Hoofdstuk VII.Van Buenos Aires naar Santa Fé.27 September.Des avonds ondernam ik een uitstapje naar Santa Fé, dat ongeveer 300 Engelsche mijlen van Buenos Aires aan de oevers der Parana gelegen is. Na het regenachtige weder waren de wegen in de nabijheid der stad buitengewoon slecht. Ik had nooit gedacht, dat een ossenwagen hier over kon; zooals de wegen nu waren, vorderde men nauwelijks een mijl in het uur, en vooruit liep een man om de beste richting aan te wijzen. De ossen werden verschrikkelijk afgemat. Het is eene groote dwaling zoo men meent, dat bij betere wegen en een versnelden gang het lijden der dieren in dezelfde verhouding zou toenemen. Wij reden voorbij een tros wagens en een troep beesten op weg naar Mendoza. De afstand is ongeveer 580 geographische mijlen (1075 kilom.), en meestal wordt de tocht in 50 dagen volbracht. Deze wagens zijn zeer lang, smal en met riet overkapt; zij hebben slechts twee wielen, waarvan de middellijn soms tien voet bedraagt. Elke wagen wordt door zes ossen getrokken, die door een drijversprikkel van minstens 20 voet lengte voortgedreven worden. Dit werktuig hangt in de kap; voor de disselossen houdt men een kleineren prikkel in de hand, en voor het middelste paar dient een punt, welke rechthoekig uit het midden vanden langen steekt. Het geheele toestel had veel weg van een of ander oorlogswerktuig.28 September.Wij trokken door het stadje Luxan, alwaar een houten brug over de rivier ligt—iets wat in dit land een zeer ongewoon gebruik is, en gingen ook door Areco. De vlakten waren schijnbaar effen, doch in werkelijkheid niet, want op verschillende plaatsen was de horizon niet te peilen. De estáncias staan hier ver van elkander, omreden het land bedekt is met velden van een wrange soort klaver of van den grooten distel, en er dus weinig goed weiland is. De laatsten, wel bekend uit de heldere beschrijving van Sir F. Head, waren in dezen tijd van het jaar voor twee derden volwassen; op sommige plaatsen bereikten zij de hoogte van een paarderug, doch op andere waren zij nog niet uitgekomen, en was de grond kaal en stoffig als op een tolweg. De velden waren van het glanzigste groen en vertoonden eene fraaie miniatuur-gelijkenis met gebroken boschland. Als de distels volwassen zijn, zijn de groote velden ondoordringbaar, behalve langs enkele paden, even ingewikkeld als in een doolhof. Deze zijn alléén aan de roovers bekend, die hen in dit seizoen bewonen en ’s nachts te voorschijn komen om ongestraft te stelen en te moorden. Toen ik ergens aan een huis vroeg of de roovers talrijk waren, kreeg ik ten antwoord: “De distels zijn nog niet uit”—waarvan de beteekenis op het eerste gehoor niet heel duidelijk was. Een tocht langs deze paden biedt weinig belangrijks, wijl zij door weinig dieren of vogels bewoond worden, met uitzondering van debizcachaen haar vriend, den kleinen uil.Debizcachaof het Peruaansch Konijntje1vormt naar men weet, een sprekend kenmerk in de zoölogie derPampas. Men vindt het zuidelijk tot aan de Rio Negro op 41° breedte, maar niet lager. Het kan niet, zooals hetaguti, op de woeste grintvlakten van Patagonië leven, maar verkiest een kleiachtigen of zandigen bodem, die een anderen en meer overvloedigen plantengroei voortbrengt. Bij Mendoza, aan den voet der Cordilleras, komt het dicht in de buurt der verwante hooglandsche species voor. Het is een zeer opmerkelijk feit in zijne geographische verspreiding, dat het, gelukkig voor de bewoners van Oost-Banda, nooit ten oosten van de Uruguay-rivier gezien is, niettegenstaande dat er vlakten in deze provincie zijn, welke uitmuntend voor zijne leefwijze geschikt schijnen. De Uruguay heeft een onoverkomelijken hinderpaal gevormd voor zijne verhuizing, ofschoon de breedere slagboom van de Parana overschreden werd, en de bizcacha in de tusschen deze twee groote rivieren gelegen provincie Entre Rios inheemsch is. Bij Buenos Aires komen deze dieren uiterst veel voor. Hun meest gezocht verblijf schijnen die gedeelten der vlakte te zijn, welke een half jaar lang met geen andere planten dan reuzendistels bedekt zijn. De Gauchos zeggen, dat het van wortels leeft, hetgeen wegens de groote sterkte zijner knaagtanden en de soort plaatsen die het bezoekt, wel waarschijnlijk lijkt. Des avonds komen de bizcachas in menigte naar buiten, en zitten bij den ingang harer holen kalm op de hurken. Op zulke oogenblikken zijn zij zeer mak; en een man, die ze te paard voorbijrijdt, schijnt dan slechts een voorwerp van ernstige beschouwing voor ze te zijn. Zij loopen zeer plomp, en hebben, als zij zich voor een gevaar uit de voeten maken, met hare opgeheven staarten en korte voorpooten veel weg van groote ratten. Haar vleesch, gekookt, is zeer blank en goed, maar wordt zelden gebruikt.De bizcacha heeft eene zeer zonderlinge gewoonte, hierin bestaande, dat zij elk hard voorwerp naar de opening van haar hol sleept. Vele beenderen van vee, steenen, distelstengels, harde aardkluiten, droge mest, enz. worden in een ongeregelden hoop—dikwijls zooveel als een kruiwagen bevatten kan—om elke groep holen bijeengebracht. Vangeloofwaardige zijde werd mij verteld, dat een heer gedurende een rit in een donkeren nacht zijn horloge verloor. Des morgens keerde hij terug, onderzocht den grond bij elk bizcacha-hol dat langs den weg lag, en vond het spoedig, gelijk bij verwacht had. Deze gewoonte om alles op te rapen wat ergens op den grond in de buurt zijner woning ligt, moet het dier heel wat werk geven.Wááromhet gedaan wordt, kan ik in de verste verte zelfs niet gissen: voor verdediging kan het niet zijn, daar de afval in hoofdzaak boven de opening van het hol gelegd wordt, dat onder een zeer kleinen hoek in den grond dringt. Ongetwijfeld moet er een goede reden voor bestaan; maar aan de bewoners van het land is zij geheel onbekend. Het eenige mij bekende feit, dat daarmeê overeenkomt, is de gewoonte van dien buitengewonen Australischen vogel (Calodera maculata), die een sierlijk gewelfden doorgang van takjes maakt om in te spelen, en bij de plek land- en zeeschelpen, beenderen en vogelveêren, vooral lichtkleurige, verzamelt. Gould, die deze feiten beschreven heeft, meldt mij, dat de inboorlingen, als zij een hard voorwerp verliezen, de speeldoorgangen onderzoeken; en hem is bekend, dat op die manier eens een tabakspijp werd teruggevonden.De kleine uil (Athene cunicularia), die zoo dikwijls genoemd is, bewoont op de vlakten van Buenos Aires uitsluitend de holen der bizcacha; maar in Oost-Banda is hij zijn eigen werkman. Overdag, doch meer in ’t bijzonder des avonds, kan men deze vogels dikwijls bij paren in alle richtingen op de heuvels bij hunne holen zien staan. Zoo men hen stoort, gaan zij òf in het hol, òf zij vliegen onder het uiten van een schellen, rauwen kreet in merkwaardige bochten een kort eind weg, keeren zich dan om en kijken onbeweeglijk naar hun vervolger. Soms kan men hen des avonds hooren krassen. In de door mij geopende magen van twee hunner vond ik overblijfsels van muizen, en eens zag ik een kleine doode slang wegvoeren. Men zegt, dat slangen hun gewone buit zijn gedurende den dag. Als een bewijs van welke verschillende soorten voedsel uilen kunnen leven,wil ik hier vermelden, dat bij een exemplaar hetwelk op de eilanden van den Chonos-Archipel gedood werd, de maag vol tamelijk groote krabben was. In Indië bestaat een visschende uilensoort, die eveneens krabben vangt.2Des avonds staken wij op een eenvoudig, uit saamgebonden vaten gemaakt vlot over de Rio Arrecife, en sliepen in het posthuis aan den overkant. Ik betaalde dien dag voor 31 leagues paardenhuur; en hoewel de zon blakerend heet was, gevoelde ik mij maar weinig vermoeid. Als kapitein Head spreekt van 50 leagues rijden per dag, stel ik mij den afstand niet voor als gelijk aan 150 Engelsche mijlen. In elk geval bedroegen de 31 leagues, in rechte lijn gemeten, slechts 76 Eng. mijlen; dit vermeerderd met vier mijlen voor omwegen in geval van een open land, zou, naar ik denk, een voldoenden maatstaf geven.29 en 30 September.Wij vervolgden onzen rit over vlakten van dezelfde gesteldheid. Te San Nicolás zag ik voor het eerst de statige rivier Parana. Aan den voet der rots, waarop San Nicolás ligt, lagen eenige groote schepen voor anker. Voordat wij te Rosario kwamen, staken wij de Saladillo over, een stroom van helder vlietend water, maar te zout om te drinken. Rosario is eene groote stad3in eene doodsche effen vlakte, die een zestig voet hoogen rotswand vormt boven de Parana. De rivier is hier zeer breed, met vele eilandjes, die, evenals de overstaande oever, laag en begroeid zijn. Men zou wanen een groot meer voor zich te zien, indien de eilandjes met hunne rechtlijnige vormen niet terstond aan stroomend water herinnerden. De klippen zijn het schilderachtigste gedeelte: soms zijn zij zuiver loodrecht en van eene roode kleur; andere keeren vormen zij groote gebroken rotsen, die met cactussen en mimosa-boomen bedekt zijn. Het werkelijk grootsche van eene reusachtige rivier als deze, beseft men eerst uit de overweging, welk een belangrijk middel vangemeenschap zij vormt voor den handel van het eene volk met het andere; welk een afstand zij doorloopt, en hoe uitgestrekt het gebied is, waaraan zij het groote volume zoetwater onttrekt, dat voorbij uwe voeten vloeit.Veleleaguesten noorden en ten zuiden van San Nicolás en Rosario is het land inderdaad vlak. Van hetgeen reizigers over dit zeer vlakke voorkomen geschreven hebben, kan bijna niets overdreven worden geacht. Toch kon ik bijna nooit een plek vinden, van waar, als ik mij langzaam omdraaide, de voorwerpen in sommige richtingen niet verder af gezien werden, dan in andere; en klaarblijkelijk wijst dit op oneffenheid van terrein. Op zee ligt de horizon van iemand, wiens oog zes voet boven de oppervlakte van het water is geplaatst, op 2⅘ mijl afstand.4Hoe vlakker het terrein, des te meer ook nadert de horizon deze enge grenzen; en naar mijn idee, ontneemt dit aan eene uitgestrekte effen vlakte geheel die grootschheid, welke men denken zou dat zij bezat.1 October.Wij reden bij maanlicht weg, en kwamen bij zonsopgang aan de Rio Tercero. Deze rivier wordt óok de Saladillo genoemd, en verdient dien naam, want het water is brak. Ik bleef hier het grootste deel van den dag, bezig met het zoeken naar fossiele beenderen. Behalve een volledigen tand van denToxodonen vele verspreide beenderen, vond ik twee reusachtige skeletten, die,dicht bij elkander, als een verheven beeldwerk uit den loodrechten oeverwand der Parana staken. Zij waren echter zoo vergaan, dat ik slechts twee kleine stukken van een der groote maaltanden kon meênemen; maar deze bewijzen voldoende dat de overblijfsels tot eenMastodon5behooren—waarschijnlijk dezelfde soort als die voorheen de Cordilleras in Opper-Peru in zoo groot aantal bewoonde. De mannen, die mij in hunne kano vervoerden, zeiden dat zij deze skeletten al lang gekend en zich dikwijls verwonderd hadden, dat zij daar gekomen waren; maar het noodzakelijke van eene theorie beseffende, waren zij tot de gevolgtrekking gekomen dat deMastodon, evenals de bizcacha, voorheen een graafdier was geweest! Des avonds reden wij naar een ander veer en staken de Monge over: wederom eene brakwater-rivier, die den droesem van het spoelwater der Pampas medevoert.2 October.Onze tocht leidde door Corunda, dat om zijn bloeiende tuinen een der aardigste dorpen was, die ik ooit zag. Van af dit punt naar Santa Fé is de weg niet heel veilig. De westzijde der Parana is in noordelijke richting onbewoond; dit heeft tengevolge, dat de Indianen soms tot hier doordringen en de reizigers belagen. Ook is de gesteldheid van het land daartoe gunstig; want in plaats van eene grasvlakte, is hier een open boschland, bestaande uit lage stekelige mimosae. Wij gingen langseenige huizen, die geplunderd en sedert verlaten waren, en zagen tegelijk een schouwspel dat mijne gidsen met de hoogste voldoening bekeken. Het was het skelet van een Indiaan, die met de droge huid om zijn gebeente, aan de takken van een boom hing.Des morgens kwamen wij te Santa Fé, waar ik tot mijn verrassingbemerktewelke groote klimaatverandering een breedte-verschil van slechts drie graden tusschen deze plaats en Buenos Aires ten gevolge had gehad. Dit bleek uit de kleeding en het uiterlijk der menschen, uit de meerdere hoogte derombu-boomen, het aantal nieuwe cactussen en andere planten, maar vooral uit de vogels. In den loop van een uur bespeurde ik een half dozijn vogels, die ik nooit te Buenos Aires had gezien. In aanmerking genomen, dat er tusschen beide plaatsen geen natuurlijke grensscheiding is, in de gesteldheid van het land bijna dezelfde, zoo was het onderscheid veel grooter dan ik had mogen verwachten.3 en 4 October.Deze beide dagen werd ik door hoofdpijn aan mijn bed gekluisterd. Eene goedhartige oude vrouw, die mij oppaste, wilde mij een aantal zonderlinge middelen laten beproeven. Een alledaagsch middel is, dat men een blad van een oranjeboom of een stuk zwarte pleister aan elken slaap hecht; en een nog algemeenere methode is, dat men een boon in tweeën snijdt, de helften natmaakt en op elken slaap één legt, waar zij licht zullen vastkleven. Het wordt niet raadzaam geacht de boonen of de pleister te verwijderen, maar ze te laten afvallen; en zoo zal iemand met zulke dingen op het hoofd op uwe vraag wat er aan scheelt, soms ten antwoord geven: “Eergisteren had ik hoofdpijn.” Vele van de geneesmiddelen, die het volk in dit land gebruikt, zijn belachelijk vreemd, maar te walgelijk om genoemd te worden. Een van de minst vuile is, dat men twee jonge hondjes doodt, opensnijdt en hen aan weerszijden van een gebroken lid vastbindt. Kleine onbehaarde honden zijn zeer gezocht om aan de voeten van verminkte personen te slapen.Santa Fé is een rustig stadje, dat zindelijk en goed onderhoudenwordt.6De gouverneur Lopez was een gewoon soldaat ten tijde der revolutie, maar is nu 17 jaar aan het bewind. Deze bestendige regeering is toe te schrijven aan zijne tyrannieke gewoonten, want tyrannie schijnt voor deze landen nog beter geschikt dan een republikeinsch bestuur. De geliefkoosde bezigheid van den gouverneur is het jachtmaken op Indianen; onlangs vermoordde hij er 48, en verkocht de kinderen voor den prijs van drie of vier pond het stuk.5 October.Wij trokken de Parana over naar Santa Fé Bajada, eene stad op den overstaanden oever. De overtocht duurde eenige uren, wijl de rivier hier uit een doolhof van kleine stroomen bestond, onderling gescheiden door lage begroeide eilanden. Ik had een introductie-brief aan een ouden Spanjaard uit Catalonië, die mij met de meest bijzondere gastvrijheid behandelde. Bajada is de hoofdstad van Entre Rios. In 1825 had de stad 6000 inwoners en de provincie 30.000; maar ondanks dit geringe cijfer, heeft geen provincie meer van bloedige en wanhopige omwentelingen te lijden gehad, dan zij. Men pocht hier op vertegenwoordigers, ministers, een staand leger en gouverneurs: bijgevolg is het geen wonder, dat men zijn omwentelingen heeft. In de toekomst zal dit een der welvarendste provinciën van La Plata worden.7De bodem is afwisselend en vruchtbaar, en door hare bijna eilandvormige gedaante bezit zij in de rivieren Parana en Uruguay twee groote verbindingswegen.Ik had hier een oponthoud van vijf dagen, welken tijd ik besteedde aan het geologisch onderzoek van het naburige land, dat veel belangrijks biedt. Wij zien hier, aan den voet der klippen, lagen met ingesloten haaietanden en zeeschelpenvan uitgestorven soorten opwaarts in een verharden mergel overgaan, en verder in de roode kleiachtige Pampas-aarde met hare kalkachtige verdikkingen en beenderen van land-viervoeters. Deze loodrechte doorsnede zegt ons duidelijk, dat hier eene groote baai met zuiver zoutwater gaandeweg inkromp en eindelijk in eene modderige rivier-delta veranderde, waar drijvende lijken werden heengevoerd. Te Punta Gorda in Oost-Banda vond ik de delta-afzetting van de Pampas afgewisseld door een kalksteen, die eenige van dezelfde uitgestorven zeeschelpdieren bevatte; dit laatste wijst dus òf op eene verandering van de vroegere stroomingen, òf, wat waarschijnlijker is, op eene hoogte-schommeling van den bodem der oude rivier-delta. Tot voor korten tijd waren de redenen, waarom ik de Pampas-formatie voor eene delta-afzetting hield, deze: haar algemeen voorkomen, hare ligging bij de monding van de bestaande groote Rio de la Plata, en de aanwezigheid van zooveel beenderen van land-viervoeters. Maar nu heeft Prof. Ehrenberg de goedheid gehad voor mij wat van de roode aarde te onderzoeken, welke diep uit het afzetsel, dicht bij de skeletten van den mastodon, genomen was; en daarin vindt hij talrijke infusiediertjes, deels zout-, deels zoetwater-vormen, de laatsten met eene geringe meerderheid. Naar aanleiding daarvan merkt hij op, dat het water brak moet geweest zijn. A. d’Orbigny vond aan de oevers der Parana, ter hoogte van ongeveer honderd voet, groote beddingen van een delta-schelpdier, dat nu honderd mijlen stroomafwaarts dichter bij zee leeft; en dergelijke schelpdieren vond ik op geringere hoogte aan de oevers van de Uruguay; dit bewijst, dat, onmiddellijk voordat de Pampas onder langzame rijzing in droog land veranderde, het daarop staande water brak was. Onder Buenos Aires zijn gerezen beddingen met zeeschelpdieren van levende soorten, wat eveneens bewijst, dat de periode der Pampas-rijzing in het jongste of Quartaire Tijdvak viel.8In de Pampas-formatie te Bajada vond ik het beenachtig pantser van een kolossaal armadil-achtig dier, waarvan de binnenzijde, na verwijdering van de aarde, er als een groote ketel uitzag. Ook vond ik tanden van den Toxodon en Mastodon, benevens een tand van een paard in denzelfden verkleurden en verweerden staat. Deze laatste tand boezemde mij veel belang in,9en met nauwgezette zorg vergewiste ik mij, dat hij tegelijktijdig met de andere overblijfsels begraven was. Ik wist toen namelijk niet, dat onder de fossielen uit Bahia Blanca een paardetand in het moedergesteente verborgen was; ook was toen niet met zekerheid bekend, dat de overblijfsels van paarden in Noord-Amerika algemeen zijn. Onlangs heeft Lyell uit de Vereenigde Staten een paardetand meêgebracht; en het is een belangrijk feit, dat Prof. Owen bij geen enkele versteende of jongere soort eenig spoor van karakteristieke kromming kon vinden, totdat hij op het denkbeeld kwam den tand met het door mij alhier gevonden exemplaar te vergelijken. Hij heeft dit Amerikaansche paardEquus curvidensgenoemd. Het is zeker een wonderbaar feit in de geschiedenis der Zoogdieren, dat in Zuid-Amerika een inheemsch paard geleefd heeft en verdwenen is, om in latere eeuwen te worden opgevolgd door de tallooze kudden afstammelingen van de enkele dieren, die door de Spaansche kolonisten zijn ingevoerd!Dat in Zuid-Amerika een fossiel paard, een mastodon, wellicht een olifant,10en een holhoornig herkauwend dier (door Lund en Clausen in de holen van Brazilië ontdekt) bestaan, zijn zeer belangwekkende feiten met betrekking tot de geographische verspreiding der dieren. Verdeelen wij nu Amerika—niet bij de landengte van Panama, maar langs het zuidelijk deel van Mexico op 20° breedte,11waarhet groote tafelland door zijn invloed op het klimaat, en omdat het met uitzondering van eenige valleiën en een strook laagland aan de kust, een breede slagboom is voor den trek der soorten—dan zullen wij de twee zoölogische provinciën van Noord- en Zuid-Amerika scherp tegenover elkander hebben gesteld. Slechts weinige species zijn den slagboom doorgegaan, en kunnen als landverhuizers uit het zuiden worden aangemerkt: zooals depuma, hetopossumof Amerikaansche buideldier, dekinkaju(Cercoleptes caudivolvolus) en hetpecari. Zuid-Amerika kenmerkt zich door zijn bezit van vele eigenaardige knaagdieren, eene familie apen, de lama, het pecari, den tapir, buideldieren, en in ’t bijzonder door verschillende geslachtenEdentata—eene orde, waartoe de luiaards, de miereneters en armadillen behooren. Noord-Amerika, daarentegen, kenmerkt zich (enkele treksoorten niet medegerekend) door talrijke bijzondere knaagdieren, en door vier geslachten (os, schaap, geit en antiloop) holhoornige herkauwers, van welke groote afdeeling men niet weet, dat Zuid-Amerika eenige enkele species bezit.Voorheen, maar in het tijdperk toen de meeste der nu bestaande schelpdieren leefden, bezat Noord-Amerika, behalve holhoornige herkauwers, den olifant, mastodon, hetpaard en drie geslachtenEdentata, namelijk:Megatherium,MegalonyxenMylodon. In ongeveer het zelfde tijdperk (zooals door de schelpdieren van Bahia Blanca bewezen wordt), bezat Zuid-Amerika—naar wij straks gezegd hebben—een mastodon, een paard, een holhoornigen herkauwer, en dezelfde drie geslachten (tegelijk met vele andere)Edentata. Daaruit blijkt, dat Noord- en Zuid-Amerika, toen zij in een vroeger geologisch tijdperk deze vele geslachten gemeen hadden, in het kenmerk hunner landbewoners veel nauwer aan elkaar verwant waren dan nu. Hoe meer ik over deze zaak nadenk, des te belangwekkender schijnt zij mij: ik ken geen ander voorbeeld, waar wij bijna kunnen aanduidenwanneerenhoeéén groot gebied gesplitst werd in twee scherp gekenmerkte zoölogische provinciën. De geoloog, die onder den vollen indruk is van de groote hoogte-schommelingen welke de aardkorst in vroegere tijdperken onderging, zal niet schromen de latere rijzing van het Mexicaansche tafelland, of wat waarschijnlijker is: de latere landverdrinking in den Westindischen Archipel als de oorzaak te beschouwen van de hedendaagsche zoölogische scheiding tusschen Noord- en Zuid-Amerika. Het Zuidamerikaansche kenmerk der Westindische zoogdieren13schijnt er op te wijzen, dat deze archipel voorheen met het zuidelijk vasteland verbonden was, en in ’t vervolg van tijd een gezonken gebied is geworden.Toen Amerika, en in ’t bijzonder Noord-Amerika zijne olifanten, mastodonten, zijn paard en holhoornige herkauwers bezat, was het in zijne zoölogische kenmerken veel nauwer aan de gematigde deelen van Europa en Azië verwant, dan het nu is. Daar de overblijfsels dezer geslachtenaan weerszijden van de Behring-Straat en in de vlakten van Siberië gevonden worden,14zijn wij genoopt de noordwestzijde van Noord-Amerika als het vroegere verbindingspunt aan te zien tusschen de Oude en zoogenaamde Nieuwe Wereld. En aangezien zoo vele soorten, levende en uitgestorvene, van deze zelfde geslachten de Oude Wereld bewonen en bewoond hebben, lijkt het hoogst waarschijnlijk, dat de Noord-Amerikaansche olifanten, mastodonten, paard en holhoornige herkauwers over later gezonken land bij de Behring-Straat uit Siberië naar Noord-Amerikaverhuisden, en vandaar, over later gezonken land in West-Indië, naar Zuid-Amerika, alwaar zij zich eenigen tijd met de inheemsche vormen van dat zuidelijk vasteland vermengden, en sedert uitgestorven zijn.Op mijne reis door het land kreeg ik verscheidene levendige beschrijvingen van de gevolgen eener groote droogte, die onlangs geheerscht had; en het verhaal hiervan is wel geschikt om eenig licht te werpen op de gevallen, waarin een groot aantal dieren van alle soorten te zamen begraven werden. De tijdruimte begrepen tusschen de jaren 1827 en 1832 wordt de “gran seco” of groote droogte genoemd. Gedurende dien tijd viel zoo weinig regen, dat de plantengroei, tot zelfs de distels, mislukte; de beken droogden uit, en het geheele land kreeg het aanzien van een stoffigen heerweg. Dit was vooral het geval in het noordelijk deel der provincie Buenos Aires en in het zuidelijk deel van Santa Fé. Eene groote menigte vogels, wilde dieren, vee en paarden stierven door gebrek aan voedsel en water. Een man vertelde mij, dat de herten naar den put op zijne binnenplaats plachten te komen,15dien hij genoodzaakt was geweest te graven,om zijn gezin van water te voorzien, en dat de patrijzen nauwelijks kracht hadden om weg te vliegen als zij vervolgd werden. Het verlies aan vee in de provincie Buenos Aires alléén werd op minstens een millioen stuks geschat. Een eigenaar te San Pedro had vóór deze jaren 20.000 stuks vee; aan het einde bleef er geen enkel over. San Pedro is gelegen te midden van de fraaiste landstreek, en heeft zelfs nu (Oct. 1833) weer overvloed van dieren; maar in het laatste gedeelte van den “gran seco” werd het levend vee, dat tot voedsel der bewoners bestemd was, op groote schepen aangevoerd. De dieren dwaalden van hunne estancias af, trokken ver naar het zuiden, en vermengden zich daar in zulke menigte, dat eene Rijkscommissie uit Buenos Aires werd gezonden om de geschillen der eigenaars te regelen. Sir Woodbine Parish vertelde mij van eene andere en zeer merkwaardige aanleiding tot geschil: wegens de groote droogte van den grond woeien zulke massa’s stof op, dat de landpalen in deze open streek overstoven werden, en de menschen niet konden zeggen waar de grenzen hunner goederen waren!Een ooggetuige deelde mij mede, dat het vee in kudden van duizenden in de Parana liep, alwaar het, uitgeput van honger, de kracht miste weder tegen de modderige oevers op te klimmen, zoodat het verdronk. De rivierarm, die langs San Pedro vloeit, was zoo vol verrotte lijken, dat een schippersbaas mij vertelde, dat de stank het bepaald onmogelijkmaakte er door te varen. Zonder twijfel kwamen zoo vele honderdduizenden dieren in de rivier om: hunne rottende lichamen zag men den stroom afdrijven, en naar alle waarschijnlijkheid werden vele in de delta der Rio de la Plata begraven. Alle kleine rivieren kregen een hoog zoutgehalte; en op sommige plaatsen veroorzaakte dit den dood van talrijkeindividuën; want als een dier van zulk water drinkt, herstelt het niet. Azara beschrijft16de razernij der wilde paarden bij zulk eene gelegenheid, die zich in de moerassen stortten, en waarbij de eerstaangekomenen overstelpt en doodgedrukt werden door de volgenden. Hij voegt er bij, dat hij meer dan eens een duizendtal lijken van wilde paarden zag, die aldus waren omgekomen. Ik merkte op, dat de beddingen van kleine stroomen in de Pampas met een beenderen-breccia bedekt waren; maar waarschijnlijk was dit toe te schrijven aan eene gestadige toeneming, in plaats van aan een ramp op een of ander tijdstip. Op de droogte van 1827 tot 1832 was een zeer regenachtig seizoen gevolgd, dat groote overstroomingen veroorzaakte. Zoo is het bijna zeker, dat eenige duizenden skeletten door de bezonken stoffen van het eerstvolgende jaar begraven werden. Wat zou een geoloog er van denken, die zulk eene ontzaglijke massa beenderen van alle diersoorten en alle tijden aldus in een dikke aardachtige massa begraven zag? Zou hij dit niet veeleer toeschrijven aan een vloed, die het land overstroomde, dan aan den gewonen loop der dingen?1712 October.Ik had plan gehad mijne uitstapjes verder uit te strekken; maar daar ik niet wel was, moest ik op eenbalandraof eenmast-vaartuig18van omstreeks 100 ton lading en met bestemming naar Buenos Aires,terugkeeren. Ten gevolge van het ongunstigeweder vertuiden wij vroeg op den dag aan den tak van een boom op een der eilanden. De Parana is vol eilanden, die een bestendigen kringloop van verval en vernieuwing ondergaan.Voorzooverde schipper zich herinnerde, waren verscheidene groote verdwenen, en hadden weer andere zich gevormd, die door plantengroei beschermd waren. Zij bestaan uit modderig zand, zonder het kleinste kiezelsteentje, en lagen toen omstreeks vier voet boven rivierpeil; maar gedurende de periodieke vloeden zijn zij overstroomd. Alle vertoonen hetzelfde kenmerk: talrijke wilgen en enkele andere boomen zijn door eene groote verscheidenheid van slingerplanten saâmverbonden, waardoor een dicht kreupelbosch ontstaat. Deze kreupelbosschen bieden eene schuilplaats aancapybara’sen jaguars. De vrees voor laatstgenoemd dier verdreef al het genot om in de bosschen door te dringen. Hedenavond was ik nog geen honderd yards gevorderd, toen ik de onmiskenbare teekenen van de aanwezigheid van eentigre19ontdekte, en genoodzaakt was terug te keeren. Op elk eiland waren deze sporen; en evenals op mijn vorigen tochtel rastro de los Indios(het spoor der Indianen) het onderwerp der gesprekken vormde, zoo was het hierel rastro del tigre.De begroeide oevers der groote rivieren schijnen de geliefkoosde schuilplaatsen van den jaguar te zijn; maar ten zuiden van de Plata-rivier werd mij gezegd, dat zij het riet langs de meren bewoonden. Waar zij ook zijn, schijnen zij water te verlangen. Hun gewone prooi is de capybara, zoodat algemeen gezegd wordt, dat daar waar decapybara’stalrijk zijn, weinig gevaar voor den jaguar bestaat. Falconer verklaart, dat bij de zuidzijde van de monding der Plata-rivier vele jaguars zijn, en dat deze voornamelijk van visch leven: welk verhaal ik meer gehoord heb. Aan de Parana hebben zij vele houthakkers gedood, en bij nacht zelfs schepen geënterd. In Bajada leeft thans een man, die,toen hij eens bij donker uit het ruim van zijn schip kwam, op het dek gegrepen werd. Wel rukte hij zich los, doch miste daarna het gebruik van zijn eenen arm. Als de wassende stroomen deze dieren van de eilanden verdrijven, zijn zij het gevaarlijkst. Men vertelde mij, dat enkele jaren geleden een zeer groote jaguar eene kerk te Santa Fé binnendrong; twee priesters, die achter elkander binnenkwamen, werden gedood; en een derde, die kwam zien wat er gaande was, ontkwam ternauwernood. Het dier werd afgemaakt, doordien men het uit een hoek van het gebouw, dat geen dak had, doodschoot. In deze tijden richten zij ook groote verwoestingen aan onder vee en paarden. Naar men zegt, dooden zij hun prooi door hem den nek te breken. Worden zij van het lijk verjaagd, dan keeren zij er zelden naar terug. De Gauchos zeggen, dat de jaguar op zijne nachtelijke zwerftochten zeer wordt lastig gevallen door het gekef der vossen, die hem volgen. Dit stemt op merkwaardige wijze overeen met het algemeen bevestigde feit, dat jakhalzen op dergelijke officieuse manier den Oostindischen tijger volgen. De jaguar is een luidruchtig dier, dat des nachts herhaaldelijk brult, vooral wanneer slecht weêr in aantocht is.Op zekeren dag, toen ik aan de oevers van de Uruguay jaagde, werden mij sommige boomen gewezen, waar deze dieren steeds heenloopen, om, zoo het heet, hunne klauwen te scherpen. Ik zag drie welbekende boomen: aan de voorzijde was de bast oogenschijnlijk door de borst van het dier licht gesleten, en aan weerszijden waren diepe schrammen of liever groeven, die schuins afloopend bijna eenyardlang waren. De schrammen waren van verschillenden ouderdom. Een gewoon middel om zich te vergewissen of een jaguar in de buurt is, bestaat hierin, dat men deze boomen onderzoekt. Ik stel mij voor, dat deze gewoonte van den jaguar volkomen gelijk is aan die, welke men dagelijks bij de huiskat zien kan, als deze met gestrekte pooten en uitgestoken nagels den poot van een stoel schraapt; en ik heb gehoord, dat jonge vruchtboomen in een boomgaard in Engeland hierdoor zeer geleden hadden. Ongeveer eene dergelijke gewoontemoet ook denpumaeigen zijn, want menigmaal heb ik op den kalen harden bodem van Patagonië kepen gezien zóo diep, dat een ander dier ze niet kon gemaakt hebben. Ik geloof, dat het doel dezer handeling is de gescheurde punten van hunne klauwen af te vijlen, en niet, zooals de Gauchos denken, om ze te scherpen. De jaguar wordt zonder veel moeite gedood door middel van honden, die hem door hun geblaf in een boom jagen, waar hij met kogels wordt afgemaakt.Ten gevolge van slecht weder bleven wij twee dagen aan onze tuien liggen. Ons eenig vermaak bestond in het vangen van visch voor ons middageten; en de talrijke soorten die er waren, lieten zich alle goed smaken. Een visch, genaamd dearmadoof wentelaar (Silurus), is merkwaardig om het harde, knarsende geluid, dat hij maakt als hij met lijn en haak gevangen wordt, en dat duidelijk gehoord wordt als de visch onder water is. Dezelfde visch heeft het vermogen om voorwerpen, zooals een riemblad of vischlijn met de sterke graten van zijn borst- of rugvin stevig vast te grijpen. Des avonds was het weêr bepaald tropisch, en stond de thermometer op 79°. Tal van vuurvliegen fladderden rond, en de muskieten waren zeer lastig. Slechts vijf minuten stak ik mijne hand uit, en weldra zag zij er zwart van; ik geloof dat er niet minder dan vijftig waren—alle druk aan het zuigen.15 October.Wij gingen op weg en voeren langs Punta Gorda, waar eene kolonie van tamme Indianen is uit de provincie Missiones. Snel zeilden wij den stroom af; maar wegens eene kinderachtige vrees voor slecht weêr, draaiden wij vóor zonsondergang bij in een smallen arm van de rivier. Ik nam de boot en roeide een eind deze kreek in. Zij was zeer smal, bochtig en diep; aan weerszijden een dertig tot veertig voet hooge muur van boomen, door slingerplanten omkronkeld, die aan de kreek een bijzonder duister aanzien gaf. Ik zag hier een zeer zeldzamen vogel, den Schaarbek (Rhynchops nigra). Hij heeft korte pooten, zwemvoeten, vleugels met buitengewoonlange punten, en is ongeveer zoo groot als eene zeezwaluw. De bek is zijdelings afgeplat, namelijk in een vlak loodrecht op dien van den lepelaar of eend. Hij is zoo plat en buigzaam als een ivoren vouwbeen, en de onderste kinnebak is, in tegenstelling met alle andere vogels, anderhalve inch langer dan de bovenste.In een meer nabij Maldonado, waaruit het water bijna weggevloeid was, en dat bijgevolg krioelde van zwermen kleine visschen, zag ik vele van deze vogels, meest in troepjes, snel voor- en achteruit dicht boven de oppervlakte van het meer vliegen. Zij hielden hunne bekken wijd open, en de onderste kinnebak half in het water gedompeld. Zoo scherend langs de oppervlakte, kliefden zij die in hunne vlucht; het water was geheel effen, en het zien van zulk een zwerm, waarvan elke vogel zijn smal spoor op het spiegelend oppervlak achterliet, vormde een zeer vreemd schouwspel. In hunne vlucht zwenken zij telkens met verbazende rapheid om, en manoeuvreeren voortdurend met hunne uitstekende onderkinnebak om vischjes op te duiken, die door de kortere bovenhelft van hun schaarvormigen bek gegrepen worden. Dit feit zag ik herhaaldelijk, terwijl zij, evenals zwaluwen, gestadig voor- en achteruit langs mij heen vlogen. Als zij soms de oppervlakte van het water verlieten, werd hunne vlucht wild, ongeregeld en snel; dan stieten zij ook luide, harde kreten uit. Gedurende het visschen, komt het voordeel van de lange eerste slagveêren hunner vleugels, waardoor deze droog blijven, duidelijk aan het licht. Wanneer zij zoo bezig zijn, gelijken hunne vormen op het symbool, waardoor vele kunstenaars zeevogels voorstellen. Hunne staarten worden veel gebruikt om hunne onregelmatige vlucht te sturen.Deze vogels wonen ver landwaarts in langs den loop van de Rio Parana; men zegt, dat zij hier het geheele jaar blijven en in de moerassen broeden. Overdag rusten zij in zwermen op de grasvlakten, op eenigen afstand van het water. Toen wij, zooals ik gezegd heb, in een der diepe kreken tusschen de eilanden in de Parana voor ankerlagen, daagde, bij het vallen van den avond, plotseling een dezer schaarbekken op. Het water was geheel stil, en vele kleine visschen kwamen naar boven. Langen tijd scheerde de vogel over de oppervlakte, en vloog op wilde, ongeregelde wijs de smalle kreek op en neer, die door de toenemende duisternis en de schaduw der overhangende boomen bijna geheel donker was. Te Montevideo bespeurde ik, dat eenige groote zwermen over dag op de modderbanken aan het havenhoofd bleven, op dezelfde manier als op de grasvlakten bij de Parana; en iederen avond vlogen zij zeewaarts. Op grond van deze feiten vermoed ik, dat deRynchopsin ’t algemeen bij nacht vischt, als wanneer vele lagere dieren in groote menigte naar de oppervlakte komen. M. Lesson verklaart, dat hij deze vogels de schelpen der in de zandbanken op de Chileensche kust begravenmactrae20heeft zien openen; maar hun zachte snavel met ver vooruitspringende onderkinnebak, hunne korte pooten en lange vleugels maken het zeer onwaarschijnlijk, dat deze gewoonte algemeen is.Toen wij de Parana afzakten, merkte ik slechts drie andere vogels op, wier eigenschappen der vermelding waard zijn. De een is een kleine ijsvogel (Ceryle Americana), die een langeren staart heeft dan de Europeesche soort, en daardoor niet in zulk eene stijve en rechte houding zit. Ook is zijn vlucht, in stede van recht en snel als de loop van een pijl, mat en slingerend, evenals bij de zachtsnavelige vogels. Hij stoot een lagen toon uit, die op het samentikken van twee kleine steenen gelijkt. Een kleine groene papegaai (Conurus murinus) met grijze borst, schijnt de hooge boomen op de eilanden als bouwterrein boven elke andere plek te verkiezen. Een aantal nesten zijn zoo dicht bij elkander geplaatst, dat zij éene groote massa takjes vormen. Deze papegaaien leven altijd in troepen, en richten groote verwoestingen aan in de korenvelden. Men verzekerdemij, dat er bij Colonia 2500 in den loop van een jaar gedood waren. Een vogel met een gespleten staart, die in twee lange vederen eindigt, (Tyrannus savana) en door de SpanjaardenSchaarstaartgenoemd, komt bij Buenos Aires zeer veel voor. Gewoonlijk zit hij op een tak van eenombu-boom in de nabijheid van een huis, jaagt van daar in korte vlucht de insecten na, en keert naar dezelfde plek terug. In de vlucht vertoont hij in zijn wijze van vliegen en zijn voorkomen in ’t algemeen eene spottende gelijkenis met de gewone zwaluw. Hij is in staat zeer korte draaien in de lucht te maken, waarbij hij zijn staart opent en sluit, soms in horizontale of zijdelingsche, dan in verticale richting—volkomen als eene schaar.16 October.Eenige mijlen ten zuiden van Rosario wordt de westelijke oever der Parana door loodrechte klippen begrensd, die zich in eene lange lijn tot nabij San Nicolas uitstrekken, zoodat die oever meer op eene zeekust dan op die eener zoetwater-rivier gelijkt. Het is een groot nadeel in het natuurschoon der Parana, dat het water ten gevolge van de zachte gesteldheid harer oevers zeer modderig is. De Uruguay, die door eene granietstreek vloeit, is veel helderder; en waar de beide rivieren zich in den mond der La Plata vereenigen, kan men hare waters op verren afstand aan de zwarte en roode kleuren onderscheiden.—Daar des avonds de wind niet zeer gunstig was, gingen wij, als naar gewoonte, onmiddellijk voor anker; en toen het den volgenden dag wat frisch woei, was de schipper, ondanks den gunstigen stroom, te vadzig om aan varen te denken. Te Bajada was hij mij beschreven als eenhombre muy aflicto(zeer zwaartillend man): als iemand, die altijd traag vooruitkwam; maar het moet gezegd worden, dat hij alle vertraging met bewonderingswaardige gelatenheid droeg. Hij was een oude Spanjaard, en had vele jaren in dit land gewoond. De Engelschen mocht hij graag lijden; maar hij beweerde stoutweg, dat de slag bij Trafalgar (1805, Nelson) alléén gewonnen was, omreden alle Spaansche kapiteins waren omgekocht, en dat de eenige werkelijk dappere daadaan beide zijden door den Spaanschen admiraal verricht was. Mij trof het eenigszins kenmerkende feit, dat deze man liever zou willen, dat zijne landgenooten voor de slechtste verraders werden aangezien, dan voor onbekwaam of laf.18 en 19 October.Langzaam, doordien de stroom ons weinig hielp, zakten wij de statige rivier af. Gedurende dien tocht ontmoetten wij zeer weinig schepen. Een van de beste natuurlijke gaven in zulk een groot verbindingskanaal, nl. eene rivier, waarin schepen uit eene gematigde streek met een even verrassenden rijkdom van sommige producten als een gemis van andere, zouden kunnen varen naar eene streek met een tropisch klimaat en met een bodem, die volgens den besten beoordeelaar, Bonpland, misschien nergens ter wereld zijn weêrga vindt in vruchtbaarheid—die gave schijnt hier moedwillig te worden verworpen. Hoe verschillend zou de aanblik van deze rivier geweest zijn, indien Engelsche kolonisten het gelukhaddengehad ’t eerst de Plata op te varen! Welke fraaie steden zouden thans hare oevers hebben bedekt! Tot den dood van Francia, Dictator van Paraguay, moeten deze beide landen gescheiden blijven, als lagen zij op tegenovergestelde punten van den aardbol! En als de oude bloeddorstige tyran de eeuwige rust is ingegaan, zal Paraguay door omwentelingen worden verscheurd, even heftig, als het er vroeger onnatuurlijk kalm was. Dit land zal moeten leeren, evenals elke andere Zuidamerikaansche Staat, dat eene republiek niet slagen kan, voordat zij een zeker corps mannen bezit, die doordrongen zijn van de beginsels van recht en eer.20 October.Bij onze aankomst in den mond der Parana, ging ik, gedreven door een sterk verlangen om Buenos Aires te bereiken, te Las Conchas aan land, met het plan er heen te rijden. Nauwelijks aan wal, of ik ontdekte tot mijne groote verrassing, dat ik in zekeren zin een gevangene was. Wegens het uitbreken van eene hevige omwenteling, waren alle havens onder arrest gesteld. Ik kon niet naar mijn schip terugkeeren; en overland naar de stad te gaan—daar was geen sprake van. Na een lang onderhoud met den commandant, kreeg ik verlof den volgenden dag naar Generaal Rolor te gaan, die een troep oproerlingen aan dezen kant van de hoofdstad commandeerde. Des morgens reed ik naar het kamp. De generaal verscheen met al zijne officieren en soldaten, die er uitzagen alsof zij groote schurken waren. Des avonds voordat hij de stad verliet, was de generaal vrijwillig naar den gouverneur gegaan, en had met de hand op het hart zijn eerewoord gegeven, dathijalthans tot het laatste trouw zou blijven. De generaal vertelde mij, dat de stad zeer streng geblokkeerd werd, en dat al wat hij doen kon was, mij een paspoort geven aan den hoofdaanvoerder der rebellen te Quilmes. Daar zouden wij een grooten omweg om de stad moeten maken en slechts met veel moeite paarden kunnen krijgen.Mijn ontvangst in het kamp was zeer beleefd; doch men zeide mij, dat mij onmogelijk kon worden toegestaan in de stad te komen. Ik wenschte dit juist zeer gaarne, daar ik deBeaglein zijn vertrektijd van de Rio Plata vóór was. Nadat ik echter verteld had hoe voorkomend Generaal Rosas aan de Colorado jegens mij geweest was, veranderde dit gesprek nog sneller dan bij tooverslag. Terstond werd mij gezegd, dat, al kon men mij geen paspoort geven, ik toch voorbij hunne schildwachten mocht, mits ik mijn gids en mijne paarden wilde achterlaten. Ik nam dit voorstel met genoegen aan, en een officier werd mij mede gegeven om te zorgen, dat ik niet aan de brug werd tegengehouden. Drie mijlen ver was de weg geheel verlaten. Ik ontmoette een troep soldaten, die zich vergenoegden met mijn oud paspoort ernstig in te kijken, en bevond mij eindelijk tot mijne niet geringe vreugde in de stad.Bijna zonder voorwendsel van grieven was deze revolutie uitgebroken; maar in een staat, die in den loop van negen maanden (van Februari tot October 1820) vijftien veranderingen in bestuur onderging, terwijl elk gouverneur volgens de grondwet voor drie jaren gekozen werd—zou het zeer onredelijk zijn naar voorwendsels te vragen. In dit gevalverliet een troep mannen, die aan Rosas gehecht waren en een afkeer hadden van den Gouverneur Balcarce, ten getale van 70 de stad—en onder de kreet van: “Rosas!” greep het geheele land naar de wapenen. De stad werd toen geblokkeerd, en levensmiddelen, vee noch paarden werden toegelaten; ook werd er nu en dan geschermutseld, waarbij dagelijks enkele mannen vielen. De belegerende partij wist wel, dat zij, door den toevoer van vleesch af te snijden, zeker de overwinning zou behalen.Generaal Rosas kon van den opstand niet afweten; maar dit scheen volkomen met de bedoelingen zijner partij te strooken. Een jaar geleden was hij tot gouverneur gekozen; doch hij weigerde, tenzij deSala(Kamer) hem ook buitengewone macht wilden verleenen. Dit werd geweigerd, en sedert dien tijd heeft zijne partij getoond, dat geen ander gouverneur zijn plaats kan behouden. De strijd werd openlijk aan beide zijden gerekt, totdat men van Rosas bericht kon hebben. Enkele dagen nadat ik Buenos Aires verliet, kwam er een brief, waarin de generaal het afkeurde, dat de vrede verbroken was, maar verklaarde, dat de belegerende partij volgens zijne idee het recht aan haar kant had. Alleen op de ontvangst van dit bericht, vloden gouverneur, ministers en een deel der militairen, ten getale van eenige honderden, de stad uit. De oproerlingen kwamen binnen, kozen een nieuwen gouverneur, en werden ten getale van 5500 man voor hunne diensten betaald. Uit deze feiten bleek duidelijk, dat Rosas ten slotte Dictator zou worden: want in den koningstitel heeft het volk in deze, zoowel als in andere republieken een bepaalden tegenzin. Sedert wij Amerika verlieten, hebben wij gehoord, dat Rosas met dictatoriale macht was gekozen, en zich een tijd lang lijnrecht tegen de grondwettelijke beginsels der Republiek heeft gekant.1De bizcacha (Lagostomus trichodactylus) gelijkt eenigszins op een groot konijn, maar heeft dikkere knaagtanden en een langeren staart; zij heeft echter, evenals het aguti, slechts drie teenen achter. Gedurende de laatste drie of vier jaren zijn de vellen dezer dieren naar Engeland gezonden, om als bont te dienen.2Journal of Asiatic Soc., deel V, blz. 363.3Naar de volkstelling van 1908 telt zij 160,000 inwoners.4Ofschoon de schrijver niet vermeldt welke “mijlen,” zijn het blijkbaarnauticalofgeographical milesvan 1854.965 Meter. In het bekende werk van W.Chauvenet:Spherical and Practical Astronomy, Deel I, blz. 178, vinden wij voor den afstand (d) van den zeehorizon:d (in standaardmijlen) = 1,317 √ x (in voeten)hierin x = 6 stellende, vinden wij door eene eenvoudige berekening:d (in standaardmijlen) = ± 3,225EenstatuteofBritishmijl bedraagt 1609.33 M., dus3,225St. Miles= ± 5190 Meter.2,8Naut. Miles= ± 5194 Meter.(Noot van den Vert.)5DeMastodonten, die voorvaderen onzer oliphanten, zijn in Europa gevonden o.a. in deMioceen-lagen van Frankrijk (M. longirostris,M. tapiroidesCuv. enz.); in hetPlioceenvan Engeland (M. Arvernensis) enz. Vóór het Mioceen-Tijdperk zijn geen resten van dit dier gevonden. In Amerika heeft de eersteMastodon(M. mirificus Leidy) geleefd om de grootePlioceen-meren ten westen van den Mississippi. Later, in hetQuartaireTijdvak, komt over de noordelijke helft der Ver.Staten: in Noord- en Zuid-Carolina, Mississippi, Arkansas, Texas, alsook in CanadaMastodon giganteusvoor. Eene variëteit van deze species is in menigte in de Pampas van Zuid-Amerika gevonden.(Noot van den Vertaler.)6Blijkens eene volkstelling, bezat de stad in 1901 circa 27000 inwoners.7In 1907 telde de provincie Entre Rios 384000 inwoners, en is, op 3 na, de meest bevolkte provincie van de Argentijnsche Republiek. Hare hoofdstad heet nu Concepcion del Uruguay.(Vert.)8De rijzing van Z.-Amerika aan de westkust bij de Andes duurt nog voort. Zie Credner, Geologie, blz.59.(Vert.)9Ik behoef hier nauwelijks te zeggen, dat er stellige bewijzen zijn, dat er in Columbus’ tijd geen paarden in Amerika waren.10Cuvier,Ossemensfossiles, Deel I, blz. 158.11Dit is de door Lichtenstein, Swainson, Erichson en Richardson gevolgde geographische verdeeling. De doorsnede van Vera-Cruz naar Acapulco, door Alex. v. Humboldt in zijnEssai politique sur le royaume de la Nouvelle Espagnegegeven12, toont ons welk een ontzaglijke slagboom het Mexicaansche tafelland vormt. Waar Dr. Richardson in zijn voortreffelijkReport on the Zoology ofN. America(uitgebracht voor hetBrit. Assoc., 1836, blz. 157) spreekt over de gelijkstelling van een Mexicaansch dier met denSynetheres prehensilis—zegt hij: “In hoeverre dit juist is, weten wij niet; maar indien het waar is, vormt dit zoo niet het eenige, dan toch bijna het eenige voorbeeld van een knaagdier, dat aan Noord- en Zuid-Amerika gemeen is.”12Dit meesterwerk werd van 1809/14 in ’t Duitsch vertaald, en verscheen in 5 banden. Een uittreksel daarvan verscheen in 2 deelen bij Cotta te Stuttgart in deGesammelte Werke von A. von Humboldt.(Vert.)13Zie Dr. Richardson’sReportblz. 157; ookL’Institut1837, blz. 253. Cuvier zegt, dat dekinkajuop de Groote Antillen gevonden wordt; maar dit is twijfelachtig. Gervais zegt, dat deDidelphis Cancrivoradaar gevonden wordt. Zeker is ’t, dat West-Indië eenige zoogdieren bezit, welke dit land bijzonder kenmerken. Een tand van den Mastodon is uit Bahama meêgebracht:Edinb.,New Phil. Journal, 1826, blz. 395.14Zie het merkwaardig Bijvoegsel van Dr. Buckland totBeechy’s Voyage; ook de geschriften van Chamisso inKotzebue’s Voyage.15In kapitein Owen’sSurveying Voyage(deel II, blz. 274) staat een treffend verhaal over de gevolgen eener droogte op de olifanten te Benguëla (westkust van Afrika). “Een aantal dezer dieren was vóor eenigen tijd in een drom de stad binnengekomen, om zich van de putten meester te maken, daar zij zich nergens in het land water konden verschaffen. De bewoners vereenigden zich, en er ontstond een wanhopig gevecht, dat met de volkomen nederlaag der indringers eindigde, doch niet voordat zij één man gedood en vele anderen gewond hadden.” Naar men zegt, heeft de stad eene bevolking van ongeveer 3000 zielen! Dr. Malcolmson bericht mij, dat tijdens eene groote droogte in Indië de wilde dieren eenige soldatententen te Ellore binnendrongen, en dat een haas uit een pot dronk, dien de adjudant van het regiment hem voorhield.16Voyage, deel I, blz. 374.17Deze droogten schijnen, tot op zekere hoogte, bijna periodiek te zijn. Men noemde mij de datums van vele andere en de tusschenruimten bedroegen ongeveer 15 jaren.18Het vaartuig gelijkt eenigszins op onze kotters.(Vert.)19Hiermede wordt detigre de Américabedoeld, zooals de jaguar daar genoemd wordt.(Vert.)20Trogschelpen (van het Grieksche of LatijnscheMactra= baktrog).(Vert.)
Hoofdstuk VII.Van Buenos Aires naar Santa Fé.27 September.Des avonds ondernam ik een uitstapje naar Santa Fé, dat ongeveer 300 Engelsche mijlen van Buenos Aires aan de oevers der Parana gelegen is. Na het regenachtige weder waren de wegen in de nabijheid der stad buitengewoon slecht. Ik had nooit gedacht, dat een ossenwagen hier over kon; zooals de wegen nu waren, vorderde men nauwelijks een mijl in het uur, en vooruit liep een man om de beste richting aan te wijzen. De ossen werden verschrikkelijk afgemat. Het is eene groote dwaling zoo men meent, dat bij betere wegen en een versnelden gang het lijden der dieren in dezelfde verhouding zou toenemen. Wij reden voorbij een tros wagens en een troep beesten op weg naar Mendoza. De afstand is ongeveer 580 geographische mijlen (1075 kilom.), en meestal wordt de tocht in 50 dagen volbracht. Deze wagens zijn zeer lang, smal en met riet overkapt; zij hebben slechts twee wielen, waarvan de middellijn soms tien voet bedraagt. Elke wagen wordt door zes ossen getrokken, die door een drijversprikkel van minstens 20 voet lengte voortgedreven worden. Dit werktuig hangt in de kap; voor de disselossen houdt men een kleineren prikkel in de hand, en voor het middelste paar dient een punt, welke rechthoekig uit het midden vanden langen steekt. Het geheele toestel had veel weg van een of ander oorlogswerktuig.28 September.Wij trokken door het stadje Luxan, alwaar een houten brug over de rivier ligt—iets wat in dit land een zeer ongewoon gebruik is, en gingen ook door Areco. De vlakten waren schijnbaar effen, doch in werkelijkheid niet, want op verschillende plaatsen was de horizon niet te peilen. De estáncias staan hier ver van elkander, omreden het land bedekt is met velden van een wrange soort klaver of van den grooten distel, en er dus weinig goed weiland is. De laatsten, wel bekend uit de heldere beschrijving van Sir F. Head, waren in dezen tijd van het jaar voor twee derden volwassen; op sommige plaatsen bereikten zij de hoogte van een paarderug, doch op andere waren zij nog niet uitgekomen, en was de grond kaal en stoffig als op een tolweg. De velden waren van het glanzigste groen en vertoonden eene fraaie miniatuur-gelijkenis met gebroken boschland. Als de distels volwassen zijn, zijn de groote velden ondoordringbaar, behalve langs enkele paden, even ingewikkeld als in een doolhof. Deze zijn alléén aan de roovers bekend, die hen in dit seizoen bewonen en ’s nachts te voorschijn komen om ongestraft te stelen en te moorden. Toen ik ergens aan een huis vroeg of de roovers talrijk waren, kreeg ik ten antwoord: “De distels zijn nog niet uit”—waarvan de beteekenis op het eerste gehoor niet heel duidelijk was. Een tocht langs deze paden biedt weinig belangrijks, wijl zij door weinig dieren of vogels bewoond worden, met uitzondering van debizcachaen haar vriend, den kleinen uil.Debizcachaof het Peruaansch Konijntje1vormt naar men weet, een sprekend kenmerk in de zoölogie derPampas. Men vindt het zuidelijk tot aan de Rio Negro op 41° breedte, maar niet lager. Het kan niet, zooals hetaguti, op de woeste grintvlakten van Patagonië leven, maar verkiest een kleiachtigen of zandigen bodem, die een anderen en meer overvloedigen plantengroei voortbrengt. Bij Mendoza, aan den voet der Cordilleras, komt het dicht in de buurt der verwante hooglandsche species voor. Het is een zeer opmerkelijk feit in zijne geographische verspreiding, dat het, gelukkig voor de bewoners van Oost-Banda, nooit ten oosten van de Uruguay-rivier gezien is, niettegenstaande dat er vlakten in deze provincie zijn, welke uitmuntend voor zijne leefwijze geschikt schijnen. De Uruguay heeft een onoverkomelijken hinderpaal gevormd voor zijne verhuizing, ofschoon de breedere slagboom van de Parana overschreden werd, en de bizcacha in de tusschen deze twee groote rivieren gelegen provincie Entre Rios inheemsch is. Bij Buenos Aires komen deze dieren uiterst veel voor. Hun meest gezocht verblijf schijnen die gedeelten der vlakte te zijn, welke een half jaar lang met geen andere planten dan reuzendistels bedekt zijn. De Gauchos zeggen, dat het van wortels leeft, hetgeen wegens de groote sterkte zijner knaagtanden en de soort plaatsen die het bezoekt, wel waarschijnlijk lijkt. Des avonds komen de bizcachas in menigte naar buiten, en zitten bij den ingang harer holen kalm op de hurken. Op zulke oogenblikken zijn zij zeer mak; en een man, die ze te paard voorbijrijdt, schijnt dan slechts een voorwerp van ernstige beschouwing voor ze te zijn. Zij loopen zeer plomp, en hebben, als zij zich voor een gevaar uit de voeten maken, met hare opgeheven staarten en korte voorpooten veel weg van groote ratten. Haar vleesch, gekookt, is zeer blank en goed, maar wordt zelden gebruikt.De bizcacha heeft eene zeer zonderlinge gewoonte, hierin bestaande, dat zij elk hard voorwerp naar de opening van haar hol sleept. Vele beenderen van vee, steenen, distelstengels, harde aardkluiten, droge mest, enz. worden in een ongeregelden hoop—dikwijls zooveel als een kruiwagen bevatten kan—om elke groep holen bijeengebracht. Vangeloofwaardige zijde werd mij verteld, dat een heer gedurende een rit in een donkeren nacht zijn horloge verloor. Des morgens keerde hij terug, onderzocht den grond bij elk bizcacha-hol dat langs den weg lag, en vond het spoedig, gelijk bij verwacht had. Deze gewoonte om alles op te rapen wat ergens op den grond in de buurt zijner woning ligt, moet het dier heel wat werk geven.Wááromhet gedaan wordt, kan ik in de verste verte zelfs niet gissen: voor verdediging kan het niet zijn, daar de afval in hoofdzaak boven de opening van het hol gelegd wordt, dat onder een zeer kleinen hoek in den grond dringt. Ongetwijfeld moet er een goede reden voor bestaan; maar aan de bewoners van het land is zij geheel onbekend. Het eenige mij bekende feit, dat daarmeê overeenkomt, is de gewoonte van dien buitengewonen Australischen vogel (Calodera maculata), die een sierlijk gewelfden doorgang van takjes maakt om in te spelen, en bij de plek land- en zeeschelpen, beenderen en vogelveêren, vooral lichtkleurige, verzamelt. Gould, die deze feiten beschreven heeft, meldt mij, dat de inboorlingen, als zij een hard voorwerp verliezen, de speeldoorgangen onderzoeken; en hem is bekend, dat op die manier eens een tabakspijp werd teruggevonden.De kleine uil (Athene cunicularia), die zoo dikwijls genoemd is, bewoont op de vlakten van Buenos Aires uitsluitend de holen der bizcacha; maar in Oost-Banda is hij zijn eigen werkman. Overdag, doch meer in ’t bijzonder des avonds, kan men deze vogels dikwijls bij paren in alle richtingen op de heuvels bij hunne holen zien staan. Zoo men hen stoort, gaan zij òf in het hol, òf zij vliegen onder het uiten van een schellen, rauwen kreet in merkwaardige bochten een kort eind weg, keeren zich dan om en kijken onbeweeglijk naar hun vervolger. Soms kan men hen des avonds hooren krassen. In de door mij geopende magen van twee hunner vond ik overblijfsels van muizen, en eens zag ik een kleine doode slang wegvoeren. Men zegt, dat slangen hun gewone buit zijn gedurende den dag. Als een bewijs van welke verschillende soorten voedsel uilen kunnen leven,wil ik hier vermelden, dat bij een exemplaar hetwelk op de eilanden van den Chonos-Archipel gedood werd, de maag vol tamelijk groote krabben was. In Indië bestaat een visschende uilensoort, die eveneens krabben vangt.2Des avonds staken wij op een eenvoudig, uit saamgebonden vaten gemaakt vlot over de Rio Arrecife, en sliepen in het posthuis aan den overkant. Ik betaalde dien dag voor 31 leagues paardenhuur; en hoewel de zon blakerend heet was, gevoelde ik mij maar weinig vermoeid. Als kapitein Head spreekt van 50 leagues rijden per dag, stel ik mij den afstand niet voor als gelijk aan 150 Engelsche mijlen. In elk geval bedroegen de 31 leagues, in rechte lijn gemeten, slechts 76 Eng. mijlen; dit vermeerderd met vier mijlen voor omwegen in geval van een open land, zou, naar ik denk, een voldoenden maatstaf geven.29 en 30 September.Wij vervolgden onzen rit over vlakten van dezelfde gesteldheid. Te San Nicolás zag ik voor het eerst de statige rivier Parana. Aan den voet der rots, waarop San Nicolás ligt, lagen eenige groote schepen voor anker. Voordat wij te Rosario kwamen, staken wij de Saladillo over, een stroom van helder vlietend water, maar te zout om te drinken. Rosario is eene groote stad3in eene doodsche effen vlakte, die een zestig voet hoogen rotswand vormt boven de Parana. De rivier is hier zeer breed, met vele eilandjes, die, evenals de overstaande oever, laag en begroeid zijn. Men zou wanen een groot meer voor zich te zien, indien de eilandjes met hunne rechtlijnige vormen niet terstond aan stroomend water herinnerden. De klippen zijn het schilderachtigste gedeelte: soms zijn zij zuiver loodrecht en van eene roode kleur; andere keeren vormen zij groote gebroken rotsen, die met cactussen en mimosa-boomen bedekt zijn. Het werkelijk grootsche van eene reusachtige rivier als deze, beseft men eerst uit de overweging, welk een belangrijk middel vangemeenschap zij vormt voor den handel van het eene volk met het andere; welk een afstand zij doorloopt, en hoe uitgestrekt het gebied is, waaraan zij het groote volume zoetwater onttrekt, dat voorbij uwe voeten vloeit.Veleleaguesten noorden en ten zuiden van San Nicolás en Rosario is het land inderdaad vlak. Van hetgeen reizigers over dit zeer vlakke voorkomen geschreven hebben, kan bijna niets overdreven worden geacht. Toch kon ik bijna nooit een plek vinden, van waar, als ik mij langzaam omdraaide, de voorwerpen in sommige richtingen niet verder af gezien werden, dan in andere; en klaarblijkelijk wijst dit op oneffenheid van terrein. Op zee ligt de horizon van iemand, wiens oog zes voet boven de oppervlakte van het water is geplaatst, op 2⅘ mijl afstand.4Hoe vlakker het terrein, des te meer ook nadert de horizon deze enge grenzen; en naar mijn idee, ontneemt dit aan eene uitgestrekte effen vlakte geheel die grootschheid, welke men denken zou dat zij bezat.1 October.Wij reden bij maanlicht weg, en kwamen bij zonsopgang aan de Rio Tercero. Deze rivier wordt óok de Saladillo genoemd, en verdient dien naam, want het water is brak. Ik bleef hier het grootste deel van den dag, bezig met het zoeken naar fossiele beenderen. Behalve een volledigen tand van denToxodonen vele verspreide beenderen, vond ik twee reusachtige skeletten, die,dicht bij elkander, als een verheven beeldwerk uit den loodrechten oeverwand der Parana staken. Zij waren echter zoo vergaan, dat ik slechts twee kleine stukken van een der groote maaltanden kon meênemen; maar deze bewijzen voldoende dat de overblijfsels tot eenMastodon5behooren—waarschijnlijk dezelfde soort als die voorheen de Cordilleras in Opper-Peru in zoo groot aantal bewoonde. De mannen, die mij in hunne kano vervoerden, zeiden dat zij deze skeletten al lang gekend en zich dikwijls verwonderd hadden, dat zij daar gekomen waren; maar het noodzakelijke van eene theorie beseffende, waren zij tot de gevolgtrekking gekomen dat deMastodon, evenals de bizcacha, voorheen een graafdier was geweest! Des avonds reden wij naar een ander veer en staken de Monge over: wederom eene brakwater-rivier, die den droesem van het spoelwater der Pampas medevoert.2 October.Onze tocht leidde door Corunda, dat om zijn bloeiende tuinen een der aardigste dorpen was, die ik ooit zag. Van af dit punt naar Santa Fé is de weg niet heel veilig. De westzijde der Parana is in noordelijke richting onbewoond; dit heeft tengevolge, dat de Indianen soms tot hier doordringen en de reizigers belagen. Ook is de gesteldheid van het land daartoe gunstig; want in plaats van eene grasvlakte, is hier een open boschland, bestaande uit lage stekelige mimosae. Wij gingen langseenige huizen, die geplunderd en sedert verlaten waren, en zagen tegelijk een schouwspel dat mijne gidsen met de hoogste voldoening bekeken. Het was het skelet van een Indiaan, die met de droge huid om zijn gebeente, aan de takken van een boom hing.Des morgens kwamen wij te Santa Fé, waar ik tot mijn verrassingbemerktewelke groote klimaatverandering een breedte-verschil van slechts drie graden tusschen deze plaats en Buenos Aires ten gevolge had gehad. Dit bleek uit de kleeding en het uiterlijk der menschen, uit de meerdere hoogte derombu-boomen, het aantal nieuwe cactussen en andere planten, maar vooral uit de vogels. In den loop van een uur bespeurde ik een half dozijn vogels, die ik nooit te Buenos Aires had gezien. In aanmerking genomen, dat er tusschen beide plaatsen geen natuurlijke grensscheiding is, in de gesteldheid van het land bijna dezelfde, zoo was het onderscheid veel grooter dan ik had mogen verwachten.3 en 4 October.Deze beide dagen werd ik door hoofdpijn aan mijn bed gekluisterd. Eene goedhartige oude vrouw, die mij oppaste, wilde mij een aantal zonderlinge middelen laten beproeven. Een alledaagsch middel is, dat men een blad van een oranjeboom of een stuk zwarte pleister aan elken slaap hecht; en een nog algemeenere methode is, dat men een boon in tweeën snijdt, de helften natmaakt en op elken slaap één legt, waar zij licht zullen vastkleven. Het wordt niet raadzaam geacht de boonen of de pleister te verwijderen, maar ze te laten afvallen; en zoo zal iemand met zulke dingen op het hoofd op uwe vraag wat er aan scheelt, soms ten antwoord geven: “Eergisteren had ik hoofdpijn.” Vele van de geneesmiddelen, die het volk in dit land gebruikt, zijn belachelijk vreemd, maar te walgelijk om genoemd te worden. Een van de minst vuile is, dat men twee jonge hondjes doodt, opensnijdt en hen aan weerszijden van een gebroken lid vastbindt. Kleine onbehaarde honden zijn zeer gezocht om aan de voeten van verminkte personen te slapen.Santa Fé is een rustig stadje, dat zindelijk en goed onderhoudenwordt.6De gouverneur Lopez was een gewoon soldaat ten tijde der revolutie, maar is nu 17 jaar aan het bewind. Deze bestendige regeering is toe te schrijven aan zijne tyrannieke gewoonten, want tyrannie schijnt voor deze landen nog beter geschikt dan een republikeinsch bestuur. De geliefkoosde bezigheid van den gouverneur is het jachtmaken op Indianen; onlangs vermoordde hij er 48, en verkocht de kinderen voor den prijs van drie of vier pond het stuk.5 October.Wij trokken de Parana over naar Santa Fé Bajada, eene stad op den overstaanden oever. De overtocht duurde eenige uren, wijl de rivier hier uit een doolhof van kleine stroomen bestond, onderling gescheiden door lage begroeide eilanden. Ik had een introductie-brief aan een ouden Spanjaard uit Catalonië, die mij met de meest bijzondere gastvrijheid behandelde. Bajada is de hoofdstad van Entre Rios. In 1825 had de stad 6000 inwoners en de provincie 30.000; maar ondanks dit geringe cijfer, heeft geen provincie meer van bloedige en wanhopige omwentelingen te lijden gehad, dan zij. Men pocht hier op vertegenwoordigers, ministers, een staand leger en gouverneurs: bijgevolg is het geen wonder, dat men zijn omwentelingen heeft. In de toekomst zal dit een der welvarendste provinciën van La Plata worden.7De bodem is afwisselend en vruchtbaar, en door hare bijna eilandvormige gedaante bezit zij in de rivieren Parana en Uruguay twee groote verbindingswegen.Ik had hier een oponthoud van vijf dagen, welken tijd ik besteedde aan het geologisch onderzoek van het naburige land, dat veel belangrijks biedt. Wij zien hier, aan den voet der klippen, lagen met ingesloten haaietanden en zeeschelpenvan uitgestorven soorten opwaarts in een verharden mergel overgaan, en verder in de roode kleiachtige Pampas-aarde met hare kalkachtige verdikkingen en beenderen van land-viervoeters. Deze loodrechte doorsnede zegt ons duidelijk, dat hier eene groote baai met zuiver zoutwater gaandeweg inkromp en eindelijk in eene modderige rivier-delta veranderde, waar drijvende lijken werden heengevoerd. Te Punta Gorda in Oost-Banda vond ik de delta-afzetting van de Pampas afgewisseld door een kalksteen, die eenige van dezelfde uitgestorven zeeschelpdieren bevatte; dit laatste wijst dus òf op eene verandering van de vroegere stroomingen, òf, wat waarschijnlijker is, op eene hoogte-schommeling van den bodem der oude rivier-delta. Tot voor korten tijd waren de redenen, waarom ik de Pampas-formatie voor eene delta-afzetting hield, deze: haar algemeen voorkomen, hare ligging bij de monding van de bestaande groote Rio de la Plata, en de aanwezigheid van zooveel beenderen van land-viervoeters. Maar nu heeft Prof. Ehrenberg de goedheid gehad voor mij wat van de roode aarde te onderzoeken, welke diep uit het afzetsel, dicht bij de skeletten van den mastodon, genomen was; en daarin vindt hij talrijke infusiediertjes, deels zout-, deels zoetwater-vormen, de laatsten met eene geringe meerderheid. Naar aanleiding daarvan merkt hij op, dat het water brak moet geweest zijn. A. d’Orbigny vond aan de oevers der Parana, ter hoogte van ongeveer honderd voet, groote beddingen van een delta-schelpdier, dat nu honderd mijlen stroomafwaarts dichter bij zee leeft; en dergelijke schelpdieren vond ik op geringere hoogte aan de oevers van de Uruguay; dit bewijst, dat, onmiddellijk voordat de Pampas onder langzame rijzing in droog land veranderde, het daarop staande water brak was. Onder Buenos Aires zijn gerezen beddingen met zeeschelpdieren van levende soorten, wat eveneens bewijst, dat de periode der Pampas-rijzing in het jongste of Quartaire Tijdvak viel.8In de Pampas-formatie te Bajada vond ik het beenachtig pantser van een kolossaal armadil-achtig dier, waarvan de binnenzijde, na verwijdering van de aarde, er als een groote ketel uitzag. Ook vond ik tanden van den Toxodon en Mastodon, benevens een tand van een paard in denzelfden verkleurden en verweerden staat. Deze laatste tand boezemde mij veel belang in,9en met nauwgezette zorg vergewiste ik mij, dat hij tegelijktijdig met de andere overblijfsels begraven was. Ik wist toen namelijk niet, dat onder de fossielen uit Bahia Blanca een paardetand in het moedergesteente verborgen was; ook was toen niet met zekerheid bekend, dat de overblijfsels van paarden in Noord-Amerika algemeen zijn. Onlangs heeft Lyell uit de Vereenigde Staten een paardetand meêgebracht; en het is een belangrijk feit, dat Prof. Owen bij geen enkele versteende of jongere soort eenig spoor van karakteristieke kromming kon vinden, totdat hij op het denkbeeld kwam den tand met het door mij alhier gevonden exemplaar te vergelijken. Hij heeft dit Amerikaansche paardEquus curvidensgenoemd. Het is zeker een wonderbaar feit in de geschiedenis der Zoogdieren, dat in Zuid-Amerika een inheemsch paard geleefd heeft en verdwenen is, om in latere eeuwen te worden opgevolgd door de tallooze kudden afstammelingen van de enkele dieren, die door de Spaansche kolonisten zijn ingevoerd!Dat in Zuid-Amerika een fossiel paard, een mastodon, wellicht een olifant,10en een holhoornig herkauwend dier (door Lund en Clausen in de holen van Brazilië ontdekt) bestaan, zijn zeer belangwekkende feiten met betrekking tot de geographische verspreiding der dieren. Verdeelen wij nu Amerika—niet bij de landengte van Panama, maar langs het zuidelijk deel van Mexico op 20° breedte,11waarhet groote tafelland door zijn invloed op het klimaat, en omdat het met uitzondering van eenige valleiën en een strook laagland aan de kust, een breede slagboom is voor den trek der soorten—dan zullen wij de twee zoölogische provinciën van Noord- en Zuid-Amerika scherp tegenover elkander hebben gesteld. Slechts weinige species zijn den slagboom doorgegaan, en kunnen als landverhuizers uit het zuiden worden aangemerkt: zooals depuma, hetopossumof Amerikaansche buideldier, dekinkaju(Cercoleptes caudivolvolus) en hetpecari. Zuid-Amerika kenmerkt zich door zijn bezit van vele eigenaardige knaagdieren, eene familie apen, de lama, het pecari, den tapir, buideldieren, en in ’t bijzonder door verschillende geslachtenEdentata—eene orde, waartoe de luiaards, de miereneters en armadillen behooren. Noord-Amerika, daarentegen, kenmerkt zich (enkele treksoorten niet medegerekend) door talrijke bijzondere knaagdieren, en door vier geslachten (os, schaap, geit en antiloop) holhoornige herkauwers, van welke groote afdeeling men niet weet, dat Zuid-Amerika eenige enkele species bezit.Voorheen, maar in het tijdperk toen de meeste der nu bestaande schelpdieren leefden, bezat Noord-Amerika, behalve holhoornige herkauwers, den olifant, mastodon, hetpaard en drie geslachtenEdentata, namelijk:Megatherium,MegalonyxenMylodon. In ongeveer het zelfde tijdperk (zooals door de schelpdieren van Bahia Blanca bewezen wordt), bezat Zuid-Amerika—naar wij straks gezegd hebben—een mastodon, een paard, een holhoornigen herkauwer, en dezelfde drie geslachten (tegelijk met vele andere)Edentata. Daaruit blijkt, dat Noord- en Zuid-Amerika, toen zij in een vroeger geologisch tijdperk deze vele geslachten gemeen hadden, in het kenmerk hunner landbewoners veel nauwer aan elkaar verwant waren dan nu. Hoe meer ik over deze zaak nadenk, des te belangwekkender schijnt zij mij: ik ken geen ander voorbeeld, waar wij bijna kunnen aanduidenwanneerenhoeéén groot gebied gesplitst werd in twee scherp gekenmerkte zoölogische provinciën. De geoloog, die onder den vollen indruk is van de groote hoogte-schommelingen welke de aardkorst in vroegere tijdperken onderging, zal niet schromen de latere rijzing van het Mexicaansche tafelland, of wat waarschijnlijker is: de latere landverdrinking in den Westindischen Archipel als de oorzaak te beschouwen van de hedendaagsche zoölogische scheiding tusschen Noord- en Zuid-Amerika. Het Zuidamerikaansche kenmerk der Westindische zoogdieren13schijnt er op te wijzen, dat deze archipel voorheen met het zuidelijk vasteland verbonden was, en in ’t vervolg van tijd een gezonken gebied is geworden.Toen Amerika, en in ’t bijzonder Noord-Amerika zijne olifanten, mastodonten, zijn paard en holhoornige herkauwers bezat, was het in zijne zoölogische kenmerken veel nauwer aan de gematigde deelen van Europa en Azië verwant, dan het nu is. Daar de overblijfsels dezer geslachtenaan weerszijden van de Behring-Straat en in de vlakten van Siberië gevonden worden,14zijn wij genoopt de noordwestzijde van Noord-Amerika als het vroegere verbindingspunt aan te zien tusschen de Oude en zoogenaamde Nieuwe Wereld. En aangezien zoo vele soorten, levende en uitgestorvene, van deze zelfde geslachten de Oude Wereld bewonen en bewoond hebben, lijkt het hoogst waarschijnlijk, dat de Noord-Amerikaansche olifanten, mastodonten, paard en holhoornige herkauwers over later gezonken land bij de Behring-Straat uit Siberië naar Noord-Amerikaverhuisden, en vandaar, over later gezonken land in West-Indië, naar Zuid-Amerika, alwaar zij zich eenigen tijd met de inheemsche vormen van dat zuidelijk vasteland vermengden, en sedert uitgestorven zijn.Op mijne reis door het land kreeg ik verscheidene levendige beschrijvingen van de gevolgen eener groote droogte, die onlangs geheerscht had; en het verhaal hiervan is wel geschikt om eenig licht te werpen op de gevallen, waarin een groot aantal dieren van alle soorten te zamen begraven werden. De tijdruimte begrepen tusschen de jaren 1827 en 1832 wordt de “gran seco” of groote droogte genoemd. Gedurende dien tijd viel zoo weinig regen, dat de plantengroei, tot zelfs de distels, mislukte; de beken droogden uit, en het geheele land kreeg het aanzien van een stoffigen heerweg. Dit was vooral het geval in het noordelijk deel der provincie Buenos Aires en in het zuidelijk deel van Santa Fé. Eene groote menigte vogels, wilde dieren, vee en paarden stierven door gebrek aan voedsel en water. Een man vertelde mij, dat de herten naar den put op zijne binnenplaats plachten te komen,15dien hij genoodzaakt was geweest te graven,om zijn gezin van water te voorzien, en dat de patrijzen nauwelijks kracht hadden om weg te vliegen als zij vervolgd werden. Het verlies aan vee in de provincie Buenos Aires alléén werd op minstens een millioen stuks geschat. Een eigenaar te San Pedro had vóór deze jaren 20.000 stuks vee; aan het einde bleef er geen enkel over. San Pedro is gelegen te midden van de fraaiste landstreek, en heeft zelfs nu (Oct. 1833) weer overvloed van dieren; maar in het laatste gedeelte van den “gran seco” werd het levend vee, dat tot voedsel der bewoners bestemd was, op groote schepen aangevoerd. De dieren dwaalden van hunne estancias af, trokken ver naar het zuiden, en vermengden zich daar in zulke menigte, dat eene Rijkscommissie uit Buenos Aires werd gezonden om de geschillen der eigenaars te regelen. Sir Woodbine Parish vertelde mij van eene andere en zeer merkwaardige aanleiding tot geschil: wegens de groote droogte van den grond woeien zulke massa’s stof op, dat de landpalen in deze open streek overstoven werden, en de menschen niet konden zeggen waar de grenzen hunner goederen waren!Een ooggetuige deelde mij mede, dat het vee in kudden van duizenden in de Parana liep, alwaar het, uitgeput van honger, de kracht miste weder tegen de modderige oevers op te klimmen, zoodat het verdronk. De rivierarm, die langs San Pedro vloeit, was zoo vol verrotte lijken, dat een schippersbaas mij vertelde, dat de stank het bepaald onmogelijkmaakte er door te varen. Zonder twijfel kwamen zoo vele honderdduizenden dieren in de rivier om: hunne rottende lichamen zag men den stroom afdrijven, en naar alle waarschijnlijkheid werden vele in de delta der Rio de la Plata begraven. Alle kleine rivieren kregen een hoog zoutgehalte; en op sommige plaatsen veroorzaakte dit den dood van talrijkeindividuën; want als een dier van zulk water drinkt, herstelt het niet. Azara beschrijft16de razernij der wilde paarden bij zulk eene gelegenheid, die zich in de moerassen stortten, en waarbij de eerstaangekomenen overstelpt en doodgedrukt werden door de volgenden. Hij voegt er bij, dat hij meer dan eens een duizendtal lijken van wilde paarden zag, die aldus waren omgekomen. Ik merkte op, dat de beddingen van kleine stroomen in de Pampas met een beenderen-breccia bedekt waren; maar waarschijnlijk was dit toe te schrijven aan eene gestadige toeneming, in plaats van aan een ramp op een of ander tijdstip. Op de droogte van 1827 tot 1832 was een zeer regenachtig seizoen gevolgd, dat groote overstroomingen veroorzaakte. Zoo is het bijna zeker, dat eenige duizenden skeletten door de bezonken stoffen van het eerstvolgende jaar begraven werden. Wat zou een geoloog er van denken, die zulk eene ontzaglijke massa beenderen van alle diersoorten en alle tijden aldus in een dikke aardachtige massa begraven zag? Zou hij dit niet veeleer toeschrijven aan een vloed, die het land overstroomde, dan aan den gewonen loop der dingen?1712 October.Ik had plan gehad mijne uitstapjes verder uit te strekken; maar daar ik niet wel was, moest ik op eenbalandraof eenmast-vaartuig18van omstreeks 100 ton lading en met bestemming naar Buenos Aires,terugkeeren. Ten gevolge van het ongunstigeweder vertuiden wij vroeg op den dag aan den tak van een boom op een der eilanden. De Parana is vol eilanden, die een bestendigen kringloop van verval en vernieuwing ondergaan.Voorzooverde schipper zich herinnerde, waren verscheidene groote verdwenen, en hadden weer andere zich gevormd, die door plantengroei beschermd waren. Zij bestaan uit modderig zand, zonder het kleinste kiezelsteentje, en lagen toen omstreeks vier voet boven rivierpeil; maar gedurende de periodieke vloeden zijn zij overstroomd. Alle vertoonen hetzelfde kenmerk: talrijke wilgen en enkele andere boomen zijn door eene groote verscheidenheid van slingerplanten saâmverbonden, waardoor een dicht kreupelbosch ontstaat. Deze kreupelbosschen bieden eene schuilplaats aancapybara’sen jaguars. De vrees voor laatstgenoemd dier verdreef al het genot om in de bosschen door te dringen. Hedenavond was ik nog geen honderd yards gevorderd, toen ik de onmiskenbare teekenen van de aanwezigheid van eentigre19ontdekte, en genoodzaakt was terug te keeren. Op elk eiland waren deze sporen; en evenals op mijn vorigen tochtel rastro de los Indios(het spoor der Indianen) het onderwerp der gesprekken vormde, zoo was het hierel rastro del tigre.De begroeide oevers der groote rivieren schijnen de geliefkoosde schuilplaatsen van den jaguar te zijn; maar ten zuiden van de Plata-rivier werd mij gezegd, dat zij het riet langs de meren bewoonden. Waar zij ook zijn, schijnen zij water te verlangen. Hun gewone prooi is de capybara, zoodat algemeen gezegd wordt, dat daar waar decapybara’stalrijk zijn, weinig gevaar voor den jaguar bestaat. Falconer verklaart, dat bij de zuidzijde van de monding der Plata-rivier vele jaguars zijn, en dat deze voornamelijk van visch leven: welk verhaal ik meer gehoord heb. Aan de Parana hebben zij vele houthakkers gedood, en bij nacht zelfs schepen geënterd. In Bajada leeft thans een man, die,toen hij eens bij donker uit het ruim van zijn schip kwam, op het dek gegrepen werd. Wel rukte hij zich los, doch miste daarna het gebruik van zijn eenen arm. Als de wassende stroomen deze dieren van de eilanden verdrijven, zijn zij het gevaarlijkst. Men vertelde mij, dat enkele jaren geleden een zeer groote jaguar eene kerk te Santa Fé binnendrong; twee priesters, die achter elkander binnenkwamen, werden gedood; en een derde, die kwam zien wat er gaande was, ontkwam ternauwernood. Het dier werd afgemaakt, doordien men het uit een hoek van het gebouw, dat geen dak had, doodschoot. In deze tijden richten zij ook groote verwoestingen aan onder vee en paarden. Naar men zegt, dooden zij hun prooi door hem den nek te breken. Worden zij van het lijk verjaagd, dan keeren zij er zelden naar terug. De Gauchos zeggen, dat de jaguar op zijne nachtelijke zwerftochten zeer wordt lastig gevallen door het gekef der vossen, die hem volgen. Dit stemt op merkwaardige wijze overeen met het algemeen bevestigde feit, dat jakhalzen op dergelijke officieuse manier den Oostindischen tijger volgen. De jaguar is een luidruchtig dier, dat des nachts herhaaldelijk brult, vooral wanneer slecht weêr in aantocht is.Op zekeren dag, toen ik aan de oevers van de Uruguay jaagde, werden mij sommige boomen gewezen, waar deze dieren steeds heenloopen, om, zoo het heet, hunne klauwen te scherpen. Ik zag drie welbekende boomen: aan de voorzijde was de bast oogenschijnlijk door de borst van het dier licht gesleten, en aan weerszijden waren diepe schrammen of liever groeven, die schuins afloopend bijna eenyardlang waren. De schrammen waren van verschillenden ouderdom. Een gewoon middel om zich te vergewissen of een jaguar in de buurt is, bestaat hierin, dat men deze boomen onderzoekt. Ik stel mij voor, dat deze gewoonte van den jaguar volkomen gelijk is aan die, welke men dagelijks bij de huiskat zien kan, als deze met gestrekte pooten en uitgestoken nagels den poot van een stoel schraapt; en ik heb gehoord, dat jonge vruchtboomen in een boomgaard in Engeland hierdoor zeer geleden hadden. Ongeveer eene dergelijke gewoontemoet ook denpumaeigen zijn, want menigmaal heb ik op den kalen harden bodem van Patagonië kepen gezien zóo diep, dat een ander dier ze niet kon gemaakt hebben. Ik geloof, dat het doel dezer handeling is de gescheurde punten van hunne klauwen af te vijlen, en niet, zooals de Gauchos denken, om ze te scherpen. De jaguar wordt zonder veel moeite gedood door middel van honden, die hem door hun geblaf in een boom jagen, waar hij met kogels wordt afgemaakt.Ten gevolge van slecht weder bleven wij twee dagen aan onze tuien liggen. Ons eenig vermaak bestond in het vangen van visch voor ons middageten; en de talrijke soorten die er waren, lieten zich alle goed smaken. Een visch, genaamd dearmadoof wentelaar (Silurus), is merkwaardig om het harde, knarsende geluid, dat hij maakt als hij met lijn en haak gevangen wordt, en dat duidelijk gehoord wordt als de visch onder water is. Dezelfde visch heeft het vermogen om voorwerpen, zooals een riemblad of vischlijn met de sterke graten van zijn borst- of rugvin stevig vast te grijpen. Des avonds was het weêr bepaald tropisch, en stond de thermometer op 79°. Tal van vuurvliegen fladderden rond, en de muskieten waren zeer lastig. Slechts vijf minuten stak ik mijne hand uit, en weldra zag zij er zwart van; ik geloof dat er niet minder dan vijftig waren—alle druk aan het zuigen.15 October.Wij gingen op weg en voeren langs Punta Gorda, waar eene kolonie van tamme Indianen is uit de provincie Missiones. Snel zeilden wij den stroom af; maar wegens eene kinderachtige vrees voor slecht weêr, draaiden wij vóor zonsondergang bij in een smallen arm van de rivier. Ik nam de boot en roeide een eind deze kreek in. Zij was zeer smal, bochtig en diep; aan weerszijden een dertig tot veertig voet hooge muur van boomen, door slingerplanten omkronkeld, die aan de kreek een bijzonder duister aanzien gaf. Ik zag hier een zeer zeldzamen vogel, den Schaarbek (Rhynchops nigra). Hij heeft korte pooten, zwemvoeten, vleugels met buitengewoonlange punten, en is ongeveer zoo groot als eene zeezwaluw. De bek is zijdelings afgeplat, namelijk in een vlak loodrecht op dien van den lepelaar of eend. Hij is zoo plat en buigzaam als een ivoren vouwbeen, en de onderste kinnebak is, in tegenstelling met alle andere vogels, anderhalve inch langer dan de bovenste.In een meer nabij Maldonado, waaruit het water bijna weggevloeid was, en dat bijgevolg krioelde van zwermen kleine visschen, zag ik vele van deze vogels, meest in troepjes, snel voor- en achteruit dicht boven de oppervlakte van het meer vliegen. Zij hielden hunne bekken wijd open, en de onderste kinnebak half in het water gedompeld. Zoo scherend langs de oppervlakte, kliefden zij die in hunne vlucht; het water was geheel effen, en het zien van zulk een zwerm, waarvan elke vogel zijn smal spoor op het spiegelend oppervlak achterliet, vormde een zeer vreemd schouwspel. In hunne vlucht zwenken zij telkens met verbazende rapheid om, en manoeuvreeren voortdurend met hunne uitstekende onderkinnebak om vischjes op te duiken, die door de kortere bovenhelft van hun schaarvormigen bek gegrepen worden. Dit feit zag ik herhaaldelijk, terwijl zij, evenals zwaluwen, gestadig voor- en achteruit langs mij heen vlogen. Als zij soms de oppervlakte van het water verlieten, werd hunne vlucht wild, ongeregeld en snel; dan stieten zij ook luide, harde kreten uit. Gedurende het visschen, komt het voordeel van de lange eerste slagveêren hunner vleugels, waardoor deze droog blijven, duidelijk aan het licht. Wanneer zij zoo bezig zijn, gelijken hunne vormen op het symbool, waardoor vele kunstenaars zeevogels voorstellen. Hunne staarten worden veel gebruikt om hunne onregelmatige vlucht te sturen.Deze vogels wonen ver landwaarts in langs den loop van de Rio Parana; men zegt, dat zij hier het geheele jaar blijven en in de moerassen broeden. Overdag rusten zij in zwermen op de grasvlakten, op eenigen afstand van het water. Toen wij, zooals ik gezegd heb, in een der diepe kreken tusschen de eilanden in de Parana voor ankerlagen, daagde, bij het vallen van den avond, plotseling een dezer schaarbekken op. Het water was geheel stil, en vele kleine visschen kwamen naar boven. Langen tijd scheerde de vogel over de oppervlakte, en vloog op wilde, ongeregelde wijs de smalle kreek op en neer, die door de toenemende duisternis en de schaduw der overhangende boomen bijna geheel donker was. Te Montevideo bespeurde ik, dat eenige groote zwermen over dag op de modderbanken aan het havenhoofd bleven, op dezelfde manier als op de grasvlakten bij de Parana; en iederen avond vlogen zij zeewaarts. Op grond van deze feiten vermoed ik, dat deRynchopsin ’t algemeen bij nacht vischt, als wanneer vele lagere dieren in groote menigte naar de oppervlakte komen. M. Lesson verklaart, dat hij deze vogels de schelpen der in de zandbanken op de Chileensche kust begravenmactrae20heeft zien openen; maar hun zachte snavel met ver vooruitspringende onderkinnebak, hunne korte pooten en lange vleugels maken het zeer onwaarschijnlijk, dat deze gewoonte algemeen is.Toen wij de Parana afzakten, merkte ik slechts drie andere vogels op, wier eigenschappen der vermelding waard zijn. De een is een kleine ijsvogel (Ceryle Americana), die een langeren staart heeft dan de Europeesche soort, en daardoor niet in zulk eene stijve en rechte houding zit. Ook is zijn vlucht, in stede van recht en snel als de loop van een pijl, mat en slingerend, evenals bij de zachtsnavelige vogels. Hij stoot een lagen toon uit, die op het samentikken van twee kleine steenen gelijkt. Een kleine groene papegaai (Conurus murinus) met grijze borst, schijnt de hooge boomen op de eilanden als bouwterrein boven elke andere plek te verkiezen. Een aantal nesten zijn zoo dicht bij elkander geplaatst, dat zij éene groote massa takjes vormen. Deze papegaaien leven altijd in troepen, en richten groote verwoestingen aan in de korenvelden. Men verzekerdemij, dat er bij Colonia 2500 in den loop van een jaar gedood waren. Een vogel met een gespleten staart, die in twee lange vederen eindigt, (Tyrannus savana) en door de SpanjaardenSchaarstaartgenoemd, komt bij Buenos Aires zeer veel voor. Gewoonlijk zit hij op een tak van eenombu-boom in de nabijheid van een huis, jaagt van daar in korte vlucht de insecten na, en keert naar dezelfde plek terug. In de vlucht vertoont hij in zijn wijze van vliegen en zijn voorkomen in ’t algemeen eene spottende gelijkenis met de gewone zwaluw. Hij is in staat zeer korte draaien in de lucht te maken, waarbij hij zijn staart opent en sluit, soms in horizontale of zijdelingsche, dan in verticale richting—volkomen als eene schaar.16 October.Eenige mijlen ten zuiden van Rosario wordt de westelijke oever der Parana door loodrechte klippen begrensd, die zich in eene lange lijn tot nabij San Nicolas uitstrekken, zoodat die oever meer op eene zeekust dan op die eener zoetwater-rivier gelijkt. Het is een groot nadeel in het natuurschoon der Parana, dat het water ten gevolge van de zachte gesteldheid harer oevers zeer modderig is. De Uruguay, die door eene granietstreek vloeit, is veel helderder; en waar de beide rivieren zich in den mond der La Plata vereenigen, kan men hare waters op verren afstand aan de zwarte en roode kleuren onderscheiden.—Daar des avonds de wind niet zeer gunstig was, gingen wij, als naar gewoonte, onmiddellijk voor anker; en toen het den volgenden dag wat frisch woei, was de schipper, ondanks den gunstigen stroom, te vadzig om aan varen te denken. Te Bajada was hij mij beschreven als eenhombre muy aflicto(zeer zwaartillend man): als iemand, die altijd traag vooruitkwam; maar het moet gezegd worden, dat hij alle vertraging met bewonderingswaardige gelatenheid droeg. Hij was een oude Spanjaard, en had vele jaren in dit land gewoond. De Engelschen mocht hij graag lijden; maar hij beweerde stoutweg, dat de slag bij Trafalgar (1805, Nelson) alléén gewonnen was, omreden alle Spaansche kapiteins waren omgekocht, en dat de eenige werkelijk dappere daadaan beide zijden door den Spaanschen admiraal verricht was. Mij trof het eenigszins kenmerkende feit, dat deze man liever zou willen, dat zijne landgenooten voor de slechtste verraders werden aangezien, dan voor onbekwaam of laf.18 en 19 October.Langzaam, doordien de stroom ons weinig hielp, zakten wij de statige rivier af. Gedurende dien tocht ontmoetten wij zeer weinig schepen. Een van de beste natuurlijke gaven in zulk een groot verbindingskanaal, nl. eene rivier, waarin schepen uit eene gematigde streek met een even verrassenden rijkdom van sommige producten als een gemis van andere, zouden kunnen varen naar eene streek met een tropisch klimaat en met een bodem, die volgens den besten beoordeelaar, Bonpland, misschien nergens ter wereld zijn weêrga vindt in vruchtbaarheid—die gave schijnt hier moedwillig te worden verworpen. Hoe verschillend zou de aanblik van deze rivier geweest zijn, indien Engelsche kolonisten het gelukhaddengehad ’t eerst de Plata op te varen! Welke fraaie steden zouden thans hare oevers hebben bedekt! Tot den dood van Francia, Dictator van Paraguay, moeten deze beide landen gescheiden blijven, als lagen zij op tegenovergestelde punten van den aardbol! En als de oude bloeddorstige tyran de eeuwige rust is ingegaan, zal Paraguay door omwentelingen worden verscheurd, even heftig, als het er vroeger onnatuurlijk kalm was. Dit land zal moeten leeren, evenals elke andere Zuidamerikaansche Staat, dat eene republiek niet slagen kan, voordat zij een zeker corps mannen bezit, die doordrongen zijn van de beginsels van recht en eer.20 October.Bij onze aankomst in den mond der Parana, ging ik, gedreven door een sterk verlangen om Buenos Aires te bereiken, te Las Conchas aan land, met het plan er heen te rijden. Nauwelijks aan wal, of ik ontdekte tot mijne groote verrassing, dat ik in zekeren zin een gevangene was. Wegens het uitbreken van eene hevige omwenteling, waren alle havens onder arrest gesteld. Ik kon niet naar mijn schip terugkeeren; en overland naar de stad te gaan—daar was geen sprake van. Na een lang onderhoud met den commandant, kreeg ik verlof den volgenden dag naar Generaal Rolor te gaan, die een troep oproerlingen aan dezen kant van de hoofdstad commandeerde. Des morgens reed ik naar het kamp. De generaal verscheen met al zijne officieren en soldaten, die er uitzagen alsof zij groote schurken waren. Des avonds voordat hij de stad verliet, was de generaal vrijwillig naar den gouverneur gegaan, en had met de hand op het hart zijn eerewoord gegeven, dathijalthans tot het laatste trouw zou blijven. De generaal vertelde mij, dat de stad zeer streng geblokkeerd werd, en dat al wat hij doen kon was, mij een paspoort geven aan den hoofdaanvoerder der rebellen te Quilmes. Daar zouden wij een grooten omweg om de stad moeten maken en slechts met veel moeite paarden kunnen krijgen.Mijn ontvangst in het kamp was zeer beleefd; doch men zeide mij, dat mij onmogelijk kon worden toegestaan in de stad te komen. Ik wenschte dit juist zeer gaarne, daar ik deBeaglein zijn vertrektijd van de Rio Plata vóór was. Nadat ik echter verteld had hoe voorkomend Generaal Rosas aan de Colorado jegens mij geweest was, veranderde dit gesprek nog sneller dan bij tooverslag. Terstond werd mij gezegd, dat, al kon men mij geen paspoort geven, ik toch voorbij hunne schildwachten mocht, mits ik mijn gids en mijne paarden wilde achterlaten. Ik nam dit voorstel met genoegen aan, en een officier werd mij mede gegeven om te zorgen, dat ik niet aan de brug werd tegengehouden. Drie mijlen ver was de weg geheel verlaten. Ik ontmoette een troep soldaten, die zich vergenoegden met mijn oud paspoort ernstig in te kijken, en bevond mij eindelijk tot mijne niet geringe vreugde in de stad.Bijna zonder voorwendsel van grieven was deze revolutie uitgebroken; maar in een staat, die in den loop van negen maanden (van Februari tot October 1820) vijftien veranderingen in bestuur onderging, terwijl elk gouverneur volgens de grondwet voor drie jaren gekozen werd—zou het zeer onredelijk zijn naar voorwendsels te vragen. In dit gevalverliet een troep mannen, die aan Rosas gehecht waren en een afkeer hadden van den Gouverneur Balcarce, ten getale van 70 de stad—en onder de kreet van: “Rosas!” greep het geheele land naar de wapenen. De stad werd toen geblokkeerd, en levensmiddelen, vee noch paarden werden toegelaten; ook werd er nu en dan geschermutseld, waarbij dagelijks enkele mannen vielen. De belegerende partij wist wel, dat zij, door den toevoer van vleesch af te snijden, zeker de overwinning zou behalen.Generaal Rosas kon van den opstand niet afweten; maar dit scheen volkomen met de bedoelingen zijner partij te strooken. Een jaar geleden was hij tot gouverneur gekozen; doch hij weigerde, tenzij deSala(Kamer) hem ook buitengewone macht wilden verleenen. Dit werd geweigerd, en sedert dien tijd heeft zijne partij getoond, dat geen ander gouverneur zijn plaats kan behouden. De strijd werd openlijk aan beide zijden gerekt, totdat men van Rosas bericht kon hebben. Enkele dagen nadat ik Buenos Aires verliet, kwam er een brief, waarin de generaal het afkeurde, dat de vrede verbroken was, maar verklaarde, dat de belegerende partij volgens zijne idee het recht aan haar kant had. Alleen op de ontvangst van dit bericht, vloden gouverneur, ministers en een deel der militairen, ten getale van eenige honderden, de stad uit. De oproerlingen kwamen binnen, kozen een nieuwen gouverneur, en werden ten getale van 5500 man voor hunne diensten betaald. Uit deze feiten bleek duidelijk, dat Rosas ten slotte Dictator zou worden: want in den koningstitel heeft het volk in deze, zoowel als in andere republieken een bepaalden tegenzin. Sedert wij Amerika verlieten, hebben wij gehoord, dat Rosas met dictatoriale macht was gekozen, en zich een tijd lang lijnrecht tegen de grondwettelijke beginsels der Republiek heeft gekant.1De bizcacha (Lagostomus trichodactylus) gelijkt eenigszins op een groot konijn, maar heeft dikkere knaagtanden en een langeren staart; zij heeft echter, evenals het aguti, slechts drie teenen achter. Gedurende de laatste drie of vier jaren zijn de vellen dezer dieren naar Engeland gezonden, om als bont te dienen.2Journal of Asiatic Soc., deel V, blz. 363.3Naar de volkstelling van 1908 telt zij 160,000 inwoners.4Ofschoon de schrijver niet vermeldt welke “mijlen,” zijn het blijkbaarnauticalofgeographical milesvan 1854.965 Meter. In het bekende werk van W.Chauvenet:Spherical and Practical Astronomy, Deel I, blz. 178, vinden wij voor den afstand (d) van den zeehorizon:d (in standaardmijlen) = 1,317 √ x (in voeten)hierin x = 6 stellende, vinden wij door eene eenvoudige berekening:d (in standaardmijlen) = ± 3,225EenstatuteofBritishmijl bedraagt 1609.33 M., dus3,225St. Miles= ± 5190 Meter.2,8Naut. Miles= ± 5194 Meter.(Noot van den Vert.)5DeMastodonten, die voorvaderen onzer oliphanten, zijn in Europa gevonden o.a. in deMioceen-lagen van Frankrijk (M. longirostris,M. tapiroidesCuv. enz.); in hetPlioceenvan Engeland (M. Arvernensis) enz. Vóór het Mioceen-Tijdperk zijn geen resten van dit dier gevonden. In Amerika heeft de eersteMastodon(M. mirificus Leidy) geleefd om de grootePlioceen-meren ten westen van den Mississippi. Later, in hetQuartaireTijdvak, komt over de noordelijke helft der Ver.Staten: in Noord- en Zuid-Carolina, Mississippi, Arkansas, Texas, alsook in CanadaMastodon giganteusvoor. Eene variëteit van deze species is in menigte in de Pampas van Zuid-Amerika gevonden.(Noot van den Vertaler.)6Blijkens eene volkstelling, bezat de stad in 1901 circa 27000 inwoners.7In 1907 telde de provincie Entre Rios 384000 inwoners, en is, op 3 na, de meest bevolkte provincie van de Argentijnsche Republiek. Hare hoofdstad heet nu Concepcion del Uruguay.(Vert.)8De rijzing van Z.-Amerika aan de westkust bij de Andes duurt nog voort. Zie Credner, Geologie, blz.59.(Vert.)9Ik behoef hier nauwelijks te zeggen, dat er stellige bewijzen zijn, dat er in Columbus’ tijd geen paarden in Amerika waren.10Cuvier,Ossemensfossiles, Deel I, blz. 158.11Dit is de door Lichtenstein, Swainson, Erichson en Richardson gevolgde geographische verdeeling. De doorsnede van Vera-Cruz naar Acapulco, door Alex. v. Humboldt in zijnEssai politique sur le royaume de la Nouvelle Espagnegegeven12, toont ons welk een ontzaglijke slagboom het Mexicaansche tafelland vormt. Waar Dr. Richardson in zijn voortreffelijkReport on the Zoology ofN. America(uitgebracht voor hetBrit. Assoc., 1836, blz. 157) spreekt over de gelijkstelling van een Mexicaansch dier met denSynetheres prehensilis—zegt hij: “In hoeverre dit juist is, weten wij niet; maar indien het waar is, vormt dit zoo niet het eenige, dan toch bijna het eenige voorbeeld van een knaagdier, dat aan Noord- en Zuid-Amerika gemeen is.”12Dit meesterwerk werd van 1809/14 in ’t Duitsch vertaald, en verscheen in 5 banden. Een uittreksel daarvan verscheen in 2 deelen bij Cotta te Stuttgart in deGesammelte Werke von A. von Humboldt.(Vert.)13Zie Dr. Richardson’sReportblz. 157; ookL’Institut1837, blz. 253. Cuvier zegt, dat dekinkajuop de Groote Antillen gevonden wordt; maar dit is twijfelachtig. Gervais zegt, dat deDidelphis Cancrivoradaar gevonden wordt. Zeker is ’t, dat West-Indië eenige zoogdieren bezit, welke dit land bijzonder kenmerken. Een tand van den Mastodon is uit Bahama meêgebracht:Edinb.,New Phil. Journal, 1826, blz. 395.14Zie het merkwaardig Bijvoegsel van Dr. Buckland totBeechy’s Voyage; ook de geschriften van Chamisso inKotzebue’s Voyage.15In kapitein Owen’sSurveying Voyage(deel II, blz. 274) staat een treffend verhaal over de gevolgen eener droogte op de olifanten te Benguëla (westkust van Afrika). “Een aantal dezer dieren was vóor eenigen tijd in een drom de stad binnengekomen, om zich van de putten meester te maken, daar zij zich nergens in het land water konden verschaffen. De bewoners vereenigden zich, en er ontstond een wanhopig gevecht, dat met de volkomen nederlaag der indringers eindigde, doch niet voordat zij één man gedood en vele anderen gewond hadden.” Naar men zegt, heeft de stad eene bevolking van ongeveer 3000 zielen! Dr. Malcolmson bericht mij, dat tijdens eene groote droogte in Indië de wilde dieren eenige soldatententen te Ellore binnendrongen, en dat een haas uit een pot dronk, dien de adjudant van het regiment hem voorhield.16Voyage, deel I, blz. 374.17Deze droogten schijnen, tot op zekere hoogte, bijna periodiek te zijn. Men noemde mij de datums van vele andere en de tusschenruimten bedroegen ongeveer 15 jaren.18Het vaartuig gelijkt eenigszins op onze kotters.(Vert.)19Hiermede wordt detigre de Américabedoeld, zooals de jaguar daar genoemd wordt.(Vert.)20Trogschelpen (van het Grieksche of LatijnscheMactra= baktrog).(Vert.)
27 September.Des avonds ondernam ik een uitstapje naar Santa Fé, dat ongeveer 300 Engelsche mijlen van Buenos Aires aan de oevers der Parana gelegen is. Na het regenachtige weder waren de wegen in de nabijheid der stad buitengewoon slecht. Ik had nooit gedacht, dat een ossenwagen hier over kon; zooals de wegen nu waren, vorderde men nauwelijks een mijl in het uur, en vooruit liep een man om de beste richting aan te wijzen. De ossen werden verschrikkelijk afgemat. Het is eene groote dwaling zoo men meent, dat bij betere wegen en een versnelden gang het lijden der dieren in dezelfde verhouding zou toenemen. Wij reden voorbij een tros wagens en een troep beesten op weg naar Mendoza. De afstand is ongeveer 580 geographische mijlen (1075 kilom.), en meestal wordt de tocht in 50 dagen volbracht. Deze wagens zijn zeer lang, smal en met riet overkapt; zij hebben slechts twee wielen, waarvan de middellijn soms tien voet bedraagt. Elke wagen wordt door zes ossen getrokken, die door een drijversprikkel van minstens 20 voet lengte voortgedreven worden. Dit werktuig hangt in de kap; voor de disselossen houdt men een kleineren prikkel in de hand, en voor het middelste paar dient een punt, welke rechthoekig uit het midden vanden langen steekt. Het geheele toestel had veel weg van een of ander oorlogswerktuig.
28 September.Wij trokken door het stadje Luxan, alwaar een houten brug over de rivier ligt—iets wat in dit land een zeer ongewoon gebruik is, en gingen ook door Areco. De vlakten waren schijnbaar effen, doch in werkelijkheid niet, want op verschillende plaatsen was de horizon niet te peilen. De estáncias staan hier ver van elkander, omreden het land bedekt is met velden van een wrange soort klaver of van den grooten distel, en er dus weinig goed weiland is. De laatsten, wel bekend uit de heldere beschrijving van Sir F. Head, waren in dezen tijd van het jaar voor twee derden volwassen; op sommige plaatsen bereikten zij de hoogte van een paarderug, doch op andere waren zij nog niet uitgekomen, en was de grond kaal en stoffig als op een tolweg. De velden waren van het glanzigste groen en vertoonden eene fraaie miniatuur-gelijkenis met gebroken boschland. Als de distels volwassen zijn, zijn de groote velden ondoordringbaar, behalve langs enkele paden, even ingewikkeld als in een doolhof. Deze zijn alléén aan de roovers bekend, die hen in dit seizoen bewonen en ’s nachts te voorschijn komen om ongestraft te stelen en te moorden. Toen ik ergens aan een huis vroeg of de roovers talrijk waren, kreeg ik ten antwoord: “De distels zijn nog niet uit”—waarvan de beteekenis op het eerste gehoor niet heel duidelijk was. Een tocht langs deze paden biedt weinig belangrijks, wijl zij door weinig dieren of vogels bewoond worden, met uitzondering van debizcachaen haar vriend, den kleinen uil.
Debizcachaof het Peruaansch Konijntje1vormt naar men weet, een sprekend kenmerk in de zoölogie derPampas. Men vindt het zuidelijk tot aan de Rio Negro op 41° breedte, maar niet lager. Het kan niet, zooals hetaguti, op de woeste grintvlakten van Patagonië leven, maar verkiest een kleiachtigen of zandigen bodem, die een anderen en meer overvloedigen plantengroei voortbrengt. Bij Mendoza, aan den voet der Cordilleras, komt het dicht in de buurt der verwante hooglandsche species voor. Het is een zeer opmerkelijk feit in zijne geographische verspreiding, dat het, gelukkig voor de bewoners van Oost-Banda, nooit ten oosten van de Uruguay-rivier gezien is, niettegenstaande dat er vlakten in deze provincie zijn, welke uitmuntend voor zijne leefwijze geschikt schijnen. De Uruguay heeft een onoverkomelijken hinderpaal gevormd voor zijne verhuizing, ofschoon de breedere slagboom van de Parana overschreden werd, en de bizcacha in de tusschen deze twee groote rivieren gelegen provincie Entre Rios inheemsch is. Bij Buenos Aires komen deze dieren uiterst veel voor. Hun meest gezocht verblijf schijnen die gedeelten der vlakte te zijn, welke een half jaar lang met geen andere planten dan reuzendistels bedekt zijn. De Gauchos zeggen, dat het van wortels leeft, hetgeen wegens de groote sterkte zijner knaagtanden en de soort plaatsen die het bezoekt, wel waarschijnlijk lijkt. Des avonds komen de bizcachas in menigte naar buiten, en zitten bij den ingang harer holen kalm op de hurken. Op zulke oogenblikken zijn zij zeer mak; en een man, die ze te paard voorbijrijdt, schijnt dan slechts een voorwerp van ernstige beschouwing voor ze te zijn. Zij loopen zeer plomp, en hebben, als zij zich voor een gevaar uit de voeten maken, met hare opgeheven staarten en korte voorpooten veel weg van groote ratten. Haar vleesch, gekookt, is zeer blank en goed, maar wordt zelden gebruikt.
De bizcacha heeft eene zeer zonderlinge gewoonte, hierin bestaande, dat zij elk hard voorwerp naar de opening van haar hol sleept. Vele beenderen van vee, steenen, distelstengels, harde aardkluiten, droge mest, enz. worden in een ongeregelden hoop—dikwijls zooveel als een kruiwagen bevatten kan—om elke groep holen bijeengebracht. Vangeloofwaardige zijde werd mij verteld, dat een heer gedurende een rit in een donkeren nacht zijn horloge verloor. Des morgens keerde hij terug, onderzocht den grond bij elk bizcacha-hol dat langs den weg lag, en vond het spoedig, gelijk bij verwacht had. Deze gewoonte om alles op te rapen wat ergens op den grond in de buurt zijner woning ligt, moet het dier heel wat werk geven.Wááromhet gedaan wordt, kan ik in de verste verte zelfs niet gissen: voor verdediging kan het niet zijn, daar de afval in hoofdzaak boven de opening van het hol gelegd wordt, dat onder een zeer kleinen hoek in den grond dringt. Ongetwijfeld moet er een goede reden voor bestaan; maar aan de bewoners van het land is zij geheel onbekend. Het eenige mij bekende feit, dat daarmeê overeenkomt, is de gewoonte van dien buitengewonen Australischen vogel (Calodera maculata), die een sierlijk gewelfden doorgang van takjes maakt om in te spelen, en bij de plek land- en zeeschelpen, beenderen en vogelveêren, vooral lichtkleurige, verzamelt. Gould, die deze feiten beschreven heeft, meldt mij, dat de inboorlingen, als zij een hard voorwerp verliezen, de speeldoorgangen onderzoeken; en hem is bekend, dat op die manier eens een tabakspijp werd teruggevonden.
De kleine uil (Athene cunicularia), die zoo dikwijls genoemd is, bewoont op de vlakten van Buenos Aires uitsluitend de holen der bizcacha; maar in Oost-Banda is hij zijn eigen werkman. Overdag, doch meer in ’t bijzonder des avonds, kan men deze vogels dikwijls bij paren in alle richtingen op de heuvels bij hunne holen zien staan. Zoo men hen stoort, gaan zij òf in het hol, òf zij vliegen onder het uiten van een schellen, rauwen kreet in merkwaardige bochten een kort eind weg, keeren zich dan om en kijken onbeweeglijk naar hun vervolger. Soms kan men hen des avonds hooren krassen. In de door mij geopende magen van twee hunner vond ik overblijfsels van muizen, en eens zag ik een kleine doode slang wegvoeren. Men zegt, dat slangen hun gewone buit zijn gedurende den dag. Als een bewijs van welke verschillende soorten voedsel uilen kunnen leven,wil ik hier vermelden, dat bij een exemplaar hetwelk op de eilanden van den Chonos-Archipel gedood werd, de maag vol tamelijk groote krabben was. In Indië bestaat een visschende uilensoort, die eveneens krabben vangt.2
Des avonds staken wij op een eenvoudig, uit saamgebonden vaten gemaakt vlot over de Rio Arrecife, en sliepen in het posthuis aan den overkant. Ik betaalde dien dag voor 31 leagues paardenhuur; en hoewel de zon blakerend heet was, gevoelde ik mij maar weinig vermoeid. Als kapitein Head spreekt van 50 leagues rijden per dag, stel ik mij den afstand niet voor als gelijk aan 150 Engelsche mijlen. In elk geval bedroegen de 31 leagues, in rechte lijn gemeten, slechts 76 Eng. mijlen; dit vermeerderd met vier mijlen voor omwegen in geval van een open land, zou, naar ik denk, een voldoenden maatstaf geven.
29 en 30 September.Wij vervolgden onzen rit over vlakten van dezelfde gesteldheid. Te San Nicolás zag ik voor het eerst de statige rivier Parana. Aan den voet der rots, waarop San Nicolás ligt, lagen eenige groote schepen voor anker. Voordat wij te Rosario kwamen, staken wij de Saladillo over, een stroom van helder vlietend water, maar te zout om te drinken. Rosario is eene groote stad3in eene doodsche effen vlakte, die een zestig voet hoogen rotswand vormt boven de Parana. De rivier is hier zeer breed, met vele eilandjes, die, evenals de overstaande oever, laag en begroeid zijn. Men zou wanen een groot meer voor zich te zien, indien de eilandjes met hunne rechtlijnige vormen niet terstond aan stroomend water herinnerden. De klippen zijn het schilderachtigste gedeelte: soms zijn zij zuiver loodrecht en van eene roode kleur; andere keeren vormen zij groote gebroken rotsen, die met cactussen en mimosa-boomen bedekt zijn. Het werkelijk grootsche van eene reusachtige rivier als deze, beseft men eerst uit de overweging, welk een belangrijk middel vangemeenschap zij vormt voor den handel van het eene volk met het andere; welk een afstand zij doorloopt, en hoe uitgestrekt het gebied is, waaraan zij het groote volume zoetwater onttrekt, dat voorbij uwe voeten vloeit.
Veleleaguesten noorden en ten zuiden van San Nicolás en Rosario is het land inderdaad vlak. Van hetgeen reizigers over dit zeer vlakke voorkomen geschreven hebben, kan bijna niets overdreven worden geacht. Toch kon ik bijna nooit een plek vinden, van waar, als ik mij langzaam omdraaide, de voorwerpen in sommige richtingen niet verder af gezien werden, dan in andere; en klaarblijkelijk wijst dit op oneffenheid van terrein. Op zee ligt de horizon van iemand, wiens oog zes voet boven de oppervlakte van het water is geplaatst, op 2⅘ mijl afstand.4Hoe vlakker het terrein, des te meer ook nadert de horizon deze enge grenzen; en naar mijn idee, ontneemt dit aan eene uitgestrekte effen vlakte geheel die grootschheid, welke men denken zou dat zij bezat.
1 October.Wij reden bij maanlicht weg, en kwamen bij zonsopgang aan de Rio Tercero. Deze rivier wordt óok de Saladillo genoemd, en verdient dien naam, want het water is brak. Ik bleef hier het grootste deel van den dag, bezig met het zoeken naar fossiele beenderen. Behalve een volledigen tand van denToxodonen vele verspreide beenderen, vond ik twee reusachtige skeletten, die,dicht bij elkander, als een verheven beeldwerk uit den loodrechten oeverwand der Parana staken. Zij waren echter zoo vergaan, dat ik slechts twee kleine stukken van een der groote maaltanden kon meênemen; maar deze bewijzen voldoende dat de overblijfsels tot eenMastodon5behooren—waarschijnlijk dezelfde soort als die voorheen de Cordilleras in Opper-Peru in zoo groot aantal bewoonde. De mannen, die mij in hunne kano vervoerden, zeiden dat zij deze skeletten al lang gekend en zich dikwijls verwonderd hadden, dat zij daar gekomen waren; maar het noodzakelijke van eene theorie beseffende, waren zij tot de gevolgtrekking gekomen dat deMastodon, evenals de bizcacha, voorheen een graafdier was geweest! Des avonds reden wij naar een ander veer en staken de Monge over: wederom eene brakwater-rivier, die den droesem van het spoelwater der Pampas medevoert.
2 October.Onze tocht leidde door Corunda, dat om zijn bloeiende tuinen een der aardigste dorpen was, die ik ooit zag. Van af dit punt naar Santa Fé is de weg niet heel veilig. De westzijde der Parana is in noordelijke richting onbewoond; dit heeft tengevolge, dat de Indianen soms tot hier doordringen en de reizigers belagen. Ook is de gesteldheid van het land daartoe gunstig; want in plaats van eene grasvlakte, is hier een open boschland, bestaande uit lage stekelige mimosae. Wij gingen langseenige huizen, die geplunderd en sedert verlaten waren, en zagen tegelijk een schouwspel dat mijne gidsen met de hoogste voldoening bekeken. Het was het skelet van een Indiaan, die met de droge huid om zijn gebeente, aan de takken van een boom hing.
Des morgens kwamen wij te Santa Fé, waar ik tot mijn verrassingbemerktewelke groote klimaatverandering een breedte-verschil van slechts drie graden tusschen deze plaats en Buenos Aires ten gevolge had gehad. Dit bleek uit de kleeding en het uiterlijk der menschen, uit de meerdere hoogte derombu-boomen, het aantal nieuwe cactussen en andere planten, maar vooral uit de vogels. In den loop van een uur bespeurde ik een half dozijn vogels, die ik nooit te Buenos Aires had gezien. In aanmerking genomen, dat er tusschen beide plaatsen geen natuurlijke grensscheiding is, in de gesteldheid van het land bijna dezelfde, zoo was het onderscheid veel grooter dan ik had mogen verwachten.
3 en 4 October.Deze beide dagen werd ik door hoofdpijn aan mijn bed gekluisterd. Eene goedhartige oude vrouw, die mij oppaste, wilde mij een aantal zonderlinge middelen laten beproeven. Een alledaagsch middel is, dat men een blad van een oranjeboom of een stuk zwarte pleister aan elken slaap hecht; en een nog algemeenere methode is, dat men een boon in tweeën snijdt, de helften natmaakt en op elken slaap één legt, waar zij licht zullen vastkleven. Het wordt niet raadzaam geacht de boonen of de pleister te verwijderen, maar ze te laten afvallen; en zoo zal iemand met zulke dingen op het hoofd op uwe vraag wat er aan scheelt, soms ten antwoord geven: “Eergisteren had ik hoofdpijn.” Vele van de geneesmiddelen, die het volk in dit land gebruikt, zijn belachelijk vreemd, maar te walgelijk om genoemd te worden. Een van de minst vuile is, dat men twee jonge hondjes doodt, opensnijdt en hen aan weerszijden van een gebroken lid vastbindt. Kleine onbehaarde honden zijn zeer gezocht om aan de voeten van verminkte personen te slapen.
Santa Fé is een rustig stadje, dat zindelijk en goed onderhoudenwordt.6De gouverneur Lopez was een gewoon soldaat ten tijde der revolutie, maar is nu 17 jaar aan het bewind. Deze bestendige regeering is toe te schrijven aan zijne tyrannieke gewoonten, want tyrannie schijnt voor deze landen nog beter geschikt dan een republikeinsch bestuur. De geliefkoosde bezigheid van den gouverneur is het jachtmaken op Indianen; onlangs vermoordde hij er 48, en verkocht de kinderen voor den prijs van drie of vier pond het stuk.
5 October.Wij trokken de Parana over naar Santa Fé Bajada, eene stad op den overstaanden oever. De overtocht duurde eenige uren, wijl de rivier hier uit een doolhof van kleine stroomen bestond, onderling gescheiden door lage begroeide eilanden. Ik had een introductie-brief aan een ouden Spanjaard uit Catalonië, die mij met de meest bijzondere gastvrijheid behandelde. Bajada is de hoofdstad van Entre Rios. In 1825 had de stad 6000 inwoners en de provincie 30.000; maar ondanks dit geringe cijfer, heeft geen provincie meer van bloedige en wanhopige omwentelingen te lijden gehad, dan zij. Men pocht hier op vertegenwoordigers, ministers, een staand leger en gouverneurs: bijgevolg is het geen wonder, dat men zijn omwentelingen heeft. In de toekomst zal dit een der welvarendste provinciën van La Plata worden.7De bodem is afwisselend en vruchtbaar, en door hare bijna eilandvormige gedaante bezit zij in de rivieren Parana en Uruguay twee groote verbindingswegen.
Ik had hier een oponthoud van vijf dagen, welken tijd ik besteedde aan het geologisch onderzoek van het naburige land, dat veel belangrijks biedt. Wij zien hier, aan den voet der klippen, lagen met ingesloten haaietanden en zeeschelpenvan uitgestorven soorten opwaarts in een verharden mergel overgaan, en verder in de roode kleiachtige Pampas-aarde met hare kalkachtige verdikkingen en beenderen van land-viervoeters. Deze loodrechte doorsnede zegt ons duidelijk, dat hier eene groote baai met zuiver zoutwater gaandeweg inkromp en eindelijk in eene modderige rivier-delta veranderde, waar drijvende lijken werden heengevoerd. Te Punta Gorda in Oost-Banda vond ik de delta-afzetting van de Pampas afgewisseld door een kalksteen, die eenige van dezelfde uitgestorven zeeschelpdieren bevatte; dit laatste wijst dus òf op eene verandering van de vroegere stroomingen, òf, wat waarschijnlijker is, op eene hoogte-schommeling van den bodem der oude rivier-delta. Tot voor korten tijd waren de redenen, waarom ik de Pampas-formatie voor eene delta-afzetting hield, deze: haar algemeen voorkomen, hare ligging bij de monding van de bestaande groote Rio de la Plata, en de aanwezigheid van zooveel beenderen van land-viervoeters. Maar nu heeft Prof. Ehrenberg de goedheid gehad voor mij wat van de roode aarde te onderzoeken, welke diep uit het afzetsel, dicht bij de skeletten van den mastodon, genomen was; en daarin vindt hij talrijke infusiediertjes, deels zout-, deels zoetwater-vormen, de laatsten met eene geringe meerderheid. Naar aanleiding daarvan merkt hij op, dat het water brak moet geweest zijn. A. d’Orbigny vond aan de oevers der Parana, ter hoogte van ongeveer honderd voet, groote beddingen van een delta-schelpdier, dat nu honderd mijlen stroomafwaarts dichter bij zee leeft; en dergelijke schelpdieren vond ik op geringere hoogte aan de oevers van de Uruguay; dit bewijst, dat, onmiddellijk voordat de Pampas onder langzame rijzing in droog land veranderde, het daarop staande water brak was. Onder Buenos Aires zijn gerezen beddingen met zeeschelpdieren van levende soorten, wat eveneens bewijst, dat de periode der Pampas-rijzing in het jongste of Quartaire Tijdvak viel.8
In de Pampas-formatie te Bajada vond ik het beenachtig pantser van een kolossaal armadil-achtig dier, waarvan de binnenzijde, na verwijdering van de aarde, er als een groote ketel uitzag. Ook vond ik tanden van den Toxodon en Mastodon, benevens een tand van een paard in denzelfden verkleurden en verweerden staat. Deze laatste tand boezemde mij veel belang in,9en met nauwgezette zorg vergewiste ik mij, dat hij tegelijktijdig met de andere overblijfsels begraven was. Ik wist toen namelijk niet, dat onder de fossielen uit Bahia Blanca een paardetand in het moedergesteente verborgen was; ook was toen niet met zekerheid bekend, dat de overblijfsels van paarden in Noord-Amerika algemeen zijn. Onlangs heeft Lyell uit de Vereenigde Staten een paardetand meêgebracht; en het is een belangrijk feit, dat Prof. Owen bij geen enkele versteende of jongere soort eenig spoor van karakteristieke kromming kon vinden, totdat hij op het denkbeeld kwam den tand met het door mij alhier gevonden exemplaar te vergelijken. Hij heeft dit Amerikaansche paardEquus curvidensgenoemd. Het is zeker een wonderbaar feit in de geschiedenis der Zoogdieren, dat in Zuid-Amerika een inheemsch paard geleefd heeft en verdwenen is, om in latere eeuwen te worden opgevolgd door de tallooze kudden afstammelingen van de enkele dieren, die door de Spaansche kolonisten zijn ingevoerd!
Dat in Zuid-Amerika een fossiel paard, een mastodon, wellicht een olifant,10en een holhoornig herkauwend dier (door Lund en Clausen in de holen van Brazilië ontdekt) bestaan, zijn zeer belangwekkende feiten met betrekking tot de geographische verspreiding der dieren. Verdeelen wij nu Amerika—niet bij de landengte van Panama, maar langs het zuidelijk deel van Mexico op 20° breedte,11waarhet groote tafelland door zijn invloed op het klimaat, en omdat het met uitzondering van eenige valleiën en een strook laagland aan de kust, een breede slagboom is voor den trek der soorten—dan zullen wij de twee zoölogische provinciën van Noord- en Zuid-Amerika scherp tegenover elkander hebben gesteld. Slechts weinige species zijn den slagboom doorgegaan, en kunnen als landverhuizers uit het zuiden worden aangemerkt: zooals depuma, hetopossumof Amerikaansche buideldier, dekinkaju(Cercoleptes caudivolvolus) en hetpecari. Zuid-Amerika kenmerkt zich door zijn bezit van vele eigenaardige knaagdieren, eene familie apen, de lama, het pecari, den tapir, buideldieren, en in ’t bijzonder door verschillende geslachtenEdentata—eene orde, waartoe de luiaards, de miereneters en armadillen behooren. Noord-Amerika, daarentegen, kenmerkt zich (enkele treksoorten niet medegerekend) door talrijke bijzondere knaagdieren, en door vier geslachten (os, schaap, geit en antiloop) holhoornige herkauwers, van welke groote afdeeling men niet weet, dat Zuid-Amerika eenige enkele species bezit.
Voorheen, maar in het tijdperk toen de meeste der nu bestaande schelpdieren leefden, bezat Noord-Amerika, behalve holhoornige herkauwers, den olifant, mastodon, hetpaard en drie geslachtenEdentata, namelijk:Megatherium,MegalonyxenMylodon. In ongeveer het zelfde tijdperk (zooals door de schelpdieren van Bahia Blanca bewezen wordt), bezat Zuid-Amerika—naar wij straks gezegd hebben—een mastodon, een paard, een holhoornigen herkauwer, en dezelfde drie geslachten (tegelijk met vele andere)Edentata. Daaruit blijkt, dat Noord- en Zuid-Amerika, toen zij in een vroeger geologisch tijdperk deze vele geslachten gemeen hadden, in het kenmerk hunner landbewoners veel nauwer aan elkaar verwant waren dan nu. Hoe meer ik over deze zaak nadenk, des te belangwekkender schijnt zij mij: ik ken geen ander voorbeeld, waar wij bijna kunnen aanduidenwanneerenhoeéén groot gebied gesplitst werd in twee scherp gekenmerkte zoölogische provinciën. De geoloog, die onder den vollen indruk is van de groote hoogte-schommelingen welke de aardkorst in vroegere tijdperken onderging, zal niet schromen de latere rijzing van het Mexicaansche tafelland, of wat waarschijnlijker is: de latere landverdrinking in den Westindischen Archipel als de oorzaak te beschouwen van de hedendaagsche zoölogische scheiding tusschen Noord- en Zuid-Amerika. Het Zuidamerikaansche kenmerk der Westindische zoogdieren13schijnt er op te wijzen, dat deze archipel voorheen met het zuidelijk vasteland verbonden was, en in ’t vervolg van tijd een gezonken gebied is geworden.
Toen Amerika, en in ’t bijzonder Noord-Amerika zijne olifanten, mastodonten, zijn paard en holhoornige herkauwers bezat, was het in zijne zoölogische kenmerken veel nauwer aan de gematigde deelen van Europa en Azië verwant, dan het nu is. Daar de overblijfsels dezer geslachtenaan weerszijden van de Behring-Straat en in de vlakten van Siberië gevonden worden,14zijn wij genoopt de noordwestzijde van Noord-Amerika als het vroegere verbindingspunt aan te zien tusschen de Oude en zoogenaamde Nieuwe Wereld. En aangezien zoo vele soorten, levende en uitgestorvene, van deze zelfde geslachten de Oude Wereld bewonen en bewoond hebben, lijkt het hoogst waarschijnlijk, dat de Noord-Amerikaansche olifanten, mastodonten, paard en holhoornige herkauwers over later gezonken land bij de Behring-Straat uit Siberië naar Noord-Amerikaverhuisden, en vandaar, over later gezonken land in West-Indië, naar Zuid-Amerika, alwaar zij zich eenigen tijd met de inheemsche vormen van dat zuidelijk vasteland vermengden, en sedert uitgestorven zijn.
Op mijne reis door het land kreeg ik verscheidene levendige beschrijvingen van de gevolgen eener groote droogte, die onlangs geheerscht had; en het verhaal hiervan is wel geschikt om eenig licht te werpen op de gevallen, waarin een groot aantal dieren van alle soorten te zamen begraven werden. De tijdruimte begrepen tusschen de jaren 1827 en 1832 wordt de “gran seco” of groote droogte genoemd. Gedurende dien tijd viel zoo weinig regen, dat de plantengroei, tot zelfs de distels, mislukte; de beken droogden uit, en het geheele land kreeg het aanzien van een stoffigen heerweg. Dit was vooral het geval in het noordelijk deel der provincie Buenos Aires en in het zuidelijk deel van Santa Fé. Eene groote menigte vogels, wilde dieren, vee en paarden stierven door gebrek aan voedsel en water. Een man vertelde mij, dat de herten naar den put op zijne binnenplaats plachten te komen,15dien hij genoodzaakt was geweest te graven,om zijn gezin van water te voorzien, en dat de patrijzen nauwelijks kracht hadden om weg te vliegen als zij vervolgd werden. Het verlies aan vee in de provincie Buenos Aires alléén werd op minstens een millioen stuks geschat. Een eigenaar te San Pedro had vóór deze jaren 20.000 stuks vee; aan het einde bleef er geen enkel over. San Pedro is gelegen te midden van de fraaiste landstreek, en heeft zelfs nu (Oct. 1833) weer overvloed van dieren; maar in het laatste gedeelte van den “gran seco” werd het levend vee, dat tot voedsel der bewoners bestemd was, op groote schepen aangevoerd. De dieren dwaalden van hunne estancias af, trokken ver naar het zuiden, en vermengden zich daar in zulke menigte, dat eene Rijkscommissie uit Buenos Aires werd gezonden om de geschillen der eigenaars te regelen. Sir Woodbine Parish vertelde mij van eene andere en zeer merkwaardige aanleiding tot geschil: wegens de groote droogte van den grond woeien zulke massa’s stof op, dat de landpalen in deze open streek overstoven werden, en de menschen niet konden zeggen waar de grenzen hunner goederen waren!
Een ooggetuige deelde mij mede, dat het vee in kudden van duizenden in de Parana liep, alwaar het, uitgeput van honger, de kracht miste weder tegen de modderige oevers op te klimmen, zoodat het verdronk. De rivierarm, die langs San Pedro vloeit, was zoo vol verrotte lijken, dat een schippersbaas mij vertelde, dat de stank het bepaald onmogelijkmaakte er door te varen. Zonder twijfel kwamen zoo vele honderdduizenden dieren in de rivier om: hunne rottende lichamen zag men den stroom afdrijven, en naar alle waarschijnlijkheid werden vele in de delta der Rio de la Plata begraven. Alle kleine rivieren kregen een hoog zoutgehalte; en op sommige plaatsen veroorzaakte dit den dood van talrijkeindividuën; want als een dier van zulk water drinkt, herstelt het niet. Azara beschrijft16de razernij der wilde paarden bij zulk eene gelegenheid, die zich in de moerassen stortten, en waarbij de eerstaangekomenen overstelpt en doodgedrukt werden door de volgenden. Hij voegt er bij, dat hij meer dan eens een duizendtal lijken van wilde paarden zag, die aldus waren omgekomen. Ik merkte op, dat de beddingen van kleine stroomen in de Pampas met een beenderen-breccia bedekt waren; maar waarschijnlijk was dit toe te schrijven aan eene gestadige toeneming, in plaats van aan een ramp op een of ander tijdstip. Op de droogte van 1827 tot 1832 was een zeer regenachtig seizoen gevolgd, dat groote overstroomingen veroorzaakte. Zoo is het bijna zeker, dat eenige duizenden skeletten door de bezonken stoffen van het eerstvolgende jaar begraven werden. Wat zou een geoloog er van denken, die zulk eene ontzaglijke massa beenderen van alle diersoorten en alle tijden aldus in een dikke aardachtige massa begraven zag? Zou hij dit niet veeleer toeschrijven aan een vloed, die het land overstroomde, dan aan den gewonen loop der dingen?17
12 October.Ik had plan gehad mijne uitstapjes verder uit te strekken; maar daar ik niet wel was, moest ik op eenbalandraof eenmast-vaartuig18van omstreeks 100 ton lading en met bestemming naar Buenos Aires,terugkeeren. Ten gevolge van het ongunstigeweder vertuiden wij vroeg op den dag aan den tak van een boom op een der eilanden. De Parana is vol eilanden, die een bestendigen kringloop van verval en vernieuwing ondergaan.Voorzooverde schipper zich herinnerde, waren verscheidene groote verdwenen, en hadden weer andere zich gevormd, die door plantengroei beschermd waren. Zij bestaan uit modderig zand, zonder het kleinste kiezelsteentje, en lagen toen omstreeks vier voet boven rivierpeil; maar gedurende de periodieke vloeden zijn zij overstroomd. Alle vertoonen hetzelfde kenmerk: talrijke wilgen en enkele andere boomen zijn door eene groote verscheidenheid van slingerplanten saâmverbonden, waardoor een dicht kreupelbosch ontstaat. Deze kreupelbosschen bieden eene schuilplaats aancapybara’sen jaguars. De vrees voor laatstgenoemd dier verdreef al het genot om in de bosschen door te dringen. Hedenavond was ik nog geen honderd yards gevorderd, toen ik de onmiskenbare teekenen van de aanwezigheid van eentigre19ontdekte, en genoodzaakt was terug te keeren. Op elk eiland waren deze sporen; en evenals op mijn vorigen tochtel rastro de los Indios(het spoor der Indianen) het onderwerp der gesprekken vormde, zoo was het hierel rastro del tigre.
De begroeide oevers der groote rivieren schijnen de geliefkoosde schuilplaatsen van den jaguar te zijn; maar ten zuiden van de Plata-rivier werd mij gezegd, dat zij het riet langs de meren bewoonden. Waar zij ook zijn, schijnen zij water te verlangen. Hun gewone prooi is de capybara, zoodat algemeen gezegd wordt, dat daar waar decapybara’stalrijk zijn, weinig gevaar voor den jaguar bestaat. Falconer verklaart, dat bij de zuidzijde van de monding der Plata-rivier vele jaguars zijn, en dat deze voornamelijk van visch leven: welk verhaal ik meer gehoord heb. Aan de Parana hebben zij vele houthakkers gedood, en bij nacht zelfs schepen geënterd. In Bajada leeft thans een man, die,toen hij eens bij donker uit het ruim van zijn schip kwam, op het dek gegrepen werd. Wel rukte hij zich los, doch miste daarna het gebruik van zijn eenen arm. Als de wassende stroomen deze dieren van de eilanden verdrijven, zijn zij het gevaarlijkst. Men vertelde mij, dat enkele jaren geleden een zeer groote jaguar eene kerk te Santa Fé binnendrong; twee priesters, die achter elkander binnenkwamen, werden gedood; en een derde, die kwam zien wat er gaande was, ontkwam ternauwernood. Het dier werd afgemaakt, doordien men het uit een hoek van het gebouw, dat geen dak had, doodschoot. In deze tijden richten zij ook groote verwoestingen aan onder vee en paarden. Naar men zegt, dooden zij hun prooi door hem den nek te breken. Worden zij van het lijk verjaagd, dan keeren zij er zelden naar terug. De Gauchos zeggen, dat de jaguar op zijne nachtelijke zwerftochten zeer wordt lastig gevallen door het gekef der vossen, die hem volgen. Dit stemt op merkwaardige wijze overeen met het algemeen bevestigde feit, dat jakhalzen op dergelijke officieuse manier den Oostindischen tijger volgen. De jaguar is een luidruchtig dier, dat des nachts herhaaldelijk brult, vooral wanneer slecht weêr in aantocht is.
Op zekeren dag, toen ik aan de oevers van de Uruguay jaagde, werden mij sommige boomen gewezen, waar deze dieren steeds heenloopen, om, zoo het heet, hunne klauwen te scherpen. Ik zag drie welbekende boomen: aan de voorzijde was de bast oogenschijnlijk door de borst van het dier licht gesleten, en aan weerszijden waren diepe schrammen of liever groeven, die schuins afloopend bijna eenyardlang waren. De schrammen waren van verschillenden ouderdom. Een gewoon middel om zich te vergewissen of een jaguar in de buurt is, bestaat hierin, dat men deze boomen onderzoekt. Ik stel mij voor, dat deze gewoonte van den jaguar volkomen gelijk is aan die, welke men dagelijks bij de huiskat zien kan, als deze met gestrekte pooten en uitgestoken nagels den poot van een stoel schraapt; en ik heb gehoord, dat jonge vruchtboomen in een boomgaard in Engeland hierdoor zeer geleden hadden. Ongeveer eene dergelijke gewoontemoet ook denpumaeigen zijn, want menigmaal heb ik op den kalen harden bodem van Patagonië kepen gezien zóo diep, dat een ander dier ze niet kon gemaakt hebben. Ik geloof, dat het doel dezer handeling is de gescheurde punten van hunne klauwen af te vijlen, en niet, zooals de Gauchos denken, om ze te scherpen. De jaguar wordt zonder veel moeite gedood door middel van honden, die hem door hun geblaf in een boom jagen, waar hij met kogels wordt afgemaakt.
Ten gevolge van slecht weder bleven wij twee dagen aan onze tuien liggen. Ons eenig vermaak bestond in het vangen van visch voor ons middageten; en de talrijke soorten die er waren, lieten zich alle goed smaken. Een visch, genaamd dearmadoof wentelaar (Silurus), is merkwaardig om het harde, knarsende geluid, dat hij maakt als hij met lijn en haak gevangen wordt, en dat duidelijk gehoord wordt als de visch onder water is. Dezelfde visch heeft het vermogen om voorwerpen, zooals een riemblad of vischlijn met de sterke graten van zijn borst- of rugvin stevig vast te grijpen. Des avonds was het weêr bepaald tropisch, en stond de thermometer op 79°. Tal van vuurvliegen fladderden rond, en de muskieten waren zeer lastig. Slechts vijf minuten stak ik mijne hand uit, en weldra zag zij er zwart van; ik geloof dat er niet minder dan vijftig waren—alle druk aan het zuigen.
15 October.Wij gingen op weg en voeren langs Punta Gorda, waar eene kolonie van tamme Indianen is uit de provincie Missiones. Snel zeilden wij den stroom af; maar wegens eene kinderachtige vrees voor slecht weêr, draaiden wij vóor zonsondergang bij in een smallen arm van de rivier. Ik nam de boot en roeide een eind deze kreek in. Zij was zeer smal, bochtig en diep; aan weerszijden een dertig tot veertig voet hooge muur van boomen, door slingerplanten omkronkeld, die aan de kreek een bijzonder duister aanzien gaf. Ik zag hier een zeer zeldzamen vogel, den Schaarbek (Rhynchops nigra). Hij heeft korte pooten, zwemvoeten, vleugels met buitengewoonlange punten, en is ongeveer zoo groot als eene zeezwaluw. De bek is zijdelings afgeplat, namelijk in een vlak loodrecht op dien van den lepelaar of eend. Hij is zoo plat en buigzaam als een ivoren vouwbeen, en de onderste kinnebak is, in tegenstelling met alle andere vogels, anderhalve inch langer dan de bovenste.
In een meer nabij Maldonado, waaruit het water bijna weggevloeid was, en dat bijgevolg krioelde van zwermen kleine visschen, zag ik vele van deze vogels, meest in troepjes, snel voor- en achteruit dicht boven de oppervlakte van het meer vliegen. Zij hielden hunne bekken wijd open, en de onderste kinnebak half in het water gedompeld. Zoo scherend langs de oppervlakte, kliefden zij die in hunne vlucht; het water was geheel effen, en het zien van zulk een zwerm, waarvan elke vogel zijn smal spoor op het spiegelend oppervlak achterliet, vormde een zeer vreemd schouwspel. In hunne vlucht zwenken zij telkens met verbazende rapheid om, en manoeuvreeren voortdurend met hunne uitstekende onderkinnebak om vischjes op te duiken, die door de kortere bovenhelft van hun schaarvormigen bek gegrepen worden. Dit feit zag ik herhaaldelijk, terwijl zij, evenals zwaluwen, gestadig voor- en achteruit langs mij heen vlogen. Als zij soms de oppervlakte van het water verlieten, werd hunne vlucht wild, ongeregeld en snel; dan stieten zij ook luide, harde kreten uit. Gedurende het visschen, komt het voordeel van de lange eerste slagveêren hunner vleugels, waardoor deze droog blijven, duidelijk aan het licht. Wanneer zij zoo bezig zijn, gelijken hunne vormen op het symbool, waardoor vele kunstenaars zeevogels voorstellen. Hunne staarten worden veel gebruikt om hunne onregelmatige vlucht te sturen.
Deze vogels wonen ver landwaarts in langs den loop van de Rio Parana; men zegt, dat zij hier het geheele jaar blijven en in de moerassen broeden. Overdag rusten zij in zwermen op de grasvlakten, op eenigen afstand van het water. Toen wij, zooals ik gezegd heb, in een der diepe kreken tusschen de eilanden in de Parana voor ankerlagen, daagde, bij het vallen van den avond, plotseling een dezer schaarbekken op. Het water was geheel stil, en vele kleine visschen kwamen naar boven. Langen tijd scheerde de vogel over de oppervlakte, en vloog op wilde, ongeregelde wijs de smalle kreek op en neer, die door de toenemende duisternis en de schaduw der overhangende boomen bijna geheel donker was. Te Montevideo bespeurde ik, dat eenige groote zwermen over dag op de modderbanken aan het havenhoofd bleven, op dezelfde manier als op de grasvlakten bij de Parana; en iederen avond vlogen zij zeewaarts. Op grond van deze feiten vermoed ik, dat deRynchopsin ’t algemeen bij nacht vischt, als wanneer vele lagere dieren in groote menigte naar de oppervlakte komen. M. Lesson verklaart, dat hij deze vogels de schelpen der in de zandbanken op de Chileensche kust begravenmactrae20heeft zien openen; maar hun zachte snavel met ver vooruitspringende onderkinnebak, hunne korte pooten en lange vleugels maken het zeer onwaarschijnlijk, dat deze gewoonte algemeen is.
Toen wij de Parana afzakten, merkte ik slechts drie andere vogels op, wier eigenschappen der vermelding waard zijn. De een is een kleine ijsvogel (Ceryle Americana), die een langeren staart heeft dan de Europeesche soort, en daardoor niet in zulk eene stijve en rechte houding zit. Ook is zijn vlucht, in stede van recht en snel als de loop van een pijl, mat en slingerend, evenals bij de zachtsnavelige vogels. Hij stoot een lagen toon uit, die op het samentikken van twee kleine steenen gelijkt. Een kleine groene papegaai (Conurus murinus) met grijze borst, schijnt de hooge boomen op de eilanden als bouwterrein boven elke andere plek te verkiezen. Een aantal nesten zijn zoo dicht bij elkander geplaatst, dat zij éene groote massa takjes vormen. Deze papegaaien leven altijd in troepen, en richten groote verwoestingen aan in de korenvelden. Men verzekerdemij, dat er bij Colonia 2500 in den loop van een jaar gedood waren. Een vogel met een gespleten staart, die in twee lange vederen eindigt, (Tyrannus savana) en door de SpanjaardenSchaarstaartgenoemd, komt bij Buenos Aires zeer veel voor. Gewoonlijk zit hij op een tak van eenombu-boom in de nabijheid van een huis, jaagt van daar in korte vlucht de insecten na, en keert naar dezelfde plek terug. In de vlucht vertoont hij in zijn wijze van vliegen en zijn voorkomen in ’t algemeen eene spottende gelijkenis met de gewone zwaluw. Hij is in staat zeer korte draaien in de lucht te maken, waarbij hij zijn staart opent en sluit, soms in horizontale of zijdelingsche, dan in verticale richting—volkomen als eene schaar.
16 October.Eenige mijlen ten zuiden van Rosario wordt de westelijke oever der Parana door loodrechte klippen begrensd, die zich in eene lange lijn tot nabij San Nicolas uitstrekken, zoodat die oever meer op eene zeekust dan op die eener zoetwater-rivier gelijkt. Het is een groot nadeel in het natuurschoon der Parana, dat het water ten gevolge van de zachte gesteldheid harer oevers zeer modderig is. De Uruguay, die door eene granietstreek vloeit, is veel helderder; en waar de beide rivieren zich in den mond der La Plata vereenigen, kan men hare waters op verren afstand aan de zwarte en roode kleuren onderscheiden.—Daar des avonds de wind niet zeer gunstig was, gingen wij, als naar gewoonte, onmiddellijk voor anker; en toen het den volgenden dag wat frisch woei, was de schipper, ondanks den gunstigen stroom, te vadzig om aan varen te denken. Te Bajada was hij mij beschreven als eenhombre muy aflicto(zeer zwaartillend man): als iemand, die altijd traag vooruitkwam; maar het moet gezegd worden, dat hij alle vertraging met bewonderingswaardige gelatenheid droeg. Hij was een oude Spanjaard, en had vele jaren in dit land gewoond. De Engelschen mocht hij graag lijden; maar hij beweerde stoutweg, dat de slag bij Trafalgar (1805, Nelson) alléén gewonnen was, omreden alle Spaansche kapiteins waren omgekocht, en dat de eenige werkelijk dappere daadaan beide zijden door den Spaanschen admiraal verricht was. Mij trof het eenigszins kenmerkende feit, dat deze man liever zou willen, dat zijne landgenooten voor de slechtste verraders werden aangezien, dan voor onbekwaam of laf.
18 en 19 October.Langzaam, doordien de stroom ons weinig hielp, zakten wij de statige rivier af. Gedurende dien tocht ontmoetten wij zeer weinig schepen. Een van de beste natuurlijke gaven in zulk een groot verbindingskanaal, nl. eene rivier, waarin schepen uit eene gematigde streek met een even verrassenden rijkdom van sommige producten als een gemis van andere, zouden kunnen varen naar eene streek met een tropisch klimaat en met een bodem, die volgens den besten beoordeelaar, Bonpland, misschien nergens ter wereld zijn weêrga vindt in vruchtbaarheid—die gave schijnt hier moedwillig te worden verworpen. Hoe verschillend zou de aanblik van deze rivier geweest zijn, indien Engelsche kolonisten het gelukhaddengehad ’t eerst de Plata op te varen! Welke fraaie steden zouden thans hare oevers hebben bedekt! Tot den dood van Francia, Dictator van Paraguay, moeten deze beide landen gescheiden blijven, als lagen zij op tegenovergestelde punten van den aardbol! En als de oude bloeddorstige tyran de eeuwige rust is ingegaan, zal Paraguay door omwentelingen worden verscheurd, even heftig, als het er vroeger onnatuurlijk kalm was. Dit land zal moeten leeren, evenals elke andere Zuidamerikaansche Staat, dat eene republiek niet slagen kan, voordat zij een zeker corps mannen bezit, die doordrongen zijn van de beginsels van recht en eer.
20 October.Bij onze aankomst in den mond der Parana, ging ik, gedreven door een sterk verlangen om Buenos Aires te bereiken, te Las Conchas aan land, met het plan er heen te rijden. Nauwelijks aan wal, of ik ontdekte tot mijne groote verrassing, dat ik in zekeren zin een gevangene was. Wegens het uitbreken van eene hevige omwenteling, waren alle havens onder arrest gesteld. Ik kon niet naar mijn schip terugkeeren; en overland naar de stad te gaan—daar was geen sprake van. Na een lang onderhoud met den commandant, kreeg ik verlof den volgenden dag naar Generaal Rolor te gaan, die een troep oproerlingen aan dezen kant van de hoofdstad commandeerde. Des morgens reed ik naar het kamp. De generaal verscheen met al zijne officieren en soldaten, die er uitzagen alsof zij groote schurken waren. Des avonds voordat hij de stad verliet, was de generaal vrijwillig naar den gouverneur gegaan, en had met de hand op het hart zijn eerewoord gegeven, dathijalthans tot het laatste trouw zou blijven. De generaal vertelde mij, dat de stad zeer streng geblokkeerd werd, en dat al wat hij doen kon was, mij een paspoort geven aan den hoofdaanvoerder der rebellen te Quilmes. Daar zouden wij een grooten omweg om de stad moeten maken en slechts met veel moeite paarden kunnen krijgen.
Mijn ontvangst in het kamp was zeer beleefd; doch men zeide mij, dat mij onmogelijk kon worden toegestaan in de stad te komen. Ik wenschte dit juist zeer gaarne, daar ik deBeaglein zijn vertrektijd van de Rio Plata vóór was. Nadat ik echter verteld had hoe voorkomend Generaal Rosas aan de Colorado jegens mij geweest was, veranderde dit gesprek nog sneller dan bij tooverslag. Terstond werd mij gezegd, dat, al kon men mij geen paspoort geven, ik toch voorbij hunne schildwachten mocht, mits ik mijn gids en mijne paarden wilde achterlaten. Ik nam dit voorstel met genoegen aan, en een officier werd mij mede gegeven om te zorgen, dat ik niet aan de brug werd tegengehouden. Drie mijlen ver was de weg geheel verlaten. Ik ontmoette een troep soldaten, die zich vergenoegden met mijn oud paspoort ernstig in te kijken, en bevond mij eindelijk tot mijne niet geringe vreugde in de stad.
Bijna zonder voorwendsel van grieven was deze revolutie uitgebroken; maar in een staat, die in den loop van negen maanden (van Februari tot October 1820) vijftien veranderingen in bestuur onderging, terwijl elk gouverneur volgens de grondwet voor drie jaren gekozen werd—zou het zeer onredelijk zijn naar voorwendsels te vragen. In dit gevalverliet een troep mannen, die aan Rosas gehecht waren en een afkeer hadden van den Gouverneur Balcarce, ten getale van 70 de stad—en onder de kreet van: “Rosas!” greep het geheele land naar de wapenen. De stad werd toen geblokkeerd, en levensmiddelen, vee noch paarden werden toegelaten; ook werd er nu en dan geschermutseld, waarbij dagelijks enkele mannen vielen. De belegerende partij wist wel, dat zij, door den toevoer van vleesch af te snijden, zeker de overwinning zou behalen.
Generaal Rosas kon van den opstand niet afweten; maar dit scheen volkomen met de bedoelingen zijner partij te strooken. Een jaar geleden was hij tot gouverneur gekozen; doch hij weigerde, tenzij deSala(Kamer) hem ook buitengewone macht wilden verleenen. Dit werd geweigerd, en sedert dien tijd heeft zijne partij getoond, dat geen ander gouverneur zijn plaats kan behouden. De strijd werd openlijk aan beide zijden gerekt, totdat men van Rosas bericht kon hebben. Enkele dagen nadat ik Buenos Aires verliet, kwam er een brief, waarin de generaal het afkeurde, dat de vrede verbroken was, maar verklaarde, dat de belegerende partij volgens zijne idee het recht aan haar kant had. Alleen op de ontvangst van dit bericht, vloden gouverneur, ministers en een deel der militairen, ten getale van eenige honderden, de stad uit. De oproerlingen kwamen binnen, kozen een nieuwen gouverneur, en werden ten getale van 5500 man voor hunne diensten betaald. Uit deze feiten bleek duidelijk, dat Rosas ten slotte Dictator zou worden: want in den koningstitel heeft het volk in deze, zoowel als in andere republieken een bepaalden tegenzin. Sedert wij Amerika verlieten, hebben wij gehoord, dat Rosas met dictatoriale macht was gekozen, en zich een tijd lang lijnrecht tegen de grondwettelijke beginsels der Republiek heeft gekant.
1De bizcacha (Lagostomus trichodactylus) gelijkt eenigszins op een groot konijn, maar heeft dikkere knaagtanden en een langeren staart; zij heeft echter, evenals het aguti, slechts drie teenen achter. Gedurende de laatste drie of vier jaren zijn de vellen dezer dieren naar Engeland gezonden, om als bont te dienen.2Journal of Asiatic Soc., deel V, blz. 363.3Naar de volkstelling van 1908 telt zij 160,000 inwoners.4Ofschoon de schrijver niet vermeldt welke “mijlen,” zijn het blijkbaarnauticalofgeographical milesvan 1854.965 Meter. In het bekende werk van W.Chauvenet:Spherical and Practical Astronomy, Deel I, blz. 178, vinden wij voor den afstand (d) van den zeehorizon:d (in standaardmijlen) = 1,317 √ x (in voeten)hierin x = 6 stellende, vinden wij door eene eenvoudige berekening:d (in standaardmijlen) = ± 3,225EenstatuteofBritishmijl bedraagt 1609.33 M., dus3,225St. Miles= ± 5190 Meter.2,8Naut. Miles= ± 5194 Meter.(Noot van den Vert.)5DeMastodonten, die voorvaderen onzer oliphanten, zijn in Europa gevonden o.a. in deMioceen-lagen van Frankrijk (M. longirostris,M. tapiroidesCuv. enz.); in hetPlioceenvan Engeland (M. Arvernensis) enz. Vóór het Mioceen-Tijdperk zijn geen resten van dit dier gevonden. In Amerika heeft de eersteMastodon(M. mirificus Leidy) geleefd om de grootePlioceen-meren ten westen van den Mississippi. Later, in hetQuartaireTijdvak, komt over de noordelijke helft der Ver.Staten: in Noord- en Zuid-Carolina, Mississippi, Arkansas, Texas, alsook in CanadaMastodon giganteusvoor. Eene variëteit van deze species is in menigte in de Pampas van Zuid-Amerika gevonden.(Noot van den Vertaler.)6Blijkens eene volkstelling, bezat de stad in 1901 circa 27000 inwoners.7In 1907 telde de provincie Entre Rios 384000 inwoners, en is, op 3 na, de meest bevolkte provincie van de Argentijnsche Republiek. Hare hoofdstad heet nu Concepcion del Uruguay.(Vert.)8De rijzing van Z.-Amerika aan de westkust bij de Andes duurt nog voort. Zie Credner, Geologie, blz.59.(Vert.)9Ik behoef hier nauwelijks te zeggen, dat er stellige bewijzen zijn, dat er in Columbus’ tijd geen paarden in Amerika waren.10Cuvier,Ossemensfossiles, Deel I, blz. 158.11Dit is de door Lichtenstein, Swainson, Erichson en Richardson gevolgde geographische verdeeling. De doorsnede van Vera-Cruz naar Acapulco, door Alex. v. Humboldt in zijnEssai politique sur le royaume de la Nouvelle Espagnegegeven12, toont ons welk een ontzaglijke slagboom het Mexicaansche tafelland vormt. Waar Dr. Richardson in zijn voortreffelijkReport on the Zoology ofN. America(uitgebracht voor hetBrit. Assoc., 1836, blz. 157) spreekt over de gelijkstelling van een Mexicaansch dier met denSynetheres prehensilis—zegt hij: “In hoeverre dit juist is, weten wij niet; maar indien het waar is, vormt dit zoo niet het eenige, dan toch bijna het eenige voorbeeld van een knaagdier, dat aan Noord- en Zuid-Amerika gemeen is.”12Dit meesterwerk werd van 1809/14 in ’t Duitsch vertaald, en verscheen in 5 banden. Een uittreksel daarvan verscheen in 2 deelen bij Cotta te Stuttgart in deGesammelte Werke von A. von Humboldt.(Vert.)13Zie Dr. Richardson’sReportblz. 157; ookL’Institut1837, blz. 253. Cuvier zegt, dat dekinkajuop de Groote Antillen gevonden wordt; maar dit is twijfelachtig. Gervais zegt, dat deDidelphis Cancrivoradaar gevonden wordt. Zeker is ’t, dat West-Indië eenige zoogdieren bezit, welke dit land bijzonder kenmerken. Een tand van den Mastodon is uit Bahama meêgebracht:Edinb.,New Phil. Journal, 1826, blz. 395.14Zie het merkwaardig Bijvoegsel van Dr. Buckland totBeechy’s Voyage; ook de geschriften van Chamisso inKotzebue’s Voyage.15In kapitein Owen’sSurveying Voyage(deel II, blz. 274) staat een treffend verhaal over de gevolgen eener droogte op de olifanten te Benguëla (westkust van Afrika). “Een aantal dezer dieren was vóor eenigen tijd in een drom de stad binnengekomen, om zich van de putten meester te maken, daar zij zich nergens in het land water konden verschaffen. De bewoners vereenigden zich, en er ontstond een wanhopig gevecht, dat met de volkomen nederlaag der indringers eindigde, doch niet voordat zij één man gedood en vele anderen gewond hadden.” Naar men zegt, heeft de stad eene bevolking van ongeveer 3000 zielen! Dr. Malcolmson bericht mij, dat tijdens eene groote droogte in Indië de wilde dieren eenige soldatententen te Ellore binnendrongen, en dat een haas uit een pot dronk, dien de adjudant van het regiment hem voorhield.16Voyage, deel I, blz. 374.17Deze droogten schijnen, tot op zekere hoogte, bijna periodiek te zijn. Men noemde mij de datums van vele andere en de tusschenruimten bedroegen ongeveer 15 jaren.18Het vaartuig gelijkt eenigszins op onze kotters.(Vert.)19Hiermede wordt detigre de Américabedoeld, zooals de jaguar daar genoemd wordt.(Vert.)20Trogschelpen (van het Grieksche of LatijnscheMactra= baktrog).(Vert.)
1De bizcacha (Lagostomus trichodactylus) gelijkt eenigszins op een groot konijn, maar heeft dikkere knaagtanden en een langeren staart; zij heeft echter, evenals het aguti, slechts drie teenen achter. Gedurende de laatste drie of vier jaren zijn de vellen dezer dieren naar Engeland gezonden, om als bont te dienen.
2Journal of Asiatic Soc., deel V, blz. 363.
3Naar de volkstelling van 1908 telt zij 160,000 inwoners.
4Ofschoon de schrijver niet vermeldt welke “mijlen,” zijn het blijkbaarnauticalofgeographical milesvan 1854.965 Meter. In het bekende werk van W.Chauvenet:Spherical and Practical Astronomy, Deel I, blz. 178, vinden wij voor den afstand (d) van den zeehorizon:
d (in standaardmijlen) = 1,317 √ x (in voeten)
hierin x = 6 stellende, vinden wij door eene eenvoudige berekening:
d (in standaardmijlen) = ± 3,225
EenstatuteofBritishmijl bedraagt 1609.33 M., dus
3,225St. Miles= ± 5190 Meter.
2,8Naut. Miles= ± 5194 Meter.
(Noot van den Vert.)
5DeMastodonten, die voorvaderen onzer oliphanten, zijn in Europa gevonden o.a. in deMioceen-lagen van Frankrijk (M. longirostris,M. tapiroidesCuv. enz.); in hetPlioceenvan Engeland (M. Arvernensis) enz. Vóór het Mioceen-Tijdperk zijn geen resten van dit dier gevonden. In Amerika heeft de eersteMastodon(M. mirificus Leidy) geleefd om de grootePlioceen-meren ten westen van den Mississippi. Later, in hetQuartaireTijdvak, komt over de noordelijke helft der Ver.Staten: in Noord- en Zuid-Carolina, Mississippi, Arkansas, Texas, alsook in CanadaMastodon giganteusvoor. Eene variëteit van deze species is in menigte in de Pampas van Zuid-Amerika gevonden.
(Noot van den Vertaler.)
6Blijkens eene volkstelling, bezat de stad in 1901 circa 27000 inwoners.
7In 1907 telde de provincie Entre Rios 384000 inwoners, en is, op 3 na, de meest bevolkte provincie van de Argentijnsche Republiek. Hare hoofdstad heet nu Concepcion del Uruguay.
(Vert.)
8De rijzing van Z.-Amerika aan de westkust bij de Andes duurt nog voort. Zie Credner, Geologie, blz.59.
(Vert.)
9Ik behoef hier nauwelijks te zeggen, dat er stellige bewijzen zijn, dat er in Columbus’ tijd geen paarden in Amerika waren.
10Cuvier,Ossemensfossiles, Deel I, blz. 158.
11Dit is de door Lichtenstein, Swainson, Erichson en Richardson gevolgde geographische verdeeling. De doorsnede van Vera-Cruz naar Acapulco, door Alex. v. Humboldt in zijnEssai politique sur le royaume de la Nouvelle Espagnegegeven12, toont ons welk een ontzaglijke slagboom het Mexicaansche tafelland vormt. Waar Dr. Richardson in zijn voortreffelijkReport on the Zoology ofN. America(uitgebracht voor hetBrit. Assoc., 1836, blz. 157) spreekt over de gelijkstelling van een Mexicaansch dier met denSynetheres prehensilis—zegt hij: “In hoeverre dit juist is, weten wij niet; maar indien het waar is, vormt dit zoo niet het eenige, dan toch bijna het eenige voorbeeld van een knaagdier, dat aan Noord- en Zuid-Amerika gemeen is.”
12Dit meesterwerk werd van 1809/14 in ’t Duitsch vertaald, en verscheen in 5 banden. Een uittreksel daarvan verscheen in 2 deelen bij Cotta te Stuttgart in deGesammelte Werke von A. von Humboldt.
(Vert.)
13Zie Dr. Richardson’sReportblz. 157; ookL’Institut1837, blz. 253. Cuvier zegt, dat dekinkajuop de Groote Antillen gevonden wordt; maar dit is twijfelachtig. Gervais zegt, dat deDidelphis Cancrivoradaar gevonden wordt. Zeker is ’t, dat West-Indië eenige zoogdieren bezit, welke dit land bijzonder kenmerken. Een tand van den Mastodon is uit Bahama meêgebracht:Edinb.,New Phil. Journal, 1826, blz. 395.
14Zie het merkwaardig Bijvoegsel van Dr. Buckland totBeechy’s Voyage; ook de geschriften van Chamisso inKotzebue’s Voyage.
15In kapitein Owen’sSurveying Voyage(deel II, blz. 274) staat een treffend verhaal over de gevolgen eener droogte op de olifanten te Benguëla (westkust van Afrika). “Een aantal dezer dieren was vóor eenigen tijd in een drom de stad binnengekomen, om zich van de putten meester te maken, daar zij zich nergens in het land water konden verschaffen. De bewoners vereenigden zich, en er ontstond een wanhopig gevecht, dat met de volkomen nederlaag der indringers eindigde, doch niet voordat zij één man gedood en vele anderen gewond hadden.” Naar men zegt, heeft de stad eene bevolking van ongeveer 3000 zielen! Dr. Malcolmson bericht mij, dat tijdens eene groote droogte in Indië de wilde dieren eenige soldatententen te Ellore binnendrongen, en dat een haas uit een pot dronk, dien de adjudant van het regiment hem voorhield.
16Voyage, deel I, blz. 374.
17Deze droogten schijnen, tot op zekere hoogte, bijna periodiek te zijn. Men noemde mij de datums van vele andere en de tusschenruimten bedroegen ongeveer 15 jaren.
18Het vaartuig gelijkt eenigszins op onze kotters.
(Vert.)
19Hiermede wordt detigre de Américabedoeld, zooals de jaguar daar genoemd wordt.
(Vert.)
20Trogschelpen (van het Grieksche of LatijnscheMactra= baktrog).
(Vert.)