslooten en andere polderwerken; volgends deeze handvest, zouden van de vijf Landrijksten, vier Heemraaden, en de oudste dier vijf, tot Dijkgraaf verkoozen worden: de Keizer noemde hen Dijkgraaf en Heemraden van de Landen en Dorpen vanAmstelveen, doch hedendaags noemt men dat CollegieDijkgraaf en Heemraaden van Nieuwer-Amstel; het aanstellen van dat opzicht is zijne geboorte verschuldigd aan de klagten die eenigen der Landrijksten bij den Keizer inbragten, daarover dat de vloeden derZuiderzee, dagelijks aanwiessen, en die van het sticht vanUtrechthunne wateren ook dagelijks door molens uitwierpen, en deeden loopen op de landen vanAmstelveen, waardoor de opgezetenen aldaar, indien er niet in voorzien werd, scheenen te zullen[11]bedorven worden, en ten eeuwigsten dage verloren blijven, verzoekende derhalven dat hetzelve door het aanstellen van het bovengemelde Collegie, om desaangaande de noodige voorzorgen te doen neemen, mogt voorgekomen worden; de Keizer het gewigt deezer klagten inziende, willigde hun verzoek in.De verkiezing van deeze Dijkgraaf en Heemraaden geschiedde weleer door de Rekenkamer der Graaflijkheids Domeinen, doch thans geschiedt het door Gecommitteerde Raaden van de Staaten vanHolland, op aanschrijving van Burgemeesteren vanAmsteldam.VOORRECHTEN.Deeze Ambachtsheerlijkheid is, in voorige eeuwen, door de Graaven met verscheidene voorrechten beschonken; van daar heeft het nog een vrij halsgerecht; ook mag, volgends privilegie van GraafAlbrecht, in geheelAmstelland, geen beroep van vonnisse gedaan worden—zij die eenig denkbeeld van het district, waarvan wij hier spreeken, kunnen maaken, zullen zig in gevolge van het eerstgemelde der bovengenoemde voorrechten, niet meer verwonderen dat er teAmstelveenzo dikwijls halsrecht gedaan wordt.Amstelveenheeft ook het recht om die vanAmsteldam, nalaatig bevonden wordende in het onderhouden van de sluizen „op tenMiddeldam, en opSt. Anthonies-poorte,” te beslaan in de boete van zes goudguldens dagelijks, tot duizend goudguldens toe, doch niet hooger.BEZIGHEDEN.Deezen bestaan onder de bewooners van deeze Ambachtsheerlijkheid in het weiden van vee, maaken van melk, boter en kaas, en het veenen, of baggeren van turf, enz.GESCHIEDENISSEN.Hoe de HeerlijkheidAmstelland, en gevolglijk ook dit dorpAmstelveenaan de Graaven vanHollandgekomen is, hebben[12]wij boven, (bladz. 2.) gezien; en in onze beschrijving vanSloterdijk, tekenden wij aan dat dezelve naderhand in het huis vanBrederodezijn overgegaan, alwaar wij ook zeiden, dat niet naauwkeurig bepaald konde worden, langs welken weg (zie aldaar bladz. 2); doch, onder het naslaan van eenige andere dan de toen geraadpleegde schrijvers, vinden wij dat men dien overgang dus opgeeft: GraafJan van Holland, die zijn’ Vader den omgebragten GraafFloris den Vijfdenopvolgde, kwam derhalven ook in het bezit van de verbeurd verklaarde goederen vanVan Amstel; en deeze, in 1299, zonder kinderen komende te overlijden, is hem, als naast in den bloede, tot erfgenaam opgevolgd,Jan van Avennes, welke in ’t begin zijner regeeringe de Heerlijkheden vanAmstelenWoerdenschonk aan zijnen broederGuy; na den dood van deezen, en van GraafJanheeft ’s Graaven zoonWillem(1317,) die Heerlijkheden weder benaderd en aan de Graaflijkheid gehecht.Naderhand heeftAlbert van Beiëren, als Graaf vanHolland, de AmbachtsheerlijkheidAmstelveen, nevens de gevolgen van dien, terOuder-enNieuwer-Amstel(1399,) tot een onstervelijk leen gegeven, aanCoen van Oosterwijk, voor de somma van 3100 schilden; deeze droeg dat zijn eigendom (1402) weder op aanMargaretha van Cleef, des Hertogs tweede Gemaalinne; hier door geraakte na haar overlijden,Amstelveen, en de geheele nalaatenschap der Graavinne aan haare Moeder, medeMargarethagenaamd, die de Heerlijkheid tot 1434 bezat; in welk jaarHendrik van Borselen, Heervan ter Veere, uit krachte van aanhoop, daarmede verleid is geworden; en door het huwelijk vanMargareta van Borsselen, metWalraven van Brederode, gingAmstelveendus in dat geslacht over, zijnde hetzelve in 1529, door HeerWalravenaan de stadAmsteldamverkocht, gelijk wij in ons blad, overSloterdijkhandelende, reeds gezegd hebben.In de woede der hervorming heeftAmstelveendenkelijk gedeeld;[13]want in de sententiën vanAlba, vindt men een banvonnis, tegen zekerenCornelisvanAmstelveen, welke daarin ten laste gelegd wordt, dat hij de kerkplonderaars te drinken gegeven, den Pastoor voor eenen verleider des volks uitgemaakt, en gezegd zoude hebben, dat men van de klokken der kerken roers en geschut zoude gieten.WatAmstelveenin onze jongstledene beroerten heeft moeten lijden, is bij ieder bekend; aldaar tog was om zo te spreeken voor een gedeelte het tooneel des oorlogs.In den nacht van den 30 September, rukte de Hertog, met zijnePruissenreeds tot nabij deHand van Leidengekomen zijnde, nader derwaards; doch eene Patriotsche patrouille vertelde hem weldra met snaphaanskogels, dat zij onversaagd waren: deezen echter waren door de overmagt genoodzaakt zig te bedwingen; de Hertog posteerde vervolgens zijn geschut op den dijk naarAmstelveen, waarop de aanval zoude geschieden; reeds ten 5 uuren in den morgen hoorde men het signaalschot, en terstond daarop begonnen dePruissenteOuderkerkhunne opgeworpene Batterijen te laaten speelen; hunne jaagers gingen op het verlaat los, doch bemagtigden hetzelve niet dan ten koste van veele koppen; want deHollandersvochten als leeuwen, als lieden die bij den oorlog opgevoed waren, welke lof de Hertog zelf hun niet heeft kunnen weigeren—nog herinneren wij ons, met siddering, het geluid der schoten aan welke ’t behoud of verlies van geheelAmsteldamafhing; nog hooren wij de hartlijke beden aan den hemel om overwinning.… doch liever staaken wij dien toon.Eenige honderden schreden achter het gezegde verlaat, lag eene Patriotsche verschansing, door eene welbepalissadeerde gracht van den dijk afgezonderd; deeze werd vervolgends aangetast en veroverd, doch mede ten duuren prijze: ondertusschen was het dag geworden: de dappere ColonelDe Portedie de Patriotten teAmstelveencommandeerde, en het dorp ongemeen versterkt had, liet toen met vier stukken geschuts den dijk beschieten, en deed veelePruissenvallen; de Hertog echter hield[14]stand, zond zijne jaagers, over de grachten, naar de nabijgelegene hooibergen, ten einde van achter dezelven zijnen vijand te beschieten; de onzen maakten een allerhevigst vuur, en betwistten elkander de eer van de meeste en best gerichte schoten gedaan te hebben: ligtlijk begrijpt men dat dePruissenvan hunnen kant mede hun best deeden, waardoor het benaauwdeAmstelveenzig in ’t grootste gevaar bevond, staande ten prooje van de vijandlijke kogels, die echter niet zodanig neder kwamen dat er eenig huis of schuur in de brand geschoten werd: de onzen onvermoeid met schieten aanhoudende, en nu ziende dat men hun van achter de hooibergen bestookte, hadden moeds genoeg om op dePruissische Jaagers, aldaar verstoken liggende, los te gaan, de hooibergen in den brand te steeken, en vooral door hunne welgeoefende scherpschutters, de jaagers voornoemd te verdrijven, niet alleen, maar ook zag de Hertog zig genoodzaakt met al zijne manschap naar deHand van Leidente retireeren, alwaar de Lieutenant GeneraalVan Knobelsdorfeene batterij geformeerd had, omAmstelveenop zijde te beschieten.De Hertog verwachtte alle oogenblikken dat de onzen van achteren geattaqueerd zouden worden, en hij daardoor gelegenheid bekomen van weder te kunnen avanceeren, want dit was zijn plan, maar dit secours bleef vier en een half uur uit, het geen hun veel volks kostte, die door het vuur der patriotten vielen.Tegen tien uuren des morgens kreegen de onzen op den dijk vanOuderkerknieuwe versterking van voetvolk, want hoe heet het ook reeds toeginge, brandde men echter van verlangen, vooral teAmsteldam, om zig tot versterking derwaards te mogen begeeven; men hield zig van eene volkomene overwinning verzekerd—dan God had het anders besloten——wij weeten niet waarbij het toegekomen is, dat dePruissenverscheidene geretrancheerde posten van de onzen op den dijk naarAmstelveenen elders veroverden, de moedige Patriotten aan het wijken[15]bragten, en tot binnen het dorp dreeven; ’t welk aldaar geene geringe schrik veroorzaakte—eene en andere omstandigheden waren dringend genoeg om den ColonelDe Portete doen besluiten, zig naarOuderkerkte begeeven, ’t geen met zo veel spoeds geschiedde dat dePruissennu, gereed zijnde hen met hun eigen geschut te beschieten, hen niet meer berijken konden.TeOuderkerkhad men zig tot nu toe even manlijk gedragen; de gelegenheid van het plaatsjen had den Hertog belet het te naderen, des zag hij ook geen kans om het tot de overgaaf te dwingen; onvoorbeeldig kloekmoedig betoonden de Patriotten zig aldaar, doch door de aankomst vanDe Porte, uitAmstelveen, werden zij geintimideerd, als nu te wel beseffende hoe zij thans langs den zelfden weg (’t zogenaamde groote loopveld, of de Kerkweg,) op de zijde, door dePruissengenaderd konden worden: deColonelsCorkelenLeville, hadden hier het bevel, en beslooten de wijk naarAmsteldamte neemen, liever dan door eene wanhoopige verdediging den Vaderlande nog meer burgers te ontrukken—een ware held weet op zijnen tijd te wijken: de aftogt geschiedde met alle mogelijke stilte, en men kwam behouden teAmsteldamaan.Nog dien zelfden avond werd het plaatsjen zo wel alsAmsteldamdoor dePruissenbezet, waardoor de inwooners, in de uiterste droefheid gedompeld, nu den overlast des soldaats moesten draagen—dat deeze overlast niet gering geweest is bevestigen honderden van getuigen; en te geloofwaardiger worden dezelven, als men beseft, welk haatelijk denkbeeld denPruissenvan de Nederlandsche Patriotten ingeboezemd was geworden; ook hadden zij te veel van de moedige verdediging van deezen moeten ondergaan, om geheel vrij te blijven van den trek tot bijzondere wraakneeming.[16]BIJZONDERHEDEN.Hier onder behoort weder in de eerste plaats de kerk, met het graf vanBroekhuizen(zie boven bladz. 5.)De droogmaakerij, (zie bladz. 3.)Eene wandeling naarOuderkerk, geeft ook bijzonder vermaak.Voords zijn hier en daar nog eenige plaatsen en dingen in oogenschouw te nemen, welken nagedachtenissen van het voorbeschrevene dapper gevecht tegen dePruissendraagen.REISGELEGENHEDEN.Met deUtrechtscheen andere schuiten dieOuderkerkpasseeren, kan men vanAmsteldamtot daar, en terug medevaaren; voords gaat men verders te voet naarAmstelveen: des zondags vaart langs dien weg een Kerkschuit.LOGEMENTEN.HetNieuwe dorstige Hart.HetOude dorstige Hart.HetLand van belofte.DePaauwen.[1]1Om deeze reden stellen sommigen ook niet datHollandzijnen naam zoude ontleend hebben van deszelfs laage(Holle)ligging, maar van de menigte bosschen(Holt, hout)die er gevonden worden.↑
Het dorp AmstelveenHet dorp AmstelveenAMSTELVEEN, zo wel gelegen,Mild bedeeld met Godes zegen,Leed om Gysbrechts overmoed,Leed door Spanjes dwingelanden,Onlangs viel ’t in Pruisens handen,Laatstlijk heeft er ’t vuur gewoed. (1792.)HETDORPAMSTELVEEN.
Het dorp AmstelveenHet dorp AmstelveenAMSTELVEEN, zo wel gelegen,Mild bedeeld met Godes zegen,Leed om Gysbrechts overmoed,Leed door Spanjes dwingelanden,Onlangs viel ’t in Pruisens handen,Laatstlijk heeft er ’t vuur gewoed. (1792.)
Het dorp Amstelveen
AMSTELVEEN, zo wel gelegen,Mild bedeeld met Godes zegen,Leed om Gysbrechts overmoed,Leed door Spanjes dwingelanden,Onlangs viel ’t in Pruisens handen,Laatstlijk heeft er ’t vuur gewoed. (1792.)
AMSTELVEEN, zo wel gelegen,Mild bedeeld met Godes zegen,Leed om Gysbrechts overmoed,Leed door Spanjes dwingelanden,Onlangs viel ’t in Pruisens handen,Laatstlijk heeft er ’t vuur gewoed. (1792.)
AMSTELVEEN, zo wel gelegen,Mild bedeeld met Godes zegen,Leed om Gysbrechts overmoed,Leed door Spanjes dwingelanden,Onlangs viel ’t in Pruisens handen,Laatstlijk heeft er ’t vuur gewoed. (1792.)
AMSTELVEEN, zo wel gelegen,
Mild bedeeld met Godes zegen,
Leed om Gysbrechts overmoed,
Leed door Spanjes dwingelanden,
Onlangs viel ’t in Pruisens handen,
Laatstlijk heeft er ’t vuur gewoed. (1792.)
Zo ons werk niet van dien aart ware, dat wij geene keuze konden doen in de veele plaatsen welken in ons Vaderland voorhanden zijn, (want ons plan vordert dat wij die allen, van hoe grooten aanzien, of hoe gering ook moeten beschrijven;) zo wij deeze of geene plaats ten voorwerpe van onze beschrijving konden verkiezen, ongetwijfeld zouden wij het dorpAmstelveende eer van den voorrang geeven; want in veelerleie opzichten verdient het de aandacht van elk Nederlander: niet alleenlijk is het aangenaam en wèl gelegen; maar ook is het op verscheidene andere wijzen aanmerkenswaardig: het is reeds een voorwerp van de gunst der Graaven geweest, en tevens een voorwerp der blinde woede ten tijde datSpanjebloedmiddelen aanwendde, om de vrije harten en halzen van de wereldberoemde Batavieren door en onder zijn juk te knellen; en wat het in onze laatstvoorledene beroeringen, door het verschillen over de denkbeelden van recht, gerechtigheid en vrijheid, heeft moeten lijden, is nog in verscher geheugenis; ’t heeft ondervonden dat de Nederlanders, spijt alle verbastering nog niet geheel van hunne voorvaderlijke deugd ontaart zijn.… dan, daar van zullen op de volgende en meer andere bladzijden van dit ons werk overtuigende bewijzen genoeg gevonden worden, om er hier van te kunnen zwijgen; wij twijfelen niet of men zal onze beschrijving van dit dorp met genoegen leezen.LIGGING.Het vermaaklijk DorpAmstelveen, (ofAmsterveen, zo als het doorgaands genoemd wordt,) eeneAmbachtsheerlijkheidvanAmsteldam, is gelegen inAmstelland, omtrent twee uuren gaans ten Zuid-westen vanAmsteldam, hebbende ten Oosten deHaarlemmer-meir,[2]ten Westen het dorpOuderkerk, en ten Zuiden,TamenofUithoorn: deszelfs ligging is zeeraangenaam; de weg die vanAmsteldam, of wel van den Overtoom, derwaards gaat, verschaft eene verrukkelijke wandeling tusschen twee reiën lommerijken boomen, achter welken, op verscheidene plaatsen, ruime boerderijen, en aanzienlijke tuinen gelegen zijn: te recht zegt de zoetvloejendeWillink, dat de gemelde aangenaame weg loopt,Langs ijpeboomen, even glad,En net geschoren; welker kruinen,Zo tierig groejen bij het nat,Dat eeuwig wenscht, dien weg te omtuinen:Alwaar het toverend gezichtDen zachten wandelaar verpligt.Amstelland, dat wij boven noemden, was weleer met het steedjen, ’t welk, na nog geen twee honderd jaaren, tot de wereldberoemde koopstadAmsteldamaangewassen is, eene bijzondere Heerelijkheid, niet behoorende onder de eigendommen van deHollandsche Graaven, maar aan het geslacht der Heerenvan Amstel: toen HeerGijsbrecht, van dien naam, als deelgenoot van den bekenden moord aan GraafFloris, het Land moest ruimen, werden zijne goederen verbeurd verklaard, en werden deezen gevolglijk eenvolstrekteigendom van den Graaf;volstrekt, zeggen wij, wantGijsbrechtwas reeds vroeger, voor zekere handelwijze van hem omtrent den Bisschop vanUtrecht, door den Graaf gestraft, daarmede, dat hij zijne goederen, waaronder ookAmstelland, aan den Graave moest opdraagen, waarna hij dezelven weder als een Leen van deezen ontving:Amstellandis volgends sommigen daarna een Leen van deUtrechtsche Kerkgeweest, doch ook weder aan de Graaflijkheid gehecht; anderen ontkennen zulks geheel of ten deele.De uitgestrektheid van deeze gewezene Heerlijkheid is aanmerkelijk groot; zij wordt door denAmstelin twee deelen gescheiden, en aan de West-zijdeNieuwer-Amstelgenoemd, in tegenstelling van de andere zijde die den naam vanOuder-Amsteldraagt; zij bevat de dorpen,Slooten, Slooterdijk, Amstelveen,Ouderkerk, DiemenmetDiemerdam, LoenenenLoosdrecht,[3]Duivendrecht, Waver, Waverveen, Oostdorp, en meer andere vlekjens; ook zelfsAmsteldam, dat men de hoofdstad van deeze Heerlijkheid zoude kunnen noemen: de grond van dezelve is over ’t algemeen laag, week, moerassig en brakachtig; des vindt men er weinig bouwland, in vergelijking van den gras- en veen-grond die er voorhanden is: de laage ligging vereischt groote kosten aan watermolens, om het water geen overhand te laaten neemen; integendeel zijn onder de voordeelen vanAmstellandte tellen, de veenen en ook zelfs de waterplassen welken er zijn, beiden groote winsten aanbrengende, de laatstgemelden door keur van allerleie smaaklijke riviervisch: voor weinige jaaren is bovenAmstelveen, een diep uitgebaggerde veengrond droog gemaakt, en is thans reeds weder tot goed land geworden—dat weleer binnen den omtrek van deeze Heerlijkheid zwaare bosschen, (waarvan geheelHollandtoen rijklijk voorzien was1) gestaan moeten hebben, en in de zo bekende boomstortingen gevallen zijn, blijkt van tijd tot tijd daaraan dat onder het graaven zwaare boomen gevonden worden; aan sommigen van dezelven heeft men vinden hangen, nooten en andere vruchten, die nog zeer goed waren—ons bestek laat niet toe breeder over deeze anders zo aangenaame taak, zo weinig als overAmstellandop zig zelf, te spreeken; des keeren wij totAmstelveenweder.NAAMSOORSPRONG.De naam welke dit aangenaame dorp draagt, verklaart tevens deszelfs afkomst; betekenende naamlijk hetveen dat aan den Amstel ligt, ofAmstels Veen; waarom de eigenlijke naam nietAmsterveen, gelijk wij zeiden dat het doorgaands genoemd wordt, maarAmstelveenis.[4]STICHTINGENGROOTTE.Wat de stichting betreft, daarvan kan, gelijk van veele andere dorpen, enz. niets gezegd worden; zeer waarschijnelijk zijn dezelven hunnen oorsprong verschuldigd aan ’t verblijf van eenige lieden, visschers, landbouwers, of baggerders, welken hunne nooddruft uit de grondsgelegenheid aldaar vonden, en bij wie misschien, door hunnen welvaart van tijd tot tijd uitgelokt, zig veele anderen gevoegd, en zo een buurt gemaakt hebben, welke, na verloop van tijd, in een dorp veranderd kan geworden weezen.Wat de grootte vanAmstelveenbetreft, het geheele Ambacht wordt in de oude verpondings lijsten gesteld op 2670 morgen en 766 roeden; in andere opgaven vindt men er 4076 morgen voor, welk verschil ontstaan kan door eene andere bepaaling van het district, of liever van den grond die onder de opgave betrokken is; thans wordt het wel 6000 morgen groot geschat: in oude lijsten staan voorAmstelveen251 huizen aangetekend; in nieuwere 1167 huizen en één molen; welk verschil weder op de gemelde wijze kan ontstaan zijn, althans de laatste opgaave, bepaalt zig niet binnen den omtrek van het eigenlijke dorp zelf, maar gaat ook over de buurten welken daaronder behooren, liggende aan denAmstel, denVeendijk, de zogenaamdeZwaluwenbuurt, en deNes, ook de geheeleAmstelveensche weg, aan de hand vanLeiden, enz.Ten noorden paalt het rechtsgebied vanAmstelveenonmiddelijk aan dat vanAmsteldam, waarvan de HeerWellekens, in zijneVisschersenJagersgezangen, dus zingt:Juist daar de Mijlpaal staat, uit blaauw arduin gehouwen,Die ’t land en halsrecht scheidt, de beken en Landsdouwen,Van ’t prachtig Amsteldam, en ’t nedrig Amstelveen,Gelijk van stam en naam, maar nu met lotgemeen.’TWAPEN.Dit is een rood Schild, met twee zwarte dwarsbalken doorsneden;[5]op den bovensten balk drie, en op den ondersten één witte kruisen.KERKLIJKE GEBOUWEN.Onder deezen kunnen geene anderen geteld worden dan de Kerk zelve, het Diaconie-Weeshuis, en ’t algemeene Armehuis; in het Diaconie-Weeshuis zijn niet meer dan twintig kinderen, en weinige oude lieden, en het Armehuis is in tweeën gescheiden; zijnde het voorste gedeelte ten dienste derGereformeerden, en het achterste voor deRoomschenenLutherschen, als mede voor de oude lieden van beide gezindheden: voor het Armehuis leest men:Den armen wees tot nut, bragt men dit huis tot stand,Den ouden tot een stut, in Nieuwer Amstelland.Boven den ingang van het Diaconiehuis staan de volgende woorden in een vierkanten steen uitgehouwen: „Door de weldaadigheid vanNieuweramstelenAmsteldam, is dit Diaconie Weeshuis gebouwd, in het jaar 1765.„De Heere houdt de Weezen en Weduwen staande:Ps.126 vs. 9.”Weleer stond boven de poort of ingang, naast het zelve huis nog een versjen, ’t welk door ’t schilderen daarvoor van daan geraakt is: dus luidde het:De liefde omhelst ’t verlaten weesken alhier,Om z’in haar schoot te voên en te onderwijzen,Verkwikt, versterkt met wijs bestier,De Oude, Arme, en afgewerkte grijzen:O Amstelland! wie roemt en volgt u niet,Als men dit huis met zijn bewooners ziet!De Kerk staat op een bemuurd kerkhof, dat met schoon geboomte beplant is; het gebouw pronkt met een aartig spits torentjen, waarin slag en uurwerk is: onder de weinige sieraadjen van binnen munt zeer uit het eeregraf van den beroemden Nederlandschen Dichter,Johan van[6]Broekhuizen, zijner nagedachtenisse geschonken door den Wel Ed. Heer, Mr.Abraham Calkoen, Heer vanKortenhoef, ten tijde der oprichting (1767) Baljuw en Dijkgraaf vanAmstelland, naderhand Hoofdofficier der StadAmsteldam: hetzelve bestaat in eene aloude lijkbus van blaauw arduinsteen, rustende op een dergelijk voetstuk, voor hetwelk een Latijnsch vers van den HoogleeraarBurman, op een wit marmer tafreel is uitgehouwen, zijnde van deezen inhoud:„Ter gedachtenisse vanJohan van Broekhuizen,Overleden in het Jaar 1707.„Gij alle die de Dichtkunst en Wapenoefening bemint, strooit lauren, mirten en veil op dit gewijde graf:Broekhuizen, wiens gedichten die vanPropertiusevenaarten, ligt hier in deAmstelveensche Kerkbegraven; op dat hij ruste in dien zelfden oord, waarin hij, ontslagen van zijne krijgsamten, die hij met eere bekleed had, zig, in stilte, met geleerde oefeningen bezig gehouden heeft: de erkentenis die men aan zijnen asch, waarvoor men zo schandelijk verzuimd had eenig gedenkteken opterichten, na zestig jaaren verloops, de verschuldigde eer bewijst, hebbe haaren verdienden lof, en verstrekke ten treffelijken voorbeelde voor de dankbaare nakomelingschap; doch schoon dit grafteken, gelijk alle anderen, zelfs zulken die uit het kostbaar marmer gehouwen zijn, eindelijk vergaan moet, zullen nogthans de werken van zo groot eenen geest alleen zijnen naam onstervelijk maaken.”Tot genoegen van onze Leezers, maar voornaamlijk tot genoegen van de bewooners vanAmstelveen, zullen wij hier eene kleine schets van de levensbeschrijving diens voortreffelijken mans bijvoegen; ’t kan gezegde bewooners tog niet onverschillig zijn te weeten wie hij eigenlijk was die verdiend heeft, dat hun Kerkjen met zijn eereteken pronkt.Johan van Broekhuizen, was dan eenAmsteldammer,[7]ter dier stede geboren den 20 November des jaars 1649; de zoon van een Hoedestoffeerder, die daarna ook klerk terSecretarijvan de Admiraliteit aldaar was; zijne moederEva Vos, was aan de aanzienlijke geslachten vanWitsenenHudde, vermaagschapt:Broekhuizenwerd van jongs af der studie toegewijd; maakte groote vorderingen in de geleerde taalen, en betoonde al vroeg eene ongemeene zucht voor de dichtkunde derLatijnen; en deeze zucht was in onzen dichter zelfs zo brandend, dat hij, meer dan vijftig versen, in die taale gedicht, slechts één maal gehoord hebbende, dezelven van buiten kende; inderdaad een doorslaand bewijs van eene wonderbaare natuurgaaf, die zo vermaaklijk als in andere gevallen, (doch voor den dichter altoos hoogstwenschlijk,) lastig is; wantBroekhuizenkon met geene mogelijkheid de regelen der Logica, eene drooge schoolsche studie, in zijn geheugen prenten; leevende voorbeelden zouden den man van ondervinding van deeze waarheid meer dan hij verlangde overtuigen: zo geheugt het mij, toen ik lessen in de Wiskunst gaf, meermaals leerlingen gehad te hebben, die uitmuntten in allerleie werken van genie, als daar is het maaken van tooneelspellen, en zamenstellen van romans, dat deezen, spijt alle mijne aangewende moeite, geen denkbeeld van eene rekening van proportie, of zogenaamde regel van drieën konden verkrijgen.Van de schoole gekomen zijnde, besteedde zijn Oom, die hem na den dood zijns Vaders, tot tweeden Vader verstrekte, hem in een Apotheek, waarin hij eenige jaaren doorbragt, zonder echter de dichtkunde van zijne geliefdeLatijnente vergeeten: deeze slaafsche verbinding konde hem, zeer natuurlijk, niet lang behagen; hij kreeg er tegenzin in, en begaf zig tot een vrijer leven, tot den krijgsdienst naamlijk, waarin hij welhaast tot den rang van Vendrig bevorderd werd; hoe zou ook een lievelingskind der Natuur in allerleie standen geene bevordering verkrijgen! intusschen vergat hij zijne waardeLatijnenniet; ook niet toen hij vervolgends onder den dapperenDe Ruiter, een togt ter zee deed, of toen hij, in 1673, in[8]zijne geboortestad, Lieutenant werd over een Vendel van de stads bezetting: behalven dat woonde hij verscheidene veldtogten inDuitschlanden deNederlandenbij: hij zettede zig, na het sluiten van den vrede teNijmegen, met er woon teUtrechtneder, en gaf zig aldaar geheel aan de boekoefening over: van daar kwam hij teAmsteldam, en had het geluk zijne studie voordtezetten in gezelschap van zijne beroemde tijdgenooten de HeerenHulst, Huijdecooper, Heinck,Geelvink, en anderen: BurgemeesterHuddebezorgde hem de Capiteinsplaats van één der Vendelen van meergemelde stads bezetting: toen na het sluiten van denRijswijkschen vrede, dat Vendel afgedankt werd, verkoos onzeBroekhuizeneen aangenaam buitenverblijf, onder het gebied vanAmstelveenter wooning, alwaar hij bij aanhoudendheid van de voornaamste Geleerden bezocht werd, en zijne studiën met onvermoeiden vlijt voordzettede; na lang gesukkeld te hebben, overleed hij aldaar den 15 van Wintermaand des jaars 1707, en werd op den vijfden dag na zijn overlijden, in gevolge van zijnen laatsten wil, in de Kerk teAmstelveenbegraven.—Wat zijn arbeid betreft,PropertiusenTibullus, zijn fraai door hem verbeterd, in ’t licht gegeven, als mede de gedichten vanSanesariusen anderen: zijne eigeneLatijnsche poëzijis door den beroemdenDavid van Hoogstraatenin den jaare 1711 ter persse bezorgd, en weinige jaaren daarna ook zijne Nederduitsche gedichten, voor welken ’t verhaal van ’s dichters leven geplaatst is: kort na zijn overlijden deed de HoogleeraarP. Burmaneene redevoering daarop toepasselijk: welke eere ’s mans nagedachtenis is aangedaan, hebben wij boven gezien.Het Kerkjen is gesticht in den jaare 1594, heeft geen orgel, en is de eenigste die in de banne vanAmstelveengevonden wordt; ofschoon zij bijna 1100 ledemaaten kan tellen: daarentegen zijn er op het zelfde grondgebied wel vierRoomsche Kerken; een van dezelve staat op denAmstelveenschen Weg, tusschen denOvertoom, en deKalfjeslaan, die geen van de kleinste is, een mooi orgel heeft, en door twee Pastoors bediend[9]wordt: hij bevat onder zig wel 800 ledemaaten, behalven de menigte van vreemdelingen, welken des zomers aldaar ter Kerke gaan.De eerste Predikant op dit dorp is (1586) geweestGerard Pauli, zijnde hetzelve alstoen gecombineerd metOuderkerk, doch in 1588 is die combinatie gescheiden—voor eenige jaaren heeft de zonderlinge Leeraarvan der Zouw, door zijne wijze van den volke het Euangelium te verkondigen, dit dorp geen gering voordeel aangebragt, door de menigte van stedelingen, en omliggende bewooners, welken hem kwamen hooren prediken; zijn toon en wijze van verhandelen waren even zonderling; dikwijls brak hij zijne reden af, om de in- en uitgaande menigte te zeggen dat zij minder opschudding moesten maaken; om te zeggen dat men deezen of geenen vermoeiden boêr, welke te weinig begrips van zijne verklaaring konde maaken, en dien hij derhalven in de slaap gepredikt had, optewekken; om aan den koster te klaagen dat de zon, door de kerkglazen schijnende, hem geweldig hinderden, en dat derhalven de glasgordijnen toegeschoven moesten worden; om bij het verschijnen van een of ander gezelschap welgeklede lieden, uitteroepen: „Kijk, kijk! daar komen weêrAmsteldammersaan! maar met geen hart, hongerende en dorstende naar de geestelijke spijs en drank des Euangeliums,” of iet dergelijks—’t geheugt mij zijn Wel Eerwaarden eens het gebod der Wet,Gij en zult niet steelen, te hebben hooren verklaaren, en hem in die verklaaring hooren stellen, dat alle menschen, van wat staat en stand, van wat ouderdom,dievenwaren; zijn Weleerwaarde begon bij de kinderen, die zig niet zelden schuldig maaken, zeide hij, aan het steelen van een appel of peer—tot de Diakens der Kerke gekomen zijnde, dacht ik, de Leeraar zoude evenwel deezen uit zijn algemeen vonnis uitsluiten, maar neen! zijn hoofd naar derzelver gewoone plaats in de Kerk keerende, schreeuwde zijn Wel Eerwaarde uit:Er wordt niet anders als koperen munt in ’t zakjen gevonden!hij liet de uitlegging van de betekenis der woorden aan Diakenen zelven over, en ging voord met zijne rol van dieven verder afteleezen.[10]Van de Wereldlijke Gebouwen,Amstelveenbetreffende, daar het Rechthuis, even als dat op alle andere dorpen, niets bijzonders heeft, des juist niet in den rang van gebouwen geplaatst kan worden, hebben wij geene aantekeningen te maaken, niet anders als dat hetzelve een stads gebouw is;geapproprieerdtot eene wooning voor den Officier, met eenen grooten tuin daar achter, waar voor de Officier voornoemd jaarlijks eene zekere somme aan de stadAmsteldammoet opbrengen: het gebouw heeft anders geen aanzien als dat het in zijn gevel pronkt met het wapen vanAmsteldam: om de drie weeken wordt er, donderdags, rechtdag gehouden.REGEERING.Deeze bestaat voor zo veelAmstelveenzelf aangaat, uit den Balliuw, Schout en zeven Schepenen: eene Ambachtsheerlijkheid vanAmsteldamzijnde, is er ook eene Ambachtsheer over gesteld, die de zaaken, het Ambacht bijzonderlijk betreffende waarneemt; bestaande de crimineele rechtbank aldaar eigenlijk uit Bailluw en Schepenen voornoemd; welke eerstgemelde ook Bailluw vanAmstellandis.Tot het bestuur der Polderzaaken, wordt volgends octrooi vankeizer Karel den Vijfden, dato 31 December 1520, een Dijkgraaf- en Hoog-Heemraadschap opgericht, dat met en benevens het Gerecht vanAmstelveenhet opzicht zoude hebben, over de dijken, bruggen, dijkslooten en andere polderwerken; volgends deeze handvest, zouden van de vijf Landrijksten, vier Heemraaden, en de oudste dier vijf, tot Dijkgraaf verkoozen worden: de Keizer noemde hen Dijkgraaf en Heemraden van de Landen en Dorpen vanAmstelveen, doch hedendaags noemt men dat CollegieDijkgraaf en Heemraaden van Nieuwer-Amstel; het aanstellen van dat opzicht is zijne geboorte verschuldigd aan de klagten die eenigen der Landrijksten bij den Keizer inbragten, daarover dat de vloeden derZuiderzee, dagelijks aanwiessen, en die van het sticht vanUtrechthunne wateren ook dagelijks door molens uitwierpen, en deeden loopen op de landen vanAmstelveen, waardoor de opgezetenen aldaar, indien er niet in voorzien werd, scheenen te zullen[11]bedorven worden, en ten eeuwigsten dage verloren blijven, verzoekende derhalven dat hetzelve door het aanstellen van het bovengemelde Collegie, om desaangaande de noodige voorzorgen te doen neemen, mogt voorgekomen worden; de Keizer het gewigt deezer klagten inziende, willigde hun verzoek in.De verkiezing van deeze Dijkgraaf en Heemraaden geschiedde weleer door de Rekenkamer der Graaflijkheids Domeinen, doch thans geschiedt het door Gecommitteerde Raaden van de Staaten vanHolland, op aanschrijving van Burgemeesteren vanAmsteldam.VOORRECHTEN.Deeze Ambachtsheerlijkheid is, in voorige eeuwen, door de Graaven met verscheidene voorrechten beschonken; van daar heeft het nog een vrij halsgerecht; ook mag, volgends privilegie van GraafAlbrecht, in geheelAmstelland, geen beroep van vonnisse gedaan worden—zij die eenig denkbeeld van het district, waarvan wij hier spreeken, kunnen maaken, zullen zig in gevolge van het eerstgemelde der bovengenoemde voorrechten, niet meer verwonderen dat er teAmstelveenzo dikwijls halsrecht gedaan wordt.Amstelveenheeft ook het recht om die vanAmsteldam, nalaatig bevonden wordende in het onderhouden van de sluizen „op tenMiddeldam, en opSt. Anthonies-poorte,” te beslaan in de boete van zes goudguldens dagelijks, tot duizend goudguldens toe, doch niet hooger.BEZIGHEDEN.Deezen bestaan onder de bewooners van deeze Ambachtsheerlijkheid in het weiden van vee, maaken van melk, boter en kaas, en het veenen, of baggeren van turf, enz.GESCHIEDENISSEN.Hoe de HeerlijkheidAmstelland, en gevolglijk ook dit dorpAmstelveenaan de Graaven vanHollandgekomen is, hebben[12]wij boven, (bladz. 2.) gezien; en in onze beschrijving vanSloterdijk, tekenden wij aan dat dezelve naderhand in het huis vanBrederodezijn overgegaan, alwaar wij ook zeiden, dat niet naauwkeurig bepaald konde worden, langs welken weg (zie aldaar bladz. 2); doch, onder het naslaan van eenige andere dan de toen geraadpleegde schrijvers, vinden wij dat men dien overgang dus opgeeft: GraafJan van Holland, die zijn’ Vader den omgebragten GraafFloris den Vijfdenopvolgde, kwam derhalven ook in het bezit van de verbeurd verklaarde goederen vanVan Amstel; en deeze, in 1299, zonder kinderen komende te overlijden, is hem, als naast in den bloede, tot erfgenaam opgevolgd,Jan van Avennes, welke in ’t begin zijner regeeringe de Heerlijkheden vanAmstelenWoerdenschonk aan zijnen broederGuy; na den dood van deezen, en van GraafJanheeft ’s Graaven zoonWillem(1317,) die Heerlijkheden weder benaderd en aan de Graaflijkheid gehecht.Naderhand heeftAlbert van Beiëren, als Graaf vanHolland, de AmbachtsheerlijkheidAmstelveen, nevens de gevolgen van dien, terOuder-enNieuwer-Amstel(1399,) tot een onstervelijk leen gegeven, aanCoen van Oosterwijk, voor de somma van 3100 schilden; deeze droeg dat zijn eigendom (1402) weder op aanMargaretha van Cleef, des Hertogs tweede Gemaalinne; hier door geraakte na haar overlijden,Amstelveen, en de geheele nalaatenschap der Graavinne aan haare Moeder, medeMargarethagenaamd, die de Heerlijkheid tot 1434 bezat; in welk jaarHendrik van Borselen, Heervan ter Veere, uit krachte van aanhoop, daarmede verleid is geworden; en door het huwelijk vanMargareta van Borsselen, metWalraven van Brederode, gingAmstelveendus in dat geslacht over, zijnde hetzelve in 1529, door HeerWalravenaan de stadAmsteldamverkocht, gelijk wij in ons blad, overSloterdijkhandelende, reeds gezegd hebben.In de woede der hervorming heeftAmstelveendenkelijk gedeeld;[13]want in de sententiën vanAlba, vindt men een banvonnis, tegen zekerenCornelisvanAmstelveen, welke daarin ten laste gelegd wordt, dat hij de kerkplonderaars te drinken gegeven, den Pastoor voor eenen verleider des volks uitgemaakt, en gezegd zoude hebben, dat men van de klokken der kerken roers en geschut zoude gieten.WatAmstelveenin onze jongstledene beroerten heeft moeten lijden, is bij ieder bekend; aldaar tog was om zo te spreeken voor een gedeelte het tooneel des oorlogs.In den nacht van den 30 September, rukte de Hertog, met zijnePruissenreeds tot nabij deHand van Leidengekomen zijnde, nader derwaards; doch eene Patriotsche patrouille vertelde hem weldra met snaphaanskogels, dat zij onversaagd waren: deezen echter waren door de overmagt genoodzaakt zig te bedwingen; de Hertog posteerde vervolgens zijn geschut op den dijk naarAmstelveen, waarop de aanval zoude geschieden; reeds ten 5 uuren in den morgen hoorde men het signaalschot, en terstond daarop begonnen dePruissenteOuderkerkhunne opgeworpene Batterijen te laaten speelen; hunne jaagers gingen op het verlaat los, doch bemagtigden hetzelve niet dan ten koste van veele koppen; want deHollandersvochten als leeuwen, als lieden die bij den oorlog opgevoed waren, welke lof de Hertog zelf hun niet heeft kunnen weigeren—nog herinneren wij ons, met siddering, het geluid der schoten aan welke ’t behoud of verlies van geheelAmsteldamafhing; nog hooren wij de hartlijke beden aan den hemel om overwinning.… doch liever staaken wij dien toon.Eenige honderden schreden achter het gezegde verlaat, lag eene Patriotsche verschansing, door eene welbepalissadeerde gracht van den dijk afgezonderd; deeze werd vervolgends aangetast en veroverd, doch mede ten duuren prijze: ondertusschen was het dag geworden: de dappere ColonelDe Portedie de Patriotten teAmstelveencommandeerde, en het dorp ongemeen versterkt had, liet toen met vier stukken geschuts den dijk beschieten, en deed veelePruissenvallen; de Hertog echter hield[14]stand, zond zijne jaagers, over de grachten, naar de nabijgelegene hooibergen, ten einde van achter dezelven zijnen vijand te beschieten; de onzen maakten een allerhevigst vuur, en betwistten elkander de eer van de meeste en best gerichte schoten gedaan te hebben: ligtlijk begrijpt men dat dePruissenvan hunnen kant mede hun best deeden, waardoor het benaauwdeAmstelveenzig in ’t grootste gevaar bevond, staande ten prooje van de vijandlijke kogels, die echter niet zodanig neder kwamen dat er eenig huis of schuur in de brand geschoten werd: de onzen onvermoeid met schieten aanhoudende, en nu ziende dat men hun van achter de hooibergen bestookte, hadden moeds genoeg om op dePruissische Jaagers, aldaar verstoken liggende, los te gaan, de hooibergen in den brand te steeken, en vooral door hunne welgeoefende scherpschutters, de jaagers voornoemd te verdrijven, niet alleen, maar ook zag de Hertog zig genoodzaakt met al zijne manschap naar deHand van Leidente retireeren, alwaar de Lieutenant GeneraalVan Knobelsdorfeene batterij geformeerd had, omAmstelveenop zijde te beschieten.De Hertog verwachtte alle oogenblikken dat de onzen van achteren geattaqueerd zouden worden, en hij daardoor gelegenheid bekomen van weder te kunnen avanceeren, want dit was zijn plan, maar dit secours bleef vier en een half uur uit, het geen hun veel volks kostte, die door het vuur der patriotten vielen.Tegen tien uuren des morgens kreegen de onzen op den dijk vanOuderkerknieuwe versterking van voetvolk, want hoe heet het ook reeds toeginge, brandde men echter van verlangen, vooral teAmsteldam, om zig tot versterking derwaards te mogen begeeven; men hield zig van eene volkomene overwinning verzekerd—dan God had het anders besloten——wij weeten niet waarbij het toegekomen is, dat dePruissenverscheidene geretrancheerde posten van de onzen op den dijk naarAmstelveenen elders veroverden, de moedige Patriotten aan het wijken[15]bragten, en tot binnen het dorp dreeven; ’t welk aldaar geene geringe schrik veroorzaakte—eene en andere omstandigheden waren dringend genoeg om den ColonelDe Portete doen besluiten, zig naarOuderkerkte begeeven, ’t geen met zo veel spoeds geschiedde dat dePruissennu, gereed zijnde hen met hun eigen geschut te beschieten, hen niet meer berijken konden.TeOuderkerkhad men zig tot nu toe even manlijk gedragen; de gelegenheid van het plaatsjen had den Hertog belet het te naderen, des zag hij ook geen kans om het tot de overgaaf te dwingen; onvoorbeeldig kloekmoedig betoonden de Patriotten zig aldaar, doch door de aankomst vanDe Porte, uitAmstelveen, werden zij geintimideerd, als nu te wel beseffende hoe zij thans langs den zelfden weg (’t zogenaamde groote loopveld, of de Kerkweg,) op de zijde, door dePruissengenaderd konden worden: deColonelsCorkelenLeville, hadden hier het bevel, en beslooten de wijk naarAmsteldamte neemen, liever dan door eene wanhoopige verdediging den Vaderlande nog meer burgers te ontrukken—een ware held weet op zijnen tijd te wijken: de aftogt geschiedde met alle mogelijke stilte, en men kwam behouden teAmsteldamaan.Nog dien zelfden avond werd het plaatsjen zo wel alsAmsteldamdoor dePruissenbezet, waardoor de inwooners, in de uiterste droefheid gedompeld, nu den overlast des soldaats moesten draagen—dat deeze overlast niet gering geweest is bevestigen honderden van getuigen; en te geloofwaardiger worden dezelven, als men beseft, welk haatelijk denkbeeld denPruissenvan de Nederlandsche Patriotten ingeboezemd was geworden; ook hadden zij te veel van de moedige verdediging van deezen moeten ondergaan, om geheel vrij te blijven van den trek tot bijzondere wraakneeming.[16]BIJZONDERHEDEN.Hier onder behoort weder in de eerste plaats de kerk, met het graf vanBroekhuizen(zie boven bladz. 5.)De droogmaakerij, (zie bladz. 3.)Eene wandeling naarOuderkerk, geeft ook bijzonder vermaak.Voords zijn hier en daar nog eenige plaatsen en dingen in oogenschouw te nemen, welken nagedachtenissen van het voorbeschrevene dapper gevecht tegen dePruissendraagen.REISGELEGENHEDEN.Met deUtrechtscheen andere schuiten dieOuderkerkpasseeren, kan men vanAmsteldamtot daar, en terug medevaaren; voords gaat men verders te voet naarAmstelveen: des zondags vaart langs dien weg een Kerkschuit.LOGEMENTEN.HetNieuwe dorstige Hart.HetOude dorstige Hart.HetLand van belofte.DePaauwen.[1]
Zo ons werk niet van dien aart ware, dat wij geene keuze konden doen in de veele plaatsen welken in ons Vaderland voorhanden zijn, (want ons plan vordert dat wij die allen, van hoe grooten aanzien, of hoe gering ook moeten beschrijven;) zo wij deeze of geene plaats ten voorwerpe van onze beschrijving konden verkiezen, ongetwijfeld zouden wij het dorpAmstelveende eer van den voorrang geeven; want in veelerleie opzichten verdient het de aandacht van elk Nederlander: niet alleenlijk is het aangenaam en wèl gelegen; maar ook is het op verscheidene andere wijzen aanmerkenswaardig: het is reeds een voorwerp van de gunst der Graaven geweest, en tevens een voorwerp der blinde woede ten tijde datSpanjebloedmiddelen aanwendde, om de vrije harten en halzen van de wereldberoemde Batavieren door en onder zijn juk te knellen; en wat het in onze laatstvoorledene beroeringen, door het verschillen over de denkbeelden van recht, gerechtigheid en vrijheid, heeft moeten lijden, is nog in verscher geheugenis; ’t heeft ondervonden dat de Nederlanders, spijt alle verbastering nog niet geheel van hunne voorvaderlijke deugd ontaart zijn.… dan, daar van zullen op de volgende en meer andere bladzijden van dit ons werk overtuigende bewijzen genoeg gevonden worden, om er hier van te kunnen zwijgen; wij twijfelen niet of men zal onze beschrijving van dit dorp met genoegen leezen.
LIGGING.
Het vermaaklijk DorpAmstelveen, (ofAmsterveen, zo als het doorgaands genoemd wordt,) eeneAmbachtsheerlijkheidvanAmsteldam, is gelegen inAmstelland, omtrent twee uuren gaans ten Zuid-westen vanAmsteldam, hebbende ten Oosten deHaarlemmer-meir,[2]ten Westen het dorpOuderkerk, en ten Zuiden,TamenofUithoorn: deszelfs ligging is zeeraangenaam; de weg die vanAmsteldam, of wel van den Overtoom, derwaards gaat, verschaft eene verrukkelijke wandeling tusschen twee reiën lommerijken boomen, achter welken, op verscheidene plaatsen, ruime boerderijen, en aanzienlijke tuinen gelegen zijn: te recht zegt de zoetvloejendeWillink, dat de gemelde aangenaame weg loopt,
Langs ijpeboomen, even glad,En net geschoren; welker kruinen,Zo tierig groejen bij het nat,Dat eeuwig wenscht, dien weg te omtuinen:Alwaar het toverend gezichtDen zachten wandelaar verpligt.
Langs ijpeboomen, even glad,
En net geschoren; welker kruinen,
Zo tierig groejen bij het nat,
Dat eeuwig wenscht, dien weg te omtuinen:
Alwaar het toverend gezicht
Den zachten wandelaar verpligt.
Amstelland, dat wij boven noemden, was weleer met het steedjen, ’t welk, na nog geen twee honderd jaaren, tot de wereldberoemde koopstadAmsteldamaangewassen is, eene bijzondere Heerelijkheid, niet behoorende onder de eigendommen van deHollandsche Graaven, maar aan het geslacht der Heerenvan Amstel: toen HeerGijsbrecht, van dien naam, als deelgenoot van den bekenden moord aan GraafFloris, het Land moest ruimen, werden zijne goederen verbeurd verklaard, en werden deezen gevolglijk eenvolstrekteigendom van den Graaf;volstrekt, zeggen wij, wantGijsbrechtwas reeds vroeger, voor zekere handelwijze van hem omtrent den Bisschop vanUtrecht, door den Graaf gestraft, daarmede, dat hij zijne goederen, waaronder ookAmstelland, aan den Graave moest opdraagen, waarna hij dezelven weder als een Leen van deezen ontving:Amstellandis volgends sommigen daarna een Leen van deUtrechtsche Kerkgeweest, doch ook weder aan de Graaflijkheid gehecht; anderen ontkennen zulks geheel of ten deele.
De uitgestrektheid van deeze gewezene Heerlijkheid is aanmerkelijk groot; zij wordt door denAmstelin twee deelen gescheiden, en aan de West-zijdeNieuwer-Amstelgenoemd, in tegenstelling van de andere zijde die den naam vanOuder-Amsteldraagt; zij bevat de dorpen,Slooten, Slooterdijk, Amstelveen,Ouderkerk, DiemenmetDiemerdam, LoenenenLoosdrecht,[3]Duivendrecht, Waver, Waverveen, Oostdorp, en meer andere vlekjens; ook zelfsAmsteldam, dat men de hoofdstad van deeze Heerlijkheid zoude kunnen noemen: de grond van dezelve is over ’t algemeen laag, week, moerassig en brakachtig; des vindt men er weinig bouwland, in vergelijking van den gras- en veen-grond die er voorhanden is: de laage ligging vereischt groote kosten aan watermolens, om het water geen overhand te laaten neemen; integendeel zijn onder de voordeelen vanAmstellandte tellen, de veenen en ook zelfs de waterplassen welken er zijn, beiden groote winsten aanbrengende, de laatstgemelden door keur van allerleie smaaklijke riviervisch: voor weinige jaaren is bovenAmstelveen, een diep uitgebaggerde veengrond droog gemaakt, en is thans reeds weder tot goed land geworden—dat weleer binnen den omtrek van deeze Heerlijkheid zwaare bosschen, (waarvan geheelHollandtoen rijklijk voorzien was1) gestaan moeten hebben, en in de zo bekende boomstortingen gevallen zijn, blijkt van tijd tot tijd daaraan dat onder het graaven zwaare boomen gevonden worden; aan sommigen van dezelven heeft men vinden hangen, nooten en andere vruchten, die nog zeer goed waren—ons bestek laat niet toe breeder over deeze anders zo aangenaame taak, zo weinig als overAmstellandop zig zelf, te spreeken; des keeren wij totAmstelveenweder.
NAAMSOORSPRONG.
De naam welke dit aangenaame dorp draagt, verklaart tevens deszelfs afkomst; betekenende naamlijk hetveen dat aan den Amstel ligt, ofAmstels Veen; waarom de eigenlijke naam nietAmsterveen, gelijk wij zeiden dat het doorgaands genoemd wordt, maarAmstelveenis.[4]
STICHTINGENGROOTTE.
Wat de stichting betreft, daarvan kan, gelijk van veele andere dorpen, enz. niets gezegd worden; zeer waarschijnelijk zijn dezelven hunnen oorsprong verschuldigd aan ’t verblijf van eenige lieden, visschers, landbouwers, of baggerders, welken hunne nooddruft uit de grondsgelegenheid aldaar vonden, en bij wie misschien, door hunnen welvaart van tijd tot tijd uitgelokt, zig veele anderen gevoegd, en zo een buurt gemaakt hebben, welke, na verloop van tijd, in een dorp veranderd kan geworden weezen.
Wat de grootte vanAmstelveenbetreft, het geheele Ambacht wordt in de oude verpondings lijsten gesteld op 2670 morgen en 766 roeden; in andere opgaven vindt men er 4076 morgen voor, welk verschil ontstaan kan door eene andere bepaaling van het district, of liever van den grond die onder de opgave betrokken is; thans wordt het wel 6000 morgen groot geschat: in oude lijsten staan voorAmstelveen251 huizen aangetekend; in nieuwere 1167 huizen en één molen; welk verschil weder op de gemelde wijze kan ontstaan zijn, althans de laatste opgaave, bepaalt zig niet binnen den omtrek van het eigenlijke dorp zelf, maar gaat ook over de buurten welken daaronder behooren, liggende aan denAmstel, denVeendijk, de zogenaamdeZwaluwenbuurt, en deNes, ook de geheeleAmstelveensche weg, aan de hand vanLeiden, enz.
Ten noorden paalt het rechtsgebied vanAmstelveenonmiddelijk aan dat vanAmsteldam, waarvan de HeerWellekens, in zijneVisschersenJagersgezangen, dus zingt:
Juist daar de Mijlpaal staat, uit blaauw arduin gehouwen,Die ’t land en halsrecht scheidt, de beken en Landsdouwen,Van ’t prachtig Amsteldam, en ’t nedrig Amstelveen,Gelijk van stam en naam, maar nu met lotgemeen.
Juist daar de Mijlpaal staat, uit blaauw arduin gehouwen,
Die ’t land en halsrecht scheidt, de beken en Landsdouwen,
Van ’t prachtig Amsteldam, en ’t nedrig Amstelveen,
Gelijk van stam en naam, maar nu met lotgemeen.
’TWAPEN.
Dit is een rood Schild, met twee zwarte dwarsbalken doorsneden;[5]op den bovensten balk drie, en op den ondersten één witte kruisen.
KERKLIJKE GEBOUWEN.
Onder deezen kunnen geene anderen geteld worden dan de Kerk zelve, het Diaconie-Weeshuis, en ’t algemeene Armehuis; in het Diaconie-Weeshuis zijn niet meer dan twintig kinderen, en weinige oude lieden, en het Armehuis is in tweeën gescheiden; zijnde het voorste gedeelte ten dienste derGereformeerden, en het achterste voor deRoomschenenLutherschen, als mede voor de oude lieden van beide gezindheden: voor het Armehuis leest men:
Den armen wees tot nut, bragt men dit huis tot stand,Den ouden tot een stut, in Nieuwer Amstelland.
Den armen wees tot nut, bragt men dit huis tot stand,
Den ouden tot een stut, in Nieuwer Amstelland.
Boven den ingang van het Diaconiehuis staan de volgende woorden in een vierkanten steen uitgehouwen: „Door de weldaadigheid vanNieuweramstelenAmsteldam, is dit Diaconie Weeshuis gebouwd, in het jaar 1765.
„De Heere houdt de Weezen en Weduwen staande:Ps.126 vs. 9.”
Weleer stond boven de poort of ingang, naast het zelve huis nog een versjen, ’t welk door ’t schilderen daarvoor van daan geraakt is: dus luidde het:
De liefde omhelst ’t verlaten weesken alhier,Om z’in haar schoot te voên en te onderwijzen,Verkwikt, versterkt met wijs bestier,De Oude, Arme, en afgewerkte grijzen:O Amstelland! wie roemt en volgt u niet,Als men dit huis met zijn bewooners ziet!
De liefde omhelst ’t verlaten weesken alhier,
Om z’in haar schoot te voên en te onderwijzen,
Verkwikt, versterkt met wijs bestier,
De Oude, Arme, en afgewerkte grijzen:
O Amstelland! wie roemt en volgt u niet,
Als men dit huis met zijn bewooners ziet!
De Kerk staat op een bemuurd kerkhof, dat met schoon geboomte beplant is; het gebouw pronkt met een aartig spits torentjen, waarin slag en uurwerk is: onder de weinige sieraadjen van binnen munt zeer uit het eeregraf van den beroemden Nederlandschen Dichter,Johan van[6]Broekhuizen, zijner nagedachtenisse geschonken door den Wel Ed. Heer, Mr.Abraham Calkoen, Heer vanKortenhoef, ten tijde der oprichting (1767) Baljuw en Dijkgraaf vanAmstelland, naderhand Hoofdofficier der StadAmsteldam: hetzelve bestaat in eene aloude lijkbus van blaauw arduinsteen, rustende op een dergelijk voetstuk, voor hetwelk een Latijnsch vers van den HoogleeraarBurman, op een wit marmer tafreel is uitgehouwen, zijnde van deezen inhoud:
„Ter gedachtenisse vanJohan van Broekhuizen,Overleden in het Jaar 1707.„Gij alle die de Dichtkunst en Wapenoefening bemint, strooit lauren, mirten en veil op dit gewijde graf:Broekhuizen, wiens gedichten die vanPropertiusevenaarten, ligt hier in deAmstelveensche Kerkbegraven; op dat hij ruste in dien zelfden oord, waarin hij, ontslagen van zijne krijgsamten, die hij met eere bekleed had, zig, in stilte, met geleerde oefeningen bezig gehouden heeft: de erkentenis die men aan zijnen asch, waarvoor men zo schandelijk verzuimd had eenig gedenkteken opterichten, na zestig jaaren verloops, de verschuldigde eer bewijst, hebbe haaren verdienden lof, en verstrekke ten treffelijken voorbeelde voor de dankbaare nakomelingschap; doch schoon dit grafteken, gelijk alle anderen, zelfs zulken die uit het kostbaar marmer gehouwen zijn, eindelijk vergaan moet, zullen nogthans de werken van zo groot eenen geest alleen zijnen naam onstervelijk maaken.”
„Ter gedachtenisse vanJohan van Broekhuizen,Overleden in het Jaar 1707.
„Gij alle die de Dichtkunst en Wapenoefening bemint, strooit lauren, mirten en veil op dit gewijde graf:Broekhuizen, wiens gedichten die vanPropertiusevenaarten, ligt hier in deAmstelveensche Kerkbegraven; op dat hij ruste in dien zelfden oord, waarin hij, ontslagen van zijne krijgsamten, die hij met eere bekleed had, zig, in stilte, met geleerde oefeningen bezig gehouden heeft: de erkentenis die men aan zijnen asch, waarvoor men zo schandelijk verzuimd had eenig gedenkteken opterichten, na zestig jaaren verloops, de verschuldigde eer bewijst, hebbe haaren verdienden lof, en verstrekke ten treffelijken voorbeelde voor de dankbaare nakomelingschap; doch schoon dit grafteken, gelijk alle anderen, zelfs zulken die uit het kostbaar marmer gehouwen zijn, eindelijk vergaan moet, zullen nogthans de werken van zo groot eenen geest alleen zijnen naam onstervelijk maaken.”
Tot genoegen van onze Leezers, maar voornaamlijk tot genoegen van de bewooners vanAmstelveen, zullen wij hier eene kleine schets van de levensbeschrijving diens voortreffelijken mans bijvoegen; ’t kan gezegde bewooners tog niet onverschillig zijn te weeten wie hij eigenlijk was die verdiend heeft, dat hun Kerkjen met zijn eereteken pronkt.
Johan van Broekhuizen, was dan eenAmsteldammer,[7]ter dier stede geboren den 20 November des jaars 1649; de zoon van een Hoedestoffeerder, die daarna ook klerk terSecretarijvan de Admiraliteit aldaar was; zijne moederEva Vos, was aan de aanzienlijke geslachten vanWitsenenHudde, vermaagschapt:Broekhuizenwerd van jongs af der studie toegewijd; maakte groote vorderingen in de geleerde taalen, en betoonde al vroeg eene ongemeene zucht voor de dichtkunde derLatijnen; en deeze zucht was in onzen dichter zelfs zo brandend, dat hij, meer dan vijftig versen, in die taale gedicht, slechts één maal gehoord hebbende, dezelven van buiten kende; inderdaad een doorslaand bewijs van eene wonderbaare natuurgaaf, die zo vermaaklijk als in andere gevallen, (doch voor den dichter altoos hoogstwenschlijk,) lastig is; wantBroekhuizenkon met geene mogelijkheid de regelen der Logica, eene drooge schoolsche studie, in zijn geheugen prenten; leevende voorbeelden zouden den man van ondervinding van deeze waarheid meer dan hij verlangde overtuigen: zo geheugt het mij, toen ik lessen in de Wiskunst gaf, meermaals leerlingen gehad te hebben, die uitmuntten in allerleie werken van genie, als daar is het maaken van tooneelspellen, en zamenstellen van romans, dat deezen, spijt alle mijne aangewende moeite, geen denkbeeld van eene rekening van proportie, of zogenaamde regel van drieën konden verkrijgen.
Van de schoole gekomen zijnde, besteedde zijn Oom, die hem na den dood zijns Vaders, tot tweeden Vader verstrekte, hem in een Apotheek, waarin hij eenige jaaren doorbragt, zonder echter de dichtkunde van zijne geliefdeLatijnente vergeeten: deeze slaafsche verbinding konde hem, zeer natuurlijk, niet lang behagen; hij kreeg er tegenzin in, en begaf zig tot een vrijer leven, tot den krijgsdienst naamlijk, waarin hij welhaast tot den rang van Vendrig bevorderd werd; hoe zou ook een lievelingskind der Natuur in allerleie standen geene bevordering verkrijgen! intusschen vergat hij zijne waardeLatijnenniet; ook niet toen hij vervolgends onder den dapperenDe Ruiter, een togt ter zee deed, of toen hij, in 1673, in[8]zijne geboortestad, Lieutenant werd over een Vendel van de stads bezetting: behalven dat woonde hij verscheidene veldtogten inDuitschlanden deNederlandenbij: hij zettede zig, na het sluiten van den vrede teNijmegen, met er woon teUtrechtneder, en gaf zig aldaar geheel aan de boekoefening over: van daar kwam hij teAmsteldam, en had het geluk zijne studie voordtezetten in gezelschap van zijne beroemde tijdgenooten de HeerenHulst, Huijdecooper, Heinck,Geelvink, en anderen: BurgemeesterHuddebezorgde hem de Capiteinsplaats van één der Vendelen van meergemelde stads bezetting: toen na het sluiten van denRijswijkschen vrede, dat Vendel afgedankt werd, verkoos onzeBroekhuizeneen aangenaam buitenverblijf, onder het gebied vanAmstelveenter wooning, alwaar hij bij aanhoudendheid van de voornaamste Geleerden bezocht werd, en zijne studiën met onvermoeiden vlijt voordzettede; na lang gesukkeld te hebben, overleed hij aldaar den 15 van Wintermaand des jaars 1707, en werd op den vijfden dag na zijn overlijden, in gevolge van zijnen laatsten wil, in de Kerk teAmstelveenbegraven.—Wat zijn arbeid betreft,PropertiusenTibullus, zijn fraai door hem verbeterd, in ’t licht gegeven, als mede de gedichten vanSanesariusen anderen: zijne eigeneLatijnsche poëzijis door den beroemdenDavid van Hoogstraatenin den jaare 1711 ter persse bezorgd, en weinige jaaren daarna ook zijne Nederduitsche gedichten, voor welken ’t verhaal van ’s dichters leven geplaatst is: kort na zijn overlijden deed de HoogleeraarP. Burmaneene redevoering daarop toepasselijk: welke eere ’s mans nagedachtenis is aangedaan, hebben wij boven gezien.
Het Kerkjen is gesticht in den jaare 1594, heeft geen orgel, en is de eenigste die in de banne vanAmstelveengevonden wordt; ofschoon zij bijna 1100 ledemaaten kan tellen: daarentegen zijn er op het zelfde grondgebied wel vierRoomsche Kerken; een van dezelve staat op denAmstelveenschen Weg, tusschen denOvertoom, en deKalfjeslaan, die geen van de kleinste is, een mooi orgel heeft, en door twee Pastoors bediend[9]wordt: hij bevat onder zig wel 800 ledemaaten, behalven de menigte van vreemdelingen, welken des zomers aldaar ter Kerke gaan.
De eerste Predikant op dit dorp is (1586) geweestGerard Pauli, zijnde hetzelve alstoen gecombineerd metOuderkerk, doch in 1588 is die combinatie gescheiden—voor eenige jaaren heeft de zonderlinge Leeraarvan der Zouw, door zijne wijze van den volke het Euangelium te verkondigen, dit dorp geen gering voordeel aangebragt, door de menigte van stedelingen, en omliggende bewooners, welken hem kwamen hooren prediken; zijn toon en wijze van verhandelen waren even zonderling; dikwijls brak hij zijne reden af, om de in- en uitgaande menigte te zeggen dat zij minder opschudding moesten maaken; om te zeggen dat men deezen of geenen vermoeiden boêr, welke te weinig begrips van zijne verklaaring konde maaken, en dien hij derhalven in de slaap gepredikt had, optewekken; om aan den koster te klaagen dat de zon, door de kerkglazen schijnende, hem geweldig hinderden, en dat derhalven de glasgordijnen toegeschoven moesten worden; om bij het verschijnen van een of ander gezelschap welgeklede lieden, uitteroepen: „Kijk, kijk! daar komen weêrAmsteldammersaan! maar met geen hart, hongerende en dorstende naar de geestelijke spijs en drank des Euangeliums,” of iet dergelijks—’t geheugt mij zijn Wel Eerwaarden eens het gebod der Wet,Gij en zult niet steelen, te hebben hooren verklaaren, en hem in die verklaaring hooren stellen, dat alle menschen, van wat staat en stand, van wat ouderdom,dievenwaren; zijn Weleerwaarde begon bij de kinderen, die zig niet zelden schuldig maaken, zeide hij, aan het steelen van een appel of peer—tot de Diakens der Kerke gekomen zijnde, dacht ik, de Leeraar zoude evenwel deezen uit zijn algemeen vonnis uitsluiten, maar neen! zijn hoofd naar derzelver gewoone plaats in de Kerk keerende, schreeuwde zijn Wel Eerwaarde uit:Er wordt niet anders als koperen munt in ’t zakjen gevonden!hij liet de uitlegging van de betekenis der woorden aan Diakenen zelven over, en ging voord met zijne rol van dieven verder afteleezen.[10]
Van de Wereldlijke Gebouwen,Amstelveenbetreffende, daar het Rechthuis, even als dat op alle andere dorpen, niets bijzonders heeft, des juist niet in den rang van gebouwen geplaatst kan worden, hebben wij geene aantekeningen te maaken, niet anders als dat hetzelve een stads gebouw is;geapproprieerdtot eene wooning voor den Officier, met eenen grooten tuin daar achter, waar voor de Officier voornoemd jaarlijks eene zekere somme aan de stadAmsteldammoet opbrengen: het gebouw heeft anders geen aanzien als dat het in zijn gevel pronkt met het wapen vanAmsteldam: om de drie weeken wordt er, donderdags, rechtdag gehouden.
REGEERING.
Deeze bestaat voor zo veelAmstelveenzelf aangaat, uit den Balliuw, Schout en zeven Schepenen: eene Ambachtsheerlijkheid vanAmsteldamzijnde, is er ook eene Ambachtsheer over gesteld, die de zaaken, het Ambacht bijzonderlijk betreffende waarneemt; bestaande de crimineele rechtbank aldaar eigenlijk uit Bailluw en Schepenen voornoemd; welke eerstgemelde ook Bailluw vanAmstellandis.
Tot het bestuur der Polderzaaken, wordt volgends octrooi vankeizer Karel den Vijfden, dato 31 December 1520, een Dijkgraaf- en Hoog-Heemraadschap opgericht, dat met en benevens het Gerecht vanAmstelveenhet opzicht zoude hebben, over de dijken, bruggen, dijkslooten en andere polderwerken; volgends deeze handvest, zouden van de vijf Landrijksten, vier Heemraaden, en de oudste dier vijf, tot Dijkgraaf verkoozen worden: de Keizer noemde hen Dijkgraaf en Heemraden van de Landen en Dorpen vanAmstelveen, doch hedendaags noemt men dat CollegieDijkgraaf en Heemraaden van Nieuwer-Amstel; het aanstellen van dat opzicht is zijne geboorte verschuldigd aan de klagten die eenigen der Landrijksten bij den Keizer inbragten, daarover dat de vloeden derZuiderzee, dagelijks aanwiessen, en die van het sticht vanUtrechthunne wateren ook dagelijks door molens uitwierpen, en deeden loopen op de landen vanAmstelveen, waardoor de opgezetenen aldaar, indien er niet in voorzien werd, scheenen te zullen[11]bedorven worden, en ten eeuwigsten dage verloren blijven, verzoekende derhalven dat hetzelve door het aanstellen van het bovengemelde Collegie, om desaangaande de noodige voorzorgen te doen neemen, mogt voorgekomen worden; de Keizer het gewigt deezer klagten inziende, willigde hun verzoek in.
De verkiezing van deeze Dijkgraaf en Heemraaden geschiedde weleer door de Rekenkamer der Graaflijkheids Domeinen, doch thans geschiedt het door Gecommitteerde Raaden van de Staaten vanHolland, op aanschrijving van Burgemeesteren vanAmsteldam.
VOORRECHTEN.
Deeze Ambachtsheerlijkheid is, in voorige eeuwen, door de Graaven met verscheidene voorrechten beschonken; van daar heeft het nog een vrij halsgerecht; ook mag, volgends privilegie van GraafAlbrecht, in geheelAmstelland, geen beroep van vonnisse gedaan worden—zij die eenig denkbeeld van het district, waarvan wij hier spreeken, kunnen maaken, zullen zig in gevolge van het eerstgemelde der bovengenoemde voorrechten, niet meer verwonderen dat er teAmstelveenzo dikwijls halsrecht gedaan wordt.
Amstelveenheeft ook het recht om die vanAmsteldam, nalaatig bevonden wordende in het onderhouden van de sluizen „op tenMiddeldam, en opSt. Anthonies-poorte,” te beslaan in de boete van zes goudguldens dagelijks, tot duizend goudguldens toe, doch niet hooger.
BEZIGHEDEN.
Deezen bestaan onder de bewooners van deeze Ambachtsheerlijkheid in het weiden van vee, maaken van melk, boter en kaas, en het veenen, of baggeren van turf, enz.
GESCHIEDENISSEN.
Hoe de HeerlijkheidAmstelland, en gevolglijk ook dit dorpAmstelveenaan de Graaven vanHollandgekomen is, hebben[12]wij boven, (bladz. 2.) gezien; en in onze beschrijving vanSloterdijk, tekenden wij aan dat dezelve naderhand in het huis vanBrederodezijn overgegaan, alwaar wij ook zeiden, dat niet naauwkeurig bepaald konde worden, langs welken weg (zie aldaar bladz. 2); doch, onder het naslaan van eenige andere dan de toen geraadpleegde schrijvers, vinden wij dat men dien overgang dus opgeeft: GraafJan van Holland, die zijn’ Vader den omgebragten GraafFloris den Vijfdenopvolgde, kwam derhalven ook in het bezit van de verbeurd verklaarde goederen vanVan Amstel; en deeze, in 1299, zonder kinderen komende te overlijden, is hem, als naast in den bloede, tot erfgenaam opgevolgd,Jan van Avennes, welke in ’t begin zijner regeeringe de Heerlijkheden vanAmstelenWoerdenschonk aan zijnen broederGuy; na den dood van deezen, en van GraafJanheeft ’s Graaven zoonWillem(1317,) die Heerlijkheden weder benaderd en aan de Graaflijkheid gehecht.
Naderhand heeftAlbert van Beiëren, als Graaf vanHolland, de AmbachtsheerlijkheidAmstelveen, nevens de gevolgen van dien, terOuder-enNieuwer-Amstel(1399,) tot een onstervelijk leen gegeven, aanCoen van Oosterwijk, voor de somma van 3100 schilden; deeze droeg dat zijn eigendom (1402) weder op aanMargaretha van Cleef, des Hertogs tweede Gemaalinne; hier door geraakte na haar overlijden,Amstelveen, en de geheele nalaatenschap der Graavinne aan haare Moeder, medeMargarethagenaamd, die de Heerlijkheid tot 1434 bezat; in welk jaarHendrik van Borselen, Heervan ter Veere, uit krachte van aanhoop, daarmede verleid is geworden; en door het huwelijk vanMargareta van Borsselen, metWalraven van Brederode, gingAmstelveendus in dat geslacht over, zijnde hetzelve in 1529, door HeerWalravenaan de stadAmsteldamverkocht, gelijk wij in ons blad, overSloterdijkhandelende, reeds gezegd hebben.
In de woede der hervorming heeftAmstelveendenkelijk gedeeld;[13]want in de sententiën vanAlba, vindt men een banvonnis, tegen zekerenCornelisvanAmstelveen, welke daarin ten laste gelegd wordt, dat hij de kerkplonderaars te drinken gegeven, den Pastoor voor eenen verleider des volks uitgemaakt, en gezegd zoude hebben, dat men van de klokken der kerken roers en geschut zoude gieten.
WatAmstelveenin onze jongstledene beroerten heeft moeten lijden, is bij ieder bekend; aldaar tog was om zo te spreeken voor een gedeelte het tooneel des oorlogs.
In den nacht van den 30 September, rukte de Hertog, met zijnePruissenreeds tot nabij deHand van Leidengekomen zijnde, nader derwaards; doch eene Patriotsche patrouille vertelde hem weldra met snaphaanskogels, dat zij onversaagd waren: deezen echter waren door de overmagt genoodzaakt zig te bedwingen; de Hertog posteerde vervolgens zijn geschut op den dijk naarAmstelveen, waarop de aanval zoude geschieden; reeds ten 5 uuren in den morgen hoorde men het signaalschot, en terstond daarop begonnen dePruissenteOuderkerkhunne opgeworpene Batterijen te laaten speelen; hunne jaagers gingen op het verlaat los, doch bemagtigden hetzelve niet dan ten koste van veele koppen; want deHollandersvochten als leeuwen, als lieden die bij den oorlog opgevoed waren, welke lof de Hertog zelf hun niet heeft kunnen weigeren—nog herinneren wij ons, met siddering, het geluid der schoten aan welke ’t behoud of verlies van geheelAmsteldamafhing; nog hooren wij de hartlijke beden aan den hemel om overwinning.… doch liever staaken wij dien toon.
Eenige honderden schreden achter het gezegde verlaat, lag eene Patriotsche verschansing, door eene welbepalissadeerde gracht van den dijk afgezonderd; deeze werd vervolgends aangetast en veroverd, doch mede ten duuren prijze: ondertusschen was het dag geworden: de dappere ColonelDe Portedie de Patriotten teAmstelveencommandeerde, en het dorp ongemeen versterkt had, liet toen met vier stukken geschuts den dijk beschieten, en deed veelePruissenvallen; de Hertog echter hield[14]stand, zond zijne jaagers, over de grachten, naar de nabijgelegene hooibergen, ten einde van achter dezelven zijnen vijand te beschieten; de onzen maakten een allerhevigst vuur, en betwistten elkander de eer van de meeste en best gerichte schoten gedaan te hebben: ligtlijk begrijpt men dat dePruissenvan hunnen kant mede hun best deeden, waardoor het benaauwdeAmstelveenzig in ’t grootste gevaar bevond, staande ten prooje van de vijandlijke kogels, die echter niet zodanig neder kwamen dat er eenig huis of schuur in de brand geschoten werd: de onzen onvermoeid met schieten aanhoudende, en nu ziende dat men hun van achter de hooibergen bestookte, hadden moeds genoeg om op dePruissische Jaagers, aldaar verstoken liggende, los te gaan, de hooibergen in den brand te steeken, en vooral door hunne welgeoefende scherpschutters, de jaagers voornoemd te verdrijven, niet alleen, maar ook zag de Hertog zig genoodzaakt met al zijne manschap naar deHand van Leidente retireeren, alwaar de Lieutenant GeneraalVan Knobelsdorfeene batterij geformeerd had, omAmstelveenop zijde te beschieten.
De Hertog verwachtte alle oogenblikken dat de onzen van achteren geattaqueerd zouden worden, en hij daardoor gelegenheid bekomen van weder te kunnen avanceeren, want dit was zijn plan, maar dit secours bleef vier en een half uur uit, het geen hun veel volks kostte, die door het vuur der patriotten vielen.
Tegen tien uuren des morgens kreegen de onzen op den dijk vanOuderkerknieuwe versterking van voetvolk, want hoe heet het ook reeds toeginge, brandde men echter van verlangen, vooral teAmsteldam, om zig tot versterking derwaards te mogen begeeven; men hield zig van eene volkomene overwinning verzekerd—dan God had het anders besloten——wij weeten niet waarbij het toegekomen is, dat dePruissenverscheidene geretrancheerde posten van de onzen op den dijk naarAmstelveenen elders veroverden, de moedige Patriotten aan het wijken[15]bragten, en tot binnen het dorp dreeven; ’t welk aldaar geene geringe schrik veroorzaakte—eene en andere omstandigheden waren dringend genoeg om den ColonelDe Portete doen besluiten, zig naarOuderkerkte begeeven, ’t geen met zo veel spoeds geschiedde dat dePruissennu, gereed zijnde hen met hun eigen geschut te beschieten, hen niet meer berijken konden.
TeOuderkerkhad men zig tot nu toe even manlijk gedragen; de gelegenheid van het plaatsjen had den Hertog belet het te naderen, des zag hij ook geen kans om het tot de overgaaf te dwingen; onvoorbeeldig kloekmoedig betoonden de Patriotten zig aldaar, doch door de aankomst vanDe Porte, uitAmstelveen, werden zij geintimideerd, als nu te wel beseffende hoe zij thans langs den zelfden weg (’t zogenaamde groote loopveld, of de Kerkweg,) op de zijde, door dePruissengenaderd konden worden: deColonelsCorkelenLeville, hadden hier het bevel, en beslooten de wijk naarAmsteldamte neemen, liever dan door eene wanhoopige verdediging den Vaderlande nog meer burgers te ontrukken—een ware held weet op zijnen tijd te wijken: de aftogt geschiedde met alle mogelijke stilte, en men kwam behouden teAmsteldamaan.
Nog dien zelfden avond werd het plaatsjen zo wel alsAmsteldamdoor dePruissenbezet, waardoor de inwooners, in de uiterste droefheid gedompeld, nu den overlast des soldaats moesten draagen—dat deeze overlast niet gering geweest is bevestigen honderden van getuigen; en te geloofwaardiger worden dezelven, als men beseft, welk haatelijk denkbeeld denPruissenvan de Nederlandsche Patriotten ingeboezemd was geworden; ook hadden zij te veel van de moedige verdediging van deezen moeten ondergaan, om geheel vrij te blijven van den trek tot bijzondere wraakneeming.[16]
BIJZONDERHEDEN.
Hier onder behoort weder in de eerste plaats de kerk, met het graf vanBroekhuizen(zie boven bladz. 5.)
De droogmaakerij, (zie bladz. 3.)
Eene wandeling naarOuderkerk, geeft ook bijzonder vermaak.
Voords zijn hier en daar nog eenige plaatsen en dingen in oogenschouw te nemen, welken nagedachtenissen van het voorbeschrevene dapper gevecht tegen dePruissendraagen.
REISGELEGENHEDEN.
Met deUtrechtscheen andere schuiten dieOuderkerkpasseeren, kan men vanAmsteldamtot daar, en terug medevaaren; voords gaat men verders te voet naarAmstelveen: des zondags vaart langs dien weg een Kerkschuit.
LOGEMENTEN.
[1]
1Om deeze reden stellen sommigen ook niet datHollandzijnen naam zoude ontleend hebben van deszelfs laage(Holle)ligging, maar van de menigte bosschen(Holt, hout)die er gevonden worden.↑
1Om deeze reden stellen sommigen ook niet datHollandzijnen naam zoude ontleend hebben van deszelfs laage(Holle)ligging, maar van de menigte bosschen(Holt, hout)die er gevonden worden.↑
1Om deeze reden stellen sommigen ook niet datHollandzijnen naam zoude ontleend hebben van deszelfs laage(Holle)ligging, maar van de menigte bosschen(Holt, hout)die er gevonden worden.↑
1Om deeze reden stellen sommigen ook niet datHollandzijnen naam zoude ontleend hebben van deszelfs laage(Holle)ligging, maar van de menigte bosschen(Holt, hout)die er gevonden worden.↑