Waar kan men beter zijn. . . . . . . . . . . . .Dan in ons moeders keuken!Zij lieten de deuren open om hun gezang ver te laten hooren.Wies drumde langs de huizen tot aan zijn woning, sprong te midden den huisvloer.—Moeder, moeder, ’k ben hier!Hij wierp zijnen zak van den schouder en zette zich moe en tenden, op eenen stoel.Moeder en Lida stonden blij verrast en wenschten Wies wel tien keeren welkom.—O, jongen wat zijt ge mager en afgeteerd! kloeg moeder en zij sloeg de handen van verwondering ineen. Zeere, zeere, Lida, eten voor den jongen.Het vuur in de heerd werd opgerakeld, de pan opgezet en eiers geklutst.Wies was lijk vervreemd in de kleine, schamele keuken die hem zoo verminderd, zoo eng voorkwam. Hij zette zich bij tafel en begon te eten en antwoordde stil op de menigvuldige vragen waarmede moeder hem overlaadde.Lida bezag hem soms vreemd in de oogen maar ze zegde niets en hield het hoofd gebogen naar Wies zijn reiszak en haalde er al de kleinigheden uit die heur broeder voor moeder en zuster meêbracht. En zij gebaarde zich welgezind als ’t een of ’t ander buitengewoon beviel.—Wies, Wies, jongen, dat ge nu ineens weer thuis zijt, zoo onverwachts, zegde moeder, o, da’s wel, en ze bekeek met behagen heuren grooten jongen.—En de oogst was goed?—en warm was ’t zeker ginder? O, w’hebben hetgezeid hierondereenals de zon zoo laaide en gij ginder te werken stond. En hoe stelde het Rik ginder?—waar is Rik? vroeg ze ineens,—nu werd ze eerst verwonderd den makker van Wies niet te zien.—Is hij naar huis, Wies?Lida rechtte het hoofd en bekeek heur broer om te weten wat hij zou antwoorden.—Rik, moeder, Rik is ginder gebleven.—En hij keert nooit meer naar huis.Moeder bleef beeldstil gebogen staan over ’t heerdvuur met omgewend hoofd en heure hand hield beweegloos den lepel waarmede zij de melkpap roerde. Lida zat gehurkt nog met Wies zijn kleeren in de hand, met open mond te wachten naar verderen uitleg over die plotselinge kwâmare. Geen van de twee die vragen durfde dat Wies zou voortzeggen en de jongen stondrecht en ging, om gerust gelaten te worden, in ’t achterhuis gaan staan. Lida kwam hem daar vinden; ze sleurde hem voort bij de mouw naar buiten bij den gevel en:—Wies, vroeg zij stil, Wies, vertel me de waarheid: wat is er met Rik? en zij schudde hem weer hevig aan den arm.Zij gingen op het eiken bol zitten en daar vertelde hij haar hoe ’t Rik vergaan was in die hevige hitte; dat hij ginder altijd alleen liep al droomend en treurde....—Alles, alles moet ge mij vertellen! schreeuwde zij angstig.—In dien eendlijken zonnebrand hoorde ik eenen schreeuw, herbegon Wies, en ik keek om en daar lag Rik achterover, bijkans dood.—En dan?....—Hij sprak nog een woord of twee entoen was hij dood voorgoed. Ze voerden hem van ’t land, naar een wagenkot, en we lazen binst dat de timmerliên de kiste mieken; dan heb ik hem uitgeleid naar ver op een kerkhof en daar hielp ik hem begraven.Binst dat Wies vertelde zat Lida met ’t wezen gedoken in haar voorschoot stil te snokken aan heur wee; zoo bleef zij zitten als Wies lang gedaan had en de jongen bezag haar met meêlijden en hij had er deugd in omdat zijn zuster weende;—hoe spijtig, dacht hij, om den armen Rik dat hij niet weet hoe Lida verdriet heeft om hem!Daar hoorde hij de huisdeur openslaan en de schamele stem van een oud vrouwke:—Cordule, Wies is thuis?! en waar is mijn jongen?Wies voelde een schok die zijn lijf doordaverde: Moeder Busschaert om heuren jongen! raadde hij en hij zag al het pijnlijke van ’t gene komen ging. Lida liet hij zitten weenen en hij vluchtte achter ’t huis, over ’t veld weg. Hij moest voort van hier en van al dien weedom, hij wilde de maredrager niet zijn van Moeder Busschaert’s ongeluk, en hij liep al wat hij kon om het jammerjanken niet te hooren.Met zulk een langenis had hij gewenscht om thuis te zijn, bij moeder en bij al de menschen die hem kenden, en hier was ’t niet te vinden ’t geen hij zocht en verwachtte;—daar lagen de velden toegesmoord rondom hem met een dikken mist en alles was dof en treurig. Het oude, goede leven was weg en nu wist hij dat al zijne genegenheid ginder in het verreland gebleven was. Hij had willen dwalen over het kerkhof ginder waar Rik te slapen lag en hij wenschte gedoken te zitten wachten op den donkeren hooizolder naar Aga die komen moest.Dat uitgaan in ’t verre land, en die krachtige poging, al dat wroeten zag hij nu als een doellooze, zotte gekkernij; het verdoen van dien lastigen arbeid was al om niets gedaan en verloren in ’t ijle,—het kwaad alleen bleef ervan over.In zijn verbeelding stond het oude vrouwken te kermen om haar kind, zij wrong wanhopig de armen, gepijnd door het wreed gedacht: dat Rik nu zoo ver van hier, en zoo jong nog, onverwachts, voor altijd gestolen was en ginder verre begraven lag in ’t vreemde land,—waar zij nooit naartoe en kon.De tranen van grammen weedom spatten hem uit de oogen en hij doolde voort, doelloos langs desmallelandwegelkes, eenzaam, ver van de menschen en zot van droefheid. De koeltefrischtezijnen koortsigen kop, maar hij zag geen uitkomen aan dien wreeden avond en hij wist niet of hij nog ooit zou durven naar huis keeren.Onbekommerd in andermans ongeluk liepen de pikkers door ’t dorp en vierden voort hunnen blijdag. Tot laat in den nacht ging het luide gebral, op tien plaatsen tegelijk:’t Koorn is af, ’t koorn is af!àl het koorn is àf!De herbergen zaten propvol pikkers en dorpelingen die dronken. De vrouwenkwamen knijzen om haar venten meê te krijgen naar huis, zij trokken hen bij de mouw, tastten hun zakken af om ’t geld te vinden, maar de kerels grepen hun glas of een makker in de lenden, en zongen omlangs hoe luider:En nog naar huis niet gaan!En nog naar huis niet gaanZoolang als dat de glazen op de tafel zullen staan!De jongens kropen tusschen vaders beenen, grepen zijnen reiszak en sleurden hem blij tierend meê naar huis, benieuwd naar al de schoone dingen die erin zaten.Buiten op straat ging een nieuwe bende voorbij:Jongens, jongens, jongens,we zijn nog niet dood!De deur vloog open en de makkers malkaar in de armen en stampten op mate:Waar kan men beter zijn. . . . . . . . . . . . .Dan in ons moeders keuken!Wij zijn kontentMet een pintje van vijf cent!Laat ons drinkenLaat ons schinkenEn laat ons vroolijk zijn!Uit een afgelegene herberg ging het luide:Wij drinken tot dat ’t op is!. . . . . . . . . . . . .Als ’t op is, dansen wij!Tegen den morgen toen alleman zweeg en ronkte, neuriede een goede broer zijndronkaards-liedje voor een geslotene deur:Moedere doet open,Uwe zoon is hier,Hij heeft hem zat gezopenaan een glaasje bier.
Waar kan men beter zijn. . . . . . . . . . . . .Dan in ons moeders keuken!Zij lieten de deuren open om hun gezang ver te laten hooren.Wies drumde langs de huizen tot aan zijn woning, sprong te midden den huisvloer.—Moeder, moeder, ’k ben hier!Hij wierp zijnen zak van den schouder en zette zich moe en tenden, op eenen stoel.Moeder en Lida stonden blij verrast en wenschten Wies wel tien keeren welkom.—O, jongen wat zijt ge mager en afgeteerd! kloeg moeder en zij sloeg de handen van verwondering ineen. Zeere, zeere, Lida, eten voor den jongen.Het vuur in de heerd werd opgerakeld, de pan opgezet en eiers geklutst.Wies was lijk vervreemd in de kleine, schamele keuken die hem zoo verminderd, zoo eng voorkwam. Hij zette zich bij tafel en begon te eten en antwoordde stil op de menigvuldige vragen waarmede moeder hem overlaadde.Lida bezag hem soms vreemd in de oogen maar ze zegde niets en hield het hoofd gebogen naar Wies zijn reiszak en haalde er al de kleinigheden uit die heur broeder voor moeder en zuster meêbracht. En zij gebaarde zich welgezind als ’t een of ’t ander buitengewoon beviel.—Wies, Wies, jongen, dat ge nu ineens weer thuis zijt, zoo onverwachts, zegde moeder, o, da’s wel, en ze bekeek met behagen heuren grooten jongen.—En de oogst was goed?—en warm was ’t zeker ginder? O, w’hebben hetgezeid hierondereenals de zon zoo laaide en gij ginder te werken stond. En hoe stelde het Rik ginder?—waar is Rik? vroeg ze ineens,—nu werd ze eerst verwonderd den makker van Wies niet te zien.—Is hij naar huis, Wies?Lida rechtte het hoofd en bekeek heur broer om te weten wat hij zou antwoorden.—Rik, moeder, Rik is ginder gebleven.—En hij keert nooit meer naar huis.Moeder bleef beeldstil gebogen staan over ’t heerdvuur met omgewend hoofd en heure hand hield beweegloos den lepel waarmede zij de melkpap roerde. Lida zat gehurkt nog met Wies zijn kleeren in de hand, met open mond te wachten naar verderen uitleg over die plotselinge kwâmare. Geen van de twee die vragen durfde dat Wies zou voortzeggen en de jongen stondrecht en ging, om gerust gelaten te worden, in ’t achterhuis gaan staan. Lida kwam hem daar vinden; ze sleurde hem voort bij de mouw naar buiten bij den gevel en:—Wies, vroeg zij stil, Wies, vertel me de waarheid: wat is er met Rik? en zij schudde hem weer hevig aan den arm.Zij gingen op het eiken bol zitten en daar vertelde hij haar hoe ’t Rik vergaan was in die hevige hitte; dat hij ginder altijd alleen liep al droomend en treurde....—Alles, alles moet ge mij vertellen! schreeuwde zij angstig.—In dien eendlijken zonnebrand hoorde ik eenen schreeuw, herbegon Wies, en ik keek om en daar lag Rik achterover, bijkans dood.—En dan?....—Hij sprak nog een woord of twee entoen was hij dood voorgoed. Ze voerden hem van ’t land, naar een wagenkot, en we lazen binst dat de timmerliên de kiste mieken; dan heb ik hem uitgeleid naar ver op een kerkhof en daar hielp ik hem begraven.Binst dat Wies vertelde zat Lida met ’t wezen gedoken in haar voorschoot stil te snokken aan heur wee; zoo bleef zij zitten als Wies lang gedaan had en de jongen bezag haar met meêlijden en hij had er deugd in omdat zijn zuster weende;—hoe spijtig, dacht hij, om den armen Rik dat hij niet weet hoe Lida verdriet heeft om hem!Daar hoorde hij de huisdeur openslaan en de schamele stem van een oud vrouwke:—Cordule, Wies is thuis?! en waar is mijn jongen?Wies voelde een schok die zijn lijf doordaverde: Moeder Busschaert om heuren jongen! raadde hij en hij zag al het pijnlijke van ’t gene komen ging. Lida liet hij zitten weenen en hij vluchtte achter ’t huis, over ’t veld weg. Hij moest voort van hier en van al dien weedom, hij wilde de maredrager niet zijn van Moeder Busschaert’s ongeluk, en hij liep al wat hij kon om het jammerjanken niet te hooren.Met zulk een langenis had hij gewenscht om thuis te zijn, bij moeder en bij al de menschen die hem kenden, en hier was ’t niet te vinden ’t geen hij zocht en verwachtte;—daar lagen de velden toegesmoord rondom hem met een dikken mist en alles was dof en treurig. Het oude, goede leven was weg en nu wist hij dat al zijne genegenheid ginder in het verreland gebleven was. Hij had willen dwalen over het kerkhof ginder waar Rik te slapen lag en hij wenschte gedoken te zitten wachten op den donkeren hooizolder naar Aga die komen moest.Dat uitgaan in ’t verre land, en die krachtige poging, al dat wroeten zag hij nu als een doellooze, zotte gekkernij; het verdoen van dien lastigen arbeid was al om niets gedaan en verloren in ’t ijle,—het kwaad alleen bleef ervan over.In zijn verbeelding stond het oude vrouwken te kermen om haar kind, zij wrong wanhopig de armen, gepijnd door het wreed gedacht: dat Rik nu zoo ver van hier, en zoo jong nog, onverwachts, voor altijd gestolen was en ginder verre begraven lag in ’t vreemde land,—waar zij nooit naartoe en kon.De tranen van grammen weedom spatten hem uit de oogen en hij doolde voort, doelloos langs desmallelandwegelkes, eenzaam, ver van de menschen en zot van droefheid. De koeltefrischtezijnen koortsigen kop, maar hij zag geen uitkomen aan dien wreeden avond en hij wist niet of hij nog ooit zou durven naar huis keeren.Onbekommerd in andermans ongeluk liepen de pikkers door ’t dorp en vierden voort hunnen blijdag. Tot laat in den nacht ging het luide gebral, op tien plaatsen tegelijk:’t Koorn is af, ’t koorn is af!àl het koorn is àf!De herbergen zaten propvol pikkers en dorpelingen die dronken. De vrouwenkwamen knijzen om haar venten meê te krijgen naar huis, zij trokken hen bij de mouw, tastten hun zakken af om ’t geld te vinden, maar de kerels grepen hun glas of een makker in de lenden, en zongen omlangs hoe luider:En nog naar huis niet gaan!En nog naar huis niet gaanZoolang als dat de glazen op de tafel zullen staan!De jongens kropen tusschen vaders beenen, grepen zijnen reiszak en sleurden hem blij tierend meê naar huis, benieuwd naar al de schoone dingen die erin zaten.Buiten op straat ging een nieuwe bende voorbij:Jongens, jongens, jongens,we zijn nog niet dood!De deur vloog open en de makkers malkaar in de armen en stampten op mate:Waar kan men beter zijn. . . . . . . . . . . . .Dan in ons moeders keuken!Wij zijn kontentMet een pintje van vijf cent!Laat ons drinkenLaat ons schinkenEn laat ons vroolijk zijn!Uit een afgelegene herberg ging het luide:Wij drinken tot dat ’t op is!. . . . . . . . . . . . .Als ’t op is, dansen wij!Tegen den morgen toen alleman zweeg en ronkte, neuriede een goede broer zijndronkaards-liedje voor een geslotene deur:Moedere doet open,Uwe zoon is hier,Hij heeft hem zat gezopenaan een glaasje bier.
Waar kan men beter zijn. . . . . . . . . . . . .Dan in ons moeders keuken!Zij lieten de deuren open om hun gezang ver te laten hooren.Wies drumde langs de huizen tot aan zijn woning, sprong te midden den huisvloer.—Moeder, moeder, ’k ben hier!Hij wierp zijnen zak van den schouder en zette zich moe en tenden, op eenen stoel.Moeder en Lida stonden blij verrast en wenschten Wies wel tien keeren welkom.—O, jongen wat zijt ge mager en afgeteerd! kloeg moeder en zij sloeg de handen van verwondering ineen. Zeere, zeere, Lida, eten voor den jongen.Het vuur in de heerd werd opgerakeld, de pan opgezet en eiers geklutst.Wies was lijk vervreemd in de kleine, schamele keuken die hem zoo verminderd, zoo eng voorkwam. Hij zette zich bij tafel en begon te eten en antwoordde stil op de menigvuldige vragen waarmede moeder hem overlaadde.Lida bezag hem soms vreemd in de oogen maar ze zegde niets en hield het hoofd gebogen naar Wies zijn reiszak en haalde er al de kleinigheden uit die heur broeder voor moeder en zuster meêbracht. En zij gebaarde zich welgezind als ’t een of ’t ander buitengewoon beviel.—Wies, Wies, jongen, dat ge nu ineens weer thuis zijt, zoo onverwachts, zegde moeder, o, da’s wel, en ze bekeek met behagen heuren grooten jongen.—En de oogst was goed?—en warm was ’t zeker ginder? O, w’hebben hetgezeid hierondereenals de zon zoo laaide en gij ginder te werken stond. En hoe stelde het Rik ginder?—waar is Rik? vroeg ze ineens,—nu werd ze eerst verwonderd den makker van Wies niet te zien.—Is hij naar huis, Wies?Lida rechtte het hoofd en bekeek heur broer om te weten wat hij zou antwoorden.—Rik, moeder, Rik is ginder gebleven.—En hij keert nooit meer naar huis.Moeder bleef beeldstil gebogen staan over ’t heerdvuur met omgewend hoofd en heure hand hield beweegloos den lepel waarmede zij de melkpap roerde. Lida zat gehurkt nog met Wies zijn kleeren in de hand, met open mond te wachten naar verderen uitleg over die plotselinge kwâmare. Geen van de twee die vragen durfde dat Wies zou voortzeggen en de jongen stondrecht en ging, om gerust gelaten te worden, in ’t achterhuis gaan staan. Lida kwam hem daar vinden; ze sleurde hem voort bij de mouw naar buiten bij den gevel en:—Wies, vroeg zij stil, Wies, vertel me de waarheid: wat is er met Rik? en zij schudde hem weer hevig aan den arm.Zij gingen op het eiken bol zitten en daar vertelde hij haar hoe ’t Rik vergaan was in die hevige hitte; dat hij ginder altijd alleen liep al droomend en treurde....—Alles, alles moet ge mij vertellen! schreeuwde zij angstig.—In dien eendlijken zonnebrand hoorde ik eenen schreeuw, herbegon Wies, en ik keek om en daar lag Rik achterover, bijkans dood.—En dan?....—Hij sprak nog een woord of twee entoen was hij dood voorgoed. Ze voerden hem van ’t land, naar een wagenkot, en we lazen binst dat de timmerliên de kiste mieken; dan heb ik hem uitgeleid naar ver op een kerkhof en daar hielp ik hem begraven.Binst dat Wies vertelde zat Lida met ’t wezen gedoken in haar voorschoot stil te snokken aan heur wee; zoo bleef zij zitten als Wies lang gedaan had en de jongen bezag haar met meêlijden en hij had er deugd in omdat zijn zuster weende;—hoe spijtig, dacht hij, om den armen Rik dat hij niet weet hoe Lida verdriet heeft om hem!Daar hoorde hij de huisdeur openslaan en de schamele stem van een oud vrouwke:—Cordule, Wies is thuis?! en waar is mijn jongen?Wies voelde een schok die zijn lijf doordaverde: Moeder Busschaert om heuren jongen! raadde hij en hij zag al het pijnlijke van ’t gene komen ging. Lida liet hij zitten weenen en hij vluchtte achter ’t huis, over ’t veld weg. Hij moest voort van hier en van al dien weedom, hij wilde de maredrager niet zijn van Moeder Busschaert’s ongeluk, en hij liep al wat hij kon om het jammerjanken niet te hooren.Met zulk een langenis had hij gewenscht om thuis te zijn, bij moeder en bij al de menschen die hem kenden, en hier was ’t niet te vinden ’t geen hij zocht en verwachtte;—daar lagen de velden toegesmoord rondom hem met een dikken mist en alles was dof en treurig. Het oude, goede leven was weg en nu wist hij dat al zijne genegenheid ginder in het verreland gebleven was. Hij had willen dwalen over het kerkhof ginder waar Rik te slapen lag en hij wenschte gedoken te zitten wachten op den donkeren hooizolder naar Aga die komen moest.Dat uitgaan in ’t verre land, en die krachtige poging, al dat wroeten zag hij nu als een doellooze, zotte gekkernij; het verdoen van dien lastigen arbeid was al om niets gedaan en verloren in ’t ijle,—het kwaad alleen bleef ervan over.In zijn verbeelding stond het oude vrouwken te kermen om haar kind, zij wrong wanhopig de armen, gepijnd door het wreed gedacht: dat Rik nu zoo ver van hier, en zoo jong nog, onverwachts, voor altijd gestolen was en ginder verre begraven lag in ’t vreemde land,—waar zij nooit naartoe en kon.De tranen van grammen weedom spatten hem uit de oogen en hij doolde voort, doelloos langs desmallelandwegelkes, eenzaam, ver van de menschen en zot van droefheid. De koeltefrischtezijnen koortsigen kop, maar hij zag geen uitkomen aan dien wreeden avond en hij wist niet of hij nog ooit zou durven naar huis keeren.Onbekommerd in andermans ongeluk liepen de pikkers door ’t dorp en vierden voort hunnen blijdag. Tot laat in den nacht ging het luide gebral, op tien plaatsen tegelijk:’t Koorn is af, ’t koorn is af!àl het koorn is àf!De herbergen zaten propvol pikkers en dorpelingen die dronken. De vrouwenkwamen knijzen om haar venten meê te krijgen naar huis, zij trokken hen bij de mouw, tastten hun zakken af om ’t geld te vinden, maar de kerels grepen hun glas of een makker in de lenden, en zongen omlangs hoe luider:En nog naar huis niet gaan!En nog naar huis niet gaanZoolang als dat de glazen op de tafel zullen staan!De jongens kropen tusschen vaders beenen, grepen zijnen reiszak en sleurden hem blij tierend meê naar huis, benieuwd naar al de schoone dingen die erin zaten.Buiten op straat ging een nieuwe bende voorbij:Jongens, jongens, jongens,we zijn nog niet dood!De deur vloog open en de makkers malkaar in de armen en stampten op mate:Waar kan men beter zijn. . . . . . . . . . . . .Dan in ons moeders keuken!Wij zijn kontentMet een pintje van vijf cent!Laat ons drinkenLaat ons schinkenEn laat ons vroolijk zijn!Uit een afgelegene herberg ging het luide:Wij drinken tot dat ’t op is!. . . . . . . . . . . . .Als ’t op is, dansen wij!Tegen den morgen toen alleman zweeg en ronkte, neuriede een goede broer zijndronkaards-liedje voor een geslotene deur:Moedere doet open,Uwe zoon is hier,Hij heeft hem zat gezopenaan een glaasje bier.
Waar kan men beter zijn. . . . . . . . . . . . .Dan in ons moeders keuken!
Waar kan men beter zijn
. . . . . . . . . . . . .
Dan in ons moeders keuken!
Zij lieten de deuren open om hun gezang ver te laten hooren.
Wies drumde langs de huizen tot aan zijn woning, sprong te midden den huisvloer.
—Moeder, moeder, ’k ben hier!
Hij wierp zijnen zak van den schouder en zette zich moe en tenden, op eenen stoel.
Moeder en Lida stonden blij verrast en wenschten Wies wel tien keeren welkom.
—O, jongen wat zijt ge mager en afgeteerd! kloeg moeder en zij sloeg de handen van verwondering ineen. Zeere, zeere, Lida, eten voor den jongen.
Het vuur in de heerd werd opgerakeld, de pan opgezet en eiers geklutst.
Wies was lijk vervreemd in de kleine, schamele keuken die hem zoo verminderd, zoo eng voorkwam. Hij zette zich bij tafel en begon te eten en antwoordde stil op de menigvuldige vragen waarmede moeder hem overlaadde.
Lida bezag hem soms vreemd in de oogen maar ze zegde niets en hield het hoofd gebogen naar Wies zijn reiszak en haalde er al de kleinigheden uit die heur broeder voor moeder en zuster meêbracht. En zij gebaarde zich welgezind als ’t een of ’t ander buitengewoon beviel.
—Wies, Wies, jongen, dat ge nu ineens weer thuis zijt, zoo onverwachts, zegde moeder, o, da’s wel, en ze bekeek met behagen heuren grooten jongen.
—En de oogst was goed?—en warm was ’t zeker ginder? O, w’hebben hetgezeid hierondereenals de zon zoo laaide en gij ginder te werken stond. En hoe stelde het Rik ginder?—waar is Rik? vroeg ze ineens,—nu werd ze eerst verwonderd den makker van Wies niet te zien.—Is hij naar huis, Wies?
Lida rechtte het hoofd en bekeek heur broer om te weten wat hij zou antwoorden.
—Rik, moeder, Rik is ginder gebleven.—En hij keert nooit meer naar huis.
Moeder bleef beeldstil gebogen staan over ’t heerdvuur met omgewend hoofd en heure hand hield beweegloos den lepel waarmede zij de melkpap roerde. Lida zat gehurkt nog met Wies zijn kleeren in de hand, met open mond te wachten naar verderen uitleg over die plotselinge kwâmare. Geen van de twee die vragen durfde dat Wies zou voortzeggen en de jongen stondrecht en ging, om gerust gelaten te worden, in ’t achterhuis gaan staan. Lida kwam hem daar vinden; ze sleurde hem voort bij de mouw naar buiten bij den gevel en:
—Wies, vroeg zij stil, Wies, vertel me de waarheid: wat is er met Rik? en zij schudde hem weer hevig aan den arm.
Zij gingen op het eiken bol zitten en daar vertelde hij haar hoe ’t Rik vergaan was in die hevige hitte; dat hij ginder altijd alleen liep al droomend en treurde....
—Alles, alles moet ge mij vertellen! schreeuwde zij angstig.
—In dien eendlijken zonnebrand hoorde ik eenen schreeuw, herbegon Wies, en ik keek om en daar lag Rik achterover, bijkans dood.
—En dan?....
—Hij sprak nog een woord of twee entoen was hij dood voorgoed. Ze voerden hem van ’t land, naar een wagenkot, en we lazen binst dat de timmerliên de kiste mieken; dan heb ik hem uitgeleid naar ver op een kerkhof en daar hielp ik hem begraven.
Binst dat Wies vertelde zat Lida met ’t wezen gedoken in haar voorschoot stil te snokken aan heur wee; zoo bleef zij zitten als Wies lang gedaan had en de jongen bezag haar met meêlijden en hij had er deugd in omdat zijn zuster weende;—hoe spijtig, dacht hij, om den armen Rik dat hij niet weet hoe Lida verdriet heeft om hem!
Daar hoorde hij de huisdeur openslaan en de schamele stem van een oud vrouwke:
—Cordule, Wies is thuis?! en waar is mijn jongen?
Wies voelde een schok die zijn lijf doordaverde: Moeder Busschaert om heuren jongen! raadde hij en hij zag al het pijnlijke van ’t gene komen ging. Lida liet hij zitten weenen en hij vluchtte achter ’t huis, over ’t veld weg. Hij moest voort van hier en van al dien weedom, hij wilde de maredrager niet zijn van Moeder Busschaert’s ongeluk, en hij liep al wat hij kon om het jammerjanken niet te hooren.
Met zulk een langenis had hij gewenscht om thuis te zijn, bij moeder en bij al de menschen die hem kenden, en hier was ’t niet te vinden ’t geen hij zocht en verwachtte;—daar lagen de velden toegesmoord rondom hem met een dikken mist en alles was dof en treurig. Het oude, goede leven was weg en nu wist hij dat al zijne genegenheid ginder in het verreland gebleven was. Hij had willen dwalen over het kerkhof ginder waar Rik te slapen lag en hij wenschte gedoken te zitten wachten op den donkeren hooizolder naar Aga die komen moest.
Dat uitgaan in ’t verre land, en die krachtige poging, al dat wroeten zag hij nu als een doellooze, zotte gekkernij; het verdoen van dien lastigen arbeid was al om niets gedaan en verloren in ’t ijle,—het kwaad alleen bleef ervan over.
In zijn verbeelding stond het oude vrouwken te kermen om haar kind, zij wrong wanhopig de armen, gepijnd door het wreed gedacht: dat Rik nu zoo ver van hier, en zoo jong nog, onverwachts, voor altijd gestolen was en ginder verre begraven lag in ’t vreemde land,—waar zij nooit naartoe en kon.
De tranen van grammen weedom spatten hem uit de oogen en hij doolde voort, doelloos langs desmallelandwegelkes, eenzaam, ver van de menschen en zot van droefheid. De koeltefrischtezijnen koortsigen kop, maar hij zag geen uitkomen aan dien wreeden avond en hij wist niet of hij nog ooit zou durven naar huis keeren.
Onbekommerd in andermans ongeluk liepen de pikkers door ’t dorp en vierden voort hunnen blijdag. Tot laat in den nacht ging het luide gebral, op tien plaatsen tegelijk:
’t Koorn is af, ’t koorn is af!àl het koorn is àf!
’t Koorn is af, ’t koorn is af!
àl het koorn is àf!
De herbergen zaten propvol pikkers en dorpelingen die dronken. De vrouwenkwamen knijzen om haar venten meê te krijgen naar huis, zij trokken hen bij de mouw, tastten hun zakken af om ’t geld te vinden, maar de kerels grepen hun glas of een makker in de lenden, en zongen omlangs hoe luider:
En nog naar huis niet gaan!En nog naar huis niet gaanZoolang als dat de glazen op de tafel zullen staan!
En nog naar huis niet gaan!
En nog naar huis niet gaan
Zoolang als dat de glazen op de tafel zullen staan!
De jongens kropen tusschen vaders beenen, grepen zijnen reiszak en sleurden hem blij tierend meê naar huis, benieuwd naar al de schoone dingen die erin zaten.
Buiten op straat ging een nieuwe bende voorbij:
Jongens, jongens, jongens,we zijn nog niet dood!
Jongens, jongens, jongens,
we zijn nog niet dood!
De deur vloog open en de makkers malkaar in de armen en stampten op mate:
Waar kan men beter zijn. . . . . . . . . . . . .Dan in ons moeders keuken!Wij zijn kontentMet een pintje van vijf cent!Laat ons drinkenLaat ons schinkenEn laat ons vroolijk zijn!
Waar kan men beter zijn. . . . . . . . . . . . .Dan in ons moeders keuken!
Waar kan men beter zijn
. . . . . . . . . . . . .
Dan in ons moeders keuken!
Wij zijn kontentMet een pintje van vijf cent!Laat ons drinkenLaat ons schinkenEn laat ons vroolijk zijn!
Wij zijn kontent
Met een pintje van vijf cent!
Laat ons drinken
Laat ons schinken
En laat ons vroolijk zijn!
Uit een afgelegene herberg ging het luide:
Wij drinken tot dat ’t op is!. . . . . . . . . . . . .Als ’t op is, dansen wij!
Wij drinken tot dat ’t op is!
. . . . . . . . . . . . .
Als ’t op is, dansen wij!
Tegen den morgen toen alleman zweeg en ronkte, neuriede een goede broer zijndronkaards-liedje voor een geslotene deur:
Moedere doet open,Uwe zoon is hier,Hij heeft hem zat gezopenaan een glaasje bier.
Moedere doet open,
Uwe zoon is hier,
Hij heeft hem zat gezopen
aan een glaasje bier.