Elfde Hoofdstuk.

Elfde Hoofdstuk.Van mijne bruiloft af, van dat ik zat verlooft,Wat stormen waeiden my niet sedert over ’t hooft:Wat toren is zoo hoog, van waer mijn oogh de barenDer zee kan overzien van al mijn wedervaeren.Vondel, Gysbrecht van Aemstel.Wij springen thans, volgens het voorrecht van romanschrijvers en nieuwerwetsche Franschevaudevillisten, wederom eenige onbeduidende jaren stilzwijgend over, om tot een voorval te komen, hetgeen plaats greep, toen Joan zestien jaren bereikt had, en dat op zijn volgende loopbaan meer invloed had, dan men er in het eerst van had kunnen verwachten.Schoon Joan op dien leeftijd een geoefend ruiter was, en den fraaien vos, hem door zijn pleegvader geschonken, met zwier bereed, wanneer hij met vlugge hazenwinden den reebok of de hazen op het uitgestrekte heideveld najoeg, kende hij echter geen grooter genoegen, dan om alleen, zonder gezelschap buiten zijn trouwenhond Veltman, met het jachtmes op zijde en den kruisboog in de hand, de omliggende velden te doorkruisen: dan trok hij, in ’t eenvoudigste gewaad, tegen weer en wind gehard, bij zonsopgang met vollen knapzak en ledige weitasch het slot uit om er niet zelden eerst tegen het vallen van den avond met ledigen knapzak en volle weitasch terug te keeren. Rusteloos en onvermoeid zette hij zich alleen uit vriendschap voor zijn viervoetigen tochtgenoot somtijds neder, om de boterhammen, welke de zorgvolle Ulrica ’s avonds te voren had toebereid en in papier gewikkeld, met den edelen hond te deelen, en aan dezen de verkwikking te doen erlangen, die hij benoodigd had om met nieuwe krachten de wandeling voort te zetten.Eens keerde hij, met wild beladen en vroolijk neuriënde onder ’t gaan over de breede heiden, die zich ten noordoosten van het dorp Sonheuvel bevinden, met zijn trouwen Veltman weder huiswaarts. Het was een dier schoone herfstavonden, waarin de hemel met zulke heerlijke schakeeringen van goud en purperrood ontgloeid is: liefelijk werden de dampen, die over de vochtige velden gleden, door de breede zonnestralen verlicht; in vollen bloei stonden de ontelbare erica’s en bedekten het grauwe mostapijt als met purperen vlekken: van alle kanten stegen de geuren van thym en rosemarijn naar boven en verspreidden zich heinde en ver op den adem van het suisend avondwindje. Blakend van den schemerenden gloed der ondergaande zon, lagen Sonheuvel en de omliggende dorpen aan den voet des heuvels, midden tusschen het donkere groen te prijken: trotsch en statig verhieven zich de hooge kerkspits, en daarachter, de daken van het vaderlijk slot: linksaf stak, in ’t verschiet, de dom van Reenen somber af tegen het heldere zwerk, en aan de rechterzijde rezen de torens van twintig adellijke huizen uit de donkere bosschages. Voor hem rolde de Rijn met effen, stillen stroom, door vette weiden of geurige boomgaarden, en kaatste als een spiegel den blozenden hemel terug. Hoe vaak Joan dit prachtige natuurtooneel aanschouwd had, telkens deed het nieuwe en streelender gewaarwordingen bij hem oprijzen: want dit voorrecht bezit de natuur, dat hare schoonheid nimmer den gevoeligen toeschouwer vermoeien noch verzadigen kan, en dat de indrukselen, welke zij teweegbrengt, met de jaren eer versterkt dan verzwakt worden. Onwillekeurig bleef Joan op de helling des heuvels staan, niet ver van de plaats, waar het pad, dat hij volgde, zich met den bovenweg vereenigde, om zijn oogen aan een treffend en bevallig schouwspel te verlustigen. Daar stond hij, als ware hij alleen in de natuur. Slechts de rook, die uit het dorp in dunne wolkkolommen opsteeg, het verwijderd geloei der runderen, die naar de stallen keerden, en het eentonig geluid der klinkende schelletjes van de witgewolde kudden kondigden hem de nabijheid van menschen aan. Verzonken in aandacht en verrukking, gevoelde hij zich, zonder zelf de reden te kunnen bevroeden, diep bewogen en wischte een traan uit het oog, toen de onverwachte verschijning van een naderend rijtuig aan zijn gedachten een afleiding bezorgde, door zijn nieuwsgierigheid gaande te maken.Langs den bovenweg, den eenigen, die in dit jaargetijde berijdbaar was, kwam van den kant van Reenen, een zware koets aanrollen, door vier stevige paarden getrokken. Een fraai uitgedoste koerier ging het rijtuig voor, gaf, zoodra hij ter plaatse gekomen was, waar de weg nederwaarts op het dorp aanliep, zijn paard de sporen en reed op een vluggen draf de straat van Sonheuvel in. Met snelle schreden aanstappende, bereikte Joan nu spoedig den landweg en zette zich op een dijkje van plaggen neder, om het rijtuig, dat langzaam den heuvel afkwam, te zien voorbijrijden. Het was een prachtige koetswagen, met wapens en blazoenen beschilderd. De hemel, op vier stijlen rustend, was met gordijnen behangen van oranje laken, met blauw en zilver geborduurd. Op de trede zat een page, tegen de avondlucht gewapend met een paarsen mantel, waarin hij zich geheel had gewikkeld. Achterop bungelden drie lange slungels van lakeien, sierlijk uitgedost en met vuurroeren gewapend. De koetsier, die de strengen der achterpaarden hield, was een lang, deftig man, met een hoogen, breedgeranden hoed, een kastanjebruinen rok vol linten en strikken, hooge laarzen met zilveren franjes en bijzonder net geplooiden kraag. Deze keurige kleeding stak bijster af tegen het gewaad des postiljons, die op het bijdehandsche voorpaard gezeten was, zijnde een Geldersche boer, met ongedekten hoofde, aschgrauw, ongekamd en stijf afhangend haar, linnen pij en holsblokken aan de bloote voeten.Langen tijd bleef de wagen even langzaam voortrollen, en Joan werd ongeduldig, toen hij op eens verwarring om het rijtuig zag ontstaan, terwijl de paarden hollende op hem afkwamen.Het linkerachterwiel had een zwaren steen ontmoet, die, onder ’t zand begraven, en door een vooruitschietenden denneboomswortel gesteund, het voortgaan van het rijtuig verhinderde. Driemalen klapte de lange zweep des koetsiers door de lucht: driemalen voelden de voorpaarden het touw met de dikke knoopen der postiljons, zonder dat de koets verwikte: eindelijk deed het bijdehandsche voorpaard zulk een geweldigen ruk, dat een der touwen, waaraan het gebonden was, in stukken sprong: dit was oorzaak, dat het dier op zijn nevenman aandrong: het geheele span ontving een zijdelingschen schok, waardoor het rijtuig met zooveel geweld over den steen gehaald werd, dat het wiel omhoog en tegen den bak aansnorde; de postiljon verloor zijn tegenwoordigheid van geest, en in plaats van zijn paarden des te steviger vast te houden, poogde hij af te klimmen en tuimelde hals over kop in ’t zand: de paarden, schichtig geworden, sloegen aan ’t hollen en waren niet door de inmiddels afgestegen dienaars te wederhouden. De page, die mede van het rijtuig gesprongen was, lag midden in een doornstruik te spartelen, en een in ’t zwart gekleede vrouw, die de gordijnen had opengeschoven, (want men wist toen nog van geen portieren) en al gillende hulp vroeg, scheen in beraad om ook den sprong te wagen, toen er hulp verschaft werd.Zooras Joan het ongeval ontdekt had, begreep hij, dat de paarden gestuit dienden te worden, eer zij in het bestraatte dorp aankwamen,alwaar zij het rijtuig gemakkelijk tegen een huis of stoep zouden kunnen verbrijzelen: haastig zag hij om zich heen, hoe er hulp kon bewezen worden, en wierp inmiddels boog en weitasch van zich af. Aan den weg lag een hoop afgehouwen dennestammen: een daarvan tilde hij op, stak dien dwars over den weg, met de punt in het dijkje en ging zelf aan de andere zijde van het spoor staan, het dikke einde van den boom vasthoudende, en op die wijze een slagboom improviseerende. Bijna op hetzelfde oogenblik waren de voorpaarden bij hem: zij struikelden over den hinderpaal en stortten neder, waarop het den koetsier niet moeilijk viel, de achterpaarden op te houden en het rijtuig te doen stilstaan. Men begrijpt, dat dit alles in minderen tijd geschiedde, dan ik noodig heb om het te verhalen.Een der dienaars naderde het rijtuig en hielp er zijn meesteres uit, benevens hare twee verschrikte kamerjuffers. Zonder een woord te spreken, en met een gelaat, waar de uitgestane angst nog duidelijk op te lezen was, wandelde de deftige vrouw den weg af, toen haar page, een knaap, die tusschen de twintig en vijf en twintig jaren oud scheen en wiens kleeding en gelaat deerlijk van de doornen gehavend waren, met honderd buigingen haar op zijde kwam snellen, en met tallooze dienstbetooning vroeg, of Mevrouw ook eenig letsel bekomen had. Zijn meesteres vergenoegde zich met van neen te schudden en wendde zich vervolgens tot den koetsier, die van den bok geklommen was en de paarden ophielp, en wien zij vroeg of hij alleen, dan wel met behulp van anderen, de paarden had kunnen stuiten.—“Ich? Genädige Frau!” antwoordde de koetsier: “nein waaraftig nicht: das ware onmöglich; want ich hold allein die afterste knollen: ohne ein jungen jäger, die mit eine kantsch prave tegenwortigkeid von keist die dennetak for die perten kehalt had, ware euer Gnäde er so gefällig niet afjekomen: er ware ein hupscher knabe, und Ludwig (vervolgde hij, den page schuins aanziende) mag ein beispiel aan ihm nemen, wie sich te ketraken in eine sortkelike kelekenheid.”“Ik zou hetzelfde gedaan hebben,” antwoordde de page: “kan ik het helpen, dat ik in die hatelijke doornen te land kwam?”“Neen,” zeide de vreemde Dame, op een gestrengen toon: “doch gij kunt het wel helpen, dat gij de gordijnen niet losmaaktet, toen ik zulks verzocht: wel is waar, elk is zich zelf het naast, en de vrees, die u beving, is uw beste verschooning.”Het gelaat van den page, dat op het verwijt van den koetsier rood van toorn geworden was, werd op de beschuldiging zijner meesteres bleek van spijt: hij wilde antwoorden, doch wederhield zich intijds, beet op de lippen, wendde zich af en ging naar de paarden, als om te helpen; doch de koetsier stootte hem eenigszins ruw van zich af met de verklaring, dat hij hem hinderde.Nog maar half van haar schrik bekomen, plaatste zich de adellijke vrouw op den stapel boomstammen, en vroeg aan de landlieden en dorpelingen, die in menigte, door de nieuwsgierigheid gelokt, waren toegeschoten, wie hunner den kloeken jongeling kende, die zich zoo moedig en behendig voor haar behoud geweerd had.“Er was ein jongen jäger,” zeide de koetsier: “ein hupscher borst.”“Een jonge jager”, zeiden de boeren, de schouders ophalende: “wie kan dat zijn? hier jaagt niemand dan de Jonker.”“Of het moest Teun Wezer zijn,” mompelde de vrouw van den metselaar tegen den barbier.“Die zal zoo mal niet wezen om zich hier te vertoonen,” zeide de barbier, sedert Bouke hem rottingolie heeft toebedeeld, omdat hij zijn nichtje Klaartje zocht te verleiden.”“Wat praat jelui van Teun Wezer?” liet zich een stem achter de koets hooren: “bemoei je met je eigen duiveljagerijen.”Hij, die deze woorden uitte, was dezelfde boerenknaap, die als postiljon de koets gemend had en bij Reenen te huis behoorde: hij stond in den geheelen omtrek in slechten reuk, wegens gepleegde strooperijen en boevenstukken; doch omdat hij een vrij goed ruiter was, werd hij wel eens door den boerenstalmeester als postiljon aan reizenden medegegeven.“Zie je nou, buurman?” hernam de metselaarsvrouw: “daar is hij al zelf: ja, ik had zoo mis niet gezien. Het spijt mij maar, dat ik kwaad van hem gesproken heb: als hij het gehoord heeft, zou hij wel eens uit wraak mijn kippen stelen.”Inmiddels naderde de postiljon en bezichtigde de paarden: waarna hij met een zwaren vloek verzekerde, dat het eene in de borst gewond, en het andere aan ’t been gekneusd was, een schade, welke de genadige vrouw, al ware zij nog zoo genadig, hem betalen zou.“Spreek maar zoo bout niet, Teun!” sprak iemand achter hem: “het geheele geval is uw eigen schuld en zou niet gebeurd zijn, indien gij, in plaats van af te springen, waart blijven zitten: gij verdient smeer in stede van betaling.”Teun Wezer zag vloekend om, doch zweeg op het gezicht van den Jonker van Sonheuvel, die, met zijn hond aan zijn zijde, bedaard naar hem toekwam.Joan had, als wij verhaald hebben, op het zien van het dreigend ongeval, boog en weitasch weggeworpen: de boog was aan de andere zijde van het dijkje in een greppel neergevallen: de weitasch was nog verder heengevlogen: de hazen en patrijzen, daaruit gerold, lagen op de heide verspreid. Zoodra hij de paarden gestuit had, was zijn eerste werk geweest, om de gansche rommelzooi weder bijeen te gaan zoeken, ’t geen hij met behulp van Veltman ten uitvoer bracht. Daar dit bukkende geschiedde, was hij tot nu toe door het dijkje aan aller oogen onttrokken gebleven.“Ziedaêr, Genädige Frau,” zeide de koetsier, “ziedaêr den knabe, die ons keret heeft.”Met een vriendelijken, dankbaren blik keerde zich de genadige Vrouw naar Joan, die met de muts in de hand voor haar stond: “Ik bedank u, knaap!” zeide zij: “gij hebt u, naar ik hoor, niet alleen met kloekheid, maar ook met gevaar van uw leven, gedragen; u is immers geen letsel overkomen?”“Als Uwe Genade er even weinig van gedeerd is, als ik, zal het niet erg zijn,” antwoordde Joan lachende: “doch waar is mijn mattenfleschje gebleven?” vroeg hij, zich plotseling omwendende: “dat is zeker aan den boog blijven haken en zoo weggeraakt! Veltman! zoek! verloren!” en Veltman, zijn vermoeidheid vergetende, vloog over het dijkje terug.Deze bekommernis van Joan over zijn matten fleschje was zeker niet naar de regels der strikte beleefdheid; doch hij was op ’t land opgebracht, waar hij nooit dan met zijn minderen verkeerd had en nooit met lieden van hoogen rang, als deze Mevrouw scheen te zijn, in gezelschap geweest was; de vreemde Dame nam hem zijn vrijpostigheid ook niet kwalijk af; doch de page vond goed zich daarover gebelgd te toonen.“Goede vriend,” zeide hij, “gij stelt zeker veel belang in uw fleschje, dat gij er de tegenwoordigheid van Mevrouw de Gravin door vergeet: gij moest liever die brave lieden een handje helpen, om de paarden uit te spannen.”Dit gezegde veroorzaakte een verontwaardiging, die algemeen was en ook bijna gelijktijdig werd uitgedrukt door al de aanwezigen.“Zwijg Ludwig!” zeide de Gravin, “en schaam u! zoo die knaap iets verloren heeft, was het, door dat hij ons hulp betoonde, en gij deedt beter hem in ’t zoeken bij te staan, indien zulks uw fraaie broek niet sleet, dan hem onbeleefdheden te zeggen.”“De page mocht den bek wel halten,” zeide de koetsier, terwijl hij Joan met hartelijkheid de hand schudde: “du bist bei meine seele ein gutter burst, en koen wie ein keporen Deutscher.”“Bewaar ons!” zeide de vrouw van den metselaar, Ludwig schuins aanziende: “hoe durft die bonte aap zoo tegen onzen Jonker spieken?”“Wat jonker?” zeide Ludwig, zich tot haar keerende: “van welken jonker spreekt gij? en wat meent ge met uw bonten aap?”“De bonte aap ben jij!” hervatte de vrouw, de armen in de zijde zettende: “en dat is onze Jonker, de Jonker van Sonheuvel, versta je, moesjanker? kijk maar zoo zuur niet: we geven hier niets om je moffegezwets.”De page zag haar een oogenblik als versteend aan, wendde vervolgens het oog op Joan, mat hem met een somberen blik van het hoofd tot de voeten, en vroeg daarna nogmaals zeer bedaard: “Is dat de Jonker van Sonheuvel?”“En wie had je hier anders verwacht?” antwoordde de barbier.“Zoo!” zeide Ludwig, en met dit woord trad hij terug en floot een deuntje tusschen de tanden.De gravin, die, door het geraas en gepruttel der dorpelingen, van deze woordenwisseling niets verstaan had, trad weder naar Joan, en, terwijl zij met de eene hand Veltman streelde, bood zij hem met de andere eenig goud aan.“Dat gij mijn hond streelt, Mevrouw, doet mij vermaak,” zeide Joan, achteruittredende: “maar geld behoef ik niet. Mijn vader is rijk genoeg, om....”Doch de Gravin liet hem geen tijd om uit te spreken. Den hond streelende, beschouwde zij het dier met meer opmerkzaamheid, eneensklaps riep zij, als door een pijlsnelle gedachte getroffen: “Mijn God! juist zulk een dier was onze Fenix! Knaap! vanwaar hebt gij dien hond?”“Die hond,” zeide Joan met eenige trotschheid, “is op mijns vaders slot geboren: hij is de jongste en eenig overgeblevene zoon van den ouden, getrouwen, die nu lang dood is en die in zijn tijd aan den Graaf van Falckestein had toebehoord, maar hem door de Spanjaards ontnomen was. Mijn vader heeft hem herwonnen.”“Uw vader?.... De Graaf van Falckestein.... Knaap! wie zijt gij?”“Joan van Reede tot Sonheuvel, en mijn vader is Heer van dit dorp: ginds achter de boomen ziet gij ons kasteel. Vergun mij u daar te brengen: gij zult mijn vader veel genoegen doen.... en verder zult gij van avond toch niet willen reizen.”“Met blijdschap zal ik met u gaan, Jonker!” zeide de Gravin, op wier gelaat een diepe ontroering leesbaar was: “met onuitsprekelijk veel genoegen zal ik uw vader zien. Verschoon mij, indien ik u onbekend beleedigd heb, en laat deze kus u het vermaak uitdrukken, dat mij deze ontmoeting verschaft. Zooals mijn onvergetelijke Ulrich mij uw vader meermalen geschilderd heeft, evenzoo kloek en dienstvaardig vind ik thans zijn zoon.... Goede Fenix,” vervolgde zij, Veltman nogmaals streelende, “gij zijt gelukkiger geweest dan uw meester. Uw kroost is gespaard gebleven, en het mijne....” hier stroomde een tranenvloed langs hare van hartzeer vermagerde wangen.De paarden waren nu uitgespannen en de boeren stonden gereed om de koets naar den kort daarbij wonenden wagenmaker te brengen, toen zich de postiljon, met een half koppig, half beteuterd gezicht, bij de Gravin vervoegde.“Met uw verlof, Mevrouw!” zeide hij, “en met dat van den Jonker, zou ik Uwe Genade wel willen verzoeken om eenige schadevergoeding voor mijn arme beesten. Zij willen wel, met verlof van den Jonker, al de schuld van het geval op mij schuiven, maar ik verklaar Uwe Genade, dat het alleen van dien d....schen steen komt, en dat ik er zoo onschuldig aan ben als een pasgeboren kind! Zoo Mevrouw dus zoo goed wilde zijn,... ik zelf heb een zwaren val van ’t paard gedaan in dienst van Uwe Genade.”“Ja, in ’t warme zand,” zeide Joan, hem in de rede vallende: “dat zal u weinig letsel gedaan hebben. Het verwondert mij, dat gij nog zoo onbeschaamd zijt, u hier te vertoonen. Als mijn vader u zag, zoudt gij de knuppelslagen niet ontgaan, gij strooper!”“Ik heb Mevrouw toch wel bediend,” zeide Teun Wezer, het hoofd op den schouder leggende als een bok die stooten wil.“Genoeg hiervan,” sprak de Gravin: “Ludwig, betaal den man en laat hem in ’s Hemels naam maar wegrijden.”Ludwig trok den postiljon ter zijde en betaalde hem. Vervolgens gaf hij hem nog een daalder boven zijn eisch en vroeg hem, of hij hem een dienst bewijzen wilde.“Tien voor één, genadige Jonker Page!” was het antwoord.“Stil! spreek zachter! zijt gij met de buurt sinds lang bekend?”“Sedert mijn geboorte ken ik al den omtrek op mijn duim.”“Goed! rij dan weg; doch tracht u morgen te zeven uren weder hier ter plaatse te bevinden; dan zal er nog meer voor u te verdienen vallen. Voort hier vandaan.” Hier keerde Ludwig zich om: de postiljon oogde hem verbaasd na en reed toen met vier losse paarden naar Reenen terug.Terwijl voerde men het rijtuig naar het dorp en bood Joan zijn rechterarm aan de Gravin om haar slotwaarts te leiden.“Verschoon mij, Jonker!” zeide deze, hem beleefdelijk afwijzende: “gij hebt genoeg te dragen, om met geen oude vrouw als ik belast te worden.”“Indien de Jonker het mij toestaat,” zeide Ludwig, beleefdelijk toeschietende, “dan zal ik zijn jachtgereedschap gaarne dragen, en nog aangenamer zal het mij wezen, zoo de Jonker mij mijn onbescheidenheid van zooeven vergeeft.”“Die vergeef ik u gaarne”, antwoordde Joan: “en zult gij dit jachtgerij voor uw rekening nemen? Daar is al de brui; doch pas op dat de hoenders niet uit de weitasch vliegen.” Dit zeggende hing hij die om den hals van den page.“En pas op,” vervolgde de Gravin, spotachtig, “dat uwe fraaie kleeren niet bederven.”Al pratende trad zij met den Jonker het dorp in, en nu nam deze de vrijheid te vragen, wie hij aan zijn vader voor moest stellen.“Helaas!” antwoordde de Gravin, “al mijn namen veroorzaken mij droevige herinneringen, zoo dikwijls ik die melden moet. Misschien heeft uw vader u wel eens gesproken van Anna van Manderscheid, laatstelijk weduwe van Graaf Lodewijk Gunther van Nassau, en vroeger van Graaf Ulrich von Daun?....”“Is ’t mogelijk.... naar wien mijn zuster Ulrica genoemd werd?”“Werd zij waarlijk?.... Gaf uw vader haar den naam van mijn echtgenoot? Ach, hoe verlang ik dat meisje te zien en te omhelzen.”“Mijn vader heeft mij wel eens van uw ongelukken verhaald, Mevrouw! gij moet veel hebben doorgestaan.”“Meer dan iemand ooit mogelijk gedacht had te kunnen overleven. Mijn beide gemaals vielen door het staal: mijn jongste zoontje kwam met zijn vader om, en mijn oudste, mijn eenigst overgeblevene.... ook hij werd voor weinige jaren gruwzaam vermoord.”“Mijn vader hield veel van den Graaf van Falckestein: dikwijls spreekt hij van hem, en altijd geraakt hij in drift, als hij gewag maakt....”“Van de rampzalige wijze waarop hij omkwam, nietwaar? Vrees niet, mij door te sterke uitdrukkingen zeer te doen: ik heb zooveel geleden, dat ik bijna verstompt ben voor aandoeningen. Helaas! al wat mij waard was, werd het slachtoffer van den Spaanschen haat: en allen zijn nog ongewroken. Slechts Velasco viel ten offer, en of deze de schuldige was, durf ik op goede gronden betwijfelen.”“Velasco! daarvan heeft mijn vader mij nooit verhaald.”“Niet? dit zal hem zijn zedigheid misschien belet hebben. Uw vader heeft in Velasco’s bloed den dood van zijn vriend willen wreken: het was de eenige wraak, ik herhaal het! Toen die aartsdwingelandMendoza in Den Haag gevangen zat, nu dertien jaren geleden, leverde ik een aanklacht tegen hem in: mijn verzoek werd van de hand gewezen, mijn brave echtgenoot nog door dien booswicht van verraad en eedbreuk beticht, terwijl hij.... doch genoeg hiervan: ik wil uw vader een vriendelijk gelaat toonen.”“Daar komt hij ons met Ulrica te gemoet,” riep Joan verheugd uit, op het zien van den Baron, die, van de komst der Gravin verwittigd, met zijn dochter haar zijn diensten aan kwam bieden.Onder wederzijdsche beleefdheden, welke de lezer zich gemakkelijk kan voorstellen, en nadat de Gravin Joans gedrag ten hoogste geprezen had, kwamen zij gezamenlijk binnen het kasteel, waar de Baron zijn adellijke gast met een handkus welkom heette, en bevelen gaf om een prachtigen avondmaaltijd aan te richten, aan welken echter, buiten Joan, door niemand veel eer gedaan werd. Op het nagerecht, toen Ulrica, in wier bevallig uiterlijke en minnelijke hoedanigheden de Gravin een groot welgevallen scheen te hebben, zich ter ruste had begeven, viel het gesprek wederom op de lotgevallen dezer laatste. Twee jaren na den dood van haar eersten man huwde zij den Graaf van Nassau, die het volgende jaar in den krijg sneuvelde; de Gravin, weder in ’t bezit van haar goederen geraakt, dacht nu haar dagen zonder verdere rampen door te brengen; dan vergeefs: haar oudste en thans eenige zoon werd in de nabijheid van het slot Bruck, werwaarts hij met Ludwig en den ouden Beckman heenreisde, door Spanjaards overvallen en omgebracht. Een jaar later werd ook de broeder der Gravin door een doodelijk lood getroffen: en thans, nu Kleef en Berg haar hatelijk geworden waren, ging zij ver van het tooneel der geleden rampen in Den Haag haar woonplaats vestigen, alwaar zij hoopte, dat een spoedige dood een einde aan zoovele rampen maken zoude.“Mevrouw!” riep Joan, na het aanhooren van dit alles, in geestdrift uit: “ik hoop dat ik eens in staat zal wezen, al uw ongelijk te wreken. Zoo ik ooit dien Mendoza, dien Lopez, dien Velasco, een van die schelmen, die uw ongelukken berokkend hebben, ontmoeten mocht, mijn zwaard zal....”“Zwijg knaap!” viel Reede haastig in: “gij weet niet wat gij begeert.”“Laat hem spreken,” zeide de Gravin: “het doet mij goed hem te hooren.”“En waarom mag ik dat niet zeggen, vader!” hervatte de knaap: “gij hebt zelf mij geleerd, dat een waar ridder, zooals er thans weinig meer te vinden zijn, aan zijn God, zijn vaderland en aan de verdrukte onschuld zijn degen moet wijden: en volg ik dus uw voorschrift niet, wanneer ik Mevrouw wil wreken, wier echtgenooten voor God en de goede zaak zijn gevallen?”“Ja!” zeide de Gravin, ontroerd, terwijl zij den knaap met welgevallen beschouwde; “gij zult mijn wreker zijn, Joan! van nu af maak ik u tot ridder.” Dit zeggende, maakte zij haar gouden halsketen los en sloeg die om den nek van den jongeling. Dankbaar en verlegen over zulk een fraai geschenk, wilde Joan hare hand kussen;doch hem oprichtende, kuste zij hem op het voorhoofd: “als mijn ridder kus ik u,” vervolgde zij: “maak u meer en meer waardig dien naam te dragen, en, zoo gij de u ingeprente beginselen moedig vast blijft houden, zal hij meer dan een bloote titel zijn.”“Gij ziet het, vader!” riep Joan verheugd uit: “de Genadige Vrouw acht mijn woorden zoo gering niet.”Reede zweeg, schudde het hoofd en keek in ’t vuur. Zwaar drukte hem het denkbeeld, door Joans uitroep in hem opgerezen, dat deze, eenmaal den wapenhandel kiezende, tegen zijn eigen landgenooten, ja tegen zijn hem onbekende naastbestaanden, de wapenen voeren zoude. “Mevrouw!” zeide hij, na lang zwijgen: “ik trachtte altijd aan Joan te leeren, dat het Christenplicht is, aan onze vijanden te vergeven: uwe goedheid jegens hem heeft mij diep getroffen: doch zoo hij eens de wapenen voert, waaraan ik nog twijfel, zal hij, hoop ik, voor de algemeene zaak, niet voor bijzondere wraak strijden.”De Gravin sloeg op hare beurt de oogen neder en beet zich op de lippen: de uitval des Barons mishaagde haar, en gaarne had zij dien beantwoord; doch zij had te veel gevoel van welvoeglijkheid, om zich een scherpe uitdrukking tegen een voor ’t overige zoo vriendelijken gastheer te veroorloven. Nadat zij dus eenige oogenblikken met de franjes van het Atrechtsche tafelkleed gespeeld had, wendde zij zich tot den page, die achter haar stond, en gelastte zij hem, te gaan zien of haar bagage in orde was en of men het benoodigde voor haar nachtverblijf had ontpakt.“Die knaap heeft een schrander uitzicht,” zeide de Baron, toen Ludwig vertrokken was: “doch hij schijnt wat teer van maaksel en ongeschikt voor zware vermoeienis.”“Ik ben op een zonderlinge wijze aan hem gekomen,” antwoordde de Gravin: “zijn moeder heeft mij het leven gered, toen ik uit Bruck vluchtte. Eenigen tijd na mijn tweede huwelijk, kwam zij weder tot mij en verzocht bescherming voor haar zoon. Zij was, zooals ik toen hoorde, een Geldersch meisje en door een Spanjaard verleid geworden. Den knaap liet ik opvoeden, en nam hem tot page, na den dood van Graaf Lodewijk. Hij beantwoordde mijn zorgen wel; want, ondanks een zekere poppigheid en keurigheid op uiterlijke vormen, die aan kleingeestigheid grenst, is hij getrouw, nauwgezet en uitmuntend geschikt om te volbrengen wat hem wordt opgedragen, ook hetgeen niet tot zijn vak behoort. Hij was getuige van den dood mijns zoons, ontkwam niet dan met moeite aan de handen der Spanjaards en kondigde mij de treurige tijding aan met een voorzichtigheid en gevoeligheid, die beide aan zijn verstand en hart eer deden.”“Als hij van Spaansch bloed is, zou ik hem toch maar half vertrouwen,” zeide Joan halfluid: “onze Bouke zou zeggen: ’t wil muizen wat van katten komt.”“Alweder!” zeide de Baron: “hebt gij niet gehoord, wat ik zooeven zeide, dat gij u van aanmerkingen te onthouden hebt?”“Ik zal geen woord meer spreken,” mompelde Joan: “doch ik houd niet van dien page.”“Niet? Gij zult van hem houden, als ik het verkies. Ik begeer, dat gij zeer vriendelijk tegen hem wezen zult en hem morgen, zoo hij het verlangt, het kasteel, de tuinen en de omstreek zien laten.”“Nu,” viel de Gravin in: “het spijt mij, dat mijn page aanleiding geeft tot misnoegen van onzen waardigen gastheer op mijn braven ridder; doch ik moet den goeden Ludwig in zijn eer herstellen. Hij kent zijn Spaansche afkomst niet en legt in al zijn gesprekken en handelingen afkeer voor onze vijanden en een innige gehechtheid aan onzen landaard aan den dag.”Hier eindigde het gesprek, en weldra begaf men zich ter ruste; doch de Heer van Sonheuvel kon den slaap niet vatten: de gelijkheid, die tusschen het lot van Joan en dat van den page bestond, verbaasde en ontzette hem; en zijn eerlijk hart werd hoe langer hoe meer bedrukt door de gedachte dat zijn pleegzoon, zoolang hij van zijn afkomst niet vergewist ware, gevaar liep, onwetend zijn magen te haten, te vloeken, te bestrijden. Tot dezen tijd toe had de Baron er nooit bepaaldelijk over nagedacht, hoe en wanneer hij den jongeling het geheim zijner geboorte bekend zou maken: hij had gehoopt, dat de tijd en de omstandigheden hiertoe een gepaste aanleiding zouden geven, en zijn bekommering hieromtrent naar een verwijderde toekomst verschoven; doch thans was die verwachte aanleiding gekomen, en zij vervulde hem met angst en zorgen: een gezegde van Joan had het hem tot een plicht gemaakt, den jongeling alles te ontdekken: en die plicht scheen hem zijn krachten te boven te gaan. Zijn boezem schokte op het denkbeeld, dat hij den knaap, wien hij als zoon had aangenomen en opgevoed, op eenmaal zou moeten verloochenen: en wat kon niet bij den gevoeligen jongeling het gevolg zijn eener ontijdige bekentenis? Misschien radeloosheid, vertwijfeling of nog erger. Zou niet de ongelukkige, in Nederland om zijn afkomst over den nek aangezien, door de Spanjaards als een gelukzoeker verstooten worden? Wellicht ellendig en zonder troost de wereld moeten rondzwerven en zijn pleegvader verwenschen, die zijn kindsche jaren met ijdele begoochelingen gevleid had?—Als vreeselijke spoken drongen zich deze benauwende gedachten voor den geest des Barons, totdat hij eindelijk besloot, nog den volgenden morgen een einde aan alle onzekerheid te maken, door met den Predikant Raesfelt de middelen te beramen, geschikt om de zaak tot effenheid te brengen, en deze dan hoe eer hoe beterin’t werk te stellen.Twaalfde Hoofdstuk.Je suis, dit-on, un orphelin.Entres les bras de Dieu jeté dès ma naissance.Et qui de mes parents n’eus jamals connaissance.Racine, Athalie.Nauwlijks was de dageraad aangebroken, of Joan, verlangende nog voor het ontbijt eenige hoenders te schieten, maakte zijn jachtgeweer in gereedheid en begaf zich naar buiten. Aan de steenen poort gekomen, waar de oude portier zijn slaapplaats had (die hij niet zelden al grommende verliet, wanneer hem de Jonker zoo vroeg kwam wekken om de poort te ontsluiten), vond hij tot zijn verwondering, den grijsaard reeds geheel aangekleed in de opene poort gezeten, terwijl Bouke, die naast hem stond, zich met hem over vroegere krijgsbedrijven onderhield.“Wel zoo Frans!” zeide Joan: “al zoo vroeg bij de werken?” “Ja Jonker! ditmaal heb ik het jou afgewonnen: en daarbij moet je niet eens denken, dat je de eerste man zijt, die de poort uitgaat: het is al een half uur geleden dat ik gewekt ben geweest: en raad ereis door wien? door dien mooien pop van de vreemde Mevrouw. Ja! hoe noemt men zoo’n lintejongen?”“Door den page? wat had die zoo vroeg buiten te doen?” “Dat weet Joost—Gisteren was het met dat vreemde volk alles loât op stok. Ik was blij toen ik er om één oere in lag; want ik had op de lakeien moeten wachten, die nog na het avondeten naar het dorp waren gegaan en God beter ze, in de kroeg in sloap gevallen waren. Blij was ik, zooals ik zei, dat ik er om één oere in lag, en met de ongewoonte van zoo loat naar kooi te goan, kon ik den sloâp niet voor vijf oere vatten: dan kijk, pas sloâp ik een oer, of wie stoât doâr veur mien bed?—Die hansworst van een roodrok: en met een stem alsof hij zelf een prins of een groâf was, zeit hij tegen mij, die er nog nooit door groâf of heer of boer op zoo’n manier ben oetgeport: “Vrindje! stoâ op en moâk open.” Vrindje! en dat tegen mij? Kon hij niet zeggen: Poortier! of: goede vriend! of Frans! zoo hij mijn noam anders kende. Moâr, om kort te goan: hê! zei ik, toen ik zoo half wakker was, jonker Melkmuil! is het nou tijd van oet te goân! Goâ nog wat noâr je bed: je zult moe wezen van je reis.—En wat denkje dat zoo’n vlegel me antwoordde? Joâ! zoo iets heb je nooit beleefd! “Kom,” zei hij zoo: “stoâ op! anders goâ ik zelf de poort opensluiten:” en meteen greep hij moâr zoo familjoâr naar de sleutels, die noâst me lagen. Moâr ik zei: heb ik jou doâr? dat zal mis wezen: as je brutoâl wordt, komje der in ’t geheel niet oet! Want ik werd driftig op mijn manier: moâr zoo’n moesjanker deed krek alsof hij er zich niet oan stoorde: hij vouwde de armen over mekoâr enkeek mij heel bedoârd an: “kom,” zei hij zoo: “doe moâr gauw open, anders goâ ik Mijnheer den Baron roepen en vroâg hem, of hij jou hieten wil; want ik heb last van Mevrouw de Gravin: en ik moet oet.”—Hebje ooit zoo’n onbeschoâmden snotneus gezien? Ja! hij zou noâr je voâder goân? jawel mergen! Moâr ik dacht: de jongen spreekt zoo bout, wie weet of hij geen verlof heit van Mijnheer?—en zoo van ’t ien op ’t oâr komende, dacht ik zoo bij mijn aigen: joâ! het is toch de bediende van een groote Mevrouw en hij is zoo veul als kind in huis: ik zal moâr de minste wezen; en zoo stond ik op en liet hem oet, en toen zag ik dat hij twee brieven in de hand had.”“Gij hebt wel gedaan, Frans!” zeide Joan: “die page is een verwaande zotskap; doch de Gravin heeft veel met hem op: dus moeten wij hem maar wat toegeven, zoolang hij hier is. En gij ook al zoo vroeg op?” vervolgde hij, zich tot Bouke keerende.“Ja!” zeide deze: “de page had mij gisteren bij ’t naar bed gaan gevraagd of hij vroeg het kasteel uit kon: en daar ik weet, dat er van zulk volkje niet veel goeds te verwachten is, was ik eens opgestaan om te zien, wat hij voor dag en dauw doen moest; maar de vogel was al gevlogen. ’t Is een rare snaak, de eigenste page: aan wie denk je, dat hij gisterenavond zijn hof maakte?”“Wel aan Klaartje,” antwoordde Joan: “dat is de mooiste meid uit de buurt, en men zeit dat de pages daar altijd op afgaan.”“Aan Klaartje?” Ja hij moest eens beginnen! al is hij nog zoo in dienst van een gravin, ik zou hem gravinnen: ik ben oom en voogd van Klaartje, en ik zal wel oppassen dat hij haar zelfs geen onnoozelen zoen geeft: ik denk altoos; met kleine lapjes leert de hond leêr eten: vuur en stroo dient niet alzoo: geef den duim, dan....”“Nu, maar met wie vrijde hij dan?” vroeg Joan, dien vloed van spreekwoorden stuitende.“Naar wie?—hij heeft twee uren lang in een hoekje van de keuken zitten flikvlooien met de oude Geert.”“Zijt gij dol, Bouke! Of verkoopt ge flausen? Wat zou hij aan dieoudetotebel verteld hebben?”“Dat heb ik haar ook gevraagd: doch oele! ze was zoo dicht als een kruitvaatje en zoo geheim als een jonge meid, die voor ’t eerst onder vier oogen met haar vrijer gezeten heeft: zij zei mij, ze kon er niets van oververtellen en ik mocht er aan geen sterveling van spreken, dat zij zoolang met den page geredeneerd had;—maar jawel! ik breek er mijn hoofd mee: ik ruilde toch mijn olde kruitdoos tegen een nieuwe, om te weten wat hij aan die babbelkous al zoo op de mouw heeft gespeld.”“De oude Geert en de jonge page!” hernam Joan: “dat zou al een fraai paar geven!””’t Zou nog de vraag wezen, wie van de twee ’t eerst genoeg had an de andere,” merkte Frans aan.“Nu!” zeide Joan, “ik trek af: anders wordt het mij te laat. Goeden morgen samen!”“Goê mergen en goê jacht, Jonker!” zeide de Portier: “zie den page maar voor geen fezantenhoân an: je mocht anders dien sinjeur kakelbont ereis een pijl bij vergissing in zijn dikste vleesch zenden.”Nog lachende over hetgeen Bouke hem verhaald had, was Joan alras, van Veltman vergezeld, op het pad gekomen, hetwelk aan den voet van het dorp, door moeslanden en boomgaarden, op de heide aanliep en gemeenschap had met den grooten weg, niet verre van de plaats, waar Joan ’s avonds te voren zijn welberadenheid en moed getoond had. Reeds was de Jonker op de opene plaats gekomen, waar een groote houten galg (gelukkig in jaren niet gebruikt) midden tusschen de roodekoolstruiken oprees en des Barons hooge jurisdictie binnen de grenspalen van zijn heerlijkheid aantoonde, toen Veltman, die al snuffelende vooruit was geloopen, stokstijf staan bleef en op deze wijze de tegenwoordigheid van een koppel patrijzen verried, hetwelk inderdaad niet lang daarna klapwiekend opsteeg en vooruitvloog. Sneller echter vloog de pijl des Jonkers het achterna, en deed een der hoenders in het hakhout storten. Spoedig bracht Veltman het dier aan zijn meester, die, na het in zijn weitasch verborgen te hebben, zich aan den voet der galg plaatste om den boog opnieuw te wapenen.Het koolveld, waarop zich de jongeling bevond, was van den weg door een smalle strook kreupelhout afgescheiden, hetwelk, schoon reeds aan ’t verdorren, echter dicht genoeg was om het doorzien te beletten: hoewel Joan dus niet zag, wie zich op den weg bevond, kon hij echter duidelijk hooren, dat er eene stem, welke hem niet vreemd was, van die zijde kwam. Met jeugdige nieuwsgierigheid sloop hij dus van onder de galg naar het hakhout toe, haalde de berketakken op zijde, keek door de opening, en zag.... in ’t eerst niets; want de rijmdroppelen, die van den tak vielen, hadden hem de oogen doen sluiten;—dan, zoodra hij die uitgewreven had, ontdekte hij, dat hij zich niet vergiste, en dat werkelijk de page der Gravin, in zijn paarsen mantel gewikkeld, midden op den weg stond, en iemand, die van den kant van Reenen aan kwam wandelen, aldus toeriep:“Zoo! zijt gij daar eindelijk! ik heb al bijkans een uur op u staan wachten.”“Vergeef mij, Jonker!” antwoordde de nieuwgekomene, die door JoanvoorTeun Wezer werd herkend: “moâr, op den weg ontmoette ik een poâr van mijn kennissen hier uit het dorp, die mij een kwoad hart toedragen uit uithoofde van een kip twee drie, die ik ereis onderweg evonden heb, en die ze zeggen dat hun toekomen: en om die knoâpen te mijden, heb ik de bijpoâdjes enomen, anders ware ik hier al eer eweest. Wat is er nou van ’s Jonkers believen?”“Hier zijn een paar brieven;..., maar eerst moet ik u nog een vraag doen: kent gij den Heer van Sonheuvel sedert lang?”“Langer dan mij lief is, Sinjeur!” zeide Teun: “toen ik acht jaren oud was, heit hij me ereis laten afranselen, omdat ik valschelijk beticht was geworden van zijn eieren te hebben met enomen. Konik het gebeteren, dat zijn kippen niet leggen wolden?—En naderhand....”“Goed! dan kunt gij mij wel verhalen wat u heugt van de geboorte des jonkers? Is daaromtrent niets opmerkelijks voorgevallen?” Hier werd Joan dubbel opmerkzaam.“Om je de woârheid te vertellen heerschop!” antwoordde Teun Wezer, “heel veel weet ik er niet van. Moâr je mot weten, ik vrijd zoo wat noâr het nichtje van Bouke, den olden knecht op ’t slot: en dat meiske heit me wel verteld, dat hoâr heugt, en ze was ook nog moâr een kind, dat het zeuntje van den Baron begraven werd, en dat deze Jonker, dien we nou hebben, op een blauw-maandag te Amsterdam is aangekomen, zonder dat iemand weet hoe of wanneer: en als ze haar oom er naar vroâgt, dan zeit deze, ze mot moâr zwijgen; moâr nou is er ook wel, die zeggen, dat het zoo’n stuk van een buitenbeentje is van den olden Heer, en dat de Barones er van hartzeer over ekrepeerd is; maar het fijne van de mis weet ik zoowoâr niet.”“Dan zal ik u ook niet meer vragen,” hervatte de page: “hoor! hier hebt ge twee brieven, beide zonder opschrift: dezen, waar ik het kruis op gemaakt heb, om hem te onderscheiden, bezorgt gij te Tiel, ten huize van Klaas Meinertz den schrijnwerker. Gij behoeft niet te zeggen van wien hij komt, maar gij moet hem aan den man zelven overhandigen: hij zal u voor ’t bestellen twee kronen geven, dat staat in den brief.”“Wat?” zeide Teun Wezer: “Klaas Meinertz! die ijzegrim, die femelaar, die den geheelen dag bidt en psalmen balkt, en mij al meer dan eens noâr de diepste diepte van de hel ewenscht heit, zal die mij twee kronen geven?.... Stichtelijke vloeken naar mijn kop, alsof ik....”“Hij zal u twee kronen geven, als ik zeg,” hernam Ludwig, droogjes.“Nou! ik zal ’t bezorgen,” zeide Teun, grinnekende.“En dezen brief,” vervolgde Ludwig, “brengt gij aan den Ambtman Mom, die op dit oogenblik in Tiel is: mede eigenhandig. Zoo men u niet bij hem in wil laten, zegt gij maar, dat gij van de Gravin van Nassau komt.”“Ja moâr,” zeide Teun, terwijl hij zijdelings naar de galg keek, die men over het hakhout heen kon zien: “ik ben juist niet zwoâr op een bezoek bij den Ambtman gesteld: ik tracht zoomin mogelijk met de heeren van den Gerechte in kennis te komen, want zij hebben allen, ik weet niet woârom, een hekel aan mij gekregen, en ik heb geen lust om dat gindsche veld met rooiekool eens uit de hoogte te bekijken.” Hier maakte hij de beweging van hangen.“De brief, dien gij brengen zult, zal uw beste aanbeveling bij den Ambtman zijn,” hervatte Ludwig; “doch gij zult het diepste stilzwijgen omtrent de u toevertrouwde boodschappen in acht moeten nemen, of..., uw vrees zou verwezenlijkt kunnen worden!”“Wees gerust! voor geld en kwaê woorden zwijg ik als een kikker bij winterdag: is er nog iets van je bevelen?”“Niets meer! rep je en maak bijtijds in Tiel te wezen: hier hebt ge nog wat drinkgeld en iets om het veer te betalen.”“Duizendmoâl dank, heerschop!” zeide Teun: “nou snij ik dat zijpad moâr in; want het dorp ga ik liefst niet deur, om redenen mij bekend. Leef gezond Sinjeur!”—Met dit afscheid sloeg hij het zijpad in, liep Joan voorbij zonder hem te zien en verwijderde zich naar den kant der rivier.Deze zonderlinge samenspraak had Joan zoodanig verbijsterd, dat hij zijn boog, de hoenders, ja de jacht zelve vergeten was, en nog luisterde toen de boerenknaap reeds lang uit het gezicht was.—Toen hij omtrent de echtheid zijner geboorte bedenkingen had hooren opperen, was hij in den wil geweest, zich aan den onbeschaamden lasteraar te vertoonen en hem eens heftig door te halen; doch de vrees had hem teruggehouden: schoon moeds genoeg bezittende, achtte hij het geen gelijk spel om zich te wagen tegen Teun Wezer, een forschen, ruwen knaap, die niets te verliezen had, dadelijk met het mes gereed was en hem bovendien een kwaad hart toedroeg; den page betrouwde hij zoo weinig, dat hij niet wist, of hij hem als vriend of vijand beschouwen moest, en van dezen kant wachtte hij dus geen bijstand. Voorzichtigheidshalve was hij daarom in zijn schuilhoek blijven zitten tot na den afloop van ’t gesprek: over de boodschap der brieven had hij maar half nagedacht, meenende, dat de bezorging daarvan een geheim was, dat de Gravin raakte en naar ’t welk hij zelfs niet gissen mocht; want van zijn jeugd af was hem ingeprent, dat het schandelijk is, te willen indringen in hetgeen iemand zoekt te bedekken. Ziende dat de page langs den rijweg weder naar het dorp ging, kroop hij het hakhout uit en volgde hem, met oogmerk om hem met een tik op de schouders en den gewonen morgengroet te verrassen; doch Veltman, die nu lang genoeg naar zijn zin aan de zijde zijns meesters had stilgezeten, snelde hem met drift vooruit en verraadde Joans nabijheid aan den page. Deze keek om en zag Joan achter hem, die hem een frisschen morgen toewenschte.“Goeden morgen, Jonker!” zeide Ludwig, even den hoed aflichtende en vervolgens gelijken tred met Joan aannemende: “reeds zoo vroeg in ’t veld?”“Mij dunkt,” zeide Joan, “ik moest u die vraag doen; doch zoo gaat elk voor zijn eigen aangelegenheid uit: ik voor mijn vermaak, gij om Mevrouw de Gravin te believen.”De page zweeg een oogenblik en hield zijn kleine gitzwarte oogen op Joan gevestigd, als wilde hij op het open gelaat des jongelings lezen, of zijn gezegde niet meer dan een loutere veronderstelling, dan wel of het een geheimen zin bevatte; vervolgens hernam hij:“Wat doet u denken, Jonker! dat ik voor Mevrouw de Gravin ben uitgeweest?”“Omdat ik niet geloof,” gaf Joan ten antwoord, “dat gij voor uw eigen vermaak, na gisteren den ganschen dag gereisd te hebben, zoo vroeg het warme bed, voor de koude hei verlaten hebt; en dandie brieven, die gij aan Teun Wezer gegeven hebt en die ik vrees dat slecht bezorgd zullen worden: want hij is een groote schavuit.....”“Gij hebt ons dan gezien?” viel Ludwig haastig in.“En gehoord,” zei Joan.Ludwig zweeg, zag somber voor zich heen, nam zijn slinkerhandschoen in de rechterhand en begon er op te knabbelen, totdat Joan hem glimlachende vroeg, wat de arme handschoen gedaan had, dat hij dien zoo slecht behandelde.Na een poos gezwegen te hebben, zeide de page, met een ernstig gelaat: “Jonker! de boodschap, welke ik aan dien boerenknaap gegeven heb en waarvan zijn baatzucht mij de goede bestelling waarborgt, is van het hoogste belang, en Mevrouw de Gravin had mij op het hart gedrukt, dat ik er niemand iets van zoude laten blijken. Dewijl UEd. echter getuige geweest zijt van de uitvoering van den mij gegeven last, hoewel ik niet verwacht had, dat UEd. ons beluisteren zoude....”“Geheel onwillekeurig,” zeide Joan blozende: “ik dacht, dat uw ontmoeting met Teun Wezer toevallig was, en ik sloop naderbij uit loutere nieuwsgierigheid om te weten wat die schurk u vertellen ging:—wat die brieven betreft, daarvan zal nooit een woord over mijn lippen komen: nooit heb ik iemands geheimen verraden, of zij mij aangaan of niet;—doch ik wilde wel eens weten, hoe het te pas kwam, dat gij dat logenbeest van een Teun over mijn geboorte ondervraagdet, om zulke lastersprookjes uit te lokken als hij u op de mouw spelde.”“Jonker!” antwoordde de page met een nog ernstiger gelaat en op een langzamen toon: “ik wilde wel, dat gij mij deze vraag niet gedaan hadt: daar mijne handelwijs u echter met reden vreemd moet voorkomen, zal ik u openhartig zeggen, dat er zonderlinge geruchten omtrent uw geboorte loopen;.... geruchten, welke, wijd en zijd verspreid zijnde, mij ter ooren zijn gekomen.... hoewel ik er de zegsman niet van wezen wil.... waardoor de nieuwsgierigheid van Mevrouw de Gravin.... gij weet, dat vrouwen veeltijds nieuwsgierig vallen;.... doch ik zelf wist niets van dat geval af.”“Joost haal me, als ik iets uit geheel uw openhartig antwoord begrijp,” hervatte Joan.“Indien UEd,” zeide Ludwig, “nader onderricht begeert, kan UEd. immers met den Heer Baron spreken? Die zal best weten, hoe het met uw geboorte zit,” voegde hij er lachend bij.Joan stond stil, knikte eenige reizen met het hoofd, loosde een diepen zucht, wenschte den page vaarwel en sloeg een zijweg in, die naar de heide bracht, terwijl Ludwig slotwaarts keerde.In den morgen van dien dag viel er op het kasteel niets belangrijks voor: tegen den middag keerde Joan van de jacht, met de tijding uit het dorp, dat het rijtuig der Gravin weder in orde gebracht was en na den eten zou voorrijden. Aan tafel was hij, zoowel als zijn pleegvader, peinzend en stil: na den afloop van den maaltijd kwam de koetswagen de slotbrug oprijden: de Gravin nam beleefdelijk afscheid van den gastheer en zijn gezin, reed met haar gevolgaf en kwam, zonder verdere tegenspoeden, twee dagen later, behouden in ’s Hage.“Een schoone vrouw!” zeide Geertrui tegen Bouke, die bezig was de valken te voederen: “en zoo minzaam jegens een iegelijk. Waarlijk, zij heeft veel van Mevrouw zaliger: even vriendelijk en voorkomend, als die was: en zij weet van het huishouden al vrij wat af voor zoo een groote Mevrouw! zij maakte zelfs de aanmerking, dat de kussens in de groote ridderzaal veel meer hun kleur verloren hebben dan de gordijnen, schoon ze van hetzelfde damast zijn. Ja! zei ik zoo, genadige vrouw Gravin! toen onze lieve Mevrouw zaliger nog leefde, was het niet geoorloofd op die kussens te gaan zitten: toen hielden zij beter hun kleur; maar zij zei, nu, ik heb toch liever de kussens om op te zitten, zei zij, dan alleen voor de pronk; en toen zei ik: ja Mevrouw! dat is ook waar, maar het is toch wat erg, dat nu die stinkende honden op die kussens gaan liggen; en toen lachte zij.”“Maar vertel mij liever eens, Geert,” zeide Bouke, haar in de rede vallende: “wat heeft die lanterfant van een page je toch verteld? Je hadt het bijsterdruk methem.”Op deze vraag hield de oude dienstmaagd eensklaps met lachen op en zette haar gelaat in een meer ernstige plooi.“Zeker heeft hij je onderhouden over je blozende kleur,” vervolgde Bouke, “en over je betooverende oogen, hoewel men die slechts vinden kan door den bril heen.”“Een bril! nu kijk!” hernam Geertrui, gebelgd: “en wanneer draag ik een bril? niet dan om in Gods woord te lezen en om kousen te mazen; en dan draag ik hem nog maar op de punt van mijn neus, zoodat ieder mijn oogen zien kan. Ja! ik wilde wel eens zien, dat iemand kousen maasde zonder bril. Daar was onze lieve Mevrouw zaliger, die droeg immers ook wel een bril.”“Alleen wanneer jij gebroddeld hadt, Geert! en zij de verloren steken moest opnemen.”“Wel heb je van je leven,” riep Geertrui toornig uit: “Wat weet jij van verloren steken en van broddelen af?”“Neen, daar versta jij je beter op, oudje!.... doch dat daargelaten:—Wat heeft je de page verteld? dat is maar het punt in quaestie; want dat hij jou zijn hof gemaakt heeft, is zeker.”“Ja!” zuchtte Geertrui: “ik vrees, dat ik te veel met hem gepraat heb.”“Te veel!” riep Bouke, schaterend van lachen, “te veel met hem gepraat?—De droes! heeft hij in ernst je hartje gestolen!”“Och neen! malle gek! loop heen met je grollen! maar mijn rust heeft hij toch meegenomen,” vervolgde zij, half huilende: “ik heb van dezen nacht geen oog toegedaan.”“Daar hebben wij ’t al. Wat voert zoo een page niet al uit? Daar berooft hij de eerzame Geertrui Claassens, die in de eerste dertig jaren geen vrijer heeft willen hebben, en in de laatste drie kruisjes geen vrijer heeft kunnen hebben, zoo maar op eens van haar nachtrust.”“Spot maar niet,” antwoordde Geertrui: “het is waarachtig geending om mee te spotten: hoor eens, Bouke! Het heugt je nog, toen Mevrouw zaliger nog leefde....”“Als ik het vergeten was, zou jij het mij wel herinneren,” viel Bouke haar in de rede.“Neen, maar hoor!” vervolgde zij, “of ik spreek geen woord meer: toen Mevrouw zaliger nog leefde, en te Amsterdam was, en toen jij met Mijnheer van ’t leger kwaamt met den kleinen Joan?”“Ja gewis!” antwoordde Bouke, die nu op zijn beurt ook donker begon te kijken: “maar je weet ook wel, dat wij Mijnheer bij eede beloofd hebben, nooit aan iemand iets daarvan te zullen navertellen.”“Dat heb ik beloofd, Bouke! en het spijt mij genoeg; want het is de eenige reis in mijn leven, dat ik Gods naam zoo ijdellijk gebruikt heb.”“Foei!” zeide Bouke: “spijt het jou een eed gedaan te hebben, Geert? ben je menist geworden? Je weet, wat Dominee alle weken zeit: de wederdoopers, zeit hij, zijn Belialskinderen, vijanden van Z. Doorluchtigheid en van den lande, die niet zweren willen, noch de ronde doen, noch de wacht betrekken, noch de heilige predestinatie gelooven: en wat zegt het rijmpje?Aenmerct wel hun begheeren breedt,Wat quaet bescheet—sy doch uitgheven,Als dat men niet mach sweeren eedt.Daert soo ghereet—doch staet beschreven:Ja van Godt end’ Christo verheven,Van Paulo end’ ander gheschiet.Ooc is den eedt hier in dit leven’t Eynde van allen twiste ziet.Doch dat tusschen twee haakjes, Geert! wat doet dit tot uw gesprek met den page?”“Dat doet er zooveel toe,” zeide Geertrui, hem naar zich toetrekkende en zoo zacht mogelijk sprekende, “als dat die page evenzoo goed wist als jij en ik, dat Joan Mijnheers kind niet is.”“Bewaar ons,” riep Bouke, achteruitspringende: “dan moet jij het hem verteld hebben.”“Hoor maar eens, of ik het helpen kan,” zeide Geertrui; “de page begon met mij te vragen of ik hier lang in huis had gewoond: en toen sprak hij mij over Mijnheer en Mevrouw zaliger....”“En toen was jij op je praatstoel!—Ja, hij is ook fijn, die page. Hij zal wel niet met de deur bij jou in huis zijn gevallen; want men vangt geen hazen met trommels, dat is klaar.”“Vervolgens vertelde ik hem onder anderen, dat ik baker geweest was van freule Ulrica, en daarop vroeg hij mij, of ik Jonker Joan ook gebakerd had.”“Zoo vraagt men den boeren de kunst af: en wat gaf je hem ten antwoord?”“Ik zei: Mijnheers zoontje heb ik gebakerd, en dat is ook waar: het lieve kind is nog op mijn arm gestorven.”“Zoo!” zeide Bouke: “nogal fijn van jou bedacht: weet je wel,Geert! dat het erg met jou staat! dat was weer een Menist antwoord! Geert! Geert! doch verder!”“Toen zei hij: ja maar dat zoontje is immers dood, daar je van spreekt?”“Welnu,” hernam Bouke: “al had je nu eens neen gezeid, een leugen om bestwil is geen zonde.”“Ja!” hervatte Geert, “ware ik maar zoo wijs geweest; maar ik dacht:Dat ons ja, moet ja zijn waerachtighEn ons neen moet wesen neen:en daarom zei ik eenvoudig van ja: en toen dacht ik, hij zou tevreden zijn; maar jawel! toen vroeg hij mij, of Mevrouw zaliger niet op een rare wijs aan Jonker Joan geraakt was, en of ik niet zoogoed wist als hij, dat de Jonker geen droppel Duitsch bloed in zijn aderen had? en toen werd ik zoo angstig, dat ik hem verzocht, er niet meer en met niemand over te spreken, en toen liep ik weg.”“Dat heb je al heel dom behandeld voor een verstandig mensch,” bromde Bouke: “’t is met jou ook: hoe alder hoe malder. Ik zou het maar niet aan Mijnheer vertellen; want dan zag het er slecht met je uit.”“Ik heb mij toch niet versproken, zooveel ik weet,” zeide Geertrui verlegen.“Nu! gedane zaken hebben geen keer! en het best dat ik je raden kan, is dat je op een anderen tijd voorzichtiger zijt en altijd denkt: verzint eer je begint! vroeg gedaan en laat bedacht heeft menigeen ten val gebracht: heden doen, morgen bloên: vandaag de tong gevierd, morgen den rug gesmierd.”“Ja, als je mij geen beter troost weet te geven, dan je stomme spreekwoorden, Bouke! dan....”“Nu! ga dan maar naar Ds. Raesfelt, en die zal je zeggen, dat je lezen moet den Brief van Jakobus cap. III vs. 3; doch het wordt tijd, weer aan ’t werk te gaan en mijn valken zitten met open bekken! die stomme dieren kunnen het weinig helpen of jij al geklapt hebt, en zij moeten er niet door lijden.—Nu! zooals gezegd is, oudje! wees in ’t vervolg voorzichtiger.”En hiermede liep dit merkwaardig gesprek tusschen Bouke Boukes en Geertrui Claassens ten einde.

Elfde Hoofdstuk.Van mijne bruiloft af, van dat ik zat verlooft,Wat stormen waeiden my niet sedert over ’t hooft:Wat toren is zoo hoog, van waer mijn oogh de barenDer zee kan overzien van al mijn wedervaeren.Vondel, Gysbrecht van Aemstel.Wij springen thans, volgens het voorrecht van romanschrijvers en nieuwerwetsche Franschevaudevillisten, wederom eenige onbeduidende jaren stilzwijgend over, om tot een voorval te komen, hetgeen plaats greep, toen Joan zestien jaren bereikt had, en dat op zijn volgende loopbaan meer invloed had, dan men er in het eerst van had kunnen verwachten.Schoon Joan op dien leeftijd een geoefend ruiter was, en den fraaien vos, hem door zijn pleegvader geschonken, met zwier bereed, wanneer hij met vlugge hazenwinden den reebok of de hazen op het uitgestrekte heideveld najoeg, kende hij echter geen grooter genoegen, dan om alleen, zonder gezelschap buiten zijn trouwenhond Veltman, met het jachtmes op zijde en den kruisboog in de hand, de omliggende velden te doorkruisen: dan trok hij, in ’t eenvoudigste gewaad, tegen weer en wind gehard, bij zonsopgang met vollen knapzak en ledige weitasch het slot uit om er niet zelden eerst tegen het vallen van den avond met ledigen knapzak en volle weitasch terug te keeren. Rusteloos en onvermoeid zette hij zich alleen uit vriendschap voor zijn viervoetigen tochtgenoot somtijds neder, om de boterhammen, welke de zorgvolle Ulrica ’s avonds te voren had toebereid en in papier gewikkeld, met den edelen hond te deelen, en aan dezen de verkwikking te doen erlangen, die hij benoodigd had om met nieuwe krachten de wandeling voort te zetten.Eens keerde hij, met wild beladen en vroolijk neuriënde onder ’t gaan over de breede heiden, die zich ten noordoosten van het dorp Sonheuvel bevinden, met zijn trouwen Veltman weder huiswaarts. Het was een dier schoone herfstavonden, waarin de hemel met zulke heerlijke schakeeringen van goud en purperrood ontgloeid is: liefelijk werden de dampen, die over de vochtige velden gleden, door de breede zonnestralen verlicht; in vollen bloei stonden de ontelbare erica’s en bedekten het grauwe mostapijt als met purperen vlekken: van alle kanten stegen de geuren van thym en rosemarijn naar boven en verspreidden zich heinde en ver op den adem van het suisend avondwindje. Blakend van den schemerenden gloed der ondergaande zon, lagen Sonheuvel en de omliggende dorpen aan den voet des heuvels, midden tusschen het donkere groen te prijken: trotsch en statig verhieven zich de hooge kerkspits, en daarachter, de daken van het vaderlijk slot: linksaf stak, in ’t verschiet, de dom van Reenen somber af tegen het heldere zwerk, en aan de rechterzijde rezen de torens van twintig adellijke huizen uit de donkere bosschages. Voor hem rolde de Rijn met effen, stillen stroom, door vette weiden of geurige boomgaarden, en kaatste als een spiegel den blozenden hemel terug. Hoe vaak Joan dit prachtige natuurtooneel aanschouwd had, telkens deed het nieuwe en streelender gewaarwordingen bij hem oprijzen: want dit voorrecht bezit de natuur, dat hare schoonheid nimmer den gevoeligen toeschouwer vermoeien noch verzadigen kan, en dat de indrukselen, welke zij teweegbrengt, met de jaren eer versterkt dan verzwakt worden. Onwillekeurig bleef Joan op de helling des heuvels staan, niet ver van de plaats, waar het pad, dat hij volgde, zich met den bovenweg vereenigde, om zijn oogen aan een treffend en bevallig schouwspel te verlustigen. Daar stond hij, als ware hij alleen in de natuur. Slechts de rook, die uit het dorp in dunne wolkkolommen opsteeg, het verwijderd geloei der runderen, die naar de stallen keerden, en het eentonig geluid der klinkende schelletjes van de witgewolde kudden kondigden hem de nabijheid van menschen aan. Verzonken in aandacht en verrukking, gevoelde hij zich, zonder zelf de reden te kunnen bevroeden, diep bewogen en wischte een traan uit het oog, toen de onverwachte verschijning van een naderend rijtuig aan zijn gedachten een afleiding bezorgde, door zijn nieuwsgierigheid gaande te maken.Langs den bovenweg, den eenigen, die in dit jaargetijde berijdbaar was, kwam van den kant van Reenen, een zware koets aanrollen, door vier stevige paarden getrokken. Een fraai uitgedoste koerier ging het rijtuig voor, gaf, zoodra hij ter plaatse gekomen was, waar de weg nederwaarts op het dorp aanliep, zijn paard de sporen en reed op een vluggen draf de straat van Sonheuvel in. Met snelle schreden aanstappende, bereikte Joan nu spoedig den landweg en zette zich op een dijkje van plaggen neder, om het rijtuig, dat langzaam den heuvel afkwam, te zien voorbijrijden. Het was een prachtige koetswagen, met wapens en blazoenen beschilderd. De hemel, op vier stijlen rustend, was met gordijnen behangen van oranje laken, met blauw en zilver geborduurd. Op de trede zat een page, tegen de avondlucht gewapend met een paarsen mantel, waarin hij zich geheel had gewikkeld. Achterop bungelden drie lange slungels van lakeien, sierlijk uitgedost en met vuurroeren gewapend. De koetsier, die de strengen der achterpaarden hield, was een lang, deftig man, met een hoogen, breedgeranden hoed, een kastanjebruinen rok vol linten en strikken, hooge laarzen met zilveren franjes en bijzonder net geplooiden kraag. Deze keurige kleeding stak bijster af tegen het gewaad des postiljons, die op het bijdehandsche voorpaard gezeten was, zijnde een Geldersche boer, met ongedekten hoofde, aschgrauw, ongekamd en stijf afhangend haar, linnen pij en holsblokken aan de bloote voeten.Langen tijd bleef de wagen even langzaam voortrollen, en Joan werd ongeduldig, toen hij op eens verwarring om het rijtuig zag ontstaan, terwijl de paarden hollende op hem afkwamen.Het linkerachterwiel had een zwaren steen ontmoet, die, onder ’t zand begraven, en door een vooruitschietenden denneboomswortel gesteund, het voortgaan van het rijtuig verhinderde. Driemalen klapte de lange zweep des koetsiers door de lucht: driemalen voelden de voorpaarden het touw met de dikke knoopen der postiljons, zonder dat de koets verwikte: eindelijk deed het bijdehandsche voorpaard zulk een geweldigen ruk, dat een der touwen, waaraan het gebonden was, in stukken sprong: dit was oorzaak, dat het dier op zijn nevenman aandrong: het geheele span ontving een zijdelingschen schok, waardoor het rijtuig met zooveel geweld over den steen gehaald werd, dat het wiel omhoog en tegen den bak aansnorde; de postiljon verloor zijn tegenwoordigheid van geest, en in plaats van zijn paarden des te steviger vast te houden, poogde hij af te klimmen en tuimelde hals over kop in ’t zand: de paarden, schichtig geworden, sloegen aan ’t hollen en waren niet door de inmiddels afgestegen dienaars te wederhouden. De page, die mede van het rijtuig gesprongen was, lag midden in een doornstruik te spartelen, en een in ’t zwart gekleede vrouw, die de gordijnen had opengeschoven, (want men wist toen nog van geen portieren) en al gillende hulp vroeg, scheen in beraad om ook den sprong te wagen, toen er hulp verschaft werd.Zooras Joan het ongeval ontdekt had, begreep hij, dat de paarden gestuit dienden te worden, eer zij in het bestraatte dorp aankwamen,alwaar zij het rijtuig gemakkelijk tegen een huis of stoep zouden kunnen verbrijzelen: haastig zag hij om zich heen, hoe er hulp kon bewezen worden, en wierp inmiddels boog en weitasch van zich af. Aan den weg lag een hoop afgehouwen dennestammen: een daarvan tilde hij op, stak dien dwars over den weg, met de punt in het dijkje en ging zelf aan de andere zijde van het spoor staan, het dikke einde van den boom vasthoudende, en op die wijze een slagboom improviseerende. Bijna op hetzelfde oogenblik waren de voorpaarden bij hem: zij struikelden over den hinderpaal en stortten neder, waarop het den koetsier niet moeilijk viel, de achterpaarden op te houden en het rijtuig te doen stilstaan. Men begrijpt, dat dit alles in minderen tijd geschiedde, dan ik noodig heb om het te verhalen.Een der dienaars naderde het rijtuig en hielp er zijn meesteres uit, benevens hare twee verschrikte kamerjuffers. Zonder een woord te spreken, en met een gelaat, waar de uitgestane angst nog duidelijk op te lezen was, wandelde de deftige vrouw den weg af, toen haar page, een knaap, die tusschen de twintig en vijf en twintig jaren oud scheen en wiens kleeding en gelaat deerlijk van de doornen gehavend waren, met honderd buigingen haar op zijde kwam snellen, en met tallooze dienstbetooning vroeg, of Mevrouw ook eenig letsel bekomen had. Zijn meesteres vergenoegde zich met van neen te schudden en wendde zich vervolgens tot den koetsier, die van den bok geklommen was en de paarden ophielp, en wien zij vroeg of hij alleen, dan wel met behulp van anderen, de paarden had kunnen stuiten.—“Ich? Genädige Frau!” antwoordde de koetsier: “nein waaraftig nicht: das ware onmöglich; want ich hold allein die afterste knollen: ohne ein jungen jäger, die mit eine kantsch prave tegenwortigkeid von keist die dennetak for die perten kehalt had, ware euer Gnäde er so gefällig niet afjekomen: er ware ein hupscher knabe, und Ludwig (vervolgde hij, den page schuins aanziende) mag ein beispiel aan ihm nemen, wie sich te ketraken in eine sortkelike kelekenheid.”“Ik zou hetzelfde gedaan hebben,” antwoordde de page: “kan ik het helpen, dat ik in die hatelijke doornen te land kwam?”“Neen,” zeide de vreemde Dame, op een gestrengen toon: “doch gij kunt het wel helpen, dat gij de gordijnen niet losmaaktet, toen ik zulks verzocht: wel is waar, elk is zich zelf het naast, en de vrees, die u beving, is uw beste verschooning.”Het gelaat van den page, dat op het verwijt van den koetsier rood van toorn geworden was, werd op de beschuldiging zijner meesteres bleek van spijt: hij wilde antwoorden, doch wederhield zich intijds, beet op de lippen, wendde zich af en ging naar de paarden, als om te helpen; doch de koetsier stootte hem eenigszins ruw van zich af met de verklaring, dat hij hem hinderde.Nog maar half van haar schrik bekomen, plaatste zich de adellijke vrouw op den stapel boomstammen, en vroeg aan de landlieden en dorpelingen, die in menigte, door de nieuwsgierigheid gelokt, waren toegeschoten, wie hunner den kloeken jongeling kende, die zich zoo moedig en behendig voor haar behoud geweerd had.“Er was ein jongen jäger,” zeide de koetsier: “ein hupscher borst.”“Een jonge jager”, zeiden de boeren, de schouders ophalende: “wie kan dat zijn? hier jaagt niemand dan de Jonker.”“Of het moest Teun Wezer zijn,” mompelde de vrouw van den metselaar tegen den barbier.“Die zal zoo mal niet wezen om zich hier te vertoonen,” zeide de barbier, sedert Bouke hem rottingolie heeft toebedeeld, omdat hij zijn nichtje Klaartje zocht te verleiden.”“Wat praat jelui van Teun Wezer?” liet zich een stem achter de koets hooren: “bemoei je met je eigen duiveljagerijen.”Hij, die deze woorden uitte, was dezelfde boerenknaap, die als postiljon de koets gemend had en bij Reenen te huis behoorde: hij stond in den geheelen omtrek in slechten reuk, wegens gepleegde strooperijen en boevenstukken; doch omdat hij een vrij goed ruiter was, werd hij wel eens door den boerenstalmeester als postiljon aan reizenden medegegeven.“Zie je nou, buurman?” hernam de metselaarsvrouw: “daar is hij al zelf: ja, ik had zoo mis niet gezien. Het spijt mij maar, dat ik kwaad van hem gesproken heb: als hij het gehoord heeft, zou hij wel eens uit wraak mijn kippen stelen.”Inmiddels naderde de postiljon en bezichtigde de paarden: waarna hij met een zwaren vloek verzekerde, dat het eene in de borst gewond, en het andere aan ’t been gekneusd was, een schade, welke de genadige vrouw, al ware zij nog zoo genadig, hem betalen zou.“Spreek maar zoo bout niet, Teun!” sprak iemand achter hem: “het geheele geval is uw eigen schuld en zou niet gebeurd zijn, indien gij, in plaats van af te springen, waart blijven zitten: gij verdient smeer in stede van betaling.”Teun Wezer zag vloekend om, doch zweeg op het gezicht van den Jonker van Sonheuvel, die, met zijn hond aan zijn zijde, bedaard naar hem toekwam.Joan had, als wij verhaald hebben, op het zien van het dreigend ongeval, boog en weitasch weggeworpen: de boog was aan de andere zijde van het dijkje in een greppel neergevallen: de weitasch was nog verder heengevlogen: de hazen en patrijzen, daaruit gerold, lagen op de heide verspreid. Zoodra hij de paarden gestuit had, was zijn eerste werk geweest, om de gansche rommelzooi weder bijeen te gaan zoeken, ’t geen hij met behulp van Veltman ten uitvoer bracht. Daar dit bukkende geschiedde, was hij tot nu toe door het dijkje aan aller oogen onttrokken gebleven.“Ziedaêr, Genädige Frau,” zeide de koetsier, “ziedaêr den knabe, die ons keret heeft.”Met een vriendelijken, dankbaren blik keerde zich de genadige Vrouw naar Joan, die met de muts in de hand voor haar stond: “Ik bedank u, knaap!” zeide zij: “gij hebt u, naar ik hoor, niet alleen met kloekheid, maar ook met gevaar van uw leven, gedragen; u is immers geen letsel overkomen?”“Als Uwe Genade er even weinig van gedeerd is, als ik, zal het niet erg zijn,” antwoordde Joan lachende: “doch waar is mijn mattenfleschje gebleven?” vroeg hij, zich plotseling omwendende: “dat is zeker aan den boog blijven haken en zoo weggeraakt! Veltman! zoek! verloren!” en Veltman, zijn vermoeidheid vergetende, vloog over het dijkje terug.Deze bekommernis van Joan over zijn matten fleschje was zeker niet naar de regels der strikte beleefdheid; doch hij was op ’t land opgebracht, waar hij nooit dan met zijn minderen verkeerd had en nooit met lieden van hoogen rang, als deze Mevrouw scheen te zijn, in gezelschap geweest was; de vreemde Dame nam hem zijn vrijpostigheid ook niet kwalijk af; doch de page vond goed zich daarover gebelgd te toonen.“Goede vriend,” zeide hij, “gij stelt zeker veel belang in uw fleschje, dat gij er de tegenwoordigheid van Mevrouw de Gravin door vergeet: gij moest liever die brave lieden een handje helpen, om de paarden uit te spannen.”Dit gezegde veroorzaakte een verontwaardiging, die algemeen was en ook bijna gelijktijdig werd uitgedrukt door al de aanwezigen.“Zwijg Ludwig!” zeide de Gravin, “en schaam u! zoo die knaap iets verloren heeft, was het, door dat hij ons hulp betoonde, en gij deedt beter hem in ’t zoeken bij te staan, indien zulks uw fraaie broek niet sleet, dan hem onbeleefdheden te zeggen.”“De page mocht den bek wel halten,” zeide de koetsier, terwijl hij Joan met hartelijkheid de hand schudde: “du bist bei meine seele ein gutter burst, en koen wie ein keporen Deutscher.”“Bewaar ons!” zeide de vrouw van den metselaar, Ludwig schuins aanziende: “hoe durft die bonte aap zoo tegen onzen Jonker spieken?”“Wat jonker?” zeide Ludwig, zich tot haar keerende: “van welken jonker spreekt gij? en wat meent ge met uw bonten aap?”“De bonte aap ben jij!” hervatte de vrouw, de armen in de zijde zettende: “en dat is onze Jonker, de Jonker van Sonheuvel, versta je, moesjanker? kijk maar zoo zuur niet: we geven hier niets om je moffegezwets.”De page zag haar een oogenblik als versteend aan, wendde vervolgens het oog op Joan, mat hem met een somberen blik van het hoofd tot de voeten, en vroeg daarna nogmaals zeer bedaard: “Is dat de Jonker van Sonheuvel?”“En wie had je hier anders verwacht?” antwoordde de barbier.“Zoo!” zeide Ludwig, en met dit woord trad hij terug en floot een deuntje tusschen de tanden.De gravin, die, door het geraas en gepruttel der dorpelingen, van deze woordenwisseling niets verstaan had, trad weder naar Joan, en, terwijl zij met de eene hand Veltman streelde, bood zij hem met de andere eenig goud aan.“Dat gij mijn hond streelt, Mevrouw, doet mij vermaak,” zeide Joan, achteruittredende: “maar geld behoef ik niet. Mijn vader is rijk genoeg, om....”Doch de Gravin liet hem geen tijd om uit te spreken. Den hond streelende, beschouwde zij het dier met meer opmerkzaamheid, eneensklaps riep zij, als door een pijlsnelle gedachte getroffen: “Mijn God! juist zulk een dier was onze Fenix! Knaap! vanwaar hebt gij dien hond?”“Die hond,” zeide Joan met eenige trotschheid, “is op mijns vaders slot geboren: hij is de jongste en eenig overgeblevene zoon van den ouden, getrouwen, die nu lang dood is en die in zijn tijd aan den Graaf van Falckestein had toebehoord, maar hem door de Spanjaards ontnomen was. Mijn vader heeft hem herwonnen.”“Uw vader?.... De Graaf van Falckestein.... Knaap! wie zijt gij?”“Joan van Reede tot Sonheuvel, en mijn vader is Heer van dit dorp: ginds achter de boomen ziet gij ons kasteel. Vergun mij u daar te brengen: gij zult mijn vader veel genoegen doen.... en verder zult gij van avond toch niet willen reizen.”“Met blijdschap zal ik met u gaan, Jonker!” zeide de Gravin, op wier gelaat een diepe ontroering leesbaar was: “met onuitsprekelijk veel genoegen zal ik uw vader zien. Verschoon mij, indien ik u onbekend beleedigd heb, en laat deze kus u het vermaak uitdrukken, dat mij deze ontmoeting verschaft. Zooals mijn onvergetelijke Ulrich mij uw vader meermalen geschilderd heeft, evenzoo kloek en dienstvaardig vind ik thans zijn zoon.... Goede Fenix,” vervolgde zij, Veltman nogmaals streelende, “gij zijt gelukkiger geweest dan uw meester. Uw kroost is gespaard gebleven, en het mijne....” hier stroomde een tranenvloed langs hare van hartzeer vermagerde wangen.De paarden waren nu uitgespannen en de boeren stonden gereed om de koets naar den kort daarbij wonenden wagenmaker te brengen, toen zich de postiljon, met een half koppig, half beteuterd gezicht, bij de Gravin vervoegde.“Met uw verlof, Mevrouw!” zeide hij, “en met dat van den Jonker, zou ik Uwe Genade wel willen verzoeken om eenige schadevergoeding voor mijn arme beesten. Zij willen wel, met verlof van den Jonker, al de schuld van het geval op mij schuiven, maar ik verklaar Uwe Genade, dat het alleen van dien d....schen steen komt, en dat ik er zoo onschuldig aan ben als een pasgeboren kind! Zoo Mevrouw dus zoo goed wilde zijn,... ik zelf heb een zwaren val van ’t paard gedaan in dienst van Uwe Genade.”“Ja, in ’t warme zand,” zeide Joan, hem in de rede vallende: “dat zal u weinig letsel gedaan hebben. Het verwondert mij, dat gij nog zoo onbeschaamd zijt, u hier te vertoonen. Als mijn vader u zag, zoudt gij de knuppelslagen niet ontgaan, gij strooper!”“Ik heb Mevrouw toch wel bediend,” zeide Teun Wezer, het hoofd op den schouder leggende als een bok die stooten wil.“Genoeg hiervan,” sprak de Gravin: “Ludwig, betaal den man en laat hem in ’s Hemels naam maar wegrijden.”Ludwig trok den postiljon ter zijde en betaalde hem. Vervolgens gaf hij hem nog een daalder boven zijn eisch en vroeg hem, of hij hem een dienst bewijzen wilde.“Tien voor één, genadige Jonker Page!” was het antwoord.“Stil! spreek zachter! zijt gij met de buurt sinds lang bekend?”“Sedert mijn geboorte ken ik al den omtrek op mijn duim.”“Goed! rij dan weg; doch tracht u morgen te zeven uren weder hier ter plaatse te bevinden; dan zal er nog meer voor u te verdienen vallen. Voort hier vandaan.” Hier keerde Ludwig zich om: de postiljon oogde hem verbaasd na en reed toen met vier losse paarden naar Reenen terug.Terwijl voerde men het rijtuig naar het dorp en bood Joan zijn rechterarm aan de Gravin om haar slotwaarts te leiden.“Verschoon mij, Jonker!” zeide deze, hem beleefdelijk afwijzende: “gij hebt genoeg te dragen, om met geen oude vrouw als ik belast te worden.”“Indien de Jonker het mij toestaat,” zeide Ludwig, beleefdelijk toeschietende, “dan zal ik zijn jachtgereedschap gaarne dragen, en nog aangenamer zal het mij wezen, zoo de Jonker mij mijn onbescheidenheid van zooeven vergeeft.”“Die vergeef ik u gaarne”, antwoordde Joan: “en zult gij dit jachtgerij voor uw rekening nemen? Daar is al de brui; doch pas op dat de hoenders niet uit de weitasch vliegen.” Dit zeggende hing hij die om den hals van den page.“En pas op,” vervolgde de Gravin, spotachtig, “dat uwe fraaie kleeren niet bederven.”Al pratende trad zij met den Jonker het dorp in, en nu nam deze de vrijheid te vragen, wie hij aan zijn vader voor moest stellen.“Helaas!” antwoordde de Gravin, “al mijn namen veroorzaken mij droevige herinneringen, zoo dikwijls ik die melden moet. Misschien heeft uw vader u wel eens gesproken van Anna van Manderscheid, laatstelijk weduwe van Graaf Lodewijk Gunther van Nassau, en vroeger van Graaf Ulrich von Daun?....”“Is ’t mogelijk.... naar wien mijn zuster Ulrica genoemd werd?”“Werd zij waarlijk?.... Gaf uw vader haar den naam van mijn echtgenoot? Ach, hoe verlang ik dat meisje te zien en te omhelzen.”“Mijn vader heeft mij wel eens van uw ongelukken verhaald, Mevrouw! gij moet veel hebben doorgestaan.”“Meer dan iemand ooit mogelijk gedacht had te kunnen overleven. Mijn beide gemaals vielen door het staal: mijn jongste zoontje kwam met zijn vader om, en mijn oudste, mijn eenigst overgeblevene.... ook hij werd voor weinige jaren gruwzaam vermoord.”“Mijn vader hield veel van den Graaf van Falckestein: dikwijls spreekt hij van hem, en altijd geraakt hij in drift, als hij gewag maakt....”“Van de rampzalige wijze waarop hij omkwam, nietwaar? Vrees niet, mij door te sterke uitdrukkingen zeer te doen: ik heb zooveel geleden, dat ik bijna verstompt ben voor aandoeningen. Helaas! al wat mij waard was, werd het slachtoffer van den Spaanschen haat: en allen zijn nog ongewroken. Slechts Velasco viel ten offer, en of deze de schuldige was, durf ik op goede gronden betwijfelen.”“Velasco! daarvan heeft mijn vader mij nooit verhaald.”“Niet? dit zal hem zijn zedigheid misschien belet hebben. Uw vader heeft in Velasco’s bloed den dood van zijn vriend willen wreken: het was de eenige wraak, ik herhaal het! Toen die aartsdwingelandMendoza in Den Haag gevangen zat, nu dertien jaren geleden, leverde ik een aanklacht tegen hem in: mijn verzoek werd van de hand gewezen, mijn brave echtgenoot nog door dien booswicht van verraad en eedbreuk beticht, terwijl hij.... doch genoeg hiervan: ik wil uw vader een vriendelijk gelaat toonen.”“Daar komt hij ons met Ulrica te gemoet,” riep Joan verheugd uit, op het zien van den Baron, die, van de komst der Gravin verwittigd, met zijn dochter haar zijn diensten aan kwam bieden.Onder wederzijdsche beleefdheden, welke de lezer zich gemakkelijk kan voorstellen, en nadat de Gravin Joans gedrag ten hoogste geprezen had, kwamen zij gezamenlijk binnen het kasteel, waar de Baron zijn adellijke gast met een handkus welkom heette, en bevelen gaf om een prachtigen avondmaaltijd aan te richten, aan welken echter, buiten Joan, door niemand veel eer gedaan werd. Op het nagerecht, toen Ulrica, in wier bevallig uiterlijke en minnelijke hoedanigheden de Gravin een groot welgevallen scheen te hebben, zich ter ruste had begeven, viel het gesprek wederom op de lotgevallen dezer laatste. Twee jaren na den dood van haar eersten man huwde zij den Graaf van Nassau, die het volgende jaar in den krijg sneuvelde; de Gravin, weder in ’t bezit van haar goederen geraakt, dacht nu haar dagen zonder verdere rampen door te brengen; dan vergeefs: haar oudste en thans eenige zoon werd in de nabijheid van het slot Bruck, werwaarts hij met Ludwig en den ouden Beckman heenreisde, door Spanjaards overvallen en omgebracht. Een jaar later werd ook de broeder der Gravin door een doodelijk lood getroffen: en thans, nu Kleef en Berg haar hatelijk geworden waren, ging zij ver van het tooneel der geleden rampen in Den Haag haar woonplaats vestigen, alwaar zij hoopte, dat een spoedige dood een einde aan zoovele rampen maken zoude.“Mevrouw!” riep Joan, na het aanhooren van dit alles, in geestdrift uit: “ik hoop dat ik eens in staat zal wezen, al uw ongelijk te wreken. Zoo ik ooit dien Mendoza, dien Lopez, dien Velasco, een van die schelmen, die uw ongelukken berokkend hebben, ontmoeten mocht, mijn zwaard zal....”“Zwijg knaap!” viel Reede haastig in: “gij weet niet wat gij begeert.”“Laat hem spreken,” zeide de Gravin: “het doet mij goed hem te hooren.”“En waarom mag ik dat niet zeggen, vader!” hervatte de knaap: “gij hebt zelf mij geleerd, dat een waar ridder, zooals er thans weinig meer te vinden zijn, aan zijn God, zijn vaderland en aan de verdrukte onschuld zijn degen moet wijden: en volg ik dus uw voorschrift niet, wanneer ik Mevrouw wil wreken, wier echtgenooten voor God en de goede zaak zijn gevallen?”“Ja!” zeide de Gravin, ontroerd, terwijl zij den knaap met welgevallen beschouwde; “gij zult mijn wreker zijn, Joan! van nu af maak ik u tot ridder.” Dit zeggende, maakte zij haar gouden halsketen los en sloeg die om den nek van den jongeling. Dankbaar en verlegen over zulk een fraai geschenk, wilde Joan hare hand kussen;doch hem oprichtende, kuste zij hem op het voorhoofd: “als mijn ridder kus ik u,” vervolgde zij: “maak u meer en meer waardig dien naam te dragen, en, zoo gij de u ingeprente beginselen moedig vast blijft houden, zal hij meer dan een bloote titel zijn.”“Gij ziet het, vader!” riep Joan verheugd uit: “de Genadige Vrouw acht mijn woorden zoo gering niet.”Reede zweeg, schudde het hoofd en keek in ’t vuur. Zwaar drukte hem het denkbeeld, door Joans uitroep in hem opgerezen, dat deze, eenmaal den wapenhandel kiezende, tegen zijn eigen landgenooten, ja tegen zijn hem onbekende naastbestaanden, de wapenen voeren zoude. “Mevrouw!” zeide hij, na lang zwijgen: “ik trachtte altijd aan Joan te leeren, dat het Christenplicht is, aan onze vijanden te vergeven: uwe goedheid jegens hem heeft mij diep getroffen: doch zoo hij eens de wapenen voert, waaraan ik nog twijfel, zal hij, hoop ik, voor de algemeene zaak, niet voor bijzondere wraak strijden.”De Gravin sloeg op hare beurt de oogen neder en beet zich op de lippen: de uitval des Barons mishaagde haar, en gaarne had zij dien beantwoord; doch zij had te veel gevoel van welvoeglijkheid, om zich een scherpe uitdrukking tegen een voor ’t overige zoo vriendelijken gastheer te veroorloven. Nadat zij dus eenige oogenblikken met de franjes van het Atrechtsche tafelkleed gespeeld had, wendde zij zich tot den page, die achter haar stond, en gelastte zij hem, te gaan zien of haar bagage in orde was en of men het benoodigde voor haar nachtverblijf had ontpakt.“Die knaap heeft een schrander uitzicht,” zeide de Baron, toen Ludwig vertrokken was: “doch hij schijnt wat teer van maaksel en ongeschikt voor zware vermoeienis.”“Ik ben op een zonderlinge wijze aan hem gekomen,” antwoordde de Gravin: “zijn moeder heeft mij het leven gered, toen ik uit Bruck vluchtte. Eenigen tijd na mijn tweede huwelijk, kwam zij weder tot mij en verzocht bescherming voor haar zoon. Zij was, zooals ik toen hoorde, een Geldersch meisje en door een Spanjaard verleid geworden. Den knaap liet ik opvoeden, en nam hem tot page, na den dood van Graaf Lodewijk. Hij beantwoordde mijn zorgen wel; want, ondanks een zekere poppigheid en keurigheid op uiterlijke vormen, die aan kleingeestigheid grenst, is hij getrouw, nauwgezet en uitmuntend geschikt om te volbrengen wat hem wordt opgedragen, ook hetgeen niet tot zijn vak behoort. Hij was getuige van den dood mijns zoons, ontkwam niet dan met moeite aan de handen der Spanjaards en kondigde mij de treurige tijding aan met een voorzichtigheid en gevoeligheid, die beide aan zijn verstand en hart eer deden.”“Als hij van Spaansch bloed is, zou ik hem toch maar half vertrouwen,” zeide Joan halfluid: “onze Bouke zou zeggen: ’t wil muizen wat van katten komt.”“Alweder!” zeide de Baron: “hebt gij niet gehoord, wat ik zooeven zeide, dat gij u van aanmerkingen te onthouden hebt?”“Ik zal geen woord meer spreken,” mompelde Joan: “doch ik houd niet van dien page.”“Niet? Gij zult van hem houden, als ik het verkies. Ik begeer, dat gij zeer vriendelijk tegen hem wezen zult en hem morgen, zoo hij het verlangt, het kasteel, de tuinen en de omstreek zien laten.”“Nu,” viel de Gravin in: “het spijt mij, dat mijn page aanleiding geeft tot misnoegen van onzen waardigen gastheer op mijn braven ridder; doch ik moet den goeden Ludwig in zijn eer herstellen. Hij kent zijn Spaansche afkomst niet en legt in al zijn gesprekken en handelingen afkeer voor onze vijanden en een innige gehechtheid aan onzen landaard aan den dag.”Hier eindigde het gesprek, en weldra begaf men zich ter ruste; doch de Heer van Sonheuvel kon den slaap niet vatten: de gelijkheid, die tusschen het lot van Joan en dat van den page bestond, verbaasde en ontzette hem; en zijn eerlijk hart werd hoe langer hoe meer bedrukt door de gedachte dat zijn pleegzoon, zoolang hij van zijn afkomst niet vergewist ware, gevaar liep, onwetend zijn magen te haten, te vloeken, te bestrijden. Tot dezen tijd toe had de Baron er nooit bepaaldelijk over nagedacht, hoe en wanneer hij den jongeling het geheim zijner geboorte bekend zou maken: hij had gehoopt, dat de tijd en de omstandigheden hiertoe een gepaste aanleiding zouden geven, en zijn bekommering hieromtrent naar een verwijderde toekomst verschoven; doch thans was die verwachte aanleiding gekomen, en zij vervulde hem met angst en zorgen: een gezegde van Joan had het hem tot een plicht gemaakt, den jongeling alles te ontdekken: en die plicht scheen hem zijn krachten te boven te gaan. Zijn boezem schokte op het denkbeeld, dat hij den knaap, wien hij als zoon had aangenomen en opgevoed, op eenmaal zou moeten verloochenen: en wat kon niet bij den gevoeligen jongeling het gevolg zijn eener ontijdige bekentenis? Misschien radeloosheid, vertwijfeling of nog erger. Zou niet de ongelukkige, in Nederland om zijn afkomst over den nek aangezien, door de Spanjaards als een gelukzoeker verstooten worden? Wellicht ellendig en zonder troost de wereld moeten rondzwerven en zijn pleegvader verwenschen, die zijn kindsche jaren met ijdele begoochelingen gevleid had?—Als vreeselijke spoken drongen zich deze benauwende gedachten voor den geest des Barons, totdat hij eindelijk besloot, nog den volgenden morgen een einde aan alle onzekerheid te maken, door met den Predikant Raesfelt de middelen te beramen, geschikt om de zaak tot effenheid te brengen, en deze dan hoe eer hoe beterin’t werk te stellen.

Van mijne bruiloft af, van dat ik zat verlooft,Wat stormen waeiden my niet sedert over ’t hooft:Wat toren is zoo hoog, van waer mijn oogh de barenDer zee kan overzien van al mijn wedervaeren.Vondel, Gysbrecht van Aemstel.

Van mijne bruiloft af, van dat ik zat verlooft,Wat stormen waeiden my niet sedert over ’t hooft:Wat toren is zoo hoog, van waer mijn oogh de barenDer zee kan overzien van al mijn wedervaeren.

Van mijne bruiloft af, van dat ik zat verlooft,

Wat stormen waeiden my niet sedert over ’t hooft:

Wat toren is zoo hoog, van waer mijn oogh de baren

Der zee kan overzien van al mijn wedervaeren.

Vondel, Gysbrecht van Aemstel.

Wij springen thans, volgens het voorrecht van romanschrijvers en nieuwerwetsche Franschevaudevillisten, wederom eenige onbeduidende jaren stilzwijgend over, om tot een voorval te komen, hetgeen plaats greep, toen Joan zestien jaren bereikt had, en dat op zijn volgende loopbaan meer invloed had, dan men er in het eerst van had kunnen verwachten.

Schoon Joan op dien leeftijd een geoefend ruiter was, en den fraaien vos, hem door zijn pleegvader geschonken, met zwier bereed, wanneer hij met vlugge hazenwinden den reebok of de hazen op het uitgestrekte heideveld najoeg, kende hij echter geen grooter genoegen, dan om alleen, zonder gezelschap buiten zijn trouwenhond Veltman, met het jachtmes op zijde en den kruisboog in de hand, de omliggende velden te doorkruisen: dan trok hij, in ’t eenvoudigste gewaad, tegen weer en wind gehard, bij zonsopgang met vollen knapzak en ledige weitasch het slot uit om er niet zelden eerst tegen het vallen van den avond met ledigen knapzak en volle weitasch terug te keeren. Rusteloos en onvermoeid zette hij zich alleen uit vriendschap voor zijn viervoetigen tochtgenoot somtijds neder, om de boterhammen, welke de zorgvolle Ulrica ’s avonds te voren had toebereid en in papier gewikkeld, met den edelen hond te deelen, en aan dezen de verkwikking te doen erlangen, die hij benoodigd had om met nieuwe krachten de wandeling voort te zetten.

Eens keerde hij, met wild beladen en vroolijk neuriënde onder ’t gaan over de breede heiden, die zich ten noordoosten van het dorp Sonheuvel bevinden, met zijn trouwen Veltman weder huiswaarts. Het was een dier schoone herfstavonden, waarin de hemel met zulke heerlijke schakeeringen van goud en purperrood ontgloeid is: liefelijk werden de dampen, die over de vochtige velden gleden, door de breede zonnestralen verlicht; in vollen bloei stonden de ontelbare erica’s en bedekten het grauwe mostapijt als met purperen vlekken: van alle kanten stegen de geuren van thym en rosemarijn naar boven en verspreidden zich heinde en ver op den adem van het suisend avondwindje. Blakend van den schemerenden gloed der ondergaande zon, lagen Sonheuvel en de omliggende dorpen aan den voet des heuvels, midden tusschen het donkere groen te prijken: trotsch en statig verhieven zich de hooge kerkspits, en daarachter, de daken van het vaderlijk slot: linksaf stak, in ’t verschiet, de dom van Reenen somber af tegen het heldere zwerk, en aan de rechterzijde rezen de torens van twintig adellijke huizen uit de donkere bosschages. Voor hem rolde de Rijn met effen, stillen stroom, door vette weiden of geurige boomgaarden, en kaatste als een spiegel den blozenden hemel terug. Hoe vaak Joan dit prachtige natuurtooneel aanschouwd had, telkens deed het nieuwe en streelender gewaarwordingen bij hem oprijzen: want dit voorrecht bezit de natuur, dat hare schoonheid nimmer den gevoeligen toeschouwer vermoeien noch verzadigen kan, en dat de indrukselen, welke zij teweegbrengt, met de jaren eer versterkt dan verzwakt worden. Onwillekeurig bleef Joan op de helling des heuvels staan, niet ver van de plaats, waar het pad, dat hij volgde, zich met den bovenweg vereenigde, om zijn oogen aan een treffend en bevallig schouwspel te verlustigen. Daar stond hij, als ware hij alleen in de natuur. Slechts de rook, die uit het dorp in dunne wolkkolommen opsteeg, het verwijderd geloei der runderen, die naar de stallen keerden, en het eentonig geluid der klinkende schelletjes van de witgewolde kudden kondigden hem de nabijheid van menschen aan. Verzonken in aandacht en verrukking, gevoelde hij zich, zonder zelf de reden te kunnen bevroeden, diep bewogen en wischte een traan uit het oog, toen de onverwachte verschijning van een naderend rijtuig aan zijn gedachten een afleiding bezorgde, door zijn nieuwsgierigheid gaande te maken.

Langs den bovenweg, den eenigen, die in dit jaargetijde berijdbaar was, kwam van den kant van Reenen, een zware koets aanrollen, door vier stevige paarden getrokken. Een fraai uitgedoste koerier ging het rijtuig voor, gaf, zoodra hij ter plaatse gekomen was, waar de weg nederwaarts op het dorp aanliep, zijn paard de sporen en reed op een vluggen draf de straat van Sonheuvel in. Met snelle schreden aanstappende, bereikte Joan nu spoedig den landweg en zette zich op een dijkje van plaggen neder, om het rijtuig, dat langzaam den heuvel afkwam, te zien voorbijrijden. Het was een prachtige koetswagen, met wapens en blazoenen beschilderd. De hemel, op vier stijlen rustend, was met gordijnen behangen van oranje laken, met blauw en zilver geborduurd. Op de trede zat een page, tegen de avondlucht gewapend met een paarsen mantel, waarin hij zich geheel had gewikkeld. Achterop bungelden drie lange slungels van lakeien, sierlijk uitgedost en met vuurroeren gewapend. De koetsier, die de strengen der achterpaarden hield, was een lang, deftig man, met een hoogen, breedgeranden hoed, een kastanjebruinen rok vol linten en strikken, hooge laarzen met zilveren franjes en bijzonder net geplooiden kraag. Deze keurige kleeding stak bijster af tegen het gewaad des postiljons, die op het bijdehandsche voorpaard gezeten was, zijnde een Geldersche boer, met ongedekten hoofde, aschgrauw, ongekamd en stijf afhangend haar, linnen pij en holsblokken aan de bloote voeten.

Langen tijd bleef de wagen even langzaam voortrollen, en Joan werd ongeduldig, toen hij op eens verwarring om het rijtuig zag ontstaan, terwijl de paarden hollende op hem afkwamen.

Het linkerachterwiel had een zwaren steen ontmoet, die, onder ’t zand begraven, en door een vooruitschietenden denneboomswortel gesteund, het voortgaan van het rijtuig verhinderde. Driemalen klapte de lange zweep des koetsiers door de lucht: driemalen voelden de voorpaarden het touw met de dikke knoopen der postiljons, zonder dat de koets verwikte: eindelijk deed het bijdehandsche voorpaard zulk een geweldigen ruk, dat een der touwen, waaraan het gebonden was, in stukken sprong: dit was oorzaak, dat het dier op zijn nevenman aandrong: het geheele span ontving een zijdelingschen schok, waardoor het rijtuig met zooveel geweld over den steen gehaald werd, dat het wiel omhoog en tegen den bak aansnorde; de postiljon verloor zijn tegenwoordigheid van geest, en in plaats van zijn paarden des te steviger vast te houden, poogde hij af te klimmen en tuimelde hals over kop in ’t zand: de paarden, schichtig geworden, sloegen aan ’t hollen en waren niet door de inmiddels afgestegen dienaars te wederhouden. De page, die mede van het rijtuig gesprongen was, lag midden in een doornstruik te spartelen, en een in ’t zwart gekleede vrouw, die de gordijnen had opengeschoven, (want men wist toen nog van geen portieren) en al gillende hulp vroeg, scheen in beraad om ook den sprong te wagen, toen er hulp verschaft werd.

Zooras Joan het ongeval ontdekt had, begreep hij, dat de paarden gestuit dienden te worden, eer zij in het bestraatte dorp aankwamen,alwaar zij het rijtuig gemakkelijk tegen een huis of stoep zouden kunnen verbrijzelen: haastig zag hij om zich heen, hoe er hulp kon bewezen worden, en wierp inmiddels boog en weitasch van zich af. Aan den weg lag een hoop afgehouwen dennestammen: een daarvan tilde hij op, stak dien dwars over den weg, met de punt in het dijkje en ging zelf aan de andere zijde van het spoor staan, het dikke einde van den boom vasthoudende, en op die wijze een slagboom improviseerende. Bijna op hetzelfde oogenblik waren de voorpaarden bij hem: zij struikelden over den hinderpaal en stortten neder, waarop het den koetsier niet moeilijk viel, de achterpaarden op te houden en het rijtuig te doen stilstaan. Men begrijpt, dat dit alles in minderen tijd geschiedde, dan ik noodig heb om het te verhalen.

Een der dienaars naderde het rijtuig en hielp er zijn meesteres uit, benevens hare twee verschrikte kamerjuffers. Zonder een woord te spreken, en met een gelaat, waar de uitgestane angst nog duidelijk op te lezen was, wandelde de deftige vrouw den weg af, toen haar page, een knaap, die tusschen de twintig en vijf en twintig jaren oud scheen en wiens kleeding en gelaat deerlijk van de doornen gehavend waren, met honderd buigingen haar op zijde kwam snellen, en met tallooze dienstbetooning vroeg, of Mevrouw ook eenig letsel bekomen had. Zijn meesteres vergenoegde zich met van neen te schudden en wendde zich vervolgens tot den koetsier, die van den bok geklommen was en de paarden ophielp, en wien zij vroeg of hij alleen, dan wel met behulp van anderen, de paarden had kunnen stuiten.—“Ich? Genädige Frau!” antwoordde de koetsier: “nein waaraftig nicht: das ware onmöglich; want ich hold allein die afterste knollen: ohne ein jungen jäger, die mit eine kantsch prave tegenwortigkeid von keist die dennetak for die perten kehalt had, ware euer Gnäde er so gefällig niet afjekomen: er ware ein hupscher knabe, und Ludwig (vervolgde hij, den page schuins aanziende) mag ein beispiel aan ihm nemen, wie sich te ketraken in eine sortkelike kelekenheid.”

“Ik zou hetzelfde gedaan hebben,” antwoordde de page: “kan ik het helpen, dat ik in die hatelijke doornen te land kwam?”

“Neen,” zeide de vreemde Dame, op een gestrengen toon: “doch gij kunt het wel helpen, dat gij de gordijnen niet losmaaktet, toen ik zulks verzocht: wel is waar, elk is zich zelf het naast, en de vrees, die u beving, is uw beste verschooning.”

Het gelaat van den page, dat op het verwijt van den koetsier rood van toorn geworden was, werd op de beschuldiging zijner meesteres bleek van spijt: hij wilde antwoorden, doch wederhield zich intijds, beet op de lippen, wendde zich af en ging naar de paarden, als om te helpen; doch de koetsier stootte hem eenigszins ruw van zich af met de verklaring, dat hij hem hinderde.

Nog maar half van haar schrik bekomen, plaatste zich de adellijke vrouw op den stapel boomstammen, en vroeg aan de landlieden en dorpelingen, die in menigte, door de nieuwsgierigheid gelokt, waren toegeschoten, wie hunner den kloeken jongeling kende, die zich zoo moedig en behendig voor haar behoud geweerd had.

“Er was ein jongen jäger,” zeide de koetsier: “ein hupscher borst.”

“Een jonge jager”, zeiden de boeren, de schouders ophalende: “wie kan dat zijn? hier jaagt niemand dan de Jonker.”

“Of het moest Teun Wezer zijn,” mompelde de vrouw van den metselaar tegen den barbier.

“Die zal zoo mal niet wezen om zich hier te vertoonen,” zeide de barbier, sedert Bouke hem rottingolie heeft toebedeeld, omdat hij zijn nichtje Klaartje zocht te verleiden.”

“Wat praat jelui van Teun Wezer?” liet zich een stem achter de koets hooren: “bemoei je met je eigen duiveljagerijen.”

Hij, die deze woorden uitte, was dezelfde boerenknaap, die als postiljon de koets gemend had en bij Reenen te huis behoorde: hij stond in den geheelen omtrek in slechten reuk, wegens gepleegde strooperijen en boevenstukken; doch omdat hij een vrij goed ruiter was, werd hij wel eens door den boerenstalmeester als postiljon aan reizenden medegegeven.

“Zie je nou, buurman?” hernam de metselaarsvrouw: “daar is hij al zelf: ja, ik had zoo mis niet gezien. Het spijt mij maar, dat ik kwaad van hem gesproken heb: als hij het gehoord heeft, zou hij wel eens uit wraak mijn kippen stelen.”

Inmiddels naderde de postiljon en bezichtigde de paarden: waarna hij met een zwaren vloek verzekerde, dat het eene in de borst gewond, en het andere aan ’t been gekneusd was, een schade, welke de genadige vrouw, al ware zij nog zoo genadig, hem betalen zou.

“Spreek maar zoo bout niet, Teun!” sprak iemand achter hem: “het geheele geval is uw eigen schuld en zou niet gebeurd zijn, indien gij, in plaats van af te springen, waart blijven zitten: gij verdient smeer in stede van betaling.”

Teun Wezer zag vloekend om, doch zweeg op het gezicht van den Jonker van Sonheuvel, die, met zijn hond aan zijn zijde, bedaard naar hem toekwam.

Joan had, als wij verhaald hebben, op het zien van het dreigend ongeval, boog en weitasch weggeworpen: de boog was aan de andere zijde van het dijkje in een greppel neergevallen: de weitasch was nog verder heengevlogen: de hazen en patrijzen, daaruit gerold, lagen op de heide verspreid. Zoodra hij de paarden gestuit had, was zijn eerste werk geweest, om de gansche rommelzooi weder bijeen te gaan zoeken, ’t geen hij met behulp van Veltman ten uitvoer bracht. Daar dit bukkende geschiedde, was hij tot nu toe door het dijkje aan aller oogen onttrokken gebleven.

“Ziedaêr, Genädige Frau,” zeide de koetsier, “ziedaêr den knabe, die ons keret heeft.”

Met een vriendelijken, dankbaren blik keerde zich de genadige Vrouw naar Joan, die met de muts in de hand voor haar stond: “Ik bedank u, knaap!” zeide zij: “gij hebt u, naar ik hoor, niet alleen met kloekheid, maar ook met gevaar van uw leven, gedragen; u is immers geen letsel overkomen?”

“Als Uwe Genade er even weinig van gedeerd is, als ik, zal het niet erg zijn,” antwoordde Joan lachende: “doch waar is mijn mattenfleschje gebleven?” vroeg hij, zich plotseling omwendende: “dat is zeker aan den boog blijven haken en zoo weggeraakt! Veltman! zoek! verloren!” en Veltman, zijn vermoeidheid vergetende, vloog over het dijkje terug.

Deze bekommernis van Joan over zijn matten fleschje was zeker niet naar de regels der strikte beleefdheid; doch hij was op ’t land opgebracht, waar hij nooit dan met zijn minderen verkeerd had en nooit met lieden van hoogen rang, als deze Mevrouw scheen te zijn, in gezelschap geweest was; de vreemde Dame nam hem zijn vrijpostigheid ook niet kwalijk af; doch de page vond goed zich daarover gebelgd te toonen.

“Goede vriend,” zeide hij, “gij stelt zeker veel belang in uw fleschje, dat gij er de tegenwoordigheid van Mevrouw de Gravin door vergeet: gij moest liever die brave lieden een handje helpen, om de paarden uit te spannen.”

Dit gezegde veroorzaakte een verontwaardiging, die algemeen was en ook bijna gelijktijdig werd uitgedrukt door al de aanwezigen.

“Zwijg Ludwig!” zeide de Gravin, “en schaam u! zoo die knaap iets verloren heeft, was het, door dat hij ons hulp betoonde, en gij deedt beter hem in ’t zoeken bij te staan, indien zulks uw fraaie broek niet sleet, dan hem onbeleefdheden te zeggen.”

“De page mocht den bek wel halten,” zeide de koetsier, terwijl hij Joan met hartelijkheid de hand schudde: “du bist bei meine seele ein gutter burst, en koen wie ein keporen Deutscher.”

“Bewaar ons!” zeide de vrouw van den metselaar, Ludwig schuins aanziende: “hoe durft die bonte aap zoo tegen onzen Jonker spieken?”

“Wat jonker?” zeide Ludwig, zich tot haar keerende: “van welken jonker spreekt gij? en wat meent ge met uw bonten aap?”

“De bonte aap ben jij!” hervatte de vrouw, de armen in de zijde zettende: “en dat is onze Jonker, de Jonker van Sonheuvel, versta je, moesjanker? kijk maar zoo zuur niet: we geven hier niets om je moffegezwets.”

De page zag haar een oogenblik als versteend aan, wendde vervolgens het oog op Joan, mat hem met een somberen blik van het hoofd tot de voeten, en vroeg daarna nogmaals zeer bedaard: “Is dat de Jonker van Sonheuvel?”

“En wie had je hier anders verwacht?” antwoordde de barbier.

“Zoo!” zeide Ludwig, en met dit woord trad hij terug en floot een deuntje tusschen de tanden.

De gravin, die, door het geraas en gepruttel der dorpelingen, van deze woordenwisseling niets verstaan had, trad weder naar Joan, en, terwijl zij met de eene hand Veltman streelde, bood zij hem met de andere eenig goud aan.

“Dat gij mijn hond streelt, Mevrouw, doet mij vermaak,” zeide Joan, achteruittredende: “maar geld behoef ik niet. Mijn vader is rijk genoeg, om....”

Doch de Gravin liet hem geen tijd om uit te spreken. Den hond streelende, beschouwde zij het dier met meer opmerkzaamheid, eneensklaps riep zij, als door een pijlsnelle gedachte getroffen: “Mijn God! juist zulk een dier was onze Fenix! Knaap! vanwaar hebt gij dien hond?”

“Die hond,” zeide Joan met eenige trotschheid, “is op mijns vaders slot geboren: hij is de jongste en eenig overgeblevene zoon van den ouden, getrouwen, die nu lang dood is en die in zijn tijd aan den Graaf van Falckestein had toebehoord, maar hem door de Spanjaards ontnomen was. Mijn vader heeft hem herwonnen.”

“Uw vader?.... De Graaf van Falckestein.... Knaap! wie zijt gij?”

“Joan van Reede tot Sonheuvel, en mijn vader is Heer van dit dorp: ginds achter de boomen ziet gij ons kasteel. Vergun mij u daar te brengen: gij zult mijn vader veel genoegen doen.... en verder zult gij van avond toch niet willen reizen.”

“Met blijdschap zal ik met u gaan, Jonker!” zeide de Gravin, op wier gelaat een diepe ontroering leesbaar was: “met onuitsprekelijk veel genoegen zal ik uw vader zien. Verschoon mij, indien ik u onbekend beleedigd heb, en laat deze kus u het vermaak uitdrukken, dat mij deze ontmoeting verschaft. Zooals mijn onvergetelijke Ulrich mij uw vader meermalen geschilderd heeft, evenzoo kloek en dienstvaardig vind ik thans zijn zoon.... Goede Fenix,” vervolgde zij, Veltman nogmaals streelende, “gij zijt gelukkiger geweest dan uw meester. Uw kroost is gespaard gebleven, en het mijne....” hier stroomde een tranenvloed langs hare van hartzeer vermagerde wangen.

De paarden waren nu uitgespannen en de boeren stonden gereed om de koets naar den kort daarbij wonenden wagenmaker te brengen, toen zich de postiljon, met een half koppig, half beteuterd gezicht, bij de Gravin vervoegde.

“Met uw verlof, Mevrouw!” zeide hij, “en met dat van den Jonker, zou ik Uwe Genade wel willen verzoeken om eenige schadevergoeding voor mijn arme beesten. Zij willen wel, met verlof van den Jonker, al de schuld van het geval op mij schuiven, maar ik verklaar Uwe Genade, dat het alleen van dien d....schen steen komt, en dat ik er zoo onschuldig aan ben als een pasgeboren kind! Zoo Mevrouw dus zoo goed wilde zijn,... ik zelf heb een zwaren val van ’t paard gedaan in dienst van Uwe Genade.”

“Ja, in ’t warme zand,” zeide Joan, hem in de rede vallende: “dat zal u weinig letsel gedaan hebben. Het verwondert mij, dat gij nog zoo onbeschaamd zijt, u hier te vertoonen. Als mijn vader u zag, zoudt gij de knuppelslagen niet ontgaan, gij strooper!”

“Ik heb Mevrouw toch wel bediend,” zeide Teun Wezer, het hoofd op den schouder leggende als een bok die stooten wil.

“Genoeg hiervan,” sprak de Gravin: “Ludwig, betaal den man en laat hem in ’s Hemels naam maar wegrijden.”

Ludwig trok den postiljon ter zijde en betaalde hem. Vervolgens gaf hij hem nog een daalder boven zijn eisch en vroeg hem, of hij hem een dienst bewijzen wilde.

“Tien voor één, genadige Jonker Page!” was het antwoord.

“Stil! spreek zachter! zijt gij met de buurt sinds lang bekend?”

“Sedert mijn geboorte ken ik al den omtrek op mijn duim.”

“Goed! rij dan weg; doch tracht u morgen te zeven uren weder hier ter plaatse te bevinden; dan zal er nog meer voor u te verdienen vallen. Voort hier vandaan.” Hier keerde Ludwig zich om: de postiljon oogde hem verbaasd na en reed toen met vier losse paarden naar Reenen terug.

Terwijl voerde men het rijtuig naar het dorp en bood Joan zijn rechterarm aan de Gravin om haar slotwaarts te leiden.

“Verschoon mij, Jonker!” zeide deze, hem beleefdelijk afwijzende: “gij hebt genoeg te dragen, om met geen oude vrouw als ik belast te worden.”

“Indien de Jonker het mij toestaat,” zeide Ludwig, beleefdelijk toeschietende, “dan zal ik zijn jachtgereedschap gaarne dragen, en nog aangenamer zal het mij wezen, zoo de Jonker mij mijn onbescheidenheid van zooeven vergeeft.”

“Die vergeef ik u gaarne”, antwoordde Joan: “en zult gij dit jachtgerij voor uw rekening nemen? Daar is al de brui; doch pas op dat de hoenders niet uit de weitasch vliegen.” Dit zeggende hing hij die om den hals van den page.

“En pas op,” vervolgde de Gravin, spotachtig, “dat uwe fraaie kleeren niet bederven.”

Al pratende trad zij met den Jonker het dorp in, en nu nam deze de vrijheid te vragen, wie hij aan zijn vader voor moest stellen.

“Helaas!” antwoordde de Gravin, “al mijn namen veroorzaken mij droevige herinneringen, zoo dikwijls ik die melden moet. Misschien heeft uw vader u wel eens gesproken van Anna van Manderscheid, laatstelijk weduwe van Graaf Lodewijk Gunther van Nassau, en vroeger van Graaf Ulrich von Daun?....”

“Is ’t mogelijk.... naar wien mijn zuster Ulrica genoemd werd?”

“Werd zij waarlijk?.... Gaf uw vader haar den naam van mijn echtgenoot? Ach, hoe verlang ik dat meisje te zien en te omhelzen.”

“Mijn vader heeft mij wel eens van uw ongelukken verhaald, Mevrouw! gij moet veel hebben doorgestaan.”

“Meer dan iemand ooit mogelijk gedacht had te kunnen overleven. Mijn beide gemaals vielen door het staal: mijn jongste zoontje kwam met zijn vader om, en mijn oudste, mijn eenigst overgeblevene.... ook hij werd voor weinige jaren gruwzaam vermoord.”

“Mijn vader hield veel van den Graaf van Falckestein: dikwijls spreekt hij van hem, en altijd geraakt hij in drift, als hij gewag maakt....”

“Van de rampzalige wijze waarop hij omkwam, nietwaar? Vrees niet, mij door te sterke uitdrukkingen zeer te doen: ik heb zooveel geleden, dat ik bijna verstompt ben voor aandoeningen. Helaas! al wat mij waard was, werd het slachtoffer van den Spaanschen haat: en allen zijn nog ongewroken. Slechts Velasco viel ten offer, en of deze de schuldige was, durf ik op goede gronden betwijfelen.”

“Velasco! daarvan heeft mijn vader mij nooit verhaald.”

“Niet? dit zal hem zijn zedigheid misschien belet hebben. Uw vader heeft in Velasco’s bloed den dood van zijn vriend willen wreken: het was de eenige wraak, ik herhaal het! Toen die aartsdwingelandMendoza in Den Haag gevangen zat, nu dertien jaren geleden, leverde ik een aanklacht tegen hem in: mijn verzoek werd van de hand gewezen, mijn brave echtgenoot nog door dien booswicht van verraad en eedbreuk beticht, terwijl hij.... doch genoeg hiervan: ik wil uw vader een vriendelijk gelaat toonen.”

“Daar komt hij ons met Ulrica te gemoet,” riep Joan verheugd uit, op het zien van den Baron, die, van de komst der Gravin verwittigd, met zijn dochter haar zijn diensten aan kwam bieden.

Onder wederzijdsche beleefdheden, welke de lezer zich gemakkelijk kan voorstellen, en nadat de Gravin Joans gedrag ten hoogste geprezen had, kwamen zij gezamenlijk binnen het kasteel, waar de Baron zijn adellijke gast met een handkus welkom heette, en bevelen gaf om een prachtigen avondmaaltijd aan te richten, aan welken echter, buiten Joan, door niemand veel eer gedaan werd. Op het nagerecht, toen Ulrica, in wier bevallig uiterlijke en minnelijke hoedanigheden de Gravin een groot welgevallen scheen te hebben, zich ter ruste had begeven, viel het gesprek wederom op de lotgevallen dezer laatste. Twee jaren na den dood van haar eersten man huwde zij den Graaf van Nassau, die het volgende jaar in den krijg sneuvelde; de Gravin, weder in ’t bezit van haar goederen geraakt, dacht nu haar dagen zonder verdere rampen door te brengen; dan vergeefs: haar oudste en thans eenige zoon werd in de nabijheid van het slot Bruck, werwaarts hij met Ludwig en den ouden Beckman heenreisde, door Spanjaards overvallen en omgebracht. Een jaar later werd ook de broeder der Gravin door een doodelijk lood getroffen: en thans, nu Kleef en Berg haar hatelijk geworden waren, ging zij ver van het tooneel der geleden rampen in Den Haag haar woonplaats vestigen, alwaar zij hoopte, dat een spoedige dood een einde aan zoovele rampen maken zoude.

“Mevrouw!” riep Joan, na het aanhooren van dit alles, in geestdrift uit: “ik hoop dat ik eens in staat zal wezen, al uw ongelijk te wreken. Zoo ik ooit dien Mendoza, dien Lopez, dien Velasco, een van die schelmen, die uw ongelukken berokkend hebben, ontmoeten mocht, mijn zwaard zal....”

“Zwijg knaap!” viel Reede haastig in: “gij weet niet wat gij begeert.”

“Laat hem spreken,” zeide de Gravin: “het doet mij goed hem te hooren.”

“En waarom mag ik dat niet zeggen, vader!” hervatte de knaap: “gij hebt zelf mij geleerd, dat een waar ridder, zooals er thans weinig meer te vinden zijn, aan zijn God, zijn vaderland en aan de verdrukte onschuld zijn degen moet wijden: en volg ik dus uw voorschrift niet, wanneer ik Mevrouw wil wreken, wier echtgenooten voor God en de goede zaak zijn gevallen?”

“Ja!” zeide de Gravin, ontroerd, terwijl zij den knaap met welgevallen beschouwde; “gij zult mijn wreker zijn, Joan! van nu af maak ik u tot ridder.” Dit zeggende, maakte zij haar gouden halsketen los en sloeg die om den nek van den jongeling. Dankbaar en verlegen over zulk een fraai geschenk, wilde Joan hare hand kussen;doch hem oprichtende, kuste zij hem op het voorhoofd: “als mijn ridder kus ik u,” vervolgde zij: “maak u meer en meer waardig dien naam te dragen, en, zoo gij de u ingeprente beginselen moedig vast blijft houden, zal hij meer dan een bloote titel zijn.”

“Gij ziet het, vader!” riep Joan verheugd uit: “de Genadige Vrouw acht mijn woorden zoo gering niet.”

Reede zweeg, schudde het hoofd en keek in ’t vuur. Zwaar drukte hem het denkbeeld, door Joans uitroep in hem opgerezen, dat deze, eenmaal den wapenhandel kiezende, tegen zijn eigen landgenooten, ja tegen zijn hem onbekende naastbestaanden, de wapenen voeren zoude. “Mevrouw!” zeide hij, na lang zwijgen: “ik trachtte altijd aan Joan te leeren, dat het Christenplicht is, aan onze vijanden te vergeven: uwe goedheid jegens hem heeft mij diep getroffen: doch zoo hij eens de wapenen voert, waaraan ik nog twijfel, zal hij, hoop ik, voor de algemeene zaak, niet voor bijzondere wraak strijden.”

De Gravin sloeg op hare beurt de oogen neder en beet zich op de lippen: de uitval des Barons mishaagde haar, en gaarne had zij dien beantwoord; doch zij had te veel gevoel van welvoeglijkheid, om zich een scherpe uitdrukking tegen een voor ’t overige zoo vriendelijken gastheer te veroorloven. Nadat zij dus eenige oogenblikken met de franjes van het Atrechtsche tafelkleed gespeeld had, wendde zij zich tot den page, die achter haar stond, en gelastte zij hem, te gaan zien of haar bagage in orde was en of men het benoodigde voor haar nachtverblijf had ontpakt.

“Die knaap heeft een schrander uitzicht,” zeide de Baron, toen Ludwig vertrokken was: “doch hij schijnt wat teer van maaksel en ongeschikt voor zware vermoeienis.”

“Ik ben op een zonderlinge wijze aan hem gekomen,” antwoordde de Gravin: “zijn moeder heeft mij het leven gered, toen ik uit Bruck vluchtte. Eenigen tijd na mijn tweede huwelijk, kwam zij weder tot mij en verzocht bescherming voor haar zoon. Zij was, zooals ik toen hoorde, een Geldersch meisje en door een Spanjaard verleid geworden. Den knaap liet ik opvoeden, en nam hem tot page, na den dood van Graaf Lodewijk. Hij beantwoordde mijn zorgen wel; want, ondanks een zekere poppigheid en keurigheid op uiterlijke vormen, die aan kleingeestigheid grenst, is hij getrouw, nauwgezet en uitmuntend geschikt om te volbrengen wat hem wordt opgedragen, ook hetgeen niet tot zijn vak behoort. Hij was getuige van den dood mijns zoons, ontkwam niet dan met moeite aan de handen der Spanjaards en kondigde mij de treurige tijding aan met een voorzichtigheid en gevoeligheid, die beide aan zijn verstand en hart eer deden.”

“Als hij van Spaansch bloed is, zou ik hem toch maar half vertrouwen,” zeide Joan halfluid: “onze Bouke zou zeggen: ’t wil muizen wat van katten komt.”

“Alweder!” zeide de Baron: “hebt gij niet gehoord, wat ik zooeven zeide, dat gij u van aanmerkingen te onthouden hebt?”

“Ik zal geen woord meer spreken,” mompelde Joan: “doch ik houd niet van dien page.”

“Niet? Gij zult van hem houden, als ik het verkies. Ik begeer, dat gij zeer vriendelijk tegen hem wezen zult en hem morgen, zoo hij het verlangt, het kasteel, de tuinen en de omstreek zien laten.”

“Nu,” viel de Gravin in: “het spijt mij, dat mijn page aanleiding geeft tot misnoegen van onzen waardigen gastheer op mijn braven ridder; doch ik moet den goeden Ludwig in zijn eer herstellen. Hij kent zijn Spaansche afkomst niet en legt in al zijn gesprekken en handelingen afkeer voor onze vijanden en een innige gehechtheid aan onzen landaard aan den dag.”

Hier eindigde het gesprek, en weldra begaf men zich ter ruste; doch de Heer van Sonheuvel kon den slaap niet vatten: de gelijkheid, die tusschen het lot van Joan en dat van den page bestond, verbaasde en ontzette hem; en zijn eerlijk hart werd hoe langer hoe meer bedrukt door de gedachte dat zijn pleegzoon, zoolang hij van zijn afkomst niet vergewist ware, gevaar liep, onwetend zijn magen te haten, te vloeken, te bestrijden. Tot dezen tijd toe had de Baron er nooit bepaaldelijk over nagedacht, hoe en wanneer hij den jongeling het geheim zijner geboorte bekend zou maken: hij had gehoopt, dat de tijd en de omstandigheden hiertoe een gepaste aanleiding zouden geven, en zijn bekommering hieromtrent naar een verwijderde toekomst verschoven; doch thans was die verwachte aanleiding gekomen, en zij vervulde hem met angst en zorgen: een gezegde van Joan had het hem tot een plicht gemaakt, den jongeling alles te ontdekken: en die plicht scheen hem zijn krachten te boven te gaan. Zijn boezem schokte op het denkbeeld, dat hij den knaap, wien hij als zoon had aangenomen en opgevoed, op eenmaal zou moeten verloochenen: en wat kon niet bij den gevoeligen jongeling het gevolg zijn eener ontijdige bekentenis? Misschien radeloosheid, vertwijfeling of nog erger. Zou niet de ongelukkige, in Nederland om zijn afkomst over den nek aangezien, door de Spanjaards als een gelukzoeker verstooten worden? Wellicht ellendig en zonder troost de wereld moeten rondzwerven en zijn pleegvader verwenschen, die zijn kindsche jaren met ijdele begoochelingen gevleid had?—Als vreeselijke spoken drongen zich deze benauwende gedachten voor den geest des Barons, totdat hij eindelijk besloot, nog den volgenden morgen een einde aan alle onzekerheid te maken, door met den Predikant Raesfelt de middelen te beramen, geschikt om de zaak tot effenheid te brengen, en deze dan hoe eer hoe beterin’t werk te stellen.

Twaalfde Hoofdstuk.Je suis, dit-on, un orphelin.Entres les bras de Dieu jeté dès ma naissance.Et qui de mes parents n’eus jamals connaissance.Racine, Athalie.Nauwlijks was de dageraad aangebroken, of Joan, verlangende nog voor het ontbijt eenige hoenders te schieten, maakte zijn jachtgeweer in gereedheid en begaf zich naar buiten. Aan de steenen poort gekomen, waar de oude portier zijn slaapplaats had (die hij niet zelden al grommende verliet, wanneer hem de Jonker zoo vroeg kwam wekken om de poort te ontsluiten), vond hij tot zijn verwondering, den grijsaard reeds geheel aangekleed in de opene poort gezeten, terwijl Bouke, die naast hem stond, zich met hem over vroegere krijgsbedrijven onderhield.“Wel zoo Frans!” zeide Joan: “al zoo vroeg bij de werken?” “Ja Jonker! ditmaal heb ik het jou afgewonnen: en daarbij moet je niet eens denken, dat je de eerste man zijt, die de poort uitgaat: het is al een half uur geleden dat ik gewekt ben geweest: en raad ereis door wien? door dien mooien pop van de vreemde Mevrouw. Ja! hoe noemt men zoo’n lintejongen?”“Door den page? wat had die zoo vroeg buiten te doen?” “Dat weet Joost—Gisteren was het met dat vreemde volk alles loât op stok. Ik was blij toen ik er om één oere in lag; want ik had op de lakeien moeten wachten, die nog na het avondeten naar het dorp waren gegaan en God beter ze, in de kroeg in sloap gevallen waren. Blij was ik, zooals ik zei, dat ik er om één oere in lag, en met de ongewoonte van zoo loat naar kooi te goan, kon ik den sloâp niet voor vijf oere vatten: dan kijk, pas sloâp ik een oer, of wie stoât doâr veur mien bed?—Die hansworst van een roodrok: en met een stem alsof hij zelf een prins of een groâf was, zeit hij tegen mij, die er nog nooit door groâf of heer of boer op zoo’n manier ben oetgeport: “Vrindje! stoâ op en moâk open.” Vrindje! en dat tegen mij? Kon hij niet zeggen: Poortier! of: goede vriend! of Frans! zoo hij mijn noam anders kende. Moâr, om kort te goan: hê! zei ik, toen ik zoo half wakker was, jonker Melkmuil! is het nou tijd van oet te goân! Goâ nog wat noâr je bed: je zult moe wezen van je reis.—En wat denkje dat zoo’n vlegel me antwoordde? Joâ! zoo iets heb je nooit beleefd! “Kom,” zei hij zoo: “stoâ op! anders goâ ik zelf de poort opensluiten:” en meteen greep hij moâr zoo familjoâr naar de sleutels, die noâst me lagen. Moâr ik zei: heb ik jou doâr? dat zal mis wezen: as je brutoâl wordt, komje der in ’t geheel niet oet! Want ik werd driftig op mijn manier: moâr zoo’n moesjanker deed krek alsof hij er zich niet oan stoorde: hij vouwde de armen over mekoâr enkeek mij heel bedoârd an: “kom,” zei hij zoo: “doe moâr gauw open, anders goâ ik Mijnheer den Baron roepen en vroâg hem, of hij jou hieten wil; want ik heb last van Mevrouw de Gravin: en ik moet oet.”—Hebje ooit zoo’n onbeschoâmden snotneus gezien? Ja! hij zou noâr je voâder goân? jawel mergen! Moâr ik dacht: de jongen spreekt zoo bout, wie weet of hij geen verlof heit van Mijnheer?—en zoo van ’t ien op ’t oâr komende, dacht ik zoo bij mijn aigen: joâ! het is toch de bediende van een groote Mevrouw en hij is zoo veul als kind in huis: ik zal moâr de minste wezen; en zoo stond ik op en liet hem oet, en toen zag ik dat hij twee brieven in de hand had.”“Gij hebt wel gedaan, Frans!” zeide Joan: “die page is een verwaande zotskap; doch de Gravin heeft veel met hem op: dus moeten wij hem maar wat toegeven, zoolang hij hier is. En gij ook al zoo vroeg op?” vervolgde hij, zich tot Bouke keerende.“Ja!” zeide deze: “de page had mij gisteren bij ’t naar bed gaan gevraagd of hij vroeg het kasteel uit kon: en daar ik weet, dat er van zulk volkje niet veel goeds te verwachten is, was ik eens opgestaan om te zien, wat hij voor dag en dauw doen moest; maar de vogel was al gevlogen. ’t Is een rare snaak, de eigenste page: aan wie denk je, dat hij gisterenavond zijn hof maakte?”“Wel aan Klaartje,” antwoordde Joan: “dat is de mooiste meid uit de buurt, en men zeit dat de pages daar altijd op afgaan.”“Aan Klaartje?” Ja hij moest eens beginnen! al is hij nog zoo in dienst van een gravin, ik zou hem gravinnen: ik ben oom en voogd van Klaartje, en ik zal wel oppassen dat hij haar zelfs geen onnoozelen zoen geeft: ik denk altoos; met kleine lapjes leert de hond leêr eten: vuur en stroo dient niet alzoo: geef den duim, dan....”“Nu, maar met wie vrijde hij dan?” vroeg Joan, dien vloed van spreekwoorden stuitende.“Naar wie?—hij heeft twee uren lang in een hoekje van de keuken zitten flikvlooien met de oude Geert.”“Zijt gij dol, Bouke! Of verkoopt ge flausen? Wat zou hij aan dieoudetotebel verteld hebben?”“Dat heb ik haar ook gevraagd: doch oele! ze was zoo dicht als een kruitvaatje en zoo geheim als een jonge meid, die voor ’t eerst onder vier oogen met haar vrijer gezeten heeft: zij zei mij, ze kon er niets van oververtellen en ik mocht er aan geen sterveling van spreken, dat zij zoolang met den page geredeneerd had;—maar jawel! ik breek er mijn hoofd mee: ik ruilde toch mijn olde kruitdoos tegen een nieuwe, om te weten wat hij aan die babbelkous al zoo op de mouw heeft gespeld.”“De oude Geert en de jonge page!” hernam Joan: “dat zou al een fraai paar geven!””’t Zou nog de vraag wezen, wie van de twee ’t eerst genoeg had an de andere,” merkte Frans aan.“Nu!” zeide Joan, “ik trek af: anders wordt het mij te laat. Goeden morgen samen!”“Goê mergen en goê jacht, Jonker!” zeide de Portier: “zie den page maar voor geen fezantenhoân an: je mocht anders dien sinjeur kakelbont ereis een pijl bij vergissing in zijn dikste vleesch zenden.”Nog lachende over hetgeen Bouke hem verhaald had, was Joan alras, van Veltman vergezeld, op het pad gekomen, hetwelk aan den voet van het dorp, door moeslanden en boomgaarden, op de heide aanliep en gemeenschap had met den grooten weg, niet verre van de plaats, waar Joan ’s avonds te voren zijn welberadenheid en moed getoond had. Reeds was de Jonker op de opene plaats gekomen, waar een groote houten galg (gelukkig in jaren niet gebruikt) midden tusschen de roodekoolstruiken oprees en des Barons hooge jurisdictie binnen de grenspalen van zijn heerlijkheid aantoonde, toen Veltman, die al snuffelende vooruit was geloopen, stokstijf staan bleef en op deze wijze de tegenwoordigheid van een koppel patrijzen verried, hetwelk inderdaad niet lang daarna klapwiekend opsteeg en vooruitvloog. Sneller echter vloog de pijl des Jonkers het achterna, en deed een der hoenders in het hakhout storten. Spoedig bracht Veltman het dier aan zijn meester, die, na het in zijn weitasch verborgen te hebben, zich aan den voet der galg plaatste om den boog opnieuw te wapenen.Het koolveld, waarop zich de jongeling bevond, was van den weg door een smalle strook kreupelhout afgescheiden, hetwelk, schoon reeds aan ’t verdorren, echter dicht genoeg was om het doorzien te beletten: hoewel Joan dus niet zag, wie zich op den weg bevond, kon hij echter duidelijk hooren, dat er eene stem, welke hem niet vreemd was, van die zijde kwam. Met jeugdige nieuwsgierigheid sloop hij dus van onder de galg naar het hakhout toe, haalde de berketakken op zijde, keek door de opening, en zag.... in ’t eerst niets; want de rijmdroppelen, die van den tak vielen, hadden hem de oogen doen sluiten;—dan, zoodra hij die uitgewreven had, ontdekte hij, dat hij zich niet vergiste, en dat werkelijk de page der Gravin, in zijn paarsen mantel gewikkeld, midden op den weg stond, en iemand, die van den kant van Reenen aan kwam wandelen, aldus toeriep:“Zoo! zijt gij daar eindelijk! ik heb al bijkans een uur op u staan wachten.”“Vergeef mij, Jonker!” antwoordde de nieuwgekomene, die door JoanvoorTeun Wezer werd herkend: “moâr, op den weg ontmoette ik een poâr van mijn kennissen hier uit het dorp, die mij een kwoad hart toedragen uit uithoofde van een kip twee drie, die ik ereis onderweg evonden heb, en die ze zeggen dat hun toekomen: en om die knoâpen te mijden, heb ik de bijpoâdjes enomen, anders ware ik hier al eer eweest. Wat is er nou van ’s Jonkers believen?”“Hier zijn een paar brieven;..., maar eerst moet ik u nog een vraag doen: kent gij den Heer van Sonheuvel sedert lang?”“Langer dan mij lief is, Sinjeur!” zeide Teun: “toen ik acht jaren oud was, heit hij me ereis laten afranselen, omdat ik valschelijk beticht was geworden van zijn eieren te hebben met enomen. Konik het gebeteren, dat zijn kippen niet leggen wolden?—En naderhand....”“Goed! dan kunt gij mij wel verhalen wat u heugt van de geboorte des jonkers? Is daaromtrent niets opmerkelijks voorgevallen?” Hier werd Joan dubbel opmerkzaam.“Om je de woârheid te vertellen heerschop!” antwoordde Teun Wezer, “heel veel weet ik er niet van. Moâr je mot weten, ik vrijd zoo wat noâr het nichtje van Bouke, den olden knecht op ’t slot: en dat meiske heit me wel verteld, dat hoâr heugt, en ze was ook nog moâr een kind, dat het zeuntje van den Baron begraven werd, en dat deze Jonker, dien we nou hebben, op een blauw-maandag te Amsterdam is aangekomen, zonder dat iemand weet hoe of wanneer: en als ze haar oom er naar vroâgt, dan zeit deze, ze mot moâr zwijgen; moâr nou is er ook wel, die zeggen, dat het zoo’n stuk van een buitenbeentje is van den olden Heer, en dat de Barones er van hartzeer over ekrepeerd is; maar het fijne van de mis weet ik zoowoâr niet.”“Dan zal ik u ook niet meer vragen,” hervatte de page: “hoor! hier hebt ge twee brieven, beide zonder opschrift: dezen, waar ik het kruis op gemaakt heb, om hem te onderscheiden, bezorgt gij te Tiel, ten huize van Klaas Meinertz den schrijnwerker. Gij behoeft niet te zeggen van wien hij komt, maar gij moet hem aan den man zelven overhandigen: hij zal u voor ’t bestellen twee kronen geven, dat staat in den brief.”“Wat?” zeide Teun Wezer: “Klaas Meinertz! die ijzegrim, die femelaar, die den geheelen dag bidt en psalmen balkt, en mij al meer dan eens noâr de diepste diepte van de hel ewenscht heit, zal die mij twee kronen geven?.... Stichtelijke vloeken naar mijn kop, alsof ik....”“Hij zal u twee kronen geven, als ik zeg,” hernam Ludwig, droogjes.“Nou! ik zal ’t bezorgen,” zeide Teun, grinnekende.“En dezen brief,” vervolgde Ludwig, “brengt gij aan den Ambtman Mom, die op dit oogenblik in Tiel is: mede eigenhandig. Zoo men u niet bij hem in wil laten, zegt gij maar, dat gij van de Gravin van Nassau komt.”“Ja moâr,” zeide Teun, terwijl hij zijdelings naar de galg keek, die men over het hakhout heen kon zien: “ik ben juist niet zwoâr op een bezoek bij den Ambtman gesteld: ik tracht zoomin mogelijk met de heeren van den Gerechte in kennis te komen, want zij hebben allen, ik weet niet woârom, een hekel aan mij gekregen, en ik heb geen lust om dat gindsche veld met rooiekool eens uit de hoogte te bekijken.” Hier maakte hij de beweging van hangen.“De brief, dien gij brengen zult, zal uw beste aanbeveling bij den Ambtman zijn,” hervatte Ludwig; “doch gij zult het diepste stilzwijgen omtrent de u toevertrouwde boodschappen in acht moeten nemen, of..., uw vrees zou verwezenlijkt kunnen worden!”“Wees gerust! voor geld en kwaê woorden zwijg ik als een kikker bij winterdag: is er nog iets van je bevelen?”“Niets meer! rep je en maak bijtijds in Tiel te wezen: hier hebt ge nog wat drinkgeld en iets om het veer te betalen.”“Duizendmoâl dank, heerschop!” zeide Teun: “nou snij ik dat zijpad moâr in; want het dorp ga ik liefst niet deur, om redenen mij bekend. Leef gezond Sinjeur!”—Met dit afscheid sloeg hij het zijpad in, liep Joan voorbij zonder hem te zien en verwijderde zich naar den kant der rivier.Deze zonderlinge samenspraak had Joan zoodanig verbijsterd, dat hij zijn boog, de hoenders, ja de jacht zelve vergeten was, en nog luisterde toen de boerenknaap reeds lang uit het gezicht was.—Toen hij omtrent de echtheid zijner geboorte bedenkingen had hooren opperen, was hij in den wil geweest, zich aan den onbeschaamden lasteraar te vertoonen en hem eens heftig door te halen; doch de vrees had hem teruggehouden: schoon moeds genoeg bezittende, achtte hij het geen gelijk spel om zich te wagen tegen Teun Wezer, een forschen, ruwen knaap, die niets te verliezen had, dadelijk met het mes gereed was en hem bovendien een kwaad hart toedroeg; den page betrouwde hij zoo weinig, dat hij niet wist, of hij hem als vriend of vijand beschouwen moest, en van dezen kant wachtte hij dus geen bijstand. Voorzichtigheidshalve was hij daarom in zijn schuilhoek blijven zitten tot na den afloop van ’t gesprek: over de boodschap der brieven had hij maar half nagedacht, meenende, dat de bezorging daarvan een geheim was, dat de Gravin raakte en naar ’t welk hij zelfs niet gissen mocht; want van zijn jeugd af was hem ingeprent, dat het schandelijk is, te willen indringen in hetgeen iemand zoekt te bedekken. Ziende dat de page langs den rijweg weder naar het dorp ging, kroop hij het hakhout uit en volgde hem, met oogmerk om hem met een tik op de schouders en den gewonen morgengroet te verrassen; doch Veltman, die nu lang genoeg naar zijn zin aan de zijde zijns meesters had stilgezeten, snelde hem met drift vooruit en verraadde Joans nabijheid aan den page. Deze keek om en zag Joan achter hem, die hem een frisschen morgen toewenschte.“Goeden morgen, Jonker!” zeide Ludwig, even den hoed aflichtende en vervolgens gelijken tred met Joan aannemende: “reeds zoo vroeg in ’t veld?”“Mij dunkt,” zeide Joan, “ik moest u die vraag doen; doch zoo gaat elk voor zijn eigen aangelegenheid uit: ik voor mijn vermaak, gij om Mevrouw de Gravin te believen.”De page zweeg een oogenblik en hield zijn kleine gitzwarte oogen op Joan gevestigd, als wilde hij op het open gelaat des jongelings lezen, of zijn gezegde niet meer dan een loutere veronderstelling, dan wel of het een geheimen zin bevatte; vervolgens hernam hij:“Wat doet u denken, Jonker! dat ik voor Mevrouw de Gravin ben uitgeweest?”“Omdat ik niet geloof,” gaf Joan ten antwoord, “dat gij voor uw eigen vermaak, na gisteren den ganschen dag gereisd te hebben, zoo vroeg het warme bed, voor de koude hei verlaten hebt; en dandie brieven, die gij aan Teun Wezer gegeven hebt en die ik vrees dat slecht bezorgd zullen worden: want hij is een groote schavuit.....”“Gij hebt ons dan gezien?” viel Ludwig haastig in.“En gehoord,” zei Joan.Ludwig zweeg, zag somber voor zich heen, nam zijn slinkerhandschoen in de rechterhand en begon er op te knabbelen, totdat Joan hem glimlachende vroeg, wat de arme handschoen gedaan had, dat hij dien zoo slecht behandelde.Na een poos gezwegen te hebben, zeide de page, met een ernstig gelaat: “Jonker! de boodschap, welke ik aan dien boerenknaap gegeven heb en waarvan zijn baatzucht mij de goede bestelling waarborgt, is van het hoogste belang, en Mevrouw de Gravin had mij op het hart gedrukt, dat ik er niemand iets van zoude laten blijken. Dewijl UEd. echter getuige geweest zijt van de uitvoering van den mij gegeven last, hoewel ik niet verwacht had, dat UEd. ons beluisteren zoude....”“Geheel onwillekeurig,” zeide Joan blozende: “ik dacht, dat uw ontmoeting met Teun Wezer toevallig was, en ik sloop naderbij uit loutere nieuwsgierigheid om te weten wat die schurk u vertellen ging:—wat die brieven betreft, daarvan zal nooit een woord over mijn lippen komen: nooit heb ik iemands geheimen verraden, of zij mij aangaan of niet;—doch ik wilde wel eens weten, hoe het te pas kwam, dat gij dat logenbeest van een Teun over mijn geboorte ondervraagdet, om zulke lastersprookjes uit te lokken als hij u op de mouw spelde.”“Jonker!” antwoordde de page met een nog ernstiger gelaat en op een langzamen toon: “ik wilde wel, dat gij mij deze vraag niet gedaan hadt: daar mijne handelwijs u echter met reden vreemd moet voorkomen, zal ik u openhartig zeggen, dat er zonderlinge geruchten omtrent uw geboorte loopen;.... geruchten, welke, wijd en zijd verspreid zijnde, mij ter ooren zijn gekomen.... hoewel ik er de zegsman niet van wezen wil.... waardoor de nieuwsgierigheid van Mevrouw de Gravin.... gij weet, dat vrouwen veeltijds nieuwsgierig vallen;.... doch ik zelf wist niets van dat geval af.”“Joost haal me, als ik iets uit geheel uw openhartig antwoord begrijp,” hervatte Joan.“Indien UEd,” zeide Ludwig, “nader onderricht begeert, kan UEd. immers met den Heer Baron spreken? Die zal best weten, hoe het met uw geboorte zit,” voegde hij er lachend bij.Joan stond stil, knikte eenige reizen met het hoofd, loosde een diepen zucht, wenschte den page vaarwel en sloeg een zijweg in, die naar de heide bracht, terwijl Ludwig slotwaarts keerde.In den morgen van dien dag viel er op het kasteel niets belangrijks voor: tegen den middag keerde Joan van de jacht, met de tijding uit het dorp, dat het rijtuig der Gravin weder in orde gebracht was en na den eten zou voorrijden. Aan tafel was hij, zoowel als zijn pleegvader, peinzend en stil: na den afloop van den maaltijd kwam de koetswagen de slotbrug oprijden: de Gravin nam beleefdelijk afscheid van den gastheer en zijn gezin, reed met haar gevolgaf en kwam, zonder verdere tegenspoeden, twee dagen later, behouden in ’s Hage.“Een schoone vrouw!” zeide Geertrui tegen Bouke, die bezig was de valken te voederen: “en zoo minzaam jegens een iegelijk. Waarlijk, zij heeft veel van Mevrouw zaliger: even vriendelijk en voorkomend, als die was: en zij weet van het huishouden al vrij wat af voor zoo een groote Mevrouw! zij maakte zelfs de aanmerking, dat de kussens in de groote ridderzaal veel meer hun kleur verloren hebben dan de gordijnen, schoon ze van hetzelfde damast zijn. Ja! zei ik zoo, genadige vrouw Gravin! toen onze lieve Mevrouw zaliger nog leefde, was het niet geoorloofd op die kussens te gaan zitten: toen hielden zij beter hun kleur; maar zij zei, nu, ik heb toch liever de kussens om op te zitten, zei zij, dan alleen voor de pronk; en toen zei ik: ja Mevrouw! dat is ook waar, maar het is toch wat erg, dat nu die stinkende honden op die kussens gaan liggen; en toen lachte zij.”“Maar vertel mij liever eens, Geert,” zeide Bouke, haar in de rede vallende: “wat heeft die lanterfant van een page je toch verteld? Je hadt het bijsterdruk methem.”Op deze vraag hield de oude dienstmaagd eensklaps met lachen op en zette haar gelaat in een meer ernstige plooi.“Zeker heeft hij je onderhouden over je blozende kleur,” vervolgde Bouke, “en over je betooverende oogen, hoewel men die slechts vinden kan door den bril heen.”“Een bril! nu kijk!” hernam Geertrui, gebelgd: “en wanneer draag ik een bril? niet dan om in Gods woord te lezen en om kousen te mazen; en dan draag ik hem nog maar op de punt van mijn neus, zoodat ieder mijn oogen zien kan. Ja! ik wilde wel eens zien, dat iemand kousen maasde zonder bril. Daar was onze lieve Mevrouw zaliger, die droeg immers ook wel een bril.”“Alleen wanneer jij gebroddeld hadt, Geert! en zij de verloren steken moest opnemen.”“Wel heb je van je leven,” riep Geertrui toornig uit: “Wat weet jij van verloren steken en van broddelen af?”“Neen, daar versta jij je beter op, oudje!.... doch dat daargelaten:—Wat heeft je de page verteld? dat is maar het punt in quaestie; want dat hij jou zijn hof gemaakt heeft, is zeker.”“Ja!” zuchtte Geertrui: “ik vrees, dat ik te veel met hem gepraat heb.”“Te veel!” riep Bouke, schaterend van lachen, “te veel met hem gepraat?—De droes! heeft hij in ernst je hartje gestolen!”“Och neen! malle gek! loop heen met je grollen! maar mijn rust heeft hij toch meegenomen,” vervolgde zij, half huilende: “ik heb van dezen nacht geen oog toegedaan.”“Daar hebben wij ’t al. Wat voert zoo een page niet al uit? Daar berooft hij de eerzame Geertrui Claassens, die in de eerste dertig jaren geen vrijer heeft willen hebben, en in de laatste drie kruisjes geen vrijer heeft kunnen hebben, zoo maar op eens van haar nachtrust.”“Spot maar niet,” antwoordde Geertrui: “het is waarachtig geending om mee te spotten: hoor eens, Bouke! Het heugt je nog, toen Mevrouw zaliger nog leefde....”“Als ik het vergeten was, zou jij het mij wel herinneren,” viel Bouke haar in de rede.“Neen, maar hoor!” vervolgde zij, “of ik spreek geen woord meer: toen Mevrouw zaliger nog leefde, en te Amsterdam was, en toen jij met Mijnheer van ’t leger kwaamt met den kleinen Joan?”“Ja gewis!” antwoordde Bouke, die nu op zijn beurt ook donker begon te kijken: “maar je weet ook wel, dat wij Mijnheer bij eede beloofd hebben, nooit aan iemand iets daarvan te zullen navertellen.”“Dat heb ik beloofd, Bouke! en het spijt mij genoeg; want het is de eenige reis in mijn leven, dat ik Gods naam zoo ijdellijk gebruikt heb.”“Foei!” zeide Bouke: “spijt het jou een eed gedaan te hebben, Geert? ben je menist geworden? Je weet, wat Dominee alle weken zeit: de wederdoopers, zeit hij, zijn Belialskinderen, vijanden van Z. Doorluchtigheid en van den lande, die niet zweren willen, noch de ronde doen, noch de wacht betrekken, noch de heilige predestinatie gelooven: en wat zegt het rijmpje?Aenmerct wel hun begheeren breedt,Wat quaet bescheet—sy doch uitgheven,Als dat men niet mach sweeren eedt.Daert soo ghereet—doch staet beschreven:Ja van Godt end’ Christo verheven,Van Paulo end’ ander gheschiet.Ooc is den eedt hier in dit leven’t Eynde van allen twiste ziet.Doch dat tusschen twee haakjes, Geert! wat doet dit tot uw gesprek met den page?”“Dat doet er zooveel toe,” zeide Geertrui, hem naar zich toetrekkende en zoo zacht mogelijk sprekende, “als dat die page evenzoo goed wist als jij en ik, dat Joan Mijnheers kind niet is.”“Bewaar ons,” riep Bouke, achteruitspringende: “dan moet jij het hem verteld hebben.”“Hoor maar eens, of ik het helpen kan,” zeide Geertrui; “de page begon met mij te vragen of ik hier lang in huis had gewoond: en toen sprak hij mij over Mijnheer en Mevrouw zaliger....”“En toen was jij op je praatstoel!—Ja, hij is ook fijn, die page. Hij zal wel niet met de deur bij jou in huis zijn gevallen; want men vangt geen hazen met trommels, dat is klaar.”“Vervolgens vertelde ik hem onder anderen, dat ik baker geweest was van freule Ulrica, en daarop vroeg hij mij, of ik Jonker Joan ook gebakerd had.”“Zoo vraagt men den boeren de kunst af: en wat gaf je hem ten antwoord?”“Ik zei: Mijnheers zoontje heb ik gebakerd, en dat is ook waar: het lieve kind is nog op mijn arm gestorven.”“Zoo!” zeide Bouke: “nogal fijn van jou bedacht: weet je wel,Geert! dat het erg met jou staat! dat was weer een Menist antwoord! Geert! Geert! doch verder!”“Toen zei hij: ja maar dat zoontje is immers dood, daar je van spreekt?”“Welnu,” hernam Bouke: “al had je nu eens neen gezeid, een leugen om bestwil is geen zonde.”“Ja!” hervatte Geert, “ware ik maar zoo wijs geweest; maar ik dacht:Dat ons ja, moet ja zijn waerachtighEn ons neen moet wesen neen:en daarom zei ik eenvoudig van ja: en toen dacht ik, hij zou tevreden zijn; maar jawel! toen vroeg hij mij, of Mevrouw zaliger niet op een rare wijs aan Jonker Joan geraakt was, en of ik niet zoogoed wist als hij, dat de Jonker geen droppel Duitsch bloed in zijn aderen had? en toen werd ik zoo angstig, dat ik hem verzocht, er niet meer en met niemand over te spreken, en toen liep ik weg.”“Dat heb je al heel dom behandeld voor een verstandig mensch,” bromde Bouke: “’t is met jou ook: hoe alder hoe malder. Ik zou het maar niet aan Mijnheer vertellen; want dan zag het er slecht met je uit.”“Ik heb mij toch niet versproken, zooveel ik weet,” zeide Geertrui verlegen.“Nu! gedane zaken hebben geen keer! en het best dat ik je raden kan, is dat je op een anderen tijd voorzichtiger zijt en altijd denkt: verzint eer je begint! vroeg gedaan en laat bedacht heeft menigeen ten val gebracht: heden doen, morgen bloên: vandaag de tong gevierd, morgen den rug gesmierd.”“Ja, als je mij geen beter troost weet te geven, dan je stomme spreekwoorden, Bouke! dan....”“Nu! ga dan maar naar Ds. Raesfelt, en die zal je zeggen, dat je lezen moet den Brief van Jakobus cap. III vs. 3; doch het wordt tijd, weer aan ’t werk te gaan en mijn valken zitten met open bekken! die stomme dieren kunnen het weinig helpen of jij al geklapt hebt, en zij moeten er niet door lijden.—Nu! zooals gezegd is, oudje! wees in ’t vervolg voorzichtiger.”En hiermede liep dit merkwaardig gesprek tusschen Bouke Boukes en Geertrui Claassens ten einde.

Je suis, dit-on, un orphelin.Entres les bras de Dieu jeté dès ma naissance.Et qui de mes parents n’eus jamals connaissance.Racine, Athalie.

Je suis, dit-on, un orphelin.Entres les bras de Dieu jeté dès ma naissance.Et qui de mes parents n’eus jamals connaissance.

Je suis, dit-on, un orphelin.

Entres les bras de Dieu jeté dès ma naissance.

Et qui de mes parents n’eus jamals connaissance.

Racine, Athalie.

Nauwlijks was de dageraad aangebroken, of Joan, verlangende nog voor het ontbijt eenige hoenders te schieten, maakte zijn jachtgeweer in gereedheid en begaf zich naar buiten. Aan de steenen poort gekomen, waar de oude portier zijn slaapplaats had (die hij niet zelden al grommende verliet, wanneer hem de Jonker zoo vroeg kwam wekken om de poort te ontsluiten), vond hij tot zijn verwondering, den grijsaard reeds geheel aangekleed in de opene poort gezeten, terwijl Bouke, die naast hem stond, zich met hem over vroegere krijgsbedrijven onderhield.

“Wel zoo Frans!” zeide Joan: “al zoo vroeg bij de werken?” “Ja Jonker! ditmaal heb ik het jou afgewonnen: en daarbij moet je niet eens denken, dat je de eerste man zijt, die de poort uitgaat: het is al een half uur geleden dat ik gewekt ben geweest: en raad ereis door wien? door dien mooien pop van de vreemde Mevrouw. Ja! hoe noemt men zoo’n lintejongen?”

“Door den page? wat had die zoo vroeg buiten te doen?” “Dat weet Joost—Gisteren was het met dat vreemde volk alles loât op stok. Ik was blij toen ik er om één oere in lag; want ik had op de lakeien moeten wachten, die nog na het avondeten naar het dorp waren gegaan en God beter ze, in de kroeg in sloap gevallen waren. Blij was ik, zooals ik zei, dat ik er om één oere in lag, en met de ongewoonte van zoo loat naar kooi te goan, kon ik den sloâp niet voor vijf oere vatten: dan kijk, pas sloâp ik een oer, of wie stoât doâr veur mien bed?—Die hansworst van een roodrok: en met een stem alsof hij zelf een prins of een groâf was, zeit hij tegen mij, die er nog nooit door groâf of heer of boer op zoo’n manier ben oetgeport: “Vrindje! stoâ op en moâk open.” Vrindje! en dat tegen mij? Kon hij niet zeggen: Poortier! of: goede vriend! of Frans! zoo hij mijn noam anders kende. Moâr, om kort te goan: hê! zei ik, toen ik zoo half wakker was, jonker Melkmuil! is het nou tijd van oet te goân! Goâ nog wat noâr je bed: je zult moe wezen van je reis.—En wat denkje dat zoo’n vlegel me antwoordde? Joâ! zoo iets heb je nooit beleefd! “Kom,” zei hij zoo: “stoâ op! anders goâ ik zelf de poort opensluiten:” en meteen greep hij moâr zoo familjoâr naar de sleutels, die noâst me lagen. Moâr ik zei: heb ik jou doâr? dat zal mis wezen: as je brutoâl wordt, komje der in ’t geheel niet oet! Want ik werd driftig op mijn manier: moâr zoo’n moesjanker deed krek alsof hij er zich niet oan stoorde: hij vouwde de armen over mekoâr enkeek mij heel bedoârd an: “kom,” zei hij zoo: “doe moâr gauw open, anders goâ ik Mijnheer den Baron roepen en vroâg hem, of hij jou hieten wil; want ik heb last van Mevrouw de Gravin: en ik moet oet.”—Hebje ooit zoo’n onbeschoâmden snotneus gezien? Ja! hij zou noâr je voâder goân? jawel mergen! Moâr ik dacht: de jongen spreekt zoo bout, wie weet of hij geen verlof heit van Mijnheer?—en zoo van ’t ien op ’t oâr komende, dacht ik zoo bij mijn aigen: joâ! het is toch de bediende van een groote Mevrouw en hij is zoo veul als kind in huis: ik zal moâr de minste wezen; en zoo stond ik op en liet hem oet, en toen zag ik dat hij twee brieven in de hand had.”

“Gij hebt wel gedaan, Frans!” zeide Joan: “die page is een verwaande zotskap; doch de Gravin heeft veel met hem op: dus moeten wij hem maar wat toegeven, zoolang hij hier is. En gij ook al zoo vroeg op?” vervolgde hij, zich tot Bouke keerende.

“Ja!” zeide deze: “de page had mij gisteren bij ’t naar bed gaan gevraagd of hij vroeg het kasteel uit kon: en daar ik weet, dat er van zulk volkje niet veel goeds te verwachten is, was ik eens opgestaan om te zien, wat hij voor dag en dauw doen moest; maar de vogel was al gevlogen. ’t Is een rare snaak, de eigenste page: aan wie denk je, dat hij gisterenavond zijn hof maakte?”

“Wel aan Klaartje,” antwoordde Joan: “dat is de mooiste meid uit de buurt, en men zeit dat de pages daar altijd op afgaan.”

“Aan Klaartje?” Ja hij moest eens beginnen! al is hij nog zoo in dienst van een gravin, ik zou hem gravinnen: ik ben oom en voogd van Klaartje, en ik zal wel oppassen dat hij haar zelfs geen onnoozelen zoen geeft: ik denk altoos; met kleine lapjes leert de hond leêr eten: vuur en stroo dient niet alzoo: geef den duim, dan....”

“Nu, maar met wie vrijde hij dan?” vroeg Joan, dien vloed van spreekwoorden stuitende.

“Naar wie?—hij heeft twee uren lang in een hoekje van de keuken zitten flikvlooien met de oude Geert.”

“Zijt gij dol, Bouke! Of verkoopt ge flausen? Wat zou hij aan dieoudetotebel verteld hebben?”

“Dat heb ik haar ook gevraagd: doch oele! ze was zoo dicht als een kruitvaatje en zoo geheim als een jonge meid, die voor ’t eerst onder vier oogen met haar vrijer gezeten heeft: zij zei mij, ze kon er niets van oververtellen en ik mocht er aan geen sterveling van spreken, dat zij zoolang met den page geredeneerd had;—maar jawel! ik breek er mijn hoofd mee: ik ruilde toch mijn olde kruitdoos tegen een nieuwe, om te weten wat hij aan die babbelkous al zoo op de mouw heeft gespeld.”

“De oude Geert en de jonge page!” hernam Joan: “dat zou al een fraai paar geven!”

”’t Zou nog de vraag wezen, wie van de twee ’t eerst genoeg had an de andere,” merkte Frans aan.

“Nu!” zeide Joan, “ik trek af: anders wordt het mij te laat. Goeden morgen samen!”

“Goê mergen en goê jacht, Jonker!” zeide de Portier: “zie den page maar voor geen fezantenhoân an: je mocht anders dien sinjeur kakelbont ereis een pijl bij vergissing in zijn dikste vleesch zenden.”

Nog lachende over hetgeen Bouke hem verhaald had, was Joan alras, van Veltman vergezeld, op het pad gekomen, hetwelk aan den voet van het dorp, door moeslanden en boomgaarden, op de heide aanliep en gemeenschap had met den grooten weg, niet verre van de plaats, waar Joan ’s avonds te voren zijn welberadenheid en moed getoond had. Reeds was de Jonker op de opene plaats gekomen, waar een groote houten galg (gelukkig in jaren niet gebruikt) midden tusschen de roodekoolstruiken oprees en des Barons hooge jurisdictie binnen de grenspalen van zijn heerlijkheid aantoonde, toen Veltman, die al snuffelende vooruit was geloopen, stokstijf staan bleef en op deze wijze de tegenwoordigheid van een koppel patrijzen verried, hetwelk inderdaad niet lang daarna klapwiekend opsteeg en vooruitvloog. Sneller echter vloog de pijl des Jonkers het achterna, en deed een der hoenders in het hakhout storten. Spoedig bracht Veltman het dier aan zijn meester, die, na het in zijn weitasch verborgen te hebben, zich aan den voet der galg plaatste om den boog opnieuw te wapenen.

Het koolveld, waarop zich de jongeling bevond, was van den weg door een smalle strook kreupelhout afgescheiden, hetwelk, schoon reeds aan ’t verdorren, echter dicht genoeg was om het doorzien te beletten: hoewel Joan dus niet zag, wie zich op den weg bevond, kon hij echter duidelijk hooren, dat er eene stem, welke hem niet vreemd was, van die zijde kwam. Met jeugdige nieuwsgierigheid sloop hij dus van onder de galg naar het hakhout toe, haalde de berketakken op zijde, keek door de opening, en zag.... in ’t eerst niets; want de rijmdroppelen, die van den tak vielen, hadden hem de oogen doen sluiten;—dan, zoodra hij die uitgewreven had, ontdekte hij, dat hij zich niet vergiste, en dat werkelijk de page der Gravin, in zijn paarsen mantel gewikkeld, midden op den weg stond, en iemand, die van den kant van Reenen aan kwam wandelen, aldus toeriep:

“Zoo! zijt gij daar eindelijk! ik heb al bijkans een uur op u staan wachten.”

“Vergeef mij, Jonker!” antwoordde de nieuwgekomene, die door JoanvoorTeun Wezer werd herkend: “moâr, op den weg ontmoette ik een poâr van mijn kennissen hier uit het dorp, die mij een kwoad hart toedragen uit uithoofde van een kip twee drie, die ik ereis onderweg evonden heb, en die ze zeggen dat hun toekomen: en om die knoâpen te mijden, heb ik de bijpoâdjes enomen, anders ware ik hier al eer eweest. Wat is er nou van ’s Jonkers believen?”

“Hier zijn een paar brieven;..., maar eerst moet ik u nog een vraag doen: kent gij den Heer van Sonheuvel sedert lang?”

“Langer dan mij lief is, Sinjeur!” zeide Teun: “toen ik acht jaren oud was, heit hij me ereis laten afranselen, omdat ik valschelijk beticht was geworden van zijn eieren te hebben met enomen. Konik het gebeteren, dat zijn kippen niet leggen wolden?—En naderhand....”

“Goed! dan kunt gij mij wel verhalen wat u heugt van de geboorte des jonkers? Is daaromtrent niets opmerkelijks voorgevallen?” Hier werd Joan dubbel opmerkzaam.

“Om je de woârheid te vertellen heerschop!” antwoordde Teun Wezer, “heel veel weet ik er niet van. Moâr je mot weten, ik vrijd zoo wat noâr het nichtje van Bouke, den olden knecht op ’t slot: en dat meiske heit me wel verteld, dat hoâr heugt, en ze was ook nog moâr een kind, dat het zeuntje van den Baron begraven werd, en dat deze Jonker, dien we nou hebben, op een blauw-maandag te Amsterdam is aangekomen, zonder dat iemand weet hoe of wanneer: en als ze haar oom er naar vroâgt, dan zeit deze, ze mot moâr zwijgen; moâr nou is er ook wel, die zeggen, dat het zoo’n stuk van een buitenbeentje is van den olden Heer, en dat de Barones er van hartzeer over ekrepeerd is; maar het fijne van de mis weet ik zoowoâr niet.”

“Dan zal ik u ook niet meer vragen,” hervatte de page: “hoor! hier hebt ge twee brieven, beide zonder opschrift: dezen, waar ik het kruis op gemaakt heb, om hem te onderscheiden, bezorgt gij te Tiel, ten huize van Klaas Meinertz den schrijnwerker. Gij behoeft niet te zeggen van wien hij komt, maar gij moet hem aan den man zelven overhandigen: hij zal u voor ’t bestellen twee kronen geven, dat staat in den brief.”

“Wat?” zeide Teun Wezer: “Klaas Meinertz! die ijzegrim, die femelaar, die den geheelen dag bidt en psalmen balkt, en mij al meer dan eens noâr de diepste diepte van de hel ewenscht heit, zal die mij twee kronen geven?.... Stichtelijke vloeken naar mijn kop, alsof ik....”

“Hij zal u twee kronen geven, als ik zeg,” hernam Ludwig, droogjes.

“Nou! ik zal ’t bezorgen,” zeide Teun, grinnekende.

“En dezen brief,” vervolgde Ludwig, “brengt gij aan den Ambtman Mom, die op dit oogenblik in Tiel is: mede eigenhandig. Zoo men u niet bij hem in wil laten, zegt gij maar, dat gij van de Gravin van Nassau komt.”

“Ja moâr,” zeide Teun, terwijl hij zijdelings naar de galg keek, die men over het hakhout heen kon zien: “ik ben juist niet zwoâr op een bezoek bij den Ambtman gesteld: ik tracht zoomin mogelijk met de heeren van den Gerechte in kennis te komen, want zij hebben allen, ik weet niet woârom, een hekel aan mij gekregen, en ik heb geen lust om dat gindsche veld met rooiekool eens uit de hoogte te bekijken.” Hier maakte hij de beweging van hangen.

“De brief, dien gij brengen zult, zal uw beste aanbeveling bij den Ambtman zijn,” hervatte Ludwig; “doch gij zult het diepste stilzwijgen omtrent de u toevertrouwde boodschappen in acht moeten nemen, of..., uw vrees zou verwezenlijkt kunnen worden!”

“Wees gerust! voor geld en kwaê woorden zwijg ik als een kikker bij winterdag: is er nog iets van je bevelen?”

“Niets meer! rep je en maak bijtijds in Tiel te wezen: hier hebt ge nog wat drinkgeld en iets om het veer te betalen.”

“Duizendmoâl dank, heerschop!” zeide Teun: “nou snij ik dat zijpad moâr in; want het dorp ga ik liefst niet deur, om redenen mij bekend. Leef gezond Sinjeur!”—Met dit afscheid sloeg hij het zijpad in, liep Joan voorbij zonder hem te zien en verwijderde zich naar den kant der rivier.

Deze zonderlinge samenspraak had Joan zoodanig verbijsterd, dat hij zijn boog, de hoenders, ja de jacht zelve vergeten was, en nog luisterde toen de boerenknaap reeds lang uit het gezicht was.—Toen hij omtrent de echtheid zijner geboorte bedenkingen had hooren opperen, was hij in den wil geweest, zich aan den onbeschaamden lasteraar te vertoonen en hem eens heftig door te halen; doch de vrees had hem teruggehouden: schoon moeds genoeg bezittende, achtte hij het geen gelijk spel om zich te wagen tegen Teun Wezer, een forschen, ruwen knaap, die niets te verliezen had, dadelijk met het mes gereed was en hem bovendien een kwaad hart toedroeg; den page betrouwde hij zoo weinig, dat hij niet wist, of hij hem als vriend of vijand beschouwen moest, en van dezen kant wachtte hij dus geen bijstand. Voorzichtigheidshalve was hij daarom in zijn schuilhoek blijven zitten tot na den afloop van ’t gesprek: over de boodschap der brieven had hij maar half nagedacht, meenende, dat de bezorging daarvan een geheim was, dat de Gravin raakte en naar ’t welk hij zelfs niet gissen mocht; want van zijn jeugd af was hem ingeprent, dat het schandelijk is, te willen indringen in hetgeen iemand zoekt te bedekken. Ziende dat de page langs den rijweg weder naar het dorp ging, kroop hij het hakhout uit en volgde hem, met oogmerk om hem met een tik op de schouders en den gewonen morgengroet te verrassen; doch Veltman, die nu lang genoeg naar zijn zin aan de zijde zijns meesters had stilgezeten, snelde hem met drift vooruit en verraadde Joans nabijheid aan den page. Deze keek om en zag Joan achter hem, die hem een frisschen morgen toewenschte.

“Goeden morgen, Jonker!” zeide Ludwig, even den hoed aflichtende en vervolgens gelijken tred met Joan aannemende: “reeds zoo vroeg in ’t veld?”

“Mij dunkt,” zeide Joan, “ik moest u die vraag doen; doch zoo gaat elk voor zijn eigen aangelegenheid uit: ik voor mijn vermaak, gij om Mevrouw de Gravin te believen.”

De page zweeg een oogenblik en hield zijn kleine gitzwarte oogen op Joan gevestigd, als wilde hij op het open gelaat des jongelings lezen, of zijn gezegde niet meer dan een loutere veronderstelling, dan wel of het een geheimen zin bevatte; vervolgens hernam hij:

“Wat doet u denken, Jonker! dat ik voor Mevrouw de Gravin ben uitgeweest?”

“Omdat ik niet geloof,” gaf Joan ten antwoord, “dat gij voor uw eigen vermaak, na gisteren den ganschen dag gereisd te hebben, zoo vroeg het warme bed, voor de koude hei verlaten hebt; en dandie brieven, die gij aan Teun Wezer gegeven hebt en die ik vrees dat slecht bezorgd zullen worden: want hij is een groote schavuit.....”

“Gij hebt ons dan gezien?” viel Ludwig haastig in.

“En gehoord,” zei Joan.

Ludwig zweeg, zag somber voor zich heen, nam zijn slinkerhandschoen in de rechterhand en begon er op te knabbelen, totdat Joan hem glimlachende vroeg, wat de arme handschoen gedaan had, dat hij dien zoo slecht behandelde.

Na een poos gezwegen te hebben, zeide de page, met een ernstig gelaat: “Jonker! de boodschap, welke ik aan dien boerenknaap gegeven heb en waarvan zijn baatzucht mij de goede bestelling waarborgt, is van het hoogste belang, en Mevrouw de Gravin had mij op het hart gedrukt, dat ik er niemand iets van zoude laten blijken. Dewijl UEd. echter getuige geweest zijt van de uitvoering van den mij gegeven last, hoewel ik niet verwacht had, dat UEd. ons beluisteren zoude....”

“Geheel onwillekeurig,” zeide Joan blozende: “ik dacht, dat uw ontmoeting met Teun Wezer toevallig was, en ik sloop naderbij uit loutere nieuwsgierigheid om te weten wat die schurk u vertellen ging:—wat die brieven betreft, daarvan zal nooit een woord over mijn lippen komen: nooit heb ik iemands geheimen verraden, of zij mij aangaan of niet;—doch ik wilde wel eens weten, hoe het te pas kwam, dat gij dat logenbeest van een Teun over mijn geboorte ondervraagdet, om zulke lastersprookjes uit te lokken als hij u op de mouw spelde.”

“Jonker!” antwoordde de page met een nog ernstiger gelaat en op een langzamen toon: “ik wilde wel, dat gij mij deze vraag niet gedaan hadt: daar mijne handelwijs u echter met reden vreemd moet voorkomen, zal ik u openhartig zeggen, dat er zonderlinge geruchten omtrent uw geboorte loopen;.... geruchten, welke, wijd en zijd verspreid zijnde, mij ter ooren zijn gekomen.... hoewel ik er de zegsman niet van wezen wil.... waardoor de nieuwsgierigheid van Mevrouw de Gravin.... gij weet, dat vrouwen veeltijds nieuwsgierig vallen;.... doch ik zelf wist niets van dat geval af.”

“Joost haal me, als ik iets uit geheel uw openhartig antwoord begrijp,” hervatte Joan.

“Indien UEd,” zeide Ludwig, “nader onderricht begeert, kan UEd. immers met den Heer Baron spreken? Die zal best weten, hoe het met uw geboorte zit,” voegde hij er lachend bij.

Joan stond stil, knikte eenige reizen met het hoofd, loosde een diepen zucht, wenschte den page vaarwel en sloeg een zijweg in, die naar de heide bracht, terwijl Ludwig slotwaarts keerde.

In den morgen van dien dag viel er op het kasteel niets belangrijks voor: tegen den middag keerde Joan van de jacht, met de tijding uit het dorp, dat het rijtuig der Gravin weder in orde gebracht was en na den eten zou voorrijden. Aan tafel was hij, zoowel als zijn pleegvader, peinzend en stil: na den afloop van den maaltijd kwam de koetswagen de slotbrug oprijden: de Gravin nam beleefdelijk afscheid van den gastheer en zijn gezin, reed met haar gevolgaf en kwam, zonder verdere tegenspoeden, twee dagen later, behouden in ’s Hage.

“Een schoone vrouw!” zeide Geertrui tegen Bouke, die bezig was de valken te voederen: “en zoo minzaam jegens een iegelijk. Waarlijk, zij heeft veel van Mevrouw zaliger: even vriendelijk en voorkomend, als die was: en zij weet van het huishouden al vrij wat af voor zoo een groote Mevrouw! zij maakte zelfs de aanmerking, dat de kussens in de groote ridderzaal veel meer hun kleur verloren hebben dan de gordijnen, schoon ze van hetzelfde damast zijn. Ja! zei ik zoo, genadige vrouw Gravin! toen onze lieve Mevrouw zaliger nog leefde, was het niet geoorloofd op die kussens te gaan zitten: toen hielden zij beter hun kleur; maar zij zei, nu, ik heb toch liever de kussens om op te zitten, zei zij, dan alleen voor de pronk; en toen zei ik: ja Mevrouw! dat is ook waar, maar het is toch wat erg, dat nu die stinkende honden op die kussens gaan liggen; en toen lachte zij.”

“Maar vertel mij liever eens, Geert,” zeide Bouke, haar in de rede vallende: “wat heeft die lanterfant van een page je toch verteld? Je hadt het bijsterdruk methem.”

Op deze vraag hield de oude dienstmaagd eensklaps met lachen op en zette haar gelaat in een meer ernstige plooi.

“Zeker heeft hij je onderhouden over je blozende kleur,” vervolgde Bouke, “en over je betooverende oogen, hoewel men die slechts vinden kan door den bril heen.”

“Een bril! nu kijk!” hernam Geertrui, gebelgd: “en wanneer draag ik een bril? niet dan om in Gods woord te lezen en om kousen te mazen; en dan draag ik hem nog maar op de punt van mijn neus, zoodat ieder mijn oogen zien kan. Ja! ik wilde wel eens zien, dat iemand kousen maasde zonder bril. Daar was onze lieve Mevrouw zaliger, die droeg immers ook wel een bril.”

“Alleen wanneer jij gebroddeld hadt, Geert! en zij de verloren steken moest opnemen.”

“Wel heb je van je leven,” riep Geertrui toornig uit: “Wat weet jij van verloren steken en van broddelen af?”

“Neen, daar versta jij je beter op, oudje!.... doch dat daargelaten:—Wat heeft je de page verteld? dat is maar het punt in quaestie; want dat hij jou zijn hof gemaakt heeft, is zeker.”

“Ja!” zuchtte Geertrui: “ik vrees, dat ik te veel met hem gepraat heb.”

“Te veel!” riep Bouke, schaterend van lachen, “te veel met hem gepraat?—De droes! heeft hij in ernst je hartje gestolen!”

“Och neen! malle gek! loop heen met je grollen! maar mijn rust heeft hij toch meegenomen,” vervolgde zij, half huilende: “ik heb van dezen nacht geen oog toegedaan.”

“Daar hebben wij ’t al. Wat voert zoo een page niet al uit? Daar berooft hij de eerzame Geertrui Claassens, die in de eerste dertig jaren geen vrijer heeft willen hebben, en in de laatste drie kruisjes geen vrijer heeft kunnen hebben, zoo maar op eens van haar nachtrust.”

“Spot maar niet,” antwoordde Geertrui: “het is waarachtig geending om mee te spotten: hoor eens, Bouke! Het heugt je nog, toen Mevrouw zaliger nog leefde....”

“Als ik het vergeten was, zou jij het mij wel herinneren,” viel Bouke haar in de rede.

“Neen, maar hoor!” vervolgde zij, “of ik spreek geen woord meer: toen Mevrouw zaliger nog leefde, en te Amsterdam was, en toen jij met Mijnheer van ’t leger kwaamt met den kleinen Joan?”

“Ja gewis!” antwoordde Bouke, die nu op zijn beurt ook donker begon te kijken: “maar je weet ook wel, dat wij Mijnheer bij eede beloofd hebben, nooit aan iemand iets daarvan te zullen navertellen.”

“Dat heb ik beloofd, Bouke! en het spijt mij genoeg; want het is de eenige reis in mijn leven, dat ik Gods naam zoo ijdellijk gebruikt heb.”

“Foei!” zeide Bouke: “spijt het jou een eed gedaan te hebben, Geert? ben je menist geworden? Je weet, wat Dominee alle weken zeit: de wederdoopers, zeit hij, zijn Belialskinderen, vijanden van Z. Doorluchtigheid en van den lande, die niet zweren willen, noch de ronde doen, noch de wacht betrekken, noch de heilige predestinatie gelooven: en wat zegt het rijmpje?

Aenmerct wel hun begheeren breedt,Wat quaet bescheet—sy doch uitgheven,Als dat men niet mach sweeren eedt.Daert soo ghereet—doch staet beschreven:Ja van Godt end’ Christo verheven,Van Paulo end’ ander gheschiet.Ooc is den eedt hier in dit leven’t Eynde van allen twiste ziet.

Aenmerct wel hun begheeren breedt,

Wat quaet bescheet—sy doch uitgheven,

Als dat men niet mach sweeren eedt.

Daert soo ghereet—doch staet beschreven:

Ja van Godt end’ Christo verheven,

Van Paulo end’ ander gheschiet.

Ooc is den eedt hier in dit leven

’t Eynde van allen twiste ziet.

Doch dat tusschen twee haakjes, Geert! wat doet dit tot uw gesprek met den page?”

“Dat doet er zooveel toe,” zeide Geertrui, hem naar zich toetrekkende en zoo zacht mogelijk sprekende, “als dat die page evenzoo goed wist als jij en ik, dat Joan Mijnheers kind niet is.”

“Bewaar ons,” riep Bouke, achteruitspringende: “dan moet jij het hem verteld hebben.”

“Hoor maar eens, of ik het helpen kan,” zeide Geertrui; “de page begon met mij te vragen of ik hier lang in huis had gewoond: en toen sprak hij mij over Mijnheer en Mevrouw zaliger....”

“En toen was jij op je praatstoel!—Ja, hij is ook fijn, die page. Hij zal wel niet met de deur bij jou in huis zijn gevallen; want men vangt geen hazen met trommels, dat is klaar.”

“Vervolgens vertelde ik hem onder anderen, dat ik baker geweest was van freule Ulrica, en daarop vroeg hij mij, of ik Jonker Joan ook gebakerd had.”

“Zoo vraagt men den boeren de kunst af: en wat gaf je hem ten antwoord?”

“Ik zei: Mijnheers zoontje heb ik gebakerd, en dat is ook waar: het lieve kind is nog op mijn arm gestorven.”

“Zoo!” zeide Bouke: “nogal fijn van jou bedacht: weet je wel,Geert! dat het erg met jou staat! dat was weer een Menist antwoord! Geert! Geert! doch verder!”

“Toen zei hij: ja maar dat zoontje is immers dood, daar je van spreekt?”

“Welnu,” hernam Bouke: “al had je nu eens neen gezeid, een leugen om bestwil is geen zonde.”

“Ja!” hervatte Geert, “ware ik maar zoo wijs geweest; maar ik dacht:

Dat ons ja, moet ja zijn waerachtighEn ons neen moet wesen neen:

Dat ons ja, moet ja zijn waerachtigh

En ons neen moet wesen neen:

en daarom zei ik eenvoudig van ja: en toen dacht ik, hij zou tevreden zijn; maar jawel! toen vroeg hij mij, of Mevrouw zaliger niet op een rare wijs aan Jonker Joan geraakt was, en of ik niet zoogoed wist als hij, dat de Jonker geen droppel Duitsch bloed in zijn aderen had? en toen werd ik zoo angstig, dat ik hem verzocht, er niet meer en met niemand over te spreken, en toen liep ik weg.”

“Dat heb je al heel dom behandeld voor een verstandig mensch,” bromde Bouke: “’t is met jou ook: hoe alder hoe malder. Ik zou het maar niet aan Mijnheer vertellen; want dan zag het er slecht met je uit.”

“Ik heb mij toch niet versproken, zooveel ik weet,” zeide Geertrui verlegen.

“Nu! gedane zaken hebben geen keer! en het best dat ik je raden kan, is dat je op een anderen tijd voorzichtiger zijt en altijd denkt: verzint eer je begint! vroeg gedaan en laat bedacht heeft menigeen ten val gebracht: heden doen, morgen bloên: vandaag de tong gevierd, morgen den rug gesmierd.”

“Ja, als je mij geen beter troost weet te geven, dan je stomme spreekwoorden, Bouke! dan....”

“Nu! ga dan maar naar Ds. Raesfelt, en die zal je zeggen, dat je lezen moet den Brief van Jakobus cap. III vs. 3; doch het wordt tijd, weer aan ’t werk te gaan en mijn valken zitten met open bekken! die stomme dieren kunnen het weinig helpen of jij al geklapt hebt, en zij moeten er niet door lijden.—Nu! zooals gezegd is, oudje! wees in ’t vervolg voorzichtiger.”

En hiermede liep dit merkwaardig gesprek tusschen Bouke Boukes en Geertrui Claassens ten einde.


Back to IndexNext