De schrijfster is dikwijls door correspondenten uit verschillende gedeelten des lands gevraagd of dit verhaal waarheid bevatte; en op deze vraag wil zij een algemeen antwoord geven.
De verschillende voorvallen, waaruit dit verhaal is samengesteld, zijn grootendeels werkelijk zoo gebeurd, en vele daarvan zijn door haar of hare vrienden persoonlijk bijgewoond. Zij en hare vrienden hebben karakters waargenomen, welke het evenbeeld waren van bijna allen die hier zijn ingevoerd; en vele der gezegden zijn woordelijk opgeteekend, gelijk zij zelve die gehoord of voor waarheid vernomen had.
Het voorkomen van Eliza en het aan haar toegeschreven karakter zijn naar het leven geteekende schetsen. Van de onwankelbare trouw, godsvrucht en eerlijkheid van Oom Tom is meer dan één voorbeeld persoonlijk tot hare kennis gekomen. Eenige der aandoenlijkste en meest romaneske, alsmede eenige der schrikkelijkste tooneelen, zijn insgelijks uit de werkelijkheid overgenomen. De anecdote dat eene moeder de Ohio op het ijs overging, is een welbekend feit. De geschiedenis der "oude Prue" was een voorval dat persoonlijk door een broeder der schrijfster, toen commissie-reiziger voor een groot koopmanskantoor te Nieuw-Orleans, werd bijgewoond. Uit dezelfde bron is het karakter van den planter Legree ontleend. Van hem schreef haar broeder, na het bezoeken zijner plantage op eene commissie-reis, aldus: "Hij liet mij werkelijk zijne vuist voelen, die naar een smidshamer of een klomp ijzer geleek, en zeide mij dat die vereelt was door het neerbeuken van negers." Toen ik de plantage verliet, haalde ik diep adem, met een gevoel alsof ik uit het hol van een menschen-eter was ontkomen."
Dat het droevig lot van Tom ook dikwijls in werkelijkheid een voorbeeld heeft gehad, kunnen levende getuigen door het geheele land bevestigen. Men bedenke dat het in alle Zuidelijke staten een rechtsbeginsel is, dat geen persoon van gekleurden stam in een proces tegen een blanke kan getuigen, en men zal licht begrijpen dat er zulke gevallen kunnen voorkomen, waar aan den eenen kant een man staat wiens driften zijn eigenbelang te sterk zijn; en aan den anderen kant een slaaf, manhaftig of rechtschapen genoeg om zijn wil te wederstaan. Er is werkelijk niets dat het leven van een slaaf beveiligt, dan het karakter van zijnen meester. Gebeurtenissen, te gruwelijk om er bij stil te staan, komen nu en dan ter oore van het publiek; en de aanmerking die men dikwijls daarover hoort maken, is nog gruwelijker dan de zaak zelve. Men zegt: "Het is zeer waarschijnlijk dat zulke dingen nu en dan gebeuren, maar zij zijn geene proeven van het algemeen gebruik." Indien de wetten van Nieuw-Engeland zoo gesteld waren, dat een meester nu en dan een leerknaap kon doodmartelen, zonder dat het mogelijk was hem voor het gerecht te brengen, zou dit dan met evenveel bedaardheid worden opgenomen? Zou men dan zeggen: "Die gevallen zijn zeldzaam en geene proeven van het algemeen gebruik?" Deze onrechtvaardigheid is onafscheidelijk van het stelsel der slavernij: het eene kan niet zonder het andere bestaan.
Het openbare en schaamtelooze verkoopen van bruine en bijna blanke meisjes (mulatten en quadronen) is door de voorvallen, die op het aanhouden van "de Parel" gevolgd zijn, vooral ruchtbaar geworden. Wij deelen het volgende uittreksel mede uit de rede van Mr. Horace Mann, een der advocaten van de verweerders in dat proces. Hij zegt: "In dat gezelschap van zes en zeventig personen, die in 1848 uit het district Columbia met den schoener "de Parel" poogden te ontvluchten, welker officieren ik in hunne verdediging bijsta, bevonden zich verscheidene jonge en gezonde meisjes, wier gestalte en gelaatstrekken die bijzondere aantrekkelijkheden bezaten, die kenners op zoo hoogen prijs stellen. Elizabeth Russell was eene van deze. Zij viel terstond in de klauwen van den slavenhandelaar en werd tot de markt van New-Orleans gedoemd. De harten van die haar zagen werden door medelijden met haar lot getroffen. Zij boden achttienhonderd dollars om haar los te koopen; en sommigen waren er die zooveel aanboden, dat zij na die gift niet veel zouden hebben overgehouden; maar de duivelachtige slavenhandelaar was onverbiddelijk. Zij werd naar New-Orleans gezonden; maar toen zij halfweg daarheen was, had God barmhartigheid met haar, en schonk haar een plotselingen dood. Er waren twee meisjes, Edmundson geheeten, in hetzelfde gezelschap. Toen zij naar dezelfde markt gezonden werden, ging een andere zuster naar de "vleeschhal", om den ellendeling, wiens eigendom zij waren, om Gods wil te bidden zijne slachtoffers te sparen. Hij kortswijlde met haar, zeggende, welke fraaie kleederen en meubelen zij zouden hebben. "Ja," zeide zij, "dat mag goed zijn in dit leven, maar wat zal er in het volgende van haar worden?" Zij werden ook naar New-Orleans gezonden; maar zij werden naderhand voor een ontzaglijk rantsoen losgekocht en teruggebracht." Is het hieruit niet duidelijk dat er van de geschiedenis van Emmeline en Cassy vele voorbeelden bestaan?
De rechtvaardigheid verplicht de schrijfster ook te zeggen dat de rechtschapenheid en edelmoedigheid aan St. Clare toegeschreven niet zonder voorbeeld zijn, gelijk de volgende anecdote zal bewijzen. Eenige jaren geleden kwam te Cincinnati een jong heer uit het Zuiden met een begunstigden slaaf, die van knaap af zijn lijfbediende geweest was. De slaaf greep deze gelegenheid aan om zich zijne vrijheid te verschaffen, en nam zijn toevlucht onder de bescherming van een kwaker, die zich in zaken van dien aard zeer bekend had gemaakt. De eigenaar was ten hoogste verontwaardigd. Hij had den slaaf altijd met zooveel toegeeflijkheid behandeld, en zijn vertrouwen op diens gehechtheid was zoo groot, dat hij geloofde dat deze door kunstgrepen verleid moest zijn geworden om tegen hem op te staan. Hij ging in blakende gramschap naar den kwaker, maar was zoo billijk en rechtschapen van denkwijs, dat hij zich door de redenen van dezen man spoedig tot bedaren liet brengen. Hij zag nu eene zijde van de zaak, waarvan hij nog nooit gehoord, waaraan hij nog nooit gedacht had, en hij zeide den kwaker terstond, dat hij, als zijn slaaf in zijn gezicht wilde zeggen dat hij verlangde vrij te zijn, hem ook zou vrijlaten. De bijeenkomst had dadelijk plaats, en Nathan werd door zijnen jongen meester gevraagd, of hij ooit reden had gehad om in eenig opzicht over zijne behandeling te klagen.
"Neen meester," zeide Nathan, "gij zijt altijd goed voor mij geweest."
"Welnu, waarom wilt ge mij dan verlaten?"
"Meester kan sterven, en wie zal mij dan krijgen? Ik wilde liever een vrij man zijn."
Na eenig overleg antwoordde de jonge meester: "Nathan, in uwe plaats geloof ik dat ik eveneens zoo zou denken. Gij zijt vrij."
Hij liet dadelijk een vrijbrief voor hem opmaken, stelde den kwaker eene som gelds ter hand, ten einde met oordeel gebruikt te worden om den jonkman aan een bestaan te helpen, en liet nog een verstandigen en vriendelijken brief met raadgevingen voor hem achter. Dien brief heeft de schrijfster een tijdlang in handen gehad.
De schrijfster hoopt recht gedaan te hebben aan die edelaardigheid, grootmoedigheid en menschelijkheid, welke vele personen in het Zuiden onderscheiden. Zulke voorbeelden hebben haar voor geheele wanhoop aan het menschdom bewaard. Maar zij vraagt iedereen, die de wereld kent, of zulke karakters ergensgewoonzijn.
Gedurende vele jaren van haar leven heeft de schrijfster vermeden iets over het onderwerp der slavernij te lezen of eenig gesprek daarover te houden, daar zij het te pijnlijk achtte om het te behandelen, en hoopte dat de uitbreiding van beschaving en verlichting het vanzelf zou doen vervallen. Maar sedert de wet van 1850, toen zij met groote verbazing en verslagenheid hoorde, hoe christelijk en menschelijk denkende lieden het uitleveren van ontvluchte slaven aanbevolen als een voor goede burgers verbindende plicht, toen zij aan alle kanten, bij goedhartige, medelijdende en achtenswaardige menschen in de vrije Staten van het Noorden redeneeringen en beraadslagingen hoorde, over hetgeen in dit opzicht de plicht eens Christens wezen kon, toen kon zij niet anders denken dan: deze menschen en christenen kunnen niet weten wat de slavernij is; als zij dit deden, zou zulk een vraag nooit een onderwerp van beraadslaging kunnen zijn. En daaruit ontstond een verlangen om in eenelevende dramatische werkelijkheidte doen zien wat de slavernij is. Zij heeft gepoogd om dit onpartijdig te doen zien, van de beste en ergste zijde. Wat de beste zijde betreft, heeft zij misschien alles doen zien wat mogelijk was; maar o, wie zal zeggen wat er nog onvermeld is gebleven in die vallei der schaduw des doods, die aan de andere zijde ligt?
Op u, grootmoedige en edelaardige mannen en vrouwen van het Zuiden—op u, wier deugd, grootheid van ziel en reinheid van gemoed des te krachtiger zijn geworden door de zwaardere beproevingen die zij hebben doorstaan—op u beroept zij zich. Hebt gij niet wel in het binnenste uwer ziel en in uwe geheime gesprekken bekend, dat er ellenden en snoodheden in dat gevloekte stelsel zijn, veel grooter dan hier zijn afgeschetst of kunnen afgeschetst worden? Kan het anders zijn? Is de mensch ooit een schepsel, waaraan eene geheele onverantwoordelijke macht kan worden toevertrouwd? En maakt niet het slavenstelsel, door den slaaf alle wettig recht van getuigenis te ontzeggen, van elken slaveneigenaar een onverantwoordelijk despoot? Kan iemand buiten staat zijn te berekenen wat daarvan het werkelijke gevolg moest wezen? Indien er, gelijk wij toestemmen, eene publieke opinie bestaat onder u, mannen van eer, rechtvaardigheid en menschelijkheid, is er ook niet eene andere soort van publieke opinie onder de snooden, barbaarschen en verdierlijkten? En kan niet de barbaarsche, verdierlijkte snoodaard volgens de slavenwet evenveel slaven in eigendom hebben als de beste en edelste? Maken de rechtvaardigen, de grootmoedigen en barmhartigen ergens op deze wereld de meerderheid uit?
De slavenhandel wordt thans volgens de Amerikaansche wet als zeeroof beschouwd. Maar een slavenhandel even stelselmatig, als ooit met de kust van Afrika werd gedreven, is een onvermijdelijk gevolg der Amerikaansche slavernij. De hartverscheurende ijselijkheden daarvan,kunnenzij verhaald worden?
De schrijfster heeft slechts een flauwe afschaduwing, eene ontoereikende schets gegeven van de wanhopige zielesmart, die op dit oogenblik duizenden harten verscheurt en een hulpeloos en teergevoelig menschengeslacht tot razernij en vertwijfeling drijft. Er leven menschen, die de moeders weten te noemen, welke door dien gevloekten handel gedreven zijn om hare eigene kinderen te vermoorden, en zelve in den dood uitkomst te zoeken voor jammeren, meer gevreesd dan den dood. Geen treurspel kan er geschreven, kan er opgevoerd, kan er bedacht worden, dat de schrikkelijke werkelijkheid evenaart van de tooneelen, die iederen dag en elk uur op onze kusten worden gespeeld, onder de schaduw der Amerikaansche vlag en onder de schaduw van het kruis van Christus.
En nu, mannen en vrouwen van Amerika, is dit iets om mede te talmen, om te verontschuldigen, om er stilzwijgend de oogen voor te sluiten? Landlieden van Massachusetts, van New-Hampshire, van Vermont, van Connecticut, die dit boek leest bij de vlam van uw winteravondvuur—stoutmoedige en edelaardige zeelieden en scheepsreeders van Maine, is dit iets dat gij kunt verdedigen en bevorderen? Brave, edeldenkende mannen van New-York, landlieden aan de rijke en vroolijke Ohio, en gij, die de uitgebreide Prairiën bewoont, antwoordt: is dit iets, dat gij kunt beschermen en goedkeuren? En gij, moeders van Amerika, die bij de wieg van eigen kinderen gevoel en liefde voor alle menschen hebt geleerd—bij de heilige liefde die gij uwe kinderen toedraagt, bij uwe blijdschap in die schoone, onbevlekte kindsheid, bij de moederlijke teederheid en meedoogendheid waarmede gij de opgroeiende jeugd geleidt, bij de zorgen der opvoeding, bij de gebeden die gij voor het zieleheil van uw kroost ontboezemt, smeek ik u, hebt medelijden met de moeder, die evenveel liefde voelt als gij, en geen enkel wettig recht bezit om het kind van haar hart te beschermen, te leiden en op te voeden. Bij het ziekbed van uw kind, bij die stervende oogen, die gij nooit vergeten kunt, bij die laatste kreten, die u het hart doorboorden, toen gij helpen noch redden kondt, bij de akeligheid van die ledige wieg, van die stille kinderkamer, smeek ik u, hebt medelijden met die moeders die door den Amerikaanschen slavenhandel gedurig kinderloos worden gemaakt. En zegt, moeders van Amerika, is dat iets om te verdedigen, om goed te keuren, om er stilzwijgend de oogen voor te sluiten?
Zegt gij dat de bevolking der vrije Staten niets daarmede te maken heeft, en niets daaraan doen kan? Gave God, dat dit de waarheid ware. Maar het is de waarheid niet. De bevolking der vrije Staten heeft verdedigd, aangemoedigd, deelgenomen en is dáárin schuldiger voor God, dan het Zuiden, dat zij zich niet met opvoeding en geboorte kan verschoonen.
Indien de moeders der vrije Staten in vroeger tijd dat gevoel hadden gekoesterd, dat zij behoord hadden te koesteren, zouden de zonen der vrije Staten geene eigenaars van slaven zijn geweest, en niet door het spreekwoord de hardste meesters genoemd zijn; zouden de zonen der vrije Staten de uitbreiding der slavernij in ons staatslichaam niet geduld hebben; zouden de zonen der vrije Staten geen handel drijven, gelijk zij doen, in menschelijke zielen en lichamen, als een equivalent voor geld bij betalingen. Eene menigte van slaven wordt tijdelijk het eigendom en wederom verkocht door kooplieden in de Noordelijke steden, en zal dan de geheele schuld en schande der slavernij alleen op het Zuiden vallen?
De mannen, moeders en christenen in het Noorden hebben iets meer te doen, dan hunne broeders in het Zuiden aan te klagen; zij hebben naar het kwaad onder zich zelven te zien.
Maar wat kan een enkel persoon doen? Daarover kan ieder voor zich zelven oordeelen. Iets is er dat ieder afzonderlijk persoon doen kan, hij kan toezien dat hij zelf het rechte gevoel koestert. Een atmosfeer van sympathetischen invloed omringt ieder menschelijk wezen; en hij die een krachtig, gezond en waar gevoel voor de groote belangen der menschheid koestert, is een bestendig weldoener van het menschelijk geslacht. Zie dan toe, welk gevoel gij in dat opzicht aankweekt. Is dat gevoel in overeenstemming met het gevoel van Christus, of wordt het geslingerd en gewijzigd door de spitsvondigheden van aardschgezinde overleggingen?
Christelijke mannen en vrouwen in het Noorden, nog meer. Gij hebt nog een ander vermogen, gij kunt bidden. Gelooft gij aan het gebed? Of is het eene onduidelijke apostolische overlevering geworden? Gij bidt voor de heidenen buitenlands, bidt ook voor de heidenen tehuis. En bidt voor die verdrukte christenen, wier geheele kans op godsdienstige voorrechten van de toevalligheden van handel en verkoop afhangt—voor wie het getrouw blijven aan de zedenleer des Christendoms veeltijds eene onmogelijkheid is, tenzij hun van boven moed gegeven worde, om het martelaarschap te verwachten.
Maar nog meer. Op de kusten onzer vrije Staten komen gedurig verstrooide overblijfselen van familiën aan, mannen en vrouwen, die met wonderbare hulp der Voorzienigheid de slavernij zijn ontvlucht, zwak in kennis, veeltijds ook zwak in zedelijke beginselen, tengevolge van een stelsel, dat alle beginselen van zedelijkheid en Christendom verwart en verdonkert. Zij komen een schuilplaats onder u zoeken; zij komen opleiding, kennis, Christendom zoeken.
Wat zijt gij aan die ongelukkigen verschuldigd, o christenen? Is niet ieder Amerikaansche christen aan den Amerikaanschen stam eene poging verschuldigd om het kwaad te herstellen, dat het Amerikaansche volk daarover gebracht heeft? Zullen de deuren van kerken en scholen voor hen gesloten zijn? Zullen de Staten opstaan en hen van zich afschudden? Zal de kerk van Christus stilzwijgend den smaad hooren, die op haar geworpen wordt, en zich terugtrekken van de hulpbehoevende handen die zij uitstrekken, en door haar stilzwijgen de wreedheid aanmoedigen, die hen van onze grenzen wil verjagen?
Als het zóó wezen moet, zal het een droevig schouwspel zijn. Als het zóó wezen moet, zal het land reden hebben om te beven, wanneer het bedenkt dat het lot der volken in de handen is van Eenen, die zeer barmhartig is en vol teeder mededoogen.
Zegt gij: "Wij hebben hen hier niet noodig; laten zij naar Afrika gaan?"
Dat Gods voorzienigheid een toevluchtsoord in Afrika heeft bereid, is inderdaad een groot opmerkenswaardig feit, maar het is geene reden, waarom de kerk van Christus die verantwoordelijkheid voor dat geslacht van ballingen van zich af zou werpen, welke hare belijdenis haar oplegt.
Liberia te vullen met een onkundig, onervaren, half barbaarsch geslacht, pas aan de boeien der slavernij ontkomen, zou niet anders zijn dan dat tijdperk van strijd en worsteling, dat het begin van nieuwe ondernemingen vergezelt, voor eeuwen te verlengen. Laat de kerk van Christus in het Noorden die arme lijders in den geest van Christus ontvangen, hun deel geven aan de voorrechten eener christelijke maatschappij, hen in de scholen onderwijzen, tot zij eenigszins tot zedelijke en verstandelijke rijpheid zijn gekomen, en hen dan helpen om naar die kusten over te steken, waar zij de lessen, die zij in Amerika ontvangen hebben, in praktijk kunnen brengen.
Er bestaat in het Noorden eene vereeniging van menschen, bij vergelijking gering in getal, die dit gedaan hebben; en als een gevolg daarvan heeft men er reeds voorbeelden van gezien dat personen, die vroeger slaven waren, in korten tijd vermogen, een geachten naam en kundigheden verwierven. Er hebben zich talenten ontwikkeld, die, de omstandigheden in aanmerking nemende, voorzeker opmerkenswaardig zijn; en door trekken van eerlijkheid, goedhartigheid, teederheid van gevoel, door heldhaftige pogingen en proeven van zelfverloochening, verduurd ter verlossing van nog in slavernij verkeerende broeders en vrienden, hebben zij zich onderscheiden op eene wijze, die, indien men den invloed waaronder zij geboren werden overweegt, inderdaad verbazend mag genoemd worden.
De schrijfster heeft vele jaren lang op de grenslinie der slavenstaten gewoond, en heeft veel gelegenheid tot waarnemingen gehad onder hen, die vroeger slaven waren. Zij zijn als dienstboden in hare familie geweest; en bij gebrek aan eene andere school om hen op te nemen, heeft zij hen veelal in een huishoudelijke school met hare kinderen onderwezen. Zij heeft ook het getuigenis der zendelingen onder de vluchtelingen in Canada, die met hare eigene ondervinding overeenstemt; en de gevolgtrekkingen ten aanzien der vatbaarheid van dezen stam, welke zij daaruit kan afleiden, zijn ten hoogste bemoedigend.
Het eerste verlangen der geëmancipeerde slaven is gewoonlijk opvoeding. Er is niets dat zij niet gewillig zijn te geven of te doen, om hunne kinderen onderwezen te hebben; en in zooverre de schrijfster zelve heeft waargenomen en het getuigenis van leermeesters onder hen heeft ingewonnen, zijn zij bijzonder schrander en vlug in het leeren. De ondervinding in de scholen, door weldadige personen te Cincinnatie voor hen gesticht, bevestigt dit ten volle.
De schrijfster deelt op het gezag van professor C. E. Stowe, toenmaals van het Lane Seminary in Ohio, het volgende verslag mede ten aanzien van geëmancipeerde slaven, thans te Cincinnatie woonachtig, waaruit blijken kan welke vatbaarheden deze stam aan den dag legt, zelfs zonder eenige bijzondere hulp of aanmoediging.
Alleen de voorletters der namen worden opgegeven. Zij zijn allen teCincinnatie woonachtig.
"B.—Meubelmaker; twintig jaren in deze stad; bezit een vermogen van twintig duizend dollars, alles door eigen arbeid gewonnen; Baptist.
C.—Geheel zwart, uit Afrika gestolen, te New-Orleans verkocht; vijftien jaren vrij geweest, betaalde voor zich zelven zes honderd dollars; landman, eigenaar van verscheidene hoeven in Indiania; Presbyteriaan; waarschijnlijk een vermogen van vijftien tot twintig duizend dollars; alles door hem zelven gewonnen.
K.—Geheel zwart, koopman, vermogen dertig duizend dollars; ongeveer veertig jaren oud, zes jaren vrij; betaalde achttienhonderd dollars voor zijne familie; Baptist; ontving een legaat van zijn meester, dat hij goed beheerd en vermeerderd heeft.
"G.—Geheel zwart, kolenkooper, omtrent dertig jaren oud; vermogen achttien duizend dollars, betaalde tweemaal voor zich zelven, daar hij eens voor eene som van zestien honderd dollars werd opgelicht; won al zijn geld door eigene inspanning—gedeeltelijk terwijl hij slaaf was, daar hij zijn tijd van zijn meester huurde en voor zich zelven zaken deed. Een knap fatsoenlijk man.
"W.—Drie vierde zwart, barbier en oppasser uit Kentucky; negentien jaren vrij; betaalde voor zich zelven en zijne familie over de drie duizend dollars, vermogen twintig duizend dollars, alles eigen verdienste; ouderling in de Baptistenkerk.
"C.D.—Drie vierde zwart, stukadoor, uit Kentucky; negen jaren vrij; betaalde vijftienhonderd dollars voor zich zelven en zijne familie; onlangs gestorven, zestig jaren oud; vermogen zes duizend dollars."
Professor Stowe zegt: "Met deze allen, G. uitgezonderd, ben ik eenige jaren persoonlijk bekend geweest, en mijne opgaven zijn op eigene waarneming gegrond.
De schrijfster herinnert zich zeer wel eene bejaarde gekleurde vrouw die als waschvrouw in de familie van haren vader werd gebezigd. De dochter dezer vrouw trouwde met een slaaf. Zij was eene bijzondere vlijtige en handige, jonge vrouw, en door hare naarstigheid en zuinigheid en de standvastige zelfverloochening, bracht zij negenhonderd dollars voor de vrijheid van haren man bijeen, die zij, naarmate zij het geld bekwam, aan zijnen meester betaalde. Zij kwam nog honderd dollars voor den prijs te kort, toen hij stierf. Zij kreeg nooit iets van het geld terug.
Dit zijn slechts eenige voorbeelden uit eene menigte die aangevoerd konden worden, ten bewijze van de zelfverloochening, geestkracht, volharding en eerlijkheid, welke de slaaf in den staat van vrijheid heeft betoond.
Men bedenke bovendien dat het den gemelden personen gelukt is tot een betrekkelijken rijkdom en eene maatschappelijke positie te verheffen, in weerwil van allerlei ontmoedigende bezwaren. De kleurling mag, volgens de wet van Ohio, geen stemrecht hebben, en tot voor weinige jaren was hem zelfs het getuigenisgeven in rechtszaken tegen een blanke ontzegd. Ook zijn deze voorbeelden niet tot den Staat Ohio beperkt. In alle Staten der Unie ziet men menschen, die pas gisteren de boeien der slavernij verbroken hebben, zich door eigene krachtsinspanning, die men niet te zeer bewonderen kan, tot hoogst achtenswaardige betrekkingen in de maatschappij verheffen. Jennington, onder de geestelijken, Douglas en Ward onder de uitgevers van letterkundige werken, zijn welbekende voorbeelden.
Indien de leden van dezen vervolgden stam, tegen allerlei ontmoedigende bezwaren in, zooveel gedaan hebben, hoeveel zouden zij dan kunnen doen, indien de christelijke kerk hen in den geest van haren Heere wilde behandelen!
Dit is eene eeuw, waarin de volken beroerd en geschokt worden. Er heerscht een machtige invloed, die de wereld als door een aardbeving doet golven en zwoegen. En is Amerika veilig? Elke natie, welke in haren boezem eene groote, onherstelde onrechtvaardigheid omdraagt, staat voor zulke stuiptrekkingen bloot.
Want wat is die machtige invloed, die aan natiën en tongen dat kermen om de vrijheid en gelijkheid van de menschen afperst, dat zich niet anders uiten kan?
O, kerk van Christus, lees de teekenen der tijden. Is die macht niet de geest van Hem, Wiens koninkrijk nog komen moet en Wiens wil op aarde moet geschieden gelijk in den hemel?
Maar wie zal den dag zijner toekomst verdragen! "Want die dag zal brandende zijn als een oven, en Hij zal een snel getuige zijn tegen hen, die het loon des daglooners met geweld inhouden, die de weduwe, en de wees, en denvreemdelinghet recht verkeeren; en Hij zal de onderdrukkers verbreken."
Zijn dit geene geduchte woorden voor een volk dat zulk een ontzettend onrecht in den boezem draagt? Christenen, wanneer gij bidt dat het koninkrijk van Christus komen moge, kunt gij dan die profetie vergeten, welke dendag der wraakin een geducht verband brengt met het jaar zijner verlosten?
Eén dag van genade wordt ons nog aangeboden. Beide, het Noorden en het Zuiden, zijn schuldig voor God, en de christelijke kerk heeft een zware verantwoording te doen. Niet door samen te spannen om onrecht en wreedheid te beschermen en een gemeenschappelijk kapitaal van zonde te maken, kan deze Unie gered worden,—maar door berouw, rechtvaardigheid en barmhartigheid; want niet vaster is de eeuwige wet, volgens welke een molensteen in de zee verzinkt, dan die nog sterkere wet, volgens welke onrecht en wreedheid den toorn des Almachtigen over de volken zullen brengen!
Waarin de lezer een menschlievend man leert kennenDe moederDe echtgenoot en vaderEen avond in de hut van Oom TomWat levende koopwaar gevoelt bij verwisseling van eigenaarDe ontdekkingMoederangst en moederkrachtEliza's ontsnappingWaarin het blijkt dat een senator niet meer dan eenmensch isDe gekochte waar wordt weggehaaldWaarin een slaaf voorkomt die geen slaaf meer isEen proefje van wat er in den wettigen handel voorkomtDe kwakersEvangelineOver Toms nieuwen meester en andere dingenToms nieuwe meesteres en hare gevoelensEen vrij man, die zijne vrijheid verdedigtMiss Ophelia aanvaardt hare taakGeschiedenis van St. ClareTopsyKentuckyHet gras verdort—de bloem verwelktHenriqueVoorteekenenDe kleine EvangelistDood"Dit is het laatste van de aarde", John Q. AdamsHereenigingDe NalatenschapHet slavenmagazijnDe overtochtDuistere plaatsenCassyGeschiedenis der QuadroneDe gedachtenissenEmmeline en CassyVrijheidDe overwinningKrijgslistenDe MartelaarDe jonge MeesterEene authentieke spookhistorieDe afloopDe bevrijdersNaschrift
[1] Kortheidshalve zeggen de Amerikanentradeentradervoorslave-tradeenslave-trader; deze uitdrukkingen schijnen de zaak tevens eenigszins te moeten verzachten en bewimpelen. Om beide redenen gebruiken wij hier ook handel en handelaar voor slavenhandel en slavenhandelaar.
[2] Een werktuig van dien aard was inderdaad de uitvinding van een jongen kleurling in Kentucky.
[3] Van de slavenstaten tot in Canada wonen hier en daar vijanden van den slavenhandel, meestal van de gezindheid der Kwakers, die samenwerken om gevluchte slaven voort te helpen en in veiligheid te brengen. Deze vereeniging heeft door hare snelle en verborgene werkzaamheid den naam van onderaardschen spoorweg (underground line) verworven. Vertaler.
[4] Dr. Joël Parker, van Philadelphia.
[5] De schommelstoelen (rocking-chairs) zijn hier zoo weinig bekend, dat wel mag opgemerkt worden, dat zij niets anders zijn dan leunstoelen op een onderstel, als eene wieg, bevestigd, zoodat men daarop zittende, zich zachtjes voor- en achterover kan laten schommelen. In Noord-Amerika houdt men deze beweging voor gezond, en zijn zulke stoelen in algemeen gebruik. Vertaler.
[6] Men denke hier en elders aan de inrichting van de Amerikaansche rivierstoombooten, die over het geheele dek een op palen rustende galerij of bovendek hebben, dat vooral tot wandelplaats dient. Vertaler.
[7] Dag van toorn.—De Latijnsche woorden zijn gekozen als toespeling op het begin van een oud kerklied, dat den dag van het laatste oordeel ten onderwerp heeft.
[8] Gedenk, o goddelijke Jezus, dat ik de oorzaak ben van Uwen weg, (dat Gij ook voor mij zijt gekomen), opdat Gij mij niet laat verloren gaan op dien dag; mij zoekende hebt Gij vermoeid nedergezeten. Gij hebt mij verlost door het lijden des kruises; laat zooveel arbeid niet vruchteloos zijn geweest.
[9] De zin van dit liedje, in zooverre het zin heeft, is:
Meester zag mij een bever vangen. Hij lachte om te bersten,Ziet gij de maan?