Hoofdstuk XII.Midden-Chili.23 Juli 1834.DeBeagleankerde laat in den nacht in de baai van Valparaiso, de voornaamste zeehaven van Chili. Toen de morgen aanbrak, kreeg alles een verrukkelijk aanzien. Bij Vuurland vergeleken, was het klimaat hier bepaald heerlijk. De lucht was zoo droog, de hemel met de stralende zon zoo helder en blauw, dat de geheele natuur scheen te tintelen van leven. Het gezicht van uit de ankerplaats is zeer mooi. De stad is gebouwd aan den voet eener heuvelreeks, saamgesteld uit omtrent 1600 voet hooge en eenigszins steile bergen. Ten gevolge van hare ligging, bestaat zij uit eene lange, verspreid aangelegde straat, die evenwijdig loopt met het strand; en waar een ravijn uit het gebergte daalt, verheffen de huizen zich aan weerszijden daarvan. De ronde heuvels, door een schralen plantengroei slechts gedeeltelijk beschut, zijn doorploegd met tallooze kleine geulen, die een eigenaardigen lichtrooden grond ontblooten. Hierdoor, en ook door de lage gewitte huizen met pannen daken, herinnerde het gezicht mij aan Santa Cruz op Tenerife. In noordwestelijke richting zijn eenige fraaie vluchtige kijkjes op het Andes-gebergte; maar deze bergen schijnen veel hooger, als men hen van de naburige heuvels ziet; de groote afstand, waarop zij liggen, laat zich dan gemakkelijk begrijpen. De vulkaan Aconcagua is bijzonder indrukwekkend. Dit reusachtige en onregelmatig kegelvormigegevaarte heeft eene hoogte, welke die van den Chimborazo overtreft; want uit metingen, door de officieren van deBeagleverricht, bleek dat zijne hoogte niet minder dan 23.090 voet was.1Van dit punt bekeken, danken de Andes hunne schoonheid echter grootendeels aan den dampkring waardoor zij gezien worden. Het was bewonderenswaardig, als de zon in den Stillen Oceaan onderging, te zien hoe helder hunne zigzagvormige omtrekken onderscheiden konden worden, en toch hoe afwisselend en fijn hunne kleurschakeeringen waren.Hier had ik het geluk Mr. Richard Corfield te ontmoeten, een oud-vriend en schoolmakker, aan wiens gastvrijheid en vriendelijkheid ik veel verschuldigd ben, daar hij mij, zoolang deBeaglezich in Chili ophield, een hoogst aangenaam logies verschafte. De onmiddellijke omgeving van Valparaiso levert voor den natuuronderzoeker niet heel veel op. Gedurende den langen zomer blaast de wind voortdurend uit het zuiden en op eenigen afstand van het strand, zoodat er dan nooit regen valt; maar in de drie wintermaanden regent het overvloedig. Dientengevolge is de plantengroei zeer schraal: behalve in sommige dalen, zijn er geen boomen; alleen zijn de minder steile gedeelten der heuvelreeks hier en daar met wat gras en eenige lage struiken begroeid. Zoo wij bedenken, dat 350 mijlen ver naar het zuiden de helling van het Andes-gebergte geheel achter een ondoordringbaar woud verscholen ligt, is de tegenstelling zeer merkwaardig. Bij het verzamelen van voorwerpen op het gebied der natuurlijke historie, deed ik vele verre wandelingen. Voor oefening biedt het land eene gezochte gelegenheid. Er zijn vele zeer fraaie bloemen; en evenals in de meeste andere droge klimaten, bezitten de planten en heesters sterke en eigenaardige geuren, die zich zelfs aan de kleêren meedeelden, als men tusschen die planten door drong. Er kwam geen einde aan mijne verwondering, toenhet alle dagen even mooi weer was. Welk een verschil maakt het klimaat op ons levensgenot! Hoe geheel anders zijn de gewaarwordingen, als men zwarte bergen ziet die half in wolken zijn gehuld, of eene bergketen zooals de Andes door den lichtblauwen damp van een fraaien dag! Het een moge voor eenigen tijd zeer verheven zijn; het andere biedt ons al vroolijkheid en levenslust.14 Augustus.Dezen dag ondernam ik een tocht te paard, met het doel de benedengedeelten van het Andes-gebergte, die slechts in dezen tijd van het jaar niet door de wintersneeuw ontoegankelijk zijn, geologisch te onderzoeken. Den eersten dag reden wij in noordelijke richting langs de kust. Toen het donker was, bereikten wij de Hacienda van Quitero, het landgoed dat vroeger aan lord Cochrane2behoorde. Het doel mijner komst alhier was de groote schelpenlagen te zien, die eenige yards boven den zeespiegel liggen en tot kalk verbrand worden. Van de rijzing dezer geheele kustlijn bestaan ondubbelzinnige bewijzen; ter hoogte van enkele honderden voeten liggen talrijke oud-typische schelpen, en ik vond zelfs eenige op 1300 voet. Deze schelpen liggen òf los aan de oppervlakte, òf in een roodachtig zwarten plantaardigen grond. Bij onderzoek met den microscoop vond ik tot mijne groote verrassing, dat deze plantaardige grond werkelijk zeemodder is, vol kleine deeltjes van organische lichamen.15 Augustus.Wij reden naar het Quillota-dal terug. De streek was hoogst aangenaam—juist wat de dichters “landelijk” zouden noemen: groene open grasvelden, gescheiden door kleine dalen met riviertjes, en op de heuvelhellingen hier en daar eenige hutten, waarschijnlijk van de schaapherders. Wij waren verplicht den kam van den Chilicauquen over te trekken. Aan den voethiervan stonden vele fraaie, altijd groene woudboomen; maar deze bloeiden alleen in de ravijnen, waar stroomend water was. Wie alleen het land in de nabijheid van Valparaiso gezien had, zou zich nooit hebben voorgesteld dat er zulke schilderachtige plekjes in Chili waren. Zoodra wij den rand der Sierra bereikten, lag het Quillota-dal vlak onder onze voeten. Het uitzicht was merkwaardig om den rijkdom van kweekgewassen. Het dal is zeer breed en geheel vlak, zoodat de bevloeiing overal gemakkelijk is. De kleine vierkante tuinen bevatten overvloed van oranje- en olijfboomen, en alle soorten groenten. Aan alle kanten verrijzen reusachtige naakte bergen, die door hunne tegenstelling den bonten aanblik van het dal nog aantrekkelijker maken. Wie “Valparaiso” het “Paradijsdal” noemde, moet ongetwijfeld aan Quillota hebben gedacht. Wij staken over naar de Hacienda de San Isidro, die aan den voet van den Klokberg ligt.Chili is, gelijk men op de kaarten zien kan, eene smalle strook lands tusschen de Cordilleras en den Stillen Oceaan, welke strook op hare beurt door talrijke bergreeksen wordt doorsneden, die in dit gedeelte evenwijdig loopen met de hoofdketen. Tusschen deze bergketens en de groote Cordilleras strekt zich eene reeks vlakke dalkommen, die meest met nauwe uitgangen in elkander loopen, tot ver naar het zuiden uit. Daarin liggen de voornaamste steden, als San Felipe, Santiago, San Fernando en andere. Ik twijfel niet of deze dalkommen of vlakten zijn, evenals de horizontale dwarsdalen (bijv. het Quillota-dal) die ze met de kust verbinden, de bodems van oude inhammen en diepe baaien, van gelijken aard als die welke nu elk deel van Vuurland en de westkust doorsnijden. Chili moet in vroegere tijdperken, wat de verdeeling van zijn land en water betreft, op laatstgenoemd land geleken hebben. Treffend bleek die gelijkenis nu en dan, wanneer een vlakke mistbank al de lagere gedeelten van het land als met een mantel bedekte. Wanneer de witte damp in de ravijnen kronkelde, bood hij eene fraaie voorstelling van kleine kreken en baaien; eneen eenzaam hier en daar opduikend heuveltje toonde, dat het daar vroeger als eilandje gestaan had. De tegenstelling dezer vlakke dalen en dalkommen met de onregelmatig gevormde bergen, gaven aan het landschap een kenmerk, dat nieuw en zeer belangwekkend voor mij was.De natuurlijke glooiing dezer vlakten naar den zeekant maakt de bevloeiing er van zeer gemakkelijk, en dientengevolge zijn zij bijzonder vruchtbaar. Zonder die bewatering zou het land bijna niets voortbrengen, want den geheelen zomer door is de lucht onbewolkt. De bergen en heuvels zijn hier en daar met struiken en lage boomen bedekt; maar dezen uitgezonderd, is de plantengroei zeer arm. Elk landeigenaar in het dal bezit een zekere uitgestrektheid heuvelland, waar zijn half wild vee in grooten getale rondzwerft om genoegzaam gras te vinden. Eens in het jaar is er een grooterodeo,3als wanneer al het vee naar het dal gedreven, geteld en gemerkt wordt, en men een zeker aantal afzondert voor vetmesting in de bevloeide velden. Tarwe wordt op ruime schaal gekweekt, benevens zeer veel maïs; maar het voornaamste voedingsmiddel van den gewonen arbeider is eene soort boon. De boomgaarden brengen een overvloedigen voorraad perziken, vijgen en druiven voort. Bij al deze voordeelen moest het den bewoners van het land meer voor den wind gaan dan wel het geval is.16 Augustus.Demayordomo4van de hacienda was zoo goed mij een gids en versche paarden te geven; en zoo gingen wij des morgens op weg om deCampanaof Klokberg te bestijgen, die 6400 voet hoog is. De paden waren zeer slecht; maar zoowel de geologische gesteldheid van het terrein als het landschap zelf beloonden ruimschoots de moeite. Des avonds bereikten wij eene bron,Agua del Guanacogenoemd, die opeene aanzienlijke hoogte ligt. Deze naam moet van ouden oorsprong zijn, want het is zeer vele jaren geleden, dat een guanaco het water uit die bron dronk. Gedurende de beklimming merkte ik op, dat aan de noordelijke helling niets dan struiken groeiden, aan de zuidelijke, echter, een bamboesriet van omstreeks 15 voet hoogte. Op enkele plaatsen stonden palmboomen, en met verbazing zag ik er een op eene hoogte van minstens 4500 voet. Deze palmen zijn leelijke boomen in hunne familie. Hun stam is zeer breed en zonderling gevormd, daar hij in het midden dikker is dan aan den voet of top. In sommige gedeelten van Chili zijn zij buitengewoon talrijk, en wegens eene soort stroop, die uit hun sap gemaakt wordt, gezocht. Op een landgoed bij Petorca trachtte men hen te tellen, doch moest dit opgeven, toen men een cijfer van vele honderdduizenden bereikt had. Vroeg in de lente (in Augustus) worden ieder jaar vele palmen geveld; en als de stam op den grond ligt, wordt zijn bladerkroon gesnoeid. Onmiddellijk begint dan het sap uit het boveneinde te vloeien, hetgeen eenige maanden lang aanhoudt. Men moet echter elken morgen een dun laagje van dat einde afschaven, om eene versche oppervlakte te ontblooten. Een goede boom zal 90gallons(ongeveer 409 lit.) geven; en dit alles moet in de vaten van den schijnbaar drogen stam gezeten hebben. Naar men zegt, vloeit het sap veel sneller op dagen van fellen zonneschijn; ook beweert men, dat het volstrekt noodig is zorg te dragen, dat de boom bij het omhakken met zijn top naar boven op de helling van den heuvel valt; want valt hij de helling af, dan zal er bijna geen sap uitvloeien. Oppervlakkig zou men denken, dat in het laatste geval, door de zwaartekracht, de werking versterkt in plaats van verzwakt zou worden. Door koking wordt het sap verdikt en dan stroop genoemd, waarop het in smaak zeer veel gelijkt.Wij ontzadelden onze paarden bij de bron, en maakten ons gereed den nacht door te brengen. Het was eene schoone avond, en de lucht was zoo helder, dat de masten der in de baai van Valparaiso voor anker liggende schepen duidelijkals kleine zwarte strepen te onderkennen waren, hoewel de afstand niet minder dan 26geographical miles(48.2 kilom.) bedroeg. Een schip, dat met volle zeilen de landtong omvoer, vertoonde zich als een heldere witte stip. Anson5laat op zijn tocht veel verwondering blijken over den afstand, waarop zijne schepen van de kust uit gezien werden; doch hij hield niet voldoende rekening met de hoogte van het land en de groote doorschijnendheid der lucht.Het ondergaan der zon was prachtig. Terwijl de dalen in diepe duisternis lagen, vertoonden de besneeuwde Andes-toppen eene robijnkleurige tint. Toen het donker was, maakten wij onder een klein priëel van bamboes vuur, braadden onzecharqui(reepjes gedroogd ossevleesch)6dronken onzematé, en waren recht op ons gemak. Er ligt eene onuitsprekelijke bekoring in zulk een leven in de open lucht. De avond was kalm en stil; alleen hoorde men nu en dan het schelle geluid van de bergbizcacha, en den zwakken kreet van den geitenmelker (Caprimulgus europaeus).7Behalve dezen, bewonen weinige vogels of zelfs insecten deze droge, verschroeide bergen.17 Augustus.Des morgens beklommen wij den ruwen klomp groensteen, die den top bedekt. Zooals vaak gebeurt, was dit gesteente zeer verbrokkeld en lag in groote hoekige stukken verspreid. Ik ontdekte echter eene merkwaardige bijzonderheid, nl. dat vele oppervlakken alle graden van verschheid vertoonden: sommige steenen schenen den vorigen dag gebroken te zijn, op anderehadden zich zoo even korstmossen neergezet, of daar reeds lang gegroeid. Ik geloofde zoo stellig, dat ditaan devele aardbevingen moest worden toegeschreven, dat ik lust gevoelde van elken lossen stapel weg te loopen. Daar men zich in dergelijke feiten zeer licht vergist, twijfelde ik aan de juistheid er van, totdat ik den berg Wellington op Van-Diemensland besteeg, waar geene aardbevingen voorkomen; en daar zag ik den bergtop even zoo samengesteld en verbrokkeld, met dit verschil, dat het scheen of alle brokkenduizendenjaren geleden zoo waren neergeworpen, als zij nu lagen.Wij brachten den dag op den top door; en nooit smaakte ik zoo volop genot als toen. Ik zag Chili, begrensd door de Andes en den Stillen Oceaan, als op eene landkaart voor mij. Het genot van dit op zichzelf reeds schoone panorama werd verhoogd door de vele beschouwingen, die zich aan ons opdrongen bij het zien van de Campana-keten met hare kleinere evenwijdig loopende bergreeksen, en van het breede Quillota-dal, dat die ketens rechtstreeks snijdt. Wie zou zich niet verwonderen over de kracht, die deze bergen heeft opgeheven, en meer nog over de tallooze eeuwen, die voor het doorbreken, uit den weg ruimen en sloopen van geheele berggevaarten noodig moeten geweest zijn? Men denke in dat geval aan de uitgestrekte grint- en sedimentaire lagen van Patagonië, die, als zij op de Andes werden gestapeld, hunne hoogten met vele duizenden voeten zouden vermeerderen. Toen ik in dat land was, verwonderde ik mij, dat eene bergketen zulke groote hoeveelheden steen kon hebben geleverd, zonder geheel te verdwijnen. Thans moeten wij onze verwondering niet omkeeren, en twijfelen of de alvermogende tijd in staat is bergen—zelfs de reusachtige Andes—tot grint en modder te vermalen!Het voorkomen van de Cordilleras was anders dan ik verwacht had. De onderste sneeuwgrens was natuurlijk horizontaal, en juist evenwijdig met die grens schenen de effen toppen der keten te loopen. Maar op enkele ver van elkander gelegen punten wees eene groep bergtoppen of een enkelekegel de plaats aan, waar een vulkaan bestaan had of nog bestond. Zoodoende geleek de bergketen op een reusachtigen steenen muur, waarop hier en daar een toren stond, en die het land op devolmaaktstewijze afsloot. In bijna elk deel van den Klokberg waren boringen verricht, om te trachten goudgroeven te openen. De delfwoede had bijna geen enkele plek in Chili onaangeroerd gelaten.Ik bracht den avond door zooals te voren, in gesprek met mijne twee metgezellen om het wachtvuur. DeGuasosvan Chili, die overeenkomen met deGauchosvan de Pampas, zijn echter een geheel ander slag menschen. Van deze twee landen is Chili het beschaafdere, en bijgevolg hebben zijne inwoners veel van hun persoonlijk karakter verloren. Verschillen in rangen komen veel scherper uit. De Guaso beschouwt volstrekt niet elk mensch als zijns gelijke. Zeer verwonderde het mij te zien, dat mijne metgezellen niet tegelijk met mij wilden eten. Dit gevoel van ongelijkheid is een noodzakelijk gevolg van het bestaan eener vermogens-aristocratie. Men zegt, dat zeer enkele van de groote landeigenaars vijf- tot tienduizend pond sterling jaarlijksch inkomen bezitten: welk verschil in rijkdom, naar ik geloof, in geen der verschillende landen ten oosten van de Andes gevonden zal worden. Een reiziger vindt hier niet die onbeperkte gastvrijheid, welke alle betaling weigert; toch wordt zij zoo vriendelijk aangeboden, dat men haar zonder schroom kan aanvaarden. Bijna elk huis in Chili zal u des nachts opnemen, doch men verwacht, dat ge des morgens eene kleinigheid zult geven; en zelfs een rijk man zal twee of drie shillings aannemen. De Gaucho is een “fatsoenlijk man,” eengentleman, al is hij ook een moordenaar; de Guaso is in vele opzichter beter, maar tevens een alledaagsch man uit het volk. Ofschoon beide mannen hetzelfde beroep hebben, verschillen zij in hunne gewoonten en kleeding; en de eigenaardigheden die elk bezit, zijn in de wederzijdsche landen algemeen. De Gaucho schijnt één te zijn met zijn paard, en versmaadt alle krachtsinspanning, wanneer hij op den rug van het dier zit; denGuaso kan men huren om als arbeider in het veld te werken. De eerste leeft geheel van dierlijk voedsel; de laatste bijna geheel van planten. Hier zien wij niet de witte laarzen, de wijde onderbroek en scharlakenroodechilipa—het schilderachtige kostuum der Pampas. Hier wordt de gewone broek door zwart- en groen-sajetten slobkousen bedekt. Bij beiden echter is deponchoin gebruik. Bij den Guaso zijn het meest de sporen in eere, die overdreven groot zijn. Ik mat er een, waarvan het wieltje zes inches middellijn had en aan den omtrek meer dan dertig punten telde. De stijgbeugels zijn op gelijke schaal, en bestaan elk uit een vierkant gebeiteld stuk hout, dat, ofschoon uitgehold, nog drie of vierpoundsweegt. De Guaso is met den lazo misschien meer bedreven dan de Gaucho, maar de geaardheid van zijn land brengt mede, dat hij het gebruik der bolas niet kent.18 Augustus.Wij daalden den berg af, en gingen voorbij eenige kleine gehuchten met riviertjes en fraai geboomte. Nadat wij in dezelfde hacienda hadden geslapen als te voren, reden wij op de twee volgende dagen het dal in en bereikten zoo Quillota, dat meer een verzameling van kweektuinen dan eene stad is. De boomgaarden waren schoon en vertoonden eene aaneenschakeling van perzikbloesems. Ook zag ik op een of twee plaatsen den dadelpalm. Dit is een statige boom, en ik geloof dat eene groep daarvan in hunne oorspronkelijke Aziatische of Afrikaansche woestijnen een prachtigen aanblik moet opleveren. Ook reden wij door San Felipe, eene aardige uitgebouwde stad, evenals Quillota. Op dit punt verwijdt zich het dal tot een dier groote ruimten of vlakten, die tot aan den voet der Cordilleras reiken, en, gelijk wij gezegd hebben, zulk een merkwaardig deel van het landschap in Chili uitmaken. Des avonds bereikten wij demijnen vanJajuel, gelegen in een ravijn ter zijde van de groote keten. Ik bleef hier vijf dagen. Mijn gastheer, de hoofdopzichter der mijn, was een schrander maar eenigszins onwetend mijnwerker uit Cornwallis. Hij had eene Spaansche vrouw getrouwd enwas niet van plan naar zijn land terug te keeren; maar zijne bewondering voor de mijnen van Cornwallis kende nog steeds geen grenzen. Onder vele andere vragen die hij mij deed, was ook deze:“Nu GeorgeRexdood is, hoeveel blijven er van de familieRexnog in leven?”Deze “Rex” moet stellig een bloedverwant zijn van den grooten schrijverFinis, die alle boeken schreef!8De mijnen van Jajuel zijn kopermijnen, en al het erts verscheept men naar Swansea in Glamorganshire (Wallis), waar het gesmolten wordt. Zoodoende hebben deze mijnen een bijzonder kalm aanzien, vergeleken bij die in Engeland; geen rook, geen ovens of groote stoomwerktuigen verstoren de stilte der naburige bergen.Het Chileensche gouvernement, of liever de oude Spaansche wet moedigt op allerlei wijzen het zoeken naar mijnen aan. De ontdekker mag, tegen betaling van vijf shillings, eene mijn ontginnen op welken grond ook, en mag haar twintig dagen lang zelfs in den tuin van een ander beproeven, voordat hij die som betaalt.Men weet thans, dat de Chileensche manier van mijnontginning de goedkoopste is. Mijn gastheer zegt, dat de twee voornaamste verbeteringen die de vreemdelingen hebben ingevoerd, geweest zijn: 1o. reductie van de koperpyrieten door voorafgaande roosting; (de Engelsche mijnwerkers zagen namelijk, bij hunne komst in Chili, tot hunne groote verbazing, dat dit erts als waardeloos werd weggeworpen); 2o. het fijnstampen en wasschen van de slakken uit de oude ovens—een proces waardoor een overvloed van metaaldeeltjes gewonnen wordt. Inderdaad heb ik eene lading van zulke sintels door muilezels naar de kust zien brengen, ter verzending naar Engeland. Maar het eerste geval is wel het meest merkwaardige. De Chileensche mijnwerkerswaren zoo overtuigd, dat koperpyrieten geen metaaldeeltjes bevatten, dat zij de Engelschen om hunne onwetendheid uitlachten; maar dezen lachten op hunne beurt, en kochten de rijkste aderen voor enkele dollars. Het is zeer zonderling, dat in een land waar de mijnontginning vele jaren lang op uitgebreide schaal gedreven wordt, zulk eene eenvoudige bewerking, als zacht roosten van het erts voor de smelting om de zwavel te verwijderen, nooit ontdekt is geworden. Ook heeft men in enkele eenvoudige werktuigen eenige verbeteringen aangebracht; maar zelfs nu nog wordt uit sommige mijnen het water verwijderd door mannen, die het in lederen zakken door de schacht naar boven brengen!De arbeiders werken zeer hard. Er wordt hun weinig tijd voor hunne maaltijden gegund; in zomer en winter beginnen zij met het aanbreken van den dag, en eindigen als het donker is. Zij worden betaald met éen pond sterling ’s maands, en hebben bovendien den kost, die bij het ontbijt uit zestien vijgen en twee kleine broodjes, bij het middagmaal uit gekookte boonen, en bij het avondeten uit kliekjes geroosterde tarwekorrels bestaat. Vleesch proeven zij bijna nooit; en van de twaalf pond ’s jaars moeten zij zich kleeden en hun gezin onderhouden. De arbeiders die in de mijn zelve werken, hebben 25 shillings per maand, en ontvangen een kleine portiecharqui. Maar deze mannen komen slechts eens in de veertien dagen of drie weken uit hunne zwarte onderaardsche verblijven.Gedurende mijn oponthoud alhier genoot ik volop van het dolen over deze reusachtige bergen. De geologische gesteldheid was, zooals men denken kan, zeer belangwekkend. De gebroken en samengebakken rotsen met hare tallooze doorsnijdingen van groensteen-dijken, getuigden welke beroeringen vroeger hadden plaats gehad. Het landschap geleek veel op dat bij de Campana in het Quillota-dal: dorre naakte bergen, waarop hier en daar wat struikgewas met schraal gebladerte. De cactussen, of liever deOpuntia’s, waren hier zeer talrijk. Ik mat er een van bolvormige gedaante,die zes voet en vier inches in omtrek had, de dorens medegerekend. De hoogte der gewone cilindrische vertakte soort bedraagt 12 tot 15 voet; en de omtrek der takken met de dorens 3 en 4 voet.Een hevige sneeuwval in het gebergte belette mij op de laatste twee dagen eenige belangrijke uitstappen te doen. Ik trachtte een meer te bereiken, dat de inwoners, om eene of andere onverklaarbare reden, voor een zeearm houden. Eens, in een zeer droog jaargetijde, stelde men voor eene poging te doen om van daaruit een kanaal voor watertoevoer te graven; doch na beraad verklaarde de geestelijke dat dit te gevaarlijk was, daar geheel Chili zou onderloopen, indien, zooals algemeen ondersteld werd, het meer met den Stillen Oceaan in verbinding stond. Wij stegen tot eene aanzienlijke hoogte, maar konden, door de samengewaaide sneeuw die ons omringde, dit wonderlijke meer niet bereiken, en aanvaardden met eenige moeite den terugtocht. Ik dacht, dat wij onze paarden zouden verliezen, want wij konden niet nagaan hoe diep de sneeuw was; en de dieren die bij den teugel werden geleid, konden niet anders dan springende vooruitkomen. De donkere lucht bewees, dat zich nieuwe sneeuwwolken samenpakten, zoodat wij niet weinig in onzen schik waren een heenkomen te vinden. Nauwelijksbereiktenwij den voet, of de bui barstte los, en het was een geluk voor ons, dat dit niet drie uren vroeger op den dag gebeurde.26 Augustus.Wij verlieten Jajuel en reden opnieuw het dal van San Felipe in. Het was een echt Chileensche dag: een verblindend lichte hemel, en een volkomen heldere lucht. Het dikke en gelijkmatige dek van versch gevallen sneeuw maakte het gezicht op den vulkaan Aconcagua en de groote keten inderdaad prachtvol. Wij waren nu op weg naar Santiago, de hoofdstad van Chili. Wij trokken over de Cerro del Talguen, en sliepen in een kleinenrancho. Sprekende over den toestand van Chili in vergelijking met andere landen, zeide onze gastheer gelaten:“Sommige menschen zien met twee oogen, anderen met een; maar ik voor mij geloof, dat Chili met geen van beiden ziet.”27 Augustus.Nadat wij een aantal lage bergjes waren overgetrokken, daalden wij af in de kleine door land ingesloten Guitron-vlakte. In dalkommen, zooals deze, die een- tot tweeduizend voet boven zee liggen, groeien zeer talrijke, doch weinig ontwikkelde acacia’s, die op grooten afstand van elkander staan en tot twee species behooren. Eene andere kenmerkende bijzonderheid in het landschap dezer dalkommen is, dat men deze boomen nooit nabij de zeekust vindt. Wij trokken over een lagen bergrug, welke Guitron scheidt van de groote vlakte waarop Santiago ligt. Hier was het uitzicht in hooge mate verrassend: eene doodsche, effene vlakte, gedeeltelijk met acacia-bosschen bedekt, en in de verte de stad, die horizontaal aan den voet der Andes grensde, welker besneeuwde toppen in de avondzon blonken. Bij den eersten aanblik was het volkomen duidelijk, dat deze vlakte den bodem eener voormalige binnenzee vormde. Zoodra wij op den vlakken weg waren, zetten wij onze paarden in galop, en bereikten voordat het donker was de stad.Ik bleef een week in Santiago en genoot zeer veel. Des morgens reed ik naar verschillende plaatsen op de vlakte, en des avonds at ik bij verschillende Engelsche kooplieden, wier gastvrijheid te dezer stede wel bekend is. Een nooit falende bron van genoegen was het afdalen langs den kleinen rotsheuvel Santa Lucia, die midden in de stad uitloopt. De streek is inderdaad hoogst verrassend en, zooals ik gezegd heb, zeer eigenaardig. Naar men mij bericht, dragen de steden in de groote Mexicaansche hoogvlakte hetzelfde kenmerk. Van de stad heb ik niets bijzonders te zeggen; zij is niet zoo fraai en groot als Buenos Aires, maar volgens hetzelfde plan gebouwd. Ik kwam hier langs een omweg naar het noorden, en besloot nu door een eenigszins langeren tocht, ten zuiden van den rechten weg, naar Valparaiso terug te keeren.5 September.Op het midden van den dag kwamen wij aan een der uit huiden vervaardigde hangbruggen over de Maypu—eene breede schuimende rivier, enkeleleaguesten zuiden van Santiago gelegen. Deze bruggen zijn zeer ellendig ingericht. De weg, die de kromming der hangtouwen volgt, is gemaakt van dicht bij elkander geplaatste bundels takken. Hij was vol gaten, en slingerde tamelijk dreigend, zelfs onder het gewicht van een man met zijn paard aan den teugel. Des avonds bereikten wij eene geriefelijke pachterswoning, waar ik verscheidene zeer lieve segnoritas ontmoette. Toen deze vernamen, dat ik louter uit nieuwsgierigheid eene harer kerken was binnengegaan, ontstelden zij zeer.“Waarom wordt u geen christen, segnor Darwin? Onze godsdienst berust op zekere grondslagen,” zeiden zij mij.Of ik haar al verzekerde, dat ik eene soort van christen was, wilden zij hier niet van hooren en beriepen zich op mijne eigene woorden.“U zegt immers, dat uwe geestelijken en bisschoppen trouwen, niet waar?”De ongerijmdheid, dat een bisschop eene vrouw had, trof haar bijzonder. Ternauwernood wisten zij of zij om zulk eene gruweldaad eens hartelijk moesten lachen, dan wel zich ergeren.6 September.Wij trokken regelrecht zuidwaarts en sliepen te Rancagua. De weg liep door eene effen maar smalle vlakte, aan den eenen kant door hooge heuvels, aan den anderen kant door de Cordilleras begrensd. Den volgenden dag sloegen wij het dal in van de Rio Cachapual, waarin de sedert lang om hare geneeskrachtige eigenschappen vermaarde heete bronnen van Cauquenes gelegen zijn. In de minder bezochte gedeelten worden de hangbruggen gedurende den winter, als de rivieren laag zijn, meestal weggenomen. Zulks was ook het geval in de Rio Cachapual-vallei, zoodat wij genoodzaakt waren te paard den stroom over te steken. Dit is vrij onaangenaam, wijl het schuimende water, dat echter niet diep is, zoo snel doorhet bed van groote, ronde steenen loopt, dat het hoofd er van duizelt, en het zelfs moeilijk is te zien of het paard voortloopt dan wel stilstaat. Des zomers, als de sneeuw smelt, zijn de stroomen geheel ontoegankelijk; hunne kracht en onstuimigheid zijn dan buitengewoon groot, gelijk duidelijk te zien was aan de merken, die zij hadden achtergelaten. Des avonds bereikten wij de bronnen, waar wij vijf dagen bleven—de twee laatste, omdat de hevige regen ons terughield. De gebouwen bestaan uit een vierkant van armzalige kleine hutten, elk met ééne tafel en een bank. Zij liggen in eene enge en diepe vallei even buiten de centrale keten van het Andes-gebergte. Het is een rustig, eenzaam plekje met een overvloed van wild natuurschoon.De minerale bronnen van Cauquenes ontspringen op eene dislocatie-spleet,9welke door eene groep gelaagde steenen loopt. Alles te zamen verraadt de werking van hitte. Eene aanzienlijke hoeveelheid gas, vergezeld van water, ontsnapt voortdurend uit dezelfde openingen. Ofschoon de bronnen slechts enkele yards van elkander liggen, hebben zij zeer verschillende temperaturen; en dit schijnt het gevolg te wezen van eene ongelijke bijmenging van koud water, want die met de laagste temperatuur hebben bijna geen mineralen smaak. Na de vreeselijke aardbeving in 1822 hielden de bronnen op te vloeien, en duurde het bijna een jaar voordat het water terugkeerde. Ook de aardbeving van 1835 had eene groote uitwerking op ze, want hare temperatuur daalde plotseling van 118° tot 92°.10Er is reden om te onderstellen,dat minerale wateren welke diep uit de ingewanden der aarde ontspringen, altijd meer door onderaardsche werkingen worden gestoord, dan die nabij de oppervlakte. De man, die de bronnen bewaakte, verzekerde mij, dat het water des zomers heeter en overvloediger is dan des winters. De eerste omstandigheid had ik verwacht op grond van de geringere bijmenging van koud water in het droge jaargetijde; maar de laatste verklaring schijnt zeer vreemd en tegenstrijdig. De periodieke toeneming in den zomer, alser geen regen valt, kan, dunkt mij, alleen door het smelten van de sneeuw worden verklaard, ofschoon de bergen, die in dat jaargetijde met sneeuw bedekt zijn, drie of vierleaguesvan de bronnen af liggen. Ik heb geen reden om aan de geloofwaardigheid van mijn berichtgever te twijfelen, die verscheidene jaren op dezelfde plek heeft gewoond, en met de zaak dus wel bekend moet zijn. Is het geval waar, dan is het stellig zeer zonderling; want wij mogen aannemen, dat het sneeuwwater, als het door de poreuze lagen tot de warme onderaardsche ruimten is doorgedrongen, langs de lijn der verzette en ingespoten11gesteenten te Cauquenes weer naar de oppervlakte wordt gedreven; en de regelmatigheid van het verschijnsel zou dan een aanwijzing zijn, dat er in deze streek op geen zeer groote diepte gesmolten gesteente voorkwam.Op zekeren dag reed ik het dal in naar de verst bewoonde plek. Dicht voorbij deze plek verdeelt de vallei zich in twee vervaarlijke ravijnen, welke diep in de groote bergketen dringen. Ik beklom een steilen top van misschien meer dan 6000 voet hoogte. Hier, gelijk trouwens op alle punten, ontroldezich een panorama, dat de grootste belangstelling verdiende. Het was door een dezer ravijnen, dat Pincheira Chili binnentrok en de naburige landstreek verwoestte. Deze is dezelfde persoon, wiens aanval op eene estancia aan de Rio Negro ik reeds vroeger (Hoofdstuk IV, deel I) beschreven heb. Hij was een gedeserteerde Spaansche kleurling, die eene talrijke bende Indianen bijeenbracht, en zich bij eene rivier in de Pampas vestigde. Aan geen van de troepen, die uitgezonden waren om hem te zoeken, gelukte het zijn schuilplaats te vinden. Van dit punt ging hij op weg, trok over de Cordilleras langs passen welke vóor hem door niemand waren betreden, verwoestte de pachterswoningen en dreef het vee naar zijn schuilhoek. Pincheira was een verbazend ruiter, en hij maakte al zijne manschappen even kloek, doordien hij zonder genade elk neerschoot, die aarzelde hem te volgen. Het was tegen dezen man en andere zwervende Indiaansche stammen, dat Rosas den verdelgingskrijg begon.13 September.Wij verlieten de bronnen van Cauquenes, sloegen weder den grooten weg in, en sliepen aan de Rio Claro. Van dit punt reden wij naar de stad San Fernando. Voordat wij hier aankwamen, had het laatste door land ingesloten keteldal zich verruimd tot eene groote vlakte, die zich zoover zuidwaarts uitstrekte, dat het was als zag men de besneeuwde toppen der meer verwijderde Andes boven den horizon der zee liggen. San Fernando ligt 40leaguesvan Santiago, en was mijn verste punt zuidwaarts, want hier wendden wij ons rechthoekig naar de kust. Wij sliepen bij de goudmijnen van Yaquil, geëxploiteerd door zekeren Nixon: een welopgevoeden Amerikaan, aan wiens vriendelijkheid ik gedurende mijn vierdaagsch verblijf in zijn huis veel verschuldigd ben. Den volgenden morgen reden wij naar de mijnen, die eenigeleaguesver bij den top van een hoogen heuvel zijn gelegen. Onderweg zagen wij terloops het Tagua-meer, vermaard om zijne drijvende eilanden, waarvan Gay eenebeschrijving heeft gegeven.12Deze eilanden bestaan uit stengels van allerlei doode planten, die zich dooreenslingeren en waarop andere levenden wortel schieten. Meestal zijn zij cirkelvormig, bij eene dikte van 4 tot 6 voet, waarvan het grootste gedeelte onder water ligt. Steekt de wind op, dan drijven zij van den eenen kant van het meer naar den anderen, en nemen dikwijls vee en paarden als passagiers mede. Toen wij aan de mijn kwamen, stond ik getroffen over het bleeke uiterlijk van vele arbeiders. Op mijne vraag aan Nixon hoe hunne leefwijze was, vertelde hij mij het volgende. De mijn is 450 voeten diep, en elk arbeider draagt omstreeks 200 Eng. ponden gewicht aan steenen naar boven. Met dezen last moeten zij tegen boomstammen opklimmen, welke in eene zigzaglijn in de schacht staan, en waarin kruiselings kepen zijn gehakt. Zelfs baardelooze jongelieden, 18 en 20 jaren oud en met weinig ontwikkelde spieren (ik kon dit zien, daar zij slechts een broek aan het naakte lichaam hadden), klimmen met dezen zwaren last uit ongeveer dezelfde diepte. Een sterk man, die aan dit werk niet gewoon is, baadt reeds in zijn zweet als hij niet meer dan zijn eigen lichaam naar boven behoeft te dragen. Bij dezen zeer harden arbeid leven zij geheel van gekookte boonen en brood. Liever zouden zij alleen brood hebben; maar wijl hun meester in den waan is, dat zij van brood alleen zoo hard niet kunnen werken, behandelen zij hen als paarden en laten hen boonen eten. Het loon is hier iets hooger dan in de mijnen van Jajuel, nl. 24 tot 28 shillings per maand. Zij verlaten de mijnen slechts eenmaal in de drie weken, en blijven dan twee dagen bij hun gezin. Er bestaat hier een zeer krasse maatregel, die voor den opzichter echter van veel nut is. De eenige weg om goud te stelen is, dat men stukken erts wegbergt, en, zoodra er gelegenheid is, naar buiten brengt. Telkens als demayordomozulk een verborgen stuk ontdekt, wordt de volle waarde er van op de loonen van alle arbeiders verhaald, zoodat deze wel genoodzaakt zijn op elkander toezicht te houden, tenzij dat allen samenspannen.Als het erts naar den molen is gebracht, wordt het tot een uiterst fijn poeder vermalen; door wassching verwijdert men de lichtere deeltjes, en eindelijk wordt dooramalgamatiehet stofgoud gebonden. Volgens de beschrijving is het wasschen eene zeer eenvoudige bewerking; maar het is interessant te zien hoe gemakkelijk het poedervormige moedergesteente van het metaal zelf gescheiden wordt, door nauwkeurige regeling van den waterstroom naar het soortelijk gewicht van het goud. De slib die uit de molens komt, wordt in vijvertjes verzameld, waar zij bezinkt; nu en dan wordt zij hieruit verwijderd en op een zelfden hoop geworpen. Dan begint eene reeks van scheikundige werkingen: verschillende zouten kristalliseeren aan de oppervlakte, en de massa wordt hard. Nadat zij een jaar of twee zoo gelegen heeft, wordt zij opnieuw gewasschen, en scheidt dan goud af. Deze bewerking kan zes- of zevenmaal worden herhaald; maar telkens neemt de hoeveelheid goud af, en worden de vereischte tusschentijden langer.13Er valt niet aan te twijfelen, of de reeds genoemde scheikundige werking maakt telkens nieuw goud uit de eene of andere verbinding vrij. Het ontdekken van eene methode om zulks vóór het eerste vermalen te doen plaats hebben, zou de waarde van goudertsen ongetwijfeld vele malen verhoogen. Het is merkwaardig te zien, hoe de kleine hier en daar verspreide gouddeeltjes, die niet geheel vergaan zijn, zich eindelijk tot eene merkbare hoeveelheid ophoopen. Kort geleden kregen eenige mijnarbeiders, die zonder werk waren, verlof den grond om het huis en de molens af te schrapen; zij wieschen de aldus verkregen aarde, en scheidden zoo voor eene waarde van dertig dollars aan goud af. Dit is eene getrouwe kopij vanhetgeen in de natuur plaats heeft. Bergen zijn onderhevig aan verval en slijten, en met hen de metaaladeren, die zij bevatten. Het hardste gesteente wordt tot uiterst fijne modder herleid; de gewone metalen oxydeeren, en beiden worden weggevoerd. Maar goud, platina en enkele anderen zijn bijna onverwoestbaar, zinken door hun gewicht naar den bodem, en blijven daar achter. Nadat geheele bergen aldus door de hand der natuur vermalen, vergruisd en gewasschen zijn, wordt het overschot metaalhoudend, en acht de mensch het de moeite waard het scheidingswerk te voltooien.Al lijkt de bovengenoemde behandeling van de mijnwerkers ook slecht, toch wordt het werk gaarne door hen aangenomen, want de toestand der veldarbeiders is veel slechter. Hunne loonen zijn lager, en zij leven bijna uitsluitend van boonen. Deze armoede moet hoofdzakelijk worden toegeschreven aan de leenstelselvormige wijze, waarop het land bebouwd wordt. De landeigenaar geeft eene kleine plek gronds aan den arbeider, om daarop te bouwen en te kweeken, en heeft daarvoor dagelijks, zoolang hij leeft en zonder uitbetaling van loon, het gebruik van zijne diensten (of van die van een gevolmachtigde). Zoolang een vader geen volwassen zoon heeft, die met zijn arbeid de rente kan betalen, is er, behalve op enkele dagen, niemand die voor zijn stuk grond kan zorgen. Dientengevolge is de diepste armoede een gewoon verschijnsel onder de landbouwersklasse in Chili.In dezen omtrek bevinden zich eenige oude Indiaansche bouwvallen, en liet men mij een van die doorboorde steenen zien, welke, volgens Molina, op vele plaatsen in groot aantal worden gevonden. Zij zijn cirkelvormig, afgeplat, hebben eene middellijn van vijf tot zes inches, en eene opening in het midden. Algemeen heeft men ondersteld, dat zij als knoppen van knuppels werden gebruikt, al schijnt hun vorm ook geenszins voor dat doel geschikt te wezen. Burchell14zegt, dat sommige stammen in Zuid-Afrika wortels opgravenmet behulp van een stok, die aan het eene einde puntig is; een ronde steen met een gat in het midden, waarin het andere einde van den stok bevestigd is, verhoogt de kracht en het gewicht er van. Men acht het waarschijnlijk, dat de Indianen van Chili vroeger een of ander ruw landbouwwerktuig in gebruik hadden.Op zekeren dag kwam er bezoek van een Duitschen verzamelaar in natuurlijke historie, Renaus geheeten, en bijna tegelijktijdig van een ouden Spaanschen rechtsgeleerde. Met genoegen hoorde ik het gesprek aan, dat tusschen hen gevoerd werd. Renaus sprak het Spaansch zoo goed, dat de oude advocaat hem voor een Chileen hield. De Duitscher vroeg hem, op mij zinspelende, wat hij wel van den koning van Engeland dacht, die een geleerde naar Chili zond om hagedissen en kevers te verzamelen, en steenen te breken. De oude advocaat dacht eene poos ernstig na, en zeide toen:“Dat is niet goed.Hay un gato encerrado aqui(Hier schuilt wat achter). Niemand is zoo rijk, dat hij menschen kan uitzenden om zulke prullen te verzamelen. Mij bevalt het niet. Indien een van ons naar Engeland ging om zulke dingen te doen, gelooft u dan niet dat de koning van Engeland ons heel spoedig uit zijn land zou zetten?”En die oude rechtsgeleerde behoorde, ambtshalve, tot de beter onderrichte en meer beschaafde klasse! Drie of vier jaren geleden liet Renaus eenige rupsen in een huis te San Fernando onder bewaking van een meisje achter, dat ze zou voeden, opdat zij later in kapellen zouden veranderen. Dit werd ruchtbaar in de stad; de gouverneur en de geestelijken hielden raad, en meenden dat hier ketterij in ’t spel moest zijn. Diensvolgens werd Renaus bij zijn terugkeer gevangen genomen.19 September.Wij verlieten Yaquil en volgden de vlakke vallei, waardoor de Rio Tinderidica vloeit en van gelijken vorm als het Quillota-dal. Ofschoon deze vallei slechts enkele mijlen ten zuiden van Santiago ligt, is het klimaat er veel vochtiger, met het gevolg dat er fraaie stukken weiland zijn, die niet bevloeidworden. Den 20sten volgden wij deze vallei tot waar zij in eene groote vlakte overging, die van de zee tot aan het gebergte ten westen van Rancagua reikt. Weldra verdwenen alle boomen en zelfs de struiken, zoodat de bewoners bijna evenzeer van brandhout verstoken zijn als die van de Pampas. Daar ik nooit van deze vlakten gehoord had, stond ik zeer verrast een dergelijk landschap in Chili te vinden. De vlakten behooren tot meer dan eene reeks met afwisselende hoogten, en worden door breede dalen met vlakke bodems doorsneden. Deze beide omstandigheden getuigen, evenals in Patagonië, van de werking der zee op langzaam rijzend land. In de steile klippen, die deze dalen begrenzen, zijn eenige groote holen, die zonder twijfel het eerst door de golven gevormd zijn; een daarvan,La Cueva del Obispoof Het Bisschopshol genaamd, is beroemd en was voorheen heilig. Dien dag gevoelde ik mij zeer onwel, en met zoodanig gevolg, dat ik niet vóór het einde van October hersteld was.22 September.Onze tocht leidde voortdurend over groene, boomlooze vlakten. Den volgenden dag kwamen wij aan een huis bij Navedad aan de zeekust, waar een rijkehacienderoons onderkomen verschafte. Ik bleef hier de twee volgende dagen, en besteedde die, ofschoon ik zeer onwel was, aan het verzamelen van eenige zeeschelpdieren uit het Tertiaire Tijdvak.24 September.Thans was onze koers naar Valparaiso gericht, dat ik den 27sten met veel moeite bereikte, en waar ik tot het einde van October aan mijn bed gekluisterd bleef. Gedurende dien tijd woonde ik in het huis van Corfield, wiens vriendelijkheid jegens mij ik niet genoeg in woorden kan uitdrukken.Ik zal hier een paar opmerkingen bijvoegen over eenige viervoetige dieren en vogels van Chili. DePumaof ZuidamerikaanscheLeeuw is hier niet zeldzaam. Dit dier heeft eene groote geographische verspreiding, en wordt gevonden van af de bosschen aan den evenaar, in de woestijnen van Patagonië, tot 53° of 54° zuidelijk in de koude en vochtige streken van Vuurland. Ik heb zijn spoor gezien in de Cordilleras van Midden-Chili, op eene hoogte van minstens 1000 voet. In La Plata jaagt de puma voornamelijk op herten, struisvogels, bizcacha’s en andere kleine viervoeters; zelden valt hij daar vee of paarden aan, en hoogst zelden menschen. In Chili doodt hij echter vele jonge paarden en runderen, wat waarschijnlijk een gevolg is van de schaarschheid aan andere viervoetige dieren; ook hoorde ik, dat twee mannen en eene vrouw door deze dieren gedood waren. Men zegt, dat de puma zijne prooi altijd doodt, door deze op den schouder te springen, en dan met een zijner klauwen het hoofd naar achteren te trekken totdat de halswervels breken. In Patagonië heb ik geraamten van guanaco’s gezien, wier halswervels aldus ontwricht waren.Als de puma zijn bekomst heeft gegeten, bedekt hij het lijk met een aantal groote struiken, en gaat er dan bij liggen waken. Deze gewoonte is dikwijls oorzaak dat hij ontdekt wordt; want de condors die in de lucht zweven, komen telkens omlaag om hun deel van het maal te hebben, worden echter woedend verjaagd en vliegen alle tegelijk weer op. De Chileensche Guaso weet dan, dat ergens een leeuw zijne prooi bewaakt. De noodige bevelen worden gegeven, en mannen en honden snellen ter jacht. Sir F. Head zegt, dat een Gaucho in de Pampas alleen bij het zien van eenige condors die kringen in de lucht beschreven, uitriep: “Een leeuw!” Mijzelf is het nooit gelukt iemand te ontmoeten, die zulk een onderscheidingsvermogen bezat. Men zegt, dat, als een puma eenmaal op deze wijze bij het bewaken van een lijk overvallen en daarna opgejaagd is geworden, hij nooit die gewoonte meer volgt, maar dat hij, na zich zat te hebben gegeten, ver wegloopt. De puma wordt gemakkelijk gedood. In eene open of onbegroeide streek wordt hij eerst met de bolas gegrepen, dan gelazeerd, en langs den grond gesleepttotdat hij bewusteloos is. Te Tandeel, in het zuiden van La Plata, vertelde men mij, dat daar in drie maanden tijds honderd puma’s op die manier gedood waren. In Chili worden zij meestal uit struiken of boomen verdreven, en dan neergeschoten of door honden doodgebeten. De honden die voor deze jacht gebruikt worden, behooren tot een bijzonder ras,leonero’s15geheeten; deze zijn fijne, ranke dieren, evenals langbeenige terriers, maar met een aangeboren bijzonder instinct voor deze soort van jacht. De puma wordt beschreven als zeer listig; als hij vervolgd wordt, keert hij dikwijls op zijn eerste spoor terug, doet dan eensklaps een zijsprong in het kreupelhout, en wacht daar tot de honden voorbij zijn. Hij is een zeer stil dier, en laat, zelfs als hij gewond is, geen geluid hooren, tenzij eene enkele maal in den bronsttijd.Onder de vogels verdienen twee soorten van het geslachtPteroptochos(megapodiusenalbicollisvan Kittlitz) wellicht de meeste aandacht. De eerste, die door de Chilenen “el Turco” genoemd wordt, is zoo groot als een jeneverbeslijster (Turdus pilaris), waaraan hij ook eenigszins verwant is: met dit verschil, dat zijne beenen veel langer, zijn staart korter, en de bek sterker zijn. Zijne kleur is roodbruin. DeTurcois niet zeldzaam. Hij leeft op den grond, verscholen tusschen het kreupelhout dat op de droge en dorre heuvels is verspreid. Nu en dan kan men hem, met den staart overeind, op zijne steltvormige beenen met ongewone vlugheid uit het eene kreupelbosch naar het andere zien huppelen. Er is inderdaad weinig verbeelding noodig om te gelooven, dat de vogel over zichzelf beschaamd en zich zijne belachelijke figuur bewust is. Op het eerste gezicht is men geneigd uit te roepen: “Een afschuwelijk opgezet exemplaar is uit het een of ander museum ontsnapt en weer levend geworden!” Niet dan met de grootste moeite kan men hem dwingen op te vliegen; ook loopt hij niet, maar huppelt slechts. De verschillende luide kreten, die hijuit als hij in de struiken verborgen zit, zijn even vreemd als zijn voorkomen. Men zegt, dat hij in een diep gat onder den grond zijn nest bouwt. Ik ontleedde verscheidene exemplaren en vond in de maag, die zeer gespierd was, kevers, plantvezels en steentjes. Wegens dit kenteeken, alsook om zijne lange beenen, schraapvoeten, vliezig bekleedsel aan de neusgaten, en zijne korte gewelfde vleugels, schijnt deze vogel in zekeren zin de lijsters met de orde der Hoenders (Rasores) te verbinden.De tweede soort ofPteroptochos albicollisis, wat den vorm in ’t algemeen betreft, aan de eerste verwant. Deze vogel draagt den naam vanTapacolo: hetgeen beteekent: “bedek je achterdeel;” en dien naam verdient de schaamtelooze vogel ten volle, want hij draagt zijn staart meer dan rechtop, namelijk in eene richting naar den kop. Hij is zeer algemeen, en houdt zich op aan den voet van boomstammen, of in de struiken die op de naakte heuvels zijn verspreid, waar bijna geen andere vogel leven kan. In zijne gewone voedingswijze, zijn snel heen en weer huppelen uit de kreupelbosschen; in zijne zucht om zich te verschuilen, zijn onwil om te vluchten, en in de wijze waarop hij zijn nest bouwt, bezit hij veel overeenkomst met den Turco; maar zijn voorkomen is niet zoo geheel belachelijk. De Tapacolo is zeer listig. Als iemand hem schrik aanjaagt, blijft hij onbeweeglijk midden in een kreupelboschje zitten, en tracht dan na eene poos heel behendig aan den anderen kant weg te sluipen. Ook is hij een bedrijvige vogel, die voortdurend geluiden maakt. Deze geluiden zijn verschillend en tevens zeer zonderling; sommige gelijken veel op het gekir eener duif, andere op het geborrel van water, en vele tarten alle andere geluiden. Het landvolk zegt, dat hij vijfmaal in ’t jaar zijn geluid verandert, hetgeen vermoedelijk met eene verandering van seizoen in verband staat.16Twee soorten van kolibries zijn hier inheemsch:Trochilus forficatusvindt men over eene uitgestrektheid van 2500 mijlen aan de westkust, van af het heete droge land van Lima, tot aan de wouden van Vuurland, waar men hen in sneeuwstormen kan zien fladderen. Op het met bosschen bedekte eiland Chiloë, dat een uiterst vochtig klimaat heeft en waar dit vogeltje links en rechts tusschen de druipende bladeren springt, is het misschien talrijker dan bijna elke andere soort. Ik opende de magen van een aantal exemplaren, die in verschillende streken van dit werelddeel geschoten waren, en vond in alle even talrijke overblijfsels van insecten als in de maag van een specht. Als deze species des zomers naar het zuiden trekt, wordt zij vervangen door eene andere, die uit het noorden komt. Deze tweede soort (Trochilus gigas) is een zeer groote vogel in die tengere familie waartoe hij behoort. Als deze vogel vliegt, heeft hij een zonderling voorkomen. Evenals andere van het geslacht beweegt hij zich van plek tot plek met een snelheid, welke te vergelijken is bij die vanSyrphusonder de vliegen, en vanSphinxonder de nachtvlinders; maar als hij boven een bloem fladdert, klapwiekt hij zeer langzaam en krachtig op eene wijze geheel verschillend van die trillende beweging, welke aan de meeste soorten eigen is en het gonzende geluid voortbrengt. Nooit zag ik een anderen vogel, wiens vleugels zoo buitengewoon krachtig schenen (evenals bij een kapel) in verhouding tot het lichaamsgewicht. Als hij langs eene bloem fladdert, opent en sluit zijn staart zich als een waaier, terwijl het lichaam een bijna vertikalen stand behoudt. Deze staartbeweging schijnt den vogel tusschen de langzame slagen zijner vleugelste steunen en in evenwicht te houden. Ofschoon hij van de eene bloem naar de andere vliegt om voedsel te zoeken, bevatte zijne maag bij onderzoek meestal talrijke overblijfsels van insecten, zoodat ik vermoeddathij de laatsten veel meer zoekt dan honig. Het geluid van deze soort is uiterst doordringend, evenals dat van bijna de geheele familie.1of ongeveer 7040 Met. De Chimborazo is 20.700 voet of 6310 Met. hoog.(Vert.)2Thomas Cochrane (1775–1860), bekend Britsch admiraal, verviel in ongenade, omdat hij medeplichtig was aan het verspreiden van een valsch gerucht over Napoleon’s dood, ten einde zoode koersen der Staatsfondsen te influenceeren. Daarna diende hij in Chili, Brazilië en Griekenland.(Vert.)3Rondgang, of wel de open ruimte zelve, waar het weidende vee wordt bijeengedreven.(Vert.)4Beheerder van een landgoed, huishofmeester, intendant.(Vert.)5Lord Anson (1697–1762), een bekend Engelsch admiraal, streed voornamelijk tegen Spaansche schepen in den Stillen Oceaan. Hij bracht der Spaansche macht veel nadeel toe, en plunderde twee schatvaartuigen.6In Spaansche landen vormt het eene soort van gerecht van geroosterd rundvleesch in eene gekruidesausmet aardappelen.7Behoort tot de nachtzwaluwen (Caprimulgidae), OrdeMacrochires.(Vert.)8Rexwil zeggen “Koning,” enFinis“Einde.” De tekst zal waarschijnlijk doelen op GeorgeIVvan Engeland, die geboren werd in 1762 en regeerde van 1820–1830.(Vert.)9Onderdislocatieverstaat men in de geologie eenebreuken daaruit gevolgdeverplaatsingin de oorspronkelijk horizontaal afgezette aardlagen. Dit verschijnsel hangt ten nauwste samen met het inzinken van de aardkorst door het inkrimpen der kern.(Vert.)10Caldcleugh in de Philosoph. Transact. van het jaar 1836—Na de aardbeving, die plaats had op 19 November 1822, bleek een groot gedeelte der kust van Chili 3 tot 4 voet gerezen te zijn, zoodat onder tal van doode visschen, eene menigte strandschelpdieren blootkwamen, die nog aan de rotsen vastzaten. Bij die in Febr. 1835 waren de Chileensche vulkanenYantelesenOsornoin werking. De eerste ligt tegenover het eiland Chiloë, op 43° 29′ Z.B. en heeft eene hoogte van 2447 met.; de Osorno in de provincie Llanquihue op 41° 9′ Z.B., en is 2250 met. hoog. Ook toen steeg een deel van Chili.(Vert.)11Gedisloqueerde en geinjiciëerde, zegt men in wetenschappelijke termen. De afgekoelde ingespoten vulkanische gesteenten heetendijken.(Vert.)12“Annales des Sciences Naturelles,” mars 1833. Gay, een ijverig en bekend natuurvorscher, hield zich toen bezig met de studie van alle takken der natuurlijke historie in het koninkrijk Chili.13Volgens het zeggen der inboorlingen wordt in die tusschentijden het metaal “voortgebracht.”14Burchell’sTravels, deel II, blz. 45.15Leonero wil zeggen: leeuwenbewaker.16Het verdient opmerking, dat Molina, ofschoon alle vogels en viervoetige dieren van Chili uitvoerig beschrijvende, geen enkele maal van dit geslacht melding maakt, waarvan de soorten zoo algemeen zijn en zulke merkwaardige gewoonten hebben. Wist hij niet recht in welke klasse hij het zou plaatsen, en dacht hij daarom dat het raadzamer was te zwijgen? Het is alweer een voorbeeld van de vele gevallen dat schrijvers onderwerpen weglaten, waar men dit het minst zou verwachten.
Hoofdstuk XII.Midden-Chili.23 Juli 1834.DeBeagleankerde laat in den nacht in de baai van Valparaiso, de voornaamste zeehaven van Chili. Toen de morgen aanbrak, kreeg alles een verrukkelijk aanzien. Bij Vuurland vergeleken, was het klimaat hier bepaald heerlijk. De lucht was zoo droog, de hemel met de stralende zon zoo helder en blauw, dat de geheele natuur scheen te tintelen van leven. Het gezicht van uit de ankerplaats is zeer mooi. De stad is gebouwd aan den voet eener heuvelreeks, saamgesteld uit omtrent 1600 voet hooge en eenigszins steile bergen. Ten gevolge van hare ligging, bestaat zij uit eene lange, verspreid aangelegde straat, die evenwijdig loopt met het strand; en waar een ravijn uit het gebergte daalt, verheffen de huizen zich aan weerszijden daarvan. De ronde heuvels, door een schralen plantengroei slechts gedeeltelijk beschut, zijn doorploegd met tallooze kleine geulen, die een eigenaardigen lichtrooden grond ontblooten. Hierdoor, en ook door de lage gewitte huizen met pannen daken, herinnerde het gezicht mij aan Santa Cruz op Tenerife. In noordwestelijke richting zijn eenige fraaie vluchtige kijkjes op het Andes-gebergte; maar deze bergen schijnen veel hooger, als men hen van de naburige heuvels ziet; de groote afstand, waarop zij liggen, laat zich dan gemakkelijk begrijpen. De vulkaan Aconcagua is bijzonder indrukwekkend. Dit reusachtige en onregelmatig kegelvormigegevaarte heeft eene hoogte, welke die van den Chimborazo overtreft; want uit metingen, door de officieren van deBeagleverricht, bleek dat zijne hoogte niet minder dan 23.090 voet was.1Van dit punt bekeken, danken de Andes hunne schoonheid echter grootendeels aan den dampkring waardoor zij gezien worden. Het was bewonderenswaardig, als de zon in den Stillen Oceaan onderging, te zien hoe helder hunne zigzagvormige omtrekken onderscheiden konden worden, en toch hoe afwisselend en fijn hunne kleurschakeeringen waren.Hier had ik het geluk Mr. Richard Corfield te ontmoeten, een oud-vriend en schoolmakker, aan wiens gastvrijheid en vriendelijkheid ik veel verschuldigd ben, daar hij mij, zoolang deBeaglezich in Chili ophield, een hoogst aangenaam logies verschafte. De onmiddellijke omgeving van Valparaiso levert voor den natuuronderzoeker niet heel veel op. Gedurende den langen zomer blaast de wind voortdurend uit het zuiden en op eenigen afstand van het strand, zoodat er dan nooit regen valt; maar in de drie wintermaanden regent het overvloedig. Dientengevolge is de plantengroei zeer schraal: behalve in sommige dalen, zijn er geen boomen; alleen zijn de minder steile gedeelten der heuvelreeks hier en daar met wat gras en eenige lage struiken begroeid. Zoo wij bedenken, dat 350 mijlen ver naar het zuiden de helling van het Andes-gebergte geheel achter een ondoordringbaar woud verscholen ligt, is de tegenstelling zeer merkwaardig. Bij het verzamelen van voorwerpen op het gebied der natuurlijke historie, deed ik vele verre wandelingen. Voor oefening biedt het land eene gezochte gelegenheid. Er zijn vele zeer fraaie bloemen; en evenals in de meeste andere droge klimaten, bezitten de planten en heesters sterke en eigenaardige geuren, die zich zelfs aan de kleêren meedeelden, als men tusschen die planten door drong. Er kwam geen einde aan mijne verwondering, toenhet alle dagen even mooi weer was. Welk een verschil maakt het klimaat op ons levensgenot! Hoe geheel anders zijn de gewaarwordingen, als men zwarte bergen ziet die half in wolken zijn gehuld, of eene bergketen zooals de Andes door den lichtblauwen damp van een fraaien dag! Het een moge voor eenigen tijd zeer verheven zijn; het andere biedt ons al vroolijkheid en levenslust.14 Augustus.Dezen dag ondernam ik een tocht te paard, met het doel de benedengedeelten van het Andes-gebergte, die slechts in dezen tijd van het jaar niet door de wintersneeuw ontoegankelijk zijn, geologisch te onderzoeken. Den eersten dag reden wij in noordelijke richting langs de kust. Toen het donker was, bereikten wij de Hacienda van Quitero, het landgoed dat vroeger aan lord Cochrane2behoorde. Het doel mijner komst alhier was de groote schelpenlagen te zien, die eenige yards boven den zeespiegel liggen en tot kalk verbrand worden. Van de rijzing dezer geheele kustlijn bestaan ondubbelzinnige bewijzen; ter hoogte van enkele honderden voeten liggen talrijke oud-typische schelpen, en ik vond zelfs eenige op 1300 voet. Deze schelpen liggen òf los aan de oppervlakte, òf in een roodachtig zwarten plantaardigen grond. Bij onderzoek met den microscoop vond ik tot mijne groote verrassing, dat deze plantaardige grond werkelijk zeemodder is, vol kleine deeltjes van organische lichamen.15 Augustus.Wij reden naar het Quillota-dal terug. De streek was hoogst aangenaam—juist wat de dichters “landelijk” zouden noemen: groene open grasvelden, gescheiden door kleine dalen met riviertjes, en op de heuvelhellingen hier en daar eenige hutten, waarschijnlijk van de schaapherders. Wij waren verplicht den kam van den Chilicauquen over te trekken. Aan den voethiervan stonden vele fraaie, altijd groene woudboomen; maar deze bloeiden alleen in de ravijnen, waar stroomend water was. Wie alleen het land in de nabijheid van Valparaiso gezien had, zou zich nooit hebben voorgesteld dat er zulke schilderachtige plekjes in Chili waren. Zoodra wij den rand der Sierra bereikten, lag het Quillota-dal vlak onder onze voeten. Het uitzicht was merkwaardig om den rijkdom van kweekgewassen. Het dal is zeer breed en geheel vlak, zoodat de bevloeiing overal gemakkelijk is. De kleine vierkante tuinen bevatten overvloed van oranje- en olijfboomen, en alle soorten groenten. Aan alle kanten verrijzen reusachtige naakte bergen, die door hunne tegenstelling den bonten aanblik van het dal nog aantrekkelijker maken. Wie “Valparaiso” het “Paradijsdal” noemde, moet ongetwijfeld aan Quillota hebben gedacht. Wij staken over naar de Hacienda de San Isidro, die aan den voet van den Klokberg ligt.Chili is, gelijk men op de kaarten zien kan, eene smalle strook lands tusschen de Cordilleras en den Stillen Oceaan, welke strook op hare beurt door talrijke bergreeksen wordt doorsneden, die in dit gedeelte evenwijdig loopen met de hoofdketen. Tusschen deze bergketens en de groote Cordilleras strekt zich eene reeks vlakke dalkommen, die meest met nauwe uitgangen in elkander loopen, tot ver naar het zuiden uit. Daarin liggen de voornaamste steden, als San Felipe, Santiago, San Fernando en andere. Ik twijfel niet of deze dalkommen of vlakten zijn, evenals de horizontale dwarsdalen (bijv. het Quillota-dal) die ze met de kust verbinden, de bodems van oude inhammen en diepe baaien, van gelijken aard als die welke nu elk deel van Vuurland en de westkust doorsnijden. Chili moet in vroegere tijdperken, wat de verdeeling van zijn land en water betreft, op laatstgenoemd land geleken hebben. Treffend bleek die gelijkenis nu en dan, wanneer een vlakke mistbank al de lagere gedeelten van het land als met een mantel bedekte. Wanneer de witte damp in de ravijnen kronkelde, bood hij eene fraaie voorstelling van kleine kreken en baaien; eneen eenzaam hier en daar opduikend heuveltje toonde, dat het daar vroeger als eilandje gestaan had. De tegenstelling dezer vlakke dalen en dalkommen met de onregelmatig gevormde bergen, gaven aan het landschap een kenmerk, dat nieuw en zeer belangwekkend voor mij was.De natuurlijke glooiing dezer vlakten naar den zeekant maakt de bevloeiing er van zeer gemakkelijk, en dientengevolge zijn zij bijzonder vruchtbaar. Zonder die bewatering zou het land bijna niets voortbrengen, want den geheelen zomer door is de lucht onbewolkt. De bergen en heuvels zijn hier en daar met struiken en lage boomen bedekt; maar dezen uitgezonderd, is de plantengroei zeer arm. Elk landeigenaar in het dal bezit een zekere uitgestrektheid heuvelland, waar zijn half wild vee in grooten getale rondzwerft om genoegzaam gras te vinden. Eens in het jaar is er een grooterodeo,3als wanneer al het vee naar het dal gedreven, geteld en gemerkt wordt, en men een zeker aantal afzondert voor vetmesting in de bevloeide velden. Tarwe wordt op ruime schaal gekweekt, benevens zeer veel maïs; maar het voornaamste voedingsmiddel van den gewonen arbeider is eene soort boon. De boomgaarden brengen een overvloedigen voorraad perziken, vijgen en druiven voort. Bij al deze voordeelen moest het den bewoners van het land meer voor den wind gaan dan wel het geval is.16 Augustus.Demayordomo4van de hacienda was zoo goed mij een gids en versche paarden te geven; en zoo gingen wij des morgens op weg om deCampanaof Klokberg te bestijgen, die 6400 voet hoog is. De paden waren zeer slecht; maar zoowel de geologische gesteldheid van het terrein als het landschap zelf beloonden ruimschoots de moeite. Des avonds bereikten wij eene bron,Agua del Guanacogenoemd, die opeene aanzienlijke hoogte ligt. Deze naam moet van ouden oorsprong zijn, want het is zeer vele jaren geleden, dat een guanaco het water uit die bron dronk. Gedurende de beklimming merkte ik op, dat aan de noordelijke helling niets dan struiken groeiden, aan de zuidelijke, echter, een bamboesriet van omstreeks 15 voet hoogte. Op enkele plaatsen stonden palmboomen, en met verbazing zag ik er een op eene hoogte van minstens 4500 voet. Deze palmen zijn leelijke boomen in hunne familie. Hun stam is zeer breed en zonderling gevormd, daar hij in het midden dikker is dan aan den voet of top. In sommige gedeelten van Chili zijn zij buitengewoon talrijk, en wegens eene soort stroop, die uit hun sap gemaakt wordt, gezocht. Op een landgoed bij Petorca trachtte men hen te tellen, doch moest dit opgeven, toen men een cijfer van vele honderdduizenden bereikt had. Vroeg in de lente (in Augustus) worden ieder jaar vele palmen geveld; en als de stam op den grond ligt, wordt zijn bladerkroon gesnoeid. Onmiddellijk begint dan het sap uit het boveneinde te vloeien, hetgeen eenige maanden lang aanhoudt. Men moet echter elken morgen een dun laagje van dat einde afschaven, om eene versche oppervlakte te ontblooten. Een goede boom zal 90gallons(ongeveer 409 lit.) geven; en dit alles moet in de vaten van den schijnbaar drogen stam gezeten hebben. Naar men zegt, vloeit het sap veel sneller op dagen van fellen zonneschijn; ook beweert men, dat het volstrekt noodig is zorg te dragen, dat de boom bij het omhakken met zijn top naar boven op de helling van den heuvel valt; want valt hij de helling af, dan zal er bijna geen sap uitvloeien. Oppervlakkig zou men denken, dat in het laatste geval, door de zwaartekracht, de werking versterkt in plaats van verzwakt zou worden. Door koking wordt het sap verdikt en dan stroop genoemd, waarop het in smaak zeer veel gelijkt.Wij ontzadelden onze paarden bij de bron, en maakten ons gereed den nacht door te brengen. Het was eene schoone avond, en de lucht was zoo helder, dat de masten der in de baai van Valparaiso voor anker liggende schepen duidelijkals kleine zwarte strepen te onderkennen waren, hoewel de afstand niet minder dan 26geographical miles(48.2 kilom.) bedroeg. Een schip, dat met volle zeilen de landtong omvoer, vertoonde zich als een heldere witte stip. Anson5laat op zijn tocht veel verwondering blijken over den afstand, waarop zijne schepen van de kust uit gezien werden; doch hij hield niet voldoende rekening met de hoogte van het land en de groote doorschijnendheid der lucht.Het ondergaan der zon was prachtig. Terwijl de dalen in diepe duisternis lagen, vertoonden de besneeuwde Andes-toppen eene robijnkleurige tint. Toen het donker was, maakten wij onder een klein priëel van bamboes vuur, braadden onzecharqui(reepjes gedroogd ossevleesch)6dronken onzematé, en waren recht op ons gemak. Er ligt eene onuitsprekelijke bekoring in zulk een leven in de open lucht. De avond was kalm en stil; alleen hoorde men nu en dan het schelle geluid van de bergbizcacha, en den zwakken kreet van den geitenmelker (Caprimulgus europaeus).7Behalve dezen, bewonen weinige vogels of zelfs insecten deze droge, verschroeide bergen.17 Augustus.Des morgens beklommen wij den ruwen klomp groensteen, die den top bedekt. Zooals vaak gebeurt, was dit gesteente zeer verbrokkeld en lag in groote hoekige stukken verspreid. Ik ontdekte echter eene merkwaardige bijzonderheid, nl. dat vele oppervlakken alle graden van verschheid vertoonden: sommige steenen schenen den vorigen dag gebroken te zijn, op anderehadden zich zoo even korstmossen neergezet, of daar reeds lang gegroeid. Ik geloofde zoo stellig, dat ditaan devele aardbevingen moest worden toegeschreven, dat ik lust gevoelde van elken lossen stapel weg te loopen. Daar men zich in dergelijke feiten zeer licht vergist, twijfelde ik aan de juistheid er van, totdat ik den berg Wellington op Van-Diemensland besteeg, waar geene aardbevingen voorkomen; en daar zag ik den bergtop even zoo samengesteld en verbrokkeld, met dit verschil, dat het scheen of alle brokkenduizendenjaren geleden zoo waren neergeworpen, als zij nu lagen.Wij brachten den dag op den top door; en nooit smaakte ik zoo volop genot als toen. Ik zag Chili, begrensd door de Andes en den Stillen Oceaan, als op eene landkaart voor mij. Het genot van dit op zichzelf reeds schoone panorama werd verhoogd door de vele beschouwingen, die zich aan ons opdrongen bij het zien van de Campana-keten met hare kleinere evenwijdig loopende bergreeksen, en van het breede Quillota-dal, dat die ketens rechtstreeks snijdt. Wie zou zich niet verwonderen over de kracht, die deze bergen heeft opgeheven, en meer nog over de tallooze eeuwen, die voor het doorbreken, uit den weg ruimen en sloopen van geheele berggevaarten noodig moeten geweest zijn? Men denke in dat geval aan de uitgestrekte grint- en sedimentaire lagen van Patagonië, die, als zij op de Andes werden gestapeld, hunne hoogten met vele duizenden voeten zouden vermeerderen. Toen ik in dat land was, verwonderde ik mij, dat eene bergketen zulke groote hoeveelheden steen kon hebben geleverd, zonder geheel te verdwijnen. Thans moeten wij onze verwondering niet omkeeren, en twijfelen of de alvermogende tijd in staat is bergen—zelfs de reusachtige Andes—tot grint en modder te vermalen!Het voorkomen van de Cordilleras was anders dan ik verwacht had. De onderste sneeuwgrens was natuurlijk horizontaal, en juist evenwijdig met die grens schenen de effen toppen der keten te loopen. Maar op enkele ver van elkander gelegen punten wees eene groep bergtoppen of een enkelekegel de plaats aan, waar een vulkaan bestaan had of nog bestond. Zoodoende geleek de bergketen op een reusachtigen steenen muur, waarop hier en daar een toren stond, en die het land op devolmaaktstewijze afsloot. In bijna elk deel van den Klokberg waren boringen verricht, om te trachten goudgroeven te openen. De delfwoede had bijna geen enkele plek in Chili onaangeroerd gelaten.Ik bracht den avond door zooals te voren, in gesprek met mijne twee metgezellen om het wachtvuur. DeGuasosvan Chili, die overeenkomen met deGauchosvan de Pampas, zijn echter een geheel ander slag menschen. Van deze twee landen is Chili het beschaafdere, en bijgevolg hebben zijne inwoners veel van hun persoonlijk karakter verloren. Verschillen in rangen komen veel scherper uit. De Guaso beschouwt volstrekt niet elk mensch als zijns gelijke. Zeer verwonderde het mij te zien, dat mijne metgezellen niet tegelijk met mij wilden eten. Dit gevoel van ongelijkheid is een noodzakelijk gevolg van het bestaan eener vermogens-aristocratie. Men zegt, dat zeer enkele van de groote landeigenaars vijf- tot tienduizend pond sterling jaarlijksch inkomen bezitten: welk verschil in rijkdom, naar ik geloof, in geen der verschillende landen ten oosten van de Andes gevonden zal worden. Een reiziger vindt hier niet die onbeperkte gastvrijheid, welke alle betaling weigert; toch wordt zij zoo vriendelijk aangeboden, dat men haar zonder schroom kan aanvaarden. Bijna elk huis in Chili zal u des nachts opnemen, doch men verwacht, dat ge des morgens eene kleinigheid zult geven; en zelfs een rijk man zal twee of drie shillings aannemen. De Gaucho is een “fatsoenlijk man,” eengentleman, al is hij ook een moordenaar; de Guaso is in vele opzichter beter, maar tevens een alledaagsch man uit het volk. Ofschoon beide mannen hetzelfde beroep hebben, verschillen zij in hunne gewoonten en kleeding; en de eigenaardigheden die elk bezit, zijn in de wederzijdsche landen algemeen. De Gaucho schijnt één te zijn met zijn paard, en versmaadt alle krachtsinspanning, wanneer hij op den rug van het dier zit; denGuaso kan men huren om als arbeider in het veld te werken. De eerste leeft geheel van dierlijk voedsel; de laatste bijna geheel van planten. Hier zien wij niet de witte laarzen, de wijde onderbroek en scharlakenroodechilipa—het schilderachtige kostuum der Pampas. Hier wordt de gewone broek door zwart- en groen-sajetten slobkousen bedekt. Bij beiden echter is deponchoin gebruik. Bij den Guaso zijn het meest de sporen in eere, die overdreven groot zijn. Ik mat er een, waarvan het wieltje zes inches middellijn had en aan den omtrek meer dan dertig punten telde. De stijgbeugels zijn op gelijke schaal, en bestaan elk uit een vierkant gebeiteld stuk hout, dat, ofschoon uitgehold, nog drie of vierpoundsweegt. De Guaso is met den lazo misschien meer bedreven dan de Gaucho, maar de geaardheid van zijn land brengt mede, dat hij het gebruik der bolas niet kent.18 Augustus.Wij daalden den berg af, en gingen voorbij eenige kleine gehuchten met riviertjes en fraai geboomte. Nadat wij in dezelfde hacienda hadden geslapen als te voren, reden wij op de twee volgende dagen het dal in en bereikten zoo Quillota, dat meer een verzameling van kweektuinen dan eene stad is. De boomgaarden waren schoon en vertoonden eene aaneenschakeling van perzikbloesems. Ook zag ik op een of twee plaatsen den dadelpalm. Dit is een statige boom, en ik geloof dat eene groep daarvan in hunne oorspronkelijke Aziatische of Afrikaansche woestijnen een prachtigen aanblik moet opleveren. Ook reden wij door San Felipe, eene aardige uitgebouwde stad, evenals Quillota. Op dit punt verwijdt zich het dal tot een dier groote ruimten of vlakten, die tot aan den voet der Cordilleras reiken, en, gelijk wij gezegd hebben, zulk een merkwaardig deel van het landschap in Chili uitmaken. Des avonds bereikten wij demijnen vanJajuel, gelegen in een ravijn ter zijde van de groote keten. Ik bleef hier vijf dagen. Mijn gastheer, de hoofdopzichter der mijn, was een schrander maar eenigszins onwetend mijnwerker uit Cornwallis. Hij had eene Spaansche vrouw getrouwd enwas niet van plan naar zijn land terug te keeren; maar zijne bewondering voor de mijnen van Cornwallis kende nog steeds geen grenzen. Onder vele andere vragen die hij mij deed, was ook deze:“Nu GeorgeRexdood is, hoeveel blijven er van de familieRexnog in leven?”Deze “Rex” moet stellig een bloedverwant zijn van den grooten schrijverFinis, die alle boeken schreef!8De mijnen van Jajuel zijn kopermijnen, en al het erts verscheept men naar Swansea in Glamorganshire (Wallis), waar het gesmolten wordt. Zoodoende hebben deze mijnen een bijzonder kalm aanzien, vergeleken bij die in Engeland; geen rook, geen ovens of groote stoomwerktuigen verstoren de stilte der naburige bergen.Het Chileensche gouvernement, of liever de oude Spaansche wet moedigt op allerlei wijzen het zoeken naar mijnen aan. De ontdekker mag, tegen betaling van vijf shillings, eene mijn ontginnen op welken grond ook, en mag haar twintig dagen lang zelfs in den tuin van een ander beproeven, voordat hij die som betaalt.Men weet thans, dat de Chileensche manier van mijnontginning de goedkoopste is. Mijn gastheer zegt, dat de twee voornaamste verbeteringen die de vreemdelingen hebben ingevoerd, geweest zijn: 1o. reductie van de koperpyrieten door voorafgaande roosting; (de Engelsche mijnwerkers zagen namelijk, bij hunne komst in Chili, tot hunne groote verbazing, dat dit erts als waardeloos werd weggeworpen); 2o. het fijnstampen en wasschen van de slakken uit de oude ovens—een proces waardoor een overvloed van metaaldeeltjes gewonnen wordt. Inderdaad heb ik eene lading van zulke sintels door muilezels naar de kust zien brengen, ter verzending naar Engeland. Maar het eerste geval is wel het meest merkwaardige. De Chileensche mijnwerkerswaren zoo overtuigd, dat koperpyrieten geen metaaldeeltjes bevatten, dat zij de Engelschen om hunne onwetendheid uitlachten; maar dezen lachten op hunne beurt, en kochten de rijkste aderen voor enkele dollars. Het is zeer zonderling, dat in een land waar de mijnontginning vele jaren lang op uitgebreide schaal gedreven wordt, zulk eene eenvoudige bewerking, als zacht roosten van het erts voor de smelting om de zwavel te verwijderen, nooit ontdekt is geworden. Ook heeft men in enkele eenvoudige werktuigen eenige verbeteringen aangebracht; maar zelfs nu nog wordt uit sommige mijnen het water verwijderd door mannen, die het in lederen zakken door de schacht naar boven brengen!De arbeiders werken zeer hard. Er wordt hun weinig tijd voor hunne maaltijden gegund; in zomer en winter beginnen zij met het aanbreken van den dag, en eindigen als het donker is. Zij worden betaald met éen pond sterling ’s maands, en hebben bovendien den kost, die bij het ontbijt uit zestien vijgen en twee kleine broodjes, bij het middagmaal uit gekookte boonen, en bij het avondeten uit kliekjes geroosterde tarwekorrels bestaat. Vleesch proeven zij bijna nooit; en van de twaalf pond ’s jaars moeten zij zich kleeden en hun gezin onderhouden. De arbeiders die in de mijn zelve werken, hebben 25 shillings per maand, en ontvangen een kleine portiecharqui. Maar deze mannen komen slechts eens in de veertien dagen of drie weken uit hunne zwarte onderaardsche verblijven.Gedurende mijn oponthoud alhier genoot ik volop van het dolen over deze reusachtige bergen. De geologische gesteldheid was, zooals men denken kan, zeer belangwekkend. De gebroken en samengebakken rotsen met hare tallooze doorsnijdingen van groensteen-dijken, getuigden welke beroeringen vroeger hadden plaats gehad. Het landschap geleek veel op dat bij de Campana in het Quillota-dal: dorre naakte bergen, waarop hier en daar wat struikgewas met schraal gebladerte. De cactussen, of liever deOpuntia’s, waren hier zeer talrijk. Ik mat er een van bolvormige gedaante,die zes voet en vier inches in omtrek had, de dorens medegerekend. De hoogte der gewone cilindrische vertakte soort bedraagt 12 tot 15 voet; en de omtrek der takken met de dorens 3 en 4 voet.Een hevige sneeuwval in het gebergte belette mij op de laatste twee dagen eenige belangrijke uitstappen te doen. Ik trachtte een meer te bereiken, dat de inwoners, om eene of andere onverklaarbare reden, voor een zeearm houden. Eens, in een zeer droog jaargetijde, stelde men voor eene poging te doen om van daaruit een kanaal voor watertoevoer te graven; doch na beraad verklaarde de geestelijke dat dit te gevaarlijk was, daar geheel Chili zou onderloopen, indien, zooals algemeen ondersteld werd, het meer met den Stillen Oceaan in verbinding stond. Wij stegen tot eene aanzienlijke hoogte, maar konden, door de samengewaaide sneeuw die ons omringde, dit wonderlijke meer niet bereiken, en aanvaardden met eenige moeite den terugtocht. Ik dacht, dat wij onze paarden zouden verliezen, want wij konden niet nagaan hoe diep de sneeuw was; en de dieren die bij den teugel werden geleid, konden niet anders dan springende vooruitkomen. De donkere lucht bewees, dat zich nieuwe sneeuwwolken samenpakten, zoodat wij niet weinig in onzen schik waren een heenkomen te vinden. Nauwelijksbereiktenwij den voet, of de bui barstte los, en het was een geluk voor ons, dat dit niet drie uren vroeger op den dag gebeurde.26 Augustus.Wij verlieten Jajuel en reden opnieuw het dal van San Felipe in. Het was een echt Chileensche dag: een verblindend lichte hemel, en een volkomen heldere lucht. Het dikke en gelijkmatige dek van versch gevallen sneeuw maakte het gezicht op den vulkaan Aconcagua en de groote keten inderdaad prachtvol. Wij waren nu op weg naar Santiago, de hoofdstad van Chili. Wij trokken over de Cerro del Talguen, en sliepen in een kleinenrancho. Sprekende over den toestand van Chili in vergelijking met andere landen, zeide onze gastheer gelaten:“Sommige menschen zien met twee oogen, anderen met een; maar ik voor mij geloof, dat Chili met geen van beiden ziet.”27 Augustus.Nadat wij een aantal lage bergjes waren overgetrokken, daalden wij af in de kleine door land ingesloten Guitron-vlakte. In dalkommen, zooals deze, die een- tot tweeduizend voet boven zee liggen, groeien zeer talrijke, doch weinig ontwikkelde acacia’s, die op grooten afstand van elkander staan en tot twee species behooren. Eene andere kenmerkende bijzonderheid in het landschap dezer dalkommen is, dat men deze boomen nooit nabij de zeekust vindt. Wij trokken over een lagen bergrug, welke Guitron scheidt van de groote vlakte waarop Santiago ligt. Hier was het uitzicht in hooge mate verrassend: eene doodsche, effene vlakte, gedeeltelijk met acacia-bosschen bedekt, en in de verte de stad, die horizontaal aan den voet der Andes grensde, welker besneeuwde toppen in de avondzon blonken. Bij den eersten aanblik was het volkomen duidelijk, dat deze vlakte den bodem eener voormalige binnenzee vormde. Zoodra wij op den vlakken weg waren, zetten wij onze paarden in galop, en bereikten voordat het donker was de stad.Ik bleef een week in Santiago en genoot zeer veel. Des morgens reed ik naar verschillende plaatsen op de vlakte, en des avonds at ik bij verschillende Engelsche kooplieden, wier gastvrijheid te dezer stede wel bekend is. Een nooit falende bron van genoegen was het afdalen langs den kleinen rotsheuvel Santa Lucia, die midden in de stad uitloopt. De streek is inderdaad hoogst verrassend en, zooals ik gezegd heb, zeer eigenaardig. Naar men mij bericht, dragen de steden in de groote Mexicaansche hoogvlakte hetzelfde kenmerk. Van de stad heb ik niets bijzonders te zeggen; zij is niet zoo fraai en groot als Buenos Aires, maar volgens hetzelfde plan gebouwd. Ik kwam hier langs een omweg naar het noorden, en besloot nu door een eenigszins langeren tocht, ten zuiden van den rechten weg, naar Valparaiso terug te keeren.5 September.Op het midden van den dag kwamen wij aan een der uit huiden vervaardigde hangbruggen over de Maypu—eene breede schuimende rivier, enkeleleaguesten zuiden van Santiago gelegen. Deze bruggen zijn zeer ellendig ingericht. De weg, die de kromming der hangtouwen volgt, is gemaakt van dicht bij elkander geplaatste bundels takken. Hij was vol gaten, en slingerde tamelijk dreigend, zelfs onder het gewicht van een man met zijn paard aan den teugel. Des avonds bereikten wij eene geriefelijke pachterswoning, waar ik verscheidene zeer lieve segnoritas ontmoette. Toen deze vernamen, dat ik louter uit nieuwsgierigheid eene harer kerken was binnengegaan, ontstelden zij zeer.“Waarom wordt u geen christen, segnor Darwin? Onze godsdienst berust op zekere grondslagen,” zeiden zij mij.Of ik haar al verzekerde, dat ik eene soort van christen was, wilden zij hier niet van hooren en beriepen zich op mijne eigene woorden.“U zegt immers, dat uwe geestelijken en bisschoppen trouwen, niet waar?”De ongerijmdheid, dat een bisschop eene vrouw had, trof haar bijzonder. Ternauwernood wisten zij of zij om zulk eene gruweldaad eens hartelijk moesten lachen, dan wel zich ergeren.6 September.Wij trokken regelrecht zuidwaarts en sliepen te Rancagua. De weg liep door eene effen maar smalle vlakte, aan den eenen kant door hooge heuvels, aan den anderen kant door de Cordilleras begrensd. Den volgenden dag sloegen wij het dal in van de Rio Cachapual, waarin de sedert lang om hare geneeskrachtige eigenschappen vermaarde heete bronnen van Cauquenes gelegen zijn. In de minder bezochte gedeelten worden de hangbruggen gedurende den winter, als de rivieren laag zijn, meestal weggenomen. Zulks was ook het geval in de Rio Cachapual-vallei, zoodat wij genoodzaakt waren te paard den stroom over te steken. Dit is vrij onaangenaam, wijl het schuimende water, dat echter niet diep is, zoo snel doorhet bed van groote, ronde steenen loopt, dat het hoofd er van duizelt, en het zelfs moeilijk is te zien of het paard voortloopt dan wel stilstaat. Des zomers, als de sneeuw smelt, zijn de stroomen geheel ontoegankelijk; hunne kracht en onstuimigheid zijn dan buitengewoon groot, gelijk duidelijk te zien was aan de merken, die zij hadden achtergelaten. Des avonds bereikten wij de bronnen, waar wij vijf dagen bleven—de twee laatste, omdat de hevige regen ons terughield. De gebouwen bestaan uit een vierkant van armzalige kleine hutten, elk met ééne tafel en een bank. Zij liggen in eene enge en diepe vallei even buiten de centrale keten van het Andes-gebergte. Het is een rustig, eenzaam plekje met een overvloed van wild natuurschoon.De minerale bronnen van Cauquenes ontspringen op eene dislocatie-spleet,9welke door eene groep gelaagde steenen loopt. Alles te zamen verraadt de werking van hitte. Eene aanzienlijke hoeveelheid gas, vergezeld van water, ontsnapt voortdurend uit dezelfde openingen. Ofschoon de bronnen slechts enkele yards van elkander liggen, hebben zij zeer verschillende temperaturen; en dit schijnt het gevolg te wezen van eene ongelijke bijmenging van koud water, want die met de laagste temperatuur hebben bijna geen mineralen smaak. Na de vreeselijke aardbeving in 1822 hielden de bronnen op te vloeien, en duurde het bijna een jaar voordat het water terugkeerde. Ook de aardbeving van 1835 had eene groote uitwerking op ze, want hare temperatuur daalde plotseling van 118° tot 92°.10Er is reden om te onderstellen,dat minerale wateren welke diep uit de ingewanden der aarde ontspringen, altijd meer door onderaardsche werkingen worden gestoord, dan die nabij de oppervlakte. De man, die de bronnen bewaakte, verzekerde mij, dat het water des zomers heeter en overvloediger is dan des winters. De eerste omstandigheid had ik verwacht op grond van de geringere bijmenging van koud water in het droge jaargetijde; maar de laatste verklaring schijnt zeer vreemd en tegenstrijdig. De periodieke toeneming in den zomer, alser geen regen valt, kan, dunkt mij, alleen door het smelten van de sneeuw worden verklaard, ofschoon de bergen, die in dat jaargetijde met sneeuw bedekt zijn, drie of vierleaguesvan de bronnen af liggen. Ik heb geen reden om aan de geloofwaardigheid van mijn berichtgever te twijfelen, die verscheidene jaren op dezelfde plek heeft gewoond, en met de zaak dus wel bekend moet zijn. Is het geval waar, dan is het stellig zeer zonderling; want wij mogen aannemen, dat het sneeuwwater, als het door de poreuze lagen tot de warme onderaardsche ruimten is doorgedrongen, langs de lijn der verzette en ingespoten11gesteenten te Cauquenes weer naar de oppervlakte wordt gedreven; en de regelmatigheid van het verschijnsel zou dan een aanwijzing zijn, dat er in deze streek op geen zeer groote diepte gesmolten gesteente voorkwam.Op zekeren dag reed ik het dal in naar de verst bewoonde plek. Dicht voorbij deze plek verdeelt de vallei zich in twee vervaarlijke ravijnen, welke diep in de groote bergketen dringen. Ik beklom een steilen top van misschien meer dan 6000 voet hoogte. Hier, gelijk trouwens op alle punten, ontroldezich een panorama, dat de grootste belangstelling verdiende. Het was door een dezer ravijnen, dat Pincheira Chili binnentrok en de naburige landstreek verwoestte. Deze is dezelfde persoon, wiens aanval op eene estancia aan de Rio Negro ik reeds vroeger (Hoofdstuk IV, deel I) beschreven heb. Hij was een gedeserteerde Spaansche kleurling, die eene talrijke bende Indianen bijeenbracht, en zich bij eene rivier in de Pampas vestigde. Aan geen van de troepen, die uitgezonden waren om hem te zoeken, gelukte het zijn schuilplaats te vinden. Van dit punt ging hij op weg, trok over de Cordilleras langs passen welke vóor hem door niemand waren betreden, verwoestte de pachterswoningen en dreef het vee naar zijn schuilhoek. Pincheira was een verbazend ruiter, en hij maakte al zijne manschappen even kloek, doordien hij zonder genade elk neerschoot, die aarzelde hem te volgen. Het was tegen dezen man en andere zwervende Indiaansche stammen, dat Rosas den verdelgingskrijg begon.13 September.Wij verlieten de bronnen van Cauquenes, sloegen weder den grooten weg in, en sliepen aan de Rio Claro. Van dit punt reden wij naar de stad San Fernando. Voordat wij hier aankwamen, had het laatste door land ingesloten keteldal zich verruimd tot eene groote vlakte, die zich zoover zuidwaarts uitstrekte, dat het was als zag men de besneeuwde toppen der meer verwijderde Andes boven den horizon der zee liggen. San Fernando ligt 40leaguesvan Santiago, en was mijn verste punt zuidwaarts, want hier wendden wij ons rechthoekig naar de kust. Wij sliepen bij de goudmijnen van Yaquil, geëxploiteerd door zekeren Nixon: een welopgevoeden Amerikaan, aan wiens vriendelijkheid ik gedurende mijn vierdaagsch verblijf in zijn huis veel verschuldigd ben. Den volgenden morgen reden wij naar de mijnen, die eenigeleaguesver bij den top van een hoogen heuvel zijn gelegen. Onderweg zagen wij terloops het Tagua-meer, vermaard om zijne drijvende eilanden, waarvan Gay eenebeschrijving heeft gegeven.12Deze eilanden bestaan uit stengels van allerlei doode planten, die zich dooreenslingeren en waarop andere levenden wortel schieten. Meestal zijn zij cirkelvormig, bij eene dikte van 4 tot 6 voet, waarvan het grootste gedeelte onder water ligt. Steekt de wind op, dan drijven zij van den eenen kant van het meer naar den anderen, en nemen dikwijls vee en paarden als passagiers mede. Toen wij aan de mijn kwamen, stond ik getroffen over het bleeke uiterlijk van vele arbeiders. Op mijne vraag aan Nixon hoe hunne leefwijze was, vertelde hij mij het volgende. De mijn is 450 voeten diep, en elk arbeider draagt omstreeks 200 Eng. ponden gewicht aan steenen naar boven. Met dezen last moeten zij tegen boomstammen opklimmen, welke in eene zigzaglijn in de schacht staan, en waarin kruiselings kepen zijn gehakt. Zelfs baardelooze jongelieden, 18 en 20 jaren oud en met weinig ontwikkelde spieren (ik kon dit zien, daar zij slechts een broek aan het naakte lichaam hadden), klimmen met dezen zwaren last uit ongeveer dezelfde diepte. Een sterk man, die aan dit werk niet gewoon is, baadt reeds in zijn zweet als hij niet meer dan zijn eigen lichaam naar boven behoeft te dragen. Bij dezen zeer harden arbeid leven zij geheel van gekookte boonen en brood. Liever zouden zij alleen brood hebben; maar wijl hun meester in den waan is, dat zij van brood alleen zoo hard niet kunnen werken, behandelen zij hen als paarden en laten hen boonen eten. Het loon is hier iets hooger dan in de mijnen van Jajuel, nl. 24 tot 28 shillings per maand. Zij verlaten de mijnen slechts eenmaal in de drie weken, en blijven dan twee dagen bij hun gezin. Er bestaat hier een zeer krasse maatregel, die voor den opzichter echter van veel nut is. De eenige weg om goud te stelen is, dat men stukken erts wegbergt, en, zoodra er gelegenheid is, naar buiten brengt. Telkens als demayordomozulk een verborgen stuk ontdekt, wordt de volle waarde er van op de loonen van alle arbeiders verhaald, zoodat deze wel genoodzaakt zijn op elkander toezicht te houden, tenzij dat allen samenspannen.Als het erts naar den molen is gebracht, wordt het tot een uiterst fijn poeder vermalen; door wassching verwijdert men de lichtere deeltjes, en eindelijk wordt dooramalgamatiehet stofgoud gebonden. Volgens de beschrijving is het wasschen eene zeer eenvoudige bewerking; maar het is interessant te zien hoe gemakkelijk het poedervormige moedergesteente van het metaal zelf gescheiden wordt, door nauwkeurige regeling van den waterstroom naar het soortelijk gewicht van het goud. De slib die uit de molens komt, wordt in vijvertjes verzameld, waar zij bezinkt; nu en dan wordt zij hieruit verwijderd en op een zelfden hoop geworpen. Dan begint eene reeks van scheikundige werkingen: verschillende zouten kristalliseeren aan de oppervlakte, en de massa wordt hard. Nadat zij een jaar of twee zoo gelegen heeft, wordt zij opnieuw gewasschen, en scheidt dan goud af. Deze bewerking kan zes- of zevenmaal worden herhaald; maar telkens neemt de hoeveelheid goud af, en worden de vereischte tusschentijden langer.13Er valt niet aan te twijfelen, of de reeds genoemde scheikundige werking maakt telkens nieuw goud uit de eene of andere verbinding vrij. Het ontdekken van eene methode om zulks vóór het eerste vermalen te doen plaats hebben, zou de waarde van goudertsen ongetwijfeld vele malen verhoogen. Het is merkwaardig te zien, hoe de kleine hier en daar verspreide gouddeeltjes, die niet geheel vergaan zijn, zich eindelijk tot eene merkbare hoeveelheid ophoopen. Kort geleden kregen eenige mijnarbeiders, die zonder werk waren, verlof den grond om het huis en de molens af te schrapen; zij wieschen de aldus verkregen aarde, en scheidden zoo voor eene waarde van dertig dollars aan goud af. Dit is eene getrouwe kopij vanhetgeen in de natuur plaats heeft. Bergen zijn onderhevig aan verval en slijten, en met hen de metaaladeren, die zij bevatten. Het hardste gesteente wordt tot uiterst fijne modder herleid; de gewone metalen oxydeeren, en beiden worden weggevoerd. Maar goud, platina en enkele anderen zijn bijna onverwoestbaar, zinken door hun gewicht naar den bodem, en blijven daar achter. Nadat geheele bergen aldus door de hand der natuur vermalen, vergruisd en gewasschen zijn, wordt het overschot metaalhoudend, en acht de mensch het de moeite waard het scheidingswerk te voltooien.Al lijkt de bovengenoemde behandeling van de mijnwerkers ook slecht, toch wordt het werk gaarne door hen aangenomen, want de toestand der veldarbeiders is veel slechter. Hunne loonen zijn lager, en zij leven bijna uitsluitend van boonen. Deze armoede moet hoofdzakelijk worden toegeschreven aan de leenstelselvormige wijze, waarop het land bebouwd wordt. De landeigenaar geeft eene kleine plek gronds aan den arbeider, om daarop te bouwen en te kweeken, en heeft daarvoor dagelijks, zoolang hij leeft en zonder uitbetaling van loon, het gebruik van zijne diensten (of van die van een gevolmachtigde). Zoolang een vader geen volwassen zoon heeft, die met zijn arbeid de rente kan betalen, is er, behalve op enkele dagen, niemand die voor zijn stuk grond kan zorgen. Dientengevolge is de diepste armoede een gewoon verschijnsel onder de landbouwersklasse in Chili.In dezen omtrek bevinden zich eenige oude Indiaansche bouwvallen, en liet men mij een van die doorboorde steenen zien, welke, volgens Molina, op vele plaatsen in groot aantal worden gevonden. Zij zijn cirkelvormig, afgeplat, hebben eene middellijn van vijf tot zes inches, en eene opening in het midden. Algemeen heeft men ondersteld, dat zij als knoppen van knuppels werden gebruikt, al schijnt hun vorm ook geenszins voor dat doel geschikt te wezen. Burchell14zegt, dat sommige stammen in Zuid-Afrika wortels opgravenmet behulp van een stok, die aan het eene einde puntig is; een ronde steen met een gat in het midden, waarin het andere einde van den stok bevestigd is, verhoogt de kracht en het gewicht er van. Men acht het waarschijnlijk, dat de Indianen van Chili vroeger een of ander ruw landbouwwerktuig in gebruik hadden.Op zekeren dag kwam er bezoek van een Duitschen verzamelaar in natuurlijke historie, Renaus geheeten, en bijna tegelijktijdig van een ouden Spaanschen rechtsgeleerde. Met genoegen hoorde ik het gesprek aan, dat tusschen hen gevoerd werd. Renaus sprak het Spaansch zoo goed, dat de oude advocaat hem voor een Chileen hield. De Duitscher vroeg hem, op mij zinspelende, wat hij wel van den koning van Engeland dacht, die een geleerde naar Chili zond om hagedissen en kevers te verzamelen, en steenen te breken. De oude advocaat dacht eene poos ernstig na, en zeide toen:“Dat is niet goed.Hay un gato encerrado aqui(Hier schuilt wat achter). Niemand is zoo rijk, dat hij menschen kan uitzenden om zulke prullen te verzamelen. Mij bevalt het niet. Indien een van ons naar Engeland ging om zulke dingen te doen, gelooft u dan niet dat de koning van Engeland ons heel spoedig uit zijn land zou zetten?”En die oude rechtsgeleerde behoorde, ambtshalve, tot de beter onderrichte en meer beschaafde klasse! Drie of vier jaren geleden liet Renaus eenige rupsen in een huis te San Fernando onder bewaking van een meisje achter, dat ze zou voeden, opdat zij later in kapellen zouden veranderen. Dit werd ruchtbaar in de stad; de gouverneur en de geestelijken hielden raad, en meenden dat hier ketterij in ’t spel moest zijn. Diensvolgens werd Renaus bij zijn terugkeer gevangen genomen.19 September.Wij verlieten Yaquil en volgden de vlakke vallei, waardoor de Rio Tinderidica vloeit en van gelijken vorm als het Quillota-dal. Ofschoon deze vallei slechts enkele mijlen ten zuiden van Santiago ligt, is het klimaat er veel vochtiger, met het gevolg dat er fraaie stukken weiland zijn, die niet bevloeidworden. Den 20sten volgden wij deze vallei tot waar zij in eene groote vlakte overging, die van de zee tot aan het gebergte ten westen van Rancagua reikt. Weldra verdwenen alle boomen en zelfs de struiken, zoodat de bewoners bijna evenzeer van brandhout verstoken zijn als die van de Pampas. Daar ik nooit van deze vlakten gehoord had, stond ik zeer verrast een dergelijk landschap in Chili te vinden. De vlakten behooren tot meer dan eene reeks met afwisselende hoogten, en worden door breede dalen met vlakke bodems doorsneden. Deze beide omstandigheden getuigen, evenals in Patagonië, van de werking der zee op langzaam rijzend land. In de steile klippen, die deze dalen begrenzen, zijn eenige groote holen, die zonder twijfel het eerst door de golven gevormd zijn; een daarvan,La Cueva del Obispoof Het Bisschopshol genaamd, is beroemd en was voorheen heilig. Dien dag gevoelde ik mij zeer onwel, en met zoodanig gevolg, dat ik niet vóór het einde van October hersteld was.22 September.Onze tocht leidde voortdurend over groene, boomlooze vlakten. Den volgenden dag kwamen wij aan een huis bij Navedad aan de zeekust, waar een rijkehacienderoons onderkomen verschafte. Ik bleef hier de twee volgende dagen, en besteedde die, ofschoon ik zeer onwel was, aan het verzamelen van eenige zeeschelpdieren uit het Tertiaire Tijdvak.24 September.Thans was onze koers naar Valparaiso gericht, dat ik den 27sten met veel moeite bereikte, en waar ik tot het einde van October aan mijn bed gekluisterd bleef. Gedurende dien tijd woonde ik in het huis van Corfield, wiens vriendelijkheid jegens mij ik niet genoeg in woorden kan uitdrukken.Ik zal hier een paar opmerkingen bijvoegen over eenige viervoetige dieren en vogels van Chili. DePumaof ZuidamerikaanscheLeeuw is hier niet zeldzaam. Dit dier heeft eene groote geographische verspreiding, en wordt gevonden van af de bosschen aan den evenaar, in de woestijnen van Patagonië, tot 53° of 54° zuidelijk in de koude en vochtige streken van Vuurland. Ik heb zijn spoor gezien in de Cordilleras van Midden-Chili, op eene hoogte van minstens 1000 voet. In La Plata jaagt de puma voornamelijk op herten, struisvogels, bizcacha’s en andere kleine viervoeters; zelden valt hij daar vee of paarden aan, en hoogst zelden menschen. In Chili doodt hij echter vele jonge paarden en runderen, wat waarschijnlijk een gevolg is van de schaarschheid aan andere viervoetige dieren; ook hoorde ik, dat twee mannen en eene vrouw door deze dieren gedood waren. Men zegt, dat de puma zijne prooi altijd doodt, door deze op den schouder te springen, en dan met een zijner klauwen het hoofd naar achteren te trekken totdat de halswervels breken. In Patagonië heb ik geraamten van guanaco’s gezien, wier halswervels aldus ontwricht waren.Als de puma zijn bekomst heeft gegeten, bedekt hij het lijk met een aantal groote struiken, en gaat er dan bij liggen waken. Deze gewoonte is dikwijls oorzaak dat hij ontdekt wordt; want de condors die in de lucht zweven, komen telkens omlaag om hun deel van het maal te hebben, worden echter woedend verjaagd en vliegen alle tegelijk weer op. De Chileensche Guaso weet dan, dat ergens een leeuw zijne prooi bewaakt. De noodige bevelen worden gegeven, en mannen en honden snellen ter jacht. Sir F. Head zegt, dat een Gaucho in de Pampas alleen bij het zien van eenige condors die kringen in de lucht beschreven, uitriep: “Een leeuw!” Mijzelf is het nooit gelukt iemand te ontmoeten, die zulk een onderscheidingsvermogen bezat. Men zegt, dat, als een puma eenmaal op deze wijze bij het bewaken van een lijk overvallen en daarna opgejaagd is geworden, hij nooit die gewoonte meer volgt, maar dat hij, na zich zat te hebben gegeten, ver wegloopt. De puma wordt gemakkelijk gedood. In eene open of onbegroeide streek wordt hij eerst met de bolas gegrepen, dan gelazeerd, en langs den grond gesleepttotdat hij bewusteloos is. Te Tandeel, in het zuiden van La Plata, vertelde men mij, dat daar in drie maanden tijds honderd puma’s op die manier gedood waren. In Chili worden zij meestal uit struiken of boomen verdreven, en dan neergeschoten of door honden doodgebeten. De honden die voor deze jacht gebruikt worden, behooren tot een bijzonder ras,leonero’s15geheeten; deze zijn fijne, ranke dieren, evenals langbeenige terriers, maar met een aangeboren bijzonder instinct voor deze soort van jacht. De puma wordt beschreven als zeer listig; als hij vervolgd wordt, keert hij dikwijls op zijn eerste spoor terug, doet dan eensklaps een zijsprong in het kreupelhout, en wacht daar tot de honden voorbij zijn. Hij is een zeer stil dier, en laat, zelfs als hij gewond is, geen geluid hooren, tenzij eene enkele maal in den bronsttijd.Onder de vogels verdienen twee soorten van het geslachtPteroptochos(megapodiusenalbicollisvan Kittlitz) wellicht de meeste aandacht. De eerste, die door de Chilenen “el Turco” genoemd wordt, is zoo groot als een jeneverbeslijster (Turdus pilaris), waaraan hij ook eenigszins verwant is: met dit verschil, dat zijne beenen veel langer, zijn staart korter, en de bek sterker zijn. Zijne kleur is roodbruin. DeTurcois niet zeldzaam. Hij leeft op den grond, verscholen tusschen het kreupelhout dat op de droge en dorre heuvels is verspreid. Nu en dan kan men hem, met den staart overeind, op zijne steltvormige beenen met ongewone vlugheid uit het eene kreupelbosch naar het andere zien huppelen. Er is inderdaad weinig verbeelding noodig om te gelooven, dat de vogel over zichzelf beschaamd en zich zijne belachelijke figuur bewust is. Op het eerste gezicht is men geneigd uit te roepen: “Een afschuwelijk opgezet exemplaar is uit het een of ander museum ontsnapt en weer levend geworden!” Niet dan met de grootste moeite kan men hem dwingen op te vliegen; ook loopt hij niet, maar huppelt slechts. De verschillende luide kreten, die hijuit als hij in de struiken verborgen zit, zijn even vreemd als zijn voorkomen. Men zegt, dat hij in een diep gat onder den grond zijn nest bouwt. Ik ontleedde verscheidene exemplaren en vond in de maag, die zeer gespierd was, kevers, plantvezels en steentjes. Wegens dit kenteeken, alsook om zijne lange beenen, schraapvoeten, vliezig bekleedsel aan de neusgaten, en zijne korte gewelfde vleugels, schijnt deze vogel in zekeren zin de lijsters met de orde der Hoenders (Rasores) te verbinden.De tweede soort ofPteroptochos albicollisis, wat den vorm in ’t algemeen betreft, aan de eerste verwant. Deze vogel draagt den naam vanTapacolo: hetgeen beteekent: “bedek je achterdeel;” en dien naam verdient de schaamtelooze vogel ten volle, want hij draagt zijn staart meer dan rechtop, namelijk in eene richting naar den kop. Hij is zeer algemeen, en houdt zich op aan den voet van boomstammen, of in de struiken die op de naakte heuvels zijn verspreid, waar bijna geen andere vogel leven kan. In zijne gewone voedingswijze, zijn snel heen en weer huppelen uit de kreupelbosschen; in zijne zucht om zich te verschuilen, zijn onwil om te vluchten, en in de wijze waarop hij zijn nest bouwt, bezit hij veel overeenkomst met den Turco; maar zijn voorkomen is niet zoo geheel belachelijk. De Tapacolo is zeer listig. Als iemand hem schrik aanjaagt, blijft hij onbeweeglijk midden in een kreupelboschje zitten, en tracht dan na eene poos heel behendig aan den anderen kant weg te sluipen. Ook is hij een bedrijvige vogel, die voortdurend geluiden maakt. Deze geluiden zijn verschillend en tevens zeer zonderling; sommige gelijken veel op het gekir eener duif, andere op het geborrel van water, en vele tarten alle andere geluiden. Het landvolk zegt, dat hij vijfmaal in ’t jaar zijn geluid verandert, hetgeen vermoedelijk met eene verandering van seizoen in verband staat.16Twee soorten van kolibries zijn hier inheemsch:Trochilus forficatusvindt men over eene uitgestrektheid van 2500 mijlen aan de westkust, van af het heete droge land van Lima, tot aan de wouden van Vuurland, waar men hen in sneeuwstormen kan zien fladderen. Op het met bosschen bedekte eiland Chiloë, dat een uiterst vochtig klimaat heeft en waar dit vogeltje links en rechts tusschen de druipende bladeren springt, is het misschien talrijker dan bijna elke andere soort. Ik opende de magen van een aantal exemplaren, die in verschillende streken van dit werelddeel geschoten waren, en vond in alle even talrijke overblijfsels van insecten als in de maag van een specht. Als deze species des zomers naar het zuiden trekt, wordt zij vervangen door eene andere, die uit het noorden komt. Deze tweede soort (Trochilus gigas) is een zeer groote vogel in die tengere familie waartoe hij behoort. Als deze vogel vliegt, heeft hij een zonderling voorkomen. Evenals andere van het geslacht beweegt hij zich van plek tot plek met een snelheid, welke te vergelijken is bij die vanSyrphusonder de vliegen, en vanSphinxonder de nachtvlinders; maar als hij boven een bloem fladdert, klapwiekt hij zeer langzaam en krachtig op eene wijze geheel verschillend van die trillende beweging, welke aan de meeste soorten eigen is en het gonzende geluid voortbrengt. Nooit zag ik een anderen vogel, wiens vleugels zoo buitengewoon krachtig schenen (evenals bij een kapel) in verhouding tot het lichaamsgewicht. Als hij langs eene bloem fladdert, opent en sluit zijn staart zich als een waaier, terwijl het lichaam een bijna vertikalen stand behoudt. Deze staartbeweging schijnt den vogel tusschen de langzame slagen zijner vleugelste steunen en in evenwicht te houden. Ofschoon hij van de eene bloem naar de andere vliegt om voedsel te zoeken, bevatte zijne maag bij onderzoek meestal talrijke overblijfsels van insecten, zoodat ik vermoeddathij de laatsten veel meer zoekt dan honig. Het geluid van deze soort is uiterst doordringend, evenals dat van bijna de geheele familie.1of ongeveer 7040 Met. De Chimborazo is 20.700 voet of 6310 Met. hoog.(Vert.)2Thomas Cochrane (1775–1860), bekend Britsch admiraal, verviel in ongenade, omdat hij medeplichtig was aan het verspreiden van een valsch gerucht over Napoleon’s dood, ten einde zoode koersen der Staatsfondsen te influenceeren. Daarna diende hij in Chili, Brazilië en Griekenland.(Vert.)3Rondgang, of wel de open ruimte zelve, waar het weidende vee wordt bijeengedreven.(Vert.)4Beheerder van een landgoed, huishofmeester, intendant.(Vert.)5Lord Anson (1697–1762), een bekend Engelsch admiraal, streed voornamelijk tegen Spaansche schepen in den Stillen Oceaan. Hij bracht der Spaansche macht veel nadeel toe, en plunderde twee schatvaartuigen.6In Spaansche landen vormt het eene soort van gerecht van geroosterd rundvleesch in eene gekruidesausmet aardappelen.7Behoort tot de nachtzwaluwen (Caprimulgidae), OrdeMacrochires.(Vert.)8Rexwil zeggen “Koning,” enFinis“Einde.” De tekst zal waarschijnlijk doelen op GeorgeIVvan Engeland, die geboren werd in 1762 en regeerde van 1820–1830.(Vert.)9Onderdislocatieverstaat men in de geologie eenebreuken daaruit gevolgdeverplaatsingin de oorspronkelijk horizontaal afgezette aardlagen. Dit verschijnsel hangt ten nauwste samen met het inzinken van de aardkorst door het inkrimpen der kern.(Vert.)10Caldcleugh in de Philosoph. Transact. van het jaar 1836—Na de aardbeving, die plaats had op 19 November 1822, bleek een groot gedeelte der kust van Chili 3 tot 4 voet gerezen te zijn, zoodat onder tal van doode visschen, eene menigte strandschelpdieren blootkwamen, die nog aan de rotsen vastzaten. Bij die in Febr. 1835 waren de Chileensche vulkanenYantelesenOsornoin werking. De eerste ligt tegenover het eiland Chiloë, op 43° 29′ Z.B. en heeft eene hoogte van 2447 met.; de Osorno in de provincie Llanquihue op 41° 9′ Z.B., en is 2250 met. hoog. Ook toen steeg een deel van Chili.(Vert.)11Gedisloqueerde en geinjiciëerde, zegt men in wetenschappelijke termen. De afgekoelde ingespoten vulkanische gesteenten heetendijken.(Vert.)12“Annales des Sciences Naturelles,” mars 1833. Gay, een ijverig en bekend natuurvorscher, hield zich toen bezig met de studie van alle takken der natuurlijke historie in het koninkrijk Chili.13Volgens het zeggen der inboorlingen wordt in die tusschentijden het metaal “voortgebracht.”14Burchell’sTravels, deel II, blz. 45.15Leonero wil zeggen: leeuwenbewaker.16Het verdient opmerking, dat Molina, ofschoon alle vogels en viervoetige dieren van Chili uitvoerig beschrijvende, geen enkele maal van dit geslacht melding maakt, waarvan de soorten zoo algemeen zijn en zulke merkwaardige gewoonten hebben. Wist hij niet recht in welke klasse hij het zou plaatsen, en dacht hij daarom dat het raadzamer was te zwijgen? Het is alweer een voorbeeld van de vele gevallen dat schrijvers onderwerpen weglaten, waar men dit het minst zou verwachten.
23 Juli 1834.DeBeagleankerde laat in den nacht in de baai van Valparaiso, de voornaamste zeehaven van Chili. Toen de morgen aanbrak, kreeg alles een verrukkelijk aanzien. Bij Vuurland vergeleken, was het klimaat hier bepaald heerlijk. De lucht was zoo droog, de hemel met de stralende zon zoo helder en blauw, dat de geheele natuur scheen te tintelen van leven. Het gezicht van uit de ankerplaats is zeer mooi. De stad is gebouwd aan den voet eener heuvelreeks, saamgesteld uit omtrent 1600 voet hooge en eenigszins steile bergen. Ten gevolge van hare ligging, bestaat zij uit eene lange, verspreid aangelegde straat, die evenwijdig loopt met het strand; en waar een ravijn uit het gebergte daalt, verheffen de huizen zich aan weerszijden daarvan. De ronde heuvels, door een schralen plantengroei slechts gedeeltelijk beschut, zijn doorploegd met tallooze kleine geulen, die een eigenaardigen lichtrooden grond ontblooten. Hierdoor, en ook door de lage gewitte huizen met pannen daken, herinnerde het gezicht mij aan Santa Cruz op Tenerife. In noordwestelijke richting zijn eenige fraaie vluchtige kijkjes op het Andes-gebergte; maar deze bergen schijnen veel hooger, als men hen van de naburige heuvels ziet; de groote afstand, waarop zij liggen, laat zich dan gemakkelijk begrijpen. De vulkaan Aconcagua is bijzonder indrukwekkend. Dit reusachtige en onregelmatig kegelvormigegevaarte heeft eene hoogte, welke die van den Chimborazo overtreft; want uit metingen, door de officieren van deBeagleverricht, bleek dat zijne hoogte niet minder dan 23.090 voet was.1Van dit punt bekeken, danken de Andes hunne schoonheid echter grootendeels aan den dampkring waardoor zij gezien worden. Het was bewonderenswaardig, als de zon in den Stillen Oceaan onderging, te zien hoe helder hunne zigzagvormige omtrekken onderscheiden konden worden, en toch hoe afwisselend en fijn hunne kleurschakeeringen waren.
Hier had ik het geluk Mr. Richard Corfield te ontmoeten, een oud-vriend en schoolmakker, aan wiens gastvrijheid en vriendelijkheid ik veel verschuldigd ben, daar hij mij, zoolang deBeaglezich in Chili ophield, een hoogst aangenaam logies verschafte. De onmiddellijke omgeving van Valparaiso levert voor den natuuronderzoeker niet heel veel op. Gedurende den langen zomer blaast de wind voortdurend uit het zuiden en op eenigen afstand van het strand, zoodat er dan nooit regen valt; maar in de drie wintermaanden regent het overvloedig. Dientengevolge is de plantengroei zeer schraal: behalve in sommige dalen, zijn er geen boomen; alleen zijn de minder steile gedeelten der heuvelreeks hier en daar met wat gras en eenige lage struiken begroeid. Zoo wij bedenken, dat 350 mijlen ver naar het zuiden de helling van het Andes-gebergte geheel achter een ondoordringbaar woud verscholen ligt, is de tegenstelling zeer merkwaardig. Bij het verzamelen van voorwerpen op het gebied der natuurlijke historie, deed ik vele verre wandelingen. Voor oefening biedt het land eene gezochte gelegenheid. Er zijn vele zeer fraaie bloemen; en evenals in de meeste andere droge klimaten, bezitten de planten en heesters sterke en eigenaardige geuren, die zich zelfs aan de kleêren meedeelden, als men tusschen die planten door drong. Er kwam geen einde aan mijne verwondering, toenhet alle dagen even mooi weer was. Welk een verschil maakt het klimaat op ons levensgenot! Hoe geheel anders zijn de gewaarwordingen, als men zwarte bergen ziet die half in wolken zijn gehuld, of eene bergketen zooals de Andes door den lichtblauwen damp van een fraaien dag! Het een moge voor eenigen tijd zeer verheven zijn; het andere biedt ons al vroolijkheid en levenslust.
14 Augustus.Dezen dag ondernam ik een tocht te paard, met het doel de benedengedeelten van het Andes-gebergte, die slechts in dezen tijd van het jaar niet door de wintersneeuw ontoegankelijk zijn, geologisch te onderzoeken. Den eersten dag reden wij in noordelijke richting langs de kust. Toen het donker was, bereikten wij de Hacienda van Quitero, het landgoed dat vroeger aan lord Cochrane2behoorde. Het doel mijner komst alhier was de groote schelpenlagen te zien, die eenige yards boven den zeespiegel liggen en tot kalk verbrand worden. Van de rijzing dezer geheele kustlijn bestaan ondubbelzinnige bewijzen; ter hoogte van enkele honderden voeten liggen talrijke oud-typische schelpen, en ik vond zelfs eenige op 1300 voet. Deze schelpen liggen òf los aan de oppervlakte, òf in een roodachtig zwarten plantaardigen grond. Bij onderzoek met den microscoop vond ik tot mijne groote verrassing, dat deze plantaardige grond werkelijk zeemodder is, vol kleine deeltjes van organische lichamen.
15 Augustus.Wij reden naar het Quillota-dal terug. De streek was hoogst aangenaam—juist wat de dichters “landelijk” zouden noemen: groene open grasvelden, gescheiden door kleine dalen met riviertjes, en op de heuvelhellingen hier en daar eenige hutten, waarschijnlijk van de schaapherders. Wij waren verplicht den kam van den Chilicauquen over te trekken. Aan den voethiervan stonden vele fraaie, altijd groene woudboomen; maar deze bloeiden alleen in de ravijnen, waar stroomend water was. Wie alleen het land in de nabijheid van Valparaiso gezien had, zou zich nooit hebben voorgesteld dat er zulke schilderachtige plekjes in Chili waren. Zoodra wij den rand der Sierra bereikten, lag het Quillota-dal vlak onder onze voeten. Het uitzicht was merkwaardig om den rijkdom van kweekgewassen. Het dal is zeer breed en geheel vlak, zoodat de bevloeiing overal gemakkelijk is. De kleine vierkante tuinen bevatten overvloed van oranje- en olijfboomen, en alle soorten groenten. Aan alle kanten verrijzen reusachtige naakte bergen, die door hunne tegenstelling den bonten aanblik van het dal nog aantrekkelijker maken. Wie “Valparaiso” het “Paradijsdal” noemde, moet ongetwijfeld aan Quillota hebben gedacht. Wij staken over naar de Hacienda de San Isidro, die aan den voet van den Klokberg ligt.
Chili is, gelijk men op de kaarten zien kan, eene smalle strook lands tusschen de Cordilleras en den Stillen Oceaan, welke strook op hare beurt door talrijke bergreeksen wordt doorsneden, die in dit gedeelte evenwijdig loopen met de hoofdketen. Tusschen deze bergketens en de groote Cordilleras strekt zich eene reeks vlakke dalkommen, die meest met nauwe uitgangen in elkander loopen, tot ver naar het zuiden uit. Daarin liggen de voornaamste steden, als San Felipe, Santiago, San Fernando en andere. Ik twijfel niet of deze dalkommen of vlakten zijn, evenals de horizontale dwarsdalen (bijv. het Quillota-dal) die ze met de kust verbinden, de bodems van oude inhammen en diepe baaien, van gelijken aard als die welke nu elk deel van Vuurland en de westkust doorsnijden. Chili moet in vroegere tijdperken, wat de verdeeling van zijn land en water betreft, op laatstgenoemd land geleken hebben. Treffend bleek die gelijkenis nu en dan, wanneer een vlakke mistbank al de lagere gedeelten van het land als met een mantel bedekte. Wanneer de witte damp in de ravijnen kronkelde, bood hij eene fraaie voorstelling van kleine kreken en baaien; eneen eenzaam hier en daar opduikend heuveltje toonde, dat het daar vroeger als eilandje gestaan had. De tegenstelling dezer vlakke dalen en dalkommen met de onregelmatig gevormde bergen, gaven aan het landschap een kenmerk, dat nieuw en zeer belangwekkend voor mij was.
De natuurlijke glooiing dezer vlakten naar den zeekant maakt de bevloeiing er van zeer gemakkelijk, en dientengevolge zijn zij bijzonder vruchtbaar. Zonder die bewatering zou het land bijna niets voortbrengen, want den geheelen zomer door is de lucht onbewolkt. De bergen en heuvels zijn hier en daar met struiken en lage boomen bedekt; maar dezen uitgezonderd, is de plantengroei zeer arm. Elk landeigenaar in het dal bezit een zekere uitgestrektheid heuvelland, waar zijn half wild vee in grooten getale rondzwerft om genoegzaam gras te vinden. Eens in het jaar is er een grooterodeo,3als wanneer al het vee naar het dal gedreven, geteld en gemerkt wordt, en men een zeker aantal afzondert voor vetmesting in de bevloeide velden. Tarwe wordt op ruime schaal gekweekt, benevens zeer veel maïs; maar het voornaamste voedingsmiddel van den gewonen arbeider is eene soort boon. De boomgaarden brengen een overvloedigen voorraad perziken, vijgen en druiven voort. Bij al deze voordeelen moest het den bewoners van het land meer voor den wind gaan dan wel het geval is.
16 Augustus.Demayordomo4van de hacienda was zoo goed mij een gids en versche paarden te geven; en zoo gingen wij des morgens op weg om deCampanaof Klokberg te bestijgen, die 6400 voet hoog is. De paden waren zeer slecht; maar zoowel de geologische gesteldheid van het terrein als het landschap zelf beloonden ruimschoots de moeite. Des avonds bereikten wij eene bron,Agua del Guanacogenoemd, die opeene aanzienlijke hoogte ligt. Deze naam moet van ouden oorsprong zijn, want het is zeer vele jaren geleden, dat een guanaco het water uit die bron dronk. Gedurende de beklimming merkte ik op, dat aan de noordelijke helling niets dan struiken groeiden, aan de zuidelijke, echter, een bamboesriet van omstreeks 15 voet hoogte. Op enkele plaatsen stonden palmboomen, en met verbazing zag ik er een op eene hoogte van minstens 4500 voet. Deze palmen zijn leelijke boomen in hunne familie. Hun stam is zeer breed en zonderling gevormd, daar hij in het midden dikker is dan aan den voet of top. In sommige gedeelten van Chili zijn zij buitengewoon talrijk, en wegens eene soort stroop, die uit hun sap gemaakt wordt, gezocht. Op een landgoed bij Petorca trachtte men hen te tellen, doch moest dit opgeven, toen men een cijfer van vele honderdduizenden bereikt had. Vroeg in de lente (in Augustus) worden ieder jaar vele palmen geveld; en als de stam op den grond ligt, wordt zijn bladerkroon gesnoeid. Onmiddellijk begint dan het sap uit het boveneinde te vloeien, hetgeen eenige maanden lang aanhoudt. Men moet echter elken morgen een dun laagje van dat einde afschaven, om eene versche oppervlakte te ontblooten. Een goede boom zal 90gallons(ongeveer 409 lit.) geven; en dit alles moet in de vaten van den schijnbaar drogen stam gezeten hebben. Naar men zegt, vloeit het sap veel sneller op dagen van fellen zonneschijn; ook beweert men, dat het volstrekt noodig is zorg te dragen, dat de boom bij het omhakken met zijn top naar boven op de helling van den heuvel valt; want valt hij de helling af, dan zal er bijna geen sap uitvloeien. Oppervlakkig zou men denken, dat in het laatste geval, door de zwaartekracht, de werking versterkt in plaats van verzwakt zou worden. Door koking wordt het sap verdikt en dan stroop genoemd, waarop het in smaak zeer veel gelijkt.
Wij ontzadelden onze paarden bij de bron, en maakten ons gereed den nacht door te brengen. Het was eene schoone avond, en de lucht was zoo helder, dat de masten der in de baai van Valparaiso voor anker liggende schepen duidelijkals kleine zwarte strepen te onderkennen waren, hoewel de afstand niet minder dan 26geographical miles(48.2 kilom.) bedroeg. Een schip, dat met volle zeilen de landtong omvoer, vertoonde zich als een heldere witte stip. Anson5laat op zijn tocht veel verwondering blijken over den afstand, waarop zijne schepen van de kust uit gezien werden; doch hij hield niet voldoende rekening met de hoogte van het land en de groote doorschijnendheid der lucht.
Het ondergaan der zon was prachtig. Terwijl de dalen in diepe duisternis lagen, vertoonden de besneeuwde Andes-toppen eene robijnkleurige tint. Toen het donker was, maakten wij onder een klein priëel van bamboes vuur, braadden onzecharqui(reepjes gedroogd ossevleesch)6dronken onzematé, en waren recht op ons gemak. Er ligt eene onuitsprekelijke bekoring in zulk een leven in de open lucht. De avond was kalm en stil; alleen hoorde men nu en dan het schelle geluid van de bergbizcacha, en den zwakken kreet van den geitenmelker (Caprimulgus europaeus).7Behalve dezen, bewonen weinige vogels of zelfs insecten deze droge, verschroeide bergen.
17 Augustus.Des morgens beklommen wij den ruwen klomp groensteen, die den top bedekt. Zooals vaak gebeurt, was dit gesteente zeer verbrokkeld en lag in groote hoekige stukken verspreid. Ik ontdekte echter eene merkwaardige bijzonderheid, nl. dat vele oppervlakken alle graden van verschheid vertoonden: sommige steenen schenen den vorigen dag gebroken te zijn, op anderehadden zich zoo even korstmossen neergezet, of daar reeds lang gegroeid. Ik geloofde zoo stellig, dat ditaan devele aardbevingen moest worden toegeschreven, dat ik lust gevoelde van elken lossen stapel weg te loopen. Daar men zich in dergelijke feiten zeer licht vergist, twijfelde ik aan de juistheid er van, totdat ik den berg Wellington op Van-Diemensland besteeg, waar geene aardbevingen voorkomen; en daar zag ik den bergtop even zoo samengesteld en verbrokkeld, met dit verschil, dat het scheen of alle brokkenduizendenjaren geleden zoo waren neergeworpen, als zij nu lagen.
Wij brachten den dag op den top door; en nooit smaakte ik zoo volop genot als toen. Ik zag Chili, begrensd door de Andes en den Stillen Oceaan, als op eene landkaart voor mij. Het genot van dit op zichzelf reeds schoone panorama werd verhoogd door de vele beschouwingen, die zich aan ons opdrongen bij het zien van de Campana-keten met hare kleinere evenwijdig loopende bergreeksen, en van het breede Quillota-dal, dat die ketens rechtstreeks snijdt. Wie zou zich niet verwonderen over de kracht, die deze bergen heeft opgeheven, en meer nog over de tallooze eeuwen, die voor het doorbreken, uit den weg ruimen en sloopen van geheele berggevaarten noodig moeten geweest zijn? Men denke in dat geval aan de uitgestrekte grint- en sedimentaire lagen van Patagonië, die, als zij op de Andes werden gestapeld, hunne hoogten met vele duizenden voeten zouden vermeerderen. Toen ik in dat land was, verwonderde ik mij, dat eene bergketen zulke groote hoeveelheden steen kon hebben geleverd, zonder geheel te verdwijnen. Thans moeten wij onze verwondering niet omkeeren, en twijfelen of de alvermogende tijd in staat is bergen—zelfs de reusachtige Andes—tot grint en modder te vermalen!
Het voorkomen van de Cordilleras was anders dan ik verwacht had. De onderste sneeuwgrens was natuurlijk horizontaal, en juist evenwijdig met die grens schenen de effen toppen der keten te loopen. Maar op enkele ver van elkander gelegen punten wees eene groep bergtoppen of een enkelekegel de plaats aan, waar een vulkaan bestaan had of nog bestond. Zoodoende geleek de bergketen op een reusachtigen steenen muur, waarop hier en daar een toren stond, en die het land op devolmaaktstewijze afsloot. In bijna elk deel van den Klokberg waren boringen verricht, om te trachten goudgroeven te openen. De delfwoede had bijna geen enkele plek in Chili onaangeroerd gelaten.
Ik bracht den avond door zooals te voren, in gesprek met mijne twee metgezellen om het wachtvuur. DeGuasosvan Chili, die overeenkomen met deGauchosvan de Pampas, zijn echter een geheel ander slag menschen. Van deze twee landen is Chili het beschaafdere, en bijgevolg hebben zijne inwoners veel van hun persoonlijk karakter verloren. Verschillen in rangen komen veel scherper uit. De Guaso beschouwt volstrekt niet elk mensch als zijns gelijke. Zeer verwonderde het mij te zien, dat mijne metgezellen niet tegelijk met mij wilden eten. Dit gevoel van ongelijkheid is een noodzakelijk gevolg van het bestaan eener vermogens-aristocratie. Men zegt, dat zeer enkele van de groote landeigenaars vijf- tot tienduizend pond sterling jaarlijksch inkomen bezitten: welk verschil in rijkdom, naar ik geloof, in geen der verschillende landen ten oosten van de Andes gevonden zal worden. Een reiziger vindt hier niet die onbeperkte gastvrijheid, welke alle betaling weigert; toch wordt zij zoo vriendelijk aangeboden, dat men haar zonder schroom kan aanvaarden. Bijna elk huis in Chili zal u des nachts opnemen, doch men verwacht, dat ge des morgens eene kleinigheid zult geven; en zelfs een rijk man zal twee of drie shillings aannemen. De Gaucho is een “fatsoenlijk man,” eengentleman, al is hij ook een moordenaar; de Guaso is in vele opzichter beter, maar tevens een alledaagsch man uit het volk. Ofschoon beide mannen hetzelfde beroep hebben, verschillen zij in hunne gewoonten en kleeding; en de eigenaardigheden die elk bezit, zijn in de wederzijdsche landen algemeen. De Gaucho schijnt één te zijn met zijn paard, en versmaadt alle krachtsinspanning, wanneer hij op den rug van het dier zit; denGuaso kan men huren om als arbeider in het veld te werken. De eerste leeft geheel van dierlijk voedsel; de laatste bijna geheel van planten. Hier zien wij niet de witte laarzen, de wijde onderbroek en scharlakenroodechilipa—het schilderachtige kostuum der Pampas. Hier wordt de gewone broek door zwart- en groen-sajetten slobkousen bedekt. Bij beiden echter is deponchoin gebruik. Bij den Guaso zijn het meest de sporen in eere, die overdreven groot zijn. Ik mat er een, waarvan het wieltje zes inches middellijn had en aan den omtrek meer dan dertig punten telde. De stijgbeugels zijn op gelijke schaal, en bestaan elk uit een vierkant gebeiteld stuk hout, dat, ofschoon uitgehold, nog drie of vierpoundsweegt. De Guaso is met den lazo misschien meer bedreven dan de Gaucho, maar de geaardheid van zijn land brengt mede, dat hij het gebruik der bolas niet kent.
18 Augustus.Wij daalden den berg af, en gingen voorbij eenige kleine gehuchten met riviertjes en fraai geboomte. Nadat wij in dezelfde hacienda hadden geslapen als te voren, reden wij op de twee volgende dagen het dal in en bereikten zoo Quillota, dat meer een verzameling van kweektuinen dan eene stad is. De boomgaarden waren schoon en vertoonden eene aaneenschakeling van perzikbloesems. Ook zag ik op een of twee plaatsen den dadelpalm. Dit is een statige boom, en ik geloof dat eene groep daarvan in hunne oorspronkelijke Aziatische of Afrikaansche woestijnen een prachtigen aanblik moet opleveren. Ook reden wij door San Felipe, eene aardige uitgebouwde stad, evenals Quillota. Op dit punt verwijdt zich het dal tot een dier groote ruimten of vlakten, die tot aan den voet der Cordilleras reiken, en, gelijk wij gezegd hebben, zulk een merkwaardig deel van het landschap in Chili uitmaken. Des avonds bereikten wij demijnen vanJajuel, gelegen in een ravijn ter zijde van de groote keten. Ik bleef hier vijf dagen. Mijn gastheer, de hoofdopzichter der mijn, was een schrander maar eenigszins onwetend mijnwerker uit Cornwallis. Hij had eene Spaansche vrouw getrouwd enwas niet van plan naar zijn land terug te keeren; maar zijne bewondering voor de mijnen van Cornwallis kende nog steeds geen grenzen. Onder vele andere vragen die hij mij deed, was ook deze:
“Nu GeorgeRexdood is, hoeveel blijven er van de familieRexnog in leven?”
Deze “Rex” moet stellig een bloedverwant zijn van den grooten schrijverFinis, die alle boeken schreef!8
De mijnen van Jajuel zijn kopermijnen, en al het erts verscheept men naar Swansea in Glamorganshire (Wallis), waar het gesmolten wordt. Zoodoende hebben deze mijnen een bijzonder kalm aanzien, vergeleken bij die in Engeland; geen rook, geen ovens of groote stoomwerktuigen verstoren de stilte der naburige bergen.
Het Chileensche gouvernement, of liever de oude Spaansche wet moedigt op allerlei wijzen het zoeken naar mijnen aan. De ontdekker mag, tegen betaling van vijf shillings, eene mijn ontginnen op welken grond ook, en mag haar twintig dagen lang zelfs in den tuin van een ander beproeven, voordat hij die som betaalt.
Men weet thans, dat de Chileensche manier van mijnontginning de goedkoopste is. Mijn gastheer zegt, dat de twee voornaamste verbeteringen die de vreemdelingen hebben ingevoerd, geweest zijn: 1o. reductie van de koperpyrieten door voorafgaande roosting; (de Engelsche mijnwerkers zagen namelijk, bij hunne komst in Chili, tot hunne groote verbazing, dat dit erts als waardeloos werd weggeworpen); 2o. het fijnstampen en wasschen van de slakken uit de oude ovens—een proces waardoor een overvloed van metaaldeeltjes gewonnen wordt. Inderdaad heb ik eene lading van zulke sintels door muilezels naar de kust zien brengen, ter verzending naar Engeland. Maar het eerste geval is wel het meest merkwaardige. De Chileensche mijnwerkerswaren zoo overtuigd, dat koperpyrieten geen metaaldeeltjes bevatten, dat zij de Engelschen om hunne onwetendheid uitlachten; maar dezen lachten op hunne beurt, en kochten de rijkste aderen voor enkele dollars. Het is zeer zonderling, dat in een land waar de mijnontginning vele jaren lang op uitgebreide schaal gedreven wordt, zulk eene eenvoudige bewerking, als zacht roosten van het erts voor de smelting om de zwavel te verwijderen, nooit ontdekt is geworden. Ook heeft men in enkele eenvoudige werktuigen eenige verbeteringen aangebracht; maar zelfs nu nog wordt uit sommige mijnen het water verwijderd door mannen, die het in lederen zakken door de schacht naar boven brengen!
De arbeiders werken zeer hard. Er wordt hun weinig tijd voor hunne maaltijden gegund; in zomer en winter beginnen zij met het aanbreken van den dag, en eindigen als het donker is. Zij worden betaald met éen pond sterling ’s maands, en hebben bovendien den kost, die bij het ontbijt uit zestien vijgen en twee kleine broodjes, bij het middagmaal uit gekookte boonen, en bij het avondeten uit kliekjes geroosterde tarwekorrels bestaat. Vleesch proeven zij bijna nooit; en van de twaalf pond ’s jaars moeten zij zich kleeden en hun gezin onderhouden. De arbeiders die in de mijn zelve werken, hebben 25 shillings per maand, en ontvangen een kleine portiecharqui. Maar deze mannen komen slechts eens in de veertien dagen of drie weken uit hunne zwarte onderaardsche verblijven.
Gedurende mijn oponthoud alhier genoot ik volop van het dolen over deze reusachtige bergen. De geologische gesteldheid was, zooals men denken kan, zeer belangwekkend. De gebroken en samengebakken rotsen met hare tallooze doorsnijdingen van groensteen-dijken, getuigden welke beroeringen vroeger hadden plaats gehad. Het landschap geleek veel op dat bij de Campana in het Quillota-dal: dorre naakte bergen, waarop hier en daar wat struikgewas met schraal gebladerte. De cactussen, of liever deOpuntia’s, waren hier zeer talrijk. Ik mat er een van bolvormige gedaante,die zes voet en vier inches in omtrek had, de dorens medegerekend. De hoogte der gewone cilindrische vertakte soort bedraagt 12 tot 15 voet; en de omtrek der takken met de dorens 3 en 4 voet.
Een hevige sneeuwval in het gebergte belette mij op de laatste twee dagen eenige belangrijke uitstappen te doen. Ik trachtte een meer te bereiken, dat de inwoners, om eene of andere onverklaarbare reden, voor een zeearm houden. Eens, in een zeer droog jaargetijde, stelde men voor eene poging te doen om van daaruit een kanaal voor watertoevoer te graven; doch na beraad verklaarde de geestelijke dat dit te gevaarlijk was, daar geheel Chili zou onderloopen, indien, zooals algemeen ondersteld werd, het meer met den Stillen Oceaan in verbinding stond. Wij stegen tot eene aanzienlijke hoogte, maar konden, door de samengewaaide sneeuw die ons omringde, dit wonderlijke meer niet bereiken, en aanvaardden met eenige moeite den terugtocht. Ik dacht, dat wij onze paarden zouden verliezen, want wij konden niet nagaan hoe diep de sneeuw was; en de dieren die bij den teugel werden geleid, konden niet anders dan springende vooruitkomen. De donkere lucht bewees, dat zich nieuwe sneeuwwolken samenpakten, zoodat wij niet weinig in onzen schik waren een heenkomen te vinden. Nauwelijksbereiktenwij den voet, of de bui barstte los, en het was een geluk voor ons, dat dit niet drie uren vroeger op den dag gebeurde.
26 Augustus.Wij verlieten Jajuel en reden opnieuw het dal van San Felipe in. Het was een echt Chileensche dag: een verblindend lichte hemel, en een volkomen heldere lucht. Het dikke en gelijkmatige dek van versch gevallen sneeuw maakte het gezicht op den vulkaan Aconcagua en de groote keten inderdaad prachtvol. Wij waren nu op weg naar Santiago, de hoofdstad van Chili. Wij trokken over de Cerro del Talguen, en sliepen in een kleinenrancho. Sprekende over den toestand van Chili in vergelijking met andere landen, zeide onze gastheer gelaten:
“Sommige menschen zien met twee oogen, anderen met een; maar ik voor mij geloof, dat Chili met geen van beiden ziet.”
27 Augustus.Nadat wij een aantal lage bergjes waren overgetrokken, daalden wij af in de kleine door land ingesloten Guitron-vlakte. In dalkommen, zooals deze, die een- tot tweeduizend voet boven zee liggen, groeien zeer talrijke, doch weinig ontwikkelde acacia’s, die op grooten afstand van elkander staan en tot twee species behooren. Eene andere kenmerkende bijzonderheid in het landschap dezer dalkommen is, dat men deze boomen nooit nabij de zeekust vindt. Wij trokken over een lagen bergrug, welke Guitron scheidt van de groote vlakte waarop Santiago ligt. Hier was het uitzicht in hooge mate verrassend: eene doodsche, effene vlakte, gedeeltelijk met acacia-bosschen bedekt, en in de verte de stad, die horizontaal aan den voet der Andes grensde, welker besneeuwde toppen in de avondzon blonken. Bij den eersten aanblik was het volkomen duidelijk, dat deze vlakte den bodem eener voormalige binnenzee vormde. Zoodra wij op den vlakken weg waren, zetten wij onze paarden in galop, en bereikten voordat het donker was de stad.
Ik bleef een week in Santiago en genoot zeer veel. Des morgens reed ik naar verschillende plaatsen op de vlakte, en des avonds at ik bij verschillende Engelsche kooplieden, wier gastvrijheid te dezer stede wel bekend is. Een nooit falende bron van genoegen was het afdalen langs den kleinen rotsheuvel Santa Lucia, die midden in de stad uitloopt. De streek is inderdaad hoogst verrassend en, zooals ik gezegd heb, zeer eigenaardig. Naar men mij bericht, dragen de steden in de groote Mexicaansche hoogvlakte hetzelfde kenmerk. Van de stad heb ik niets bijzonders te zeggen; zij is niet zoo fraai en groot als Buenos Aires, maar volgens hetzelfde plan gebouwd. Ik kwam hier langs een omweg naar het noorden, en besloot nu door een eenigszins langeren tocht, ten zuiden van den rechten weg, naar Valparaiso terug te keeren.
5 September.Op het midden van den dag kwamen wij aan een der uit huiden vervaardigde hangbruggen over de Maypu—eene breede schuimende rivier, enkeleleaguesten zuiden van Santiago gelegen. Deze bruggen zijn zeer ellendig ingericht. De weg, die de kromming der hangtouwen volgt, is gemaakt van dicht bij elkander geplaatste bundels takken. Hij was vol gaten, en slingerde tamelijk dreigend, zelfs onder het gewicht van een man met zijn paard aan den teugel. Des avonds bereikten wij eene geriefelijke pachterswoning, waar ik verscheidene zeer lieve segnoritas ontmoette. Toen deze vernamen, dat ik louter uit nieuwsgierigheid eene harer kerken was binnengegaan, ontstelden zij zeer.
“Waarom wordt u geen christen, segnor Darwin? Onze godsdienst berust op zekere grondslagen,” zeiden zij mij.
Of ik haar al verzekerde, dat ik eene soort van christen was, wilden zij hier niet van hooren en beriepen zich op mijne eigene woorden.
“U zegt immers, dat uwe geestelijken en bisschoppen trouwen, niet waar?”
De ongerijmdheid, dat een bisschop eene vrouw had, trof haar bijzonder. Ternauwernood wisten zij of zij om zulk eene gruweldaad eens hartelijk moesten lachen, dan wel zich ergeren.
6 September.Wij trokken regelrecht zuidwaarts en sliepen te Rancagua. De weg liep door eene effen maar smalle vlakte, aan den eenen kant door hooge heuvels, aan den anderen kant door de Cordilleras begrensd. Den volgenden dag sloegen wij het dal in van de Rio Cachapual, waarin de sedert lang om hare geneeskrachtige eigenschappen vermaarde heete bronnen van Cauquenes gelegen zijn. In de minder bezochte gedeelten worden de hangbruggen gedurende den winter, als de rivieren laag zijn, meestal weggenomen. Zulks was ook het geval in de Rio Cachapual-vallei, zoodat wij genoodzaakt waren te paard den stroom over te steken. Dit is vrij onaangenaam, wijl het schuimende water, dat echter niet diep is, zoo snel doorhet bed van groote, ronde steenen loopt, dat het hoofd er van duizelt, en het zelfs moeilijk is te zien of het paard voortloopt dan wel stilstaat. Des zomers, als de sneeuw smelt, zijn de stroomen geheel ontoegankelijk; hunne kracht en onstuimigheid zijn dan buitengewoon groot, gelijk duidelijk te zien was aan de merken, die zij hadden achtergelaten. Des avonds bereikten wij de bronnen, waar wij vijf dagen bleven—de twee laatste, omdat de hevige regen ons terughield. De gebouwen bestaan uit een vierkant van armzalige kleine hutten, elk met ééne tafel en een bank. Zij liggen in eene enge en diepe vallei even buiten de centrale keten van het Andes-gebergte. Het is een rustig, eenzaam plekje met een overvloed van wild natuurschoon.
De minerale bronnen van Cauquenes ontspringen op eene dislocatie-spleet,9welke door eene groep gelaagde steenen loopt. Alles te zamen verraadt de werking van hitte. Eene aanzienlijke hoeveelheid gas, vergezeld van water, ontsnapt voortdurend uit dezelfde openingen. Ofschoon de bronnen slechts enkele yards van elkander liggen, hebben zij zeer verschillende temperaturen; en dit schijnt het gevolg te wezen van eene ongelijke bijmenging van koud water, want die met de laagste temperatuur hebben bijna geen mineralen smaak. Na de vreeselijke aardbeving in 1822 hielden de bronnen op te vloeien, en duurde het bijna een jaar voordat het water terugkeerde. Ook de aardbeving van 1835 had eene groote uitwerking op ze, want hare temperatuur daalde plotseling van 118° tot 92°.10Er is reden om te onderstellen,dat minerale wateren welke diep uit de ingewanden der aarde ontspringen, altijd meer door onderaardsche werkingen worden gestoord, dan die nabij de oppervlakte. De man, die de bronnen bewaakte, verzekerde mij, dat het water des zomers heeter en overvloediger is dan des winters. De eerste omstandigheid had ik verwacht op grond van de geringere bijmenging van koud water in het droge jaargetijde; maar de laatste verklaring schijnt zeer vreemd en tegenstrijdig. De periodieke toeneming in den zomer, alser geen regen valt, kan, dunkt mij, alleen door het smelten van de sneeuw worden verklaard, ofschoon de bergen, die in dat jaargetijde met sneeuw bedekt zijn, drie of vierleaguesvan de bronnen af liggen. Ik heb geen reden om aan de geloofwaardigheid van mijn berichtgever te twijfelen, die verscheidene jaren op dezelfde plek heeft gewoond, en met de zaak dus wel bekend moet zijn. Is het geval waar, dan is het stellig zeer zonderling; want wij mogen aannemen, dat het sneeuwwater, als het door de poreuze lagen tot de warme onderaardsche ruimten is doorgedrongen, langs de lijn der verzette en ingespoten11gesteenten te Cauquenes weer naar de oppervlakte wordt gedreven; en de regelmatigheid van het verschijnsel zou dan een aanwijzing zijn, dat er in deze streek op geen zeer groote diepte gesmolten gesteente voorkwam.
Op zekeren dag reed ik het dal in naar de verst bewoonde plek. Dicht voorbij deze plek verdeelt de vallei zich in twee vervaarlijke ravijnen, welke diep in de groote bergketen dringen. Ik beklom een steilen top van misschien meer dan 6000 voet hoogte. Hier, gelijk trouwens op alle punten, ontroldezich een panorama, dat de grootste belangstelling verdiende. Het was door een dezer ravijnen, dat Pincheira Chili binnentrok en de naburige landstreek verwoestte. Deze is dezelfde persoon, wiens aanval op eene estancia aan de Rio Negro ik reeds vroeger (Hoofdstuk IV, deel I) beschreven heb. Hij was een gedeserteerde Spaansche kleurling, die eene talrijke bende Indianen bijeenbracht, en zich bij eene rivier in de Pampas vestigde. Aan geen van de troepen, die uitgezonden waren om hem te zoeken, gelukte het zijn schuilplaats te vinden. Van dit punt ging hij op weg, trok over de Cordilleras langs passen welke vóor hem door niemand waren betreden, verwoestte de pachterswoningen en dreef het vee naar zijn schuilhoek. Pincheira was een verbazend ruiter, en hij maakte al zijne manschappen even kloek, doordien hij zonder genade elk neerschoot, die aarzelde hem te volgen. Het was tegen dezen man en andere zwervende Indiaansche stammen, dat Rosas den verdelgingskrijg begon.
13 September.Wij verlieten de bronnen van Cauquenes, sloegen weder den grooten weg in, en sliepen aan de Rio Claro. Van dit punt reden wij naar de stad San Fernando. Voordat wij hier aankwamen, had het laatste door land ingesloten keteldal zich verruimd tot eene groote vlakte, die zich zoover zuidwaarts uitstrekte, dat het was als zag men de besneeuwde toppen der meer verwijderde Andes boven den horizon der zee liggen. San Fernando ligt 40leaguesvan Santiago, en was mijn verste punt zuidwaarts, want hier wendden wij ons rechthoekig naar de kust. Wij sliepen bij de goudmijnen van Yaquil, geëxploiteerd door zekeren Nixon: een welopgevoeden Amerikaan, aan wiens vriendelijkheid ik gedurende mijn vierdaagsch verblijf in zijn huis veel verschuldigd ben. Den volgenden morgen reden wij naar de mijnen, die eenigeleaguesver bij den top van een hoogen heuvel zijn gelegen. Onderweg zagen wij terloops het Tagua-meer, vermaard om zijne drijvende eilanden, waarvan Gay eenebeschrijving heeft gegeven.12Deze eilanden bestaan uit stengels van allerlei doode planten, die zich dooreenslingeren en waarop andere levenden wortel schieten. Meestal zijn zij cirkelvormig, bij eene dikte van 4 tot 6 voet, waarvan het grootste gedeelte onder water ligt. Steekt de wind op, dan drijven zij van den eenen kant van het meer naar den anderen, en nemen dikwijls vee en paarden als passagiers mede. Toen wij aan de mijn kwamen, stond ik getroffen over het bleeke uiterlijk van vele arbeiders. Op mijne vraag aan Nixon hoe hunne leefwijze was, vertelde hij mij het volgende. De mijn is 450 voeten diep, en elk arbeider draagt omstreeks 200 Eng. ponden gewicht aan steenen naar boven. Met dezen last moeten zij tegen boomstammen opklimmen, welke in eene zigzaglijn in de schacht staan, en waarin kruiselings kepen zijn gehakt. Zelfs baardelooze jongelieden, 18 en 20 jaren oud en met weinig ontwikkelde spieren (ik kon dit zien, daar zij slechts een broek aan het naakte lichaam hadden), klimmen met dezen zwaren last uit ongeveer dezelfde diepte. Een sterk man, die aan dit werk niet gewoon is, baadt reeds in zijn zweet als hij niet meer dan zijn eigen lichaam naar boven behoeft te dragen. Bij dezen zeer harden arbeid leven zij geheel van gekookte boonen en brood. Liever zouden zij alleen brood hebben; maar wijl hun meester in den waan is, dat zij van brood alleen zoo hard niet kunnen werken, behandelen zij hen als paarden en laten hen boonen eten. Het loon is hier iets hooger dan in de mijnen van Jajuel, nl. 24 tot 28 shillings per maand. Zij verlaten de mijnen slechts eenmaal in de drie weken, en blijven dan twee dagen bij hun gezin. Er bestaat hier een zeer krasse maatregel, die voor den opzichter echter van veel nut is. De eenige weg om goud te stelen is, dat men stukken erts wegbergt, en, zoodra er gelegenheid is, naar buiten brengt. Telkens als demayordomozulk een verborgen stuk ontdekt, wordt de volle waarde er van op de loonen van alle arbeiders verhaald, zoodat deze wel genoodzaakt zijn op elkander toezicht te houden, tenzij dat allen samenspannen.
Als het erts naar den molen is gebracht, wordt het tot een uiterst fijn poeder vermalen; door wassching verwijdert men de lichtere deeltjes, en eindelijk wordt dooramalgamatiehet stofgoud gebonden. Volgens de beschrijving is het wasschen eene zeer eenvoudige bewerking; maar het is interessant te zien hoe gemakkelijk het poedervormige moedergesteente van het metaal zelf gescheiden wordt, door nauwkeurige regeling van den waterstroom naar het soortelijk gewicht van het goud. De slib die uit de molens komt, wordt in vijvertjes verzameld, waar zij bezinkt; nu en dan wordt zij hieruit verwijderd en op een zelfden hoop geworpen. Dan begint eene reeks van scheikundige werkingen: verschillende zouten kristalliseeren aan de oppervlakte, en de massa wordt hard. Nadat zij een jaar of twee zoo gelegen heeft, wordt zij opnieuw gewasschen, en scheidt dan goud af. Deze bewerking kan zes- of zevenmaal worden herhaald; maar telkens neemt de hoeveelheid goud af, en worden de vereischte tusschentijden langer.13Er valt niet aan te twijfelen, of de reeds genoemde scheikundige werking maakt telkens nieuw goud uit de eene of andere verbinding vrij. Het ontdekken van eene methode om zulks vóór het eerste vermalen te doen plaats hebben, zou de waarde van goudertsen ongetwijfeld vele malen verhoogen. Het is merkwaardig te zien, hoe de kleine hier en daar verspreide gouddeeltjes, die niet geheel vergaan zijn, zich eindelijk tot eene merkbare hoeveelheid ophoopen. Kort geleden kregen eenige mijnarbeiders, die zonder werk waren, verlof den grond om het huis en de molens af te schrapen; zij wieschen de aldus verkregen aarde, en scheidden zoo voor eene waarde van dertig dollars aan goud af. Dit is eene getrouwe kopij vanhetgeen in de natuur plaats heeft. Bergen zijn onderhevig aan verval en slijten, en met hen de metaaladeren, die zij bevatten. Het hardste gesteente wordt tot uiterst fijne modder herleid; de gewone metalen oxydeeren, en beiden worden weggevoerd. Maar goud, platina en enkele anderen zijn bijna onverwoestbaar, zinken door hun gewicht naar den bodem, en blijven daar achter. Nadat geheele bergen aldus door de hand der natuur vermalen, vergruisd en gewasschen zijn, wordt het overschot metaalhoudend, en acht de mensch het de moeite waard het scheidingswerk te voltooien.
Al lijkt de bovengenoemde behandeling van de mijnwerkers ook slecht, toch wordt het werk gaarne door hen aangenomen, want de toestand der veldarbeiders is veel slechter. Hunne loonen zijn lager, en zij leven bijna uitsluitend van boonen. Deze armoede moet hoofdzakelijk worden toegeschreven aan de leenstelselvormige wijze, waarop het land bebouwd wordt. De landeigenaar geeft eene kleine plek gronds aan den arbeider, om daarop te bouwen en te kweeken, en heeft daarvoor dagelijks, zoolang hij leeft en zonder uitbetaling van loon, het gebruik van zijne diensten (of van die van een gevolmachtigde). Zoolang een vader geen volwassen zoon heeft, die met zijn arbeid de rente kan betalen, is er, behalve op enkele dagen, niemand die voor zijn stuk grond kan zorgen. Dientengevolge is de diepste armoede een gewoon verschijnsel onder de landbouwersklasse in Chili.
In dezen omtrek bevinden zich eenige oude Indiaansche bouwvallen, en liet men mij een van die doorboorde steenen zien, welke, volgens Molina, op vele plaatsen in groot aantal worden gevonden. Zij zijn cirkelvormig, afgeplat, hebben eene middellijn van vijf tot zes inches, en eene opening in het midden. Algemeen heeft men ondersteld, dat zij als knoppen van knuppels werden gebruikt, al schijnt hun vorm ook geenszins voor dat doel geschikt te wezen. Burchell14zegt, dat sommige stammen in Zuid-Afrika wortels opgravenmet behulp van een stok, die aan het eene einde puntig is; een ronde steen met een gat in het midden, waarin het andere einde van den stok bevestigd is, verhoogt de kracht en het gewicht er van. Men acht het waarschijnlijk, dat de Indianen van Chili vroeger een of ander ruw landbouwwerktuig in gebruik hadden.
Op zekeren dag kwam er bezoek van een Duitschen verzamelaar in natuurlijke historie, Renaus geheeten, en bijna tegelijktijdig van een ouden Spaanschen rechtsgeleerde. Met genoegen hoorde ik het gesprek aan, dat tusschen hen gevoerd werd. Renaus sprak het Spaansch zoo goed, dat de oude advocaat hem voor een Chileen hield. De Duitscher vroeg hem, op mij zinspelende, wat hij wel van den koning van Engeland dacht, die een geleerde naar Chili zond om hagedissen en kevers te verzamelen, en steenen te breken. De oude advocaat dacht eene poos ernstig na, en zeide toen:
“Dat is niet goed.Hay un gato encerrado aqui(Hier schuilt wat achter). Niemand is zoo rijk, dat hij menschen kan uitzenden om zulke prullen te verzamelen. Mij bevalt het niet. Indien een van ons naar Engeland ging om zulke dingen te doen, gelooft u dan niet dat de koning van Engeland ons heel spoedig uit zijn land zou zetten?”
En die oude rechtsgeleerde behoorde, ambtshalve, tot de beter onderrichte en meer beschaafde klasse! Drie of vier jaren geleden liet Renaus eenige rupsen in een huis te San Fernando onder bewaking van een meisje achter, dat ze zou voeden, opdat zij later in kapellen zouden veranderen. Dit werd ruchtbaar in de stad; de gouverneur en de geestelijken hielden raad, en meenden dat hier ketterij in ’t spel moest zijn. Diensvolgens werd Renaus bij zijn terugkeer gevangen genomen.
19 September.Wij verlieten Yaquil en volgden de vlakke vallei, waardoor de Rio Tinderidica vloeit en van gelijken vorm als het Quillota-dal. Ofschoon deze vallei slechts enkele mijlen ten zuiden van Santiago ligt, is het klimaat er veel vochtiger, met het gevolg dat er fraaie stukken weiland zijn, die niet bevloeidworden. Den 20sten volgden wij deze vallei tot waar zij in eene groote vlakte overging, die van de zee tot aan het gebergte ten westen van Rancagua reikt. Weldra verdwenen alle boomen en zelfs de struiken, zoodat de bewoners bijna evenzeer van brandhout verstoken zijn als die van de Pampas. Daar ik nooit van deze vlakten gehoord had, stond ik zeer verrast een dergelijk landschap in Chili te vinden. De vlakten behooren tot meer dan eene reeks met afwisselende hoogten, en worden door breede dalen met vlakke bodems doorsneden. Deze beide omstandigheden getuigen, evenals in Patagonië, van de werking der zee op langzaam rijzend land. In de steile klippen, die deze dalen begrenzen, zijn eenige groote holen, die zonder twijfel het eerst door de golven gevormd zijn; een daarvan,La Cueva del Obispoof Het Bisschopshol genaamd, is beroemd en was voorheen heilig. Dien dag gevoelde ik mij zeer onwel, en met zoodanig gevolg, dat ik niet vóór het einde van October hersteld was.
22 September.Onze tocht leidde voortdurend over groene, boomlooze vlakten. Den volgenden dag kwamen wij aan een huis bij Navedad aan de zeekust, waar een rijkehacienderoons onderkomen verschafte. Ik bleef hier de twee volgende dagen, en besteedde die, ofschoon ik zeer onwel was, aan het verzamelen van eenige zeeschelpdieren uit het Tertiaire Tijdvak.
24 September.Thans was onze koers naar Valparaiso gericht, dat ik den 27sten met veel moeite bereikte, en waar ik tot het einde van October aan mijn bed gekluisterd bleef. Gedurende dien tijd woonde ik in het huis van Corfield, wiens vriendelijkheid jegens mij ik niet genoeg in woorden kan uitdrukken.
Ik zal hier een paar opmerkingen bijvoegen over eenige viervoetige dieren en vogels van Chili. DePumaof ZuidamerikaanscheLeeuw is hier niet zeldzaam. Dit dier heeft eene groote geographische verspreiding, en wordt gevonden van af de bosschen aan den evenaar, in de woestijnen van Patagonië, tot 53° of 54° zuidelijk in de koude en vochtige streken van Vuurland. Ik heb zijn spoor gezien in de Cordilleras van Midden-Chili, op eene hoogte van minstens 1000 voet. In La Plata jaagt de puma voornamelijk op herten, struisvogels, bizcacha’s en andere kleine viervoeters; zelden valt hij daar vee of paarden aan, en hoogst zelden menschen. In Chili doodt hij echter vele jonge paarden en runderen, wat waarschijnlijk een gevolg is van de schaarschheid aan andere viervoetige dieren; ook hoorde ik, dat twee mannen en eene vrouw door deze dieren gedood waren. Men zegt, dat de puma zijne prooi altijd doodt, door deze op den schouder te springen, en dan met een zijner klauwen het hoofd naar achteren te trekken totdat de halswervels breken. In Patagonië heb ik geraamten van guanaco’s gezien, wier halswervels aldus ontwricht waren.
Als de puma zijn bekomst heeft gegeten, bedekt hij het lijk met een aantal groote struiken, en gaat er dan bij liggen waken. Deze gewoonte is dikwijls oorzaak dat hij ontdekt wordt; want de condors die in de lucht zweven, komen telkens omlaag om hun deel van het maal te hebben, worden echter woedend verjaagd en vliegen alle tegelijk weer op. De Chileensche Guaso weet dan, dat ergens een leeuw zijne prooi bewaakt. De noodige bevelen worden gegeven, en mannen en honden snellen ter jacht. Sir F. Head zegt, dat een Gaucho in de Pampas alleen bij het zien van eenige condors die kringen in de lucht beschreven, uitriep: “Een leeuw!” Mijzelf is het nooit gelukt iemand te ontmoeten, die zulk een onderscheidingsvermogen bezat. Men zegt, dat, als een puma eenmaal op deze wijze bij het bewaken van een lijk overvallen en daarna opgejaagd is geworden, hij nooit die gewoonte meer volgt, maar dat hij, na zich zat te hebben gegeten, ver wegloopt. De puma wordt gemakkelijk gedood. In eene open of onbegroeide streek wordt hij eerst met de bolas gegrepen, dan gelazeerd, en langs den grond gesleepttotdat hij bewusteloos is. Te Tandeel, in het zuiden van La Plata, vertelde men mij, dat daar in drie maanden tijds honderd puma’s op die manier gedood waren. In Chili worden zij meestal uit struiken of boomen verdreven, en dan neergeschoten of door honden doodgebeten. De honden die voor deze jacht gebruikt worden, behooren tot een bijzonder ras,leonero’s15geheeten; deze zijn fijne, ranke dieren, evenals langbeenige terriers, maar met een aangeboren bijzonder instinct voor deze soort van jacht. De puma wordt beschreven als zeer listig; als hij vervolgd wordt, keert hij dikwijls op zijn eerste spoor terug, doet dan eensklaps een zijsprong in het kreupelhout, en wacht daar tot de honden voorbij zijn. Hij is een zeer stil dier, en laat, zelfs als hij gewond is, geen geluid hooren, tenzij eene enkele maal in den bronsttijd.
Onder de vogels verdienen twee soorten van het geslachtPteroptochos(megapodiusenalbicollisvan Kittlitz) wellicht de meeste aandacht. De eerste, die door de Chilenen “el Turco” genoemd wordt, is zoo groot als een jeneverbeslijster (Turdus pilaris), waaraan hij ook eenigszins verwant is: met dit verschil, dat zijne beenen veel langer, zijn staart korter, en de bek sterker zijn. Zijne kleur is roodbruin. DeTurcois niet zeldzaam. Hij leeft op den grond, verscholen tusschen het kreupelhout dat op de droge en dorre heuvels is verspreid. Nu en dan kan men hem, met den staart overeind, op zijne steltvormige beenen met ongewone vlugheid uit het eene kreupelbosch naar het andere zien huppelen. Er is inderdaad weinig verbeelding noodig om te gelooven, dat de vogel over zichzelf beschaamd en zich zijne belachelijke figuur bewust is. Op het eerste gezicht is men geneigd uit te roepen: “Een afschuwelijk opgezet exemplaar is uit het een of ander museum ontsnapt en weer levend geworden!” Niet dan met de grootste moeite kan men hem dwingen op te vliegen; ook loopt hij niet, maar huppelt slechts. De verschillende luide kreten, die hijuit als hij in de struiken verborgen zit, zijn even vreemd als zijn voorkomen. Men zegt, dat hij in een diep gat onder den grond zijn nest bouwt. Ik ontleedde verscheidene exemplaren en vond in de maag, die zeer gespierd was, kevers, plantvezels en steentjes. Wegens dit kenteeken, alsook om zijne lange beenen, schraapvoeten, vliezig bekleedsel aan de neusgaten, en zijne korte gewelfde vleugels, schijnt deze vogel in zekeren zin de lijsters met de orde der Hoenders (Rasores) te verbinden.
De tweede soort ofPteroptochos albicollisis, wat den vorm in ’t algemeen betreft, aan de eerste verwant. Deze vogel draagt den naam vanTapacolo: hetgeen beteekent: “bedek je achterdeel;” en dien naam verdient de schaamtelooze vogel ten volle, want hij draagt zijn staart meer dan rechtop, namelijk in eene richting naar den kop. Hij is zeer algemeen, en houdt zich op aan den voet van boomstammen, of in de struiken die op de naakte heuvels zijn verspreid, waar bijna geen andere vogel leven kan. In zijne gewone voedingswijze, zijn snel heen en weer huppelen uit de kreupelbosschen; in zijne zucht om zich te verschuilen, zijn onwil om te vluchten, en in de wijze waarop hij zijn nest bouwt, bezit hij veel overeenkomst met den Turco; maar zijn voorkomen is niet zoo geheel belachelijk. De Tapacolo is zeer listig. Als iemand hem schrik aanjaagt, blijft hij onbeweeglijk midden in een kreupelboschje zitten, en tracht dan na eene poos heel behendig aan den anderen kant weg te sluipen. Ook is hij een bedrijvige vogel, die voortdurend geluiden maakt. Deze geluiden zijn verschillend en tevens zeer zonderling; sommige gelijken veel op het gekir eener duif, andere op het geborrel van water, en vele tarten alle andere geluiden. Het landvolk zegt, dat hij vijfmaal in ’t jaar zijn geluid verandert, hetgeen vermoedelijk met eene verandering van seizoen in verband staat.16
Twee soorten van kolibries zijn hier inheemsch:Trochilus forficatusvindt men over eene uitgestrektheid van 2500 mijlen aan de westkust, van af het heete droge land van Lima, tot aan de wouden van Vuurland, waar men hen in sneeuwstormen kan zien fladderen. Op het met bosschen bedekte eiland Chiloë, dat een uiterst vochtig klimaat heeft en waar dit vogeltje links en rechts tusschen de druipende bladeren springt, is het misschien talrijker dan bijna elke andere soort. Ik opende de magen van een aantal exemplaren, die in verschillende streken van dit werelddeel geschoten waren, en vond in alle even talrijke overblijfsels van insecten als in de maag van een specht. Als deze species des zomers naar het zuiden trekt, wordt zij vervangen door eene andere, die uit het noorden komt. Deze tweede soort (Trochilus gigas) is een zeer groote vogel in die tengere familie waartoe hij behoort. Als deze vogel vliegt, heeft hij een zonderling voorkomen. Evenals andere van het geslacht beweegt hij zich van plek tot plek met een snelheid, welke te vergelijken is bij die vanSyrphusonder de vliegen, en vanSphinxonder de nachtvlinders; maar als hij boven een bloem fladdert, klapwiekt hij zeer langzaam en krachtig op eene wijze geheel verschillend van die trillende beweging, welke aan de meeste soorten eigen is en het gonzende geluid voortbrengt. Nooit zag ik een anderen vogel, wiens vleugels zoo buitengewoon krachtig schenen (evenals bij een kapel) in verhouding tot het lichaamsgewicht. Als hij langs eene bloem fladdert, opent en sluit zijn staart zich als een waaier, terwijl het lichaam een bijna vertikalen stand behoudt. Deze staartbeweging schijnt den vogel tusschen de langzame slagen zijner vleugelste steunen en in evenwicht te houden. Ofschoon hij van de eene bloem naar de andere vliegt om voedsel te zoeken, bevatte zijne maag bij onderzoek meestal talrijke overblijfsels van insecten, zoodat ik vermoeddathij de laatsten veel meer zoekt dan honig. Het geluid van deze soort is uiterst doordringend, evenals dat van bijna de geheele familie.
1of ongeveer 7040 Met. De Chimborazo is 20.700 voet of 6310 Met. hoog.(Vert.)2Thomas Cochrane (1775–1860), bekend Britsch admiraal, verviel in ongenade, omdat hij medeplichtig was aan het verspreiden van een valsch gerucht over Napoleon’s dood, ten einde zoode koersen der Staatsfondsen te influenceeren. Daarna diende hij in Chili, Brazilië en Griekenland.(Vert.)3Rondgang, of wel de open ruimte zelve, waar het weidende vee wordt bijeengedreven.(Vert.)4Beheerder van een landgoed, huishofmeester, intendant.(Vert.)5Lord Anson (1697–1762), een bekend Engelsch admiraal, streed voornamelijk tegen Spaansche schepen in den Stillen Oceaan. Hij bracht der Spaansche macht veel nadeel toe, en plunderde twee schatvaartuigen.6In Spaansche landen vormt het eene soort van gerecht van geroosterd rundvleesch in eene gekruidesausmet aardappelen.7Behoort tot de nachtzwaluwen (Caprimulgidae), OrdeMacrochires.(Vert.)8Rexwil zeggen “Koning,” enFinis“Einde.” De tekst zal waarschijnlijk doelen op GeorgeIVvan Engeland, die geboren werd in 1762 en regeerde van 1820–1830.(Vert.)9Onderdislocatieverstaat men in de geologie eenebreuken daaruit gevolgdeverplaatsingin de oorspronkelijk horizontaal afgezette aardlagen. Dit verschijnsel hangt ten nauwste samen met het inzinken van de aardkorst door het inkrimpen der kern.(Vert.)10Caldcleugh in de Philosoph. Transact. van het jaar 1836—Na de aardbeving, die plaats had op 19 November 1822, bleek een groot gedeelte der kust van Chili 3 tot 4 voet gerezen te zijn, zoodat onder tal van doode visschen, eene menigte strandschelpdieren blootkwamen, die nog aan de rotsen vastzaten. Bij die in Febr. 1835 waren de Chileensche vulkanenYantelesenOsornoin werking. De eerste ligt tegenover het eiland Chiloë, op 43° 29′ Z.B. en heeft eene hoogte van 2447 met.; de Osorno in de provincie Llanquihue op 41° 9′ Z.B., en is 2250 met. hoog. Ook toen steeg een deel van Chili.(Vert.)11Gedisloqueerde en geinjiciëerde, zegt men in wetenschappelijke termen. De afgekoelde ingespoten vulkanische gesteenten heetendijken.(Vert.)12“Annales des Sciences Naturelles,” mars 1833. Gay, een ijverig en bekend natuurvorscher, hield zich toen bezig met de studie van alle takken der natuurlijke historie in het koninkrijk Chili.13Volgens het zeggen der inboorlingen wordt in die tusschentijden het metaal “voortgebracht.”14Burchell’sTravels, deel II, blz. 45.15Leonero wil zeggen: leeuwenbewaker.16Het verdient opmerking, dat Molina, ofschoon alle vogels en viervoetige dieren van Chili uitvoerig beschrijvende, geen enkele maal van dit geslacht melding maakt, waarvan de soorten zoo algemeen zijn en zulke merkwaardige gewoonten hebben. Wist hij niet recht in welke klasse hij het zou plaatsen, en dacht hij daarom dat het raadzamer was te zwijgen? Het is alweer een voorbeeld van de vele gevallen dat schrijvers onderwerpen weglaten, waar men dit het minst zou verwachten.
1of ongeveer 7040 Met. De Chimborazo is 20.700 voet of 6310 Met. hoog.
(Vert.)
2Thomas Cochrane (1775–1860), bekend Britsch admiraal, verviel in ongenade, omdat hij medeplichtig was aan het verspreiden van een valsch gerucht over Napoleon’s dood, ten einde zoode koersen der Staatsfondsen te influenceeren. Daarna diende hij in Chili, Brazilië en Griekenland.
(Vert.)
3Rondgang, of wel de open ruimte zelve, waar het weidende vee wordt bijeengedreven.
(Vert.)
4Beheerder van een landgoed, huishofmeester, intendant.
(Vert.)
5Lord Anson (1697–1762), een bekend Engelsch admiraal, streed voornamelijk tegen Spaansche schepen in den Stillen Oceaan. Hij bracht der Spaansche macht veel nadeel toe, en plunderde twee schatvaartuigen.
6In Spaansche landen vormt het eene soort van gerecht van geroosterd rundvleesch in eene gekruidesausmet aardappelen.
7Behoort tot de nachtzwaluwen (Caprimulgidae), OrdeMacrochires.
(Vert.)
8Rexwil zeggen “Koning,” enFinis“Einde.” De tekst zal waarschijnlijk doelen op GeorgeIVvan Engeland, die geboren werd in 1762 en regeerde van 1820–1830.
(Vert.)
9Onderdislocatieverstaat men in de geologie eenebreuken daaruit gevolgdeverplaatsingin de oorspronkelijk horizontaal afgezette aardlagen. Dit verschijnsel hangt ten nauwste samen met het inzinken van de aardkorst door het inkrimpen der kern.
(Vert.)
10Caldcleugh in de Philosoph. Transact. van het jaar 1836—Na de aardbeving, die plaats had op 19 November 1822, bleek een groot gedeelte der kust van Chili 3 tot 4 voet gerezen te zijn, zoodat onder tal van doode visschen, eene menigte strandschelpdieren blootkwamen, die nog aan de rotsen vastzaten. Bij die in Febr. 1835 waren de Chileensche vulkanenYantelesenOsornoin werking. De eerste ligt tegenover het eiland Chiloë, op 43° 29′ Z.B. en heeft eene hoogte van 2447 met.; de Osorno in de provincie Llanquihue op 41° 9′ Z.B., en is 2250 met. hoog. Ook toen steeg een deel van Chili.
(Vert.)
11Gedisloqueerde en geinjiciëerde, zegt men in wetenschappelijke termen. De afgekoelde ingespoten vulkanische gesteenten heetendijken.
(Vert.)
12“Annales des Sciences Naturelles,” mars 1833. Gay, een ijverig en bekend natuurvorscher, hield zich toen bezig met de studie van alle takken der natuurlijke historie in het koninkrijk Chili.
13Volgens het zeggen der inboorlingen wordt in die tusschentijden het metaal “voortgebracht.”
14Burchell’sTravels, deel II, blz. 45.
15Leonero wil zeggen: leeuwenbewaker.
16Het verdient opmerking, dat Molina, ofschoon alle vogels en viervoetige dieren van Chili uitvoerig beschrijvende, geen enkele maal van dit geslacht melding maakt, waarvan de soorten zoo algemeen zijn en zulke merkwaardige gewoonten hebben. Wist hij niet recht in welke klasse hij het zou plaatsen, en dacht hij daarom dat het raadzamer was te zwijgen? Het is alweer een voorbeeld van de vele gevallen dat schrijvers onderwerpen weglaten, waar men dit het minst zou verwachten.