Veertiende Hoofdstuk.

Veertiende Hoofdstuk.Hoe onze vloot de Engelschen tuchtigde.Weinige oogenblikken, nadat de kamerdienaar vertrokken was, trad Pieter Pietersz “de kamer van educatie” binnen.“Je past op je tijd, Pieter,” zeide de Prins “Volg mij.”De Prins deed de deur naast den schoorsteen open, en beiden bevonden zich in een klein kabinetje. Zijne Hoogheid sloot de deur zorgvuldig, en wenkte zijn gunsteling, zich op een stoel neder te zetten, terwijl hij zelf ging zitten.“Wel,” begon hij. “Heb je het een en ander bijzonders vernomen?”“Ik had daartoe niet veel moeite,” antwoordde Pieter. “Mijn broeder is met de familie zeer goed bekend: verscheidene malen heeft hij Mevrouw Buat gekapt. Van hem dan ook heb ik de bijzonderheden vernomen.”“Ter zake.”“In het voorjaar werd de Ritmeester door den heer Raadpensionarisaangezocht, om zich te belasten met een geheime correspondentie naarEngeland.”“Juist, met Sylvius, met wien Buat reeds correspondeerde. En had die briefwisseling onder het oog van den Raadpensionaris plaats?”“Geheel en al. De Ritmeester schreef, schijnbaar in zijn eigen naam, wat de Raadpensionaris hem voorzeide. Nu hadden de vrienden der Oranjepartij, tot welke ook de Ritmeester behoort, hem aangezet om bij deze correspondentie een andere te voeren, van welke de Raadpensionaris niets mocht weten. Op deze brieven zette de Heer Sylvius:pour vous mesme.—Langen tijd ging deze geheime handel goed, tot, voor eenige dagen, de Ritmeester den Raadpensionaris een pak brieven bracht en daaronder bij vergissing een van die geheime brieven had laten liggen.”“De onvoorzichtige!” riep de Prins uit. “En had de Raadpensionaris dat terstond gemerkt?”“Ik weet het niet, Uwe Hoogheid,” gaf Pieter ten antwoord. “Maar de Ritmeester was onvoorzichtig genoeg, om zich bij den Raadpensionaris te vergewissen of de brief in het pak was. Deze kreeg daarop argwaan, las den brief en vond daarin, wat hem aanleiding gaf om dien Buat te weigeren en hem in den Raad van State te brengen. Terstond werd de Ritmeester gevat en in de kastelenije bewaard; waarop de Raadpensionaris aan het hoofd eener commissie uit den Raad van State zich naar het huis van den gevangene begaf en aldaar huiszoeking deed.”“Wat zal die arme mevrouw Buat verschrikt zijn geweest!” zeide de Prins meewarig.“Dat kan Uwe Hoogheid zich voorstellen.”“En heeft men daar nog wat gevonden?”“De Ritmeester had zorg gedragen, al de geheime brieven te verbranden. Ongelukkig moet hij een brief en een klad vooreen anderen vergeten hebben te vernietigen. De Raad van State heeft daarop grond genoeg gevonden, om hem van hoogverraad te beschuldigen en zijne zaak in handen van het Hof vanHollandte stellen.”“En de Ritmeester?”“Zit nu op deVoorpoortvan den Hove.”“Arme Buat,” zeide de Prins.—“Je hebt je goed van je last gekweten, Pieter,” vervolgde hij tot dezen. “Ik heb ook den mijnen volbracht en je aan den Raadpensionaris aanbevolen.”“Ik dank Uwe Hoogheid voor Hare goedgunstige bescherming,” zeide Pieter.“Waarschijnlijk zul je een aanstelling op de werven van de Admiraliteit vanZeelanderlangen. Ik zal ook aan de Heeren bewindhebbers schrijven en je aanbevelen.”“O, Uwe Hoogheid is al te goed,” hernam Pieter. “Hoe zal ik Haar ooit dankbaar genoeg kunnen zijn!”“Verlaat mij thans, Pieter, en keer langs denzelfden weg terug, dien je gekomen bent. Vaarwel!”De Prins deed de deur van het kabinetje open en ging, na het vertrek van Pieter, weder aan het werk—schijnbaar ten minste—want zijne ziel was te zeer bezig met den armen Buat, dan dat hij had kunnen werken.De aanbeveling van den Prins met die van den Luitenant-admiraal had goede uitwerking. Pieter werd op de werf der Zeeuwsche admiraliteit aangesteld als tweede meesterknecht, met een goed inkomen en het vooruitzicht op bevordering. Martha, wiens broeder Jacob intusschen gehuwd was, vergezelde hem naarVlissingen, om zijne huishouding waar te nemen.Gij zult wel nieuwsgierig wezen, hoe het met Buat afliep. Ik zal het u meedeelen. De leden van het Hof waren wel gestemd om een zacht vonnis te vellen, vooral, omdat hij eigenlijk geen landverraad had gepleegd, maar slechts misbruik had gemaaktvan het vertrouwen, dat De Witt in hem had gesteld. De Staten vanHollandevenwel, door De Witt daartoe aangezet, begrepen de zaak anders, en maanden het Hof ten ernstigste aan, om een krachtig vonnis te spreken. Daarbij kwam, dat men Buat door een boosaardige list van een zijner rechters beroofde, den Raadsheer Van der Graaf, die der Oranjepartij was toegedaan. Op zekeren dag namelijk, dat genoemde Raadsheer van het Hof kwam, verzocht hem iemand, uit naam van Buat, even bij den gevangene te komen. Hieraan voldoende, vond hij Buat ongesteld en zeer verwonderd over zijne komst, daar de boodschap niet van hem was uitgegaan. Na, in tegenwoordigheid van den cipier, een paar woorden met den gevangene gewisseld te hebben, verliet Van der Graaf de Gevangenpoort en ging naar huis. Den volgenden dag stond in een nieuwsblad, dat een der Raadsheeren zich niet ontzien had, de gevangene te bezoeken. Het Hof ondervraagde daarop Van der Graaf, die de toedracht der zaak verhaalde. Diensondanks werd hij gedwongen, zich niet verder in dit rechtsgeding te wikkelen.Van deze stem beroofd, die waarschijnlijk nog een of twee andere zou hebben overgehaald, werd de ongelukkige Ritmeester veroordeeld te worden gestraft met den zwaarde, zoodat er de dood na volgt. Dit vreeselijke vonnis werd op Maandag den 11denOctober aan hem voltrokken.De Raadsheer Kieviet, diens vrouw (zooals gij weet, de zuster van Tromp) en de Burgemeester vanRotterdam, Van der Horst, werden mede in dit rechtsgeding gewikkeld, omdat zij Buat tot schrijven hadden aangezet en ettelijke brieven hadden gelezen. De eerste, zooals ik u reeds gezegd heb, ten lande uitgeweken, werd ter dood, zijne vrouw tot een zware geldboete en Van der Horst tot verbanning veroordeeld, terwijl hunne goederen werden verbeurd verklaard.De terechtstelling van Buat, gevoegd bij de afzetting vanTromp, deed bij de Prinsgezinden den haat tegen De Witt nog toenemen. Zoover zelfs ging men, dat men hem den noodlottigen uitslag van den tweedaagschen zeeslag weet. De Engelschen intusschen, nu open zee hebbende, maakten daarvan gebruik, om eenige koopvaardijschepen in hetVlieweg te nemen en op het eilandTerschellingte landen, waar zij het dorpWest-Terschellingin brand staken en de weerlooze bewoners mishandelden.Hoe gehavend onze vloot ook was, koos die weder zee om de Engelschen te tuchtigen; doch door ziekte onder het scheepsvolk en door stormen werd zij genoodzaakt terug te keeren, zonder iets verricht te hebben.Het terugzenden van het lijk van Barclay gaf aanleiding tot vredesonderhandelingen. Een zware brand teLonden, die van den twaalfden tot den zeventienden September duurde, een groot gedeelte der stad in de asch legde en millioenen schats vernielde, maakte, dat men inEngelandzeer naar den vrede verlangde. Tot de plaats der onderhandelingen werdBredagekozen. Intusschen hoopte De Witt vooraf nog de geledene nederlaag en den brand vanTerschellingop luisterrijke wijze te wreken, en had dus gezorgd, dat onze vloot goed uitgerust en volkomen van alles voorzien was.’t Was een koude en langdurige winter, en daardoor konden onze schepen eerst laat in het voorjaar uitloopen. De Staten-Generaal hadden weder goedgevonden, dat gemachtigden van hunnentwege den tocht zouden bijwonen. Daar de andere gewesten tegen de onkosten der uitrusting opzagen, had alleenHollander een benoemd. Dewijl nu de Raadpensionaris, die in persoon bij de vredesonderhandelingen teBredategenwoordig moest zijn, dien tocht niet kon bijwonen, had men diens ouderen broeder, Cornelis de Witt, Ruwaard vanPutten, Burgemeester vanDordrechten lid van de AdmiraliteitderMaas, die betrekking opgedragen. Deze was een man van persoonlijken moed en wel bekend met het zeewezen. Het ware doel van den tocht werd intusschen zoo geheim gehouden, dat zelfs de listige en schrandere d’Estrades er niet achter kon komen.Door storm in haren voortgang vertraagd, kwam de vloot eerst den 17denJuni in hetKoningsdiepten anker. Van hier werd Van Gent met 17 schepen vooruitgezonden naar denTheems, om de daarliggende koopvaardijschepen aan te tasten en te vermeesteren. De Ruwaard zelf begaf zich op het schip van Van Gent om de onderneming te besturen. Daar echter die schepen tijdig genoeg de rivier waren opgezeild, begaf zich het smaldeel naar deMedway, ook wel de rivier vanChattamofRochestergenoemd. Aan den mond dier rivier lag de sterkteSheernesse, die door Van Brakel en twee andere kapiteins beschoten en zonder veel moeite bemachtigd werd. Het fort werd geslecht en wat er bruikbaars in werd gevonden, onder de schepen verdeeld. Bij onderzoek bleek, dat de Engelschen twee groote schepen en vijf branders hadden laten zinken, om de doorvaart te beletten. Van Gent zond nu kapitein Tobias met vier schepen, drie jachten en twee branders de rivier op, om een weg te banen. Dit gelukte; doch eensklaps vond Tobias zich gestuit door een dikken ijzeren ketting, die aan beide oevers vastgehecht, over de rivier gespannen was. Achter dezen ketting lagen de “Unity”, daarachter de “Carolus Quintus”, “de Matthias” en de “Monmouth”; terwijl het schieten uit het kasteelUpnoren van de beide oevers het verder opzeilen belemmerde. Kapitein Tobias zag zich dus genoodzaakt, van de onderneming af te zien, en waarschijnlijk zou het geheele plan mislukt zijn, had niet een omstandigheid aanleiding gegeven tot het uit den weg ruimen van alle hinderpalen. De Ruwaard had den kapiteins op lijfstraf verboden, iemand van hun scheepsvolk aan land telaten gaan. Kapitein Jan van Brakel had dit bevel overtreden en was op last van De Witt gevangen genomen. Vreezende zijn hoofd te zullen verliezen, begreep hij, dat hij zich door een waagstuk moest vrijkoopen. Hij bood dus aan met zijn schip, een slecht fregat, de “Unity” aan boord te klampen, de branders bij te brengen en het eskader een doortocht te verschaffen. De Ruwaard nam dit aan, Van Brakel werd ontslagen, en mocht weder aan boord gaan. Terstond zeilt hij vooruit, door den nauwen doorgang en de Nederlandsche schepen heen, vervolgt, met de beide branders achter zich, onder het hevige kruisvuur van den vijand zijn tocht en schiet niet, alvorens hij bij de “Unity” is. Nu geeft hij het fregat de volle laag, klampt het aan boord en is er in weinige oogenblikken meester van.Thans bleef nog de eenige hindernis, de keten, over. De Kommandeur Van den Rijn, die een der beide branders aanvoerde, zeilde er met zulk een geweld tegen aan, dat de zware ijzeren ketting doormidden brak, waarna hij zich terstond aan den daarachter liggenden “Matthias” hechtte, welken hij in brand stak. De andere branders kwamen nu ook door de gemaakte opening heen en trachtten den “Carolus Quintus” in brand te steken. Doch deze schoot hen beide in den grond, echter niet dan nadat een daarvan het schip in brand had gestoken. Van Brakel, met een paar sloepen daarbij gekomen, beklom nu het vaartuig, nam een gedeelte der manschap gevangen en liet het schip aan de vlammen over. Hierop namen de Vice-admiraal De Liefde en kapitein Tobias de door zijne manschap verlatene “Royal Charles,” het admiraalsschip, een der grootste en schoonste bodems der Engelsche vloot, reeds ten tijde van Cromwell gebouwd en in 1660 gebruikt om koning Karel II naar Engeland over te brengen. Nu lag de “Mary” aan de beurt, die mede verbrand werd.Daar intusschen de eb was ingevallen, moest men met devermeestering van de vier overige koningsschepen, die hooger op de rivier lagen, tot den volgenden dag, 23 Juni, wachten. Maar dat was weder een waagstuk. De Ruyter echter, door De Witt van de hoofdvloot ontboden, besloot het te beproeven. Zeven branders, naar de schepen afgezonden en door evenveel oorlogsvaartuigen begeleid, zeilden de rivier op, midden door het geweldige kruisvuur van het kasteelUpnoraan de eene en van een zware batterij, aan de andere zijde der rivier gelegen, heen. Ook De Ruyter zelf sprong in een sloep om de onderneming te besturen, en de Ruwaard, dit ziende en evenmin bevreesd voor de vijandelijke kogels, besloot hem te vergezellen. De “Jacoba” en de Royal Oak”, twee schepen elk van tachtig stukken, werden door twee branders vernield; terwijl een andere den “Loyal London” in brand stak. De kapitein van de “Royal Oak” verkoos niet van zijn schip af te gaan. “Nog nooit,” zeide hij, “heeft een Douglas (hij was een Schot en uit dit edele huis) den hem toevertrouwden post verlaten.” En hoe men hem smeekte, zich te redden—hij liet zich met zijn vaartuig verbranden.Gij kunt u voorstellen, welk een schrik en ontzetting deze tocht inLonden, ja in geheelEngelandverbreidde. In de hoofdstad werkte die zoozeer op de gemoederen, dat men daar reeds zijne kostbaarste goederen borg en op de vlucht sloeg. Doch spoedig werden zij gerustgesteld; want reeds den volgenden dag zeilden onze schepen, tevreden met het behaalde voordeel en verzekerd, dat men den Engelschman nu voor lang schrik had ingeboezemd, naar de hoofdvloot terug, waarmede De Ruyter een tijd lang denTheemsgesloten bleef houden. Van Brakel genoot de eer, de beide veroverde schepen, de “Unity” en de “Royal Charles” naar het Vaderland te voeren.De Ruwaard ontving van de Staten een gouden beker, waarop de onderneming was afgebeeld, benevens een rentebriefvan ƒ 30,000, De Ruyter een dergelijken beker en Van Gent ƒ 12,000 en een gouden gedenkpenning. Ook de andere scheepshoofden werden voor de door hen bewezen diensten beloond.De tocht naarChattambewerkte, wat de Raadpensionaris er mee bedoeld had: niet alleen hadden wij een belangrijke revanche genomen voor den brand vanTerschelling, maar ook de vredesonderhandelingen werden er door bespoedigd en weldra ten einde gebracht. Het was dan ook reeds op den 31stenJuli van datzelfde jaar 1667, dat de vrede metEngelandteBredawerd gesloten en zoo een einde maakte aan den tweeden Engelschen oorlog.Reeds eenige weken vóór het sluiten van den vrede teBreda, was Lodewijk XIV, koning vanFrankrijk, in deSpaansche Nederlandengevallen. Deze inval, waarbij d’Estrades de medewerking der Staten eischte, omdatFrankrijkons, zoo het heette, in den oorlog tegenEngelandhad ondersteund, deed de noodzakelijkheid ontstaan om ons leger te velde te vergrooten en over dat leger een veldoverste te benoemen. Geen wonder, dat de Oranjepartij weder het oog op den Prins had geslagen, die nu reeds bijna zeventien jaren was. De Witt begreep dan ook, dat hij den Prins niet altijd daar buiten zou kunnen houden, en daartoe verzon hij een list, waardoor ten minste de verheffing van Willem Hendrik tot Stadhouder ten eenenmale onmogelijk zou worden. Hij maakte een staatsstuk, inhoudende, dat elke toekomstige Kapitein-admiraal of Generaal zou zweren, nooit naar eenig Stadhouderschap te zullen staan. Dit stuk, bekend onder den naam vanEeuwig Edict, waarbij de waardigheid van Stadhouder voor alle eeuwigheid inHollandvernietigd werd, terwijl in de andere provinciën geen Stadhouder ooit Kapitein-admiraal of Generaal zou kunnen zijn, werd den 5denAugustus door de Staten vanHollandaangenomen.Nu zult ge wellicht denken, dat men den Prins terstond tot de hoogste krijgswaardigheden verhief. Verre van daar. Wel werden er benoemingen gedaan, maar Zijne Hoogheid kwam niet in aanmerking; immers er was bij vroegere resolutiën bepaalt, dat hij vóór zijn twee-en-twintigste jaar geen hooge krijgsambten zou mogen bekleeden.Nog vloeide uit den inval van Lodewijk XIV in deSpaansche Nederlandenvoort het sluiten van een verbond, omFrankrijktot den vrede metSpanjete noodzaken, en dat, daar het tusschen onzen Staat,EngelandenZwedenwerd gesloten, den naam van Triple-alliantie of drievoudig verbond draagt. De bewerkers van deze alliantie, die den 28stenJanuari 1668 werd vastgesteld, waren Johan de Witt en de beroemde Engelschman, de ridder William Temple.Wij gaan Dinsdag den 7denFebruari van datzelfde jaar nog eens naar den Prins. Maar wij vinden hem nu niet op hetBinnenhof, ook niet op het hof vanBrandwijk,—wij zullen hem op een geheel andere plaats aantreffen. Wij gaan naar hetBuitenhof, en wel naar de toenmalige hofstallen, “paardenberijdersstal” genaamd. “O,” zegt gij, “dan had de Prins zeker weer nieuwe paarden gekocht, die hij den ouden Heenvliet wilde laten zien.” Mis geraden! Vooreerst was de oude Heenvliet reeds dood; hij was kort na de terechtstelling van Buat gestorven. Maar ten tweede ziet gij in den geheelen stal noch paard noch karos; integendeel, al de paarden en karossen zijn naar andere stallen verhuisd, de stal is schoongemaakt, door baas Balkenende met planken bevloerd en met meer dan achthonderd zitplaatsen voorzien. Die zitplaatsen nu zijn geen ruwe houten banken, zooals in onze kermistenten; zij zijn keurig netjes en met kussens voorzien; want behalve de leden der Staten-Generaal, de leden van den Raad van State en van de Rekenkamer, de gekommitteerden vanHolland, zijn deaanzienlijksten van den lande genoodigd; zelfs de Prins vanToskane, die teAntwerpenlogeert, is voor dezen avond expresselijk overgekomen. De wanden zijn rondom met keurige tapijten behangen, hier en daar zijn reusachtige spiegels aangebracht, rondom welke kunstig gekweekte bloemen; duizenden waskaarsen zijn op de zilveren luchters en armblakers geplaatst,—alles is keurig netjes ingericht en getuigt van den rijkdom van den Prins vanOranje, die dit alles bekostigd en er duizenden aan besteed heeft. Maar wij hebben niet alles gezien. Tegenover de zitplaatsen is een prachtig tooneel opgericht, insgelijks met tapijten behangen en waarop aan de eene zijde, keurig geschilderd, de vredemaagd staat met zeven pijlen in de hand, die de drie Brittannische koninkrijken, aan den anderen kant van het tooneel geplaatst, tot eeuwige vriendschap schijnt uit te noodigen. Ziet, daar worden de kaarsen opgestoken—straks zullen de hooge gasten binnentreden. Reeds komen de muzikanten.Maar er is nog meer te zien. Gaan wij achter het tooneel in die beide kamers. In de eene vinden wij herders en herderinnen, boeren en boerinnen, visschers en geniussen; allen verkleede dienaars van den Prins of tot deze gelegenheid gehuurd. Ieder van hen heeft een papier in de hand, waarop zijn rol staat. Het zijn echter allen zwijgende personen. In de andere kamer vinden wij een aanzienlijker gezelschap. Het is of wij op den Olympus zijn, zoo wemelt het hier van goden en godinnen. Ook zij houden hunne rollen in de hand, maar het zijn sprekende. En die goden en godinnen—het zijn wel geen hemelsche wezens—maar toch zijn het de goden der aarde, de grooten des lands. Begeven wij ons in hun midden; misschien hooren wij nog het een en ander, wat ons belang inboezemt.God Mercurius zit in een gemakkelijken armstoel; op de tafel naast hem ligt de gevleugelde slangenstok en de helm metvlerken. Gij herkent hem terstond. Het is Willem Hendrik vanOranje, de ontwerper en uitvoerder van deze tooneelvertooning (die men toendansnoemde).Vóór Zijne Hoogheid staat een dame, wier dik middel en gevuld lichaam verraadt, dat zij niet tot de sekse behoort, welke zij voorstelt. Een paar groote vleugelen, aan hare schouders vastgehecht, en de blinkende, lange bazuin, die zij in de hand houdt, doen ons haar erkennen voor De Faam. Het is de Heer Van Obdam. Hij is in druk gesprek gewikkeld met God Mercurius, maar niet over hemelsche zaken, o neen, over zeer aardsche.“Uwe Hoogheid heeft vier schoone paarden van Haren oom, Zijne Majesteit den koning vanEngelandten geschenke gekregen,” begint hij. “Ik hoor, dat ’s Konings stalmeester de hertog van Ormont ze heeft overgebracht.”“Gij hebt het reeds gehoord, Obdam,” antwoordt de Prins. “Het zijn juweelen van beesten, gij moet ze eens komen zien. Mijn oom heeft mij zeker willen troosten voor de smart, die hij wellicht meent, dat mij het Eeuwig Edict veroorzaakt.—Van het Eeuwig Edict gesproken, Obdam! Zeg mij, is het waar, dat men den voorzittersstoel op de Rol van het Hof heeft weggenomen?”“Dien stoel met de wapens van uw huis?” vraagt Obdam. “Ik heb daar niets van vernomen. Doch daar komt Van der Lek; hij zal het Uwer Hoogheid wel kunnen zeggen.”Inderdaad komt de maagd vanHolland, in het geschubde pantser met den wapenrok aan en de sandalen aan de voeten, met den koperen helm op het hoofd, de speer in de eene en het schild met den klimmenden leeuw in de andere hand, zeer deftig en gratieus aanwandelen.“Zeg eens Van der Lek,” zegt de Prins. “Is het waar, dat men den voorzittersstoel op de Rol van het Hof heeft weggenomen?”“Zoo is het, Uwe Hoogheid!” antwoordt deze, en voegt er met fijne vleierij bij: “Men zal hem willen schoonmaken, tegen den tijd, dat Uwe Hoogheid er op zitten moet. Er was in de jaren, dat hij leeg stond, zooveel onedel stof opgekomen.”“Hoofsche vleier!” dreigt de Prins. “En dat moet ik uit den mond vanHollandhooren.”“Tijd baart rozen, Uwe Hoogheid,” herneemt Van der Lek. “Er zal een tijd komen, datHollandu zal waardeeren, zooals ik, haar representant, u waardeer. Maar zie eens,” vervolgt hij, terwijl hij naar twee andere dames wijst, den Heer Du Ha (de tweedracht) en den Heer Lauron (de vrede), die beiden in druk gesprek door de kamer wandelen. “Als wij hier niet op den Olympus waren, zou men zich bijna verbeelden, dat het duizendjarig rijk was gekomen. De tweedracht en de Vrede wandelen daarsamen als vriendinnen. Laat toch de fakkel der eene den palmtak des anderen niet verbranden.”“Geen nood, Van der Lek,” zegt de Prins. “De fakkel brandt nog niet. Straks mag Lauron voorzichtig zijn.”“Voorzeker, Uwe Hoogheid!” zegt Valkenburg, dieEngelandmoet voorstellen. “Maar nuEngelandzoo dicht bijHollandkomt te staan, en zij elkander niet eens de tanden laten zien,—nu heeft de fakkel van de tweedracht ook geen gevaar voor den vredepalm.”“Gij hebt gelijk, Valkenburg,” hervat de Prins. “En wat zegt gij van mijne nieuwe paarden?”“Ik zag ze van middag, Uwe Hoogheid, en ik durf zeggen dat ik er trotsch op ben, den edelen god des koophandels iets te hebben mogen schenken, wat zijner waardig is.”“Nu zalhijer zich nog de eer van toeëigenen,” zegt Van der Lek.“De Hollandsche maagd gelieve te bedenken, dat mijn zoon de koning vanGroot-Brittannië, de schenker is van dat heerlijke vierspan.”“Het is waar ook,” herneemt Van der Lek lachend. “Ik dacht er niet aan, dat gij Engeland voorstelt.”“En ik heb vernomen, dat Uwe Hoogheid mijner dochter der koningin vanEngeland, een kostbaar tegengeschenk zal zenden.”“O, die babbelaars!” zegt de Prins. “Dat heeft mijn stalmeester u verteld.”“Inderdaad, zal Uwe Hoogheid een tegengeschenk zenden?” vraagt Obdam. “En als ik vragen mag, waarin zal dat bestaan?”“Herinnert gij u nog die prachtige teekening van een narrenslede, die ik u gisteren liet zien, Obdam?” vraagt de Prins.“In den vorm van een vergulden, liggenden leeuw?” zegt Obdam. “O voorzeker.”“Welnu, ik heb er zoo een besteld. Maar natuurlijk zal het geheel met tal van koninklijke kronen prijken. Het paardentuig met gouden franje en kwispels, en 500 vergulde zilveren bellen zal daarbij zeer goed staan. Ik verlang natuurlijk, dat het niet te wereldkundig worde.”Een page komt binnen en zegt:“Uwe Hoogheid! De gasten zijn er allen. Het is zeven uren. Beveelt Uwe Hoogheid dat er begonnen worde?”“Ga de personen in de andere kamer waarschuwen en laat ieder zich op zijn post begeven, opdat zij gereed staan, als het scherm wordt opgehaald. Mijne Heeren! Maakt u gereed.”En door De Faam geholpen, zet de Prins zijn Mercuriushoed op, neemt zijn staf in de hand en begeeft zich achter het tooneel, om te kunnen verschijnen, als het zijn tijd is.Daar de zaal echter niet groot genoeg was om meer gasten te bevatten, herhaalde men den volgenden Dinsdag de tooneelvertooning en noodigde, onder andere personen, ook de hoven van justitie uit. Doch deze, gebelgd dat zij op de napret verzocht werden, bedankten. Ook voeren de predikanten er van den predikstoel tegen uit en noemden haar openlijk zondig; zoodat (zegt Aitsema) het bal duizenden had gekost en toch maar onrust gaf.Eer ik dit Hoofdstuk sluit, moet ik nog een trek van edele onbaatzuchtigheid van den Raadpensionaris verhalen. De Witt kreeg van de Ridderschap ƒ 15,000, van de Hollandsche steden ƒ 42,000. Toen men hem van wege de Staten-Generaal een cadeau van ƒ 100,000 wilde geven, wist hij dat door zijn invloed te beletten.Vijftiende Hoofdstuk.Wat er met den Prins in Zeeland voorviel.Het was in de maand September 1668. ’s Prinsen goeverneur, de Heer Van Gendt, was om familie-aangelegenheden naarGelderland. Hiervan maakte de Prins, die binnen twee maanden zijn achttiende jaar zou bereiken en dan van alle voogdij ontslagen zijn, gebruik tot het maken van een uitstapje, van hetwelk hij aan geen zijner educatoren kennis gaf.Onder het voorgeven van eenige jachthonden en valken te willen probeeren hem door zijn koninklijken oom Karel II geschonken, was hij heimelijk uitDen Haagvertrokken en had zich met het jacht van Hare Hoogheid de Prinses-weduwe naarBergen-op-Zoombegeven. Daar wachtte hem, volgens afspraak, een ander jacht, van de gecommitteerde Raden van Zeeland, waarop zich eenige van de voornaamste Heeren van die provincie bevonden, om Zijne Hoogheid te ontvangen.Met dit vaartuig voor het hoofd vanArnemuidengekomen, zond men een edelman naarMiddelburg, om de Heeren Staten en gecommitteerde Raden van ’s Prinsen aankomstte verwittigen, die spoedig daarop in een menigte met vlaggen en wimpels versierde sloepen Zijne Hoogheid kwamen afhalen. Zes vendels burgers met hunne vaandels en muziek, stonden bij zijne aankomst teMiddelburgin twee rijen geschaard, om hem te ontvangen, en door die dubbele rijen heen en omstuwd van de edelsten vanZeeland, wandelde hij naar de “Abdy,” die voor hem in orde was gebracht, waar hij zijn intrek nam en waar Pieter de Huybert, Pensionaris vanZeeland, hem met een aanspraak welkom heette.Het was een vreugdedag voor de goede stadMiddelburg. De geheele bevolking poogde, door het uitsteken der vlaggen, algemeene illuminatie en het branden van vreugdevuren, hare blijdschap aan den dag te leggen over de komst van den jeugdigen vorst en van hare gehechtheid aan het geliefde stamhuis vanOranje.Den volgenden dag, Dinsdag den 18denSeptember, werd de Prins in statie afgehaald door eenige afgevaardigden en geleid naar de Vergadering der Staten vanZeeland, te midden van het uitbundig gejuich eener overgroote volksmenigte, die, evenals den vorigen dag, de lucht deed daveren van hun: “Leve de Prins!” en “Oranje boven!”In de vergadering gekomen, werd hij geleid naar de voor hem bestemde eereplaats, en verklaarde de Pensionaris De Huybert uit naam der Staten, datZeelandaltijd geijverd had voor de verheffing van den Prins, datHollandsteeds door zijne oppermacht was tusschenbeide getreden, maar dat dan nu ook eerstgenoemde provincie wenschte gebruik te maken van een recht, dat geen ander gewest haar kon ontnemen, dat zij den Prins wenschte te verheffen tot eerste edele vanZeeland. De Prins beantwoordde deze rede met de volgende aanspraak:“Het standvastig vervolg uwer gunst benoodzaakt mij tot dankbaarheid;en het vorig raadsbesluit tot mijne vordering, wanneer ik achttien jaar bereikte, om de verwachte begeerte niet langer door achterblijven terug te stellen, ten einde ik door gevolmachtigden den plicht van Eersten Edele, ten besten dezer Staat, dankelijk voldoen mag. Dit is niet buyten verstand met de overige Landschappen, byzonderHolland, nastappende de goede voorbeelden onzer Doorluchte vaderen.”Het geschal der trompetten en het donderen van het geschut liet zich nu hooren en de Voorzitter bood den Prins een flesch met gouden dukaten aan, als hulde vanZeeland; waarna Zijne Hoogheid zich in volle statie naar de “Abdy” begaf.Nog denzelfden dag schreef de Prins een brief aan zijne grootmoeder, waarin hij haar kennis gaf van zijn vertrek naarZeeland, alwaar hij zijne goederen wilde bezien, als zijnde het de gewoonte, dat alle vasallen met hun zestiende jaar hunne leenen kwamen verheffen (goederen ontvangen) van de grafelijkheid. InHollandhad de tijding van ’s Prinsen benoeming verschillende uitwerking. De Oranjepartij deed openlijk hare blijdschap over die verheffing blijken, terwijl de aanhangers der Staatspartij het den Prins zeer euvel duidden, dat hij naar een ander gewest was verreisd, zonder er den Staten vanHollandkennis van te geven; ja zelfs waren er, die durfden beweren, dat hij zich ondankbaar toonde jegensHolland, dat hem zooveel weldaden had bewezen.Onze Prins echter dacht er op dit oogenblik weinig aan, hoe de zaak inHollandzou worden opgenomen. Hij was bezig zich te kleeden voor het diner, dat hem dezen middag door de Staten op het stadhuis zou worden aangeboden. Juist was hij daarmede gereed, toen zijn kamerdienaar hem kwam berichten, dat er een meisje was, hetwelk hem wenschte te spreken.“Zeg haar, dat ik geen tijd heb—dat ik niet te spreken ben.”“Dat heb ik haar reeds gezegd, Uwe Hoogheid. Maar zij laatzich niet terugwijzen en heeft mij instantelijk gebeden, Uwe Hoogheid te verzoeken, haar te woord te staan.”De Prins, die zich tegenover het vrouwelijk geslacht nooit op zijn gemak bevond, die daarenboven op dit oogenblik in geen stemming was om zich met andere zaken bezig te houden, antwoordde min of meer knorrig:“Welnu, dan zegt gij haar nogmaals, dat ik vandaag niet te spreken ben. Laat haar morgen terugkomen.”De kamerdienaar ging: doch kwam spoedig terug en bracht zijner Hoogheid een ring mede.“De deern heeft mij dezen ring voor Uwe Hoogheid gegeven,” zeide hij. “Als Uwe Hoogheid dien zag, zou Zij haar wel te woord staan.”De Prins nam den ring, bezag dien en zeide:“Laat het kind in mijn kamer. Ik ken dien ring. Zij heeft mij zeker iets belangrijks mede te deelen.”Weinige minuten later trad de Prins zijn kamer binnen, waar Martha—want mijne lezers zullen wel begrepen hebben, dat zij het was—hem reeds met ongeduld verbeidde. Zoodra zij Zijne Hoogheid zag, barstte zij nu in tranen los. Deze bevond zich daardoor nog minder op zijn gemak. Intusschen vermande hij zich en zeide:“Wie ben je? Wat moet je van mij? Hoe kom je aan dezen ring?”Het meisje droogde hare tranen af.“Uwe Hoogheid!” riep zij uit. “Ik ben de zuster van Pieter Pietersz. Mijn arme broeder zit in de gevangenis.”“In de gevangenis? Wat heeft hij dan gedaan?”“Niets, Uwe Hoogheid! Niets.”“Maar men zet iemand toch niet in de gevangenis, wanneer hij niets gedaan heeft.”“En toch is hij onschuldig, Uwe Hoogheid.”“Onschuldig, en in de gevangenis. Dat komt mij verdacht voor. Waarvan beschuldigt men hem dan?”“Van moord, Uwe Hoogheid. Zij zeggen, dat mijn arme broeder Pieter een moordenaar is. Maar Uwe Hoogheid zal dat toch niet gelooven. Zij weet, dat Pieter een brave jongen is.”De Prins, die wel bemerkte, dat hij met Martha niet vorderde, begreep, dat hij zijn tijd nutteloos verspilde, indien zij niet tot de zaak kwam.“Zeg mij dan, meisje,” hernam hij ongeduldig, “wat er gebeurd is en waartoe je bij mij komt.”“Uwe Hoogheid weet, dat mijn broeder door Uwe aanbevelingals tweede meesterknecht aan de werf der Admiraliteit was geplaatst. Drie maanden geleden kreeg de eerste meesterknecht, die reeds oud was, zijn pensioen en benoemden de heeren van de Admiraliteit mijn broeder in zijne plaats. Hij had nu meer onmiddellijk te doen met den baas van de werf, een man van een ongemakkelijk humeur en met wien hij dikwijls onaangenaamheden had. Intusschen bleven de zaken altijd binnen de palen. Een dag of acht geleden echter had er zulk een hevige twist plaats, dat de baas zich niet ontzag, hem een slag te geven.”“En zulks dien driftkop van een Pieter!” riep de Prins uit. “Toen heeft Pieter hem zeker een ongelukkigen slag toegediend.”“Neen, Uwe Hoogheid,” hernam Martha. “Dat zou misschien het geval zijn geweest (want Pieter is driftig) indien niet de kameraads tusschenbeide waren gekomen, en hem van den baas hadden weggescheurd. Uwe Hoogheid kan zich voorstellen, hoe woedend Pieter was. In zijn drift zwoer hij bij hoog en bij laag, dat het den baas zou berouwen en dat hij het hem betaald zou zetten. Maar Uwe Hoogheid weet ook, dat driftige menschen niet wraakzuchtig zijn. Zoo is het ook met onzen Pieter. Als hij zich omkeert, is hij weer goed. Intusschen kon hij dien slag toch niet verkroppen, en deelde mij mede, dat hij van plan was, den baas bij de Admiraliteit aan te klagen en te verzoeken om verplaatsing. Ik trachtte hem dat uit het hoofd te praten; maar het gelukte niet. Hij kleedde zich aan en ging de deur uit naar den President der Admiraliteit. Hij vond dien echter niet thuis, zooals hij mij verhaalde, toen hij terugkwam.”“En hoe staat dat nu in verband met de beschuldiging?”“Den volgenden morgen werd mijn arme Pieter met schout en dienders de deur uitgehaald. Men had het lijk van den scheepstimmermansbaas op den singel vinden liggen, met een messteek doorboord. Nu had men den twist van den vorigen dag met de woorden van Pieter in verband gebracht, en, daarde moord juist moest hebben plaats gehad in den tijd, dat mijn broeder naar den President der Admiraliteit was, zoo begreep men, dat zij elkander ontmoet hadden, en de twist opnieuw begonnen was; ja, sommigen gingen zelfs zoo ver, van te beweren, dat Pieter hem had opgewacht, om zoo zijn wraakzucht te koelen.”“Daar heeft het dan ook veel van, meisje,” zeide de Prins “en uw broeder zal zich moeielijk uit deze zaak redden. Zijn ontkennen zal hem weinig helpen.”“Maar Uwe Hoogheid gelooft toch niet, dat Pieter schuldig is?”“Ik kan noch over zijne schuld, noch over zijne onschuld beslissen,” hernam de Prins. “Maar wat voert je totmij?”“Ik hoorde gisteravond, dat Uwe Hoogheid teMiddelburgwas aangekomen, en ging van morgen reeds vroeg naar de gevangenis, om het Pieter mede te deelen. Toen gaf hij mij den ring, dien Uwe Hoogheid hem eens had geschonken, en bad mij, naar U toe te gaan, met de bede om hem te hulp te komen. Begrijp eens, Uwe Hoogheid! men heeft hem reeds met de pijnbank gedreigd.”“Met de pijnbank!” zeide de Prins bedenkelijk. “Hoor eens, meisje,” ging hij voort. “Ik zal doen wat ik kan. Maar je weet: het recht moet zijn loop hebben, en als je broeder schuldig is, kan ik er niets aan doen. Zeg hem intusschen, dat ik hem morgen kom bezoeken.”“Uwe Hoogheid zal mijn armen Pieter in zijn gevangenis bezoeken!” riep Martha uit, terwijl zij de hand van den Prins greep en die kuste. “In trouwe, dat zal den goeden jongen een groote troost zijn!”“Ga nu heen! Hier is de ring van je broeder. Wacht!—Ga naar den schout en verzoek hem uit mijn naam, tot geen pijnlijke middelen over te gaan alvorens ik hem gesproken heb.”“Ik dank Uwe Hoogheid!” zeide Martha. “God moge haar zegenen voor hetgeen zij aan mijn broeder doet!”Onder den maaltijd sprak de Prins met den Pensionaris De Huybert, die advokaat was, over zijn gunsteling, en verzocht hem, zich met een onderzoek van die zaak te belasten. Daar de Pensionaris den Prins den volgenden dag naarVlissingenzou vergezellen, waar Zijne Hoogheid de werven der Admiraliteit in oogenschouw zou nemen, was dat een gemakkelijke zaak. Ook beloofde de Pensionaris den Prins, hem in de gevangenis te vergezellen en den gevangene zelf te ondervragen.’t Was den volgenden dag een vreugde inVlissingen, toen de Prins daar kwam. Nadat Zijne Hoogheid, door al de leden der Admiraliteit vergezeld, de werven bezichtigd had, begaf Zij zich met den heer De Huybert naar den Schout, en liet zich de stukken betreffende de rechtzaak van Pieter geven. Toen de Pensionaris de akten had doorgelezen, zeide hij:“Mijnheer de Schout! Er bestaan hier geene termen, die u van rechtswege dwingen, tot de pijnbank over te gaan. Wel is waar, de beklaagdepersisteert1bij zijne onschuld. Maar gij hebt geen anderepresumptie2, dan een twist, een ontvangene beleediging en eenige woorden in drift geuit. Het vorige leven van den jongelingprouveert3tegen de misdaad. Ook bestaat er—en dat verzoek ik u vooral teconsidereeren4,—volstrekt geencorpus delicti5en waar dat ontbreekt en geen getuigen zijn om de misdaad teconfirmeeren6schrijft de wet eerder voorzichtigheid voor dan pijn en banden.”“Daarbij komt,” merkte de Prins aan, “dat de beklaagde bij mij bekend staat als een driftkop, die echter zich niet omkeert, of de toorn is bedaard. Wraakzucht is nooit zijn zwak geweest.” En de Prins verhaalde het gebeurde op het veldijs.“Gij ziet, mijnheer de Schout,” hernam de Pensionaris, “dat er hierpremissen7bestaan, die genoegprouveeren, dat naar alle waarschijnlijkheid de misdaad niet is gepleegd door den beklaagde: omdat er sprake is van moord metvoorbedachten rade. Mijns erachtens8moogt gij de pijnbank nietappliceeren9.”“Het oordeel van UEdelgestrenge is mij een wet,” zeide de Schout. “Intusschen geloof ik, dat er geenemotieven10bestaan tot vrijspraak.”“Dat volstrekt niet,” hernam de Pensionaris. “De voorzichtigheid eischt, den gevangene te houden tot er meerdere bewijzen zijn tot zijne loslating. Zoo lang blijven er zwarepresumptiëntegen hem bestaan.”Op dit oogenblik werd den Schout een verzegelde brief overhandigd.“Daar is haast bij,” zeide de klerk, die den brief overreikte. “Een bode, die hem bracht, heeft mij aanbevolen, UEd. dien terstond te overhandigen met de boodschap om hem onmiddellijk te lezen.”De Schout nam den brief aan, en zich tot den Prins wendende, zeide hij:“Met uw verlof, Uwe Hoogheid!”“Ga uw gang, heer Schout,” antwoordde de Prins. “Dienstzaken gaan vóór alles.”De Schout las, en onder het lezen helderde zijn gelaat op.“Uw gunsteling is vrij, Uwe Hoogheid!” zeide hij. “De ware moordenaar is ontdekt.”“Wat zegt gij?” riep de Prins uit.“Lees zelf, Uwe Hoogheid!” antwoordde de Schout.De Prins nam den brief en las:Uyt Zierikzee, den 19denvan Herfstmaend, 1668.Edele, gestrenge, Erentfeste, welwijze zeer voorzienige Heere!Mitsdien het eene sake van groot gewicht is, recht ende gerechtigheyt te bevorderen, zo sy UEd. mitsdezen gemelt, dat de persoon van Pieter Pietersz, die by UEd. in detensie is zittende, onder presumptie van vermoord te hebben den scheepstimmerman Adriaan Roelofsz, aen dat forfeit ten eenemale onschuldig is. Het bovenstaende sal UEd. duidelijck blijcken uyt nevensghaende confessie, door den waren schuldighen gedaen aen my in presentie van twee getuyghen, waervan is acte opgemaeckt door my, Schoute van de goede stadt vanZierikzee.UEd. aenbevelende in de hoede en de gunst des Hemels, versoeck ik UEd. my te geloove.Edele, gestrenge, erentfeste, welwijze zeer voorzienige HeereUwen Dienstwilligen Dienaeren oprechten vrundJan Douwes de Beer.De Prins las den brief en de ingesloten akte, waarvan wij alleen den inhoud willen mededeelen.Den avond van den 17denSeptember, had er tusschen een paar matrozen en twee andere personen in de herberg “de Schiemansmaat” teZierikzeeeen gevecht met messen plaats gehad, waarbij een der vechtenden, de ons bekende Jan IJzer, doodelijk was gewond. De geneesheer, die geroepen was, verklaarde dan ook aan den gewonde, dat hij nog slechts weinige uren te leven had, en zond hem een predikant. De stervende nu, in den grootsten doodsangst zijnde, bekende den geestelijke, dat hij kort geleden een moord had begaan, waarvoor een onschuldigein de gevangenis zat. De predikant maande hem aan deze zaak aan de bevoegde autoriteit mede te deelen, en zorgde dan ook dat de Schout met twee getuigen aan zijn sterfbed kwam, aan welke hij de volgende bekentenis deed:Meer dan een jaar geleden, had Jan IJzer op de werf der Admiraliteit als knecht gewerkt, doch op diefstal betrapt, was hij door den scheepstimmerman Adriaan Roelofsz, ondanks zijn smeeken, aan de bevoegde autoriteit overgeleverd, die hem daarvoor tot geeseling op het schavot had veroordeeld, welke straf hij dan ook had ondergaan, kort voor Pieters komst op de werf. Daarna uit de stad en hare jurisdictie verbannen, had hij elders een goed heenkomen moeten zoeken; terwijl hij echter in zijn hart zwoer, te eenigen tijde wraak te nemen op den onbarmhartigen Roelofsz. Met dit doel was hij, toevallig op den dag van den twist tusschen Pieter en den scheepstimmermansbaas, in het geheim teVlissingengekomen, om zijn opzet te volvoeren. Hij wist, dat Adriaan Roelofsz, om van de werf naar zijn huis te komen, den singel moest loopen en had hem op de donkerste en eenzaamste plaats opgewacht en vermoord. Voor hij den volgenden dag vertrok, vernam hij de gevangenneming van Pieter en de zware verdenking, die er op dezen rustte. Volkomen gerust, dat men nu hem niet van den moord kon verdenken, verliet hij den volgenden dag tegen den avond de stad en had zich naarZierikzeebegeven, alwaar hij dien bewusten avond in den ons bekenden twist werd gewond. Zóó slecht nu was onze Jan niet, dat hij met een dubbelen moord op zijn geweten de eeuwigheid had durven ingaan. Het overige is ons bekend. Hij toonde innig berouw over zijne zonden, en stierf omtrent twee uren daarna. Schout De Beer, vreezende, dat het anders te laat mocht komen, had zich gehaast de akte op te maken en die met den bijliggenden brief door een bode naarVlissingenlaten brengen.Toen de Prins beide stukken gelezen had, zeide hij:“Mijnheer de Schout, gij kunt mij een dienst bewijzen.”“Ik, Uwe Hoogheid? Spreek, en als het in mijne macht staat U genoegen te doen, zal het van mij niet afhangen.”“Reeds vooraf dank voor Uwe goedheid,” hernam de Prins. “Leen mij voor een paar uren deze papieren, en geef mij een bevel van vrijstelling voor den gevangene.”“Uwe Hoogheid heeft slechts te bevelen,” antwoordde de Schout. “Ik zal Haar dadelijk het bevel van vrijlating opmaken.”“Ga uw gang,” hernam de Prins. “Ik zal er op wachten.”“Welnu, Uwe Hoogheid,” zeide de Pensionaris. “Had ik ongelijk, toen ik U zeide, dat er meer doorslaande bewijzen voor de schuld des beklaagden moesten zijn?”“Ik bewonder Uwer Edelheids diepe rechtskundige kennis. Indien ik daarvan niet overtuigd geweest ware, zou ik dan van U de moeite hebben gevergd, die ik van U heb gevraagd?”“Uwe Hoogheid te dienen zal steeds het hoogste voorwerp van mijn streven zijn,” hernam de Pensionaris.“Ik dank U, mijnheer de Pensionaris. En uw aanbod maakt mij zoo vrij, nogmaals van Uwe goedheid gebruik te maken en U te verzoeken, mij naar den President der Admiraliteit te vergezellen.”“Het zal mij een singuliere eer zijn, Uwe Hoogheid,” was het antwoord van den Pensionaris.Op dit oogenblik kwam de Schout met het beloofde vrijlatingsbiljet binnen en overhandigde het den Prins.“Ik dank U, mijnheer de Schout,” antwoordde deze, terwijl hij opstond om heen te gaan. “Ik kan er nu zeker van zijn, dat de gevangene niet los komt, vóór ik hem ga halen.”“Daarvan kan Uwe Hoogheid ten volle verzekerd zijn,” gaf de Schout ten antwoord, terwijl hij den Prins naar de karos geleidde, die hem wachtte.Op het oogenblik, dat de karos zou wegrijden, wenkte de Prins den Schout, die met ontblooten hoofde op zijn stoep stond.“Nog een verzoek, mijnheer de Schout,” zeide hij. “Wees zoo goed, te zorgen, dat de zuster van den gevangene zich bij hem in den kerker bevindt. Over een uur denk ik hem te verlossen. Dat echter alles een diep geheim blijve.”Wij treden ongeveer een uur later in de gevangenis van Pieter binnen. Het is een treurig verblijf, zooals de gevangenissen trouwens gewoonlijk zijn. Een houten bank en een strooleger zijn het geheele ameublement, terwijl een aarden kruik met water op den grond staat en het nog onaangeroerde zwarte brood aantoont, dat de arme jongeling weinig appetijt heeft. Treurig en in zich zelf verzonken zit hij daar op de ruwe bank; gisteren toch bij het laatste verhoor heeft de Schout hem met de pijnbank gedreigd. Die pijnbank was een vreeselijk werktuig, nog uit de middeleeuwen afkomstig, waarop de ongelukkige werd gelegd en zijne ledematen zoolang werden uitgerekt, of door schroeven verwrongen en gekneld, tot hij bekende—niet altijd wat hij gedaan had, maar ook dikwerf wat men wilde dat hij bekennen zou. Zou hij bij de ontkenning der hem toegelegde misdaad kunnen volharden, of zouden de pijnen hem dwingen tot de bekentenis van een daad, waaraan hij geheel en al onschuldig was?—En als hij bekende—dan werd zijn doodvonnis geveld, dan kon hij de dagen wel tellen, die hij nog te leven had. En dan te sterven—zoo jong, zoo levenslustig!—En dan zóó te sterven—op een schavot, onder beulshanden!—Vreeselijk!—Maar Martha had hem beloofd, naar den Prins te gaan, die inMiddelburgwas. Zou die gang wat uitwerken? Wat zou Zijne Hoogheid er aan doen?—Zou die bij machte zijn, het recht te keeren?—Daartoe immers ontbrak Haar de macht.Deze en dergelijke gedachten vervulden de ziel van onzenarmen Pieter, en maakten hem angstig. Hij vouwde de handen, sloot de oogen en bad—bad lang en vurig tot God om uitredding, smeekte Hem om hem kracht te schenken in de verdrukking en zijn onschuld aan het licht te brengen. Bemoedigd stond hij op; want er is niets dat den mensch meer moed schenkt in het ongeluk, dan het gebed. Dat had Pieter reeds van zijn vader geleerd, dat had zijne brave Admiraal hem zoo dikwerf ingeprent,—dat had hij dan ook reeds meermalen ondervonden. Hij wandelde eenige malen zijn engen kerker op en neer, toen hij den grendel van zijn deur hoorde afschuiven. De deur ging open, en Martha stond voor hem.“Daar doe je goed aan, Martha!” zeide Pieter, “dat je mij komt vertroosten. En heb je den Prins gezien? Heb je hem gesproken? Geloofde hij aan mijn onschuld, of hield hij mij voor schuldig?”“Ik zou je reeds vroeger bezocht hebben,” antwoordde Martha, “maar toen ik van morgen aan je gevangenis kwam, weigerden zij mij den toegang. Nu echter ben ik door een dienaar van den Schout geroepen, om bij je te komen. Wat wil je van mij?”“Ik?”—hernam Pieter. “Ik weet er niets van. Maar antwoord mij op mijne vragen. Hoe heb je het bij den Prins gevonden?”Martha verhaalde hem hare ontmoeting met den Prins. Toen zij geëindigd had zeide Pieter:“Zal Zijne Hoogheid mij komen bezoeken? En heeft hij dat gezegd?—Maar” ... vervolgde hij treurig, “zou hij zijn woord houden? Ach, Martha! zulke groote heeren weten zoo weinig, wat een arm mensch lijdt.”“Zijne Hoogheidzalwoord houden,” hervatte Martha. “Reeds het verzoek, dat ik van morgen uit zijn naam aan den Schout heb gedaan, heeft je voor heden van de pijnbank bevrijd. Hoop dus.”“Hopen, Martha! En de Prins zelf heeft gezegd, dat hij erniets aan zou kunnen doen en dat het recht zijn loop moest hebben.”“Dat is waar—doch.... Luister, daar komen menschen. Ik hoor stappen in de gang. Zou het Zijne Hoogheid zijn?”“Misschien wel.—Is hij dan reeds hier?”“O, ja—reeds van morgen gekomen. Hij heeft de werven der Admiraliteit bezocht. Hij ...”Martha kon niet voleindigen wat zij wilde zeggen; want de deur ging open en de Prins gevolgd, door den Pensionaris De Huybert, den Schout en twee heeren der Admiraliteit, trad de gevangenis binnen.“Pieter Pietersz,” begon de Prins, terwijl zijn gelaat van dat innige genoegen straalde, hetwelk men ondervindt als men wéldoet. “Pieter Pietersz, ik breng je goede tijding!”“Goede tijding, Uwe Hoogheid! Zal men dan eindelijk overtuigd zijn, dat ik geen moordenaar ben?”“Dat zou je weinig baten, mijn vriend,” hernam de Prins. “Dan zou men je bij gebrek aan bewijzen loslaten en geheelVlissingenzou je houden voor den moordenaar van Adriaan Roelofsz.”Pieter liet het hoofd zakken.“Ik breng je betere tijding,” hervatte de Prins. “Je onschuld is aan het licht gekomen; want de ware schuldige is ontdekt.”“Gode zij dank!” riep de jongeling uit, en deze tijding ontstelde hem zoo zeer, dat hij schier bewusteloos op de bank nederzonk. Martha ondersteunde hem. Spoedig echter herstelde hij zich, trad naar den Prins toe, greep diens hand en overdekte die met zijne kussen.“En Uwe Hoogheid zelf wilde mij met deze tijding verrassen!” riep hij uit. “En ik ben dus vrij? Vrij! Groote God! Men moet gevangen zijn geweest, om te weten, wat dat woord beteekent.”“Je bent vrij, Pieter!” hernam de Prins, “en weer hersteldin je eer. Daarvoor zal mijnheer de Schout zorg dragen. Intusschen—je hebt veel geleden, mijn arme jongen! en ik meende, dat eene kleine vergoeding je wel toekwam.—Pieter Pietersz,” ging de Prins voort, terwijl hij hem een papier overreikte, waaraan een zegel in was hing. “De Admiraliteit kent je als een kundig timmerman en als een ijverig en bezadigd mensch. Zij kent je als eerlijk en rechtschapen; zij weet dat je den scheepsbouw in den grond verstaat.—Pieter Pietersz, hier overhandig ik je je aanstelling als scheepstimmermansbaas, in plaats van den vermoorden Adriaan Roelofz, op de werf der Admiraliteit vanZeeland.”Op deze woorden zonk Pieter op eene knie; ook Martha wierp zich aan de voeten van den Prins en omklemde die.“Mijn weldoener!” stamelde Pieter.“Engel in menschengedaante!” riep Martha.“Stil, stil,” zeide de Prins. “Je zoudt mij haast spijt doen krijgen, dat ik hier gekomen ben. Staat op. Alleen voor Hem moet men knielen, voor wien wij allen gelijk zijn.”“Hoe zal ik Uwe Hoogheid ooit kunnen vergelden, wat zij voor mij gedaan heeft!” riep Pieter, opstaande uit.“Dank er God voor, Pieter! die op zulk eene wonderbare wijs je onschuld aan het licht heeft doen komen. Dezelfde, dien je als knaap eens het leven hebt gered, is nu door Gods bestuur, de redder van je eer en je leven geworden.”“Jan IJzer?” riep Pieter uit.“Juist, Jan Jansz. IJzer was de moordenaar. Op zijn sterfbed heeft hij het bekend. Maar nu—ga met mij. Ik zelf zal je op de werf brengen, waar deze Heeren je zullen installeeren, terwijl mijnheer de Schout je in je eer zal herstellen. Ook jij moet mede, edel meisje!” vervolgde hij tegen Martha. “Je bent getuige geweest van zijn vernedering en schande,—je zult het nu zijn van zijne verhooging en zijne eer.”Aan de deur der gevangenis gekomen, was het daar zwart van menschen, die niet alleen den Prins wilden zien, maar ook wilden weten, wat Zijne Hoogheid in de gevangenis mocht hebben gedaan. Maar, hoe verwonderd zij ook stonden, toen de Prins den van moord verdachten Pieter en diens zuster Martha bij zich in de karos nam, er klonk een luid: “Vivat! lang leve de Prins van Oranje!” uit aller mond. De karos van den Prins werd door een andere gevolgd, waarin de vier heeren zaten, die Zijne Hoogheid vergezeld hadden. Spoorslags reed men naar de werf, waar alles nog groen gemaakt en versierd was als het dien morgen was geweest ter eere van den Prins.Hier hield een der Heeren der Admiraliteit een toespraak tot het werkvolk, waarin hij hun mededeelde, hoe de ware schuldige ontdekt en hoe nu de brave Pieter Pietersz in zijn eerhersteld was. Tevens installeerde hij den jongeling als baas van de werf, en beval aan het werkvolk hem als zoodanig te gehoorzamen. Hij liet daarbij duidelijk doorstralen, dat het de Prins was, die tot dat alles krachtdadig had medegewerkt en dat de benoeming van den voormaligen meesterknecht grootendeels aan Zijne Hoogheid was te danken. Gij kunt u voorstellen, welk een gejuich deze woorden bij het werkvolk veroorzaakten. ’t Was of er geen eind aan zou komen. Verscheidene werklieden drongen op Pieter toe, om hem de hand te drukken en hem geluk te wenschen met den keer, dien zijn lot had genomen: want bij allen op de werf was de gewezen meesterknecht geacht en bemind.Om de kroon op zijn weldaad te zetten, stelde de Prins Pieter een som gelds ter hand, waarvoor hij het werkvolk van de werf kon trakteeren. Denzelfden dag vertrok hij naarGoes. Dien avond vierde men op de werf feest. Maar wie er vergeten werd—niet Prins Willem Hendrik vanOranje, op wien menige dronk werd uitgebracht; terwijl allen het daarin eens waren, dat Zijne Hoogheid een waardige afstammeling was van het doorluchtig stamhuis, waaruit hij was gesproten.Wij zagen reeds, hoe men hier inHollandover het uitstapje van den Prins oordeelde;—wat de Raadpensionaris er van zeide, meldt ons de historie niet. Intusschen liet de stadAmsterdamin het volgende jaar eenige geneigdheid blijken, om den Prins zitting te geven in den Raad van State; zelfs ondersteunde burgemeester Koenraad van Beuningen deze bevordering met alle macht; want in de hoofdstad had zich een partij gevormd, die begon te begrijpen, dat de stedenLeiden,DordrechtenRotterdam, door De Witt gesteund, zich te veel in ’s Lands vergadering aanmatigden.Amsterdamtoch, dat de helft in de belastingen betaalde, kon en wilde dat overwicht niet langer dulden. Toch duurde het nog twee jaren,eer de Prins zitting nam in den Raad van State. De Staten vanHollandechter schonken hem nog in 1669 de vrije jacht in den omtrek van het huis teHondsholredijk.En nu, mijne lezeressen en lezers, hoop ik dat gij uit mijn boekje zult hebben geleerd twee personen achting toe te dragen om hunne buitengewone hoedanigheden, twee personen, die ten allen tijde de achting zullen verdienen van allen die wèl denken:Prins Willem III en den Raadpensionaris Johan de Witt.1Blijft.2Vermoeden.3Bewijst.4In het oog te houden.5Lichamelijk bewijs.6Bevestigen.7Voorafgaande bewijzen.8Volgens mijn oordeel.9Toepassen.10Redenen.

Veertiende Hoofdstuk.Hoe onze vloot de Engelschen tuchtigde.Weinige oogenblikken, nadat de kamerdienaar vertrokken was, trad Pieter Pietersz “de kamer van educatie” binnen.“Je past op je tijd, Pieter,” zeide de Prins “Volg mij.”De Prins deed de deur naast den schoorsteen open, en beiden bevonden zich in een klein kabinetje. Zijne Hoogheid sloot de deur zorgvuldig, en wenkte zijn gunsteling, zich op een stoel neder te zetten, terwijl hij zelf ging zitten.“Wel,” begon hij. “Heb je het een en ander bijzonders vernomen?”“Ik had daartoe niet veel moeite,” antwoordde Pieter. “Mijn broeder is met de familie zeer goed bekend: verscheidene malen heeft hij Mevrouw Buat gekapt. Van hem dan ook heb ik de bijzonderheden vernomen.”“Ter zake.”“In het voorjaar werd de Ritmeester door den heer Raadpensionarisaangezocht, om zich te belasten met een geheime correspondentie naarEngeland.”“Juist, met Sylvius, met wien Buat reeds correspondeerde. En had die briefwisseling onder het oog van den Raadpensionaris plaats?”“Geheel en al. De Ritmeester schreef, schijnbaar in zijn eigen naam, wat de Raadpensionaris hem voorzeide. Nu hadden de vrienden der Oranjepartij, tot welke ook de Ritmeester behoort, hem aangezet om bij deze correspondentie een andere te voeren, van welke de Raadpensionaris niets mocht weten. Op deze brieven zette de Heer Sylvius:pour vous mesme.—Langen tijd ging deze geheime handel goed, tot, voor eenige dagen, de Ritmeester den Raadpensionaris een pak brieven bracht en daaronder bij vergissing een van die geheime brieven had laten liggen.”“De onvoorzichtige!” riep de Prins uit. “En had de Raadpensionaris dat terstond gemerkt?”“Ik weet het niet, Uwe Hoogheid,” gaf Pieter ten antwoord. “Maar de Ritmeester was onvoorzichtig genoeg, om zich bij den Raadpensionaris te vergewissen of de brief in het pak was. Deze kreeg daarop argwaan, las den brief en vond daarin, wat hem aanleiding gaf om dien Buat te weigeren en hem in den Raad van State te brengen. Terstond werd de Ritmeester gevat en in de kastelenije bewaard; waarop de Raadpensionaris aan het hoofd eener commissie uit den Raad van State zich naar het huis van den gevangene begaf en aldaar huiszoeking deed.”“Wat zal die arme mevrouw Buat verschrikt zijn geweest!” zeide de Prins meewarig.“Dat kan Uwe Hoogheid zich voorstellen.”“En heeft men daar nog wat gevonden?”“De Ritmeester had zorg gedragen, al de geheime brieven te verbranden. Ongelukkig moet hij een brief en een klad vooreen anderen vergeten hebben te vernietigen. De Raad van State heeft daarop grond genoeg gevonden, om hem van hoogverraad te beschuldigen en zijne zaak in handen van het Hof vanHollandte stellen.”“En de Ritmeester?”“Zit nu op deVoorpoortvan den Hove.”“Arme Buat,” zeide de Prins.—“Je hebt je goed van je last gekweten, Pieter,” vervolgde hij tot dezen. “Ik heb ook den mijnen volbracht en je aan den Raadpensionaris aanbevolen.”“Ik dank Uwe Hoogheid voor Hare goedgunstige bescherming,” zeide Pieter.“Waarschijnlijk zul je een aanstelling op de werven van de Admiraliteit vanZeelanderlangen. Ik zal ook aan de Heeren bewindhebbers schrijven en je aanbevelen.”“O, Uwe Hoogheid is al te goed,” hernam Pieter. “Hoe zal ik Haar ooit dankbaar genoeg kunnen zijn!”“Verlaat mij thans, Pieter, en keer langs denzelfden weg terug, dien je gekomen bent. Vaarwel!”De Prins deed de deur van het kabinetje open en ging, na het vertrek van Pieter, weder aan het werk—schijnbaar ten minste—want zijne ziel was te zeer bezig met den armen Buat, dan dat hij had kunnen werken.De aanbeveling van den Prins met die van den Luitenant-admiraal had goede uitwerking. Pieter werd op de werf der Zeeuwsche admiraliteit aangesteld als tweede meesterknecht, met een goed inkomen en het vooruitzicht op bevordering. Martha, wiens broeder Jacob intusschen gehuwd was, vergezelde hem naarVlissingen, om zijne huishouding waar te nemen.Gij zult wel nieuwsgierig wezen, hoe het met Buat afliep. Ik zal het u meedeelen. De leden van het Hof waren wel gestemd om een zacht vonnis te vellen, vooral, omdat hij eigenlijk geen landverraad had gepleegd, maar slechts misbruik had gemaaktvan het vertrouwen, dat De Witt in hem had gesteld. De Staten vanHollandevenwel, door De Witt daartoe aangezet, begrepen de zaak anders, en maanden het Hof ten ernstigste aan, om een krachtig vonnis te spreken. Daarbij kwam, dat men Buat door een boosaardige list van een zijner rechters beroofde, den Raadsheer Van der Graaf, die der Oranjepartij was toegedaan. Op zekeren dag namelijk, dat genoemde Raadsheer van het Hof kwam, verzocht hem iemand, uit naam van Buat, even bij den gevangene te komen. Hieraan voldoende, vond hij Buat ongesteld en zeer verwonderd over zijne komst, daar de boodschap niet van hem was uitgegaan. Na, in tegenwoordigheid van den cipier, een paar woorden met den gevangene gewisseld te hebben, verliet Van der Graaf de Gevangenpoort en ging naar huis. Den volgenden dag stond in een nieuwsblad, dat een der Raadsheeren zich niet ontzien had, de gevangene te bezoeken. Het Hof ondervraagde daarop Van der Graaf, die de toedracht der zaak verhaalde. Diensondanks werd hij gedwongen, zich niet verder in dit rechtsgeding te wikkelen.Van deze stem beroofd, die waarschijnlijk nog een of twee andere zou hebben overgehaald, werd de ongelukkige Ritmeester veroordeeld te worden gestraft met den zwaarde, zoodat er de dood na volgt. Dit vreeselijke vonnis werd op Maandag den 11denOctober aan hem voltrokken.De Raadsheer Kieviet, diens vrouw (zooals gij weet, de zuster van Tromp) en de Burgemeester vanRotterdam, Van der Horst, werden mede in dit rechtsgeding gewikkeld, omdat zij Buat tot schrijven hadden aangezet en ettelijke brieven hadden gelezen. De eerste, zooals ik u reeds gezegd heb, ten lande uitgeweken, werd ter dood, zijne vrouw tot een zware geldboete en Van der Horst tot verbanning veroordeeld, terwijl hunne goederen werden verbeurd verklaard.De terechtstelling van Buat, gevoegd bij de afzetting vanTromp, deed bij de Prinsgezinden den haat tegen De Witt nog toenemen. Zoover zelfs ging men, dat men hem den noodlottigen uitslag van den tweedaagschen zeeslag weet. De Engelschen intusschen, nu open zee hebbende, maakten daarvan gebruik, om eenige koopvaardijschepen in hetVlieweg te nemen en op het eilandTerschellingte landen, waar zij het dorpWest-Terschellingin brand staken en de weerlooze bewoners mishandelden.Hoe gehavend onze vloot ook was, koos die weder zee om de Engelschen te tuchtigen; doch door ziekte onder het scheepsvolk en door stormen werd zij genoodzaakt terug te keeren, zonder iets verricht te hebben.Het terugzenden van het lijk van Barclay gaf aanleiding tot vredesonderhandelingen. Een zware brand teLonden, die van den twaalfden tot den zeventienden September duurde, een groot gedeelte der stad in de asch legde en millioenen schats vernielde, maakte, dat men inEngelandzeer naar den vrede verlangde. Tot de plaats der onderhandelingen werdBredagekozen. Intusschen hoopte De Witt vooraf nog de geledene nederlaag en den brand vanTerschellingop luisterrijke wijze te wreken, en had dus gezorgd, dat onze vloot goed uitgerust en volkomen van alles voorzien was.’t Was een koude en langdurige winter, en daardoor konden onze schepen eerst laat in het voorjaar uitloopen. De Staten-Generaal hadden weder goedgevonden, dat gemachtigden van hunnentwege den tocht zouden bijwonen. Daar de andere gewesten tegen de onkosten der uitrusting opzagen, had alleenHollander een benoemd. Dewijl nu de Raadpensionaris, die in persoon bij de vredesonderhandelingen teBredategenwoordig moest zijn, dien tocht niet kon bijwonen, had men diens ouderen broeder, Cornelis de Witt, Ruwaard vanPutten, Burgemeester vanDordrechten lid van de AdmiraliteitderMaas, die betrekking opgedragen. Deze was een man van persoonlijken moed en wel bekend met het zeewezen. Het ware doel van den tocht werd intusschen zoo geheim gehouden, dat zelfs de listige en schrandere d’Estrades er niet achter kon komen.Door storm in haren voortgang vertraagd, kwam de vloot eerst den 17denJuni in hetKoningsdiepten anker. Van hier werd Van Gent met 17 schepen vooruitgezonden naar denTheems, om de daarliggende koopvaardijschepen aan te tasten en te vermeesteren. De Ruwaard zelf begaf zich op het schip van Van Gent om de onderneming te besturen. Daar echter die schepen tijdig genoeg de rivier waren opgezeild, begaf zich het smaldeel naar deMedway, ook wel de rivier vanChattamofRochestergenoemd. Aan den mond dier rivier lag de sterkteSheernesse, die door Van Brakel en twee andere kapiteins beschoten en zonder veel moeite bemachtigd werd. Het fort werd geslecht en wat er bruikbaars in werd gevonden, onder de schepen verdeeld. Bij onderzoek bleek, dat de Engelschen twee groote schepen en vijf branders hadden laten zinken, om de doorvaart te beletten. Van Gent zond nu kapitein Tobias met vier schepen, drie jachten en twee branders de rivier op, om een weg te banen. Dit gelukte; doch eensklaps vond Tobias zich gestuit door een dikken ijzeren ketting, die aan beide oevers vastgehecht, over de rivier gespannen was. Achter dezen ketting lagen de “Unity”, daarachter de “Carolus Quintus”, “de Matthias” en de “Monmouth”; terwijl het schieten uit het kasteelUpnoren van de beide oevers het verder opzeilen belemmerde. Kapitein Tobias zag zich dus genoodzaakt, van de onderneming af te zien, en waarschijnlijk zou het geheele plan mislukt zijn, had niet een omstandigheid aanleiding gegeven tot het uit den weg ruimen van alle hinderpalen. De Ruwaard had den kapiteins op lijfstraf verboden, iemand van hun scheepsvolk aan land telaten gaan. Kapitein Jan van Brakel had dit bevel overtreden en was op last van De Witt gevangen genomen. Vreezende zijn hoofd te zullen verliezen, begreep hij, dat hij zich door een waagstuk moest vrijkoopen. Hij bood dus aan met zijn schip, een slecht fregat, de “Unity” aan boord te klampen, de branders bij te brengen en het eskader een doortocht te verschaffen. De Ruwaard nam dit aan, Van Brakel werd ontslagen, en mocht weder aan boord gaan. Terstond zeilt hij vooruit, door den nauwen doorgang en de Nederlandsche schepen heen, vervolgt, met de beide branders achter zich, onder het hevige kruisvuur van den vijand zijn tocht en schiet niet, alvorens hij bij de “Unity” is. Nu geeft hij het fregat de volle laag, klampt het aan boord en is er in weinige oogenblikken meester van.Thans bleef nog de eenige hindernis, de keten, over. De Kommandeur Van den Rijn, die een der beide branders aanvoerde, zeilde er met zulk een geweld tegen aan, dat de zware ijzeren ketting doormidden brak, waarna hij zich terstond aan den daarachter liggenden “Matthias” hechtte, welken hij in brand stak. De andere branders kwamen nu ook door de gemaakte opening heen en trachtten den “Carolus Quintus” in brand te steken. Doch deze schoot hen beide in den grond, echter niet dan nadat een daarvan het schip in brand had gestoken. Van Brakel, met een paar sloepen daarbij gekomen, beklom nu het vaartuig, nam een gedeelte der manschap gevangen en liet het schip aan de vlammen over. Hierop namen de Vice-admiraal De Liefde en kapitein Tobias de door zijne manschap verlatene “Royal Charles,” het admiraalsschip, een der grootste en schoonste bodems der Engelsche vloot, reeds ten tijde van Cromwell gebouwd en in 1660 gebruikt om koning Karel II naar Engeland over te brengen. Nu lag de “Mary” aan de beurt, die mede verbrand werd.Daar intusschen de eb was ingevallen, moest men met devermeestering van de vier overige koningsschepen, die hooger op de rivier lagen, tot den volgenden dag, 23 Juni, wachten. Maar dat was weder een waagstuk. De Ruyter echter, door De Witt van de hoofdvloot ontboden, besloot het te beproeven. Zeven branders, naar de schepen afgezonden en door evenveel oorlogsvaartuigen begeleid, zeilden de rivier op, midden door het geweldige kruisvuur van het kasteelUpnoraan de eene en van een zware batterij, aan de andere zijde der rivier gelegen, heen. Ook De Ruyter zelf sprong in een sloep om de onderneming te besturen, en de Ruwaard, dit ziende en evenmin bevreesd voor de vijandelijke kogels, besloot hem te vergezellen. De “Jacoba” en de Royal Oak”, twee schepen elk van tachtig stukken, werden door twee branders vernield; terwijl een andere den “Loyal London” in brand stak. De kapitein van de “Royal Oak” verkoos niet van zijn schip af te gaan. “Nog nooit,” zeide hij, “heeft een Douglas (hij was een Schot en uit dit edele huis) den hem toevertrouwden post verlaten.” En hoe men hem smeekte, zich te redden—hij liet zich met zijn vaartuig verbranden.Gij kunt u voorstellen, welk een schrik en ontzetting deze tocht inLonden, ja in geheelEngelandverbreidde. In de hoofdstad werkte die zoozeer op de gemoederen, dat men daar reeds zijne kostbaarste goederen borg en op de vlucht sloeg. Doch spoedig werden zij gerustgesteld; want reeds den volgenden dag zeilden onze schepen, tevreden met het behaalde voordeel en verzekerd, dat men den Engelschman nu voor lang schrik had ingeboezemd, naar de hoofdvloot terug, waarmede De Ruyter een tijd lang denTheemsgesloten bleef houden. Van Brakel genoot de eer, de beide veroverde schepen, de “Unity” en de “Royal Charles” naar het Vaderland te voeren.De Ruwaard ontving van de Staten een gouden beker, waarop de onderneming was afgebeeld, benevens een rentebriefvan ƒ 30,000, De Ruyter een dergelijken beker en Van Gent ƒ 12,000 en een gouden gedenkpenning. Ook de andere scheepshoofden werden voor de door hen bewezen diensten beloond.De tocht naarChattambewerkte, wat de Raadpensionaris er mee bedoeld had: niet alleen hadden wij een belangrijke revanche genomen voor den brand vanTerschelling, maar ook de vredesonderhandelingen werden er door bespoedigd en weldra ten einde gebracht. Het was dan ook reeds op den 31stenJuli van datzelfde jaar 1667, dat de vrede metEngelandteBredawerd gesloten en zoo een einde maakte aan den tweeden Engelschen oorlog.Reeds eenige weken vóór het sluiten van den vrede teBreda, was Lodewijk XIV, koning vanFrankrijk, in deSpaansche Nederlandengevallen. Deze inval, waarbij d’Estrades de medewerking der Staten eischte, omdatFrankrijkons, zoo het heette, in den oorlog tegenEngelandhad ondersteund, deed de noodzakelijkheid ontstaan om ons leger te velde te vergrooten en over dat leger een veldoverste te benoemen. Geen wonder, dat de Oranjepartij weder het oog op den Prins had geslagen, die nu reeds bijna zeventien jaren was. De Witt begreep dan ook, dat hij den Prins niet altijd daar buiten zou kunnen houden, en daartoe verzon hij een list, waardoor ten minste de verheffing van Willem Hendrik tot Stadhouder ten eenenmale onmogelijk zou worden. Hij maakte een staatsstuk, inhoudende, dat elke toekomstige Kapitein-admiraal of Generaal zou zweren, nooit naar eenig Stadhouderschap te zullen staan. Dit stuk, bekend onder den naam vanEeuwig Edict, waarbij de waardigheid van Stadhouder voor alle eeuwigheid inHollandvernietigd werd, terwijl in de andere provinciën geen Stadhouder ooit Kapitein-admiraal of Generaal zou kunnen zijn, werd den 5denAugustus door de Staten vanHollandaangenomen.Nu zult ge wellicht denken, dat men den Prins terstond tot de hoogste krijgswaardigheden verhief. Verre van daar. Wel werden er benoemingen gedaan, maar Zijne Hoogheid kwam niet in aanmerking; immers er was bij vroegere resolutiën bepaalt, dat hij vóór zijn twee-en-twintigste jaar geen hooge krijgsambten zou mogen bekleeden.Nog vloeide uit den inval van Lodewijk XIV in deSpaansche Nederlandenvoort het sluiten van een verbond, omFrankrijktot den vrede metSpanjete noodzaken, en dat, daar het tusschen onzen Staat,EngelandenZwedenwerd gesloten, den naam van Triple-alliantie of drievoudig verbond draagt. De bewerkers van deze alliantie, die den 28stenJanuari 1668 werd vastgesteld, waren Johan de Witt en de beroemde Engelschman, de ridder William Temple.Wij gaan Dinsdag den 7denFebruari van datzelfde jaar nog eens naar den Prins. Maar wij vinden hem nu niet op hetBinnenhof, ook niet op het hof vanBrandwijk,—wij zullen hem op een geheel andere plaats aantreffen. Wij gaan naar hetBuitenhof, en wel naar de toenmalige hofstallen, “paardenberijdersstal” genaamd. “O,” zegt gij, “dan had de Prins zeker weer nieuwe paarden gekocht, die hij den ouden Heenvliet wilde laten zien.” Mis geraden! Vooreerst was de oude Heenvliet reeds dood; hij was kort na de terechtstelling van Buat gestorven. Maar ten tweede ziet gij in den geheelen stal noch paard noch karos; integendeel, al de paarden en karossen zijn naar andere stallen verhuisd, de stal is schoongemaakt, door baas Balkenende met planken bevloerd en met meer dan achthonderd zitplaatsen voorzien. Die zitplaatsen nu zijn geen ruwe houten banken, zooals in onze kermistenten; zij zijn keurig netjes en met kussens voorzien; want behalve de leden der Staten-Generaal, de leden van den Raad van State en van de Rekenkamer, de gekommitteerden vanHolland, zijn deaanzienlijksten van den lande genoodigd; zelfs de Prins vanToskane, die teAntwerpenlogeert, is voor dezen avond expresselijk overgekomen. De wanden zijn rondom met keurige tapijten behangen, hier en daar zijn reusachtige spiegels aangebracht, rondom welke kunstig gekweekte bloemen; duizenden waskaarsen zijn op de zilveren luchters en armblakers geplaatst,—alles is keurig netjes ingericht en getuigt van den rijkdom van den Prins vanOranje, die dit alles bekostigd en er duizenden aan besteed heeft. Maar wij hebben niet alles gezien. Tegenover de zitplaatsen is een prachtig tooneel opgericht, insgelijks met tapijten behangen en waarop aan de eene zijde, keurig geschilderd, de vredemaagd staat met zeven pijlen in de hand, die de drie Brittannische koninkrijken, aan den anderen kant van het tooneel geplaatst, tot eeuwige vriendschap schijnt uit te noodigen. Ziet, daar worden de kaarsen opgestoken—straks zullen de hooge gasten binnentreden. Reeds komen de muzikanten.Maar er is nog meer te zien. Gaan wij achter het tooneel in die beide kamers. In de eene vinden wij herders en herderinnen, boeren en boerinnen, visschers en geniussen; allen verkleede dienaars van den Prins of tot deze gelegenheid gehuurd. Ieder van hen heeft een papier in de hand, waarop zijn rol staat. Het zijn echter allen zwijgende personen. In de andere kamer vinden wij een aanzienlijker gezelschap. Het is of wij op den Olympus zijn, zoo wemelt het hier van goden en godinnen. Ook zij houden hunne rollen in de hand, maar het zijn sprekende. En die goden en godinnen—het zijn wel geen hemelsche wezens—maar toch zijn het de goden der aarde, de grooten des lands. Begeven wij ons in hun midden; misschien hooren wij nog het een en ander, wat ons belang inboezemt.God Mercurius zit in een gemakkelijken armstoel; op de tafel naast hem ligt de gevleugelde slangenstok en de helm metvlerken. Gij herkent hem terstond. Het is Willem Hendrik vanOranje, de ontwerper en uitvoerder van deze tooneelvertooning (die men toendansnoemde).Vóór Zijne Hoogheid staat een dame, wier dik middel en gevuld lichaam verraadt, dat zij niet tot de sekse behoort, welke zij voorstelt. Een paar groote vleugelen, aan hare schouders vastgehecht, en de blinkende, lange bazuin, die zij in de hand houdt, doen ons haar erkennen voor De Faam. Het is de Heer Van Obdam. Hij is in druk gesprek gewikkeld met God Mercurius, maar niet over hemelsche zaken, o neen, over zeer aardsche.“Uwe Hoogheid heeft vier schoone paarden van Haren oom, Zijne Majesteit den koning vanEngelandten geschenke gekregen,” begint hij. “Ik hoor, dat ’s Konings stalmeester de hertog van Ormont ze heeft overgebracht.”“Gij hebt het reeds gehoord, Obdam,” antwoordt de Prins. “Het zijn juweelen van beesten, gij moet ze eens komen zien. Mijn oom heeft mij zeker willen troosten voor de smart, die hij wellicht meent, dat mij het Eeuwig Edict veroorzaakt.—Van het Eeuwig Edict gesproken, Obdam! Zeg mij, is het waar, dat men den voorzittersstoel op de Rol van het Hof heeft weggenomen?”“Dien stoel met de wapens van uw huis?” vraagt Obdam. “Ik heb daar niets van vernomen. Doch daar komt Van der Lek; hij zal het Uwer Hoogheid wel kunnen zeggen.”Inderdaad komt de maagd vanHolland, in het geschubde pantser met den wapenrok aan en de sandalen aan de voeten, met den koperen helm op het hoofd, de speer in de eene en het schild met den klimmenden leeuw in de andere hand, zeer deftig en gratieus aanwandelen.“Zeg eens Van der Lek,” zegt de Prins. “Is het waar, dat men den voorzittersstoel op de Rol van het Hof heeft weggenomen?”“Zoo is het, Uwe Hoogheid!” antwoordt deze, en voegt er met fijne vleierij bij: “Men zal hem willen schoonmaken, tegen den tijd, dat Uwe Hoogheid er op zitten moet. Er was in de jaren, dat hij leeg stond, zooveel onedel stof opgekomen.”“Hoofsche vleier!” dreigt de Prins. “En dat moet ik uit den mond vanHollandhooren.”“Tijd baart rozen, Uwe Hoogheid,” herneemt Van der Lek. “Er zal een tijd komen, datHollandu zal waardeeren, zooals ik, haar representant, u waardeer. Maar zie eens,” vervolgt hij, terwijl hij naar twee andere dames wijst, den Heer Du Ha (de tweedracht) en den Heer Lauron (de vrede), die beiden in druk gesprek door de kamer wandelen. “Als wij hier niet op den Olympus waren, zou men zich bijna verbeelden, dat het duizendjarig rijk was gekomen. De tweedracht en de Vrede wandelen daarsamen als vriendinnen. Laat toch de fakkel der eene den palmtak des anderen niet verbranden.”“Geen nood, Van der Lek,” zegt de Prins. “De fakkel brandt nog niet. Straks mag Lauron voorzichtig zijn.”“Voorzeker, Uwe Hoogheid!” zegt Valkenburg, dieEngelandmoet voorstellen. “Maar nuEngelandzoo dicht bijHollandkomt te staan, en zij elkander niet eens de tanden laten zien,—nu heeft de fakkel van de tweedracht ook geen gevaar voor den vredepalm.”“Gij hebt gelijk, Valkenburg,” hervat de Prins. “En wat zegt gij van mijne nieuwe paarden?”“Ik zag ze van middag, Uwe Hoogheid, en ik durf zeggen dat ik er trotsch op ben, den edelen god des koophandels iets te hebben mogen schenken, wat zijner waardig is.”“Nu zalhijer zich nog de eer van toeëigenen,” zegt Van der Lek.“De Hollandsche maagd gelieve te bedenken, dat mijn zoon de koning vanGroot-Brittannië, de schenker is van dat heerlijke vierspan.”“Het is waar ook,” herneemt Van der Lek lachend. “Ik dacht er niet aan, dat gij Engeland voorstelt.”“En ik heb vernomen, dat Uwe Hoogheid mijner dochter der koningin vanEngeland, een kostbaar tegengeschenk zal zenden.”“O, die babbelaars!” zegt de Prins. “Dat heeft mijn stalmeester u verteld.”“Inderdaad, zal Uwe Hoogheid een tegengeschenk zenden?” vraagt Obdam. “En als ik vragen mag, waarin zal dat bestaan?”“Herinnert gij u nog die prachtige teekening van een narrenslede, die ik u gisteren liet zien, Obdam?” vraagt de Prins.“In den vorm van een vergulden, liggenden leeuw?” zegt Obdam. “O voorzeker.”“Welnu, ik heb er zoo een besteld. Maar natuurlijk zal het geheel met tal van koninklijke kronen prijken. Het paardentuig met gouden franje en kwispels, en 500 vergulde zilveren bellen zal daarbij zeer goed staan. Ik verlang natuurlijk, dat het niet te wereldkundig worde.”Een page komt binnen en zegt:“Uwe Hoogheid! De gasten zijn er allen. Het is zeven uren. Beveelt Uwe Hoogheid dat er begonnen worde?”“Ga de personen in de andere kamer waarschuwen en laat ieder zich op zijn post begeven, opdat zij gereed staan, als het scherm wordt opgehaald. Mijne Heeren! Maakt u gereed.”En door De Faam geholpen, zet de Prins zijn Mercuriushoed op, neemt zijn staf in de hand en begeeft zich achter het tooneel, om te kunnen verschijnen, als het zijn tijd is.Daar de zaal echter niet groot genoeg was om meer gasten te bevatten, herhaalde men den volgenden Dinsdag de tooneelvertooning en noodigde, onder andere personen, ook de hoven van justitie uit. Doch deze, gebelgd dat zij op de napret verzocht werden, bedankten. Ook voeren de predikanten er van den predikstoel tegen uit en noemden haar openlijk zondig; zoodat (zegt Aitsema) het bal duizenden had gekost en toch maar onrust gaf.Eer ik dit Hoofdstuk sluit, moet ik nog een trek van edele onbaatzuchtigheid van den Raadpensionaris verhalen. De Witt kreeg van de Ridderschap ƒ 15,000, van de Hollandsche steden ƒ 42,000. Toen men hem van wege de Staten-Generaal een cadeau van ƒ 100,000 wilde geven, wist hij dat door zijn invloed te beletten.

Weinige oogenblikken, nadat de kamerdienaar vertrokken was, trad Pieter Pietersz “de kamer van educatie” binnen.

“Je past op je tijd, Pieter,” zeide de Prins “Volg mij.”

De Prins deed de deur naast den schoorsteen open, en beiden bevonden zich in een klein kabinetje. Zijne Hoogheid sloot de deur zorgvuldig, en wenkte zijn gunsteling, zich op een stoel neder te zetten, terwijl hij zelf ging zitten.

“Wel,” begon hij. “Heb je het een en ander bijzonders vernomen?”

“Ik had daartoe niet veel moeite,” antwoordde Pieter. “Mijn broeder is met de familie zeer goed bekend: verscheidene malen heeft hij Mevrouw Buat gekapt. Van hem dan ook heb ik de bijzonderheden vernomen.”

“Ter zake.”

“In het voorjaar werd de Ritmeester door den heer Raadpensionarisaangezocht, om zich te belasten met een geheime correspondentie naarEngeland.”

“Juist, met Sylvius, met wien Buat reeds correspondeerde. En had die briefwisseling onder het oog van den Raadpensionaris plaats?”

“Geheel en al. De Ritmeester schreef, schijnbaar in zijn eigen naam, wat de Raadpensionaris hem voorzeide. Nu hadden de vrienden der Oranjepartij, tot welke ook de Ritmeester behoort, hem aangezet om bij deze correspondentie een andere te voeren, van welke de Raadpensionaris niets mocht weten. Op deze brieven zette de Heer Sylvius:pour vous mesme.—Langen tijd ging deze geheime handel goed, tot, voor eenige dagen, de Ritmeester den Raadpensionaris een pak brieven bracht en daaronder bij vergissing een van die geheime brieven had laten liggen.”

“De onvoorzichtige!” riep de Prins uit. “En had de Raadpensionaris dat terstond gemerkt?”

“Ik weet het niet, Uwe Hoogheid,” gaf Pieter ten antwoord. “Maar de Ritmeester was onvoorzichtig genoeg, om zich bij den Raadpensionaris te vergewissen of de brief in het pak was. Deze kreeg daarop argwaan, las den brief en vond daarin, wat hem aanleiding gaf om dien Buat te weigeren en hem in den Raad van State te brengen. Terstond werd de Ritmeester gevat en in de kastelenije bewaard; waarop de Raadpensionaris aan het hoofd eener commissie uit den Raad van State zich naar het huis van den gevangene begaf en aldaar huiszoeking deed.”

“Wat zal die arme mevrouw Buat verschrikt zijn geweest!” zeide de Prins meewarig.

“Dat kan Uwe Hoogheid zich voorstellen.”

“En heeft men daar nog wat gevonden?”

“De Ritmeester had zorg gedragen, al de geheime brieven te verbranden. Ongelukkig moet hij een brief en een klad vooreen anderen vergeten hebben te vernietigen. De Raad van State heeft daarop grond genoeg gevonden, om hem van hoogverraad te beschuldigen en zijne zaak in handen van het Hof vanHollandte stellen.”

“En de Ritmeester?”

“Zit nu op deVoorpoortvan den Hove.”

“Arme Buat,” zeide de Prins.—“Je hebt je goed van je last gekweten, Pieter,” vervolgde hij tot dezen. “Ik heb ook den mijnen volbracht en je aan den Raadpensionaris aanbevolen.”

“Ik dank Uwe Hoogheid voor Hare goedgunstige bescherming,” zeide Pieter.

“Waarschijnlijk zul je een aanstelling op de werven van de Admiraliteit vanZeelanderlangen. Ik zal ook aan de Heeren bewindhebbers schrijven en je aanbevelen.”

“O, Uwe Hoogheid is al te goed,” hernam Pieter. “Hoe zal ik Haar ooit dankbaar genoeg kunnen zijn!”

“Verlaat mij thans, Pieter, en keer langs denzelfden weg terug, dien je gekomen bent. Vaarwel!”

De Prins deed de deur van het kabinetje open en ging, na het vertrek van Pieter, weder aan het werk—schijnbaar ten minste—want zijne ziel was te zeer bezig met den armen Buat, dan dat hij had kunnen werken.

De aanbeveling van den Prins met die van den Luitenant-admiraal had goede uitwerking. Pieter werd op de werf der Zeeuwsche admiraliteit aangesteld als tweede meesterknecht, met een goed inkomen en het vooruitzicht op bevordering. Martha, wiens broeder Jacob intusschen gehuwd was, vergezelde hem naarVlissingen, om zijne huishouding waar te nemen.

Gij zult wel nieuwsgierig wezen, hoe het met Buat afliep. Ik zal het u meedeelen. De leden van het Hof waren wel gestemd om een zacht vonnis te vellen, vooral, omdat hij eigenlijk geen landverraad had gepleegd, maar slechts misbruik had gemaaktvan het vertrouwen, dat De Witt in hem had gesteld. De Staten vanHollandevenwel, door De Witt daartoe aangezet, begrepen de zaak anders, en maanden het Hof ten ernstigste aan, om een krachtig vonnis te spreken. Daarbij kwam, dat men Buat door een boosaardige list van een zijner rechters beroofde, den Raadsheer Van der Graaf, die der Oranjepartij was toegedaan. Op zekeren dag namelijk, dat genoemde Raadsheer van het Hof kwam, verzocht hem iemand, uit naam van Buat, even bij den gevangene te komen. Hieraan voldoende, vond hij Buat ongesteld en zeer verwonderd over zijne komst, daar de boodschap niet van hem was uitgegaan. Na, in tegenwoordigheid van den cipier, een paar woorden met den gevangene gewisseld te hebben, verliet Van der Graaf de Gevangenpoort en ging naar huis. Den volgenden dag stond in een nieuwsblad, dat een der Raadsheeren zich niet ontzien had, de gevangene te bezoeken. Het Hof ondervraagde daarop Van der Graaf, die de toedracht der zaak verhaalde. Diensondanks werd hij gedwongen, zich niet verder in dit rechtsgeding te wikkelen.

Van deze stem beroofd, die waarschijnlijk nog een of twee andere zou hebben overgehaald, werd de ongelukkige Ritmeester veroordeeld te worden gestraft met den zwaarde, zoodat er de dood na volgt. Dit vreeselijke vonnis werd op Maandag den 11denOctober aan hem voltrokken.

De Raadsheer Kieviet, diens vrouw (zooals gij weet, de zuster van Tromp) en de Burgemeester vanRotterdam, Van der Horst, werden mede in dit rechtsgeding gewikkeld, omdat zij Buat tot schrijven hadden aangezet en ettelijke brieven hadden gelezen. De eerste, zooals ik u reeds gezegd heb, ten lande uitgeweken, werd ter dood, zijne vrouw tot een zware geldboete en Van der Horst tot verbanning veroordeeld, terwijl hunne goederen werden verbeurd verklaard.

De terechtstelling van Buat, gevoegd bij de afzetting vanTromp, deed bij de Prinsgezinden den haat tegen De Witt nog toenemen. Zoover zelfs ging men, dat men hem den noodlottigen uitslag van den tweedaagschen zeeslag weet. De Engelschen intusschen, nu open zee hebbende, maakten daarvan gebruik, om eenige koopvaardijschepen in hetVlieweg te nemen en op het eilandTerschellingte landen, waar zij het dorpWest-Terschellingin brand staken en de weerlooze bewoners mishandelden.

Hoe gehavend onze vloot ook was, koos die weder zee om de Engelschen te tuchtigen; doch door ziekte onder het scheepsvolk en door stormen werd zij genoodzaakt terug te keeren, zonder iets verricht te hebben.

Het terugzenden van het lijk van Barclay gaf aanleiding tot vredesonderhandelingen. Een zware brand teLonden, die van den twaalfden tot den zeventienden September duurde, een groot gedeelte der stad in de asch legde en millioenen schats vernielde, maakte, dat men inEngelandzeer naar den vrede verlangde. Tot de plaats der onderhandelingen werdBredagekozen. Intusschen hoopte De Witt vooraf nog de geledene nederlaag en den brand vanTerschellingop luisterrijke wijze te wreken, en had dus gezorgd, dat onze vloot goed uitgerust en volkomen van alles voorzien was.

’t Was een koude en langdurige winter, en daardoor konden onze schepen eerst laat in het voorjaar uitloopen. De Staten-Generaal hadden weder goedgevonden, dat gemachtigden van hunnentwege den tocht zouden bijwonen. Daar de andere gewesten tegen de onkosten der uitrusting opzagen, had alleenHollander een benoemd. Dewijl nu de Raadpensionaris, die in persoon bij de vredesonderhandelingen teBredategenwoordig moest zijn, dien tocht niet kon bijwonen, had men diens ouderen broeder, Cornelis de Witt, Ruwaard vanPutten, Burgemeester vanDordrechten lid van de AdmiraliteitderMaas, die betrekking opgedragen. Deze was een man van persoonlijken moed en wel bekend met het zeewezen. Het ware doel van den tocht werd intusschen zoo geheim gehouden, dat zelfs de listige en schrandere d’Estrades er niet achter kon komen.

Door storm in haren voortgang vertraagd, kwam de vloot eerst den 17denJuni in hetKoningsdiepten anker. Van hier werd Van Gent met 17 schepen vooruitgezonden naar denTheems, om de daarliggende koopvaardijschepen aan te tasten en te vermeesteren. De Ruwaard zelf begaf zich op het schip van Van Gent om de onderneming te besturen. Daar echter die schepen tijdig genoeg de rivier waren opgezeild, begaf zich het smaldeel naar deMedway, ook wel de rivier vanChattamofRochestergenoemd. Aan den mond dier rivier lag de sterkteSheernesse, die door Van Brakel en twee andere kapiteins beschoten en zonder veel moeite bemachtigd werd. Het fort werd geslecht en wat er bruikbaars in werd gevonden, onder de schepen verdeeld. Bij onderzoek bleek, dat de Engelschen twee groote schepen en vijf branders hadden laten zinken, om de doorvaart te beletten. Van Gent zond nu kapitein Tobias met vier schepen, drie jachten en twee branders de rivier op, om een weg te banen. Dit gelukte; doch eensklaps vond Tobias zich gestuit door een dikken ijzeren ketting, die aan beide oevers vastgehecht, over de rivier gespannen was. Achter dezen ketting lagen de “Unity”, daarachter de “Carolus Quintus”, “de Matthias” en de “Monmouth”; terwijl het schieten uit het kasteelUpnoren van de beide oevers het verder opzeilen belemmerde. Kapitein Tobias zag zich dus genoodzaakt, van de onderneming af te zien, en waarschijnlijk zou het geheele plan mislukt zijn, had niet een omstandigheid aanleiding gegeven tot het uit den weg ruimen van alle hinderpalen. De Ruwaard had den kapiteins op lijfstraf verboden, iemand van hun scheepsvolk aan land telaten gaan. Kapitein Jan van Brakel had dit bevel overtreden en was op last van De Witt gevangen genomen. Vreezende zijn hoofd te zullen verliezen, begreep hij, dat hij zich door een waagstuk moest vrijkoopen. Hij bood dus aan met zijn schip, een slecht fregat, de “Unity” aan boord te klampen, de branders bij te brengen en het eskader een doortocht te verschaffen. De Ruwaard nam dit aan, Van Brakel werd ontslagen, en mocht weder aan boord gaan. Terstond zeilt hij vooruit, door den nauwen doorgang en de Nederlandsche schepen heen, vervolgt, met de beide branders achter zich, onder het hevige kruisvuur van den vijand zijn tocht en schiet niet, alvorens hij bij de “Unity” is. Nu geeft hij het fregat de volle laag, klampt het aan boord en is er in weinige oogenblikken meester van.

Thans bleef nog de eenige hindernis, de keten, over. De Kommandeur Van den Rijn, die een der beide branders aanvoerde, zeilde er met zulk een geweld tegen aan, dat de zware ijzeren ketting doormidden brak, waarna hij zich terstond aan den daarachter liggenden “Matthias” hechtte, welken hij in brand stak. De andere branders kwamen nu ook door de gemaakte opening heen en trachtten den “Carolus Quintus” in brand te steken. Doch deze schoot hen beide in den grond, echter niet dan nadat een daarvan het schip in brand had gestoken. Van Brakel, met een paar sloepen daarbij gekomen, beklom nu het vaartuig, nam een gedeelte der manschap gevangen en liet het schip aan de vlammen over. Hierop namen de Vice-admiraal De Liefde en kapitein Tobias de door zijne manschap verlatene “Royal Charles,” het admiraalsschip, een der grootste en schoonste bodems der Engelsche vloot, reeds ten tijde van Cromwell gebouwd en in 1660 gebruikt om koning Karel II naar Engeland over te brengen. Nu lag de “Mary” aan de beurt, die mede verbrand werd.

Daar intusschen de eb was ingevallen, moest men met devermeestering van de vier overige koningsschepen, die hooger op de rivier lagen, tot den volgenden dag, 23 Juni, wachten. Maar dat was weder een waagstuk. De Ruyter echter, door De Witt van de hoofdvloot ontboden, besloot het te beproeven. Zeven branders, naar de schepen afgezonden en door evenveel oorlogsvaartuigen begeleid, zeilden de rivier op, midden door het geweldige kruisvuur van het kasteelUpnoraan de eene en van een zware batterij, aan de andere zijde der rivier gelegen, heen. Ook De Ruyter zelf sprong in een sloep om de onderneming te besturen, en de Ruwaard, dit ziende en evenmin bevreesd voor de vijandelijke kogels, besloot hem te vergezellen. De “Jacoba” en de Royal Oak”, twee schepen elk van tachtig stukken, werden door twee branders vernield; terwijl een andere den “Loyal London” in brand stak. De kapitein van de “Royal Oak” verkoos niet van zijn schip af te gaan. “Nog nooit,” zeide hij, “heeft een Douglas (hij was een Schot en uit dit edele huis) den hem toevertrouwden post verlaten.” En hoe men hem smeekte, zich te redden—hij liet zich met zijn vaartuig verbranden.

Gij kunt u voorstellen, welk een schrik en ontzetting deze tocht inLonden, ja in geheelEngelandverbreidde. In de hoofdstad werkte die zoozeer op de gemoederen, dat men daar reeds zijne kostbaarste goederen borg en op de vlucht sloeg. Doch spoedig werden zij gerustgesteld; want reeds den volgenden dag zeilden onze schepen, tevreden met het behaalde voordeel en verzekerd, dat men den Engelschman nu voor lang schrik had ingeboezemd, naar de hoofdvloot terug, waarmede De Ruyter een tijd lang denTheemsgesloten bleef houden. Van Brakel genoot de eer, de beide veroverde schepen, de “Unity” en de “Royal Charles” naar het Vaderland te voeren.

De Ruwaard ontving van de Staten een gouden beker, waarop de onderneming was afgebeeld, benevens een rentebriefvan ƒ 30,000, De Ruyter een dergelijken beker en Van Gent ƒ 12,000 en een gouden gedenkpenning. Ook de andere scheepshoofden werden voor de door hen bewezen diensten beloond.

De tocht naarChattambewerkte, wat de Raadpensionaris er mee bedoeld had: niet alleen hadden wij een belangrijke revanche genomen voor den brand vanTerschelling, maar ook de vredesonderhandelingen werden er door bespoedigd en weldra ten einde gebracht. Het was dan ook reeds op den 31stenJuli van datzelfde jaar 1667, dat de vrede metEngelandteBredawerd gesloten en zoo een einde maakte aan den tweeden Engelschen oorlog.

Reeds eenige weken vóór het sluiten van den vrede teBreda, was Lodewijk XIV, koning vanFrankrijk, in deSpaansche Nederlandengevallen. Deze inval, waarbij d’Estrades de medewerking der Staten eischte, omdatFrankrijkons, zoo het heette, in den oorlog tegenEngelandhad ondersteund, deed de noodzakelijkheid ontstaan om ons leger te velde te vergrooten en over dat leger een veldoverste te benoemen. Geen wonder, dat de Oranjepartij weder het oog op den Prins had geslagen, die nu reeds bijna zeventien jaren was. De Witt begreep dan ook, dat hij den Prins niet altijd daar buiten zou kunnen houden, en daartoe verzon hij een list, waardoor ten minste de verheffing van Willem Hendrik tot Stadhouder ten eenenmale onmogelijk zou worden. Hij maakte een staatsstuk, inhoudende, dat elke toekomstige Kapitein-admiraal of Generaal zou zweren, nooit naar eenig Stadhouderschap te zullen staan. Dit stuk, bekend onder den naam vanEeuwig Edict, waarbij de waardigheid van Stadhouder voor alle eeuwigheid inHollandvernietigd werd, terwijl in de andere provinciën geen Stadhouder ooit Kapitein-admiraal of Generaal zou kunnen zijn, werd den 5denAugustus door de Staten vanHollandaangenomen.Nu zult ge wellicht denken, dat men den Prins terstond tot de hoogste krijgswaardigheden verhief. Verre van daar. Wel werden er benoemingen gedaan, maar Zijne Hoogheid kwam niet in aanmerking; immers er was bij vroegere resolutiën bepaalt, dat hij vóór zijn twee-en-twintigste jaar geen hooge krijgsambten zou mogen bekleeden.

Nog vloeide uit den inval van Lodewijk XIV in deSpaansche Nederlandenvoort het sluiten van een verbond, omFrankrijktot den vrede metSpanjete noodzaken, en dat, daar het tusschen onzen Staat,EngelandenZwedenwerd gesloten, den naam van Triple-alliantie of drievoudig verbond draagt. De bewerkers van deze alliantie, die den 28stenJanuari 1668 werd vastgesteld, waren Johan de Witt en de beroemde Engelschman, de ridder William Temple.

Wij gaan Dinsdag den 7denFebruari van datzelfde jaar nog eens naar den Prins. Maar wij vinden hem nu niet op hetBinnenhof, ook niet op het hof vanBrandwijk,—wij zullen hem op een geheel andere plaats aantreffen. Wij gaan naar hetBuitenhof, en wel naar de toenmalige hofstallen, “paardenberijdersstal” genaamd. “O,” zegt gij, “dan had de Prins zeker weer nieuwe paarden gekocht, die hij den ouden Heenvliet wilde laten zien.” Mis geraden! Vooreerst was de oude Heenvliet reeds dood; hij was kort na de terechtstelling van Buat gestorven. Maar ten tweede ziet gij in den geheelen stal noch paard noch karos; integendeel, al de paarden en karossen zijn naar andere stallen verhuisd, de stal is schoongemaakt, door baas Balkenende met planken bevloerd en met meer dan achthonderd zitplaatsen voorzien. Die zitplaatsen nu zijn geen ruwe houten banken, zooals in onze kermistenten; zij zijn keurig netjes en met kussens voorzien; want behalve de leden der Staten-Generaal, de leden van den Raad van State en van de Rekenkamer, de gekommitteerden vanHolland, zijn deaanzienlijksten van den lande genoodigd; zelfs de Prins vanToskane, die teAntwerpenlogeert, is voor dezen avond expresselijk overgekomen. De wanden zijn rondom met keurige tapijten behangen, hier en daar zijn reusachtige spiegels aangebracht, rondom welke kunstig gekweekte bloemen; duizenden waskaarsen zijn op de zilveren luchters en armblakers geplaatst,—alles is keurig netjes ingericht en getuigt van den rijkdom van den Prins vanOranje, die dit alles bekostigd en er duizenden aan besteed heeft. Maar wij hebben niet alles gezien. Tegenover de zitplaatsen is een prachtig tooneel opgericht, insgelijks met tapijten behangen en waarop aan de eene zijde, keurig geschilderd, de vredemaagd staat met zeven pijlen in de hand, die de drie Brittannische koninkrijken, aan den anderen kant van het tooneel geplaatst, tot eeuwige vriendschap schijnt uit te noodigen. Ziet, daar worden de kaarsen opgestoken—straks zullen de hooge gasten binnentreden. Reeds komen de muzikanten.

Maar er is nog meer te zien. Gaan wij achter het tooneel in die beide kamers. In de eene vinden wij herders en herderinnen, boeren en boerinnen, visschers en geniussen; allen verkleede dienaars van den Prins of tot deze gelegenheid gehuurd. Ieder van hen heeft een papier in de hand, waarop zijn rol staat. Het zijn echter allen zwijgende personen. In de andere kamer vinden wij een aanzienlijker gezelschap. Het is of wij op den Olympus zijn, zoo wemelt het hier van goden en godinnen. Ook zij houden hunne rollen in de hand, maar het zijn sprekende. En die goden en godinnen—het zijn wel geen hemelsche wezens—maar toch zijn het de goden der aarde, de grooten des lands. Begeven wij ons in hun midden; misschien hooren wij nog het een en ander, wat ons belang inboezemt.

God Mercurius zit in een gemakkelijken armstoel; op de tafel naast hem ligt de gevleugelde slangenstok en de helm metvlerken. Gij herkent hem terstond. Het is Willem Hendrik vanOranje, de ontwerper en uitvoerder van deze tooneelvertooning (die men toendansnoemde).

Vóór Zijne Hoogheid staat een dame, wier dik middel en gevuld lichaam verraadt, dat zij niet tot de sekse behoort, welke zij voorstelt. Een paar groote vleugelen, aan hare schouders vastgehecht, en de blinkende, lange bazuin, die zij in de hand houdt, doen ons haar erkennen voor De Faam. Het is de Heer Van Obdam. Hij is in druk gesprek gewikkeld met God Mercurius, maar niet over hemelsche zaken, o neen, over zeer aardsche.

“Uwe Hoogheid heeft vier schoone paarden van Haren oom, Zijne Majesteit den koning vanEngelandten geschenke gekregen,” begint hij. “Ik hoor, dat ’s Konings stalmeester de hertog van Ormont ze heeft overgebracht.”

“Gij hebt het reeds gehoord, Obdam,” antwoordt de Prins. “Het zijn juweelen van beesten, gij moet ze eens komen zien. Mijn oom heeft mij zeker willen troosten voor de smart, die hij wellicht meent, dat mij het Eeuwig Edict veroorzaakt.—Van het Eeuwig Edict gesproken, Obdam! Zeg mij, is het waar, dat men den voorzittersstoel op de Rol van het Hof heeft weggenomen?”

“Dien stoel met de wapens van uw huis?” vraagt Obdam. “Ik heb daar niets van vernomen. Doch daar komt Van der Lek; hij zal het Uwer Hoogheid wel kunnen zeggen.”

Inderdaad komt de maagd vanHolland, in het geschubde pantser met den wapenrok aan en de sandalen aan de voeten, met den koperen helm op het hoofd, de speer in de eene en het schild met den klimmenden leeuw in de andere hand, zeer deftig en gratieus aanwandelen.

“Zeg eens Van der Lek,” zegt de Prins. “Is het waar, dat men den voorzittersstoel op de Rol van het Hof heeft weggenomen?”

“Zoo is het, Uwe Hoogheid!” antwoordt deze, en voegt er met fijne vleierij bij: “Men zal hem willen schoonmaken, tegen den tijd, dat Uwe Hoogheid er op zitten moet. Er was in de jaren, dat hij leeg stond, zooveel onedel stof opgekomen.”

“Hoofsche vleier!” dreigt de Prins. “En dat moet ik uit den mond vanHollandhooren.”

“Tijd baart rozen, Uwe Hoogheid,” herneemt Van der Lek. “Er zal een tijd komen, datHollandu zal waardeeren, zooals ik, haar representant, u waardeer. Maar zie eens,” vervolgt hij, terwijl hij naar twee andere dames wijst, den Heer Du Ha (de tweedracht) en den Heer Lauron (de vrede), die beiden in druk gesprek door de kamer wandelen. “Als wij hier niet op den Olympus waren, zou men zich bijna verbeelden, dat het duizendjarig rijk was gekomen. De tweedracht en de Vrede wandelen daarsamen als vriendinnen. Laat toch de fakkel der eene den palmtak des anderen niet verbranden.”

“Geen nood, Van der Lek,” zegt de Prins. “De fakkel brandt nog niet. Straks mag Lauron voorzichtig zijn.”

“Voorzeker, Uwe Hoogheid!” zegt Valkenburg, dieEngelandmoet voorstellen. “Maar nuEngelandzoo dicht bijHollandkomt te staan, en zij elkander niet eens de tanden laten zien,—nu heeft de fakkel van de tweedracht ook geen gevaar voor den vredepalm.”

“Gij hebt gelijk, Valkenburg,” hervat de Prins. “En wat zegt gij van mijne nieuwe paarden?”

“Ik zag ze van middag, Uwe Hoogheid, en ik durf zeggen dat ik er trotsch op ben, den edelen god des koophandels iets te hebben mogen schenken, wat zijner waardig is.”

“Nu zalhijer zich nog de eer van toeëigenen,” zegt Van der Lek.

“De Hollandsche maagd gelieve te bedenken, dat mijn zoon de koning vanGroot-Brittannië, de schenker is van dat heerlijke vierspan.”

“Het is waar ook,” herneemt Van der Lek lachend. “Ik dacht er niet aan, dat gij Engeland voorstelt.”

“En ik heb vernomen, dat Uwe Hoogheid mijner dochter der koningin vanEngeland, een kostbaar tegengeschenk zal zenden.”

“O, die babbelaars!” zegt de Prins. “Dat heeft mijn stalmeester u verteld.”

“Inderdaad, zal Uwe Hoogheid een tegengeschenk zenden?” vraagt Obdam. “En als ik vragen mag, waarin zal dat bestaan?”

“Herinnert gij u nog die prachtige teekening van een narrenslede, die ik u gisteren liet zien, Obdam?” vraagt de Prins.

“In den vorm van een vergulden, liggenden leeuw?” zegt Obdam. “O voorzeker.”

“Welnu, ik heb er zoo een besteld. Maar natuurlijk zal het geheel met tal van koninklijke kronen prijken. Het paardentuig met gouden franje en kwispels, en 500 vergulde zilveren bellen zal daarbij zeer goed staan. Ik verlang natuurlijk, dat het niet te wereldkundig worde.”

Een page komt binnen en zegt:

“Uwe Hoogheid! De gasten zijn er allen. Het is zeven uren. Beveelt Uwe Hoogheid dat er begonnen worde?”

“Ga de personen in de andere kamer waarschuwen en laat ieder zich op zijn post begeven, opdat zij gereed staan, als het scherm wordt opgehaald. Mijne Heeren! Maakt u gereed.”

En door De Faam geholpen, zet de Prins zijn Mercuriushoed op, neemt zijn staf in de hand en begeeft zich achter het tooneel, om te kunnen verschijnen, als het zijn tijd is.

Daar de zaal echter niet groot genoeg was om meer gasten te bevatten, herhaalde men den volgenden Dinsdag de tooneelvertooning en noodigde, onder andere personen, ook de hoven van justitie uit. Doch deze, gebelgd dat zij op de napret verzocht werden, bedankten. Ook voeren de predikanten er van den predikstoel tegen uit en noemden haar openlijk zondig; zoodat (zegt Aitsema) het bal duizenden had gekost en toch maar onrust gaf.

Eer ik dit Hoofdstuk sluit, moet ik nog een trek van edele onbaatzuchtigheid van den Raadpensionaris verhalen. De Witt kreeg van de Ridderschap ƒ 15,000, van de Hollandsche steden ƒ 42,000. Toen men hem van wege de Staten-Generaal een cadeau van ƒ 100,000 wilde geven, wist hij dat door zijn invloed te beletten.

Vijftiende Hoofdstuk.Wat er met den Prins in Zeeland voorviel.Het was in de maand September 1668. ’s Prinsen goeverneur, de Heer Van Gendt, was om familie-aangelegenheden naarGelderland. Hiervan maakte de Prins, die binnen twee maanden zijn achttiende jaar zou bereiken en dan van alle voogdij ontslagen zijn, gebruik tot het maken van een uitstapje, van hetwelk hij aan geen zijner educatoren kennis gaf.Onder het voorgeven van eenige jachthonden en valken te willen probeeren hem door zijn koninklijken oom Karel II geschonken, was hij heimelijk uitDen Haagvertrokken en had zich met het jacht van Hare Hoogheid de Prinses-weduwe naarBergen-op-Zoombegeven. Daar wachtte hem, volgens afspraak, een ander jacht, van de gecommitteerde Raden van Zeeland, waarop zich eenige van de voornaamste Heeren van die provincie bevonden, om Zijne Hoogheid te ontvangen.Met dit vaartuig voor het hoofd vanArnemuidengekomen, zond men een edelman naarMiddelburg, om de Heeren Staten en gecommitteerde Raden van ’s Prinsen aankomstte verwittigen, die spoedig daarop in een menigte met vlaggen en wimpels versierde sloepen Zijne Hoogheid kwamen afhalen. Zes vendels burgers met hunne vaandels en muziek, stonden bij zijne aankomst teMiddelburgin twee rijen geschaard, om hem te ontvangen, en door die dubbele rijen heen en omstuwd van de edelsten vanZeeland, wandelde hij naar de “Abdy,” die voor hem in orde was gebracht, waar hij zijn intrek nam en waar Pieter de Huybert, Pensionaris vanZeeland, hem met een aanspraak welkom heette.Het was een vreugdedag voor de goede stadMiddelburg. De geheele bevolking poogde, door het uitsteken der vlaggen, algemeene illuminatie en het branden van vreugdevuren, hare blijdschap aan den dag te leggen over de komst van den jeugdigen vorst en van hare gehechtheid aan het geliefde stamhuis vanOranje.Den volgenden dag, Dinsdag den 18denSeptember, werd de Prins in statie afgehaald door eenige afgevaardigden en geleid naar de Vergadering der Staten vanZeeland, te midden van het uitbundig gejuich eener overgroote volksmenigte, die, evenals den vorigen dag, de lucht deed daveren van hun: “Leve de Prins!” en “Oranje boven!”In de vergadering gekomen, werd hij geleid naar de voor hem bestemde eereplaats, en verklaarde de Pensionaris De Huybert uit naam der Staten, datZeelandaltijd geijverd had voor de verheffing van den Prins, datHollandsteeds door zijne oppermacht was tusschenbeide getreden, maar dat dan nu ook eerstgenoemde provincie wenschte gebruik te maken van een recht, dat geen ander gewest haar kon ontnemen, dat zij den Prins wenschte te verheffen tot eerste edele vanZeeland. De Prins beantwoordde deze rede met de volgende aanspraak:“Het standvastig vervolg uwer gunst benoodzaakt mij tot dankbaarheid;en het vorig raadsbesluit tot mijne vordering, wanneer ik achttien jaar bereikte, om de verwachte begeerte niet langer door achterblijven terug te stellen, ten einde ik door gevolmachtigden den plicht van Eersten Edele, ten besten dezer Staat, dankelijk voldoen mag. Dit is niet buyten verstand met de overige Landschappen, byzonderHolland, nastappende de goede voorbeelden onzer Doorluchte vaderen.”Het geschal der trompetten en het donderen van het geschut liet zich nu hooren en de Voorzitter bood den Prins een flesch met gouden dukaten aan, als hulde vanZeeland; waarna Zijne Hoogheid zich in volle statie naar de “Abdy” begaf.Nog denzelfden dag schreef de Prins een brief aan zijne grootmoeder, waarin hij haar kennis gaf van zijn vertrek naarZeeland, alwaar hij zijne goederen wilde bezien, als zijnde het de gewoonte, dat alle vasallen met hun zestiende jaar hunne leenen kwamen verheffen (goederen ontvangen) van de grafelijkheid. InHollandhad de tijding van ’s Prinsen benoeming verschillende uitwerking. De Oranjepartij deed openlijk hare blijdschap over die verheffing blijken, terwijl de aanhangers der Staatspartij het den Prins zeer euvel duidden, dat hij naar een ander gewest was verreisd, zonder er den Staten vanHollandkennis van te geven; ja zelfs waren er, die durfden beweren, dat hij zich ondankbaar toonde jegensHolland, dat hem zooveel weldaden had bewezen.Onze Prins echter dacht er op dit oogenblik weinig aan, hoe de zaak inHollandzou worden opgenomen. Hij was bezig zich te kleeden voor het diner, dat hem dezen middag door de Staten op het stadhuis zou worden aangeboden. Juist was hij daarmede gereed, toen zijn kamerdienaar hem kwam berichten, dat er een meisje was, hetwelk hem wenschte te spreken.“Zeg haar, dat ik geen tijd heb—dat ik niet te spreken ben.”“Dat heb ik haar reeds gezegd, Uwe Hoogheid. Maar zij laatzich niet terugwijzen en heeft mij instantelijk gebeden, Uwe Hoogheid te verzoeken, haar te woord te staan.”De Prins, die zich tegenover het vrouwelijk geslacht nooit op zijn gemak bevond, die daarenboven op dit oogenblik in geen stemming was om zich met andere zaken bezig te houden, antwoordde min of meer knorrig:“Welnu, dan zegt gij haar nogmaals, dat ik vandaag niet te spreken ben. Laat haar morgen terugkomen.”De kamerdienaar ging: doch kwam spoedig terug en bracht zijner Hoogheid een ring mede.“De deern heeft mij dezen ring voor Uwe Hoogheid gegeven,” zeide hij. “Als Uwe Hoogheid dien zag, zou Zij haar wel te woord staan.”De Prins nam den ring, bezag dien en zeide:“Laat het kind in mijn kamer. Ik ken dien ring. Zij heeft mij zeker iets belangrijks mede te deelen.”Weinige minuten later trad de Prins zijn kamer binnen, waar Martha—want mijne lezers zullen wel begrepen hebben, dat zij het was—hem reeds met ongeduld verbeidde. Zoodra zij Zijne Hoogheid zag, barstte zij nu in tranen los. Deze bevond zich daardoor nog minder op zijn gemak. Intusschen vermande hij zich en zeide:“Wie ben je? Wat moet je van mij? Hoe kom je aan dezen ring?”Het meisje droogde hare tranen af.“Uwe Hoogheid!” riep zij uit. “Ik ben de zuster van Pieter Pietersz. Mijn arme broeder zit in de gevangenis.”“In de gevangenis? Wat heeft hij dan gedaan?”“Niets, Uwe Hoogheid! Niets.”“Maar men zet iemand toch niet in de gevangenis, wanneer hij niets gedaan heeft.”“En toch is hij onschuldig, Uwe Hoogheid.”“Onschuldig, en in de gevangenis. Dat komt mij verdacht voor. Waarvan beschuldigt men hem dan?”“Van moord, Uwe Hoogheid. Zij zeggen, dat mijn arme broeder Pieter een moordenaar is. Maar Uwe Hoogheid zal dat toch niet gelooven. Zij weet, dat Pieter een brave jongen is.”De Prins, die wel bemerkte, dat hij met Martha niet vorderde, begreep, dat hij zijn tijd nutteloos verspilde, indien zij niet tot de zaak kwam.“Zeg mij dan, meisje,” hernam hij ongeduldig, “wat er gebeurd is en waartoe je bij mij komt.”“Uwe Hoogheid weet, dat mijn broeder door Uwe aanbevelingals tweede meesterknecht aan de werf der Admiraliteit was geplaatst. Drie maanden geleden kreeg de eerste meesterknecht, die reeds oud was, zijn pensioen en benoemden de heeren van de Admiraliteit mijn broeder in zijne plaats. Hij had nu meer onmiddellijk te doen met den baas van de werf, een man van een ongemakkelijk humeur en met wien hij dikwijls onaangenaamheden had. Intusschen bleven de zaken altijd binnen de palen. Een dag of acht geleden echter had er zulk een hevige twist plaats, dat de baas zich niet ontzag, hem een slag te geven.”“En zulks dien driftkop van een Pieter!” riep de Prins uit. “Toen heeft Pieter hem zeker een ongelukkigen slag toegediend.”“Neen, Uwe Hoogheid,” hernam Martha. “Dat zou misschien het geval zijn geweest (want Pieter is driftig) indien niet de kameraads tusschenbeide waren gekomen, en hem van den baas hadden weggescheurd. Uwe Hoogheid kan zich voorstellen, hoe woedend Pieter was. In zijn drift zwoer hij bij hoog en bij laag, dat het den baas zou berouwen en dat hij het hem betaald zou zetten. Maar Uwe Hoogheid weet ook, dat driftige menschen niet wraakzuchtig zijn. Zoo is het ook met onzen Pieter. Als hij zich omkeert, is hij weer goed. Intusschen kon hij dien slag toch niet verkroppen, en deelde mij mede, dat hij van plan was, den baas bij de Admiraliteit aan te klagen en te verzoeken om verplaatsing. Ik trachtte hem dat uit het hoofd te praten; maar het gelukte niet. Hij kleedde zich aan en ging de deur uit naar den President der Admiraliteit. Hij vond dien echter niet thuis, zooals hij mij verhaalde, toen hij terugkwam.”“En hoe staat dat nu in verband met de beschuldiging?”“Den volgenden morgen werd mijn arme Pieter met schout en dienders de deur uitgehaald. Men had het lijk van den scheepstimmermansbaas op den singel vinden liggen, met een messteek doorboord. Nu had men den twist van den vorigen dag met de woorden van Pieter in verband gebracht, en, daarde moord juist moest hebben plaats gehad in den tijd, dat mijn broeder naar den President der Admiraliteit was, zoo begreep men, dat zij elkander ontmoet hadden, en de twist opnieuw begonnen was; ja, sommigen gingen zelfs zoo ver, van te beweren, dat Pieter hem had opgewacht, om zoo zijn wraakzucht te koelen.”“Daar heeft het dan ook veel van, meisje,” zeide de Prins “en uw broeder zal zich moeielijk uit deze zaak redden. Zijn ontkennen zal hem weinig helpen.”“Maar Uwe Hoogheid gelooft toch niet, dat Pieter schuldig is?”“Ik kan noch over zijne schuld, noch over zijne onschuld beslissen,” hernam de Prins. “Maar wat voert je totmij?”“Ik hoorde gisteravond, dat Uwe Hoogheid teMiddelburgwas aangekomen, en ging van morgen reeds vroeg naar de gevangenis, om het Pieter mede te deelen. Toen gaf hij mij den ring, dien Uwe Hoogheid hem eens had geschonken, en bad mij, naar U toe te gaan, met de bede om hem te hulp te komen. Begrijp eens, Uwe Hoogheid! men heeft hem reeds met de pijnbank gedreigd.”“Met de pijnbank!” zeide de Prins bedenkelijk. “Hoor eens, meisje,” ging hij voort. “Ik zal doen wat ik kan. Maar je weet: het recht moet zijn loop hebben, en als je broeder schuldig is, kan ik er niets aan doen. Zeg hem intusschen, dat ik hem morgen kom bezoeken.”“Uwe Hoogheid zal mijn armen Pieter in zijn gevangenis bezoeken!” riep Martha uit, terwijl zij de hand van den Prins greep en die kuste. “In trouwe, dat zal den goeden jongen een groote troost zijn!”“Ga nu heen! Hier is de ring van je broeder. Wacht!—Ga naar den schout en verzoek hem uit mijn naam, tot geen pijnlijke middelen over te gaan alvorens ik hem gesproken heb.”“Ik dank Uwe Hoogheid!” zeide Martha. “God moge haar zegenen voor hetgeen zij aan mijn broeder doet!”Onder den maaltijd sprak de Prins met den Pensionaris De Huybert, die advokaat was, over zijn gunsteling, en verzocht hem, zich met een onderzoek van die zaak te belasten. Daar de Pensionaris den Prins den volgenden dag naarVlissingenzou vergezellen, waar Zijne Hoogheid de werven der Admiraliteit in oogenschouw zou nemen, was dat een gemakkelijke zaak. Ook beloofde de Pensionaris den Prins, hem in de gevangenis te vergezellen en den gevangene zelf te ondervragen.’t Was den volgenden dag een vreugde inVlissingen, toen de Prins daar kwam. Nadat Zijne Hoogheid, door al de leden der Admiraliteit vergezeld, de werven bezichtigd had, begaf Zij zich met den heer De Huybert naar den Schout, en liet zich de stukken betreffende de rechtzaak van Pieter geven. Toen de Pensionaris de akten had doorgelezen, zeide hij:“Mijnheer de Schout! Er bestaan hier geene termen, die u van rechtswege dwingen, tot de pijnbank over te gaan. Wel is waar, de beklaagdepersisteert1bij zijne onschuld. Maar gij hebt geen anderepresumptie2, dan een twist, een ontvangene beleediging en eenige woorden in drift geuit. Het vorige leven van den jongelingprouveert3tegen de misdaad. Ook bestaat er—en dat verzoek ik u vooral teconsidereeren4,—volstrekt geencorpus delicti5en waar dat ontbreekt en geen getuigen zijn om de misdaad teconfirmeeren6schrijft de wet eerder voorzichtigheid voor dan pijn en banden.”“Daarbij komt,” merkte de Prins aan, “dat de beklaagde bij mij bekend staat als een driftkop, die echter zich niet omkeert, of de toorn is bedaard. Wraakzucht is nooit zijn zwak geweest.” En de Prins verhaalde het gebeurde op het veldijs.“Gij ziet, mijnheer de Schout,” hernam de Pensionaris, “dat er hierpremissen7bestaan, die genoegprouveeren, dat naar alle waarschijnlijkheid de misdaad niet is gepleegd door den beklaagde: omdat er sprake is van moord metvoorbedachten rade. Mijns erachtens8moogt gij de pijnbank nietappliceeren9.”“Het oordeel van UEdelgestrenge is mij een wet,” zeide de Schout. “Intusschen geloof ik, dat er geenemotieven10bestaan tot vrijspraak.”“Dat volstrekt niet,” hernam de Pensionaris. “De voorzichtigheid eischt, den gevangene te houden tot er meerdere bewijzen zijn tot zijne loslating. Zoo lang blijven er zwarepresumptiëntegen hem bestaan.”Op dit oogenblik werd den Schout een verzegelde brief overhandigd.“Daar is haast bij,” zeide de klerk, die den brief overreikte. “Een bode, die hem bracht, heeft mij aanbevolen, UEd. dien terstond te overhandigen met de boodschap om hem onmiddellijk te lezen.”De Schout nam den brief aan, en zich tot den Prins wendende, zeide hij:“Met uw verlof, Uwe Hoogheid!”“Ga uw gang, heer Schout,” antwoordde de Prins. “Dienstzaken gaan vóór alles.”De Schout las, en onder het lezen helderde zijn gelaat op.“Uw gunsteling is vrij, Uwe Hoogheid!” zeide hij. “De ware moordenaar is ontdekt.”“Wat zegt gij?” riep de Prins uit.“Lees zelf, Uwe Hoogheid!” antwoordde de Schout.De Prins nam den brief en las:Uyt Zierikzee, den 19denvan Herfstmaend, 1668.Edele, gestrenge, Erentfeste, welwijze zeer voorzienige Heere!Mitsdien het eene sake van groot gewicht is, recht ende gerechtigheyt te bevorderen, zo sy UEd. mitsdezen gemelt, dat de persoon van Pieter Pietersz, die by UEd. in detensie is zittende, onder presumptie van vermoord te hebben den scheepstimmerman Adriaan Roelofsz, aen dat forfeit ten eenemale onschuldig is. Het bovenstaende sal UEd. duidelijck blijcken uyt nevensghaende confessie, door den waren schuldighen gedaen aen my in presentie van twee getuyghen, waervan is acte opgemaeckt door my, Schoute van de goede stadt vanZierikzee.UEd. aenbevelende in de hoede en de gunst des Hemels, versoeck ik UEd. my te geloove.Edele, gestrenge, erentfeste, welwijze zeer voorzienige HeereUwen Dienstwilligen Dienaeren oprechten vrundJan Douwes de Beer.De Prins las den brief en de ingesloten akte, waarvan wij alleen den inhoud willen mededeelen.Den avond van den 17denSeptember, had er tusschen een paar matrozen en twee andere personen in de herberg “de Schiemansmaat” teZierikzeeeen gevecht met messen plaats gehad, waarbij een der vechtenden, de ons bekende Jan IJzer, doodelijk was gewond. De geneesheer, die geroepen was, verklaarde dan ook aan den gewonde, dat hij nog slechts weinige uren te leven had, en zond hem een predikant. De stervende nu, in den grootsten doodsangst zijnde, bekende den geestelijke, dat hij kort geleden een moord had begaan, waarvoor een onschuldigein de gevangenis zat. De predikant maande hem aan deze zaak aan de bevoegde autoriteit mede te deelen, en zorgde dan ook dat de Schout met twee getuigen aan zijn sterfbed kwam, aan welke hij de volgende bekentenis deed:Meer dan een jaar geleden, had Jan IJzer op de werf der Admiraliteit als knecht gewerkt, doch op diefstal betrapt, was hij door den scheepstimmerman Adriaan Roelofsz, ondanks zijn smeeken, aan de bevoegde autoriteit overgeleverd, die hem daarvoor tot geeseling op het schavot had veroordeeld, welke straf hij dan ook had ondergaan, kort voor Pieters komst op de werf. Daarna uit de stad en hare jurisdictie verbannen, had hij elders een goed heenkomen moeten zoeken; terwijl hij echter in zijn hart zwoer, te eenigen tijde wraak te nemen op den onbarmhartigen Roelofsz. Met dit doel was hij, toevallig op den dag van den twist tusschen Pieter en den scheepstimmermansbaas, in het geheim teVlissingengekomen, om zijn opzet te volvoeren. Hij wist, dat Adriaan Roelofsz, om van de werf naar zijn huis te komen, den singel moest loopen en had hem op de donkerste en eenzaamste plaats opgewacht en vermoord. Voor hij den volgenden dag vertrok, vernam hij de gevangenneming van Pieter en de zware verdenking, die er op dezen rustte. Volkomen gerust, dat men nu hem niet van den moord kon verdenken, verliet hij den volgenden dag tegen den avond de stad en had zich naarZierikzeebegeven, alwaar hij dien bewusten avond in den ons bekenden twist werd gewond. Zóó slecht nu was onze Jan niet, dat hij met een dubbelen moord op zijn geweten de eeuwigheid had durven ingaan. Het overige is ons bekend. Hij toonde innig berouw over zijne zonden, en stierf omtrent twee uren daarna. Schout De Beer, vreezende, dat het anders te laat mocht komen, had zich gehaast de akte op te maken en die met den bijliggenden brief door een bode naarVlissingenlaten brengen.Toen de Prins beide stukken gelezen had, zeide hij:“Mijnheer de Schout, gij kunt mij een dienst bewijzen.”“Ik, Uwe Hoogheid? Spreek, en als het in mijne macht staat U genoegen te doen, zal het van mij niet afhangen.”“Reeds vooraf dank voor Uwe goedheid,” hernam de Prins. “Leen mij voor een paar uren deze papieren, en geef mij een bevel van vrijstelling voor den gevangene.”“Uwe Hoogheid heeft slechts te bevelen,” antwoordde de Schout. “Ik zal Haar dadelijk het bevel van vrijlating opmaken.”“Ga uw gang,” hernam de Prins. “Ik zal er op wachten.”“Welnu, Uwe Hoogheid,” zeide de Pensionaris. “Had ik ongelijk, toen ik U zeide, dat er meer doorslaande bewijzen voor de schuld des beklaagden moesten zijn?”“Ik bewonder Uwer Edelheids diepe rechtskundige kennis. Indien ik daarvan niet overtuigd geweest ware, zou ik dan van U de moeite hebben gevergd, die ik van U heb gevraagd?”“Uwe Hoogheid te dienen zal steeds het hoogste voorwerp van mijn streven zijn,” hernam de Pensionaris.“Ik dank U, mijnheer de Pensionaris. En uw aanbod maakt mij zoo vrij, nogmaals van Uwe goedheid gebruik te maken en U te verzoeken, mij naar den President der Admiraliteit te vergezellen.”“Het zal mij een singuliere eer zijn, Uwe Hoogheid,” was het antwoord van den Pensionaris.Op dit oogenblik kwam de Schout met het beloofde vrijlatingsbiljet binnen en overhandigde het den Prins.“Ik dank U, mijnheer de Schout,” antwoordde deze, terwijl hij opstond om heen te gaan. “Ik kan er nu zeker van zijn, dat de gevangene niet los komt, vóór ik hem ga halen.”“Daarvan kan Uwe Hoogheid ten volle verzekerd zijn,” gaf de Schout ten antwoord, terwijl hij den Prins naar de karos geleidde, die hem wachtte.Op het oogenblik, dat de karos zou wegrijden, wenkte de Prins den Schout, die met ontblooten hoofde op zijn stoep stond.“Nog een verzoek, mijnheer de Schout,” zeide hij. “Wees zoo goed, te zorgen, dat de zuster van den gevangene zich bij hem in den kerker bevindt. Over een uur denk ik hem te verlossen. Dat echter alles een diep geheim blijve.”Wij treden ongeveer een uur later in de gevangenis van Pieter binnen. Het is een treurig verblijf, zooals de gevangenissen trouwens gewoonlijk zijn. Een houten bank en een strooleger zijn het geheele ameublement, terwijl een aarden kruik met water op den grond staat en het nog onaangeroerde zwarte brood aantoont, dat de arme jongeling weinig appetijt heeft. Treurig en in zich zelf verzonken zit hij daar op de ruwe bank; gisteren toch bij het laatste verhoor heeft de Schout hem met de pijnbank gedreigd. Die pijnbank was een vreeselijk werktuig, nog uit de middeleeuwen afkomstig, waarop de ongelukkige werd gelegd en zijne ledematen zoolang werden uitgerekt, of door schroeven verwrongen en gekneld, tot hij bekende—niet altijd wat hij gedaan had, maar ook dikwerf wat men wilde dat hij bekennen zou. Zou hij bij de ontkenning der hem toegelegde misdaad kunnen volharden, of zouden de pijnen hem dwingen tot de bekentenis van een daad, waaraan hij geheel en al onschuldig was?—En als hij bekende—dan werd zijn doodvonnis geveld, dan kon hij de dagen wel tellen, die hij nog te leven had. En dan te sterven—zoo jong, zoo levenslustig!—En dan zóó te sterven—op een schavot, onder beulshanden!—Vreeselijk!—Maar Martha had hem beloofd, naar den Prins te gaan, die inMiddelburgwas. Zou die gang wat uitwerken? Wat zou Zijne Hoogheid er aan doen?—Zou die bij machte zijn, het recht te keeren?—Daartoe immers ontbrak Haar de macht.Deze en dergelijke gedachten vervulden de ziel van onzenarmen Pieter, en maakten hem angstig. Hij vouwde de handen, sloot de oogen en bad—bad lang en vurig tot God om uitredding, smeekte Hem om hem kracht te schenken in de verdrukking en zijn onschuld aan het licht te brengen. Bemoedigd stond hij op; want er is niets dat den mensch meer moed schenkt in het ongeluk, dan het gebed. Dat had Pieter reeds van zijn vader geleerd, dat had zijne brave Admiraal hem zoo dikwerf ingeprent,—dat had hij dan ook reeds meermalen ondervonden. Hij wandelde eenige malen zijn engen kerker op en neer, toen hij den grendel van zijn deur hoorde afschuiven. De deur ging open, en Martha stond voor hem.“Daar doe je goed aan, Martha!” zeide Pieter, “dat je mij komt vertroosten. En heb je den Prins gezien? Heb je hem gesproken? Geloofde hij aan mijn onschuld, of hield hij mij voor schuldig?”“Ik zou je reeds vroeger bezocht hebben,” antwoordde Martha, “maar toen ik van morgen aan je gevangenis kwam, weigerden zij mij den toegang. Nu echter ben ik door een dienaar van den Schout geroepen, om bij je te komen. Wat wil je van mij?”“Ik?”—hernam Pieter. “Ik weet er niets van. Maar antwoord mij op mijne vragen. Hoe heb je het bij den Prins gevonden?”Martha verhaalde hem hare ontmoeting met den Prins. Toen zij geëindigd had zeide Pieter:“Zal Zijne Hoogheid mij komen bezoeken? En heeft hij dat gezegd?—Maar” ... vervolgde hij treurig, “zou hij zijn woord houden? Ach, Martha! zulke groote heeren weten zoo weinig, wat een arm mensch lijdt.”“Zijne Hoogheidzalwoord houden,” hervatte Martha. “Reeds het verzoek, dat ik van morgen uit zijn naam aan den Schout heb gedaan, heeft je voor heden van de pijnbank bevrijd. Hoop dus.”“Hopen, Martha! En de Prins zelf heeft gezegd, dat hij erniets aan zou kunnen doen en dat het recht zijn loop moest hebben.”“Dat is waar—doch.... Luister, daar komen menschen. Ik hoor stappen in de gang. Zou het Zijne Hoogheid zijn?”“Misschien wel.—Is hij dan reeds hier?”“O, ja—reeds van morgen gekomen. Hij heeft de werven der Admiraliteit bezocht. Hij ...”Martha kon niet voleindigen wat zij wilde zeggen; want de deur ging open en de Prins gevolgd, door den Pensionaris De Huybert, den Schout en twee heeren der Admiraliteit, trad de gevangenis binnen.“Pieter Pietersz,” begon de Prins, terwijl zijn gelaat van dat innige genoegen straalde, hetwelk men ondervindt als men wéldoet. “Pieter Pietersz, ik breng je goede tijding!”“Goede tijding, Uwe Hoogheid! Zal men dan eindelijk overtuigd zijn, dat ik geen moordenaar ben?”“Dat zou je weinig baten, mijn vriend,” hernam de Prins. “Dan zou men je bij gebrek aan bewijzen loslaten en geheelVlissingenzou je houden voor den moordenaar van Adriaan Roelofsz.”Pieter liet het hoofd zakken.“Ik breng je betere tijding,” hervatte de Prins. “Je onschuld is aan het licht gekomen; want de ware schuldige is ontdekt.”“Gode zij dank!” riep de jongeling uit, en deze tijding ontstelde hem zoo zeer, dat hij schier bewusteloos op de bank nederzonk. Martha ondersteunde hem. Spoedig echter herstelde hij zich, trad naar den Prins toe, greep diens hand en overdekte die met zijne kussen.“En Uwe Hoogheid zelf wilde mij met deze tijding verrassen!” riep hij uit. “En ik ben dus vrij? Vrij! Groote God! Men moet gevangen zijn geweest, om te weten, wat dat woord beteekent.”“Je bent vrij, Pieter!” hernam de Prins, “en weer hersteldin je eer. Daarvoor zal mijnheer de Schout zorg dragen. Intusschen—je hebt veel geleden, mijn arme jongen! en ik meende, dat eene kleine vergoeding je wel toekwam.—Pieter Pietersz,” ging de Prins voort, terwijl hij hem een papier overreikte, waaraan een zegel in was hing. “De Admiraliteit kent je als een kundig timmerman en als een ijverig en bezadigd mensch. Zij kent je als eerlijk en rechtschapen; zij weet dat je den scheepsbouw in den grond verstaat.—Pieter Pietersz, hier overhandig ik je je aanstelling als scheepstimmermansbaas, in plaats van den vermoorden Adriaan Roelofz, op de werf der Admiraliteit vanZeeland.”Op deze woorden zonk Pieter op eene knie; ook Martha wierp zich aan de voeten van den Prins en omklemde die.“Mijn weldoener!” stamelde Pieter.“Engel in menschengedaante!” riep Martha.“Stil, stil,” zeide de Prins. “Je zoudt mij haast spijt doen krijgen, dat ik hier gekomen ben. Staat op. Alleen voor Hem moet men knielen, voor wien wij allen gelijk zijn.”“Hoe zal ik Uwe Hoogheid ooit kunnen vergelden, wat zij voor mij gedaan heeft!” riep Pieter, opstaande uit.“Dank er God voor, Pieter! die op zulk eene wonderbare wijs je onschuld aan het licht heeft doen komen. Dezelfde, dien je als knaap eens het leven hebt gered, is nu door Gods bestuur, de redder van je eer en je leven geworden.”“Jan IJzer?” riep Pieter uit.“Juist, Jan Jansz. IJzer was de moordenaar. Op zijn sterfbed heeft hij het bekend. Maar nu—ga met mij. Ik zelf zal je op de werf brengen, waar deze Heeren je zullen installeeren, terwijl mijnheer de Schout je in je eer zal herstellen. Ook jij moet mede, edel meisje!” vervolgde hij tegen Martha. “Je bent getuige geweest van zijn vernedering en schande,—je zult het nu zijn van zijne verhooging en zijne eer.”Aan de deur der gevangenis gekomen, was het daar zwart van menschen, die niet alleen den Prins wilden zien, maar ook wilden weten, wat Zijne Hoogheid in de gevangenis mocht hebben gedaan. Maar, hoe verwonderd zij ook stonden, toen de Prins den van moord verdachten Pieter en diens zuster Martha bij zich in de karos nam, er klonk een luid: “Vivat! lang leve de Prins van Oranje!” uit aller mond. De karos van den Prins werd door een andere gevolgd, waarin de vier heeren zaten, die Zijne Hoogheid vergezeld hadden. Spoorslags reed men naar de werf, waar alles nog groen gemaakt en versierd was als het dien morgen was geweest ter eere van den Prins.Hier hield een der Heeren der Admiraliteit een toespraak tot het werkvolk, waarin hij hun mededeelde, hoe de ware schuldige ontdekt en hoe nu de brave Pieter Pietersz in zijn eerhersteld was. Tevens installeerde hij den jongeling als baas van de werf, en beval aan het werkvolk hem als zoodanig te gehoorzamen. Hij liet daarbij duidelijk doorstralen, dat het de Prins was, die tot dat alles krachtdadig had medegewerkt en dat de benoeming van den voormaligen meesterknecht grootendeels aan Zijne Hoogheid was te danken. Gij kunt u voorstellen, welk een gejuich deze woorden bij het werkvolk veroorzaakten. ’t Was of er geen eind aan zou komen. Verscheidene werklieden drongen op Pieter toe, om hem de hand te drukken en hem geluk te wenschen met den keer, dien zijn lot had genomen: want bij allen op de werf was de gewezen meesterknecht geacht en bemind.Om de kroon op zijn weldaad te zetten, stelde de Prins Pieter een som gelds ter hand, waarvoor hij het werkvolk van de werf kon trakteeren. Denzelfden dag vertrok hij naarGoes. Dien avond vierde men op de werf feest. Maar wie er vergeten werd—niet Prins Willem Hendrik vanOranje, op wien menige dronk werd uitgebracht; terwijl allen het daarin eens waren, dat Zijne Hoogheid een waardige afstammeling was van het doorluchtig stamhuis, waaruit hij was gesproten.Wij zagen reeds, hoe men hier inHollandover het uitstapje van den Prins oordeelde;—wat de Raadpensionaris er van zeide, meldt ons de historie niet. Intusschen liet de stadAmsterdamin het volgende jaar eenige geneigdheid blijken, om den Prins zitting te geven in den Raad van State; zelfs ondersteunde burgemeester Koenraad van Beuningen deze bevordering met alle macht; want in de hoofdstad had zich een partij gevormd, die begon te begrijpen, dat de stedenLeiden,DordrechtenRotterdam, door De Witt gesteund, zich te veel in ’s Lands vergadering aanmatigden.Amsterdamtoch, dat de helft in de belastingen betaalde, kon en wilde dat overwicht niet langer dulden. Toch duurde het nog twee jaren,eer de Prins zitting nam in den Raad van State. De Staten vanHollandechter schonken hem nog in 1669 de vrije jacht in den omtrek van het huis teHondsholredijk.En nu, mijne lezeressen en lezers, hoop ik dat gij uit mijn boekje zult hebben geleerd twee personen achting toe te dragen om hunne buitengewone hoedanigheden, twee personen, die ten allen tijde de achting zullen verdienen van allen die wèl denken:Prins Willem III en den Raadpensionaris Johan de Witt.1Blijft.2Vermoeden.3Bewijst.4In het oog te houden.5Lichamelijk bewijs.6Bevestigen.7Voorafgaande bewijzen.8Volgens mijn oordeel.9Toepassen.10Redenen.

Het was in de maand September 1668. ’s Prinsen goeverneur, de Heer Van Gendt, was om familie-aangelegenheden naarGelderland. Hiervan maakte de Prins, die binnen twee maanden zijn achttiende jaar zou bereiken en dan van alle voogdij ontslagen zijn, gebruik tot het maken van een uitstapje, van hetwelk hij aan geen zijner educatoren kennis gaf.

Onder het voorgeven van eenige jachthonden en valken te willen probeeren hem door zijn koninklijken oom Karel II geschonken, was hij heimelijk uitDen Haagvertrokken en had zich met het jacht van Hare Hoogheid de Prinses-weduwe naarBergen-op-Zoombegeven. Daar wachtte hem, volgens afspraak, een ander jacht, van de gecommitteerde Raden van Zeeland, waarop zich eenige van de voornaamste Heeren van die provincie bevonden, om Zijne Hoogheid te ontvangen.

Met dit vaartuig voor het hoofd vanArnemuidengekomen, zond men een edelman naarMiddelburg, om de Heeren Staten en gecommitteerde Raden van ’s Prinsen aankomstte verwittigen, die spoedig daarop in een menigte met vlaggen en wimpels versierde sloepen Zijne Hoogheid kwamen afhalen. Zes vendels burgers met hunne vaandels en muziek, stonden bij zijne aankomst teMiddelburgin twee rijen geschaard, om hem te ontvangen, en door die dubbele rijen heen en omstuwd van de edelsten vanZeeland, wandelde hij naar de “Abdy,” die voor hem in orde was gebracht, waar hij zijn intrek nam en waar Pieter de Huybert, Pensionaris vanZeeland, hem met een aanspraak welkom heette.

Het was een vreugdedag voor de goede stadMiddelburg. De geheele bevolking poogde, door het uitsteken der vlaggen, algemeene illuminatie en het branden van vreugdevuren, hare blijdschap aan den dag te leggen over de komst van den jeugdigen vorst en van hare gehechtheid aan het geliefde stamhuis vanOranje.

Den volgenden dag, Dinsdag den 18denSeptember, werd de Prins in statie afgehaald door eenige afgevaardigden en geleid naar de Vergadering der Staten vanZeeland, te midden van het uitbundig gejuich eener overgroote volksmenigte, die, evenals den vorigen dag, de lucht deed daveren van hun: “Leve de Prins!” en “Oranje boven!”

In de vergadering gekomen, werd hij geleid naar de voor hem bestemde eereplaats, en verklaarde de Pensionaris De Huybert uit naam der Staten, datZeelandaltijd geijverd had voor de verheffing van den Prins, datHollandsteeds door zijne oppermacht was tusschenbeide getreden, maar dat dan nu ook eerstgenoemde provincie wenschte gebruik te maken van een recht, dat geen ander gewest haar kon ontnemen, dat zij den Prins wenschte te verheffen tot eerste edele vanZeeland. De Prins beantwoordde deze rede met de volgende aanspraak:

“Het standvastig vervolg uwer gunst benoodzaakt mij tot dankbaarheid;en het vorig raadsbesluit tot mijne vordering, wanneer ik achttien jaar bereikte, om de verwachte begeerte niet langer door achterblijven terug te stellen, ten einde ik door gevolmachtigden den plicht van Eersten Edele, ten besten dezer Staat, dankelijk voldoen mag. Dit is niet buyten verstand met de overige Landschappen, byzonderHolland, nastappende de goede voorbeelden onzer Doorluchte vaderen.”

Het geschal der trompetten en het donderen van het geschut liet zich nu hooren en de Voorzitter bood den Prins een flesch met gouden dukaten aan, als hulde vanZeeland; waarna Zijne Hoogheid zich in volle statie naar de “Abdy” begaf.

Nog denzelfden dag schreef de Prins een brief aan zijne grootmoeder, waarin hij haar kennis gaf van zijn vertrek naarZeeland, alwaar hij zijne goederen wilde bezien, als zijnde het de gewoonte, dat alle vasallen met hun zestiende jaar hunne leenen kwamen verheffen (goederen ontvangen) van de grafelijkheid. InHollandhad de tijding van ’s Prinsen benoeming verschillende uitwerking. De Oranjepartij deed openlijk hare blijdschap over die verheffing blijken, terwijl de aanhangers der Staatspartij het den Prins zeer euvel duidden, dat hij naar een ander gewest was verreisd, zonder er den Staten vanHollandkennis van te geven; ja zelfs waren er, die durfden beweren, dat hij zich ondankbaar toonde jegensHolland, dat hem zooveel weldaden had bewezen.

Onze Prins echter dacht er op dit oogenblik weinig aan, hoe de zaak inHollandzou worden opgenomen. Hij was bezig zich te kleeden voor het diner, dat hem dezen middag door de Staten op het stadhuis zou worden aangeboden. Juist was hij daarmede gereed, toen zijn kamerdienaar hem kwam berichten, dat er een meisje was, hetwelk hem wenschte te spreken.

“Zeg haar, dat ik geen tijd heb—dat ik niet te spreken ben.”

“Dat heb ik haar reeds gezegd, Uwe Hoogheid. Maar zij laatzich niet terugwijzen en heeft mij instantelijk gebeden, Uwe Hoogheid te verzoeken, haar te woord te staan.”

De Prins, die zich tegenover het vrouwelijk geslacht nooit op zijn gemak bevond, die daarenboven op dit oogenblik in geen stemming was om zich met andere zaken bezig te houden, antwoordde min of meer knorrig:

“Welnu, dan zegt gij haar nogmaals, dat ik vandaag niet te spreken ben. Laat haar morgen terugkomen.”

De kamerdienaar ging: doch kwam spoedig terug en bracht zijner Hoogheid een ring mede.

“De deern heeft mij dezen ring voor Uwe Hoogheid gegeven,” zeide hij. “Als Uwe Hoogheid dien zag, zou Zij haar wel te woord staan.”

De Prins nam den ring, bezag dien en zeide:

“Laat het kind in mijn kamer. Ik ken dien ring. Zij heeft mij zeker iets belangrijks mede te deelen.”

Weinige minuten later trad de Prins zijn kamer binnen, waar Martha—want mijne lezers zullen wel begrepen hebben, dat zij het was—hem reeds met ongeduld verbeidde. Zoodra zij Zijne Hoogheid zag, barstte zij nu in tranen los. Deze bevond zich daardoor nog minder op zijn gemak. Intusschen vermande hij zich en zeide:

“Wie ben je? Wat moet je van mij? Hoe kom je aan dezen ring?”

Het meisje droogde hare tranen af.

“Uwe Hoogheid!” riep zij uit. “Ik ben de zuster van Pieter Pietersz. Mijn arme broeder zit in de gevangenis.”

“In de gevangenis? Wat heeft hij dan gedaan?”

“Niets, Uwe Hoogheid! Niets.”

“Maar men zet iemand toch niet in de gevangenis, wanneer hij niets gedaan heeft.”

“En toch is hij onschuldig, Uwe Hoogheid.”

“Onschuldig, en in de gevangenis. Dat komt mij verdacht voor. Waarvan beschuldigt men hem dan?”

“Van moord, Uwe Hoogheid. Zij zeggen, dat mijn arme broeder Pieter een moordenaar is. Maar Uwe Hoogheid zal dat toch niet gelooven. Zij weet, dat Pieter een brave jongen is.”

De Prins, die wel bemerkte, dat hij met Martha niet vorderde, begreep, dat hij zijn tijd nutteloos verspilde, indien zij niet tot de zaak kwam.

“Zeg mij dan, meisje,” hernam hij ongeduldig, “wat er gebeurd is en waartoe je bij mij komt.”

“Uwe Hoogheid weet, dat mijn broeder door Uwe aanbevelingals tweede meesterknecht aan de werf der Admiraliteit was geplaatst. Drie maanden geleden kreeg de eerste meesterknecht, die reeds oud was, zijn pensioen en benoemden de heeren van de Admiraliteit mijn broeder in zijne plaats. Hij had nu meer onmiddellijk te doen met den baas van de werf, een man van een ongemakkelijk humeur en met wien hij dikwijls onaangenaamheden had. Intusschen bleven de zaken altijd binnen de palen. Een dag of acht geleden echter had er zulk een hevige twist plaats, dat de baas zich niet ontzag, hem een slag te geven.”

“En zulks dien driftkop van een Pieter!” riep de Prins uit. “Toen heeft Pieter hem zeker een ongelukkigen slag toegediend.”

“Neen, Uwe Hoogheid,” hernam Martha. “Dat zou misschien het geval zijn geweest (want Pieter is driftig) indien niet de kameraads tusschenbeide waren gekomen, en hem van den baas hadden weggescheurd. Uwe Hoogheid kan zich voorstellen, hoe woedend Pieter was. In zijn drift zwoer hij bij hoog en bij laag, dat het den baas zou berouwen en dat hij het hem betaald zou zetten. Maar Uwe Hoogheid weet ook, dat driftige menschen niet wraakzuchtig zijn. Zoo is het ook met onzen Pieter. Als hij zich omkeert, is hij weer goed. Intusschen kon hij dien slag toch niet verkroppen, en deelde mij mede, dat hij van plan was, den baas bij de Admiraliteit aan te klagen en te verzoeken om verplaatsing. Ik trachtte hem dat uit het hoofd te praten; maar het gelukte niet. Hij kleedde zich aan en ging de deur uit naar den President der Admiraliteit. Hij vond dien echter niet thuis, zooals hij mij verhaalde, toen hij terugkwam.”

“En hoe staat dat nu in verband met de beschuldiging?”

“Den volgenden morgen werd mijn arme Pieter met schout en dienders de deur uitgehaald. Men had het lijk van den scheepstimmermansbaas op den singel vinden liggen, met een messteek doorboord. Nu had men den twist van den vorigen dag met de woorden van Pieter in verband gebracht, en, daarde moord juist moest hebben plaats gehad in den tijd, dat mijn broeder naar den President der Admiraliteit was, zoo begreep men, dat zij elkander ontmoet hadden, en de twist opnieuw begonnen was; ja, sommigen gingen zelfs zoo ver, van te beweren, dat Pieter hem had opgewacht, om zoo zijn wraakzucht te koelen.”

“Daar heeft het dan ook veel van, meisje,” zeide de Prins “en uw broeder zal zich moeielijk uit deze zaak redden. Zijn ontkennen zal hem weinig helpen.”

“Maar Uwe Hoogheid gelooft toch niet, dat Pieter schuldig is?”

“Ik kan noch over zijne schuld, noch over zijne onschuld beslissen,” hernam de Prins. “Maar wat voert je totmij?”

“Ik hoorde gisteravond, dat Uwe Hoogheid teMiddelburgwas aangekomen, en ging van morgen reeds vroeg naar de gevangenis, om het Pieter mede te deelen. Toen gaf hij mij den ring, dien Uwe Hoogheid hem eens had geschonken, en bad mij, naar U toe te gaan, met de bede om hem te hulp te komen. Begrijp eens, Uwe Hoogheid! men heeft hem reeds met de pijnbank gedreigd.”

“Met de pijnbank!” zeide de Prins bedenkelijk. “Hoor eens, meisje,” ging hij voort. “Ik zal doen wat ik kan. Maar je weet: het recht moet zijn loop hebben, en als je broeder schuldig is, kan ik er niets aan doen. Zeg hem intusschen, dat ik hem morgen kom bezoeken.”

“Uwe Hoogheid zal mijn armen Pieter in zijn gevangenis bezoeken!” riep Martha uit, terwijl zij de hand van den Prins greep en die kuste. “In trouwe, dat zal den goeden jongen een groote troost zijn!”

“Ga nu heen! Hier is de ring van je broeder. Wacht!—Ga naar den schout en verzoek hem uit mijn naam, tot geen pijnlijke middelen over te gaan alvorens ik hem gesproken heb.”

“Ik dank Uwe Hoogheid!” zeide Martha. “God moge haar zegenen voor hetgeen zij aan mijn broeder doet!”

Onder den maaltijd sprak de Prins met den Pensionaris De Huybert, die advokaat was, over zijn gunsteling, en verzocht hem, zich met een onderzoek van die zaak te belasten. Daar de Pensionaris den Prins den volgenden dag naarVlissingenzou vergezellen, waar Zijne Hoogheid de werven der Admiraliteit in oogenschouw zou nemen, was dat een gemakkelijke zaak. Ook beloofde de Pensionaris den Prins, hem in de gevangenis te vergezellen en den gevangene zelf te ondervragen.

’t Was den volgenden dag een vreugde inVlissingen, toen de Prins daar kwam. Nadat Zijne Hoogheid, door al de leden der Admiraliteit vergezeld, de werven bezichtigd had, begaf Zij zich met den heer De Huybert naar den Schout, en liet zich de stukken betreffende de rechtzaak van Pieter geven. Toen de Pensionaris de akten had doorgelezen, zeide hij:

“Mijnheer de Schout! Er bestaan hier geene termen, die u van rechtswege dwingen, tot de pijnbank over te gaan. Wel is waar, de beklaagdepersisteert1bij zijne onschuld. Maar gij hebt geen anderepresumptie2, dan een twist, een ontvangene beleediging en eenige woorden in drift geuit. Het vorige leven van den jongelingprouveert3tegen de misdaad. Ook bestaat er—en dat verzoek ik u vooral teconsidereeren4,—volstrekt geencorpus delicti5en waar dat ontbreekt en geen getuigen zijn om de misdaad teconfirmeeren6schrijft de wet eerder voorzichtigheid voor dan pijn en banden.”

“Daarbij komt,” merkte de Prins aan, “dat de beklaagde bij mij bekend staat als een driftkop, die echter zich niet omkeert, of de toorn is bedaard. Wraakzucht is nooit zijn zwak geweest.” En de Prins verhaalde het gebeurde op het veldijs.

“Gij ziet, mijnheer de Schout,” hernam de Pensionaris, “dat er hierpremissen7bestaan, die genoegprouveeren, dat naar alle waarschijnlijkheid de misdaad niet is gepleegd door den beklaagde: omdat er sprake is van moord metvoorbedachten rade. Mijns erachtens8moogt gij de pijnbank nietappliceeren9.”

“Het oordeel van UEdelgestrenge is mij een wet,” zeide de Schout. “Intusschen geloof ik, dat er geenemotieven10bestaan tot vrijspraak.”

“Dat volstrekt niet,” hernam de Pensionaris. “De voorzichtigheid eischt, den gevangene te houden tot er meerdere bewijzen zijn tot zijne loslating. Zoo lang blijven er zwarepresumptiëntegen hem bestaan.”

Op dit oogenblik werd den Schout een verzegelde brief overhandigd.

“Daar is haast bij,” zeide de klerk, die den brief overreikte. “Een bode, die hem bracht, heeft mij aanbevolen, UEd. dien terstond te overhandigen met de boodschap om hem onmiddellijk te lezen.”

De Schout nam den brief aan, en zich tot den Prins wendende, zeide hij:

“Met uw verlof, Uwe Hoogheid!”

“Ga uw gang, heer Schout,” antwoordde de Prins. “Dienstzaken gaan vóór alles.”

De Schout las, en onder het lezen helderde zijn gelaat op.

“Uw gunsteling is vrij, Uwe Hoogheid!” zeide hij. “De ware moordenaar is ontdekt.”

“Wat zegt gij?” riep de Prins uit.

“Lees zelf, Uwe Hoogheid!” antwoordde de Schout.

De Prins nam den brief en las:

Uyt Zierikzee, den 19denvan Herfstmaend, 1668.Edele, gestrenge, Erentfeste, welwijze zeer voorzienige Heere!Mitsdien het eene sake van groot gewicht is, recht ende gerechtigheyt te bevorderen, zo sy UEd. mitsdezen gemelt, dat de persoon van Pieter Pietersz, die by UEd. in detensie is zittende, onder presumptie van vermoord te hebben den scheepstimmerman Adriaan Roelofsz, aen dat forfeit ten eenemale onschuldig is. Het bovenstaende sal UEd. duidelijck blijcken uyt nevensghaende confessie, door den waren schuldighen gedaen aen my in presentie van twee getuyghen, waervan is acte opgemaeckt door my, Schoute van de goede stadt vanZierikzee.UEd. aenbevelende in de hoede en de gunst des Hemels, versoeck ik UEd. my te geloove.Edele, gestrenge, erentfeste, welwijze zeer voorzienige HeereUwen Dienstwilligen Dienaeren oprechten vrundJan Douwes de Beer.

Uyt Zierikzee, den 19denvan Herfstmaend, 1668.

Edele, gestrenge, Erentfeste, welwijze zeer voorzienige Heere!

Mitsdien het eene sake van groot gewicht is, recht ende gerechtigheyt te bevorderen, zo sy UEd. mitsdezen gemelt, dat de persoon van Pieter Pietersz, die by UEd. in detensie is zittende, onder presumptie van vermoord te hebben den scheepstimmerman Adriaan Roelofsz, aen dat forfeit ten eenemale onschuldig is. Het bovenstaende sal UEd. duidelijck blijcken uyt nevensghaende confessie, door den waren schuldighen gedaen aen my in presentie van twee getuyghen, waervan is acte opgemaeckt door my, Schoute van de goede stadt vanZierikzee.

UEd. aenbevelende in de hoede en de gunst des Hemels, versoeck ik UEd. my te geloove.

Edele, gestrenge, erentfeste, welwijze zeer voorzienige Heere

Uwen Dienstwilligen Dienaeren oprechten vrundJan Douwes de Beer.

De Prins las den brief en de ingesloten akte, waarvan wij alleen den inhoud willen mededeelen.

Den avond van den 17denSeptember, had er tusschen een paar matrozen en twee andere personen in de herberg “de Schiemansmaat” teZierikzeeeen gevecht met messen plaats gehad, waarbij een der vechtenden, de ons bekende Jan IJzer, doodelijk was gewond. De geneesheer, die geroepen was, verklaarde dan ook aan den gewonde, dat hij nog slechts weinige uren te leven had, en zond hem een predikant. De stervende nu, in den grootsten doodsangst zijnde, bekende den geestelijke, dat hij kort geleden een moord had begaan, waarvoor een onschuldigein de gevangenis zat. De predikant maande hem aan deze zaak aan de bevoegde autoriteit mede te deelen, en zorgde dan ook dat de Schout met twee getuigen aan zijn sterfbed kwam, aan welke hij de volgende bekentenis deed:

Meer dan een jaar geleden, had Jan IJzer op de werf der Admiraliteit als knecht gewerkt, doch op diefstal betrapt, was hij door den scheepstimmerman Adriaan Roelofsz, ondanks zijn smeeken, aan de bevoegde autoriteit overgeleverd, die hem daarvoor tot geeseling op het schavot had veroordeeld, welke straf hij dan ook had ondergaan, kort voor Pieters komst op de werf. Daarna uit de stad en hare jurisdictie verbannen, had hij elders een goed heenkomen moeten zoeken; terwijl hij echter in zijn hart zwoer, te eenigen tijde wraak te nemen op den onbarmhartigen Roelofsz. Met dit doel was hij, toevallig op den dag van den twist tusschen Pieter en den scheepstimmermansbaas, in het geheim teVlissingengekomen, om zijn opzet te volvoeren. Hij wist, dat Adriaan Roelofsz, om van de werf naar zijn huis te komen, den singel moest loopen en had hem op de donkerste en eenzaamste plaats opgewacht en vermoord. Voor hij den volgenden dag vertrok, vernam hij de gevangenneming van Pieter en de zware verdenking, die er op dezen rustte. Volkomen gerust, dat men nu hem niet van den moord kon verdenken, verliet hij den volgenden dag tegen den avond de stad en had zich naarZierikzeebegeven, alwaar hij dien bewusten avond in den ons bekenden twist werd gewond. Zóó slecht nu was onze Jan niet, dat hij met een dubbelen moord op zijn geweten de eeuwigheid had durven ingaan. Het overige is ons bekend. Hij toonde innig berouw over zijne zonden, en stierf omtrent twee uren daarna. Schout De Beer, vreezende, dat het anders te laat mocht komen, had zich gehaast de akte op te maken en die met den bijliggenden brief door een bode naarVlissingenlaten brengen.

Toen de Prins beide stukken gelezen had, zeide hij:

“Mijnheer de Schout, gij kunt mij een dienst bewijzen.”

“Ik, Uwe Hoogheid? Spreek, en als het in mijne macht staat U genoegen te doen, zal het van mij niet afhangen.”

“Reeds vooraf dank voor Uwe goedheid,” hernam de Prins. “Leen mij voor een paar uren deze papieren, en geef mij een bevel van vrijstelling voor den gevangene.”

“Uwe Hoogheid heeft slechts te bevelen,” antwoordde de Schout. “Ik zal Haar dadelijk het bevel van vrijlating opmaken.”

“Ga uw gang,” hernam de Prins. “Ik zal er op wachten.”

“Welnu, Uwe Hoogheid,” zeide de Pensionaris. “Had ik ongelijk, toen ik U zeide, dat er meer doorslaande bewijzen voor de schuld des beklaagden moesten zijn?”

“Ik bewonder Uwer Edelheids diepe rechtskundige kennis. Indien ik daarvan niet overtuigd geweest ware, zou ik dan van U de moeite hebben gevergd, die ik van U heb gevraagd?”

“Uwe Hoogheid te dienen zal steeds het hoogste voorwerp van mijn streven zijn,” hernam de Pensionaris.

“Ik dank U, mijnheer de Pensionaris. En uw aanbod maakt mij zoo vrij, nogmaals van Uwe goedheid gebruik te maken en U te verzoeken, mij naar den President der Admiraliteit te vergezellen.”

“Het zal mij een singuliere eer zijn, Uwe Hoogheid,” was het antwoord van den Pensionaris.

Op dit oogenblik kwam de Schout met het beloofde vrijlatingsbiljet binnen en overhandigde het den Prins.

“Ik dank U, mijnheer de Schout,” antwoordde deze, terwijl hij opstond om heen te gaan. “Ik kan er nu zeker van zijn, dat de gevangene niet los komt, vóór ik hem ga halen.”

“Daarvan kan Uwe Hoogheid ten volle verzekerd zijn,” gaf de Schout ten antwoord, terwijl hij den Prins naar de karos geleidde, die hem wachtte.

Op het oogenblik, dat de karos zou wegrijden, wenkte de Prins den Schout, die met ontblooten hoofde op zijn stoep stond.

“Nog een verzoek, mijnheer de Schout,” zeide hij. “Wees zoo goed, te zorgen, dat de zuster van den gevangene zich bij hem in den kerker bevindt. Over een uur denk ik hem te verlossen. Dat echter alles een diep geheim blijve.”

Wij treden ongeveer een uur later in de gevangenis van Pieter binnen. Het is een treurig verblijf, zooals de gevangenissen trouwens gewoonlijk zijn. Een houten bank en een strooleger zijn het geheele ameublement, terwijl een aarden kruik met water op den grond staat en het nog onaangeroerde zwarte brood aantoont, dat de arme jongeling weinig appetijt heeft. Treurig en in zich zelf verzonken zit hij daar op de ruwe bank; gisteren toch bij het laatste verhoor heeft de Schout hem met de pijnbank gedreigd. Die pijnbank was een vreeselijk werktuig, nog uit de middeleeuwen afkomstig, waarop de ongelukkige werd gelegd en zijne ledematen zoolang werden uitgerekt, of door schroeven verwrongen en gekneld, tot hij bekende—niet altijd wat hij gedaan had, maar ook dikwerf wat men wilde dat hij bekennen zou. Zou hij bij de ontkenning der hem toegelegde misdaad kunnen volharden, of zouden de pijnen hem dwingen tot de bekentenis van een daad, waaraan hij geheel en al onschuldig was?—En als hij bekende—dan werd zijn doodvonnis geveld, dan kon hij de dagen wel tellen, die hij nog te leven had. En dan te sterven—zoo jong, zoo levenslustig!—En dan zóó te sterven—op een schavot, onder beulshanden!—Vreeselijk!—Maar Martha had hem beloofd, naar den Prins te gaan, die inMiddelburgwas. Zou die gang wat uitwerken? Wat zou Zijne Hoogheid er aan doen?—Zou die bij machte zijn, het recht te keeren?—Daartoe immers ontbrak Haar de macht.

Deze en dergelijke gedachten vervulden de ziel van onzenarmen Pieter, en maakten hem angstig. Hij vouwde de handen, sloot de oogen en bad—bad lang en vurig tot God om uitredding, smeekte Hem om hem kracht te schenken in de verdrukking en zijn onschuld aan het licht te brengen. Bemoedigd stond hij op; want er is niets dat den mensch meer moed schenkt in het ongeluk, dan het gebed. Dat had Pieter reeds van zijn vader geleerd, dat had zijne brave Admiraal hem zoo dikwerf ingeprent,—dat had hij dan ook reeds meermalen ondervonden. Hij wandelde eenige malen zijn engen kerker op en neer, toen hij den grendel van zijn deur hoorde afschuiven. De deur ging open, en Martha stond voor hem.

“Daar doe je goed aan, Martha!” zeide Pieter, “dat je mij komt vertroosten. En heb je den Prins gezien? Heb je hem gesproken? Geloofde hij aan mijn onschuld, of hield hij mij voor schuldig?”

“Ik zou je reeds vroeger bezocht hebben,” antwoordde Martha, “maar toen ik van morgen aan je gevangenis kwam, weigerden zij mij den toegang. Nu echter ben ik door een dienaar van den Schout geroepen, om bij je te komen. Wat wil je van mij?”

“Ik?”—hernam Pieter. “Ik weet er niets van. Maar antwoord mij op mijne vragen. Hoe heb je het bij den Prins gevonden?”

Martha verhaalde hem hare ontmoeting met den Prins. Toen zij geëindigd had zeide Pieter:

“Zal Zijne Hoogheid mij komen bezoeken? En heeft hij dat gezegd?—Maar” ... vervolgde hij treurig, “zou hij zijn woord houden? Ach, Martha! zulke groote heeren weten zoo weinig, wat een arm mensch lijdt.”

“Zijne Hoogheidzalwoord houden,” hervatte Martha. “Reeds het verzoek, dat ik van morgen uit zijn naam aan den Schout heb gedaan, heeft je voor heden van de pijnbank bevrijd. Hoop dus.”

“Hopen, Martha! En de Prins zelf heeft gezegd, dat hij erniets aan zou kunnen doen en dat het recht zijn loop moest hebben.”

“Dat is waar—doch.... Luister, daar komen menschen. Ik hoor stappen in de gang. Zou het Zijne Hoogheid zijn?”

“Misschien wel.—Is hij dan reeds hier?”

“O, ja—reeds van morgen gekomen. Hij heeft de werven der Admiraliteit bezocht. Hij ...”

Martha kon niet voleindigen wat zij wilde zeggen; want de deur ging open en de Prins gevolgd, door den Pensionaris De Huybert, den Schout en twee heeren der Admiraliteit, trad de gevangenis binnen.

“Pieter Pietersz,” begon de Prins, terwijl zijn gelaat van dat innige genoegen straalde, hetwelk men ondervindt als men wéldoet. “Pieter Pietersz, ik breng je goede tijding!”

“Goede tijding, Uwe Hoogheid! Zal men dan eindelijk overtuigd zijn, dat ik geen moordenaar ben?”

“Dat zou je weinig baten, mijn vriend,” hernam de Prins. “Dan zou men je bij gebrek aan bewijzen loslaten en geheelVlissingenzou je houden voor den moordenaar van Adriaan Roelofsz.”

Pieter liet het hoofd zakken.

“Ik breng je betere tijding,” hervatte de Prins. “Je onschuld is aan het licht gekomen; want de ware schuldige is ontdekt.”

“Gode zij dank!” riep de jongeling uit, en deze tijding ontstelde hem zoo zeer, dat hij schier bewusteloos op de bank nederzonk. Martha ondersteunde hem. Spoedig echter herstelde hij zich, trad naar den Prins toe, greep diens hand en overdekte die met zijne kussen.

“En Uwe Hoogheid zelf wilde mij met deze tijding verrassen!” riep hij uit. “En ik ben dus vrij? Vrij! Groote God! Men moet gevangen zijn geweest, om te weten, wat dat woord beteekent.”

“Je bent vrij, Pieter!” hernam de Prins, “en weer hersteldin je eer. Daarvoor zal mijnheer de Schout zorg dragen. Intusschen—je hebt veel geleden, mijn arme jongen! en ik meende, dat eene kleine vergoeding je wel toekwam.—Pieter Pietersz,” ging de Prins voort, terwijl hij hem een papier overreikte, waaraan een zegel in was hing. “De Admiraliteit kent je als een kundig timmerman en als een ijverig en bezadigd mensch. Zij kent je als eerlijk en rechtschapen; zij weet dat je den scheepsbouw in den grond verstaat.—Pieter Pietersz, hier overhandig ik je je aanstelling als scheepstimmermansbaas, in plaats van den vermoorden Adriaan Roelofz, op de werf der Admiraliteit vanZeeland.”

Op deze woorden zonk Pieter op eene knie; ook Martha wierp zich aan de voeten van den Prins en omklemde die.

“Mijn weldoener!” stamelde Pieter.

“Engel in menschengedaante!” riep Martha.

“Stil, stil,” zeide de Prins. “Je zoudt mij haast spijt doen krijgen, dat ik hier gekomen ben. Staat op. Alleen voor Hem moet men knielen, voor wien wij allen gelijk zijn.”

“Hoe zal ik Uwe Hoogheid ooit kunnen vergelden, wat zij voor mij gedaan heeft!” riep Pieter, opstaande uit.

“Dank er God voor, Pieter! die op zulk eene wonderbare wijs je onschuld aan het licht heeft doen komen. Dezelfde, dien je als knaap eens het leven hebt gered, is nu door Gods bestuur, de redder van je eer en je leven geworden.”

“Jan IJzer?” riep Pieter uit.

“Juist, Jan Jansz. IJzer was de moordenaar. Op zijn sterfbed heeft hij het bekend. Maar nu—ga met mij. Ik zelf zal je op de werf brengen, waar deze Heeren je zullen installeeren, terwijl mijnheer de Schout je in je eer zal herstellen. Ook jij moet mede, edel meisje!” vervolgde hij tegen Martha. “Je bent getuige geweest van zijn vernedering en schande,—je zult het nu zijn van zijne verhooging en zijne eer.”

Aan de deur der gevangenis gekomen, was het daar zwart van menschen, die niet alleen den Prins wilden zien, maar ook wilden weten, wat Zijne Hoogheid in de gevangenis mocht hebben gedaan. Maar, hoe verwonderd zij ook stonden, toen de Prins den van moord verdachten Pieter en diens zuster Martha bij zich in de karos nam, er klonk een luid: “Vivat! lang leve de Prins van Oranje!” uit aller mond. De karos van den Prins werd door een andere gevolgd, waarin de vier heeren zaten, die Zijne Hoogheid vergezeld hadden. Spoorslags reed men naar de werf, waar alles nog groen gemaakt en versierd was als het dien morgen was geweest ter eere van den Prins.

Hier hield een der Heeren der Admiraliteit een toespraak tot het werkvolk, waarin hij hun mededeelde, hoe de ware schuldige ontdekt en hoe nu de brave Pieter Pietersz in zijn eerhersteld was. Tevens installeerde hij den jongeling als baas van de werf, en beval aan het werkvolk hem als zoodanig te gehoorzamen. Hij liet daarbij duidelijk doorstralen, dat het de Prins was, die tot dat alles krachtdadig had medegewerkt en dat de benoeming van den voormaligen meesterknecht grootendeels aan Zijne Hoogheid was te danken. Gij kunt u voorstellen, welk een gejuich deze woorden bij het werkvolk veroorzaakten. ’t Was of er geen eind aan zou komen. Verscheidene werklieden drongen op Pieter toe, om hem de hand te drukken en hem geluk te wenschen met den keer, dien zijn lot had genomen: want bij allen op de werf was de gewezen meesterknecht geacht en bemind.

Om de kroon op zijn weldaad te zetten, stelde de Prins Pieter een som gelds ter hand, waarvoor hij het werkvolk van de werf kon trakteeren. Denzelfden dag vertrok hij naarGoes. Dien avond vierde men op de werf feest. Maar wie er vergeten werd—niet Prins Willem Hendrik vanOranje, op wien menige dronk werd uitgebracht; terwijl allen het daarin eens waren, dat Zijne Hoogheid een waardige afstammeling was van het doorluchtig stamhuis, waaruit hij was gesproten.

Wij zagen reeds, hoe men hier inHollandover het uitstapje van den Prins oordeelde;—wat de Raadpensionaris er van zeide, meldt ons de historie niet. Intusschen liet de stadAmsterdamin het volgende jaar eenige geneigdheid blijken, om den Prins zitting te geven in den Raad van State; zelfs ondersteunde burgemeester Koenraad van Beuningen deze bevordering met alle macht; want in de hoofdstad had zich een partij gevormd, die begon te begrijpen, dat de stedenLeiden,DordrechtenRotterdam, door De Witt gesteund, zich te veel in ’s Lands vergadering aanmatigden.Amsterdamtoch, dat de helft in de belastingen betaalde, kon en wilde dat overwicht niet langer dulden. Toch duurde het nog twee jaren,eer de Prins zitting nam in den Raad van State. De Staten vanHollandechter schonken hem nog in 1669 de vrije jacht in den omtrek van het huis teHondsholredijk.

En nu, mijne lezeressen en lezers, hoop ik dat gij uit mijn boekje zult hebben geleerd twee personen achting toe te dragen om hunne buitengewone hoedanigheden, twee personen, die ten allen tijde de achting zullen verdienen van allen die wèl denken:

Prins Willem III en den Raadpensionaris Johan de Witt.

1Blijft.2Vermoeden.3Bewijst.4In het oog te houden.5Lichamelijk bewijs.6Bevestigen.7Voorafgaande bewijzen.8Volgens mijn oordeel.9Toepassen.10Redenen.

1Blijft.

2Vermoeden.

3Bewijst.

4In het oog te houden.

5Lichamelijk bewijs.

6Bevestigen.

7Voorafgaande bewijzen.

8Volgens mijn oordeel.

9Toepassen.

10Redenen.


Back to IndexNext