Hoofdstuk XXI.Mauritius—Terugkeer naar Engeland.29 April 1836.Des morgens zeilden wij om de noordpunt van Mauritius ofIsle de France. Van dit punt uit beantwoordde de aanblik van het eiland aan de verwachtingen, die de vele welbekende beschrijvingen over zijne schilderachtige natuur hadden opgewekt. Op den voorgrond lag de glooiende Pampelmoezenvlakte met hare hier en daar verspreide huizen en groote suikerrietvelden, die aan het geheel eene heldergroene kleur gaven. De glans van dit groen was des te merkwaardiger, omdat deze kleur meestal eerst op zeer korten afstand in ’t oog valt. Naar het midden van het eiland verrezen groepen bergen uit de rijk bebouwde vlakte, die met bosschen waren bedekt en waarvan de toppen, gelijk zoo dikwijls met oude vulkanische rotsen gebeurt, van de scherpste punten waren voorzien. Zware, witte wolkbanken waren rondom deze toppen saamgepakt, als met het doel om het oog van den vreemdeling te boeien. Het geheele eiland met zijn glooienden rand en bergen in het midden, was op de smaakvolste wijze met natuurschoon versierd, en vormde een landschap, waar, indien ik het zoo zeggen mag, voor het oog alles in harmonie was.Den volgenden dag besteedde ik grootendeels aan het doen van wandelingen om de stad en aan het bezoeken van verschillendepersonen. De stad bezit eene aanzienlijke grootte, heeft zeer nette en regelmatige straten, en telt, naar men zegt, 20.000 inwoners.1Ofschoon het eiland reeds zoovele jaren onder Engelsch bestuur staat, is het algemeen karakter der stad Fransch gebleven: de Engelschen spreken Fransch tot hunne bedienden, en de winkels zijn allen Fransche. Inderdaad zou ik denken, dat Calais of Boulogne nog meer Engelsch waren. Er is een kleine, maar zeer aardige schouwburg, waarin uitmuntende opera-voorstellingen worden gegeven. Ook waren wij verrast bij het zien van groote boekwinkels metwelgevuldekasten. Muziek en lectuur verkondigen, dat wij de oude beschaafde wereld naderen; want waarlijk, zoowel Amerika als Australië zijn nieuwe werelden.Het meest belangwekkende schouwspel in Port-Louis zijn de verschillende menschenrassen, die langs de straten wandelen. Indische misdadigers worden hier voor levenslang verbannen; op het oogenblik zijn er ongeveer 800, die voor allerlei openbare werken gebruikt worden. Voordat ik deze menschen zag, had ik geen idee, dat de bewoners van Indië zulke fraaie typen van menschen waren. Hunne huid is zeer donker, en vele oudere mannen hadden groote knevels en baarden van eene sneeuwwitte kleur, hetgeen, gevoegd bij hunne vurige gebaren, hun een indrukwekkend voorkomen gaf. De meesten waren wegens moord en de ergste misdaden verbannen; anderen om redenen, die moeilijk als zedelijke vergrijpen beschouwd kunnen worden: zooals ongehoorzaamheid aan de Engelsche wetten wegens bijgeloovige drijfveeren. In ’t algemeen zijn deze menschen kalm en gedragen zij zich goed; zoowel om hun persoonlijk gedrag, hunne zedelijkheid en de getrouwe vervulling van hunne godsdienstplichten, kan men hen onmogelijk gelijkstellen met onze ongelukkige verbannenen in Nieuw Zuid-Wallis.Zondag 1 Mei.Ik deed eene lange wandeling langs de zeekust naar het noorden der stad. Op dit gedeelte is de vlakte geheel onbebouwd en bestaat uit een zwart lavaveld, dat geëffend is door een laagje grof gras en struiken, waarvan de laatsten voornamelijk uit Mimosae bestaan. Men kan het landschap beschrijven als het midden houdend tusschen die op de Galápagos-Eilanden en op Tahiti—wat intusschen slechts aan zeer weinige personen een juist denkbeeld er van zal geven. Het is een zeer aangenaam oord, maar bezit noch de bekoorlijkheid van Tahiti, noch het grootsche karakter van Brazilië.Den volgenden dag beklom ik den bergLa Pouce, zoo genoemd naar zijne duimvormige gedaante, die zich dicht achter de stad tot eene hoogte van 2600 voet verheft. Het midden van het eiland bestaat uit eene groote bergvlakte, omgeven door oude gebroken basaltbergen, die met hunne lagen naar de zeekust hellen. De centrale, uit betrekkelijk jonge lavastroomen gevormde hoogvlakte heeft eene lang-ronde gedaante, waarvan de korte as 13geographical miles(24,1 kilom.) lang is. De randbergen, die haar omgeven, behooren tot die klasse van vormingen, waaraan de naam van “Opheffingkraters” is gegeven, en die ondersteld worden niet evenals gewone kraters, maar door eene groote en plotselinge rijzing ontstaan te zijn.2Het schijnt mij toe, dat er onoverkomelijke bezwaren tegen deze meening bestaan; anderzijds kan ik in dit en eenige andere gevallen moeilijk gelooven, dat deze kratervormige randgebergten slechts de overblijfsels zijn der ondereinden vanreusachtige vulkanen, waarvan de toppen afgeslagen of in onderaardsche diepten verzwolgen zijn.Van ons hoog standpunt hadden wij een prachtig uitzicht over het eiland. Het land aan dezen kant schijnt zeer goed bebouwd; want het was in velden verdeeld, waarop talrijke pachthoeven stonden. Men verzekerde mij echter, dat tot heden niet meer dan de helft van het geheele land voortbrengselen oplevert. Is die bewering juist, dan zal Mauritius, zoo men let op den tegenwoordigen grooten uitvoer van suiker, in de toekomst van veel belang worden, wanneer het dicht bevolkt is. Sedert Engeland het in bezit nam (eene periode van slechts 25 jaren), zegt men dat de uitvoer van suiker tot het 75-voud gestegen is. Eene groote oorzaak van zijn voorspoed is de uitmuntende staat der wegen. Op het naburigeIsle de Bourbon, dat onder Fransch bestuur blijft, zijn de wegen nog in denzelfden ellendigen staat, als zij enkele jaren geledenhierwaren. Ofschoon de Fransche bewoners uit de meerdere welvaart van hun eiland stellig zeer veel voordeel hebben getrokken, is het Engelsche bestuur verre van populair.3 Mei.Des avonds noodigde de Inspecteur-generaal, kapitein Lloyd—zoo wel bekend door zijn onderzoek van het Panama-kanaal—den heer Stokes en mij op zijn landgoed, dat omstreeks zes mijlen van de haven aan den rand der Wilheim-vlakte gelegen is. Wij bleven twee dagen op deze aangename plek; door hare ligging, 800 voet boven de zee, was de lucht er koel en frisch, en naar alle zijden openden zich heerlijke wandelingen. Dicht bij lag een groot ravijn, dat tot eene diepte van omstreeks 500 voet in den zwak hellenden lavastroom was uitgehold, die van de centrale bergvlakte was gevloeid.5 Mei.Kapitein Lloyd bracht ons naar de verscheidene mijlen zuidwaarts gelegenRivière Noireof Zwarte Rivier, waar ik eenige gerezen koraalbanken onderzoeken wilde. Wij trokken door vriendelijke tuinen en fraaie velden met suikerriet, dat tusschen reusachtige brokken lava groeide. Hagen van mimosa-struiken omzoomden dewegen, en bij vele huizen waren lanen met mango-boomen (Mangifera indica). Sommige kijkjes, daar waar de bouwhoeven zich afteekenden op een achtergrond van spitse bergen, waren uiterst schilderachtig; en telkens kwamen wij in verzoeking om uit te roepen: “Hoe heerlijk zou het zijn om levenslang op zulke rustige plekjes te wonen!” Kapitein Lloyd bezat een olifant, dien hij halfweg met ons liet meegaan, om ons het genot van een echt Indischen rit te verschaffen. Wat mij hierbij het meest verraste, was zijn volkomen gedruischlooze stap. Deze olifant is op ’t oogenblik de eenige op het eiland; doch, naar men zegt, zullen er meer worden gezonden.9 Mei.Wij zeilden uit Port-Louis, en kwamen, na een kort oponthoud aan de Kaap de Goede Hoop, den achtsten Juli in het gezicht van St.-Helena. Dit eiland, welks terugstootende aanblik zoo menigmaal beschreven is, verrijst als een reusachtig zwart kasteel loodrecht uit den oceaan. Als om de natuurlijke verdediging te voltooien, zijn alle holten tusschen de ruwe rotsen in de nabijheid der stad met kleine forten en kanonnen gevuld. De stad ligt op de helling eener vlakke en smalle vallei, en heeft tamelijk goede huizen waartusschen zeer weinige groene boomen staan. Toen wij de ankerplaats naderden, hadden wij een indrukwekkend gezicht op een onregelmatig gebouwd kasteel, dat boven op een hoogen berg stond, en met de enkele er om heen staande denneboomen zich scherp tegen den hemel afteekende.Den volgenden dag kreeg ik kamers op een steenworps afstand van Napoleon’s graf;3het was een uitmuntend gelegen plek, van waar men tochten kon doen in elke richting. Gedurende de vier dagen dat ik hier bleef, doolde ik van den ochtend tot den avond over het eiland, en onderzocht zijne geologische gesteldheid. Mijne kamers lagen opeene hoogte van omstreeks 2000 voet; hier was het weder koud en onstuimig, met aanhoudende regenbuien; en telkens was het geheele landschap in dichte wolken gehuld.Bij de kust ligt de ruwe lava geheel bloot; in de centrale en hoogere gedeelten van het eiland is door verweering van de veldspaat-rotsen een kleiachtige bodem ontstaan, die, waar hij niet met planten is bedekt, breede strooken te zien geeft, welke vele heldere kleuren bezitten. In dit jaargetijde wordt het land door voortdurende regens bevochtigd, en brengt een eigenaardig groen gekleurd gras voort, dat meer en meer verwelkt naarmate men lager komt, en eindelijk verdwijnt. Het is verrassend op eene breedte van 16° en de geringe hoogte van 1500 voet een plantengroei te zien, die een bepaald Britsch karakter bezit. De bergen zijn met ongeregelde groepen Schotsche dennen beplant, en de glooiende heuvels dicht begroeid met bremstruiken, kenbaar aan hunne heldergele bloemen. Treurwilgen komen voor aan de oevers der riviertjes, en de hagen zijn gemaakt van braamstruiken, die de welbekende vruchten leveren. Zoo wij bedenken, dat het aantal tot heden op het eiland gevonden planten 746 bedraagt: dat daaronder slechts 52 inheemsche soorten voorkomen, terwijl de overige ingevoerd zijn, en wel meerendeels uit Engeland, dan zien wij de oorzaak van het Britsch karakter der flora. Vele van deze Engelsche planten schijnen hier beter te bloeien dan in haar vaderland; en evenzoo gedijen eenigen uit het tegenover liggendedeel vanAustralië bijzonder goed. De vele ingevoerde soorten moeten sommige inheemsche hebben verdrongen; en werkelijk is het alleen op de hoogste en steilste bergruggen, dat de inlandsche flora de overhand heeft.Het Engelsche karakter van het landschap—of liever dat van Wallis—vindt men ook terug in de talrijke hoeven en kleine witte huizen, waarvan sommige verscholen liggen op den bodem der diepste valleien, andere op de toppen der hooge bergen verrijzen. Sommige landschapsgezichten zijn verrassend: bijv. dat in den omtrek van het huis van Sir Doveton, waar men den steilen berg, Lot genaamd, boveneen donker bosch van dennen ziet verrijzen—alles te midden van de roode verweerde bergen op de zuidkust. Als men het eiland van eene verhevenheid ziet, treft ons in de eerste plaats het aantal wegen en forten; en zoo men dan zijne bestemming als gevangenis vergeet, schijnt de arbeid, welke hier aan openbare werken is besteed, buiten alle verhouding tot zijne grootte of waarde. Er is zoo weinig vlak of bruikbaar land, dat het verwonderlijk schijnt hoe zooveel menschen (omstreeks 5000) hier kunnen leven. De lagere klassen of de geëmancipeerde slaven, die over gebrek aan werk klagen, zijn, geloof ik, uitermate arm. Waarschijnlijk zal deze armoede nog toenemen, nu wegens de overgave van het eiland door de Oostindische Compagnie, het aantal openbare beambten is afgenomen, en dientengevolge vele rijkere personen zijn vertrokken. Het hoofdvoedsel der arbeidende klasse is rijst met wat pekelvleesch; en aangezien geen dezer artikelen door het eiland wordt voortgebracht, maar met geld moet worden betaald, drukken de lage loonen zwaar op het arme volk. Nu de menschen met vrijheid zijn gezegend—een recht, dat zij ten volle op prijs stellen, naar ik geloof—zal hun aantal waarschijnlijk snel toenemen; en indien dit het geval is, mag men vragen: wat zal er van het kleine St.-Helena worden?4Mijn gids was een man van gevorderden leeftijd, die als knaap geitenhoeder geweest was, en elken voetstap tusschen de rotsen kende. Hij behoorde tot een vele malen gekruist ras, maar had, ondanks zijne donkere huid, niet het onaangename voorkomen van een mulat. Deze oude man was zeer welwillend en kalm van aard—eigenschappen, welke het meerendeel der lagere klasse bezit. Het klonk mij vreemd in de ooren een man, die bijna blank en fatsoenlijk gekleed was, met onverschilligheid over de tijden te hooren spreken toen hij nog slaaf was. Met dezen metgezel, die het middageten en een horen met water droeg (hetgeen volstrekt noodigis, daar al het water in de lagere valleien zout bevat), deed ik dagelijks lange wandelingen.De wild romantische valleien, onder den bovensten en centralen plantengordel gelegen, zijn geheel verlaten en onbewoond. Voor den geoloog waren hier hoogst belangrijke tafereelen, die van opvolgende veranderingen en samengestelde storingen getuigden. Naar mijne idee heeft St.-Helena sedert een lang vervlogen tijdperk als eiland bestaan; toch zijn er nog eenige vage bewijzen van landrijzing voorhanden. Ik geloof, dat de centrale en hoogste bergtoppen deel uitmaken van een grooten kraterrand, welks zuidelijke helft geheel door de golven der zee is weggespoeld; bovendien is er een buitendam van zwarte basaltrotsen, evenals de kustbergen van Mauritius, die ouder zijn dan de vulkanische stroomen in het midden. Op de hoogere gedeelten van het eiland liggen talrijke schelpen in den grond begraven, die men langen tijd voor eene zee-soort heeft gehouden, doch eenCochlogenaof landschelp blijkt te zijn van een zeer eigenaardigen vorm.5Bij laatstgenoemde vond ik zes andere soorten, en op eene andere plek eene achtste soort. Het is opmerkelijk, dat geen van deze soorten nu nog levend wordt gevonden. Waarschijnlijk is hare uitsterving veroorzaakt door de algeheele verwoesting der bosschen en het daaruit gevolgde verlies van voedsel en schuilplaatsen, welke in de eerste helft der achttiende eeuw plaats vonden.De geschiedenis der veranderingen, die de hoogvlakten van Longwood en Deadwood volgens het door generaal Beatson gegeven verhaal ondergaan hebben, is uiterst merkwaardig. Daarin heet het, dat beide vlakten in vroegeren tijd met bosschen waren bedekt, en daaromthe Great Woodof het Groote Bosch genoemd werden. Nog in het jaar 1716 stonden er vele boomen, maar in 1724 waren de oudeboomen meerendeels gevallen; en daar men geiten en varkens had laten rondloopen, waren alle jonge boomen gedood.6Ook blijkt uit de officiëele berichten, dat de boomen eenige jaren later onverwacht werden opgevolgd door een dradig gras, dat zich over de geheele oppervlakte verspreidde. Beatson voegt er bij, dat deze vlakte “thans met een fraai grasveld bedekt en het mooiste stuk weiland op St.-Helena geworden is.” De uitgestrektheid van het gebied, dat in vroegeren tijd met bosch bedekt was, wordt op niet minder dan 2000acres7geschat; maar tegenwoordig is er bijna geen enkele boom meer over. Ook zegt men, dat er in 1709 in Sandy-Bay groote menigten doode boomen waren; en nu is die plek eene zoo volslagen woestenij, dat geen ander dan zulk een geloofwaardig bericht mij ooit had kunnen doen gelooven, dat daar eenmaal boomen konden groeien. Het feit, dat de geiten en varkens alle jonge boomen bij hunne ontkieming verwoestten, en dat de oude die van hunne aanvallen verschoond bleven na verloop van tijd door ouderdom stierven, schijnt klaar bewezen te zijn. Geiten werden ingevoerd in het jaar 1502; acht en zestig jaren later, ten tijde van den Britschen zeevaarder Thomas Cavendish,8weet men dat zij er verbazend talrijk waren. Meer dan een eeuw later, in 1731, toen de ramp volkomen en onherstelbaar was, werd een bevel uitgevaardigd, datallelosloopende dieren gedood moesten worden. Hier zien wij dus een feit van groot belang, nl., dat de komst van dieren op St.-Helena in 1502 het geheele aanzien van het eiland niet eer veranderde, voordat er eene tijdruimte van 222 jaren verstreken was; want de geiten werden ingevoerd in 1502, en in 1724 wordt gezegd dat de boomen meerendeels gevallen waren. Er kan weinig twijfel bestaan, of deze groote verandering in den plantengroei had niet alleen gevolgen op de landschelpdieren, waarvan zijacht soorten deed uitsterven, maar ook op eene menigte insecten.Door zijne ligging, zoo ver van eenig vasteland, te midden van een grooten oceaan, en door het bezit van eene flora welke eenig is in hare soort, wekt St.-Helena onze belangstelling. De acht landschelpdieren, ofschoon nu uitgestorven, zijn, evenals de nog levendeSuccinea, bijzondere soorten die nergens anders worden gevonden. Cuming meldt mij echter, dat hier een EngelscheHelix(schelp- of huisjesslak) voorkomt, waarvan de eieren ongetwijfeld in eene van de vele ingevoerde planten herwaarts zijn gebracht. Vogels en insecten zijn, zooals te verwachten was, zeer gering in aantal; en wat de eersten betreft, geloof ik, dat die allen in de laatste jaren zijn ingevoerd.9Patrijzen enfazanten zijn vrij talrijk: het eiland is te zeer Engelsch, om niet aan strenge jachtwetten onderworpen te zijn. Men vertelde mij een geval van opoffering aan zulke bepalingen, zoo onrechtvaardig als ik zelfs in Engeland nooit gehoord heb. Vroeger plachten arme lieden eene plant te verzamelen, die op de kustrotsen groeit, en na hare verbranding de soda uit de asch naar elders te verzenden. Maar plotseling kwam een streng bevel om deze handelwijze te verbieden, onder voorwendsel, dat de patrijzen anders nergens konden nestelen!Op mijne wandelingen stak ik meer dan eens de door diepe valleien begrensde grasvlakte over, waarop Longwood staat. Van nabij gezien, doet dit zich voor als een landgoed van aanzienlijke grootte. Daar tegenover liggen enkele bebouwde velden, en achter dezen de berg Flagstaff met zijne gladde oppervlakte en gekleurd gesteente, alsmede het ruwe, plompe, zwarte berggevaarte, de Barn genaamd. Over het geheel was de aanblik eenigszins koud en onaantrekkelijk. De eenige last, dien ik op mijne wandelingen ondervond, waren de hevige winden. Eens was ik getuige van het volgende vreemde natuurverschijnsel. Op den rand eener hoogvlakte staande, die door eene groote klip van omstreeks 1000 voet diepte begrensd werd, zag ik enkele yards ver, vlakbovenwinds, eene zeezwaluw tegen eene zeer sterke bries worstelen, terwijl op de plek waar ik stond de lucht geheel kalm was. Toen ik het strand dicht genaderd was, waar de stroom opwaarts van den klipwand scheen te worden afgedreven, stak ik mijn arm uit en voelde terstond de volle kracht van den wind. Hier scheidde een onzichtbare, twee yards breede dam eene volkomen kalme lucht van een krachtigen storm.Ik had zooveel genot van mijne zwerftochten tusschen de rotsen en bergen, dat ik op den morgen van den 14den Juli bijna met spijt naar de stad afdaalde. Vóór den middag was ik aan boord en ging deBeagleonder zeil.Op den 19den Juli bereikten wij Ascension. Personen, die een vulkanisch eiland hebben gezien, dat in een droog klimaat gelegen is, zullen zich den aanblik van Ascension terstond kunnen voorstellen. In hunne verbeelding zullen zij dan gladde kegelvormige bergen zien van een lichtroode kleur, met meestal afgeknotte toppen, die, onderling gescheiden, zich uit een horizontaal oppervlak van ruwe zwarte lava verheffen. Een hoofdberg in het midden van het eiland schijnt de vader der kleinere kegels, en draagt den naam vanGreen Hillof Groene berg, ontleend aan de zeer zwakke tint van die kleur, welke in dezen tijd van het jaar nauwelijks van de ankerplaats is waar te nemen. Eene woeste en onstuimige zee, die op de zwarte rotsen aan de kust beukt, voltooit dit sombere tafereel.De nederzetting ligt in de nabijheid van het strand en bestaat uit verscheidene witte hardsteenen huizen en loodsen, die ongeregeld geplaatst, maar goed gebouwd zijn. De bewoners zijn uitsluitend zeesoldaten, behalve eenige uit slavenschepen bevrijde negers, die door het gouvernement betaald en van levensmiddelen worden voorzien. Op het geheele eiland woont geen enkel particulier.10Onder de zeesoldatenschenen vele met hun toestand wel tevreden; zij achtten het beter hunne 21 jaren aan land te dienen—hoe dit land ook zijn mocht—dan op een schip; en indien ik zeesoldaat was, zou ik van harte met deze keus instemmen.Den volgenden morgen beklom ik den 2840 voet hoogenGreen Hill,11en wandelde van daar over het eiland naar de windzijde. Een goede wagenweg voert van de nederzetting op de kust naar de huizen met tuinen en velden, die zich nabij den top van den centralen berg bevinden. Ter zijden van den weg staan mijlsteenen en vindt men waterputten, waaruit elk dorstig voorbijganger een teug goed water kan drinken. Eene dergelijke zorg wordt in elk deel der kolonie in acht genomen, en vooral wat het onderhoud der bronnen betreft, opdat geen enkele druppel water verloren zal gaan; inderdaad kan het geheele eiland vergeleken worden met een groot schip, dat op de voortreffelijkste wijze onderhouden wordt. Toen ik de groote nijverheid bewonderde, die met zulke geringe middelen dergelijke resultaten had voortgebracht, kon ik tevens de spijt niet onderdrukken, dat al die nijverheid verspild werd voor zulk een armzalig en beuzelachtig doel. Lesson heeft terecht opgemerkt, dat alléén de Engelsche natie op het denkbeeld zou komen om van het eiland Ascension eene vruchtbare plek te maken, waar elk ander volk het slechts als fort in den oceaan zou gebruiken.Bij de kust groeit niets; verder landwaarts in kan men soms eene groene castorolie-plant12en enkele sprinkhanen ontmoeten, bekend als ware vrienden van de wildernis. Over de oppervlakte der centrale hoogvlakte is eenig gras verspreid, en het geheel heeft veel weg van de slechtere gedeelten in het gebergte van Wallis. Maar al lijkt de weide ook schraal, toch vinden ongeveer 600 schapen, vele geiten,benevens enkele koeien en paarden er ruim hun voedsel. Onder de inlandsche dieren wemelt het van landkrabben en ratten. Of de rat werkelijk inheemsch is, mag men terecht betwijfelen; volgens de beschrijving van Waterhouse zijn er twee variëteiten of speelsoorten: de eene heeft eene zwarte kleur, een fraai glad vel, en leeft op het met gras bedekte hoogland; de andere is bruinachtig van kleur, minder glad, heeft langer haar, en leeft bij de nederzetting op de kust. Deze beide speelsoorten zijn een derde kleiner dan de gewone zwarte rat (Mus rattus), en verschillen van deze zoowel in kleur als in den aard van haar vel; maar verder in geen ander opzicht van belang. Ik kan moeilijk betwijfelen of deze ratten zijn ingevoerd (evenals de gewone muis, die óók verwilderd is), en hebben, evenals op de Galápagos-Eilanden, de veranderingen ondergaan, die voortsproten uit de nieuwe levensvoorwaarden waaraan zij werden onderworpen; daarom verschilt ook de speelsoort op de hoogvlakte van het eiland van die op de kust. Inheemsche vogels ontbreken geheel; maar de paarlhoen (Numida), die van de Kaap-Verdische Eilanden werd ingevoerd, is er talrijk, en de gewone kip loopt ook in ’t wild. Eenige katten, die oorspronkelijk op het verdelgen van ratten en muizen uittrokken, zijn zoozeer in aantal toegenomen, dat zij eene groote plaag zijn geworden. Het eiland bezit geen enkelen boom, en is, zoowel in dit als in elk ander opzicht, veel minder dan St.-Helena.Een mijner uitstapjes voerde mij naar de zuidwestpunt van het eiland. Het was een heldere en warme dag; maar in plaats dat ik nu het eiland op zijn schoonst zag, stralend in het zonlicht, grijnsde het mij tegen in al zijne naakte leelijkheid. De lavastroomen zijn met heuveltjes bedekt en zoo ruw, dat het niet gemakkelijk is dit geologisch te verklaren. De tusschenruimten liggen verborgen onder lagen puimsteen, asch en vulkanischen tufsteen. Toen ik over zee langs dit deel van het eiland ging, kon ik niet begrijpen wat de witte vlekken waren, waarmee de gansche vlakte gestippeld was; nu vond ik, dat het zeevogels waren, die zoo volvertrouwen lagen te slapen, dat men zelfs midden op den dag naar hen toe kon wandelen en hen grijpen. Deze vogels waren de eenige levende wezens, die ik gedurende den ganschen dag zag. Ofschoon er eene zwakke bries op de kust stond, rolde eene sterke branding over de gebroken lavarotsen.De geologie van dit eiland is in vele opzichten belangrijk. Op verscheidene plaatsen ontdekte ik vulkanische bommen, d.w.z. klompen lava, die eenmaal in vloeibaren staat in de lucht werden geslingerd en dientengevolge eene bol- of peervormige gedaante hebben aangenomen. Zoowel hare uitwendige, als in vele gevallen ook hare inwendige structuur verraadt op zeer treffende wijze, dat zij in hare luchtbaan om eene as hebben gewenteld. In nevenstaande figuur is de inwendige structuur van eene dezer gebroken bommen zeer nauwkeurig voorgesteld.Het middengedeelte bestaat uit grove cellen, die naar buiten toe in grootte afnemen, tot waar zij omsloten zijn door een schaalvormig kapsel, ongeveer een derde inch dik, vanvast gesteente, dat weder aan de buitenzijde met eene korst van fijncellige lava bedekt is. Naar mijn idee kan er weinig twijfel bestaan, ten eerste, dat de buitenkorst snel afkoelde in den toestand waarin wij haar nu zien; ten tweede, dat de nog vloeibare kernlava door de middelpuntvliedende kracht, die de aswenteling der bom in ’t leven riep, tegen de afgekoelde buitenkorst werd gedreven en zoo de vaste steenen schaal vormde; en eindelijk, dat de middelpuntvliedende kracht, welke de drukking in de meer centrale gedeelten der bom verminderde, aan de ingesloten verhitte gassen gelegenheid gaf de kerncellen uit te zetten, en aldus de grofcellige binnenmassa deed ontstaan.Een uit de oudere reeks van vulkanische gesteenten gevormde heuvel, dien men ten onrechte voor een vulkaankrater heeft gehouden, is belangrijk doordat zijn breede, eenigszins holle, cirkelvormige top gevuld is met een aantal opvolgende lagen van asch en fijne slakken. De schotelvormige lagen puilen over den rand, waar zij zuivere, verschillend gekleurde ringen vormen, en zoodoende aan den top een hoogst phantastisch aanzien geven; een dezer ringen is wit en breed, en gelijkt op eene renbaan waar paarden worden geoefend: vandaar dat deze heuvel den naam vanDevil’s Riding School(Duivels-Rijschool) ontving. Uit een der tufhoudende lagen die eene bleekroode kleur had, nam ik eenige specimens stof mee naar Engeland. Na opzending daarvan aan Prof. Ehrenberg, meldde deze mij het hoogst belangrijke feit, dat die stof bijna geheel uit bewerktuigde wezens13bestond. Hij ontdekte daarin eenige kiezelschalige zoetwater-infusoria, en daarenboven niet minder dan 25 verschillende soorten kiezelskeletten van planten, voornamelijk grassen. Wegens het ontbreken van alle koolstofhoudende verbindingen, houdt Ehrenberg het er voor, dat deze organische lichamen den vulkanischen vuurdoop hebben ondergaan, en uitgeworpen zijn in den toestand,waarin wij hen nu zien. Het voorkomen der lagen deed mij denken, dat zij onder water waren afgezet, ofschoon het buitengewoon droge klimaat mij tot de onderstelling leidde, dat er gedurende eene groote uitbarsting waarschijnlijk stroomen regen waren gevallen, en zoo een tijdelijk meer was gevormd, waarin de asch viel. Thans mag men echter aannemen, dat het geentijdelijkmeer was. Hoe dit ook zij, wij kunnen ons verzekerd houden, dat het klimaat en de voortbrengselen van Ascension in een vroeger tijdperk zeer verschilden van wat zij nu zijn. Bij het zien van dit eiland vragen we ons weder af: waar kunnen wij op aarde een plek vinden, die niet bij aandachtig onderzoekteekenen openbaart van die eindelooze reeks van veranderingen, waaraan onze planeet onderhevig was, is, en zijn zal?Na Ascension te hebben verlaten, zeilden wij naar Bahia op de kust van Brazilië, ten einde de chronometrische opmeting van de wereld te voltooien. Op 1 Augustus 1836 kwamen wij hier aan, en bleven er vier dagen, in welken tijd ik verscheidene lange wandelingen deed. Met genoegen ontdekte ik, dat mijne belangstelling in het tropische landschap door het ontbreken van nieuwe gegevens er volstrekt niet op verminderd was. De onderdeelen van het landschap zijn hier zoo eenvoudig, dat zij verdienen genoemd te worden als een bewijs van welke nietige omstandigheden een uitgezocht natuurschoon afhangt.Het oord kan worden beschreven als eene effene vlakte van omstreeks 300 voet hoogte, welke overal doorsneden is van valleien met horizontale bodems. In een land waar de bodem uit graniet bestaat, is zulk een structuur merkwaardig; doch in al die zachtere formaties waaruit vlakten gewoonlijk bestaan, is zij nagenoeg algemeen. De geheele oppervlakte is bedekt met verschillende soorten van rijzig geboomte, afwisselend met strooken ontgonnen grond, waarop huizen, kloosters en kapellen verrijzen. Hier zij herinnerd,dat in de keerkringen de rijkdom van wild natuurschoon zelfs in de nabijheid van groote steden niet verloren gaat, want de natuurlijke plantenwereld der hagen en heuvelhellingen beheerscht op schilderachtige wijze het kunstwerk van den mensch. Dientengevolge zijn er slechts enkele plekken, waar de lichtroode grond eene scherpe tegenstelling vormt met het algemeen bekleedsel van groen. Van de zoomen der vlakten heeft men vergezichten hetzij op den oceaan, hetzij op de groote Baai met hare laag begroeide stranden, en waarop talrijke booten en kano’s hare witte zeilen vertoonen. Behalve van deze punten is het landschap uiterst begrensd; want volgt men de effen paden rechts en links, dan kan men de met bosch bedekte dalen slechts vluchtig te zien krijgen. Ik kan er bijvoegen, dat de huizen, en vooral de kerkelijke gebouwen in een eigenaardigen en eenigszins phantastischen stijl zijn opgetrokken. Daar al die huizen gewit zijn, teekenen zij zich in ’t licht der stralende middagzon op den matblauwen hemel aan de kim eerder af als schimmen, dan als gebouwen.Zoo zijn de onderdeelen van het landschap; maar het zou een hopeloos werk zijn den algemeenen indruk er van te schilderen. Geleerde natuuronderzoekers beschrijven deze tropische landschappen door eene menigte voorwerpen te noemen, en eenige bijzonderheden te vermelden die elk hunner kenmerken. Een geleerd reiziger kan daaruit mogelijk eenige duidelijke begrippen putten; maar wie kan anders, door eene plant in een herbarium te zien, zich voorstellen hoe zij er uitziet als zij in haar geboortegrond groeit? Wie kan, bij het zien van keurplanten in eene broeikas, eenige er van vergroot denken tot de afmetingen van woudboomen, andere als dicht dooreengevlochten tot een ontoegankelijk struikgewas? Wie zal, als hij de bonte, uitheemsche kapellen en eigenaardige cicadae gadeslaat in het kabinet van den entomoloog, zich bij die levenslooze vormen ook voorstellen de onafgebroken schorre muziek der laatsten, de trage vlucht der eersten—twee kenmerken, die op een stillen, gloeienden middag in de tropen nooit ontbreken? Het is wanneerde zon hare grootste hoogte heeft bereikt, dat men zulke landschappen zien moet: dan hult het dichte, prachtige gebladerte van den mango-boom den grond in zijn diepste schaduw, terwijl de bovenste takken door den overvloed van licht prijken in het schitterendste groen. In de gematigde streken is dit anders: daar is de plantengroei niet zoo donker of weelderig, en zijn het de purper-, rood-, of lichtgeel gekleurde stralen der namiddagzon, welke het meest tot de schoonheid dier streken bijdragen.Wanneer ik kalm over de belommerde paden wandelde en de opvolgende tafereelen bewonderde, wenschte ik woorden te vinden om mijne gedachten uit te drukken. Doch vruchteloos: bijnaam op bijnaam bleken te zwak om het genot dat de geest smaakt, te beschrijven aan hen, die de tusschenkeerkringslanden niet bezocht hebben. Boven zeide ik, dat de planten in eene broeikas onmachtig zijn om een juist denkbeeld van de flora te geven; toch moet ik tot dien zwakken maatstaf terugkeeren. Het land is ééne groote, woeste, ongerepte en rijk gevulde broeikas, door de Natuur voor zich zelve gemaakt, maar door den mensch in bezit genomen, die haar met vriendelijke huizen en regelmatige tuinen heeft gestoffeerd. Hoe gaarne zou niet elk bewonderaar der natuur, indien zulks mogelijk was, het landschap op eene andere planeet willen zien? Welnu, men kan in waarheid zeggen, dat zich voor elken Europeaan op een afstand van slechts weinige lengtegraden de pracht eener andere wereld ontsluit! Op mijne laatste wandeling bleef ik bij herhaling staan om deze schoonheden te bewonderen, en poogde zoo een onuitwischbaren indruk daarvan in mijne ziel te griffen, schoon wetende dat die vroeg of laat toch zou vervloeien. De vormen van den oranje- en kokosboom, den palm- en mangoboom, de boomvaren en den banaan zullen duidelijk en scherp bewaard blijven; maar de duizende tinten en vormen die met deze boomen een volledig landschap samenstellen, moeten onherroepelijk vervloeien—mij niets nalatende dan eene schilderij vol onbestemde doch overschoone figuren, evenals een sprookje uit onze kinderjaren!6 Augustus.In den namiddag stevenden wij in zee, met het doel om rechtstreeks naar de Kaap-Verdische Eilanden te gaan. Maar ongunstige winden hielden ons terug, en zoo liepen wij den 12den Pernambuco binnen—eene groote stad op 8° Z.B. aan de kust van Brazilië. Wij ankerden buiten het rif; doch spoedig kwam een loods aan boord en bracht ons naar de binnenhaven, waar wij dicht bij de stad lagen.Pernambuco is gebouwd op eenige smalle en lage zandbanken, die door ondiepe zoutwater-kanalen van elkander gescheiden zijn. De drie deelen, waaruit de stad bestaat, zijn onderling door twee lange, op houten palen gebouwde bruggen verbonden. De stad is op alle punten afschuwelijk: de straten zijn smal, slecht geplaveid en morsig, en de huizen zijn hoog en somber. Het seizoen der hevige regens was nauwelijks geëindigd, en dientengevolge stond het omliggende land, dat amper boven den zeespiegel ligt, geheel onder water. Dit was oorzaak, dat al mijne pogingen om lange wandelingen te doen, mislukten.14Het vlakke moerasland, waarop Pernambuco ligt, is op enkele mijlen afstands omringd door een halven cirkel van lage heuvels, of liever door den rand van een gebied, dat ongeveer 200 voet boven de zee ligt. De oude stad Olinda ligt aan het eene einde dezer heuvelreeks. Op zekeren dag nam ik een kano, en voer een der kanalen op om deze stad te bezoeken, die met hare groote kloosters en kerken een treffenden indruk maakt. Zij is zindelijker en aangenamer gelegen dan Pernambuco, doch innerlijk vervallen. Hier moet ik vertellen wat ons voor de eerste maal op onze vijfjarigereis overkwam, nl. dat wij gebrek aan voorkomendheid ontmoetten; ik werd aan twee verschillende huizen op knorrigen toon afgewezen, en kreeg aan een derde met moeite verlof om door den tuin naar een onbebouwden heuvel te gaan, ten einde de streek te overzien. Het doet mij genoegen, dat dit in het land der Brazilianen gebeurde, want ik draag hun geen goed hart toe; ook is het een land van slavernij en dus van zedelijk verval. Een Spanjaard zou zich schamen over het denkbeeld alléén, dat hij zulk een verzoek weigerde of zich ruw tegen een vreemdeling gedroeg. Het kanaal, waardoor wij naar Olinda gingen en van daar terugkeerden, was aan beide zijden metmangleboomen(Rhizophora mangle) begroeid,15die als een woud in ’t klein uit de vettige modderbanken verrezen. De lichtgroene kleur dezer bosschages herinnerde mij aan het welige gras op een kerkhof; beiden worden gevoed door bedorven uitwasemingen: het een spreekt van dood in het verleden, het ander zeer vaak van dood in de toekomst.Het eigenaardigste gewrocht, dat ik in dezen omtrekzag, was het rif dat de haven vormt.16Ik twijfel of er op de geheele wereld een tweede natuurgewrocht bestaat met zulk een kunstig voorkomen. Het loopt over een lengte van verscheidene mijlen in eene volkomen rechte lijn evenwijdig met en niet ver17van het strand. Zijne breedte wisselt af van 30 tot 60 yards; de oppervlakte is vlak en effen, en het is saamgesteld uit onduidelijkgelaagden, harden zandsteen. Bij hoog water spoelendegolven er over heen; bij laag water blijft het bovengedeelte droog, en zou men het licht voor een pier of golfbreker houden, die door cyklopische arbeiders gebouwd is. Tegenover het land op deze kust werpen de zeestroomen lange smalle tongen en dammen op van loszand, en het is op een van die dammen, dat een deel der stad Pernambuco staat. In vroeger tijd schijnt een dergelijke lange dam onder de doorzijgende werking van kalkhoudende stof vast te zijn geworden, en daarna langzamerhand gerezen. Terwijl dit geschiedde werden de buitenste en losse gedeelten door den golfslag der zee weggespoeld, en bleef de vaste kern over in den vorm waarin wij haar nu zien. Hoewel de golven van den vollen Atlantischen Oceaan, troebel van het slib, dag en nacht tegen de steile buitenkanten van dezen steendam worden gedreven, hebben de oudste loodsen nooit van eene verandering in zijn voorkomen gehoord. Deze duurzaamheid is verreweg het belangrijkste feit in zijne geschiedenis, en is toe te schrijven aan eene taaie, kalkhoudende laag van enkele inches dikte, die geheel gevormd is door het opvolgend groeien en sterven der kleine schelpdieren,Serpulaegeheeten, benevens enkele eendenmosselen (Lepas anatifera) enNulliporae.18DezeNulliporae(harde, zeer eenvoudig georganiseerde kalkafscheidende zeealgen, die in vorm en hardheid dikwijls op koralen gelijken, doch van de echte koralen hierin verschillen dat zij geeneporiënofcellenhebben, zooals ook haar naam aanduidt) spelen eene dergelijke en gewichtige rol, doordien zij de bovenoppervlakken der koraalriffenachterentusschende brandingen beschermen, waar de echte koralen gedurende den uitwendigen groei der massa door blootstelling aan zon en licht gedood zijn. Deze onbeduidende organische wezens, in ’t bijzonder deSerpulae, hebben den inwoners van Pernambuco grooten dienst bewezen, want zonder hare beschermende hulp zou de zandsteenbank stellig reeds lang zijn vergaan; en zonder de bank zou er geen haven zijn geweest.Op den 19den Augustus verlieten wij voorgoed de Braziliaansche kusten. Gode zij dank—nooit zal ik weer een slavenland bezoeken! Nog heden herinnert elke gil, dien ikin de verte hoor, mij pijnlijk en levendig aan de gevoelens die mij bestormden, toen ik voorbij een huis bij Pernambuco gaande, het hartverscheurendste gejammer hoorde, en niet anders kon denken dan dat hier een arme slaaf gemarteld werd, terwijl ik wist dat ik even machteloos was als een kind, om er zelfs iets van te zeggen! Ik vermoedde dat dit het gejammer was van een gemartelden slaaf, want men vertelde mij andere gevallen van dien aard. Bij Rio de Janeiro woonde ik tegenover eene oude dame, die er schroeven op nahield om de vingers van hare slavinnen te vermorzelen. Ik heb in een huis vertoefd, waar een jonge mulatbediende dag aan dag, uur aan uur beschimpt, geslagen en gekweld werd op eene manier, die zelfs den geest van het laagste dier zou dooden. Ik heb een knaap van zes of zeven jaren tweemaal met eene paardenzweep op het bloote hoofd zien striemen, voordat ik tusschenbeide kon komen, alleen omdat het kind mij een glas water had gegeven dat niet geheel schoon was. Ik zag zijn vader beven zoodra zijn meester maar de oogen opsloeg. Deze laatste gruwelen woonde ik bij in eene Spaansche kolonie, waar de slaven altijd beter behandeld heetten te worden, dan door de Portugeezen, Engelschen of andere Europeanen. Te Rio de Janeiro heb ik een krachtigen neger gezien, die bang was om een slag af te weren, dien hij dacht dat op zijn gelaat gemunt was. Ik was er bij, toen een goedhartig man op het punt stond de mannen, vrouwen en kinderen van een groot aantal gezinnen, die lang te zamen hadden gewoond, voor altijd te scheiden! Nu zal ik nog niet eens spreken van de vele hartroerende wreedheden, die ik uit geloofwaardige bron gehoord heb: en ook de bovenstaande schokkende bijzonderheden zou ik niet hebben vermeld, indien ik niet een aantal lieden ontmoet had, die zoo verblind waren door de natuurlijke vroolijkheid van den neger, dat zij over de slavernij spraken als over een dragelijk kwaad. Zulke lieden hebben meestal de huizen der hoogere standen bezocht, waar het slavenpersoneel doorgaans goed behandeld wordt, en hebben niet, zooals ik, onder de lagere standen verkeerd. Dergelijkeonderzoekers zullen slaven uithooren omtrent hun toestand, en daarbij vergeten, dat het inderdaad een domme slaaf moet zijn, die niet rekent op de kans, dat zijn antwoord ter oore kan komen van zijn meester.Men beweert, dat eigenbelang buitensporige wreedheid zal voorkomen, alsof eigenbelang onze huisdieren beschermde, die toch veel minder dan verworpen slaven in staat zijn den toorn hunner woeste meesters op te wekken! Het is een argument, waartegen de groote von Humboldt lang geleden met ridderlijk gevoel te velde is getrokken, en dat hij door treffende voorbeelden heeft toegelicht. Dikwijls poogt men slavernij te verschoonen door den slavenstand te vergelijken met onze armere landgenooten. Zoo de ellende onzer armen veroorzaakt wordt—niet door de wetten der natuur,maar door onze instellingen, dan zondigen wij zwaar; doch hoe dit in verband staat met slavernij, kan ik niet inzien: even goed zou men in ons land het gebruik van de duimschroef kunnen verdedigen, door te bewijzen dat menschen in een ander land veel aan eene gevreesde ziekte leden. Zij, die goedgunstig over slavenhouders denken, en met een koud hart over den slaaf, schijnen zich nooit in den toestand van den laatsten te stellen. Welk een vreugdeloos en troosteloos vooruitzicht—zelfs geen hoop op verandering! Denk eens, lezer, dat u zelven steeds de kans boven het hoofd hing, dat uwe vrouw en kinderen—de wezens, die denatuur ook aan den slaaf vergunt de zijnen te noemen—aan u ontrukt en aan den eersten den besten biederals beestenwierden verkocht! En zulke daden worden bedreven en verschoond door lieden, die belijden dat zij hunne naasten liefhebben als zich zelven, die in God gelooven en bidden dat Zijn wil zal geschieden op aarde! Ons bloed kookt, maar ook ons hart krimpt bij de gedachte, dat wij, Engelschen en onze Amerikaansche afstammelingen, met onze trotsche vrijheidsleus zoo schuldig zijn geweest en nòg zijn; maar het is een troost te denken, dat wij ten minste een grooter offer hebben gebracht om voor onze zonden te boeten, dan ooit een ander volk deed!Op den laatsten dag in Augustus 1836 ankerden wij voor de tweede maal te Porto Praya op de Kaap-Verdische Eilanden, en zeilden van daar naar de Azoren, waar wij zes dagen bleven. Op den 2den October bereikten wij de Engelsche kust, en te Falmouth verliet ik eindelijk deBeagle, na omtrent vijf jaren aan boord van dit kleine, maar degelijke schip te hebben doorgebracht.Aan het einde onzer Reis gekomen, zal ik een kort overzicht geven van de voor- en nadeelen, alsmede de bezwaren en genoegens, welke onze omvaring van de wereld heeft opgeleverd. Zoo iemand, voordat hij eene groote reis ondernam, mij om raad vroeg, zou mijn antwoord afhangen van de voorwaarde, of hij eene besliste neiging voor de eene of andere wetenschap bezat, die langs dezen weg bevorderd kon worden. Verschillende landen en de vele menschenrassen te zien, is ongetwijfeld een groot genot; maar het genoegen dat men daarbij smaakt, weegt niet op tegen de lasten. Zal eene vrucht worden geplukt, of iets goeds worden bereikt, dan moet men een oogsttijd afwachten, ook al is deze nog zoo ver.Het is duidelijk, dat men zich vele verliezen moet getroosten: zoo, bij voorbeeld, het gezelschap van alle oude vrienden, en het gezicht van die plaatsen, waaraan de dierbaarste herinneringen ten nauwste zijn verbonden. Die verliezen worden echter voor een deel verzacht door het onuitsprekelijk voorgenot van den lang gewenschten dag van wederkomst. Indien, zooals de dichters zeggen, het leven een droom is, dan ben ik zeker, dat dergelijke droombeelden op reis het best geschikt zijn om den langen nacht door te komen. Andere verliezen zijn er, die, hoewel in ’t eerst niet gevoeld, na verloop van tijd zwaar beginnen te wegen; deze zijn het gemis van eene kamer, van afzondering, van rust; het afmattende gevoel van voortdurende haast; het dervenvan kleine weeldezaken; het gemis van huiselijke gezelligheid, en zelfs van muziek of andere aesthetische genoegens. Wanneer wij zulke beuzelingen vermelden, is het duidelijk dat de werkelijke bezwaren van het leven op zee—rampen of onheilen uitgezonderd—voorbij zijn. De korte spanne van 60 jaren heeft eene verbazende verandering teweeg gebracht in het gerief van verre zeereizen. Nog in den tijd van Cook (1728–1779) stond elk, die den huiselijken haard verliet om zulke tochten te ondernemen, aan ernstige ontberingen bloot. Thans kan een yacht of snelzeiler met alle levensgemakken den aardbol omvaren. Behalve de groote verbeteringen in de schepen en de hulpmiddelen van het zeewezen, staat thans de geheele westkust van Amerika open, terwijl Sydney de hoofdstad is geworden van een opkomend werelddeel. Hoe geheel anders zijn de omstandigheden voor iemand, die nu in den Stillen Oceaan schipbreuk lijdt, vergeleken met die in de dagen van Cook! Sedert zijne reis is aan de beschaafde wereld een halfrond toegevoegd.Indien iemand veel aan zeeziekte lijdt, laat hij dan hiermede ernstig rekening houden. Ik spreek uit ondervinding; het is een kwaad, dat niet gering en niet binnen eene week genezen is. Heeft hij daarentegen pleizier om op zee te dobberen, dan zal hij voor dat genoegen zeker ruimschoots gelegenheid vinden. Men diene intusschen wel in ’t oog te houden, dat gedurende eene lange reis een zeer groot deel van den tijd op het water wordt doorgebracht, vergeleken met het oponthoud binnen de havens. En wat zijn nu de zoo geprezen schoonheden van den grenzenloozen oceaan? Eene vervelende eenzaamheid, een waterwoestijn, gelijk de Arabier hem noemt. Niettemin geeft hij ons somtijds verrukkelijke tafereelen te zien. Schoon is een nacht met maneschijn, bij helderen hemel en donker-glinsterende zee: de witte zeilen gezwollen onder den zachten adem van een kalmen passaat, of bij bladstille lucht, als het bolle zeevlak gepolijst en spiegelend voor u ligt, en alleen het klapperend zeildoek nu en dan de stilte verbreekt. Ook is het goed eenseen donderbui te zien opkomen, die u nadert in al hare woede, of een geweldigen orkaan die de golven tot bergen verheft. Toch beken ik, dat mijne verbeelding zich iets grootschers, iets vreeselijkers gemaald had van een woedenden storm. Een onvergelijkelijk schooner schouwspel biedt hij op ’t strand gezien, waar de zwiepende boomen, de wilde vlucht der vogels, de jagende stroomen, de donkere schaduwen en heldere tinten allen den strijd der losgebroken elementen verkondigen. Op zee vliegen albatros en kleine stormvogel met evenveel gemak, als ware de storm hun eigenlijk element, en rijst en daalt het water, alsof het zijn gewone taak volbrengt; alleen het schip en zijne bewoners schijnen het voorwerp der algemeene woede. Op een eenzaam, door wind en zee geteisterd strand is het tafereel weer anders, doch krijgen wij hier meer een gevoel van afschrik, dan van wilde verrukking.Laat ons nu de lichtere zijde van den afgeloopen tijd beschouwen. Het genoegen, dat voortsproot uit het gezicht van de natuurtooneelen en den algemeenen aanblik der verschillende door ons bezochte landen, is beslist een bron geweest van duurzaamst en hoogst genot. Waarschijnlijk wordt al wat wij zagen door het schilderachtig schoon in vele gedeelten van Europa overtroffen; maar een toenemend genot levert het onderling vergelijken van den aard der natuurtooneelen in verschillende landen, hetgeen in zekeren zin iets anders is dan een louter bewonderen van hunne schoonheid. Dit genot hangt voornamelijk af van onze bekendheid met de onderdeelen van elk landschap; en ik ben zeer geneigd te gelooven, dat—evenals iemand, die elken toon in de muziek begrijpt en daarenboven een gepasten smaak bezit, een meer volkomen genot van het ensemble zal hebben—ook hij die elk deel van een fraai landschap onderzoekt, den vollen en samengestelden indruk er van zal begrijpen. Zoo zou een reiziger plantkundige moeten zijn, want in elk landschap vormen planten de hoofdversiering. Groepen naakte rotsen kunnen somtijds, zelfs in hare ruwste gedaanten, een verheven schouwspel opleveren; doch spoedigworden zij eentonig. Maal haar af in heldere en afwisselende kleuren, zooals de Andes in het noorden van Chili—en zij zullen phantastisch worden; maar bekleed ze met planten—en zij moeten een aangenaam, zoo niet een schoon tafereel vormen.Als ik zeg, dat het landschap in sommige gedeelten van Europa vermoedelijk schooner was dan die wij zagen, zonder ik daarvan, als eene klasse op zich zelve, dat der tusschenkeerkringsstreken uit. Die twee klassen kunnen niet samen vergeleken worden; doch, over het grootsche dezer gewesten heb ik al dikwijls uitgeweid. Daar de kracht der indrukken meestal afhangt van vooraf gevormde denkbeelden, mag ik er bijvoegen, dat de mijne ontleend waren aan de levendige beschrijving in von Humboldt’sRelation Historique, die in verdienste elke andere door mij gelezene overtreft. Maar zelfs met deze hoog opgevatte ideeën ondervonden mijne gevoelens op verre na geen zweem van teleurstelling bij mijne eerste en laatste landing op de kusten van Brazilië.Van de landschappen, welke een diepen indruk op mijn geest maakten, overtrof er geen in grootschheid de maagdelijke wouden, die de hand des menschen ongerept had gelaten: hetzij die prachtvolle in Brazilië, zoo overrijk aan vormen, waar het Leven heerscht in al zijne kracht: hetzij die sombere in Vuurland, waar Dood en Verval den scepter zwaaien. Beiden zijn tempels, gevuld met de velerlei voortbrengselen uit Gods schoone Natuur! Niemand kan deze eenzaamheden betreden zonder ontroering, er dolen zonder een gevoel, dat in den mensch iets meer is dan alleen zijn ademtocht... Bij het oproepen van beelden uit het verleden, zie ik telkens weer de vlakten van Patagonië voorbij mijne oogen gaan—vlakten, die door ieder als nutteloos en ellendig worden uitgekreten. Men kan ze slechts beschrijven met negatieve eigenschappen: zonder woningen, zonder water, zonder boomen of bergen, bevatten zij niets dan enkele dwergplanten. Maar waarom—en het geval betreft niet alleen mij zelven—hebben die dorre wildernissen dan zoo onwrikbaar in mij post gevat? Waarom hebben de nogvlakkere, meer groene en vruchtbare Pampas, nog dienstig daarenboven voor het menschdom, niet een even sterken indruk nagelaten? Ik kan deze gevoelens moeilijk uitdrukken; maar deels zijn zij hieraan toe te schrijven, dat de verbeelding er den vrijen teugel viert. En kan het anders? De vlakten van Patagonië zijn grenzenloos; want zij zijn bijna ontoegankelijk en dientengevolge onbekend. Zij dragen het stempel van eeuwenlang geduurd te hebben zooals zij nu zijn, en onbeperkt schijnt haar duur in de toekomst. Denkt men tevens aan de onderstelling der Ouden, dat de platte aarde omringd was door eene onmetelijke watervlakte of door ondraaglijk heete woestijnen—wie zou dan niet met indrukken van diep en onbestemd gevoel die uiterste grenzen van menschelijke kennis beschouwen?Tot de natuurtafereelen behooren eindelijk de vergezichten van hooge bergen, die, hoewel in zekeren zin niet bepaald mooi, toch zeer gedenkwaardig zijn. Toen ik, door geen nietige bijzonderheden in het berglandschap gestoord, van de hoogste kruin der Cordilleras naar omlaag zag, werd mijn geest overstelpt door de ontzagwekkende afmetingen der omringende bergen!Wat menschenrassen betreft, wekt niets zoozeer onze verbazing als het eerste gezicht van eenwilde: van een mensch in den laagsten en wildsten natuurstaat in de schuilhoeken van zijn geboorteland. Onze geest snelt eeuwen, eeuwen ver terug en vraagt zich af: is ’t mogelijk, dat onze stamvaderen in de geschiedenis der menschheid geweest zijn zooals deze wilden? Menschen, wier gebaren en uitdrukkingen nog minder verstaanbaar voor ons zijn dan die der huisdieren? Menschen, die niet het instinct dezer dieren bezitten, maar ook niets dat bogen kan op menschelijk verstand—althans op kunsten, die de vruchten zijn van dat verstand? Ik geloof niet, dat het mogelijk is het verschil te beschrijven, of te malen, tusschen een wilden en een beschaafden mensch. Het is als het verschil tusschen een wild en een tam dier; en onze belangstelling bij het zien van een wilde is voor een deel dezelfde, als die ons zou doen wenschenden leeuw te zien in zijn woestijn, den tijger als hij zijn prooi in den dsjungel verscheurt, of den rhinoceros, zwervend over de woeste vlakten van Afrika.Tot de merkwaardigste natuur- en hemelverschijnsels, die wij gezien hebben, mogen gerekend worden: de Magelhaensche Wolken,19het Zuiderkruis en de andere sterrenbeelden van den zuidelijken hemel; eene waterhoos; een gletscher met zijn blauwen ijsstroom, die als een steile rotswand boven de zee hing; een laguneneiland, dat door de rifvormende koralen tot aan de zee was opgebouwd; eene vulkanische uitbarsting, en eene hevige aardbeving met al hare verpletterende gevolgen. Ik stel in deze laatste verschijnselen bijzonder veel belang, misschien wegens hun nauw verband met den geologischen bouw van onze planeet; maar in ’t algemeen moet de aardbeving voor ieder een gebeurtenis zijn, die de sterkste indrukken achterlaat. De aarde, die wij van onze vroegste kindsheid af als het zinnebeeld van vastheid hebben beschouwd, heeft als eene dunne korst onder onze voeten gebeefd; en ziende, hoe de hechtste werken van den mensch in een oogwenk worden omvergeworpen, beseffen wij hoe nietig de macht is, waarop hij zich verheft!—Men zegt, dat de liefhebberij in de jacht een genot is, dat den menschen aankleeft—een overblijfsel van een instinctmatigen hartstocht. Zoo ja, dan ben ik zeker, dat het genoegen om in de open lucht te leven met den hemel als dak en de aarde als tafel, een deel is van die zelfde zucht: het isde wilde mensch, die tot zijne wilde en aangeboren leefwijze terugkeert. Altijd zie ik op onze boottochten en mijne uitstappen te land—wanneer deze geschiedden door onbewoonde streken—met een bijzonder genot terug, hetwelk geen land der beschaafde wereld had kunnen verschaffen. Ik twijfel niet, of elk reiziger zal zich het zegepralende gevoel van blijdschap herinneren, dat in hem opwelde toen hij voor ’t eerst in een onbekend land ademde, waar de beschaafde mensch zelden of nooit een voet gezet had.Op eene lange reis ontmoet men vele andere bronnen van genot, die van meer bescheiden aard zijn. De wereldkaart is nu niet langer een blad papier, maar wordt een schilderij vol van de afwisselendste en levendigste figuren. Elk deel verkrijgt zijne juiste afmetingen; vastelanden gelden niet langer als eilanden, en eilanden, die menigmaal grooter zijn dan vele koninkrijken in Europa, niet langer als stippen. Afrika, of Noord- en Zuid-Amerika zijn welklinkende namen en laten zich gemakkelijk uitspreken; doch eerst nadat men weken achtereen langs hunne kusten heeft gevaren, krijgt men de volle overtuiging welke uitgestrekte ruimten op onze groote aarde met deze eenvoudige namen bedoeld worden.De tegenwoordige toestand, waarin wij een bijna geheel halfrond hebben leeren kennen, kan niet anders dan hooge verwachtingen schenken omtrent zijn toekomstigen voorspoed. Waarschijnlijk is de verbetering, die, dank zij de invoering van het Christendom, over de geheele Zuidzee in gang is, éénig in de jaarboeken der geschiedenis. Dit is des te merkwaardiger, zoo wij bedenken, dat Cook, wiens uitnemend oordeel wel door niemand zal worden betwist, pas 60 jaren geleden geen uitzicht op verandering kon geven. Toch zijn die veranderingen door den menschlievenden geest der Britsche natie thans tot stand gebracht.In denzelfden hoek van den aardbol is Australië op weg zich te verheffen, of, kan men zeggen, heeft het zich verheven tot een groot beschavingsmiddelpunt, dat in eene niet zeer verre toekomst als Keizerin zal heerschen over hetzuidelijk halfrond. Het is niet mogelijk, dat een Engelschman deze verre kolonies anders dan met rechtmatigen hoogmoed en voldoening beschouwt. Rijkdom, voorspoed en beschaving schijnen de wisse gevolgen te zijn, welke het hijschen van de Britsche vlag na zich voert.Tot besluit schijnt het mij toe, dat er voor een jongen natuuronderzoeker niets bevorderlijkers zijn kan, dan eene reis naar verre landen. Zulk eene reis—merkt Sir John Herschel op—versterkt en stilt gedeeltelijk de behoeften en wenschen, die in den mensch opwellen ook dan, wanneer aan alle stoffelijke begeerten voldaan is. Het opwekkende gevoel, dat de studie van nieuwe voorwerpen of verschijnselen en de kans op welslagen doen ontstaan, prikkelen hem tot meerdere werkzaamheid, terwijl daarenboven de gewoonte om los staande feiten met elkaar te vergelijken, die anders spoedig onbelangrijk worden, hem tot algemeene beschouwingen leiden. Hier staat tegenover, dat de beschrijvingen van den reiziger, die uitteraard slechts kort op elke plaats vertoeft, meestal uit louter schetsen moeten bestaan, in stede van uitvoerige waarnemingen. En daaruit ontspruit, gelijk ik tot mijne schade ondervonden heb, eene voortdurende zucht om de wijde leemten in onze kennis aan te vullen met onnauwkeurige en oppervlakkige hypothesen.—Maar, ik heb mijne reis te volop genoten, om niet elken natuuronderzoeker aan te bevelen alle kansen te wagen, en zoo mogelijk landreizen, of anders eene verre zeereis te doen, hoewel hij er niet op moet rekenen zoo gelukkig in zijne reisgenooten te zijn, als ik het was. Hij kan er van verzekerd zijn, dat hij, behalve in zeldzame gevallen, geen moeilijkheden of gevaren zal ontmoeten, die niet geringer zullen blijken dan hij te voren verwacht heeft. Uit een zedelijk oogpunt behoort het gevolg te zijn, dat hij leere opgeruimdheid te paren aan geduld, zijne eigenliefde te overwinnen, zich te gewennen aan zelfstandig handelen, en zich zoo goed mogelijk in alle omstandigheden te schikken. In ’t kort, hij behoort de eigenschappen te leeren, welke de meeste zeelieden bezitten. Ook moet de reis hem leeren anderen tewantrouwen; maar tevens zal hij dan ontdekken, hoevele oprecht welwillende menschen er zijn, die, schoon hij vroeger nooit met hen in aanraking kwam noch later ooit weer komen zal, toch bereid zijn hem op de onbaatzuchtigste wijze te helpen.Einde.1Volgens eene telling in 1901 had Port-Louis 53,897 inwoners met hare voorsteden. Het geheele eiland, dat eene oppervlakte bezit van 1826 □ kilom., telde er toen 371,023.(Vert.)2Volgens de vermaarde theorie derErhebungskraterevan Leopold von Buch, E. de Beaumont, Dufrénoy e.a., ontstond de conische gedaante van een vulkaankegel voornamelijk door eene opheffing of zwelling van den grond rondom de spleet, waaruit de eruptie-stoffen naar buiten werden gedreven. Dit zou o.a. het geval zijn geweest met den Vesuvius (wegens de groote helling der lavalagen) en de Etna. Scrope, Prévost en Lyell hebben de onhoudbaarheid dezer theorie bewezen.(Vert.)3Naar men weet, zat Napoleon hier van 1815 tot 1821 gevangen, in welk jaar hij aan maagkanker stierf. Eerst in 1840—dus vier jaren, nadat Darwin het eiland bezocht—werd zijn lijk naar Frankrijk overgebracht.(Vert.)4De bevolking van St. Helena, dat eene oppervlakte heeft van 122 □ kilom., telt thans ongeveer 3600 zielen.(Vert.)5Het verdient opmerking, dat al de talrijke exemplaren van deze schelp, die door mij op éene plek gevonden zijn, als eene duidelijke variëteit verschillen van een ander stel exemplaren, op eene tweede plek bijeengebracht.6Beatson’sSt.-Helena. Inleiding, blz. 4.7Ongeveer 809 hectaren.8Gestorven in 1592.9Van deze weinige insecten vond ik tot mijne verwondering een kleinenAphodius(Nieuwe soort) en eenOryctes; die met buitengewoon veel individuën onder mest voorkwamen. Daar het eiland bij zijne ontdekking stellig geen enkelen viervoeter bezat, behalvemisschieneene muis, is het eene zeer moeilijke quaestie om uit te maken, of deze mestetende insecten later toevallig zijn ingevoerd, of zoo zij inheemsch zijn, van welk voedsel zij vroeger leefden. Aan de oevers van de Rio de la Plata, waar, in gevolge het groot aantal paarden en vee, de fraaiste grasvlakten rijkelijk bemest zijn, zoekt men te vergeefs naar de vele soorten mestkevers, die in Europa zoo overvloedig voorkomen. Alleen ontdekte ik eenOryctes(de insecten van dat geslacht leven in Europa meestal van rottende plantaardige stof), en twee soorten vanPhanaeus, welke op zulke plaatsen algemeen zijn. Aan de overzijde der Cordilleras, op Chiloë, komen zeer talrijke individuën voor van eene andere soort vanPhanaeus, die den mest van het vee in groote aarden balletjes onder den grond begraaft. Er is reden om te gelooven, dat het geslachtPhanaeus, vóór den invoer van vee, als straatvegers werkte van den mensch. In Europa is het getal kevers, die hun voedsel vinden in de stof welke reeds dienst heeft gedaan in het leven van andere en grootere dieren, zoo talrijk, dat er stellig veel meer dan honderd verschillende soorten van bestaan. Dit in aanmerking nemende, en opmerkend welk eene hoeveelheid voedsel van dien aard op de vlakten van La Plata verloren gaat, meende ik hier een voorbeeld te zien van een geval, dat de mensch het verband heeft gestoord, waardoor zoo vele dieren in hun vaderland onderling vereenigd zijn. Op Van-Diemensland vond ik echter vier soorten vanOnthopagus, twee vanAphodiusen ééne van een derde geslacht met zeer talrijke individuën onder koemest, ofschoon koeien toen slechts 33 jaren geleden waren ingevoerd. Vóór dien tijd waren de Kangoeroe en eenige andere kleine dieren de eenige viervoeters; en hun mest is van een geheel ander gehalte dan die hunner opvolgers, welke de mensch heeft ingevoerd. In Engeland hebben de meeste mestetende kevers een beperkten eetlust: d.w.z., zij zijn, wat hunne voedingsmiddelen betreft, in de keus van viervoeters niet onverschillig. De verandering in leefwijze, die op Van-Diemensland moet hebben plaats gehad, is daarom hoogst merkwaardig. Het is aan den Eerwaarden F. W. Hope, dat ik de namen der bovenstaande insecten te danken heb, en die mij daarom wel zal toestaan hem mijn leermeester in de Insectenkunde te noemen.10Ascension heeft eene oppervlakte van 88 □ kilom., met een bevolking van 120 zielen.(Vert.)11Karl Fuchs in zijn werk “Vulkane und Erdbeben,” Blz. 334, noemt den bergGreen Mountainsen stelt zijne hoogte op 2870 voet. De berg bestaat uit zwarte basaltlava.(Vert.)12of wonderboom (Ricinus communis).13Monatschr. der Königl. Akad. d. Wiss. zu Berlin, April 1845.14Volgens A. W. Sellin “Das Kaiserreich Brasilien” (1885) is Pernambuco door de Hollanders gesticht. Enkele huizen alsmede de forten Brum, Cinco-Pontas en Buraco dateeren nog uit dien tijd. De stad schijnt na Darwin’s tijd zeer verbeterd te zijn, want Sellin zegt: “P. ist eine der schönsten Städte Brasiliens, mit 130.000 Einwohnern.” In 1890 telde zij slechts 111,556, maar volgens eene latere opgaaf van Hübner circa 150,000 inwoners.(Vert.)15Ook wortel- of steltboomen genoemd. Deze zeldzame boomen met luchtwortels bezitten een 10 tot 18 meter hoogen stam.16Naar dit 5 tot 6 kilom. lange rif is de stad oorspronkelijkCidade do Recife(Rifstad) genoemd.17200 M.(Vert.)18Ik heb dezen dam uitvoerig beschreven in deLond. and Edinb. Phil. Mag.deel 19 (1841), blz. 257.19Of Kaapsche Wolken. Deze voor den sterrenkundige zoo hoogst belangrijke objecten zijn twee lichte vlekken niet ver van de Zuidpool des hemels; de grootste met 42 □ graden oppervlakte ligt in het SterrenbeeldDoradoof den Zwaardvisch, de kleinste met 10 □ graden in de Mannelijke Waterslang. Oogenschijnlijk zijn zij losgeraakte stukken van den Melkweg, doch inderdaad is er geen verband met deze sterrenzone, evenmin als tusschen de Wolken onderling. In beiden, en vooral in de groote, liggen tallooze kleine sterren van de 7de tot de 13de grootten, vele sterrenhoopen en in ’t bijzondernevelvlekkenin alle stadiën van ontwikkeling. Rondom de Wolken zijn zeer weinig sterren.(Vert.)
Hoofdstuk XXI.Mauritius—Terugkeer naar Engeland.29 April 1836.Des morgens zeilden wij om de noordpunt van Mauritius ofIsle de France. Van dit punt uit beantwoordde de aanblik van het eiland aan de verwachtingen, die de vele welbekende beschrijvingen over zijne schilderachtige natuur hadden opgewekt. Op den voorgrond lag de glooiende Pampelmoezenvlakte met hare hier en daar verspreide huizen en groote suikerrietvelden, die aan het geheel eene heldergroene kleur gaven. De glans van dit groen was des te merkwaardiger, omdat deze kleur meestal eerst op zeer korten afstand in ’t oog valt. Naar het midden van het eiland verrezen groepen bergen uit de rijk bebouwde vlakte, die met bosschen waren bedekt en waarvan de toppen, gelijk zoo dikwijls met oude vulkanische rotsen gebeurt, van de scherpste punten waren voorzien. Zware, witte wolkbanken waren rondom deze toppen saamgepakt, als met het doel om het oog van den vreemdeling te boeien. Het geheele eiland met zijn glooienden rand en bergen in het midden, was op de smaakvolste wijze met natuurschoon versierd, en vormde een landschap, waar, indien ik het zoo zeggen mag, voor het oog alles in harmonie was.Den volgenden dag besteedde ik grootendeels aan het doen van wandelingen om de stad en aan het bezoeken van verschillendepersonen. De stad bezit eene aanzienlijke grootte, heeft zeer nette en regelmatige straten, en telt, naar men zegt, 20.000 inwoners.1Ofschoon het eiland reeds zoovele jaren onder Engelsch bestuur staat, is het algemeen karakter der stad Fransch gebleven: de Engelschen spreken Fransch tot hunne bedienden, en de winkels zijn allen Fransche. Inderdaad zou ik denken, dat Calais of Boulogne nog meer Engelsch waren. Er is een kleine, maar zeer aardige schouwburg, waarin uitmuntende opera-voorstellingen worden gegeven. Ook waren wij verrast bij het zien van groote boekwinkels metwelgevuldekasten. Muziek en lectuur verkondigen, dat wij de oude beschaafde wereld naderen; want waarlijk, zoowel Amerika als Australië zijn nieuwe werelden.Het meest belangwekkende schouwspel in Port-Louis zijn de verschillende menschenrassen, die langs de straten wandelen. Indische misdadigers worden hier voor levenslang verbannen; op het oogenblik zijn er ongeveer 800, die voor allerlei openbare werken gebruikt worden. Voordat ik deze menschen zag, had ik geen idee, dat de bewoners van Indië zulke fraaie typen van menschen waren. Hunne huid is zeer donker, en vele oudere mannen hadden groote knevels en baarden van eene sneeuwwitte kleur, hetgeen, gevoegd bij hunne vurige gebaren, hun een indrukwekkend voorkomen gaf. De meesten waren wegens moord en de ergste misdaden verbannen; anderen om redenen, die moeilijk als zedelijke vergrijpen beschouwd kunnen worden: zooals ongehoorzaamheid aan de Engelsche wetten wegens bijgeloovige drijfveeren. In ’t algemeen zijn deze menschen kalm en gedragen zij zich goed; zoowel om hun persoonlijk gedrag, hunne zedelijkheid en de getrouwe vervulling van hunne godsdienstplichten, kan men hen onmogelijk gelijkstellen met onze ongelukkige verbannenen in Nieuw Zuid-Wallis.Zondag 1 Mei.Ik deed eene lange wandeling langs de zeekust naar het noorden der stad. Op dit gedeelte is de vlakte geheel onbebouwd en bestaat uit een zwart lavaveld, dat geëffend is door een laagje grof gras en struiken, waarvan de laatsten voornamelijk uit Mimosae bestaan. Men kan het landschap beschrijven als het midden houdend tusschen die op de Galápagos-Eilanden en op Tahiti—wat intusschen slechts aan zeer weinige personen een juist denkbeeld er van zal geven. Het is een zeer aangenaam oord, maar bezit noch de bekoorlijkheid van Tahiti, noch het grootsche karakter van Brazilië.Den volgenden dag beklom ik den bergLa Pouce, zoo genoemd naar zijne duimvormige gedaante, die zich dicht achter de stad tot eene hoogte van 2600 voet verheft. Het midden van het eiland bestaat uit eene groote bergvlakte, omgeven door oude gebroken basaltbergen, die met hunne lagen naar de zeekust hellen. De centrale, uit betrekkelijk jonge lavastroomen gevormde hoogvlakte heeft eene lang-ronde gedaante, waarvan de korte as 13geographical miles(24,1 kilom.) lang is. De randbergen, die haar omgeven, behooren tot die klasse van vormingen, waaraan de naam van “Opheffingkraters” is gegeven, en die ondersteld worden niet evenals gewone kraters, maar door eene groote en plotselinge rijzing ontstaan te zijn.2Het schijnt mij toe, dat er onoverkomelijke bezwaren tegen deze meening bestaan; anderzijds kan ik in dit en eenige andere gevallen moeilijk gelooven, dat deze kratervormige randgebergten slechts de overblijfsels zijn der ondereinden vanreusachtige vulkanen, waarvan de toppen afgeslagen of in onderaardsche diepten verzwolgen zijn.Van ons hoog standpunt hadden wij een prachtig uitzicht over het eiland. Het land aan dezen kant schijnt zeer goed bebouwd; want het was in velden verdeeld, waarop talrijke pachthoeven stonden. Men verzekerde mij echter, dat tot heden niet meer dan de helft van het geheele land voortbrengselen oplevert. Is die bewering juist, dan zal Mauritius, zoo men let op den tegenwoordigen grooten uitvoer van suiker, in de toekomst van veel belang worden, wanneer het dicht bevolkt is. Sedert Engeland het in bezit nam (eene periode van slechts 25 jaren), zegt men dat de uitvoer van suiker tot het 75-voud gestegen is. Eene groote oorzaak van zijn voorspoed is de uitmuntende staat der wegen. Op het naburigeIsle de Bourbon, dat onder Fransch bestuur blijft, zijn de wegen nog in denzelfden ellendigen staat, als zij enkele jaren geledenhierwaren. Ofschoon de Fransche bewoners uit de meerdere welvaart van hun eiland stellig zeer veel voordeel hebben getrokken, is het Engelsche bestuur verre van populair.3 Mei.Des avonds noodigde de Inspecteur-generaal, kapitein Lloyd—zoo wel bekend door zijn onderzoek van het Panama-kanaal—den heer Stokes en mij op zijn landgoed, dat omstreeks zes mijlen van de haven aan den rand der Wilheim-vlakte gelegen is. Wij bleven twee dagen op deze aangename plek; door hare ligging, 800 voet boven de zee, was de lucht er koel en frisch, en naar alle zijden openden zich heerlijke wandelingen. Dicht bij lag een groot ravijn, dat tot eene diepte van omstreeks 500 voet in den zwak hellenden lavastroom was uitgehold, die van de centrale bergvlakte was gevloeid.5 Mei.Kapitein Lloyd bracht ons naar de verscheidene mijlen zuidwaarts gelegenRivière Noireof Zwarte Rivier, waar ik eenige gerezen koraalbanken onderzoeken wilde. Wij trokken door vriendelijke tuinen en fraaie velden met suikerriet, dat tusschen reusachtige brokken lava groeide. Hagen van mimosa-struiken omzoomden dewegen, en bij vele huizen waren lanen met mango-boomen (Mangifera indica). Sommige kijkjes, daar waar de bouwhoeven zich afteekenden op een achtergrond van spitse bergen, waren uiterst schilderachtig; en telkens kwamen wij in verzoeking om uit te roepen: “Hoe heerlijk zou het zijn om levenslang op zulke rustige plekjes te wonen!” Kapitein Lloyd bezat een olifant, dien hij halfweg met ons liet meegaan, om ons het genot van een echt Indischen rit te verschaffen. Wat mij hierbij het meest verraste, was zijn volkomen gedruischlooze stap. Deze olifant is op ’t oogenblik de eenige op het eiland; doch, naar men zegt, zullen er meer worden gezonden.9 Mei.Wij zeilden uit Port-Louis, en kwamen, na een kort oponthoud aan de Kaap de Goede Hoop, den achtsten Juli in het gezicht van St.-Helena. Dit eiland, welks terugstootende aanblik zoo menigmaal beschreven is, verrijst als een reusachtig zwart kasteel loodrecht uit den oceaan. Als om de natuurlijke verdediging te voltooien, zijn alle holten tusschen de ruwe rotsen in de nabijheid der stad met kleine forten en kanonnen gevuld. De stad ligt op de helling eener vlakke en smalle vallei, en heeft tamelijk goede huizen waartusschen zeer weinige groene boomen staan. Toen wij de ankerplaats naderden, hadden wij een indrukwekkend gezicht op een onregelmatig gebouwd kasteel, dat boven op een hoogen berg stond, en met de enkele er om heen staande denneboomen zich scherp tegen den hemel afteekende.Den volgenden dag kreeg ik kamers op een steenworps afstand van Napoleon’s graf;3het was een uitmuntend gelegen plek, van waar men tochten kon doen in elke richting. Gedurende de vier dagen dat ik hier bleef, doolde ik van den ochtend tot den avond over het eiland, en onderzocht zijne geologische gesteldheid. Mijne kamers lagen opeene hoogte van omstreeks 2000 voet; hier was het weder koud en onstuimig, met aanhoudende regenbuien; en telkens was het geheele landschap in dichte wolken gehuld.Bij de kust ligt de ruwe lava geheel bloot; in de centrale en hoogere gedeelten van het eiland is door verweering van de veldspaat-rotsen een kleiachtige bodem ontstaan, die, waar hij niet met planten is bedekt, breede strooken te zien geeft, welke vele heldere kleuren bezitten. In dit jaargetijde wordt het land door voortdurende regens bevochtigd, en brengt een eigenaardig groen gekleurd gras voort, dat meer en meer verwelkt naarmate men lager komt, en eindelijk verdwijnt. Het is verrassend op eene breedte van 16° en de geringe hoogte van 1500 voet een plantengroei te zien, die een bepaald Britsch karakter bezit. De bergen zijn met ongeregelde groepen Schotsche dennen beplant, en de glooiende heuvels dicht begroeid met bremstruiken, kenbaar aan hunne heldergele bloemen. Treurwilgen komen voor aan de oevers der riviertjes, en de hagen zijn gemaakt van braamstruiken, die de welbekende vruchten leveren. Zoo wij bedenken, dat het aantal tot heden op het eiland gevonden planten 746 bedraagt: dat daaronder slechts 52 inheemsche soorten voorkomen, terwijl de overige ingevoerd zijn, en wel meerendeels uit Engeland, dan zien wij de oorzaak van het Britsch karakter der flora. Vele van deze Engelsche planten schijnen hier beter te bloeien dan in haar vaderland; en evenzoo gedijen eenigen uit het tegenover liggendedeel vanAustralië bijzonder goed. De vele ingevoerde soorten moeten sommige inheemsche hebben verdrongen; en werkelijk is het alleen op de hoogste en steilste bergruggen, dat de inlandsche flora de overhand heeft.Het Engelsche karakter van het landschap—of liever dat van Wallis—vindt men ook terug in de talrijke hoeven en kleine witte huizen, waarvan sommige verscholen liggen op den bodem der diepste valleien, andere op de toppen der hooge bergen verrijzen. Sommige landschapsgezichten zijn verrassend: bijv. dat in den omtrek van het huis van Sir Doveton, waar men den steilen berg, Lot genaamd, boveneen donker bosch van dennen ziet verrijzen—alles te midden van de roode verweerde bergen op de zuidkust. Als men het eiland van eene verhevenheid ziet, treft ons in de eerste plaats het aantal wegen en forten; en zoo men dan zijne bestemming als gevangenis vergeet, schijnt de arbeid, welke hier aan openbare werken is besteed, buiten alle verhouding tot zijne grootte of waarde. Er is zoo weinig vlak of bruikbaar land, dat het verwonderlijk schijnt hoe zooveel menschen (omstreeks 5000) hier kunnen leven. De lagere klassen of de geëmancipeerde slaven, die over gebrek aan werk klagen, zijn, geloof ik, uitermate arm. Waarschijnlijk zal deze armoede nog toenemen, nu wegens de overgave van het eiland door de Oostindische Compagnie, het aantal openbare beambten is afgenomen, en dientengevolge vele rijkere personen zijn vertrokken. Het hoofdvoedsel der arbeidende klasse is rijst met wat pekelvleesch; en aangezien geen dezer artikelen door het eiland wordt voortgebracht, maar met geld moet worden betaald, drukken de lage loonen zwaar op het arme volk. Nu de menschen met vrijheid zijn gezegend—een recht, dat zij ten volle op prijs stellen, naar ik geloof—zal hun aantal waarschijnlijk snel toenemen; en indien dit het geval is, mag men vragen: wat zal er van het kleine St.-Helena worden?4Mijn gids was een man van gevorderden leeftijd, die als knaap geitenhoeder geweest was, en elken voetstap tusschen de rotsen kende. Hij behoorde tot een vele malen gekruist ras, maar had, ondanks zijne donkere huid, niet het onaangename voorkomen van een mulat. Deze oude man was zeer welwillend en kalm van aard—eigenschappen, welke het meerendeel der lagere klasse bezit. Het klonk mij vreemd in de ooren een man, die bijna blank en fatsoenlijk gekleed was, met onverschilligheid over de tijden te hooren spreken toen hij nog slaaf was. Met dezen metgezel, die het middageten en een horen met water droeg (hetgeen volstrekt noodigis, daar al het water in de lagere valleien zout bevat), deed ik dagelijks lange wandelingen.De wild romantische valleien, onder den bovensten en centralen plantengordel gelegen, zijn geheel verlaten en onbewoond. Voor den geoloog waren hier hoogst belangrijke tafereelen, die van opvolgende veranderingen en samengestelde storingen getuigden. Naar mijne idee heeft St.-Helena sedert een lang vervlogen tijdperk als eiland bestaan; toch zijn er nog eenige vage bewijzen van landrijzing voorhanden. Ik geloof, dat de centrale en hoogste bergtoppen deel uitmaken van een grooten kraterrand, welks zuidelijke helft geheel door de golven der zee is weggespoeld; bovendien is er een buitendam van zwarte basaltrotsen, evenals de kustbergen van Mauritius, die ouder zijn dan de vulkanische stroomen in het midden. Op de hoogere gedeelten van het eiland liggen talrijke schelpen in den grond begraven, die men langen tijd voor eene zee-soort heeft gehouden, doch eenCochlogenaof landschelp blijkt te zijn van een zeer eigenaardigen vorm.5Bij laatstgenoemde vond ik zes andere soorten, en op eene andere plek eene achtste soort. Het is opmerkelijk, dat geen van deze soorten nu nog levend wordt gevonden. Waarschijnlijk is hare uitsterving veroorzaakt door de algeheele verwoesting der bosschen en het daaruit gevolgde verlies van voedsel en schuilplaatsen, welke in de eerste helft der achttiende eeuw plaats vonden.De geschiedenis der veranderingen, die de hoogvlakten van Longwood en Deadwood volgens het door generaal Beatson gegeven verhaal ondergaan hebben, is uiterst merkwaardig. Daarin heet het, dat beide vlakten in vroegeren tijd met bosschen waren bedekt, en daaromthe Great Woodof het Groote Bosch genoemd werden. Nog in het jaar 1716 stonden er vele boomen, maar in 1724 waren de oudeboomen meerendeels gevallen; en daar men geiten en varkens had laten rondloopen, waren alle jonge boomen gedood.6Ook blijkt uit de officiëele berichten, dat de boomen eenige jaren later onverwacht werden opgevolgd door een dradig gras, dat zich over de geheele oppervlakte verspreidde. Beatson voegt er bij, dat deze vlakte “thans met een fraai grasveld bedekt en het mooiste stuk weiland op St.-Helena geworden is.” De uitgestrektheid van het gebied, dat in vroegeren tijd met bosch bedekt was, wordt op niet minder dan 2000acres7geschat; maar tegenwoordig is er bijna geen enkele boom meer over. Ook zegt men, dat er in 1709 in Sandy-Bay groote menigten doode boomen waren; en nu is die plek eene zoo volslagen woestenij, dat geen ander dan zulk een geloofwaardig bericht mij ooit had kunnen doen gelooven, dat daar eenmaal boomen konden groeien. Het feit, dat de geiten en varkens alle jonge boomen bij hunne ontkieming verwoestten, en dat de oude die van hunne aanvallen verschoond bleven na verloop van tijd door ouderdom stierven, schijnt klaar bewezen te zijn. Geiten werden ingevoerd in het jaar 1502; acht en zestig jaren later, ten tijde van den Britschen zeevaarder Thomas Cavendish,8weet men dat zij er verbazend talrijk waren. Meer dan een eeuw later, in 1731, toen de ramp volkomen en onherstelbaar was, werd een bevel uitgevaardigd, datallelosloopende dieren gedood moesten worden. Hier zien wij dus een feit van groot belang, nl., dat de komst van dieren op St.-Helena in 1502 het geheele aanzien van het eiland niet eer veranderde, voordat er eene tijdruimte van 222 jaren verstreken was; want de geiten werden ingevoerd in 1502, en in 1724 wordt gezegd dat de boomen meerendeels gevallen waren. Er kan weinig twijfel bestaan, of deze groote verandering in den plantengroei had niet alleen gevolgen op de landschelpdieren, waarvan zijacht soorten deed uitsterven, maar ook op eene menigte insecten.Door zijne ligging, zoo ver van eenig vasteland, te midden van een grooten oceaan, en door het bezit van eene flora welke eenig is in hare soort, wekt St.-Helena onze belangstelling. De acht landschelpdieren, ofschoon nu uitgestorven, zijn, evenals de nog levendeSuccinea, bijzondere soorten die nergens anders worden gevonden. Cuming meldt mij echter, dat hier een EngelscheHelix(schelp- of huisjesslak) voorkomt, waarvan de eieren ongetwijfeld in eene van de vele ingevoerde planten herwaarts zijn gebracht. Vogels en insecten zijn, zooals te verwachten was, zeer gering in aantal; en wat de eersten betreft, geloof ik, dat die allen in de laatste jaren zijn ingevoerd.9Patrijzen enfazanten zijn vrij talrijk: het eiland is te zeer Engelsch, om niet aan strenge jachtwetten onderworpen te zijn. Men vertelde mij een geval van opoffering aan zulke bepalingen, zoo onrechtvaardig als ik zelfs in Engeland nooit gehoord heb. Vroeger plachten arme lieden eene plant te verzamelen, die op de kustrotsen groeit, en na hare verbranding de soda uit de asch naar elders te verzenden. Maar plotseling kwam een streng bevel om deze handelwijze te verbieden, onder voorwendsel, dat de patrijzen anders nergens konden nestelen!Op mijne wandelingen stak ik meer dan eens de door diepe valleien begrensde grasvlakte over, waarop Longwood staat. Van nabij gezien, doet dit zich voor als een landgoed van aanzienlijke grootte. Daar tegenover liggen enkele bebouwde velden, en achter dezen de berg Flagstaff met zijne gladde oppervlakte en gekleurd gesteente, alsmede het ruwe, plompe, zwarte berggevaarte, de Barn genaamd. Over het geheel was de aanblik eenigszins koud en onaantrekkelijk. De eenige last, dien ik op mijne wandelingen ondervond, waren de hevige winden. Eens was ik getuige van het volgende vreemde natuurverschijnsel. Op den rand eener hoogvlakte staande, die door eene groote klip van omstreeks 1000 voet diepte begrensd werd, zag ik enkele yards ver, vlakbovenwinds, eene zeezwaluw tegen eene zeer sterke bries worstelen, terwijl op de plek waar ik stond de lucht geheel kalm was. Toen ik het strand dicht genaderd was, waar de stroom opwaarts van den klipwand scheen te worden afgedreven, stak ik mijn arm uit en voelde terstond de volle kracht van den wind. Hier scheidde een onzichtbare, twee yards breede dam eene volkomen kalme lucht van een krachtigen storm.Ik had zooveel genot van mijne zwerftochten tusschen de rotsen en bergen, dat ik op den morgen van den 14den Juli bijna met spijt naar de stad afdaalde. Vóór den middag was ik aan boord en ging deBeagleonder zeil.Op den 19den Juli bereikten wij Ascension. Personen, die een vulkanisch eiland hebben gezien, dat in een droog klimaat gelegen is, zullen zich den aanblik van Ascension terstond kunnen voorstellen. In hunne verbeelding zullen zij dan gladde kegelvormige bergen zien van een lichtroode kleur, met meestal afgeknotte toppen, die, onderling gescheiden, zich uit een horizontaal oppervlak van ruwe zwarte lava verheffen. Een hoofdberg in het midden van het eiland schijnt de vader der kleinere kegels, en draagt den naam vanGreen Hillof Groene berg, ontleend aan de zeer zwakke tint van die kleur, welke in dezen tijd van het jaar nauwelijks van de ankerplaats is waar te nemen. Eene woeste en onstuimige zee, die op de zwarte rotsen aan de kust beukt, voltooit dit sombere tafereel.De nederzetting ligt in de nabijheid van het strand en bestaat uit verscheidene witte hardsteenen huizen en loodsen, die ongeregeld geplaatst, maar goed gebouwd zijn. De bewoners zijn uitsluitend zeesoldaten, behalve eenige uit slavenschepen bevrijde negers, die door het gouvernement betaald en van levensmiddelen worden voorzien. Op het geheele eiland woont geen enkel particulier.10Onder de zeesoldatenschenen vele met hun toestand wel tevreden; zij achtten het beter hunne 21 jaren aan land te dienen—hoe dit land ook zijn mocht—dan op een schip; en indien ik zeesoldaat was, zou ik van harte met deze keus instemmen.Den volgenden morgen beklom ik den 2840 voet hoogenGreen Hill,11en wandelde van daar over het eiland naar de windzijde. Een goede wagenweg voert van de nederzetting op de kust naar de huizen met tuinen en velden, die zich nabij den top van den centralen berg bevinden. Ter zijden van den weg staan mijlsteenen en vindt men waterputten, waaruit elk dorstig voorbijganger een teug goed water kan drinken. Eene dergelijke zorg wordt in elk deel der kolonie in acht genomen, en vooral wat het onderhoud der bronnen betreft, opdat geen enkele druppel water verloren zal gaan; inderdaad kan het geheele eiland vergeleken worden met een groot schip, dat op de voortreffelijkste wijze onderhouden wordt. Toen ik de groote nijverheid bewonderde, die met zulke geringe middelen dergelijke resultaten had voortgebracht, kon ik tevens de spijt niet onderdrukken, dat al die nijverheid verspild werd voor zulk een armzalig en beuzelachtig doel. Lesson heeft terecht opgemerkt, dat alléén de Engelsche natie op het denkbeeld zou komen om van het eiland Ascension eene vruchtbare plek te maken, waar elk ander volk het slechts als fort in den oceaan zou gebruiken.Bij de kust groeit niets; verder landwaarts in kan men soms eene groene castorolie-plant12en enkele sprinkhanen ontmoeten, bekend als ware vrienden van de wildernis. Over de oppervlakte der centrale hoogvlakte is eenig gras verspreid, en het geheel heeft veel weg van de slechtere gedeelten in het gebergte van Wallis. Maar al lijkt de weide ook schraal, toch vinden ongeveer 600 schapen, vele geiten,benevens enkele koeien en paarden er ruim hun voedsel. Onder de inlandsche dieren wemelt het van landkrabben en ratten. Of de rat werkelijk inheemsch is, mag men terecht betwijfelen; volgens de beschrijving van Waterhouse zijn er twee variëteiten of speelsoorten: de eene heeft eene zwarte kleur, een fraai glad vel, en leeft op het met gras bedekte hoogland; de andere is bruinachtig van kleur, minder glad, heeft langer haar, en leeft bij de nederzetting op de kust. Deze beide speelsoorten zijn een derde kleiner dan de gewone zwarte rat (Mus rattus), en verschillen van deze zoowel in kleur als in den aard van haar vel; maar verder in geen ander opzicht van belang. Ik kan moeilijk betwijfelen of deze ratten zijn ingevoerd (evenals de gewone muis, die óók verwilderd is), en hebben, evenals op de Galápagos-Eilanden, de veranderingen ondergaan, die voortsproten uit de nieuwe levensvoorwaarden waaraan zij werden onderworpen; daarom verschilt ook de speelsoort op de hoogvlakte van het eiland van die op de kust. Inheemsche vogels ontbreken geheel; maar de paarlhoen (Numida), die van de Kaap-Verdische Eilanden werd ingevoerd, is er talrijk, en de gewone kip loopt ook in ’t wild. Eenige katten, die oorspronkelijk op het verdelgen van ratten en muizen uittrokken, zijn zoozeer in aantal toegenomen, dat zij eene groote plaag zijn geworden. Het eiland bezit geen enkelen boom, en is, zoowel in dit als in elk ander opzicht, veel minder dan St.-Helena.Een mijner uitstapjes voerde mij naar de zuidwestpunt van het eiland. Het was een heldere en warme dag; maar in plaats dat ik nu het eiland op zijn schoonst zag, stralend in het zonlicht, grijnsde het mij tegen in al zijne naakte leelijkheid. De lavastroomen zijn met heuveltjes bedekt en zoo ruw, dat het niet gemakkelijk is dit geologisch te verklaren. De tusschenruimten liggen verborgen onder lagen puimsteen, asch en vulkanischen tufsteen. Toen ik over zee langs dit deel van het eiland ging, kon ik niet begrijpen wat de witte vlekken waren, waarmee de gansche vlakte gestippeld was; nu vond ik, dat het zeevogels waren, die zoo volvertrouwen lagen te slapen, dat men zelfs midden op den dag naar hen toe kon wandelen en hen grijpen. Deze vogels waren de eenige levende wezens, die ik gedurende den ganschen dag zag. Ofschoon er eene zwakke bries op de kust stond, rolde eene sterke branding over de gebroken lavarotsen.De geologie van dit eiland is in vele opzichten belangrijk. Op verscheidene plaatsen ontdekte ik vulkanische bommen, d.w.z. klompen lava, die eenmaal in vloeibaren staat in de lucht werden geslingerd en dientengevolge eene bol- of peervormige gedaante hebben aangenomen. Zoowel hare uitwendige, als in vele gevallen ook hare inwendige structuur verraadt op zeer treffende wijze, dat zij in hare luchtbaan om eene as hebben gewenteld. In nevenstaande figuur is de inwendige structuur van eene dezer gebroken bommen zeer nauwkeurig voorgesteld.Het middengedeelte bestaat uit grove cellen, die naar buiten toe in grootte afnemen, tot waar zij omsloten zijn door een schaalvormig kapsel, ongeveer een derde inch dik, vanvast gesteente, dat weder aan de buitenzijde met eene korst van fijncellige lava bedekt is. Naar mijn idee kan er weinig twijfel bestaan, ten eerste, dat de buitenkorst snel afkoelde in den toestand waarin wij haar nu zien; ten tweede, dat de nog vloeibare kernlava door de middelpuntvliedende kracht, die de aswenteling der bom in ’t leven riep, tegen de afgekoelde buitenkorst werd gedreven en zoo de vaste steenen schaal vormde; en eindelijk, dat de middelpuntvliedende kracht, welke de drukking in de meer centrale gedeelten der bom verminderde, aan de ingesloten verhitte gassen gelegenheid gaf de kerncellen uit te zetten, en aldus de grofcellige binnenmassa deed ontstaan.Een uit de oudere reeks van vulkanische gesteenten gevormde heuvel, dien men ten onrechte voor een vulkaankrater heeft gehouden, is belangrijk doordat zijn breede, eenigszins holle, cirkelvormige top gevuld is met een aantal opvolgende lagen van asch en fijne slakken. De schotelvormige lagen puilen over den rand, waar zij zuivere, verschillend gekleurde ringen vormen, en zoodoende aan den top een hoogst phantastisch aanzien geven; een dezer ringen is wit en breed, en gelijkt op eene renbaan waar paarden worden geoefend: vandaar dat deze heuvel den naam vanDevil’s Riding School(Duivels-Rijschool) ontving. Uit een der tufhoudende lagen die eene bleekroode kleur had, nam ik eenige specimens stof mee naar Engeland. Na opzending daarvan aan Prof. Ehrenberg, meldde deze mij het hoogst belangrijke feit, dat die stof bijna geheel uit bewerktuigde wezens13bestond. Hij ontdekte daarin eenige kiezelschalige zoetwater-infusoria, en daarenboven niet minder dan 25 verschillende soorten kiezelskeletten van planten, voornamelijk grassen. Wegens het ontbreken van alle koolstofhoudende verbindingen, houdt Ehrenberg het er voor, dat deze organische lichamen den vulkanischen vuurdoop hebben ondergaan, en uitgeworpen zijn in den toestand,waarin wij hen nu zien. Het voorkomen der lagen deed mij denken, dat zij onder water waren afgezet, ofschoon het buitengewoon droge klimaat mij tot de onderstelling leidde, dat er gedurende eene groote uitbarsting waarschijnlijk stroomen regen waren gevallen, en zoo een tijdelijk meer was gevormd, waarin de asch viel. Thans mag men echter aannemen, dat het geentijdelijkmeer was. Hoe dit ook zij, wij kunnen ons verzekerd houden, dat het klimaat en de voortbrengselen van Ascension in een vroeger tijdperk zeer verschilden van wat zij nu zijn. Bij het zien van dit eiland vragen we ons weder af: waar kunnen wij op aarde een plek vinden, die niet bij aandachtig onderzoekteekenen openbaart van die eindelooze reeks van veranderingen, waaraan onze planeet onderhevig was, is, en zijn zal?Na Ascension te hebben verlaten, zeilden wij naar Bahia op de kust van Brazilië, ten einde de chronometrische opmeting van de wereld te voltooien. Op 1 Augustus 1836 kwamen wij hier aan, en bleven er vier dagen, in welken tijd ik verscheidene lange wandelingen deed. Met genoegen ontdekte ik, dat mijne belangstelling in het tropische landschap door het ontbreken van nieuwe gegevens er volstrekt niet op verminderd was. De onderdeelen van het landschap zijn hier zoo eenvoudig, dat zij verdienen genoemd te worden als een bewijs van welke nietige omstandigheden een uitgezocht natuurschoon afhangt.Het oord kan worden beschreven als eene effene vlakte van omstreeks 300 voet hoogte, welke overal doorsneden is van valleien met horizontale bodems. In een land waar de bodem uit graniet bestaat, is zulk een structuur merkwaardig; doch in al die zachtere formaties waaruit vlakten gewoonlijk bestaan, is zij nagenoeg algemeen. De geheele oppervlakte is bedekt met verschillende soorten van rijzig geboomte, afwisselend met strooken ontgonnen grond, waarop huizen, kloosters en kapellen verrijzen. Hier zij herinnerd,dat in de keerkringen de rijkdom van wild natuurschoon zelfs in de nabijheid van groote steden niet verloren gaat, want de natuurlijke plantenwereld der hagen en heuvelhellingen beheerscht op schilderachtige wijze het kunstwerk van den mensch. Dientengevolge zijn er slechts enkele plekken, waar de lichtroode grond eene scherpe tegenstelling vormt met het algemeen bekleedsel van groen. Van de zoomen der vlakten heeft men vergezichten hetzij op den oceaan, hetzij op de groote Baai met hare laag begroeide stranden, en waarop talrijke booten en kano’s hare witte zeilen vertoonen. Behalve van deze punten is het landschap uiterst begrensd; want volgt men de effen paden rechts en links, dan kan men de met bosch bedekte dalen slechts vluchtig te zien krijgen. Ik kan er bijvoegen, dat de huizen, en vooral de kerkelijke gebouwen in een eigenaardigen en eenigszins phantastischen stijl zijn opgetrokken. Daar al die huizen gewit zijn, teekenen zij zich in ’t licht der stralende middagzon op den matblauwen hemel aan de kim eerder af als schimmen, dan als gebouwen.Zoo zijn de onderdeelen van het landschap; maar het zou een hopeloos werk zijn den algemeenen indruk er van te schilderen. Geleerde natuuronderzoekers beschrijven deze tropische landschappen door eene menigte voorwerpen te noemen, en eenige bijzonderheden te vermelden die elk hunner kenmerken. Een geleerd reiziger kan daaruit mogelijk eenige duidelijke begrippen putten; maar wie kan anders, door eene plant in een herbarium te zien, zich voorstellen hoe zij er uitziet als zij in haar geboortegrond groeit? Wie kan, bij het zien van keurplanten in eene broeikas, eenige er van vergroot denken tot de afmetingen van woudboomen, andere als dicht dooreengevlochten tot een ontoegankelijk struikgewas? Wie zal, als hij de bonte, uitheemsche kapellen en eigenaardige cicadae gadeslaat in het kabinet van den entomoloog, zich bij die levenslooze vormen ook voorstellen de onafgebroken schorre muziek der laatsten, de trage vlucht der eersten—twee kenmerken, die op een stillen, gloeienden middag in de tropen nooit ontbreken? Het is wanneerde zon hare grootste hoogte heeft bereikt, dat men zulke landschappen zien moet: dan hult het dichte, prachtige gebladerte van den mango-boom den grond in zijn diepste schaduw, terwijl de bovenste takken door den overvloed van licht prijken in het schitterendste groen. In de gematigde streken is dit anders: daar is de plantengroei niet zoo donker of weelderig, en zijn het de purper-, rood-, of lichtgeel gekleurde stralen der namiddagzon, welke het meest tot de schoonheid dier streken bijdragen.Wanneer ik kalm over de belommerde paden wandelde en de opvolgende tafereelen bewonderde, wenschte ik woorden te vinden om mijne gedachten uit te drukken. Doch vruchteloos: bijnaam op bijnaam bleken te zwak om het genot dat de geest smaakt, te beschrijven aan hen, die de tusschenkeerkringslanden niet bezocht hebben. Boven zeide ik, dat de planten in eene broeikas onmachtig zijn om een juist denkbeeld van de flora te geven; toch moet ik tot dien zwakken maatstaf terugkeeren. Het land is ééne groote, woeste, ongerepte en rijk gevulde broeikas, door de Natuur voor zich zelve gemaakt, maar door den mensch in bezit genomen, die haar met vriendelijke huizen en regelmatige tuinen heeft gestoffeerd. Hoe gaarne zou niet elk bewonderaar der natuur, indien zulks mogelijk was, het landschap op eene andere planeet willen zien? Welnu, men kan in waarheid zeggen, dat zich voor elken Europeaan op een afstand van slechts weinige lengtegraden de pracht eener andere wereld ontsluit! Op mijne laatste wandeling bleef ik bij herhaling staan om deze schoonheden te bewonderen, en poogde zoo een onuitwischbaren indruk daarvan in mijne ziel te griffen, schoon wetende dat die vroeg of laat toch zou vervloeien. De vormen van den oranje- en kokosboom, den palm- en mangoboom, de boomvaren en den banaan zullen duidelijk en scherp bewaard blijven; maar de duizende tinten en vormen die met deze boomen een volledig landschap samenstellen, moeten onherroepelijk vervloeien—mij niets nalatende dan eene schilderij vol onbestemde doch overschoone figuren, evenals een sprookje uit onze kinderjaren!6 Augustus.In den namiddag stevenden wij in zee, met het doel om rechtstreeks naar de Kaap-Verdische Eilanden te gaan. Maar ongunstige winden hielden ons terug, en zoo liepen wij den 12den Pernambuco binnen—eene groote stad op 8° Z.B. aan de kust van Brazilië. Wij ankerden buiten het rif; doch spoedig kwam een loods aan boord en bracht ons naar de binnenhaven, waar wij dicht bij de stad lagen.Pernambuco is gebouwd op eenige smalle en lage zandbanken, die door ondiepe zoutwater-kanalen van elkander gescheiden zijn. De drie deelen, waaruit de stad bestaat, zijn onderling door twee lange, op houten palen gebouwde bruggen verbonden. De stad is op alle punten afschuwelijk: de straten zijn smal, slecht geplaveid en morsig, en de huizen zijn hoog en somber. Het seizoen der hevige regens was nauwelijks geëindigd, en dientengevolge stond het omliggende land, dat amper boven den zeespiegel ligt, geheel onder water. Dit was oorzaak, dat al mijne pogingen om lange wandelingen te doen, mislukten.14Het vlakke moerasland, waarop Pernambuco ligt, is op enkele mijlen afstands omringd door een halven cirkel van lage heuvels, of liever door den rand van een gebied, dat ongeveer 200 voet boven de zee ligt. De oude stad Olinda ligt aan het eene einde dezer heuvelreeks. Op zekeren dag nam ik een kano, en voer een der kanalen op om deze stad te bezoeken, die met hare groote kloosters en kerken een treffenden indruk maakt. Zij is zindelijker en aangenamer gelegen dan Pernambuco, doch innerlijk vervallen. Hier moet ik vertellen wat ons voor de eerste maal op onze vijfjarigereis overkwam, nl. dat wij gebrek aan voorkomendheid ontmoetten; ik werd aan twee verschillende huizen op knorrigen toon afgewezen, en kreeg aan een derde met moeite verlof om door den tuin naar een onbebouwden heuvel te gaan, ten einde de streek te overzien. Het doet mij genoegen, dat dit in het land der Brazilianen gebeurde, want ik draag hun geen goed hart toe; ook is het een land van slavernij en dus van zedelijk verval. Een Spanjaard zou zich schamen over het denkbeeld alléén, dat hij zulk een verzoek weigerde of zich ruw tegen een vreemdeling gedroeg. Het kanaal, waardoor wij naar Olinda gingen en van daar terugkeerden, was aan beide zijden metmangleboomen(Rhizophora mangle) begroeid,15die als een woud in ’t klein uit de vettige modderbanken verrezen. De lichtgroene kleur dezer bosschages herinnerde mij aan het welige gras op een kerkhof; beiden worden gevoed door bedorven uitwasemingen: het een spreekt van dood in het verleden, het ander zeer vaak van dood in de toekomst.Het eigenaardigste gewrocht, dat ik in dezen omtrekzag, was het rif dat de haven vormt.16Ik twijfel of er op de geheele wereld een tweede natuurgewrocht bestaat met zulk een kunstig voorkomen. Het loopt over een lengte van verscheidene mijlen in eene volkomen rechte lijn evenwijdig met en niet ver17van het strand. Zijne breedte wisselt af van 30 tot 60 yards; de oppervlakte is vlak en effen, en het is saamgesteld uit onduidelijkgelaagden, harden zandsteen. Bij hoog water spoelendegolven er over heen; bij laag water blijft het bovengedeelte droog, en zou men het licht voor een pier of golfbreker houden, die door cyklopische arbeiders gebouwd is. Tegenover het land op deze kust werpen de zeestroomen lange smalle tongen en dammen op van loszand, en het is op een van die dammen, dat een deel der stad Pernambuco staat. In vroeger tijd schijnt een dergelijke lange dam onder de doorzijgende werking van kalkhoudende stof vast te zijn geworden, en daarna langzamerhand gerezen. Terwijl dit geschiedde werden de buitenste en losse gedeelten door den golfslag der zee weggespoeld, en bleef de vaste kern over in den vorm waarin wij haar nu zien. Hoewel de golven van den vollen Atlantischen Oceaan, troebel van het slib, dag en nacht tegen de steile buitenkanten van dezen steendam worden gedreven, hebben de oudste loodsen nooit van eene verandering in zijn voorkomen gehoord. Deze duurzaamheid is verreweg het belangrijkste feit in zijne geschiedenis, en is toe te schrijven aan eene taaie, kalkhoudende laag van enkele inches dikte, die geheel gevormd is door het opvolgend groeien en sterven der kleine schelpdieren,Serpulaegeheeten, benevens enkele eendenmosselen (Lepas anatifera) enNulliporae.18DezeNulliporae(harde, zeer eenvoudig georganiseerde kalkafscheidende zeealgen, die in vorm en hardheid dikwijls op koralen gelijken, doch van de echte koralen hierin verschillen dat zij geeneporiënofcellenhebben, zooals ook haar naam aanduidt) spelen eene dergelijke en gewichtige rol, doordien zij de bovenoppervlakken der koraalriffenachterentusschende brandingen beschermen, waar de echte koralen gedurende den uitwendigen groei der massa door blootstelling aan zon en licht gedood zijn. Deze onbeduidende organische wezens, in ’t bijzonder deSerpulae, hebben den inwoners van Pernambuco grooten dienst bewezen, want zonder hare beschermende hulp zou de zandsteenbank stellig reeds lang zijn vergaan; en zonder de bank zou er geen haven zijn geweest.Op den 19den Augustus verlieten wij voorgoed de Braziliaansche kusten. Gode zij dank—nooit zal ik weer een slavenland bezoeken! Nog heden herinnert elke gil, dien ikin de verte hoor, mij pijnlijk en levendig aan de gevoelens die mij bestormden, toen ik voorbij een huis bij Pernambuco gaande, het hartverscheurendste gejammer hoorde, en niet anders kon denken dan dat hier een arme slaaf gemarteld werd, terwijl ik wist dat ik even machteloos was als een kind, om er zelfs iets van te zeggen! Ik vermoedde dat dit het gejammer was van een gemartelden slaaf, want men vertelde mij andere gevallen van dien aard. Bij Rio de Janeiro woonde ik tegenover eene oude dame, die er schroeven op nahield om de vingers van hare slavinnen te vermorzelen. Ik heb in een huis vertoefd, waar een jonge mulatbediende dag aan dag, uur aan uur beschimpt, geslagen en gekweld werd op eene manier, die zelfs den geest van het laagste dier zou dooden. Ik heb een knaap van zes of zeven jaren tweemaal met eene paardenzweep op het bloote hoofd zien striemen, voordat ik tusschenbeide kon komen, alleen omdat het kind mij een glas water had gegeven dat niet geheel schoon was. Ik zag zijn vader beven zoodra zijn meester maar de oogen opsloeg. Deze laatste gruwelen woonde ik bij in eene Spaansche kolonie, waar de slaven altijd beter behandeld heetten te worden, dan door de Portugeezen, Engelschen of andere Europeanen. Te Rio de Janeiro heb ik een krachtigen neger gezien, die bang was om een slag af te weren, dien hij dacht dat op zijn gelaat gemunt was. Ik was er bij, toen een goedhartig man op het punt stond de mannen, vrouwen en kinderen van een groot aantal gezinnen, die lang te zamen hadden gewoond, voor altijd te scheiden! Nu zal ik nog niet eens spreken van de vele hartroerende wreedheden, die ik uit geloofwaardige bron gehoord heb: en ook de bovenstaande schokkende bijzonderheden zou ik niet hebben vermeld, indien ik niet een aantal lieden ontmoet had, die zoo verblind waren door de natuurlijke vroolijkheid van den neger, dat zij over de slavernij spraken als over een dragelijk kwaad. Zulke lieden hebben meestal de huizen der hoogere standen bezocht, waar het slavenpersoneel doorgaans goed behandeld wordt, en hebben niet, zooals ik, onder de lagere standen verkeerd. Dergelijkeonderzoekers zullen slaven uithooren omtrent hun toestand, en daarbij vergeten, dat het inderdaad een domme slaaf moet zijn, die niet rekent op de kans, dat zijn antwoord ter oore kan komen van zijn meester.Men beweert, dat eigenbelang buitensporige wreedheid zal voorkomen, alsof eigenbelang onze huisdieren beschermde, die toch veel minder dan verworpen slaven in staat zijn den toorn hunner woeste meesters op te wekken! Het is een argument, waartegen de groote von Humboldt lang geleden met ridderlijk gevoel te velde is getrokken, en dat hij door treffende voorbeelden heeft toegelicht. Dikwijls poogt men slavernij te verschoonen door den slavenstand te vergelijken met onze armere landgenooten. Zoo de ellende onzer armen veroorzaakt wordt—niet door de wetten der natuur,maar door onze instellingen, dan zondigen wij zwaar; doch hoe dit in verband staat met slavernij, kan ik niet inzien: even goed zou men in ons land het gebruik van de duimschroef kunnen verdedigen, door te bewijzen dat menschen in een ander land veel aan eene gevreesde ziekte leden. Zij, die goedgunstig over slavenhouders denken, en met een koud hart over den slaaf, schijnen zich nooit in den toestand van den laatsten te stellen. Welk een vreugdeloos en troosteloos vooruitzicht—zelfs geen hoop op verandering! Denk eens, lezer, dat u zelven steeds de kans boven het hoofd hing, dat uwe vrouw en kinderen—de wezens, die denatuur ook aan den slaaf vergunt de zijnen te noemen—aan u ontrukt en aan den eersten den besten biederals beestenwierden verkocht! En zulke daden worden bedreven en verschoond door lieden, die belijden dat zij hunne naasten liefhebben als zich zelven, die in God gelooven en bidden dat Zijn wil zal geschieden op aarde! Ons bloed kookt, maar ook ons hart krimpt bij de gedachte, dat wij, Engelschen en onze Amerikaansche afstammelingen, met onze trotsche vrijheidsleus zoo schuldig zijn geweest en nòg zijn; maar het is een troost te denken, dat wij ten minste een grooter offer hebben gebracht om voor onze zonden te boeten, dan ooit een ander volk deed!Op den laatsten dag in Augustus 1836 ankerden wij voor de tweede maal te Porto Praya op de Kaap-Verdische Eilanden, en zeilden van daar naar de Azoren, waar wij zes dagen bleven. Op den 2den October bereikten wij de Engelsche kust, en te Falmouth verliet ik eindelijk deBeagle, na omtrent vijf jaren aan boord van dit kleine, maar degelijke schip te hebben doorgebracht.Aan het einde onzer Reis gekomen, zal ik een kort overzicht geven van de voor- en nadeelen, alsmede de bezwaren en genoegens, welke onze omvaring van de wereld heeft opgeleverd. Zoo iemand, voordat hij eene groote reis ondernam, mij om raad vroeg, zou mijn antwoord afhangen van de voorwaarde, of hij eene besliste neiging voor de eene of andere wetenschap bezat, die langs dezen weg bevorderd kon worden. Verschillende landen en de vele menschenrassen te zien, is ongetwijfeld een groot genot; maar het genoegen dat men daarbij smaakt, weegt niet op tegen de lasten. Zal eene vrucht worden geplukt, of iets goeds worden bereikt, dan moet men een oogsttijd afwachten, ook al is deze nog zoo ver.Het is duidelijk, dat men zich vele verliezen moet getroosten: zoo, bij voorbeeld, het gezelschap van alle oude vrienden, en het gezicht van die plaatsen, waaraan de dierbaarste herinneringen ten nauwste zijn verbonden. Die verliezen worden echter voor een deel verzacht door het onuitsprekelijk voorgenot van den lang gewenschten dag van wederkomst. Indien, zooals de dichters zeggen, het leven een droom is, dan ben ik zeker, dat dergelijke droombeelden op reis het best geschikt zijn om den langen nacht door te komen. Andere verliezen zijn er, die, hoewel in ’t eerst niet gevoeld, na verloop van tijd zwaar beginnen te wegen; deze zijn het gemis van eene kamer, van afzondering, van rust; het afmattende gevoel van voortdurende haast; het dervenvan kleine weeldezaken; het gemis van huiselijke gezelligheid, en zelfs van muziek of andere aesthetische genoegens. Wanneer wij zulke beuzelingen vermelden, is het duidelijk dat de werkelijke bezwaren van het leven op zee—rampen of onheilen uitgezonderd—voorbij zijn. De korte spanne van 60 jaren heeft eene verbazende verandering teweeg gebracht in het gerief van verre zeereizen. Nog in den tijd van Cook (1728–1779) stond elk, die den huiselijken haard verliet om zulke tochten te ondernemen, aan ernstige ontberingen bloot. Thans kan een yacht of snelzeiler met alle levensgemakken den aardbol omvaren. Behalve de groote verbeteringen in de schepen en de hulpmiddelen van het zeewezen, staat thans de geheele westkust van Amerika open, terwijl Sydney de hoofdstad is geworden van een opkomend werelddeel. Hoe geheel anders zijn de omstandigheden voor iemand, die nu in den Stillen Oceaan schipbreuk lijdt, vergeleken met die in de dagen van Cook! Sedert zijne reis is aan de beschaafde wereld een halfrond toegevoegd.Indien iemand veel aan zeeziekte lijdt, laat hij dan hiermede ernstig rekening houden. Ik spreek uit ondervinding; het is een kwaad, dat niet gering en niet binnen eene week genezen is. Heeft hij daarentegen pleizier om op zee te dobberen, dan zal hij voor dat genoegen zeker ruimschoots gelegenheid vinden. Men diene intusschen wel in ’t oog te houden, dat gedurende eene lange reis een zeer groot deel van den tijd op het water wordt doorgebracht, vergeleken met het oponthoud binnen de havens. En wat zijn nu de zoo geprezen schoonheden van den grenzenloozen oceaan? Eene vervelende eenzaamheid, een waterwoestijn, gelijk de Arabier hem noemt. Niettemin geeft hij ons somtijds verrukkelijke tafereelen te zien. Schoon is een nacht met maneschijn, bij helderen hemel en donker-glinsterende zee: de witte zeilen gezwollen onder den zachten adem van een kalmen passaat, of bij bladstille lucht, als het bolle zeevlak gepolijst en spiegelend voor u ligt, en alleen het klapperend zeildoek nu en dan de stilte verbreekt. Ook is het goed eenseen donderbui te zien opkomen, die u nadert in al hare woede, of een geweldigen orkaan die de golven tot bergen verheft. Toch beken ik, dat mijne verbeelding zich iets grootschers, iets vreeselijkers gemaald had van een woedenden storm. Een onvergelijkelijk schooner schouwspel biedt hij op ’t strand gezien, waar de zwiepende boomen, de wilde vlucht der vogels, de jagende stroomen, de donkere schaduwen en heldere tinten allen den strijd der losgebroken elementen verkondigen. Op zee vliegen albatros en kleine stormvogel met evenveel gemak, als ware de storm hun eigenlijk element, en rijst en daalt het water, alsof het zijn gewone taak volbrengt; alleen het schip en zijne bewoners schijnen het voorwerp der algemeene woede. Op een eenzaam, door wind en zee geteisterd strand is het tafereel weer anders, doch krijgen wij hier meer een gevoel van afschrik, dan van wilde verrukking.Laat ons nu de lichtere zijde van den afgeloopen tijd beschouwen. Het genoegen, dat voortsproot uit het gezicht van de natuurtooneelen en den algemeenen aanblik der verschillende door ons bezochte landen, is beslist een bron geweest van duurzaamst en hoogst genot. Waarschijnlijk wordt al wat wij zagen door het schilderachtig schoon in vele gedeelten van Europa overtroffen; maar een toenemend genot levert het onderling vergelijken van den aard der natuurtooneelen in verschillende landen, hetgeen in zekeren zin iets anders is dan een louter bewonderen van hunne schoonheid. Dit genot hangt voornamelijk af van onze bekendheid met de onderdeelen van elk landschap; en ik ben zeer geneigd te gelooven, dat—evenals iemand, die elken toon in de muziek begrijpt en daarenboven een gepasten smaak bezit, een meer volkomen genot van het ensemble zal hebben—ook hij die elk deel van een fraai landschap onderzoekt, den vollen en samengestelden indruk er van zal begrijpen. Zoo zou een reiziger plantkundige moeten zijn, want in elk landschap vormen planten de hoofdversiering. Groepen naakte rotsen kunnen somtijds, zelfs in hare ruwste gedaanten, een verheven schouwspel opleveren; doch spoedigworden zij eentonig. Maal haar af in heldere en afwisselende kleuren, zooals de Andes in het noorden van Chili—en zij zullen phantastisch worden; maar bekleed ze met planten—en zij moeten een aangenaam, zoo niet een schoon tafereel vormen.Als ik zeg, dat het landschap in sommige gedeelten van Europa vermoedelijk schooner was dan die wij zagen, zonder ik daarvan, als eene klasse op zich zelve, dat der tusschenkeerkringsstreken uit. Die twee klassen kunnen niet samen vergeleken worden; doch, over het grootsche dezer gewesten heb ik al dikwijls uitgeweid. Daar de kracht der indrukken meestal afhangt van vooraf gevormde denkbeelden, mag ik er bijvoegen, dat de mijne ontleend waren aan de levendige beschrijving in von Humboldt’sRelation Historique, die in verdienste elke andere door mij gelezene overtreft. Maar zelfs met deze hoog opgevatte ideeën ondervonden mijne gevoelens op verre na geen zweem van teleurstelling bij mijne eerste en laatste landing op de kusten van Brazilië.Van de landschappen, welke een diepen indruk op mijn geest maakten, overtrof er geen in grootschheid de maagdelijke wouden, die de hand des menschen ongerept had gelaten: hetzij die prachtvolle in Brazilië, zoo overrijk aan vormen, waar het Leven heerscht in al zijne kracht: hetzij die sombere in Vuurland, waar Dood en Verval den scepter zwaaien. Beiden zijn tempels, gevuld met de velerlei voortbrengselen uit Gods schoone Natuur! Niemand kan deze eenzaamheden betreden zonder ontroering, er dolen zonder een gevoel, dat in den mensch iets meer is dan alleen zijn ademtocht... Bij het oproepen van beelden uit het verleden, zie ik telkens weer de vlakten van Patagonië voorbij mijne oogen gaan—vlakten, die door ieder als nutteloos en ellendig worden uitgekreten. Men kan ze slechts beschrijven met negatieve eigenschappen: zonder woningen, zonder water, zonder boomen of bergen, bevatten zij niets dan enkele dwergplanten. Maar waarom—en het geval betreft niet alleen mij zelven—hebben die dorre wildernissen dan zoo onwrikbaar in mij post gevat? Waarom hebben de nogvlakkere, meer groene en vruchtbare Pampas, nog dienstig daarenboven voor het menschdom, niet een even sterken indruk nagelaten? Ik kan deze gevoelens moeilijk uitdrukken; maar deels zijn zij hieraan toe te schrijven, dat de verbeelding er den vrijen teugel viert. En kan het anders? De vlakten van Patagonië zijn grenzenloos; want zij zijn bijna ontoegankelijk en dientengevolge onbekend. Zij dragen het stempel van eeuwenlang geduurd te hebben zooals zij nu zijn, en onbeperkt schijnt haar duur in de toekomst. Denkt men tevens aan de onderstelling der Ouden, dat de platte aarde omringd was door eene onmetelijke watervlakte of door ondraaglijk heete woestijnen—wie zou dan niet met indrukken van diep en onbestemd gevoel die uiterste grenzen van menschelijke kennis beschouwen?Tot de natuurtafereelen behooren eindelijk de vergezichten van hooge bergen, die, hoewel in zekeren zin niet bepaald mooi, toch zeer gedenkwaardig zijn. Toen ik, door geen nietige bijzonderheden in het berglandschap gestoord, van de hoogste kruin der Cordilleras naar omlaag zag, werd mijn geest overstelpt door de ontzagwekkende afmetingen der omringende bergen!Wat menschenrassen betreft, wekt niets zoozeer onze verbazing als het eerste gezicht van eenwilde: van een mensch in den laagsten en wildsten natuurstaat in de schuilhoeken van zijn geboorteland. Onze geest snelt eeuwen, eeuwen ver terug en vraagt zich af: is ’t mogelijk, dat onze stamvaderen in de geschiedenis der menschheid geweest zijn zooals deze wilden? Menschen, wier gebaren en uitdrukkingen nog minder verstaanbaar voor ons zijn dan die der huisdieren? Menschen, die niet het instinct dezer dieren bezitten, maar ook niets dat bogen kan op menschelijk verstand—althans op kunsten, die de vruchten zijn van dat verstand? Ik geloof niet, dat het mogelijk is het verschil te beschrijven, of te malen, tusschen een wilden en een beschaafden mensch. Het is als het verschil tusschen een wild en een tam dier; en onze belangstelling bij het zien van een wilde is voor een deel dezelfde, als die ons zou doen wenschenden leeuw te zien in zijn woestijn, den tijger als hij zijn prooi in den dsjungel verscheurt, of den rhinoceros, zwervend over de woeste vlakten van Afrika.Tot de merkwaardigste natuur- en hemelverschijnsels, die wij gezien hebben, mogen gerekend worden: de Magelhaensche Wolken,19het Zuiderkruis en de andere sterrenbeelden van den zuidelijken hemel; eene waterhoos; een gletscher met zijn blauwen ijsstroom, die als een steile rotswand boven de zee hing; een laguneneiland, dat door de rifvormende koralen tot aan de zee was opgebouwd; eene vulkanische uitbarsting, en eene hevige aardbeving met al hare verpletterende gevolgen. Ik stel in deze laatste verschijnselen bijzonder veel belang, misschien wegens hun nauw verband met den geologischen bouw van onze planeet; maar in ’t algemeen moet de aardbeving voor ieder een gebeurtenis zijn, die de sterkste indrukken achterlaat. De aarde, die wij van onze vroegste kindsheid af als het zinnebeeld van vastheid hebben beschouwd, heeft als eene dunne korst onder onze voeten gebeefd; en ziende, hoe de hechtste werken van den mensch in een oogwenk worden omvergeworpen, beseffen wij hoe nietig de macht is, waarop hij zich verheft!—Men zegt, dat de liefhebberij in de jacht een genot is, dat den menschen aankleeft—een overblijfsel van een instinctmatigen hartstocht. Zoo ja, dan ben ik zeker, dat het genoegen om in de open lucht te leven met den hemel als dak en de aarde als tafel, een deel is van die zelfde zucht: het isde wilde mensch, die tot zijne wilde en aangeboren leefwijze terugkeert. Altijd zie ik op onze boottochten en mijne uitstappen te land—wanneer deze geschiedden door onbewoonde streken—met een bijzonder genot terug, hetwelk geen land der beschaafde wereld had kunnen verschaffen. Ik twijfel niet, of elk reiziger zal zich het zegepralende gevoel van blijdschap herinneren, dat in hem opwelde toen hij voor ’t eerst in een onbekend land ademde, waar de beschaafde mensch zelden of nooit een voet gezet had.Op eene lange reis ontmoet men vele andere bronnen van genot, die van meer bescheiden aard zijn. De wereldkaart is nu niet langer een blad papier, maar wordt een schilderij vol van de afwisselendste en levendigste figuren. Elk deel verkrijgt zijne juiste afmetingen; vastelanden gelden niet langer als eilanden, en eilanden, die menigmaal grooter zijn dan vele koninkrijken in Europa, niet langer als stippen. Afrika, of Noord- en Zuid-Amerika zijn welklinkende namen en laten zich gemakkelijk uitspreken; doch eerst nadat men weken achtereen langs hunne kusten heeft gevaren, krijgt men de volle overtuiging welke uitgestrekte ruimten op onze groote aarde met deze eenvoudige namen bedoeld worden.De tegenwoordige toestand, waarin wij een bijna geheel halfrond hebben leeren kennen, kan niet anders dan hooge verwachtingen schenken omtrent zijn toekomstigen voorspoed. Waarschijnlijk is de verbetering, die, dank zij de invoering van het Christendom, over de geheele Zuidzee in gang is, éénig in de jaarboeken der geschiedenis. Dit is des te merkwaardiger, zoo wij bedenken, dat Cook, wiens uitnemend oordeel wel door niemand zal worden betwist, pas 60 jaren geleden geen uitzicht op verandering kon geven. Toch zijn die veranderingen door den menschlievenden geest der Britsche natie thans tot stand gebracht.In denzelfden hoek van den aardbol is Australië op weg zich te verheffen, of, kan men zeggen, heeft het zich verheven tot een groot beschavingsmiddelpunt, dat in eene niet zeer verre toekomst als Keizerin zal heerschen over hetzuidelijk halfrond. Het is niet mogelijk, dat een Engelschman deze verre kolonies anders dan met rechtmatigen hoogmoed en voldoening beschouwt. Rijkdom, voorspoed en beschaving schijnen de wisse gevolgen te zijn, welke het hijschen van de Britsche vlag na zich voert.Tot besluit schijnt het mij toe, dat er voor een jongen natuuronderzoeker niets bevorderlijkers zijn kan, dan eene reis naar verre landen. Zulk eene reis—merkt Sir John Herschel op—versterkt en stilt gedeeltelijk de behoeften en wenschen, die in den mensch opwellen ook dan, wanneer aan alle stoffelijke begeerten voldaan is. Het opwekkende gevoel, dat de studie van nieuwe voorwerpen of verschijnselen en de kans op welslagen doen ontstaan, prikkelen hem tot meerdere werkzaamheid, terwijl daarenboven de gewoonte om los staande feiten met elkaar te vergelijken, die anders spoedig onbelangrijk worden, hem tot algemeene beschouwingen leiden. Hier staat tegenover, dat de beschrijvingen van den reiziger, die uitteraard slechts kort op elke plaats vertoeft, meestal uit louter schetsen moeten bestaan, in stede van uitvoerige waarnemingen. En daaruit ontspruit, gelijk ik tot mijne schade ondervonden heb, eene voortdurende zucht om de wijde leemten in onze kennis aan te vullen met onnauwkeurige en oppervlakkige hypothesen.—Maar, ik heb mijne reis te volop genoten, om niet elken natuuronderzoeker aan te bevelen alle kansen te wagen, en zoo mogelijk landreizen, of anders eene verre zeereis te doen, hoewel hij er niet op moet rekenen zoo gelukkig in zijne reisgenooten te zijn, als ik het was. Hij kan er van verzekerd zijn, dat hij, behalve in zeldzame gevallen, geen moeilijkheden of gevaren zal ontmoeten, die niet geringer zullen blijken dan hij te voren verwacht heeft. Uit een zedelijk oogpunt behoort het gevolg te zijn, dat hij leere opgeruimdheid te paren aan geduld, zijne eigenliefde te overwinnen, zich te gewennen aan zelfstandig handelen, en zich zoo goed mogelijk in alle omstandigheden te schikken. In ’t kort, hij behoort de eigenschappen te leeren, welke de meeste zeelieden bezitten. Ook moet de reis hem leeren anderen tewantrouwen; maar tevens zal hij dan ontdekken, hoevele oprecht welwillende menschen er zijn, die, schoon hij vroeger nooit met hen in aanraking kwam noch later ooit weer komen zal, toch bereid zijn hem op de onbaatzuchtigste wijze te helpen.Einde.1Volgens eene telling in 1901 had Port-Louis 53,897 inwoners met hare voorsteden. Het geheele eiland, dat eene oppervlakte bezit van 1826 □ kilom., telde er toen 371,023.(Vert.)2Volgens de vermaarde theorie derErhebungskraterevan Leopold von Buch, E. de Beaumont, Dufrénoy e.a., ontstond de conische gedaante van een vulkaankegel voornamelijk door eene opheffing of zwelling van den grond rondom de spleet, waaruit de eruptie-stoffen naar buiten werden gedreven. Dit zou o.a. het geval zijn geweest met den Vesuvius (wegens de groote helling der lavalagen) en de Etna. Scrope, Prévost en Lyell hebben de onhoudbaarheid dezer theorie bewezen.(Vert.)3Naar men weet, zat Napoleon hier van 1815 tot 1821 gevangen, in welk jaar hij aan maagkanker stierf. Eerst in 1840—dus vier jaren, nadat Darwin het eiland bezocht—werd zijn lijk naar Frankrijk overgebracht.(Vert.)4De bevolking van St. Helena, dat eene oppervlakte heeft van 122 □ kilom., telt thans ongeveer 3600 zielen.(Vert.)5Het verdient opmerking, dat al de talrijke exemplaren van deze schelp, die door mij op éene plek gevonden zijn, als eene duidelijke variëteit verschillen van een ander stel exemplaren, op eene tweede plek bijeengebracht.6Beatson’sSt.-Helena. Inleiding, blz. 4.7Ongeveer 809 hectaren.8Gestorven in 1592.9Van deze weinige insecten vond ik tot mijne verwondering een kleinenAphodius(Nieuwe soort) en eenOryctes; die met buitengewoon veel individuën onder mest voorkwamen. Daar het eiland bij zijne ontdekking stellig geen enkelen viervoeter bezat, behalvemisschieneene muis, is het eene zeer moeilijke quaestie om uit te maken, of deze mestetende insecten later toevallig zijn ingevoerd, of zoo zij inheemsch zijn, van welk voedsel zij vroeger leefden. Aan de oevers van de Rio de la Plata, waar, in gevolge het groot aantal paarden en vee, de fraaiste grasvlakten rijkelijk bemest zijn, zoekt men te vergeefs naar de vele soorten mestkevers, die in Europa zoo overvloedig voorkomen. Alleen ontdekte ik eenOryctes(de insecten van dat geslacht leven in Europa meestal van rottende plantaardige stof), en twee soorten vanPhanaeus, welke op zulke plaatsen algemeen zijn. Aan de overzijde der Cordilleras, op Chiloë, komen zeer talrijke individuën voor van eene andere soort vanPhanaeus, die den mest van het vee in groote aarden balletjes onder den grond begraaft. Er is reden om te gelooven, dat het geslachtPhanaeus, vóór den invoer van vee, als straatvegers werkte van den mensch. In Europa is het getal kevers, die hun voedsel vinden in de stof welke reeds dienst heeft gedaan in het leven van andere en grootere dieren, zoo talrijk, dat er stellig veel meer dan honderd verschillende soorten van bestaan. Dit in aanmerking nemende, en opmerkend welk eene hoeveelheid voedsel van dien aard op de vlakten van La Plata verloren gaat, meende ik hier een voorbeeld te zien van een geval, dat de mensch het verband heeft gestoord, waardoor zoo vele dieren in hun vaderland onderling vereenigd zijn. Op Van-Diemensland vond ik echter vier soorten vanOnthopagus, twee vanAphodiusen ééne van een derde geslacht met zeer talrijke individuën onder koemest, ofschoon koeien toen slechts 33 jaren geleden waren ingevoerd. Vóór dien tijd waren de Kangoeroe en eenige andere kleine dieren de eenige viervoeters; en hun mest is van een geheel ander gehalte dan die hunner opvolgers, welke de mensch heeft ingevoerd. In Engeland hebben de meeste mestetende kevers een beperkten eetlust: d.w.z., zij zijn, wat hunne voedingsmiddelen betreft, in de keus van viervoeters niet onverschillig. De verandering in leefwijze, die op Van-Diemensland moet hebben plaats gehad, is daarom hoogst merkwaardig. Het is aan den Eerwaarden F. W. Hope, dat ik de namen der bovenstaande insecten te danken heb, en die mij daarom wel zal toestaan hem mijn leermeester in de Insectenkunde te noemen.10Ascension heeft eene oppervlakte van 88 □ kilom., met een bevolking van 120 zielen.(Vert.)11Karl Fuchs in zijn werk “Vulkane und Erdbeben,” Blz. 334, noemt den bergGreen Mountainsen stelt zijne hoogte op 2870 voet. De berg bestaat uit zwarte basaltlava.(Vert.)12of wonderboom (Ricinus communis).13Monatschr. der Königl. Akad. d. Wiss. zu Berlin, April 1845.14Volgens A. W. Sellin “Das Kaiserreich Brasilien” (1885) is Pernambuco door de Hollanders gesticht. Enkele huizen alsmede de forten Brum, Cinco-Pontas en Buraco dateeren nog uit dien tijd. De stad schijnt na Darwin’s tijd zeer verbeterd te zijn, want Sellin zegt: “P. ist eine der schönsten Städte Brasiliens, mit 130.000 Einwohnern.” In 1890 telde zij slechts 111,556, maar volgens eene latere opgaaf van Hübner circa 150,000 inwoners.(Vert.)15Ook wortel- of steltboomen genoemd. Deze zeldzame boomen met luchtwortels bezitten een 10 tot 18 meter hoogen stam.16Naar dit 5 tot 6 kilom. lange rif is de stad oorspronkelijkCidade do Recife(Rifstad) genoemd.17200 M.(Vert.)18Ik heb dezen dam uitvoerig beschreven in deLond. and Edinb. Phil. Mag.deel 19 (1841), blz. 257.19Of Kaapsche Wolken. Deze voor den sterrenkundige zoo hoogst belangrijke objecten zijn twee lichte vlekken niet ver van de Zuidpool des hemels; de grootste met 42 □ graden oppervlakte ligt in het SterrenbeeldDoradoof den Zwaardvisch, de kleinste met 10 □ graden in de Mannelijke Waterslang. Oogenschijnlijk zijn zij losgeraakte stukken van den Melkweg, doch inderdaad is er geen verband met deze sterrenzone, evenmin als tusschen de Wolken onderling. In beiden, en vooral in de groote, liggen tallooze kleine sterren van de 7de tot de 13de grootten, vele sterrenhoopen en in ’t bijzondernevelvlekkenin alle stadiën van ontwikkeling. Rondom de Wolken zijn zeer weinig sterren.(Vert.)
29 April 1836.Des morgens zeilden wij om de noordpunt van Mauritius ofIsle de France. Van dit punt uit beantwoordde de aanblik van het eiland aan de verwachtingen, die de vele welbekende beschrijvingen over zijne schilderachtige natuur hadden opgewekt. Op den voorgrond lag de glooiende Pampelmoezenvlakte met hare hier en daar verspreide huizen en groote suikerrietvelden, die aan het geheel eene heldergroene kleur gaven. De glans van dit groen was des te merkwaardiger, omdat deze kleur meestal eerst op zeer korten afstand in ’t oog valt. Naar het midden van het eiland verrezen groepen bergen uit de rijk bebouwde vlakte, die met bosschen waren bedekt en waarvan de toppen, gelijk zoo dikwijls met oude vulkanische rotsen gebeurt, van de scherpste punten waren voorzien. Zware, witte wolkbanken waren rondom deze toppen saamgepakt, als met het doel om het oog van den vreemdeling te boeien. Het geheele eiland met zijn glooienden rand en bergen in het midden, was op de smaakvolste wijze met natuurschoon versierd, en vormde een landschap, waar, indien ik het zoo zeggen mag, voor het oog alles in harmonie was.
Den volgenden dag besteedde ik grootendeels aan het doen van wandelingen om de stad en aan het bezoeken van verschillendepersonen. De stad bezit eene aanzienlijke grootte, heeft zeer nette en regelmatige straten, en telt, naar men zegt, 20.000 inwoners.1Ofschoon het eiland reeds zoovele jaren onder Engelsch bestuur staat, is het algemeen karakter der stad Fransch gebleven: de Engelschen spreken Fransch tot hunne bedienden, en de winkels zijn allen Fransche. Inderdaad zou ik denken, dat Calais of Boulogne nog meer Engelsch waren. Er is een kleine, maar zeer aardige schouwburg, waarin uitmuntende opera-voorstellingen worden gegeven. Ook waren wij verrast bij het zien van groote boekwinkels metwelgevuldekasten. Muziek en lectuur verkondigen, dat wij de oude beschaafde wereld naderen; want waarlijk, zoowel Amerika als Australië zijn nieuwe werelden.
Het meest belangwekkende schouwspel in Port-Louis zijn de verschillende menschenrassen, die langs de straten wandelen. Indische misdadigers worden hier voor levenslang verbannen; op het oogenblik zijn er ongeveer 800, die voor allerlei openbare werken gebruikt worden. Voordat ik deze menschen zag, had ik geen idee, dat de bewoners van Indië zulke fraaie typen van menschen waren. Hunne huid is zeer donker, en vele oudere mannen hadden groote knevels en baarden van eene sneeuwwitte kleur, hetgeen, gevoegd bij hunne vurige gebaren, hun een indrukwekkend voorkomen gaf. De meesten waren wegens moord en de ergste misdaden verbannen; anderen om redenen, die moeilijk als zedelijke vergrijpen beschouwd kunnen worden: zooals ongehoorzaamheid aan de Engelsche wetten wegens bijgeloovige drijfveeren. In ’t algemeen zijn deze menschen kalm en gedragen zij zich goed; zoowel om hun persoonlijk gedrag, hunne zedelijkheid en de getrouwe vervulling van hunne godsdienstplichten, kan men hen onmogelijk gelijkstellen met onze ongelukkige verbannenen in Nieuw Zuid-Wallis.
Zondag 1 Mei.Ik deed eene lange wandeling langs de zeekust naar het noorden der stad. Op dit gedeelte is de vlakte geheel onbebouwd en bestaat uit een zwart lavaveld, dat geëffend is door een laagje grof gras en struiken, waarvan de laatsten voornamelijk uit Mimosae bestaan. Men kan het landschap beschrijven als het midden houdend tusschen die op de Galápagos-Eilanden en op Tahiti—wat intusschen slechts aan zeer weinige personen een juist denkbeeld er van zal geven. Het is een zeer aangenaam oord, maar bezit noch de bekoorlijkheid van Tahiti, noch het grootsche karakter van Brazilië.
Den volgenden dag beklom ik den bergLa Pouce, zoo genoemd naar zijne duimvormige gedaante, die zich dicht achter de stad tot eene hoogte van 2600 voet verheft. Het midden van het eiland bestaat uit eene groote bergvlakte, omgeven door oude gebroken basaltbergen, die met hunne lagen naar de zeekust hellen. De centrale, uit betrekkelijk jonge lavastroomen gevormde hoogvlakte heeft eene lang-ronde gedaante, waarvan de korte as 13geographical miles(24,1 kilom.) lang is. De randbergen, die haar omgeven, behooren tot die klasse van vormingen, waaraan de naam van “Opheffingkraters” is gegeven, en die ondersteld worden niet evenals gewone kraters, maar door eene groote en plotselinge rijzing ontstaan te zijn.2Het schijnt mij toe, dat er onoverkomelijke bezwaren tegen deze meening bestaan; anderzijds kan ik in dit en eenige andere gevallen moeilijk gelooven, dat deze kratervormige randgebergten slechts de overblijfsels zijn der ondereinden vanreusachtige vulkanen, waarvan de toppen afgeslagen of in onderaardsche diepten verzwolgen zijn.
Van ons hoog standpunt hadden wij een prachtig uitzicht over het eiland. Het land aan dezen kant schijnt zeer goed bebouwd; want het was in velden verdeeld, waarop talrijke pachthoeven stonden. Men verzekerde mij echter, dat tot heden niet meer dan de helft van het geheele land voortbrengselen oplevert. Is die bewering juist, dan zal Mauritius, zoo men let op den tegenwoordigen grooten uitvoer van suiker, in de toekomst van veel belang worden, wanneer het dicht bevolkt is. Sedert Engeland het in bezit nam (eene periode van slechts 25 jaren), zegt men dat de uitvoer van suiker tot het 75-voud gestegen is. Eene groote oorzaak van zijn voorspoed is de uitmuntende staat der wegen. Op het naburigeIsle de Bourbon, dat onder Fransch bestuur blijft, zijn de wegen nog in denzelfden ellendigen staat, als zij enkele jaren geledenhierwaren. Ofschoon de Fransche bewoners uit de meerdere welvaart van hun eiland stellig zeer veel voordeel hebben getrokken, is het Engelsche bestuur verre van populair.
3 Mei.Des avonds noodigde de Inspecteur-generaal, kapitein Lloyd—zoo wel bekend door zijn onderzoek van het Panama-kanaal—den heer Stokes en mij op zijn landgoed, dat omstreeks zes mijlen van de haven aan den rand der Wilheim-vlakte gelegen is. Wij bleven twee dagen op deze aangename plek; door hare ligging, 800 voet boven de zee, was de lucht er koel en frisch, en naar alle zijden openden zich heerlijke wandelingen. Dicht bij lag een groot ravijn, dat tot eene diepte van omstreeks 500 voet in den zwak hellenden lavastroom was uitgehold, die van de centrale bergvlakte was gevloeid.
5 Mei.Kapitein Lloyd bracht ons naar de verscheidene mijlen zuidwaarts gelegenRivière Noireof Zwarte Rivier, waar ik eenige gerezen koraalbanken onderzoeken wilde. Wij trokken door vriendelijke tuinen en fraaie velden met suikerriet, dat tusschen reusachtige brokken lava groeide. Hagen van mimosa-struiken omzoomden dewegen, en bij vele huizen waren lanen met mango-boomen (Mangifera indica). Sommige kijkjes, daar waar de bouwhoeven zich afteekenden op een achtergrond van spitse bergen, waren uiterst schilderachtig; en telkens kwamen wij in verzoeking om uit te roepen: “Hoe heerlijk zou het zijn om levenslang op zulke rustige plekjes te wonen!” Kapitein Lloyd bezat een olifant, dien hij halfweg met ons liet meegaan, om ons het genot van een echt Indischen rit te verschaffen. Wat mij hierbij het meest verraste, was zijn volkomen gedruischlooze stap. Deze olifant is op ’t oogenblik de eenige op het eiland; doch, naar men zegt, zullen er meer worden gezonden.
9 Mei.Wij zeilden uit Port-Louis, en kwamen, na een kort oponthoud aan de Kaap de Goede Hoop, den achtsten Juli in het gezicht van St.-Helena. Dit eiland, welks terugstootende aanblik zoo menigmaal beschreven is, verrijst als een reusachtig zwart kasteel loodrecht uit den oceaan. Als om de natuurlijke verdediging te voltooien, zijn alle holten tusschen de ruwe rotsen in de nabijheid der stad met kleine forten en kanonnen gevuld. De stad ligt op de helling eener vlakke en smalle vallei, en heeft tamelijk goede huizen waartusschen zeer weinige groene boomen staan. Toen wij de ankerplaats naderden, hadden wij een indrukwekkend gezicht op een onregelmatig gebouwd kasteel, dat boven op een hoogen berg stond, en met de enkele er om heen staande denneboomen zich scherp tegen den hemel afteekende.
Den volgenden dag kreeg ik kamers op een steenworps afstand van Napoleon’s graf;3het was een uitmuntend gelegen plek, van waar men tochten kon doen in elke richting. Gedurende de vier dagen dat ik hier bleef, doolde ik van den ochtend tot den avond over het eiland, en onderzocht zijne geologische gesteldheid. Mijne kamers lagen opeene hoogte van omstreeks 2000 voet; hier was het weder koud en onstuimig, met aanhoudende regenbuien; en telkens was het geheele landschap in dichte wolken gehuld.
Bij de kust ligt de ruwe lava geheel bloot; in de centrale en hoogere gedeelten van het eiland is door verweering van de veldspaat-rotsen een kleiachtige bodem ontstaan, die, waar hij niet met planten is bedekt, breede strooken te zien geeft, welke vele heldere kleuren bezitten. In dit jaargetijde wordt het land door voortdurende regens bevochtigd, en brengt een eigenaardig groen gekleurd gras voort, dat meer en meer verwelkt naarmate men lager komt, en eindelijk verdwijnt. Het is verrassend op eene breedte van 16° en de geringe hoogte van 1500 voet een plantengroei te zien, die een bepaald Britsch karakter bezit. De bergen zijn met ongeregelde groepen Schotsche dennen beplant, en de glooiende heuvels dicht begroeid met bremstruiken, kenbaar aan hunne heldergele bloemen. Treurwilgen komen voor aan de oevers der riviertjes, en de hagen zijn gemaakt van braamstruiken, die de welbekende vruchten leveren. Zoo wij bedenken, dat het aantal tot heden op het eiland gevonden planten 746 bedraagt: dat daaronder slechts 52 inheemsche soorten voorkomen, terwijl de overige ingevoerd zijn, en wel meerendeels uit Engeland, dan zien wij de oorzaak van het Britsch karakter der flora. Vele van deze Engelsche planten schijnen hier beter te bloeien dan in haar vaderland; en evenzoo gedijen eenigen uit het tegenover liggendedeel vanAustralië bijzonder goed. De vele ingevoerde soorten moeten sommige inheemsche hebben verdrongen; en werkelijk is het alleen op de hoogste en steilste bergruggen, dat de inlandsche flora de overhand heeft.
Het Engelsche karakter van het landschap—of liever dat van Wallis—vindt men ook terug in de talrijke hoeven en kleine witte huizen, waarvan sommige verscholen liggen op den bodem der diepste valleien, andere op de toppen der hooge bergen verrijzen. Sommige landschapsgezichten zijn verrassend: bijv. dat in den omtrek van het huis van Sir Doveton, waar men den steilen berg, Lot genaamd, boveneen donker bosch van dennen ziet verrijzen—alles te midden van de roode verweerde bergen op de zuidkust. Als men het eiland van eene verhevenheid ziet, treft ons in de eerste plaats het aantal wegen en forten; en zoo men dan zijne bestemming als gevangenis vergeet, schijnt de arbeid, welke hier aan openbare werken is besteed, buiten alle verhouding tot zijne grootte of waarde. Er is zoo weinig vlak of bruikbaar land, dat het verwonderlijk schijnt hoe zooveel menschen (omstreeks 5000) hier kunnen leven. De lagere klassen of de geëmancipeerde slaven, die over gebrek aan werk klagen, zijn, geloof ik, uitermate arm. Waarschijnlijk zal deze armoede nog toenemen, nu wegens de overgave van het eiland door de Oostindische Compagnie, het aantal openbare beambten is afgenomen, en dientengevolge vele rijkere personen zijn vertrokken. Het hoofdvoedsel der arbeidende klasse is rijst met wat pekelvleesch; en aangezien geen dezer artikelen door het eiland wordt voortgebracht, maar met geld moet worden betaald, drukken de lage loonen zwaar op het arme volk. Nu de menschen met vrijheid zijn gezegend—een recht, dat zij ten volle op prijs stellen, naar ik geloof—zal hun aantal waarschijnlijk snel toenemen; en indien dit het geval is, mag men vragen: wat zal er van het kleine St.-Helena worden?4
Mijn gids was een man van gevorderden leeftijd, die als knaap geitenhoeder geweest was, en elken voetstap tusschen de rotsen kende. Hij behoorde tot een vele malen gekruist ras, maar had, ondanks zijne donkere huid, niet het onaangename voorkomen van een mulat. Deze oude man was zeer welwillend en kalm van aard—eigenschappen, welke het meerendeel der lagere klasse bezit. Het klonk mij vreemd in de ooren een man, die bijna blank en fatsoenlijk gekleed was, met onverschilligheid over de tijden te hooren spreken toen hij nog slaaf was. Met dezen metgezel, die het middageten en een horen met water droeg (hetgeen volstrekt noodigis, daar al het water in de lagere valleien zout bevat), deed ik dagelijks lange wandelingen.
De wild romantische valleien, onder den bovensten en centralen plantengordel gelegen, zijn geheel verlaten en onbewoond. Voor den geoloog waren hier hoogst belangrijke tafereelen, die van opvolgende veranderingen en samengestelde storingen getuigden. Naar mijne idee heeft St.-Helena sedert een lang vervlogen tijdperk als eiland bestaan; toch zijn er nog eenige vage bewijzen van landrijzing voorhanden. Ik geloof, dat de centrale en hoogste bergtoppen deel uitmaken van een grooten kraterrand, welks zuidelijke helft geheel door de golven der zee is weggespoeld; bovendien is er een buitendam van zwarte basaltrotsen, evenals de kustbergen van Mauritius, die ouder zijn dan de vulkanische stroomen in het midden. Op de hoogere gedeelten van het eiland liggen talrijke schelpen in den grond begraven, die men langen tijd voor eene zee-soort heeft gehouden, doch eenCochlogenaof landschelp blijkt te zijn van een zeer eigenaardigen vorm.5Bij laatstgenoemde vond ik zes andere soorten, en op eene andere plek eene achtste soort. Het is opmerkelijk, dat geen van deze soorten nu nog levend wordt gevonden. Waarschijnlijk is hare uitsterving veroorzaakt door de algeheele verwoesting der bosschen en het daaruit gevolgde verlies van voedsel en schuilplaatsen, welke in de eerste helft der achttiende eeuw plaats vonden.
De geschiedenis der veranderingen, die de hoogvlakten van Longwood en Deadwood volgens het door generaal Beatson gegeven verhaal ondergaan hebben, is uiterst merkwaardig. Daarin heet het, dat beide vlakten in vroegeren tijd met bosschen waren bedekt, en daaromthe Great Woodof het Groote Bosch genoemd werden. Nog in het jaar 1716 stonden er vele boomen, maar in 1724 waren de oudeboomen meerendeels gevallen; en daar men geiten en varkens had laten rondloopen, waren alle jonge boomen gedood.6Ook blijkt uit de officiëele berichten, dat de boomen eenige jaren later onverwacht werden opgevolgd door een dradig gras, dat zich over de geheele oppervlakte verspreidde. Beatson voegt er bij, dat deze vlakte “thans met een fraai grasveld bedekt en het mooiste stuk weiland op St.-Helena geworden is.” De uitgestrektheid van het gebied, dat in vroegeren tijd met bosch bedekt was, wordt op niet minder dan 2000acres7geschat; maar tegenwoordig is er bijna geen enkele boom meer over. Ook zegt men, dat er in 1709 in Sandy-Bay groote menigten doode boomen waren; en nu is die plek eene zoo volslagen woestenij, dat geen ander dan zulk een geloofwaardig bericht mij ooit had kunnen doen gelooven, dat daar eenmaal boomen konden groeien. Het feit, dat de geiten en varkens alle jonge boomen bij hunne ontkieming verwoestten, en dat de oude die van hunne aanvallen verschoond bleven na verloop van tijd door ouderdom stierven, schijnt klaar bewezen te zijn. Geiten werden ingevoerd in het jaar 1502; acht en zestig jaren later, ten tijde van den Britschen zeevaarder Thomas Cavendish,8weet men dat zij er verbazend talrijk waren. Meer dan een eeuw later, in 1731, toen de ramp volkomen en onherstelbaar was, werd een bevel uitgevaardigd, datallelosloopende dieren gedood moesten worden. Hier zien wij dus een feit van groot belang, nl., dat de komst van dieren op St.-Helena in 1502 het geheele aanzien van het eiland niet eer veranderde, voordat er eene tijdruimte van 222 jaren verstreken was; want de geiten werden ingevoerd in 1502, en in 1724 wordt gezegd dat de boomen meerendeels gevallen waren. Er kan weinig twijfel bestaan, of deze groote verandering in den plantengroei had niet alleen gevolgen op de landschelpdieren, waarvan zijacht soorten deed uitsterven, maar ook op eene menigte insecten.
Door zijne ligging, zoo ver van eenig vasteland, te midden van een grooten oceaan, en door het bezit van eene flora welke eenig is in hare soort, wekt St.-Helena onze belangstelling. De acht landschelpdieren, ofschoon nu uitgestorven, zijn, evenals de nog levendeSuccinea, bijzondere soorten die nergens anders worden gevonden. Cuming meldt mij echter, dat hier een EngelscheHelix(schelp- of huisjesslak) voorkomt, waarvan de eieren ongetwijfeld in eene van de vele ingevoerde planten herwaarts zijn gebracht. Vogels en insecten zijn, zooals te verwachten was, zeer gering in aantal; en wat de eersten betreft, geloof ik, dat die allen in de laatste jaren zijn ingevoerd.9Patrijzen enfazanten zijn vrij talrijk: het eiland is te zeer Engelsch, om niet aan strenge jachtwetten onderworpen te zijn. Men vertelde mij een geval van opoffering aan zulke bepalingen, zoo onrechtvaardig als ik zelfs in Engeland nooit gehoord heb. Vroeger plachten arme lieden eene plant te verzamelen, die op de kustrotsen groeit, en na hare verbranding de soda uit de asch naar elders te verzenden. Maar plotseling kwam een streng bevel om deze handelwijze te verbieden, onder voorwendsel, dat de patrijzen anders nergens konden nestelen!
Op mijne wandelingen stak ik meer dan eens de door diepe valleien begrensde grasvlakte over, waarop Longwood staat. Van nabij gezien, doet dit zich voor als een landgoed van aanzienlijke grootte. Daar tegenover liggen enkele bebouwde velden, en achter dezen de berg Flagstaff met zijne gladde oppervlakte en gekleurd gesteente, alsmede het ruwe, plompe, zwarte berggevaarte, de Barn genaamd. Over het geheel was de aanblik eenigszins koud en onaantrekkelijk. De eenige last, dien ik op mijne wandelingen ondervond, waren de hevige winden. Eens was ik getuige van het volgende vreemde natuurverschijnsel. Op den rand eener hoogvlakte staande, die door eene groote klip van omstreeks 1000 voet diepte begrensd werd, zag ik enkele yards ver, vlakbovenwinds, eene zeezwaluw tegen eene zeer sterke bries worstelen, terwijl op de plek waar ik stond de lucht geheel kalm was. Toen ik het strand dicht genaderd was, waar de stroom opwaarts van den klipwand scheen te worden afgedreven, stak ik mijn arm uit en voelde terstond de volle kracht van den wind. Hier scheidde een onzichtbare, twee yards breede dam eene volkomen kalme lucht van een krachtigen storm.
Ik had zooveel genot van mijne zwerftochten tusschen de rotsen en bergen, dat ik op den morgen van den 14den Juli bijna met spijt naar de stad afdaalde. Vóór den middag was ik aan boord en ging deBeagleonder zeil.
Op den 19den Juli bereikten wij Ascension. Personen, die een vulkanisch eiland hebben gezien, dat in een droog klimaat gelegen is, zullen zich den aanblik van Ascension terstond kunnen voorstellen. In hunne verbeelding zullen zij dan gladde kegelvormige bergen zien van een lichtroode kleur, met meestal afgeknotte toppen, die, onderling gescheiden, zich uit een horizontaal oppervlak van ruwe zwarte lava verheffen. Een hoofdberg in het midden van het eiland schijnt de vader der kleinere kegels, en draagt den naam vanGreen Hillof Groene berg, ontleend aan de zeer zwakke tint van die kleur, welke in dezen tijd van het jaar nauwelijks van de ankerplaats is waar te nemen. Eene woeste en onstuimige zee, die op de zwarte rotsen aan de kust beukt, voltooit dit sombere tafereel.
De nederzetting ligt in de nabijheid van het strand en bestaat uit verscheidene witte hardsteenen huizen en loodsen, die ongeregeld geplaatst, maar goed gebouwd zijn. De bewoners zijn uitsluitend zeesoldaten, behalve eenige uit slavenschepen bevrijde negers, die door het gouvernement betaald en van levensmiddelen worden voorzien. Op het geheele eiland woont geen enkel particulier.10Onder de zeesoldatenschenen vele met hun toestand wel tevreden; zij achtten het beter hunne 21 jaren aan land te dienen—hoe dit land ook zijn mocht—dan op een schip; en indien ik zeesoldaat was, zou ik van harte met deze keus instemmen.
Den volgenden morgen beklom ik den 2840 voet hoogenGreen Hill,11en wandelde van daar over het eiland naar de windzijde. Een goede wagenweg voert van de nederzetting op de kust naar de huizen met tuinen en velden, die zich nabij den top van den centralen berg bevinden. Ter zijden van den weg staan mijlsteenen en vindt men waterputten, waaruit elk dorstig voorbijganger een teug goed water kan drinken. Eene dergelijke zorg wordt in elk deel der kolonie in acht genomen, en vooral wat het onderhoud der bronnen betreft, opdat geen enkele druppel water verloren zal gaan; inderdaad kan het geheele eiland vergeleken worden met een groot schip, dat op de voortreffelijkste wijze onderhouden wordt. Toen ik de groote nijverheid bewonderde, die met zulke geringe middelen dergelijke resultaten had voortgebracht, kon ik tevens de spijt niet onderdrukken, dat al die nijverheid verspild werd voor zulk een armzalig en beuzelachtig doel. Lesson heeft terecht opgemerkt, dat alléén de Engelsche natie op het denkbeeld zou komen om van het eiland Ascension eene vruchtbare plek te maken, waar elk ander volk het slechts als fort in den oceaan zou gebruiken.
Bij de kust groeit niets; verder landwaarts in kan men soms eene groene castorolie-plant12en enkele sprinkhanen ontmoeten, bekend als ware vrienden van de wildernis. Over de oppervlakte der centrale hoogvlakte is eenig gras verspreid, en het geheel heeft veel weg van de slechtere gedeelten in het gebergte van Wallis. Maar al lijkt de weide ook schraal, toch vinden ongeveer 600 schapen, vele geiten,benevens enkele koeien en paarden er ruim hun voedsel. Onder de inlandsche dieren wemelt het van landkrabben en ratten. Of de rat werkelijk inheemsch is, mag men terecht betwijfelen; volgens de beschrijving van Waterhouse zijn er twee variëteiten of speelsoorten: de eene heeft eene zwarte kleur, een fraai glad vel, en leeft op het met gras bedekte hoogland; de andere is bruinachtig van kleur, minder glad, heeft langer haar, en leeft bij de nederzetting op de kust. Deze beide speelsoorten zijn een derde kleiner dan de gewone zwarte rat (Mus rattus), en verschillen van deze zoowel in kleur als in den aard van haar vel; maar verder in geen ander opzicht van belang. Ik kan moeilijk betwijfelen of deze ratten zijn ingevoerd (evenals de gewone muis, die óók verwilderd is), en hebben, evenals op de Galápagos-Eilanden, de veranderingen ondergaan, die voortsproten uit de nieuwe levensvoorwaarden waaraan zij werden onderworpen; daarom verschilt ook de speelsoort op de hoogvlakte van het eiland van die op de kust. Inheemsche vogels ontbreken geheel; maar de paarlhoen (Numida), die van de Kaap-Verdische Eilanden werd ingevoerd, is er talrijk, en de gewone kip loopt ook in ’t wild. Eenige katten, die oorspronkelijk op het verdelgen van ratten en muizen uittrokken, zijn zoozeer in aantal toegenomen, dat zij eene groote plaag zijn geworden. Het eiland bezit geen enkelen boom, en is, zoowel in dit als in elk ander opzicht, veel minder dan St.-Helena.
Een mijner uitstapjes voerde mij naar de zuidwestpunt van het eiland. Het was een heldere en warme dag; maar in plaats dat ik nu het eiland op zijn schoonst zag, stralend in het zonlicht, grijnsde het mij tegen in al zijne naakte leelijkheid. De lavastroomen zijn met heuveltjes bedekt en zoo ruw, dat het niet gemakkelijk is dit geologisch te verklaren. De tusschenruimten liggen verborgen onder lagen puimsteen, asch en vulkanischen tufsteen. Toen ik over zee langs dit deel van het eiland ging, kon ik niet begrijpen wat de witte vlekken waren, waarmee de gansche vlakte gestippeld was; nu vond ik, dat het zeevogels waren, die zoo volvertrouwen lagen te slapen, dat men zelfs midden op den dag naar hen toe kon wandelen en hen grijpen. Deze vogels waren de eenige levende wezens, die ik gedurende den ganschen dag zag. Ofschoon er eene zwakke bries op de kust stond, rolde eene sterke branding over de gebroken lavarotsen.
De geologie van dit eiland is in vele opzichten belangrijk. Op verscheidene plaatsen ontdekte ik vulkanische bommen, d.w.z. klompen lava, die eenmaal in vloeibaren staat in de lucht werden geslingerd en dientengevolge eene bol- of peervormige gedaante hebben aangenomen. Zoowel hare uitwendige, als in vele gevallen ook hare inwendige structuur verraadt op zeer treffende wijze, dat zij in hare luchtbaan om eene as hebben gewenteld. In nevenstaande figuur is de inwendige structuur van eene dezer gebroken bommen zeer nauwkeurig voorgesteld.
Het middengedeelte bestaat uit grove cellen, die naar buiten toe in grootte afnemen, tot waar zij omsloten zijn door een schaalvormig kapsel, ongeveer een derde inch dik, vanvast gesteente, dat weder aan de buitenzijde met eene korst van fijncellige lava bedekt is. Naar mijn idee kan er weinig twijfel bestaan, ten eerste, dat de buitenkorst snel afkoelde in den toestand waarin wij haar nu zien; ten tweede, dat de nog vloeibare kernlava door de middelpuntvliedende kracht, die de aswenteling der bom in ’t leven riep, tegen de afgekoelde buitenkorst werd gedreven en zoo de vaste steenen schaal vormde; en eindelijk, dat de middelpuntvliedende kracht, welke de drukking in de meer centrale gedeelten der bom verminderde, aan de ingesloten verhitte gassen gelegenheid gaf de kerncellen uit te zetten, en aldus de grofcellige binnenmassa deed ontstaan.
Een uit de oudere reeks van vulkanische gesteenten gevormde heuvel, dien men ten onrechte voor een vulkaankrater heeft gehouden, is belangrijk doordat zijn breede, eenigszins holle, cirkelvormige top gevuld is met een aantal opvolgende lagen van asch en fijne slakken. De schotelvormige lagen puilen over den rand, waar zij zuivere, verschillend gekleurde ringen vormen, en zoodoende aan den top een hoogst phantastisch aanzien geven; een dezer ringen is wit en breed, en gelijkt op eene renbaan waar paarden worden geoefend: vandaar dat deze heuvel den naam vanDevil’s Riding School(Duivels-Rijschool) ontving. Uit een der tufhoudende lagen die eene bleekroode kleur had, nam ik eenige specimens stof mee naar Engeland. Na opzending daarvan aan Prof. Ehrenberg, meldde deze mij het hoogst belangrijke feit, dat die stof bijna geheel uit bewerktuigde wezens13bestond. Hij ontdekte daarin eenige kiezelschalige zoetwater-infusoria, en daarenboven niet minder dan 25 verschillende soorten kiezelskeletten van planten, voornamelijk grassen. Wegens het ontbreken van alle koolstofhoudende verbindingen, houdt Ehrenberg het er voor, dat deze organische lichamen den vulkanischen vuurdoop hebben ondergaan, en uitgeworpen zijn in den toestand,waarin wij hen nu zien. Het voorkomen der lagen deed mij denken, dat zij onder water waren afgezet, ofschoon het buitengewoon droge klimaat mij tot de onderstelling leidde, dat er gedurende eene groote uitbarsting waarschijnlijk stroomen regen waren gevallen, en zoo een tijdelijk meer was gevormd, waarin de asch viel. Thans mag men echter aannemen, dat het geentijdelijkmeer was. Hoe dit ook zij, wij kunnen ons verzekerd houden, dat het klimaat en de voortbrengselen van Ascension in een vroeger tijdperk zeer verschilden van wat zij nu zijn. Bij het zien van dit eiland vragen we ons weder af: waar kunnen wij op aarde een plek vinden, die niet bij aandachtig onderzoekteekenen openbaart van die eindelooze reeks van veranderingen, waaraan onze planeet onderhevig was, is, en zijn zal?
Na Ascension te hebben verlaten, zeilden wij naar Bahia op de kust van Brazilië, ten einde de chronometrische opmeting van de wereld te voltooien. Op 1 Augustus 1836 kwamen wij hier aan, en bleven er vier dagen, in welken tijd ik verscheidene lange wandelingen deed. Met genoegen ontdekte ik, dat mijne belangstelling in het tropische landschap door het ontbreken van nieuwe gegevens er volstrekt niet op verminderd was. De onderdeelen van het landschap zijn hier zoo eenvoudig, dat zij verdienen genoemd te worden als een bewijs van welke nietige omstandigheden een uitgezocht natuurschoon afhangt.
Het oord kan worden beschreven als eene effene vlakte van omstreeks 300 voet hoogte, welke overal doorsneden is van valleien met horizontale bodems. In een land waar de bodem uit graniet bestaat, is zulk een structuur merkwaardig; doch in al die zachtere formaties waaruit vlakten gewoonlijk bestaan, is zij nagenoeg algemeen. De geheele oppervlakte is bedekt met verschillende soorten van rijzig geboomte, afwisselend met strooken ontgonnen grond, waarop huizen, kloosters en kapellen verrijzen. Hier zij herinnerd,dat in de keerkringen de rijkdom van wild natuurschoon zelfs in de nabijheid van groote steden niet verloren gaat, want de natuurlijke plantenwereld der hagen en heuvelhellingen beheerscht op schilderachtige wijze het kunstwerk van den mensch. Dientengevolge zijn er slechts enkele plekken, waar de lichtroode grond eene scherpe tegenstelling vormt met het algemeen bekleedsel van groen. Van de zoomen der vlakten heeft men vergezichten hetzij op den oceaan, hetzij op de groote Baai met hare laag begroeide stranden, en waarop talrijke booten en kano’s hare witte zeilen vertoonen. Behalve van deze punten is het landschap uiterst begrensd; want volgt men de effen paden rechts en links, dan kan men de met bosch bedekte dalen slechts vluchtig te zien krijgen. Ik kan er bijvoegen, dat de huizen, en vooral de kerkelijke gebouwen in een eigenaardigen en eenigszins phantastischen stijl zijn opgetrokken. Daar al die huizen gewit zijn, teekenen zij zich in ’t licht der stralende middagzon op den matblauwen hemel aan de kim eerder af als schimmen, dan als gebouwen.
Zoo zijn de onderdeelen van het landschap; maar het zou een hopeloos werk zijn den algemeenen indruk er van te schilderen. Geleerde natuuronderzoekers beschrijven deze tropische landschappen door eene menigte voorwerpen te noemen, en eenige bijzonderheden te vermelden die elk hunner kenmerken. Een geleerd reiziger kan daaruit mogelijk eenige duidelijke begrippen putten; maar wie kan anders, door eene plant in een herbarium te zien, zich voorstellen hoe zij er uitziet als zij in haar geboortegrond groeit? Wie kan, bij het zien van keurplanten in eene broeikas, eenige er van vergroot denken tot de afmetingen van woudboomen, andere als dicht dooreengevlochten tot een ontoegankelijk struikgewas? Wie zal, als hij de bonte, uitheemsche kapellen en eigenaardige cicadae gadeslaat in het kabinet van den entomoloog, zich bij die levenslooze vormen ook voorstellen de onafgebroken schorre muziek der laatsten, de trage vlucht der eersten—twee kenmerken, die op een stillen, gloeienden middag in de tropen nooit ontbreken? Het is wanneerde zon hare grootste hoogte heeft bereikt, dat men zulke landschappen zien moet: dan hult het dichte, prachtige gebladerte van den mango-boom den grond in zijn diepste schaduw, terwijl de bovenste takken door den overvloed van licht prijken in het schitterendste groen. In de gematigde streken is dit anders: daar is de plantengroei niet zoo donker of weelderig, en zijn het de purper-, rood-, of lichtgeel gekleurde stralen der namiddagzon, welke het meest tot de schoonheid dier streken bijdragen.
Wanneer ik kalm over de belommerde paden wandelde en de opvolgende tafereelen bewonderde, wenschte ik woorden te vinden om mijne gedachten uit te drukken. Doch vruchteloos: bijnaam op bijnaam bleken te zwak om het genot dat de geest smaakt, te beschrijven aan hen, die de tusschenkeerkringslanden niet bezocht hebben. Boven zeide ik, dat de planten in eene broeikas onmachtig zijn om een juist denkbeeld van de flora te geven; toch moet ik tot dien zwakken maatstaf terugkeeren. Het land is ééne groote, woeste, ongerepte en rijk gevulde broeikas, door de Natuur voor zich zelve gemaakt, maar door den mensch in bezit genomen, die haar met vriendelijke huizen en regelmatige tuinen heeft gestoffeerd. Hoe gaarne zou niet elk bewonderaar der natuur, indien zulks mogelijk was, het landschap op eene andere planeet willen zien? Welnu, men kan in waarheid zeggen, dat zich voor elken Europeaan op een afstand van slechts weinige lengtegraden de pracht eener andere wereld ontsluit! Op mijne laatste wandeling bleef ik bij herhaling staan om deze schoonheden te bewonderen, en poogde zoo een onuitwischbaren indruk daarvan in mijne ziel te griffen, schoon wetende dat die vroeg of laat toch zou vervloeien. De vormen van den oranje- en kokosboom, den palm- en mangoboom, de boomvaren en den banaan zullen duidelijk en scherp bewaard blijven; maar de duizende tinten en vormen die met deze boomen een volledig landschap samenstellen, moeten onherroepelijk vervloeien—mij niets nalatende dan eene schilderij vol onbestemde doch overschoone figuren, evenals een sprookje uit onze kinderjaren!
6 Augustus.In den namiddag stevenden wij in zee, met het doel om rechtstreeks naar de Kaap-Verdische Eilanden te gaan. Maar ongunstige winden hielden ons terug, en zoo liepen wij den 12den Pernambuco binnen—eene groote stad op 8° Z.B. aan de kust van Brazilië. Wij ankerden buiten het rif; doch spoedig kwam een loods aan boord en bracht ons naar de binnenhaven, waar wij dicht bij de stad lagen.
Pernambuco is gebouwd op eenige smalle en lage zandbanken, die door ondiepe zoutwater-kanalen van elkander gescheiden zijn. De drie deelen, waaruit de stad bestaat, zijn onderling door twee lange, op houten palen gebouwde bruggen verbonden. De stad is op alle punten afschuwelijk: de straten zijn smal, slecht geplaveid en morsig, en de huizen zijn hoog en somber. Het seizoen der hevige regens was nauwelijks geëindigd, en dientengevolge stond het omliggende land, dat amper boven den zeespiegel ligt, geheel onder water. Dit was oorzaak, dat al mijne pogingen om lange wandelingen te doen, mislukten.14
Het vlakke moerasland, waarop Pernambuco ligt, is op enkele mijlen afstands omringd door een halven cirkel van lage heuvels, of liever door den rand van een gebied, dat ongeveer 200 voet boven de zee ligt. De oude stad Olinda ligt aan het eene einde dezer heuvelreeks. Op zekeren dag nam ik een kano, en voer een der kanalen op om deze stad te bezoeken, die met hare groote kloosters en kerken een treffenden indruk maakt. Zij is zindelijker en aangenamer gelegen dan Pernambuco, doch innerlijk vervallen. Hier moet ik vertellen wat ons voor de eerste maal op onze vijfjarigereis overkwam, nl. dat wij gebrek aan voorkomendheid ontmoetten; ik werd aan twee verschillende huizen op knorrigen toon afgewezen, en kreeg aan een derde met moeite verlof om door den tuin naar een onbebouwden heuvel te gaan, ten einde de streek te overzien. Het doet mij genoegen, dat dit in het land der Brazilianen gebeurde, want ik draag hun geen goed hart toe; ook is het een land van slavernij en dus van zedelijk verval. Een Spanjaard zou zich schamen over het denkbeeld alléén, dat hij zulk een verzoek weigerde of zich ruw tegen een vreemdeling gedroeg. Het kanaal, waardoor wij naar Olinda gingen en van daar terugkeerden, was aan beide zijden metmangleboomen(Rhizophora mangle) begroeid,15die als een woud in ’t klein uit de vettige modderbanken verrezen. De lichtgroene kleur dezer bosschages herinnerde mij aan het welige gras op een kerkhof; beiden worden gevoed door bedorven uitwasemingen: het een spreekt van dood in het verleden, het ander zeer vaak van dood in de toekomst.
Het eigenaardigste gewrocht, dat ik in dezen omtrekzag, was het rif dat de haven vormt.16Ik twijfel of er op de geheele wereld een tweede natuurgewrocht bestaat met zulk een kunstig voorkomen. Het loopt over een lengte van verscheidene mijlen in eene volkomen rechte lijn evenwijdig met en niet ver17van het strand. Zijne breedte wisselt af van 30 tot 60 yards; de oppervlakte is vlak en effen, en het is saamgesteld uit onduidelijkgelaagden, harden zandsteen. Bij hoog water spoelendegolven er over heen; bij laag water blijft het bovengedeelte droog, en zou men het licht voor een pier of golfbreker houden, die door cyklopische arbeiders gebouwd is. Tegenover het land op deze kust werpen de zeestroomen lange smalle tongen en dammen op van loszand, en het is op een van die dammen, dat een deel der stad Pernambuco staat. In vroeger tijd schijnt een dergelijke lange dam onder de doorzijgende werking van kalkhoudende stof vast te zijn geworden, en daarna langzamerhand gerezen. Terwijl dit geschiedde werden de buitenste en losse gedeelten door den golfslag der zee weggespoeld, en bleef de vaste kern over in den vorm waarin wij haar nu zien. Hoewel de golven van den vollen Atlantischen Oceaan, troebel van het slib, dag en nacht tegen de steile buitenkanten van dezen steendam worden gedreven, hebben de oudste loodsen nooit van eene verandering in zijn voorkomen gehoord. Deze duurzaamheid is verreweg het belangrijkste feit in zijne geschiedenis, en is toe te schrijven aan eene taaie, kalkhoudende laag van enkele inches dikte, die geheel gevormd is door het opvolgend groeien en sterven der kleine schelpdieren,Serpulaegeheeten, benevens enkele eendenmosselen (Lepas anatifera) enNulliporae.18DezeNulliporae(harde, zeer eenvoudig georganiseerde kalkafscheidende zeealgen, die in vorm en hardheid dikwijls op koralen gelijken, doch van de echte koralen hierin verschillen dat zij geeneporiënofcellenhebben, zooals ook haar naam aanduidt) spelen eene dergelijke en gewichtige rol, doordien zij de bovenoppervlakken der koraalriffenachterentusschende brandingen beschermen, waar de echte koralen gedurende den uitwendigen groei der massa door blootstelling aan zon en licht gedood zijn. Deze onbeduidende organische wezens, in ’t bijzonder deSerpulae, hebben den inwoners van Pernambuco grooten dienst bewezen, want zonder hare beschermende hulp zou de zandsteenbank stellig reeds lang zijn vergaan; en zonder de bank zou er geen haven zijn geweest.
Op den 19den Augustus verlieten wij voorgoed de Braziliaansche kusten. Gode zij dank—nooit zal ik weer een slavenland bezoeken! Nog heden herinnert elke gil, dien ikin de verte hoor, mij pijnlijk en levendig aan de gevoelens die mij bestormden, toen ik voorbij een huis bij Pernambuco gaande, het hartverscheurendste gejammer hoorde, en niet anders kon denken dan dat hier een arme slaaf gemarteld werd, terwijl ik wist dat ik even machteloos was als een kind, om er zelfs iets van te zeggen! Ik vermoedde dat dit het gejammer was van een gemartelden slaaf, want men vertelde mij andere gevallen van dien aard. Bij Rio de Janeiro woonde ik tegenover eene oude dame, die er schroeven op nahield om de vingers van hare slavinnen te vermorzelen. Ik heb in een huis vertoefd, waar een jonge mulatbediende dag aan dag, uur aan uur beschimpt, geslagen en gekweld werd op eene manier, die zelfs den geest van het laagste dier zou dooden. Ik heb een knaap van zes of zeven jaren tweemaal met eene paardenzweep op het bloote hoofd zien striemen, voordat ik tusschenbeide kon komen, alleen omdat het kind mij een glas water had gegeven dat niet geheel schoon was. Ik zag zijn vader beven zoodra zijn meester maar de oogen opsloeg. Deze laatste gruwelen woonde ik bij in eene Spaansche kolonie, waar de slaven altijd beter behandeld heetten te worden, dan door de Portugeezen, Engelschen of andere Europeanen. Te Rio de Janeiro heb ik een krachtigen neger gezien, die bang was om een slag af te weren, dien hij dacht dat op zijn gelaat gemunt was. Ik was er bij, toen een goedhartig man op het punt stond de mannen, vrouwen en kinderen van een groot aantal gezinnen, die lang te zamen hadden gewoond, voor altijd te scheiden! Nu zal ik nog niet eens spreken van de vele hartroerende wreedheden, die ik uit geloofwaardige bron gehoord heb: en ook de bovenstaande schokkende bijzonderheden zou ik niet hebben vermeld, indien ik niet een aantal lieden ontmoet had, die zoo verblind waren door de natuurlijke vroolijkheid van den neger, dat zij over de slavernij spraken als over een dragelijk kwaad. Zulke lieden hebben meestal de huizen der hoogere standen bezocht, waar het slavenpersoneel doorgaans goed behandeld wordt, en hebben niet, zooals ik, onder de lagere standen verkeerd. Dergelijkeonderzoekers zullen slaven uithooren omtrent hun toestand, en daarbij vergeten, dat het inderdaad een domme slaaf moet zijn, die niet rekent op de kans, dat zijn antwoord ter oore kan komen van zijn meester.
Men beweert, dat eigenbelang buitensporige wreedheid zal voorkomen, alsof eigenbelang onze huisdieren beschermde, die toch veel minder dan verworpen slaven in staat zijn den toorn hunner woeste meesters op te wekken! Het is een argument, waartegen de groote von Humboldt lang geleden met ridderlijk gevoel te velde is getrokken, en dat hij door treffende voorbeelden heeft toegelicht. Dikwijls poogt men slavernij te verschoonen door den slavenstand te vergelijken met onze armere landgenooten. Zoo de ellende onzer armen veroorzaakt wordt—niet door de wetten der natuur,maar door onze instellingen, dan zondigen wij zwaar; doch hoe dit in verband staat met slavernij, kan ik niet inzien: even goed zou men in ons land het gebruik van de duimschroef kunnen verdedigen, door te bewijzen dat menschen in een ander land veel aan eene gevreesde ziekte leden. Zij, die goedgunstig over slavenhouders denken, en met een koud hart over den slaaf, schijnen zich nooit in den toestand van den laatsten te stellen. Welk een vreugdeloos en troosteloos vooruitzicht—zelfs geen hoop op verandering! Denk eens, lezer, dat u zelven steeds de kans boven het hoofd hing, dat uwe vrouw en kinderen—de wezens, die denatuur ook aan den slaaf vergunt de zijnen te noemen—aan u ontrukt en aan den eersten den besten biederals beestenwierden verkocht! En zulke daden worden bedreven en verschoond door lieden, die belijden dat zij hunne naasten liefhebben als zich zelven, die in God gelooven en bidden dat Zijn wil zal geschieden op aarde! Ons bloed kookt, maar ook ons hart krimpt bij de gedachte, dat wij, Engelschen en onze Amerikaansche afstammelingen, met onze trotsche vrijheidsleus zoo schuldig zijn geweest en nòg zijn; maar het is een troost te denken, dat wij ten minste een grooter offer hebben gebracht om voor onze zonden te boeten, dan ooit een ander volk deed!
Op den laatsten dag in Augustus 1836 ankerden wij voor de tweede maal te Porto Praya op de Kaap-Verdische Eilanden, en zeilden van daar naar de Azoren, waar wij zes dagen bleven. Op den 2den October bereikten wij de Engelsche kust, en te Falmouth verliet ik eindelijk deBeagle, na omtrent vijf jaren aan boord van dit kleine, maar degelijke schip te hebben doorgebracht.
Aan het einde onzer Reis gekomen, zal ik een kort overzicht geven van de voor- en nadeelen, alsmede de bezwaren en genoegens, welke onze omvaring van de wereld heeft opgeleverd. Zoo iemand, voordat hij eene groote reis ondernam, mij om raad vroeg, zou mijn antwoord afhangen van de voorwaarde, of hij eene besliste neiging voor de eene of andere wetenschap bezat, die langs dezen weg bevorderd kon worden. Verschillende landen en de vele menschenrassen te zien, is ongetwijfeld een groot genot; maar het genoegen dat men daarbij smaakt, weegt niet op tegen de lasten. Zal eene vrucht worden geplukt, of iets goeds worden bereikt, dan moet men een oogsttijd afwachten, ook al is deze nog zoo ver.
Het is duidelijk, dat men zich vele verliezen moet getroosten: zoo, bij voorbeeld, het gezelschap van alle oude vrienden, en het gezicht van die plaatsen, waaraan de dierbaarste herinneringen ten nauwste zijn verbonden. Die verliezen worden echter voor een deel verzacht door het onuitsprekelijk voorgenot van den lang gewenschten dag van wederkomst. Indien, zooals de dichters zeggen, het leven een droom is, dan ben ik zeker, dat dergelijke droombeelden op reis het best geschikt zijn om den langen nacht door te komen. Andere verliezen zijn er, die, hoewel in ’t eerst niet gevoeld, na verloop van tijd zwaar beginnen te wegen; deze zijn het gemis van eene kamer, van afzondering, van rust; het afmattende gevoel van voortdurende haast; het dervenvan kleine weeldezaken; het gemis van huiselijke gezelligheid, en zelfs van muziek of andere aesthetische genoegens. Wanneer wij zulke beuzelingen vermelden, is het duidelijk dat de werkelijke bezwaren van het leven op zee—rampen of onheilen uitgezonderd—voorbij zijn. De korte spanne van 60 jaren heeft eene verbazende verandering teweeg gebracht in het gerief van verre zeereizen. Nog in den tijd van Cook (1728–1779) stond elk, die den huiselijken haard verliet om zulke tochten te ondernemen, aan ernstige ontberingen bloot. Thans kan een yacht of snelzeiler met alle levensgemakken den aardbol omvaren. Behalve de groote verbeteringen in de schepen en de hulpmiddelen van het zeewezen, staat thans de geheele westkust van Amerika open, terwijl Sydney de hoofdstad is geworden van een opkomend werelddeel. Hoe geheel anders zijn de omstandigheden voor iemand, die nu in den Stillen Oceaan schipbreuk lijdt, vergeleken met die in de dagen van Cook! Sedert zijne reis is aan de beschaafde wereld een halfrond toegevoegd.
Indien iemand veel aan zeeziekte lijdt, laat hij dan hiermede ernstig rekening houden. Ik spreek uit ondervinding; het is een kwaad, dat niet gering en niet binnen eene week genezen is. Heeft hij daarentegen pleizier om op zee te dobberen, dan zal hij voor dat genoegen zeker ruimschoots gelegenheid vinden. Men diene intusschen wel in ’t oog te houden, dat gedurende eene lange reis een zeer groot deel van den tijd op het water wordt doorgebracht, vergeleken met het oponthoud binnen de havens. En wat zijn nu de zoo geprezen schoonheden van den grenzenloozen oceaan? Eene vervelende eenzaamheid, een waterwoestijn, gelijk de Arabier hem noemt. Niettemin geeft hij ons somtijds verrukkelijke tafereelen te zien. Schoon is een nacht met maneschijn, bij helderen hemel en donker-glinsterende zee: de witte zeilen gezwollen onder den zachten adem van een kalmen passaat, of bij bladstille lucht, als het bolle zeevlak gepolijst en spiegelend voor u ligt, en alleen het klapperend zeildoek nu en dan de stilte verbreekt. Ook is het goed eenseen donderbui te zien opkomen, die u nadert in al hare woede, of een geweldigen orkaan die de golven tot bergen verheft. Toch beken ik, dat mijne verbeelding zich iets grootschers, iets vreeselijkers gemaald had van een woedenden storm. Een onvergelijkelijk schooner schouwspel biedt hij op ’t strand gezien, waar de zwiepende boomen, de wilde vlucht der vogels, de jagende stroomen, de donkere schaduwen en heldere tinten allen den strijd der losgebroken elementen verkondigen. Op zee vliegen albatros en kleine stormvogel met evenveel gemak, als ware de storm hun eigenlijk element, en rijst en daalt het water, alsof het zijn gewone taak volbrengt; alleen het schip en zijne bewoners schijnen het voorwerp der algemeene woede. Op een eenzaam, door wind en zee geteisterd strand is het tafereel weer anders, doch krijgen wij hier meer een gevoel van afschrik, dan van wilde verrukking.
Laat ons nu de lichtere zijde van den afgeloopen tijd beschouwen. Het genoegen, dat voortsproot uit het gezicht van de natuurtooneelen en den algemeenen aanblik der verschillende door ons bezochte landen, is beslist een bron geweest van duurzaamst en hoogst genot. Waarschijnlijk wordt al wat wij zagen door het schilderachtig schoon in vele gedeelten van Europa overtroffen; maar een toenemend genot levert het onderling vergelijken van den aard der natuurtooneelen in verschillende landen, hetgeen in zekeren zin iets anders is dan een louter bewonderen van hunne schoonheid. Dit genot hangt voornamelijk af van onze bekendheid met de onderdeelen van elk landschap; en ik ben zeer geneigd te gelooven, dat—evenals iemand, die elken toon in de muziek begrijpt en daarenboven een gepasten smaak bezit, een meer volkomen genot van het ensemble zal hebben—ook hij die elk deel van een fraai landschap onderzoekt, den vollen en samengestelden indruk er van zal begrijpen. Zoo zou een reiziger plantkundige moeten zijn, want in elk landschap vormen planten de hoofdversiering. Groepen naakte rotsen kunnen somtijds, zelfs in hare ruwste gedaanten, een verheven schouwspel opleveren; doch spoedigworden zij eentonig. Maal haar af in heldere en afwisselende kleuren, zooals de Andes in het noorden van Chili—en zij zullen phantastisch worden; maar bekleed ze met planten—en zij moeten een aangenaam, zoo niet een schoon tafereel vormen.
Als ik zeg, dat het landschap in sommige gedeelten van Europa vermoedelijk schooner was dan die wij zagen, zonder ik daarvan, als eene klasse op zich zelve, dat der tusschenkeerkringsstreken uit. Die twee klassen kunnen niet samen vergeleken worden; doch, over het grootsche dezer gewesten heb ik al dikwijls uitgeweid. Daar de kracht der indrukken meestal afhangt van vooraf gevormde denkbeelden, mag ik er bijvoegen, dat de mijne ontleend waren aan de levendige beschrijving in von Humboldt’sRelation Historique, die in verdienste elke andere door mij gelezene overtreft. Maar zelfs met deze hoog opgevatte ideeën ondervonden mijne gevoelens op verre na geen zweem van teleurstelling bij mijne eerste en laatste landing op de kusten van Brazilië.
Van de landschappen, welke een diepen indruk op mijn geest maakten, overtrof er geen in grootschheid de maagdelijke wouden, die de hand des menschen ongerept had gelaten: hetzij die prachtvolle in Brazilië, zoo overrijk aan vormen, waar het Leven heerscht in al zijne kracht: hetzij die sombere in Vuurland, waar Dood en Verval den scepter zwaaien. Beiden zijn tempels, gevuld met de velerlei voortbrengselen uit Gods schoone Natuur! Niemand kan deze eenzaamheden betreden zonder ontroering, er dolen zonder een gevoel, dat in den mensch iets meer is dan alleen zijn ademtocht... Bij het oproepen van beelden uit het verleden, zie ik telkens weer de vlakten van Patagonië voorbij mijne oogen gaan—vlakten, die door ieder als nutteloos en ellendig worden uitgekreten. Men kan ze slechts beschrijven met negatieve eigenschappen: zonder woningen, zonder water, zonder boomen of bergen, bevatten zij niets dan enkele dwergplanten. Maar waarom—en het geval betreft niet alleen mij zelven—hebben die dorre wildernissen dan zoo onwrikbaar in mij post gevat? Waarom hebben de nogvlakkere, meer groene en vruchtbare Pampas, nog dienstig daarenboven voor het menschdom, niet een even sterken indruk nagelaten? Ik kan deze gevoelens moeilijk uitdrukken; maar deels zijn zij hieraan toe te schrijven, dat de verbeelding er den vrijen teugel viert. En kan het anders? De vlakten van Patagonië zijn grenzenloos; want zij zijn bijna ontoegankelijk en dientengevolge onbekend. Zij dragen het stempel van eeuwenlang geduurd te hebben zooals zij nu zijn, en onbeperkt schijnt haar duur in de toekomst. Denkt men tevens aan de onderstelling der Ouden, dat de platte aarde omringd was door eene onmetelijke watervlakte of door ondraaglijk heete woestijnen—wie zou dan niet met indrukken van diep en onbestemd gevoel die uiterste grenzen van menschelijke kennis beschouwen?
Tot de natuurtafereelen behooren eindelijk de vergezichten van hooge bergen, die, hoewel in zekeren zin niet bepaald mooi, toch zeer gedenkwaardig zijn. Toen ik, door geen nietige bijzonderheden in het berglandschap gestoord, van de hoogste kruin der Cordilleras naar omlaag zag, werd mijn geest overstelpt door de ontzagwekkende afmetingen der omringende bergen!
Wat menschenrassen betreft, wekt niets zoozeer onze verbazing als het eerste gezicht van eenwilde: van een mensch in den laagsten en wildsten natuurstaat in de schuilhoeken van zijn geboorteland. Onze geest snelt eeuwen, eeuwen ver terug en vraagt zich af: is ’t mogelijk, dat onze stamvaderen in de geschiedenis der menschheid geweest zijn zooals deze wilden? Menschen, wier gebaren en uitdrukkingen nog minder verstaanbaar voor ons zijn dan die der huisdieren? Menschen, die niet het instinct dezer dieren bezitten, maar ook niets dat bogen kan op menschelijk verstand—althans op kunsten, die de vruchten zijn van dat verstand? Ik geloof niet, dat het mogelijk is het verschil te beschrijven, of te malen, tusschen een wilden en een beschaafden mensch. Het is als het verschil tusschen een wild en een tam dier; en onze belangstelling bij het zien van een wilde is voor een deel dezelfde, als die ons zou doen wenschenden leeuw te zien in zijn woestijn, den tijger als hij zijn prooi in den dsjungel verscheurt, of den rhinoceros, zwervend over de woeste vlakten van Afrika.
Tot de merkwaardigste natuur- en hemelverschijnsels, die wij gezien hebben, mogen gerekend worden: de Magelhaensche Wolken,19het Zuiderkruis en de andere sterrenbeelden van den zuidelijken hemel; eene waterhoos; een gletscher met zijn blauwen ijsstroom, die als een steile rotswand boven de zee hing; een laguneneiland, dat door de rifvormende koralen tot aan de zee was opgebouwd; eene vulkanische uitbarsting, en eene hevige aardbeving met al hare verpletterende gevolgen. Ik stel in deze laatste verschijnselen bijzonder veel belang, misschien wegens hun nauw verband met den geologischen bouw van onze planeet; maar in ’t algemeen moet de aardbeving voor ieder een gebeurtenis zijn, die de sterkste indrukken achterlaat. De aarde, die wij van onze vroegste kindsheid af als het zinnebeeld van vastheid hebben beschouwd, heeft als eene dunne korst onder onze voeten gebeefd; en ziende, hoe de hechtste werken van den mensch in een oogwenk worden omvergeworpen, beseffen wij hoe nietig de macht is, waarop hij zich verheft!—
Men zegt, dat de liefhebberij in de jacht een genot is, dat den menschen aankleeft—een overblijfsel van een instinctmatigen hartstocht. Zoo ja, dan ben ik zeker, dat het genoegen om in de open lucht te leven met den hemel als dak en de aarde als tafel, een deel is van die zelfde zucht: het isde wilde mensch, die tot zijne wilde en aangeboren leefwijze terugkeert. Altijd zie ik op onze boottochten en mijne uitstappen te land—wanneer deze geschiedden door onbewoonde streken—met een bijzonder genot terug, hetwelk geen land der beschaafde wereld had kunnen verschaffen. Ik twijfel niet, of elk reiziger zal zich het zegepralende gevoel van blijdschap herinneren, dat in hem opwelde toen hij voor ’t eerst in een onbekend land ademde, waar de beschaafde mensch zelden of nooit een voet gezet had.
Op eene lange reis ontmoet men vele andere bronnen van genot, die van meer bescheiden aard zijn. De wereldkaart is nu niet langer een blad papier, maar wordt een schilderij vol van de afwisselendste en levendigste figuren. Elk deel verkrijgt zijne juiste afmetingen; vastelanden gelden niet langer als eilanden, en eilanden, die menigmaal grooter zijn dan vele koninkrijken in Europa, niet langer als stippen. Afrika, of Noord- en Zuid-Amerika zijn welklinkende namen en laten zich gemakkelijk uitspreken; doch eerst nadat men weken achtereen langs hunne kusten heeft gevaren, krijgt men de volle overtuiging welke uitgestrekte ruimten op onze groote aarde met deze eenvoudige namen bedoeld worden.
De tegenwoordige toestand, waarin wij een bijna geheel halfrond hebben leeren kennen, kan niet anders dan hooge verwachtingen schenken omtrent zijn toekomstigen voorspoed. Waarschijnlijk is de verbetering, die, dank zij de invoering van het Christendom, over de geheele Zuidzee in gang is, éénig in de jaarboeken der geschiedenis. Dit is des te merkwaardiger, zoo wij bedenken, dat Cook, wiens uitnemend oordeel wel door niemand zal worden betwist, pas 60 jaren geleden geen uitzicht op verandering kon geven. Toch zijn die veranderingen door den menschlievenden geest der Britsche natie thans tot stand gebracht.
In denzelfden hoek van den aardbol is Australië op weg zich te verheffen, of, kan men zeggen, heeft het zich verheven tot een groot beschavingsmiddelpunt, dat in eene niet zeer verre toekomst als Keizerin zal heerschen over hetzuidelijk halfrond. Het is niet mogelijk, dat een Engelschman deze verre kolonies anders dan met rechtmatigen hoogmoed en voldoening beschouwt. Rijkdom, voorspoed en beschaving schijnen de wisse gevolgen te zijn, welke het hijschen van de Britsche vlag na zich voert.
Tot besluit schijnt het mij toe, dat er voor een jongen natuuronderzoeker niets bevorderlijkers zijn kan, dan eene reis naar verre landen. Zulk eene reis—merkt Sir John Herschel op—versterkt en stilt gedeeltelijk de behoeften en wenschen, die in den mensch opwellen ook dan, wanneer aan alle stoffelijke begeerten voldaan is. Het opwekkende gevoel, dat de studie van nieuwe voorwerpen of verschijnselen en de kans op welslagen doen ontstaan, prikkelen hem tot meerdere werkzaamheid, terwijl daarenboven de gewoonte om los staande feiten met elkaar te vergelijken, die anders spoedig onbelangrijk worden, hem tot algemeene beschouwingen leiden. Hier staat tegenover, dat de beschrijvingen van den reiziger, die uitteraard slechts kort op elke plaats vertoeft, meestal uit louter schetsen moeten bestaan, in stede van uitvoerige waarnemingen. En daaruit ontspruit, gelijk ik tot mijne schade ondervonden heb, eene voortdurende zucht om de wijde leemten in onze kennis aan te vullen met onnauwkeurige en oppervlakkige hypothesen.—
Maar, ik heb mijne reis te volop genoten, om niet elken natuuronderzoeker aan te bevelen alle kansen te wagen, en zoo mogelijk landreizen, of anders eene verre zeereis te doen, hoewel hij er niet op moet rekenen zoo gelukkig in zijne reisgenooten te zijn, als ik het was. Hij kan er van verzekerd zijn, dat hij, behalve in zeldzame gevallen, geen moeilijkheden of gevaren zal ontmoeten, die niet geringer zullen blijken dan hij te voren verwacht heeft. Uit een zedelijk oogpunt behoort het gevolg te zijn, dat hij leere opgeruimdheid te paren aan geduld, zijne eigenliefde te overwinnen, zich te gewennen aan zelfstandig handelen, en zich zoo goed mogelijk in alle omstandigheden te schikken. In ’t kort, hij behoort de eigenschappen te leeren, welke de meeste zeelieden bezitten. Ook moet de reis hem leeren anderen tewantrouwen; maar tevens zal hij dan ontdekken, hoevele oprecht welwillende menschen er zijn, die, schoon hij vroeger nooit met hen in aanraking kwam noch later ooit weer komen zal, toch bereid zijn hem op de onbaatzuchtigste wijze te helpen.
Einde.
1Volgens eene telling in 1901 had Port-Louis 53,897 inwoners met hare voorsteden. Het geheele eiland, dat eene oppervlakte bezit van 1826 □ kilom., telde er toen 371,023.(Vert.)2Volgens de vermaarde theorie derErhebungskraterevan Leopold von Buch, E. de Beaumont, Dufrénoy e.a., ontstond de conische gedaante van een vulkaankegel voornamelijk door eene opheffing of zwelling van den grond rondom de spleet, waaruit de eruptie-stoffen naar buiten werden gedreven. Dit zou o.a. het geval zijn geweest met den Vesuvius (wegens de groote helling der lavalagen) en de Etna. Scrope, Prévost en Lyell hebben de onhoudbaarheid dezer theorie bewezen.(Vert.)3Naar men weet, zat Napoleon hier van 1815 tot 1821 gevangen, in welk jaar hij aan maagkanker stierf. Eerst in 1840—dus vier jaren, nadat Darwin het eiland bezocht—werd zijn lijk naar Frankrijk overgebracht.(Vert.)4De bevolking van St. Helena, dat eene oppervlakte heeft van 122 □ kilom., telt thans ongeveer 3600 zielen.(Vert.)5Het verdient opmerking, dat al de talrijke exemplaren van deze schelp, die door mij op éene plek gevonden zijn, als eene duidelijke variëteit verschillen van een ander stel exemplaren, op eene tweede plek bijeengebracht.6Beatson’sSt.-Helena. Inleiding, blz. 4.7Ongeveer 809 hectaren.8Gestorven in 1592.9Van deze weinige insecten vond ik tot mijne verwondering een kleinenAphodius(Nieuwe soort) en eenOryctes; die met buitengewoon veel individuën onder mest voorkwamen. Daar het eiland bij zijne ontdekking stellig geen enkelen viervoeter bezat, behalvemisschieneene muis, is het eene zeer moeilijke quaestie om uit te maken, of deze mestetende insecten later toevallig zijn ingevoerd, of zoo zij inheemsch zijn, van welk voedsel zij vroeger leefden. Aan de oevers van de Rio de la Plata, waar, in gevolge het groot aantal paarden en vee, de fraaiste grasvlakten rijkelijk bemest zijn, zoekt men te vergeefs naar de vele soorten mestkevers, die in Europa zoo overvloedig voorkomen. Alleen ontdekte ik eenOryctes(de insecten van dat geslacht leven in Europa meestal van rottende plantaardige stof), en twee soorten vanPhanaeus, welke op zulke plaatsen algemeen zijn. Aan de overzijde der Cordilleras, op Chiloë, komen zeer talrijke individuën voor van eene andere soort vanPhanaeus, die den mest van het vee in groote aarden balletjes onder den grond begraaft. Er is reden om te gelooven, dat het geslachtPhanaeus, vóór den invoer van vee, als straatvegers werkte van den mensch. In Europa is het getal kevers, die hun voedsel vinden in de stof welke reeds dienst heeft gedaan in het leven van andere en grootere dieren, zoo talrijk, dat er stellig veel meer dan honderd verschillende soorten van bestaan. Dit in aanmerking nemende, en opmerkend welk eene hoeveelheid voedsel van dien aard op de vlakten van La Plata verloren gaat, meende ik hier een voorbeeld te zien van een geval, dat de mensch het verband heeft gestoord, waardoor zoo vele dieren in hun vaderland onderling vereenigd zijn. Op Van-Diemensland vond ik echter vier soorten vanOnthopagus, twee vanAphodiusen ééne van een derde geslacht met zeer talrijke individuën onder koemest, ofschoon koeien toen slechts 33 jaren geleden waren ingevoerd. Vóór dien tijd waren de Kangoeroe en eenige andere kleine dieren de eenige viervoeters; en hun mest is van een geheel ander gehalte dan die hunner opvolgers, welke de mensch heeft ingevoerd. In Engeland hebben de meeste mestetende kevers een beperkten eetlust: d.w.z., zij zijn, wat hunne voedingsmiddelen betreft, in de keus van viervoeters niet onverschillig. De verandering in leefwijze, die op Van-Diemensland moet hebben plaats gehad, is daarom hoogst merkwaardig. Het is aan den Eerwaarden F. W. Hope, dat ik de namen der bovenstaande insecten te danken heb, en die mij daarom wel zal toestaan hem mijn leermeester in de Insectenkunde te noemen.10Ascension heeft eene oppervlakte van 88 □ kilom., met een bevolking van 120 zielen.(Vert.)11Karl Fuchs in zijn werk “Vulkane und Erdbeben,” Blz. 334, noemt den bergGreen Mountainsen stelt zijne hoogte op 2870 voet. De berg bestaat uit zwarte basaltlava.(Vert.)12of wonderboom (Ricinus communis).13Monatschr. der Königl. Akad. d. Wiss. zu Berlin, April 1845.14Volgens A. W. Sellin “Das Kaiserreich Brasilien” (1885) is Pernambuco door de Hollanders gesticht. Enkele huizen alsmede de forten Brum, Cinco-Pontas en Buraco dateeren nog uit dien tijd. De stad schijnt na Darwin’s tijd zeer verbeterd te zijn, want Sellin zegt: “P. ist eine der schönsten Städte Brasiliens, mit 130.000 Einwohnern.” In 1890 telde zij slechts 111,556, maar volgens eene latere opgaaf van Hübner circa 150,000 inwoners.(Vert.)15Ook wortel- of steltboomen genoemd. Deze zeldzame boomen met luchtwortels bezitten een 10 tot 18 meter hoogen stam.16Naar dit 5 tot 6 kilom. lange rif is de stad oorspronkelijkCidade do Recife(Rifstad) genoemd.17200 M.(Vert.)18Ik heb dezen dam uitvoerig beschreven in deLond. and Edinb. Phil. Mag.deel 19 (1841), blz. 257.19Of Kaapsche Wolken. Deze voor den sterrenkundige zoo hoogst belangrijke objecten zijn twee lichte vlekken niet ver van de Zuidpool des hemels; de grootste met 42 □ graden oppervlakte ligt in het SterrenbeeldDoradoof den Zwaardvisch, de kleinste met 10 □ graden in de Mannelijke Waterslang. Oogenschijnlijk zijn zij losgeraakte stukken van den Melkweg, doch inderdaad is er geen verband met deze sterrenzone, evenmin als tusschen de Wolken onderling. In beiden, en vooral in de groote, liggen tallooze kleine sterren van de 7de tot de 13de grootten, vele sterrenhoopen en in ’t bijzondernevelvlekkenin alle stadiën van ontwikkeling. Rondom de Wolken zijn zeer weinig sterren.(Vert.)
1Volgens eene telling in 1901 had Port-Louis 53,897 inwoners met hare voorsteden. Het geheele eiland, dat eene oppervlakte bezit van 1826 □ kilom., telde er toen 371,023.
(Vert.)
2Volgens de vermaarde theorie derErhebungskraterevan Leopold von Buch, E. de Beaumont, Dufrénoy e.a., ontstond de conische gedaante van een vulkaankegel voornamelijk door eene opheffing of zwelling van den grond rondom de spleet, waaruit de eruptie-stoffen naar buiten werden gedreven. Dit zou o.a. het geval zijn geweest met den Vesuvius (wegens de groote helling der lavalagen) en de Etna. Scrope, Prévost en Lyell hebben de onhoudbaarheid dezer theorie bewezen.
(Vert.)
3Naar men weet, zat Napoleon hier van 1815 tot 1821 gevangen, in welk jaar hij aan maagkanker stierf. Eerst in 1840—dus vier jaren, nadat Darwin het eiland bezocht—werd zijn lijk naar Frankrijk overgebracht.
(Vert.)
4De bevolking van St. Helena, dat eene oppervlakte heeft van 122 □ kilom., telt thans ongeveer 3600 zielen.
(Vert.)
5Het verdient opmerking, dat al de talrijke exemplaren van deze schelp, die door mij op éene plek gevonden zijn, als eene duidelijke variëteit verschillen van een ander stel exemplaren, op eene tweede plek bijeengebracht.
6Beatson’sSt.-Helena. Inleiding, blz. 4.
7Ongeveer 809 hectaren.
8Gestorven in 1592.
9Van deze weinige insecten vond ik tot mijne verwondering een kleinenAphodius(Nieuwe soort) en eenOryctes; die met buitengewoon veel individuën onder mest voorkwamen. Daar het eiland bij zijne ontdekking stellig geen enkelen viervoeter bezat, behalvemisschieneene muis, is het eene zeer moeilijke quaestie om uit te maken, of deze mestetende insecten later toevallig zijn ingevoerd, of zoo zij inheemsch zijn, van welk voedsel zij vroeger leefden. Aan de oevers van de Rio de la Plata, waar, in gevolge het groot aantal paarden en vee, de fraaiste grasvlakten rijkelijk bemest zijn, zoekt men te vergeefs naar de vele soorten mestkevers, die in Europa zoo overvloedig voorkomen. Alleen ontdekte ik eenOryctes(de insecten van dat geslacht leven in Europa meestal van rottende plantaardige stof), en twee soorten vanPhanaeus, welke op zulke plaatsen algemeen zijn. Aan de overzijde der Cordilleras, op Chiloë, komen zeer talrijke individuën voor van eene andere soort vanPhanaeus, die den mest van het vee in groote aarden balletjes onder den grond begraaft. Er is reden om te gelooven, dat het geslachtPhanaeus, vóór den invoer van vee, als straatvegers werkte van den mensch. In Europa is het getal kevers, die hun voedsel vinden in de stof welke reeds dienst heeft gedaan in het leven van andere en grootere dieren, zoo talrijk, dat er stellig veel meer dan honderd verschillende soorten van bestaan. Dit in aanmerking nemende, en opmerkend welk eene hoeveelheid voedsel van dien aard op de vlakten van La Plata verloren gaat, meende ik hier een voorbeeld te zien van een geval, dat de mensch het verband heeft gestoord, waardoor zoo vele dieren in hun vaderland onderling vereenigd zijn. Op Van-Diemensland vond ik echter vier soorten vanOnthopagus, twee vanAphodiusen ééne van een derde geslacht met zeer talrijke individuën onder koemest, ofschoon koeien toen slechts 33 jaren geleden waren ingevoerd. Vóór dien tijd waren de Kangoeroe en eenige andere kleine dieren de eenige viervoeters; en hun mest is van een geheel ander gehalte dan die hunner opvolgers, welke de mensch heeft ingevoerd. In Engeland hebben de meeste mestetende kevers een beperkten eetlust: d.w.z., zij zijn, wat hunne voedingsmiddelen betreft, in de keus van viervoeters niet onverschillig. De verandering in leefwijze, die op Van-Diemensland moet hebben plaats gehad, is daarom hoogst merkwaardig. Het is aan den Eerwaarden F. W. Hope, dat ik de namen der bovenstaande insecten te danken heb, en die mij daarom wel zal toestaan hem mijn leermeester in de Insectenkunde te noemen.
10Ascension heeft eene oppervlakte van 88 □ kilom., met een bevolking van 120 zielen.
(Vert.)
11Karl Fuchs in zijn werk “Vulkane und Erdbeben,” Blz. 334, noemt den bergGreen Mountainsen stelt zijne hoogte op 2870 voet. De berg bestaat uit zwarte basaltlava.
(Vert.)
12of wonderboom (Ricinus communis).
13Monatschr. der Königl. Akad. d. Wiss. zu Berlin, April 1845.
14Volgens A. W. Sellin “Das Kaiserreich Brasilien” (1885) is Pernambuco door de Hollanders gesticht. Enkele huizen alsmede de forten Brum, Cinco-Pontas en Buraco dateeren nog uit dien tijd. De stad schijnt na Darwin’s tijd zeer verbeterd te zijn, want Sellin zegt: “P. ist eine der schönsten Städte Brasiliens, mit 130.000 Einwohnern.” In 1890 telde zij slechts 111,556, maar volgens eene latere opgaaf van Hübner circa 150,000 inwoners.
(Vert.)
15Ook wortel- of steltboomen genoemd. Deze zeldzame boomen met luchtwortels bezitten een 10 tot 18 meter hoogen stam.
16Naar dit 5 tot 6 kilom. lange rif is de stad oorspronkelijkCidade do Recife(Rifstad) genoemd.
17200 M.
(Vert.)
18Ik heb dezen dam uitvoerig beschreven in deLond. and Edinb. Phil. Mag.deel 19 (1841), blz. 257.
19Of Kaapsche Wolken. Deze voor den sterrenkundige zoo hoogst belangrijke objecten zijn twee lichte vlekken niet ver van de Zuidpool des hemels; de grootste met 42 □ graden oppervlakte ligt in het SterrenbeeldDoradoof den Zwaardvisch, de kleinste met 10 □ graden in de Mannelijke Waterslang. Oogenschijnlijk zijn zij losgeraakte stukken van den Melkweg, doch inderdaad is er geen verband met deze sterrenzone, evenmin als tusschen de Wolken onderling. In beiden, en vooral in de groote, liggen tallooze kleine sterren van de 7de tot de 13de grootten, vele sterrenhoopen en in ’t bijzondernevelvlekkenin alle stadiën van ontwikkeling. Rondom de Wolken zijn zeer weinig sterren.
(Vert.)