VII.Stubener had er niet veel tijd voor noodig, te weten te komen, dat Glendon het aantal ronden wilde uitbreiden, maar wat hij ook deed, hij kreeg geen enkele aanwijzing omtrent het juiste cijfer.Hij verloor echter geen tijd en kwam in stilte een en ander overeen met Nat Powers en den manager van Nat Powers.Powers had een trouw gevolg van gokkers en aan het weddende publiek mocht de oogst niet ontgaan.Op den avond van de match maakte Maud Sangster zich schuldig aan iets, dat meer gedurfd dan ooit tegen de conventie inging, ofschoon er zelfs geen gefluisterd woord over naar buiten kwam om de wereld op te doen schrikken.Onder bescherming van den redacteur nam zij een plaats in bij den ring. Haar haar en het grootste deel van haar gelaat warenverborgen onder een slappen hoed, terwijl zij een lange mannenregenjas aanhad, die tot op haar hielen hing. Zij bleef in het dichte gedrang en werd zoodoende niet opgemerkt; en zelfs de journalist die, op de plaats van de pers bij den ring, vlak tegenover haar zat, herkende haar niet.Zooals meer en meer de gewoonte was, gingen er geen andere bokspartijen vooraf; Maud had nauwelijks plaats genomen of luid applaus kondigde de komst aan van Nat Powers. Hij kwam de galerij af te midden van zijn secondanten en zij was bijna ontsteld over zijn geweldige forschheid. Toch sprong hij zoo licht overdetouwen als een man, die half zijn gewicht had en beantwoordde met een grinnikkenden lach de rumoerige begroeting, die uit het gansche gebouw oprees. Hij was niet mooi. Twee ooren als bloemkoolen teekenden zijn beroep en de woestheid die er bij behoorde, terwijl zijn gebroken neus zoo dikwijls over zijn gezicht uitgespreid was geweest alsof hij een staal moest geven van de dokterskunst die hem gerepareerd had.Een nieuwe uitbarsting kondigde de komst van Glendon aan en zij nam hem gretigwaar, terwijl hij door de touwen naar zijn hoek ging. Doch eerst, toen de langdurige tijd van voorstellen, aankondigen en uitdagen voorbij was, gooiden de beide mannen hunne mantels uit en stonden tegenover elkaar in boks-kostuum.Van boven viel de witte glans van vele electrische lampen over hen heen—dit ter wille van de film-opnemers; en terwijl zij naar de twee mannen keek, die zulk een scherp contrast vormden, voelde zij Glendon den beschaafden man en Powers den ongelikten beer. Beiden voldeden aan die benaming—Glendon fijnbesneden van gezicht en gestalte, van een zachte en tegelijk krachtige schoonheid, Powers bijna gelijkmatig ruw van huid en zwaar begroeid met haar.Terwijl zij hun inleidenden stand innamen voor de camera's, tegenover elkaar in bokshouding, gebeurde het, dat Glendon's blik onder de touwen doorging en op haar gezicht bleef rusten. Ofschoon hij geen teeken gaf, wist zij, en haar hart sprong er bij op, dat hij haar herkend had. Het volgend oogenblik klonk de gong, de aankondiger riep:“Vooruit!” en het gevecht begon.Het was een mooie strijd. Er was geenbloed, geen geknoei en beiden waren bekwame boksers. De helft van de eerste ronde verliep met aanvoelen, maar Maud Sangster vond het spel en de schijnstooten en de zachte slagen met de handschoenen opwindend genoeg. Gedurende enkele van de woestere aanvallen in een later stadium van den strijd, was de redacteur gedwongen, haar arm aan te raken om er haar aan te herinneren wie zij was en waar zij was.Powers vocht gemakkelijk en zuiver, zooals behoorde voor den held van een half honderd ringgevechten en een bewonderende claque beklapte elken knappen stoot van hem.Toch spande hij zich niet noodeloos in, behalve bij enkele vurige aanvallen, die het publiek op deden rijzen in de verkeerde meening, dat hij zijn tegenstander onder zou krijgen.Het was op zulk een oogenblik, en terwijl het aan haar ongewende blikken ontsnapte, hoe Glendon maar juist aan een ernstige kwetsuur ontkwam, dat de redacteur zich naar haar overboog en zeide:“Jonge Pat zal best winnen. Hij is een geluksvogel en ze kunnen hem niet onderkrijgen.Maar hij wint in de zestiende, eer niet.”“Of later?” vroeg zij.Zij lachte bijna om de zekerheid waarmee de ander ontkende. Zij wist beter.Powers volgde de taktiek om zijn tegenstander van oogenblik tot oogenblik en van ronde tot ronde op te jagen en Glendon nam er genoegen mee aan dit programma mede te werken. Zijn verdediging was bewonderenswaard en hij bracht er juist genoeg aanvalstooten in om de belangstelling van het publiek te prikkelen. Ofschoon hij wist dat hij voorbestemd was, te verliezen, had Powers te veel ondervinding van den ring om te aarzelen zijn tegenstander neer te slaan als de gelegenheid zich aanbood. Hij was te dikwijls uitgekomen als de bedrogen bedrieger om zich te ontzien, wanneer hij er anderen in kon laten loopen. Als hij er kans toe zag, was hij bereid den ander neer te slaan en de gokkers te laten stikken. Dank zij slimme courantenberichten, heerschte het denkbeeld, dat Jonge Glendon eindelijk zijn meester had gevonden. Maar in zijn hart wist Powers, dat hij 't was, die tegenover zijn meerdere stond. Meer dan eens bij hetvlugge invechten, voelde hij het gewicht van stooten, waarvan hij wist, dat ze met opzet niet zwaarder aankwamen.Wat Glendon betreft, er waren vele oogenblikken, waarin de kleinste vergissing in zijn oordeel hem blootgesteld zou hebben aan één der voorhamer-stooten van zijn tegenstander, waardoor hij den strijd zou verliezen. Doch hij bezat de bijna wonderlijke macht om precies tijd en afstand te berekenen en zijn vertrouwen werd niet geschokt door de vele malen, dat hij maar nauw ontkwam. Hij had nooit een partij verloren, was nooit neergeslagen door een eindstoot en hij was altijd zoo volkomen de meerdere geweest van elken tegenstander, dat zulk een mogelijkheid ondenkbaar was. Aan het eind van de vijftiende ronde waren beide mannen in goede conditie, ofschoon Powers ietwat zwaar ademhaalde en er mannen vlak bij den ring waren, die wedden dat hij ”'t op zou geven.”Even voordat de gong voor de zestiende ronde sloeg, fluisterde Stubener van achteren af over Glendon heenleunend, hem in:“Neem je hem nu?”Glendon gaf zijn hoofd een duw naarachteren, schudde neen en lachte spottend in het gespannen gezicht van zijn manager.Bij den gongslag voor de zestiende ronde, zag Glendon in verbazing, hoe Powers loskwam. Van de eerste seconde af was het een stormwind van aanvallen en Glendon had groote moeite aan ernstig letsel te ontkomen. Hij blokte, greep vast, dook, deed zijstappen, werd achteruit gedrongen tegen de touwen en met nieuwe aanvalstooten ontvangen, toen hij naar het midden zocht te komen.Verscheidene malen gaf Powers kans op een eindstoot, maar Glendon weigerde den bliksemsnellen stoot toe te brengen, die zijn tegenstander zou doen neervallen. Dien stoot bewaarde hij voor twee ronden later. In het gevecht had hij geen oogenblik zijn volle kracht ingespannen of zoo zwaar gestooten als hij kon.Twee minuten lang, zonder eenige tusschenruimte, ging Powers hem met volle kracht te lijf. Een minuut later zou de ronde voorbij zijn en het wed-syndicaat leelijk gedupeerd. Maar die minuut zou niet komen. Zij waren tezamen in het midden van den ring. Het was een gewone clinch als meerin het gevecht was voorgekomen, alleen maakte Powers het ieder oogenblik woester en ruwer.Glendon bracht zijn linkerhand in een zijdelingschen maar lichten stoot tegen het gezicht van den ander. Het was een stoot, zooals hij er al twintig in den loop van het gevecht had toegebracht. Tot zijn verbazing zag hij Powers slap worden in zijn armen en ineenzakken op wankelende, doorknikkende beenen, die weigerden zijn gewicht te dragen. Hij viel met een doffen slag op den grond, rolde half op zijn zijde en lag roerloos, met gesloten oogen. De scheidsrechter boog over hem heen en telde luid op.Bij den kreet “Negen!” beefde Powers en deed een vergeefsche poging om op te staan.“Tien!—en uit!” riep de scheidsrechter.Hij nam Glendon's hand en hield die omhoog naar het juichende publiek, ten teeken dat hij de overwinnaar was. Voor het eerst in zijn boksers-leven was Glendon als verbijsterd. Het was geen eindstoot geweest. Daar kon hij zijn leven onder verwedden. Hij was niet tegen de kaak aangekomen, maar tegen de kant van het gezicht en hijwist dat de stoot daar had geraakt en nergens anders. Toch was de man gevallen, had laten tellen en had 't alles prachtig gesimuleerd. Die slag op den grond was een overtuigend meesterstuk geweest. Voor het publiek was het ontwijfelbaar een eindstoot geweest en de films zouden den leugen verder brengen. Ten slotte had de redacteur den juisten loop voorspeld en er zat geknoei achter.Glendon schoot een vluchtigen blik door de touwen naar het gezicht van Maud Sangster. Zij keek hem recht aan, doch hare oogen waren koud en hard en er was noch herkenning noch eenige andere uitdrukking in. Zelfs terwijl hij haar aankeek, wendde zij zich onverschillig af en zeide iets tot den man naast haar.Power's secondanten droegen hem naar zijn hoek, in schijn een slap wrak van een man. Glendon's secondanten kwamen naar hem toe om hem geluk te wenschen en zijn handschoenen uit te trekken. Maar Stubener was hen vóór. Zijn gezicht straalde, terwijl hij Glendon's rechterhandschoen in zijn beide handen nam met den uitroep:“Beste jongen, Pat! Ik wist wel, dat je 't doen zoudt.”Glendon trok zijn handschoen weg. En voor het eerst in de jaren, dat zij samen waren geweest, hoorde zijn manager hem vloeken.“Je kunt naar de hel loopen,” zeide hij, keerde zich om en stak zijn handen uit naar zijn secondanten om zijn handschoenen te laten uittrekken.VIII.Dien avond, nadat de redacteur haar nog eens afdoende gezegd had, dat er geen eerlijk boksen bestond onder de prijs-vechters, zat Maud Sangster een poosje in stilte te schreien op den rand van haar bed, werd toen boos, en ging slapen met een gevoel van ontzettende walging van zichzelf, prijs-boksers en de wereld in het algemeen.Den volgenden middag begon zij een interview met Henry Addison uit te werken, dat bestemd was, nimmer tot een einde te komen. Het was in de aparte kamer, die haar was afgestaan op het bureau van de Courier Journal dathetgebeurde. Zij hield een oogenblik op met schrijven om een blik te werpen op een berichtje in de middageditie, dat Glendon uit zou komen tegen Tom Cannam, toen één van de loopjongens eenkaartje binnenbracht. Het was van Glendon.“Zeg, dat ik niet te spreken ben,” zeide zij tot den jongen.In een minuut was hij terug.“Hij zegt, dat hij in elk geval binnenkomt, maar hij wou 't liever met uw toestemming doen.”“Heb je gezegd, dat ik aan 't werk was?”vroeg zij.“Ja, maar hij zei dat hij tòch binnenkwam.”Zij gaf geen antwoord en de jongen ratelde voort met oogen blinkend van bewondering voor zoo'n gewichtig bezoeker.“Ik ken 'm. 't Is 'n verschrikkelijke groote kerel. Als hij goed te keer gaat, slaat hij alles op 't kantoor kort en klein. 't Is Jonge Glendon, die gisteravond gewonnen heeft met boksen.”“Goed dan. Breng hem binnen. Ik wou liever niet dat alles op het bureau kort en klein geslagen werd.”Toen Glendon binnentrad, werden geen groeten gewisseld. Zij was koud en ongastvrij als een grauwe dag en noodigde hem niet uit te gaan zitten of toonde niet met hareoogen hem te herkennen; zij zat half van hem afgewend vóór haar lessenaar in afwachting dat hij zou zeggen, waarvoor hij kwam. Hij liet niet merken, hoe deze hooghartige ontvangst hem aandeed, maar begon dadelijk over zijn onderwerp.“Ik wil u spreken,” zeide hij kortaf.“Die partij gisteravond, die eindigde toch in die ronde.”Zij haalde haar schouders op.“Ik wist dat dat zou gebeuren.”“Dat wist u niet,” viel hij scherp uit. “U wist 't niet. Ik wist 't niet.”Zij keerde zich om en keek hem aan met een gezicht alsof de zaak haar verveelde.“Wat doet het er toe?” vroeg zij. “Prijs-boksen is prijs-boksen en wij weten allemaal wat dat beteekent. De partij eindigde in de ronde, die ik u genoemd had.”“Dat is zoo,” gaf hij toe. “Maar u wist 't niet vooruit. In de heele wereld waren u en ik tenminste twee menschen, die wisten, dat Powersnietneergeslagen zou worden in de zestiende.”Zij bleef zwijgen.“Ik zeg, dat u 't niet vooruit wist.” Hijsprak op dringenden toon en toen zij nog weigerde te spreken, deed hij een stap naar haar toe. “Geef antwoord,” gebood hij.Zij knikte.“Maar hij werd verslagen,” hield zij vol.“Dat is niet waar. Hij was in 't geheel niet verslagen. Begrijpt u dat? Ik zal u er alles van vertellen en u zult luisteren. Begrijpt u dat? Ik heb u niet belogen. Ik was een dwaas en ze hielden mij voor den gek en u met mij. U dacht, dat hij werd neergeslagen. Maar de stoot, dien ik toebracht, was daarvoor niet zwaar genoeg. En ik raakte hem niet eens op de goede plaats. Hij deed iedereen gelooven dat 't zoo was. Hij simuleerde dien eindstoot.”Hij zweeg en keek haar verwachtend aan. En op een of andere wijze wist zij, met een schok en een trilling, dat zij hem geloofde, en zij voelde zich doordrongen van warm geluk nu deze man, die niets voor haar beteekende en dien zij maar tweemaal in haar leven gezien had, in hare oogen in zijn eer hersteld was.“Nu?” vroeg hij en opnieuw beefde zij voor zijn dwingenden toon.Zij stond op en haar hand ging naar de zijne.“Ik geloof u,” zeide zij. “En ik ben blij, héél blij.”Haar hand werd langer vastgehouden dan zij bedoeld had. Hij keek haar aan met glanzende oogen, waarop de hare onwillekeurig het antwoord gaven. Nooit heeft er zoo'n man bestaan, dacht zij. Zij sloeg 't eerst de oogen neer en de zijne volgden, zoodat, evenals den vorigen keer, beiden keken naar de handen, die in elkaar lagen. Hij maakte een beweging van zijn geheele lichaam in haar richting, impulsief en onwillekeurig alsof hij haar naar zich toe wilde trekken; toen, blijkbaar met inspanning, schokte hij terug. Zij zag het en voelde den dwang van zijn hand toen deze haar naar zich toe wilde trekken. En tot haar verwondering voelde zij het verlangen om toe te geven, het bijna overweldigende verlangen om in de sterke ronding van zijn armen te worden getrokken. En wanneer hij aangehouden had, wist zij, dat zij niet weerstreefd zou hebben. Zij was bijna duizelig toen hij terugschokte en met een greep van zijn vingers, die de hare bijna verbrijzelde, haarhand liet vallen, ze wegslingerde bijna. “God!” hijgde hij. “Je bent voor mij gemaakt.”Hij keerde zich een weinig van haar af en wreef met zijn hand langs zijn voorhoofd. Zij wist, dat zij hem voor altijd zou haten, wanneer hij 't waagde, één stamelend woord van verontschuldiging of verklaring te willen geven. Zij zonk terug in haar stoel en hij in een andere, zoodat hij tegenover haar kwam te zitten aan den hoek van de lessenaar.“Ik ben gisteravond in een Turksch Bad geweest,” begon hij. “Daar heb ik een ouden afgeleefden bokser bij mij laten komen. Hij was in vroeger dagen een vriend van mijn vader geweest. Ik wist, dat er niets was, wat den ring betrof, dat hij niet wist en ik bracht hem aan het praten. Het grappigste was, dat ik alle moeite had, hem ervan te overtuigen, dat ik de dingen niet wist waar ik naar vroeg. Hij noemde mij de baby in 't woud. En ik geloof, dat hij gelijk had. Ik ben opgegroeid in 't woud en het woud is 't eenige, waar ik iets van weet.Nu dan, ik kreeg gisteravond mijn opvoedingvan dien ouden man. De ring is nog veel meer verrot dan u mij gezegd heeft.Het schijnt dat iedereen, die er mee in verbinding staat, meedoet aan de knoeierijen. De opnemers, die de eerste boksverloven uitreiken bedriegen de promotors, en de promotors, managers en boksers bedriegen elkander en het publiek. Er bestaat een heel systeem voor aan den éénen kant en aan den anderen kant is er altijd—weet u wat “the double cross” is?1(Zij knikte.) “Nu 't schijnt dat zij geen kans voorbij laten gaan om elkander “the double cross” te geven.De vuiligheid, die de man mij vertelde, benam mij den adem. En ik ben er al jaren midden in geweest zonder er iets van te weten. Ik was werkelijk de baby in 't woud.Maar nu zie ik hoe ze mij zoo voor den gek konden houden. Ik was zoo gemaakt, dat niemand mij onder kon krijgen. Ik was bestemd om te winnen en dank zij Stubener werd al het geknoei van mij gehouden. Vanmorgenklampte ik Spider Walsh aan en bracht hem aan 't praten. Hij was mijn eerste trainer, ziet u en hij volgde Stubener's instructies. Zij hielden mij onwetend. Bovendien ging ik niet om met de sportwereld. Ik bracht mijn tijd door met jagen en visschen en proeven nemen met cameras' en zoo. Weet u hoe Walsh en Stubener mij onder elkaar noemden?—de Maagd. Dat heb ik pas vanmorgen van Walsh gehoord en 't was of hij me een kies trok. En ze hadden gelijk. Ik was een onschuldig lammetje.En Stubener gebruikte mij ook voor 't geknoei, maar ik wist er niets van. Ik kan 't nu overzien en begrijpen hoe het in zijn werk ging. Maar ziet u, ik stelde niet genoeg belang in de wedstrijden om achterdochtig te zijn. Ik was geboren met een goed lichaam en een koel hoofd, ik werd buiten grootgebracht en ik werd onderwezen door mijn vader, die meer van boksen wist dan eenig ander mensch, levend of dood. Het was te gemakkelijk. De ring nam mij niet heelemaal in beslag. Er was nooit twijfel aan den uitslag. Maar nu heb ik er genoeg van.”Zij wees op het bericht, waarin zijn match niet Tom Cannam werd aangekondigd.“Dat is Stubener's werk,” verklaarde hij. ”'t Is al maanden geleden besloten. Maar dat kan mij niet schelen. Ik ga naar de bergen. Ik ben er uitgegaan.”Zij keek naar het onafgemaakte interview op den lessenaar en zuchtte.“Mannen zijn toch heerschers,” zeide zij. “Meesters van het bestaan. Zij doen wat zij willen.—”“Naar wat ik gehoord heb,” viel hij in, “heeft u ook tamelijk wel gedaan wat u wilde. En dat is één van de deugden waarom ik van u houd. En wat mij sterk getroffen heeft van het begin af, is, dat u en ik elkander begrijpen.”Hij brak af en keek haar aan met glanzende oogen.“De ring heeft toch één ding voor mij gedaan,” ging hij voort. “Ik leerde er u door kennen. En als je die ééne vrouw vindt, dan is er maar één ding te doen. Haar in je beide handen te nemen en niet los te laten. Kom, laat ons naar de bergen gaan.”Het kwam plotseling, als een donderslag, en toch voelde zij, het verwacht tehebben. Haar hart sprong op, zoodat zij op een vreemde heerlijke manier bijna stikte. Dit ten minste was de wraak van een eenvoudig, oorspronkelijk mensch. En toch scheen het een droom. Zulke dingen gebeurden niet in moderne couranten-bureaux. Liefde werd niet op die wijze gemaakt; zóó gebeurde het alleen op het tooneel of in romans.Hij was opgestaan en stak haar beide handen toe.“Ik durf niet,” zeide zij fluisterend, half tot zichzelf. “Ik durf niet.”En dadelijk werd zij pijnlijk getroffen door de minachting die door zijne oogen flitste, maar die terstond veranderde in klaarblijkelijke ongeloovigheid.“U zoudt iets niet durven wat u wilt?” sprak hij. “Ik ken dat. 't Is geen kwestie van durven maar van willen.Wil je?”Zij was opgestaan en stond nu te wankelen als in een droom. Het flitste door haar brein of dit hypnotisme kon wezen. Zij had er behoefte aan, om zich heen te zien naar de bekende voorwerpen in de kamer, ten einde zichzelf met de werkelijkheidte identifiëeren, maar zij kon haar oogen niet afwenden van de zijne. En zij sprak niet.Hij was naast haar komen staan. Zijn hand lag op haar arm en zij leunde onwillekeurig tegen hem aan. Het was alles een deel van haar droom en er viel niets meer voor haar te vragen. Het was de groote durf. Hij had gelijk. Zij kon durven wat zij wilde en zij wilde. Hij hielp haar in haar mantel. Zij duwde de hoedespelden door haar haar. En op hetzelfde oogenblik dat zij er aan dacht, zag zij zichzelf naast hem de open deur uitgaan. De “Vlucht van de Hertogen” en “Het Standbeeld en het borstbeeld” schoot haar door 't hoofd. Toen dacht zij aan “Waring.”“Wat is er van Waring geworden?” mompelde zij.“Over land gereisd of over zee?” mompelde hij terug.En dit ingaan op haar volkomen overbodige aanhaling, klonk haar als een rechtvaardiging voor de dwaasheid die zij doen ging.Bij den ingang van het gebouw stak hij zijn hand op om een taxi aan te roepen,maar werd tegengehouden doordat zij zijn arm aanraakte.“Waar gaan we heen?” vroeg zij zacht als een ademtocht.“Naar de Ferry-boot. We hebben juist tijd om den trein naar Sacramento te halen.”“Maar ik kan zóó niet gaan,” wierp zij tegen. “Ik ... ik heb niet eens een schoonen zakdoek bij me.”Eer hij antwoordde, stak hij opnieuw zijn hand op.“Je kunt in Sacramento inkoopen doen. Wij trouwen daar en pakken de nachttrein naar het noorden. Ik zal alles telegrafisch vanuit de trein in orde maken.”Terwijl de cab voorreed, keek zij snel om zich heen naar de welbekende straat en de welbekende menschen, toen met iets als angst in Glendon's gezicht.“Ik weet niets van je,” zeide zij.“Wij weten alles van elkaar,” was zijn antwoord.Zij voelde, hoe zijn armen haar omvatten en steunden en zette haar voet op de treeplank. Het volgend oogenblik was het portier gesloten, hij zat naast haar en de cab reed Market Street uit. Hij legde zijn arm omhaar heen, trok haar dichter naar zich toe en kuste haar. Toen zij hem weer in het gezicht keek, was zij er zeker van, dat het door een lichten blos werd gekleurd.“Ik ... ik heb gehoord, dat kussen een kunst is,” stamelde hij. “Ik weet er zelf niets van, maar ik zal het leeren. Zie je, jij bent de eerste vrouw, die ik ooit gekust heb.”1“The double cross” een onvertaalbare uitdrukking, die zooveelbeteekentals “de bedrogen bedrieger.” (vert.)IX.Waar een getande rotspunt uitrijst boven het wijde maagdelijke woud, zaten een man en een vrouw en rustten. Beneden hen aan den boschrand, waren twee paarden vastgemaakt. Achter elk zadel lagen een paar kleine zadeltasschen. De boomen waren als één reusachtige massa. Honderden voeten oprijzend in de lucht, besloegen zij van acht tot tien en twaalf voet in diameter. Verscheidene waren nog veel dikker. Den geheelen morgen hadden zij zich voortgewerkt langs het pad door dit onafgebroken woud en deze rotspunt was de eerste plaats, waar zij uit het woud konden komen om het woud te zien.Beneden hen en in de verte, zoo ver zij zien konden, lag keten na keten van bergen in purperen nevel gehuld. Er was geen einde aan de rijen. Zij rezen de één na de ander op tot aan de flauwe, verre horizon, waar zij wegwaasden met een vage belofte van zich nog oneindig veel verder uit te strekken.Er waren geen open plekken in het woud; ten noorden, ten zuiden, ten oosten en ten westen, ongerept, onafgebroken, bedekte het 't land met zijn machtigen groei.Zij rustten en lieten hunne oogen genieten van het vergezicht, haar hand omsloten door één van de zijne; want dit waren hunne wittebroodsweken en dit waren de roode wouden van Mendocino. Dwars door het woud waren zij van Shasta gekomen, met paarden en zadeltasschen, langs de wildernis van het kustland, en zij hadden geen ander plan dan om verder te rijden tot hun een ander plan in het hoofd kwam. Zij waren grof gekleed; zij in khaki, vuil door de reis; hij in kiel en wollen sporthemd. Het laatste hing open aan zijn door de zon verbranden hals en met zijn reusachtige gestalte scheen hij een geschikte metgezel voor de woudreuzen, terwijl aan haar, als zijn gezellin, niets op te merken viel als geluk.“Nu, Groote Man,” zeide zij, zich op haar elleboog heffend om hem te kunnen aankijken, ”'t is nog heerlijker dan je beloofd hebt. En wij trekken er samen door heen.”“En er is nog heel wat meer in de wereld, waar wij samen doorheen zullen trekken,”antwoordde hij, zijn houding zóó ver veranderd, dat hij haar hand tusschen zijn beide handen kon houden.“Maar niet, eer wij hier klaar mee zijn,” sprak zij.”'t Lijkt mij of ik nooit genoeg van de groote wouden zal krijgen ... en van jou.”Hij ging zonder moeite in zittende houding over en nam haar in zijn armen.“O, liefste,” fluisterde zij. “En ik had alle hoop opgegeven zoo'n liefste te vinden.”“En ik hoopte er heelemaal niet op. Ik moet altijd geweten hebben, dat ik jou eens vinden zou. Ben je daar blij om?”Haar antwoord was een zachte druk, waar haar hand op zijn nek rustte en minuten lang keken zij uit over de groote wouden en droomden.“Je weet wel, dat ik je verteld heb, hoe ik wegliep voor die schooljuffrouw met rood haar?” Dat was voor 't eerst, dat ik dit land zag. Ik was te voet, maar veertig of vijftig mijlen per dag was kinderspel voor mij. Ik was net een Indiaan. Toen dacht ik niet aan jou. Wild was vrij schaars in de roode wouden, maar er waren veel mooie forellen. Toen heb ik op deze rotsen gekampeerd.Ik droomde niet dat ik hier nog eens met jou zou komen, met JOU!”“En dat je bokskampioen zoudt zijn er bij,” voegde zij er achter.“Neen; daar dacht ik in 't geheel niet aan. Vader had mij altijd gezegd, dat ik het worden zou, dus ik beschouwde het als zeker. Je ziet, hij was heel wijs. Hij was een groot man.”“Maar hij heeft niet gedacht, dat je weer uit den ring zou gaan.”“Dat weet ik niet. Hij was zoo bezorgd om het geknoei voor mij verborgen te houden, dat ik vermoed hoe hij er bang voor was. Ik heb je verteld van het contract met Stubener. Vader zette er die clausule in over geknoei. Eén oneerlijkheid, van mijn manager en het contract was verbroken.”“En toch ga je nog tegen die Tom Cannam vechten. Is het de moeite wel waard?”Hij keek haar vluchtig aan.“Wou je liever, dat ik het niet deed?”“Liefste, ik wil, dat je alles zult doen wat je wilt.”Zoo sprak zij en terwijl de woorden nog naklonken in hare ooren, verwonderde zij er zich in stilte over, datzij, lang niet deminst eigenzinnige en onafhankelijke onder de eigenzinnige en onafhankelijke afstammelingen der Sangsters, ze had gesproken. Toch wist zij, dat zij de waarheid waren en was er blij om.”'t Zal een grap zijn,” zeide hij.“Maar ik begrijp al de grappige bijzonderheden er niet van.”“Ik heb ze nog niet uitgewerkt. Daar kun jij me bij helpen. In de eerste plaats zal ik Stubener en het syndicaat van gokkers “het dubbele kruis” geven. Dat is een deel van de grap. Ik zal Cannam in de eerste ronde “leggen”. Voor 't eerst zal ik werkelijk boos zijn als ik vecht. Die arme Tom Cannam, die even gemeen is als de rest, zal het voornaamste slachtoffer zijn. Zie je, ik ben van plan in den ring een speech te houden. 't Is ongewoon, maar het zal een succes zijn, want ik ga het publiek alles vertellen van de geheimen der bokssport. 't Is een mooie sport, maar zij maken er een zaak van en dat heeft 't bedorven. Maar nu begin ik de speech tegen jou te houden inplaats van in den ring.”“Ik wou, dat ik er bij kon zijn om het te hooren,” zeide zij.Hij keek haar aan en overlegde.“Dat zou ik ook graag willen. Maar het zal zeker een ruwe boel worden. 't Is niet vooruit te zeggen wat er gebeuren zal, als ik mijn programma begin af te werken. Maar ik kom dadelijk naar je toe als het afgeloopen is. En het zal de laatste verschijning zijn van Jonge Glendon in den ring, in welken ring ook.”“Maar liefste, je hebt nog nooit in je leven een toespraak gehouden,” wierp zij op. ”'t Kon wel mislukken.”Hij schudde stellig het hoofd.“Ik ben een Ier,” hernam hij, “en is er ooit een Ier geweest, die niet kon spreken?” Hij hield op en lachte vroolijk. “Stubener denkt, dat ik gek ben. Hij zegt, dat een man zich niets als last op den hals haalt door een huwelijk. Hij weet nogal wat af van het huwelijk of van mij of van jou of van iets behalve vaste goederen en vooruit vastgestelde bokspartijen. Maar ik zal hem dien avond aan de kaak stellen dien armen Tom ook. Ik heb heusch medelijden met Tom.”“Mijn lieve Ongelikte Beer gaat zich hoogst ongelikt en hoogst beerachtig gedragen, vrees ik,” fluisterde zij.Hij lachte.“Ik ga er ten minste een flinken gooi naar doen. Beslist mijn laatste optreden, weet je. En dan is 't jou, jou. Maar als je dat laatste optreden niet wilt, spreek dan maar één woord.”“Natuurlijk wil ik het wèl, Groote Man. Ik houd van mijn Grooten Man om hemzelf en om zichzelf te zijn, moet hij zichzelf zijn. Als jij dit wilt, dan wil ik het voor jou en voor mijzelf ook. Veronderstel eens, dat ik naar het tooneel wilde of naar de Zuidzee of naar den Noordpool.”Hij antwoordde langzaam, bijna plechtig.“Dan zou ik zeggen: vooruit. Omdat jijjijbent en jezelf moet zijn en doen moet wat je wilt. Ik houd van je omdat jijjijbent.”“En wij zijn een mal paar verliefden,” zeide zij toen zijn armen haar los lieten.“Is het niet groot?” riep hij uit.Hij stond op, mat de zon met zijne oogen, en strekte zijn hand uit over de dichte wouden, die de aaneengesloten, purperen heuvelketenen bedekten.“We moeten daar ergens gaan slapen. Het is dertig mijlen naar de dichtbij gelegen kampplaats.”X.Wie, van al de sportlui, die er bij tegenwoordig waren, zal ooit den gedenkwaardigen avond vergeten in de Golden Gate Arena, toen Jonge Glendon, Tom Cannam en zelfs een grooteren dan Tom Cannam, tot zwijgen bracht; toen hij het talrijke publiek, dat op het punt stond in getier los te breken, een uur lang geboeid hield, en achter elkaar de afzetterijen aan den dag bracht van de promotors en de managers; de eigenaars der gebouwen, en de contractmakers in staat van beschuldiging stelde, en de geheele bokssport vrijwel uit elkaar rafelde.Het was een volkomen verrassing. Zelfs Stubener had niet het flauwste vermoeden van wat gebeuren zou.Het was waar, dat Pat Glendon obstinaat was geweest na die kwestie met Nat Powers, en weggeloopen was en getrouwd; maardat alles was voorbij. Jonge Pat had gedaan, wat te verwachten was, hij had de onvermijdelijke knoeierijen van den ring geslikt en was er nu in teruggekomen.De Golden Gate Arena was nieuw. Dit was de eerste match, die er gehouden werd en het was het grootste gebouw van dat soort, dat ooit in San Francisco was opgericht. Er waren vijfentwintighonderd zitplaatsen en elke plaats was ingenomen. Sportlui waren uit de geheele wereld komen aanreizen om er bij tegenwoordig te zijn, en zij hadden vijftig dollars betaald voor hunne plaatsen bij den ring. De goedkoopste plaats in 't huis was voor vijf dollar verkocht.De oude bekende uitbarsting van applaus klonk op, toen Billy Morgan, de veteraan onder de aankondigers, door de touwen kroop en zijn grijze hoofd ontblootte. Toen hij zijn mond opendeed om te spreken, deed zich dichtbij hem een luid gekraak hooren en verscheidene rijen lage banken vielen in elkaar. Het gekraak van de banken en het uitbundige gelach gaf den dienstdoenden inspecteur van politie aanleiding, één van zijn onder-inspecteurs aan te kijken metopgetrokken wenkbrauwen, ten teeken dat zij hun handen vol zouden hebben en een drukken avond.Eén voor één, verwelkomd door luidruchtig applaus, kropen zeven dappere oude helden van den ring door de touwen om voorgesteld te worden. Het waren allemaal vroegere zwaargewicht-wereldkampioenen. Billy Morgan deed elke voorstelling aan het publiek vergezeld gaan van een prijzend zinnetje. De één werd genoemd als “John Eerlijk” en “Oude Getrouwe” een ander was “de eerlijkste twee-vuisten bokser, die ooit in den ring was geweest.” En van anderen: “de held van honderd gevechten en nooit één verloren en nooit gelegd”; “de meest sportieve van de oude garde”; “de eenige, die altijd terugkwam”; “de grootste strijder van allen” en “de hardste noot in den ring om te kraken.”Dit alles nam tijd in beslag. Van elk hunner werd een toespraakje verwacht en zij mompelden en fluisterden in antwoord met een blos van trots en angstig bevende stemmen. De langste speech was die van den “Oude Getrouwe” en deze duurde bijna een minuut. De ring liep vol met beroemdheden,met worstelkampioenen, beroemde trainers en veteranen onder de tijd-opnemers en scheidsrechters. Licht- en middel-gewichten dromden samen. Iedereen scheen iedereen uit te dagen. Nat Powers was er en vroeg een revanche-match met Jonge Glendon en zoo deden al de andere stralende sterren, die door Glendon in de schaduw waren gesteld. Ook daagden zij allen Jim Hanford uit, en deze moest van zijn kant daar iets tegenover stellen, wat daarin bestond, dat hij de volgende partij zou boksen met den overwinnaar in de match, die stond te gebeuren. Het publiek kwam dadelijk in beweging om denoverwinnaarte noemen; de helft schreeuwde woest: “Glendon” en de andere helft “Cannam”. Te midden van dit pandemonium zakte opnieuw een rij zitplaatsen in elkaar en er vonden een half dozijn vechtpartijen plaats tusschen bedrogen houders van kaarten en de opzichters, die een vetten oogst hadden binnengehaald. De hoofdinspecteur van de politie zond een depêche naar het bureau met de details voor het politie-rapport.Het publiek had het naar zijn zin. Toen Cannam en Glendon de ring binnen kwamen,geleek de Arena een nationaal politieke vergadering. Elk werd volle vijf minuten lang toegejuicht. De ring was nu vrij. Glendon zat in zijn hoek, omringd van zijn secondanten. Als gewoonlijk stond Stubener achter hem. Cannam werd het eerst voorgesteld en nadat hij gebogen had en geknikt, was hij gedwongen om de kreten met een toespraak te beantwoorden. Hij stamelde en stokte, maar slaagde er ten slotte in, eenige zinnen te bedenken.“Ik ben er trotsch op vanavond hier te zijn,” zeide hij en terwijl het applaus donderde, vond hij tijd op een nieuw idee te komen. “Ik heb eerlijk gevochten. Ik heb mijn leven lang eerlijk gevochten. Niemand kan dat tegenspreken. En ik zal vanavond mijn best doen.”Luide kreten weerklonken, als: “Dat's best Tom!” “Dat weten wij!” “Goede jongen, Tom!” “Jij bent de man om 't er vanavond goed af te brengen!”Toen kwam de beurt aan Glendon. Van hem werd eveneens een toespraak gevraagd, ofschoon het een ding zonder weergâ was in den ring, dat één der hoofdpersonen een toesprak hield. Billy Morgan stak zijn handop om stilte te verkrijgen en Glendon begon met heldere, krachtige stem:“Iedereen heeft gezegd dat zij trotsch waren hier vanavond te zijn,” sprak hij. “Dat ben ik niet.” Het publiek schrikte op en hij wachtte lang genoeg om het tot stilte te doen komen.“Ik ben niet trotsch op mijn gezelschap. U wilt een toespraak. Ik zal u een echte geven. Dit is mijn laatste match. Na vanavond ga ik voorgoed heen uit den ring. Waarom? Ik heb 't u reeds gezegd. Ik houd niet van mijn gezelschap. De prijsring is zoo bedorven, dat ieder, die er bij betrokken is, zoo verdraaid wordt als een kurketrekker. De ring is verrot tot in zijn hart, vanaf de kleine clubs, waar de beroepsboksers zich oefenen, tot de zaak van heden avond.”Op dit oogenblik barstte het zachte gemompel van verwondering, dat opgestegen was, uit in een geloei. Er werd luidop gesist en gefloten en velen begonnen te schreeuwen: “Ga door met het gevecht!” “We willen boksen zien!” “Waarom vecht je niet?” Glendon wachtte even en merkte op, dat de voornaamste rustverstoorders bij den ringpromotors waren en managers en boksers. Tevergeefs spande hij zich in om zich verstaanbaar te maken. Het gehoor was verdeeld, de helft schreeuwde: “Vechten!” en de andere helft: “Spreken! Spreken!”Tien minuten vergingen onder hopeloos lawaai. Stubener, de scheidsrechter, de eigenaar van de arena en depromotorvan de match verzochten Glendon, door te gaan met de match. Toen hij weigerde, verklaarde de scheidsrechter, dat hij de partij ten gunste van Cannam zou verklaren, daar Glendon niet vocht.“Dat kan je niet doen,” hernam Glendon. “Ik zal je voor alle rechtbanken vervolgen, als je zoo iets probeert en ik durf je niet beloven, dat dit publiek je levend weg zal laten gaan als je het de partij ontneemt. Bovendien, ik zal boksen. Maar eer ik dit doe, wil ik mijn toespraak beëindigen.”“Maar het is tegen de regels,” protesteerde de scheidsrechter.“Volstrekt niet. Er staat geen woord in de regels tegen het houden van toespraken. Elke zwaargewicht-bokser heeft hier vanavond een speech afgestoken.”“Een paar woorden maar,” schreeuwdede promotor in Glendon's oor. “Maar jij houdt een lezing.”“Er staat niets in de regels tegen lezingen,” antwoordde Glendon. “En nu, kerels, ga uit de ring of ik gooi er jullie uit.”De promotor werd rood van woede en onder tegenspartelen, bij zijn kraag gegrepen en over te touwen gezet. Hij was een forsche man, maar Glendon had het zóó gemakkelijk gedaan met één hand, dat het publiek wild werd van genot. De kreten om een toespraak groeiden in kracht. Stubener en de eigenaar bliezen wijzelijk den aftocht. Glendon stak zijn handen op om verstaan te worden, waarop zij, die om een gevecht riepen, hunne pogingen verdubbelden. Twee of drie banken zakten in en degenen, die op die manier hun plaats verloren, verergerden het tumult door allen tegelijk naar de banken, die nog goed waren, toe te vliegen en zich tusschen de menschen dáár in te wringen, terwijl zij, die daar achter zaten en den ring niet konden zien, hun toeraasden te gaan zitten.Glendon liep naar de touwen en sprak den inspecteur van de politie aan. Hij wasgedwongen naar hem over te buigen en in zijn oor te schreeuwen.“Als ik mijn toespraak niet houd,” zeide hij, “zullen de menschen de boel in mekaar slaan. Als ze losbreken, kunt u ze niet tegenhouden, dat weet u. Dus u moet mij helpen. U houdt den ring vrij en ik zal het publiek tot stilte brengen.”Hij ging terug naar het midden van den ring en stak opnieuw zijn handen omhoog.“Wilt u dat ik spreek?” schreeuwde hij met geweldige stem.Honderden bij den ring verstonden het en riepen: “Ja!”“Laat dan iedereen, die hooren wil, den levenmaker naast hem tot zwijgen brengen!”De raad werd opgevolgd, zoodat zijn stem, toen hij de woorden herhaalde, verder doordrong. Nog eens en nog eens schreeuwde hij het, en langzamerhand, zône na zône, drong de stilte door vanuit den ring, vergezeld door een gesmoorden ondertoon van gesis en geduw en getwist, als de luidruchtigen door hun buren tot zwijgen werden gebracht. Bijna was alle lawaai onderdrukt, toen een rij zitplaatsen bij den ring inzakte. Dit werd begroet met nieuw brullend gelach, dat vanzelfwegstierf, zoodat een zachte stem, ver weg, duidelijk hoorbaar was, toen zij riep: “Ga voort Glendon! We luisteren!”Glendon bezat als Kelt de intuïtieve kennis van de psychologie der menigte. Hij wist dat, wat vijf minuten tevoren een groote onordelijke bende was geweest, nu als in zijn hand was en om het effect te vergrooten, wachtte hij een oogenblik alsof hij nadacht. Maar het wachten duurde juist lang genoeg en geen seconde te lang.Dertig seconden lang heerschte volmaakte stilte, en in de stemming hing iets als angst. Juist toen de eerste zwakke teekenen van onrust zijn oor bereikten, begon hij te spreken.“Als ik uitgesproken heb,” zeide hij, “zal ik boksen. Ik beloof u, dat het een echte match zal zijn, één van de weinige echte matches die u ooit gezien heeft. Ik zal mijn tegenstander in den kortst mogelijken tijd leggen. Billy Morgan zal u, als hij voor 't laatst aankondigt, vertellen, dat het een match wordt van vijf en veertig ronden. Laat mij u zeggen, dat het dichter bij vijf en veertig seconden zal zijn.Toen ik in de rede werd gevallen, was ikbezig te vertellen, dat de ring rot is. Dat is zoo, van top tot teen. Hij is ingericht om er zaken mee te doen en u weet allen wat zaken zijn. Dat zegt genoeg. U zijt de stumperts, ieder van u, die er niets uit haalt. Waarom vallen de banken vanavond in? Bedrog. Evenals de bokssport waren zij gebouwd om er zaken mee te doen.” Hij hield nu zijn gehoor vaster dan ooit in de hand en hij wist het.“Drie menschen worden op twee plaatsen gestopt. Dit zie ik overal. Wat beteekent dat? Bedrog. De opzichters krijgen geen loon. Men verwacht van hen dat zij het publiek zullen afzetten. Alweer zaken. U betaalt. Natuurlijk betaalt u. Hoe worden de verlofpapieren om te boksen verkregen? Door bedrog. En laat u mij nu eens vragen: als de mannen die banken maakten knoeien, als de opzichters knoeien, als de autoriteiten knoeien, waarom zouden dan zij die hooger in de bokssport staan niet knoeien? Dat doen zij. En u betaalt.En laat mij u zeggen, dat het niet de schuld is van de boksers. Zij zetten de matches niet op touw. Dat doen de promotors en de managers; dat zijn de zakenlui. De bokserszijn alleen maar boksers. Zij beginnen heel eerlijk, maar de managers en promotors dwingen hen mee te doen of zij gooien hen er uit. Er zijn eerlijke boksers geweest. En er zijn er nog enkelen, maar die verdienen gewoonlijk niet veel. Ik denk, dat er ook wel eerlijke managers zijn geweest. De mijne is zoo wat de beste van het zoodje. Maar vraag hem eens, hoe hij zoo dik in de vaste goederen en étage-woningen komt te zitten.” Hier begon zijn stem te verdrinken in het rumoer.“Laat iedereen, die hooren wil, zijn buurman's mond dicht houden!” raadde Glendon.Opnieuw, als het gegrom van de branding, klonk een geluid van smakkende lippen en stompen en gekibbel en het huis werd stil.“Waarom legt elke bokser er den nadruk op, altijd eerlijk gevochten te hebben?” Waarom worden zij “John Eerlijk” en “Bills Eerlijk” en “Blackmiths Eerlijk” enzoovoort genoemd? Is het u nooit opgevallen, dat zij ergens bang voor schijnen te zijn? Als een man naar je toekomt, alschreeuwenddat hij eerlijk is, dan krijg je achterdocht. Maar als een prijsbokser hetzelfde liedje voor u zingt dan neemt u dat aan.Laat de beste bokser winnen! Hoe dikwijls heb je dat Billy Morgan hooren zeggen! Laat mij u zeggen, dat de beste bokser niet zoo heel dikwijls wint en dat, als hij wint, het gewoonlijk voor hem zoo beschikt is. De meeste gevechten in ernst, waar u van gehoord heeft of die u gezien heeft, waren ook van te voren opgezet. Het is een programma. Alles is vooruit vastgesteld. Denkt u, dat de promotors en managers het voor hun pleizier doen? Volstrekt niet. Het zijn zakenmenschen.”Tom, Dick en Harry zijn drie boksers, Dick is de beste. Dat kon hij in twee matches bewijzen. Maar wat gebeurt er? Tom slaat Harry. Dick slaat Tom. Harry slaat Dick. Niets bewezen. Dan komen de revanche-matches. Harry slaat Tom, Tom slaat Dick, Dick slaat Harry. Niets bewezen. Dan probeeren zij 't nog eens?. Dick stoot flink toe. Zegt dat hij op de eerste plaats wil komen. Dus slaat Dick, Tom en Dick slaat Harry. Acht partijen om te bewijzen, dat Dick de beste is, waar twee hadden volstaan. Alles vooruit klaargemaakt. Een programma. En u betaalt er voor en als uw banken in elkaar vallen, nemen de opzichters u uw plaats af.'t Is een mooie sport als het maar eerlijk ging. De boksers zouden wel eerlijk zijn als zij maar konden. Maar het geknoei is te erg, als een handjevol mannen bij drie matches driekwart millioen dollars kunnen verdeelen.”Een wilde uitbarsting van lawaai dwong hem te zwijgen.Te midden van het mengelmoes van kreten, die door het gansche gebouw weerklonken, kon hij enkele onderscheiden als: “Welke millioen dollars?” “Welke drie matches?” “Zeg op!” “Ga voort!” Ook was er gesis en gefluit en kreten van: “Smerige leugenaar! Baantjesjager!”“Wilt u hooren?” schreeuwde Glendon. “Bewaar dan de orde.”Opnieuw verkreeg hij de indrukwekkende halve minuut van stilte.“Wat zal Jim Hanford doen? Wat is het programma dat zijn menschen en de mijne opmaakten? Zij weten, dat ik hem de baas ben. Hij weet, dat ik hem de baas ben. Ik kan hem in één partij leggen. Maar hij is wereldkampioen. Als ik mij niet schik naar het programma, krijg ik nooit een kans om tegen hem uit te komen. Hetprogramma vraagt drie partijen. Ik zal de eerste winnen. 't Zal in Nevada plaats hebben als er in San Francisco geen gelegenheid voor is. Wij zullen er een eerlijke partij van maken. Om ze eerlijk te doen zijn, legt ieder van ons twintig duizend in. 't Is echt geld, maar 't is geen echte inleg. Elk van ons krijgt zijn eigen inleg stiekem weer terug. Hetzelfde met de beurs. We deelen hem eerlijk, ofschoon het in de oogen van het publiek gaat tusschen vijf en dertig en vijf en zestig. De beurs, de films, de advertenties en al het andere dat hangen blijft, is geen cent minder dan tweehonderdvijftig duizend.Wij verdeelen dat en gaan aan het werk voor de revanche-match. Hanford wint en wij gaan opnieuw aan het verdeelen. Dan komt de derde partij; ik win, waar ik volkomen het recht toe heb; en wij hebben het boks-publiek driekwart millioen uit den zak geslagen. Zóó is het programma, maar het is vuil geld. En daarom ga ik vanavond uit den ring.”Op dit oogenblik stootte Jim Hanford een politieagent op zij, zoodat hij tusschen het publiek viel, en wrong zijn kolossale lichaam door de touwen heen, brullend:”'t Is een leugen!”Als een woedende stier stormde hij op Glendon in, die terugsprong en toen, inplaats van den stoot af te wachten, behendig wegdook. Niet in staat zich in te houden, stoof de zware man voort tegen te touwen. Terug gegooid door het terugspringen ervan, keerde hij zich om om opnieuw in te stormen, toen Glendon hem raakte. Glendon, kalm, helderziende, mat precies den afstand naar de kaak van zijn tegenstander en voor 't eerst in zijn loopbaan als bokser, stootte hij met volle kracht. Al zijn kracht, alle latente kracht trok zich samen in die ééne harde uitbarsting van spierkracht.Hanford hing dood in de lucht, in zoover als bewusteloosheid op dood gelijkt. Wat hem betrof, staakte hij het gevecht op het oogenblik toen hij met Glendon's vuist in aanraking kwam. Zijn voeten gingen van den grond en hij hing in de lucht tot hij het bovenste touw raakte. Zijn kolossale lichaam spartelde er tegenaan, boog in het midden door en viel door de touwen heen buiten den ring en op de hoofden van de mannen op de pers-plaatsen.Het publiek barstte los. Het had al meer gezien dan waarvoor het betaald had, want de groote Jim Hanford, de wereldkampioen, was verslagen. Het was niet officieël, maar het was met één stoot gebeurd. Nooit was er zoo'n avond geweest in vuistvechtersland. Glendon keek verdrietig naar zijn bezeerde knokkels, blikte even tusschen de touwen door naar de plaats, waar Hanford wankelend te land was gekomen en stak zijn handen omhoog. Hij had zijn recht om gehoord te worden, bevochten en het publiek werd stil.“Toen ik begon te boksen,” zeide hij, “noemde men mij “Eén Stoot Glendon”. U heeft een oogenblik geleden dien stoot gezien. Die kende ik altijd. Ik liep op mijn tegenstander toe en sloeg hem neer, ofschoon ik altijd zorgde niet met alle kracht te stooten. Toen werd ik opgevoed. Mijn manager zeide, dat het niet eerlijk was tegenover het publiek. Hij raadde mij, langere partijen te maken, zoodat het publiek wat te zien kreeg voor zijn geld. Ik was een dwaas, een onnoozel schaap. Ik was een groene jongen uit de bergen. Moge God mij bewaren. Ik nam het als waarheid aan. Mijn managerbesprak gewoonlijk met mij, in welke ronde ik mijn man leggen zou. Dan bracht hij het over aan het gok-syndicaat en het gok-syndicaat maakte er gebruik van. Natuurlijk betaalden zij. Maar om één ding ben ik blij. Ik heb nooit een cent van het geld aangeraakt. Zij durfden het mij niet aanbieden, omdat zij wisten, dat het voor mij dan uit was met de matches.U herinnert u mijn match met Nat Powers. Ik heb hem niet verslagen. Ik had achterdocht gekregen. Dus maakte de bende het met hem in orde. Ik wist er niets van. Ik was van plan de partij een paar ronden over de zestiende heen te laten duren. De laatste stoot in de zestiende gooide hem niet om. Maar hij speelde toch den verslagene en hield jullie allemaal voor den gek.”“En vanavond?” riep een stem. “Is dat een afspraak?”“Ja,” was Glendon's antwoord. “Waarop wed het syndicaat? Dat Cannam het tot de veertiende zal houden.”Gehuil en gesis klonk. Voor 't laatst hield Glendon zijn hand op om stilte.“Ik ben bijna klaar. Maar ik wil u nog één ding zeggen. Het syndicaat heeft eenstrop vanavond. Dit zal een eerlijke partij zijn. Tom Cannam zal het niet tot de veertiende ronde houden. Hij zal 't niet één ronde houden.”Cannam sprong op in zijn hoek en riep woedend uit: “Dat kan je niet! Er leeft geen mensch die mij in één ronde klopt!”Glendon lette niet op hem en ging voort:“Eens in mijn leven heb ik nu met al mijn kracht gestooten. U heeft dat een oogenblik geleden gezien toen ik Hanford sloeg. Vanavond zal ik voor de tweede maal met alle kracht stooten—dat is te zeggen, als Cannam niet nu dadelijk door de touwen springt en er vandoor gaat. En nu ben ik klaar.”Hij ging naar zijn hoek en stak zijn handen uit voor de handschoenen. In den tegenovergestelden hoek zat Cannam te razen, terwijl zijn secondanten tevergeefs trachtten hem tot kalmte te brengen. Ten laatste slaagde Billy Morgan er in, de laatste aankondiging van den strijd te doen hooren.“Dit zal een gevecht zijn van vijf en veertig ronden,” schreeuwde hij. “Regels van de Marquess of Queensbury! En moge de beste bokser winnen! Vooruit!”De gong sloeg. De beide mannen kwamen naar voren. Glendon stak zijn rechterhand uit voor den gewonen handdruk, maar Cannam weigerde ze met een boos hoofdschudden. Tot algemeene verbazing viel hij niet aan. Woedend als hij was, vocht hij toch voorzichtig; zijn gewonde trots dwong hem, alle krachten in te spannen om het de ronde uit te houden. Verscheidene malen stootte hij toe, doch hij stootte behoedzaam en vergat een oogenblik af te weren. Glendon joeg hem op door den ring, steeds vooruit dringend met het onbarmhartige gestamp van zijn linkervoet. Doch hij stootte niet en beproefde ook niet te stooten. Hij liet zelfs zijn handen neerhangen langs zijn zijden en joeg den ander op zonder zich te verdedigen, waarmee hij een poging deed hem te lokken. Cannam grijnsde uitdagend maar zag er van af, voordeel te trekken uit de dus geboden kans.Twee minuten gingen voorbij en toen kwam er een verandering over Glendon. In elke spier, in elken trek van zijn gezicht sprak hij uit, dat het oogenblik voor hem was gekomen om zijn tegenstander onder te krijgen.Het was een daad en het werd goed gedaan. Hij scheen een ding van staal geworden, hard en onmeedoogend als staal. Cannam reageerde er op door zijn omzichtigheid te verdubbelen. Glendon werkte hem vlug in een hoek en hield hem daar onder bewaking. Nog stootte hij niet, noch poogde te stooten en de onzekerheid werd pijnlijk aan Cannam's kant. Tevergeefs trachtte hij zich uit den hoek te werken, terwijl hij niet besluiten kon op zijn tegenstander in te stormen en een poging te doen dezen vast te grijpen.Toen kwam het—een snelle reeks van eenvoudige schijnstooten als spierschichten. Cannam werd er duizelig van. En het publiek eveneens. Geen twee van de toeschouwers waren het er later over eens, wat er gebeurd was. Cannam ontdook één schijnstoot en bracht tegelijk zijn handen naar zijn gezicht om een nieuwen schijnstoot naar zijn kaak af te weren.Hij trachtte ook zijn beenen van positie te doen veranderen. Getuigen, die vlak bij den ring zaten, zwoeren, dat zij Glendon een stoot zagen toebrengen vanuit zijn linkerheup terwijl hij vooruitsprong als een tijgerom zijn lichaamsgewicht er aan toe te voegen. Ware dat als het wil, de slag raakte Cannam op de punt van zijn kin in het oogenblik, toen hij van positie veranderde. En evenals Hanford, hing hij bewusteloos in de lucht eer hij tegen de touwen aansloeg en er doorheen viel op de hoofden van de verslaggevers.Wat er daarna in de Golden Gate Arena gebeurde, konden geen kolommen in de dagbladen voldoende beschrijven. De politie hield den ring vrij, maar de Arena kon zij niet redden. Het was geen wanorde, het was een orgie. Geen bank werd op zijn plaats gelaten. Met alle kracht duwend en dringend, om balken en planken machtig te worden, sloeg de menigte alles in de groote zaal kort en klein. Prijsboksers zochten bescherming bij de politie, doch er waren niet genoeg agenten om hen naar buiten te geleiden, en boksers, managers en promotors werden afgeranseld en geslagen. Alleen Jim Hanford werd gespaard. Die genade werd hem betoond ter wille van zijn vreeselijk gezwollen kaak. Toen de menigte eindelijk uit het gebouw was gedreven, viel zij buiten aan op een nieuwe auto van zevenduizend dollar,die aan een welbekende bokspromotor toebehoorde en vernielde de car tot een hoopje oud roest en brandhout.Glendon, die zich niet kon kleeden te midden van de ruïne der kleedkamers, bereikte zijn auto nog in bokscostuum in een badmantel gewikkeld, maar slaagde er niet in te ontsnappen. Door de macht van het aantal hield de menigte zijn machine tegen. De politie had het te druk om hem ter hulp te komen en eindelijk werd er een compromis gesloten, waarbij de car voort mocht gaan in wandelpas, en begeleid door vijf duizend lawaaiende opgewonden schreeuwers.Het was middernacht toen deze storm over Union Square heenstreek naar St. Francis. Kreten om een speech klonken op en ofschoon hij voor den ingang van het hôtel was gekomen, werd Glendon vriendelijk verhinderd te ontsnappen. Hij trachtte zelfs er uit te springen op de hoofden van de opgewondenen, maar zijn voeten raakten de straat niet. Op hoofden en schouders, omklemd en opgetild door iedere hand, die zijn lichaam kon bereiken, ging hij door de lucht terug naar zijn machine. Toen hieldhij zijn speech en Maud Glendon, die uit een bovenraam neerkeek op haar jongen Herkules, staande op de bank van de automobiel, wist, zooals zij 't altijd had geweten, dat hij het meende, wanneer hij herhaalde, zijn laatste partij gebokst te hebben en voorgoed uit den ring te gaan.EINDE.
VII.Stubener had er niet veel tijd voor noodig, te weten te komen, dat Glendon het aantal ronden wilde uitbreiden, maar wat hij ook deed, hij kreeg geen enkele aanwijzing omtrent het juiste cijfer.Hij verloor echter geen tijd en kwam in stilte een en ander overeen met Nat Powers en den manager van Nat Powers.Powers had een trouw gevolg van gokkers en aan het weddende publiek mocht de oogst niet ontgaan.Op den avond van de match maakte Maud Sangster zich schuldig aan iets, dat meer gedurfd dan ooit tegen de conventie inging, ofschoon er zelfs geen gefluisterd woord over naar buiten kwam om de wereld op te doen schrikken.Onder bescherming van den redacteur nam zij een plaats in bij den ring. Haar haar en het grootste deel van haar gelaat warenverborgen onder een slappen hoed, terwijl zij een lange mannenregenjas aanhad, die tot op haar hielen hing. Zij bleef in het dichte gedrang en werd zoodoende niet opgemerkt; en zelfs de journalist die, op de plaats van de pers bij den ring, vlak tegenover haar zat, herkende haar niet.Zooals meer en meer de gewoonte was, gingen er geen andere bokspartijen vooraf; Maud had nauwelijks plaats genomen of luid applaus kondigde de komst aan van Nat Powers. Hij kwam de galerij af te midden van zijn secondanten en zij was bijna ontsteld over zijn geweldige forschheid. Toch sprong hij zoo licht overdetouwen als een man, die half zijn gewicht had en beantwoordde met een grinnikkenden lach de rumoerige begroeting, die uit het gansche gebouw oprees. Hij was niet mooi. Twee ooren als bloemkoolen teekenden zijn beroep en de woestheid die er bij behoorde, terwijl zijn gebroken neus zoo dikwijls over zijn gezicht uitgespreid was geweest alsof hij een staal moest geven van de dokterskunst die hem gerepareerd had.Een nieuwe uitbarsting kondigde de komst van Glendon aan en zij nam hem gretigwaar, terwijl hij door de touwen naar zijn hoek ging. Doch eerst, toen de langdurige tijd van voorstellen, aankondigen en uitdagen voorbij was, gooiden de beide mannen hunne mantels uit en stonden tegenover elkaar in boks-kostuum.Van boven viel de witte glans van vele electrische lampen over hen heen—dit ter wille van de film-opnemers; en terwijl zij naar de twee mannen keek, die zulk een scherp contrast vormden, voelde zij Glendon den beschaafden man en Powers den ongelikten beer. Beiden voldeden aan die benaming—Glendon fijnbesneden van gezicht en gestalte, van een zachte en tegelijk krachtige schoonheid, Powers bijna gelijkmatig ruw van huid en zwaar begroeid met haar.Terwijl zij hun inleidenden stand innamen voor de camera's, tegenover elkaar in bokshouding, gebeurde het, dat Glendon's blik onder de touwen doorging en op haar gezicht bleef rusten. Ofschoon hij geen teeken gaf, wist zij, en haar hart sprong er bij op, dat hij haar herkend had. Het volgend oogenblik klonk de gong, de aankondiger riep:“Vooruit!” en het gevecht begon.Het was een mooie strijd. Er was geenbloed, geen geknoei en beiden waren bekwame boksers. De helft van de eerste ronde verliep met aanvoelen, maar Maud Sangster vond het spel en de schijnstooten en de zachte slagen met de handschoenen opwindend genoeg. Gedurende enkele van de woestere aanvallen in een later stadium van den strijd, was de redacteur gedwongen, haar arm aan te raken om er haar aan te herinneren wie zij was en waar zij was.Powers vocht gemakkelijk en zuiver, zooals behoorde voor den held van een half honderd ringgevechten en een bewonderende claque beklapte elken knappen stoot van hem.Toch spande hij zich niet noodeloos in, behalve bij enkele vurige aanvallen, die het publiek op deden rijzen in de verkeerde meening, dat hij zijn tegenstander onder zou krijgen.Het was op zulk een oogenblik, en terwijl het aan haar ongewende blikken ontsnapte, hoe Glendon maar juist aan een ernstige kwetsuur ontkwam, dat de redacteur zich naar haar overboog en zeide:“Jonge Pat zal best winnen. Hij is een geluksvogel en ze kunnen hem niet onderkrijgen.Maar hij wint in de zestiende, eer niet.”“Of later?” vroeg zij.Zij lachte bijna om de zekerheid waarmee de ander ontkende. Zij wist beter.Powers volgde de taktiek om zijn tegenstander van oogenblik tot oogenblik en van ronde tot ronde op te jagen en Glendon nam er genoegen mee aan dit programma mede te werken. Zijn verdediging was bewonderenswaard en hij bracht er juist genoeg aanvalstooten in om de belangstelling van het publiek te prikkelen. Ofschoon hij wist dat hij voorbestemd was, te verliezen, had Powers te veel ondervinding van den ring om te aarzelen zijn tegenstander neer te slaan als de gelegenheid zich aanbood. Hij was te dikwijls uitgekomen als de bedrogen bedrieger om zich te ontzien, wanneer hij er anderen in kon laten loopen. Als hij er kans toe zag, was hij bereid den ander neer te slaan en de gokkers te laten stikken. Dank zij slimme courantenberichten, heerschte het denkbeeld, dat Jonge Glendon eindelijk zijn meester had gevonden. Maar in zijn hart wist Powers, dat hij 't was, die tegenover zijn meerdere stond. Meer dan eens bij hetvlugge invechten, voelde hij het gewicht van stooten, waarvan hij wist, dat ze met opzet niet zwaarder aankwamen.Wat Glendon betreft, er waren vele oogenblikken, waarin de kleinste vergissing in zijn oordeel hem blootgesteld zou hebben aan één der voorhamer-stooten van zijn tegenstander, waardoor hij den strijd zou verliezen. Doch hij bezat de bijna wonderlijke macht om precies tijd en afstand te berekenen en zijn vertrouwen werd niet geschokt door de vele malen, dat hij maar nauw ontkwam. Hij had nooit een partij verloren, was nooit neergeslagen door een eindstoot en hij was altijd zoo volkomen de meerdere geweest van elken tegenstander, dat zulk een mogelijkheid ondenkbaar was. Aan het eind van de vijftiende ronde waren beide mannen in goede conditie, ofschoon Powers ietwat zwaar ademhaalde en er mannen vlak bij den ring waren, die wedden dat hij ”'t op zou geven.”Even voordat de gong voor de zestiende ronde sloeg, fluisterde Stubener van achteren af over Glendon heenleunend, hem in:“Neem je hem nu?”Glendon gaf zijn hoofd een duw naarachteren, schudde neen en lachte spottend in het gespannen gezicht van zijn manager.Bij den gongslag voor de zestiende ronde, zag Glendon in verbazing, hoe Powers loskwam. Van de eerste seconde af was het een stormwind van aanvallen en Glendon had groote moeite aan ernstig letsel te ontkomen. Hij blokte, greep vast, dook, deed zijstappen, werd achteruit gedrongen tegen de touwen en met nieuwe aanvalstooten ontvangen, toen hij naar het midden zocht te komen.Verscheidene malen gaf Powers kans op een eindstoot, maar Glendon weigerde den bliksemsnellen stoot toe te brengen, die zijn tegenstander zou doen neervallen. Dien stoot bewaarde hij voor twee ronden later. In het gevecht had hij geen oogenblik zijn volle kracht ingespannen of zoo zwaar gestooten als hij kon.Twee minuten lang, zonder eenige tusschenruimte, ging Powers hem met volle kracht te lijf. Een minuut later zou de ronde voorbij zijn en het wed-syndicaat leelijk gedupeerd. Maar die minuut zou niet komen. Zij waren tezamen in het midden van den ring. Het was een gewone clinch als meerin het gevecht was voorgekomen, alleen maakte Powers het ieder oogenblik woester en ruwer.Glendon bracht zijn linkerhand in een zijdelingschen maar lichten stoot tegen het gezicht van den ander. Het was een stoot, zooals hij er al twintig in den loop van het gevecht had toegebracht. Tot zijn verbazing zag hij Powers slap worden in zijn armen en ineenzakken op wankelende, doorknikkende beenen, die weigerden zijn gewicht te dragen. Hij viel met een doffen slag op den grond, rolde half op zijn zijde en lag roerloos, met gesloten oogen. De scheidsrechter boog over hem heen en telde luid op.Bij den kreet “Negen!” beefde Powers en deed een vergeefsche poging om op te staan.“Tien!—en uit!” riep de scheidsrechter.Hij nam Glendon's hand en hield die omhoog naar het juichende publiek, ten teeken dat hij de overwinnaar was. Voor het eerst in zijn boksers-leven was Glendon als verbijsterd. Het was geen eindstoot geweest. Daar kon hij zijn leven onder verwedden. Hij was niet tegen de kaak aangekomen, maar tegen de kant van het gezicht en hijwist dat de stoot daar had geraakt en nergens anders. Toch was de man gevallen, had laten tellen en had 't alles prachtig gesimuleerd. Die slag op den grond was een overtuigend meesterstuk geweest. Voor het publiek was het ontwijfelbaar een eindstoot geweest en de films zouden den leugen verder brengen. Ten slotte had de redacteur den juisten loop voorspeld en er zat geknoei achter.Glendon schoot een vluchtigen blik door de touwen naar het gezicht van Maud Sangster. Zij keek hem recht aan, doch hare oogen waren koud en hard en er was noch herkenning noch eenige andere uitdrukking in. Zelfs terwijl hij haar aankeek, wendde zij zich onverschillig af en zeide iets tot den man naast haar.Power's secondanten droegen hem naar zijn hoek, in schijn een slap wrak van een man. Glendon's secondanten kwamen naar hem toe om hem geluk te wenschen en zijn handschoenen uit te trekken. Maar Stubener was hen vóór. Zijn gezicht straalde, terwijl hij Glendon's rechterhandschoen in zijn beide handen nam met den uitroep:“Beste jongen, Pat! Ik wist wel, dat je 't doen zoudt.”Glendon trok zijn handschoen weg. En voor het eerst in de jaren, dat zij samen waren geweest, hoorde zijn manager hem vloeken.“Je kunt naar de hel loopen,” zeide hij, keerde zich om en stak zijn handen uit naar zijn secondanten om zijn handschoenen te laten uittrekken.
Stubener had er niet veel tijd voor noodig, te weten te komen, dat Glendon het aantal ronden wilde uitbreiden, maar wat hij ook deed, hij kreeg geen enkele aanwijzing omtrent het juiste cijfer.
Hij verloor echter geen tijd en kwam in stilte een en ander overeen met Nat Powers en den manager van Nat Powers.
Powers had een trouw gevolg van gokkers en aan het weddende publiek mocht de oogst niet ontgaan.
Op den avond van de match maakte Maud Sangster zich schuldig aan iets, dat meer gedurfd dan ooit tegen de conventie inging, ofschoon er zelfs geen gefluisterd woord over naar buiten kwam om de wereld op te doen schrikken.
Onder bescherming van den redacteur nam zij een plaats in bij den ring. Haar haar en het grootste deel van haar gelaat warenverborgen onder een slappen hoed, terwijl zij een lange mannenregenjas aanhad, die tot op haar hielen hing. Zij bleef in het dichte gedrang en werd zoodoende niet opgemerkt; en zelfs de journalist die, op de plaats van de pers bij den ring, vlak tegenover haar zat, herkende haar niet.
Zooals meer en meer de gewoonte was, gingen er geen andere bokspartijen vooraf; Maud had nauwelijks plaats genomen of luid applaus kondigde de komst aan van Nat Powers. Hij kwam de galerij af te midden van zijn secondanten en zij was bijna ontsteld over zijn geweldige forschheid. Toch sprong hij zoo licht overdetouwen als een man, die half zijn gewicht had en beantwoordde met een grinnikkenden lach de rumoerige begroeting, die uit het gansche gebouw oprees. Hij was niet mooi. Twee ooren als bloemkoolen teekenden zijn beroep en de woestheid die er bij behoorde, terwijl zijn gebroken neus zoo dikwijls over zijn gezicht uitgespreid was geweest alsof hij een staal moest geven van de dokterskunst die hem gerepareerd had.
Een nieuwe uitbarsting kondigde de komst van Glendon aan en zij nam hem gretigwaar, terwijl hij door de touwen naar zijn hoek ging. Doch eerst, toen de langdurige tijd van voorstellen, aankondigen en uitdagen voorbij was, gooiden de beide mannen hunne mantels uit en stonden tegenover elkaar in boks-kostuum.
Van boven viel de witte glans van vele electrische lampen over hen heen—dit ter wille van de film-opnemers; en terwijl zij naar de twee mannen keek, die zulk een scherp contrast vormden, voelde zij Glendon den beschaafden man en Powers den ongelikten beer. Beiden voldeden aan die benaming—Glendon fijnbesneden van gezicht en gestalte, van een zachte en tegelijk krachtige schoonheid, Powers bijna gelijkmatig ruw van huid en zwaar begroeid met haar.
Terwijl zij hun inleidenden stand innamen voor de camera's, tegenover elkaar in bokshouding, gebeurde het, dat Glendon's blik onder de touwen doorging en op haar gezicht bleef rusten. Ofschoon hij geen teeken gaf, wist zij, en haar hart sprong er bij op, dat hij haar herkend had. Het volgend oogenblik klonk de gong, de aankondiger riep:“Vooruit!” en het gevecht begon.
Het was een mooie strijd. Er was geenbloed, geen geknoei en beiden waren bekwame boksers. De helft van de eerste ronde verliep met aanvoelen, maar Maud Sangster vond het spel en de schijnstooten en de zachte slagen met de handschoenen opwindend genoeg. Gedurende enkele van de woestere aanvallen in een later stadium van den strijd, was de redacteur gedwongen, haar arm aan te raken om er haar aan te herinneren wie zij was en waar zij was.
Powers vocht gemakkelijk en zuiver, zooals behoorde voor den held van een half honderd ringgevechten en een bewonderende claque beklapte elken knappen stoot van hem.
Toch spande hij zich niet noodeloos in, behalve bij enkele vurige aanvallen, die het publiek op deden rijzen in de verkeerde meening, dat hij zijn tegenstander onder zou krijgen.
Het was op zulk een oogenblik, en terwijl het aan haar ongewende blikken ontsnapte, hoe Glendon maar juist aan een ernstige kwetsuur ontkwam, dat de redacteur zich naar haar overboog en zeide:
“Jonge Pat zal best winnen. Hij is een geluksvogel en ze kunnen hem niet onderkrijgen.Maar hij wint in de zestiende, eer niet.”
“Of later?” vroeg zij.
Zij lachte bijna om de zekerheid waarmee de ander ontkende. Zij wist beter.
Powers volgde de taktiek om zijn tegenstander van oogenblik tot oogenblik en van ronde tot ronde op te jagen en Glendon nam er genoegen mee aan dit programma mede te werken. Zijn verdediging was bewonderenswaard en hij bracht er juist genoeg aanvalstooten in om de belangstelling van het publiek te prikkelen. Ofschoon hij wist dat hij voorbestemd was, te verliezen, had Powers te veel ondervinding van den ring om te aarzelen zijn tegenstander neer te slaan als de gelegenheid zich aanbood. Hij was te dikwijls uitgekomen als de bedrogen bedrieger om zich te ontzien, wanneer hij er anderen in kon laten loopen. Als hij er kans toe zag, was hij bereid den ander neer te slaan en de gokkers te laten stikken. Dank zij slimme courantenberichten, heerschte het denkbeeld, dat Jonge Glendon eindelijk zijn meester had gevonden. Maar in zijn hart wist Powers, dat hij 't was, die tegenover zijn meerdere stond. Meer dan eens bij hetvlugge invechten, voelde hij het gewicht van stooten, waarvan hij wist, dat ze met opzet niet zwaarder aankwamen.
Wat Glendon betreft, er waren vele oogenblikken, waarin de kleinste vergissing in zijn oordeel hem blootgesteld zou hebben aan één der voorhamer-stooten van zijn tegenstander, waardoor hij den strijd zou verliezen. Doch hij bezat de bijna wonderlijke macht om precies tijd en afstand te berekenen en zijn vertrouwen werd niet geschokt door de vele malen, dat hij maar nauw ontkwam. Hij had nooit een partij verloren, was nooit neergeslagen door een eindstoot en hij was altijd zoo volkomen de meerdere geweest van elken tegenstander, dat zulk een mogelijkheid ondenkbaar was. Aan het eind van de vijftiende ronde waren beide mannen in goede conditie, ofschoon Powers ietwat zwaar ademhaalde en er mannen vlak bij den ring waren, die wedden dat hij ”'t op zou geven.”
Even voordat de gong voor de zestiende ronde sloeg, fluisterde Stubener van achteren af over Glendon heenleunend, hem in:
“Neem je hem nu?”
Glendon gaf zijn hoofd een duw naarachteren, schudde neen en lachte spottend in het gespannen gezicht van zijn manager.
Bij den gongslag voor de zestiende ronde, zag Glendon in verbazing, hoe Powers loskwam. Van de eerste seconde af was het een stormwind van aanvallen en Glendon had groote moeite aan ernstig letsel te ontkomen. Hij blokte, greep vast, dook, deed zijstappen, werd achteruit gedrongen tegen de touwen en met nieuwe aanvalstooten ontvangen, toen hij naar het midden zocht te komen.
Verscheidene malen gaf Powers kans op een eindstoot, maar Glendon weigerde den bliksemsnellen stoot toe te brengen, die zijn tegenstander zou doen neervallen. Dien stoot bewaarde hij voor twee ronden later. In het gevecht had hij geen oogenblik zijn volle kracht ingespannen of zoo zwaar gestooten als hij kon.
Twee minuten lang, zonder eenige tusschenruimte, ging Powers hem met volle kracht te lijf. Een minuut later zou de ronde voorbij zijn en het wed-syndicaat leelijk gedupeerd. Maar die minuut zou niet komen. Zij waren tezamen in het midden van den ring. Het was een gewone clinch als meerin het gevecht was voorgekomen, alleen maakte Powers het ieder oogenblik woester en ruwer.
Glendon bracht zijn linkerhand in een zijdelingschen maar lichten stoot tegen het gezicht van den ander. Het was een stoot, zooals hij er al twintig in den loop van het gevecht had toegebracht. Tot zijn verbazing zag hij Powers slap worden in zijn armen en ineenzakken op wankelende, doorknikkende beenen, die weigerden zijn gewicht te dragen. Hij viel met een doffen slag op den grond, rolde half op zijn zijde en lag roerloos, met gesloten oogen. De scheidsrechter boog over hem heen en telde luid op.
Bij den kreet “Negen!” beefde Powers en deed een vergeefsche poging om op te staan.
“Tien!—en uit!” riep de scheidsrechter.
Hij nam Glendon's hand en hield die omhoog naar het juichende publiek, ten teeken dat hij de overwinnaar was. Voor het eerst in zijn boksers-leven was Glendon als verbijsterd. Het was geen eindstoot geweest. Daar kon hij zijn leven onder verwedden. Hij was niet tegen de kaak aangekomen, maar tegen de kant van het gezicht en hijwist dat de stoot daar had geraakt en nergens anders. Toch was de man gevallen, had laten tellen en had 't alles prachtig gesimuleerd. Die slag op den grond was een overtuigend meesterstuk geweest. Voor het publiek was het ontwijfelbaar een eindstoot geweest en de films zouden den leugen verder brengen. Ten slotte had de redacteur den juisten loop voorspeld en er zat geknoei achter.
Glendon schoot een vluchtigen blik door de touwen naar het gezicht van Maud Sangster. Zij keek hem recht aan, doch hare oogen waren koud en hard en er was noch herkenning noch eenige andere uitdrukking in. Zelfs terwijl hij haar aankeek, wendde zij zich onverschillig af en zeide iets tot den man naast haar.
Power's secondanten droegen hem naar zijn hoek, in schijn een slap wrak van een man. Glendon's secondanten kwamen naar hem toe om hem geluk te wenschen en zijn handschoenen uit te trekken. Maar Stubener was hen vóór. Zijn gezicht straalde, terwijl hij Glendon's rechterhandschoen in zijn beide handen nam met den uitroep:
“Beste jongen, Pat! Ik wist wel, dat je 't doen zoudt.”
Glendon trok zijn handschoen weg. En voor het eerst in de jaren, dat zij samen waren geweest, hoorde zijn manager hem vloeken.
“Je kunt naar de hel loopen,” zeide hij, keerde zich om en stak zijn handen uit naar zijn secondanten om zijn handschoenen te laten uittrekken.
VIII.Dien avond, nadat de redacteur haar nog eens afdoende gezegd had, dat er geen eerlijk boksen bestond onder de prijs-vechters, zat Maud Sangster een poosje in stilte te schreien op den rand van haar bed, werd toen boos, en ging slapen met een gevoel van ontzettende walging van zichzelf, prijs-boksers en de wereld in het algemeen.Den volgenden middag begon zij een interview met Henry Addison uit te werken, dat bestemd was, nimmer tot een einde te komen. Het was in de aparte kamer, die haar was afgestaan op het bureau van de Courier Journal dathetgebeurde. Zij hield een oogenblik op met schrijven om een blik te werpen op een berichtje in de middageditie, dat Glendon uit zou komen tegen Tom Cannam, toen één van de loopjongens eenkaartje binnenbracht. Het was van Glendon.“Zeg, dat ik niet te spreken ben,” zeide zij tot den jongen.In een minuut was hij terug.“Hij zegt, dat hij in elk geval binnenkomt, maar hij wou 't liever met uw toestemming doen.”“Heb je gezegd, dat ik aan 't werk was?”vroeg zij.“Ja, maar hij zei dat hij tòch binnenkwam.”Zij gaf geen antwoord en de jongen ratelde voort met oogen blinkend van bewondering voor zoo'n gewichtig bezoeker.“Ik ken 'm. 't Is 'n verschrikkelijke groote kerel. Als hij goed te keer gaat, slaat hij alles op 't kantoor kort en klein. 't Is Jonge Glendon, die gisteravond gewonnen heeft met boksen.”“Goed dan. Breng hem binnen. Ik wou liever niet dat alles op het bureau kort en klein geslagen werd.”Toen Glendon binnentrad, werden geen groeten gewisseld. Zij was koud en ongastvrij als een grauwe dag en noodigde hem niet uit te gaan zitten of toonde niet met hareoogen hem te herkennen; zij zat half van hem afgewend vóór haar lessenaar in afwachting dat hij zou zeggen, waarvoor hij kwam. Hij liet niet merken, hoe deze hooghartige ontvangst hem aandeed, maar begon dadelijk over zijn onderwerp.“Ik wil u spreken,” zeide hij kortaf.“Die partij gisteravond, die eindigde toch in die ronde.”Zij haalde haar schouders op.“Ik wist dat dat zou gebeuren.”“Dat wist u niet,” viel hij scherp uit. “U wist 't niet. Ik wist 't niet.”Zij keerde zich om en keek hem aan met een gezicht alsof de zaak haar verveelde.“Wat doet het er toe?” vroeg zij. “Prijs-boksen is prijs-boksen en wij weten allemaal wat dat beteekent. De partij eindigde in de ronde, die ik u genoemd had.”“Dat is zoo,” gaf hij toe. “Maar u wist 't niet vooruit. In de heele wereld waren u en ik tenminste twee menschen, die wisten, dat Powersnietneergeslagen zou worden in de zestiende.”Zij bleef zwijgen.“Ik zeg, dat u 't niet vooruit wist.” Hijsprak op dringenden toon en toen zij nog weigerde te spreken, deed hij een stap naar haar toe. “Geef antwoord,” gebood hij.Zij knikte.“Maar hij werd verslagen,” hield zij vol.“Dat is niet waar. Hij was in 't geheel niet verslagen. Begrijpt u dat? Ik zal u er alles van vertellen en u zult luisteren. Begrijpt u dat? Ik heb u niet belogen. Ik was een dwaas en ze hielden mij voor den gek en u met mij. U dacht, dat hij werd neergeslagen. Maar de stoot, dien ik toebracht, was daarvoor niet zwaar genoeg. En ik raakte hem niet eens op de goede plaats. Hij deed iedereen gelooven dat 't zoo was. Hij simuleerde dien eindstoot.”Hij zweeg en keek haar verwachtend aan. En op een of andere wijze wist zij, met een schok en een trilling, dat zij hem geloofde, en zij voelde zich doordrongen van warm geluk nu deze man, die niets voor haar beteekende en dien zij maar tweemaal in haar leven gezien had, in hare oogen in zijn eer hersteld was.“Nu?” vroeg hij en opnieuw beefde zij voor zijn dwingenden toon.Zij stond op en haar hand ging naar de zijne.“Ik geloof u,” zeide zij. “En ik ben blij, héél blij.”Haar hand werd langer vastgehouden dan zij bedoeld had. Hij keek haar aan met glanzende oogen, waarop de hare onwillekeurig het antwoord gaven. Nooit heeft er zoo'n man bestaan, dacht zij. Zij sloeg 't eerst de oogen neer en de zijne volgden, zoodat, evenals den vorigen keer, beiden keken naar de handen, die in elkaar lagen. Hij maakte een beweging van zijn geheele lichaam in haar richting, impulsief en onwillekeurig alsof hij haar naar zich toe wilde trekken; toen, blijkbaar met inspanning, schokte hij terug. Zij zag het en voelde den dwang van zijn hand toen deze haar naar zich toe wilde trekken. En tot haar verwondering voelde zij het verlangen om toe te geven, het bijna overweldigende verlangen om in de sterke ronding van zijn armen te worden getrokken. En wanneer hij aangehouden had, wist zij, dat zij niet weerstreefd zou hebben. Zij was bijna duizelig toen hij terugschokte en met een greep van zijn vingers, die de hare bijna verbrijzelde, haarhand liet vallen, ze wegslingerde bijna. “God!” hijgde hij. “Je bent voor mij gemaakt.”Hij keerde zich een weinig van haar af en wreef met zijn hand langs zijn voorhoofd. Zij wist, dat zij hem voor altijd zou haten, wanneer hij 't waagde, één stamelend woord van verontschuldiging of verklaring te willen geven. Zij zonk terug in haar stoel en hij in een andere, zoodat hij tegenover haar kwam te zitten aan den hoek van de lessenaar.“Ik ben gisteravond in een Turksch Bad geweest,” begon hij. “Daar heb ik een ouden afgeleefden bokser bij mij laten komen. Hij was in vroeger dagen een vriend van mijn vader geweest. Ik wist, dat er niets was, wat den ring betrof, dat hij niet wist en ik bracht hem aan het praten. Het grappigste was, dat ik alle moeite had, hem ervan te overtuigen, dat ik de dingen niet wist waar ik naar vroeg. Hij noemde mij de baby in 't woud. En ik geloof, dat hij gelijk had. Ik ben opgegroeid in 't woud en het woud is 't eenige, waar ik iets van weet.Nu dan, ik kreeg gisteravond mijn opvoedingvan dien ouden man. De ring is nog veel meer verrot dan u mij gezegd heeft.Het schijnt dat iedereen, die er mee in verbinding staat, meedoet aan de knoeierijen. De opnemers, die de eerste boksverloven uitreiken bedriegen de promotors, en de promotors, managers en boksers bedriegen elkander en het publiek. Er bestaat een heel systeem voor aan den éénen kant en aan den anderen kant is er altijd—weet u wat “the double cross” is?1(Zij knikte.) “Nu 't schijnt dat zij geen kans voorbij laten gaan om elkander “the double cross” te geven.De vuiligheid, die de man mij vertelde, benam mij den adem. En ik ben er al jaren midden in geweest zonder er iets van te weten. Ik was werkelijk de baby in 't woud.Maar nu zie ik hoe ze mij zoo voor den gek konden houden. Ik was zoo gemaakt, dat niemand mij onder kon krijgen. Ik was bestemd om te winnen en dank zij Stubener werd al het geknoei van mij gehouden. Vanmorgenklampte ik Spider Walsh aan en bracht hem aan 't praten. Hij was mijn eerste trainer, ziet u en hij volgde Stubener's instructies. Zij hielden mij onwetend. Bovendien ging ik niet om met de sportwereld. Ik bracht mijn tijd door met jagen en visschen en proeven nemen met cameras' en zoo. Weet u hoe Walsh en Stubener mij onder elkaar noemden?—de Maagd. Dat heb ik pas vanmorgen van Walsh gehoord en 't was of hij me een kies trok. En ze hadden gelijk. Ik was een onschuldig lammetje.En Stubener gebruikte mij ook voor 't geknoei, maar ik wist er niets van. Ik kan 't nu overzien en begrijpen hoe het in zijn werk ging. Maar ziet u, ik stelde niet genoeg belang in de wedstrijden om achterdochtig te zijn. Ik was geboren met een goed lichaam en een koel hoofd, ik werd buiten grootgebracht en ik werd onderwezen door mijn vader, die meer van boksen wist dan eenig ander mensch, levend of dood. Het was te gemakkelijk. De ring nam mij niet heelemaal in beslag. Er was nooit twijfel aan den uitslag. Maar nu heb ik er genoeg van.”Zij wees op het bericht, waarin zijn match niet Tom Cannam werd aangekondigd.“Dat is Stubener's werk,” verklaarde hij. ”'t Is al maanden geleden besloten. Maar dat kan mij niet schelen. Ik ga naar de bergen. Ik ben er uitgegaan.”Zij keek naar het onafgemaakte interview op den lessenaar en zuchtte.“Mannen zijn toch heerschers,” zeide zij. “Meesters van het bestaan. Zij doen wat zij willen.—”“Naar wat ik gehoord heb,” viel hij in, “heeft u ook tamelijk wel gedaan wat u wilde. En dat is één van de deugden waarom ik van u houd. En wat mij sterk getroffen heeft van het begin af, is, dat u en ik elkander begrijpen.”Hij brak af en keek haar aan met glanzende oogen.“De ring heeft toch één ding voor mij gedaan,” ging hij voort. “Ik leerde er u door kennen. En als je die ééne vrouw vindt, dan is er maar één ding te doen. Haar in je beide handen te nemen en niet los te laten. Kom, laat ons naar de bergen gaan.”Het kwam plotseling, als een donderslag, en toch voelde zij, het verwacht tehebben. Haar hart sprong op, zoodat zij op een vreemde heerlijke manier bijna stikte. Dit ten minste was de wraak van een eenvoudig, oorspronkelijk mensch. En toch scheen het een droom. Zulke dingen gebeurden niet in moderne couranten-bureaux. Liefde werd niet op die wijze gemaakt; zóó gebeurde het alleen op het tooneel of in romans.Hij was opgestaan en stak haar beide handen toe.“Ik durf niet,” zeide zij fluisterend, half tot zichzelf. “Ik durf niet.”En dadelijk werd zij pijnlijk getroffen door de minachting die door zijne oogen flitste, maar die terstond veranderde in klaarblijkelijke ongeloovigheid.“U zoudt iets niet durven wat u wilt?” sprak hij. “Ik ken dat. 't Is geen kwestie van durven maar van willen.Wil je?”Zij was opgestaan en stond nu te wankelen als in een droom. Het flitste door haar brein of dit hypnotisme kon wezen. Zij had er behoefte aan, om zich heen te zien naar de bekende voorwerpen in de kamer, ten einde zichzelf met de werkelijkheidte identifiëeren, maar zij kon haar oogen niet afwenden van de zijne. En zij sprak niet.Hij was naast haar komen staan. Zijn hand lag op haar arm en zij leunde onwillekeurig tegen hem aan. Het was alles een deel van haar droom en er viel niets meer voor haar te vragen. Het was de groote durf. Hij had gelijk. Zij kon durven wat zij wilde en zij wilde. Hij hielp haar in haar mantel. Zij duwde de hoedespelden door haar haar. En op hetzelfde oogenblik dat zij er aan dacht, zag zij zichzelf naast hem de open deur uitgaan. De “Vlucht van de Hertogen” en “Het Standbeeld en het borstbeeld” schoot haar door 't hoofd. Toen dacht zij aan “Waring.”“Wat is er van Waring geworden?” mompelde zij.“Over land gereisd of over zee?” mompelde hij terug.En dit ingaan op haar volkomen overbodige aanhaling, klonk haar als een rechtvaardiging voor de dwaasheid die zij doen ging.Bij den ingang van het gebouw stak hij zijn hand op om een taxi aan te roepen,maar werd tegengehouden doordat zij zijn arm aanraakte.“Waar gaan we heen?” vroeg zij zacht als een ademtocht.“Naar de Ferry-boot. We hebben juist tijd om den trein naar Sacramento te halen.”“Maar ik kan zóó niet gaan,” wierp zij tegen. “Ik ... ik heb niet eens een schoonen zakdoek bij me.”Eer hij antwoordde, stak hij opnieuw zijn hand op.“Je kunt in Sacramento inkoopen doen. Wij trouwen daar en pakken de nachttrein naar het noorden. Ik zal alles telegrafisch vanuit de trein in orde maken.”Terwijl de cab voorreed, keek zij snel om zich heen naar de welbekende straat en de welbekende menschen, toen met iets als angst in Glendon's gezicht.“Ik weet niets van je,” zeide zij.“Wij weten alles van elkaar,” was zijn antwoord.Zij voelde, hoe zijn armen haar omvatten en steunden en zette haar voet op de treeplank. Het volgend oogenblik was het portier gesloten, hij zat naast haar en de cab reed Market Street uit. Hij legde zijn arm omhaar heen, trok haar dichter naar zich toe en kuste haar. Toen zij hem weer in het gezicht keek, was zij er zeker van, dat het door een lichten blos werd gekleurd.“Ik ... ik heb gehoord, dat kussen een kunst is,” stamelde hij. “Ik weet er zelf niets van, maar ik zal het leeren. Zie je, jij bent de eerste vrouw, die ik ooit gekust heb.”1“The double cross” een onvertaalbare uitdrukking, die zooveelbeteekentals “de bedrogen bedrieger.” (vert.)
Dien avond, nadat de redacteur haar nog eens afdoende gezegd had, dat er geen eerlijk boksen bestond onder de prijs-vechters, zat Maud Sangster een poosje in stilte te schreien op den rand van haar bed, werd toen boos, en ging slapen met een gevoel van ontzettende walging van zichzelf, prijs-boksers en de wereld in het algemeen.
Den volgenden middag begon zij een interview met Henry Addison uit te werken, dat bestemd was, nimmer tot een einde te komen. Het was in de aparte kamer, die haar was afgestaan op het bureau van de Courier Journal dathetgebeurde. Zij hield een oogenblik op met schrijven om een blik te werpen op een berichtje in de middageditie, dat Glendon uit zou komen tegen Tom Cannam, toen één van de loopjongens eenkaartje binnenbracht. Het was van Glendon.
“Zeg, dat ik niet te spreken ben,” zeide zij tot den jongen.
In een minuut was hij terug.
“Hij zegt, dat hij in elk geval binnenkomt, maar hij wou 't liever met uw toestemming doen.”
“Heb je gezegd, dat ik aan 't werk was?”vroeg zij.
“Ja, maar hij zei dat hij tòch binnenkwam.”
Zij gaf geen antwoord en de jongen ratelde voort met oogen blinkend van bewondering voor zoo'n gewichtig bezoeker.
“Ik ken 'm. 't Is 'n verschrikkelijke groote kerel. Als hij goed te keer gaat, slaat hij alles op 't kantoor kort en klein. 't Is Jonge Glendon, die gisteravond gewonnen heeft met boksen.”
“Goed dan. Breng hem binnen. Ik wou liever niet dat alles op het bureau kort en klein geslagen werd.”
Toen Glendon binnentrad, werden geen groeten gewisseld. Zij was koud en ongastvrij als een grauwe dag en noodigde hem niet uit te gaan zitten of toonde niet met hareoogen hem te herkennen; zij zat half van hem afgewend vóór haar lessenaar in afwachting dat hij zou zeggen, waarvoor hij kwam. Hij liet niet merken, hoe deze hooghartige ontvangst hem aandeed, maar begon dadelijk over zijn onderwerp.
“Ik wil u spreken,” zeide hij kortaf.“Die partij gisteravond, die eindigde toch in die ronde.”
Zij haalde haar schouders op.
“Ik wist dat dat zou gebeuren.”
“Dat wist u niet,” viel hij scherp uit. “U wist 't niet. Ik wist 't niet.”
Zij keerde zich om en keek hem aan met een gezicht alsof de zaak haar verveelde.
“Wat doet het er toe?” vroeg zij. “Prijs-boksen is prijs-boksen en wij weten allemaal wat dat beteekent. De partij eindigde in de ronde, die ik u genoemd had.”
“Dat is zoo,” gaf hij toe. “Maar u wist 't niet vooruit. In de heele wereld waren u en ik tenminste twee menschen, die wisten, dat Powersnietneergeslagen zou worden in de zestiende.”
Zij bleef zwijgen.
“Ik zeg, dat u 't niet vooruit wist.” Hijsprak op dringenden toon en toen zij nog weigerde te spreken, deed hij een stap naar haar toe. “Geef antwoord,” gebood hij.
Zij knikte.
“Maar hij werd verslagen,” hield zij vol.
“Dat is niet waar. Hij was in 't geheel niet verslagen. Begrijpt u dat? Ik zal u er alles van vertellen en u zult luisteren. Begrijpt u dat? Ik heb u niet belogen. Ik was een dwaas en ze hielden mij voor den gek en u met mij. U dacht, dat hij werd neergeslagen. Maar de stoot, dien ik toebracht, was daarvoor niet zwaar genoeg. En ik raakte hem niet eens op de goede plaats. Hij deed iedereen gelooven dat 't zoo was. Hij simuleerde dien eindstoot.”
Hij zweeg en keek haar verwachtend aan. En op een of andere wijze wist zij, met een schok en een trilling, dat zij hem geloofde, en zij voelde zich doordrongen van warm geluk nu deze man, die niets voor haar beteekende en dien zij maar tweemaal in haar leven gezien had, in hare oogen in zijn eer hersteld was.
“Nu?” vroeg hij en opnieuw beefde zij voor zijn dwingenden toon.
Zij stond op en haar hand ging naar de zijne.
“Ik geloof u,” zeide zij. “En ik ben blij, héél blij.”
Haar hand werd langer vastgehouden dan zij bedoeld had. Hij keek haar aan met glanzende oogen, waarop de hare onwillekeurig het antwoord gaven. Nooit heeft er zoo'n man bestaan, dacht zij. Zij sloeg 't eerst de oogen neer en de zijne volgden, zoodat, evenals den vorigen keer, beiden keken naar de handen, die in elkaar lagen. Hij maakte een beweging van zijn geheele lichaam in haar richting, impulsief en onwillekeurig alsof hij haar naar zich toe wilde trekken; toen, blijkbaar met inspanning, schokte hij terug. Zij zag het en voelde den dwang van zijn hand toen deze haar naar zich toe wilde trekken. En tot haar verwondering voelde zij het verlangen om toe te geven, het bijna overweldigende verlangen om in de sterke ronding van zijn armen te worden getrokken. En wanneer hij aangehouden had, wist zij, dat zij niet weerstreefd zou hebben. Zij was bijna duizelig toen hij terugschokte en met een greep van zijn vingers, die de hare bijna verbrijzelde, haarhand liet vallen, ze wegslingerde bijna. “God!” hijgde hij. “Je bent voor mij gemaakt.”
Hij keerde zich een weinig van haar af en wreef met zijn hand langs zijn voorhoofd. Zij wist, dat zij hem voor altijd zou haten, wanneer hij 't waagde, één stamelend woord van verontschuldiging of verklaring te willen geven. Zij zonk terug in haar stoel en hij in een andere, zoodat hij tegenover haar kwam te zitten aan den hoek van de lessenaar.
“Ik ben gisteravond in een Turksch Bad geweest,” begon hij. “Daar heb ik een ouden afgeleefden bokser bij mij laten komen. Hij was in vroeger dagen een vriend van mijn vader geweest. Ik wist, dat er niets was, wat den ring betrof, dat hij niet wist en ik bracht hem aan het praten. Het grappigste was, dat ik alle moeite had, hem ervan te overtuigen, dat ik de dingen niet wist waar ik naar vroeg. Hij noemde mij de baby in 't woud. En ik geloof, dat hij gelijk had. Ik ben opgegroeid in 't woud en het woud is 't eenige, waar ik iets van weet.
Nu dan, ik kreeg gisteravond mijn opvoedingvan dien ouden man. De ring is nog veel meer verrot dan u mij gezegd heeft.
Het schijnt dat iedereen, die er mee in verbinding staat, meedoet aan de knoeierijen. De opnemers, die de eerste boksverloven uitreiken bedriegen de promotors, en de promotors, managers en boksers bedriegen elkander en het publiek. Er bestaat een heel systeem voor aan den éénen kant en aan den anderen kant is er altijd—weet u wat “the double cross” is?1(Zij knikte.) “Nu 't schijnt dat zij geen kans voorbij laten gaan om elkander “the double cross” te geven.
De vuiligheid, die de man mij vertelde, benam mij den adem. En ik ben er al jaren midden in geweest zonder er iets van te weten. Ik was werkelijk de baby in 't woud.
Maar nu zie ik hoe ze mij zoo voor den gek konden houden. Ik was zoo gemaakt, dat niemand mij onder kon krijgen. Ik was bestemd om te winnen en dank zij Stubener werd al het geknoei van mij gehouden. Vanmorgenklampte ik Spider Walsh aan en bracht hem aan 't praten. Hij was mijn eerste trainer, ziet u en hij volgde Stubener's instructies. Zij hielden mij onwetend. Bovendien ging ik niet om met de sportwereld. Ik bracht mijn tijd door met jagen en visschen en proeven nemen met cameras' en zoo. Weet u hoe Walsh en Stubener mij onder elkaar noemden?—de Maagd. Dat heb ik pas vanmorgen van Walsh gehoord en 't was of hij me een kies trok. En ze hadden gelijk. Ik was een onschuldig lammetje.
En Stubener gebruikte mij ook voor 't geknoei, maar ik wist er niets van. Ik kan 't nu overzien en begrijpen hoe het in zijn werk ging. Maar ziet u, ik stelde niet genoeg belang in de wedstrijden om achterdochtig te zijn. Ik was geboren met een goed lichaam en een koel hoofd, ik werd buiten grootgebracht en ik werd onderwezen door mijn vader, die meer van boksen wist dan eenig ander mensch, levend of dood. Het was te gemakkelijk. De ring nam mij niet heelemaal in beslag. Er was nooit twijfel aan den uitslag. Maar nu heb ik er genoeg van.”
Zij wees op het bericht, waarin zijn match niet Tom Cannam werd aangekondigd.
“Dat is Stubener's werk,” verklaarde hij. ”'t Is al maanden geleden besloten. Maar dat kan mij niet schelen. Ik ga naar de bergen. Ik ben er uitgegaan.”
Zij keek naar het onafgemaakte interview op den lessenaar en zuchtte.
“Mannen zijn toch heerschers,” zeide zij. “Meesters van het bestaan. Zij doen wat zij willen.—”
“Naar wat ik gehoord heb,” viel hij in, “heeft u ook tamelijk wel gedaan wat u wilde. En dat is één van de deugden waarom ik van u houd. En wat mij sterk getroffen heeft van het begin af, is, dat u en ik elkander begrijpen.”
Hij brak af en keek haar aan met glanzende oogen.
“De ring heeft toch één ding voor mij gedaan,” ging hij voort. “Ik leerde er u door kennen. En als je die ééne vrouw vindt, dan is er maar één ding te doen. Haar in je beide handen te nemen en niet los te laten. Kom, laat ons naar de bergen gaan.”
Het kwam plotseling, als een donderslag, en toch voelde zij, het verwacht tehebben. Haar hart sprong op, zoodat zij op een vreemde heerlijke manier bijna stikte. Dit ten minste was de wraak van een eenvoudig, oorspronkelijk mensch. En toch scheen het een droom. Zulke dingen gebeurden niet in moderne couranten-bureaux. Liefde werd niet op die wijze gemaakt; zóó gebeurde het alleen op het tooneel of in romans.
Hij was opgestaan en stak haar beide handen toe.
“Ik durf niet,” zeide zij fluisterend, half tot zichzelf. “Ik durf niet.”
En dadelijk werd zij pijnlijk getroffen door de minachting die door zijne oogen flitste, maar die terstond veranderde in klaarblijkelijke ongeloovigheid.
“U zoudt iets niet durven wat u wilt?” sprak hij. “Ik ken dat. 't Is geen kwestie van durven maar van willen.
Wil je?”
Zij was opgestaan en stond nu te wankelen als in een droom. Het flitste door haar brein of dit hypnotisme kon wezen. Zij had er behoefte aan, om zich heen te zien naar de bekende voorwerpen in de kamer, ten einde zichzelf met de werkelijkheidte identifiëeren, maar zij kon haar oogen niet afwenden van de zijne. En zij sprak niet.
Hij was naast haar komen staan. Zijn hand lag op haar arm en zij leunde onwillekeurig tegen hem aan. Het was alles een deel van haar droom en er viel niets meer voor haar te vragen. Het was de groote durf. Hij had gelijk. Zij kon durven wat zij wilde en zij wilde. Hij hielp haar in haar mantel. Zij duwde de hoedespelden door haar haar. En op hetzelfde oogenblik dat zij er aan dacht, zag zij zichzelf naast hem de open deur uitgaan. De “Vlucht van de Hertogen” en “Het Standbeeld en het borstbeeld” schoot haar door 't hoofd. Toen dacht zij aan “Waring.”
“Wat is er van Waring geworden?” mompelde zij.
“Over land gereisd of over zee?” mompelde hij terug.
En dit ingaan op haar volkomen overbodige aanhaling, klonk haar als een rechtvaardiging voor de dwaasheid die zij doen ging.
Bij den ingang van het gebouw stak hij zijn hand op om een taxi aan te roepen,maar werd tegengehouden doordat zij zijn arm aanraakte.
“Waar gaan we heen?” vroeg zij zacht als een ademtocht.
“Naar de Ferry-boot. We hebben juist tijd om den trein naar Sacramento te halen.”
“Maar ik kan zóó niet gaan,” wierp zij tegen. “Ik ... ik heb niet eens een schoonen zakdoek bij me.”
Eer hij antwoordde, stak hij opnieuw zijn hand op.
“Je kunt in Sacramento inkoopen doen. Wij trouwen daar en pakken de nachttrein naar het noorden. Ik zal alles telegrafisch vanuit de trein in orde maken.”
Terwijl de cab voorreed, keek zij snel om zich heen naar de welbekende straat en de welbekende menschen, toen met iets als angst in Glendon's gezicht.
“Ik weet niets van je,” zeide zij.
“Wij weten alles van elkaar,” was zijn antwoord.
Zij voelde, hoe zijn armen haar omvatten en steunden en zette haar voet op de treeplank. Het volgend oogenblik was het portier gesloten, hij zat naast haar en de cab reed Market Street uit. Hij legde zijn arm omhaar heen, trok haar dichter naar zich toe en kuste haar. Toen zij hem weer in het gezicht keek, was zij er zeker van, dat het door een lichten blos werd gekleurd.
“Ik ... ik heb gehoord, dat kussen een kunst is,” stamelde hij. “Ik weet er zelf niets van, maar ik zal het leeren. Zie je, jij bent de eerste vrouw, die ik ooit gekust heb.”
1“The double cross” een onvertaalbare uitdrukking, die zooveelbeteekentals “de bedrogen bedrieger.” (vert.)
1“The double cross” een onvertaalbare uitdrukking, die zooveelbeteekentals “de bedrogen bedrieger.” (vert.)
IX.Waar een getande rotspunt uitrijst boven het wijde maagdelijke woud, zaten een man en een vrouw en rustten. Beneden hen aan den boschrand, waren twee paarden vastgemaakt. Achter elk zadel lagen een paar kleine zadeltasschen. De boomen waren als één reusachtige massa. Honderden voeten oprijzend in de lucht, besloegen zij van acht tot tien en twaalf voet in diameter. Verscheidene waren nog veel dikker. Den geheelen morgen hadden zij zich voortgewerkt langs het pad door dit onafgebroken woud en deze rotspunt was de eerste plaats, waar zij uit het woud konden komen om het woud te zien.Beneden hen en in de verte, zoo ver zij zien konden, lag keten na keten van bergen in purperen nevel gehuld. Er was geen einde aan de rijen. Zij rezen de één na de ander op tot aan de flauwe, verre horizon, waar zij wegwaasden met een vage belofte van zich nog oneindig veel verder uit te strekken.Er waren geen open plekken in het woud; ten noorden, ten zuiden, ten oosten en ten westen, ongerept, onafgebroken, bedekte het 't land met zijn machtigen groei.Zij rustten en lieten hunne oogen genieten van het vergezicht, haar hand omsloten door één van de zijne; want dit waren hunne wittebroodsweken en dit waren de roode wouden van Mendocino. Dwars door het woud waren zij van Shasta gekomen, met paarden en zadeltasschen, langs de wildernis van het kustland, en zij hadden geen ander plan dan om verder te rijden tot hun een ander plan in het hoofd kwam. Zij waren grof gekleed; zij in khaki, vuil door de reis; hij in kiel en wollen sporthemd. Het laatste hing open aan zijn door de zon verbranden hals en met zijn reusachtige gestalte scheen hij een geschikte metgezel voor de woudreuzen, terwijl aan haar, als zijn gezellin, niets op te merken viel als geluk.“Nu, Groote Man,” zeide zij, zich op haar elleboog heffend om hem te kunnen aankijken, ”'t is nog heerlijker dan je beloofd hebt. En wij trekken er samen door heen.”“En er is nog heel wat meer in de wereld, waar wij samen doorheen zullen trekken,”antwoordde hij, zijn houding zóó ver veranderd, dat hij haar hand tusschen zijn beide handen kon houden.“Maar niet, eer wij hier klaar mee zijn,” sprak zij.”'t Lijkt mij of ik nooit genoeg van de groote wouden zal krijgen ... en van jou.”Hij ging zonder moeite in zittende houding over en nam haar in zijn armen.“O, liefste,” fluisterde zij. “En ik had alle hoop opgegeven zoo'n liefste te vinden.”“En ik hoopte er heelemaal niet op. Ik moet altijd geweten hebben, dat ik jou eens vinden zou. Ben je daar blij om?”Haar antwoord was een zachte druk, waar haar hand op zijn nek rustte en minuten lang keken zij uit over de groote wouden en droomden.“Je weet wel, dat ik je verteld heb, hoe ik wegliep voor die schooljuffrouw met rood haar?” Dat was voor 't eerst, dat ik dit land zag. Ik was te voet, maar veertig of vijftig mijlen per dag was kinderspel voor mij. Ik was net een Indiaan. Toen dacht ik niet aan jou. Wild was vrij schaars in de roode wouden, maar er waren veel mooie forellen. Toen heb ik op deze rotsen gekampeerd.Ik droomde niet dat ik hier nog eens met jou zou komen, met JOU!”“En dat je bokskampioen zoudt zijn er bij,” voegde zij er achter.“Neen; daar dacht ik in 't geheel niet aan. Vader had mij altijd gezegd, dat ik het worden zou, dus ik beschouwde het als zeker. Je ziet, hij was heel wijs. Hij was een groot man.”“Maar hij heeft niet gedacht, dat je weer uit den ring zou gaan.”“Dat weet ik niet. Hij was zoo bezorgd om het geknoei voor mij verborgen te houden, dat ik vermoed hoe hij er bang voor was. Ik heb je verteld van het contract met Stubener. Vader zette er die clausule in over geknoei. Eén oneerlijkheid, van mijn manager en het contract was verbroken.”“En toch ga je nog tegen die Tom Cannam vechten. Is het de moeite wel waard?”Hij keek haar vluchtig aan.“Wou je liever, dat ik het niet deed?”“Liefste, ik wil, dat je alles zult doen wat je wilt.”Zoo sprak zij en terwijl de woorden nog naklonken in hare ooren, verwonderde zij er zich in stilte over, datzij, lang niet deminst eigenzinnige en onafhankelijke onder de eigenzinnige en onafhankelijke afstammelingen der Sangsters, ze had gesproken. Toch wist zij, dat zij de waarheid waren en was er blij om.”'t Zal een grap zijn,” zeide hij.“Maar ik begrijp al de grappige bijzonderheden er niet van.”“Ik heb ze nog niet uitgewerkt. Daar kun jij me bij helpen. In de eerste plaats zal ik Stubener en het syndicaat van gokkers “het dubbele kruis” geven. Dat is een deel van de grap. Ik zal Cannam in de eerste ronde “leggen”. Voor 't eerst zal ik werkelijk boos zijn als ik vecht. Die arme Tom Cannam, die even gemeen is als de rest, zal het voornaamste slachtoffer zijn. Zie je, ik ben van plan in den ring een speech te houden. 't Is ongewoon, maar het zal een succes zijn, want ik ga het publiek alles vertellen van de geheimen der bokssport. 't Is een mooie sport, maar zij maken er een zaak van en dat heeft 't bedorven. Maar nu begin ik de speech tegen jou te houden inplaats van in den ring.”“Ik wou, dat ik er bij kon zijn om het te hooren,” zeide zij.Hij keek haar aan en overlegde.“Dat zou ik ook graag willen. Maar het zal zeker een ruwe boel worden. 't Is niet vooruit te zeggen wat er gebeuren zal, als ik mijn programma begin af te werken. Maar ik kom dadelijk naar je toe als het afgeloopen is. En het zal de laatste verschijning zijn van Jonge Glendon in den ring, in welken ring ook.”“Maar liefste, je hebt nog nooit in je leven een toespraak gehouden,” wierp zij op. ”'t Kon wel mislukken.”Hij schudde stellig het hoofd.“Ik ben een Ier,” hernam hij, “en is er ooit een Ier geweest, die niet kon spreken?” Hij hield op en lachte vroolijk. “Stubener denkt, dat ik gek ben. Hij zegt, dat een man zich niets als last op den hals haalt door een huwelijk. Hij weet nogal wat af van het huwelijk of van mij of van jou of van iets behalve vaste goederen en vooruit vastgestelde bokspartijen. Maar ik zal hem dien avond aan de kaak stellen dien armen Tom ook. Ik heb heusch medelijden met Tom.”“Mijn lieve Ongelikte Beer gaat zich hoogst ongelikt en hoogst beerachtig gedragen, vrees ik,” fluisterde zij.Hij lachte.“Ik ga er ten minste een flinken gooi naar doen. Beslist mijn laatste optreden, weet je. En dan is 't jou, jou. Maar als je dat laatste optreden niet wilt, spreek dan maar één woord.”“Natuurlijk wil ik het wèl, Groote Man. Ik houd van mijn Grooten Man om hemzelf en om zichzelf te zijn, moet hij zichzelf zijn. Als jij dit wilt, dan wil ik het voor jou en voor mijzelf ook. Veronderstel eens, dat ik naar het tooneel wilde of naar de Zuidzee of naar den Noordpool.”Hij antwoordde langzaam, bijna plechtig.“Dan zou ik zeggen: vooruit. Omdat jijjijbent en jezelf moet zijn en doen moet wat je wilt. Ik houd van je omdat jijjijbent.”“En wij zijn een mal paar verliefden,” zeide zij toen zijn armen haar los lieten.“Is het niet groot?” riep hij uit.Hij stond op, mat de zon met zijne oogen, en strekte zijn hand uit over de dichte wouden, die de aaneengesloten, purperen heuvelketenen bedekten.“We moeten daar ergens gaan slapen. Het is dertig mijlen naar de dichtbij gelegen kampplaats.”
Waar een getande rotspunt uitrijst boven het wijde maagdelijke woud, zaten een man en een vrouw en rustten. Beneden hen aan den boschrand, waren twee paarden vastgemaakt. Achter elk zadel lagen een paar kleine zadeltasschen. De boomen waren als één reusachtige massa. Honderden voeten oprijzend in de lucht, besloegen zij van acht tot tien en twaalf voet in diameter. Verscheidene waren nog veel dikker. Den geheelen morgen hadden zij zich voortgewerkt langs het pad door dit onafgebroken woud en deze rotspunt was de eerste plaats, waar zij uit het woud konden komen om het woud te zien.
Beneden hen en in de verte, zoo ver zij zien konden, lag keten na keten van bergen in purperen nevel gehuld. Er was geen einde aan de rijen. Zij rezen de één na de ander op tot aan de flauwe, verre horizon, waar zij wegwaasden met een vage belofte van zich nog oneindig veel verder uit te strekken.Er waren geen open plekken in het woud; ten noorden, ten zuiden, ten oosten en ten westen, ongerept, onafgebroken, bedekte het 't land met zijn machtigen groei.
Zij rustten en lieten hunne oogen genieten van het vergezicht, haar hand omsloten door één van de zijne; want dit waren hunne wittebroodsweken en dit waren de roode wouden van Mendocino. Dwars door het woud waren zij van Shasta gekomen, met paarden en zadeltasschen, langs de wildernis van het kustland, en zij hadden geen ander plan dan om verder te rijden tot hun een ander plan in het hoofd kwam. Zij waren grof gekleed; zij in khaki, vuil door de reis; hij in kiel en wollen sporthemd. Het laatste hing open aan zijn door de zon verbranden hals en met zijn reusachtige gestalte scheen hij een geschikte metgezel voor de woudreuzen, terwijl aan haar, als zijn gezellin, niets op te merken viel als geluk.
“Nu, Groote Man,” zeide zij, zich op haar elleboog heffend om hem te kunnen aankijken, ”'t is nog heerlijker dan je beloofd hebt. En wij trekken er samen door heen.”
“En er is nog heel wat meer in de wereld, waar wij samen doorheen zullen trekken,”antwoordde hij, zijn houding zóó ver veranderd, dat hij haar hand tusschen zijn beide handen kon houden.
“Maar niet, eer wij hier klaar mee zijn,” sprak zij.
”'t Lijkt mij of ik nooit genoeg van de groote wouden zal krijgen ... en van jou.”
Hij ging zonder moeite in zittende houding over en nam haar in zijn armen.
“O, liefste,” fluisterde zij. “En ik had alle hoop opgegeven zoo'n liefste te vinden.”
“En ik hoopte er heelemaal niet op. Ik moet altijd geweten hebben, dat ik jou eens vinden zou. Ben je daar blij om?”
Haar antwoord was een zachte druk, waar haar hand op zijn nek rustte en minuten lang keken zij uit over de groote wouden en droomden.
“Je weet wel, dat ik je verteld heb, hoe ik wegliep voor die schooljuffrouw met rood haar?” Dat was voor 't eerst, dat ik dit land zag. Ik was te voet, maar veertig of vijftig mijlen per dag was kinderspel voor mij. Ik was net een Indiaan. Toen dacht ik niet aan jou. Wild was vrij schaars in de roode wouden, maar er waren veel mooie forellen. Toen heb ik op deze rotsen gekampeerd.Ik droomde niet dat ik hier nog eens met jou zou komen, met JOU!”
“En dat je bokskampioen zoudt zijn er bij,” voegde zij er achter.
“Neen; daar dacht ik in 't geheel niet aan. Vader had mij altijd gezegd, dat ik het worden zou, dus ik beschouwde het als zeker. Je ziet, hij was heel wijs. Hij was een groot man.”
“Maar hij heeft niet gedacht, dat je weer uit den ring zou gaan.”
“Dat weet ik niet. Hij was zoo bezorgd om het geknoei voor mij verborgen te houden, dat ik vermoed hoe hij er bang voor was. Ik heb je verteld van het contract met Stubener. Vader zette er die clausule in over geknoei. Eén oneerlijkheid, van mijn manager en het contract was verbroken.”
“En toch ga je nog tegen die Tom Cannam vechten. Is het de moeite wel waard?”
Hij keek haar vluchtig aan.
“Wou je liever, dat ik het niet deed?”
“Liefste, ik wil, dat je alles zult doen wat je wilt.”
Zoo sprak zij en terwijl de woorden nog naklonken in hare ooren, verwonderde zij er zich in stilte over, datzij, lang niet deminst eigenzinnige en onafhankelijke onder de eigenzinnige en onafhankelijke afstammelingen der Sangsters, ze had gesproken. Toch wist zij, dat zij de waarheid waren en was er blij om.
”'t Zal een grap zijn,” zeide hij.
“Maar ik begrijp al de grappige bijzonderheden er niet van.”
“Ik heb ze nog niet uitgewerkt. Daar kun jij me bij helpen. In de eerste plaats zal ik Stubener en het syndicaat van gokkers “het dubbele kruis” geven. Dat is een deel van de grap. Ik zal Cannam in de eerste ronde “leggen”. Voor 't eerst zal ik werkelijk boos zijn als ik vecht. Die arme Tom Cannam, die even gemeen is als de rest, zal het voornaamste slachtoffer zijn. Zie je, ik ben van plan in den ring een speech te houden. 't Is ongewoon, maar het zal een succes zijn, want ik ga het publiek alles vertellen van de geheimen der bokssport. 't Is een mooie sport, maar zij maken er een zaak van en dat heeft 't bedorven. Maar nu begin ik de speech tegen jou te houden inplaats van in den ring.”
“Ik wou, dat ik er bij kon zijn om het te hooren,” zeide zij.
Hij keek haar aan en overlegde.
“Dat zou ik ook graag willen. Maar het zal zeker een ruwe boel worden. 't Is niet vooruit te zeggen wat er gebeuren zal, als ik mijn programma begin af te werken. Maar ik kom dadelijk naar je toe als het afgeloopen is. En het zal de laatste verschijning zijn van Jonge Glendon in den ring, in welken ring ook.”
“Maar liefste, je hebt nog nooit in je leven een toespraak gehouden,” wierp zij op. ”'t Kon wel mislukken.”
Hij schudde stellig het hoofd.
“Ik ben een Ier,” hernam hij, “en is er ooit een Ier geweest, die niet kon spreken?” Hij hield op en lachte vroolijk. “Stubener denkt, dat ik gek ben. Hij zegt, dat een man zich niets als last op den hals haalt door een huwelijk. Hij weet nogal wat af van het huwelijk of van mij of van jou of van iets behalve vaste goederen en vooruit vastgestelde bokspartijen. Maar ik zal hem dien avond aan de kaak stellen dien armen Tom ook. Ik heb heusch medelijden met Tom.”
“Mijn lieve Ongelikte Beer gaat zich hoogst ongelikt en hoogst beerachtig gedragen, vrees ik,” fluisterde zij.
Hij lachte.
“Ik ga er ten minste een flinken gooi naar doen. Beslist mijn laatste optreden, weet je. En dan is 't jou, jou. Maar als je dat laatste optreden niet wilt, spreek dan maar één woord.”
“Natuurlijk wil ik het wèl, Groote Man. Ik houd van mijn Grooten Man om hemzelf en om zichzelf te zijn, moet hij zichzelf zijn. Als jij dit wilt, dan wil ik het voor jou en voor mijzelf ook. Veronderstel eens, dat ik naar het tooneel wilde of naar de Zuidzee of naar den Noordpool.”
Hij antwoordde langzaam, bijna plechtig.
“Dan zou ik zeggen: vooruit. Omdat jijjijbent en jezelf moet zijn en doen moet wat je wilt. Ik houd van je omdat jijjijbent.”
“En wij zijn een mal paar verliefden,” zeide zij toen zijn armen haar los lieten.
“Is het niet groot?” riep hij uit.
Hij stond op, mat de zon met zijne oogen, en strekte zijn hand uit over de dichte wouden, die de aaneengesloten, purperen heuvelketenen bedekten.
“We moeten daar ergens gaan slapen. Het is dertig mijlen naar de dichtbij gelegen kampplaats.”
X.Wie, van al de sportlui, die er bij tegenwoordig waren, zal ooit den gedenkwaardigen avond vergeten in de Golden Gate Arena, toen Jonge Glendon, Tom Cannam en zelfs een grooteren dan Tom Cannam, tot zwijgen bracht; toen hij het talrijke publiek, dat op het punt stond in getier los te breken, een uur lang geboeid hield, en achter elkaar de afzetterijen aan den dag bracht van de promotors en de managers; de eigenaars der gebouwen, en de contractmakers in staat van beschuldiging stelde, en de geheele bokssport vrijwel uit elkaar rafelde.Het was een volkomen verrassing. Zelfs Stubener had niet het flauwste vermoeden van wat gebeuren zou.Het was waar, dat Pat Glendon obstinaat was geweest na die kwestie met Nat Powers, en weggeloopen was en getrouwd; maardat alles was voorbij. Jonge Pat had gedaan, wat te verwachten was, hij had de onvermijdelijke knoeierijen van den ring geslikt en was er nu in teruggekomen.De Golden Gate Arena was nieuw. Dit was de eerste match, die er gehouden werd en het was het grootste gebouw van dat soort, dat ooit in San Francisco was opgericht. Er waren vijfentwintighonderd zitplaatsen en elke plaats was ingenomen. Sportlui waren uit de geheele wereld komen aanreizen om er bij tegenwoordig te zijn, en zij hadden vijftig dollars betaald voor hunne plaatsen bij den ring. De goedkoopste plaats in 't huis was voor vijf dollar verkocht.De oude bekende uitbarsting van applaus klonk op, toen Billy Morgan, de veteraan onder de aankondigers, door de touwen kroop en zijn grijze hoofd ontblootte. Toen hij zijn mond opendeed om te spreken, deed zich dichtbij hem een luid gekraak hooren en verscheidene rijen lage banken vielen in elkaar. Het gekraak van de banken en het uitbundige gelach gaf den dienstdoenden inspecteur van politie aanleiding, één van zijn onder-inspecteurs aan te kijken metopgetrokken wenkbrauwen, ten teeken dat zij hun handen vol zouden hebben en een drukken avond.Eén voor één, verwelkomd door luidruchtig applaus, kropen zeven dappere oude helden van den ring door de touwen om voorgesteld te worden. Het waren allemaal vroegere zwaargewicht-wereldkampioenen. Billy Morgan deed elke voorstelling aan het publiek vergezeld gaan van een prijzend zinnetje. De één werd genoemd als “John Eerlijk” en “Oude Getrouwe” een ander was “de eerlijkste twee-vuisten bokser, die ooit in den ring was geweest.” En van anderen: “de held van honderd gevechten en nooit één verloren en nooit gelegd”; “de meest sportieve van de oude garde”; “de eenige, die altijd terugkwam”; “de grootste strijder van allen” en “de hardste noot in den ring om te kraken.”Dit alles nam tijd in beslag. Van elk hunner werd een toespraakje verwacht en zij mompelden en fluisterden in antwoord met een blos van trots en angstig bevende stemmen. De langste speech was die van den “Oude Getrouwe” en deze duurde bijna een minuut. De ring liep vol met beroemdheden,met worstelkampioenen, beroemde trainers en veteranen onder de tijd-opnemers en scheidsrechters. Licht- en middel-gewichten dromden samen. Iedereen scheen iedereen uit te dagen. Nat Powers was er en vroeg een revanche-match met Jonge Glendon en zoo deden al de andere stralende sterren, die door Glendon in de schaduw waren gesteld. Ook daagden zij allen Jim Hanford uit, en deze moest van zijn kant daar iets tegenover stellen, wat daarin bestond, dat hij de volgende partij zou boksen met den overwinnaar in de match, die stond te gebeuren. Het publiek kwam dadelijk in beweging om denoverwinnaarte noemen; de helft schreeuwde woest: “Glendon” en de andere helft “Cannam”. Te midden van dit pandemonium zakte opnieuw een rij zitplaatsen in elkaar en er vonden een half dozijn vechtpartijen plaats tusschen bedrogen houders van kaarten en de opzichters, die een vetten oogst hadden binnengehaald. De hoofdinspecteur van de politie zond een depêche naar het bureau met de details voor het politie-rapport.Het publiek had het naar zijn zin. Toen Cannam en Glendon de ring binnen kwamen,geleek de Arena een nationaal politieke vergadering. Elk werd volle vijf minuten lang toegejuicht. De ring was nu vrij. Glendon zat in zijn hoek, omringd van zijn secondanten. Als gewoonlijk stond Stubener achter hem. Cannam werd het eerst voorgesteld en nadat hij gebogen had en geknikt, was hij gedwongen om de kreten met een toespraak te beantwoorden. Hij stamelde en stokte, maar slaagde er ten slotte in, eenige zinnen te bedenken.“Ik ben er trotsch op vanavond hier te zijn,” zeide hij en terwijl het applaus donderde, vond hij tijd op een nieuw idee te komen. “Ik heb eerlijk gevochten. Ik heb mijn leven lang eerlijk gevochten. Niemand kan dat tegenspreken. En ik zal vanavond mijn best doen.”Luide kreten weerklonken, als: “Dat's best Tom!” “Dat weten wij!” “Goede jongen, Tom!” “Jij bent de man om 't er vanavond goed af te brengen!”Toen kwam de beurt aan Glendon. Van hem werd eveneens een toespraak gevraagd, ofschoon het een ding zonder weergâ was in den ring, dat één der hoofdpersonen een toesprak hield. Billy Morgan stak zijn handop om stilte te verkrijgen en Glendon begon met heldere, krachtige stem:“Iedereen heeft gezegd dat zij trotsch waren hier vanavond te zijn,” sprak hij. “Dat ben ik niet.” Het publiek schrikte op en hij wachtte lang genoeg om het tot stilte te doen komen.“Ik ben niet trotsch op mijn gezelschap. U wilt een toespraak. Ik zal u een echte geven. Dit is mijn laatste match. Na vanavond ga ik voorgoed heen uit den ring. Waarom? Ik heb 't u reeds gezegd. Ik houd niet van mijn gezelschap. De prijsring is zoo bedorven, dat ieder, die er bij betrokken is, zoo verdraaid wordt als een kurketrekker. De ring is verrot tot in zijn hart, vanaf de kleine clubs, waar de beroepsboksers zich oefenen, tot de zaak van heden avond.”Op dit oogenblik barstte het zachte gemompel van verwondering, dat opgestegen was, uit in een geloei. Er werd luidop gesist en gefloten en velen begonnen te schreeuwen: “Ga door met het gevecht!” “We willen boksen zien!” “Waarom vecht je niet?” Glendon wachtte even en merkte op, dat de voornaamste rustverstoorders bij den ringpromotors waren en managers en boksers. Tevergeefs spande hij zich in om zich verstaanbaar te maken. Het gehoor was verdeeld, de helft schreeuwde: “Vechten!” en de andere helft: “Spreken! Spreken!”Tien minuten vergingen onder hopeloos lawaai. Stubener, de scheidsrechter, de eigenaar van de arena en depromotorvan de match verzochten Glendon, door te gaan met de match. Toen hij weigerde, verklaarde de scheidsrechter, dat hij de partij ten gunste van Cannam zou verklaren, daar Glendon niet vocht.“Dat kan je niet doen,” hernam Glendon. “Ik zal je voor alle rechtbanken vervolgen, als je zoo iets probeert en ik durf je niet beloven, dat dit publiek je levend weg zal laten gaan als je het de partij ontneemt. Bovendien, ik zal boksen. Maar eer ik dit doe, wil ik mijn toespraak beëindigen.”“Maar het is tegen de regels,” protesteerde de scheidsrechter.“Volstrekt niet. Er staat geen woord in de regels tegen het houden van toespraken. Elke zwaargewicht-bokser heeft hier vanavond een speech afgestoken.”“Een paar woorden maar,” schreeuwdede promotor in Glendon's oor. “Maar jij houdt een lezing.”“Er staat niets in de regels tegen lezingen,” antwoordde Glendon. “En nu, kerels, ga uit de ring of ik gooi er jullie uit.”De promotor werd rood van woede en onder tegenspartelen, bij zijn kraag gegrepen en over te touwen gezet. Hij was een forsche man, maar Glendon had het zóó gemakkelijk gedaan met één hand, dat het publiek wild werd van genot. De kreten om een toespraak groeiden in kracht. Stubener en de eigenaar bliezen wijzelijk den aftocht. Glendon stak zijn handen op om verstaan te worden, waarop zij, die om een gevecht riepen, hunne pogingen verdubbelden. Twee of drie banken zakten in en degenen, die op die manier hun plaats verloren, verergerden het tumult door allen tegelijk naar de banken, die nog goed waren, toe te vliegen en zich tusschen de menschen dáár in te wringen, terwijl zij, die daar achter zaten en den ring niet konden zien, hun toeraasden te gaan zitten.Glendon liep naar de touwen en sprak den inspecteur van de politie aan. Hij wasgedwongen naar hem over te buigen en in zijn oor te schreeuwen.“Als ik mijn toespraak niet houd,” zeide hij, “zullen de menschen de boel in mekaar slaan. Als ze losbreken, kunt u ze niet tegenhouden, dat weet u. Dus u moet mij helpen. U houdt den ring vrij en ik zal het publiek tot stilte brengen.”Hij ging terug naar het midden van den ring en stak opnieuw zijn handen omhoog.“Wilt u dat ik spreek?” schreeuwde hij met geweldige stem.Honderden bij den ring verstonden het en riepen: “Ja!”“Laat dan iedereen, die hooren wil, den levenmaker naast hem tot zwijgen brengen!”De raad werd opgevolgd, zoodat zijn stem, toen hij de woorden herhaalde, verder doordrong. Nog eens en nog eens schreeuwde hij het, en langzamerhand, zône na zône, drong de stilte door vanuit den ring, vergezeld door een gesmoorden ondertoon van gesis en geduw en getwist, als de luidruchtigen door hun buren tot zwijgen werden gebracht. Bijna was alle lawaai onderdrukt, toen een rij zitplaatsen bij den ring inzakte. Dit werd begroet met nieuw brullend gelach, dat vanzelfwegstierf, zoodat een zachte stem, ver weg, duidelijk hoorbaar was, toen zij riep: “Ga voort Glendon! We luisteren!”Glendon bezat als Kelt de intuïtieve kennis van de psychologie der menigte. Hij wist dat, wat vijf minuten tevoren een groote onordelijke bende was geweest, nu als in zijn hand was en om het effect te vergrooten, wachtte hij een oogenblik alsof hij nadacht. Maar het wachten duurde juist lang genoeg en geen seconde te lang.Dertig seconden lang heerschte volmaakte stilte, en in de stemming hing iets als angst. Juist toen de eerste zwakke teekenen van onrust zijn oor bereikten, begon hij te spreken.“Als ik uitgesproken heb,” zeide hij, “zal ik boksen. Ik beloof u, dat het een echte match zal zijn, één van de weinige echte matches die u ooit gezien heeft. Ik zal mijn tegenstander in den kortst mogelijken tijd leggen. Billy Morgan zal u, als hij voor 't laatst aankondigt, vertellen, dat het een match wordt van vijf en veertig ronden. Laat mij u zeggen, dat het dichter bij vijf en veertig seconden zal zijn.Toen ik in de rede werd gevallen, was ikbezig te vertellen, dat de ring rot is. Dat is zoo, van top tot teen. Hij is ingericht om er zaken mee te doen en u weet allen wat zaken zijn. Dat zegt genoeg. U zijt de stumperts, ieder van u, die er niets uit haalt. Waarom vallen de banken vanavond in? Bedrog. Evenals de bokssport waren zij gebouwd om er zaken mee te doen.” Hij hield nu zijn gehoor vaster dan ooit in de hand en hij wist het.“Drie menschen worden op twee plaatsen gestopt. Dit zie ik overal. Wat beteekent dat? Bedrog. De opzichters krijgen geen loon. Men verwacht van hen dat zij het publiek zullen afzetten. Alweer zaken. U betaalt. Natuurlijk betaalt u. Hoe worden de verlofpapieren om te boksen verkregen? Door bedrog. En laat u mij nu eens vragen: als de mannen die banken maakten knoeien, als de opzichters knoeien, als de autoriteiten knoeien, waarom zouden dan zij die hooger in de bokssport staan niet knoeien? Dat doen zij. En u betaalt.En laat mij u zeggen, dat het niet de schuld is van de boksers. Zij zetten de matches niet op touw. Dat doen de promotors en de managers; dat zijn de zakenlui. De bokserszijn alleen maar boksers. Zij beginnen heel eerlijk, maar de managers en promotors dwingen hen mee te doen of zij gooien hen er uit. Er zijn eerlijke boksers geweest. En er zijn er nog enkelen, maar die verdienen gewoonlijk niet veel. Ik denk, dat er ook wel eerlijke managers zijn geweest. De mijne is zoo wat de beste van het zoodje. Maar vraag hem eens, hoe hij zoo dik in de vaste goederen en étage-woningen komt te zitten.” Hier begon zijn stem te verdrinken in het rumoer.“Laat iedereen, die hooren wil, zijn buurman's mond dicht houden!” raadde Glendon.Opnieuw, als het gegrom van de branding, klonk een geluid van smakkende lippen en stompen en gekibbel en het huis werd stil.“Waarom legt elke bokser er den nadruk op, altijd eerlijk gevochten te hebben?” Waarom worden zij “John Eerlijk” en “Bills Eerlijk” en “Blackmiths Eerlijk” enzoovoort genoemd? Is het u nooit opgevallen, dat zij ergens bang voor schijnen te zijn? Als een man naar je toekomt, alschreeuwenddat hij eerlijk is, dan krijg je achterdocht. Maar als een prijsbokser hetzelfde liedje voor u zingt dan neemt u dat aan.Laat de beste bokser winnen! Hoe dikwijls heb je dat Billy Morgan hooren zeggen! Laat mij u zeggen, dat de beste bokser niet zoo heel dikwijls wint en dat, als hij wint, het gewoonlijk voor hem zoo beschikt is. De meeste gevechten in ernst, waar u van gehoord heeft of die u gezien heeft, waren ook van te voren opgezet. Het is een programma. Alles is vooruit vastgesteld. Denkt u, dat de promotors en managers het voor hun pleizier doen? Volstrekt niet. Het zijn zakenmenschen.”Tom, Dick en Harry zijn drie boksers, Dick is de beste. Dat kon hij in twee matches bewijzen. Maar wat gebeurt er? Tom slaat Harry. Dick slaat Tom. Harry slaat Dick. Niets bewezen. Dan komen de revanche-matches. Harry slaat Tom, Tom slaat Dick, Dick slaat Harry. Niets bewezen. Dan probeeren zij 't nog eens?. Dick stoot flink toe. Zegt dat hij op de eerste plaats wil komen. Dus slaat Dick, Tom en Dick slaat Harry. Acht partijen om te bewijzen, dat Dick de beste is, waar twee hadden volstaan. Alles vooruit klaargemaakt. Een programma. En u betaalt er voor en als uw banken in elkaar vallen, nemen de opzichters u uw plaats af.'t Is een mooie sport als het maar eerlijk ging. De boksers zouden wel eerlijk zijn als zij maar konden. Maar het geknoei is te erg, als een handjevol mannen bij drie matches driekwart millioen dollars kunnen verdeelen.”Een wilde uitbarsting van lawaai dwong hem te zwijgen.Te midden van het mengelmoes van kreten, die door het gansche gebouw weerklonken, kon hij enkele onderscheiden als: “Welke millioen dollars?” “Welke drie matches?” “Zeg op!” “Ga voort!” Ook was er gesis en gefluit en kreten van: “Smerige leugenaar! Baantjesjager!”“Wilt u hooren?” schreeuwde Glendon. “Bewaar dan de orde.”Opnieuw verkreeg hij de indrukwekkende halve minuut van stilte.“Wat zal Jim Hanford doen? Wat is het programma dat zijn menschen en de mijne opmaakten? Zij weten, dat ik hem de baas ben. Hij weet, dat ik hem de baas ben. Ik kan hem in één partij leggen. Maar hij is wereldkampioen. Als ik mij niet schik naar het programma, krijg ik nooit een kans om tegen hem uit te komen. Hetprogramma vraagt drie partijen. Ik zal de eerste winnen. 't Zal in Nevada plaats hebben als er in San Francisco geen gelegenheid voor is. Wij zullen er een eerlijke partij van maken. Om ze eerlijk te doen zijn, legt ieder van ons twintig duizend in. 't Is echt geld, maar 't is geen echte inleg. Elk van ons krijgt zijn eigen inleg stiekem weer terug. Hetzelfde met de beurs. We deelen hem eerlijk, ofschoon het in de oogen van het publiek gaat tusschen vijf en dertig en vijf en zestig. De beurs, de films, de advertenties en al het andere dat hangen blijft, is geen cent minder dan tweehonderdvijftig duizend.Wij verdeelen dat en gaan aan het werk voor de revanche-match. Hanford wint en wij gaan opnieuw aan het verdeelen. Dan komt de derde partij; ik win, waar ik volkomen het recht toe heb; en wij hebben het boks-publiek driekwart millioen uit den zak geslagen. Zóó is het programma, maar het is vuil geld. En daarom ga ik vanavond uit den ring.”Op dit oogenblik stootte Jim Hanford een politieagent op zij, zoodat hij tusschen het publiek viel, en wrong zijn kolossale lichaam door de touwen heen, brullend:”'t Is een leugen!”Als een woedende stier stormde hij op Glendon in, die terugsprong en toen, inplaats van den stoot af te wachten, behendig wegdook. Niet in staat zich in te houden, stoof de zware man voort tegen te touwen. Terug gegooid door het terugspringen ervan, keerde hij zich om om opnieuw in te stormen, toen Glendon hem raakte. Glendon, kalm, helderziende, mat precies den afstand naar de kaak van zijn tegenstander en voor 't eerst in zijn loopbaan als bokser, stootte hij met volle kracht. Al zijn kracht, alle latente kracht trok zich samen in die ééne harde uitbarsting van spierkracht.Hanford hing dood in de lucht, in zoover als bewusteloosheid op dood gelijkt. Wat hem betrof, staakte hij het gevecht op het oogenblik toen hij met Glendon's vuist in aanraking kwam. Zijn voeten gingen van den grond en hij hing in de lucht tot hij het bovenste touw raakte. Zijn kolossale lichaam spartelde er tegenaan, boog in het midden door en viel door de touwen heen buiten den ring en op de hoofden van de mannen op de pers-plaatsen.Het publiek barstte los. Het had al meer gezien dan waarvoor het betaald had, want de groote Jim Hanford, de wereldkampioen, was verslagen. Het was niet officieël, maar het was met één stoot gebeurd. Nooit was er zoo'n avond geweest in vuistvechtersland. Glendon keek verdrietig naar zijn bezeerde knokkels, blikte even tusschen de touwen door naar de plaats, waar Hanford wankelend te land was gekomen en stak zijn handen omhoog. Hij had zijn recht om gehoord te worden, bevochten en het publiek werd stil.“Toen ik begon te boksen,” zeide hij, “noemde men mij “Eén Stoot Glendon”. U heeft een oogenblik geleden dien stoot gezien. Die kende ik altijd. Ik liep op mijn tegenstander toe en sloeg hem neer, ofschoon ik altijd zorgde niet met alle kracht te stooten. Toen werd ik opgevoed. Mijn manager zeide, dat het niet eerlijk was tegenover het publiek. Hij raadde mij, langere partijen te maken, zoodat het publiek wat te zien kreeg voor zijn geld. Ik was een dwaas, een onnoozel schaap. Ik was een groene jongen uit de bergen. Moge God mij bewaren. Ik nam het als waarheid aan. Mijn managerbesprak gewoonlijk met mij, in welke ronde ik mijn man leggen zou. Dan bracht hij het over aan het gok-syndicaat en het gok-syndicaat maakte er gebruik van. Natuurlijk betaalden zij. Maar om één ding ben ik blij. Ik heb nooit een cent van het geld aangeraakt. Zij durfden het mij niet aanbieden, omdat zij wisten, dat het voor mij dan uit was met de matches.U herinnert u mijn match met Nat Powers. Ik heb hem niet verslagen. Ik had achterdocht gekregen. Dus maakte de bende het met hem in orde. Ik wist er niets van. Ik was van plan de partij een paar ronden over de zestiende heen te laten duren. De laatste stoot in de zestiende gooide hem niet om. Maar hij speelde toch den verslagene en hield jullie allemaal voor den gek.”“En vanavond?” riep een stem. “Is dat een afspraak?”“Ja,” was Glendon's antwoord. “Waarop wed het syndicaat? Dat Cannam het tot de veertiende zal houden.”Gehuil en gesis klonk. Voor 't laatst hield Glendon zijn hand op om stilte.“Ik ben bijna klaar. Maar ik wil u nog één ding zeggen. Het syndicaat heeft eenstrop vanavond. Dit zal een eerlijke partij zijn. Tom Cannam zal het niet tot de veertiende ronde houden. Hij zal 't niet één ronde houden.”Cannam sprong op in zijn hoek en riep woedend uit: “Dat kan je niet! Er leeft geen mensch die mij in één ronde klopt!”Glendon lette niet op hem en ging voort:“Eens in mijn leven heb ik nu met al mijn kracht gestooten. U heeft dat een oogenblik geleden gezien toen ik Hanford sloeg. Vanavond zal ik voor de tweede maal met alle kracht stooten—dat is te zeggen, als Cannam niet nu dadelijk door de touwen springt en er vandoor gaat. En nu ben ik klaar.”Hij ging naar zijn hoek en stak zijn handen uit voor de handschoenen. In den tegenovergestelden hoek zat Cannam te razen, terwijl zijn secondanten tevergeefs trachtten hem tot kalmte te brengen. Ten laatste slaagde Billy Morgan er in, de laatste aankondiging van den strijd te doen hooren.“Dit zal een gevecht zijn van vijf en veertig ronden,” schreeuwde hij. “Regels van de Marquess of Queensbury! En moge de beste bokser winnen! Vooruit!”De gong sloeg. De beide mannen kwamen naar voren. Glendon stak zijn rechterhand uit voor den gewonen handdruk, maar Cannam weigerde ze met een boos hoofdschudden. Tot algemeene verbazing viel hij niet aan. Woedend als hij was, vocht hij toch voorzichtig; zijn gewonde trots dwong hem, alle krachten in te spannen om het de ronde uit te houden. Verscheidene malen stootte hij toe, doch hij stootte behoedzaam en vergat een oogenblik af te weren. Glendon joeg hem op door den ring, steeds vooruit dringend met het onbarmhartige gestamp van zijn linkervoet. Doch hij stootte niet en beproefde ook niet te stooten. Hij liet zelfs zijn handen neerhangen langs zijn zijden en joeg den ander op zonder zich te verdedigen, waarmee hij een poging deed hem te lokken. Cannam grijnsde uitdagend maar zag er van af, voordeel te trekken uit de dus geboden kans.Twee minuten gingen voorbij en toen kwam er een verandering over Glendon. In elke spier, in elken trek van zijn gezicht sprak hij uit, dat het oogenblik voor hem was gekomen om zijn tegenstander onder te krijgen.Het was een daad en het werd goed gedaan. Hij scheen een ding van staal geworden, hard en onmeedoogend als staal. Cannam reageerde er op door zijn omzichtigheid te verdubbelen. Glendon werkte hem vlug in een hoek en hield hem daar onder bewaking. Nog stootte hij niet, noch poogde te stooten en de onzekerheid werd pijnlijk aan Cannam's kant. Tevergeefs trachtte hij zich uit den hoek te werken, terwijl hij niet besluiten kon op zijn tegenstander in te stormen en een poging te doen dezen vast te grijpen.Toen kwam het—een snelle reeks van eenvoudige schijnstooten als spierschichten. Cannam werd er duizelig van. En het publiek eveneens. Geen twee van de toeschouwers waren het er later over eens, wat er gebeurd was. Cannam ontdook één schijnstoot en bracht tegelijk zijn handen naar zijn gezicht om een nieuwen schijnstoot naar zijn kaak af te weren.Hij trachtte ook zijn beenen van positie te doen veranderen. Getuigen, die vlak bij den ring zaten, zwoeren, dat zij Glendon een stoot zagen toebrengen vanuit zijn linkerheup terwijl hij vooruitsprong als een tijgerom zijn lichaamsgewicht er aan toe te voegen. Ware dat als het wil, de slag raakte Cannam op de punt van zijn kin in het oogenblik, toen hij van positie veranderde. En evenals Hanford, hing hij bewusteloos in de lucht eer hij tegen de touwen aansloeg en er doorheen viel op de hoofden van de verslaggevers.Wat er daarna in de Golden Gate Arena gebeurde, konden geen kolommen in de dagbladen voldoende beschrijven. De politie hield den ring vrij, maar de Arena kon zij niet redden. Het was geen wanorde, het was een orgie. Geen bank werd op zijn plaats gelaten. Met alle kracht duwend en dringend, om balken en planken machtig te worden, sloeg de menigte alles in de groote zaal kort en klein. Prijsboksers zochten bescherming bij de politie, doch er waren niet genoeg agenten om hen naar buiten te geleiden, en boksers, managers en promotors werden afgeranseld en geslagen. Alleen Jim Hanford werd gespaard. Die genade werd hem betoond ter wille van zijn vreeselijk gezwollen kaak. Toen de menigte eindelijk uit het gebouw was gedreven, viel zij buiten aan op een nieuwe auto van zevenduizend dollar,die aan een welbekende bokspromotor toebehoorde en vernielde de car tot een hoopje oud roest en brandhout.Glendon, die zich niet kon kleeden te midden van de ruïne der kleedkamers, bereikte zijn auto nog in bokscostuum in een badmantel gewikkeld, maar slaagde er niet in te ontsnappen. Door de macht van het aantal hield de menigte zijn machine tegen. De politie had het te druk om hem ter hulp te komen en eindelijk werd er een compromis gesloten, waarbij de car voort mocht gaan in wandelpas, en begeleid door vijf duizend lawaaiende opgewonden schreeuwers.Het was middernacht toen deze storm over Union Square heenstreek naar St. Francis. Kreten om een speech klonken op en ofschoon hij voor den ingang van het hôtel was gekomen, werd Glendon vriendelijk verhinderd te ontsnappen. Hij trachtte zelfs er uit te springen op de hoofden van de opgewondenen, maar zijn voeten raakten de straat niet. Op hoofden en schouders, omklemd en opgetild door iedere hand, die zijn lichaam kon bereiken, ging hij door de lucht terug naar zijn machine. Toen hieldhij zijn speech en Maud Glendon, die uit een bovenraam neerkeek op haar jongen Herkules, staande op de bank van de automobiel, wist, zooals zij 't altijd had geweten, dat hij het meende, wanneer hij herhaalde, zijn laatste partij gebokst te hebben en voorgoed uit den ring te gaan.EINDE.
Wie, van al de sportlui, die er bij tegenwoordig waren, zal ooit den gedenkwaardigen avond vergeten in de Golden Gate Arena, toen Jonge Glendon, Tom Cannam en zelfs een grooteren dan Tom Cannam, tot zwijgen bracht; toen hij het talrijke publiek, dat op het punt stond in getier los te breken, een uur lang geboeid hield, en achter elkaar de afzetterijen aan den dag bracht van de promotors en de managers; de eigenaars der gebouwen, en de contractmakers in staat van beschuldiging stelde, en de geheele bokssport vrijwel uit elkaar rafelde.
Het was een volkomen verrassing. Zelfs Stubener had niet het flauwste vermoeden van wat gebeuren zou.
Het was waar, dat Pat Glendon obstinaat was geweest na die kwestie met Nat Powers, en weggeloopen was en getrouwd; maardat alles was voorbij. Jonge Pat had gedaan, wat te verwachten was, hij had de onvermijdelijke knoeierijen van den ring geslikt en was er nu in teruggekomen.
De Golden Gate Arena was nieuw. Dit was de eerste match, die er gehouden werd en het was het grootste gebouw van dat soort, dat ooit in San Francisco was opgericht. Er waren vijfentwintighonderd zitplaatsen en elke plaats was ingenomen. Sportlui waren uit de geheele wereld komen aanreizen om er bij tegenwoordig te zijn, en zij hadden vijftig dollars betaald voor hunne plaatsen bij den ring. De goedkoopste plaats in 't huis was voor vijf dollar verkocht.
De oude bekende uitbarsting van applaus klonk op, toen Billy Morgan, de veteraan onder de aankondigers, door de touwen kroop en zijn grijze hoofd ontblootte. Toen hij zijn mond opendeed om te spreken, deed zich dichtbij hem een luid gekraak hooren en verscheidene rijen lage banken vielen in elkaar. Het gekraak van de banken en het uitbundige gelach gaf den dienstdoenden inspecteur van politie aanleiding, één van zijn onder-inspecteurs aan te kijken metopgetrokken wenkbrauwen, ten teeken dat zij hun handen vol zouden hebben en een drukken avond.
Eén voor één, verwelkomd door luidruchtig applaus, kropen zeven dappere oude helden van den ring door de touwen om voorgesteld te worden. Het waren allemaal vroegere zwaargewicht-wereldkampioenen. Billy Morgan deed elke voorstelling aan het publiek vergezeld gaan van een prijzend zinnetje. De één werd genoemd als “John Eerlijk” en “Oude Getrouwe” een ander was “de eerlijkste twee-vuisten bokser, die ooit in den ring was geweest.” En van anderen: “de held van honderd gevechten en nooit één verloren en nooit gelegd”; “de meest sportieve van de oude garde”; “de eenige, die altijd terugkwam”; “de grootste strijder van allen” en “de hardste noot in den ring om te kraken.”
Dit alles nam tijd in beslag. Van elk hunner werd een toespraakje verwacht en zij mompelden en fluisterden in antwoord met een blos van trots en angstig bevende stemmen. De langste speech was die van den “Oude Getrouwe” en deze duurde bijna een minuut. De ring liep vol met beroemdheden,met worstelkampioenen, beroemde trainers en veteranen onder de tijd-opnemers en scheidsrechters. Licht- en middel-gewichten dromden samen. Iedereen scheen iedereen uit te dagen. Nat Powers was er en vroeg een revanche-match met Jonge Glendon en zoo deden al de andere stralende sterren, die door Glendon in de schaduw waren gesteld. Ook daagden zij allen Jim Hanford uit, en deze moest van zijn kant daar iets tegenover stellen, wat daarin bestond, dat hij de volgende partij zou boksen met den overwinnaar in de match, die stond te gebeuren. Het publiek kwam dadelijk in beweging om denoverwinnaarte noemen; de helft schreeuwde woest: “Glendon” en de andere helft “Cannam”. Te midden van dit pandemonium zakte opnieuw een rij zitplaatsen in elkaar en er vonden een half dozijn vechtpartijen plaats tusschen bedrogen houders van kaarten en de opzichters, die een vetten oogst hadden binnengehaald. De hoofdinspecteur van de politie zond een depêche naar het bureau met de details voor het politie-rapport.
Het publiek had het naar zijn zin. Toen Cannam en Glendon de ring binnen kwamen,geleek de Arena een nationaal politieke vergadering. Elk werd volle vijf minuten lang toegejuicht. De ring was nu vrij. Glendon zat in zijn hoek, omringd van zijn secondanten. Als gewoonlijk stond Stubener achter hem. Cannam werd het eerst voorgesteld en nadat hij gebogen had en geknikt, was hij gedwongen om de kreten met een toespraak te beantwoorden. Hij stamelde en stokte, maar slaagde er ten slotte in, eenige zinnen te bedenken.
“Ik ben er trotsch op vanavond hier te zijn,” zeide hij en terwijl het applaus donderde, vond hij tijd op een nieuw idee te komen. “Ik heb eerlijk gevochten. Ik heb mijn leven lang eerlijk gevochten. Niemand kan dat tegenspreken. En ik zal vanavond mijn best doen.”
Luide kreten weerklonken, als: “Dat's best Tom!” “Dat weten wij!” “Goede jongen, Tom!” “Jij bent de man om 't er vanavond goed af te brengen!”
Toen kwam de beurt aan Glendon. Van hem werd eveneens een toespraak gevraagd, ofschoon het een ding zonder weergâ was in den ring, dat één der hoofdpersonen een toesprak hield. Billy Morgan stak zijn handop om stilte te verkrijgen en Glendon begon met heldere, krachtige stem:
“Iedereen heeft gezegd dat zij trotsch waren hier vanavond te zijn,” sprak hij. “Dat ben ik niet.” Het publiek schrikte op en hij wachtte lang genoeg om het tot stilte te doen komen.
“Ik ben niet trotsch op mijn gezelschap. U wilt een toespraak. Ik zal u een echte geven. Dit is mijn laatste match. Na vanavond ga ik voorgoed heen uit den ring. Waarom? Ik heb 't u reeds gezegd. Ik houd niet van mijn gezelschap. De prijsring is zoo bedorven, dat ieder, die er bij betrokken is, zoo verdraaid wordt als een kurketrekker. De ring is verrot tot in zijn hart, vanaf de kleine clubs, waar de beroepsboksers zich oefenen, tot de zaak van heden avond.”
Op dit oogenblik barstte het zachte gemompel van verwondering, dat opgestegen was, uit in een geloei. Er werd luidop gesist en gefloten en velen begonnen te schreeuwen: “Ga door met het gevecht!” “We willen boksen zien!” “Waarom vecht je niet?” Glendon wachtte even en merkte op, dat de voornaamste rustverstoorders bij den ringpromotors waren en managers en boksers. Tevergeefs spande hij zich in om zich verstaanbaar te maken. Het gehoor was verdeeld, de helft schreeuwde: “Vechten!” en de andere helft: “Spreken! Spreken!”
Tien minuten vergingen onder hopeloos lawaai. Stubener, de scheidsrechter, de eigenaar van de arena en depromotorvan de match verzochten Glendon, door te gaan met de match. Toen hij weigerde, verklaarde de scheidsrechter, dat hij de partij ten gunste van Cannam zou verklaren, daar Glendon niet vocht.
“Dat kan je niet doen,” hernam Glendon. “Ik zal je voor alle rechtbanken vervolgen, als je zoo iets probeert en ik durf je niet beloven, dat dit publiek je levend weg zal laten gaan als je het de partij ontneemt. Bovendien, ik zal boksen. Maar eer ik dit doe, wil ik mijn toespraak beëindigen.”
“Maar het is tegen de regels,” protesteerde de scheidsrechter.
“Volstrekt niet. Er staat geen woord in de regels tegen het houden van toespraken. Elke zwaargewicht-bokser heeft hier vanavond een speech afgestoken.”
“Een paar woorden maar,” schreeuwdede promotor in Glendon's oor. “Maar jij houdt een lezing.”
“Er staat niets in de regels tegen lezingen,” antwoordde Glendon. “En nu, kerels, ga uit de ring of ik gooi er jullie uit.”
De promotor werd rood van woede en onder tegenspartelen, bij zijn kraag gegrepen en over te touwen gezet. Hij was een forsche man, maar Glendon had het zóó gemakkelijk gedaan met één hand, dat het publiek wild werd van genot. De kreten om een toespraak groeiden in kracht. Stubener en de eigenaar bliezen wijzelijk den aftocht. Glendon stak zijn handen op om verstaan te worden, waarop zij, die om een gevecht riepen, hunne pogingen verdubbelden. Twee of drie banken zakten in en degenen, die op die manier hun plaats verloren, verergerden het tumult door allen tegelijk naar de banken, die nog goed waren, toe te vliegen en zich tusschen de menschen dáár in te wringen, terwijl zij, die daar achter zaten en den ring niet konden zien, hun toeraasden te gaan zitten.
Glendon liep naar de touwen en sprak den inspecteur van de politie aan. Hij wasgedwongen naar hem over te buigen en in zijn oor te schreeuwen.
“Als ik mijn toespraak niet houd,” zeide hij, “zullen de menschen de boel in mekaar slaan. Als ze losbreken, kunt u ze niet tegenhouden, dat weet u. Dus u moet mij helpen. U houdt den ring vrij en ik zal het publiek tot stilte brengen.”
Hij ging terug naar het midden van den ring en stak opnieuw zijn handen omhoog.
“Wilt u dat ik spreek?” schreeuwde hij met geweldige stem.
Honderden bij den ring verstonden het en riepen: “Ja!”
“Laat dan iedereen, die hooren wil, den levenmaker naast hem tot zwijgen brengen!”
De raad werd opgevolgd, zoodat zijn stem, toen hij de woorden herhaalde, verder doordrong. Nog eens en nog eens schreeuwde hij het, en langzamerhand, zône na zône, drong de stilte door vanuit den ring, vergezeld door een gesmoorden ondertoon van gesis en geduw en getwist, als de luidruchtigen door hun buren tot zwijgen werden gebracht. Bijna was alle lawaai onderdrukt, toen een rij zitplaatsen bij den ring inzakte. Dit werd begroet met nieuw brullend gelach, dat vanzelfwegstierf, zoodat een zachte stem, ver weg, duidelijk hoorbaar was, toen zij riep: “Ga voort Glendon! We luisteren!”
Glendon bezat als Kelt de intuïtieve kennis van de psychologie der menigte. Hij wist dat, wat vijf minuten tevoren een groote onordelijke bende was geweest, nu als in zijn hand was en om het effect te vergrooten, wachtte hij een oogenblik alsof hij nadacht. Maar het wachten duurde juist lang genoeg en geen seconde te lang.
Dertig seconden lang heerschte volmaakte stilte, en in de stemming hing iets als angst. Juist toen de eerste zwakke teekenen van onrust zijn oor bereikten, begon hij te spreken.
“Als ik uitgesproken heb,” zeide hij, “zal ik boksen. Ik beloof u, dat het een echte match zal zijn, één van de weinige echte matches die u ooit gezien heeft. Ik zal mijn tegenstander in den kortst mogelijken tijd leggen. Billy Morgan zal u, als hij voor 't laatst aankondigt, vertellen, dat het een match wordt van vijf en veertig ronden. Laat mij u zeggen, dat het dichter bij vijf en veertig seconden zal zijn.
Toen ik in de rede werd gevallen, was ikbezig te vertellen, dat de ring rot is. Dat is zoo, van top tot teen. Hij is ingericht om er zaken mee te doen en u weet allen wat zaken zijn. Dat zegt genoeg. U zijt de stumperts, ieder van u, die er niets uit haalt. Waarom vallen de banken vanavond in? Bedrog. Evenals de bokssport waren zij gebouwd om er zaken mee te doen.” Hij hield nu zijn gehoor vaster dan ooit in de hand en hij wist het.
“Drie menschen worden op twee plaatsen gestopt. Dit zie ik overal. Wat beteekent dat? Bedrog. De opzichters krijgen geen loon. Men verwacht van hen dat zij het publiek zullen afzetten. Alweer zaken. U betaalt. Natuurlijk betaalt u. Hoe worden de verlofpapieren om te boksen verkregen? Door bedrog. En laat u mij nu eens vragen: als de mannen die banken maakten knoeien, als de opzichters knoeien, als de autoriteiten knoeien, waarom zouden dan zij die hooger in de bokssport staan niet knoeien? Dat doen zij. En u betaalt.
En laat mij u zeggen, dat het niet de schuld is van de boksers. Zij zetten de matches niet op touw. Dat doen de promotors en de managers; dat zijn de zakenlui. De bokserszijn alleen maar boksers. Zij beginnen heel eerlijk, maar de managers en promotors dwingen hen mee te doen of zij gooien hen er uit. Er zijn eerlijke boksers geweest. En er zijn er nog enkelen, maar die verdienen gewoonlijk niet veel. Ik denk, dat er ook wel eerlijke managers zijn geweest. De mijne is zoo wat de beste van het zoodje. Maar vraag hem eens, hoe hij zoo dik in de vaste goederen en étage-woningen komt te zitten.” Hier begon zijn stem te verdrinken in het rumoer.
“Laat iedereen, die hooren wil, zijn buurman's mond dicht houden!” raadde Glendon.
Opnieuw, als het gegrom van de branding, klonk een geluid van smakkende lippen en stompen en gekibbel en het huis werd stil.
“Waarom legt elke bokser er den nadruk op, altijd eerlijk gevochten te hebben?” Waarom worden zij “John Eerlijk” en “Bills Eerlijk” en “Blackmiths Eerlijk” enzoovoort genoemd? Is het u nooit opgevallen, dat zij ergens bang voor schijnen te zijn? Als een man naar je toekomt, alschreeuwenddat hij eerlijk is, dan krijg je achterdocht. Maar als een prijsbokser hetzelfde liedje voor u zingt dan neemt u dat aan.
Laat de beste bokser winnen! Hoe dikwijls heb je dat Billy Morgan hooren zeggen! Laat mij u zeggen, dat de beste bokser niet zoo heel dikwijls wint en dat, als hij wint, het gewoonlijk voor hem zoo beschikt is. De meeste gevechten in ernst, waar u van gehoord heeft of die u gezien heeft, waren ook van te voren opgezet. Het is een programma. Alles is vooruit vastgesteld. Denkt u, dat de promotors en managers het voor hun pleizier doen? Volstrekt niet. Het zijn zakenmenschen.”
Tom, Dick en Harry zijn drie boksers, Dick is de beste. Dat kon hij in twee matches bewijzen. Maar wat gebeurt er? Tom slaat Harry. Dick slaat Tom. Harry slaat Dick. Niets bewezen. Dan komen de revanche-matches. Harry slaat Tom, Tom slaat Dick, Dick slaat Harry. Niets bewezen. Dan probeeren zij 't nog eens?. Dick stoot flink toe. Zegt dat hij op de eerste plaats wil komen. Dus slaat Dick, Tom en Dick slaat Harry. Acht partijen om te bewijzen, dat Dick de beste is, waar twee hadden volstaan. Alles vooruit klaargemaakt. Een programma. En u betaalt er voor en als uw banken in elkaar vallen, nemen de opzichters u uw plaats af.
't Is een mooie sport als het maar eerlijk ging. De boksers zouden wel eerlijk zijn als zij maar konden. Maar het geknoei is te erg, als een handjevol mannen bij drie matches driekwart millioen dollars kunnen verdeelen.”
Een wilde uitbarsting van lawaai dwong hem te zwijgen.
Te midden van het mengelmoes van kreten, die door het gansche gebouw weerklonken, kon hij enkele onderscheiden als: “Welke millioen dollars?” “Welke drie matches?” “Zeg op!” “Ga voort!” Ook was er gesis en gefluit en kreten van: “Smerige leugenaar! Baantjesjager!”
“Wilt u hooren?” schreeuwde Glendon. “Bewaar dan de orde.”
Opnieuw verkreeg hij de indrukwekkende halve minuut van stilte.
“Wat zal Jim Hanford doen? Wat is het programma dat zijn menschen en de mijne opmaakten? Zij weten, dat ik hem de baas ben. Hij weet, dat ik hem de baas ben. Ik kan hem in één partij leggen. Maar hij is wereldkampioen. Als ik mij niet schik naar het programma, krijg ik nooit een kans om tegen hem uit te komen. Hetprogramma vraagt drie partijen. Ik zal de eerste winnen. 't Zal in Nevada plaats hebben als er in San Francisco geen gelegenheid voor is. Wij zullen er een eerlijke partij van maken. Om ze eerlijk te doen zijn, legt ieder van ons twintig duizend in. 't Is echt geld, maar 't is geen echte inleg. Elk van ons krijgt zijn eigen inleg stiekem weer terug. Hetzelfde met de beurs. We deelen hem eerlijk, ofschoon het in de oogen van het publiek gaat tusschen vijf en dertig en vijf en zestig. De beurs, de films, de advertenties en al het andere dat hangen blijft, is geen cent minder dan tweehonderdvijftig duizend.
Wij verdeelen dat en gaan aan het werk voor de revanche-match. Hanford wint en wij gaan opnieuw aan het verdeelen. Dan komt de derde partij; ik win, waar ik volkomen het recht toe heb; en wij hebben het boks-publiek driekwart millioen uit den zak geslagen. Zóó is het programma, maar het is vuil geld. En daarom ga ik vanavond uit den ring.”
Op dit oogenblik stootte Jim Hanford een politieagent op zij, zoodat hij tusschen het publiek viel, en wrong zijn kolossale lichaam door de touwen heen, brullend:
”'t Is een leugen!”
Als een woedende stier stormde hij op Glendon in, die terugsprong en toen, inplaats van den stoot af te wachten, behendig wegdook. Niet in staat zich in te houden, stoof de zware man voort tegen te touwen. Terug gegooid door het terugspringen ervan, keerde hij zich om om opnieuw in te stormen, toen Glendon hem raakte. Glendon, kalm, helderziende, mat precies den afstand naar de kaak van zijn tegenstander en voor 't eerst in zijn loopbaan als bokser, stootte hij met volle kracht. Al zijn kracht, alle latente kracht trok zich samen in die ééne harde uitbarsting van spierkracht.
Hanford hing dood in de lucht, in zoover als bewusteloosheid op dood gelijkt. Wat hem betrof, staakte hij het gevecht op het oogenblik toen hij met Glendon's vuist in aanraking kwam. Zijn voeten gingen van den grond en hij hing in de lucht tot hij het bovenste touw raakte. Zijn kolossale lichaam spartelde er tegenaan, boog in het midden door en viel door de touwen heen buiten den ring en op de hoofden van de mannen op de pers-plaatsen.
Het publiek barstte los. Het had al meer gezien dan waarvoor het betaald had, want de groote Jim Hanford, de wereldkampioen, was verslagen. Het was niet officieël, maar het was met één stoot gebeurd. Nooit was er zoo'n avond geweest in vuistvechtersland. Glendon keek verdrietig naar zijn bezeerde knokkels, blikte even tusschen de touwen door naar de plaats, waar Hanford wankelend te land was gekomen en stak zijn handen omhoog. Hij had zijn recht om gehoord te worden, bevochten en het publiek werd stil.
“Toen ik begon te boksen,” zeide hij, “noemde men mij “Eén Stoot Glendon”. U heeft een oogenblik geleden dien stoot gezien. Die kende ik altijd. Ik liep op mijn tegenstander toe en sloeg hem neer, ofschoon ik altijd zorgde niet met alle kracht te stooten. Toen werd ik opgevoed. Mijn manager zeide, dat het niet eerlijk was tegenover het publiek. Hij raadde mij, langere partijen te maken, zoodat het publiek wat te zien kreeg voor zijn geld. Ik was een dwaas, een onnoozel schaap. Ik was een groene jongen uit de bergen. Moge God mij bewaren. Ik nam het als waarheid aan. Mijn managerbesprak gewoonlijk met mij, in welke ronde ik mijn man leggen zou. Dan bracht hij het over aan het gok-syndicaat en het gok-syndicaat maakte er gebruik van. Natuurlijk betaalden zij. Maar om één ding ben ik blij. Ik heb nooit een cent van het geld aangeraakt. Zij durfden het mij niet aanbieden, omdat zij wisten, dat het voor mij dan uit was met de matches.
U herinnert u mijn match met Nat Powers. Ik heb hem niet verslagen. Ik had achterdocht gekregen. Dus maakte de bende het met hem in orde. Ik wist er niets van. Ik was van plan de partij een paar ronden over de zestiende heen te laten duren. De laatste stoot in de zestiende gooide hem niet om. Maar hij speelde toch den verslagene en hield jullie allemaal voor den gek.”
“En vanavond?” riep een stem. “Is dat een afspraak?”
“Ja,” was Glendon's antwoord. “Waarop wed het syndicaat? Dat Cannam het tot de veertiende zal houden.”
Gehuil en gesis klonk. Voor 't laatst hield Glendon zijn hand op om stilte.
“Ik ben bijna klaar. Maar ik wil u nog één ding zeggen. Het syndicaat heeft eenstrop vanavond. Dit zal een eerlijke partij zijn. Tom Cannam zal het niet tot de veertiende ronde houden. Hij zal 't niet één ronde houden.”
Cannam sprong op in zijn hoek en riep woedend uit: “Dat kan je niet! Er leeft geen mensch die mij in één ronde klopt!”
Glendon lette niet op hem en ging voort:
“Eens in mijn leven heb ik nu met al mijn kracht gestooten. U heeft dat een oogenblik geleden gezien toen ik Hanford sloeg. Vanavond zal ik voor de tweede maal met alle kracht stooten—dat is te zeggen, als Cannam niet nu dadelijk door de touwen springt en er vandoor gaat. En nu ben ik klaar.”
Hij ging naar zijn hoek en stak zijn handen uit voor de handschoenen. In den tegenovergestelden hoek zat Cannam te razen, terwijl zijn secondanten tevergeefs trachtten hem tot kalmte te brengen. Ten laatste slaagde Billy Morgan er in, de laatste aankondiging van den strijd te doen hooren.
“Dit zal een gevecht zijn van vijf en veertig ronden,” schreeuwde hij. “Regels van de Marquess of Queensbury! En moge de beste bokser winnen! Vooruit!”
De gong sloeg. De beide mannen kwamen naar voren. Glendon stak zijn rechterhand uit voor den gewonen handdruk, maar Cannam weigerde ze met een boos hoofdschudden. Tot algemeene verbazing viel hij niet aan. Woedend als hij was, vocht hij toch voorzichtig; zijn gewonde trots dwong hem, alle krachten in te spannen om het de ronde uit te houden. Verscheidene malen stootte hij toe, doch hij stootte behoedzaam en vergat een oogenblik af te weren. Glendon joeg hem op door den ring, steeds vooruit dringend met het onbarmhartige gestamp van zijn linkervoet. Doch hij stootte niet en beproefde ook niet te stooten. Hij liet zelfs zijn handen neerhangen langs zijn zijden en joeg den ander op zonder zich te verdedigen, waarmee hij een poging deed hem te lokken. Cannam grijnsde uitdagend maar zag er van af, voordeel te trekken uit de dus geboden kans.
Twee minuten gingen voorbij en toen kwam er een verandering over Glendon. In elke spier, in elken trek van zijn gezicht sprak hij uit, dat het oogenblik voor hem was gekomen om zijn tegenstander onder te krijgen.
Het was een daad en het werd goed gedaan. Hij scheen een ding van staal geworden, hard en onmeedoogend als staal. Cannam reageerde er op door zijn omzichtigheid te verdubbelen. Glendon werkte hem vlug in een hoek en hield hem daar onder bewaking. Nog stootte hij niet, noch poogde te stooten en de onzekerheid werd pijnlijk aan Cannam's kant. Tevergeefs trachtte hij zich uit den hoek te werken, terwijl hij niet besluiten kon op zijn tegenstander in te stormen en een poging te doen dezen vast te grijpen.
Toen kwam het—een snelle reeks van eenvoudige schijnstooten als spierschichten. Cannam werd er duizelig van. En het publiek eveneens. Geen twee van de toeschouwers waren het er later over eens, wat er gebeurd was. Cannam ontdook één schijnstoot en bracht tegelijk zijn handen naar zijn gezicht om een nieuwen schijnstoot naar zijn kaak af te weren.
Hij trachtte ook zijn beenen van positie te doen veranderen. Getuigen, die vlak bij den ring zaten, zwoeren, dat zij Glendon een stoot zagen toebrengen vanuit zijn linkerheup terwijl hij vooruitsprong als een tijgerom zijn lichaamsgewicht er aan toe te voegen. Ware dat als het wil, de slag raakte Cannam op de punt van zijn kin in het oogenblik, toen hij van positie veranderde. En evenals Hanford, hing hij bewusteloos in de lucht eer hij tegen de touwen aansloeg en er doorheen viel op de hoofden van de verslaggevers.
Wat er daarna in de Golden Gate Arena gebeurde, konden geen kolommen in de dagbladen voldoende beschrijven. De politie hield den ring vrij, maar de Arena kon zij niet redden. Het was geen wanorde, het was een orgie. Geen bank werd op zijn plaats gelaten. Met alle kracht duwend en dringend, om balken en planken machtig te worden, sloeg de menigte alles in de groote zaal kort en klein. Prijsboksers zochten bescherming bij de politie, doch er waren niet genoeg agenten om hen naar buiten te geleiden, en boksers, managers en promotors werden afgeranseld en geslagen. Alleen Jim Hanford werd gespaard. Die genade werd hem betoond ter wille van zijn vreeselijk gezwollen kaak. Toen de menigte eindelijk uit het gebouw was gedreven, viel zij buiten aan op een nieuwe auto van zevenduizend dollar,die aan een welbekende bokspromotor toebehoorde en vernielde de car tot een hoopje oud roest en brandhout.
Glendon, die zich niet kon kleeden te midden van de ruïne der kleedkamers, bereikte zijn auto nog in bokscostuum in een badmantel gewikkeld, maar slaagde er niet in te ontsnappen. Door de macht van het aantal hield de menigte zijn machine tegen. De politie had het te druk om hem ter hulp te komen en eindelijk werd er een compromis gesloten, waarbij de car voort mocht gaan in wandelpas, en begeleid door vijf duizend lawaaiende opgewonden schreeuwers.
Het was middernacht toen deze storm over Union Square heenstreek naar St. Francis. Kreten om een speech klonken op en ofschoon hij voor den ingang van het hôtel was gekomen, werd Glendon vriendelijk verhinderd te ontsnappen. Hij trachtte zelfs er uit te springen op de hoofden van de opgewondenen, maar zijn voeten raakten de straat niet. Op hoofden en schouders, omklemd en opgetild door iedere hand, die zijn lichaam kon bereiken, ging hij door de lucht terug naar zijn machine. Toen hieldhij zijn speech en Maud Glendon, die uit een bovenraam neerkeek op haar jongen Herkules, staande op de bank van de automobiel, wist, zooals zij 't altijd had geweten, dat hij het meende, wanneer hij herhaalde, zijn laatste partij gebokst te hebben en voorgoed uit den ring te gaan.
EINDE.