Drie-en-dertigste Hoofdstuk.Wat zien we? Duinrijcks merek, een knijn in duin, een knijn,Dit komt op waerheit uit: hier liegt geen valsche schijn,’t Verhael hangt hecht aen een: hier mangelt niet een schakel.Vondel, Leeuwendalers.Ludwig trad, gelijk wij gezegd hebben, met een wankelenden stap de zaal bij de Gravin van Nassau binnen, en bleef met nedergeslagen oogen staan, totdat de Prins hem last gaf, alsnu te openbaren wat hij nog te zeggen had.Toen eerst boog hij zich, zag langzaam en deemoedig de Vorsten, de Gravin en den Baron aan, huiverde op het gezicht van Magdalena, die bleek als een steen achter haar jonge meesteres stond, en begon toen op de volgende wijze:“Ofschoon ik beken, dat ik op de schandelijkste wijze het vertrouwen mijns doorluchtigen meesters misbruikt heb....”“Sla dat maar over,” zeide Maurits, haastig: “ter zake!”“Verschoon mij, Uwe Hoogheid!” vervolgde de Secretaris: “ik wilde alleen zeggen, dat, hoe slecht ik ook heb kunnen handelen, ik echter thans een geheim aan ’t licht wil brengen, hetwelk mij wellicht, zoo het mij niet voor straf vrijwaart, de dankbaarheid van sommige personen uit dit luisterrijk gezelschap zal mogen verwerven.”“Ga zonder omwegen voort,” zeide de Prins op een strengen toon.“Ik moet dan beginnen,” hernam Ludwig met een zucht, “aan den heer van Sonheuvel te verhalen hetgeen ik bereids aan den Heer Fiskaal verhaald heb, dat zijn pleegzoon Joan al zijn liefde en achting nog volkomen waardig is, en dat deze in geen aanslag noch tegen zijn pleegvader, noch tegen den lande gedeeld heeft.”“Dat kan ik bevestigen,” zeide Vader Ambrosius op een plechtigen toon.“Wie valt den deposant in de rede?” vroeg de Prins, verstoord rondziende. “Wie is die grijskop?” vroeg hij zacht aan Van Kinschot, toen zijn oog het eerwaardig gelaat van den Vicaris ontdekte. Het antwoord van den Fiskaal deed hem bevreemd opzien; doch hij gaf terstond weder een wenk aan Ludwig om te vervolgen.“Ik moet deze getuigenis nopens den Jonker van Craeihorst afleggen,” vervolgde Ludwig, die langzamerhand meer bedaardheid en gemak herkreeg, terwijl hij op zijn woorden dacht: “omdat het van belang is, dat er geen vlek ruste op den stam, waar hij toe behoort.“Mijn geslacht was altijd onbesproken,” viel de Baron in met drift.“Ik spreek niet van uw geslacht, Heer Baron: ik spreek van uw pleegzoon Joan,” zeide Ludwig, met nadruk.“Wat gaan ons de Velasco’s aan?” vroeg Reede.“Joan is geen Velasco, er is nooit eenig Spaansch bloed met het zijne vermengd geweest.”“Kent gij zijn ouders dan?” vroeg Maurits.“Dat de Heer van Sonheuvel zich slechts herinnere hoe hij aan hem gekomen is, en wat hij bij hem gevonden heeft.”“Mijn God!” riep de Gravin van Nassau uit, terwijl zij doodsbleek opstond en naar den jongeling toesnelde: “die kleederen, die jachthond....”“Zijn bewijzen genoeg, Mevrouw!” vervolgde Ludwig: “Joan van Craeihorst is uw zoon, Graaf Ulrich von Daun.”“Mijn zoon!” gilde de Gravin, terwijl zij haar handen wrong en schier onmachtig in de armen van de nabijstaande dames viel: “mijn Ulrich! o God! is het mogelijk!”“Joan de zoon van mijn trouwen vriend Falckestein!” riep de Baron.“Ach!” zeide de oude Beckman, door de menigte heendringende: “hij liegt, die schelm van een Ludwig! heb ik niet het kind van den Heer Graaf voor mijne augen zien in ’t wasser wirfen?”“Wat? wie twijfelt daar aan de waarheid van zijn verhaal?” vroeg de Gravin, angstig en snel opziende: “spreek Ludwig! antwoord op hetgeen de oude man zegt.”“Antwoord dien ouden man,” zeide Maurits: “en wee u, zoo gij niet bewijst wat gij verklaard hebt, en zoo uw vertelling slechts een armhartig verdichtsel is, waarmede gij de voorspraak der Gravin zoekt te verwerven.””’t Is waar,” antwoordde Ludwig; “de oude man heeft het kind in het water zien werpen; doch wat hij niet kon zien, omdat de hoek van den toren het hem belette, is, dat de hond des Graven, die in het nabijgelegen vertrek bij mijn moeder en bij mij gezeten was, uit een zijraam in de gracht sprong en den knaap het leven redde. De hond zwom het slot om, terwijl de oude Beckman zich met het schuitje begaf naar de plaats waar het kind gevallen was. Het was mijn moeder, aan wie het getrouwe dier zijn jongen meester bracht, en die hem voor den moorddolk behoeden bleef. Zij verliet terstond het slot met ons beiden en stelde zich onder de bescherming van Velasco.”“O Voorzienigheid! hoe wonderbaar zijn uw wegen,” zeide Vader Ambrosius, de handen ten hemel heffende.“Er blijft nog iets duisters in uw verhaal,” zeide de Prins tegen Ludwig: “leeft er iemand, die de waarheid daarvan bevestigen kan? Leeft uw moeder nog?”“Zij leeft nog,” zeide Magdalena, met statigheid vooruittredende.“Hoe!” riep de Baron: “gij de moeder van dien knaap?”“De tijd en het verdriet hebben mij veranderd,” hernam zij: “doch Mevrouw de Gravin zal zich wellicht nog herinneren, dat zij mij te Bruck gezien heeft.”“Is het mogelijk?” hernam de Gravin: “ja, ik herinner mij thans duidelijk.... reeds waren uw trekken mij bekend voorgekomen. Doch in ’s Hemels naam, zeg mij, heeft Ludwig de waarheid gezegd?”“In allen deele,” antwoordde Magdalena, haar zoon verachtelijk aanziende.“O God!” riep de Gravin: “mijn zoon, mijn Ulrich leeft nog! doch waar is hij? wie brengt hem tot mij?”“Hij is ontsnapt,” zeide de Fiskaal, “doch ik vlei mij, dat wij hem vinden zullen.”“Dat hoop ik ook,” dacht Bleiswyk: “doch waar hij zit, weet slechts één mensch...; en die alleen kan de ontknooping van dit spel maken.” En meteen sloop hij de zaal en het huis uit.“Doch er leeft nog een getuige, die licht in deze zaak kan aanbrengen,” zeide de Baron: “die schelmsche Jezuïet, die in mijn slot heeft opgesloten gezeten.... ja, zoo wij die hadden, hij zou ons kunnen vertellen....”“Hij ligt reeds in boeien; doch hij is buiten staat een woord te getuigen,” merkte Van Kinschot aan.“Hoe!” zeide Magdalena tegen Ludwig: “gij heb den Pater verraden!”“Ik heb meer gedaan,” antwoordde deze op een somberen toon: “ik hem hem naar de hel gezonden waarin hij te huis behoort.”“Wee u! gij hebt uwen vader vermoord!” riep Magdalena, terwijl zij zich wanhopend met de vuisten voor ’t voorhoofd sloeg en de zaal met wilde blikken op en neder liep.Ludwig bleef versteend staan: een rilling beving hem, en half onmachtig zonk hij op een stoel neder.“Kind der schande! kind der verdoemenis!” vervolgde de radelooze vrouw, terwijl zij elk terugstootte, die haar naderen wilde: “in zonde ontvangen, om in zonde te leven en in zonde te sterven! Ziedaar de straf, die het misdrijf wacht! o wee mij! wee u! wee ons allen!”“Breng die ongelukkige weg,” zeide Maurits: “dit tooneel is te ijselijk om door vrouwenoogen gezien te worden.”Verscheidene onder de aanwezigen traden naar Magdalena toe, met oogmerk om haar weg te leiden; doch op eens bleef zij staan, wees alle hulp af, hief het hoofd met waardigheid op en zag de omstanders met fierheid aan.“Dat zich ieder wachte, de hand aan de Bruid des Heeren te slaan. Zooverre is het nog niet gekomen, dat Zuster Klara, de Abdis der Karmelieten te Tiel, de hulp van onheilige ketters noodig heeft. Freule van Sonheuvel! de rol, die ik bij u gespeeld heb, is afgeloopen. Uw verloofde wordt ter dood gebracht: gij kunt uw minnaar huwen.”“Het is haar in het hoofd geslagen,” zeide de Prins: “nogmaals breng haar weg.”“Verschoon mij,” zeide Vader Ambrosius: “zoo iemand, zal ik invloed op haar hebben. Zuster Klara!” vervolgde hij, zijn stem verheffende: “Zuster Klara! kent gij mij?”Een bevestigende hoofdknik was het antwoord.“Gij zegt wel, Zuster Klara! uw rol is hier uitgespeeld. Ik ken de gelofte, die gij gedaan hebt; ik wist ook, waarom gij bij mijn neef geplaatst waart: ik ontsla u van haar verdere vervulling: verlaat dit land en ga in een klooster uw overtredingen beweenen.”“Ik gehoorzaam,” zeide Magdalena, en, zonder er een woord bij te voegen, zonder zelfs een blik te werpen op haar ellendigen zoon, verliet zij het vertrek.“Ik had geen Roomschen prelaathierverwacht,” zeide Maurits, zich met bevreemding en ontevredenheid tot Vader Ambrosius wendende.“Een heilige plicht riep mij herwaarts,” zeide deze: “de ontwerpen van Mom waren mij bekend en ik moest voorkomen, dat mijn nicht zich met dien booswicht in ’t huwelijk begaf. Met een andere boodschap had ik mij voor Mevrouw de Gravin belast. Don Diego de Velasco had een beminde binnen Brussel, aan welke hij vrij regelmatig zijn lotgevallen schreef. Deze vrouw bezocht ik in de afgeloopen week, ten einde haar van geestelijken raad te dienen. Nieuwsgierig om te weten, of Joan werkelijk de zoon van Don Diego wezen kon, ondervroeg ik haar omtrent dit onderwerp. Zij ontkende stellig, dat haar voormalige minnaar immer getrouwd geweest ware, en haalde de brieven voor den dag, welke zij van hem ontvangen had. In den laatsten dier brieven wordt de redding van het kind des Graven van Falckestein opgegeven, juist gelijk het zooeven vermeld werd, en geeft Velasco meteen zijn oogmerk te kennen, om het weder aan zijn moeder te zenden. De Brusselsche dame dacht, dat Velasco dit plan volvoerd had, waarin het blijkt dat hij door den dood is belet geworden. Van dezen brief ontving ik een afschrift, hetwelk ik hierbij met genoegen aan Mevrouw de Gravin overhandig, en dat, mijns inziens, allen twijfel doet ophouden.”“Uw oogmerk was edel,” zeide Maurits: “doch gij hebt wat veel op onze edelmoedigheid gerekend, Heer Vicaris, dat gij zonder vergunning u hier vertoont.”“De naam van Vicaris voegt mij niet langer, Uwe Hoogheid. Toen ik ontdekte, dat diezelfde Eugenio, wiens bloeddorst zooveel rampen baarde, ook mij naar ’t leven stond, daar hij mij verdacht hield van zijn oogmerken tegen te werken, reisde ik naar Brussel, om hem aan te klagen. Ik merkte ras, dat men hem meer dan mij scheen noodig te hebben, en hem dus ongaarne aan mij zou opofferen. Dit deed mij besluiten, mijn ontslag te nemen. Mijn voornemen is thans, naar Amerika te reizen en in de nieuwe wereld de zaden van het echt geloof te gaan voortplanten.”“En de rampzalige Indianen tegen de verdrukking der Spanjaards te beschermen,” zeide Frederik Hendrik.Op dit oogenblik trad Bouke, die het vertrek kort te voren verlaten had, weder binnen. De tegenwoordigheid der hooge personages kon hem niet beletten op te springen, zijn muts in de hoogte te werpen en uit te roepen: “het eind goed al goed! daar is hij! daar is hij!”“Wie? wie is er?” riepen alle aanwezigen als uit eenen mond.“Ulrich von Daun, Graaf van Falckestein!” zeide Bleiswyk, binnentredende. Onze held volgde hem, hij zag vreemd op, toen hij zich in zulk een luisterrijk gezelschap bevond; doch nog vreemder, toen hem de Gravin om den hals viel, en onder den uitroep van: “mijn zoon! mijn zoon!” de teederste moederkussen gaf.“Ik heb hem niets gezeid,” zeide Bleiswyk, half dansende van vreugd: “Ja, Heer Fiskaal! kijk zoo zuinig als UEd. wil; ik heb hem dezen nacht mede naar huis genomen en hem verstopt. Nu heb ik hem verteld, dat hij vrij was, doch verder niets! ja, ik kan ook zwijgen!”Dit zeggende, huppelde hij om en drukte den Fiskaal, de gasten, ja den Predikant Raesfelt in de armen.Intusschen ontving Joan (want zoo zullen wij hem uit gewoonte blijven noemen) de gelukwenschingen der aanwezigen en de omhelzingen van den Baron, van Bouke, van den ouden Beckman en van al zijn betrekkingen, zonder dat hij zelf nog iets begreep van het verward verhaal, dat hem de omstanders allen te gelijk deden: eindelijk nam de Prins zelf hem bij de hand.“Wij hebben elkander voordezen meer ontmoet,” zeide deze, hem met welgevallen aanziende.“Kapitein Holtvast!” zeide Joan verrast.“Dat was ik te Tiel,” hervatte Maurits: “hier noemt men mij Maurits van Nassau.”“Uwe Hoogheid!—O ik verzoek verschooning voor hetgeen ik onwillig....”“Geen verschooning is noodig, waar geen wil tot beleediging bestaan heeft,” hernam de Prins: “ik heb u toen mijn diensten aangeboden, en ik wil heden mijn woord gestand doen, door u het geheim uwer geboorte te ontwikkelen.”—Dit gezegd hebbende, gaf hij hem in korte woorden zijn geluk te verstaan. Bedwelmd en schier sprakeloos zeeg nu de jongeling weder aan ’t hart zijner dankbare moeder.En Ulrica! Vergat ik haar?—Neen! maar ik zag op tegen de onmogelijkheid om den toestand te beschrijven, waarin zooveel verrassende voorvallen haar gebracht hadden. Zij was ontslagen van een huwelijk, waar zij tegen ijsde; de beminde van haar hart was harer waardig: hij was niet meer een arme, onbekende vondeling; maar integendeel door rang en geboorte ver boven haar verheven. Dankbaarheid, verbazing, verrukking, ontzetting hadden haar aandoenlijk zenuwgestel zoodanig geschokt, dat het haar onmogelijk was, één woord uit te brengen. Lang was zij als op de plaats genageld blijven staan, eer zij kracht genoeg vond om haar voedsterbroeder te naderen, hem de hand toe te reiken en met een flauwe stem tot hem te zeggen: “ik behoef u niet te zeggen, of ik in uw geluk deel neem.”“O Ulrica!” zeide de jongeling en drukte een vlammenden kus op haar lippen, doch terstond terugtredende: “verschoon mij,” zeide hij, “ik vergat u geluk te wenschen: het is heden immers uw verlovingsdag?”“Wat verlovingsdag!” riep de Baron: “zij zal met u haren verlovingsdag vieren, of maagd sterven, niet waar Riekje?”“Vader!” zeide Ulrica, blozend, terugtredende: “Mevrouw de Gravin....””’t Is waar ook,” hernam de Baron, verlegen: “Joan is nu geen Joan meer, maar een te hoog personage voor een arme landfreule als gij zijt.”“Beminnen zij elkander?” vroeg de Gravin, terwijl een glans van vergenoegen zich over haar gelaat verspreidde. “O! hoe gelukkig zou ik zijn, indien Ulrica mijn dochter wezen wil.”Noch Ulrica, noch haar minnaar gaven eenig antwoord; doch zij omhelsden beiden de Gravin.”Gratulor!” zeide Raesfelt, toetredende: “Ik wensch u van harte geluk, mijn zoon. Gij ziet het: God heeft alles ten beste gekeerd, en het is, zooals de Psalmist zegt in Psalm 128:U doen zal wel beklijvenSpoedig met overvloet.Ach! dat ik ook mijnen zoon, mijnen Henricum, alzoo wederom vond!”—En zich eensklaps bedenkende, haalde hij zijn smeekschrift voor den dag en bood het den Prins aan.“Hendrik Raesfelt!” zeide de Prins, terwijl hij het vluchtig inzag: “Van Kinschot, is dat die jongeling niet, die dezen nacht....”“Dezelfde!” antwoordde de Fiskaal.“Uw zoon is een verharde Arminiaan,” zeide Maurits lachende tegen Raesfelt.“Een nagel aan mijn doodkist,” antwoordde deze: “doch ik ben vader.””.... doch hij is vrij, en kan zich nederzetten waar hij wil,” hernam de Prins.“En is het nu uit?” vroeg op een verdrietigen toon een der lieve kleinen, toen zij mij hier het handschrift zag toevouwen en oprollen.“En wat moest er nog komen, volgens uw gedachte?” vroeg ik op mijn beurt.“Wel zeer veel,” hernam zij, mij met groote oogen aanziende, en op haar vingers tellende: “vooreerst had ik gehoopt, dat wij de beschrijving der bruiloft zouden gehad hebben.”“Gij begrijpt, zusje-lief, dat er in Den Haag geen bruiloft gevierd werd. Het zou kwalijk gepast hebben, feesten te houden, terwijl de gemanqueerde bruidegom, de Ambtman, terecht gesteld en ter dood gebracht werd, gelijk men zulks in de gedrukte sententie lezen kan.—Maar, “eer nog de takken van groen loof beroofd waren,” vervolgde ik op een declameerenden toon, “was de hooge feestlantaren op den slottoren te Bruck geheschen en brandde de pekton op het plein:kannen met Rijnschen wijn werden ten beste gegeven aan de vroolijke landjeugd, die in ’t zondagspak uitgedost, den burcht in- en uitliep en op het pleingras in de rondte danste. Een koets rolde de slotbrug over: een jeugdig edelman trad er uit en bood de hand om af te stijgen aan twee dames, waarvan de eene den middelbaren tijd des levens reeds bereikt had en de andere van jeugd en schoonheid bloeide: op hetzelfde oogenblik duidden de vreugdeschoten, uit vijftig musketten gelost, de komst aan van den Graaf van Falckestein op zijn erfelijk slot.”“En trouwden zij toen?”“Zij waren te Sonheuvel getrouwd geworden door den vromen Predikant Raesfelt: en jaarlijks gingen zij in ’t vervolg aldaar eenige maanden doorbrengen bij den waardigen Baron, die alsdan geen drinkpartijen meer noodig had om den tijd aangenaam door te brengen.”“En Bouke?....”“Had het genoegen van aan de Kinderen van Ulrich en Ulrica dezelfde kunsten te leeren, die hij eertijds aan Joan had medegedeeld, terwijl de oude Geert dan gestadig uitriep, wat of Mevrouw zaliger wel gezegd zou hebben, als zij dat alles beleefd had.”“Goed! en vader Ambrosius?”“Deze volvoerde zijn plan en stierf, hoogbejaard, in Amerika, alwaar hij als een tweede Las Casas de zegeningen van al wie hem gekend had met zich in ’t graf voerde.”“En Ludwig? en Magdalena?”“De ongelukkige vadermoorder stierf in een krankzinnigenhuis: zijn moeder begaf zich naar Frankrijk, trachtte er door de strengste boetedoening, des Hemels gerechtigheid te verzoenen, en stierf in reuk van heiligheid.”“En trouwde Hendrik Raesfelt met de dochter van den Cipier?”“Ja, doch slechts na den dood van Prins Maurits, toen hij tot Predikant bij de Remonstrantsche Sociëteit in een onzer voornaamste steden was aangesteld. Nu weet gij, geloof ik, alles.”“Volstrekt niet,” zeide een mijner broeders, met een schalkschen lach: “gij hebt den Heer Van Botbergen uit een raam laten springen: ligt hij daar nog met gebroken armen en beenen? of is hij naar het gasthuis gebracht?”“Gij oolijke gauwdief, gij hebt waarachtig gelijk:—het venster was niet hoog en hij kwam op de beenen te land; hij vluchtte de stad uit, begaf zich naar Tiel, verborg zich bij Klaas Meinertz, merkte dat deze den aanslag verraden had en hem nu overleveren wilde, stak den ouden booswicht overhoop, doch werd zelf gepakt, en evenals zijn medestanders in den Haag gerecht.”“Wij bedanken u wel voor de voorlezing, lieve broeder!”“Ik bedank u voor uw aandacht, en zoo ooit mijn lezers evenveel belangstelling in mijn verhaal en toegevendheid voor den verhaler betoonen, zal ik mijn arbeid dubbel beloond achten.”
Drie-en-dertigste Hoofdstuk.Wat zien we? Duinrijcks merek, een knijn in duin, een knijn,Dit komt op waerheit uit: hier liegt geen valsche schijn,’t Verhael hangt hecht aen een: hier mangelt niet een schakel.Vondel, Leeuwendalers.Ludwig trad, gelijk wij gezegd hebben, met een wankelenden stap de zaal bij de Gravin van Nassau binnen, en bleef met nedergeslagen oogen staan, totdat de Prins hem last gaf, alsnu te openbaren wat hij nog te zeggen had.Toen eerst boog hij zich, zag langzaam en deemoedig de Vorsten, de Gravin en den Baron aan, huiverde op het gezicht van Magdalena, die bleek als een steen achter haar jonge meesteres stond, en begon toen op de volgende wijze:“Ofschoon ik beken, dat ik op de schandelijkste wijze het vertrouwen mijns doorluchtigen meesters misbruikt heb....”“Sla dat maar over,” zeide Maurits, haastig: “ter zake!”“Verschoon mij, Uwe Hoogheid!” vervolgde de Secretaris: “ik wilde alleen zeggen, dat, hoe slecht ik ook heb kunnen handelen, ik echter thans een geheim aan ’t licht wil brengen, hetwelk mij wellicht, zoo het mij niet voor straf vrijwaart, de dankbaarheid van sommige personen uit dit luisterrijk gezelschap zal mogen verwerven.”“Ga zonder omwegen voort,” zeide de Prins op een strengen toon.“Ik moet dan beginnen,” hernam Ludwig met een zucht, “aan den heer van Sonheuvel te verhalen hetgeen ik bereids aan den Heer Fiskaal verhaald heb, dat zijn pleegzoon Joan al zijn liefde en achting nog volkomen waardig is, en dat deze in geen aanslag noch tegen zijn pleegvader, noch tegen den lande gedeeld heeft.”“Dat kan ik bevestigen,” zeide Vader Ambrosius op een plechtigen toon.“Wie valt den deposant in de rede?” vroeg de Prins, verstoord rondziende. “Wie is die grijskop?” vroeg hij zacht aan Van Kinschot, toen zijn oog het eerwaardig gelaat van den Vicaris ontdekte. Het antwoord van den Fiskaal deed hem bevreemd opzien; doch hij gaf terstond weder een wenk aan Ludwig om te vervolgen.“Ik moet deze getuigenis nopens den Jonker van Craeihorst afleggen,” vervolgde Ludwig, die langzamerhand meer bedaardheid en gemak herkreeg, terwijl hij op zijn woorden dacht: “omdat het van belang is, dat er geen vlek ruste op den stam, waar hij toe behoort.“Mijn geslacht was altijd onbesproken,” viel de Baron in met drift.“Ik spreek niet van uw geslacht, Heer Baron: ik spreek van uw pleegzoon Joan,” zeide Ludwig, met nadruk.“Wat gaan ons de Velasco’s aan?” vroeg Reede.“Joan is geen Velasco, er is nooit eenig Spaansch bloed met het zijne vermengd geweest.”“Kent gij zijn ouders dan?” vroeg Maurits.“Dat de Heer van Sonheuvel zich slechts herinnere hoe hij aan hem gekomen is, en wat hij bij hem gevonden heeft.”“Mijn God!” riep de Gravin van Nassau uit, terwijl zij doodsbleek opstond en naar den jongeling toesnelde: “die kleederen, die jachthond....”“Zijn bewijzen genoeg, Mevrouw!” vervolgde Ludwig: “Joan van Craeihorst is uw zoon, Graaf Ulrich von Daun.”“Mijn zoon!” gilde de Gravin, terwijl zij haar handen wrong en schier onmachtig in de armen van de nabijstaande dames viel: “mijn Ulrich! o God! is het mogelijk!”“Joan de zoon van mijn trouwen vriend Falckestein!” riep de Baron.“Ach!” zeide de oude Beckman, door de menigte heendringende: “hij liegt, die schelm van een Ludwig! heb ik niet het kind van den Heer Graaf voor mijne augen zien in ’t wasser wirfen?”“Wat? wie twijfelt daar aan de waarheid van zijn verhaal?” vroeg de Gravin, angstig en snel opziende: “spreek Ludwig! antwoord op hetgeen de oude man zegt.”“Antwoord dien ouden man,” zeide Maurits: “en wee u, zoo gij niet bewijst wat gij verklaard hebt, en zoo uw vertelling slechts een armhartig verdichtsel is, waarmede gij de voorspraak der Gravin zoekt te verwerven.””’t Is waar,” antwoordde Ludwig; “de oude man heeft het kind in het water zien werpen; doch wat hij niet kon zien, omdat de hoek van den toren het hem belette, is, dat de hond des Graven, die in het nabijgelegen vertrek bij mijn moeder en bij mij gezeten was, uit een zijraam in de gracht sprong en den knaap het leven redde. De hond zwom het slot om, terwijl de oude Beckman zich met het schuitje begaf naar de plaats waar het kind gevallen was. Het was mijn moeder, aan wie het getrouwe dier zijn jongen meester bracht, en die hem voor den moorddolk behoeden bleef. Zij verliet terstond het slot met ons beiden en stelde zich onder de bescherming van Velasco.”“O Voorzienigheid! hoe wonderbaar zijn uw wegen,” zeide Vader Ambrosius, de handen ten hemel heffende.“Er blijft nog iets duisters in uw verhaal,” zeide de Prins tegen Ludwig: “leeft er iemand, die de waarheid daarvan bevestigen kan? Leeft uw moeder nog?”“Zij leeft nog,” zeide Magdalena, met statigheid vooruittredende.“Hoe!” riep de Baron: “gij de moeder van dien knaap?”“De tijd en het verdriet hebben mij veranderd,” hernam zij: “doch Mevrouw de Gravin zal zich wellicht nog herinneren, dat zij mij te Bruck gezien heeft.”“Is het mogelijk?” hernam de Gravin: “ja, ik herinner mij thans duidelijk.... reeds waren uw trekken mij bekend voorgekomen. Doch in ’s Hemels naam, zeg mij, heeft Ludwig de waarheid gezegd?”“In allen deele,” antwoordde Magdalena, haar zoon verachtelijk aanziende.“O God!” riep de Gravin: “mijn zoon, mijn Ulrich leeft nog! doch waar is hij? wie brengt hem tot mij?”“Hij is ontsnapt,” zeide de Fiskaal, “doch ik vlei mij, dat wij hem vinden zullen.”“Dat hoop ik ook,” dacht Bleiswyk: “doch waar hij zit, weet slechts één mensch...; en die alleen kan de ontknooping van dit spel maken.” En meteen sloop hij de zaal en het huis uit.“Doch er leeft nog een getuige, die licht in deze zaak kan aanbrengen,” zeide de Baron: “die schelmsche Jezuïet, die in mijn slot heeft opgesloten gezeten.... ja, zoo wij die hadden, hij zou ons kunnen vertellen....”“Hij ligt reeds in boeien; doch hij is buiten staat een woord te getuigen,” merkte Van Kinschot aan.“Hoe!” zeide Magdalena tegen Ludwig: “gij heb den Pater verraden!”“Ik heb meer gedaan,” antwoordde deze op een somberen toon: “ik hem hem naar de hel gezonden waarin hij te huis behoort.”“Wee u! gij hebt uwen vader vermoord!” riep Magdalena, terwijl zij zich wanhopend met de vuisten voor ’t voorhoofd sloeg en de zaal met wilde blikken op en neder liep.Ludwig bleef versteend staan: een rilling beving hem, en half onmachtig zonk hij op een stoel neder.“Kind der schande! kind der verdoemenis!” vervolgde de radelooze vrouw, terwijl zij elk terugstootte, die haar naderen wilde: “in zonde ontvangen, om in zonde te leven en in zonde te sterven! Ziedaar de straf, die het misdrijf wacht! o wee mij! wee u! wee ons allen!”“Breng die ongelukkige weg,” zeide Maurits: “dit tooneel is te ijselijk om door vrouwenoogen gezien te worden.”Verscheidene onder de aanwezigen traden naar Magdalena toe, met oogmerk om haar weg te leiden; doch op eens bleef zij staan, wees alle hulp af, hief het hoofd met waardigheid op en zag de omstanders met fierheid aan.“Dat zich ieder wachte, de hand aan de Bruid des Heeren te slaan. Zooverre is het nog niet gekomen, dat Zuster Klara, de Abdis der Karmelieten te Tiel, de hulp van onheilige ketters noodig heeft. Freule van Sonheuvel! de rol, die ik bij u gespeeld heb, is afgeloopen. Uw verloofde wordt ter dood gebracht: gij kunt uw minnaar huwen.”“Het is haar in het hoofd geslagen,” zeide de Prins: “nogmaals breng haar weg.”“Verschoon mij,” zeide Vader Ambrosius: “zoo iemand, zal ik invloed op haar hebben. Zuster Klara!” vervolgde hij, zijn stem verheffende: “Zuster Klara! kent gij mij?”Een bevestigende hoofdknik was het antwoord.“Gij zegt wel, Zuster Klara! uw rol is hier uitgespeeld. Ik ken de gelofte, die gij gedaan hebt; ik wist ook, waarom gij bij mijn neef geplaatst waart: ik ontsla u van haar verdere vervulling: verlaat dit land en ga in een klooster uw overtredingen beweenen.”“Ik gehoorzaam,” zeide Magdalena, en, zonder er een woord bij te voegen, zonder zelfs een blik te werpen op haar ellendigen zoon, verliet zij het vertrek.“Ik had geen Roomschen prelaathierverwacht,” zeide Maurits, zich met bevreemding en ontevredenheid tot Vader Ambrosius wendende.“Een heilige plicht riep mij herwaarts,” zeide deze: “de ontwerpen van Mom waren mij bekend en ik moest voorkomen, dat mijn nicht zich met dien booswicht in ’t huwelijk begaf. Met een andere boodschap had ik mij voor Mevrouw de Gravin belast. Don Diego de Velasco had een beminde binnen Brussel, aan welke hij vrij regelmatig zijn lotgevallen schreef. Deze vrouw bezocht ik in de afgeloopen week, ten einde haar van geestelijken raad te dienen. Nieuwsgierig om te weten, of Joan werkelijk de zoon van Don Diego wezen kon, ondervroeg ik haar omtrent dit onderwerp. Zij ontkende stellig, dat haar voormalige minnaar immer getrouwd geweest ware, en haalde de brieven voor den dag, welke zij van hem ontvangen had. In den laatsten dier brieven wordt de redding van het kind des Graven van Falckestein opgegeven, juist gelijk het zooeven vermeld werd, en geeft Velasco meteen zijn oogmerk te kennen, om het weder aan zijn moeder te zenden. De Brusselsche dame dacht, dat Velasco dit plan volvoerd had, waarin het blijkt dat hij door den dood is belet geworden. Van dezen brief ontving ik een afschrift, hetwelk ik hierbij met genoegen aan Mevrouw de Gravin overhandig, en dat, mijns inziens, allen twijfel doet ophouden.”“Uw oogmerk was edel,” zeide Maurits: “doch gij hebt wat veel op onze edelmoedigheid gerekend, Heer Vicaris, dat gij zonder vergunning u hier vertoont.”“De naam van Vicaris voegt mij niet langer, Uwe Hoogheid. Toen ik ontdekte, dat diezelfde Eugenio, wiens bloeddorst zooveel rampen baarde, ook mij naar ’t leven stond, daar hij mij verdacht hield van zijn oogmerken tegen te werken, reisde ik naar Brussel, om hem aan te klagen. Ik merkte ras, dat men hem meer dan mij scheen noodig te hebben, en hem dus ongaarne aan mij zou opofferen. Dit deed mij besluiten, mijn ontslag te nemen. Mijn voornemen is thans, naar Amerika te reizen en in de nieuwe wereld de zaden van het echt geloof te gaan voortplanten.”“En de rampzalige Indianen tegen de verdrukking der Spanjaards te beschermen,” zeide Frederik Hendrik.Op dit oogenblik trad Bouke, die het vertrek kort te voren verlaten had, weder binnen. De tegenwoordigheid der hooge personages kon hem niet beletten op te springen, zijn muts in de hoogte te werpen en uit te roepen: “het eind goed al goed! daar is hij! daar is hij!”“Wie? wie is er?” riepen alle aanwezigen als uit eenen mond.“Ulrich von Daun, Graaf van Falckestein!” zeide Bleiswyk, binnentredende. Onze held volgde hem, hij zag vreemd op, toen hij zich in zulk een luisterrijk gezelschap bevond; doch nog vreemder, toen hem de Gravin om den hals viel, en onder den uitroep van: “mijn zoon! mijn zoon!” de teederste moederkussen gaf.“Ik heb hem niets gezeid,” zeide Bleiswyk, half dansende van vreugd: “Ja, Heer Fiskaal! kijk zoo zuinig als UEd. wil; ik heb hem dezen nacht mede naar huis genomen en hem verstopt. Nu heb ik hem verteld, dat hij vrij was, doch verder niets! ja, ik kan ook zwijgen!”Dit zeggende, huppelde hij om en drukte den Fiskaal, de gasten, ja den Predikant Raesfelt in de armen.Intusschen ontving Joan (want zoo zullen wij hem uit gewoonte blijven noemen) de gelukwenschingen der aanwezigen en de omhelzingen van den Baron, van Bouke, van den ouden Beckman en van al zijn betrekkingen, zonder dat hij zelf nog iets begreep van het verward verhaal, dat hem de omstanders allen te gelijk deden: eindelijk nam de Prins zelf hem bij de hand.“Wij hebben elkander voordezen meer ontmoet,” zeide deze, hem met welgevallen aanziende.“Kapitein Holtvast!” zeide Joan verrast.“Dat was ik te Tiel,” hervatte Maurits: “hier noemt men mij Maurits van Nassau.”“Uwe Hoogheid!—O ik verzoek verschooning voor hetgeen ik onwillig....”“Geen verschooning is noodig, waar geen wil tot beleediging bestaan heeft,” hernam de Prins: “ik heb u toen mijn diensten aangeboden, en ik wil heden mijn woord gestand doen, door u het geheim uwer geboorte te ontwikkelen.”—Dit gezegd hebbende, gaf hij hem in korte woorden zijn geluk te verstaan. Bedwelmd en schier sprakeloos zeeg nu de jongeling weder aan ’t hart zijner dankbare moeder.En Ulrica! Vergat ik haar?—Neen! maar ik zag op tegen de onmogelijkheid om den toestand te beschrijven, waarin zooveel verrassende voorvallen haar gebracht hadden. Zij was ontslagen van een huwelijk, waar zij tegen ijsde; de beminde van haar hart was harer waardig: hij was niet meer een arme, onbekende vondeling; maar integendeel door rang en geboorte ver boven haar verheven. Dankbaarheid, verbazing, verrukking, ontzetting hadden haar aandoenlijk zenuwgestel zoodanig geschokt, dat het haar onmogelijk was, één woord uit te brengen. Lang was zij als op de plaats genageld blijven staan, eer zij kracht genoeg vond om haar voedsterbroeder te naderen, hem de hand toe te reiken en met een flauwe stem tot hem te zeggen: “ik behoef u niet te zeggen, of ik in uw geluk deel neem.”“O Ulrica!” zeide de jongeling en drukte een vlammenden kus op haar lippen, doch terstond terugtredende: “verschoon mij,” zeide hij, “ik vergat u geluk te wenschen: het is heden immers uw verlovingsdag?”“Wat verlovingsdag!” riep de Baron: “zij zal met u haren verlovingsdag vieren, of maagd sterven, niet waar Riekje?”“Vader!” zeide Ulrica, blozend, terugtredende: “Mevrouw de Gravin....””’t Is waar ook,” hernam de Baron, verlegen: “Joan is nu geen Joan meer, maar een te hoog personage voor een arme landfreule als gij zijt.”“Beminnen zij elkander?” vroeg de Gravin, terwijl een glans van vergenoegen zich over haar gelaat verspreidde. “O! hoe gelukkig zou ik zijn, indien Ulrica mijn dochter wezen wil.”Noch Ulrica, noch haar minnaar gaven eenig antwoord; doch zij omhelsden beiden de Gravin.”Gratulor!” zeide Raesfelt, toetredende: “Ik wensch u van harte geluk, mijn zoon. Gij ziet het: God heeft alles ten beste gekeerd, en het is, zooals de Psalmist zegt in Psalm 128:U doen zal wel beklijvenSpoedig met overvloet.Ach! dat ik ook mijnen zoon, mijnen Henricum, alzoo wederom vond!”—En zich eensklaps bedenkende, haalde hij zijn smeekschrift voor den dag en bood het den Prins aan.“Hendrik Raesfelt!” zeide de Prins, terwijl hij het vluchtig inzag: “Van Kinschot, is dat die jongeling niet, die dezen nacht....”“Dezelfde!” antwoordde de Fiskaal.“Uw zoon is een verharde Arminiaan,” zeide Maurits lachende tegen Raesfelt.“Een nagel aan mijn doodkist,” antwoordde deze: “doch ik ben vader.””.... doch hij is vrij, en kan zich nederzetten waar hij wil,” hernam de Prins.“En is het nu uit?” vroeg op een verdrietigen toon een der lieve kleinen, toen zij mij hier het handschrift zag toevouwen en oprollen.“En wat moest er nog komen, volgens uw gedachte?” vroeg ik op mijn beurt.“Wel zeer veel,” hernam zij, mij met groote oogen aanziende, en op haar vingers tellende: “vooreerst had ik gehoopt, dat wij de beschrijving der bruiloft zouden gehad hebben.”“Gij begrijpt, zusje-lief, dat er in Den Haag geen bruiloft gevierd werd. Het zou kwalijk gepast hebben, feesten te houden, terwijl de gemanqueerde bruidegom, de Ambtman, terecht gesteld en ter dood gebracht werd, gelijk men zulks in de gedrukte sententie lezen kan.—Maar, “eer nog de takken van groen loof beroofd waren,” vervolgde ik op een declameerenden toon, “was de hooge feestlantaren op den slottoren te Bruck geheschen en brandde de pekton op het plein:kannen met Rijnschen wijn werden ten beste gegeven aan de vroolijke landjeugd, die in ’t zondagspak uitgedost, den burcht in- en uitliep en op het pleingras in de rondte danste. Een koets rolde de slotbrug over: een jeugdig edelman trad er uit en bood de hand om af te stijgen aan twee dames, waarvan de eene den middelbaren tijd des levens reeds bereikt had en de andere van jeugd en schoonheid bloeide: op hetzelfde oogenblik duidden de vreugdeschoten, uit vijftig musketten gelost, de komst aan van den Graaf van Falckestein op zijn erfelijk slot.”“En trouwden zij toen?”“Zij waren te Sonheuvel getrouwd geworden door den vromen Predikant Raesfelt: en jaarlijks gingen zij in ’t vervolg aldaar eenige maanden doorbrengen bij den waardigen Baron, die alsdan geen drinkpartijen meer noodig had om den tijd aangenaam door te brengen.”“En Bouke?....”“Had het genoegen van aan de Kinderen van Ulrich en Ulrica dezelfde kunsten te leeren, die hij eertijds aan Joan had medegedeeld, terwijl de oude Geert dan gestadig uitriep, wat of Mevrouw zaliger wel gezegd zou hebben, als zij dat alles beleefd had.”“Goed! en vader Ambrosius?”“Deze volvoerde zijn plan en stierf, hoogbejaard, in Amerika, alwaar hij als een tweede Las Casas de zegeningen van al wie hem gekend had met zich in ’t graf voerde.”“En Ludwig? en Magdalena?”“De ongelukkige vadermoorder stierf in een krankzinnigenhuis: zijn moeder begaf zich naar Frankrijk, trachtte er door de strengste boetedoening, des Hemels gerechtigheid te verzoenen, en stierf in reuk van heiligheid.”“En trouwde Hendrik Raesfelt met de dochter van den Cipier?”“Ja, doch slechts na den dood van Prins Maurits, toen hij tot Predikant bij de Remonstrantsche Sociëteit in een onzer voornaamste steden was aangesteld. Nu weet gij, geloof ik, alles.”“Volstrekt niet,” zeide een mijner broeders, met een schalkschen lach: “gij hebt den Heer Van Botbergen uit een raam laten springen: ligt hij daar nog met gebroken armen en beenen? of is hij naar het gasthuis gebracht?”“Gij oolijke gauwdief, gij hebt waarachtig gelijk:—het venster was niet hoog en hij kwam op de beenen te land; hij vluchtte de stad uit, begaf zich naar Tiel, verborg zich bij Klaas Meinertz, merkte dat deze den aanslag verraden had en hem nu overleveren wilde, stak den ouden booswicht overhoop, doch werd zelf gepakt, en evenals zijn medestanders in den Haag gerecht.”“Wij bedanken u wel voor de voorlezing, lieve broeder!”“Ik bedank u voor uw aandacht, en zoo ooit mijn lezers evenveel belangstelling in mijn verhaal en toegevendheid voor den verhaler betoonen, zal ik mijn arbeid dubbel beloond achten.”
Wat zien we? Duinrijcks merek, een knijn in duin, een knijn,Dit komt op waerheit uit: hier liegt geen valsche schijn,’t Verhael hangt hecht aen een: hier mangelt niet een schakel.Vondel, Leeuwendalers.
Wat zien we? Duinrijcks merek, een knijn in duin, een knijn,Dit komt op waerheit uit: hier liegt geen valsche schijn,’t Verhael hangt hecht aen een: hier mangelt niet een schakel.
Wat zien we? Duinrijcks merek, een knijn in duin, een knijn,
Dit komt op waerheit uit: hier liegt geen valsche schijn,
’t Verhael hangt hecht aen een: hier mangelt niet een schakel.
Vondel, Leeuwendalers.
Ludwig trad, gelijk wij gezegd hebben, met een wankelenden stap de zaal bij de Gravin van Nassau binnen, en bleef met nedergeslagen oogen staan, totdat de Prins hem last gaf, alsnu te openbaren wat hij nog te zeggen had.
Toen eerst boog hij zich, zag langzaam en deemoedig de Vorsten, de Gravin en den Baron aan, huiverde op het gezicht van Magdalena, die bleek als een steen achter haar jonge meesteres stond, en begon toen op de volgende wijze:
“Ofschoon ik beken, dat ik op de schandelijkste wijze het vertrouwen mijns doorluchtigen meesters misbruikt heb....”
“Sla dat maar over,” zeide Maurits, haastig: “ter zake!”
“Verschoon mij, Uwe Hoogheid!” vervolgde de Secretaris: “ik wilde alleen zeggen, dat, hoe slecht ik ook heb kunnen handelen, ik echter thans een geheim aan ’t licht wil brengen, hetwelk mij wellicht, zoo het mij niet voor straf vrijwaart, de dankbaarheid van sommige personen uit dit luisterrijk gezelschap zal mogen verwerven.”
“Ga zonder omwegen voort,” zeide de Prins op een strengen toon.
“Ik moet dan beginnen,” hernam Ludwig met een zucht, “aan den heer van Sonheuvel te verhalen hetgeen ik bereids aan den Heer Fiskaal verhaald heb, dat zijn pleegzoon Joan al zijn liefde en achting nog volkomen waardig is, en dat deze in geen aanslag noch tegen zijn pleegvader, noch tegen den lande gedeeld heeft.”
“Dat kan ik bevestigen,” zeide Vader Ambrosius op een plechtigen toon.
“Wie valt den deposant in de rede?” vroeg de Prins, verstoord rondziende. “Wie is die grijskop?” vroeg hij zacht aan Van Kinschot, toen zijn oog het eerwaardig gelaat van den Vicaris ontdekte. Het antwoord van den Fiskaal deed hem bevreemd opzien; doch hij gaf terstond weder een wenk aan Ludwig om te vervolgen.
“Ik moet deze getuigenis nopens den Jonker van Craeihorst afleggen,” vervolgde Ludwig, die langzamerhand meer bedaardheid en gemak herkreeg, terwijl hij op zijn woorden dacht: “omdat het van belang is, dat er geen vlek ruste op den stam, waar hij toe behoort.
“Mijn geslacht was altijd onbesproken,” viel de Baron in met drift.
“Ik spreek niet van uw geslacht, Heer Baron: ik spreek van uw pleegzoon Joan,” zeide Ludwig, met nadruk.
“Wat gaan ons de Velasco’s aan?” vroeg Reede.
“Joan is geen Velasco, er is nooit eenig Spaansch bloed met het zijne vermengd geweest.”
“Kent gij zijn ouders dan?” vroeg Maurits.
“Dat de Heer van Sonheuvel zich slechts herinnere hoe hij aan hem gekomen is, en wat hij bij hem gevonden heeft.”
“Mijn God!” riep de Gravin van Nassau uit, terwijl zij doodsbleek opstond en naar den jongeling toesnelde: “die kleederen, die jachthond....”
“Zijn bewijzen genoeg, Mevrouw!” vervolgde Ludwig: “Joan van Craeihorst is uw zoon, Graaf Ulrich von Daun.”
“Mijn zoon!” gilde de Gravin, terwijl zij haar handen wrong en schier onmachtig in de armen van de nabijstaande dames viel: “mijn Ulrich! o God! is het mogelijk!”
“Joan de zoon van mijn trouwen vriend Falckestein!” riep de Baron.
“Ach!” zeide de oude Beckman, door de menigte heendringende: “hij liegt, die schelm van een Ludwig! heb ik niet het kind van den Heer Graaf voor mijne augen zien in ’t wasser wirfen?”
“Wat? wie twijfelt daar aan de waarheid van zijn verhaal?” vroeg de Gravin, angstig en snel opziende: “spreek Ludwig! antwoord op hetgeen de oude man zegt.”
“Antwoord dien ouden man,” zeide Maurits: “en wee u, zoo gij niet bewijst wat gij verklaard hebt, en zoo uw vertelling slechts een armhartig verdichtsel is, waarmede gij de voorspraak der Gravin zoekt te verwerven.”
”’t Is waar,” antwoordde Ludwig; “de oude man heeft het kind in het water zien werpen; doch wat hij niet kon zien, omdat de hoek van den toren het hem belette, is, dat de hond des Graven, die in het nabijgelegen vertrek bij mijn moeder en bij mij gezeten was, uit een zijraam in de gracht sprong en den knaap het leven redde. De hond zwom het slot om, terwijl de oude Beckman zich met het schuitje begaf naar de plaats waar het kind gevallen was. Het was mijn moeder, aan wie het getrouwe dier zijn jongen meester bracht, en die hem voor den moorddolk behoeden bleef. Zij verliet terstond het slot met ons beiden en stelde zich onder de bescherming van Velasco.”
“O Voorzienigheid! hoe wonderbaar zijn uw wegen,” zeide Vader Ambrosius, de handen ten hemel heffende.
“Er blijft nog iets duisters in uw verhaal,” zeide de Prins tegen Ludwig: “leeft er iemand, die de waarheid daarvan bevestigen kan? Leeft uw moeder nog?”
“Zij leeft nog,” zeide Magdalena, met statigheid vooruittredende.
“Hoe!” riep de Baron: “gij de moeder van dien knaap?”
“De tijd en het verdriet hebben mij veranderd,” hernam zij: “doch Mevrouw de Gravin zal zich wellicht nog herinneren, dat zij mij te Bruck gezien heeft.”
“Is het mogelijk?” hernam de Gravin: “ja, ik herinner mij thans duidelijk.... reeds waren uw trekken mij bekend voorgekomen. Doch in ’s Hemels naam, zeg mij, heeft Ludwig de waarheid gezegd?”
“In allen deele,” antwoordde Magdalena, haar zoon verachtelijk aanziende.
“O God!” riep de Gravin: “mijn zoon, mijn Ulrich leeft nog! doch waar is hij? wie brengt hem tot mij?”
“Hij is ontsnapt,” zeide de Fiskaal, “doch ik vlei mij, dat wij hem vinden zullen.”
“Dat hoop ik ook,” dacht Bleiswyk: “doch waar hij zit, weet slechts één mensch...; en die alleen kan de ontknooping van dit spel maken.” En meteen sloop hij de zaal en het huis uit.
“Doch er leeft nog een getuige, die licht in deze zaak kan aanbrengen,” zeide de Baron: “die schelmsche Jezuïet, die in mijn slot heeft opgesloten gezeten.... ja, zoo wij die hadden, hij zou ons kunnen vertellen....”
“Hij ligt reeds in boeien; doch hij is buiten staat een woord te getuigen,” merkte Van Kinschot aan.
“Hoe!” zeide Magdalena tegen Ludwig: “gij heb den Pater verraden!”
“Ik heb meer gedaan,” antwoordde deze op een somberen toon: “ik hem hem naar de hel gezonden waarin hij te huis behoort.”
“Wee u! gij hebt uwen vader vermoord!” riep Magdalena, terwijl zij zich wanhopend met de vuisten voor ’t voorhoofd sloeg en de zaal met wilde blikken op en neder liep.
Ludwig bleef versteend staan: een rilling beving hem, en half onmachtig zonk hij op een stoel neder.
“Kind der schande! kind der verdoemenis!” vervolgde de radelooze vrouw, terwijl zij elk terugstootte, die haar naderen wilde: “in zonde ontvangen, om in zonde te leven en in zonde te sterven! Ziedaar de straf, die het misdrijf wacht! o wee mij! wee u! wee ons allen!”
“Breng die ongelukkige weg,” zeide Maurits: “dit tooneel is te ijselijk om door vrouwenoogen gezien te worden.”
Verscheidene onder de aanwezigen traden naar Magdalena toe, met oogmerk om haar weg te leiden; doch op eens bleef zij staan, wees alle hulp af, hief het hoofd met waardigheid op en zag de omstanders met fierheid aan.
“Dat zich ieder wachte, de hand aan de Bruid des Heeren te slaan. Zooverre is het nog niet gekomen, dat Zuster Klara, de Abdis der Karmelieten te Tiel, de hulp van onheilige ketters noodig heeft. Freule van Sonheuvel! de rol, die ik bij u gespeeld heb, is afgeloopen. Uw verloofde wordt ter dood gebracht: gij kunt uw minnaar huwen.”
“Het is haar in het hoofd geslagen,” zeide de Prins: “nogmaals breng haar weg.”
“Verschoon mij,” zeide Vader Ambrosius: “zoo iemand, zal ik invloed op haar hebben. Zuster Klara!” vervolgde hij, zijn stem verheffende: “Zuster Klara! kent gij mij?”
Een bevestigende hoofdknik was het antwoord.
“Gij zegt wel, Zuster Klara! uw rol is hier uitgespeeld. Ik ken de gelofte, die gij gedaan hebt; ik wist ook, waarom gij bij mijn neef geplaatst waart: ik ontsla u van haar verdere vervulling: verlaat dit land en ga in een klooster uw overtredingen beweenen.”
“Ik gehoorzaam,” zeide Magdalena, en, zonder er een woord bij te voegen, zonder zelfs een blik te werpen op haar ellendigen zoon, verliet zij het vertrek.
“Ik had geen Roomschen prelaathierverwacht,” zeide Maurits, zich met bevreemding en ontevredenheid tot Vader Ambrosius wendende.
“Een heilige plicht riep mij herwaarts,” zeide deze: “de ontwerpen van Mom waren mij bekend en ik moest voorkomen, dat mijn nicht zich met dien booswicht in ’t huwelijk begaf. Met een andere boodschap had ik mij voor Mevrouw de Gravin belast. Don Diego de Velasco had een beminde binnen Brussel, aan welke hij vrij regelmatig zijn lotgevallen schreef. Deze vrouw bezocht ik in de afgeloopen week, ten einde haar van geestelijken raad te dienen. Nieuwsgierig om te weten, of Joan werkelijk de zoon van Don Diego wezen kon, ondervroeg ik haar omtrent dit onderwerp. Zij ontkende stellig, dat haar voormalige minnaar immer getrouwd geweest ware, en haalde de brieven voor den dag, welke zij van hem ontvangen had. In den laatsten dier brieven wordt de redding van het kind des Graven van Falckestein opgegeven, juist gelijk het zooeven vermeld werd, en geeft Velasco meteen zijn oogmerk te kennen, om het weder aan zijn moeder te zenden. De Brusselsche dame dacht, dat Velasco dit plan volvoerd had, waarin het blijkt dat hij door den dood is belet geworden. Van dezen brief ontving ik een afschrift, hetwelk ik hierbij met genoegen aan Mevrouw de Gravin overhandig, en dat, mijns inziens, allen twijfel doet ophouden.”
“Uw oogmerk was edel,” zeide Maurits: “doch gij hebt wat veel op onze edelmoedigheid gerekend, Heer Vicaris, dat gij zonder vergunning u hier vertoont.”
“De naam van Vicaris voegt mij niet langer, Uwe Hoogheid. Toen ik ontdekte, dat diezelfde Eugenio, wiens bloeddorst zooveel rampen baarde, ook mij naar ’t leven stond, daar hij mij verdacht hield van zijn oogmerken tegen te werken, reisde ik naar Brussel, om hem aan te klagen. Ik merkte ras, dat men hem meer dan mij scheen noodig te hebben, en hem dus ongaarne aan mij zou opofferen. Dit deed mij besluiten, mijn ontslag te nemen. Mijn voornemen is thans, naar Amerika te reizen en in de nieuwe wereld de zaden van het echt geloof te gaan voortplanten.”
“En de rampzalige Indianen tegen de verdrukking der Spanjaards te beschermen,” zeide Frederik Hendrik.
Op dit oogenblik trad Bouke, die het vertrek kort te voren verlaten had, weder binnen. De tegenwoordigheid der hooge personages kon hem niet beletten op te springen, zijn muts in de hoogte te werpen en uit te roepen: “het eind goed al goed! daar is hij! daar is hij!”
“Wie? wie is er?” riepen alle aanwezigen als uit eenen mond.
“Ulrich von Daun, Graaf van Falckestein!” zeide Bleiswyk, binnentredende. Onze held volgde hem, hij zag vreemd op, toen hij zich in zulk een luisterrijk gezelschap bevond; doch nog vreemder, toen hem de Gravin om den hals viel, en onder den uitroep van: “mijn zoon! mijn zoon!” de teederste moederkussen gaf.
“Ik heb hem niets gezeid,” zeide Bleiswyk, half dansende van vreugd: “Ja, Heer Fiskaal! kijk zoo zuinig als UEd. wil; ik heb hem dezen nacht mede naar huis genomen en hem verstopt. Nu heb ik hem verteld, dat hij vrij was, doch verder niets! ja, ik kan ook zwijgen!”
Dit zeggende, huppelde hij om en drukte den Fiskaal, de gasten, ja den Predikant Raesfelt in de armen.
Intusschen ontving Joan (want zoo zullen wij hem uit gewoonte blijven noemen) de gelukwenschingen der aanwezigen en de omhelzingen van den Baron, van Bouke, van den ouden Beckman en van al zijn betrekkingen, zonder dat hij zelf nog iets begreep van het verward verhaal, dat hem de omstanders allen te gelijk deden: eindelijk nam de Prins zelf hem bij de hand.
“Wij hebben elkander voordezen meer ontmoet,” zeide deze, hem met welgevallen aanziende.
“Kapitein Holtvast!” zeide Joan verrast.
“Dat was ik te Tiel,” hervatte Maurits: “hier noemt men mij Maurits van Nassau.”
“Uwe Hoogheid!—O ik verzoek verschooning voor hetgeen ik onwillig....”
“Geen verschooning is noodig, waar geen wil tot beleediging bestaan heeft,” hernam de Prins: “ik heb u toen mijn diensten aangeboden, en ik wil heden mijn woord gestand doen, door u het geheim uwer geboorte te ontwikkelen.”—Dit gezegd hebbende, gaf hij hem in korte woorden zijn geluk te verstaan. Bedwelmd en schier sprakeloos zeeg nu de jongeling weder aan ’t hart zijner dankbare moeder.
En Ulrica! Vergat ik haar?—Neen! maar ik zag op tegen de onmogelijkheid om den toestand te beschrijven, waarin zooveel verrassende voorvallen haar gebracht hadden. Zij was ontslagen van een huwelijk, waar zij tegen ijsde; de beminde van haar hart was harer waardig: hij was niet meer een arme, onbekende vondeling; maar integendeel door rang en geboorte ver boven haar verheven. Dankbaarheid, verbazing, verrukking, ontzetting hadden haar aandoenlijk zenuwgestel zoodanig geschokt, dat het haar onmogelijk was, één woord uit te brengen. Lang was zij als op de plaats genageld blijven staan, eer zij kracht genoeg vond om haar voedsterbroeder te naderen, hem de hand toe te reiken en met een flauwe stem tot hem te zeggen: “ik behoef u niet te zeggen, of ik in uw geluk deel neem.”
“O Ulrica!” zeide de jongeling en drukte een vlammenden kus op haar lippen, doch terstond terugtredende: “verschoon mij,” zeide hij, “ik vergat u geluk te wenschen: het is heden immers uw verlovingsdag?”
“Wat verlovingsdag!” riep de Baron: “zij zal met u haren verlovingsdag vieren, of maagd sterven, niet waar Riekje?”
“Vader!” zeide Ulrica, blozend, terugtredende: “Mevrouw de Gravin....”
”’t Is waar ook,” hernam de Baron, verlegen: “Joan is nu geen Joan meer, maar een te hoog personage voor een arme landfreule als gij zijt.”
“Beminnen zij elkander?” vroeg de Gravin, terwijl een glans van vergenoegen zich over haar gelaat verspreidde. “O! hoe gelukkig zou ik zijn, indien Ulrica mijn dochter wezen wil.”
Noch Ulrica, noch haar minnaar gaven eenig antwoord; doch zij omhelsden beiden de Gravin.
”Gratulor!” zeide Raesfelt, toetredende: “Ik wensch u van harte geluk, mijn zoon. Gij ziet het: God heeft alles ten beste gekeerd, en het is, zooals de Psalmist zegt in Psalm 128:
U doen zal wel beklijvenSpoedig met overvloet.
U doen zal wel beklijven
Spoedig met overvloet.
Ach! dat ik ook mijnen zoon, mijnen Henricum, alzoo wederom vond!”—En zich eensklaps bedenkende, haalde hij zijn smeekschrift voor den dag en bood het den Prins aan.
“Hendrik Raesfelt!” zeide de Prins, terwijl hij het vluchtig inzag: “Van Kinschot, is dat die jongeling niet, die dezen nacht....”
“Dezelfde!” antwoordde de Fiskaal.
“Uw zoon is een verharde Arminiaan,” zeide Maurits lachende tegen Raesfelt.
“Een nagel aan mijn doodkist,” antwoordde deze: “doch ik ben vader.”
”.... doch hij is vrij, en kan zich nederzetten waar hij wil,” hernam de Prins.
“En is het nu uit?” vroeg op een verdrietigen toon een der lieve kleinen, toen zij mij hier het handschrift zag toevouwen en oprollen.
“En wat moest er nog komen, volgens uw gedachte?” vroeg ik op mijn beurt.
“Wel zeer veel,” hernam zij, mij met groote oogen aanziende, en op haar vingers tellende: “vooreerst had ik gehoopt, dat wij de beschrijving der bruiloft zouden gehad hebben.”
“Gij begrijpt, zusje-lief, dat er in Den Haag geen bruiloft gevierd werd. Het zou kwalijk gepast hebben, feesten te houden, terwijl de gemanqueerde bruidegom, de Ambtman, terecht gesteld en ter dood gebracht werd, gelijk men zulks in de gedrukte sententie lezen kan.—Maar, “eer nog de takken van groen loof beroofd waren,” vervolgde ik op een declameerenden toon, “was de hooge feestlantaren op den slottoren te Bruck geheschen en brandde de pekton op het plein:kannen met Rijnschen wijn werden ten beste gegeven aan de vroolijke landjeugd, die in ’t zondagspak uitgedost, den burcht in- en uitliep en op het pleingras in de rondte danste. Een koets rolde de slotbrug over: een jeugdig edelman trad er uit en bood de hand om af te stijgen aan twee dames, waarvan de eene den middelbaren tijd des levens reeds bereikt had en de andere van jeugd en schoonheid bloeide: op hetzelfde oogenblik duidden de vreugdeschoten, uit vijftig musketten gelost, de komst aan van den Graaf van Falckestein op zijn erfelijk slot.”
“En trouwden zij toen?”
“Zij waren te Sonheuvel getrouwd geworden door den vromen Predikant Raesfelt: en jaarlijks gingen zij in ’t vervolg aldaar eenige maanden doorbrengen bij den waardigen Baron, die alsdan geen drinkpartijen meer noodig had om den tijd aangenaam door te brengen.”
“En Bouke?....”
“Had het genoegen van aan de Kinderen van Ulrich en Ulrica dezelfde kunsten te leeren, die hij eertijds aan Joan had medegedeeld, terwijl de oude Geert dan gestadig uitriep, wat of Mevrouw zaliger wel gezegd zou hebben, als zij dat alles beleefd had.”
“Goed! en vader Ambrosius?”
“Deze volvoerde zijn plan en stierf, hoogbejaard, in Amerika, alwaar hij als een tweede Las Casas de zegeningen van al wie hem gekend had met zich in ’t graf voerde.”
“En Ludwig? en Magdalena?”
“De ongelukkige vadermoorder stierf in een krankzinnigenhuis: zijn moeder begaf zich naar Frankrijk, trachtte er door de strengste boetedoening, des Hemels gerechtigheid te verzoenen, en stierf in reuk van heiligheid.”
“En trouwde Hendrik Raesfelt met de dochter van den Cipier?”
“Ja, doch slechts na den dood van Prins Maurits, toen hij tot Predikant bij de Remonstrantsche Sociëteit in een onzer voornaamste steden was aangesteld. Nu weet gij, geloof ik, alles.”
“Volstrekt niet,” zeide een mijner broeders, met een schalkschen lach: “gij hebt den Heer Van Botbergen uit een raam laten springen: ligt hij daar nog met gebroken armen en beenen? of is hij naar het gasthuis gebracht?”
“Gij oolijke gauwdief, gij hebt waarachtig gelijk:—het venster was niet hoog en hij kwam op de beenen te land; hij vluchtte de stad uit, begaf zich naar Tiel, verborg zich bij Klaas Meinertz, merkte dat deze den aanslag verraden had en hem nu overleveren wilde, stak den ouden booswicht overhoop, doch werd zelf gepakt, en evenals zijn medestanders in den Haag gerecht.”
“Wij bedanken u wel voor de voorlezing, lieve broeder!”
“Ik bedank u voor uw aandacht, en zoo ooit mijn lezers evenveel belangstelling in mijn verhaal en toegevendheid voor den verhaler betoonen, zal ik mijn arbeid dubbel beloond achten.”