HETDORPNIEUW-LOOSDRECHT.

[Inhoud]’t Dorp Nieuw-Loosdrecht.’t Dorp Nieuw-Loosdrecht.NIEUW-LOOSDRECHT, dat geheel in groen geboomt gelegen,Het oog des wandlaars, door natuurlijk schoon verrukt,Biedt zijn bewooneren nogthans geen ruimen zegen,Daar ’t algemeen verval het zeer gevoelig drukt.HETDORPNIEUW-LOOSDRECHT.Zeer verdeeld zijn de keuzen der vreemdelingen en ook der bewooneren wegens de aangenaamheid der beideLoosdrechten; deezen houden deNieuweanderen deOudevoor aangenaamer; voor ons, wij zouden voor deNieuwezijn, wat de vertooning over het geheel betreft; doch in deOudezijn meer goede huizen, ook liggen er verscheidene buitenplaatsen in die in deNieuweniet voorhanden zijn, gelijk wij onder onze beschrijving van deOude Loosdrechtreeds gezegd hebben.Wat deLIGGINGBetreft, deeze is over ’t algemeen in onze beschrijving vanOud-Loosdrechtopgegeven; alleenlijk kunnen wij hier nog bijvoegen, dat ter zijde af meer bebouwde akkers liggen, waarop de aardappelen, boekwijt, en graanen zeer wèl willen tieren—bepaaldlijk maakt deNieuwe Loosdrecht, in het zuiden, een scheiding tusschen de ProvinciënHollanden ’tSticht; ten westen paalt zij aanMijnden.Wegens denaamsoorsprong, zie men onze beschrijving vanOud-Loosdrecht:Nieuw-Loosdrechtdraagt ook nog den naam vande Zijpe.[2]Van destichtingengrootte, zie men mede onderOud-Loosdrecht—In dentegenwoordigen staat van Holland, leezen wij: „in deOude Loosdrecht, staan de huizen, ter wederzijde gedeeltelijk op boere werven, of afgebrokene akkers, naar de wijze der veendorpen; in deNieuwe Loosdrechtstaan zij veelal aan elkander gebouwd”, doch het tegendeel is waar; in deNieuwe Loosdrechtliggen de huizen veel verder van elkander dan in deOude: voords liggen zij meer in ’t groen, maar daarentegen zijn de wooningen ook kluiziger, en veelen zelfs zodanig vervallen, zo ingezakt, dat zij geheel wanstaltige figuuren maaken: onder de wooningen in deNieuwe Loosdrechtzijn ook geene andere Buitens, dan dat van de Ambachtsvrouwe reeds gemeld.Zie wegens het Wapen,Oud-Loosdrecht.KERKELIJKEENGODSDIENSTIGE GEBOUWEN.Vermits ook hier, even als teOud-Loosdrechtalle de bewooners den Gereformeerden Godsdienst belijden, zijn er geene andere dan de Gereformeerde kerk voorhanden. In het reedsgemelde werk:Tegenwoordige staat van Holland, leest men, betreffende dit artijkel: „De kerk van deOude Loosdrecht, is vrij ruim; doch oud, met een laag torentjen, zij wordt echter zeer wèl en net onderhouden; die van deNieuwe Loosdrecht, is netter en nieuwer, en heeft een schoonen toren, met een goede spits, die van vrij verre kan gezien worden”: de toren is vierkant, hoog en zwaar, en het spits met leiën gedekt: in allen deelen beantwoordt het gebouw voords aan de berichten bij ons ingewonnen, naamlijk dat het nog de plaats der Godsdienst-oefeninge onzer Landgenooten van vóór de reformatie was, zo wel als de kerk vanOud-Loosdrecht, zodanig dat deeze de Parochiekerk was, en die van deNieuwe Loosdrechtderzelver capel; gelijk zij dan ook weleer door deRoomschengenoemd werd,onze capelle van de Zijpe; men wil dat deeze capel omtrent den jaare 1400 gesticht zij: de toren heeft twee wijzerplaaten, waarop men het jaartal 1762 leest, zijnde het jaar waarin gemelde plaaten vernieuwd zijn.[3]Naast den ingang der kerk is mede één der reeds gemelde vier dorps-brandspuiten geplaatst, en tegen een der zijmuuren van het gebouw ziet men eene soort van open houten huisjen, ten dienste van den koster en schoolmeester wanneer hij, amtshalven, voor dorpelingen iet moet afleezen.Rondsom de kerk is een kerkhof dat niets ongemeens heeft, niets anders dan, tegen een der muuren van die kerk aan, een vierkanten marmeren graftombe; hebbende echter geen ander cieraad, dan dat op het voorstuk deszelve is uitgehouwen, een gehelmd man, in boerschen of Oud-Hollandschen burger kleeding, hebbende een ijzeren stormhoed op: aan zijn linker arm heeft hij een schild, en in dezelfde hand een zwaard; in de rechterhand heeft hij een soort van hamer aan een langen stok die op zijn schouder ligt.Inwendig heeft het gebouw niets bijzonders: alles is er zeer wèl en geregeld: de bank voor den Heere of Vrouwe der Heerelijkheid staat, even als in de kerk vanOud-Loosdrecht, recht tegen over den Predikstoel.Het Schoolhuis is nabij de kerk, en is een gebouw aan het oogmerk beantwoordende.De Pastorij is achter de kerk, en heeft een zeer grooten hof.Een Wees- of Armen-huis is teNieuw-Loosdrechtniet; de weezen en armen worden er bij de ingezetenen besteed, en zo de regeering al eenig gebruik van het weeshuis in deOude Loosdrechtbegeert te maaken, moet hetzelve, bij wijze van besteeding, betaald worden.Wegens dewereldlijke gebouwen, staat ons hier niets aantetekenen: zie dit zelfde artijkel onder onze beschrijving vanOud-Loosdrecht.KERKELIJKE REGEERING.Deeze is even als teOud-Loosdrechtvoornoemd: de Predikant is thans de Wel-Eerwaarde HeerReinier Swierink.Daar voords dewereldlijke regeeringmede dezelfde is als die vanOud-Loosdrecht, kunnen wij ons ook, wat deeze betreft, aan de meergemelde beschrijving van dat dorp gedraagen; hetzelfde zij gezegd van devoorrechten. Het zogenaamdeLoosdrechter bosch, waarvan wij onderHilversumgesproken hebben, kan als eenebijzonderheidaangemerkt worden.[4]DeBEZIGHEDENDer bewooneren zijn hier eenigzins onderscheiden van die waarmede de bewooners vanOud-Loosdrechtzig geneeren.De veenderij heeft hier weinig plaats, maar te meer, (wegens de voorraad van wei- en bouw-landen,) de melkerij, hooiteelt, en bouwerij—Weleer, en zelfs nog voor ruim 20 jaaren, waren in deNieuwe Loosdrechtveele lakenweeverijen, doch sedert zijn dezelven allen te niet geraakt, het geen niet weinig tot het verval van dit gedeelte der Heerelijkheid heeft toegebragt: de weinige weeverijen vanHilversumsch streept, die er nog gevonden worden, zijn van niet veel betekenis en mogen den naam van fabrieken niet draagen, alzo zij slechts voor eigen vertier, en dat niet veel zegt, aan den gang gehouden worden: het spinnen van wol en vlas, wordt hier nog wel bij veelen ter hand gehouden, doch verschaft voor eenen aanhoudenden arbeid slechts een sober bestaan, te meer treffende voor de inwooners om dat hun vooruitzicht niet op beteren stand uitloopt: tot gezegde spinning worden de meisjens van zeven of agt jaaren gebruikt; deezen verdienen daarmede 8 of 8½ stuivers in de week; de armoede der ouderen noodzaakt hen hunne kinderen voor dien geringen prijs te leenen, en dezelven daardoor te berooven van den tijd waarin zij behoorelijk leezen, schrijven enz. zouden kunnen leeren.DeGESCHIEDENISDeezes dorps heeft niets afzonderlijks met die van deOude Loosdrecht: er zijn, dat ligt te begrijpen is, even lang al teOud-Loosdrecht, Pruissengeinquartierd geweest, en dezelven hebben er grouwzaame plonderingen aangericht; vooral op het Buiten van de Ambachtsvrouwe, gelijk wij onderOud-Loosdrechtreeds aangetekend hebben.Logementenzijn in deNieuwe Loosdrechtniet, en slechts eene herberg van eenig aanzien dat tevens eene uitspanning is; hier en daar vindt men een pleisterplaatsjen van geringen stand.Eindelijk zijn dereisgelegenhedendezelfden als in onze beschrijving van deOude Loosdrechtzijn opgegeven.[1]

[Inhoud]’t Dorp Nieuw-Loosdrecht.’t Dorp Nieuw-Loosdrecht.NIEUW-LOOSDRECHT, dat geheel in groen geboomt gelegen,Het oog des wandlaars, door natuurlijk schoon verrukt,Biedt zijn bewooneren nogthans geen ruimen zegen,Daar ’t algemeen verval het zeer gevoelig drukt.HETDORPNIEUW-LOOSDRECHT.Zeer verdeeld zijn de keuzen der vreemdelingen en ook der bewooneren wegens de aangenaamheid der beideLoosdrechten; deezen houden deNieuweanderen deOudevoor aangenaamer; voor ons, wij zouden voor deNieuwezijn, wat de vertooning over het geheel betreft; doch in deOudezijn meer goede huizen, ook liggen er verscheidene buitenplaatsen in die in deNieuweniet voorhanden zijn, gelijk wij onder onze beschrijving van deOude Loosdrechtreeds gezegd hebben.Wat deLIGGINGBetreft, deeze is over ’t algemeen in onze beschrijving vanOud-Loosdrechtopgegeven; alleenlijk kunnen wij hier nog bijvoegen, dat ter zijde af meer bebouwde akkers liggen, waarop de aardappelen, boekwijt, en graanen zeer wèl willen tieren—bepaaldlijk maakt deNieuwe Loosdrecht, in het zuiden, een scheiding tusschen de ProvinciënHollanden ’tSticht; ten westen paalt zij aanMijnden.Wegens denaamsoorsprong, zie men onze beschrijving vanOud-Loosdrecht:Nieuw-Loosdrechtdraagt ook nog den naam vande Zijpe.[2]Van destichtingengrootte, zie men mede onderOud-Loosdrecht—In dentegenwoordigen staat van Holland, leezen wij: „in deOude Loosdrecht, staan de huizen, ter wederzijde gedeeltelijk op boere werven, of afgebrokene akkers, naar de wijze der veendorpen; in deNieuwe Loosdrechtstaan zij veelal aan elkander gebouwd”, doch het tegendeel is waar; in deNieuwe Loosdrechtliggen de huizen veel verder van elkander dan in deOude: voords liggen zij meer in ’t groen, maar daarentegen zijn de wooningen ook kluiziger, en veelen zelfs zodanig vervallen, zo ingezakt, dat zij geheel wanstaltige figuuren maaken: onder de wooningen in deNieuwe Loosdrechtzijn ook geene andere Buitens, dan dat van de Ambachtsvrouwe reeds gemeld.Zie wegens het Wapen,Oud-Loosdrecht.KERKELIJKEENGODSDIENSTIGE GEBOUWEN.Vermits ook hier, even als teOud-Loosdrechtalle de bewooners den Gereformeerden Godsdienst belijden, zijn er geene andere dan de Gereformeerde kerk voorhanden. In het reedsgemelde werk:Tegenwoordige staat van Holland, leest men, betreffende dit artijkel: „De kerk van deOude Loosdrecht, is vrij ruim; doch oud, met een laag torentjen, zij wordt echter zeer wèl en net onderhouden; die van deNieuwe Loosdrecht, is netter en nieuwer, en heeft een schoonen toren, met een goede spits, die van vrij verre kan gezien worden”: de toren is vierkant, hoog en zwaar, en het spits met leiën gedekt: in allen deelen beantwoordt het gebouw voords aan de berichten bij ons ingewonnen, naamlijk dat het nog de plaats der Godsdienst-oefeninge onzer Landgenooten van vóór de reformatie was, zo wel als de kerk vanOud-Loosdrecht, zodanig dat deeze de Parochiekerk was, en die van deNieuwe Loosdrechtderzelver capel; gelijk zij dan ook weleer door deRoomschengenoemd werd,onze capelle van de Zijpe; men wil dat deeze capel omtrent den jaare 1400 gesticht zij: de toren heeft twee wijzerplaaten, waarop men het jaartal 1762 leest, zijnde het jaar waarin gemelde plaaten vernieuwd zijn.[3]Naast den ingang der kerk is mede één der reeds gemelde vier dorps-brandspuiten geplaatst, en tegen een der zijmuuren van het gebouw ziet men eene soort van open houten huisjen, ten dienste van den koster en schoolmeester wanneer hij, amtshalven, voor dorpelingen iet moet afleezen.Rondsom de kerk is een kerkhof dat niets ongemeens heeft, niets anders dan, tegen een der muuren van die kerk aan, een vierkanten marmeren graftombe; hebbende echter geen ander cieraad, dan dat op het voorstuk deszelve is uitgehouwen, een gehelmd man, in boerschen of Oud-Hollandschen burger kleeding, hebbende een ijzeren stormhoed op: aan zijn linker arm heeft hij een schild, en in dezelfde hand een zwaard; in de rechterhand heeft hij een soort van hamer aan een langen stok die op zijn schouder ligt.Inwendig heeft het gebouw niets bijzonders: alles is er zeer wèl en geregeld: de bank voor den Heere of Vrouwe der Heerelijkheid staat, even als in de kerk vanOud-Loosdrecht, recht tegen over den Predikstoel.Het Schoolhuis is nabij de kerk, en is een gebouw aan het oogmerk beantwoordende.De Pastorij is achter de kerk, en heeft een zeer grooten hof.Een Wees- of Armen-huis is teNieuw-Loosdrechtniet; de weezen en armen worden er bij de ingezetenen besteed, en zo de regeering al eenig gebruik van het weeshuis in deOude Loosdrechtbegeert te maaken, moet hetzelve, bij wijze van besteeding, betaald worden.Wegens dewereldlijke gebouwen, staat ons hier niets aantetekenen: zie dit zelfde artijkel onder onze beschrijving vanOud-Loosdrecht.KERKELIJKE REGEERING.Deeze is even als teOud-Loosdrechtvoornoemd: de Predikant is thans de Wel-Eerwaarde HeerReinier Swierink.Daar voords dewereldlijke regeeringmede dezelfde is als die vanOud-Loosdrecht, kunnen wij ons ook, wat deeze betreft, aan de meergemelde beschrijving van dat dorp gedraagen; hetzelfde zij gezegd van devoorrechten. Het zogenaamdeLoosdrechter bosch, waarvan wij onderHilversumgesproken hebben, kan als eenebijzonderheidaangemerkt worden.[4]DeBEZIGHEDENDer bewooneren zijn hier eenigzins onderscheiden van die waarmede de bewooners vanOud-Loosdrechtzig geneeren.De veenderij heeft hier weinig plaats, maar te meer, (wegens de voorraad van wei- en bouw-landen,) de melkerij, hooiteelt, en bouwerij—Weleer, en zelfs nog voor ruim 20 jaaren, waren in deNieuwe Loosdrechtveele lakenweeverijen, doch sedert zijn dezelven allen te niet geraakt, het geen niet weinig tot het verval van dit gedeelte der Heerelijkheid heeft toegebragt: de weinige weeverijen vanHilversumsch streept, die er nog gevonden worden, zijn van niet veel betekenis en mogen den naam van fabrieken niet draagen, alzo zij slechts voor eigen vertier, en dat niet veel zegt, aan den gang gehouden worden: het spinnen van wol en vlas, wordt hier nog wel bij veelen ter hand gehouden, doch verschaft voor eenen aanhoudenden arbeid slechts een sober bestaan, te meer treffende voor de inwooners om dat hun vooruitzicht niet op beteren stand uitloopt: tot gezegde spinning worden de meisjens van zeven of agt jaaren gebruikt; deezen verdienen daarmede 8 of 8½ stuivers in de week; de armoede der ouderen noodzaakt hen hunne kinderen voor dien geringen prijs te leenen, en dezelven daardoor te berooven van den tijd waarin zij behoorelijk leezen, schrijven enz. zouden kunnen leeren.DeGESCHIEDENISDeezes dorps heeft niets afzonderlijks met die van deOude Loosdrecht: er zijn, dat ligt te begrijpen is, even lang al teOud-Loosdrecht, Pruissengeinquartierd geweest, en dezelven hebben er grouwzaame plonderingen aangericht; vooral op het Buiten van de Ambachtsvrouwe, gelijk wij onderOud-Loosdrechtreeds aangetekend hebben.Logementenzijn in deNieuwe Loosdrechtniet, en slechts eene herberg van eenig aanzien dat tevens eene uitspanning is; hier en daar vindt men een pleisterplaatsjen van geringen stand.Eindelijk zijn dereisgelegenhedendezelfden als in onze beschrijving van deOude Loosdrechtzijn opgegeven.[1]

’t Dorp Nieuw-Loosdrecht.’t Dorp Nieuw-Loosdrecht.NIEUW-LOOSDRECHT, dat geheel in groen geboomt gelegen,Het oog des wandlaars, door natuurlijk schoon verrukt,Biedt zijn bewooneren nogthans geen ruimen zegen,Daar ’t algemeen verval het zeer gevoelig drukt.HETDORPNIEUW-LOOSDRECHT.

’t Dorp Nieuw-Loosdrecht.’t Dorp Nieuw-Loosdrecht.NIEUW-LOOSDRECHT, dat geheel in groen geboomt gelegen,Het oog des wandlaars, door natuurlijk schoon verrukt,Biedt zijn bewooneren nogthans geen ruimen zegen,Daar ’t algemeen verval het zeer gevoelig drukt.

’t Dorp Nieuw-Loosdrecht.

NIEUW-LOOSDRECHT, dat geheel in groen geboomt gelegen,Het oog des wandlaars, door natuurlijk schoon verrukt,Biedt zijn bewooneren nogthans geen ruimen zegen,Daar ’t algemeen verval het zeer gevoelig drukt.

NIEUW-LOOSDRECHT, dat geheel in groen geboomt gelegen,Het oog des wandlaars, door natuurlijk schoon verrukt,Biedt zijn bewooneren nogthans geen ruimen zegen,Daar ’t algemeen verval het zeer gevoelig drukt.

NIEUW-LOOSDRECHT, dat geheel in groen geboomt gelegen,Het oog des wandlaars, door natuurlijk schoon verrukt,Biedt zijn bewooneren nogthans geen ruimen zegen,Daar ’t algemeen verval het zeer gevoelig drukt.

NIEUW-LOOSDRECHT, dat geheel in groen geboomt gelegen,

Het oog des wandlaars, door natuurlijk schoon verrukt,

Biedt zijn bewooneren nogthans geen ruimen zegen,

Daar ’t algemeen verval het zeer gevoelig drukt.

Zeer verdeeld zijn de keuzen der vreemdelingen en ook der bewooneren wegens de aangenaamheid der beideLoosdrechten; deezen houden deNieuweanderen deOudevoor aangenaamer; voor ons, wij zouden voor deNieuwezijn, wat de vertooning over het geheel betreft; doch in deOudezijn meer goede huizen, ook liggen er verscheidene buitenplaatsen in die in deNieuweniet voorhanden zijn, gelijk wij onder onze beschrijving van deOude Loosdrechtreeds gezegd hebben.Wat deLIGGINGBetreft, deeze is over ’t algemeen in onze beschrijving vanOud-Loosdrechtopgegeven; alleenlijk kunnen wij hier nog bijvoegen, dat ter zijde af meer bebouwde akkers liggen, waarop de aardappelen, boekwijt, en graanen zeer wèl willen tieren—bepaaldlijk maakt deNieuwe Loosdrecht, in het zuiden, een scheiding tusschen de ProvinciënHollanden ’tSticht; ten westen paalt zij aanMijnden.Wegens denaamsoorsprong, zie men onze beschrijving vanOud-Loosdrecht:Nieuw-Loosdrechtdraagt ook nog den naam vande Zijpe.[2]Van destichtingengrootte, zie men mede onderOud-Loosdrecht—In dentegenwoordigen staat van Holland, leezen wij: „in deOude Loosdrecht, staan de huizen, ter wederzijde gedeeltelijk op boere werven, of afgebrokene akkers, naar de wijze der veendorpen; in deNieuwe Loosdrechtstaan zij veelal aan elkander gebouwd”, doch het tegendeel is waar; in deNieuwe Loosdrechtliggen de huizen veel verder van elkander dan in deOude: voords liggen zij meer in ’t groen, maar daarentegen zijn de wooningen ook kluiziger, en veelen zelfs zodanig vervallen, zo ingezakt, dat zij geheel wanstaltige figuuren maaken: onder de wooningen in deNieuwe Loosdrechtzijn ook geene andere Buitens, dan dat van de Ambachtsvrouwe reeds gemeld.Zie wegens het Wapen,Oud-Loosdrecht.KERKELIJKEENGODSDIENSTIGE GEBOUWEN.Vermits ook hier, even als teOud-Loosdrechtalle de bewooners den Gereformeerden Godsdienst belijden, zijn er geene andere dan de Gereformeerde kerk voorhanden. In het reedsgemelde werk:Tegenwoordige staat van Holland, leest men, betreffende dit artijkel: „De kerk van deOude Loosdrecht, is vrij ruim; doch oud, met een laag torentjen, zij wordt echter zeer wèl en net onderhouden; die van deNieuwe Loosdrecht, is netter en nieuwer, en heeft een schoonen toren, met een goede spits, die van vrij verre kan gezien worden”: de toren is vierkant, hoog en zwaar, en het spits met leiën gedekt: in allen deelen beantwoordt het gebouw voords aan de berichten bij ons ingewonnen, naamlijk dat het nog de plaats der Godsdienst-oefeninge onzer Landgenooten van vóór de reformatie was, zo wel als de kerk vanOud-Loosdrecht, zodanig dat deeze de Parochiekerk was, en die van deNieuwe Loosdrechtderzelver capel; gelijk zij dan ook weleer door deRoomschengenoemd werd,onze capelle van de Zijpe; men wil dat deeze capel omtrent den jaare 1400 gesticht zij: de toren heeft twee wijzerplaaten, waarop men het jaartal 1762 leest, zijnde het jaar waarin gemelde plaaten vernieuwd zijn.[3]Naast den ingang der kerk is mede één der reeds gemelde vier dorps-brandspuiten geplaatst, en tegen een der zijmuuren van het gebouw ziet men eene soort van open houten huisjen, ten dienste van den koster en schoolmeester wanneer hij, amtshalven, voor dorpelingen iet moet afleezen.Rondsom de kerk is een kerkhof dat niets ongemeens heeft, niets anders dan, tegen een der muuren van die kerk aan, een vierkanten marmeren graftombe; hebbende echter geen ander cieraad, dan dat op het voorstuk deszelve is uitgehouwen, een gehelmd man, in boerschen of Oud-Hollandschen burger kleeding, hebbende een ijzeren stormhoed op: aan zijn linker arm heeft hij een schild, en in dezelfde hand een zwaard; in de rechterhand heeft hij een soort van hamer aan een langen stok die op zijn schouder ligt.Inwendig heeft het gebouw niets bijzonders: alles is er zeer wèl en geregeld: de bank voor den Heere of Vrouwe der Heerelijkheid staat, even als in de kerk vanOud-Loosdrecht, recht tegen over den Predikstoel.Het Schoolhuis is nabij de kerk, en is een gebouw aan het oogmerk beantwoordende.De Pastorij is achter de kerk, en heeft een zeer grooten hof.Een Wees- of Armen-huis is teNieuw-Loosdrechtniet; de weezen en armen worden er bij de ingezetenen besteed, en zo de regeering al eenig gebruik van het weeshuis in deOude Loosdrechtbegeert te maaken, moet hetzelve, bij wijze van besteeding, betaald worden.Wegens dewereldlijke gebouwen, staat ons hier niets aantetekenen: zie dit zelfde artijkel onder onze beschrijving vanOud-Loosdrecht.KERKELIJKE REGEERING.Deeze is even als teOud-Loosdrechtvoornoemd: de Predikant is thans de Wel-Eerwaarde HeerReinier Swierink.Daar voords dewereldlijke regeeringmede dezelfde is als die vanOud-Loosdrecht, kunnen wij ons ook, wat deeze betreft, aan de meergemelde beschrijving van dat dorp gedraagen; hetzelfde zij gezegd van devoorrechten. Het zogenaamdeLoosdrechter bosch, waarvan wij onderHilversumgesproken hebben, kan als eenebijzonderheidaangemerkt worden.[4]DeBEZIGHEDENDer bewooneren zijn hier eenigzins onderscheiden van die waarmede de bewooners vanOud-Loosdrechtzig geneeren.De veenderij heeft hier weinig plaats, maar te meer, (wegens de voorraad van wei- en bouw-landen,) de melkerij, hooiteelt, en bouwerij—Weleer, en zelfs nog voor ruim 20 jaaren, waren in deNieuwe Loosdrechtveele lakenweeverijen, doch sedert zijn dezelven allen te niet geraakt, het geen niet weinig tot het verval van dit gedeelte der Heerelijkheid heeft toegebragt: de weinige weeverijen vanHilversumsch streept, die er nog gevonden worden, zijn van niet veel betekenis en mogen den naam van fabrieken niet draagen, alzo zij slechts voor eigen vertier, en dat niet veel zegt, aan den gang gehouden worden: het spinnen van wol en vlas, wordt hier nog wel bij veelen ter hand gehouden, doch verschaft voor eenen aanhoudenden arbeid slechts een sober bestaan, te meer treffende voor de inwooners om dat hun vooruitzicht niet op beteren stand uitloopt: tot gezegde spinning worden de meisjens van zeven of agt jaaren gebruikt; deezen verdienen daarmede 8 of 8½ stuivers in de week; de armoede der ouderen noodzaakt hen hunne kinderen voor dien geringen prijs te leenen, en dezelven daardoor te berooven van den tijd waarin zij behoorelijk leezen, schrijven enz. zouden kunnen leeren.DeGESCHIEDENISDeezes dorps heeft niets afzonderlijks met die van deOude Loosdrecht: er zijn, dat ligt te begrijpen is, even lang al teOud-Loosdrecht, Pruissengeinquartierd geweest, en dezelven hebben er grouwzaame plonderingen aangericht; vooral op het Buiten van de Ambachtsvrouwe, gelijk wij onderOud-Loosdrechtreeds aangetekend hebben.Logementenzijn in deNieuwe Loosdrechtniet, en slechts eene herberg van eenig aanzien dat tevens eene uitspanning is; hier en daar vindt men een pleisterplaatsjen van geringen stand.Eindelijk zijn dereisgelegenhedendezelfden als in onze beschrijving van deOude Loosdrechtzijn opgegeven.[1]

Zeer verdeeld zijn de keuzen der vreemdelingen en ook der bewooneren wegens de aangenaamheid der beideLoosdrechten; deezen houden deNieuweanderen deOudevoor aangenaamer; voor ons, wij zouden voor deNieuwezijn, wat de vertooning over het geheel betreft; doch in deOudezijn meer goede huizen, ook liggen er verscheidene buitenplaatsen in die in deNieuweniet voorhanden zijn, gelijk wij onder onze beschrijving van deOude Loosdrechtreeds gezegd hebben.

Wat de

LIGGING

Betreft, deeze is over ’t algemeen in onze beschrijving vanOud-Loosdrechtopgegeven; alleenlijk kunnen wij hier nog bijvoegen, dat ter zijde af meer bebouwde akkers liggen, waarop de aardappelen, boekwijt, en graanen zeer wèl willen tieren—bepaaldlijk maakt deNieuwe Loosdrecht, in het zuiden, een scheiding tusschen de ProvinciënHollanden ’tSticht; ten westen paalt zij aanMijnden.

Wegens denaamsoorsprong, zie men onze beschrijving vanOud-Loosdrecht:Nieuw-Loosdrechtdraagt ook nog den naam vande Zijpe.[2]

Van destichtingengrootte, zie men mede onderOud-Loosdrecht—In dentegenwoordigen staat van Holland, leezen wij: „in deOude Loosdrecht, staan de huizen, ter wederzijde gedeeltelijk op boere werven, of afgebrokene akkers, naar de wijze der veendorpen; in deNieuwe Loosdrechtstaan zij veelal aan elkander gebouwd”, doch het tegendeel is waar; in deNieuwe Loosdrechtliggen de huizen veel verder van elkander dan in deOude: voords liggen zij meer in ’t groen, maar daarentegen zijn de wooningen ook kluiziger, en veelen zelfs zodanig vervallen, zo ingezakt, dat zij geheel wanstaltige figuuren maaken: onder de wooningen in deNieuwe Loosdrechtzijn ook geene andere Buitens, dan dat van de Ambachtsvrouwe reeds gemeld.

Zie wegens het Wapen,Oud-Loosdrecht.

KERKELIJKEENGODSDIENSTIGE GEBOUWEN.

Vermits ook hier, even als teOud-Loosdrechtalle de bewooners den Gereformeerden Godsdienst belijden, zijn er geene andere dan de Gereformeerde kerk voorhanden. In het reedsgemelde werk:Tegenwoordige staat van Holland, leest men, betreffende dit artijkel: „De kerk van deOude Loosdrecht, is vrij ruim; doch oud, met een laag torentjen, zij wordt echter zeer wèl en net onderhouden; die van deNieuwe Loosdrecht, is netter en nieuwer, en heeft een schoonen toren, met een goede spits, die van vrij verre kan gezien worden”: de toren is vierkant, hoog en zwaar, en het spits met leiën gedekt: in allen deelen beantwoordt het gebouw voords aan de berichten bij ons ingewonnen, naamlijk dat het nog de plaats der Godsdienst-oefeninge onzer Landgenooten van vóór de reformatie was, zo wel als de kerk vanOud-Loosdrecht, zodanig dat deeze de Parochiekerk was, en die van deNieuwe Loosdrechtderzelver capel; gelijk zij dan ook weleer door deRoomschengenoemd werd,onze capelle van de Zijpe; men wil dat deeze capel omtrent den jaare 1400 gesticht zij: de toren heeft twee wijzerplaaten, waarop men het jaartal 1762 leest, zijnde het jaar waarin gemelde plaaten vernieuwd zijn.[3]

Naast den ingang der kerk is mede één der reeds gemelde vier dorps-brandspuiten geplaatst, en tegen een der zijmuuren van het gebouw ziet men eene soort van open houten huisjen, ten dienste van den koster en schoolmeester wanneer hij, amtshalven, voor dorpelingen iet moet afleezen.

Rondsom de kerk is een kerkhof dat niets ongemeens heeft, niets anders dan, tegen een der muuren van die kerk aan, een vierkanten marmeren graftombe; hebbende echter geen ander cieraad, dan dat op het voorstuk deszelve is uitgehouwen, een gehelmd man, in boerschen of Oud-Hollandschen burger kleeding, hebbende een ijzeren stormhoed op: aan zijn linker arm heeft hij een schild, en in dezelfde hand een zwaard; in de rechterhand heeft hij een soort van hamer aan een langen stok die op zijn schouder ligt.

Inwendig heeft het gebouw niets bijzonders: alles is er zeer wèl en geregeld: de bank voor den Heere of Vrouwe der Heerelijkheid staat, even als in de kerk vanOud-Loosdrecht, recht tegen over den Predikstoel.

Het Schoolhuis is nabij de kerk, en is een gebouw aan het oogmerk beantwoordende.

De Pastorij is achter de kerk, en heeft een zeer grooten hof.

Een Wees- of Armen-huis is teNieuw-Loosdrechtniet; de weezen en armen worden er bij de ingezetenen besteed, en zo de regeering al eenig gebruik van het weeshuis in deOude Loosdrechtbegeert te maaken, moet hetzelve, bij wijze van besteeding, betaald worden.

Wegens dewereldlijke gebouwen, staat ons hier niets aantetekenen: zie dit zelfde artijkel onder onze beschrijving vanOud-Loosdrecht.

KERKELIJKE REGEERING.

Deeze is even als teOud-Loosdrechtvoornoemd: de Predikant is thans de Wel-Eerwaarde HeerReinier Swierink.

Daar voords dewereldlijke regeeringmede dezelfde is als die vanOud-Loosdrecht, kunnen wij ons ook, wat deeze betreft, aan de meergemelde beschrijving van dat dorp gedraagen; hetzelfde zij gezegd van devoorrechten. Het zogenaamdeLoosdrechter bosch, waarvan wij onderHilversumgesproken hebben, kan als eenebijzonderheidaangemerkt worden.[4]

De

BEZIGHEDEN

Der bewooneren zijn hier eenigzins onderscheiden van die waarmede de bewooners vanOud-Loosdrechtzig geneeren.

De veenderij heeft hier weinig plaats, maar te meer, (wegens de voorraad van wei- en bouw-landen,) de melkerij, hooiteelt, en bouwerij—Weleer, en zelfs nog voor ruim 20 jaaren, waren in deNieuwe Loosdrechtveele lakenweeverijen, doch sedert zijn dezelven allen te niet geraakt, het geen niet weinig tot het verval van dit gedeelte der Heerelijkheid heeft toegebragt: de weinige weeverijen vanHilversumsch streept, die er nog gevonden worden, zijn van niet veel betekenis en mogen den naam van fabrieken niet draagen, alzo zij slechts voor eigen vertier, en dat niet veel zegt, aan den gang gehouden worden: het spinnen van wol en vlas, wordt hier nog wel bij veelen ter hand gehouden, doch verschaft voor eenen aanhoudenden arbeid slechts een sober bestaan, te meer treffende voor de inwooners om dat hun vooruitzicht niet op beteren stand uitloopt: tot gezegde spinning worden de meisjens van zeven of agt jaaren gebruikt; deezen verdienen daarmede 8 of 8½ stuivers in de week; de armoede der ouderen noodzaakt hen hunne kinderen voor dien geringen prijs te leenen, en dezelven daardoor te berooven van den tijd waarin zij behoorelijk leezen, schrijven enz. zouden kunnen leeren.

De

GESCHIEDENIS

Deezes dorps heeft niets afzonderlijks met die van deOude Loosdrecht: er zijn, dat ligt te begrijpen is, even lang al teOud-Loosdrecht, Pruissengeinquartierd geweest, en dezelven hebben er grouwzaame plonderingen aangericht; vooral op het Buiten van de Ambachtsvrouwe, gelijk wij onderOud-Loosdrechtreeds aangetekend hebben.

Logementenzijn in deNieuwe Loosdrechtniet, en slechts eene herberg van eenig aanzien dat tevens eene uitspanning is; hier en daar vindt men een pleisterplaatsjen van geringen stand.

Eindelijk zijn dereisgelegenhedendezelfden als in onze beschrijving van deOude Loosdrechtzijn opgegeven.[1]


Back to IndexNext