Gij zijt te rein van oogen dan dat Gij het kwaad zoudt zien, en de kwelling kunt Gij niet aanschouwen; waarom zoudt Gij aanschouwen die trouweloos handelen? Waarom zoudt Gij zwijgen als de goddelooze dien verslindt, die rechtvaardiger is dan hij? Hab. 1:13
Op het benedendek van eene kleine, slechte stoomboot op de Roode rivier zat Tom—met ketenen aan de handen, ketenen aan de voeten, en eene grootere zwaarte dan van ketenen op het hart. Alles was uit den hemel verdwenen, de maan en de sterren; alles was hem voorbij gevlogen, gelijk de oevers en het geboomte hem nu voorbijvlogen, om nooit weder terug te komen. Zijn tehuis in Kentucky, met vrouw en kinderen, en de menschlievende eigenaars; zijn tehuis bij St. Clare, met al de weelde en pracht daarvan; Eva met haar gouden lokken en haar oogen als die eener heilige; de trotsche vroolijke, innemende, schijnbaar onverschillige en toch altijd goede en vriendelijke St. Clare; zijne uren van gemak en vrijen tijd—alles weg!—en wat schoot hem in plaats daarvan over?
Het is eene der grootste bitterheden van het slavenlot, dat de neger, zoo vatbaar voor streelende indrukken, wanneer hij in eene beschaafde familie den smaak en het gevoel heeft aangenomen, die als ware het de atmosfeer van zulk een verblijf uitmaken, er niet te minder aan blootstaat om de slaaf van den gemeensten, ruwsten meester te worden—evenals eene stoel of tafel, die eens een prachtig salon versierde, eindelijk geschonden en geschaafd in de gelagkamer eener gemeene herberg of in een schuilhoek van schandelijke ontucht komt. Het groote verschil is hierin gelegen, dat de tafel of stoel niet voelen kan, en demenschwel; want zelfs de wettelijke bepaling—dat hij "als persoonlijk eigendom en roerend goed zal geacht, geoordeeld en toegewezen worden," kan zijne ziel niet uitdelgen, met hare eigen kleine wereld van herinneringen en verlangens, van hoop, vrees en liefde.
Mr. Simon Legree, Toms meester, had op verschillende plaatsen te New-Orleans slaven gekocht, te zamen acht in getal, en hen paar aan paar geboeid naar de stoomboot de Zeeroover gedreven, die aan het hoofd lag, gereed om de rivier op te varen.
"Sta op!"
Tom stond op.
"Doe die das af!" en toen Tom door zijne kluisters belemmerd, dit begon te doen, hielp hij hem, door hem de das met geene zachte hand van den hals te trekken, en stak die vervolgens in zijnen zak.
Nu keerde Legree zich naar Toms kist, die hij te voren reeds had doorzocht, haalde een oude broek en een versleten rok, die Tom gewoon was voor het stalwerk aan te doen, voor den dag en zeide, nadat hij Toms handen van de boeien had ontdaan, naar een hoek tusschen de kisten wijzende:
"Ga daar, en trek die aan."
Tom gehoorzaamde en kwam weldra terug.
"Trek uwe laarzen uit," zeide Legree.
Tom deed dit.
"Daar," vervolgde Legree, hem een paar lompe, sterke schoenen toewerpende, gelijk door slaven gedragen werden, "trek die aan."
Tom had bij zijne verwisseling van kleederen niet vergeten zijn beminden Bijbel in zijnen zak te steken; en het was gelukkig voor hem dat hij dat gedaan had, want toen Legree hem de handboeien weder had aangedaan, begon hij op zijn gemak de zakken der afgelegde kleederen te doorzoeken. Hij haalde er een zijden zakdoek uit en stak dien in zijnen zak. Verscheidene kleinigheden, die Tom had bewaard, voornamelijk omdat hij er Eva eens mede vermaakt had, bekeek hij met een verachtelijk gebrom en smeet ze over zijnen schouder in de rivier.
Daarna vond hij Toms methodistisch gezangboek, dat deze in zijne haast had vergeten, en bladerde het door.
"Hm, vroom, nog al! Dus gij—hoe heet gij ook weer—gij behoort tot de kerk, he?"
"Ja, meester," antwoordde Tom op vasten toon.
"Welnu, dat zal ik u spoedig afleeren; ik wil niet van die galmende, zingende, biddende negers op mijne plaats hebben; onthoud dat. Pas op nu," zeide hij, met zijnen voet stampende en Tom een dreigenden blik toewerpende, "ik ben uwe kerk nu, verstaat ge; gij moet nu wezen wat ik zeg."
Iets in het binnenste van den zwarten man antwoordde: "Neen!" en alsof de stem van een onzichtbaar wezen sprak, hoorde hij de woorden van een ouden profeet, welke Eva hem zoo dikwijls voorgelezen had: "Vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uwen naam geroepen, gij zijt demijne."
Doch Simon Legree hoorde geen stem. Die stem is eene, welke hij nooit zal hooren. Hij gluurde Tom, die met neergeslagen oogen voor hem stond, slechts even aan en ging heen. Hij bracht Tom's koffer, die een overvloedigen en netten voorraad van kleederen bevatte, naar voren, waar hij spoedig door het bootsvolk werd omringd. Met veel gelach over de negers, diegentlemenwilden zijn, werd het goed, stuk voor stuk, aan den een en ander overgedaan, en eindelijk de koffer bij opbod verkocht. Het was een aardige grap, dachten allen, vooral, als men zag hoe Tom zijn goed nakeek, terwijl het hier en daar heenging; en dan de auctie van den koffer, die was nog grappiger en veroorzaakte een overvloed van geestigheden.
Toen dit gedaan was, kwam Simon Legree weder naar zijn eigendom kuieren.
"Nu, Tom, zijt ge van alle bagage bevrijd, ziet ge. Pas goed op die kleeren; het zal lang genoeg duren eer gij andere krijgt. Ik versta de kunst om negers zorgvuldig te maken; een pak moet bij mij een jaar duren."
Legree ging vervolgens naar de plaats waar Emmeline zat, aan eene andere vrouw vastgekluisterd.
"Wel, liefje," zeide hij, haar onder de kin strijkende, "houd maar courage."
De onwillekeurige blik van schrik en afgrijzen, waarmede het meisje hem aanzag, ontsnapte hem niet. Hij fronste dreigend zijne wenkbrauwen.
"Geene kuren, meid. Gij zult een pleizierig gezicht zetten als ik u aanspreek—hoort gij. En gij, oude gele maneschijn," zeide hij, de mulattin aan wie Emmeline was vastgekluisterd een duw gevende, "zet ook zulk een gezicht niet. Ik zal u wel vriendelijker leeren kijken, dat zeg ik u."
"En ik zeg u allen," zeide hij, een paar schreden achterwaarts doende; "ziet mij aan—ziet mij aan—ziet mij vlak in de oogen—vlak in de oogen, zeg ik." En bij elke pauze stampte hij met zijnen voet.
Als door tooverij werden aller oogen op de groenachtige grijze oogen van Legree gericht.
"Nu," zeide hij, zijne groote, zware vuist vertoonende, die aan een smidshamer deed denken. "Ziet ge die vuist? voel eens!" vervolgde hij, en liet haar op Toms hand vallen. "Ziet die knokkels! Welnu, ik zeg u, die vuist is zoo hard als ijzer gewordenvan het neerbeuken van negers. Ik heb nog nooit een neger gezien, dien ik niet met een krak kon neerslaan," en daarmede duwde hij zijne vuist zoo dicht bij Toms gezicht, dat deze met zijne oogen knipte en terugdeinsde. "Ik houd geen van die vervloekte opzichters, ik ben mijn eigen opzichter en ik zeg u dat er naar de dingen gezien wordt. Laat dus iedereen oppassen en klaar staan; schielijk—zoodra ik maar spreek. Dat is de manier om vrede met mij te houden. Gij zult geen zacht plekje aan mij vinden, nergens. Past op dus; want ik bewijs geene genade."
De vrouwen hielden onwillekeurig den adem in, en de geheele troep zette zich met benauwde gezichten neer. Ondertusschen draaide Legree zich op zijn hiel om, en ging naar het buffet van de boot, om een borrel te nemen.
"Dat is de manier, waarop ik met mijne negers begin," zeide hij tegen een man van een fatsoenlijk voorkomen, die naar zijne aanspraak had staan luisteren. "Ik maak er een regel van met kracht te beginnen en hun te laten weten wat zij te wachten hebben."
"Inderdaad!" zeide de vreemdeling, hem aanziende met de nieuwsgierigheid, waarmede een naturalist een zonderling dier beschouwt.
"Ja, inderdaad. Ik ben geen van die heerenplanters met zachte, witte vingers, om maar rond te kuieren en mij door een ouden schavuit van een opzichter te laten bedriegen. Voel mijne knokkels maar eens; zie mijne vuist. Ik zeg u, Mijnheer, het vleesch daarop is als een steen geworden, van het beuken op negers. Voel maar."
De vreemdeling raakte het bedoelde gereedschap met zijnen vinger aan en zeide eenvoudig:
"Het is hard genoeg en ik zou denken, dat uw hart daarmede even hard geworden is."
"Ja, dat moogt ge wel zeggen," antwoordde Legree, met een hartelijken lach. "Ik denk dat er nu zoo weinig zachts in mij is als in iemand die op twee beenen loopt. Ik zeg u, niemand kan mij ooit bedotten. Negers krijgen mij nooit gaar, noch met schreeuwen, noch met zoete broodjes bakken—dat is de waarheid."
"Gij hebt een mooien troep daar."
"Ja," antwoordde Legree. "Daar is die Tom; zij zeiden mij dat hij wat ongemeens was. Ik heb wel wat hoog voor hem betaald, daar ik een drijver en opzichter van hem denk te maken: als ik die denkbeelden maar uit hem krijg, die hij geleerd heeft door zoo behandeld te worden als negers nooit moesten worden, zal hij kostelijk zijn. Met de gele vrouw ben ik gefopt. Ik geloof haast dat zij ziekelijk is; maar ik zal haar wel behandelen naar wat zij waard is; zij zal wel een paar jaren duren. Ik ben niet voor het sparen van negers. Opgebruiken en anderen koopen is mijne manier; dat geeft minder last, en ik ben zeker dat het op het eind goedkooper uitkomt," en Legree nam een teugje uit zijn glas.
"En hoe lang duren zij gewoonlijk?" vroeg de vreemdeling.
"Och, dat weet ik zoo niet; naardat zij een gestel hebben. Sterke kerels duren zes of zeven jaar; lammelingen worden in twee of drie afgewerkt. Ik placht, toen ik pas begon, mij veel moeite te geven om ze wat langer te doen uithouden—met hun medicijnen te geven als ze ziek waren en kleeren en dekens, en wat niet al, om hen zooals men zegt fatsoenlijk en comfortabel te houden: maar, och het baatte niet; ik legde er geld bij toe en had nog een boel moeite bovendien. Nu, ziet ge, zet ik ze maar aan, ziek of gezond. Als de eene neger dood is, koop ik een anderen; en ik vind dat dit in alle opzichten goedkooper en gemakkelijker uitkomt."
De vreemdeling keerde zich om en zette zich naast een jong heer, die met een gesmoord ongenoegen naar dit gesprek had geluisterd.
"Gij moet dien kerel niet voor een staaltje van de zuidelijke planters houden," zeide hij.
"Ik zou hopen van neen," antwoordde de jongeheer met nadruk.
"Hij is een gemeene, laaghartige, verdierlijkte kerel!" zeide de eerste.
"En toch veroorloven uwe wetten hem een aantal menschelijke wezens in eigendom te hebben, onderworpen aan zijne volstrekte willekeur, zonder zelfs een zweem van bescherming; en zoo gemeen als hij is, kunt gij toch wel niet zeggen dat er velen zoo zijn."
"Maar," zeide de ander, "er zijn toch ook vele weldenkende, menschlievende mannen onder de planters."
"Toegestemd," zeide de jonkman; "maar naar mijn gevoelen zijn het uwe weldenkende, menschlievende mannen, die verantwoordelijk zijn voor al de gruwelen, die deze ellendigen plegen; omdat zonder hun invloed het geheele stelsel geen uur langer in stand kon blijven. Als er geene andere planters waren dan zooals hij," vervolgde hij, met zijnen vinger naar Legree wijzende, die met den rug naar hem toestond, "zou het geheele ding zinken als een molensteen. Het zijn uwe fatsoenlijkheid en menschlievendheid, die zijne brutaliteit beschermen."
"Gij hebt zeker hooge gedachten van mijn goed humeur," zeide de planter glimlachende; "maar ik raad u om niet zoo hard te spreken, daar er lieden op de boot zijn, die misschien niet zoo verdraagzaam zouden wezen als ik ben. Wacht liever tot gij op mijn plantage zijt; daar kunt gij dan ons allen op uw gemak over den hekel halen."
De jongeheer bloosde en glimlachte, en de twee zaten spoedig aan een spel triktrak. Ondertusschen had er op het lagere gedeelte der boot een ander gesprek plaats tusschen Emmeline en de mulattin, aan wie zij was vastgekluisterd. Gelijk natuurlijk was, deelden zij elkander eenige omstandigheden van hare geschiedenis mede.
"Aan wien hebt gij toebehoord?" zeide Emmeline.
"Mijn meester was Mr. Ellis, en wij woonden in deHoofdstraat. Misschien hebt gij het huis wel gezien."
"Was hij goed voor u?"
"Meestal, totdat hij ziek werd. Hij is langer dan zes maanden af en toe ziek geweest, en schrikkelijk onrustig. Het scheen, dat hij niemand nacht noch dag rust wilde laten, en hij werd zoo wonderlijk dat niemand iets naar zijnen zin kon doen. Hij werd met elken dag ongemakkelijker; hield mij 's nachts op, tot ik geheel af was en ik niet langer wakker kon blijven; en omdat ik eens op een nacht in slaap viel, o, toen sprak hij zoo schrikkelijk tegen mij. Hij zeide, dat hij mij verkoopen zou aan den hardsten meester, dien hij vinden kon; en hij had mij toch mijne vrijheid beloofd als hij stierf."
"Hadt gij geene betrekkingen?" zeide Emmeline.
"Ja, mijn man—hij is hoefsmid. Meester huurde hem doorgaans uit. Zij brachten mij zoo heel gauw weg, dat ik niet eens tijd had om hem te zien, en ik had vier kinderen gekregen. Och!" zeide de vrouw en bedekte haar gezicht met hare handen.
Het is eene natuurlijke neiging bij iedereen, die een verhaal van jammer hoort, iets tot troost te willen zeggen. Emmeline wilde gaarne iets zeggen, maar zij kon niets bedenken. Wat was hier te zeggen? Als hadden zij het afgesproken, vermeden beiden, met vrees en angst, alle melding van den afschuwelijken man, die nu haar meester was.
Het is waar, er is godsdienstige troost zelfs voor het donkerste uur. De mulattin, die lid der methodistische kerk was, bezat, hoewel haar verstand weinig ontwikkeld was, een echten geest van godsvrucht. Emmeline was veel beter opgevoed—zij had leeren lezen en schrijven, en was door eene vrome meesteres zorgvuldig in den Bijbel onderwezen; maar zou het toch niet het geloof van den standvastigsten christen beproeven, zich zoo, schijnbaar door God verlaten, in de macht van het onmeedoogende geweld te bevinden? Hoeveel meer moest dan het geloof geschokt worden dier arme kleinen van Christus, zwak in kennis en teeder in jaren.
De boot voer voort—met hare lading van jammer bevracht—den modderigen stroom op, door de kronkelende bochten der Roode rivier; en droevige oogen staarden vermoeid op de steile oevers van roode klei, die met akelige eentonigheid voorbijgleden. Eindelijk leide de boot aan bij eene kleine stad, en hier ging Legree met zijn troep van boord.
"De duistere plaatsen des landszijn vol woningen van geweld."
Vermoeid, achter een ruwen wagen over een ongebaanden weg aankomende, stapten Tom en zijne makkers voort.
In den wagen zat Simon Legree; en de twee vrouwen,nogaan elkander gekluisterd, waren, met eenige bagage achterin gestopt. De geheele troep was op weg naar de tamelijk verwijderde plantage van Legree.
Het was een wilde, eenzame weg: nu eens door zandige pijnbosschen slingerende, dan over paden van boomstammen door uitgestrekte cypressenmoerassen, waar die sombere boomen, met kransen van zwart mos behangen, uit den modderigen, sponsachtigen grond opstaken, en men nu en dan eene afzichtelijke slang door de afgebroken stompen zag glijden, die in het water lagen te rotten.
Het is akelig genoeg, dit gewest, voor den vreemdeling die het met eene welgevulde beurs en een goed paard moet doortrekken, als zijne zaken hem daarheen voeren; maar nog woester en akeliger is het voor den armen slaaf, wien elke slepende stap verder verwijdert van alles wat de mensch liefheeft en waarom hij bidt.
Zoo had ieder moeten denken, die de neerslachtige uitdrukking dier donkere gezichten zag; de geduldige verveling, waarmede die treurige oogen het eene voorwerp na het andere aanstaarden, dat zij op die treurige reis voorbijkwamen.
Legree reed echter naar het scheen zeer welgemoed voort, en nam nu en dan een slok uit de brandewijnflesch, die hij in zijnen zak had.
"Zegt eens, gij," zeide hij, toen hij omkeek en de neerslachtige gezichten achter zich zag. "Zingt eens een liedje, jongens—komaan!"
Zijne slaven zagen elkander aan, het "komaan!" werd herhaald en tegelijk klapte de zweep, die Legree in de hand had. Tom begon een methodistisch lied:
"Jeruzalem, mijn vaderland,Hoe dierbaar zijt ge mij!"
"Houd op, zwarte kerel," bulderde Legree. "Denkt gij dat ik dit vervloekt methodistisch gegalm wil hooren? Zing wat vroolijks, zeg ik—gauw!"
Een der anderen hief een van die zinlooze liedjes aan, die onder de slaven in zwang zijn.
"Mas'r reed me cotch a coon,High, boys, high!He laughed to split—d'ye see the moon?Ho! ho! ho! boys, ho!Ho! yo! hi!—e! oh!" [9]
De zanger scheen zijn lied voor de vuist te maken, doorgaans het rijm treffende, zonder veel moeite te doen om er zin aan te geven; en de geheele troep stemde nu en dan in met het refrein:
"Ho! ho! ho! boys, ho!Ho! yo! hi—hi! oh!"
Het gezang was luidruchtig genoeg en toonde een geweldige poging om vroolijk te zijn; maar geen wanhopige jammerkreten, geen vurig smeekgebed had zulk eene diepte van zieleleed kunnen bevatten, als de woeste klanken van dat koor. Het was alsof het arme, bedreigde, tot stomheid veroordeelde hart de toevlucht nam tot die woordelooze vrijplaats der muziek, en daar eene taal vond om zijn gebed tot God uit te zuchten. Het was een gebed in eene taal, die Legree niet kon verstaan. Hij hoorde zijne slaven slechts luidruchtig zingen en was wel in zijnen schik; hij "hield hen vroolijk."
"Wel, mijn liefje," zeide hij, zich naar Emmeline omkeerende en zijne hand op haren schouder leggende, "nu zijn wij haast tehuis."
Wanneer Legree vloekte en schold, was Emmeline verschrikt; maar wanneer hij haar aanraakte en sprak gelijk nu, dacht zij, dat zij liever wilde, dat hij haar geslagen had. De uitdrukking zijner oogen deed haar walgen en huiveren tegelijk. Onwillekeurig drong zij dichter bij de mulattin naast haar, alsof deze hare moeder was.
"Hebt gij nooit oorringen gedragen?" zeide hij, haar fijn oortje tusschen zijne grove vingers pakkende.
"Neen, meester," antwoordde Emmeline bevend voor zich ziende.
"Wel, ik zal u een paar geven als wij tehuis komen, als ge een goed meisje zijt. Ge behoeft zoo bang niet te zijn; ik heb plan u niet heel hard te laten werken. Gij zult een pleizierigen tijd bij mij hebben en als eene dame leven—alleen, wees maar een goed meisje."
Legree had nu zooveel gedronken, dat hij genegen was om bijzonder goedertieren te zijn; en thans kreeg men juist zijne plantage in het gezicht. Het goed had voorheen aan een heer van vermogen en smaak toebehoord, die zich op het verfraaien daarvan had toegelegd. Nadat hij insolvent was gestorven, was het voor een prijsje door Legree gekocht, die het gelijk alle andere dingen, alleen gebruikte als een werktuig om geld te winnen. De plaats had nu dat woeste, havelooze voorkomen, waaruit blijkt, dat de zorg van een vroegeren eigenaar later geheel verwaarloosd is.
Wat eens voor het huis een effen grasperk was, hier en daar met fraaie heesters beplant, was nu eene wildernis van slecht gras, hier en daar met een paal om paarden aan vast te binden, waaromheen de zoden waren weggetrapt, en de grond met gebroken emmers, maïsstengels en ander ontuig was bestrooid. Hier en daar hing eene geknakte jasmijn of kamperfoelie haveloos aan een sierlijk hek of paalwerk, dat op zijde was getrokken, daar men het insgelijks had gebruikt om er paarden aan vast te binden. De plek, die eens een tuin was geweest, was nu geheel met onkruid begroeid, waartusschen hier en daar eene enkele uitheemsche bloemplant eenzaam het hoofd ophief. Het gebouw, dat eens de broeikas was geweest, had geene ramen meer, en op de vermolmde planken stonden eenige verdroogde bloempotten, met stokjes er in, waarvan de dorre bladeren toonden dat zij eens planten geweest waren.
De wagen reed een met onkruid begroeid kiezelpad op, onder eene statige laan van oranjeboomen, welker sierlijke kronen en zich steeds verjongend gebladerte het eenige scheen te zijn, dat door geene verwaarloozing kon bedorven of onderdrukt worden—gelijk edele geesten, zoo diep in het goede geworteld, dat zij onder tegenspoed en minachting des te sterker groeien en bloeien.
Het huis was eens groot en fraai geweest. Het was in den gewonen trant van het Zuiden gebouwd; om alle deelen van het huis heen liep een breede veranda van twee verdiepingen, waarop al de buitendeuren uitkwamen; de benedenste dezer galerijen hadden gemetselde steenen pilaren.
Het gebouw zag er zeer vervallen en verlaten uit; sommige vensters waren met planken dichtgespijkerd, andere hadden gebroken ruiten of luiken, die slechts aan het hengsel hingen—alles kondigde de grootste verwaarloozing aan.
Stukken van planken en hoopen stroo bedekten overal den grond, en drie of vier groote honden, die er zeer kwaadaardig uitzagen, kwamen op het gerucht van den aankomenden wagen uitschieten, en konden door de met vodden bedekte slaven, die hen naliepen, slechts met moeite weerhouden worden van Tom en zijne makkers aan te pakken.
"Gij ziet wat gij krijgen zoudt," zeide Legree, de honden met barsche tevredenheid liefkoozende en zich daarop naar Tom en zijne makkers keerende. "Gij ziet wat gij krijgen zoudt, als ge beproeven mocht om weg te loopen. De honden zijn gedresseerd om negers op te sporen, en zij zouden er even gaarne een opslokken als hun gewoon avondmaal. Past dus op. Wel, Sambo," zeide hij tot een haveloozen kerel, zonder rand aan zijnen hoed, die zich zeer gedienstig toonde: "hoe zijn de zaken gegaan?"
"Opperbest, meester."
"Quimbo," zeide Legree tot een ander, die ijverige pogingen deed om zijne aandacht te trekken, "gij hebt onthouden wat ik u gezegd had?"
"Dat zou ik nog al denken, meester."
Deze twee kleurlingen waren de voornaamste arbeiders op de plantage. Legree had hen even stelselachtig op woestheid en kwaardaardigheid afgericht als zijne bulhonden, en door lange oefening in gevoelloosheid en wreedheid had hij hunne geheele natuur omtrent aan die dezer dieren gelijk gemaakt. Het is eene gewone opmerking en eene die men voor een groot bezwaar tegen den stam houdt, dat de negeropzichter altijd veel heerschzuchtiger en wreeder is dan de blanke. Het is echter in dit opzicht met zijn geslacht niet anders gesteld, dan met ieder verdrukt geslacht op de wereld. De slaaf is altijd een tiran, wanneer hij gelegenheid heeft om dit te zijn.
Sambo en Quimbo haatten elkander hartelijk, al de arbeiders op de plantage haatten hen; en door den een tegen den ander te gebruiken, was Legree tamelijk zeker van eene dezer drie partijen alles te vernemen wat er op zijne plantage omging.
Niemand kan geheel zonder gezelligen omgang leven; en Legree had dus zijne twee zwarte satellieten zekere ruwe gemeenschap met hem veroorloofd—eene gemeenschap evenwel, die telkens dreigde den een of ander in ongelegenheid te brengen; want op den minsten wenk was een van beiden altijd gereed om het werktuig des meesters wraak op den ander te zijn.
Gelijk zij daar bij Legree stonden, schenen zij het bewijs te kunnen leveren van de bewering, dat verdierlijkte menschen lager kunnen zinken dan de dieren zelven. Hunne grove, donkere, logge trekken; hunne groote oogen, die elkander wangunstig begluurden; hunne barbaarsche, gorgelende, half naar dierlijke geluiden zweemende spraak; hunne gescheurde, in den wind fladderende kleeren—alles strookte met het bedorven, ongezonde voorkomen van alles, over de geheele plaats.
"Hier gij, Sambo," zeide Legree, "breng die jongens naar het kwartier. En hier is eene meid, die ik voor u heb gekocht," vervolgde hij, terwijl hij de mulattin van Emmeline afscheidde en naar hem toeduwde, "gij weet wel, ik heb u beloofd u er eene mee te brengen."
De vrouw deinsde van schrik terug, en zeide snel: "O meester, ik heb mijn man te New-Orleans gelaten."
"Wat raakt dat—zult gij er hier geen noodig hebben?—nu geene woorden meer—maakt dat gij voortkomt!" zeide Legree en lichtte zijn zweep op.
"Kom, Juffertje," zeide hij tegen Emmeline, "gij gaat met mij hier binnen."
Een donker, wild gezicht vertoonde zich voor een oogenblik voor een der vensters van het huis; en toen Legree de deur opende, zeide eene vrouwenstem iets op een driftigen, gebiedenden toon. Tom, die met angstige belangstelling Emmeline nazag, toen zij binnenging, lette hierop, en hoorde Legree toornig antwoorden: "Gij moogt uw mond houden. Ik zal doen wat ik verkies of het u aanstaat of niet."
Tom hoorde niets meer, want hij moest Sambo naar het kwartier volgen. Dit kwartier was een soort van straatje van ruwe hutten, op een rij geplaatst, in een gedeelte der plantage, dat ver van het huis verwijderd was. Zij zagen er zeer vervallen en verwaarloosd uit. Tom voelde zich het hart beklemd, toen hij ze zag. Hij had zich getroost met de gedachte aan een hutje, wel ruw, maar dat hij knap en net kon maken, waar hij eene plank voor zijnen Bijbel kon hebben, en eene plaats, waar hij buiten zijne werkuren alleen kon zijn. Hij keek in verscheidene binnen; het waren slechts donkere holen, zonder eenig huisraad, behalve een hoop stroo vol vuiligheid, ordeloos op den vloer gesmeten die uit de bloote aarde bestond, welke door ontelbare voetstappen was vastgetrapt.
"Welke van die zal de mijne zijn?" zeide hij onderworpen tot Sambo.
"Weet niet! Kunt hier wel ingaan, denk ik," zeide Sambo. "Daar zal nog wel plaats voor één wezen. Er is al een goede hoop negers in ieder. Ik weet niet wat ik met nog meer moet doen."
Het was laat in den avond, toen de vermoeide bewoners der hutten bij troepen naar huis kwamen—mannen en vrouwen, in vuile gescheurde kleeren, knorrig en wrevelig en in geene stemming om nieuwe medebewoners vriendelijk aan te zien. Het dorpje weergalmde van geene streelende klanken; schorre stemmen twistten bij de handmolens, waar allen hunne portie hard koren nog tot meel moesten malen, eer de koek er van gebakken kon worden, die hun eenig avondmaal uitmaakte. Van den dageraad af waren zij in het veld geweest, gedwongen tot werken door de drijvende zweep der opzichters; want het was nu in het heetste en drukste van het seizoen en geene middelen werden er gespaard om ieder voort te jagen, zooveel hij maar kon uithouden. "Wel zeker," zegt de zorgelooze leeglooper, "het katoenplukken is geen zwaar werk, niet waar?" En het is ook zulk een groot ongemak niet, dat u een droppel water op het hoofd valt, en toch wordt de ergste pijniging der inquisitie voortgebracht, door droppel op droppel, oogenblik op oogenblik, op dezelfde plek te laten vallen; een werk, dat op zich zelf niet zwaar is, wordt dit, wanneer men uren achtereen wordt voortgejaagd, altijd met dezelfde onverbiddelijke gestrengheid en eentonigheid, zonder dat zelfs de bewustheid van vrijwilligheid, het vervelende er van vermindert. Tom zocht onder dezen troep die hem voorbijstroomde, vruchteloos naar een gezicht dat hem tot gezelligheid uitlokte. Hij zag alleen norsche, woeste, verdierlijkte mannen, en zwakke, moedelooze vrouwen, of vrouwen die geene vrouwen meer konden heeten—de sterken de zwakken verdringende—de grove, onbedwongen, dierlijke zelfzucht van menschelijke wezens, van welke niets goeds verwacht of verlangd kon worden, en die in alle opzichten als beesten behandeld, ook zoo nabij den rang van beesten waren gedaald als voor menschelijke wezens slechts mogelijk was. Tot laat in den nacht duurde het geluid van het malen, want de molens waren weinig in getal, met de malers vergeleken, en de vermoeiden en zwakken werden door de sterkeren weggejaagd en kwamen het laatste aan de beurt.
"Ho, gij," zeide Sambo, naar de mulattin komende, en een zak met koren voor haar neersmijtende. "Hoe duivel is uw naam?"
"Lucy," antwoordde de vrouw.
"Wel, Lucy, gij mijne vrouw nu. Gij maalt dit koren en bakt mijn avondeten, hoort ge?"
"Ik ben uwe vrouw niet en wil het niet wezen,"—zeide Lucy, met den plotseling ontvlammenden moed der wanhoop. "Loop heen!"
"Dan zal ik je schoppen," zeide Sambo dreigend zijnen voet oplichtende.
"Gij moogt mij doodslaan als gij wilt—hoe eer hoe beter. Ik wenschte dat ik dood was," zeide zij.
"Zeg eens, Sambo, als gij iemand van het volk voor het werk bederft, zal ik het meester zeggen," zeide Quimbo, die aan den molen bezig was, vanwaar hij uit kwaardaardigheid eenige vrouwen had weggejaagd, die nu stonden te wachten.
"En ik zal hem zeggen dat gij de vrouwen niet bij de molens wilt laten komen, gij oude neger," antwoordde Sambo. "Pas maar voor u zelven op."
Tom was vermoeid van den tocht en bijna flauw van gebrek aan voedsel.
"Daar gij," zeide Quimbo, een zak met koren voor hem neerwerpende. "Daar, neger, pak aan, en pas er op; want gij zult voor deze week niets meer krijgen."
Tom wachtte tot zeer laat om eene plaats aan de molens te bekomen, en toen medelijden hebbende met de afmatting van twee vrouwen, die hij zag beproeven om hare portie te malen, maalde hij die voor haar, legde de halfverbrande houten bij elkander van een vuur, waarbij reeds velen hunne koeken hadden gebakken, en ging toen eerst zijn eigen avondmaal bezorgen. Dit was eene geheel nieuwe manier van handelen daar, en dit bewijs van beleefdheid, zoo gering als het was, deed toch eene overeenstemmende snaar in de harten dier vrouwen trillen—eene uitdrukking van vrouwelijke zachtheid kwam op hunne strakke gezichten. Zij besloegen zijn koek voor hem en pasten voor hem
op het bakken; en Tom zette zich bij het vuur neer en haalde zijn Bijbel uit—want hij had troost noodig.
"Wat is dat?" zeide een van de vrouwen.
"Een Bijbel," antwoordde Tom.
"O! ik heb er geen gezien, sedert ik in Kentucky was."
"Zijt ge dan in Kentucky opgebracht?" vroeg Tom met belangstelling.
"Ja, en wèl-opgebracht ook. Ik had nooit gedacht dat ik hiertoe komen zou," antwoordde de vrouw met een zucht.
"Wat is toch dat boek daar," zeide de andere vrouw.
"Wel, de Bijbel."
"Wel, wat is dat?"
"Wat zegt ge—hebt gij daar nooit van gehoord?" zeide de eerste vrouw.
"Ik placht er somtijds mijne meesteres wel in te hooren lezen, daar in Kentucky. Maar, och! hier hooren wij niets dan vloeken en het klappen van de zweep."
"Lees toch eens wat," zeide de andere vrouw nieuwsgierig, daar zij zag hoe aandachtig Tom in het boek tuurde.
Tom las: "Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven."
"Die woorden zijn goed genoeg," zeide de vrouw. "Wie zegt ze?"
"De Heere," antwoordde Tom.
"Ik wenschte dat ik wist, waar ik Hem vinden kon," hervatte de vrouw; "dan zou ik naar Hem toegaan, want het schijnt wel dat ik nooit meer rust zal krijgen. Ik heb overal pijn en beef over al mijne leden, elken dag, en Sambo slaat altijd naar mij, omdat ik niet gauwer pluk; en het is meestal middernacht eer ik eten kan, en dan schijnt het dat ik mijne oogen nog niet gesloten heb, of ik hoor den hoorn al weder blazen om op te staan, en moet er des morgens weer aan. Als ik maar wist waar de Heere was, zou ik Hem dat zeggen."
"Hij is hier, Hij is overal," zeide Tom.
"O, dat wilt ge me toch niet wijsmaken? Ik weet dat de Heere hier niet is," zeide de vrouw. "Maar praten helpt ook al niet. Ik ga liever slapen terwijl ik kan."
De vrouwen gingen heen naar hare hutten. Tom bleef alleen bij het smeulende vuur zitten.
De heldere, zilveren maan steeg op in de donkere lucht, en zag kalm en stil van omhoog; gelijk God op een tooneel van ellende en onderdrukking nederziet—zoo bescheen zij den eenzamen zwarten man, terwijl hij daar zat, met de armen over elkander en zijn Bijbel op zijn knie.
"Is Godhier?" O, hoe is het mogelijk voor het onkundige hart, zijn geloof vast te houden onder het aanzien van grove, tastbare, ongestrafte onrechtvaardigheid! In dat eenvoudige hart werd een zware strijd gevoerd tegen het kwellende gevoel van onrecht, het vooruitzicht op een geheel leven van ellende, de verwoesting van alle vroegere hoop. O, was hethiergemakkelijk te gelooven en vast te houden aan de groote kenspreuk van het christelijk geloof, dat "God is eenbeloonerdergenen die Hem zoeken?"
Tom stond treurig op en strompelde naar de hut, die hem was toegewezen. De grond was reeds met vermoeide slapers bedekt, en de vuile lucht dreef hem bijna terug, maar de zware nachtdauw was kil, zijn leden waren pijnlijk van vermoeienis, en de gescheurde deken over zich heen halende, die al zijn beddegoed uitmaakte, strekte hij zich op het stroo uit en viel in slaap.
In zijne droom klonk hem een zachte stem in de ooren. Hij zat op de bemoste bank in den tuin bij het meer Pontchartrain, en Eva, met hare ernstige oogen omlaaggeslagen, las hem uit den Bijbel voor, en hij hoorde haar lezen:
"Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn; en door de rivieren, zij zullen u niet overstroomen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken. Want Ik ben de Heere, uw God, De Heilige Israels, uw Heiland."
Langzamerhand schenen die woorden als weg te smelten in eene hemelsche muziek; het kind sloeg hare oogen op en vestigde die liefdevol op hem, en stralen van warmte en troost schenen daaruit in zijn hart te dalen, en als werd zij door die muziek gedragen, scheen zij op blinkende vleugelen op te stijgen, waarvan vlokken en spranken gouds als sterren afvielen, en zoo verdween zij.
Tom ontwaakte. Was het een droom? Laat het voor een droom gehouden worden. Maar wie zal zeggen dat het dien liefderijken jeugdigen geest, die in het aardsche leven zoozeer verlangde om bedroefden te troosten, niet door God werd veroorloofd om na den dood deze dienstbetooning op zich te nemen? Het is een schoon en zeer streelend geloof, dat de geesten der dooden op engelenvleugelen om ons henen zweven.
"En ziet, er waren de tranen der verdrukten, en dergenen die geenen trooster hadden, en van de zijde hunner verdrukkers was macht; zij daarentegen hadden geenen trooster.
Pred. 4:1
Tom had slechts weinig tijd noodig om zich bekend te maken met alles wat hij in zijn nieuwen toestand te hopen en te vreezen had. Hij was een bekwaam arbeider, en zoowel uit gewoonte als beginselen ijverig en getrouw in al wat hij deed. Stil en vreedzaam van aard, hoopte hij dat hij door onvermoeide vlijt ten minste een gedeelte der onaangenaamheden van zijn tegenwoordig lot zou kunnen afwenden. Hij zag genoeg mishandeling en ellende, om zijn hart met verontwaardiging en weedom te vervullen; maar hij besloot met godsdienstig geduld voort te zwoegen, zich bevelende aan Hem die rechtvaardig oordeelt; en niet zonder hoop, dat hem nog een weg tot uitkomst zou worden geopend.
Legree lette stilzwijgend op Toms bruikbare eigenschappen. Hij hield hem voor een arbeider van den eersten rang, en toch voelde hij een geheimen wrok tegen hem—de natuurlijke antipathie der boozen tegen de goeden. Hij zag duidelijk dat wanneer, gelijk dikwijls gebeurde, zijn geweld en dwingelandij weerlooze onschuldigen troffen, Tom daarop lette; want zoo fijn is de werking der opinie, dat zij zich zonder woorden doet gevoelen, en zelfs de opinie van een slaaf een meester kan hinderen. Tom openbaarde op verschillende wijzen een teederheid van gevoel, een medelijden met zijne lotgenooten, dat voor Legree nieuw en vreemd was, en door dezen met wangunstige oogen werd bespied. Hij had Tom gekocht met het oogmerk om hem tot eene soort van opzichter te maken, wien hij zijne zaken kon toevertrouwen, wanneer hij zelf nu en dan afwezig moest zijn; en naar zijn begrip was hardheid het eerste, tweede en derde vereischte voor zulk een post. Daar Tom hem niet hard genoeg was, nam Legree zich voor om hem spoedig te harden; en eenige weken nadat Tom op de plantage was gekomen, besloot hij daarmede een begin te maken.
Op een ochtend, toen het volk gemonsterd werd om naar het veld te gaan, zag Tom met verwondering een nieuweling onder hen, wier voorkomen zijne aandacht trok. Zij was eene vrouw, rijzig en rank van gestalte, met bijzonder fijne handen en kleine voeten, net en fatsoenlijk gekleed. Naar haar gezicht te oordeelen kon zij tusschen de vijf en dertig en veertig jaren wezen; en zij had een gezicht, dat men, als men het eens gezien had, nooit weder vergeten kon—een van die gezichten, welke ons met eenen enkelen blik een denkbeeld van een wilde, smartelijke en romaneske geschiedenis schijnen te geven. Haar voorhoofd was hoog en hare wenkbrauwen waren met sierlijke scherpheid geteekend. Haar rechte, welgevormde neus, haar fijn besneden mond, de geheele sierlijke omtrek van hoofd en hals toonden dat zij eens zeer schoon moest geweest zijn; maar haar gezicht was diep gegroefd door trekken van bitter zielelijden en van trotsche verharding daartegen. Hare kleur was vaal en ongezond, hare wangen waren hol, hare trekken scherp en geheel hare gestalte was vermagerd. Hare oogen kwamen echter het meest van alles uit—zoo groot, zoo gitzwart, met lange even zwarte wimpers beschaduwd en vol woeste, treurige wanhoop. Wilde, uitdagende trots sprak uit al hare trekken, uit al hare bewegingen; maar in hare oogen zag men eene nachtelijke donkere diepte van zielesmart, eene uitdrukking zoo hopeloos en onveranderlijk, dat zij een akelig contrast vormden met den fieren trots, dien geheel haar voorkomen aanduidde.
Waar zij vandaan kwam of wie zij was, wist Tom niet. Hij zag haar nu voor het eerst, nu zij in de grauwe schemering van den dageraad, trotsch opgericht, naast hem stapte. Aan den troep was zij echter bekend; want er werd veel omgekeken, en eene gesmoorde, maar toch duidelijk blijkbare boosaardige blijdschap heerschte onder de havelooze, half verhongerde ellendelingen, die haar omringden.
"Eindelijk er toe gekomen—blij om," zeide er een.
"Hi, hi, hi!" zeide een ander; "gij zult ondervinden hoe pleizierig het is, Juffrouw."
"Wij zullen haar nu eens zien werken."
"Benieuwd of zij van avond een pak zal krijgen evenals wij."
"Ik zou haar graag eens zien geeselen, dat weet ik," zeide nog een ander.
De vrouw gaf geen acht op deze smaadredenen, maar stapte voort met hetzelfde gezicht vol toornige minachting, alsof zij niets gehoord had. Tom had altijd onder beschaafde, welopgevoede lieden verkeerd, en voelde onwillekeurig dat zij tot die klasse behoorde; maar hoe zij in dien vernederden toestand kon gekomen zijn begreep hij niet. De vrouw sprak niet tegen hem en zag hem niet eens aan, hoewel zij op den geheelen weg naar het veld dicht naast hem bleef.
Tom was spoedig aan zijn werk, maar daar de vrouw niet ver van hem af was, keek hij dikwijls naar haar om, hoe zij het maakte. Hij zag terstond dat eene aangeboren handigheid en vlugheid de taak voor haar veel gemakkelijker maakte, dan zij voor velen bleek te zijn. Zij plukte zeer snel en zeer zindelijk, met een zoo trotsch gezicht, alsof zij zoowel het werk als de vernedering van haren tegenwoordigen toestand verachtte.
In den loop van den dag werkte Tom ook dicht bij de mulattin, die tegelijk met hem gekocht was. Blijkbaar was zij zeer zwak en vol pijn; dikwijls hoorde Tom haar bidden, en scheen zij, wankelende en bevende, op het punt om neer te vallen. Toen Tom bij haar kwam, stak hij stilzwijgend eenige handen vol katoen uit zijn eigen zak in de hare.
"O, doe dat niet, doe dat niet," zeide de vrouw, verwonderd opziende. "Gij zult u zelven maar in moeite brengen."
Juist toen kwam Sambo aan. Hij scheen een bijzonderen wrok tegen deze vrouw te hebben, en eene zweep zwaaiende, zeide hij met zijne grove, schorre stem: "Wat is dat, Lucy—gekheid maken?" en zonder een woord verder gaf hij de vrouw een schop met zijnen zwaren schoen, en Tom een slag met de zweep dwars over het gezicht.
Tom hervatte stilzwijgend zijne taak; maar de vrouw, reeds geheel uitgeput, viel in een flauwte.
"Ik zal haar wel bijhelpen," zeide de drijver met een woesten, grijnzenden lach. "Ik zal haar wat beters geven dan kamfer." En eene speld van zijne mouw nemende, stak hij die tot aan den kop in haar vleesch. De vrouw kermde en richtte zich eenigszins op.
"Sta op, gij beest en werk, of ik zal je nog een kunstje leeren."
De vrouw scheen voor een korte poos tot bovennatuurlijke kracht aangeprikkeld en werkte met wanhopigen ijver voort.
"Pas op dat gij er aan blijft," zeide Sambo, "of gij zult van avond wenschen dat gij maar dood waart, zou ik denken."
"Dat doe ik nu al," hoorde Tom haar zeggen. En kort daarop zeide zij weder: "O Heere, hoelang? O Heere, waarom helpt Gij ons niet?"
Alles tartende waaraan hij zich kon blootstellen, kwam Tom nog eens naar haar toe, en stak al het katoen uit zijnen zak in de hare.
"O, dat moet gij niet doen. Gij weet niet wat zij u doen zullen," zeide de vrouw.
"Ik kan het dragen, beter dan gij," zeide Tom en was terstond weder op zijne plaats.
Plotseling sloeg de vreemde vrouw, die onder het werk dicht bij genoeg gekomen was om Toms laatste woorden te hooren, hare zwarte oogen op en zag hem strak aan. Daarop nam zij een hoop katoen uit haren mand en stak dien in zijnen zak.
"Gij weet niets van deze plaats," zeide zij, "of gij zoudt dat niet gedaan hebben. Als gij een maand hier geweest zijt, zult gij het wel laten om iemand te helpen; gij zult het moeilijk genoeg vinden op uw eigen huid te passen."
"Dat verhoede de Heere,Missis," zeide Tom, onwillekeurig zijne medearbeidster op het veld met dezelfde benaming aansprekende, welke de beschaafde vrouwen, met wie hij vroeger gewoon was te spreken, toekwam.
"De Heere komt nooit hier," zeide de vrouw met bitterheid, en ging vlug weder voort met haar werk, terwijl een hoonende glimlach hare lippen deed krullen.
Het bedrijf der vrouw was echter door den drijver in de verte gezien, en zijne zweep zwaaiende, kwam hij naar haar toe.
"Wat, wat?" zeide hij op een zegepralenden toon: "gijaan het gekheid maken? Ge zijt nu onder mij. Pas op, of ge zult krijgen."
Een bliksemstraal scheen uit die donkere oogen te schieten, en zich met bevende lippen en opgetrokken neusgaten omkeerende, richtte zij zich rechtop, en vestigde een blik, waaruit een gloed van woede en verachting straalde op den drijver.
"Hond," zeide zij, "raak mij eens aan, als ge durft! Ik heb nog macht genoeg, om u door de honden te laten verscheuren of levend te verbranden, of duim voor duim te laten klein snijden. Ik heb het maar te zeggen!"
"Waar duivel zijt gij dan voor hier?" zeide Sambo blijkbaar uit het veld geslagen, en deed met een norsch gezicht een paar stappen achteruit. "Ik meende geen kwaad, Miss Cassy!"
"Blijf dan van mij vandaan," zeide de vrouw. En Sambo scheen het raadzaam te vinden om naar iets aan de andere zijde van het veld te gaan zien, en liep op een draf heen.
De vrouw keerde zich weder om en werkte voort met een spoed, die Tom geheel en al verbaasde. Het scheen wel tooverij te zijn. Vóór het einde van den dag was hare mand gevuld, neergedrukt en opgehoopt, en had zij verscheidene malen nog ruimschoots in den zak van Tom gedaan. Lang na het vallen der duisternis trok de geheele vermoeide trein, met de manden en zakken op het hoofd, naar het gebouw waar de katoen gewogen en opgepakt werd. Legree stond daar en sprak met de twee drijvers.
"Die Tom zal wel een boel moeite geven," zeide Sambo. "Hij bleef maar aldoor in Lucy's mand stoppen. Hij is een van die kerels, die al de negers zal doen denken, dat zij het te kwaad hebben, als meester niet op hem past."
"Zoo, zoo! Die vervloekte zwartkop!" zeide Legree. "Hij zal gedrild moeten worden, he, jongens?"
Beide negers antwoordden met een afschuwelijke grijns.
"Ja, ja," zeide Quimbo, "meester Legree kan wel drillen. Daarin zou de duivel zelf hem niet kunnen verbeteren."
"Wel, jongens, de beste manier is hem het geeselen te laten verrichten, tot die grillen uit zijnen kop zijn. Dat zal hem drillen."
"Meester zal veel moeite hebben om ze uit zijnen kop te brengen."
"Zij zullen er toch uit moeten," zeide Legree, en kauwde op zijne pruim.
"En daar is dan die Lucy, die leelijkste, onwilligste meid van de plaats," zeide Sambo.
"Pas op, Sam, ik zal haast gaan denken wat de reden is, dat gij zulk een pik op Lucy hebt."
"Wel, meester weet zelf dat ze zich tegen meester heeft verzet, en mij niet hebben wilde, toen hij haar dat zeide."
"Ik zou haar wel zoolang gegeeseld hebben tot zij wilde," zeide Legree spuwende; "maar het werk dringt zoo, dat ik haar nu niet gaarne van de hand wilde brengen; zij is teer, maar die teere meiden laten zich halfdood slaan om haar zin te hebben."
"Wel, Lucy was zoo lui en onwillig als zij maar kon; zij wilde niets doen—Tom, die nam het voor haar op."
"Zoo, deed hij dat? Wel, dan zal Tom het pleizier hebben van haar te geeselen. Dat zal eene goede oefening voor hem zijn, en hij zal de meid ook zoo hard niet slaan, als gij, duivels."
"Ho, ho, ho! ha, ha, ha!" lachten de twee ellendelingen; en die helsche klanken schenen inderdaad geene ongepaste uitdrukking te zijn van den duivelachtigen aard, dien Legree hun toeschreef.
"Maar, meester, Tom en Miss Cassy hebben met hun beiden Lucy's mand gevuld. Ik geloof wel dat het gewicht er haast zijn zal."
"Ik weeg," zeide Legree met nadruk.
Beide drijvers lieten wederom hun duivelachtig gelach hooren.
"En dus heeft Miss Cassy haar dagwerk gedaan?" zeide Legree.
"Zij plukt als de duivel en al zijne engelen."
"Zij heeft ze allen in het lijf geloof ik," zeide Legree; en een woesten vloek uitbrakende, ging hij naar de weegkamer.
Langzaam kwamen de afgematte slaven en slavinnen de kamer in, en kruipende, maar met blijkbaren tegenzin, brachten zij hunne manden om gewogen te worden.
Legree teekende het gewicht aan op eene lei, waarop aan den kant eene lijst der namen was geplakt.
De mand van Tom werd gewogen en goedgekeurd, en hij bleef angstig staan kijken, hoe het zou gaan met de vrouw die hij geholpen had.
Waggelende van zwakheid kwam zij aan en zette haar mand neer. Deze had het volle gewicht, gelijk Legree nu wel zag; maar zich vergramd veinzende, zeide hij:
"Wat, gij lui beest, alweer te kort? Ga daar op zijde, gij zult spoedig wat krijgen."
De vrouw zette zich kermende van wanhoop op den grond neer.
Zij, die Miss Cassy genoemd was, kwam nu voorwaarts en gaf met trotsche achteloosheid haar mand over. Toen zij dit deed, zag Legree haar met een hoonenden, maar toch onrustig uitvorschenden blik in de oogen.
Zij zag hem met hare zwarte oogen strak aan, bewoog even hare lippen en zeide iets in het Fransch. Wat het was verstond niemand; maar Legree's gezicht nam terstond eene duivelachtige uitdrukking aan, en hij hief de hand half op, als om haar een slag te geven—een gebaar dat zij met een blik van fiere minachting beantwoordde, waarna zij zich omkeerde en heenging.
"En nu, gij Tom, kom hier," zeide Legree. "Ik heb u al gezegd, dat ik een kerel als gij niet voor het gewone werk had gekocht. Ik heb plan u te bevorderen en een drijver van u te maken, en van avond moogt gij wel eens beginnen om er den slag van te krijgen. Neem die meid mede en geesel haar, gij hebt het dikwijls genoeg gezien, om te weten hoe."
"Ik verzoek meester verschooning," antwoordde Tom, "Ik hoop dat meester mij daar niet aan zal zetten. Dat is iets waaraan ik niet gewoon ben—ik heb het nog nooit gedaan—en ik kan het ook niet doen, het is mij onmogelijk."
"Gij hebt kans om nog een aantal dingen te moeten leeren, waarvan gij nog nooit geweten hebt, eer ik met u gedaan heb," zei Legree, en een lederen zweep opnemende, gaf hij Tom een fellen striem over de wang, gevolgd door een hagelbui van slagen, waar hij maar kon raken.
"Daar," zeide hij, ophoudende om te rusten, "zult ge mij nu nog zeggen dat gij het niet doen kunt?"
"Ja, meester," antwoordde Tom, het bloed afvegende, dat langs zijn gezicht droop. "Ik ben gewillig om te werken, nacht en dag en zoolang er leven en adem in mij is; maar dit kan ik niet denken dat goed is om te doen; en, meester, ik zal het nooit doen—nooit."
Tom had eene bijzonder zachte stem en eerbiedige manieren, waardoor Legree het denkbeeld had opgevat, dat hij lafhartig en gemakkelijk te dwingen zou zijn. Toen hij deze woorden sprak, liep er een schok van verbazing in het rond; de arme vrouw sloeg hare handen samen en zeide: "O Heere!" en allen zagen onwillekeurig elkander aan en hielden den adem in, als om zich schrap te zetten tegen den storm die nu moest uitbarsten.
Legree keek eerst verbijsterd en versuft, maar daarop barstte hij los.
"Wat, gij vervloekt zwart beest, zegt gij mij dat gij het nietgoedacht, te doen wat ik zeg? Wat behoeft gij, vervloekt vee, er over te denken wat goed is? Daar zal ik een eind aan maken. Wat denkt ge wel dat gij zijt? Misschien houdt gij u zelven voor eengentleman, meester Tom, om uwen meester te zeggen wat goed is en wat niet. Gij wilt dus zeggen dat het verkeerd is die meid te geeselen?"
"Zoo denk ik, meester," antwoordde Tom. "Het arme schepsel is ziek en zwak; het zou ronduit wreedheid zijn; en dat is iets dat ik nooit doen zal of aan beginnen wil. Meester, als gij mij wilt doodslaan, doe het; maar mijne hand op te heffen tegen iemand hier, dat zal ik nooit; ik wil liever sterven."
Tom sprak met eene zachte stem; maar met eene vastberadenheid, waarin men zich niet vergissen kon. Legree beefde van woede; zijne groenachtige oogen fonkelden, en zelfs zijne bakkebaarden schenen van woede te krullen; maar gelijk een tijger, die een poos met zijn slachtoffer speelt eer hij het verscheurt, bedwong hij zijne neiging tot dadelijk geweld, en overlaadde hij zijn weerspannigen slaaf met bitteren spot.
"Wel zoo, hier is een vrome hond onder ons zondaren afgedaald! een heilige, eengentlemanen niets minder, om ons zondaren over onze zonden te onderhouden! Een machtig heilig schepsel moet hij zijn! Hier, gij schavuit, die u zoo vroom wilt houden—hebt gij dan nooit uit uwen Bijbel gehoord: "Dienstknechten, zijt uwen heeren gehoorzaam"? Ben ik uw meester niet? Heb ik niet twaalfhonderd dollars klinkende munt betaald voor alles wat er in uw oud vervloekt zwart vel steekt? Zijt gij de mijne niet met lichaam en ziel? Zeg mij dat!" zoo besloot hij, Tom een geweldigen schop met zijne zware laars gevende.
Zelfs in de diepte van zijn lichamelijk lijden, door woest dierlijk geweld onderdrukt, wekte deze vraag een gevoel van zegevierende blijdschap in het gemoed van Tom. Hij richtte zich eensklaps op, en ernstig naar den hemel ziende, terwijl tranen en bloed ondereengemengd over zijn gezicht vloeiden, riep hij uit:
"Neen, neen, mijne ziel is uw eigendom niet, meester. Die hebt gij niet gekocht—die kunt gij niet koopen. Die is gekocht en ook betaald, door Eenen—Eenen—die in staat is om haar te bewaren. Doe dus wat gij wilt, gij kunt mij niet schaden."
"Niet?" zeide Legree smalende. "Dat zullen wij eens zien. Hier, gij Sambo en Quimbo, geef dien hond zulk een pak, dat hij in geene maand te boven is."
De twee reusachtige negers grepen, met eene valsche duivelachtige blijdschap in hun gezicht, den armen Tom aan. De arme vrouw gilde van angst, en allen stonden onwillekeurig op, toen hij, zonder zelfs eenigen tegenstand te bieden, werd weggesleept.