Niemand kan antwoorden; nu schijntzijeeuwig.De wildernis heeft eene geheimzinnige taal,Die ontzagwekkend twijfelen leert.(Shelley, regels op den Mont-Blanc.)Des avonds zeilden wij eenige mijlen verder en sloegen toen eene tent op voor den nacht. Tegen het midden van den volgenden dag geraakte de jol aan den grond, en kon wegens het ondiepe water niet verder. Daar het laatste gedeeltelijk zoet werd bevonden, nam Chaffers dedingey,22en ging drie mijlen hooger op, waar ook dit vaartuig aan den grond raakte. Wij bevonden ons nu in eene zoetwaterrivier. Het water was modderig, en hoewel de stroom van zeer onbeduidende grootte was, zou het moeilijk geweest zijn den oorsprong te verklaren, tenzij uit de gesmolten sneeuw op de Cordilleras. Op de plek waar wij bivouakeerden, waren wij door steile klippen en hooge toppen van porfier omringd. Ik geloof niet, dat ik ooit eene plek heb gezien, die zoozeer van de overige wereld afgesloten scheen, als deze rotsachtige afgrond in de wijde vlakte.Den tweeden dag na onze terugkomst op de aanlegplaats ging een gezelschap officieren en ik een oud Indiaansch graf doorzoeken, dat ik op den top van een naburigen heuvel gezien had. Twee reusachtige steenen, elk vermoedelijk minstens een paar ton wegende, waren tegenover een omstreeks zes voet hoog vooruitspringend rotsblok geplaatst. Op den harden steenen bodem van het graf was een laag aarde van omtrent 1 voet diepte, die uit de omlaag gelegen vlakte naar boven moet gebracht zijn. Daarop was een vloer van platte steenen gelegd, en op deze weer andere, zoodat de ruimte tusschen het vooruitspringend rotsblok en de twee groote steenen gevuld was. Om het graf te voltooien, waren de Indianen op den inval gekomen om van het rotsblok eengroot stuk los te maken en op den stapel te werpen, zóo dat het op de twee steenen rustte. Wij ondermijnden het graf aan beide kanten, doch konden geen reliquieën, en zelfs geen beenderen vinden. Waarschijnlijk waren de laatsten sedert lang vergaan (in welk geval het graf van zeer hoogen ouderdom moet geweest zijn), want op eene andere plek vond ik eenige kleinere hoopen, onder welke zeer enkele verbrokkelde stukken werden gevonden, waaraan nog te zien was, dat zij van een mensch afkomstig waren. Falconer zegt, dat een Indiaan begraven wordt waar hij sterft, maar dat later zijn beenderen zorgvuldig opgenomen en, al is de afstand nog zoo groot, naar het zeestrand worden gebracht om begraven te worden. Ik geloof, dat deze gewoonte te verklaren is, zoo men bedenkt dat deze Indianen, vóór den invoer van paarden, bijna hetzelfde leven moeten geleid hebben als nu de Vuurlanders, en dus in ’t algemeen in de nabijheid der zee hebben gewoond. De gewone voorliefde om te liggen waar zijne voorvaderen hebben gelegen, zou de thans zwervende Indianen nopen om het minst vergankelijke gedeelte hunner dooden over te brengen naar hunne oude begraafplaats op de kust.9 Januari.Vóór het donker was, ankerde deBeaglein de fraaie ruime haven van Port St.-Julian, omstreeks 110 mijlen ten zuiden van Port Desiré gelegen. Wij bleven hier acht dagen. Het land is nagenoeg gelijk aan dat van Port Desiré, maar misschien nog iets onvruchtbaarder. Eens vergezelde ik met een clubje kapitein Fitz-Roy op eene lange wandeling om het havenhoofd. Elf uren lang dronken wij geen druppel water, en eenigen van het gezelschap waren geheel uitgeput. Van den top van een heuvel (sedertThirsty Hillof Dorstige Heuvel genoemd) werd een fraai meer ontdekt, en gingen twee van het gezelschap met afgesproken seinen er heen, om te wenken of het zoet water was. Hoe groot was onze teleurstelling, toen wij eene sneeuwwitte uitgestrektheid van zout zagen, gekristalliseerd in groote kuben! Wij schreven onzen fellen dorst toe aan de droogte van den dampkring; maar wat ookde reden zij—zeker is het, dat wij uiterst blijde waren laat in den avond in onze booten terug te zijn. Ofschoon wij op onzen geheelen tocht nergens een druppel zoet water konden vinden, moest er toch wat zijn; want door een zonderling toeval vond ik op de oppervlakte van het zoute water, bij het hoofd der baai, een niet geheel doodenColymbetes, die in een niet ver af gelegen poel geleefd moest hebben. Drie andere insecten (eenCincindellaals bastaard, eenCymindisen eenHarpalus, die alle op modderplaten leven, welke nu en dan door de zee worden overstroomd), en nog een vierde, dat dood op de vlakte werd gevonden, voltooien de lijst der kevers. Eene vlieg van tamelijke grootte (Tabanus) was buitengewoon talrijk, en kwelde ons door haar pijnlijken steek. De gewone paardenvlieg (Hippobosca), die in de lommerrijke lanen in Engeland zoo lastig is, behoort tot dezelfde orde. Wij hebben hier het raadsel, dat zoo dikwijls in het geval der muskieten voorkomt: met het bloed van welke dieren voeden deze insecten zich gewoonlijk? Het guanaco is ongeveer de eenige warmbloedige viervoeter en komt, vergeleken met de menigte vliegen, in zeer gering aantal voor.De geologie van Patagonië is belangwekkend. In afwijking met Europa, waar de tertiare formaties zich in baaien schijnen opgehoopt te hebben, vinden wij hier overhonderdenmijlen kustland ééne groote afzetting, in zich bevattende vele tertiaire schelpdieren, die alle uitgestorven schijnen. Het meest voorkomende schelpdier is een zware reusachtige oester, soms wel een voet in middellijn. Deze beddingen worden bedekt door andere van een eigenaardigen zachten witten steen, die veel gips bevat en op kalk gelijkt, maar inderdaad van puimsteenachtig gehalte is. Hoogst merkwaardig is het, dat zij voor minstens een tiende deel in volume uitinfusoriabestaan! Professor Ehrenberg heeft er reeds 30 zee-soorten in ontdekt. Deze laagbedding strekt zich 500 mijlen langs de kust, en waarschijnlijk nog veel verder uit. Te Port St.-Julian is hare dikte meer dan800 voet! Deze witte beddingen zijn overal bedekt met een laag grof kiezel, die misschien een van de grootste keisteenbeddingen der wereld vormt. Zeker weet men, dat zij zich van bij de Rio Colorado uitstrekt tot tusschen de 600 en 700 zeemijlen zuidwaarts; bij de Santa Cruz (eene rivier even ten zuiden van St.-Julian) bereikt zij den voet der Cordilleras; halfweg de rivier op is hare dikte meer dan 200 voet, en vermoedelijk strekt zij zich overal tot de genoemde groote keten uit, vanwaar de wel afgeronde porfiersteenen afkomstig zijn. Wij mogen hare gemiddelde breedte op 200 mijlen, en de gemiddelde dikte op ongeveer 50 voet stellen. Indien deze groote laag van kiezelsteenen, zonder bijvoeging van de modder die noodzakelijk door hunne wrijving is ontstaan, tot een berg werd opgehoopt, zou zij eene groote keten vormen!Bedenkt men, dat al die kiezelsteenen, talrijk als de zandkorrels in de woestijn, afkomstig zijn van langzaam afbrokkelende steenmassa’s op de oude kustlijnen en rivieroevers; dat deze brokken in kleinere stukken zijn geslagen, en dat elk daarvan sedert dien tijd langzaam gerold, afgerond en ver is weggevoerd, dan staat de geest ontzet bij de gedachte aan de lange reeks van jaren, die voor dit proces volstrekt noodig waren. Toch zijn al die keisteenen vervoerd en waarschijnlijk afgerond geworden na de afzetting der witte beddingen, enlangna de vorming der onderliggende beddingen met tertiaire schelpen!In dit zuidelijk werelddeel is alles op groote schaal ten uitvoer gebracht; van de Rio de la Plata tot Vuurland—een afstand van 1200 mijlen—is het land in het tijdperk der nu bestaande zeeschelpen in massa gerezen; en wel in Patagonië tot eene hoogte van tusschen de 300 en 400 voet. De oude en verweerde schelpen, die aan de oppervlakte der gerezene vlakte zijn achtergebleven, bezitten nog gedeeltelijk hare kleuren. De rijzende beweging werd afgebroken door minstens acht lange tijdperken van rust, gedurende welke de zee diep in het land knaagde, en op allengs volgende peilstanden de lange reeksen van klippen en steilten vormde,die de verschillende als terrassen achter elkander verrijzende vlakten scheiden. De opwaartsche beweging en de knagende werking der zee gedurende de lange perioden van rust, zijn over lange kustlijnen gelijk geweest; want met verbazing vond ik, dat de terrasvormige vlakten op verafgelegen punten op nagenoeg correspondeerende hoogten staan. De laagste vlakte is 90 voet hoog, en de hoogste die ik bij de kust besteeg, 950 voet; en daarvan vinden wij slechts overblijfsels in den vorm van vlakke met kiezel bedekte bergjes. De bovenste vlakte der Santa Cruz loopt glooiend op tot eene hoogte van 3000 voet aan den voet der Andesketen. Ik heb gezegd, dat Patagonië in het tijdperk der bestaande zeeschelpen 300 tot 400 voet gerezen is, en kan er bijvoegen, dat de stijging minstens 1500 voet geweest is in het tijdperk toen ijsbergen zwerfblokken over de bovenvlakte der Santa Cruz vervoerden. Maar Patagonië is niet alleen aan stijgende bewegingen onderhevig geweest: de uitgestorven tertiaire schelpdieren van Port St.-Julian en de Santa Cruz kunnen, volgens Prof. E. Forbes, op geen grootere waterdiepte geleefd hebben dan van 40 tot 250 voet, terwijl zij nu bedekt zijn met uit zee afgezette lagen van 800 tot 1000 voet dikte; bijgevolg moet de zeebodem, waarop deze schelpdieren eenmaal leefden, vele honderden voeten gedaald zijn, om de ophooping der daarboven liggende lagen mogelijk te maken. Welk eene geschiedenis van geologische veranderingen openbaart die eenvoudig samengestelde kust van Patagonië!Te Port St.-Julian23vond ik in eene roode modderlaag, die het kiezelzand op de 90-voet vlakte bedekte, het halve skelet van deMacrauchenia Patagonica: een merkwaardigenviervoeter, die zoo groot was als een kameel. Hijbehoort tot dezelfde afdeeling derPachydermataals de rhinoceros, de tapir en hetpalaeotherium; maar in den bouw der beenderen van zijn langen hals, vertoont hij eene duidelijke verwantschap tot den kameel, of liever tot hetguanacoen de lama. Uit het feit, dat nieuwe zeeschelpdieren gevonden zijn op twee der hoogere terrasvormige vlakten, die gelaagd en opgeheven moeten zijn vóór het afzetten van de modder waarin deMacraucheniabegraven was, blijkt overtuigend, dat deze merkwaardige viervoeter leefde lang nadat de zee door hare tegenwoordige schelpdieren bewoond was. Eerst was ik zeer verwonderd, dat een groote viervoeter zoo kort geleden op 49°15′ in deze ellendige keisteenvlakten met haren schralen plantengroei geleefd kon hebben; maar de verwantschap van deMacraucheniatot het guanaco, thans een bewoner van de onvruchtbaarste gedeelten, verklaart deze moeilijkheid ten deele.De, ofschoon verre, verwantschap tusschen deMacraucheniaen het guanaco, tusschen den Toxodon en de Capybara; de nauwere verwantschap tusschen de vele uitgestorvenenEdentataen de levende luiaards, miereneters en armadillen, die nu zulk een uitstekend kenmerk vormen in de zoölogie van Zuid-Amerika; en eindelijk de nog nauwere verwantschap tusschen de fossiele en levende soorten vanCtenomysenHydrochoerus—zijn zeer belangwekkende feiten. Deze verwantschap blijkt verwonderlijk—even treffend als tusschen de fossiele en uitgestorven Buideldieren van Australië—uit de groote verzameling, die onlangs door Lund en Clausen uit de holen van Brazilië naar Europa is gebracht. In deze verzameling zijn uitgestorven soorten van al de 32 geslachten der land-viervoeters (op 4 na), die nu de provinciën bewonen waarin de holen liggen. En de uitgestorven soorten zijn veel talrijker dan de nu levende: er zijn fossiele miereneters, armadillen, tapirs, pecaris,guanaco’s, opossums, talrijke Zuidamerikaansche knaagdieren en apen, alsmede andere dieren. Deze wonderlijke verwantschap op hetzelfde vasteland tusschende dooden en de levenden zal, ongetwijfeld, later op de verschijning van organische wezens op onze aarde en hunne verdwijning daarvan meer licht werpen dan eenige andere klasse van feiten.Het is onmogelijk over den veranderden toestand van het Amerikaansche vasteland anders dan met de diepste verbazing na te denken. Voorheen moet het gewemeld hebben van groote monsters; nu vinden wij slechts dwergen, in vergelijking met de vroegere verwante rassen. Indien Buffon van den reusachtigen luiaard, de armadil-achtige dieren en verdwenenPachydermatageweten had, zou hij met meer schijn van waarheid hebben kunnen zeggen, dat de scheppende kracht in Amerika haar vermogen had verloren, dan dat zij nooit groote werking had gehad. De meeste dezer uitgestorven viervoeters, zoo niet alle, leefden in een laat tijdperk, en waren tijdgenooten van de meeste nu bestaande zeeschelpdieren. Sedert den tijd dat zij leefden, kan in den vorm van het land geen zeer groote verandering hebben plaats gehad.Wat heeft dan zooveel soorten en geslachten uitgeroeid? In ’t eerst is de geest onweerstaanbaar geneigd om aan eene groote ramp te denken; maar om dieren, groote en kleine, uit te roeien in Zuid-Patagonië, Brazilië, op de Cordilleras in Peru, en in Noord-Amerika tot aan de Behring-Straat, moeten wij het geheele wereldspantwerk doen waggelen. Bovendien leidt een geologisch onderzoek van La Plata en Patagonië tot de overtuiging, dat alle vormen van het land uit langzame en trapswijs voortgaande veranderingen ontstaan.Uit het kenmerk der fossielen in Europa, Azië, Australië, Noord- en Zuid-Amerika blijkt, dat die voorwaarden welke gunstig zijn voor het leven dergrootereviervoeters, niet lang geleden zich even ver uitstrekten als de wereld zelve. Welke die voorwaarden waren, dat heeft niemand zelfs maar vermoed. Moeilijk kon het eene temperatuurs-verandering zijn, die ongeveer tegelijktijdig de bewoners van tropische, gematigde en poolgewesten op beide halfronden verdelgde.Door Lyell weten wij met zekerheid, dat de groote viervoeters in Noord-Amerika leefden na het tijdperk toen zwerfblokken naar breedten werden vervoerd, waarop ijsbergen nu niet komen; om overtuigende, maar indirecte redenen kunnen wij zeker zijn, dat ook deMacraucheniain het zuidelijk halfrond leefde lang na de ijsbeweging in de zwerfblokkenperiode. Was het de mensch, zooals men gemeend heeft, die na zijne eerste komst in Zuid-Amerika het logge Megatherium en de andereEdentatauitroeide? Wat de verdelging van den kleinen tucutuco te Bahia Blanca, van de vele fossiele muizen en andere kleine viervoeters in Brazilië betreft, moeten wij althans eene andere reden zoeken. Niemand zal wanen, dat eene droogte, zelfs veel strenger dan die welke zulke verwoestingen in de provinciën van La Plata aanrichtte, alle individuën van elke soort vernietigen kon van af Zuid-Patagonië tot aan deBehring-Straat. Wat te zeggen van de uitsterving van het paard? Ontbrak het aan gras op die onmetelijke vlakten, later overstroomd door duizenden en honderdduizenden nakomelingen van het geslacht, dat door de Spanjaarden werd ingevoerd? Hebben de later ingevoerde soorten het voedsel verbruikt van de groote voorgaande rassen? Mogen wij gelooven, dat de Capybara het voedsel heeft genomen van den Toxodon, het Guanaco van de Macrauchenia, de nu levende kleineEdentatavan hunne talrijke reusachtige prototypen? In de lange geschiedenis der wereld is voorzeker geen feit zoo verrassend, als de groote en herhaalde uitroeiingen van hare bewoners.Beschouwen wij de zaak echter uit een ander oogpunt, dan zal zij minder ingewikkeld schijnen. Wij bedenken niet steeds, hoe diep onwetend wij zijn omtrent de levensvoorwaarden van elk dier: herinneren ons niet altijd dat er eene oorzaak is, die de te snelle toename van elk georganiseerd wezen in den natuurstaat voortdurend belemmert. De voorraad voedsel blijft gemiddeld dezelfde; daarentegen bestaat bij elk dier de neiging om door voortplanting in geometrische reden toe te nemen; en nergens zijn de verrassende gevolgen daarvan op treffender wijze gebleken, dan inAmerika, waar de Europeesche dieren gedurende de paar laatste eeuwen in ’t wild loopen. In den natuurstaat teelt elk dier geregeld; toch is bij eene lang gevestigde soort eene sterke getaltoename blijkbaar onmogelijk en moet door eene of andere oorzaak belet worden. Intusschen zijn wij maar zelden in staat bij eene gegeven soort met zekerheid te zeggen, in welke levensperiode of in welken tijd van het jaar die storing valt: of zij alleen na lange tusschentijden optreedt, en wat er de juiste oorzaak van is. Zoo komt het waarschijnlijk, dat wij zoo weinig verwonderd zijn, als van twee soorten die in gewoonten na aan elkander zijn verwant, de eene zeldzaam en de andere overvloedig is in hetzelfde district; of ook als de eene overvloedig is in dit of in dat district, en de tweede, die in de huishouding der natuur dezelfde plaats inneemt, overvloedig in een naburig district met zeer gering verschil in toestanden. Naar de reden hiervan vragende, antwoordt men onmiddellijk, dat dit veroorzaakt wordt door een gering verschil in klimaat, voedsel of het getal vijanden; maar hoe zelden, of nooit, kunnen wij de juiste oorzaak der storing en hare wijze van werking aangeven! Wij komen dus tot de noodzakelijke gevolgtrekking, dat in ’t algemeen voor ons onwaarneembare oorzaken bepalen of eene soort overvloedig of schaarsch in aantal is.In de gevallen waar wij het uitroeien van eene soort door den mensch, hetzij geheel of in een beperkt district, kunnen nagaan, weten wij dat zij gaandeweg zeldzamer wordt, en dan verdwijnt. Het zou echter moeilijk zijn een juist onderscheid aan te geven24tusschen eene soort die door den mensch, en eene die door de toename harer natuurlijke vijanden wordt verdelgd. Het bewijs van zeldzaamheid, welke het uitsterven voorafgaat, is, zooals verscheidene bekwame waarnemers opgemerkt hebben, nog treffender inde opvolgende tertiaire lagen, waar dikwijls bevonden is, dat eene schelp die in zulk eene laag zeer algemeen is, thans hoogst zeldzaam, en zelfs lang als uitgestorven beschouwd is. Indien dus—wat waarschijnlijk lijkt—soorten eerst zeldzaam worden en dan uitsterven; indien de al te snelle toename van elke soort, zelfs de meest begunstigde, gestadig wordt belemmerd, zooals wij moeten aannemen, ofschoon moeilijk te zeggen ishoeenwanneer; en indien wij zonder de minste verbazing zien—hoewel niet in staat de juiste oorzaak aan te wijzen—dat in hetzelfde district de eene soort overvloedig en de andere naverwante zeldzaam is: waarom dan zoo verwonderd te zijn als die zeldzaamheid een stap verder, in uitsterving overgaat? Eene werking, die overal om ons heen plaats grijpt en toch nauwelijks waarneembaar is, kan zeker iets verder worden geleid, zonder onze opmerkzaamheid te wekken.Wien zou het zoo verwonderen als hij hoorde, dat de Megalonyx voorheen zeldzaam was, vergeleken met het Megatherium; of dat een der fossiele apen gering in aantal was vergeleken met een der nu levende? En toch zouden wij in deze betrekkelijke zeldzaamheid het duidelijkste bewijs hebben, dat de voorwaarden voor hun bestaan minder gunstig waren. Toegeven, dat soorten in ’t algemeen zeldzaam worden voordat zij uitsterven; niet verwonderd zijn over de zeldzaamheid eener soort vergeleken met eene andere; maar nochtans eene buitengewone werkende kracht aannemen en groote verwondering toonen als eene soort ophoudt te bestaan—schijnt mij zoo ongeveer hetzelfde, als toegeven dat ziekte bij het individu de voorbode is des doods; niet verwonderd zijn over de ziekte, maar wel zich verwonderen als de zieke sterft, en gelooven dat hij door geweld stierf.1Darwin spelt dit woord in zijn tekstnjataenniata. Het woord luidt echter zoowel in ’t Spaansch als Portugeeschnataen beteekent (fig.) het beste, uitgezochtste, de bloem. De eigenlijke vertaling is “room.” (Vert.)2Waterhouse heeft eene uitvoerige beschrijving van dit hoofd gegeven, welke hij, hoop ik, in eenig tijdschrift zal publiceeren.3Dit dier was een reusachtig vierhoornig hert, ter grootte van een olifant, en grooter nog. Men heeft het met de overblijfsels van vele andere zoogdieren uit de Mioceen- en Plioceenperioden (o. a. groote krokodillen, en de vier meter lange reuzenschildpadColossochelys Atlas) gevonden in de zoogenaamdeSiwalik-heuvels aan den zuidelijken voet van den Himalaya. Deze heuvels zijn van zoetwateroorsprong, en vormen eene 2000 meter diepe afzetting van klei, zandsteen en conglomeraten door de bergstroomen van den Himalaya, gedurende de laatste geweldige aardkorstbewegingen in het Tertiaire Tijdvak, toen de H. evenals de meeste groote bergketenen der aarde omhoog werd geheven. Enkele deelen van den toenmaligen zeebodem liggen nu minstens 16,500 voet boven de zee.(Noot v. d. Vert.)4Een bijna even abnormale bouw (maar ik weet niet of hij erfelijk is) heeft men waargenomen bij den karper, alsmede bij den krokodil van den Ganges (Histoire des Anomalies, par Isid. Geoffroy St. Hilaire, Deel I. blz. 244.)5A. d’Orbigny heeft een bijna gelijkluidend verhaal van dezen hond gegeven:Voyage dans l’Amérique Mérid., Deel I, blz. 175.6In den tekst staatdomidor, welk woord echter noch in ’t Spaansch, noch in ’t Portugeesch bekend is.(Vert.)7“Ach, Don Karel, wat erg!” (Karel of Charles was Darwin’s voornaam).8Eencrown= 5 shillings.9Ik moet mijn dank betuigen aan Mr. Keane, in wiens huis op den Berquelo ik vertoefde en aan Mr. Lumb te Buenos Aires; want zonder hunne hulp zouden deze kostbare overblijfsels nooit in Engeland zijn gekomen.10ὑμενοπτέροςsaamgesteld uitὑμήν= vlies enπτερόν= vleugel.(Vert.)11Lyell’sPrinciples of Geology, 10de Edit., Deel II, blz. 377/78.12Pelagisch vanπελαγικός: tot de zee (πέλαγος) behoorende.(Vert.)13De vliegen, die dikwijls een schip eenige dagen op zijn tocht van de eene haven naar de andere vergezellen, zijn, als zij van het schip afdwalen, spoedig verloren en verdwijnenalle.14Pierre André Latreille (1762–1833) was een Fransch dier- en insectenkundige. Hij schreefHistoire des Salamandres, enHistoire naturelle des Reptiles.(Vert.)15Mr. Blackwall, in zijneResearches on Zoology, doet vele voortreffelijke opmerkingen over de gewoonten van spinnen.Volgens Dr. Otto Taschenberg (Bilder aus dem Tierleben) zijn de herfstdraad-spinnen de jonge dieren van verschillende soorten:Xysticus,Micryphantus,e. a.(Vert.)16Eene soort van kwallen, behoorende tot de orde derCraspedophorae.17Lagere Kreeftdieren (eene onderklasse van deCrustacea).18OokZwaluw-stormvogelgenoemd: eene soortProcellaria, evenals de albatros (Diomedea). Zijn tekstnaam is ontleend aan het feit, dat hij, evenals Petrus, over zee schijnt te loopen.(Vert.)19Twee soorten van makreelen (ThynnusofScomber).20Ik heb hier eene cactus-soort gevonden, door Professor Henslow beschreven onder den naam vanOpuntia Darwinii(Magazine of Zoology and Botany, deel I, blz. 466), welke merkwaardig was om de prikkelbaarheid harerstamina(meeldraden), als ik de punt van een stok of mijn vingertop in de bloem stak. Ook de segmenten van hetperianthium(bloemkelk) sloten zich op den stamper, maar langzamer dan de meeldraden. Planten van deze familie, die in ’t algemeen als tropisch wordt beschouwd, komen in Noord-Amerika op dezelfde hooge breedte voor als hier: namelijk in beide gevallen op 47°. (Lewis and Clarke’s Travels, blz. 221).21Laatstgenoemde insecten vindt men niet zelden onder steenen. Eens zag ik een schorpioen kalm een anderen verslinden.22Dedingeyofdinghyis eene soort van boot, die in Oost-Indië gebruikt wordt; ook noemt men aldus de kleinste boot op een schip, die door twee man geroeid wordt.(Vert.)23Onlangs heb ik gehoord, dat kapitein Sulivan der K. M. talrijke fossiele beenderen gevonden heeft in regelmatige lagen op 52° 4′ breedte aan de oevers der Rio Gallegos. Eenige daarvan zijn groot, andere klein, en schijnen tot een armadil behoord te hebben. Dit is eene zeer belangwekkende en gewichtige ontdekking.24Zie de uitmuntende opmerkingen dienaangaande van Lyell in zijnePrinciples of Geology, 10e Uitgaaf, Deel II, Blz. 433 en volg.
Niemand kan antwoorden; nu schijntzijeeuwig.De wildernis heeft eene geheimzinnige taal,Die ontzagwekkend twijfelen leert.(Shelley, regels op den Mont-Blanc.)Des avonds zeilden wij eenige mijlen verder en sloegen toen eene tent op voor den nacht. Tegen het midden van den volgenden dag geraakte de jol aan den grond, en kon wegens het ondiepe water niet verder. Daar het laatste gedeeltelijk zoet werd bevonden, nam Chaffers dedingey,22en ging drie mijlen hooger op, waar ook dit vaartuig aan den grond raakte. Wij bevonden ons nu in eene zoetwaterrivier. Het water was modderig, en hoewel de stroom van zeer onbeduidende grootte was, zou het moeilijk geweest zijn den oorsprong te verklaren, tenzij uit de gesmolten sneeuw op de Cordilleras. Op de plek waar wij bivouakeerden, waren wij door steile klippen en hooge toppen van porfier omringd. Ik geloof niet, dat ik ooit eene plek heb gezien, die zoozeer van de overige wereld afgesloten scheen, als deze rotsachtige afgrond in de wijde vlakte.Den tweeden dag na onze terugkomst op de aanlegplaats ging een gezelschap officieren en ik een oud Indiaansch graf doorzoeken, dat ik op den top van een naburigen heuvel gezien had. Twee reusachtige steenen, elk vermoedelijk minstens een paar ton wegende, waren tegenover een omstreeks zes voet hoog vooruitspringend rotsblok geplaatst. Op den harden steenen bodem van het graf was een laag aarde van omtrent 1 voet diepte, die uit de omlaag gelegen vlakte naar boven moet gebracht zijn. Daarop was een vloer van platte steenen gelegd, en op deze weer andere, zoodat de ruimte tusschen het vooruitspringend rotsblok en de twee groote steenen gevuld was. Om het graf te voltooien, waren de Indianen op den inval gekomen om van het rotsblok eengroot stuk los te maken en op den stapel te werpen, zóo dat het op de twee steenen rustte. Wij ondermijnden het graf aan beide kanten, doch konden geen reliquieën, en zelfs geen beenderen vinden. Waarschijnlijk waren de laatsten sedert lang vergaan (in welk geval het graf van zeer hoogen ouderdom moet geweest zijn), want op eene andere plek vond ik eenige kleinere hoopen, onder welke zeer enkele verbrokkelde stukken werden gevonden, waaraan nog te zien was, dat zij van een mensch afkomstig waren. Falconer zegt, dat een Indiaan begraven wordt waar hij sterft, maar dat later zijn beenderen zorgvuldig opgenomen en, al is de afstand nog zoo groot, naar het zeestrand worden gebracht om begraven te worden. Ik geloof, dat deze gewoonte te verklaren is, zoo men bedenkt dat deze Indianen, vóór den invoer van paarden, bijna hetzelfde leven moeten geleid hebben als nu de Vuurlanders, en dus in ’t algemeen in de nabijheid der zee hebben gewoond. De gewone voorliefde om te liggen waar zijne voorvaderen hebben gelegen, zou de thans zwervende Indianen nopen om het minst vergankelijke gedeelte hunner dooden over te brengen naar hunne oude begraafplaats op de kust.9 Januari.Vóór het donker was, ankerde deBeaglein de fraaie ruime haven van Port St.-Julian, omstreeks 110 mijlen ten zuiden van Port Desiré gelegen. Wij bleven hier acht dagen. Het land is nagenoeg gelijk aan dat van Port Desiré, maar misschien nog iets onvruchtbaarder. Eens vergezelde ik met een clubje kapitein Fitz-Roy op eene lange wandeling om het havenhoofd. Elf uren lang dronken wij geen druppel water, en eenigen van het gezelschap waren geheel uitgeput. Van den top van een heuvel (sedertThirsty Hillof Dorstige Heuvel genoemd) werd een fraai meer ontdekt, en gingen twee van het gezelschap met afgesproken seinen er heen, om te wenken of het zoet water was. Hoe groot was onze teleurstelling, toen wij eene sneeuwwitte uitgestrektheid van zout zagen, gekristalliseerd in groote kuben! Wij schreven onzen fellen dorst toe aan de droogte van den dampkring; maar wat ookde reden zij—zeker is het, dat wij uiterst blijde waren laat in den avond in onze booten terug te zijn. Ofschoon wij op onzen geheelen tocht nergens een druppel zoet water konden vinden, moest er toch wat zijn; want door een zonderling toeval vond ik op de oppervlakte van het zoute water, bij het hoofd der baai, een niet geheel doodenColymbetes, die in een niet ver af gelegen poel geleefd moest hebben. Drie andere insecten (eenCincindellaals bastaard, eenCymindisen eenHarpalus, die alle op modderplaten leven, welke nu en dan door de zee worden overstroomd), en nog een vierde, dat dood op de vlakte werd gevonden, voltooien de lijst der kevers. Eene vlieg van tamelijke grootte (Tabanus) was buitengewoon talrijk, en kwelde ons door haar pijnlijken steek. De gewone paardenvlieg (Hippobosca), die in de lommerrijke lanen in Engeland zoo lastig is, behoort tot dezelfde orde. Wij hebben hier het raadsel, dat zoo dikwijls in het geval der muskieten voorkomt: met het bloed van welke dieren voeden deze insecten zich gewoonlijk? Het guanaco is ongeveer de eenige warmbloedige viervoeter en komt, vergeleken met de menigte vliegen, in zeer gering aantal voor.De geologie van Patagonië is belangwekkend. In afwijking met Europa, waar de tertiare formaties zich in baaien schijnen opgehoopt te hebben, vinden wij hier overhonderdenmijlen kustland ééne groote afzetting, in zich bevattende vele tertiaire schelpdieren, die alle uitgestorven schijnen. Het meest voorkomende schelpdier is een zware reusachtige oester, soms wel een voet in middellijn. Deze beddingen worden bedekt door andere van een eigenaardigen zachten witten steen, die veel gips bevat en op kalk gelijkt, maar inderdaad van puimsteenachtig gehalte is. Hoogst merkwaardig is het, dat zij voor minstens een tiende deel in volume uitinfusoriabestaan! Professor Ehrenberg heeft er reeds 30 zee-soorten in ontdekt. Deze laagbedding strekt zich 500 mijlen langs de kust, en waarschijnlijk nog veel verder uit. Te Port St.-Julian is hare dikte meer dan800 voet! Deze witte beddingen zijn overal bedekt met een laag grof kiezel, die misschien een van de grootste keisteenbeddingen der wereld vormt. Zeker weet men, dat zij zich van bij de Rio Colorado uitstrekt tot tusschen de 600 en 700 zeemijlen zuidwaarts; bij de Santa Cruz (eene rivier even ten zuiden van St.-Julian) bereikt zij den voet der Cordilleras; halfweg de rivier op is hare dikte meer dan 200 voet, en vermoedelijk strekt zij zich overal tot de genoemde groote keten uit, vanwaar de wel afgeronde porfiersteenen afkomstig zijn. Wij mogen hare gemiddelde breedte op 200 mijlen, en de gemiddelde dikte op ongeveer 50 voet stellen. Indien deze groote laag van kiezelsteenen, zonder bijvoeging van de modder die noodzakelijk door hunne wrijving is ontstaan, tot een berg werd opgehoopt, zou zij eene groote keten vormen!Bedenkt men, dat al die kiezelsteenen, talrijk als de zandkorrels in de woestijn, afkomstig zijn van langzaam afbrokkelende steenmassa’s op de oude kustlijnen en rivieroevers; dat deze brokken in kleinere stukken zijn geslagen, en dat elk daarvan sedert dien tijd langzaam gerold, afgerond en ver is weggevoerd, dan staat de geest ontzet bij de gedachte aan de lange reeks van jaren, die voor dit proces volstrekt noodig waren. Toch zijn al die keisteenen vervoerd en waarschijnlijk afgerond geworden na de afzetting der witte beddingen, enlangna de vorming der onderliggende beddingen met tertiaire schelpen!In dit zuidelijk werelddeel is alles op groote schaal ten uitvoer gebracht; van de Rio de la Plata tot Vuurland—een afstand van 1200 mijlen—is het land in het tijdperk der nu bestaande zeeschelpen in massa gerezen; en wel in Patagonië tot eene hoogte van tusschen de 300 en 400 voet. De oude en verweerde schelpen, die aan de oppervlakte der gerezene vlakte zijn achtergebleven, bezitten nog gedeeltelijk hare kleuren. De rijzende beweging werd afgebroken door minstens acht lange tijdperken van rust, gedurende welke de zee diep in het land knaagde, en op allengs volgende peilstanden de lange reeksen van klippen en steilten vormde,die de verschillende als terrassen achter elkander verrijzende vlakten scheiden. De opwaartsche beweging en de knagende werking der zee gedurende de lange perioden van rust, zijn over lange kustlijnen gelijk geweest; want met verbazing vond ik, dat de terrasvormige vlakten op verafgelegen punten op nagenoeg correspondeerende hoogten staan. De laagste vlakte is 90 voet hoog, en de hoogste die ik bij de kust besteeg, 950 voet; en daarvan vinden wij slechts overblijfsels in den vorm van vlakke met kiezel bedekte bergjes. De bovenste vlakte der Santa Cruz loopt glooiend op tot eene hoogte van 3000 voet aan den voet der Andesketen. Ik heb gezegd, dat Patagonië in het tijdperk der bestaande zeeschelpen 300 tot 400 voet gerezen is, en kan er bijvoegen, dat de stijging minstens 1500 voet geweest is in het tijdperk toen ijsbergen zwerfblokken over de bovenvlakte der Santa Cruz vervoerden. Maar Patagonië is niet alleen aan stijgende bewegingen onderhevig geweest: de uitgestorven tertiaire schelpdieren van Port St.-Julian en de Santa Cruz kunnen, volgens Prof. E. Forbes, op geen grootere waterdiepte geleefd hebben dan van 40 tot 250 voet, terwijl zij nu bedekt zijn met uit zee afgezette lagen van 800 tot 1000 voet dikte; bijgevolg moet de zeebodem, waarop deze schelpdieren eenmaal leefden, vele honderden voeten gedaald zijn, om de ophooping der daarboven liggende lagen mogelijk te maken. Welk eene geschiedenis van geologische veranderingen openbaart die eenvoudig samengestelde kust van Patagonië!Te Port St.-Julian23vond ik in eene roode modderlaag, die het kiezelzand op de 90-voet vlakte bedekte, het halve skelet van deMacrauchenia Patagonica: een merkwaardigenviervoeter, die zoo groot was als een kameel. Hijbehoort tot dezelfde afdeeling derPachydermataals de rhinoceros, de tapir en hetpalaeotherium; maar in den bouw der beenderen van zijn langen hals, vertoont hij eene duidelijke verwantschap tot den kameel, of liever tot hetguanacoen de lama. Uit het feit, dat nieuwe zeeschelpdieren gevonden zijn op twee der hoogere terrasvormige vlakten, die gelaagd en opgeheven moeten zijn vóór het afzetten van de modder waarin deMacraucheniabegraven was, blijkt overtuigend, dat deze merkwaardige viervoeter leefde lang nadat de zee door hare tegenwoordige schelpdieren bewoond was. Eerst was ik zeer verwonderd, dat een groote viervoeter zoo kort geleden op 49°15′ in deze ellendige keisteenvlakten met haren schralen plantengroei geleefd kon hebben; maar de verwantschap van deMacraucheniatot het guanaco, thans een bewoner van de onvruchtbaarste gedeelten, verklaart deze moeilijkheid ten deele.De, ofschoon verre, verwantschap tusschen deMacraucheniaen het guanaco, tusschen den Toxodon en de Capybara; de nauwere verwantschap tusschen de vele uitgestorvenenEdentataen de levende luiaards, miereneters en armadillen, die nu zulk een uitstekend kenmerk vormen in de zoölogie van Zuid-Amerika; en eindelijk de nog nauwere verwantschap tusschen de fossiele en levende soorten vanCtenomysenHydrochoerus—zijn zeer belangwekkende feiten. Deze verwantschap blijkt verwonderlijk—even treffend als tusschen de fossiele en uitgestorven Buideldieren van Australië—uit de groote verzameling, die onlangs door Lund en Clausen uit de holen van Brazilië naar Europa is gebracht. In deze verzameling zijn uitgestorven soorten van al de 32 geslachten der land-viervoeters (op 4 na), die nu de provinciën bewonen waarin de holen liggen. En de uitgestorven soorten zijn veel talrijker dan de nu levende: er zijn fossiele miereneters, armadillen, tapirs, pecaris,guanaco’s, opossums, talrijke Zuidamerikaansche knaagdieren en apen, alsmede andere dieren. Deze wonderlijke verwantschap op hetzelfde vasteland tusschende dooden en de levenden zal, ongetwijfeld, later op de verschijning van organische wezens op onze aarde en hunne verdwijning daarvan meer licht werpen dan eenige andere klasse van feiten.Het is onmogelijk over den veranderden toestand van het Amerikaansche vasteland anders dan met de diepste verbazing na te denken. Voorheen moet het gewemeld hebben van groote monsters; nu vinden wij slechts dwergen, in vergelijking met de vroegere verwante rassen. Indien Buffon van den reusachtigen luiaard, de armadil-achtige dieren en verdwenenPachydermatageweten had, zou hij met meer schijn van waarheid hebben kunnen zeggen, dat de scheppende kracht in Amerika haar vermogen had verloren, dan dat zij nooit groote werking had gehad. De meeste dezer uitgestorven viervoeters, zoo niet alle, leefden in een laat tijdperk, en waren tijdgenooten van de meeste nu bestaande zeeschelpdieren. Sedert den tijd dat zij leefden, kan in den vorm van het land geen zeer groote verandering hebben plaats gehad.Wat heeft dan zooveel soorten en geslachten uitgeroeid? In ’t eerst is de geest onweerstaanbaar geneigd om aan eene groote ramp te denken; maar om dieren, groote en kleine, uit te roeien in Zuid-Patagonië, Brazilië, op de Cordilleras in Peru, en in Noord-Amerika tot aan de Behring-Straat, moeten wij het geheele wereldspantwerk doen waggelen. Bovendien leidt een geologisch onderzoek van La Plata en Patagonië tot de overtuiging, dat alle vormen van het land uit langzame en trapswijs voortgaande veranderingen ontstaan.Uit het kenmerk der fossielen in Europa, Azië, Australië, Noord- en Zuid-Amerika blijkt, dat die voorwaarden welke gunstig zijn voor het leven dergrootereviervoeters, niet lang geleden zich even ver uitstrekten als de wereld zelve. Welke die voorwaarden waren, dat heeft niemand zelfs maar vermoed. Moeilijk kon het eene temperatuurs-verandering zijn, die ongeveer tegelijktijdig de bewoners van tropische, gematigde en poolgewesten op beide halfronden verdelgde.Door Lyell weten wij met zekerheid, dat de groote viervoeters in Noord-Amerika leefden na het tijdperk toen zwerfblokken naar breedten werden vervoerd, waarop ijsbergen nu niet komen; om overtuigende, maar indirecte redenen kunnen wij zeker zijn, dat ook deMacraucheniain het zuidelijk halfrond leefde lang na de ijsbeweging in de zwerfblokkenperiode. Was het de mensch, zooals men gemeend heeft, die na zijne eerste komst in Zuid-Amerika het logge Megatherium en de andereEdentatauitroeide? Wat de verdelging van den kleinen tucutuco te Bahia Blanca, van de vele fossiele muizen en andere kleine viervoeters in Brazilië betreft, moeten wij althans eene andere reden zoeken. Niemand zal wanen, dat eene droogte, zelfs veel strenger dan die welke zulke verwoestingen in de provinciën van La Plata aanrichtte, alle individuën van elke soort vernietigen kon van af Zuid-Patagonië tot aan deBehring-Straat. Wat te zeggen van de uitsterving van het paard? Ontbrak het aan gras op die onmetelijke vlakten, later overstroomd door duizenden en honderdduizenden nakomelingen van het geslacht, dat door de Spanjaarden werd ingevoerd? Hebben de later ingevoerde soorten het voedsel verbruikt van de groote voorgaande rassen? Mogen wij gelooven, dat de Capybara het voedsel heeft genomen van den Toxodon, het Guanaco van de Macrauchenia, de nu levende kleineEdentatavan hunne talrijke reusachtige prototypen? In de lange geschiedenis der wereld is voorzeker geen feit zoo verrassend, als de groote en herhaalde uitroeiingen van hare bewoners.Beschouwen wij de zaak echter uit een ander oogpunt, dan zal zij minder ingewikkeld schijnen. Wij bedenken niet steeds, hoe diep onwetend wij zijn omtrent de levensvoorwaarden van elk dier: herinneren ons niet altijd dat er eene oorzaak is, die de te snelle toename van elk georganiseerd wezen in den natuurstaat voortdurend belemmert. De voorraad voedsel blijft gemiddeld dezelfde; daarentegen bestaat bij elk dier de neiging om door voortplanting in geometrische reden toe te nemen; en nergens zijn de verrassende gevolgen daarvan op treffender wijze gebleken, dan inAmerika, waar de Europeesche dieren gedurende de paar laatste eeuwen in ’t wild loopen. In den natuurstaat teelt elk dier geregeld; toch is bij eene lang gevestigde soort eene sterke getaltoename blijkbaar onmogelijk en moet door eene of andere oorzaak belet worden. Intusschen zijn wij maar zelden in staat bij eene gegeven soort met zekerheid te zeggen, in welke levensperiode of in welken tijd van het jaar die storing valt: of zij alleen na lange tusschentijden optreedt, en wat er de juiste oorzaak van is. Zoo komt het waarschijnlijk, dat wij zoo weinig verwonderd zijn, als van twee soorten die in gewoonten na aan elkander zijn verwant, de eene zeldzaam en de andere overvloedig is in hetzelfde district; of ook als de eene overvloedig is in dit of in dat district, en de tweede, die in de huishouding der natuur dezelfde plaats inneemt, overvloedig in een naburig district met zeer gering verschil in toestanden. Naar de reden hiervan vragende, antwoordt men onmiddellijk, dat dit veroorzaakt wordt door een gering verschil in klimaat, voedsel of het getal vijanden; maar hoe zelden, of nooit, kunnen wij de juiste oorzaak der storing en hare wijze van werking aangeven! Wij komen dus tot de noodzakelijke gevolgtrekking, dat in ’t algemeen voor ons onwaarneembare oorzaken bepalen of eene soort overvloedig of schaarsch in aantal is.In de gevallen waar wij het uitroeien van eene soort door den mensch, hetzij geheel of in een beperkt district, kunnen nagaan, weten wij dat zij gaandeweg zeldzamer wordt, en dan verdwijnt. Het zou echter moeilijk zijn een juist onderscheid aan te geven24tusschen eene soort die door den mensch, en eene die door de toename harer natuurlijke vijanden wordt verdelgd. Het bewijs van zeldzaamheid, welke het uitsterven voorafgaat, is, zooals verscheidene bekwame waarnemers opgemerkt hebben, nog treffender inde opvolgende tertiaire lagen, waar dikwijls bevonden is, dat eene schelp die in zulk eene laag zeer algemeen is, thans hoogst zeldzaam, en zelfs lang als uitgestorven beschouwd is. Indien dus—wat waarschijnlijk lijkt—soorten eerst zeldzaam worden en dan uitsterven; indien de al te snelle toename van elke soort, zelfs de meest begunstigde, gestadig wordt belemmerd, zooals wij moeten aannemen, ofschoon moeilijk te zeggen ishoeenwanneer; en indien wij zonder de minste verbazing zien—hoewel niet in staat de juiste oorzaak aan te wijzen—dat in hetzelfde district de eene soort overvloedig en de andere naverwante zeldzaam is: waarom dan zoo verwonderd te zijn als die zeldzaamheid een stap verder, in uitsterving overgaat? Eene werking, die overal om ons heen plaats grijpt en toch nauwelijks waarneembaar is, kan zeker iets verder worden geleid, zonder onze opmerkzaamheid te wekken.Wien zou het zoo verwonderen als hij hoorde, dat de Megalonyx voorheen zeldzaam was, vergeleken met het Megatherium; of dat een der fossiele apen gering in aantal was vergeleken met een der nu levende? En toch zouden wij in deze betrekkelijke zeldzaamheid het duidelijkste bewijs hebben, dat de voorwaarden voor hun bestaan minder gunstig waren. Toegeven, dat soorten in ’t algemeen zeldzaam worden voordat zij uitsterven; niet verwonderd zijn over de zeldzaamheid eener soort vergeleken met eene andere; maar nochtans eene buitengewone werkende kracht aannemen en groote verwondering toonen als eene soort ophoudt te bestaan—schijnt mij zoo ongeveer hetzelfde, als toegeven dat ziekte bij het individu de voorbode is des doods; niet verwonderd zijn over de ziekte, maar wel zich verwonderen als de zieke sterft, en gelooven dat hij door geweld stierf.1Darwin spelt dit woord in zijn tekstnjataenniata. Het woord luidt echter zoowel in ’t Spaansch als Portugeeschnataen beteekent (fig.) het beste, uitgezochtste, de bloem. De eigenlijke vertaling is “room.” (Vert.)2Waterhouse heeft eene uitvoerige beschrijving van dit hoofd gegeven, welke hij, hoop ik, in eenig tijdschrift zal publiceeren.3Dit dier was een reusachtig vierhoornig hert, ter grootte van een olifant, en grooter nog. Men heeft het met de overblijfsels van vele andere zoogdieren uit de Mioceen- en Plioceenperioden (o. a. groote krokodillen, en de vier meter lange reuzenschildpadColossochelys Atlas) gevonden in de zoogenaamdeSiwalik-heuvels aan den zuidelijken voet van den Himalaya. Deze heuvels zijn van zoetwateroorsprong, en vormen eene 2000 meter diepe afzetting van klei, zandsteen en conglomeraten door de bergstroomen van den Himalaya, gedurende de laatste geweldige aardkorstbewegingen in het Tertiaire Tijdvak, toen de H. evenals de meeste groote bergketenen der aarde omhoog werd geheven. Enkele deelen van den toenmaligen zeebodem liggen nu minstens 16,500 voet boven de zee.(Noot v. d. Vert.)4Een bijna even abnormale bouw (maar ik weet niet of hij erfelijk is) heeft men waargenomen bij den karper, alsmede bij den krokodil van den Ganges (Histoire des Anomalies, par Isid. Geoffroy St. Hilaire, Deel I. blz. 244.)5A. d’Orbigny heeft een bijna gelijkluidend verhaal van dezen hond gegeven:Voyage dans l’Amérique Mérid., Deel I, blz. 175.6In den tekst staatdomidor, welk woord echter noch in ’t Spaansch, noch in ’t Portugeesch bekend is.(Vert.)7“Ach, Don Karel, wat erg!” (Karel of Charles was Darwin’s voornaam).8Eencrown= 5 shillings.9Ik moet mijn dank betuigen aan Mr. Keane, in wiens huis op den Berquelo ik vertoefde en aan Mr. Lumb te Buenos Aires; want zonder hunne hulp zouden deze kostbare overblijfsels nooit in Engeland zijn gekomen.10ὑμενοπτέροςsaamgesteld uitὑμήν= vlies enπτερόν= vleugel.(Vert.)11Lyell’sPrinciples of Geology, 10de Edit., Deel II, blz. 377/78.12Pelagisch vanπελαγικός: tot de zee (πέλαγος) behoorende.(Vert.)13De vliegen, die dikwijls een schip eenige dagen op zijn tocht van de eene haven naar de andere vergezellen, zijn, als zij van het schip afdwalen, spoedig verloren en verdwijnenalle.14Pierre André Latreille (1762–1833) was een Fransch dier- en insectenkundige. Hij schreefHistoire des Salamandres, enHistoire naturelle des Reptiles.(Vert.)15Mr. Blackwall, in zijneResearches on Zoology, doet vele voortreffelijke opmerkingen over de gewoonten van spinnen.Volgens Dr. Otto Taschenberg (Bilder aus dem Tierleben) zijn de herfstdraad-spinnen de jonge dieren van verschillende soorten:Xysticus,Micryphantus,e. a.(Vert.)16Eene soort van kwallen, behoorende tot de orde derCraspedophorae.17Lagere Kreeftdieren (eene onderklasse van deCrustacea).18OokZwaluw-stormvogelgenoemd: eene soortProcellaria, evenals de albatros (Diomedea). Zijn tekstnaam is ontleend aan het feit, dat hij, evenals Petrus, over zee schijnt te loopen.(Vert.)19Twee soorten van makreelen (ThynnusofScomber).20Ik heb hier eene cactus-soort gevonden, door Professor Henslow beschreven onder den naam vanOpuntia Darwinii(Magazine of Zoology and Botany, deel I, blz. 466), welke merkwaardig was om de prikkelbaarheid harerstamina(meeldraden), als ik de punt van een stok of mijn vingertop in de bloem stak. Ook de segmenten van hetperianthium(bloemkelk) sloten zich op den stamper, maar langzamer dan de meeldraden. Planten van deze familie, die in ’t algemeen als tropisch wordt beschouwd, komen in Noord-Amerika op dezelfde hooge breedte voor als hier: namelijk in beide gevallen op 47°. (Lewis and Clarke’s Travels, blz. 221).21Laatstgenoemde insecten vindt men niet zelden onder steenen. Eens zag ik een schorpioen kalm een anderen verslinden.22Dedingeyofdinghyis eene soort van boot, die in Oost-Indië gebruikt wordt; ook noemt men aldus de kleinste boot op een schip, die door twee man geroeid wordt.(Vert.)23Onlangs heb ik gehoord, dat kapitein Sulivan der K. M. talrijke fossiele beenderen gevonden heeft in regelmatige lagen op 52° 4′ breedte aan de oevers der Rio Gallegos. Eenige daarvan zijn groot, andere klein, en schijnen tot een armadil behoord te hebben. Dit is eene zeer belangwekkende en gewichtige ontdekking.24Zie de uitmuntende opmerkingen dienaangaande van Lyell in zijnePrinciples of Geology, 10e Uitgaaf, Deel II, Blz. 433 en volg.
Niemand kan antwoorden; nu schijntzijeeuwig.De wildernis heeft eene geheimzinnige taal,Die ontzagwekkend twijfelen leert.
Niemand kan antwoorden; nu schijntzijeeuwig.
De wildernis heeft eene geheimzinnige taal,
Die ontzagwekkend twijfelen leert.
(Shelley, regels op den Mont-Blanc.)
Des avonds zeilden wij eenige mijlen verder en sloegen toen eene tent op voor den nacht. Tegen het midden van den volgenden dag geraakte de jol aan den grond, en kon wegens het ondiepe water niet verder. Daar het laatste gedeeltelijk zoet werd bevonden, nam Chaffers dedingey,22en ging drie mijlen hooger op, waar ook dit vaartuig aan den grond raakte. Wij bevonden ons nu in eene zoetwaterrivier. Het water was modderig, en hoewel de stroom van zeer onbeduidende grootte was, zou het moeilijk geweest zijn den oorsprong te verklaren, tenzij uit de gesmolten sneeuw op de Cordilleras. Op de plek waar wij bivouakeerden, waren wij door steile klippen en hooge toppen van porfier omringd. Ik geloof niet, dat ik ooit eene plek heb gezien, die zoozeer van de overige wereld afgesloten scheen, als deze rotsachtige afgrond in de wijde vlakte.
Den tweeden dag na onze terugkomst op de aanlegplaats ging een gezelschap officieren en ik een oud Indiaansch graf doorzoeken, dat ik op den top van een naburigen heuvel gezien had. Twee reusachtige steenen, elk vermoedelijk minstens een paar ton wegende, waren tegenover een omstreeks zes voet hoog vooruitspringend rotsblok geplaatst. Op den harden steenen bodem van het graf was een laag aarde van omtrent 1 voet diepte, die uit de omlaag gelegen vlakte naar boven moet gebracht zijn. Daarop was een vloer van platte steenen gelegd, en op deze weer andere, zoodat de ruimte tusschen het vooruitspringend rotsblok en de twee groote steenen gevuld was. Om het graf te voltooien, waren de Indianen op den inval gekomen om van het rotsblok eengroot stuk los te maken en op den stapel te werpen, zóo dat het op de twee steenen rustte. Wij ondermijnden het graf aan beide kanten, doch konden geen reliquieën, en zelfs geen beenderen vinden. Waarschijnlijk waren de laatsten sedert lang vergaan (in welk geval het graf van zeer hoogen ouderdom moet geweest zijn), want op eene andere plek vond ik eenige kleinere hoopen, onder welke zeer enkele verbrokkelde stukken werden gevonden, waaraan nog te zien was, dat zij van een mensch afkomstig waren. Falconer zegt, dat een Indiaan begraven wordt waar hij sterft, maar dat later zijn beenderen zorgvuldig opgenomen en, al is de afstand nog zoo groot, naar het zeestrand worden gebracht om begraven te worden. Ik geloof, dat deze gewoonte te verklaren is, zoo men bedenkt dat deze Indianen, vóór den invoer van paarden, bijna hetzelfde leven moeten geleid hebben als nu de Vuurlanders, en dus in ’t algemeen in de nabijheid der zee hebben gewoond. De gewone voorliefde om te liggen waar zijne voorvaderen hebben gelegen, zou de thans zwervende Indianen nopen om het minst vergankelijke gedeelte hunner dooden over te brengen naar hunne oude begraafplaats op de kust.
9 Januari.Vóór het donker was, ankerde deBeaglein de fraaie ruime haven van Port St.-Julian, omstreeks 110 mijlen ten zuiden van Port Desiré gelegen. Wij bleven hier acht dagen. Het land is nagenoeg gelijk aan dat van Port Desiré, maar misschien nog iets onvruchtbaarder. Eens vergezelde ik met een clubje kapitein Fitz-Roy op eene lange wandeling om het havenhoofd. Elf uren lang dronken wij geen druppel water, en eenigen van het gezelschap waren geheel uitgeput. Van den top van een heuvel (sedertThirsty Hillof Dorstige Heuvel genoemd) werd een fraai meer ontdekt, en gingen twee van het gezelschap met afgesproken seinen er heen, om te wenken of het zoet water was. Hoe groot was onze teleurstelling, toen wij eene sneeuwwitte uitgestrektheid van zout zagen, gekristalliseerd in groote kuben! Wij schreven onzen fellen dorst toe aan de droogte van den dampkring; maar wat ookde reden zij—zeker is het, dat wij uiterst blijde waren laat in den avond in onze booten terug te zijn. Ofschoon wij op onzen geheelen tocht nergens een druppel zoet water konden vinden, moest er toch wat zijn; want door een zonderling toeval vond ik op de oppervlakte van het zoute water, bij het hoofd der baai, een niet geheel doodenColymbetes, die in een niet ver af gelegen poel geleefd moest hebben. Drie andere insecten (eenCincindellaals bastaard, eenCymindisen eenHarpalus, die alle op modderplaten leven, welke nu en dan door de zee worden overstroomd), en nog een vierde, dat dood op de vlakte werd gevonden, voltooien de lijst der kevers. Eene vlieg van tamelijke grootte (Tabanus) was buitengewoon talrijk, en kwelde ons door haar pijnlijken steek. De gewone paardenvlieg (Hippobosca), die in de lommerrijke lanen in Engeland zoo lastig is, behoort tot dezelfde orde. Wij hebben hier het raadsel, dat zoo dikwijls in het geval der muskieten voorkomt: met het bloed van welke dieren voeden deze insecten zich gewoonlijk? Het guanaco is ongeveer de eenige warmbloedige viervoeter en komt, vergeleken met de menigte vliegen, in zeer gering aantal voor.
De geologie van Patagonië is belangwekkend. In afwijking met Europa, waar de tertiare formaties zich in baaien schijnen opgehoopt te hebben, vinden wij hier overhonderdenmijlen kustland ééne groote afzetting, in zich bevattende vele tertiaire schelpdieren, die alle uitgestorven schijnen. Het meest voorkomende schelpdier is een zware reusachtige oester, soms wel een voet in middellijn. Deze beddingen worden bedekt door andere van een eigenaardigen zachten witten steen, die veel gips bevat en op kalk gelijkt, maar inderdaad van puimsteenachtig gehalte is. Hoogst merkwaardig is het, dat zij voor minstens een tiende deel in volume uitinfusoriabestaan! Professor Ehrenberg heeft er reeds 30 zee-soorten in ontdekt. Deze laagbedding strekt zich 500 mijlen langs de kust, en waarschijnlijk nog veel verder uit. Te Port St.-Julian is hare dikte meer dan800 voet! Deze witte beddingen zijn overal bedekt met een laag grof kiezel, die misschien een van de grootste keisteenbeddingen der wereld vormt. Zeker weet men, dat zij zich van bij de Rio Colorado uitstrekt tot tusschen de 600 en 700 zeemijlen zuidwaarts; bij de Santa Cruz (eene rivier even ten zuiden van St.-Julian) bereikt zij den voet der Cordilleras; halfweg de rivier op is hare dikte meer dan 200 voet, en vermoedelijk strekt zij zich overal tot de genoemde groote keten uit, vanwaar de wel afgeronde porfiersteenen afkomstig zijn. Wij mogen hare gemiddelde breedte op 200 mijlen, en de gemiddelde dikte op ongeveer 50 voet stellen. Indien deze groote laag van kiezelsteenen, zonder bijvoeging van de modder die noodzakelijk door hunne wrijving is ontstaan, tot een berg werd opgehoopt, zou zij eene groote keten vormen!
Bedenkt men, dat al die kiezelsteenen, talrijk als de zandkorrels in de woestijn, afkomstig zijn van langzaam afbrokkelende steenmassa’s op de oude kustlijnen en rivieroevers; dat deze brokken in kleinere stukken zijn geslagen, en dat elk daarvan sedert dien tijd langzaam gerold, afgerond en ver is weggevoerd, dan staat de geest ontzet bij de gedachte aan de lange reeks van jaren, die voor dit proces volstrekt noodig waren. Toch zijn al die keisteenen vervoerd en waarschijnlijk afgerond geworden na de afzetting der witte beddingen, enlangna de vorming der onderliggende beddingen met tertiaire schelpen!
In dit zuidelijk werelddeel is alles op groote schaal ten uitvoer gebracht; van de Rio de la Plata tot Vuurland—een afstand van 1200 mijlen—is het land in het tijdperk der nu bestaande zeeschelpen in massa gerezen; en wel in Patagonië tot eene hoogte van tusschen de 300 en 400 voet. De oude en verweerde schelpen, die aan de oppervlakte der gerezene vlakte zijn achtergebleven, bezitten nog gedeeltelijk hare kleuren. De rijzende beweging werd afgebroken door minstens acht lange tijdperken van rust, gedurende welke de zee diep in het land knaagde, en op allengs volgende peilstanden de lange reeksen van klippen en steilten vormde,die de verschillende als terrassen achter elkander verrijzende vlakten scheiden. De opwaartsche beweging en de knagende werking der zee gedurende de lange perioden van rust, zijn over lange kustlijnen gelijk geweest; want met verbazing vond ik, dat de terrasvormige vlakten op verafgelegen punten op nagenoeg correspondeerende hoogten staan. De laagste vlakte is 90 voet hoog, en de hoogste die ik bij de kust besteeg, 950 voet; en daarvan vinden wij slechts overblijfsels in den vorm van vlakke met kiezel bedekte bergjes. De bovenste vlakte der Santa Cruz loopt glooiend op tot eene hoogte van 3000 voet aan den voet der Andesketen. Ik heb gezegd, dat Patagonië in het tijdperk der bestaande zeeschelpen 300 tot 400 voet gerezen is, en kan er bijvoegen, dat de stijging minstens 1500 voet geweest is in het tijdperk toen ijsbergen zwerfblokken over de bovenvlakte der Santa Cruz vervoerden. Maar Patagonië is niet alleen aan stijgende bewegingen onderhevig geweest: de uitgestorven tertiaire schelpdieren van Port St.-Julian en de Santa Cruz kunnen, volgens Prof. E. Forbes, op geen grootere waterdiepte geleefd hebben dan van 40 tot 250 voet, terwijl zij nu bedekt zijn met uit zee afgezette lagen van 800 tot 1000 voet dikte; bijgevolg moet de zeebodem, waarop deze schelpdieren eenmaal leefden, vele honderden voeten gedaald zijn, om de ophooping der daarboven liggende lagen mogelijk te maken. Welk eene geschiedenis van geologische veranderingen openbaart die eenvoudig samengestelde kust van Patagonië!
Te Port St.-Julian23vond ik in eene roode modderlaag, die het kiezelzand op de 90-voet vlakte bedekte, het halve skelet van deMacrauchenia Patagonica: een merkwaardigenviervoeter, die zoo groot was als een kameel. Hijbehoort tot dezelfde afdeeling derPachydermataals de rhinoceros, de tapir en hetpalaeotherium; maar in den bouw der beenderen van zijn langen hals, vertoont hij eene duidelijke verwantschap tot den kameel, of liever tot hetguanacoen de lama. Uit het feit, dat nieuwe zeeschelpdieren gevonden zijn op twee der hoogere terrasvormige vlakten, die gelaagd en opgeheven moeten zijn vóór het afzetten van de modder waarin deMacraucheniabegraven was, blijkt overtuigend, dat deze merkwaardige viervoeter leefde lang nadat de zee door hare tegenwoordige schelpdieren bewoond was. Eerst was ik zeer verwonderd, dat een groote viervoeter zoo kort geleden op 49°15′ in deze ellendige keisteenvlakten met haren schralen plantengroei geleefd kon hebben; maar de verwantschap van deMacraucheniatot het guanaco, thans een bewoner van de onvruchtbaarste gedeelten, verklaart deze moeilijkheid ten deele.
De, ofschoon verre, verwantschap tusschen deMacraucheniaen het guanaco, tusschen den Toxodon en de Capybara; de nauwere verwantschap tusschen de vele uitgestorvenenEdentataen de levende luiaards, miereneters en armadillen, die nu zulk een uitstekend kenmerk vormen in de zoölogie van Zuid-Amerika; en eindelijk de nog nauwere verwantschap tusschen de fossiele en levende soorten vanCtenomysenHydrochoerus—zijn zeer belangwekkende feiten. Deze verwantschap blijkt verwonderlijk—even treffend als tusschen de fossiele en uitgestorven Buideldieren van Australië—uit de groote verzameling, die onlangs door Lund en Clausen uit de holen van Brazilië naar Europa is gebracht. In deze verzameling zijn uitgestorven soorten van al de 32 geslachten der land-viervoeters (op 4 na), die nu de provinciën bewonen waarin de holen liggen. En de uitgestorven soorten zijn veel talrijker dan de nu levende: er zijn fossiele miereneters, armadillen, tapirs, pecaris,guanaco’s, opossums, talrijke Zuidamerikaansche knaagdieren en apen, alsmede andere dieren. Deze wonderlijke verwantschap op hetzelfde vasteland tusschende dooden en de levenden zal, ongetwijfeld, later op de verschijning van organische wezens op onze aarde en hunne verdwijning daarvan meer licht werpen dan eenige andere klasse van feiten.
Het is onmogelijk over den veranderden toestand van het Amerikaansche vasteland anders dan met de diepste verbazing na te denken. Voorheen moet het gewemeld hebben van groote monsters; nu vinden wij slechts dwergen, in vergelijking met de vroegere verwante rassen. Indien Buffon van den reusachtigen luiaard, de armadil-achtige dieren en verdwenenPachydermatageweten had, zou hij met meer schijn van waarheid hebben kunnen zeggen, dat de scheppende kracht in Amerika haar vermogen had verloren, dan dat zij nooit groote werking had gehad. De meeste dezer uitgestorven viervoeters, zoo niet alle, leefden in een laat tijdperk, en waren tijdgenooten van de meeste nu bestaande zeeschelpdieren. Sedert den tijd dat zij leefden, kan in den vorm van het land geen zeer groote verandering hebben plaats gehad.
Wat heeft dan zooveel soorten en geslachten uitgeroeid? In ’t eerst is de geest onweerstaanbaar geneigd om aan eene groote ramp te denken; maar om dieren, groote en kleine, uit te roeien in Zuid-Patagonië, Brazilië, op de Cordilleras in Peru, en in Noord-Amerika tot aan de Behring-Straat, moeten wij het geheele wereldspantwerk doen waggelen. Bovendien leidt een geologisch onderzoek van La Plata en Patagonië tot de overtuiging, dat alle vormen van het land uit langzame en trapswijs voortgaande veranderingen ontstaan.
Uit het kenmerk der fossielen in Europa, Azië, Australië, Noord- en Zuid-Amerika blijkt, dat die voorwaarden welke gunstig zijn voor het leven dergrootereviervoeters, niet lang geleden zich even ver uitstrekten als de wereld zelve. Welke die voorwaarden waren, dat heeft niemand zelfs maar vermoed. Moeilijk kon het eene temperatuurs-verandering zijn, die ongeveer tegelijktijdig de bewoners van tropische, gematigde en poolgewesten op beide halfronden verdelgde.Door Lyell weten wij met zekerheid, dat de groote viervoeters in Noord-Amerika leefden na het tijdperk toen zwerfblokken naar breedten werden vervoerd, waarop ijsbergen nu niet komen; om overtuigende, maar indirecte redenen kunnen wij zeker zijn, dat ook deMacraucheniain het zuidelijk halfrond leefde lang na de ijsbeweging in de zwerfblokkenperiode. Was het de mensch, zooals men gemeend heeft, die na zijne eerste komst in Zuid-Amerika het logge Megatherium en de andereEdentatauitroeide? Wat de verdelging van den kleinen tucutuco te Bahia Blanca, van de vele fossiele muizen en andere kleine viervoeters in Brazilië betreft, moeten wij althans eene andere reden zoeken. Niemand zal wanen, dat eene droogte, zelfs veel strenger dan die welke zulke verwoestingen in de provinciën van La Plata aanrichtte, alle individuën van elke soort vernietigen kon van af Zuid-Patagonië tot aan deBehring-Straat. Wat te zeggen van de uitsterving van het paard? Ontbrak het aan gras op die onmetelijke vlakten, later overstroomd door duizenden en honderdduizenden nakomelingen van het geslacht, dat door de Spanjaarden werd ingevoerd? Hebben de later ingevoerde soorten het voedsel verbruikt van de groote voorgaande rassen? Mogen wij gelooven, dat de Capybara het voedsel heeft genomen van den Toxodon, het Guanaco van de Macrauchenia, de nu levende kleineEdentatavan hunne talrijke reusachtige prototypen? In de lange geschiedenis der wereld is voorzeker geen feit zoo verrassend, als de groote en herhaalde uitroeiingen van hare bewoners.
Beschouwen wij de zaak echter uit een ander oogpunt, dan zal zij minder ingewikkeld schijnen. Wij bedenken niet steeds, hoe diep onwetend wij zijn omtrent de levensvoorwaarden van elk dier: herinneren ons niet altijd dat er eene oorzaak is, die de te snelle toename van elk georganiseerd wezen in den natuurstaat voortdurend belemmert. De voorraad voedsel blijft gemiddeld dezelfde; daarentegen bestaat bij elk dier de neiging om door voortplanting in geometrische reden toe te nemen; en nergens zijn de verrassende gevolgen daarvan op treffender wijze gebleken, dan inAmerika, waar de Europeesche dieren gedurende de paar laatste eeuwen in ’t wild loopen. In den natuurstaat teelt elk dier geregeld; toch is bij eene lang gevestigde soort eene sterke getaltoename blijkbaar onmogelijk en moet door eene of andere oorzaak belet worden. Intusschen zijn wij maar zelden in staat bij eene gegeven soort met zekerheid te zeggen, in welke levensperiode of in welken tijd van het jaar die storing valt: of zij alleen na lange tusschentijden optreedt, en wat er de juiste oorzaak van is. Zoo komt het waarschijnlijk, dat wij zoo weinig verwonderd zijn, als van twee soorten die in gewoonten na aan elkander zijn verwant, de eene zeldzaam en de andere overvloedig is in hetzelfde district; of ook als de eene overvloedig is in dit of in dat district, en de tweede, die in de huishouding der natuur dezelfde plaats inneemt, overvloedig in een naburig district met zeer gering verschil in toestanden. Naar de reden hiervan vragende, antwoordt men onmiddellijk, dat dit veroorzaakt wordt door een gering verschil in klimaat, voedsel of het getal vijanden; maar hoe zelden, of nooit, kunnen wij de juiste oorzaak der storing en hare wijze van werking aangeven! Wij komen dus tot de noodzakelijke gevolgtrekking, dat in ’t algemeen voor ons onwaarneembare oorzaken bepalen of eene soort overvloedig of schaarsch in aantal is.
In de gevallen waar wij het uitroeien van eene soort door den mensch, hetzij geheel of in een beperkt district, kunnen nagaan, weten wij dat zij gaandeweg zeldzamer wordt, en dan verdwijnt. Het zou echter moeilijk zijn een juist onderscheid aan te geven24tusschen eene soort die door den mensch, en eene die door de toename harer natuurlijke vijanden wordt verdelgd. Het bewijs van zeldzaamheid, welke het uitsterven voorafgaat, is, zooals verscheidene bekwame waarnemers opgemerkt hebben, nog treffender inde opvolgende tertiaire lagen, waar dikwijls bevonden is, dat eene schelp die in zulk eene laag zeer algemeen is, thans hoogst zeldzaam, en zelfs lang als uitgestorven beschouwd is. Indien dus—wat waarschijnlijk lijkt—soorten eerst zeldzaam worden en dan uitsterven; indien de al te snelle toename van elke soort, zelfs de meest begunstigde, gestadig wordt belemmerd, zooals wij moeten aannemen, ofschoon moeilijk te zeggen ishoeenwanneer; en indien wij zonder de minste verbazing zien—hoewel niet in staat de juiste oorzaak aan te wijzen—dat in hetzelfde district de eene soort overvloedig en de andere naverwante zeldzaam is: waarom dan zoo verwonderd te zijn als die zeldzaamheid een stap verder, in uitsterving overgaat? Eene werking, die overal om ons heen plaats grijpt en toch nauwelijks waarneembaar is, kan zeker iets verder worden geleid, zonder onze opmerkzaamheid te wekken.
Wien zou het zoo verwonderen als hij hoorde, dat de Megalonyx voorheen zeldzaam was, vergeleken met het Megatherium; of dat een der fossiele apen gering in aantal was vergeleken met een der nu levende? En toch zouden wij in deze betrekkelijke zeldzaamheid het duidelijkste bewijs hebben, dat de voorwaarden voor hun bestaan minder gunstig waren. Toegeven, dat soorten in ’t algemeen zeldzaam worden voordat zij uitsterven; niet verwonderd zijn over de zeldzaamheid eener soort vergeleken met eene andere; maar nochtans eene buitengewone werkende kracht aannemen en groote verwondering toonen als eene soort ophoudt te bestaan—schijnt mij zoo ongeveer hetzelfde, als toegeven dat ziekte bij het individu de voorbode is des doods; niet verwonderd zijn over de ziekte, maar wel zich verwonderen als de zieke sterft, en gelooven dat hij door geweld stierf.
1Darwin spelt dit woord in zijn tekstnjataenniata. Het woord luidt echter zoowel in ’t Spaansch als Portugeeschnataen beteekent (fig.) het beste, uitgezochtste, de bloem. De eigenlijke vertaling is “room.” (Vert.)2Waterhouse heeft eene uitvoerige beschrijving van dit hoofd gegeven, welke hij, hoop ik, in eenig tijdschrift zal publiceeren.3Dit dier was een reusachtig vierhoornig hert, ter grootte van een olifant, en grooter nog. Men heeft het met de overblijfsels van vele andere zoogdieren uit de Mioceen- en Plioceenperioden (o. a. groote krokodillen, en de vier meter lange reuzenschildpadColossochelys Atlas) gevonden in de zoogenaamdeSiwalik-heuvels aan den zuidelijken voet van den Himalaya. Deze heuvels zijn van zoetwateroorsprong, en vormen eene 2000 meter diepe afzetting van klei, zandsteen en conglomeraten door de bergstroomen van den Himalaya, gedurende de laatste geweldige aardkorstbewegingen in het Tertiaire Tijdvak, toen de H. evenals de meeste groote bergketenen der aarde omhoog werd geheven. Enkele deelen van den toenmaligen zeebodem liggen nu minstens 16,500 voet boven de zee.(Noot v. d. Vert.)4Een bijna even abnormale bouw (maar ik weet niet of hij erfelijk is) heeft men waargenomen bij den karper, alsmede bij den krokodil van den Ganges (Histoire des Anomalies, par Isid. Geoffroy St. Hilaire, Deel I. blz. 244.)5A. d’Orbigny heeft een bijna gelijkluidend verhaal van dezen hond gegeven:Voyage dans l’Amérique Mérid., Deel I, blz. 175.6In den tekst staatdomidor, welk woord echter noch in ’t Spaansch, noch in ’t Portugeesch bekend is.(Vert.)7“Ach, Don Karel, wat erg!” (Karel of Charles was Darwin’s voornaam).8Eencrown= 5 shillings.9Ik moet mijn dank betuigen aan Mr. Keane, in wiens huis op den Berquelo ik vertoefde en aan Mr. Lumb te Buenos Aires; want zonder hunne hulp zouden deze kostbare overblijfsels nooit in Engeland zijn gekomen.10ὑμενοπτέροςsaamgesteld uitὑμήν= vlies enπτερόν= vleugel.(Vert.)11Lyell’sPrinciples of Geology, 10de Edit., Deel II, blz. 377/78.12Pelagisch vanπελαγικός: tot de zee (πέλαγος) behoorende.(Vert.)13De vliegen, die dikwijls een schip eenige dagen op zijn tocht van de eene haven naar de andere vergezellen, zijn, als zij van het schip afdwalen, spoedig verloren en verdwijnenalle.14Pierre André Latreille (1762–1833) was een Fransch dier- en insectenkundige. Hij schreefHistoire des Salamandres, enHistoire naturelle des Reptiles.(Vert.)15Mr. Blackwall, in zijneResearches on Zoology, doet vele voortreffelijke opmerkingen over de gewoonten van spinnen.Volgens Dr. Otto Taschenberg (Bilder aus dem Tierleben) zijn de herfstdraad-spinnen de jonge dieren van verschillende soorten:Xysticus,Micryphantus,e. a.(Vert.)16Eene soort van kwallen, behoorende tot de orde derCraspedophorae.17Lagere Kreeftdieren (eene onderklasse van deCrustacea).18OokZwaluw-stormvogelgenoemd: eene soortProcellaria, evenals de albatros (Diomedea). Zijn tekstnaam is ontleend aan het feit, dat hij, evenals Petrus, over zee schijnt te loopen.(Vert.)19Twee soorten van makreelen (ThynnusofScomber).20Ik heb hier eene cactus-soort gevonden, door Professor Henslow beschreven onder den naam vanOpuntia Darwinii(Magazine of Zoology and Botany, deel I, blz. 466), welke merkwaardig was om de prikkelbaarheid harerstamina(meeldraden), als ik de punt van een stok of mijn vingertop in de bloem stak. Ook de segmenten van hetperianthium(bloemkelk) sloten zich op den stamper, maar langzamer dan de meeldraden. Planten van deze familie, die in ’t algemeen als tropisch wordt beschouwd, komen in Noord-Amerika op dezelfde hooge breedte voor als hier: namelijk in beide gevallen op 47°. (Lewis and Clarke’s Travels, blz. 221).21Laatstgenoemde insecten vindt men niet zelden onder steenen. Eens zag ik een schorpioen kalm een anderen verslinden.22Dedingeyofdinghyis eene soort van boot, die in Oost-Indië gebruikt wordt; ook noemt men aldus de kleinste boot op een schip, die door twee man geroeid wordt.(Vert.)23Onlangs heb ik gehoord, dat kapitein Sulivan der K. M. talrijke fossiele beenderen gevonden heeft in regelmatige lagen op 52° 4′ breedte aan de oevers der Rio Gallegos. Eenige daarvan zijn groot, andere klein, en schijnen tot een armadil behoord te hebben. Dit is eene zeer belangwekkende en gewichtige ontdekking.24Zie de uitmuntende opmerkingen dienaangaande van Lyell in zijnePrinciples of Geology, 10e Uitgaaf, Deel II, Blz. 433 en volg.
1Darwin spelt dit woord in zijn tekstnjataenniata. Het woord luidt echter zoowel in ’t Spaansch als Portugeeschnataen beteekent (fig.) het beste, uitgezochtste, de bloem. De eigenlijke vertaling is “room.” (Vert.)
2Waterhouse heeft eene uitvoerige beschrijving van dit hoofd gegeven, welke hij, hoop ik, in eenig tijdschrift zal publiceeren.
3Dit dier was een reusachtig vierhoornig hert, ter grootte van een olifant, en grooter nog. Men heeft het met de overblijfsels van vele andere zoogdieren uit de Mioceen- en Plioceenperioden (o. a. groote krokodillen, en de vier meter lange reuzenschildpadColossochelys Atlas) gevonden in de zoogenaamdeSiwalik-heuvels aan den zuidelijken voet van den Himalaya. Deze heuvels zijn van zoetwateroorsprong, en vormen eene 2000 meter diepe afzetting van klei, zandsteen en conglomeraten door de bergstroomen van den Himalaya, gedurende de laatste geweldige aardkorstbewegingen in het Tertiaire Tijdvak, toen de H. evenals de meeste groote bergketenen der aarde omhoog werd geheven. Enkele deelen van den toenmaligen zeebodem liggen nu minstens 16,500 voet boven de zee.
(Noot v. d. Vert.)
4Een bijna even abnormale bouw (maar ik weet niet of hij erfelijk is) heeft men waargenomen bij den karper, alsmede bij den krokodil van den Ganges (Histoire des Anomalies, par Isid. Geoffroy St. Hilaire, Deel I. blz. 244.)
5A. d’Orbigny heeft een bijna gelijkluidend verhaal van dezen hond gegeven:Voyage dans l’Amérique Mérid., Deel I, blz. 175.
6In den tekst staatdomidor, welk woord echter noch in ’t Spaansch, noch in ’t Portugeesch bekend is.
(Vert.)
7“Ach, Don Karel, wat erg!” (Karel of Charles was Darwin’s voornaam).
8Eencrown= 5 shillings.
9Ik moet mijn dank betuigen aan Mr. Keane, in wiens huis op den Berquelo ik vertoefde en aan Mr. Lumb te Buenos Aires; want zonder hunne hulp zouden deze kostbare overblijfsels nooit in Engeland zijn gekomen.
10ὑμενοπτέροςsaamgesteld uitὑμήν= vlies enπτερόν= vleugel.
(Vert.)
11Lyell’sPrinciples of Geology, 10de Edit., Deel II, blz. 377/78.
12Pelagisch vanπελαγικός: tot de zee (πέλαγος) behoorende.
(Vert.)
13De vliegen, die dikwijls een schip eenige dagen op zijn tocht van de eene haven naar de andere vergezellen, zijn, als zij van het schip afdwalen, spoedig verloren en verdwijnenalle.
14Pierre André Latreille (1762–1833) was een Fransch dier- en insectenkundige. Hij schreefHistoire des Salamandres, enHistoire naturelle des Reptiles.
(Vert.)
15Mr. Blackwall, in zijneResearches on Zoology, doet vele voortreffelijke opmerkingen over de gewoonten van spinnen.
Volgens Dr. Otto Taschenberg (Bilder aus dem Tierleben) zijn de herfstdraad-spinnen de jonge dieren van verschillende soorten:Xysticus,Micryphantus,e. a.
(Vert.)
16Eene soort van kwallen, behoorende tot de orde derCraspedophorae.
17Lagere Kreeftdieren (eene onderklasse van deCrustacea).
18OokZwaluw-stormvogelgenoemd: eene soortProcellaria, evenals de albatros (Diomedea). Zijn tekstnaam is ontleend aan het feit, dat hij, evenals Petrus, over zee schijnt te loopen.
(Vert.)
19Twee soorten van makreelen (ThynnusofScomber).
20Ik heb hier eene cactus-soort gevonden, door Professor Henslow beschreven onder den naam vanOpuntia Darwinii(Magazine of Zoology and Botany, deel I, blz. 466), welke merkwaardig was om de prikkelbaarheid harerstamina(meeldraden), als ik de punt van een stok of mijn vingertop in de bloem stak. Ook de segmenten van hetperianthium(bloemkelk) sloten zich op den stamper, maar langzamer dan de meeldraden. Planten van deze familie, die in ’t algemeen als tropisch wordt beschouwd, komen in Noord-Amerika op dezelfde hooge breedte voor als hier: namelijk in beide gevallen op 47°. (Lewis and Clarke’s Travels, blz. 221).
21Laatstgenoemde insecten vindt men niet zelden onder steenen. Eens zag ik een schorpioen kalm een anderen verslinden.
22Dedingeyofdinghyis eene soort van boot, die in Oost-Indië gebruikt wordt; ook noemt men aldus de kleinste boot op een schip, die door twee man geroeid wordt.
(Vert.)
23Onlangs heb ik gehoord, dat kapitein Sulivan der K. M. talrijke fossiele beenderen gevonden heeft in regelmatige lagen op 52° 4′ breedte aan de oevers der Rio Gallegos. Eenige daarvan zijn groot, andere klein, en schijnen tot een armadil behoord te hebben. Dit is eene zeer belangwekkende en gewichtige ontdekking.
24Zie de uitmuntende opmerkingen dienaangaande van Lyell in zijnePrinciples of Geology, 10e Uitgaaf, Deel II, Blz. 433 en volg.