Eene stem is gehoord in Rama, geklag, geween, en groot gekerm; Rachel beweent hare kinderen en wil niet vertroost wezen, omdat zij niet meer zijn.
Mr. Haley en Tom hotsten op den wagen voort, ieder voor eene poos in zijne eigene gedachten verdiept. Nu is het met de gedachten van twee menschen die naast elkander zitten, zonderling gesteld. Terwijl zij op dezelfde bank gezeten zijn, dezelfde oogen, ooren, handen en allerlei andere organen hebben, is het verwonderlijk welk een verschil wij in hunne gedachten zullen vinden.
Wat Haley bij voorbeeld betreft, hij dacht het eerst aan Toms lengte, breedte en sterkte, en voor hoeveel deze verkocht zou kunnen worden, als hij vet en in goeden staat gehouden werd tot hij aan de markt kwam. Hij dacht hoe hij een troep bijeen zou brengen, hij dacht aan de waarde van zekere mannen, vrouwen en kinderen, waaruit die troep bestaan zou, en andere handelszaken. Daarna dacht hij aan zich zelven en hoe menschelijk hij was, daar, terwijl anderen hunne negers aan handen en voeten boeiden, hij Tom alleen boeien aan de beenen deed en zijne handen vrij liet zoolang hij zich wel gedroeg; en dan zuchtte hij bij de gedachte hoe ondankbaar de menschen waren, zoodat het zelfs twijfelachtig was of Tom zijne barmhartigheid wel waardeerde. Hij was zoo dikwijls beetgenomen door negers, die hij gunsten had bewezen, dat hij zich verwonderde hoe hij nog zoo goedhartig was gebleven.
Wat Tom aangaat, hij dacht aan eenige woorden uit een oud boek, dat tegenwoordig niet meer in de mode is, maar die hem gedurig in het hoofd kwamen. Zij waren de volgende: "Wij hebben hier geene blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende. Daarom schaamt zich God hunner niet om hun God genaamd te worden, want Hij heeft hun eene stad bereid." Deze woorden uit een oud boek, voornamelijk door "onkundige en ongeleerde mannen" geschreven, hebben door alle tijden heen eene zonderlinge macht uitgeoefend over het gemoed van arme, eenvoudige lieden zooals Tom. Zij brengen hunne ziel tot in hare diepste diepte in beweging en wekken, als met trompetgeschal, moed, kracht en geestdrift op, waar te voren niets anders dan wanhoop was.
Haley haalde eenige couranten uit zijn zak en begon met aandacht de advertentiën na te zien. Hij was geen zeer vlot lezer en had dus de gewoonte om in eene soort van recitatief half-overluid te lezen, als wilde hij zijne ooren laten oordeelen of zijne oogen het recht begrepen. Op dezen toon las hij het volgende:
"Verkoop bij executie.—Negers.—Volgens machtiging van het Hof zullen op Dinsdag 20 Februari, voor de deur van het Raadhuis, in de stad Washington, Kentucky, verkocht worden de volgende negers: Hagar, oud 60; John, oud 30; Ben, oud 21; Saul, oud 15; Albert, oud 14. Te verkoopen ten voordeele van de crediteuren en erfgenamen in den boedel van Jesse Blutchford.
Samuel Morris en Tomas Flint, executeuren."
"Daar moet ik naar kijken," zeide Haley tegen Tom, uit gebrek aan iemand anders om tegen te spreken. "Ge moet weten, ik zal een mooien troep bijeenbrengen om met u mee te nemen, Tom; dat zal het gezellig en plezierig maken, zulk goed gezelschap, he? Wij moeten eerst recht naar Washington; daar zal ik u dan in de gevangenis plakken, terwijl ik zaken ga doen."
Tom hoorde deze aangename kennisgeving met zachtzinnige gedweeheid aan, en verwonderde zich eenvoudig bij zich zelven, hoeveel van die ongelukkige mannen vrouwen en kinderen zouden hebben, en of zij ook hetzelfde zouden gevoelen als hij, wanneer zij die moesten verlaten. Het moet ook gezegd worden, dat het naïeve bericht dat hij in de gevangenis zou gezet worden, geen zeer aangenamen indruk teweegbracht bij een armen kerel, die altijd eenigszins trotsch was op zijn eerlijkheid, daar hij niet veel anders had om trotsch op te wezen. Als hij tot sommige hoogere klassen der maatschappij had behoord, zou hij misschien geen gevaar hebben geloopen om tot zulk eene trotschheid te komen. Maar hoe dit zij, die dag verliep, en de avond zag Haley en Tom te Washington bezorgd, den een in de herberg, den ander in de gevangenis.
Tegen elf uren van den volgenden dag verzamelde zich een gemengde troep menschen bij de stoep van het raadhuis, rookende, pruimende, spuwende, vloekende en pratende, volgens ieders smaak en neiging, en wachtende tot de verkooping beginnen zou. De mannen en vrouwen, die verkocht zouden worden, zaten afzonderlijk in eene groep en spraken zacht met elkander. De vrouw, die in de advertentie Hagar was genoemd, was eene echt Afrikaansche van gezicht en gestalte. Zij kon zestig jaar wezen, maar scheen door zwaar werken en ziekelijkheid veel ouder; zij was half blind en half kreupel van rheumatiek. Naast haar stond haar eenige overgebleven zoon Albert, een jongen van veertien jaren, met een schrander uitzicht. De knaap was alleen nog over van eene talrijke familie, die stuk voor stuk naar de Zuidelijke markt was verkocht. De moeder hield hem met beide handen vast, en beefde van angst als er iemand aankwam om hem te bezichtigen.
"Wees maar niet bang, tante Hagar," zeide de oudste der mannen. "Ik heb er met meester Thomas over gesproken, en hij dacht dat hij het wel schikken kon om u te zamen te verkoopen."
"Zij behoeven mij nog niet versleten te noemen," zeide zij daarop, hare bevende handen opheffende. "Ik kan nog koken, schrobben en schuren. Ik ben het koopen nog wel waard, als ik goedkoop ga. Zeg hun dat—zeg hun dat toch," voegde zij er met aandrang bij.
Haley kwam naar de groep en bezichtigde het eerst een ouden man, deed zijn mond open en keek erin, bevoelde zijne tanden, liet hem opstaan, zich uitrekken, zijn rug buigen en verschillende bewegingen maken, om zijne spieren te laten zien. Daarna ging hij naar den volgenden en nam dezelfde proeven. Eindelijk kwam hij bij den knaap, betastte zijne armen, kneep zijne handen, bekeek zijne vingers en liet hem springen, om zijne vlugheid te toonen.
"Hij wordt niet zonder mij verkocht," zeide de oude vrouw met hartstochtelijke drift. "Hij en ik gaan samen in één koop. Ik ben nog heel sterk, meester, en kan nog een boel werk doen—een boel werk, meester."
"Op eene plantage?" zeide Haley met een blik van minachting. "Dat gelijkt er wel naar."
En voldaan met zijn onderzoek, kuierde hij op, en bleef met zijne handen in zijne zakken en een sigaar in zijnen mond heen en weder drentelen.
"Wat dunkt u er van?" zeide een man, die Haley's onderzoek had gadegeslagen, alsof hij zelf daarop wilde afgaan.
"Wel," antwoordde Haley, eens spuwende: "ik zal op een paar van de jongsten en op dien knaap bieden."
"Zij willen den knaap en de oude vrouw samen verkoopen," hervatte de man.
"Dat zullen zij vrij moeielijk vinden. Zij is immers een oude zak met knokken, die haar zout niet waard is."
"Gij zoudt haar dan niet willen hebben?"
"Het zou een gek zijn die dat wilde. Zij is half blind, krom van de rheumatiek, en nog simpel ook er bij."
"Er zijn menschen die dat oude goed koopen, en zeggen dat er nog veel meer mee te doen is dan men denken zou," zeide de man peinzend.
"Ik zou haar niet present willen hebben," antwoordde Haley. "Ik heb haar gezien."
"Wel, het zou jammer zijn haar niet met haren zoon te koopen; zij schijnt er haar hart zoo op gesteld te hebben. Als zij haar nu goedkoop op hem toegeven?"
"Voor iemand die op die manier geld heeft weg te gooien, is het goed en wel," antwoordde Haley. "Ik zal op den jongen bieden voor een plantage arbeider. Maar met haar wil ik niet belast wezen, al gaven zij er haar op toe."
"Zij zal razend te werk gaan," zeide de man.
"Natuurlijk zal zij dat," antwoordde de handelaar koeltjes.
Hier werd het gesprek gestoord door een algemeen gemompel, en de afslager, een kort en dik manneke, drong met veel drukte en groote deftigheid door de menigte heen. De oude vrouw haalde diep adem en greep onwillekeurig haar zoon vast.
"Blijf dicht bij mij, Albert—dicht bij mij—zij zullen ons te zamen opzetten," zeide zij.
"Och, moeder, ik vrees, dat zij toch niet zullen," antwoordde de knaap.
"Zij moeten, kind. Anders kan ik niet blijven leven," riep zij heftig uit.
De forsche stem van den afslager, roepende om ruimte te maken, kondigde nu aan dat de verkooping beginnen zou. Men schikte zich in een kring, en het bieden begon. De mannen, die op de lijst stonden, werden spoedig toegeslagen tot prijzen, die bewezen dat er tamelijk veel vraag aan de markt was. Twee van hen vielen Haley ten deel.
"Kom aan nu, jongen," zeide de afslager en gaf den knaap een stootje met zijnen hamer. "Op, en laat zien hoe ge springen kunt."
"Zet ons samen op,—samen, als het u belieft, meester," riep de oude vrouw, zich aan haren zoon vasthoudende.
"Uit den weg," zeide de afslager, haar ruw terugduwende. "Gij komt het laatst. Kom aan, zwarte, spring!"
En met deze woorden duwde hij den knaap naar het blok, terwijl achter hem een zware zucht werd geslaakt. De jongen bedacht zich nog en keek om, maar er werd hem geen tijd gelaten. Hij veegde de tranen uit zijne heldere oogen en was in een oogenblik omhoog.
Zijn welgemaakte leden, forsche lichaamsbouw en schrander uitzicht wekten aanstonds kooplust op en wel zes stemmen deden tegelijk een bod. Angstig keek de knaap van den een naar den ander, terwijl het opbieden voortging en nu hier, dan daar een hoogere som werd geroepen, tot eindelijk de hamer viel. Haley had hem gekregen. Hij werd van het blok naar zijnen nieuwen meester geduwd, maar bleef nog een oogenblik staan en keek om, terwijl zijne arme, oude moeder, over al hare leden bevende, hare sidderende handen naar hem uitstak.
"Koop mij ook, meester. Om onzen lieven Heerswil, koop mij. Ik zal sterven als gij het niet doet."
"Gij moogt sterven als ik het doe," antwoordde Haley. "Neen, zeg ik." En daarmede keerde hij zich om.
Voor de arme, oude sloof, werd maar één bod gedaan. De man, die met Haley gesproken had en niet van medelijden ontbloot scheen te zijn, kocht haar voor eene kleinigheid en daarna begonnen de toeschouwers uiteen te gaan.
De arme slachtoffers der verkooping, die jarenlang met elkander op dezelfde plaats hadden gewoond, verzamelden zich om de wanhopige oude moeder, wier zielesmart jammerlijk was om aan te zien.
"Konden zij er mij niet één laten? Meester heeft altijd gezegd dat ik er één houden zou—altijd heeft hij dat gezegd," herhaalde zij gedurig op een hartbrekenden toon.
"Vertrouw maar op den Heere, Tante Hagar," zeide een der mannen droevig.
"Wat zal mij dat baten?" antwoordde zij, hartstochtelijk snikkende.
"Moeder, moeder, spreek zoo niet," riep de knaap. "Zij zeggen dat gij een goeden meester hebt gekregen."
"Dat kan mij niet schelen—dat kan mij niet schelen. O, Albert, o, mijn jongen—mijn laatste kind! O Heere, hoe kan ik?"
"Kom, maakt haar liever los," zeide Haley droogjes. "Het doet haar immers geen goed dat zij zoo te werk gaat."
De oudsten van den troep dwongen de oude vrouw, half door overreding, half met geweld, haar zoon eindelijk los te laten, en poogden haar te troosten, terwijl zij haar naar den wagen van haren nieuwen meester brachten.
"Kom aan!" zeide Haley, zijne drie koopjes bij elkander duwende. Daarop haalde hij een bos handboeien uit, deed ze hun om de polsen, maakte allen aan een langen ketting vast en dreef hen zoo ver voor zich uit naar de gevangenis.
Eenige dagen later was Haley met zijn eigendom op eene der stoombooten, die gedurig den Ohio bevaren. Deze nieuwe koopjes waren nog maar een begin van zijnen troep, dien hij, naarmate de boot verder de rivier afvoer, zou vermeerderen met andere koopwaar van denzelfden aard, welke hij hier en daar langs den oever in bewaring had gelaten.
La Belle Riviére—zulk eene fraaie boot als ooit de rivier had bevaren, naar welke zij genoemd was—dreef vroolijk de rivier af, onder eene heldere lucht, met de strepen en sterren van het vrije Amerika aan den mast, en het dek vol welgekleede heeren en dames, die heen en weder wandelden en zich in het heerlijkste weder verlustigden. Alles was vol leven en vroolijkheid; alles, behalve de troep van Haley, die met de andere vracht op het benedendek was verborgen, en waarvan niemand eenige reden tot blijdschap scheen te gevoelen.
"Kom aan jongens," zeide Haley, luchtig naar hen toekomende. "Ik hoop dat gij vroolijk blijft. Geen druilen, hoort ge. Houdt u goed, en ik zal mij ook goed houden."
De aangesprokenen antwoordden met het onveranderlijk "Ja meester," dat sedert eeuwen de leus van het arme Afrika is; maar het moet gezegd worden dat zij toch niet bijzonder opgeruimd keken. Zij hadden hunne verschillende kleine voordeelen ten gunste van vrouwen, kinderen, moeders en zusters, die zij voor de laatste maal hadden gezien, en hoewel hunne verdrukkers vroolijkheid van hen eischten, was deze niet zoo aanstonds gereed.
"Ik heb eene vrouw," sprak het artikel op de lijst als "John, oud dertig" aangeduid, en legde zijne geboeide hand op Toms knie, "en zij weet geen woord hiervan, de arme ziel!"
"Waar woont zij?" zeide Tom.
"In eene herberg, een eind weegs hier de rivier af," antwoorddeJohn. "Ik wenschte dat ik haar nog maar eens in de wereld zien kon."
Arme John! Zijn wensch was wel eenigszins natuurlijk; en de tranen, die onder het spreken over zijne wangen rolden, zagen er zoo natuurlijk uit, als ware hij een blanke geweest. Tom haalde met een beklemd hart diep adem en poogde hem op zijne eenvoudige manier te troosten.
En boven hun hoofd, in de kajuit, zaten vaders en moeders, mannen en vrouwen; en vroolijk huppelende kinderen fladderden als vlindertjes om hen heen, en allen waren vroolijk en wel te moede.
"O, Mama," zeide een knaapje dat juist van het dek was gekomen, "er is een negerhandelaar aan boord en hij heeft vier of vijf slaven daar beneden."
"Arme schepsels!" zeide de moeder, op een toon tusschen beklag en verontwaardiging.
"Wat is er?" zeide eene andere dame.
"Eenige arme slaven beneden," antwoordde de moeder.
"En zij hebben kettingen aan," zeide het knaapje.
"Welk eene schande voor ons land," zeide eene andere dame, "dat men zoo iets ziet."
"O, er is aan beide kanten veel van de zaak te zeggen," zeide nu een zwierige dame, die bij de deur van haar salon zat te naaien, terwijl een jongetje en een meisje bij haar speelden. "Ik ben in het Zuiden geweest, en ik moet zeggen, ik denk dat de negers het beter hebben dan het geval zou zijn als zij vrij waren."
"In sommige opzichten hebben sommigen van hen het goed, dat geef ik toe," zeide de dame, wier gezegde zij had beantwoord. "Het schrikkelijkste der slavernij, naar mijne gedachten, is het geweld dat zij de natuur en het gevoel aandoet, bij het scheiden van huisgezinnen bij voorbeeld."
"Dat is zeker een kwaad," zeide de andere dame, met aandacht de belegsels bekijkende van het kinderjurkje dat zij naaide. "Maar ik verbeeld mij dat het niet dikwijls gebeurt."
"O ja, zeker," zeide de eerste dame haastig. "Ik heb jarenlang zoowel in Kentucky als in Virginië gewoond en genoeg gezien om iemand het hart te doen wegkrimpen. Verbeeld u eens, Mevrouw, dat uwe twee kinderen van u afgenomen en verkocht werden."
"Wij kunnen ons gevoel niet met dat van die soort van lieden vergelijken," antwoordde de andere dame, nog altijd bezig met het jurkje.
"Inderdaad, Mevrouw, als gij zoo spreekt, moet gij niets van hen weten," zeide de eerste dame met warmte. "Ik ben onder hen geboren en grootgebracht. Ik weet dat zij gevoel hebben—een even fijn gevoel—nog fijner misschien dan wij."
"Inderdaad?" zeide de andere dame en keek geeuwende uit een venstertje. Ten slotte herhaalde zij, om alles af te doen, nog eens het gezegde, waarmede zij begonnen was: "Ik denk toch dat zij het beter hebben, dan wanneer zij vrij waren."
"Het is ontwijfelbaar de bedoeling der Voorzienigheid, dat het Afrikaansche ras dienstbaar zal zijn en in onderwerping gehouden worden," zeide een deftig heer in het zwart, een geestelijke, die bij de deur der kajuit zat. "Vervloekt zij Kanaän; een knecht der knechten zal hij zijn, zegt de Schrift."
"Zeg eens, vreemdeling, is het dat wel wat die tekst beteekent?" zeide een lang man, die er bij stond.
"Zonder twijfel. Het heeft der Voorzienigheid om ondoorgrondelijke redenen behaagd, dat geslacht eeuwen geleden tot slavernij te veroordeelen; en onze eigene meeningen moeten daartegen niet aandruischen."
"Wel zoo, dan gaan wij onzen gang maar en koopen negers, als de Voorzienigheid het toch zoo hebben wil," zeide de lange man. "Niet waar, heerschap?" vervolgde hij, zich naar Haley keerende, die met de handen in de zakken bij de kachel stond en oplettend naar het gesprek had geluisterd. "Wel ja," vervolgde hij, "wij moeten ons immers naar de besluiten der Voorzienigheid voegen. Negers moeten verkocht en versleept en onder bedwang gehouden worden; dat is het, waarvoor zij geschapen zijn. Zulke begrippen schijnen heel verkwikkelijk, niet waar, vreemdeling?" en daarmede keerde hij zich weder naar Haley.
"Ik heb daarover nooit gedacht," antwoordde Haley, "ik wist dat niet eens, want ik ben niet geleerd. Ik heb den handel maar opgevat om fortuin te maken, en als ik niet wèl deed, dacht ik wel bijtijds berouw te zullen hebben, weet ge?"
"En nu zult gij u die moeite maar sparen, niet waar?" hervatte de lange man. "Zie eens hoe goed het is de Schrift te kennen. Als gij uw Bijbel maar hadt gelezen, gelijk die brave man, dan hadt gij dit te voren kunnen weten en dus niet ongerust behoeven te zijn. Hij had maar even kunnen zeggen: "Vervloekt zij"—hoe heet het ook weer?—en alles zou in orde zijn geweest."
Daarmede zette de vreemdeling, die niemand anders was dan de eerlijke paardenkooper, met wien onze lezers in de herberg in Kentucky kennis hebben gemaakt, zich weder neer en begon te rooken, met een zeer zonderlingen glimlach op zijn lang en strak gezicht.
Een rijzig tenger jonkman, wiens uitzicht verstand en gevoel aanduidde, nam nu het woord en zeide: "Alles wat gij wilt dat de menschen u zouden doen, doet gij hun ook alzoo. Ik meen," vervolgde hij, "dat dit evengoed in de Schrift staat als: 'vervloekt zij Kanaän.'"
"Zeker, vreemdeling, die tekst schijnt even duidelijk voor arme lieden, zooals wij," zeide John en rookte als een vulkaan.
De jonkman bedacht zich alsof hij voornemens was nog meer te zeggen, toen eensklaps de boot bleef stil liggen en het gezelschap volgens gewoonte naar het dek snelde, om te zien waar men aanlegde.
"Zijn die twee allebei dominees?" zeide John tegen iemand, toen zij naar buiten gingen.
De man knikte.
Toen de boot stillag, kwam eene zwarte vrouw als razend over de plank stormen, drong door alles heen, vloog naar de plaats, waar de troep slaven zat, sloeg hare armen om het stuk koopwaar, bekend als "John oud dertig" en jammerde met tranen en snikken over hem—haren echtgenoot.
Maar wat behoeven wij eene geschiedenis te verhalen, die maar al te dikwerf—die dagelijks herhaald wordt—hoe harten gebroken worden, en hoe de zwakke wordt vertrapt ten voordeele van den sterke!
Dit behoeft niet meer herhaald te worden;—elke dag verhaalt het, verhaalt het voor de Ooren van Eenen die niet doof is, hoewel Hij lang stilzwijgt.
De jonkman, die vroeger voor de zaak der menschelijkheid en van God gesproken had, stond dit tooneel met over elkander geslagen armen aan te zien. Hij keerde zich om, en Haley stond naast hem.
"Mijn vriend," zeide hij met eene gesmoorde stem, "hoe kunt gij, hoe durft gij zulk een beroep drijven? Zie die arme schepselen aan! Hier ben ik, mij verheugende in mijn hart dat ik naar huis ga, naar mijne vrouw en mijn kind; en dezelfde klok, die het teeken geeft om mij naar hen toe te brengen, zal dezen armen man en zijne vrouw voor altijd scheiden. Wees er zeker van, God zal daarvoor met u in het gerecht treden."
De handelaar keerde zich zwijgend om.
"Zeg eens," zeide de paardenkooper, hem aan zijnen elleboog stootende, "dat is een verschil in dominees, niet waar? "Vervloekt zij Kanaän" schijnt bij dezen niet af te doen, he?"
Haley, blijkbaar zeer slecht op zijn gemak, bromde iets binnensmonds.
"En dat is het ergste nog niet," hervatte John. "Misschien zal het ook bij den Heere niet baten, als gij eens met Hem afrekent, gelijk wij allen toch moeten, geloof ik."
Haley wandelde peinzend naar het andere einde der boot.
"Als ik met dezen en nog een of twee troepen goede winst maak," dacht hij, "denk ik er toch maar van af te stappen. Het wordt inderdaad gevaarlijk."
Daarmede haalde hij zijne portefeuille uit en begon zijne waarschijnlijke winst te berekenen, eene tijdkorting, welke nog vele andere heeren, behalve Haley, een specifiek middel voor een ongerust geweten hebben bevonden.
De boot stak weder af en alles was even vroolijk als te voren. De mannen praatten, kuierden, lazen en rookten; de vrouwen naaiden, de kinderen speelden, en de tocht ging van dag tot dag zoo voort.
Op een dag, toen de boot voor eene poos bij een stadje in Kentucky bleef stilliggen, ging Haley van boord om zaken te doen.
Tom, wiens boeien hem niet verhinderden eene matige wandeling te doen, ging naar voren en stond daar verstrooid naar den oever te kijken. Na verloop van eenigen tijd zag hij den handelaar met vluggen tred terugkomen in gezelschap van eene gekleurde vrouw, die een klein kind op den arm had. Zij was zeer fatsoenlijk gekleed en werd gevolgd door een kleurling die haar koffertje droeg; en zoo kwam zij de plank over en op de boot. De klok luidde, de stoom siste, de machine stampte en hijgde, en de boot voer weder af.
De vrouw ging naar het voordek tusschen de koffers en de balen, zette zich daar neer en begon zachtjes voor haar kind te zingen.
Haley wandelde de boot een paar malen op en neer, en toen naar haar toekomende, zette hij zich naast haar neer en zeide iets op een zachten, onverschilligen toon.
Tom zag dat het gezicht van de vrouw terstond betrok, en dat zij snel en driftig antwoord gaf.
"Ik geloof het niet, ik wil het niet gelooven," zeide zij, "steek den gek maar met mij."
"Als gij niet gelooven wilt, zie dan hier," zeide Haley, een papier toonende. "Dat is de koopbrief en daar staat uws meesters naam onder, en ik heb hem duur genoeg betaald, dat kan ik u zeggen—dus!"
"Ik geloof niet dat meester mij zoo bedriegen zou; het kan niet waar zijn," zeide de vrouw met toenemende ontroering.
"Gij kunt een van die lieden hier vragen, die schrift kunnen lezen. Hier," zeide Haley tot iemand die voorbijkwam, "lees dit eens even, als gij wilt. De meid wil mij niet gelooven als ik haar zeg wat het is."
"Wel, het is een koopbrief, geteekend door John Fosdick," antwoordde de man, "waarmede u de meid Lucy en haar kind worden overgedaan. Het is alles in orde, zoover ik zien kan."
De hartstochtelijke uitroepingen der vrouw verzamelden weldra eene groep om haar heen, en de handelaar zeide met korte woorden wat de reden van hare aandoening was.
"Hij heeft mij gezegd dat ik naar Louisville ging, om als keukenmeid verhuurd te worden in dezelfde herberg waar mijn man werkt; dat is het wat de meester zelf mij gezegd heeft, en ik kan niet gelooven dat hij mij voorliegen zou," zeide de vrouw.
"Maar hij heeft u toch verkocht, arme vrouw, daaraan is niet te twijfelen," zeide een man met een goedhartig uitzicht, die de papieren had nagezien. "Hij heeft het gedaan; dat is niet anders."
"Dan helpt er geen praten," zeide de vrouw eensklaps bedarende, sloot haar kind vaster in hare armen, zette zich op hare kist neder, keerde zich met den rug naar de groep en staarde verstrooid naar de rivier.
"Zij zal het toch nogal licht opnemen," zeide de handelaar. "Het kan haar niet veel schelen, zie ik."
Terwijl de boot voortvoer, bleef de vrouw bedaard zitten; en het zachte zomerkoeltje zweefde als een medelijdende geest over haar hoofd—dat zachte koeltje, dat nooit vraagt of het voorhoofd dat het streelt zwart of blank is. Zij zag den zonneschijn op het kabbelende water flikkeren en hoorde vroolijke stemmen in het rond, maar haar hart was zoo beklemd, als ware haar een zware steen op de borst gevallen. Haar kindje klauterde tegen haar op en streelde hare wangen met zijne handjes, en scheen haar door zijn kraaien en dartelen te willen opwekken. Zij klemde het eensklaps nog vaster in hare armen, en langzaam viel de eene traan na den anderen op het onnoozele verwonderde gezichtje; maar zij scheen langzamerhand weder tot kalmte te komen en streelde en koesterde het wicht.
Het kind, een jongetje van tien maanden, was buitengemeen groot en sterk voor zijn ouderdom, en zeer vlug en krachtig in zijne bewegingen. Het hield zich geen oogenblik stil en gaf zijne moeder gedurig werk, om op te passen dat het haar niet van den schoot sprong.
"Dat is een frisch kind," zeide een man die met de handen in de zakken voor haar bleef staan. "Hoe oud is hij?"
"Tien en een halve maand," antwoordde de moeder.
De man floot eens en hield den kleine een klontje suiker voor, dat deze gretig pakte en terstond in zijnen mond stak.
"Slimme jongen!" zeide de man. "Hij weet zijn weetje al!" En daarmede wandelde hij fluitend heen.
Toen hij aan de andere zijde der boot gekomen was, trof hij Haley aan, die op een stapel kisten zat te rooken.
De man stak ook eene sigaar aan, en dit gedaan hebbende, zeide hij:"Een knappe meid die gij daar hebt, vreemdeling."
"Ja, zij ziet er tamelijk wel uit," antwoordde Haley, een rookwolk uitblazende.
"Brengt gij haar naar het Zuiden?" zeide de man.
Haley knikte slechts.
"Voor eene plantage?" was wederom de vraag.
"Ja," zeide Haley, "ik moet eene bestelling voor eene plantage bijeenbrengen, en ik denk dat ik er haar bij zal doen. Zij zeiden dat zij eene goede keukenmeid was; zij kunnen haar dus daarvoor gebruiken of aan het katoenpluizen zetten. Zij heeft de rechte vingers daarvoor; kijk er maar naar. Zij is op beide manieren haar geld waard."
"Maar zij zullen op eene plantage dat jong niet willen hebben," zeide de man.
"Ik zal het ook verkoopen zoodra ik maar gelegenheid heb," antwoorddeHaley en stak eene andere sigaar aan.
"Gij zult hem zeker tamelijk goedkoop geven," zeide de vreemdeling en klom insgelijks op den hoop kisten, waarna hij zich op zijn gemak neerzette.
"Dat weet ik nog niet," antwoordde Haley. "Het is een ferme jongen, welgemaakt, sterk en vet, met vleesch zoo hard als een spijker."
"Dat is waar. Maar de kosten en de last van het grootbrengen."
"Gekheid," zeide Haley. "Zij zijn even gemakkelijk groot te brengen als andere beesten; zij geven niet meer last dan jonge honden. De kleine snaak zal over een maand overal heenloopen."
"Ik heb een goede gelegenheid om klein goed groot te brengen, en zou nog wel wat voorraad willen opdoen," zeide de man. "De eene keukenmeid heeft verleden week een jong verloren—in de waschtobbe verdronken, terwijl zij het goed te drogen hing—en het zou niet kwaad zijn haar dit te geven om groot te brengen."
Haley en de vreemdeling bleven een poos zitten rooken, daar geen van beiden genegen scheen om ter zake te komen. Eindelijk zeide de vreemdeling:
"Gij zoudt wel niet meer dan tien dollars voor dat snaakje willen hebben, daar gij hem toch van de hand moet doen?"
Haley schudde zijn hoofd en spuwde met bijzonderen nadruk.
"Wel neen," zeide hij en begon weder te rooken.
"Wel vreemdeling, wat wilt ge dan nemen?"
"Wel," antwoordde Haley, "ik kan hem zelf grootbrengen of laten grootbrengen. Hij is buitengewoon gezond en frisch. Over zes maanden zou hij honderd en over een paar jaren tweehonderd dollars halen, als ik hem aan de rechte markt bracht; en dus wil ik nu geen cent minder dan vijftig voor hem nemen."
"O, vreemdeling, dat is al te gek om van te spreken."
"Het is toch zoo," zeide Haley met nadruk.
"Welnu, ik zal u veertig dollars geven."
"Ik zal u eens wat zeggen," zeide Haley, wederom krachtig spuwende. "Ik wil het verschil deelen en vijf en veertig zeggen; dat is het uiterste wat ik doen wil."
"Welnu, toegeslagen," zeide de man na een poos bedenkens.
"Gedaan dus," zeide Haley. "Waar gaat gij aan land?"
"Te Louisville."
"Te Louisville. Heel goed. Daar komen wij tegen schemeravond. Het kind zal slapen—zooveel te beter—gij kunt hem stil meepakken, zonder schreeuwen of huilen—dat komt heel mooi uit—ik doe gaarne alles met zachtheid—ik heb een hekel aan rumoer en opschudding." En nadat eenige banknoten uit de portefeuille des vreemdelings in die des handelaars waren overgegaan, nam deze zijne sigaar weder.
Het was een heldere stille avond, toen de boot aan de werf te Louisville aanlegde. De vrouw zat met haar kind in de armen, dat nu gerust sliep. Toen zij den naam der stad hoorde noemen, legde zij het kind in een wiegje, dat in eene holte tusschen de koffers stond, nadat zij eerst zorgvuldig haar omslagdoek over het wicht had gespreid, en ging toen naar het boord, in de hoop, dat zij onder de knechts uit de herbergen die op de werf stonden, misschien haar man zou zien. In deze hoop bukte zij over de leuning heen en tuurde naar het gewoel op den oever, terwijl een troep menschen tusschen haar en haar kind drong.
"Nu is het uw tijd," zeide Haley, het slapende kind opnemende en aan den vreemdeling overgevende. "Maak hem niet wakker en laat hem niet schreeuwen; anders hebben wij den drommel maar last met de meid."
De man nam het pakje zorgvuldig aan, en verdween spoedig onder den hoop menschen die naar de werf gingen.
Toen de boot weder voortvoer, keerde de vrouw terug naar de plaats waar zij gezeten had. Daar zat de handelaar—het kind was er niet meer.
"Wat—waar?" begon zij verbijsterd van verrassing.
"Lucy," zeide Haley, "uw kind is weg. Het is evengoed dat gij dit nu hoort als later. Gij begrijpt wel dat ik het niet kon meenemen naar het Zuiden, en ik had gelegenheid om het te verkoopen aan eene familie van den eersten rang, die het beter zal grootbrengen dan gij kunt doen."
De handelaar was tot dien trap van christelijke en politieke volmaaktheid gekomen, die sedert eenigen tijd door sommige predikers en staatkundigen in het Noorden wordt aanbevolen, en had dus alle menschelijke zwakheden en vooroordeelen overwonnen. Zijn hart was zoover, Mijnheer, als het uwe en het mijne met behoorlijke moeite en oefening ook gebracht zouden kunnen worden. De woeste blik van angst en wanhoop, waarmede de vrouw hem aanzag, had iemand die minder geoefend was, kunnen verontrusten; maar hij was er aan gewoon. Hij had denzelfden blik honderden malen gezien. Gij kunt ook aan zulke dingen gewoon worden, mijn vriend, en het is het groote doel der onlangs aangewende pogingen om, tot roem der Unie, onze geheele Noordelijke maatschappij daaraan gewoon te maken. De handelaar beschouwde dus den doodelijken angst, waardoor hij die trekken zag verwrongen worden, die dichtgeknepen handen en die benauwde ademhaling slechts als kleine bijzaken van zijn beroep, en berekende alleen of zij zou gaan gillen en opschudding veroorzaken; want, gelijk andere voorstanders van onze eigenaardige instellingen, had hij bepaalden afkeer van alle gerucht.
De vrouw gilde echter niet. Het schot was haar te onverwacht recht door het hart gegaan om te kunnen schreien of geluid geven. Duizelig ging zij zitten. Hare slappe handen vielen als levenloos bij haar neer. Zij staarde recht voor zich, maar zag niets. Het gerucht op de boot en dat der machinerie klonk haar in de ooren alsof het in een droom was; het arme, getroffen hart had kreet noch traan om zijn jammer te uiten. Zij bleef geheel kalm.
De handelaar die voor zijn doen bijna even menschlievend was als sommigen onzer staatslieden, scheen zich geroepen te gevoelen om die soort van troost toe te dienen, die het geval toeliet.
"Ik weet wel, dat u dit in het begin een beetje hard moet vallen, Lucy," zeide hij; "maar zulk een knappe en schrandere meid als gij zijt, zal zich dat toch wel niet willen aantrekken. Gij begrijpt het wel, het was noodzakelijk en niet te veranderen."
"O houd op, meester, houd op!" zeide de vrouw met eene stem, alsof ze op het punt was om te stikken.
Maar Haley bleef aanhouden.
"Gij zijt eene knappe meid, Lucy," zeide hij, "en ik meen het goed met u te maken en u eene beste plaats daar aan de rivier te bezorgen, en gij zult gauw een anderen man krijgen, zulk een frissche meid als gij zijt…."
"O meester, spreek nu maar niet tegen mij," zeide de vrouw op een toon zoo vol zielesmart, dat de handelaar begreep, dat er in dit geval iets was waarvoor zijn troost te kort schoot. Hij stond op, en de vrouw keerde zich om en verborg haar gezicht in haren omslagdoek.
De handelaar wandelde eene poos op en neer, en bleef nu en dan staan om naar haar te kijken.
"Zij neemt het wel wat zwaar op," was zijne alleenspraak; "maar toch stil. Laat ze maar een poosje huilen; zij zal straks wel weer bijkomen."
Tom had dit geheele voorval van het begin tot het einde gadegeslagen en begreep volkomen wat de afloop zou zijn. Voor hem was het iets onuitsprekelijk wreeds en gruwelijks, omdat hij, arme, onkundige, zwarte ziel niet geleerd had zich op een hooger standpunt te verheffen en de zaken in het algemeen en met ruimen blik te beschouwen. Als hij slechts door zekere Christelijke leeraren onderwezen was geweest, zou hij er misschien beter over gedacht hebben voor een dagelijksch voorval in een wettigen handel; een handel, die de steun is eener instelling, welke, gelijk een Amerikaansch godgeleerde [4] ons zegt, "geen kwaad heeft, dan wat van alle andere betrekkingen in het gezellige en huiselijke leven onafscheidbaar is." Daar Tom echter, gelijk wij zien, een arm, onkundig man was, wiens lectuur geheel tot het Nieuwe Testament beperkt was gebleven, kon hij zich niet met zulke begrippen troosten en opbeuren. Zijn hart bloedde over hetgeen hij hield voor hetkwaad, dat de arme vrouw werd aangedaan, die daar als een vertrapt wegwerpsel op de koffers lag; voor dat gevoelende, levende, bloedende en toch onsterfelijke ding, dat de Amerikaansche wetten van staat koelbloedig onder pakken, balen en kisten rangschikten, waartusschen het lag.
Tom naderde en poogde iets te zeggen: maar zij antwoordde slechts met tranen en zuchten. Met oprechten ijver en terwijl de tranen over zijne wangen rolden, sprak hij van een hart vol liefde in den hemel; van een medelijdenden Jezus en een eeuwig vaderland; maar het oor was doof van zieleleed, en het doodelijk getroffen hart kon niets meer voelen.
De nacht kwam,—die stille, plechtige, heerlijke nacht, en zag met zijne ontelbare glinsterende oogen op haar neer, alsof het oogen van engelen waren; doch er kwam geene spraak of taal, geene medelijdende stem, geene helpende hand uit den verwijderden hemel. Langzamerhand werd het stiller en stiller, eindelijk sliep alles op de boot en hoorde men alleen het kabbelen van het water voor den boeg. Tom strekte zich op een kist uit, en terwijl hij daar lag, hoorde hij nog telkens een gesmoorden snik of uitroep van de bedroefde vrouw.
"O, wat zal ik doen? O, Heere, o, goede Heere, help mij!" en zoo al gedurig voort, totdat ook dit gemompel ophield.
In het midden van den nacht werd Tom eensklaps met schrik wakker. Iets zwarts snelde hem voorbij naar het boord en daarop hoorde hij een plomp in het water. Niemand anders zag of hoorde iets. Hij hief het hoofd op—de plaats der vrouw was ledig. Hij stond op en zocht vruchteloos om zich heen. Het arme bloedende hart was eindelijk stil, en de rivier kabbelde even helder alsof zij hare golfjes niet daarboven gesloten had.
Geduld, geduld, gij wier hart zwelt van verontwaardiging over onrecht gelijk dit. Geen zucht, geen traan der verdrukten wordt vergeten door den Man van Smarten, door den Heer der Heerlijkheid. In zijne geduldige, menschlievende borst draagt Hij het leed eener wereld. Draagt gij, gelijk Hij, met geduld en arbeidt in de liefde; want zoo zeker als Hij God is, "zal het jaar zijner verlosten komen."
De handelaar werd vroeg en frisch wakker en kwam buiten om naar zijne levende waar te zien. Het was nu zijne beurt om verbijsterd rond te kijken.
"Waar drommel is die meid?" zeide hij tegen Tom.
Tom, die de wijsheid van het stilzwijgen had geleerd, achtte het niet noodig van zijne opmerkingen en vermoedens te spreken, maar zeide dat hij het niet wist.
"Zij zal toch van nacht niet aan eene van de ladingsplaatsen zijn weggeloopen, want ik was wakker en op de wacht, telkens als de boot stillag. Ik vertrouw die dingen nooit aan anderen."
Dit werd Tom op een vertrouwelijken toon toegevoegd, als iets dat bijzonder belangrijk voor hem zou zijn. Tom gaf geen antwoord.
De handelaar zocht over het dek van het eene einde tot het andere, tusschen de balen, kisten en vaten, om de machinerie en bij de schoorsteenen, maar tevergeefs.
"Zeg nu eens, Tom, wees nu eens oprecht," zeide hij, toen hij na zijn vruchteloos zoeken weder bij Tom gekomen was. "Gij weet er iets van. Maak mij maar niets wijs—ik weet het beter. Ik heb de meid hier zien liggen tegen tien uren, en wederom tegen twaalf, en wederom tusschen een en twee; en tegen vier uren was zij weg, en gij laagt hier al den tijd gerust te slapen. Gij moet dus iets weten—dat kan niet anders."
"Wel, meester," antwoordde Tom, "tegen den ochtend schoof mij iets voorbij en toen werd ik zoo wat half wakker; en toen hoorde ik een grooten plomp, en toen werd ik geheel wakker, en de vrouw was weg. Dat is al wat ik er van weet."
De handelaar was niet ontzet of verbaasd, daar hij, gelijk wij vroeger gezegd hebben, aan vele dingen gewoon was, waaraan gij niet gewoon zijt. Zelfs de geduchte tegenwoordigheid van den dood boezemde hem geene plechtige huivering in. Hij had den dood dikwijls gezien—was hem in zijn beroep dikwijls tegengekomen en had kennis met hem gemaakt—hij vond in hem dus slechts een lastigen buurman, die hem in zijne speculatiën met koopwaren op eene zeer onbillijke manier dwarsboomde; en zoo zeide hij slechts met een vloek dat de meid een karonje was, en dat hij duivels ongelukkig was, en dat hij, als het zoo voortging geen cent met zijne reis verdienen kon. Kortom, hij scheen zich voor werkelijk verongelijkt te houden; maar er was niets aan te doen, want de vrouw was ontsnapt naar een staat, die nooit een vreemdeling wil uitleveren, zelfs niet op den eisch der roemrijke Unie. De handelaar ging dus onvergenoegd zitten, haalde zijn notitieboekje uit en schreef het vermiste lichaam met de ziel op de rekening van verliezen.
Een hatelijk mensch, die handelaar, niet waar? zoo ongevoelig! Is het inderdaad niet schrikkelijk?
O ja, maar men telt die handelaars ook niet. Zij worden algemeen veracht—nooit in een fatsoenlijk gezelschap toegelaten.
Maar wie, Mijnheer, is de oorzaak dat er handelaars zijn? Wie is het meest te laken? De beschaafde, verstandige, verlichte man, die een stelsel in stand houdt, waarvan de handelaar een onvermijdelijk gevolg is, of de ongelukkige handelaar zelf? Gij zijt een bestanddeel van die publieke meening, die zijn beroep in wezen houdt, die hem zoodanig verblindt en zedelijk verlaagt, dat hij er zich niet meer voor schaamt: in welk opzicht zijt gij dus beter dan hij?
Gij zijt wél-onderwezen en hij onkundig, gij zijt aanzienlijk en hij gering, gij zijt beschaafd en hij gemeen, gij zijt helder van oordeel en hij dom, niet waar?
Op den dag van een toekomstig oordeel zullen juist deze tegenstellingen het misschien voor hem dragelijker maken dan voor u.
Aan het slot van dit proefje uit hetgeen er in den wettigen handel voorkomt, moeten wij de wereld verzoeken om niet te denken, dat onze Amerikaansche wetgevers geheel van menschelijkheid ontbloot zijn, gelijk misschien ten onrechte zou kunnen worden afgeleid uit de moeite die zij zich geven, om deze soort van handel te beschermen en in stand te houden.
Wie weet niet hoe onze groote mannen zich zelven overtreffen in het declameeren tegen denvreemdenslavenhandel? Er is in dit opzicht een schaar van Clarke's en Wilberforce's onder ons opgestaan, die allerstichtelijkst is om te zien en te hooren. De negerhandel uit Afrika, lieve lezers, is toch zoo afschuwelijk! Daaraan is niet te denken. Maar de negerhandel uit Kentucky—dat is geheel iets anders!
We hebben nu een stil tooneeltje voor ons. Eene ruime, zindelijke, net geschilderde keuken, met een effen en glanzig gelen vloer, zonder een enkel stofje er op; eene nette, zorgvuldig zwart gehouden kookkachel; rijen van blinkend tinnegoed, die aan allerlei lekker eten doen denken; glanzige stoelen van gewoon hout, oud maar sterk; een kleinen schommelstoel met een kussen er in, waarvan het overtrek aardig uit kleine lapjes van verschillende wollen stoffen is saamgesteld, en een grooten armstoel, aartsvaderlijk oud, welks wijde armen een gastvrije uitnoodiging schijnen te geven, die door de veeren kussens wordt ondersteund—een waarlijk uitlokkende, bruikbare, oude stoel, voor echt gemak meer waard dan een dozijn nieuwe salonmeubelen.—En in dien stoel, zachtjes voor- en achterover wiegende, zit onze oude vriendin Eliza. [5] Ja, daar zit zij, bleeker en magerder dan tehuis in Kentucky, en stille smart schuilt onder de schaduw harer lange wimpers en kenmerkt de trekken om den vriendelijken mond. Het was duidelijk te zien, hoe oud en vast haar jeugdig hart in de leerschool der smart was geworden; en wanneer zij hare donkere oogen opsloeg, om de huppelende sprongen van den kleinen Harry te volgen, die als een vlindertje heen en weder dartelde, lag er in dien blik eene vastberadenheid en kracht, welke voorheen in gelukkiger dagen nooit daarin te lezen was.
Naast haar zat eene vrouw met eene blikken pan op den schoot, waarin zij bezig was gedroogde perziken uit te zoeken. Zij kon vijf en vijftig of zestig jaren oud wezen; maar zij had een van die gezichten, waaraan de tijd niets anders schijnt te kunnen doen dan ze verhelderen en verfraaien. De sneeuwwitte muts, naar het stijve kwaker-patroon opgemaakt, de effen neteldoeksche halsdoek, met strakke plooien over hare borst gevouwen, de donkergrijze omslagdoek en japon van dezelfde kleur toonden aanstonds tot welke gezindte zij behoorde. Haar gezicht was rond en blozend, met eene gezonde, donzige zachtheid, die aan eene rijpe perzik deed denken. Heur haren, door de jaren gedeeltelijk verzilverd, waren glad van het hooge, effen voorhoofd weggestreken, waarop de tijd niets anders geschreven had dan vrede en welwillendheid; en daaronder straalden een paar groote, heldere, oprechte, vriendelijke, bruine oogen. Men behoefde slechts recht daarin te zien, om te weten, dat men tot op den bodem van een hart zag, zoo goed en trouw als ooit in eene vrouwelijke borst had geklopt. Men heeft zooveel van de schoonheid van jonge meisjes gezegd en gezongen; waarom bezingt niet eens iemand de schoonheid der oude vrouwen? Als iemand in dit opzicht verlangt geïnspireerd te worden, verwijzen wij hem naar onze goede vriendin Rachel Halliday, gelijk zij daar in haar schommelstoeltje zit. Dat stoeltje was aan zeker kraken en piepen onderhevig, en terwijl zij zacht heen en weder wiegde, maakte haar zetel een geluid, als van elken anderen stoel onuitstaanbaar zou zijn geweest, maar de oude Simeon Halliday beweerde dikwijls, dat het zoo goed als muziek voor hem was, en de kinderen zeiden dat zij voor niets op de wereld het piepen van moeders stoel zouden willen missen. En waarom dat? Twintig jaren lang, of nog langer, waren er niets dan vriendelijke woorden en zachte zedenlessen en moederlijke liefdeblijken van dien stoel gekomen—ontelbare hoofdpijnen en hartepijnen waren daar genezen—geestelijke en tijdelijke bezwaren waren daar opgeheven—alles door ééne, goede, liefelijke vrouw. God zegene haar!
"En zoo denkt gij nog naar Canada te gaan, Eliza?" zeide zij, voortgaande met hare perziken te bekijken.
"Ja, juffrouw!" antwoordde Eliza met vastheid. "Ik moet verder. Ik kan hier niet blijven."
"En wat zult gij doen als gij daar komt? Daar moet gij ook aan denken, mijne dochter."
Dat "mijne dochter!" kwam zoo natuurlijk van Rachels lippen; want zij had juist een voorkomen en uitzicht, dat het zoo natuurlijk maakte om "moeder" tegen haar te zeggen.
Eliza's handen beefden en eenige tranen vielen op het fijne naaiwerk, waaraan zij bezig was; maar haar toon bleef toch vast, toen zij antwoordde:
"Ik zal—alles doen wat ik te doen kan vinden. Ik hoop dat ik iets vinden zal."
"Gij weet wel, gij kunt hier blijven zoolang het u behaagt," zeideRachel.
"O! ik dank u," zeide Eliza; "maar," vervolgde zij, naar Harry wijzende, "ik kan des nachts niet slapen; ik kan niet rusten. Verleden nacht droomde ik dat ik een man de werf zag opkomen," voegde zij er huiverend bij.
"Arm kind!" zeide Rachel, hare oogen afvegende. "Maar gij moet niet zoo angstig zijn. De Heere heeft het zoo besteld, dat nog nooit een vluchteling uit ons dorp gestolen is. Ik vertrouw dat gij niet de eerste zult wezen."
Hier werd de deur geopend en kwam eene andere vrouw binnen, kort en zoo rond als een speldenkussen, met een vroolijk blozend gezicht, gelijk een rijpen appel. Zij was evenals Rachel stemmig in het grijs gekleed, met een neteldoekschen doek over hare zwellende borst geplooid.
"Ruth Stedman," zeide Rachel, met blijdschap naar haar toekomende. "Hoe is het met u, Ruth?" En daarmede vatte zij deze bij de handen.
"Welletjes," antwoordde Ruth, zette haar grijzen hoed af en ontblootte zoo een rond hoofdje, waarop de kwakerinnenmuts tamelijk zwierig stond, hoewel zij haar best deed om die met hare mollige handjes glad te strijken. Ook eenige verdwaalde lokken en krullend haar waren hier en daar ontsnapt en moesten weggestopt worden; en daarna keerde de nieuw-gekomene, die vijf en twintig jaren oud mocht wezen, zich van het spiegeltje af, waarvoor zij deze beschikkingen had gemaakt en scheen zeer wel met haar voorkomen tevreden te zijn—gelijk de meeste menschen die haar aanzagen ook wel konden geweest zijn; want zij was zulk een gezond, frisch en vroolijk vrouwtje, als ooit het hart van een man verheugde.
"Ruth, deze vriendin is Eliza Harris, en dit is het jongetje, waarvan ik u gesproken heb."
"Ik ben blijde u te zien, Eliza, zeer blijde," zeide Ruth en gaf Eliza zoo hartelijk de hand, als ware zij eene oude vriendin die zij lang verwacht had; "en dat is uw lieve jongen. Ik heb een koekje voor hem medegebracht," en daarmede hield zij het koekje den kleinen Harry voor, die het, door zijne krullen naar haar opkijkende, met zekere sluwheid aannam.
"Waar is uw kleintje, Ruth?" vroeg Rachel.
"O! hij komt; maar uwe Mary pakte hem op toen ik inkwam, en liep met hem naar de schuur, om hem aan de kinderen te laten zien."
Op dit oogenblik ging de deur weder open en kwam Mary, een frisch blozend meisje, met groote bruine oogen, gelijk hare moeder, met het kind binnen.
"Ha, ha!" zeide Rachel, het gezonde, mollige wicht op den arm nemende, "wat ziet hij er goed uit, en wat groeit hij!"
"Zeker doet hij dat," zeide de levendige Ruth, nam spoedig het kind over en ontdeed het van een blauw zijden manteltje en andere bovenkleeren, waarin het gewikkeld was, vertrok en verschoof hier en daar iets om het op te knappen, gaf het een hartelijken kus en zette het naast zich op den grond neer om zich zelf te amuseeren en zoet te houden. Het wicht scheen aan zulk eene handelwijze volkomen gewoon te zijn, want het stak terstond een duim in den mond en scheen weldra in een genoeglijk gepeins te verzinken, terwijl de moeder zich neerzette, eene opgezette kous uithaalde en ijverig begon te breien.
"Mary, gij moogt den ketel wel eens vullen, zoudt ge niet?" zeide de moeder, zacht vermanende.
Mary nam den ketel mede naar den waterput, en spoedig terugkomende plaatste zij hem op de kachel, waar hij spoedig stond te borrelen en te dampen als een wierookvat in den tempel der gastvrijheid. Weldra werden ook de perziken, op eenige zacht gefluisterde woorden van Rachel, door dezelfde hand in eene aarden pan gedaan en op het vuur gezet.
Vervolgens nam Rachel eene sneeuwwitte kneedplank van den wand en ging eenvoudig wat beschuiten kneden; maar eerst zeide zij tegen hare dochter: "Mary, zoudt ge John niet eens gaan zeggen om het hoentje te gaan halen?" waarop Mary weder verdween.
"Wel, hoe is het met Abigaël Peters?" zeide Rachel onder het kneden.
"O! zij is beter," antwoordde Ruth. "Ik ben daar van morgen geweest en heb het bed opgemaakt en het huis gedaan. Lea Hills is van middag gegaan en heeft brood en koek gebakken voor eenige dagen, en ik heb beloofd er van avond weder heen te gaan."
"Ik zal morgen gaan en schoonmaken wat noodig is, en naar het verstelwerk zien," zeide Rachel.
"Zoo, dat is goed," antwoordde Ruth. "Ik heb gehoord," vervolgde zij, "dat Hanna Stanwood ziek is. John is er gisteravond geweest—ik moet morgen daarnaar toe."
"John kan hier komen eten, als het noodig is dat gij den geheelen dag blijft," zeide Ruth hierop.
"Dank u, Rachel! we zullen morgen zien. Maar daar komt Simeon."
Simeon Halliday, een rijzig, recht welgespierd man, met een bruingrijze jas en broek en een breedgeranden hoed kwam nu binnen.
"Hoe is het met u, Ruth?" zeide hij met warmte, terwijl hij zijn breede palm openspreidde, om haar mollig handje er in te leggen. "En hoe is het met John?"
"O! John is wel, en al de anderen ook," antwoordde Ruth blijmoedig.
"Wat nieuws, vader?" vroeg Rachel, terwijl zij hare beschuiten in den oven stak.
"Steven Stebbins heeft mij gezegd dat zij van nacht uit moesten metpaarden," zeide Simeon met bijzonderen nadruk op het laatste woord, terwijl hij over een zindelijken gootsteen in een achterkeukentje zijn handen wiesch.
"Ei!" zeide Rachel, peinzend en met een blik naar Eliza.
"Hebt gij niet gezegd, dat uw naam Harris was?" zeide Simeon tot Eliza, weder binnenkomende.
Rachel wierp snel een blik naar haren man, terwijl Eliza met bevende lippen "ja" antwoordde, daar zij vreesde, dat er misschien een prijs voor haar was uitgeloofd.
"Moeder," zeide Simeon, Rachel roepende, terwijl hij weder naar het achterkeukentje ging.
"Wat wilt gij hebben, vader?" antwoordde Rachel, hem volgende.
"De man van dat kind is in het dorp en zal van avond hier komen," zeide Simeon.
"O! dat zegt ge toch maar niet zoo, vader?" riep Rachel uit, met een gezicht als het ware stralende van blijdschap.
"Het is werkelijk waar. Peter was gisteren met den wagen naar de andere plaats, en daar vond hij eene oude vrouw en twee mannen, en een van hen zeide dat hij George Harris heette, en uit hetgeen hij van zijne geschiedenis vertelde, weet ik zeker wie hij is. Hij is een knap, schrander man.—Zullen wij het haar nu zeggen?" voegde hij er na een oogenblik stilzwijgens bij.
"Laten wij het Ruth zeggen," antwoordde Rachel. "Ruth, kom eens hier."
Ruth legde haar breiwerk neer en was in een oogenblik in het achterkeukentje.
"Ruth, wat dunkt u?" zeide Rachel. "Vader zegt dat Eliza's man bij het laatste gezelschap is en van avond hier zal komen."
Een blijde uitroep van het levendige kwakerinnetje viel de spreekster in de rede. Ruth klapte in de handen en deed zulk een sprong, dat er weder een paar krullen onder hare muts uitschoten en over haar witten halsdoek zwierden.
"Stil toch, lieve," zeide Rachel zachtzinnig. "Stil, Ruth, zeg ons, zullen wij het haar nu zeggen?"
"Nu? Wel zeker, op het oogenblik. Denk eens als het mijn John was, wat zou ik dan voelen? Zeg het haar toch maar terstond."
"Gij denkt aan u zelven, alleen om te leeren uwe naasten lief te hebben, Ruth," zeide Simeon, haar met welgevallen aanziende.
"Wel zeker," zeide Ruth. "Is het dat niet, waartoe wij geschapen zijn? Als ik John en mijn kindje niet liefhad, zou ik zooveel gevoel niet voor haar kunnen hebben.—Kom nu, zeg het haar toch!" vervolgde zij, Rachel dringend bij den arm vattende. "Neem haar in uwe slaapkamer, daar, en laat ik het hoentje braden, terwijl gij het haar zegt."
Rachel ging weder naar de keuken, waar Eliza zat te naaien en de deur van een slaapkamertje openende, zeide zij vriendelijk: "kom hier binnen met mij, mijne dochter. Ik heb u iets nieuws te zeggen."
Het bloed steeg Eliza naar de bleeke wangen; zij stond op, bevende van zenuwachtigen angst, en zag naar haar kind om.
"Neen, neen!" zeide Ruth, naar haar toeschietende en haar bij beide handen vattende. "Wees maar niet bang. Het is goed nieuws, Eliza. Ga binnen, ga binnen."
Zij duwde haar zachtjes de deur in en sloot die achter haar, en toen zich omkeerende, nam zij den kleinen Harry in hare armen en begon hem hartelijk te kussen.
"Gij zult uw vader zien, kleine jongen. Weet gij het al? Uw vader komt," zeide zij nogmaals, en nogmaals, terwijl het kind haar met verbazing aanzag.
Intusschen had binnen de deur een ander tooneel plaats. Rachel namEliza bij de hand, trok haar dicht naar zich toe en zeide:
"De Heer heeft barmhartigheid met u gehad, mijne dochter. Uw man is ontkomen uit het huis der dienstbaarheid."
Het plotseling opstijgende bloed deed Eliza's wangen gloeien en stroomde toen even snel naar het hart terug. Bleek flauw zette zij zich neer.
"Houd moed, kind," zeide Rachel, haar de hand op het hoofd leggende. "Hij is onder vrienden, die hem van avond hier zullen brengen."
"Van avond!" herhaalde Eliza. "Van avond!"
De woorden hadden hunne beteekenis voor haar verloren. Haar hoofd was verward; alles was voor een oogenblik in een nevel gehuld.
Toen zij ontwaakte lag zij te bed, warm in een deken gestopt, terwijl Ruth hare handen met kamfer wreef. Zij opende hare oogen in een toestand van droomerige, streelende kwijning, als iemand die lang een zwaren last gedragen heeft en nu voelt dat die hem is afgenomen en hij nu rusten mag. De spanning harer zenuwen, die sedert het eerste uur harer vlucht geen oogenblik had opgehouden, was nu geweken, en een vreemd gevoel van veiligheid bekroop haar. Terwijl zij daar met open oogen lag, volgde zij als in een droom de bewegingen van hen die haar omringden. Zij zag door de open deur in de andere kamer; zij zag de tafel met een sneeuwwit tafellaken voor het avondmaal gedekt; zij hoorde het slaperige zingen van den theeketel, en zag Ruth heen en weder trippelen met borden en schotels, en nu en dan stilstaan om Harry een koekje in de hand te stoppen, of zijn hoofd te streelen of zijne lange krullen om hare witte vingers te winden. Zij zag de breede moederlijke gestalte van Rachel, die telkens naar het bed kwam, en hier en daar iets verschikte of het dek instopte, alleen om haar goeden wil te toonen; en was bewust van eene soort van zonneschijn, welke haar uit hare oogen bestraalde. Zij zag den man van Ruth binnenkomen; zij zag deze naar hem toevliegen en zeer ernstig tegen hem fluisteren, en nu en dan met haar vingertje naar de slaapkamer wijzen. Zij zag haar zich met haar kindje op den arm aan de theetafel zetten; zij zag hen allen om de tafel en den kleinen Harry op een hoogen stoel naast de zorgvuldige Rachel. Zij hoorde een zacht praten en een even zacht rinkelen van theelepeltjes, kopjes en schoteltjes, dat zich alles met dien verrukkelijken droom van rust vermengde; en toen viel zij in slaap, en sliep gelijk zij nog niet geslapen had sedert dat geduchte middernachtsuur toen zij haar kind had opgenomen om te vluchten.
Zij droomde van een schoon land—een land van rust kwam het haar voor—met groene kusten, vermakelijke eilandjes en glinsterend water; en daar in een huis, waar vriendelijke stemmen haar zeiden dat zij tehuis was, zag zij haar knaapje spelen als een vrij en gelukkig kind. Zij hoorde de voetstappen van haren man; zij voelde hem nader komen; zijne armen werden om haar heengeslagen; zijne tranen droppelden op haar gezicht, en zij ontwaakte. Het was geen droom. Het daglicht was lang verdwenen; haar kind lag gerust naast haar te slapen, eene kaars op een tafeltje verspreidde een flauw licht, en haar man zat snikkend bij haar bed.
Vroolijk was de volgende morgen in het huis van den Kwaker. "Moeder" was vroeg op en omringd door drukbezige jongens en meisjes, allen gehoorzaam aan Rachels zachtzinnige "gij moest eens," of het nog zachtere "zoudt ge niet eens," terwijl men doende was om het ontbijt gereed te maken; want een ontbijt in de welige valleien van Indiana is een ding van veel omslag en vereischt meer handen dan die der huisvrouw alleen. Terwijl dus John naar de bron liep, om frisch water te halen, en Simeon het jonge meel ziftte voor de koornkoekjes en Mary koffie maalde, was Rachel stil bezig met beschuiten gereed te maken, een hoen te snijden, en over alles wat er over het geheel gedaan werd een oog te laten gaan, dat den invloed van zonneschijn had. Als er eenig gevaar van wrijving of botsing ontstond uit den ongeregelden ijver van zoovele jeugdige medewerkers, was haar zacht "kom, kom!" of "dat zou ik maar niet," voldoende om het bezwaar uit den weg te ruimen.
Onder al die andere toebereidselen stond Simeon de oude in een hoek voor het spiegeltje, bezig met de antipatriarchale werkzaamheid van het scheren. Alles ging in de ruime keuken zoo gezellig en vroolijk toe, iedereen scheen zulk een vermaak te hebben in hetgeen hij deed, er heerschte zulk een blijkbare geest van vertrouwen en wederzijdsche welwillendheid—zelfs de messen en vorken hadden iets gezelligs in het gerammel waarmede zij op de tafel werden gelegd, en het hoentje en de ham in de pan sisten, alsof het hun beviel dat zij gebraden werden—en toen George, Eliza en de kleine Harry uit de slaapkamer kwamen, werden zij met zulk een hartelijk welkom begroet, dat het niet te verwonderen was indien het geheele tooneel hun als een droom voorkwam.
Eindelijk zaten allen aan het ontbijt, terwijl Mary nog bij de kachel maïskoekjes stond te roosteren, die, wanneer zij juist volmaakt de echte goudbruine kleur hadden gekregen, handig op de tafel werden gezet.
Rachel zag er nooit zoo echt genoegelijk en vriendelijk uit als aan het hoofd harer tafel. Er was zulk eene moederlijkheid en gulheid zelfs in de manier waarop zij een bord met koekjes toeschoof of een kop koffie schonk, dat zij iets van haren geest scheen mede te deelen aan het eten en drinken dat zij aanbood.
Het was de eerste maal, dat George op den voet van gelijke aan de tafel van een blanke zat, en hij voelde in het eerst zekere verlegenheid en gedwongenheid; maar deze aandoening vervloog als een ochtendnevel voor de stralen dier eenvoudige, natuurlijke goedhartigheid.
Hier was hij waarlijk tehuis;—tehuis, eene uitdrukking waarvan hij nog nooit de beteekenis had gekend; en het geloof aan God en het vertrouwen op Zijne voorzienigheid begonnen zijn hart te verhelderen; terwijl de donkere wolken van menschenhatende en godverloochenende twijfelingen verdreven werden door het licht van een levend evangelie, afgestraald van levende menschengezichten, en gepredikt door duizend bijna onwillekeurige daden van liefde en welwillendheid, die, gelijk de beker koud water in den naam eens discipels gegeven, haar loon nimmer zullen verliezen.
"Vader, als gij nu weder ontdekt mocht worden?" zeide Simeon de tweede, onder het boteren van een geroosterd koekje.
"Dan zou ik mijne boete betalen," antwoordde de oude Simeon koeltjes.
"Maar als zij u in de gevangenis zetten?"
"Zoudt gij en moeder de hoeve niet kunnen waarnemen?" antwoorddeSimeon met een glimlach.
"Moeder kan haast alles doen!" zeide de knaap. "Maar is het geene schande zulke wetten te maken?"
"Gij moet geen kwaad spreken van uwe overheden, Simeon," antwoordde zijn vader ernstig. "De Heere geeft ons onze aardsche goederen alleen opdat wij gerechtigheid en barmhartigheid zouden doen; als onze overheden een prijs daarvoor van ons eischen, moeten wij dien geven."
"Nu, ik haat toch die oude slavenhouders," zeide de knaap, met zulk een onchristelijk gevoel als eenig nieuwerwetschreformerkan koesteren.
"Ik ben verwonderd over u, mijn zoon," zeide Simeon. "Uwe moeder heeft u nooit zoo geleerd. Ik zou hetzelfde doen voor den slavenhouder als voor den slaaf, indien de Heere hem in nood aan mijne deur deed komen."
Simeon de tweede kreeg een blos als vuur; maar zijne moeder glimlachte slechts en zeide: "Simeon is mijn goede jongen. Hij zal wel gauw ouder worden en dan zal hij naar zijnen vader gelijken."
"Ik hoop, mijn goede heer," zeide George bekommerd, "dat gij om mijnentwil aan geene moeielijkheden zijt blootgesteld."
"Wees niet bevreesd, George; want daartoe zijn wij in de wereld gezonden. Als wij voor eene goede zaak geene onaangenaamheden willen afwachten, zijn wij onzen naam niet waardig."
"Maar voormij," zeide George. "Dat zou ik niet kunnen dragen."
"Wees dan niet bevreesd, vriend George. Het is niet voor u, maar voor God en de menschen, dat wij het doen," antwoordde Simeon. "En nu moet gij u hier vandaag schuilhouden, en van avond tegen tien uur zal Phineas Fletcher u verder brengen naar de naaste rustplaats—u en de overigen van uw gezelschap. De vervolgers zijn dicht achter u; wij moeten niet dralen."
"Als dat zoo is, waarom dan tot van avond wachten?"
"Over dag zijt gij hier veilig, want iedereen in het dorp is een vriend en allen zijn wakende. Bovendien is het veiliger bij nacht te reizen."