The Project Gutenberg eBook ofDe PleegzoonThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: De PleegzoonAuthor: J. van LennepRelease date: January 31, 2008 [eBook #24467]Language: DutchCredits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online DistributedProofreading Team at http://www.pgdp.net/*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PLEEGZOON ***
This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.
Title: De PleegzoonAuthor: J. van LennepRelease date: January 31, 2008 [eBook #24467]Language: DutchCredits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online DistributedProofreading Team at http://www.pgdp.net/
Title: De Pleegzoon
Author: J. van Lennep
Author: J. van Lennep
Release date: January 31, 2008 [eBook #24467]
Language: Dutch
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online DistributedProofreading Team at http://www.pgdp.net/
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PLEEGZOON ***
Oorspronkelijke rug.De Pleegzoon.Frontispiece: afbeelding van Jacob van Lennep met handtekening.De PleegzoonDoorMr. J. van Lennep.Uitgeverslogo A. W. Sijthoff met motto “Altijt Waek Saem”.Leiden.—A. W. Sijthoff.Mr. Jacob van Lennep.“Van Lennep was onze prettigste litteraire gestalte, die de kunst verstond vijftig jaren lang amusant te blijven.”Cd. Busken Huet.I.’t Was een plezierVan Lenneppersoonlijk te ontmoeten.Toen hij in Augustus 1865 ter vergaderzaal van het achtste Taal- en Letterkundig Congres te Rotterdam verscheen, geheel in een grijs zomercostuum, het fraaie zilveren hair om de slapen golvend, kwam ieder hem blij groetend te gemoet. Aan de tafel van het bestuur plaats nemend, de guitige, donkere oogen naar het publiek, vooral naar de dames richtend, zat hij met een bijna onmerkbaren glimlach te luisteren. De vrij drooge beraadslaging over de spelling der bastaardwoorden werd plotseling door hem met een handvol aardigheden afgebroken. Wie herinnert zich niet, hoe daar door hem geijverd werd, om de ph door de f te vervangen—hoe hij vertelde, dat hij als jonkman een zangspel “Saffo” geschreven had, maar, dat de regisseur zijne spelling inSaphogewijzigd had, zoodat de acteurs: “O, Sap, ho, wees gegroet!” zongen; hoe hij er bijvoegde, dat eene Amsterdamsche dienstmaagd, uitgezonden door hare mevrouw, om te zien of er een vroolijk stuk op het Leidsche Plein zou gespeeld worden, terugkwam met het bericht: “Ze spelen de Mophondjes,” terwijl in werkelijkheid “Demophontes,” het classiek treurspel vanMetastasio, vertaald doorWesterwijk, werd vertoond; hoehij besloot met de mededeeling eener jonge dame, die hem in zijne waardigheid van vrijmetselaar vroeg, wat de orde toch bedoelde met de woordenprop hanen, waarop hij antwoordde, dat daarmeê waarschijnlijk de mannetjes van prop hennen gemeend werden.Een zonneschijn van vroolijkheid schitterde plotseling over de vergadering, die vóórVan Lennep’skomst in deftige dommeling zachtkens afdreef op den stroom der verveling.In het huis op de Keizersgracht, in zijne ruime studeerkamer, aan zijne schrijftafel, maakte hij geen minderen indruk. Gekleed met zijn grijzen kamerjapon—als op het groote gesteendrukte portret naar de voortreffelijke schilderij vanSchwarze—de snuifdoos in de linkerhand, de rechter op een arm van zijn leunstoel, zat hij daar met zijn prettig gezicht en fonkelende oogen naar de woorden van zijn bezoeker te luisteren, de gelegenheid afwachtend, om met een fijnen zet of een luimig verhaal zelf het woord te nemen. Onder vier oogen kwam daarenboven de natuurlijke goedheid van zijn hart uit, daar hij geene moeite te zwaar vond, om aan eenig verzoek zijner vrienden te voldoen. Zijne wetenschap, zijne bibliotheek, zijn invloed stonden hun ten dienste, zoo vaak zij zijne hulp inriepen.Te Gent zag men hem, ter gelegenheid van het negende Letterkundig Congres, in het voorportaal van den schoonen schouwburg, op een Augustusavond van 1867 in zijn licht reiscostuum—hij was uit Zwitserland overgekomen—terwijl hij met hartelijkheid de hand drukte van E.Douwes Dekker, die hem kort te voren in een vlugschrift zijne hulpvaardigheid bij het uitgeven van den “Max Havelaar” als een misdrijf voor de voeten had geworpen. De Congresleden omringden hem van alle kanten. En uit de rijen der Zuid-Nederlanders ging een luid gejuich op. Zooveel grootmoedigheid, zooveel zelfbeheersching, zooveel rustige heuschheid mochten niet onopgemerkt blijven.Van Lennep’spersoon was overal bekend. Overal werden hoeden afgenomen, handdrukken gewisseld. In alle Nederlandsche steden had hij vrienden of ten minste goede kennissen. Zelfs onder den eenvoudigen, maar nuttigen, stand der sjouwerlieden was zijn naam en persoon bekend. En niet alleen te Amsterdam. Het gebeurde in 1867, dat te Rotterdam aan het station van den Rhijnspoorweg bij het aankomen van een trein uit Utrecht, een aardig, knap juffertje stond bij eene geopende deur aan het plankier. Dat juffertje was eene Rotterdamsche, die dagelijks vrij wat menschen zag, daar zij haar guitig wipneusje sedert een jaar achter het buffet deed bewonderen door wereldwijze handelsreizigers en roodgeblakerde tweede-luitenants,die op transport waren. Toen de reizigers uit den trein zich over het plankier verspreidden, zag zij te midden van eene groep luidsprekende heeren een grijsaard met ongemeen vriendelijken glimlach en golvende witte hairen. Telkens hield iemand hem staande, om hem met een levendigen uitroep van verrassing, van ingenomenheid, eenige snelle woorden toe te spreken, die door den wellevenden man onuitputtelijk geduldig werden beantwoord. Ieder beijverde zich met liefde den weg open te houden voor den uiterlijk reeds zoo achtbaren man, wiens tred door den last van vijfenzestig jaren reeds vrij wat van vroegere veerkracht miste. De knappe buffetjuffrouw verwonderde zich, dat één oude heer zoo ontzettend veel kennissen om zich heen verzamelde. En daar Hein, de witgekielde sjouwerman van het goederenbureel, juist voorbijkwam, vroeg ze:—“Wie is die grijze heer?”—“Wie? Wel nou, jij bent ook een beste! Ken-je onzen Van Lennep dan niet?”’t Feit is historisch en werd door een ooggetuige verteld. Ik kom er weldra op terug.Toen ikVan Lennepvoor het laatst zag, doorleefde hij den gelukkigsten dag van zijn ouderdom. Het was Vrijdag 18 October 1867, den dag, waarop te Amsterdam het standbeeld vanJoost van den Vondelzou worden onthuld. Eene groote menigte stroomde naar de Nieuwe Kerk, om zich rondomVondel’sgrafsteê te vereenigen. De blauwe zerk was zorgvuldig van stof gezuiverd en prijkte met eene krans van gele immortellen. Een dichte drom geletterden schaarde zich eerbiedig om deze heilige plek, terwijl boven onze hoofden de zon door de hooge kerkvensters scheen en schoven van goud licht over het hoog gewelf uitgoot. Plotseling stondVan Lennepvóór ons, het witte hoofd ontbloot, de oogen tintelend van geestdrift, na zeven jaren zwoegens eindelijk triumfeerend door de oprichting van het standbeeld. Hij sprak enkele eenvoudige woorden overVondel’s graf en noodigde de feestgenooten naar het park, waar het schoone monument vanRoyerenCuyperszou worden onthuld.Een uur later verscheen hij in het spreekgestoelte bij het standbeeld en sprak daar met duidelijk verstaanbare stem zijne feestrede. Niemand was meer gerechtigd dan hij tot deze taak, daar hij een vierde van zijn reeds gevorderden leeftijd aan het verhaal vanVondel’s leven, en aan het verklaren van zijne werken had besteed. Uit aller keelen klonk daarom een aanhoudend bravo, toen de welsprekende staatsman, die destijds aan het hoofd van het departement van Binnenlandsche Zaken stond, toen Mr. J.Heemskerk Az.,Van Lennepmet een hartelijk woord van gelukwensching, namens Z. M. den Koning, het commandeurskruis der orde van den Nederlandschen Leeuw aanbood.Zóó zag ik hem voor het laatst.Eens nog schreef hij mij (8 Februari 1868), zeven maanden vóór zijn dood (26 Augustus 1868). Ik geloof, dat men mij de vrijheid vergunnen zal dezen brief hier meê te deelen, men zal er uit zien, dat mijn verhaal van Hein, den kruier, volmaakt historisch is.“Amice!“Ik zeg u grooten dank voor het exemplaar van denbekroondenVondel1.... waarmede mijn vrouw, die gedurende de feesten ziek was en dus niets van de pret gezien of gehoord had, zich bijzonder vermaakt heeft.... Ik zal er maar niets van zeggen, want ik krijg er zooveel mooie kompl. in, dat ik uw stuk niet prijzen durf, zonder den schijn op mij te laden, alsof ik het daarom zoo naar mijn zin vind....“Het doet mij plezier, dat Gij die pret op ’t slot te Muiden zoo con amore geschilderd en de aandacht weder op dit slot gevestigd hebt. De Hr. Heemskerk had, onmiddellijk na het feest, zijn voornemen te kennen gegeven, om een wet voor te stellen tot restauratie van het slot, zich vleiende, dat daarvoor nu juist in deze oogenblikken veel sympathie zijn zou;—doch nu is juist die vervelende krizis tusschen beiden gekomen—2. Van die krizis gesproken,podagraheb ik deze reize niet gehad, maar dewijl ’t een kwaal is, daar ik best mee bekend ben sedert 30 jaren, heb ik haar bij voorkeur in mijn brochure gebracht—3als onschuldig middel om de attentie te trekken—....“Maar ik heb zes maanden lang gesukkeld aan leewater in de knie en laatstelijk aan doofheid. Dat is nu Goddank weer over en mijne gezondheid is door de Vondelsfeesten geheel gekureerd.“Zijt gij ’t, of is het een ander, die deLetterkundige Intermezzoosin Nederland schrijft4. De schrijver, wie dan ook, heeft in zijn eerste artikel eene beschuldiging tegen onze natie gericht, als zou zij haar schrijvers, mij b. v., niet kennen of liever geen notitie van hen nemen. Ik zou hem, daar ik er ook als voorbeeld bij gehaald ben, een dozijn voorbeelden kunnen geven van het tegendeel. Toen Hofdijk voor een paar jaren bij mij aan de Steeg logeeren zou, was er in beide herbergen al een groote vreugde en verwachting vooruit—en onlangs, dat ik te Rotterdam uit den trein stapte en de juffrouw van ’t buffet zei: “He, wie of die grijskop is met zijn lange haren!” riep een sjouwerman van ’t goederenbureau verontwaardigd uit: “Wat, ken-je onzen Van Lennep niet?” Dit werd mij later medegedeeld door den Hr. Van Alphen, die ’t gehoord had.“Indien gij nu de bedoelde schrijver niet zijt, laat die anecdote—die in dat geval een kale bluf zou schijnen—maar liever ongelezen.“Vale, faveque“Amst. 8 febr. 1868. T. T.“J. v.Lennep.”Van mijn edelmoedigen vriend, die zich, helaas! te vergeefs vleide met herstel zijner gezondheid, heb ik dus de mededeeling omtrent het feit, dat wellicht bij de eerste vermelding wat onwaarschijnlijk mocht klinken.De vreugde aan de Steeg in 1866 betoond bijHofdijk’s komst schijnt mij tevens in nauw verband te staan met de blijde opgewektheid, die de viering van zijn zeventigsten jaardag (27 Juni 1886) heeft gekenmerkt.II.Zonder eenige overdrijving mag beweerd worden, datVan Lennepals dichter, als romanschrijver, vele jaren lang de populairste onzer auteurs is geweest. Als voorbeeld zijner populariteit heeft Cd.Busken Huetin 18645verhaald, dat eene Zandvoortsche vischvrouwal de veertien deelen van zijn exemplaar der romantische werken vanVan Lennephad geleend en gelezen.Doch niet alleen in visschersstulpen ook in de huizen onzer gegoede burgerij, in de woningen onzer patriciërs op de Keizers- en Heerengrachten, wasVan Lennepsteeds een welkome gast. Zijne “Idyllen” maakten hem populair bij de studenten, zijne “Legenden” wonnen hem het hart van al wat jong was, vooral de harten der Hollandsche jonge meisjes, eene veroveringVan Lenneptot op den laatsten dag zijner vriendelijke grijsheid dierbaar. Oud en jong, stedeling en dorper, edelman en burger, schonken hem hunne genegenheid, toen “de Pleegzoon” verscheen, toen “Ferdinand Huyck,” zijn beste roman, “de Roos van Dekama” opvolgde, toen de breed ontworpen “Voorouders” het licht zagen, en eindelijk, toen de niet het minst besproken, aangevallen, geprezen en gelezen “Lotgevallen van Klaasjen Zevenster” geheel de letterkundige wereld in den winter van 1865 op 1866 in rep en roer brachten.Van Lennep’s romans blijven leven, zoo goed als die vanWalter Scott, en worden herhaaldelijk herdrukt, gelijk ook deze steeds opnieuw worden uitgegeven. “De Pleegzoon” verscheen in 1829 en zag sedert dat jaar tot heden met al zijne opvolgers, telkens in nieuwen vorm het licht. Omtrent “de(n) Pleegzoon” schreef de auteur mij (4 Augustus 1867):“Ik heb mijn Pleegzoon ongeveer 40 jaren geleden geschreven (1827); hij heeft eenige jaren in de lade gelegen; geen boekverkoper wou er aan. Eerst toen ik met mijne Legenden wat naam gemaakt had, wou P. Meijer Warnars er zich wel over ontfermen. Van honorarium kon nog geen sprake zijn, en ik geloof niet, dat Drost voor zijn “Pestilentie te Katwijk” heel veel meer gehad heeft. Oltmans kwam iets later, wanneer weet ik niet. Eerst na 1840 heb ik honorarium bedongen....”De eerste historische roman van Mr.Jacob van Lennepmoesttwee jarenwachten, voordat hij bij wijze van genade door den druk werd algemeen gemaakt!Dit leerzaam feit voor de geschiedenis onzer letteren zal balsem gieten in de wonden van hen, die met onuitgegeven handschriften naar een uitgever blijven zoeken, en tevens in die der lofredenaars van ’t verledene, welke er zich aan ergeren, dat onze boekenmarkt op het huidige oogenblik te veel overvoerd is.De drukken vanVan Lennep’s historische romans volgden elkander spoedig, een bewijs, dat P.Meijer Warnarsweinig oog had op letterkundige kunst. ’t Meest bekend werden: de Rotterdamsche uitgaaf van 1855 in dertien blauwe deelen en de vierdeelen, klein folio, doorNijhoff,SijthoffenThiemevan 1867 tot 1869 in het licht gezonden. Zonder profeet te zijn, durf ik ook der tegenwoordige volkseditie in elf deelen de vruchtbaarste toekomst voorspellen.De historische romans vanVan Lennephebben eene blijvende waarde, die zoowel uit hunne kracht, als uit hunne zwakheid spruit. Voordat ik dit met een enkel woord staaf, doet zich de vraag op, ofVan Lennepchronologisch inderdaad onzeeerstehistorische romanschrijver is. Meestal stelt men het zoo vóór, alsof in 1829 door “De(n) Pleegzoon” in de geschiedenis der Nederlandsche letteren een datum gevormd wordt; alsofVan Lennep’s eerste roman, tevens de eerstehistorischeroman in Nederland geweest is. Dit is alleen inzekerenzin juist.Van Lennepschreef in 1827—hij zelf verzekerde het ons reeds—zijn eersten historischen roman. Als zoodanig is de chronologie in orde. Doch om nauwkeurig te spreken, had men moeten vermelden, dat in 1827 eene Amsterdamsche patricische schrijfster, MejuffrouwMaria Jacoba de Neufville, het beproefd had een historischen roman samen te stellen, die evenals “De Pleegzoon,”[komma achter ”?] maar eenigen tijd vóór “De(n) Pleegzoon”, in 1829 het licht zag onder den titel: “De Schildknaap. Iets uit den ouden tijd. Een oorspronkelijk historisch romantisch verhaal.” (Staalgravure van D.Veelwaard). Te Amsterdam bij P.den Hengst en Zoon. 1829, gr. 8o.De poging van MejuffrouwDe Neufvilleis volkomen dezelfde als die van Mr. J.van Lennep. Zij vloeit uit dezelfde bron. Zij getuigt het in haar “Voorberigt,” als zij verklaart:“Aan de Verhandeling van den Hooggeleerden Heer D. J.van Lennep,Over het belangrijke van Holland’s grond en oudheden voor gevoel en verbeelding, welke Verhandeling ik op den 30eJanuarij 1827 het genoegen had, door den opsteller te hooren voordragen, is het werk, hetwelk ik thans mijnen landgenooten aanbied, deszelfs wording verschuldigd. Altijd met warme liefde voor mijn zoo dikwijls ten onregte verguisd en beschimpt vaderland vervuld, groeide die liefde in mij tot geestdrift aan, door de zoo welsprekende taal des Hoogleeraars en kwam alaanstondsde lust in mij op, om te beproeven of het mogelijk wezen zou, een romantisch tafereel te schetsen, in den smaak van dezulke, als wij aangaande de zeden en gewoonten van andere volken bezitten, iets waarmede (en hierover betuigt de HeerVan Lennep, in meergemelde Verhandeling zijne verwondering) zich aangaande onze voorvaderen nog niemand beziggehouden had.”Uit deze woorden blijkt duidelijk, dat “de Pleegzoon” en “deSchildknaap” bijna terzelfder tijd en onder dezelfde invloeden ontstaan zijn. De hoogleeraarD. J. van Lennepgaf aan beiden dezelfde opwekking; hij leende zelfs wetenschappelijke boeken aan MejuffrouwDe Neufville, zooals zij in datzelfde “Voorberigt” vermeldt, als zij getuigt: “Voor het overige hebben andere schrijvers, wier werken ik, of zelve bezit, of die mij door den heerVan Lennep.... goedgunstiglijk geleend werden, mij tot leidslieden verstrekt.”Het is duidelijk, dat vóór 1827 in Nederland geen historische romans zijn geschreven, daar de nauwkeurigeD. J. van Lennepin dat geval zeker niet zou gezegd hebben, dat zich “nog niemand” met dit kunstvak in Nederland had “beziggehouden”. Tevens blijkt uit het “Voorberigt”, dat men den buitenlandschen historischen roman kent, zoodat “Pleegzoon” en “Schildknaap” beiden uit de school van SirWalter Scottstammen—Scott, die in 1814 met “Waverley” begon, en tot aan zijn dood (1832) met zijn “Count Robert of Paris” volhardde. Het behoeft niet nader gestaafd, dat de historische roman juist een kolfje was naar de hand dezer twee, tot eene zeer behoudende wereldbeschouwing overhellende naturen—Maria Jacoba de NeufvilleenJacob van Lennep.Scotthad den historischen roman het eerst in zijn modernen vorm te voorschijn geroepen,Scottwas de apostel zijner nationale glorie, gekant tegen het Fransch classicisme, gekant tegen de omwentelingen van 1789 en 1793.Dat het opwekkend woord van den hoogleeraarD. J. van Lennepin 1827 terstond goede diensten deed aan de vaderlandsche letteren, blijkt niet alleen aan “Schildknaap” en “Pleegzoon,” maar daarenboven nog aan eene enkele zwakke poging in 1828 doorJ. C. Appenzellerbeproefd, die in dat jaar een, nu geheel vergeten, historischen roman schreef onder den titel: “Geertruida Van Wart, of trouw tot in den dood. Eene ware geschiedenis uit de 14eeeuw.” Amsterdam, 1828. 8o.Onze Nederlandsche historische roman begint—daarAdriaan Loosjes, wegens gebrek aan historischen zin, niet mag medetellen—met MejuffrouwDe NeufvilleenJacob van Lennepin 1829, om dan onder invloed van dezen laatste—en natuurlijk van diens meesterWalter Scott—rijkelijk te bloeien.Van Limburg Brouwergaf in 1831: “Charicles en Euphorion,” in 1838: “Diofanes.”Bakhuizen Van den Brinkvolgde in 1834 en 1835 met historische novellen in de “Muzen,” het tijdschrift vanPotgieter,HeijeenDrost; deze laatste schreef in 1831 zijn “Hermingard van de Eikenterpen;”Oltmansvolgde in 1834met “Het slot Loevestein,” in 1838 met “De(n) Schaapherder;” eindelijk verscheen MejuffrouwA. L. G. Toussaint, met haar “Almagro” (1837), haar “Graaf van Devonshire” (1838) en haar “Lauernesse” (1840).Stellen wij dus de te veel vergetenDe Neufvillenaast onzenVan Lennep, dan mogen wij aan beiden de eer geven den historischen roman in Nederland te hebben begonnen.III.De historische romans vanVan Lennephebben eene blijvende waarde, die zoowel uit hunne kracht, als uit hunne zwakheid spruit—zeide ik. Hunne kracht ligt in de uitnemende helderheid van stijl en voorstelling.Van Lennepheeft behoefte aan juistheid, nauwkeurigheid, duidelijkheid. Zijne vertelling zweeft nooit in een duisteren nevel van onoplosbare geheimzinnigheid. AanWalter Scott, misschien ook aan den oudenDumas, heeft hij de kunst afgezien een belangwekkenden knoop te leggen, welken hij zonder kunst- of vliegwerk zeer behendig oplost. Het is niet te ontkennen, dat hij een geliefkoosd schema van roman—de held of de heldin van onbekende afstamming, zoekend naar vader of moeder—somtijds herhaalt. Dit denkbeeld ligt ten grondslag aan “De(n) Pleegzoon,” komt terug in de “Roos van Dekama,” en is op breede schaal bewerkt in “Klaasjen Zevenster”.Eene zwakheid vanVan Lennep’skunst ligt in zekere ongegeneerdheid ten opzichte van historische gegevens, zoodat zijn roman “Elisabeth Musch”, als verhaal op zich zelf aangenaam te lezen, als historische roman volkomen mislukt is. In degelijkheid van historische wetenschap, in psychologische fijnheid van karakteropvatting staat MevrouwBosboom-Toussaintboven hem. Deze laat zich niet afschrikken door een vermoeiend historisch onderzoek, dringt bij hare helden en heldinnen door in de diepten van de binnenborst, en schept karakters, die, psychologisch geheel afgewerkt, een onvergetelijken indruk achterlaten.Van Lennepwil het den lezer naar den zin maken, wil behagen; hij bekreunt zich meer om hetgeen met zijne personen geschiedt, dan wat in hun hart en hoofd omgaat. Hij wil een boeiend verteller zijn, die, zonder de geschiedenis opzettelijk in het aangezicht te slaan, zijn lezer steeds in spanning houdt.Bij MevrouwBosboom-Toussaintontstaat uit de degelijkheid der historische wetenschap en de fijnheid der zielkundige analyse somtijds eene overlading en eene uitvoerigheid, die naar langdradigheid zou kunnen zweemen; bijVan Lennepneemt het verhaal een vluggen, levendigen gang, die het hart van den gewonen lezer steelt, maar dikwijls dreigt in oppervlakkigheid te verloopen. MevrouwBosboom-Toussaintheeftles défauts de ses qualités,Van Lenneples qualités de ses défauts.Het best gelukt is zijn “Ferdinand Huyck,” een voortreffelijk boek in vele opzichten. Evenals in zijn “Klaasjen Zevenster” is hier zoowel historisch als psychologisch het schoonste geleverd van alles watVan Lennepzou voltooien. Hij had de achttiende eeuw lief. Hij kende haar en hare beschaving, vooral het achttiende eeuwsche patriciaat te Amsterdam. Opgevoed naar de overleveringen van zijn oud geslacht, naar de classieke wijsbegeerte van zijn vaderDavid Jacobus, moest hij zich het naast verwant gevoelen aan een juist vervlogen tijdvak, dat door goede manieren, vlug vernuft en letterkundigen smaak uitmuntte.Van Lennep, dien men te recht voor een der aanvoerders der Romantische beweging in Nederland hield, was in zijn hart het classicisme der achttiende eeuw nog meer genegen.Een bewijs van deze laatste stelling put ik uit een zijner vriendelijke brieven.Naar aanleiding eener opmerking tegen Engelsche romanschrijvers, die misbruik maken van Latijnsche citaten, schreef hij mij (5 April 1860):“Ik moet er bijvoegen, dat hetgeen u thands.... tegenstaat, u misschien niet zou hebben tegengestaan, indien gij een 30 jaren ouder waart en u den tijd herinnerdet, toen het klassicisme ook hier te lande meer algemeen was en men zich niet geneerde aan tafel in tegenwoordigheid van dames Ovidius of Horatius aan te halen. De konversatie, zoo als ik mij die in mijn jeugd herinner, had altijd een klassieke tint en wie die bij uitnemendheid wist aan te brengen—en daarom ook in Engeland zoo geacht en gezien was—was A. R. Falck!—en toch belette dit niet, dat de dames toen doodelijk van hem waren.... ja, dat, toen zijn Brieven 3 jaar geleden (1857) in ’t licht kwamen, al de exemplaren bij Amsterdamsche boekverkoopers aanwezig, tot groote verbazing van Nijhoff, den eersten avond reeds waren opgehaald—meest alle door dames tusschen de 60 en 80 jaren (die zeker wilden weten of zij er ook in voorkwamen). ’t Is waar, Falck citeerde ook Fransch, Engelsch, Hoogduitsch, enz.—maar had niets, dat op pedanterie geleek, en nimmer heb ik aangenamer mensch ontmoet.”Zij, dieVan Lennepgekend hebben, zien met mij den schalkschen glimlach om den mond en in het oog beide, waarmeê hij deze regelen schreef!Zijne genegenheid voor het Fransche classicisme der achttiende eeuw paarde zich hoogst eigenaardig aan eene vrij groote geringschatting der middeleeuwen en al wat met middeleeuwsche studiën in verband stond. Zijne “Legenden,” zijne “Roos van Dekama”, zijne “Voorouders” verraden op menige plaats, dat hij trots zijne verwonderlijke vlugheid, ondanks eene verbazende gemakkelijkheid, om alle zwarigheden te boven te komen, toch zijn meesterWalter Scottin kennis en opvatting der middeleeuwen niet evenaarde.Omtrent dit punt schreef hij mij een zeer karakteristieken brief (4 Augustus 1867), toen ik hem de eerste aflevering mijner “Schets eener geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde,” handelende over de middeleeuwen, aanbood:“Ik las uw boekvoormijzelfmet veel belangstelling; doch het zou mij spijten, indien uw wensch vervuld werd, en dit boekje op een H. Burgerschool werd gebruikt. Mij dunkt, zij hebben daar al ongare kost genoeg te slikken dan om nog op Middel-Nederlandsch getrakteerd te worden.“Het is een mooie ontdekking.“Maar ik lees liever Fransch.“Indertijd, toen ik Curator van ’t Gymnasium was, hadHofdijkook zoo’n boekje geschreven.... doch ik zei, dat hij aangesteld was, om aan de jongelui de Hollandsche taal te leeren en niet het Middel-Nederlandschepatoisen ik verbood het gebruik van dat boekske. Die studiën van Gothisch, Angel-Saksisch, Middel-Nederlandsch enz. mogen zeer goed zijn voor filologen, maar zij kunnen er niet toe strekken om onzen stijl of onzen smaak te vormen, en die zoogenaamde naïveteit er van—’t eenige wat dan nog ’t gebrek aan vorm, rhythmus, kadans, maat, rijm, enz. vergoeden moet, geef ik graag present en.... lees liever Fransch.“Verder is er, althans in de eerste helft van uw boek bijna geen bladzijde, waarover ik geen lust zou hebben met u te twisten. ’t Schijnt, dat bij u, even als bij velen, heden ten dage devorm, dedictie,nietsis en alles zich moet bepalen tot de gedachte. Maarpoëtischegedachten heeft bijna iedereen, dunkt mij, en de kunst bestaat juist daarin, dat men ze in een cierlijken, welluidenden, bevalligen vorm giet, die door het oor het hart treft en den geest bevredigt. En daarom, hoe groot en verbazend een genie Shakespere geweest is, ik mis herhaaldelijk bij hem die harmonie, die eenheid, die zuiverheid van vorm, die samen moesten werkenom een wezenlijk schoon geheel te verkrijgen. Dat ik hoog met hem loop, blijkt wel daaruit, dat ik zoowel op mijn tiende, als op mijn 50steen 60stejaar stukken van hem vertaald heb, maar hoe meer ik hem vereerde en bewonderde in zijn reusachtige grootheid, hoe meer het mij hinderde, als ik zoovele euphuïsmen, platheden en laffe aardigheden naast de verhevenste brokken vond. Ik houd machtig veel van Jan Steen en ik bewonderRubens; maar het zou mij stuiten, als ik op den achtergrond eener schilderij, die Christus met de Apostelen voorstelde, een boeren bruiloft zag. ’t Moge het menschelijk leven zijn naar waarheid geschetst, maar “bloemen”—alsBrederozegt—is ook menschelijk; en toch hoort het op het tooneel niet thuis. En daarom al mocht ik eens toegeven, dat de stukken van Shakespere meer schoons bevatten dan eenig ander stuk, zoo is er niet een onder zijne treurspelen, hetwelk door harmonische eenheid voldoet aan ’t geen ik in een treurspel vorder en b. v. terugvind in den Edipus van Sofokles, in den Cid, in de Iphigénie en de Athalie, in den Lucifer en in den Jozef in Dothan. Ik laat natuurlijk ieder vrij anders te denken:hanc veniam damus, petimusque vicissim; maar ik kan niet goedkeuren, dat gij zoo bepaald als lofredenaar van Shakespere optreedt. Onze voorouders zondigden in een tegenovergesteld uiterste en bij hen was Shakespere een barbaar. Nu liggen de groote schrijvers van de eeuw van Lodewijk XIV achter de bank, en mogen alleen Shakespere en Goethe bewierookt worden. Ik heb voor een paar jaar diens “Egmond” zien vertoonen. “’t Moet mooi zijn,” dacht ik, “omdat het van Goethe is; was ’t van een onbekende, ik zou zeggen, wat een godsjammerlijk prul is dit.” Er is een mode in alles; maar omdat men nu een voorstander is van de italiaansche muziek, moet men daarom de Euryanthe leelijk vinden.”Ik behoef der schim van mijn vaderlijken vriend en beschermer geen vergiffenis te vragen voor de vrijmoedigheid, waarmeê ik hem na zijn dood nog eens het woord geef.In 1867 sprakVan Lennepaldus met volle overtuiging. Uiterst merkwaardig schijnt het mij het contrast te bestudeeren tusschen den als hoofd der Romantische School gehuldigden auteur van “Ferdinand Huyck” en zijn eigene zuiver classieke, zuiver achttiende eeuwsche, zuiver Fransche aesthetiek.HaddeVan Lenneptot in onzen tijd kunnen leven, hij zou zich verheugd hebben in de zich langzaam ontwikkelende nieuweRenaissance, die nog nauwelijks wordt opgemerkt, maar toch eene schoone toekomst te gemoet gaat.Van Lennep, schrander en helder ziendein de toekomst, zou begrepen hebben, dat de Nederlandsche Letteren haar voordeel zouden kunnen doen met het Fransche Naturalisme, maar dat zij nimmer tot eene slaafsche navolging dezer school zouden kunnen afdalen. Hij zou tevens begrepen hebben, dat de afgoderij metsonnettenen raadselachtige verstandspoëzie evenmin tot het gewenschte doel: verjonging onzer nationale muzen, zou kunnen leiden. Zijn eigen standpunt moge dan voor ouderwetsch doorgaan, hij vertegenwoordigt in elk geval de classieke, smaakvolle denkwijze, door zijn vaderDavid Jacobuszoo welsprekend verdedigd. Hij moge reeds in zijne jongensjarenShakesperevertalen, wetgevers op kunstgebied blijven voor hem alleenBoileauenHoratius. Ademend in de classieke atmosfeer zijns vaders, van zijne vroegste jeugd met Latijnsche verzen begroet, zou hij de overwinnende Romantiek alleen onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarden. De algemeene geestdrift voorWalter ScottenByronbracht hem tot zijne “Legenden” en zijnehistorische romans. De bijval, hem geschonken, stuwde hem verder voort, dan hij misschien wel wilde, naar de kusten der Romantiek, immer vasthoudend aan de classieke beginselen, die hem als knaap en student waren ingeprent.De “groote schrijvers” der eeuw vanLouis XIVlagen hem na aan het hart. Hij begreep de schoonheden vanShakespereen Goethe, maar was in den grond der zaak geen voorstander der Romantische School van 1830. Dit bleek mij uit den reeds aangehaalden brief van 1867, waarin hij mij berispte, omdat ik mij veroorloofd had met zekere koelheid over hetLeerdichtte spreken.“Ik zie niet in”—schreef hij mij—“waarom hetLeerdichteen banvloek verdient, als gij er over uitspreekt.Bone Deus, de [Greek: Erga chai êrerai], deGeorgica, deArs poetica(’t zij van Horatius, ’t zij van Boileau), deZiekte der geleerden, zooveel heerlijks en liefelijks, met een pennestreek weggecijferd: wel, mij dunkt, zoo als Bilderdijk zeer te recht zegt:“Geen veld is dor, waar dichtkunst zich vertreedt!”“en juist dit is haar privilegie, om uit den schijnbaar dorren bodem de heerlijkste vruchten te doen uitspruiten. Ook hier wederom zeg ik:“Tous les genres sont bons, hors le genre ennuyeux.”VaderVan Lennepmaakte zich hier wat al te snel van de zaak af. Maar zijn gevoel brengt hem niet op een dwaalweg. Dedidactische poëzie heeft haar voor en tegen. Juist in deze laatste jaren zijn vele hoeden en mutsen afgenomen voor de Muze der Didactiek. De roman, afhankelijk gesteld van grondige studie der anthropologie, psychologie en sociologie; de lyrische poëzie in dienst van alle wetenschappen en elke wijsbegeerte—mij dunkt deze teekenen der tijden zoudenVan Lennepniet al te zeer hebben mishaagd.Nog een kenmerkend hoofdstuk zijner aesthetische wereldbeschouwing, draagt tot opschrift: “Verdiensten der achttiende eeuw.” Aan het slot van den zooeven aangehaalden brief, vermaant hij mij nogmaals:“Het gerijmel der 18deeeuw vindt geen genade in uw oogen. ’t Spijt mij, want ik ken een menigte brokken van buiten uit Poot, uit denAchilles, uit denMonzongo, uit hetBeleg van Haarlem, uit denAgon Sultan van Bantam, uit de vertalingen door Doornik en door Nomsz gemaakt, en ik zet het onzen hedendaagschen poëten—ten Kate uitgezonderd—om zulke vaerzen te schrijven. ’t Is net hier als in Frankrijk, waar men zich—een Victor Hugo aan ’t hoofd—volstrekt niet meer stoort aan censuur of kadans. Ik las dezer dagen....... van onzen vriend H. Lieve Hemel, bijna geen bladzijde, waar ik niet een vers aantref, dat een voet te veel of te weinig heeft. Bij S. ad idem. Als er dat nu niet op aankomt, ’t is mij wel; maar voor mij is het niet genoeg, dat een lied muzikale gedachten bevat; om mij te behagen moet het speeltuig behoorlijk gestemd en de zangstem zuiver zijn, anders verscheuren zij mij de ooren....”Uit het graf klinke deze vermaning vrij in onze woelige letterkundige wereld van 1886. Slechts oppervlakkigheid en verwaandheid, vruchten van halve wetenschap en geheele zelfmisleiding, zullen den fijngevoelendenVan Lennepeen antwoord onwaardig keuren.IV.De auteur van “Ferdinand Huyck” dankt zijne populariteit niet uitsluitend aan zijne romans.Behalve dezen deed hij zich als echtNederlandsch dichterkennen. Heel zijn leven lang zorgde hij er voor, dat bij elke plechtige gelegenheid eenige toepasselijke regelen van zijne hand voor zijne vrienden het licht zagen. In den huiselijken kring of in hetmaatschappelijk leven werd elke belangrijke gebeurtenis door hem met hartelijke woorden herdacht. Van zijne “Academische Idyllen” (1826) tot aan zijne “Vermakelijke Spraakkunst” (1865) bleek hij zoo niet de geestigste, dan toch zeker de opgeruimdste en levenslustigste zanger, die onder ons, deftige lieden, te vinden was. Een snaaksche glimlach was om zijne lippen als bestorven, zoodat, toen hij de koddige grappen van zijn vriendGerrit van de Lindein zijn almanak “Holland” deed afdrukken, ieder geloofde, dat hij zelf ze geschreven had.Er is in de laatste vijfentwintig jaren geene bloemlezing onzer hedendaagsche dichters, waarin niet op de eereplaats aangetroffen wordtVan Lennep’s:“Mijn waarde Neef! ik durf het wagenU twee kommissies op te dragen:’t Is, in ’t Verkoophuis, voor Papa,Vier doosjes Lucifers te koopen,En op de Bloemmarkt voor Mama,Wat lentebloemzaad op te loopen:Dan voor broêr Kees, een nieuwen tol.Voorts zendt Gij mij, ’k durf daarop reeknen,Een boek papier om op te teekenen,En ook vier strengen zwarte wol.“Wil voorts een kistjen Rencurrellen,Bij Reynvaan, voor oom Piet bestellen;En wip dan bij Verschuur eens aan,Om Lizes bracelet te halen;Van daar kunt gij bij Holters gaan,En onze rekening betalen.Voorts wacht ons Mietje een trommelvolMet biesjensdeeg en drabbelkoeken:Zend mij wat nieuwe Fransche boeken,En dan, vooral, vier strengen wol.“Laat Sacher, met den beurtman, morgen,Wat versche bloemen ons bezorgen,En koop meteen, op ’t Muiderplein,Voor tante Saar wat Lange-Lijzen:Gij kent haar smaak voor porcelein;Zend voorts een kooitjen voor haar sijzen,Een aanzetleder voor Oom Nol,Een verschen pot met tamarinden,Die gij bij Gerber wel zult vinden,En dan, voor mij, wat zwarte wol.”Voorts het gedicht aan een zijner kleinzoons:“Teeder en aanvallig wichtjen,Dat zoo geestig om u heen kijktUit uw (niet meer schom’lend) wiegjen:(Schomlende zijn uit de mode)!“Dat nog van de tegenspoeden,Die ons hier beneden kwellen,Geen ervaring hebt verkregen—Dan door ’t steken van de muggen!—“Dat, nog zuiver van de driften,Die op rijper leeftijd woelen,Nimmer boos wordt—dan alleen maarAls men niet terstond uw zin doet!“Dat, nog vrij van dwaze wenschenVrij van zondige aardsche lusten,Uw begeerten blijft beperkenTot een trek naar soep of bloemkool!“Dierbaar kind! gij zijt onkundigVan uw laatre lotsbestemming,Ik, in spijt van grijze ervaring,Weet daarvan zooveel als gij weet.“Maar, zoo gij nog naar de toekomstGeen vermeetle blikken heenwendt,Of althans niet verder uitzietDan naar ’t heerlijk etens-uurtjen;“Ik—en ’k durf geenszins bepalen,Of het dwaas is dan verstandig—Ik, ik kan mij niet weêrhouden,Naar die toekomst vaak te gissen.“Zult ge een pleitbezorger worden?In den handel u begeven?Of, uw ooms tot voorbeeld kiezend,Uw fortuin in de Oost gaan zoeken?“Zult gij in de koffijhuizenAan ’t biljard uw dagen slijten,Altijd wachten op een postjen,Dat u nimmer wordt gegeven?“Of zult gij den krijgsdienst kiezen,En u krijgstrofeën vormenVan sjakoos, nog voor ’t verslijtenDoor een nieuw model vervangen?”’t Is mij, in den grond, om ’t even;Want men kan in elken werkkring,Al naar ’t valt, carrière makenOf een bittre sukkel blijven.“Maar, lief kind, wat hier benedenOoit het doel zij van uw streven,Tracht toch—wat ik u mag bidden—Nimmer naar den naam van dichter....”Dan zijne “Lente-Mijmeringen, 21 Juni 1855,”“Mij heugt, toen ik een knaapjen was,En Mei in ’t land gekomen,Wij zaten ’s avonds op ’t terrasIn schaaûw der lindeboomen,“Dan sprong ik als een jonge reeEn plukte mij een ruiker,De Gouvernante schonk ons theeIk kreeg dien zonder suiker.“O, ’t blijkt uit alles zonneklaar,Men mocht in vroeger dagenOp Lente reeknen ieder jaar;Wat kon haar toch verjagen?“Hoe meenge winter ging voorbij,Dat wij begeerig smachttenNaar ’t lieve Lentejaargetij,En vruchtloos bleven wachten.“Met ieder jaar bleef ’t winterijsWat langer in het water,En bleef de lucht wat langer grijs,En kwam de zomer later.“En nu—’t is reeds de langste dag:Reeds moest de zomer komen;En ’k heb in Neêrland, waar ik zag,Geen voorjaar nog vernomen.”Eindelijk zoo menig lied vol prettigen kortswijl uit zijn Almanak “Holland,” of uit zijne “Zeemansliedjes,” alles zuiver Hollandsch veldgebloemte, nederig, eenvoudig, gezond.Critiek, die gaarne overvraagt, heeftVan Lennepverweten, dat zijne scherts te weinig fierheid bezat, dat hij met zijne anecdoten en kwinkslagen, ook in het dagelijksch gesprek, tot lager kringen afdaalde, dan tot welke hij zelf behoorde. Zijne snakerijen met de geschiedenis des Vaderlands berokkenden hem zelfs dichterlijke boetpredikatiën van verontwaardigde, maar minder geestige kunstvrienden. Het is mogelijk, dat hij het soms wat bont maakte, maar ontkend mag het niet worden, dat juist deze trek van zijn karakter, deze zijde van zijn talent hem tot den meest Nederlandschen, tot den populairsten dichter en romanschrijver van zijn tijd gemaakt hebben.In de geschiedenis der Letterkunde van een klein volk is het niet zoo gemakkelijk de eigenaardige trekken van het nationale karakter terug te vinden. De classieke en moderne Letteren oefenen grooteren invloed, omdat kleine volken, wier taal niet algemeen gesproken wordt, zich letterkundig minder zelfstandig ontwikkelen kunnen. Trots deze beletselen zal het den historieschrijver onzer litteratuur toch mogelijk blijken hetnationaal-Nederlandscheop het spoor te komen.Van Lennepdrukte in zijn persoon en in zijn werk dat nationaal-Nederlandsche voortreffelijk uit.Kwinkslagen, scherts en kortswijl; een goed oog op het comische in het leven en in de kunst; belangstelling in het blijspel, soms dalend tot de platte klucht, soms stijgend tot vlijmende satire of teederen humor—zie daar de meest in het oogvallenden karaktertrekkenonzer letterkundige kunst, die tevens worden teruggevonden in de geschiedenis onzer schilderschool. In de middeleeuwen, in de XVI en XVII eeuwen valt het niet moeilijk dit telkens met luidsprekende feiten te staven. Het is onnoodig op denReinaert, op de “schoone boerden,” op de “sotternien,” op de volksliederen en volksromans te wijzen; overbodig te herinneren aan den gullen lach van den rondenRoemer, aan de vroolijkheid vanJan van Hout, aan de drink- en minneliederen vanBrederoenStarter, aanHooft’s“Warenar,” aanVondels“Rommelpot,” aan de maaltijden vanJan Steen, de boerenkermissen vanOstade, deTeniersenenRubens, aan de kroegen vanAdriaen de Brouwer, aan de schaterlachende zangers, drinkers en vischwijven vanFrans Hals—dit alles is meermalen uitdrukkelijk in het licht gesteld.Mocht ook in latere tijden de goedronde lach onzer vaderen verstommen, mocht het kille Calvinisme zich paren aan het practisch streven naar Nuttige, Voordeelige, Bruikbare dingen, toch ging de overlevering van onze nationale luim in de geschiedenis onzer letteren niet verloren.Langendijk,Troost,AsselijnenBernagiebleven onzen ouden volksaard getrouw; aan het slot der vorige eeuw triomfeerden twee geniale vrouwen in “Sara Burgerhart” en “Willem Leevend” op al de booze geesten, die der Nederlandsche Muzen onverzoenlijken haat hadden gezworen.Van Lennepwas inzonderheid een echt Nederlander door zijne kunst. Zijne patricische Amsterdamsche stemming, zijne bewonderenswaardige wetenschappelijke vlijt in de uitgave vanVondel’swerken gebleken, zijne veelzijdige letterkundige en historische kennis, werden altijd verhelderd door eene zonnestraal van vriendelijke geestigheid; zijne deftige betoogen afgewisseld door een vroolijken zet, zijne ernstige buien opgehelderd door eene grappige anecdote.BijSijthoff’snieuwe uitgaaf vanVan Lennep’sromantische werken een hartelijk woord te voegen, was het doel van dit eenvoudig opstel.Van Lennep’sleven is het best en uitvoerigst beschreven doorA. J. de Bullin de “Levensberichten” der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Daarbij is eene lijst van geschriften gevoegd, die de wenschen van den lastigsten bibliograaf overtreft. Verschillende mannen van naam:Jonckbleet,Réville,Busken Huet,SchimmelenNicolaas Beetshebben hunne meening overVan Lennepgezegd; toch ontbreekt nog de monographie, die zijne geheele persoonlijkheid, zijne veelzijdige werkzaamheid, zijne beteekenis voor de geschiedenis onzer Letteren te zaam vat, en met wetenschappelijke nauwkeurigheid beschrijft. Eene nieuwe uitgaaf zijner romantische werken kan misschien aanleiding worden tot vervulling dezer behoefte, althans de gedachte verlevendigen, dat een dergelijk boek nog altijd moet geschreven worden.Dr.Jan ten Brink.1“Vondel bekroond door het dankbaar nageslacht. Eene herinnering aan de oprichting van het standbeeld en de Vondelsfeesten in de hoofdstad op 17, 18 en 19 Oktober 1867.” Arnhem, D. A.Thieme, 1868, gr. 8o.2Aftreden van het 1ste ministerieHeemskerk, Februari 1868. Mr. C.Fockvormt een nieuw ministerie.3Van Lennep doelt op zijne brochure: “Het Podagra en het Manifest van Burgerpligt,” Amsterdam, 1868.4Gedurende de jaren 1868 en 1869 schreef ik in het tijdschrift “Nederland” letterkundige artikelen onder den titel: “Letterkundig Intermezzo.”5Gids, December, 1864. Later in het II deel,Litterarische Fantasien, 1 Reeks.
Oorspronkelijke rug.
Oorspronkelijke rug.
De Pleegzoon.Frontispiece: afbeelding van Jacob van Lennep met handtekening.
De Pleegzoon.
Frontispiece: afbeelding van Jacob van Lennep met handtekening.
De PleegzoonDoorMr. J. van Lennep.Uitgeverslogo A. W. Sijthoff met motto “Altijt Waek Saem”.Leiden.—A. W. Sijthoff.
Uitgeverslogo A. W. Sijthoff met motto “Altijt Waek Saem”.
Mr. Jacob van Lennep.“Van Lennep was onze prettigste litteraire gestalte, die de kunst verstond vijftig jaren lang amusant te blijven.”Cd. Busken Huet.I.’t Was een plezierVan Lenneppersoonlijk te ontmoeten.Toen hij in Augustus 1865 ter vergaderzaal van het achtste Taal- en Letterkundig Congres te Rotterdam verscheen, geheel in een grijs zomercostuum, het fraaie zilveren hair om de slapen golvend, kwam ieder hem blij groetend te gemoet. Aan de tafel van het bestuur plaats nemend, de guitige, donkere oogen naar het publiek, vooral naar de dames richtend, zat hij met een bijna onmerkbaren glimlach te luisteren. De vrij drooge beraadslaging over de spelling der bastaardwoorden werd plotseling door hem met een handvol aardigheden afgebroken. Wie herinnert zich niet, hoe daar door hem geijverd werd, om de ph door de f te vervangen—hoe hij vertelde, dat hij als jonkman een zangspel “Saffo” geschreven had, maar, dat de regisseur zijne spelling inSaphogewijzigd had, zoodat de acteurs: “O, Sap, ho, wees gegroet!” zongen; hoe hij er bijvoegde, dat eene Amsterdamsche dienstmaagd, uitgezonden door hare mevrouw, om te zien of er een vroolijk stuk op het Leidsche Plein zou gespeeld worden, terugkwam met het bericht: “Ze spelen de Mophondjes,” terwijl in werkelijkheid “Demophontes,” het classiek treurspel vanMetastasio, vertaald doorWesterwijk, werd vertoond; hoehij besloot met de mededeeling eener jonge dame, die hem in zijne waardigheid van vrijmetselaar vroeg, wat de orde toch bedoelde met de woordenprop hanen, waarop hij antwoordde, dat daarmeê waarschijnlijk de mannetjes van prop hennen gemeend werden.Een zonneschijn van vroolijkheid schitterde plotseling over de vergadering, die vóórVan Lennep’skomst in deftige dommeling zachtkens afdreef op den stroom der verveling.In het huis op de Keizersgracht, in zijne ruime studeerkamer, aan zijne schrijftafel, maakte hij geen minderen indruk. Gekleed met zijn grijzen kamerjapon—als op het groote gesteendrukte portret naar de voortreffelijke schilderij vanSchwarze—de snuifdoos in de linkerhand, de rechter op een arm van zijn leunstoel, zat hij daar met zijn prettig gezicht en fonkelende oogen naar de woorden van zijn bezoeker te luisteren, de gelegenheid afwachtend, om met een fijnen zet of een luimig verhaal zelf het woord te nemen. Onder vier oogen kwam daarenboven de natuurlijke goedheid van zijn hart uit, daar hij geene moeite te zwaar vond, om aan eenig verzoek zijner vrienden te voldoen. Zijne wetenschap, zijne bibliotheek, zijn invloed stonden hun ten dienste, zoo vaak zij zijne hulp inriepen.Te Gent zag men hem, ter gelegenheid van het negende Letterkundig Congres, in het voorportaal van den schoonen schouwburg, op een Augustusavond van 1867 in zijn licht reiscostuum—hij was uit Zwitserland overgekomen—terwijl hij met hartelijkheid de hand drukte van E.Douwes Dekker, die hem kort te voren in een vlugschrift zijne hulpvaardigheid bij het uitgeven van den “Max Havelaar” als een misdrijf voor de voeten had geworpen. De Congresleden omringden hem van alle kanten. En uit de rijen der Zuid-Nederlanders ging een luid gejuich op. Zooveel grootmoedigheid, zooveel zelfbeheersching, zooveel rustige heuschheid mochten niet onopgemerkt blijven.Van Lennep’spersoon was overal bekend. Overal werden hoeden afgenomen, handdrukken gewisseld. In alle Nederlandsche steden had hij vrienden of ten minste goede kennissen. Zelfs onder den eenvoudigen, maar nuttigen, stand der sjouwerlieden was zijn naam en persoon bekend. En niet alleen te Amsterdam. Het gebeurde in 1867, dat te Rotterdam aan het station van den Rhijnspoorweg bij het aankomen van een trein uit Utrecht, een aardig, knap juffertje stond bij eene geopende deur aan het plankier. Dat juffertje was eene Rotterdamsche, die dagelijks vrij wat menschen zag, daar zij haar guitig wipneusje sedert een jaar achter het buffet deed bewonderen door wereldwijze handelsreizigers en roodgeblakerde tweede-luitenants,die op transport waren. Toen de reizigers uit den trein zich over het plankier verspreidden, zag zij te midden van eene groep luidsprekende heeren een grijsaard met ongemeen vriendelijken glimlach en golvende witte hairen. Telkens hield iemand hem staande, om hem met een levendigen uitroep van verrassing, van ingenomenheid, eenige snelle woorden toe te spreken, die door den wellevenden man onuitputtelijk geduldig werden beantwoord. Ieder beijverde zich met liefde den weg open te houden voor den uiterlijk reeds zoo achtbaren man, wiens tred door den last van vijfenzestig jaren reeds vrij wat van vroegere veerkracht miste. De knappe buffetjuffrouw verwonderde zich, dat één oude heer zoo ontzettend veel kennissen om zich heen verzamelde. En daar Hein, de witgekielde sjouwerman van het goederenbureel, juist voorbijkwam, vroeg ze:—“Wie is die grijze heer?”—“Wie? Wel nou, jij bent ook een beste! Ken-je onzen Van Lennep dan niet?”’t Feit is historisch en werd door een ooggetuige verteld. Ik kom er weldra op terug.Toen ikVan Lennepvoor het laatst zag, doorleefde hij den gelukkigsten dag van zijn ouderdom. Het was Vrijdag 18 October 1867, den dag, waarop te Amsterdam het standbeeld vanJoost van den Vondelzou worden onthuld. Eene groote menigte stroomde naar de Nieuwe Kerk, om zich rondomVondel’sgrafsteê te vereenigen. De blauwe zerk was zorgvuldig van stof gezuiverd en prijkte met eene krans van gele immortellen. Een dichte drom geletterden schaarde zich eerbiedig om deze heilige plek, terwijl boven onze hoofden de zon door de hooge kerkvensters scheen en schoven van goud licht over het hoog gewelf uitgoot. Plotseling stondVan Lennepvóór ons, het witte hoofd ontbloot, de oogen tintelend van geestdrift, na zeven jaren zwoegens eindelijk triumfeerend door de oprichting van het standbeeld. Hij sprak enkele eenvoudige woorden overVondel’s graf en noodigde de feestgenooten naar het park, waar het schoone monument vanRoyerenCuyperszou worden onthuld.Een uur later verscheen hij in het spreekgestoelte bij het standbeeld en sprak daar met duidelijk verstaanbare stem zijne feestrede. Niemand was meer gerechtigd dan hij tot deze taak, daar hij een vierde van zijn reeds gevorderden leeftijd aan het verhaal vanVondel’s leven, en aan het verklaren van zijne werken had besteed. Uit aller keelen klonk daarom een aanhoudend bravo, toen de welsprekende staatsman, die destijds aan het hoofd van het departement van Binnenlandsche Zaken stond, toen Mr. J.Heemskerk Az.,Van Lennepmet een hartelijk woord van gelukwensching, namens Z. M. den Koning, het commandeurskruis der orde van den Nederlandschen Leeuw aanbood.Zóó zag ik hem voor het laatst.Eens nog schreef hij mij (8 Februari 1868), zeven maanden vóór zijn dood (26 Augustus 1868). Ik geloof, dat men mij de vrijheid vergunnen zal dezen brief hier meê te deelen, men zal er uit zien, dat mijn verhaal van Hein, den kruier, volmaakt historisch is.“Amice!“Ik zeg u grooten dank voor het exemplaar van denbekroondenVondel1.... waarmede mijn vrouw, die gedurende de feesten ziek was en dus niets van de pret gezien of gehoord had, zich bijzonder vermaakt heeft.... Ik zal er maar niets van zeggen, want ik krijg er zooveel mooie kompl. in, dat ik uw stuk niet prijzen durf, zonder den schijn op mij te laden, alsof ik het daarom zoo naar mijn zin vind....“Het doet mij plezier, dat Gij die pret op ’t slot te Muiden zoo con amore geschilderd en de aandacht weder op dit slot gevestigd hebt. De Hr. Heemskerk had, onmiddellijk na het feest, zijn voornemen te kennen gegeven, om een wet voor te stellen tot restauratie van het slot, zich vleiende, dat daarvoor nu juist in deze oogenblikken veel sympathie zijn zou;—doch nu is juist die vervelende krizis tusschen beiden gekomen—2. Van die krizis gesproken,podagraheb ik deze reize niet gehad, maar dewijl ’t een kwaal is, daar ik best mee bekend ben sedert 30 jaren, heb ik haar bij voorkeur in mijn brochure gebracht—3als onschuldig middel om de attentie te trekken—....“Maar ik heb zes maanden lang gesukkeld aan leewater in de knie en laatstelijk aan doofheid. Dat is nu Goddank weer over en mijne gezondheid is door de Vondelsfeesten geheel gekureerd.“Zijt gij ’t, of is het een ander, die deLetterkundige Intermezzoosin Nederland schrijft4. De schrijver, wie dan ook, heeft in zijn eerste artikel eene beschuldiging tegen onze natie gericht, als zou zij haar schrijvers, mij b. v., niet kennen of liever geen notitie van hen nemen. Ik zou hem, daar ik er ook als voorbeeld bij gehaald ben, een dozijn voorbeelden kunnen geven van het tegendeel. Toen Hofdijk voor een paar jaren bij mij aan de Steeg logeeren zou, was er in beide herbergen al een groote vreugde en verwachting vooruit—en onlangs, dat ik te Rotterdam uit den trein stapte en de juffrouw van ’t buffet zei: “He, wie of die grijskop is met zijn lange haren!” riep een sjouwerman van ’t goederenbureau verontwaardigd uit: “Wat, ken-je onzen Van Lennep niet?” Dit werd mij later medegedeeld door den Hr. Van Alphen, die ’t gehoord had.“Indien gij nu de bedoelde schrijver niet zijt, laat die anecdote—die in dat geval een kale bluf zou schijnen—maar liever ongelezen.“Vale, faveque“Amst. 8 febr. 1868. T. T.“J. v.Lennep.”Van mijn edelmoedigen vriend, die zich, helaas! te vergeefs vleide met herstel zijner gezondheid, heb ik dus de mededeeling omtrent het feit, dat wellicht bij de eerste vermelding wat onwaarschijnlijk mocht klinken.De vreugde aan de Steeg in 1866 betoond bijHofdijk’s komst schijnt mij tevens in nauw verband te staan met de blijde opgewektheid, die de viering van zijn zeventigsten jaardag (27 Juni 1886) heeft gekenmerkt.II.Zonder eenige overdrijving mag beweerd worden, datVan Lennepals dichter, als romanschrijver, vele jaren lang de populairste onzer auteurs is geweest. Als voorbeeld zijner populariteit heeft Cd.Busken Huetin 18645verhaald, dat eene Zandvoortsche vischvrouwal de veertien deelen van zijn exemplaar der romantische werken vanVan Lennephad geleend en gelezen.Doch niet alleen in visschersstulpen ook in de huizen onzer gegoede burgerij, in de woningen onzer patriciërs op de Keizers- en Heerengrachten, wasVan Lennepsteeds een welkome gast. Zijne “Idyllen” maakten hem populair bij de studenten, zijne “Legenden” wonnen hem het hart van al wat jong was, vooral de harten der Hollandsche jonge meisjes, eene veroveringVan Lenneptot op den laatsten dag zijner vriendelijke grijsheid dierbaar. Oud en jong, stedeling en dorper, edelman en burger, schonken hem hunne genegenheid, toen “de Pleegzoon” verscheen, toen “Ferdinand Huyck,” zijn beste roman, “de Roos van Dekama” opvolgde, toen de breed ontworpen “Voorouders” het licht zagen, en eindelijk, toen de niet het minst besproken, aangevallen, geprezen en gelezen “Lotgevallen van Klaasjen Zevenster” geheel de letterkundige wereld in den winter van 1865 op 1866 in rep en roer brachten.Van Lennep’s romans blijven leven, zoo goed als die vanWalter Scott, en worden herhaaldelijk herdrukt, gelijk ook deze steeds opnieuw worden uitgegeven. “De Pleegzoon” verscheen in 1829 en zag sedert dat jaar tot heden met al zijne opvolgers, telkens in nieuwen vorm het licht. Omtrent “de(n) Pleegzoon” schreef de auteur mij (4 Augustus 1867):“Ik heb mijn Pleegzoon ongeveer 40 jaren geleden geschreven (1827); hij heeft eenige jaren in de lade gelegen; geen boekverkoper wou er aan. Eerst toen ik met mijne Legenden wat naam gemaakt had, wou P. Meijer Warnars er zich wel over ontfermen. Van honorarium kon nog geen sprake zijn, en ik geloof niet, dat Drost voor zijn “Pestilentie te Katwijk” heel veel meer gehad heeft. Oltmans kwam iets later, wanneer weet ik niet. Eerst na 1840 heb ik honorarium bedongen....”De eerste historische roman van Mr.Jacob van Lennepmoesttwee jarenwachten, voordat hij bij wijze van genade door den druk werd algemeen gemaakt!Dit leerzaam feit voor de geschiedenis onzer letteren zal balsem gieten in de wonden van hen, die met onuitgegeven handschriften naar een uitgever blijven zoeken, en tevens in die der lofredenaars van ’t verledene, welke er zich aan ergeren, dat onze boekenmarkt op het huidige oogenblik te veel overvoerd is.De drukken vanVan Lennep’s historische romans volgden elkander spoedig, een bewijs, dat P.Meijer Warnarsweinig oog had op letterkundige kunst. ’t Meest bekend werden: de Rotterdamsche uitgaaf van 1855 in dertien blauwe deelen en de vierdeelen, klein folio, doorNijhoff,SijthoffenThiemevan 1867 tot 1869 in het licht gezonden. Zonder profeet te zijn, durf ik ook der tegenwoordige volkseditie in elf deelen de vruchtbaarste toekomst voorspellen.De historische romans vanVan Lennephebben eene blijvende waarde, die zoowel uit hunne kracht, als uit hunne zwakheid spruit. Voordat ik dit met een enkel woord staaf, doet zich de vraag op, ofVan Lennepchronologisch inderdaad onzeeerstehistorische romanschrijver is. Meestal stelt men het zoo vóór, alsof in 1829 door “De(n) Pleegzoon” in de geschiedenis der Nederlandsche letteren een datum gevormd wordt; alsofVan Lennep’s eerste roman, tevens de eerstehistorischeroman in Nederland geweest is. Dit is alleen inzekerenzin juist.Van Lennepschreef in 1827—hij zelf verzekerde het ons reeds—zijn eersten historischen roman. Als zoodanig is de chronologie in orde. Doch om nauwkeurig te spreken, had men moeten vermelden, dat in 1827 eene Amsterdamsche patricische schrijfster, MejuffrouwMaria Jacoba de Neufville, het beproefd had een historischen roman samen te stellen, die evenals “De Pleegzoon,”[komma achter ”?] maar eenigen tijd vóór “De(n) Pleegzoon”, in 1829 het licht zag onder den titel: “De Schildknaap. Iets uit den ouden tijd. Een oorspronkelijk historisch romantisch verhaal.” (Staalgravure van D.Veelwaard). Te Amsterdam bij P.den Hengst en Zoon. 1829, gr. 8o.De poging van MejuffrouwDe Neufvilleis volkomen dezelfde als die van Mr. J.van Lennep. Zij vloeit uit dezelfde bron. Zij getuigt het in haar “Voorberigt,” als zij verklaart:“Aan de Verhandeling van den Hooggeleerden Heer D. J.van Lennep,Over het belangrijke van Holland’s grond en oudheden voor gevoel en verbeelding, welke Verhandeling ik op den 30eJanuarij 1827 het genoegen had, door den opsteller te hooren voordragen, is het werk, hetwelk ik thans mijnen landgenooten aanbied, deszelfs wording verschuldigd. Altijd met warme liefde voor mijn zoo dikwijls ten onregte verguisd en beschimpt vaderland vervuld, groeide die liefde in mij tot geestdrift aan, door de zoo welsprekende taal des Hoogleeraars en kwam alaanstondsde lust in mij op, om te beproeven of het mogelijk wezen zou, een romantisch tafereel te schetsen, in den smaak van dezulke, als wij aangaande de zeden en gewoonten van andere volken bezitten, iets waarmede (en hierover betuigt de HeerVan Lennep, in meergemelde Verhandeling zijne verwondering) zich aangaande onze voorvaderen nog niemand beziggehouden had.”Uit deze woorden blijkt duidelijk, dat “de Pleegzoon” en “deSchildknaap” bijna terzelfder tijd en onder dezelfde invloeden ontstaan zijn. De hoogleeraarD. J. van Lennepgaf aan beiden dezelfde opwekking; hij leende zelfs wetenschappelijke boeken aan MejuffrouwDe Neufville, zooals zij in datzelfde “Voorberigt” vermeldt, als zij getuigt: “Voor het overige hebben andere schrijvers, wier werken ik, of zelve bezit, of die mij door den heerVan Lennep.... goedgunstiglijk geleend werden, mij tot leidslieden verstrekt.”Het is duidelijk, dat vóór 1827 in Nederland geen historische romans zijn geschreven, daar de nauwkeurigeD. J. van Lennepin dat geval zeker niet zou gezegd hebben, dat zich “nog niemand” met dit kunstvak in Nederland had “beziggehouden”. Tevens blijkt uit het “Voorberigt”, dat men den buitenlandschen historischen roman kent, zoodat “Pleegzoon” en “Schildknaap” beiden uit de school van SirWalter Scottstammen—Scott, die in 1814 met “Waverley” begon, en tot aan zijn dood (1832) met zijn “Count Robert of Paris” volhardde. Het behoeft niet nader gestaafd, dat de historische roman juist een kolfje was naar de hand dezer twee, tot eene zeer behoudende wereldbeschouwing overhellende naturen—Maria Jacoba de NeufvilleenJacob van Lennep.Scotthad den historischen roman het eerst in zijn modernen vorm te voorschijn geroepen,Scottwas de apostel zijner nationale glorie, gekant tegen het Fransch classicisme, gekant tegen de omwentelingen van 1789 en 1793.Dat het opwekkend woord van den hoogleeraarD. J. van Lennepin 1827 terstond goede diensten deed aan de vaderlandsche letteren, blijkt niet alleen aan “Schildknaap” en “Pleegzoon,” maar daarenboven nog aan eene enkele zwakke poging in 1828 doorJ. C. Appenzellerbeproefd, die in dat jaar een, nu geheel vergeten, historischen roman schreef onder den titel: “Geertruida Van Wart, of trouw tot in den dood. Eene ware geschiedenis uit de 14eeeuw.” Amsterdam, 1828. 8o.Onze Nederlandsche historische roman begint—daarAdriaan Loosjes, wegens gebrek aan historischen zin, niet mag medetellen—met MejuffrouwDe NeufvilleenJacob van Lennepin 1829, om dan onder invloed van dezen laatste—en natuurlijk van diens meesterWalter Scott—rijkelijk te bloeien.Van Limburg Brouwergaf in 1831: “Charicles en Euphorion,” in 1838: “Diofanes.”Bakhuizen Van den Brinkvolgde in 1834 en 1835 met historische novellen in de “Muzen,” het tijdschrift vanPotgieter,HeijeenDrost; deze laatste schreef in 1831 zijn “Hermingard van de Eikenterpen;”Oltmansvolgde in 1834met “Het slot Loevestein,” in 1838 met “De(n) Schaapherder;” eindelijk verscheen MejuffrouwA. L. G. Toussaint, met haar “Almagro” (1837), haar “Graaf van Devonshire” (1838) en haar “Lauernesse” (1840).Stellen wij dus de te veel vergetenDe Neufvillenaast onzenVan Lennep, dan mogen wij aan beiden de eer geven den historischen roman in Nederland te hebben begonnen.III.De historische romans vanVan Lennephebben eene blijvende waarde, die zoowel uit hunne kracht, als uit hunne zwakheid spruit—zeide ik. Hunne kracht ligt in de uitnemende helderheid van stijl en voorstelling.Van Lennepheeft behoefte aan juistheid, nauwkeurigheid, duidelijkheid. Zijne vertelling zweeft nooit in een duisteren nevel van onoplosbare geheimzinnigheid. AanWalter Scott, misschien ook aan den oudenDumas, heeft hij de kunst afgezien een belangwekkenden knoop te leggen, welken hij zonder kunst- of vliegwerk zeer behendig oplost. Het is niet te ontkennen, dat hij een geliefkoosd schema van roman—de held of de heldin van onbekende afstamming, zoekend naar vader of moeder—somtijds herhaalt. Dit denkbeeld ligt ten grondslag aan “De(n) Pleegzoon,” komt terug in de “Roos van Dekama,” en is op breede schaal bewerkt in “Klaasjen Zevenster”.Eene zwakheid vanVan Lennep’skunst ligt in zekere ongegeneerdheid ten opzichte van historische gegevens, zoodat zijn roman “Elisabeth Musch”, als verhaal op zich zelf aangenaam te lezen, als historische roman volkomen mislukt is. In degelijkheid van historische wetenschap, in psychologische fijnheid van karakteropvatting staat MevrouwBosboom-Toussaintboven hem. Deze laat zich niet afschrikken door een vermoeiend historisch onderzoek, dringt bij hare helden en heldinnen door in de diepten van de binnenborst, en schept karakters, die, psychologisch geheel afgewerkt, een onvergetelijken indruk achterlaten.Van Lennepwil het den lezer naar den zin maken, wil behagen; hij bekreunt zich meer om hetgeen met zijne personen geschiedt, dan wat in hun hart en hoofd omgaat. Hij wil een boeiend verteller zijn, die, zonder de geschiedenis opzettelijk in het aangezicht te slaan, zijn lezer steeds in spanning houdt.Bij MevrouwBosboom-Toussaintontstaat uit de degelijkheid der historische wetenschap en de fijnheid der zielkundige analyse somtijds eene overlading en eene uitvoerigheid, die naar langdradigheid zou kunnen zweemen; bijVan Lennepneemt het verhaal een vluggen, levendigen gang, die het hart van den gewonen lezer steelt, maar dikwijls dreigt in oppervlakkigheid te verloopen. MevrouwBosboom-Toussaintheeftles défauts de ses qualités,Van Lenneples qualités de ses défauts.Het best gelukt is zijn “Ferdinand Huyck,” een voortreffelijk boek in vele opzichten. Evenals in zijn “Klaasjen Zevenster” is hier zoowel historisch als psychologisch het schoonste geleverd van alles watVan Lennepzou voltooien. Hij had de achttiende eeuw lief. Hij kende haar en hare beschaving, vooral het achttiende eeuwsche patriciaat te Amsterdam. Opgevoed naar de overleveringen van zijn oud geslacht, naar de classieke wijsbegeerte van zijn vaderDavid Jacobus, moest hij zich het naast verwant gevoelen aan een juist vervlogen tijdvak, dat door goede manieren, vlug vernuft en letterkundigen smaak uitmuntte.Van Lennep, dien men te recht voor een der aanvoerders der Romantische beweging in Nederland hield, was in zijn hart het classicisme der achttiende eeuw nog meer genegen.Een bewijs van deze laatste stelling put ik uit een zijner vriendelijke brieven.Naar aanleiding eener opmerking tegen Engelsche romanschrijvers, die misbruik maken van Latijnsche citaten, schreef hij mij (5 April 1860):“Ik moet er bijvoegen, dat hetgeen u thands.... tegenstaat, u misschien niet zou hebben tegengestaan, indien gij een 30 jaren ouder waart en u den tijd herinnerdet, toen het klassicisme ook hier te lande meer algemeen was en men zich niet geneerde aan tafel in tegenwoordigheid van dames Ovidius of Horatius aan te halen. De konversatie, zoo als ik mij die in mijn jeugd herinner, had altijd een klassieke tint en wie die bij uitnemendheid wist aan te brengen—en daarom ook in Engeland zoo geacht en gezien was—was A. R. Falck!—en toch belette dit niet, dat de dames toen doodelijk van hem waren.... ja, dat, toen zijn Brieven 3 jaar geleden (1857) in ’t licht kwamen, al de exemplaren bij Amsterdamsche boekverkoopers aanwezig, tot groote verbazing van Nijhoff, den eersten avond reeds waren opgehaald—meest alle door dames tusschen de 60 en 80 jaren (die zeker wilden weten of zij er ook in voorkwamen). ’t Is waar, Falck citeerde ook Fransch, Engelsch, Hoogduitsch, enz.—maar had niets, dat op pedanterie geleek, en nimmer heb ik aangenamer mensch ontmoet.”Zij, dieVan Lennepgekend hebben, zien met mij den schalkschen glimlach om den mond en in het oog beide, waarmeê hij deze regelen schreef!Zijne genegenheid voor het Fransche classicisme der achttiende eeuw paarde zich hoogst eigenaardig aan eene vrij groote geringschatting der middeleeuwen en al wat met middeleeuwsche studiën in verband stond. Zijne “Legenden,” zijne “Roos van Dekama”, zijne “Voorouders” verraden op menige plaats, dat hij trots zijne verwonderlijke vlugheid, ondanks eene verbazende gemakkelijkheid, om alle zwarigheden te boven te komen, toch zijn meesterWalter Scottin kennis en opvatting der middeleeuwen niet evenaarde.Omtrent dit punt schreef hij mij een zeer karakteristieken brief (4 Augustus 1867), toen ik hem de eerste aflevering mijner “Schets eener geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde,” handelende over de middeleeuwen, aanbood:“Ik las uw boekvoormijzelfmet veel belangstelling; doch het zou mij spijten, indien uw wensch vervuld werd, en dit boekje op een H. Burgerschool werd gebruikt. Mij dunkt, zij hebben daar al ongare kost genoeg te slikken dan om nog op Middel-Nederlandsch getrakteerd te worden.“Het is een mooie ontdekking.“Maar ik lees liever Fransch.“Indertijd, toen ik Curator van ’t Gymnasium was, hadHofdijkook zoo’n boekje geschreven.... doch ik zei, dat hij aangesteld was, om aan de jongelui de Hollandsche taal te leeren en niet het Middel-Nederlandschepatoisen ik verbood het gebruik van dat boekske. Die studiën van Gothisch, Angel-Saksisch, Middel-Nederlandsch enz. mogen zeer goed zijn voor filologen, maar zij kunnen er niet toe strekken om onzen stijl of onzen smaak te vormen, en die zoogenaamde naïveteit er van—’t eenige wat dan nog ’t gebrek aan vorm, rhythmus, kadans, maat, rijm, enz. vergoeden moet, geef ik graag present en.... lees liever Fransch.“Verder is er, althans in de eerste helft van uw boek bijna geen bladzijde, waarover ik geen lust zou hebben met u te twisten. ’t Schijnt, dat bij u, even als bij velen, heden ten dage devorm, dedictie,nietsis en alles zich moet bepalen tot de gedachte. Maarpoëtischegedachten heeft bijna iedereen, dunkt mij, en de kunst bestaat juist daarin, dat men ze in een cierlijken, welluidenden, bevalligen vorm giet, die door het oor het hart treft en den geest bevredigt. En daarom, hoe groot en verbazend een genie Shakespere geweest is, ik mis herhaaldelijk bij hem die harmonie, die eenheid, die zuiverheid van vorm, die samen moesten werkenom een wezenlijk schoon geheel te verkrijgen. Dat ik hoog met hem loop, blijkt wel daaruit, dat ik zoowel op mijn tiende, als op mijn 50steen 60stejaar stukken van hem vertaald heb, maar hoe meer ik hem vereerde en bewonderde in zijn reusachtige grootheid, hoe meer het mij hinderde, als ik zoovele euphuïsmen, platheden en laffe aardigheden naast de verhevenste brokken vond. Ik houd machtig veel van Jan Steen en ik bewonderRubens; maar het zou mij stuiten, als ik op den achtergrond eener schilderij, die Christus met de Apostelen voorstelde, een boeren bruiloft zag. ’t Moge het menschelijk leven zijn naar waarheid geschetst, maar “bloemen”—alsBrederozegt—is ook menschelijk; en toch hoort het op het tooneel niet thuis. En daarom al mocht ik eens toegeven, dat de stukken van Shakespere meer schoons bevatten dan eenig ander stuk, zoo is er niet een onder zijne treurspelen, hetwelk door harmonische eenheid voldoet aan ’t geen ik in een treurspel vorder en b. v. terugvind in den Edipus van Sofokles, in den Cid, in de Iphigénie en de Athalie, in den Lucifer en in den Jozef in Dothan. Ik laat natuurlijk ieder vrij anders te denken:hanc veniam damus, petimusque vicissim; maar ik kan niet goedkeuren, dat gij zoo bepaald als lofredenaar van Shakespere optreedt. Onze voorouders zondigden in een tegenovergesteld uiterste en bij hen was Shakespere een barbaar. Nu liggen de groote schrijvers van de eeuw van Lodewijk XIV achter de bank, en mogen alleen Shakespere en Goethe bewierookt worden. Ik heb voor een paar jaar diens “Egmond” zien vertoonen. “’t Moet mooi zijn,” dacht ik, “omdat het van Goethe is; was ’t van een onbekende, ik zou zeggen, wat een godsjammerlijk prul is dit.” Er is een mode in alles; maar omdat men nu een voorstander is van de italiaansche muziek, moet men daarom de Euryanthe leelijk vinden.”Ik behoef der schim van mijn vaderlijken vriend en beschermer geen vergiffenis te vragen voor de vrijmoedigheid, waarmeê ik hem na zijn dood nog eens het woord geef.In 1867 sprakVan Lennepaldus met volle overtuiging. Uiterst merkwaardig schijnt het mij het contrast te bestudeeren tusschen den als hoofd der Romantische School gehuldigden auteur van “Ferdinand Huyck” en zijn eigene zuiver classieke, zuiver achttiende eeuwsche, zuiver Fransche aesthetiek.HaddeVan Lenneptot in onzen tijd kunnen leven, hij zou zich verheugd hebben in de zich langzaam ontwikkelende nieuweRenaissance, die nog nauwelijks wordt opgemerkt, maar toch eene schoone toekomst te gemoet gaat.Van Lennep, schrander en helder ziendein de toekomst, zou begrepen hebben, dat de Nederlandsche Letteren haar voordeel zouden kunnen doen met het Fransche Naturalisme, maar dat zij nimmer tot eene slaafsche navolging dezer school zouden kunnen afdalen. Hij zou tevens begrepen hebben, dat de afgoderij metsonnettenen raadselachtige verstandspoëzie evenmin tot het gewenschte doel: verjonging onzer nationale muzen, zou kunnen leiden. Zijn eigen standpunt moge dan voor ouderwetsch doorgaan, hij vertegenwoordigt in elk geval de classieke, smaakvolle denkwijze, door zijn vaderDavid Jacobuszoo welsprekend verdedigd. Hij moge reeds in zijne jongensjarenShakesperevertalen, wetgevers op kunstgebied blijven voor hem alleenBoileauenHoratius. Ademend in de classieke atmosfeer zijns vaders, van zijne vroegste jeugd met Latijnsche verzen begroet, zou hij de overwinnende Romantiek alleen onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarden. De algemeene geestdrift voorWalter ScottenByronbracht hem tot zijne “Legenden” en zijnehistorische romans. De bijval, hem geschonken, stuwde hem verder voort, dan hij misschien wel wilde, naar de kusten der Romantiek, immer vasthoudend aan de classieke beginselen, die hem als knaap en student waren ingeprent.De “groote schrijvers” der eeuw vanLouis XIVlagen hem na aan het hart. Hij begreep de schoonheden vanShakespereen Goethe, maar was in den grond der zaak geen voorstander der Romantische School van 1830. Dit bleek mij uit den reeds aangehaalden brief van 1867, waarin hij mij berispte, omdat ik mij veroorloofd had met zekere koelheid over hetLeerdichtte spreken.“Ik zie niet in”—schreef hij mij—“waarom hetLeerdichteen banvloek verdient, als gij er over uitspreekt.Bone Deus, de [Greek: Erga chai êrerai], deGeorgica, deArs poetica(’t zij van Horatius, ’t zij van Boileau), deZiekte der geleerden, zooveel heerlijks en liefelijks, met een pennestreek weggecijferd: wel, mij dunkt, zoo als Bilderdijk zeer te recht zegt:“Geen veld is dor, waar dichtkunst zich vertreedt!”“en juist dit is haar privilegie, om uit den schijnbaar dorren bodem de heerlijkste vruchten te doen uitspruiten. Ook hier wederom zeg ik:“Tous les genres sont bons, hors le genre ennuyeux.”VaderVan Lennepmaakte zich hier wat al te snel van de zaak af. Maar zijn gevoel brengt hem niet op een dwaalweg. Dedidactische poëzie heeft haar voor en tegen. Juist in deze laatste jaren zijn vele hoeden en mutsen afgenomen voor de Muze der Didactiek. De roman, afhankelijk gesteld van grondige studie der anthropologie, psychologie en sociologie; de lyrische poëzie in dienst van alle wetenschappen en elke wijsbegeerte—mij dunkt deze teekenen der tijden zoudenVan Lennepniet al te zeer hebben mishaagd.Nog een kenmerkend hoofdstuk zijner aesthetische wereldbeschouwing, draagt tot opschrift: “Verdiensten der achttiende eeuw.” Aan het slot van den zooeven aangehaalden brief, vermaant hij mij nogmaals:“Het gerijmel der 18deeeuw vindt geen genade in uw oogen. ’t Spijt mij, want ik ken een menigte brokken van buiten uit Poot, uit denAchilles, uit denMonzongo, uit hetBeleg van Haarlem, uit denAgon Sultan van Bantam, uit de vertalingen door Doornik en door Nomsz gemaakt, en ik zet het onzen hedendaagschen poëten—ten Kate uitgezonderd—om zulke vaerzen te schrijven. ’t Is net hier als in Frankrijk, waar men zich—een Victor Hugo aan ’t hoofd—volstrekt niet meer stoort aan censuur of kadans. Ik las dezer dagen....... van onzen vriend H. Lieve Hemel, bijna geen bladzijde, waar ik niet een vers aantref, dat een voet te veel of te weinig heeft. Bij S. ad idem. Als er dat nu niet op aankomt, ’t is mij wel; maar voor mij is het niet genoeg, dat een lied muzikale gedachten bevat; om mij te behagen moet het speeltuig behoorlijk gestemd en de zangstem zuiver zijn, anders verscheuren zij mij de ooren....”Uit het graf klinke deze vermaning vrij in onze woelige letterkundige wereld van 1886. Slechts oppervlakkigheid en verwaandheid, vruchten van halve wetenschap en geheele zelfmisleiding, zullen den fijngevoelendenVan Lennepeen antwoord onwaardig keuren.IV.De auteur van “Ferdinand Huyck” dankt zijne populariteit niet uitsluitend aan zijne romans.Behalve dezen deed hij zich als echtNederlandsch dichterkennen. Heel zijn leven lang zorgde hij er voor, dat bij elke plechtige gelegenheid eenige toepasselijke regelen van zijne hand voor zijne vrienden het licht zagen. In den huiselijken kring of in hetmaatschappelijk leven werd elke belangrijke gebeurtenis door hem met hartelijke woorden herdacht. Van zijne “Academische Idyllen” (1826) tot aan zijne “Vermakelijke Spraakkunst” (1865) bleek hij zoo niet de geestigste, dan toch zeker de opgeruimdste en levenslustigste zanger, die onder ons, deftige lieden, te vinden was. Een snaaksche glimlach was om zijne lippen als bestorven, zoodat, toen hij de koddige grappen van zijn vriendGerrit van de Lindein zijn almanak “Holland” deed afdrukken, ieder geloofde, dat hij zelf ze geschreven had.Er is in de laatste vijfentwintig jaren geene bloemlezing onzer hedendaagsche dichters, waarin niet op de eereplaats aangetroffen wordtVan Lennep’s:“Mijn waarde Neef! ik durf het wagenU twee kommissies op te dragen:’t Is, in ’t Verkoophuis, voor Papa,Vier doosjes Lucifers te koopen,En op de Bloemmarkt voor Mama,Wat lentebloemzaad op te loopen:Dan voor broêr Kees, een nieuwen tol.Voorts zendt Gij mij, ’k durf daarop reeknen,Een boek papier om op te teekenen,En ook vier strengen zwarte wol.“Wil voorts een kistjen Rencurrellen,Bij Reynvaan, voor oom Piet bestellen;En wip dan bij Verschuur eens aan,Om Lizes bracelet te halen;Van daar kunt gij bij Holters gaan,En onze rekening betalen.Voorts wacht ons Mietje een trommelvolMet biesjensdeeg en drabbelkoeken:Zend mij wat nieuwe Fransche boeken,En dan, vooral, vier strengen wol.“Laat Sacher, met den beurtman, morgen,Wat versche bloemen ons bezorgen,En koop meteen, op ’t Muiderplein,Voor tante Saar wat Lange-Lijzen:Gij kent haar smaak voor porcelein;Zend voorts een kooitjen voor haar sijzen,Een aanzetleder voor Oom Nol,Een verschen pot met tamarinden,Die gij bij Gerber wel zult vinden,En dan, voor mij, wat zwarte wol.”Voorts het gedicht aan een zijner kleinzoons:“Teeder en aanvallig wichtjen,Dat zoo geestig om u heen kijktUit uw (niet meer schom’lend) wiegjen:(Schomlende zijn uit de mode)!“Dat nog van de tegenspoeden,Die ons hier beneden kwellen,Geen ervaring hebt verkregen—Dan door ’t steken van de muggen!—“Dat, nog zuiver van de driften,Die op rijper leeftijd woelen,Nimmer boos wordt—dan alleen maarAls men niet terstond uw zin doet!“Dat, nog vrij van dwaze wenschenVrij van zondige aardsche lusten,Uw begeerten blijft beperkenTot een trek naar soep of bloemkool!“Dierbaar kind! gij zijt onkundigVan uw laatre lotsbestemming,Ik, in spijt van grijze ervaring,Weet daarvan zooveel als gij weet.“Maar, zoo gij nog naar de toekomstGeen vermeetle blikken heenwendt,Of althans niet verder uitzietDan naar ’t heerlijk etens-uurtjen;“Ik—en ’k durf geenszins bepalen,Of het dwaas is dan verstandig—Ik, ik kan mij niet weêrhouden,Naar die toekomst vaak te gissen.“Zult ge een pleitbezorger worden?In den handel u begeven?Of, uw ooms tot voorbeeld kiezend,Uw fortuin in de Oost gaan zoeken?“Zult gij in de koffijhuizenAan ’t biljard uw dagen slijten,Altijd wachten op een postjen,Dat u nimmer wordt gegeven?“Of zult gij den krijgsdienst kiezen,En u krijgstrofeën vormenVan sjakoos, nog voor ’t verslijtenDoor een nieuw model vervangen?”’t Is mij, in den grond, om ’t even;Want men kan in elken werkkring,Al naar ’t valt, carrière makenOf een bittre sukkel blijven.“Maar, lief kind, wat hier benedenOoit het doel zij van uw streven,Tracht toch—wat ik u mag bidden—Nimmer naar den naam van dichter....”Dan zijne “Lente-Mijmeringen, 21 Juni 1855,”“Mij heugt, toen ik een knaapjen was,En Mei in ’t land gekomen,Wij zaten ’s avonds op ’t terrasIn schaaûw der lindeboomen,“Dan sprong ik als een jonge reeEn plukte mij een ruiker,De Gouvernante schonk ons theeIk kreeg dien zonder suiker.“O, ’t blijkt uit alles zonneklaar,Men mocht in vroeger dagenOp Lente reeknen ieder jaar;Wat kon haar toch verjagen?“Hoe meenge winter ging voorbij,Dat wij begeerig smachttenNaar ’t lieve Lentejaargetij,En vruchtloos bleven wachten.“Met ieder jaar bleef ’t winterijsWat langer in het water,En bleef de lucht wat langer grijs,En kwam de zomer later.“En nu—’t is reeds de langste dag:Reeds moest de zomer komen;En ’k heb in Neêrland, waar ik zag,Geen voorjaar nog vernomen.”Eindelijk zoo menig lied vol prettigen kortswijl uit zijn Almanak “Holland,” of uit zijne “Zeemansliedjes,” alles zuiver Hollandsch veldgebloemte, nederig, eenvoudig, gezond.Critiek, die gaarne overvraagt, heeftVan Lennepverweten, dat zijne scherts te weinig fierheid bezat, dat hij met zijne anecdoten en kwinkslagen, ook in het dagelijksch gesprek, tot lager kringen afdaalde, dan tot welke hij zelf behoorde. Zijne snakerijen met de geschiedenis des Vaderlands berokkenden hem zelfs dichterlijke boetpredikatiën van verontwaardigde, maar minder geestige kunstvrienden. Het is mogelijk, dat hij het soms wat bont maakte, maar ontkend mag het niet worden, dat juist deze trek van zijn karakter, deze zijde van zijn talent hem tot den meest Nederlandschen, tot den populairsten dichter en romanschrijver van zijn tijd gemaakt hebben.In de geschiedenis der Letterkunde van een klein volk is het niet zoo gemakkelijk de eigenaardige trekken van het nationale karakter terug te vinden. De classieke en moderne Letteren oefenen grooteren invloed, omdat kleine volken, wier taal niet algemeen gesproken wordt, zich letterkundig minder zelfstandig ontwikkelen kunnen. Trots deze beletselen zal het den historieschrijver onzer litteratuur toch mogelijk blijken hetnationaal-Nederlandscheop het spoor te komen.Van Lennepdrukte in zijn persoon en in zijn werk dat nationaal-Nederlandsche voortreffelijk uit.Kwinkslagen, scherts en kortswijl; een goed oog op het comische in het leven en in de kunst; belangstelling in het blijspel, soms dalend tot de platte klucht, soms stijgend tot vlijmende satire of teederen humor—zie daar de meest in het oogvallenden karaktertrekkenonzer letterkundige kunst, die tevens worden teruggevonden in de geschiedenis onzer schilderschool. In de middeleeuwen, in de XVI en XVII eeuwen valt het niet moeilijk dit telkens met luidsprekende feiten te staven. Het is onnoodig op denReinaert, op de “schoone boerden,” op de “sotternien,” op de volksliederen en volksromans te wijzen; overbodig te herinneren aan den gullen lach van den rondenRoemer, aan de vroolijkheid vanJan van Hout, aan de drink- en minneliederen vanBrederoenStarter, aanHooft’s“Warenar,” aanVondels“Rommelpot,” aan de maaltijden vanJan Steen, de boerenkermissen vanOstade, deTeniersenenRubens, aan de kroegen vanAdriaen de Brouwer, aan de schaterlachende zangers, drinkers en vischwijven vanFrans Hals—dit alles is meermalen uitdrukkelijk in het licht gesteld.Mocht ook in latere tijden de goedronde lach onzer vaderen verstommen, mocht het kille Calvinisme zich paren aan het practisch streven naar Nuttige, Voordeelige, Bruikbare dingen, toch ging de overlevering van onze nationale luim in de geschiedenis onzer letteren niet verloren.Langendijk,Troost,AsselijnenBernagiebleven onzen ouden volksaard getrouw; aan het slot der vorige eeuw triomfeerden twee geniale vrouwen in “Sara Burgerhart” en “Willem Leevend” op al de booze geesten, die der Nederlandsche Muzen onverzoenlijken haat hadden gezworen.Van Lennepwas inzonderheid een echt Nederlander door zijne kunst. Zijne patricische Amsterdamsche stemming, zijne bewonderenswaardige wetenschappelijke vlijt in de uitgave vanVondel’swerken gebleken, zijne veelzijdige letterkundige en historische kennis, werden altijd verhelderd door eene zonnestraal van vriendelijke geestigheid; zijne deftige betoogen afgewisseld door een vroolijken zet, zijne ernstige buien opgehelderd door eene grappige anecdote.BijSijthoff’snieuwe uitgaaf vanVan Lennep’sromantische werken een hartelijk woord te voegen, was het doel van dit eenvoudig opstel.Van Lennep’sleven is het best en uitvoerigst beschreven doorA. J. de Bullin de “Levensberichten” der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Daarbij is eene lijst van geschriften gevoegd, die de wenschen van den lastigsten bibliograaf overtreft. Verschillende mannen van naam:Jonckbleet,Réville,Busken Huet,SchimmelenNicolaas Beetshebben hunne meening overVan Lennepgezegd; toch ontbreekt nog de monographie, die zijne geheele persoonlijkheid, zijne veelzijdige werkzaamheid, zijne beteekenis voor de geschiedenis onzer Letteren te zaam vat, en met wetenschappelijke nauwkeurigheid beschrijft. Eene nieuwe uitgaaf zijner romantische werken kan misschien aanleiding worden tot vervulling dezer behoefte, althans de gedachte verlevendigen, dat een dergelijk boek nog altijd moet geschreven worden.Dr.Jan ten Brink.1“Vondel bekroond door het dankbaar nageslacht. Eene herinnering aan de oprichting van het standbeeld en de Vondelsfeesten in de hoofdstad op 17, 18 en 19 Oktober 1867.” Arnhem, D. A.Thieme, 1868, gr. 8o.2Aftreden van het 1ste ministerieHeemskerk, Februari 1868. Mr. C.Fockvormt een nieuw ministerie.3Van Lennep doelt op zijne brochure: “Het Podagra en het Manifest van Burgerpligt,” Amsterdam, 1868.4Gedurende de jaren 1868 en 1869 schreef ik in het tijdschrift “Nederland” letterkundige artikelen onder den titel: “Letterkundig Intermezzo.”5Gids, December, 1864. Later in het II deel,Litterarische Fantasien, 1 Reeks.
“Van Lennep was onze prettigste litteraire gestalte, die de kunst verstond vijftig jaren lang amusant te blijven.”Cd. Busken Huet.
“Van Lennep was onze prettigste litteraire gestalte, die de kunst verstond vijftig jaren lang amusant te blijven.”
Cd. Busken Huet.
I.’t Was een plezierVan Lenneppersoonlijk te ontmoeten.Toen hij in Augustus 1865 ter vergaderzaal van het achtste Taal- en Letterkundig Congres te Rotterdam verscheen, geheel in een grijs zomercostuum, het fraaie zilveren hair om de slapen golvend, kwam ieder hem blij groetend te gemoet. Aan de tafel van het bestuur plaats nemend, de guitige, donkere oogen naar het publiek, vooral naar de dames richtend, zat hij met een bijna onmerkbaren glimlach te luisteren. De vrij drooge beraadslaging over de spelling der bastaardwoorden werd plotseling door hem met een handvol aardigheden afgebroken. Wie herinnert zich niet, hoe daar door hem geijverd werd, om de ph door de f te vervangen—hoe hij vertelde, dat hij als jonkman een zangspel “Saffo” geschreven had, maar, dat de regisseur zijne spelling inSaphogewijzigd had, zoodat de acteurs: “O, Sap, ho, wees gegroet!” zongen; hoe hij er bijvoegde, dat eene Amsterdamsche dienstmaagd, uitgezonden door hare mevrouw, om te zien of er een vroolijk stuk op het Leidsche Plein zou gespeeld worden, terugkwam met het bericht: “Ze spelen de Mophondjes,” terwijl in werkelijkheid “Demophontes,” het classiek treurspel vanMetastasio, vertaald doorWesterwijk, werd vertoond; hoehij besloot met de mededeeling eener jonge dame, die hem in zijne waardigheid van vrijmetselaar vroeg, wat de orde toch bedoelde met de woordenprop hanen, waarop hij antwoordde, dat daarmeê waarschijnlijk de mannetjes van prop hennen gemeend werden.Een zonneschijn van vroolijkheid schitterde plotseling over de vergadering, die vóórVan Lennep’skomst in deftige dommeling zachtkens afdreef op den stroom der verveling.In het huis op de Keizersgracht, in zijne ruime studeerkamer, aan zijne schrijftafel, maakte hij geen minderen indruk. Gekleed met zijn grijzen kamerjapon—als op het groote gesteendrukte portret naar de voortreffelijke schilderij vanSchwarze—de snuifdoos in de linkerhand, de rechter op een arm van zijn leunstoel, zat hij daar met zijn prettig gezicht en fonkelende oogen naar de woorden van zijn bezoeker te luisteren, de gelegenheid afwachtend, om met een fijnen zet of een luimig verhaal zelf het woord te nemen. Onder vier oogen kwam daarenboven de natuurlijke goedheid van zijn hart uit, daar hij geene moeite te zwaar vond, om aan eenig verzoek zijner vrienden te voldoen. Zijne wetenschap, zijne bibliotheek, zijn invloed stonden hun ten dienste, zoo vaak zij zijne hulp inriepen.Te Gent zag men hem, ter gelegenheid van het negende Letterkundig Congres, in het voorportaal van den schoonen schouwburg, op een Augustusavond van 1867 in zijn licht reiscostuum—hij was uit Zwitserland overgekomen—terwijl hij met hartelijkheid de hand drukte van E.Douwes Dekker, die hem kort te voren in een vlugschrift zijne hulpvaardigheid bij het uitgeven van den “Max Havelaar” als een misdrijf voor de voeten had geworpen. De Congresleden omringden hem van alle kanten. En uit de rijen der Zuid-Nederlanders ging een luid gejuich op. Zooveel grootmoedigheid, zooveel zelfbeheersching, zooveel rustige heuschheid mochten niet onopgemerkt blijven.Van Lennep’spersoon was overal bekend. Overal werden hoeden afgenomen, handdrukken gewisseld. In alle Nederlandsche steden had hij vrienden of ten minste goede kennissen. Zelfs onder den eenvoudigen, maar nuttigen, stand der sjouwerlieden was zijn naam en persoon bekend. En niet alleen te Amsterdam. Het gebeurde in 1867, dat te Rotterdam aan het station van den Rhijnspoorweg bij het aankomen van een trein uit Utrecht, een aardig, knap juffertje stond bij eene geopende deur aan het plankier. Dat juffertje was eene Rotterdamsche, die dagelijks vrij wat menschen zag, daar zij haar guitig wipneusje sedert een jaar achter het buffet deed bewonderen door wereldwijze handelsreizigers en roodgeblakerde tweede-luitenants,die op transport waren. Toen de reizigers uit den trein zich over het plankier verspreidden, zag zij te midden van eene groep luidsprekende heeren een grijsaard met ongemeen vriendelijken glimlach en golvende witte hairen. Telkens hield iemand hem staande, om hem met een levendigen uitroep van verrassing, van ingenomenheid, eenige snelle woorden toe te spreken, die door den wellevenden man onuitputtelijk geduldig werden beantwoord. Ieder beijverde zich met liefde den weg open te houden voor den uiterlijk reeds zoo achtbaren man, wiens tred door den last van vijfenzestig jaren reeds vrij wat van vroegere veerkracht miste. De knappe buffetjuffrouw verwonderde zich, dat één oude heer zoo ontzettend veel kennissen om zich heen verzamelde. En daar Hein, de witgekielde sjouwerman van het goederenbureel, juist voorbijkwam, vroeg ze:—“Wie is die grijze heer?”—“Wie? Wel nou, jij bent ook een beste! Ken-je onzen Van Lennep dan niet?”’t Feit is historisch en werd door een ooggetuige verteld. Ik kom er weldra op terug.Toen ikVan Lennepvoor het laatst zag, doorleefde hij den gelukkigsten dag van zijn ouderdom. Het was Vrijdag 18 October 1867, den dag, waarop te Amsterdam het standbeeld vanJoost van den Vondelzou worden onthuld. Eene groote menigte stroomde naar de Nieuwe Kerk, om zich rondomVondel’sgrafsteê te vereenigen. De blauwe zerk was zorgvuldig van stof gezuiverd en prijkte met eene krans van gele immortellen. Een dichte drom geletterden schaarde zich eerbiedig om deze heilige plek, terwijl boven onze hoofden de zon door de hooge kerkvensters scheen en schoven van goud licht over het hoog gewelf uitgoot. Plotseling stondVan Lennepvóór ons, het witte hoofd ontbloot, de oogen tintelend van geestdrift, na zeven jaren zwoegens eindelijk triumfeerend door de oprichting van het standbeeld. Hij sprak enkele eenvoudige woorden overVondel’s graf en noodigde de feestgenooten naar het park, waar het schoone monument vanRoyerenCuyperszou worden onthuld.Een uur later verscheen hij in het spreekgestoelte bij het standbeeld en sprak daar met duidelijk verstaanbare stem zijne feestrede. Niemand was meer gerechtigd dan hij tot deze taak, daar hij een vierde van zijn reeds gevorderden leeftijd aan het verhaal vanVondel’s leven, en aan het verklaren van zijne werken had besteed. Uit aller keelen klonk daarom een aanhoudend bravo, toen de welsprekende staatsman, die destijds aan het hoofd van het departement van Binnenlandsche Zaken stond, toen Mr. J.Heemskerk Az.,Van Lennepmet een hartelijk woord van gelukwensching, namens Z. M. den Koning, het commandeurskruis der orde van den Nederlandschen Leeuw aanbood.Zóó zag ik hem voor het laatst.Eens nog schreef hij mij (8 Februari 1868), zeven maanden vóór zijn dood (26 Augustus 1868). Ik geloof, dat men mij de vrijheid vergunnen zal dezen brief hier meê te deelen, men zal er uit zien, dat mijn verhaal van Hein, den kruier, volmaakt historisch is.“Amice!“Ik zeg u grooten dank voor het exemplaar van denbekroondenVondel1.... waarmede mijn vrouw, die gedurende de feesten ziek was en dus niets van de pret gezien of gehoord had, zich bijzonder vermaakt heeft.... Ik zal er maar niets van zeggen, want ik krijg er zooveel mooie kompl. in, dat ik uw stuk niet prijzen durf, zonder den schijn op mij te laden, alsof ik het daarom zoo naar mijn zin vind....“Het doet mij plezier, dat Gij die pret op ’t slot te Muiden zoo con amore geschilderd en de aandacht weder op dit slot gevestigd hebt. De Hr. Heemskerk had, onmiddellijk na het feest, zijn voornemen te kennen gegeven, om een wet voor te stellen tot restauratie van het slot, zich vleiende, dat daarvoor nu juist in deze oogenblikken veel sympathie zijn zou;—doch nu is juist die vervelende krizis tusschen beiden gekomen—2. Van die krizis gesproken,podagraheb ik deze reize niet gehad, maar dewijl ’t een kwaal is, daar ik best mee bekend ben sedert 30 jaren, heb ik haar bij voorkeur in mijn brochure gebracht—3als onschuldig middel om de attentie te trekken—....“Maar ik heb zes maanden lang gesukkeld aan leewater in de knie en laatstelijk aan doofheid. Dat is nu Goddank weer over en mijne gezondheid is door de Vondelsfeesten geheel gekureerd.“Zijt gij ’t, of is het een ander, die deLetterkundige Intermezzoosin Nederland schrijft4. De schrijver, wie dan ook, heeft in zijn eerste artikel eene beschuldiging tegen onze natie gericht, als zou zij haar schrijvers, mij b. v., niet kennen of liever geen notitie van hen nemen. Ik zou hem, daar ik er ook als voorbeeld bij gehaald ben, een dozijn voorbeelden kunnen geven van het tegendeel. Toen Hofdijk voor een paar jaren bij mij aan de Steeg logeeren zou, was er in beide herbergen al een groote vreugde en verwachting vooruit—en onlangs, dat ik te Rotterdam uit den trein stapte en de juffrouw van ’t buffet zei: “He, wie of die grijskop is met zijn lange haren!” riep een sjouwerman van ’t goederenbureau verontwaardigd uit: “Wat, ken-je onzen Van Lennep niet?” Dit werd mij later medegedeeld door den Hr. Van Alphen, die ’t gehoord had.“Indien gij nu de bedoelde schrijver niet zijt, laat die anecdote—die in dat geval een kale bluf zou schijnen—maar liever ongelezen.“Vale, faveque“Amst. 8 febr. 1868. T. T.“J. v.Lennep.”Van mijn edelmoedigen vriend, die zich, helaas! te vergeefs vleide met herstel zijner gezondheid, heb ik dus de mededeeling omtrent het feit, dat wellicht bij de eerste vermelding wat onwaarschijnlijk mocht klinken.De vreugde aan de Steeg in 1866 betoond bijHofdijk’s komst schijnt mij tevens in nauw verband te staan met de blijde opgewektheid, die de viering van zijn zeventigsten jaardag (27 Juni 1886) heeft gekenmerkt.
’t Was een plezierVan Lenneppersoonlijk te ontmoeten.
Toen hij in Augustus 1865 ter vergaderzaal van het achtste Taal- en Letterkundig Congres te Rotterdam verscheen, geheel in een grijs zomercostuum, het fraaie zilveren hair om de slapen golvend, kwam ieder hem blij groetend te gemoet. Aan de tafel van het bestuur plaats nemend, de guitige, donkere oogen naar het publiek, vooral naar de dames richtend, zat hij met een bijna onmerkbaren glimlach te luisteren. De vrij drooge beraadslaging over de spelling der bastaardwoorden werd plotseling door hem met een handvol aardigheden afgebroken. Wie herinnert zich niet, hoe daar door hem geijverd werd, om de ph door de f te vervangen—hoe hij vertelde, dat hij als jonkman een zangspel “Saffo” geschreven had, maar, dat de regisseur zijne spelling inSaphogewijzigd had, zoodat de acteurs: “O, Sap, ho, wees gegroet!” zongen; hoe hij er bijvoegde, dat eene Amsterdamsche dienstmaagd, uitgezonden door hare mevrouw, om te zien of er een vroolijk stuk op het Leidsche Plein zou gespeeld worden, terugkwam met het bericht: “Ze spelen de Mophondjes,” terwijl in werkelijkheid “Demophontes,” het classiek treurspel vanMetastasio, vertaald doorWesterwijk, werd vertoond; hoehij besloot met de mededeeling eener jonge dame, die hem in zijne waardigheid van vrijmetselaar vroeg, wat de orde toch bedoelde met de woordenprop hanen, waarop hij antwoordde, dat daarmeê waarschijnlijk de mannetjes van prop hennen gemeend werden.
Een zonneschijn van vroolijkheid schitterde plotseling over de vergadering, die vóórVan Lennep’skomst in deftige dommeling zachtkens afdreef op den stroom der verveling.
In het huis op de Keizersgracht, in zijne ruime studeerkamer, aan zijne schrijftafel, maakte hij geen minderen indruk. Gekleed met zijn grijzen kamerjapon—als op het groote gesteendrukte portret naar de voortreffelijke schilderij vanSchwarze—de snuifdoos in de linkerhand, de rechter op een arm van zijn leunstoel, zat hij daar met zijn prettig gezicht en fonkelende oogen naar de woorden van zijn bezoeker te luisteren, de gelegenheid afwachtend, om met een fijnen zet of een luimig verhaal zelf het woord te nemen. Onder vier oogen kwam daarenboven de natuurlijke goedheid van zijn hart uit, daar hij geene moeite te zwaar vond, om aan eenig verzoek zijner vrienden te voldoen. Zijne wetenschap, zijne bibliotheek, zijn invloed stonden hun ten dienste, zoo vaak zij zijne hulp inriepen.
Te Gent zag men hem, ter gelegenheid van het negende Letterkundig Congres, in het voorportaal van den schoonen schouwburg, op een Augustusavond van 1867 in zijn licht reiscostuum—hij was uit Zwitserland overgekomen—terwijl hij met hartelijkheid de hand drukte van E.Douwes Dekker, die hem kort te voren in een vlugschrift zijne hulpvaardigheid bij het uitgeven van den “Max Havelaar” als een misdrijf voor de voeten had geworpen. De Congresleden omringden hem van alle kanten. En uit de rijen der Zuid-Nederlanders ging een luid gejuich op. Zooveel grootmoedigheid, zooveel zelfbeheersching, zooveel rustige heuschheid mochten niet onopgemerkt blijven.
Van Lennep’spersoon was overal bekend. Overal werden hoeden afgenomen, handdrukken gewisseld. In alle Nederlandsche steden had hij vrienden of ten minste goede kennissen. Zelfs onder den eenvoudigen, maar nuttigen, stand der sjouwerlieden was zijn naam en persoon bekend. En niet alleen te Amsterdam. Het gebeurde in 1867, dat te Rotterdam aan het station van den Rhijnspoorweg bij het aankomen van een trein uit Utrecht, een aardig, knap juffertje stond bij eene geopende deur aan het plankier. Dat juffertje was eene Rotterdamsche, die dagelijks vrij wat menschen zag, daar zij haar guitig wipneusje sedert een jaar achter het buffet deed bewonderen door wereldwijze handelsreizigers en roodgeblakerde tweede-luitenants,die op transport waren. Toen de reizigers uit den trein zich over het plankier verspreidden, zag zij te midden van eene groep luidsprekende heeren een grijsaard met ongemeen vriendelijken glimlach en golvende witte hairen. Telkens hield iemand hem staande, om hem met een levendigen uitroep van verrassing, van ingenomenheid, eenige snelle woorden toe te spreken, die door den wellevenden man onuitputtelijk geduldig werden beantwoord. Ieder beijverde zich met liefde den weg open te houden voor den uiterlijk reeds zoo achtbaren man, wiens tred door den last van vijfenzestig jaren reeds vrij wat van vroegere veerkracht miste. De knappe buffetjuffrouw verwonderde zich, dat één oude heer zoo ontzettend veel kennissen om zich heen verzamelde. En daar Hein, de witgekielde sjouwerman van het goederenbureel, juist voorbijkwam, vroeg ze:
—“Wie is die grijze heer?”
—“Wie? Wel nou, jij bent ook een beste! Ken-je onzen Van Lennep dan niet?”
’t Feit is historisch en werd door een ooggetuige verteld. Ik kom er weldra op terug.
Toen ikVan Lennepvoor het laatst zag, doorleefde hij den gelukkigsten dag van zijn ouderdom. Het was Vrijdag 18 October 1867, den dag, waarop te Amsterdam het standbeeld vanJoost van den Vondelzou worden onthuld. Eene groote menigte stroomde naar de Nieuwe Kerk, om zich rondomVondel’sgrafsteê te vereenigen. De blauwe zerk was zorgvuldig van stof gezuiverd en prijkte met eene krans van gele immortellen. Een dichte drom geletterden schaarde zich eerbiedig om deze heilige plek, terwijl boven onze hoofden de zon door de hooge kerkvensters scheen en schoven van goud licht over het hoog gewelf uitgoot. Plotseling stondVan Lennepvóór ons, het witte hoofd ontbloot, de oogen tintelend van geestdrift, na zeven jaren zwoegens eindelijk triumfeerend door de oprichting van het standbeeld. Hij sprak enkele eenvoudige woorden overVondel’s graf en noodigde de feestgenooten naar het park, waar het schoone monument vanRoyerenCuyperszou worden onthuld.
Een uur later verscheen hij in het spreekgestoelte bij het standbeeld en sprak daar met duidelijk verstaanbare stem zijne feestrede. Niemand was meer gerechtigd dan hij tot deze taak, daar hij een vierde van zijn reeds gevorderden leeftijd aan het verhaal vanVondel’s leven, en aan het verklaren van zijne werken had besteed. Uit aller keelen klonk daarom een aanhoudend bravo, toen de welsprekende staatsman, die destijds aan het hoofd van het departement van Binnenlandsche Zaken stond, toen Mr. J.Heemskerk Az.,Van Lennepmet een hartelijk woord van gelukwensching, namens Z. M. den Koning, het commandeurskruis der orde van den Nederlandschen Leeuw aanbood.
Zóó zag ik hem voor het laatst.
Eens nog schreef hij mij (8 Februari 1868), zeven maanden vóór zijn dood (26 Augustus 1868). Ik geloof, dat men mij de vrijheid vergunnen zal dezen brief hier meê te deelen, men zal er uit zien, dat mijn verhaal van Hein, den kruier, volmaakt historisch is.
“Amice!“Ik zeg u grooten dank voor het exemplaar van denbekroondenVondel1.... waarmede mijn vrouw, die gedurende de feesten ziek was en dus niets van de pret gezien of gehoord had, zich bijzonder vermaakt heeft.... Ik zal er maar niets van zeggen, want ik krijg er zooveel mooie kompl. in, dat ik uw stuk niet prijzen durf, zonder den schijn op mij te laden, alsof ik het daarom zoo naar mijn zin vind....“Het doet mij plezier, dat Gij die pret op ’t slot te Muiden zoo con amore geschilderd en de aandacht weder op dit slot gevestigd hebt. De Hr. Heemskerk had, onmiddellijk na het feest, zijn voornemen te kennen gegeven, om een wet voor te stellen tot restauratie van het slot, zich vleiende, dat daarvoor nu juist in deze oogenblikken veel sympathie zijn zou;—doch nu is juist die vervelende krizis tusschen beiden gekomen—2. Van die krizis gesproken,podagraheb ik deze reize niet gehad, maar dewijl ’t een kwaal is, daar ik best mee bekend ben sedert 30 jaren, heb ik haar bij voorkeur in mijn brochure gebracht—3als onschuldig middel om de attentie te trekken—....“Maar ik heb zes maanden lang gesukkeld aan leewater in de knie en laatstelijk aan doofheid. Dat is nu Goddank weer over en mijne gezondheid is door de Vondelsfeesten geheel gekureerd.“Zijt gij ’t, of is het een ander, die deLetterkundige Intermezzoosin Nederland schrijft4. De schrijver, wie dan ook, heeft in zijn eerste artikel eene beschuldiging tegen onze natie gericht, als zou zij haar schrijvers, mij b. v., niet kennen of liever geen notitie van hen nemen. Ik zou hem, daar ik er ook als voorbeeld bij gehaald ben, een dozijn voorbeelden kunnen geven van het tegendeel. Toen Hofdijk voor een paar jaren bij mij aan de Steeg logeeren zou, was er in beide herbergen al een groote vreugde en verwachting vooruit—en onlangs, dat ik te Rotterdam uit den trein stapte en de juffrouw van ’t buffet zei: “He, wie of die grijskop is met zijn lange haren!” riep een sjouwerman van ’t goederenbureau verontwaardigd uit: “Wat, ken-je onzen Van Lennep niet?” Dit werd mij later medegedeeld door den Hr. Van Alphen, die ’t gehoord had.“Indien gij nu de bedoelde schrijver niet zijt, laat die anecdote—die in dat geval een kale bluf zou schijnen—maar liever ongelezen.“Vale, faveque“Amst. 8 febr. 1868. T. T.“J. v.Lennep.”
“Amice!“Ik zeg u grooten dank voor het exemplaar van denbekroondenVondel1.... waarmede mijn vrouw, die gedurende de feesten ziek was en dus niets van de pret gezien of gehoord had, zich bijzonder vermaakt heeft.... Ik zal er maar niets van zeggen, want ik krijg er zooveel mooie kompl. in, dat ik uw stuk niet prijzen durf, zonder den schijn op mij te laden, alsof ik het daarom zoo naar mijn zin vind....“Het doet mij plezier, dat Gij die pret op ’t slot te Muiden zoo con amore geschilderd en de aandacht weder op dit slot gevestigd hebt. De Hr. Heemskerk had, onmiddellijk na het feest, zijn voornemen te kennen gegeven, om een wet voor te stellen tot restauratie van het slot, zich vleiende, dat daarvoor nu juist in deze oogenblikken veel sympathie zijn zou;—doch nu is juist die vervelende krizis tusschen beiden gekomen—2. Van die krizis gesproken,podagraheb ik deze reize niet gehad, maar dewijl ’t een kwaal is, daar ik best mee bekend ben sedert 30 jaren, heb ik haar bij voorkeur in mijn brochure gebracht—3als onschuldig middel om de attentie te trekken—....“Maar ik heb zes maanden lang gesukkeld aan leewater in de knie en laatstelijk aan doofheid. Dat is nu Goddank weer over en mijne gezondheid is door de Vondelsfeesten geheel gekureerd.“Zijt gij ’t, of is het een ander, die deLetterkundige Intermezzoosin Nederland schrijft4. De schrijver, wie dan ook, heeft in zijn eerste artikel eene beschuldiging tegen onze natie gericht, als zou zij haar schrijvers, mij b. v., niet kennen of liever geen notitie van hen nemen. Ik zou hem, daar ik er ook als voorbeeld bij gehaald ben, een dozijn voorbeelden kunnen geven van het tegendeel. Toen Hofdijk voor een paar jaren bij mij aan de Steeg logeeren zou, was er in beide herbergen al een groote vreugde en verwachting vooruit—en onlangs, dat ik te Rotterdam uit den trein stapte en de juffrouw van ’t buffet zei: “He, wie of die grijskop is met zijn lange haren!” riep een sjouwerman van ’t goederenbureau verontwaardigd uit: “Wat, ken-je onzen Van Lennep niet?” Dit werd mij later medegedeeld door den Hr. Van Alphen, die ’t gehoord had.“Indien gij nu de bedoelde schrijver niet zijt, laat die anecdote—die in dat geval een kale bluf zou schijnen—maar liever ongelezen.“Vale, faveque“Amst. 8 febr. 1868. T. T.“J. v.Lennep.”
“Amice!“Ik zeg u grooten dank voor het exemplaar van denbekroondenVondel1.... waarmede mijn vrouw, die gedurende de feesten ziek was en dus niets van de pret gezien of gehoord had, zich bijzonder vermaakt heeft.... Ik zal er maar niets van zeggen, want ik krijg er zooveel mooie kompl. in, dat ik uw stuk niet prijzen durf, zonder den schijn op mij te laden, alsof ik het daarom zoo naar mijn zin vind....“Het doet mij plezier, dat Gij die pret op ’t slot te Muiden zoo con amore geschilderd en de aandacht weder op dit slot gevestigd hebt. De Hr. Heemskerk had, onmiddellijk na het feest, zijn voornemen te kennen gegeven, om een wet voor te stellen tot restauratie van het slot, zich vleiende, dat daarvoor nu juist in deze oogenblikken veel sympathie zijn zou;—doch nu is juist die vervelende krizis tusschen beiden gekomen—2. Van die krizis gesproken,podagraheb ik deze reize niet gehad, maar dewijl ’t een kwaal is, daar ik best mee bekend ben sedert 30 jaren, heb ik haar bij voorkeur in mijn brochure gebracht—3als onschuldig middel om de attentie te trekken—....“Maar ik heb zes maanden lang gesukkeld aan leewater in de knie en laatstelijk aan doofheid. Dat is nu Goddank weer over en mijne gezondheid is door de Vondelsfeesten geheel gekureerd.“Zijt gij ’t, of is het een ander, die deLetterkundige Intermezzoosin Nederland schrijft4. De schrijver, wie dan ook, heeft in zijn eerste artikel eene beschuldiging tegen onze natie gericht, als zou zij haar schrijvers, mij b. v., niet kennen of liever geen notitie van hen nemen. Ik zou hem, daar ik er ook als voorbeeld bij gehaald ben, een dozijn voorbeelden kunnen geven van het tegendeel. Toen Hofdijk voor een paar jaren bij mij aan de Steeg logeeren zou, was er in beide herbergen al een groote vreugde en verwachting vooruit—en onlangs, dat ik te Rotterdam uit den trein stapte en de juffrouw van ’t buffet zei: “He, wie of die grijskop is met zijn lange haren!” riep een sjouwerman van ’t goederenbureau verontwaardigd uit: “Wat, ken-je onzen Van Lennep niet?” Dit werd mij later medegedeeld door den Hr. Van Alphen, die ’t gehoord had.“Indien gij nu de bedoelde schrijver niet zijt, laat die anecdote—die in dat geval een kale bluf zou schijnen—maar liever ongelezen.“Vale, faveque“Amst. 8 febr. 1868. T. T.“J. v.Lennep.”
“Amice!
“Ik zeg u grooten dank voor het exemplaar van denbekroondenVondel1.... waarmede mijn vrouw, die gedurende de feesten ziek was en dus niets van de pret gezien of gehoord had, zich bijzonder vermaakt heeft.... Ik zal er maar niets van zeggen, want ik krijg er zooveel mooie kompl. in, dat ik uw stuk niet prijzen durf, zonder den schijn op mij te laden, alsof ik het daarom zoo naar mijn zin vind....
“Het doet mij plezier, dat Gij die pret op ’t slot te Muiden zoo con amore geschilderd en de aandacht weder op dit slot gevestigd hebt. De Hr. Heemskerk had, onmiddellijk na het feest, zijn voornemen te kennen gegeven, om een wet voor te stellen tot restauratie van het slot, zich vleiende, dat daarvoor nu juist in deze oogenblikken veel sympathie zijn zou;—doch nu is juist die vervelende krizis tusschen beiden gekomen—2. Van die krizis gesproken,podagraheb ik deze reize niet gehad, maar dewijl ’t een kwaal is, daar ik best mee bekend ben sedert 30 jaren, heb ik haar bij voorkeur in mijn brochure gebracht—3als onschuldig middel om de attentie te trekken—....
“Maar ik heb zes maanden lang gesukkeld aan leewater in de knie en laatstelijk aan doofheid. Dat is nu Goddank weer over en mijne gezondheid is door de Vondelsfeesten geheel gekureerd.
“Zijt gij ’t, of is het een ander, die deLetterkundige Intermezzoosin Nederland schrijft4. De schrijver, wie dan ook, heeft in zijn eerste artikel eene beschuldiging tegen onze natie gericht, als zou zij haar schrijvers, mij b. v., niet kennen of liever geen notitie van hen nemen. Ik zou hem, daar ik er ook als voorbeeld bij gehaald ben, een dozijn voorbeelden kunnen geven van het tegendeel. Toen Hofdijk voor een paar jaren bij mij aan de Steeg logeeren zou, was er in beide herbergen al een groote vreugde en verwachting vooruit—en onlangs, dat ik te Rotterdam uit den trein stapte en de juffrouw van ’t buffet zei: “He, wie of die grijskop is met zijn lange haren!” riep een sjouwerman van ’t goederenbureau verontwaardigd uit: “Wat, ken-je onzen Van Lennep niet?” Dit werd mij later medegedeeld door den Hr. Van Alphen, die ’t gehoord had.
“Indien gij nu de bedoelde schrijver niet zijt, laat die anecdote—die in dat geval een kale bluf zou schijnen—maar liever ongelezen.
“Vale, faveque
“Amst. 8 febr. 1868. T. T.
“J. v.Lennep.”
Van mijn edelmoedigen vriend, die zich, helaas! te vergeefs vleide met herstel zijner gezondheid, heb ik dus de mededeeling omtrent het feit, dat wellicht bij de eerste vermelding wat onwaarschijnlijk mocht klinken.
De vreugde aan de Steeg in 1866 betoond bijHofdijk’s komst schijnt mij tevens in nauw verband te staan met de blijde opgewektheid, die de viering van zijn zeventigsten jaardag (27 Juni 1886) heeft gekenmerkt.
II.Zonder eenige overdrijving mag beweerd worden, datVan Lennepals dichter, als romanschrijver, vele jaren lang de populairste onzer auteurs is geweest. Als voorbeeld zijner populariteit heeft Cd.Busken Huetin 18645verhaald, dat eene Zandvoortsche vischvrouwal de veertien deelen van zijn exemplaar der romantische werken vanVan Lennephad geleend en gelezen.Doch niet alleen in visschersstulpen ook in de huizen onzer gegoede burgerij, in de woningen onzer patriciërs op de Keizers- en Heerengrachten, wasVan Lennepsteeds een welkome gast. Zijne “Idyllen” maakten hem populair bij de studenten, zijne “Legenden” wonnen hem het hart van al wat jong was, vooral de harten der Hollandsche jonge meisjes, eene veroveringVan Lenneptot op den laatsten dag zijner vriendelijke grijsheid dierbaar. Oud en jong, stedeling en dorper, edelman en burger, schonken hem hunne genegenheid, toen “de Pleegzoon” verscheen, toen “Ferdinand Huyck,” zijn beste roman, “de Roos van Dekama” opvolgde, toen de breed ontworpen “Voorouders” het licht zagen, en eindelijk, toen de niet het minst besproken, aangevallen, geprezen en gelezen “Lotgevallen van Klaasjen Zevenster” geheel de letterkundige wereld in den winter van 1865 op 1866 in rep en roer brachten.Van Lennep’s romans blijven leven, zoo goed als die vanWalter Scott, en worden herhaaldelijk herdrukt, gelijk ook deze steeds opnieuw worden uitgegeven. “De Pleegzoon” verscheen in 1829 en zag sedert dat jaar tot heden met al zijne opvolgers, telkens in nieuwen vorm het licht. Omtrent “de(n) Pleegzoon” schreef de auteur mij (4 Augustus 1867):“Ik heb mijn Pleegzoon ongeveer 40 jaren geleden geschreven (1827); hij heeft eenige jaren in de lade gelegen; geen boekverkoper wou er aan. Eerst toen ik met mijne Legenden wat naam gemaakt had, wou P. Meijer Warnars er zich wel over ontfermen. Van honorarium kon nog geen sprake zijn, en ik geloof niet, dat Drost voor zijn “Pestilentie te Katwijk” heel veel meer gehad heeft. Oltmans kwam iets later, wanneer weet ik niet. Eerst na 1840 heb ik honorarium bedongen....”De eerste historische roman van Mr.Jacob van Lennepmoesttwee jarenwachten, voordat hij bij wijze van genade door den druk werd algemeen gemaakt!Dit leerzaam feit voor de geschiedenis onzer letteren zal balsem gieten in de wonden van hen, die met onuitgegeven handschriften naar een uitgever blijven zoeken, en tevens in die der lofredenaars van ’t verledene, welke er zich aan ergeren, dat onze boekenmarkt op het huidige oogenblik te veel overvoerd is.De drukken vanVan Lennep’s historische romans volgden elkander spoedig, een bewijs, dat P.Meijer Warnarsweinig oog had op letterkundige kunst. ’t Meest bekend werden: de Rotterdamsche uitgaaf van 1855 in dertien blauwe deelen en de vierdeelen, klein folio, doorNijhoff,SijthoffenThiemevan 1867 tot 1869 in het licht gezonden. Zonder profeet te zijn, durf ik ook der tegenwoordige volkseditie in elf deelen de vruchtbaarste toekomst voorspellen.De historische romans vanVan Lennephebben eene blijvende waarde, die zoowel uit hunne kracht, als uit hunne zwakheid spruit. Voordat ik dit met een enkel woord staaf, doet zich de vraag op, ofVan Lennepchronologisch inderdaad onzeeerstehistorische romanschrijver is. Meestal stelt men het zoo vóór, alsof in 1829 door “De(n) Pleegzoon” in de geschiedenis der Nederlandsche letteren een datum gevormd wordt; alsofVan Lennep’s eerste roman, tevens de eerstehistorischeroman in Nederland geweest is. Dit is alleen inzekerenzin juist.Van Lennepschreef in 1827—hij zelf verzekerde het ons reeds—zijn eersten historischen roman. Als zoodanig is de chronologie in orde. Doch om nauwkeurig te spreken, had men moeten vermelden, dat in 1827 eene Amsterdamsche patricische schrijfster, MejuffrouwMaria Jacoba de Neufville, het beproefd had een historischen roman samen te stellen, die evenals “De Pleegzoon,”[komma achter ”?] maar eenigen tijd vóór “De(n) Pleegzoon”, in 1829 het licht zag onder den titel: “De Schildknaap. Iets uit den ouden tijd. Een oorspronkelijk historisch romantisch verhaal.” (Staalgravure van D.Veelwaard). Te Amsterdam bij P.den Hengst en Zoon. 1829, gr. 8o.De poging van MejuffrouwDe Neufvilleis volkomen dezelfde als die van Mr. J.van Lennep. Zij vloeit uit dezelfde bron. Zij getuigt het in haar “Voorberigt,” als zij verklaart:“Aan de Verhandeling van den Hooggeleerden Heer D. J.van Lennep,Over het belangrijke van Holland’s grond en oudheden voor gevoel en verbeelding, welke Verhandeling ik op den 30eJanuarij 1827 het genoegen had, door den opsteller te hooren voordragen, is het werk, hetwelk ik thans mijnen landgenooten aanbied, deszelfs wording verschuldigd. Altijd met warme liefde voor mijn zoo dikwijls ten onregte verguisd en beschimpt vaderland vervuld, groeide die liefde in mij tot geestdrift aan, door de zoo welsprekende taal des Hoogleeraars en kwam alaanstondsde lust in mij op, om te beproeven of het mogelijk wezen zou, een romantisch tafereel te schetsen, in den smaak van dezulke, als wij aangaande de zeden en gewoonten van andere volken bezitten, iets waarmede (en hierover betuigt de HeerVan Lennep, in meergemelde Verhandeling zijne verwondering) zich aangaande onze voorvaderen nog niemand beziggehouden had.”Uit deze woorden blijkt duidelijk, dat “de Pleegzoon” en “deSchildknaap” bijna terzelfder tijd en onder dezelfde invloeden ontstaan zijn. De hoogleeraarD. J. van Lennepgaf aan beiden dezelfde opwekking; hij leende zelfs wetenschappelijke boeken aan MejuffrouwDe Neufville, zooals zij in datzelfde “Voorberigt” vermeldt, als zij getuigt: “Voor het overige hebben andere schrijvers, wier werken ik, of zelve bezit, of die mij door den heerVan Lennep.... goedgunstiglijk geleend werden, mij tot leidslieden verstrekt.”Het is duidelijk, dat vóór 1827 in Nederland geen historische romans zijn geschreven, daar de nauwkeurigeD. J. van Lennepin dat geval zeker niet zou gezegd hebben, dat zich “nog niemand” met dit kunstvak in Nederland had “beziggehouden”. Tevens blijkt uit het “Voorberigt”, dat men den buitenlandschen historischen roman kent, zoodat “Pleegzoon” en “Schildknaap” beiden uit de school van SirWalter Scottstammen—Scott, die in 1814 met “Waverley” begon, en tot aan zijn dood (1832) met zijn “Count Robert of Paris” volhardde. Het behoeft niet nader gestaafd, dat de historische roman juist een kolfje was naar de hand dezer twee, tot eene zeer behoudende wereldbeschouwing overhellende naturen—Maria Jacoba de NeufvilleenJacob van Lennep.Scotthad den historischen roman het eerst in zijn modernen vorm te voorschijn geroepen,Scottwas de apostel zijner nationale glorie, gekant tegen het Fransch classicisme, gekant tegen de omwentelingen van 1789 en 1793.Dat het opwekkend woord van den hoogleeraarD. J. van Lennepin 1827 terstond goede diensten deed aan de vaderlandsche letteren, blijkt niet alleen aan “Schildknaap” en “Pleegzoon,” maar daarenboven nog aan eene enkele zwakke poging in 1828 doorJ. C. Appenzellerbeproefd, die in dat jaar een, nu geheel vergeten, historischen roman schreef onder den titel: “Geertruida Van Wart, of trouw tot in den dood. Eene ware geschiedenis uit de 14eeeuw.” Amsterdam, 1828. 8o.Onze Nederlandsche historische roman begint—daarAdriaan Loosjes, wegens gebrek aan historischen zin, niet mag medetellen—met MejuffrouwDe NeufvilleenJacob van Lennepin 1829, om dan onder invloed van dezen laatste—en natuurlijk van diens meesterWalter Scott—rijkelijk te bloeien.Van Limburg Brouwergaf in 1831: “Charicles en Euphorion,” in 1838: “Diofanes.”Bakhuizen Van den Brinkvolgde in 1834 en 1835 met historische novellen in de “Muzen,” het tijdschrift vanPotgieter,HeijeenDrost; deze laatste schreef in 1831 zijn “Hermingard van de Eikenterpen;”Oltmansvolgde in 1834met “Het slot Loevestein,” in 1838 met “De(n) Schaapherder;” eindelijk verscheen MejuffrouwA. L. G. Toussaint, met haar “Almagro” (1837), haar “Graaf van Devonshire” (1838) en haar “Lauernesse” (1840).Stellen wij dus de te veel vergetenDe Neufvillenaast onzenVan Lennep, dan mogen wij aan beiden de eer geven den historischen roman in Nederland te hebben begonnen.
Zonder eenige overdrijving mag beweerd worden, datVan Lennepals dichter, als romanschrijver, vele jaren lang de populairste onzer auteurs is geweest. Als voorbeeld zijner populariteit heeft Cd.Busken Huetin 18645verhaald, dat eene Zandvoortsche vischvrouwal de veertien deelen van zijn exemplaar der romantische werken vanVan Lennephad geleend en gelezen.
Doch niet alleen in visschersstulpen ook in de huizen onzer gegoede burgerij, in de woningen onzer patriciërs op de Keizers- en Heerengrachten, wasVan Lennepsteeds een welkome gast. Zijne “Idyllen” maakten hem populair bij de studenten, zijne “Legenden” wonnen hem het hart van al wat jong was, vooral de harten der Hollandsche jonge meisjes, eene veroveringVan Lenneptot op den laatsten dag zijner vriendelijke grijsheid dierbaar. Oud en jong, stedeling en dorper, edelman en burger, schonken hem hunne genegenheid, toen “de Pleegzoon” verscheen, toen “Ferdinand Huyck,” zijn beste roman, “de Roos van Dekama” opvolgde, toen de breed ontworpen “Voorouders” het licht zagen, en eindelijk, toen de niet het minst besproken, aangevallen, geprezen en gelezen “Lotgevallen van Klaasjen Zevenster” geheel de letterkundige wereld in den winter van 1865 op 1866 in rep en roer brachten.
Van Lennep’s romans blijven leven, zoo goed als die vanWalter Scott, en worden herhaaldelijk herdrukt, gelijk ook deze steeds opnieuw worden uitgegeven. “De Pleegzoon” verscheen in 1829 en zag sedert dat jaar tot heden met al zijne opvolgers, telkens in nieuwen vorm het licht. Omtrent “de(n) Pleegzoon” schreef de auteur mij (4 Augustus 1867):
“Ik heb mijn Pleegzoon ongeveer 40 jaren geleden geschreven (1827); hij heeft eenige jaren in de lade gelegen; geen boekverkoper wou er aan. Eerst toen ik met mijne Legenden wat naam gemaakt had, wou P. Meijer Warnars er zich wel over ontfermen. Van honorarium kon nog geen sprake zijn, en ik geloof niet, dat Drost voor zijn “Pestilentie te Katwijk” heel veel meer gehad heeft. Oltmans kwam iets later, wanneer weet ik niet. Eerst na 1840 heb ik honorarium bedongen....”
De eerste historische roman van Mr.Jacob van Lennepmoesttwee jarenwachten, voordat hij bij wijze van genade door den druk werd algemeen gemaakt!
Dit leerzaam feit voor de geschiedenis onzer letteren zal balsem gieten in de wonden van hen, die met onuitgegeven handschriften naar een uitgever blijven zoeken, en tevens in die der lofredenaars van ’t verledene, welke er zich aan ergeren, dat onze boekenmarkt op het huidige oogenblik te veel overvoerd is.
De drukken vanVan Lennep’s historische romans volgden elkander spoedig, een bewijs, dat P.Meijer Warnarsweinig oog had op letterkundige kunst. ’t Meest bekend werden: de Rotterdamsche uitgaaf van 1855 in dertien blauwe deelen en de vierdeelen, klein folio, doorNijhoff,SijthoffenThiemevan 1867 tot 1869 in het licht gezonden. Zonder profeet te zijn, durf ik ook der tegenwoordige volkseditie in elf deelen de vruchtbaarste toekomst voorspellen.
De historische romans vanVan Lennephebben eene blijvende waarde, die zoowel uit hunne kracht, als uit hunne zwakheid spruit. Voordat ik dit met een enkel woord staaf, doet zich de vraag op, ofVan Lennepchronologisch inderdaad onzeeerstehistorische romanschrijver is. Meestal stelt men het zoo vóór, alsof in 1829 door “De(n) Pleegzoon” in de geschiedenis der Nederlandsche letteren een datum gevormd wordt; alsofVan Lennep’s eerste roman, tevens de eerstehistorischeroman in Nederland geweest is. Dit is alleen inzekerenzin juist.Van Lennepschreef in 1827—hij zelf verzekerde het ons reeds—zijn eersten historischen roman. Als zoodanig is de chronologie in orde. Doch om nauwkeurig te spreken, had men moeten vermelden, dat in 1827 eene Amsterdamsche patricische schrijfster, MejuffrouwMaria Jacoba de Neufville, het beproefd had een historischen roman samen te stellen, die evenals “De Pleegzoon,”[komma achter ”?] maar eenigen tijd vóór “De(n) Pleegzoon”, in 1829 het licht zag onder den titel: “De Schildknaap. Iets uit den ouden tijd. Een oorspronkelijk historisch romantisch verhaal.” (Staalgravure van D.Veelwaard). Te Amsterdam bij P.den Hengst en Zoon. 1829, gr. 8o.
De poging van MejuffrouwDe Neufvilleis volkomen dezelfde als die van Mr. J.van Lennep. Zij vloeit uit dezelfde bron. Zij getuigt het in haar “Voorberigt,” als zij verklaart:
“Aan de Verhandeling van den Hooggeleerden Heer D. J.van Lennep,Over het belangrijke van Holland’s grond en oudheden voor gevoel en verbeelding, welke Verhandeling ik op den 30eJanuarij 1827 het genoegen had, door den opsteller te hooren voordragen, is het werk, hetwelk ik thans mijnen landgenooten aanbied, deszelfs wording verschuldigd. Altijd met warme liefde voor mijn zoo dikwijls ten onregte verguisd en beschimpt vaderland vervuld, groeide die liefde in mij tot geestdrift aan, door de zoo welsprekende taal des Hoogleeraars en kwam alaanstondsde lust in mij op, om te beproeven of het mogelijk wezen zou, een romantisch tafereel te schetsen, in den smaak van dezulke, als wij aangaande de zeden en gewoonten van andere volken bezitten, iets waarmede (en hierover betuigt de HeerVan Lennep, in meergemelde Verhandeling zijne verwondering) zich aangaande onze voorvaderen nog niemand beziggehouden had.”
Uit deze woorden blijkt duidelijk, dat “de Pleegzoon” en “deSchildknaap” bijna terzelfder tijd en onder dezelfde invloeden ontstaan zijn. De hoogleeraarD. J. van Lennepgaf aan beiden dezelfde opwekking; hij leende zelfs wetenschappelijke boeken aan MejuffrouwDe Neufville, zooals zij in datzelfde “Voorberigt” vermeldt, als zij getuigt: “Voor het overige hebben andere schrijvers, wier werken ik, of zelve bezit, of die mij door den heerVan Lennep.... goedgunstiglijk geleend werden, mij tot leidslieden verstrekt.”
Het is duidelijk, dat vóór 1827 in Nederland geen historische romans zijn geschreven, daar de nauwkeurigeD. J. van Lennepin dat geval zeker niet zou gezegd hebben, dat zich “nog niemand” met dit kunstvak in Nederland had “beziggehouden”. Tevens blijkt uit het “Voorberigt”, dat men den buitenlandschen historischen roman kent, zoodat “Pleegzoon” en “Schildknaap” beiden uit de school van SirWalter Scottstammen—Scott, die in 1814 met “Waverley” begon, en tot aan zijn dood (1832) met zijn “Count Robert of Paris” volhardde. Het behoeft niet nader gestaafd, dat de historische roman juist een kolfje was naar de hand dezer twee, tot eene zeer behoudende wereldbeschouwing overhellende naturen—Maria Jacoba de NeufvilleenJacob van Lennep.Scotthad den historischen roman het eerst in zijn modernen vorm te voorschijn geroepen,Scottwas de apostel zijner nationale glorie, gekant tegen het Fransch classicisme, gekant tegen de omwentelingen van 1789 en 1793.
Dat het opwekkend woord van den hoogleeraarD. J. van Lennepin 1827 terstond goede diensten deed aan de vaderlandsche letteren, blijkt niet alleen aan “Schildknaap” en “Pleegzoon,” maar daarenboven nog aan eene enkele zwakke poging in 1828 doorJ. C. Appenzellerbeproefd, die in dat jaar een, nu geheel vergeten, historischen roman schreef onder den titel: “Geertruida Van Wart, of trouw tot in den dood. Eene ware geschiedenis uit de 14eeeuw.” Amsterdam, 1828. 8o.
Onze Nederlandsche historische roman begint—daarAdriaan Loosjes, wegens gebrek aan historischen zin, niet mag medetellen—met MejuffrouwDe NeufvilleenJacob van Lennepin 1829, om dan onder invloed van dezen laatste—en natuurlijk van diens meesterWalter Scott—rijkelijk te bloeien.Van Limburg Brouwergaf in 1831: “Charicles en Euphorion,” in 1838: “Diofanes.”Bakhuizen Van den Brinkvolgde in 1834 en 1835 met historische novellen in de “Muzen,” het tijdschrift vanPotgieter,HeijeenDrost; deze laatste schreef in 1831 zijn “Hermingard van de Eikenterpen;”Oltmansvolgde in 1834met “Het slot Loevestein,” in 1838 met “De(n) Schaapherder;” eindelijk verscheen MejuffrouwA. L. G. Toussaint, met haar “Almagro” (1837), haar “Graaf van Devonshire” (1838) en haar “Lauernesse” (1840).
Stellen wij dus de te veel vergetenDe Neufvillenaast onzenVan Lennep, dan mogen wij aan beiden de eer geven den historischen roman in Nederland te hebben begonnen.
III.De historische romans vanVan Lennephebben eene blijvende waarde, die zoowel uit hunne kracht, als uit hunne zwakheid spruit—zeide ik. Hunne kracht ligt in de uitnemende helderheid van stijl en voorstelling.Van Lennepheeft behoefte aan juistheid, nauwkeurigheid, duidelijkheid. Zijne vertelling zweeft nooit in een duisteren nevel van onoplosbare geheimzinnigheid. AanWalter Scott, misschien ook aan den oudenDumas, heeft hij de kunst afgezien een belangwekkenden knoop te leggen, welken hij zonder kunst- of vliegwerk zeer behendig oplost. Het is niet te ontkennen, dat hij een geliefkoosd schema van roman—de held of de heldin van onbekende afstamming, zoekend naar vader of moeder—somtijds herhaalt. Dit denkbeeld ligt ten grondslag aan “De(n) Pleegzoon,” komt terug in de “Roos van Dekama,” en is op breede schaal bewerkt in “Klaasjen Zevenster”.Eene zwakheid vanVan Lennep’skunst ligt in zekere ongegeneerdheid ten opzichte van historische gegevens, zoodat zijn roman “Elisabeth Musch”, als verhaal op zich zelf aangenaam te lezen, als historische roman volkomen mislukt is. In degelijkheid van historische wetenschap, in psychologische fijnheid van karakteropvatting staat MevrouwBosboom-Toussaintboven hem. Deze laat zich niet afschrikken door een vermoeiend historisch onderzoek, dringt bij hare helden en heldinnen door in de diepten van de binnenborst, en schept karakters, die, psychologisch geheel afgewerkt, een onvergetelijken indruk achterlaten.Van Lennepwil het den lezer naar den zin maken, wil behagen; hij bekreunt zich meer om hetgeen met zijne personen geschiedt, dan wat in hun hart en hoofd omgaat. Hij wil een boeiend verteller zijn, die, zonder de geschiedenis opzettelijk in het aangezicht te slaan, zijn lezer steeds in spanning houdt.Bij MevrouwBosboom-Toussaintontstaat uit de degelijkheid der historische wetenschap en de fijnheid der zielkundige analyse somtijds eene overlading en eene uitvoerigheid, die naar langdradigheid zou kunnen zweemen; bijVan Lennepneemt het verhaal een vluggen, levendigen gang, die het hart van den gewonen lezer steelt, maar dikwijls dreigt in oppervlakkigheid te verloopen. MevrouwBosboom-Toussaintheeftles défauts de ses qualités,Van Lenneples qualités de ses défauts.Het best gelukt is zijn “Ferdinand Huyck,” een voortreffelijk boek in vele opzichten. Evenals in zijn “Klaasjen Zevenster” is hier zoowel historisch als psychologisch het schoonste geleverd van alles watVan Lennepzou voltooien. Hij had de achttiende eeuw lief. Hij kende haar en hare beschaving, vooral het achttiende eeuwsche patriciaat te Amsterdam. Opgevoed naar de overleveringen van zijn oud geslacht, naar de classieke wijsbegeerte van zijn vaderDavid Jacobus, moest hij zich het naast verwant gevoelen aan een juist vervlogen tijdvak, dat door goede manieren, vlug vernuft en letterkundigen smaak uitmuntte.Van Lennep, dien men te recht voor een der aanvoerders der Romantische beweging in Nederland hield, was in zijn hart het classicisme der achttiende eeuw nog meer genegen.Een bewijs van deze laatste stelling put ik uit een zijner vriendelijke brieven.Naar aanleiding eener opmerking tegen Engelsche romanschrijvers, die misbruik maken van Latijnsche citaten, schreef hij mij (5 April 1860):“Ik moet er bijvoegen, dat hetgeen u thands.... tegenstaat, u misschien niet zou hebben tegengestaan, indien gij een 30 jaren ouder waart en u den tijd herinnerdet, toen het klassicisme ook hier te lande meer algemeen was en men zich niet geneerde aan tafel in tegenwoordigheid van dames Ovidius of Horatius aan te halen. De konversatie, zoo als ik mij die in mijn jeugd herinner, had altijd een klassieke tint en wie die bij uitnemendheid wist aan te brengen—en daarom ook in Engeland zoo geacht en gezien was—was A. R. Falck!—en toch belette dit niet, dat de dames toen doodelijk van hem waren.... ja, dat, toen zijn Brieven 3 jaar geleden (1857) in ’t licht kwamen, al de exemplaren bij Amsterdamsche boekverkoopers aanwezig, tot groote verbazing van Nijhoff, den eersten avond reeds waren opgehaald—meest alle door dames tusschen de 60 en 80 jaren (die zeker wilden weten of zij er ook in voorkwamen). ’t Is waar, Falck citeerde ook Fransch, Engelsch, Hoogduitsch, enz.—maar had niets, dat op pedanterie geleek, en nimmer heb ik aangenamer mensch ontmoet.”Zij, dieVan Lennepgekend hebben, zien met mij den schalkschen glimlach om den mond en in het oog beide, waarmeê hij deze regelen schreef!Zijne genegenheid voor het Fransche classicisme der achttiende eeuw paarde zich hoogst eigenaardig aan eene vrij groote geringschatting der middeleeuwen en al wat met middeleeuwsche studiën in verband stond. Zijne “Legenden,” zijne “Roos van Dekama”, zijne “Voorouders” verraden op menige plaats, dat hij trots zijne verwonderlijke vlugheid, ondanks eene verbazende gemakkelijkheid, om alle zwarigheden te boven te komen, toch zijn meesterWalter Scottin kennis en opvatting der middeleeuwen niet evenaarde.Omtrent dit punt schreef hij mij een zeer karakteristieken brief (4 Augustus 1867), toen ik hem de eerste aflevering mijner “Schets eener geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde,” handelende over de middeleeuwen, aanbood:“Ik las uw boekvoormijzelfmet veel belangstelling; doch het zou mij spijten, indien uw wensch vervuld werd, en dit boekje op een H. Burgerschool werd gebruikt. Mij dunkt, zij hebben daar al ongare kost genoeg te slikken dan om nog op Middel-Nederlandsch getrakteerd te worden.“Het is een mooie ontdekking.“Maar ik lees liever Fransch.“Indertijd, toen ik Curator van ’t Gymnasium was, hadHofdijkook zoo’n boekje geschreven.... doch ik zei, dat hij aangesteld was, om aan de jongelui de Hollandsche taal te leeren en niet het Middel-Nederlandschepatoisen ik verbood het gebruik van dat boekske. Die studiën van Gothisch, Angel-Saksisch, Middel-Nederlandsch enz. mogen zeer goed zijn voor filologen, maar zij kunnen er niet toe strekken om onzen stijl of onzen smaak te vormen, en die zoogenaamde naïveteit er van—’t eenige wat dan nog ’t gebrek aan vorm, rhythmus, kadans, maat, rijm, enz. vergoeden moet, geef ik graag present en.... lees liever Fransch.“Verder is er, althans in de eerste helft van uw boek bijna geen bladzijde, waarover ik geen lust zou hebben met u te twisten. ’t Schijnt, dat bij u, even als bij velen, heden ten dage devorm, dedictie,nietsis en alles zich moet bepalen tot de gedachte. Maarpoëtischegedachten heeft bijna iedereen, dunkt mij, en de kunst bestaat juist daarin, dat men ze in een cierlijken, welluidenden, bevalligen vorm giet, die door het oor het hart treft en den geest bevredigt. En daarom, hoe groot en verbazend een genie Shakespere geweest is, ik mis herhaaldelijk bij hem die harmonie, die eenheid, die zuiverheid van vorm, die samen moesten werkenom een wezenlijk schoon geheel te verkrijgen. Dat ik hoog met hem loop, blijkt wel daaruit, dat ik zoowel op mijn tiende, als op mijn 50steen 60stejaar stukken van hem vertaald heb, maar hoe meer ik hem vereerde en bewonderde in zijn reusachtige grootheid, hoe meer het mij hinderde, als ik zoovele euphuïsmen, platheden en laffe aardigheden naast de verhevenste brokken vond. Ik houd machtig veel van Jan Steen en ik bewonderRubens; maar het zou mij stuiten, als ik op den achtergrond eener schilderij, die Christus met de Apostelen voorstelde, een boeren bruiloft zag. ’t Moge het menschelijk leven zijn naar waarheid geschetst, maar “bloemen”—alsBrederozegt—is ook menschelijk; en toch hoort het op het tooneel niet thuis. En daarom al mocht ik eens toegeven, dat de stukken van Shakespere meer schoons bevatten dan eenig ander stuk, zoo is er niet een onder zijne treurspelen, hetwelk door harmonische eenheid voldoet aan ’t geen ik in een treurspel vorder en b. v. terugvind in den Edipus van Sofokles, in den Cid, in de Iphigénie en de Athalie, in den Lucifer en in den Jozef in Dothan. Ik laat natuurlijk ieder vrij anders te denken:hanc veniam damus, petimusque vicissim; maar ik kan niet goedkeuren, dat gij zoo bepaald als lofredenaar van Shakespere optreedt. Onze voorouders zondigden in een tegenovergesteld uiterste en bij hen was Shakespere een barbaar. Nu liggen de groote schrijvers van de eeuw van Lodewijk XIV achter de bank, en mogen alleen Shakespere en Goethe bewierookt worden. Ik heb voor een paar jaar diens “Egmond” zien vertoonen. “’t Moet mooi zijn,” dacht ik, “omdat het van Goethe is; was ’t van een onbekende, ik zou zeggen, wat een godsjammerlijk prul is dit.” Er is een mode in alles; maar omdat men nu een voorstander is van de italiaansche muziek, moet men daarom de Euryanthe leelijk vinden.”Ik behoef der schim van mijn vaderlijken vriend en beschermer geen vergiffenis te vragen voor de vrijmoedigheid, waarmeê ik hem na zijn dood nog eens het woord geef.In 1867 sprakVan Lennepaldus met volle overtuiging. Uiterst merkwaardig schijnt het mij het contrast te bestudeeren tusschen den als hoofd der Romantische School gehuldigden auteur van “Ferdinand Huyck” en zijn eigene zuiver classieke, zuiver achttiende eeuwsche, zuiver Fransche aesthetiek.HaddeVan Lenneptot in onzen tijd kunnen leven, hij zou zich verheugd hebben in de zich langzaam ontwikkelende nieuweRenaissance, die nog nauwelijks wordt opgemerkt, maar toch eene schoone toekomst te gemoet gaat.Van Lennep, schrander en helder ziendein de toekomst, zou begrepen hebben, dat de Nederlandsche Letteren haar voordeel zouden kunnen doen met het Fransche Naturalisme, maar dat zij nimmer tot eene slaafsche navolging dezer school zouden kunnen afdalen. Hij zou tevens begrepen hebben, dat de afgoderij metsonnettenen raadselachtige verstandspoëzie evenmin tot het gewenschte doel: verjonging onzer nationale muzen, zou kunnen leiden. Zijn eigen standpunt moge dan voor ouderwetsch doorgaan, hij vertegenwoordigt in elk geval de classieke, smaakvolle denkwijze, door zijn vaderDavid Jacobuszoo welsprekend verdedigd. Hij moge reeds in zijne jongensjarenShakesperevertalen, wetgevers op kunstgebied blijven voor hem alleenBoileauenHoratius. Ademend in de classieke atmosfeer zijns vaders, van zijne vroegste jeugd met Latijnsche verzen begroet, zou hij de overwinnende Romantiek alleen onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarden. De algemeene geestdrift voorWalter ScottenByronbracht hem tot zijne “Legenden” en zijnehistorische romans. De bijval, hem geschonken, stuwde hem verder voort, dan hij misschien wel wilde, naar de kusten der Romantiek, immer vasthoudend aan de classieke beginselen, die hem als knaap en student waren ingeprent.De “groote schrijvers” der eeuw vanLouis XIVlagen hem na aan het hart. Hij begreep de schoonheden vanShakespereen Goethe, maar was in den grond der zaak geen voorstander der Romantische School van 1830. Dit bleek mij uit den reeds aangehaalden brief van 1867, waarin hij mij berispte, omdat ik mij veroorloofd had met zekere koelheid over hetLeerdichtte spreken.“Ik zie niet in”—schreef hij mij—“waarom hetLeerdichteen banvloek verdient, als gij er over uitspreekt.Bone Deus, de [Greek: Erga chai êrerai], deGeorgica, deArs poetica(’t zij van Horatius, ’t zij van Boileau), deZiekte der geleerden, zooveel heerlijks en liefelijks, met een pennestreek weggecijferd: wel, mij dunkt, zoo als Bilderdijk zeer te recht zegt:“Geen veld is dor, waar dichtkunst zich vertreedt!”“en juist dit is haar privilegie, om uit den schijnbaar dorren bodem de heerlijkste vruchten te doen uitspruiten. Ook hier wederom zeg ik:“Tous les genres sont bons, hors le genre ennuyeux.”VaderVan Lennepmaakte zich hier wat al te snel van de zaak af. Maar zijn gevoel brengt hem niet op een dwaalweg. Dedidactische poëzie heeft haar voor en tegen. Juist in deze laatste jaren zijn vele hoeden en mutsen afgenomen voor de Muze der Didactiek. De roman, afhankelijk gesteld van grondige studie der anthropologie, psychologie en sociologie; de lyrische poëzie in dienst van alle wetenschappen en elke wijsbegeerte—mij dunkt deze teekenen der tijden zoudenVan Lennepniet al te zeer hebben mishaagd.Nog een kenmerkend hoofdstuk zijner aesthetische wereldbeschouwing, draagt tot opschrift: “Verdiensten der achttiende eeuw.” Aan het slot van den zooeven aangehaalden brief, vermaant hij mij nogmaals:“Het gerijmel der 18deeeuw vindt geen genade in uw oogen. ’t Spijt mij, want ik ken een menigte brokken van buiten uit Poot, uit denAchilles, uit denMonzongo, uit hetBeleg van Haarlem, uit denAgon Sultan van Bantam, uit de vertalingen door Doornik en door Nomsz gemaakt, en ik zet het onzen hedendaagschen poëten—ten Kate uitgezonderd—om zulke vaerzen te schrijven. ’t Is net hier als in Frankrijk, waar men zich—een Victor Hugo aan ’t hoofd—volstrekt niet meer stoort aan censuur of kadans. Ik las dezer dagen....... van onzen vriend H. Lieve Hemel, bijna geen bladzijde, waar ik niet een vers aantref, dat een voet te veel of te weinig heeft. Bij S. ad idem. Als er dat nu niet op aankomt, ’t is mij wel; maar voor mij is het niet genoeg, dat een lied muzikale gedachten bevat; om mij te behagen moet het speeltuig behoorlijk gestemd en de zangstem zuiver zijn, anders verscheuren zij mij de ooren....”Uit het graf klinke deze vermaning vrij in onze woelige letterkundige wereld van 1886. Slechts oppervlakkigheid en verwaandheid, vruchten van halve wetenschap en geheele zelfmisleiding, zullen den fijngevoelendenVan Lennepeen antwoord onwaardig keuren.
De historische romans vanVan Lennephebben eene blijvende waarde, die zoowel uit hunne kracht, als uit hunne zwakheid spruit—zeide ik. Hunne kracht ligt in de uitnemende helderheid van stijl en voorstelling.Van Lennepheeft behoefte aan juistheid, nauwkeurigheid, duidelijkheid. Zijne vertelling zweeft nooit in een duisteren nevel van onoplosbare geheimzinnigheid. AanWalter Scott, misschien ook aan den oudenDumas, heeft hij de kunst afgezien een belangwekkenden knoop te leggen, welken hij zonder kunst- of vliegwerk zeer behendig oplost. Het is niet te ontkennen, dat hij een geliefkoosd schema van roman—de held of de heldin van onbekende afstamming, zoekend naar vader of moeder—somtijds herhaalt. Dit denkbeeld ligt ten grondslag aan “De(n) Pleegzoon,” komt terug in de “Roos van Dekama,” en is op breede schaal bewerkt in “Klaasjen Zevenster”.
Eene zwakheid vanVan Lennep’skunst ligt in zekere ongegeneerdheid ten opzichte van historische gegevens, zoodat zijn roman “Elisabeth Musch”, als verhaal op zich zelf aangenaam te lezen, als historische roman volkomen mislukt is. In degelijkheid van historische wetenschap, in psychologische fijnheid van karakteropvatting staat MevrouwBosboom-Toussaintboven hem. Deze laat zich niet afschrikken door een vermoeiend historisch onderzoek, dringt bij hare helden en heldinnen door in de diepten van de binnenborst, en schept karakters, die, psychologisch geheel afgewerkt, een onvergetelijken indruk achterlaten.Van Lennepwil het den lezer naar den zin maken, wil behagen; hij bekreunt zich meer om hetgeen met zijne personen geschiedt, dan wat in hun hart en hoofd omgaat. Hij wil een boeiend verteller zijn, die, zonder de geschiedenis opzettelijk in het aangezicht te slaan, zijn lezer steeds in spanning houdt.
Bij MevrouwBosboom-Toussaintontstaat uit de degelijkheid der historische wetenschap en de fijnheid der zielkundige analyse somtijds eene overlading en eene uitvoerigheid, die naar langdradigheid zou kunnen zweemen; bijVan Lennepneemt het verhaal een vluggen, levendigen gang, die het hart van den gewonen lezer steelt, maar dikwijls dreigt in oppervlakkigheid te verloopen. MevrouwBosboom-Toussaintheeftles défauts de ses qualités,Van Lenneples qualités de ses défauts.
Het best gelukt is zijn “Ferdinand Huyck,” een voortreffelijk boek in vele opzichten. Evenals in zijn “Klaasjen Zevenster” is hier zoowel historisch als psychologisch het schoonste geleverd van alles watVan Lennepzou voltooien. Hij had de achttiende eeuw lief. Hij kende haar en hare beschaving, vooral het achttiende eeuwsche patriciaat te Amsterdam. Opgevoed naar de overleveringen van zijn oud geslacht, naar de classieke wijsbegeerte van zijn vaderDavid Jacobus, moest hij zich het naast verwant gevoelen aan een juist vervlogen tijdvak, dat door goede manieren, vlug vernuft en letterkundigen smaak uitmuntte.Van Lennep, dien men te recht voor een der aanvoerders der Romantische beweging in Nederland hield, was in zijn hart het classicisme der achttiende eeuw nog meer genegen.
Een bewijs van deze laatste stelling put ik uit een zijner vriendelijke brieven.
Naar aanleiding eener opmerking tegen Engelsche romanschrijvers, die misbruik maken van Latijnsche citaten, schreef hij mij (5 April 1860):
“Ik moet er bijvoegen, dat hetgeen u thands.... tegenstaat, u misschien niet zou hebben tegengestaan, indien gij een 30 jaren ouder waart en u den tijd herinnerdet, toen het klassicisme ook hier te lande meer algemeen was en men zich niet geneerde aan tafel in tegenwoordigheid van dames Ovidius of Horatius aan te halen. De konversatie, zoo als ik mij die in mijn jeugd herinner, had altijd een klassieke tint en wie die bij uitnemendheid wist aan te brengen—en daarom ook in Engeland zoo geacht en gezien was—was A. R. Falck!—en toch belette dit niet, dat de dames toen doodelijk van hem waren.... ja, dat, toen zijn Brieven 3 jaar geleden (1857) in ’t licht kwamen, al de exemplaren bij Amsterdamsche boekverkoopers aanwezig, tot groote verbazing van Nijhoff, den eersten avond reeds waren opgehaald—meest alle door dames tusschen de 60 en 80 jaren (die zeker wilden weten of zij er ook in voorkwamen). ’t Is waar, Falck citeerde ook Fransch, Engelsch, Hoogduitsch, enz.—maar had niets, dat op pedanterie geleek, en nimmer heb ik aangenamer mensch ontmoet.”
Zij, dieVan Lennepgekend hebben, zien met mij den schalkschen glimlach om den mond en in het oog beide, waarmeê hij deze regelen schreef!
Zijne genegenheid voor het Fransche classicisme der achttiende eeuw paarde zich hoogst eigenaardig aan eene vrij groote geringschatting der middeleeuwen en al wat met middeleeuwsche studiën in verband stond. Zijne “Legenden,” zijne “Roos van Dekama”, zijne “Voorouders” verraden op menige plaats, dat hij trots zijne verwonderlijke vlugheid, ondanks eene verbazende gemakkelijkheid, om alle zwarigheden te boven te komen, toch zijn meesterWalter Scottin kennis en opvatting der middeleeuwen niet evenaarde.
Omtrent dit punt schreef hij mij een zeer karakteristieken brief (4 Augustus 1867), toen ik hem de eerste aflevering mijner “Schets eener geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde,” handelende over de middeleeuwen, aanbood:
“Ik las uw boekvoormijzelfmet veel belangstelling; doch het zou mij spijten, indien uw wensch vervuld werd, en dit boekje op een H. Burgerschool werd gebruikt. Mij dunkt, zij hebben daar al ongare kost genoeg te slikken dan om nog op Middel-Nederlandsch getrakteerd te worden.
“Het is een mooie ontdekking.
“Maar ik lees liever Fransch.
“Indertijd, toen ik Curator van ’t Gymnasium was, hadHofdijkook zoo’n boekje geschreven.... doch ik zei, dat hij aangesteld was, om aan de jongelui de Hollandsche taal te leeren en niet het Middel-Nederlandschepatoisen ik verbood het gebruik van dat boekske. Die studiën van Gothisch, Angel-Saksisch, Middel-Nederlandsch enz. mogen zeer goed zijn voor filologen, maar zij kunnen er niet toe strekken om onzen stijl of onzen smaak te vormen, en die zoogenaamde naïveteit er van—’t eenige wat dan nog ’t gebrek aan vorm, rhythmus, kadans, maat, rijm, enz. vergoeden moet, geef ik graag present en.... lees liever Fransch.
“Verder is er, althans in de eerste helft van uw boek bijna geen bladzijde, waarover ik geen lust zou hebben met u te twisten. ’t Schijnt, dat bij u, even als bij velen, heden ten dage devorm, dedictie,nietsis en alles zich moet bepalen tot de gedachte. Maarpoëtischegedachten heeft bijna iedereen, dunkt mij, en de kunst bestaat juist daarin, dat men ze in een cierlijken, welluidenden, bevalligen vorm giet, die door het oor het hart treft en den geest bevredigt. En daarom, hoe groot en verbazend een genie Shakespere geweest is, ik mis herhaaldelijk bij hem die harmonie, die eenheid, die zuiverheid van vorm, die samen moesten werkenom een wezenlijk schoon geheel te verkrijgen. Dat ik hoog met hem loop, blijkt wel daaruit, dat ik zoowel op mijn tiende, als op mijn 50steen 60stejaar stukken van hem vertaald heb, maar hoe meer ik hem vereerde en bewonderde in zijn reusachtige grootheid, hoe meer het mij hinderde, als ik zoovele euphuïsmen, platheden en laffe aardigheden naast de verhevenste brokken vond. Ik houd machtig veel van Jan Steen en ik bewonderRubens; maar het zou mij stuiten, als ik op den achtergrond eener schilderij, die Christus met de Apostelen voorstelde, een boeren bruiloft zag. ’t Moge het menschelijk leven zijn naar waarheid geschetst, maar “bloemen”—alsBrederozegt—is ook menschelijk; en toch hoort het op het tooneel niet thuis. En daarom al mocht ik eens toegeven, dat de stukken van Shakespere meer schoons bevatten dan eenig ander stuk, zoo is er niet een onder zijne treurspelen, hetwelk door harmonische eenheid voldoet aan ’t geen ik in een treurspel vorder en b. v. terugvind in den Edipus van Sofokles, in den Cid, in de Iphigénie en de Athalie, in den Lucifer en in den Jozef in Dothan. Ik laat natuurlijk ieder vrij anders te denken:hanc veniam damus, petimusque vicissim; maar ik kan niet goedkeuren, dat gij zoo bepaald als lofredenaar van Shakespere optreedt. Onze voorouders zondigden in een tegenovergesteld uiterste en bij hen was Shakespere een barbaar. Nu liggen de groote schrijvers van de eeuw van Lodewijk XIV achter de bank, en mogen alleen Shakespere en Goethe bewierookt worden. Ik heb voor een paar jaar diens “Egmond” zien vertoonen. “’t Moet mooi zijn,” dacht ik, “omdat het van Goethe is; was ’t van een onbekende, ik zou zeggen, wat een godsjammerlijk prul is dit.” Er is een mode in alles; maar omdat men nu een voorstander is van de italiaansche muziek, moet men daarom de Euryanthe leelijk vinden.”
Ik behoef der schim van mijn vaderlijken vriend en beschermer geen vergiffenis te vragen voor de vrijmoedigheid, waarmeê ik hem na zijn dood nog eens het woord geef.
In 1867 sprakVan Lennepaldus met volle overtuiging. Uiterst merkwaardig schijnt het mij het contrast te bestudeeren tusschen den als hoofd der Romantische School gehuldigden auteur van “Ferdinand Huyck” en zijn eigene zuiver classieke, zuiver achttiende eeuwsche, zuiver Fransche aesthetiek.
HaddeVan Lenneptot in onzen tijd kunnen leven, hij zou zich verheugd hebben in de zich langzaam ontwikkelende nieuweRenaissance, die nog nauwelijks wordt opgemerkt, maar toch eene schoone toekomst te gemoet gaat.Van Lennep, schrander en helder ziendein de toekomst, zou begrepen hebben, dat de Nederlandsche Letteren haar voordeel zouden kunnen doen met het Fransche Naturalisme, maar dat zij nimmer tot eene slaafsche navolging dezer school zouden kunnen afdalen. Hij zou tevens begrepen hebben, dat de afgoderij metsonnettenen raadselachtige verstandspoëzie evenmin tot het gewenschte doel: verjonging onzer nationale muzen, zou kunnen leiden. Zijn eigen standpunt moge dan voor ouderwetsch doorgaan, hij vertegenwoordigt in elk geval de classieke, smaakvolle denkwijze, door zijn vaderDavid Jacobuszoo welsprekend verdedigd. Hij moge reeds in zijne jongensjarenShakesperevertalen, wetgevers op kunstgebied blijven voor hem alleenBoileauenHoratius. Ademend in de classieke atmosfeer zijns vaders, van zijne vroegste jeugd met Latijnsche verzen begroet, zou hij de overwinnende Romantiek alleen onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarden. De algemeene geestdrift voorWalter ScottenByronbracht hem tot zijne “Legenden” en zijnehistorische romans. De bijval, hem geschonken, stuwde hem verder voort, dan hij misschien wel wilde, naar de kusten der Romantiek, immer vasthoudend aan de classieke beginselen, die hem als knaap en student waren ingeprent.
De “groote schrijvers” der eeuw vanLouis XIVlagen hem na aan het hart. Hij begreep de schoonheden vanShakespereen Goethe, maar was in den grond der zaak geen voorstander der Romantische School van 1830. Dit bleek mij uit den reeds aangehaalden brief van 1867, waarin hij mij berispte, omdat ik mij veroorloofd had met zekere koelheid over hetLeerdichtte spreken.
“Ik zie niet in”—schreef hij mij—“waarom hetLeerdichteen banvloek verdient, als gij er over uitspreekt.Bone Deus, de [Greek: Erga chai êrerai], deGeorgica, deArs poetica(’t zij van Horatius, ’t zij van Boileau), deZiekte der geleerden, zooveel heerlijks en liefelijks, met een pennestreek weggecijferd: wel, mij dunkt, zoo als Bilderdijk zeer te recht zegt:
“Geen veld is dor, waar dichtkunst zich vertreedt!”
“Geen veld is dor, waar dichtkunst zich vertreedt!”
“en juist dit is haar privilegie, om uit den schijnbaar dorren bodem de heerlijkste vruchten te doen uitspruiten. Ook hier wederom zeg ik:
“Tous les genres sont bons, hors le genre ennuyeux.”
“Tous les genres sont bons, hors le genre ennuyeux.”
VaderVan Lennepmaakte zich hier wat al te snel van de zaak af. Maar zijn gevoel brengt hem niet op een dwaalweg. Dedidactische poëzie heeft haar voor en tegen. Juist in deze laatste jaren zijn vele hoeden en mutsen afgenomen voor de Muze der Didactiek. De roman, afhankelijk gesteld van grondige studie der anthropologie, psychologie en sociologie; de lyrische poëzie in dienst van alle wetenschappen en elke wijsbegeerte—mij dunkt deze teekenen der tijden zoudenVan Lennepniet al te zeer hebben mishaagd.
Nog een kenmerkend hoofdstuk zijner aesthetische wereldbeschouwing, draagt tot opschrift: “Verdiensten der achttiende eeuw.” Aan het slot van den zooeven aangehaalden brief, vermaant hij mij nogmaals:
“Het gerijmel der 18deeeuw vindt geen genade in uw oogen. ’t Spijt mij, want ik ken een menigte brokken van buiten uit Poot, uit denAchilles, uit denMonzongo, uit hetBeleg van Haarlem, uit denAgon Sultan van Bantam, uit de vertalingen door Doornik en door Nomsz gemaakt, en ik zet het onzen hedendaagschen poëten—ten Kate uitgezonderd—om zulke vaerzen te schrijven. ’t Is net hier als in Frankrijk, waar men zich—een Victor Hugo aan ’t hoofd—volstrekt niet meer stoort aan censuur of kadans. Ik las dezer dagen....... van onzen vriend H. Lieve Hemel, bijna geen bladzijde, waar ik niet een vers aantref, dat een voet te veel of te weinig heeft. Bij S. ad idem. Als er dat nu niet op aankomt, ’t is mij wel; maar voor mij is het niet genoeg, dat een lied muzikale gedachten bevat; om mij te behagen moet het speeltuig behoorlijk gestemd en de zangstem zuiver zijn, anders verscheuren zij mij de ooren....”
Uit het graf klinke deze vermaning vrij in onze woelige letterkundige wereld van 1886. Slechts oppervlakkigheid en verwaandheid, vruchten van halve wetenschap en geheele zelfmisleiding, zullen den fijngevoelendenVan Lennepeen antwoord onwaardig keuren.
IV.De auteur van “Ferdinand Huyck” dankt zijne populariteit niet uitsluitend aan zijne romans.Behalve dezen deed hij zich als echtNederlandsch dichterkennen. Heel zijn leven lang zorgde hij er voor, dat bij elke plechtige gelegenheid eenige toepasselijke regelen van zijne hand voor zijne vrienden het licht zagen. In den huiselijken kring of in hetmaatschappelijk leven werd elke belangrijke gebeurtenis door hem met hartelijke woorden herdacht. Van zijne “Academische Idyllen” (1826) tot aan zijne “Vermakelijke Spraakkunst” (1865) bleek hij zoo niet de geestigste, dan toch zeker de opgeruimdste en levenslustigste zanger, die onder ons, deftige lieden, te vinden was. Een snaaksche glimlach was om zijne lippen als bestorven, zoodat, toen hij de koddige grappen van zijn vriendGerrit van de Lindein zijn almanak “Holland” deed afdrukken, ieder geloofde, dat hij zelf ze geschreven had.Er is in de laatste vijfentwintig jaren geene bloemlezing onzer hedendaagsche dichters, waarin niet op de eereplaats aangetroffen wordtVan Lennep’s:“Mijn waarde Neef! ik durf het wagenU twee kommissies op te dragen:’t Is, in ’t Verkoophuis, voor Papa,Vier doosjes Lucifers te koopen,En op de Bloemmarkt voor Mama,Wat lentebloemzaad op te loopen:Dan voor broêr Kees, een nieuwen tol.Voorts zendt Gij mij, ’k durf daarop reeknen,Een boek papier om op te teekenen,En ook vier strengen zwarte wol.“Wil voorts een kistjen Rencurrellen,Bij Reynvaan, voor oom Piet bestellen;En wip dan bij Verschuur eens aan,Om Lizes bracelet te halen;Van daar kunt gij bij Holters gaan,En onze rekening betalen.Voorts wacht ons Mietje een trommelvolMet biesjensdeeg en drabbelkoeken:Zend mij wat nieuwe Fransche boeken,En dan, vooral, vier strengen wol.“Laat Sacher, met den beurtman, morgen,Wat versche bloemen ons bezorgen,En koop meteen, op ’t Muiderplein,Voor tante Saar wat Lange-Lijzen:Gij kent haar smaak voor porcelein;Zend voorts een kooitjen voor haar sijzen,Een aanzetleder voor Oom Nol,Een verschen pot met tamarinden,Die gij bij Gerber wel zult vinden,En dan, voor mij, wat zwarte wol.”Voorts het gedicht aan een zijner kleinzoons:“Teeder en aanvallig wichtjen,Dat zoo geestig om u heen kijktUit uw (niet meer schom’lend) wiegjen:(Schomlende zijn uit de mode)!“Dat nog van de tegenspoeden,Die ons hier beneden kwellen,Geen ervaring hebt verkregen—Dan door ’t steken van de muggen!—“Dat, nog zuiver van de driften,Die op rijper leeftijd woelen,Nimmer boos wordt—dan alleen maarAls men niet terstond uw zin doet!“Dat, nog vrij van dwaze wenschenVrij van zondige aardsche lusten,Uw begeerten blijft beperkenTot een trek naar soep of bloemkool!“Dierbaar kind! gij zijt onkundigVan uw laatre lotsbestemming,Ik, in spijt van grijze ervaring,Weet daarvan zooveel als gij weet.“Maar, zoo gij nog naar de toekomstGeen vermeetle blikken heenwendt,Of althans niet verder uitzietDan naar ’t heerlijk etens-uurtjen;“Ik—en ’k durf geenszins bepalen,Of het dwaas is dan verstandig—Ik, ik kan mij niet weêrhouden,Naar die toekomst vaak te gissen.“Zult ge een pleitbezorger worden?In den handel u begeven?Of, uw ooms tot voorbeeld kiezend,Uw fortuin in de Oost gaan zoeken?“Zult gij in de koffijhuizenAan ’t biljard uw dagen slijten,Altijd wachten op een postjen,Dat u nimmer wordt gegeven?“Of zult gij den krijgsdienst kiezen,En u krijgstrofeën vormenVan sjakoos, nog voor ’t verslijtenDoor een nieuw model vervangen?”’t Is mij, in den grond, om ’t even;Want men kan in elken werkkring,Al naar ’t valt, carrière makenOf een bittre sukkel blijven.“Maar, lief kind, wat hier benedenOoit het doel zij van uw streven,Tracht toch—wat ik u mag bidden—Nimmer naar den naam van dichter....”Dan zijne “Lente-Mijmeringen, 21 Juni 1855,”“Mij heugt, toen ik een knaapjen was,En Mei in ’t land gekomen,Wij zaten ’s avonds op ’t terrasIn schaaûw der lindeboomen,“Dan sprong ik als een jonge reeEn plukte mij een ruiker,De Gouvernante schonk ons theeIk kreeg dien zonder suiker.“O, ’t blijkt uit alles zonneklaar,Men mocht in vroeger dagenOp Lente reeknen ieder jaar;Wat kon haar toch verjagen?“Hoe meenge winter ging voorbij,Dat wij begeerig smachttenNaar ’t lieve Lentejaargetij,En vruchtloos bleven wachten.“Met ieder jaar bleef ’t winterijsWat langer in het water,En bleef de lucht wat langer grijs,En kwam de zomer later.“En nu—’t is reeds de langste dag:Reeds moest de zomer komen;En ’k heb in Neêrland, waar ik zag,Geen voorjaar nog vernomen.”Eindelijk zoo menig lied vol prettigen kortswijl uit zijn Almanak “Holland,” of uit zijne “Zeemansliedjes,” alles zuiver Hollandsch veldgebloemte, nederig, eenvoudig, gezond.Critiek, die gaarne overvraagt, heeftVan Lennepverweten, dat zijne scherts te weinig fierheid bezat, dat hij met zijne anecdoten en kwinkslagen, ook in het dagelijksch gesprek, tot lager kringen afdaalde, dan tot welke hij zelf behoorde. Zijne snakerijen met de geschiedenis des Vaderlands berokkenden hem zelfs dichterlijke boetpredikatiën van verontwaardigde, maar minder geestige kunstvrienden. Het is mogelijk, dat hij het soms wat bont maakte, maar ontkend mag het niet worden, dat juist deze trek van zijn karakter, deze zijde van zijn talent hem tot den meest Nederlandschen, tot den populairsten dichter en romanschrijver van zijn tijd gemaakt hebben.In de geschiedenis der Letterkunde van een klein volk is het niet zoo gemakkelijk de eigenaardige trekken van het nationale karakter terug te vinden. De classieke en moderne Letteren oefenen grooteren invloed, omdat kleine volken, wier taal niet algemeen gesproken wordt, zich letterkundig minder zelfstandig ontwikkelen kunnen. Trots deze beletselen zal het den historieschrijver onzer litteratuur toch mogelijk blijken hetnationaal-Nederlandscheop het spoor te komen.Van Lennepdrukte in zijn persoon en in zijn werk dat nationaal-Nederlandsche voortreffelijk uit.Kwinkslagen, scherts en kortswijl; een goed oog op het comische in het leven en in de kunst; belangstelling in het blijspel, soms dalend tot de platte klucht, soms stijgend tot vlijmende satire of teederen humor—zie daar de meest in het oogvallenden karaktertrekkenonzer letterkundige kunst, die tevens worden teruggevonden in de geschiedenis onzer schilderschool. In de middeleeuwen, in de XVI en XVII eeuwen valt het niet moeilijk dit telkens met luidsprekende feiten te staven. Het is onnoodig op denReinaert, op de “schoone boerden,” op de “sotternien,” op de volksliederen en volksromans te wijzen; overbodig te herinneren aan den gullen lach van den rondenRoemer, aan de vroolijkheid vanJan van Hout, aan de drink- en minneliederen vanBrederoenStarter, aanHooft’s“Warenar,” aanVondels“Rommelpot,” aan de maaltijden vanJan Steen, de boerenkermissen vanOstade, deTeniersenenRubens, aan de kroegen vanAdriaen de Brouwer, aan de schaterlachende zangers, drinkers en vischwijven vanFrans Hals—dit alles is meermalen uitdrukkelijk in het licht gesteld.Mocht ook in latere tijden de goedronde lach onzer vaderen verstommen, mocht het kille Calvinisme zich paren aan het practisch streven naar Nuttige, Voordeelige, Bruikbare dingen, toch ging de overlevering van onze nationale luim in de geschiedenis onzer letteren niet verloren.Langendijk,Troost,AsselijnenBernagiebleven onzen ouden volksaard getrouw; aan het slot der vorige eeuw triomfeerden twee geniale vrouwen in “Sara Burgerhart” en “Willem Leevend” op al de booze geesten, die der Nederlandsche Muzen onverzoenlijken haat hadden gezworen.Van Lennepwas inzonderheid een echt Nederlander door zijne kunst. Zijne patricische Amsterdamsche stemming, zijne bewonderenswaardige wetenschappelijke vlijt in de uitgave vanVondel’swerken gebleken, zijne veelzijdige letterkundige en historische kennis, werden altijd verhelderd door eene zonnestraal van vriendelijke geestigheid; zijne deftige betoogen afgewisseld door een vroolijken zet, zijne ernstige buien opgehelderd door eene grappige anecdote.BijSijthoff’snieuwe uitgaaf vanVan Lennep’sromantische werken een hartelijk woord te voegen, was het doel van dit eenvoudig opstel.Van Lennep’sleven is het best en uitvoerigst beschreven doorA. J. de Bullin de “Levensberichten” der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Daarbij is eene lijst van geschriften gevoegd, die de wenschen van den lastigsten bibliograaf overtreft. Verschillende mannen van naam:Jonckbleet,Réville,Busken Huet,SchimmelenNicolaas Beetshebben hunne meening overVan Lennepgezegd; toch ontbreekt nog de monographie, die zijne geheele persoonlijkheid, zijne veelzijdige werkzaamheid, zijne beteekenis voor de geschiedenis onzer Letteren te zaam vat, en met wetenschappelijke nauwkeurigheid beschrijft. Eene nieuwe uitgaaf zijner romantische werken kan misschien aanleiding worden tot vervulling dezer behoefte, althans de gedachte verlevendigen, dat een dergelijk boek nog altijd moet geschreven worden.Dr.Jan ten Brink.
De auteur van “Ferdinand Huyck” dankt zijne populariteit niet uitsluitend aan zijne romans.
Behalve dezen deed hij zich als echtNederlandsch dichterkennen. Heel zijn leven lang zorgde hij er voor, dat bij elke plechtige gelegenheid eenige toepasselijke regelen van zijne hand voor zijne vrienden het licht zagen. In den huiselijken kring of in hetmaatschappelijk leven werd elke belangrijke gebeurtenis door hem met hartelijke woorden herdacht. Van zijne “Academische Idyllen” (1826) tot aan zijne “Vermakelijke Spraakkunst” (1865) bleek hij zoo niet de geestigste, dan toch zeker de opgeruimdste en levenslustigste zanger, die onder ons, deftige lieden, te vinden was. Een snaaksche glimlach was om zijne lippen als bestorven, zoodat, toen hij de koddige grappen van zijn vriendGerrit van de Lindein zijn almanak “Holland” deed afdrukken, ieder geloofde, dat hij zelf ze geschreven had.
Er is in de laatste vijfentwintig jaren geene bloemlezing onzer hedendaagsche dichters, waarin niet op de eereplaats aangetroffen wordtVan Lennep’s:
“Mijn waarde Neef! ik durf het wagenU twee kommissies op te dragen:’t Is, in ’t Verkoophuis, voor Papa,Vier doosjes Lucifers te koopen,En op de Bloemmarkt voor Mama,Wat lentebloemzaad op te loopen:Dan voor broêr Kees, een nieuwen tol.Voorts zendt Gij mij, ’k durf daarop reeknen,Een boek papier om op te teekenen,En ook vier strengen zwarte wol.
“Mijn waarde Neef! ik durf het wagen
U twee kommissies op te dragen:
’t Is, in ’t Verkoophuis, voor Papa,
Vier doosjes Lucifers te koopen,
En op de Bloemmarkt voor Mama,
Wat lentebloemzaad op te loopen:
Dan voor broêr Kees, een nieuwen tol.
Voorts zendt Gij mij, ’k durf daarop reeknen,
Een boek papier om op te teekenen,
En ook vier strengen zwarte wol.
“Wil voorts een kistjen Rencurrellen,Bij Reynvaan, voor oom Piet bestellen;En wip dan bij Verschuur eens aan,Om Lizes bracelet te halen;Van daar kunt gij bij Holters gaan,En onze rekening betalen.Voorts wacht ons Mietje een trommelvolMet biesjensdeeg en drabbelkoeken:Zend mij wat nieuwe Fransche boeken,En dan, vooral, vier strengen wol.
“Wil voorts een kistjen Rencurrellen,
Bij Reynvaan, voor oom Piet bestellen;
En wip dan bij Verschuur eens aan,
Om Lizes bracelet te halen;
Van daar kunt gij bij Holters gaan,
En onze rekening betalen.
Voorts wacht ons Mietje een trommelvol
Met biesjensdeeg en drabbelkoeken:
Zend mij wat nieuwe Fransche boeken,
En dan, vooral, vier strengen wol.
“Laat Sacher, met den beurtman, morgen,Wat versche bloemen ons bezorgen,En koop meteen, op ’t Muiderplein,Voor tante Saar wat Lange-Lijzen:Gij kent haar smaak voor porcelein;Zend voorts een kooitjen voor haar sijzen,Een aanzetleder voor Oom Nol,Een verschen pot met tamarinden,Die gij bij Gerber wel zult vinden,En dan, voor mij, wat zwarte wol.”
“Laat Sacher, met den beurtman, morgen,
Wat versche bloemen ons bezorgen,
En koop meteen, op ’t Muiderplein,
Voor tante Saar wat Lange-Lijzen:
Gij kent haar smaak voor porcelein;
Zend voorts een kooitjen voor haar sijzen,
Een aanzetleder voor Oom Nol,
Een verschen pot met tamarinden,
Die gij bij Gerber wel zult vinden,
En dan, voor mij, wat zwarte wol.”
Voorts het gedicht aan een zijner kleinzoons:
“Teeder en aanvallig wichtjen,Dat zoo geestig om u heen kijktUit uw (niet meer schom’lend) wiegjen:(Schomlende zijn uit de mode)!
“Teeder en aanvallig wichtjen,
Dat zoo geestig om u heen kijkt
Uit uw (niet meer schom’lend) wiegjen:
(Schomlende zijn uit de mode)!
“Dat nog van de tegenspoeden,Die ons hier beneden kwellen,Geen ervaring hebt verkregen—Dan door ’t steken van de muggen!—
“Dat nog van de tegenspoeden,
Die ons hier beneden kwellen,
Geen ervaring hebt verkregen
—Dan door ’t steken van de muggen!—
“Dat, nog zuiver van de driften,Die op rijper leeftijd woelen,Nimmer boos wordt—dan alleen maarAls men niet terstond uw zin doet!
“Dat, nog zuiver van de driften,
Die op rijper leeftijd woelen,
Nimmer boos wordt—dan alleen maar
Als men niet terstond uw zin doet!
“Dat, nog vrij van dwaze wenschenVrij van zondige aardsche lusten,Uw begeerten blijft beperkenTot een trek naar soep of bloemkool!
“Dat, nog vrij van dwaze wenschen
Vrij van zondige aardsche lusten,
Uw begeerten blijft beperken
Tot een trek naar soep of bloemkool!
“Dierbaar kind! gij zijt onkundigVan uw laatre lotsbestemming,Ik, in spijt van grijze ervaring,Weet daarvan zooveel als gij weet.
“Dierbaar kind! gij zijt onkundig
Van uw laatre lotsbestemming,
Ik, in spijt van grijze ervaring,
Weet daarvan zooveel als gij weet.
“Maar, zoo gij nog naar de toekomstGeen vermeetle blikken heenwendt,Of althans niet verder uitzietDan naar ’t heerlijk etens-uurtjen;
“Maar, zoo gij nog naar de toekomst
Geen vermeetle blikken heenwendt,
Of althans niet verder uitziet
Dan naar ’t heerlijk etens-uurtjen;
“Ik—en ’k durf geenszins bepalen,Of het dwaas is dan verstandig—Ik, ik kan mij niet weêrhouden,Naar die toekomst vaak te gissen.
“Ik—en ’k durf geenszins bepalen,
Of het dwaas is dan verstandig—
Ik, ik kan mij niet weêrhouden,
Naar die toekomst vaak te gissen.
“Zult ge een pleitbezorger worden?In den handel u begeven?Of, uw ooms tot voorbeeld kiezend,Uw fortuin in de Oost gaan zoeken?
“Zult ge een pleitbezorger worden?
In den handel u begeven?
Of, uw ooms tot voorbeeld kiezend,
Uw fortuin in de Oost gaan zoeken?
“Zult gij in de koffijhuizenAan ’t biljard uw dagen slijten,Altijd wachten op een postjen,Dat u nimmer wordt gegeven?
“Zult gij in de koffijhuizen
Aan ’t biljard uw dagen slijten,
Altijd wachten op een postjen,
Dat u nimmer wordt gegeven?
“Of zult gij den krijgsdienst kiezen,En u krijgstrofeën vormenVan sjakoos, nog voor ’t verslijtenDoor een nieuw model vervangen?
“Of zult gij den krijgsdienst kiezen,
En u krijgstrofeën vormen
Van sjakoos, nog voor ’t verslijten
Door een nieuw model vervangen?
”’t Is mij, in den grond, om ’t even;Want men kan in elken werkkring,Al naar ’t valt, carrière makenOf een bittre sukkel blijven.
”’t Is mij, in den grond, om ’t even;
Want men kan in elken werkkring,
Al naar ’t valt, carrière maken
Of een bittre sukkel blijven.
“Maar, lief kind, wat hier benedenOoit het doel zij van uw streven,Tracht toch—wat ik u mag bidden—Nimmer naar den naam van dichter....”
“Maar, lief kind, wat hier beneden
Ooit het doel zij van uw streven,
Tracht toch—wat ik u mag bidden—
Nimmer naar den naam van dichter....”
Dan zijne “Lente-Mijmeringen, 21 Juni 1855,”
“Mij heugt, toen ik een knaapjen was,En Mei in ’t land gekomen,Wij zaten ’s avonds op ’t terrasIn schaaûw der lindeboomen,
“Mij heugt, toen ik een knaapjen was,
En Mei in ’t land gekomen,
Wij zaten ’s avonds op ’t terras
In schaaûw der lindeboomen,
“Dan sprong ik als een jonge reeEn plukte mij een ruiker,De Gouvernante schonk ons theeIk kreeg dien zonder suiker.
“Dan sprong ik als een jonge ree
En plukte mij een ruiker,
De Gouvernante schonk ons thee
Ik kreeg dien zonder suiker.
“O, ’t blijkt uit alles zonneklaar,Men mocht in vroeger dagenOp Lente reeknen ieder jaar;Wat kon haar toch verjagen?
“O, ’t blijkt uit alles zonneklaar,
Men mocht in vroeger dagen
Op Lente reeknen ieder jaar;
Wat kon haar toch verjagen?
“Hoe meenge winter ging voorbij,Dat wij begeerig smachttenNaar ’t lieve Lentejaargetij,En vruchtloos bleven wachten.
“Hoe meenge winter ging voorbij,
Dat wij begeerig smachtten
Naar ’t lieve Lentejaargetij,
En vruchtloos bleven wachten.
“Met ieder jaar bleef ’t winterijsWat langer in het water,En bleef de lucht wat langer grijs,En kwam de zomer later.
“Met ieder jaar bleef ’t winterijs
Wat langer in het water,
En bleef de lucht wat langer grijs,
En kwam de zomer later.
“En nu—’t is reeds de langste dag:Reeds moest de zomer komen;En ’k heb in Neêrland, waar ik zag,Geen voorjaar nog vernomen.”
“En nu—’t is reeds de langste dag:
Reeds moest de zomer komen;
En ’k heb in Neêrland, waar ik zag,
Geen voorjaar nog vernomen.”
Eindelijk zoo menig lied vol prettigen kortswijl uit zijn Almanak “Holland,” of uit zijne “Zeemansliedjes,” alles zuiver Hollandsch veldgebloemte, nederig, eenvoudig, gezond.
Critiek, die gaarne overvraagt, heeftVan Lennepverweten, dat zijne scherts te weinig fierheid bezat, dat hij met zijne anecdoten en kwinkslagen, ook in het dagelijksch gesprek, tot lager kringen afdaalde, dan tot welke hij zelf behoorde. Zijne snakerijen met de geschiedenis des Vaderlands berokkenden hem zelfs dichterlijke boetpredikatiën van verontwaardigde, maar minder geestige kunstvrienden. Het is mogelijk, dat hij het soms wat bont maakte, maar ontkend mag het niet worden, dat juist deze trek van zijn karakter, deze zijde van zijn talent hem tot den meest Nederlandschen, tot den populairsten dichter en romanschrijver van zijn tijd gemaakt hebben.
In de geschiedenis der Letterkunde van een klein volk is het niet zoo gemakkelijk de eigenaardige trekken van het nationale karakter terug te vinden. De classieke en moderne Letteren oefenen grooteren invloed, omdat kleine volken, wier taal niet algemeen gesproken wordt, zich letterkundig minder zelfstandig ontwikkelen kunnen. Trots deze beletselen zal het den historieschrijver onzer litteratuur toch mogelijk blijken hetnationaal-Nederlandscheop het spoor te komen.Van Lennepdrukte in zijn persoon en in zijn werk dat nationaal-Nederlandsche voortreffelijk uit.
Kwinkslagen, scherts en kortswijl; een goed oog op het comische in het leven en in de kunst; belangstelling in het blijspel, soms dalend tot de platte klucht, soms stijgend tot vlijmende satire of teederen humor—zie daar de meest in het oogvallenden karaktertrekkenonzer letterkundige kunst, die tevens worden teruggevonden in de geschiedenis onzer schilderschool. In de middeleeuwen, in de XVI en XVII eeuwen valt het niet moeilijk dit telkens met luidsprekende feiten te staven. Het is onnoodig op denReinaert, op de “schoone boerden,” op de “sotternien,” op de volksliederen en volksromans te wijzen; overbodig te herinneren aan den gullen lach van den rondenRoemer, aan de vroolijkheid vanJan van Hout, aan de drink- en minneliederen vanBrederoenStarter, aanHooft’s“Warenar,” aanVondels“Rommelpot,” aan de maaltijden vanJan Steen, de boerenkermissen vanOstade, deTeniersenenRubens, aan de kroegen vanAdriaen de Brouwer, aan de schaterlachende zangers, drinkers en vischwijven vanFrans Hals—dit alles is meermalen uitdrukkelijk in het licht gesteld.
Mocht ook in latere tijden de goedronde lach onzer vaderen verstommen, mocht het kille Calvinisme zich paren aan het practisch streven naar Nuttige, Voordeelige, Bruikbare dingen, toch ging de overlevering van onze nationale luim in de geschiedenis onzer letteren niet verloren.Langendijk,Troost,AsselijnenBernagiebleven onzen ouden volksaard getrouw; aan het slot der vorige eeuw triomfeerden twee geniale vrouwen in “Sara Burgerhart” en “Willem Leevend” op al de booze geesten, die der Nederlandsche Muzen onverzoenlijken haat hadden gezworen.Van Lennepwas inzonderheid een echt Nederlander door zijne kunst. Zijne patricische Amsterdamsche stemming, zijne bewonderenswaardige wetenschappelijke vlijt in de uitgave vanVondel’swerken gebleken, zijne veelzijdige letterkundige en historische kennis, werden altijd verhelderd door eene zonnestraal van vriendelijke geestigheid; zijne deftige betoogen afgewisseld door een vroolijken zet, zijne ernstige buien opgehelderd door eene grappige anecdote.
BijSijthoff’snieuwe uitgaaf vanVan Lennep’sromantische werken een hartelijk woord te voegen, was het doel van dit eenvoudig opstel.Van Lennep’sleven is het best en uitvoerigst beschreven doorA. J. de Bullin de “Levensberichten” der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Daarbij is eene lijst van geschriften gevoegd, die de wenschen van den lastigsten bibliograaf overtreft. Verschillende mannen van naam:Jonckbleet,Réville,Busken Huet,SchimmelenNicolaas Beetshebben hunne meening overVan Lennepgezegd; toch ontbreekt nog de monographie, die zijne geheele persoonlijkheid, zijne veelzijdige werkzaamheid, zijne beteekenis voor de geschiedenis onzer Letteren te zaam vat, en met wetenschappelijke nauwkeurigheid beschrijft. Eene nieuwe uitgaaf zijner romantische werken kan misschien aanleiding worden tot vervulling dezer behoefte, althans de gedachte verlevendigen, dat een dergelijk boek nog altijd moet geschreven worden.
Dr.Jan ten Brink.
1“Vondel bekroond door het dankbaar nageslacht. Eene herinnering aan de oprichting van het standbeeld en de Vondelsfeesten in de hoofdstad op 17, 18 en 19 Oktober 1867.” Arnhem, D. A.Thieme, 1868, gr. 8o.2Aftreden van het 1ste ministerieHeemskerk, Februari 1868. Mr. C.Fockvormt een nieuw ministerie.3Van Lennep doelt op zijne brochure: “Het Podagra en het Manifest van Burgerpligt,” Amsterdam, 1868.4Gedurende de jaren 1868 en 1869 schreef ik in het tijdschrift “Nederland” letterkundige artikelen onder den titel: “Letterkundig Intermezzo.”5Gids, December, 1864. Later in het II deel,Litterarische Fantasien, 1 Reeks.
1“Vondel bekroond door het dankbaar nageslacht. Eene herinnering aan de oprichting van het standbeeld en de Vondelsfeesten in de hoofdstad op 17, 18 en 19 Oktober 1867.” Arnhem, D. A.Thieme, 1868, gr. 8o.
2Aftreden van het 1ste ministerieHeemskerk, Februari 1868. Mr. C.Fockvormt een nieuw ministerie.
3Van Lennep doelt op zijne brochure: “Het Podagra en het Manifest van Burgerpligt,” Amsterdam, 1868.
4Gedurende de jaren 1868 en 1869 schreef ik in het tijdschrift “Nederland” letterkundige artikelen onder den titel: “Letterkundig Intermezzo.”
5Gids, December, 1864. Later in het II deel,Litterarische Fantasien, 1 Reeks.