V.

V.De terugreis.—Het Irtach-dal.—Bij het douane-station.—Aankomst te Prjevalsk.—Wij gaan uiteen.Het Irtach-dal, dat bijna honderd wersten lang is, vertoont den vorm van een wijden Z. Het bovenste dwarsstreepje grenst aan de Terskeï-ala-Tao, die de vlakte afsluit, waarin het meer Issik-Koul is gelegen. Aan het eind van die dwarsstreep, waar het haakje ombuigt, ligt de Djoukoutchiak-pas, de gewone weg der nomaden, die zich naar Prjevalsk begeven.Dit zou ook onze terugweg zijn. Tegenover den pas, aan de zuidzijde, strekt zich een kring van weiden uit, waartusschen gletschers afdalen, welker stroomen een groote vlakte besproeien en verloopen in eene menigte kleine poelen en plassen. Deze pas, 3850 M. hoog, is zeer gevaarlijk voor de paarden; de hellingen zijn dan ook bezaaid met rottende lijken of met geraamten, die door de gieren zijn afgeknaagd, welke voor ons uitvliegen op onzen weg. Eerst moet men zich een weg banen tusschen steenen, en dan een ijshelling beklimmen, waarna men den rand der moraines volgt, tot aan de eerste grasvlakten. Langzamerhand geraken wij uit het hooggebergte in een boschrijke streek. De noordelijke helling van den Terskeï-ala-Tao is bedekt met wouden, waarin zich zoovele dieren ophouden, dat men geen stap kan doen, zonder ze naar alle zijden te doen wegvluchten onder de struiken, waaruit zwermen vogels opvliegen.Dit dal sluit zich aan bij de Zououka-vallei, waardoor de karavanen trekken, die geregeld vrachtgoederen vervoeren tusschen Viernyi en Kasjgar. Dat vervoer is uitsluitend in handen van een stam der Sarten, en de post gaat over van vader op zoon. Onderweg vinden zij dikwijls nog gelegenheid, om onder de nomaden hun slag te slaan, en kostbare pelterijen in te ruilen tegen katoentjes en snuisterijen uit Rusland. De lieden, die aan deze tochten deelnemen, slijten hun geheele leven in de Hemelsche Bergen, in alle jaargetijden. Hun familie trekt mede, de vrouwen wijdbeens op balen katoen of rollen linnen gezeten, de kinderen veilig geborgen in houten kooien, die aan beide zijden van den zadel zijn bevestigd. Bij het douanenstation van Zoukoua, aan het begin der vallei, zien wij hoe de goederen gevisiteerd worden. Ze zijn in schilderachtige verwarring op het gras uitgespreid, en schapen en honden wandelen er overheen. De beambten zien op hun gemak na, of er ook contrabande onder schuilt, en laten geen enkel pakket ongeopend de revue passeeren. Ze laten zelfs de vrouwen zich ontkleeden, om te zien, of zij ook verboden waar onder hare kleeren verborgen hebben.Natuurlijk hebben zij altoos gelijk, en noch het heftig verzet der vrouwen, noch de scheldwoorden der mannen brengen hen van hun stuk. Soms worden er stokslagen uitgedeeld, als het eenvoudigste middel om de zaak in ’t reine te brengen. De vrouwen zijn voor zulke reizigsters bijzonder fraai gekleed. Ze dragen zilveren sieraden om den hals, en aan hare ooren hangen kettingen, die tot op de schouders bengelen, en telkens verward raken in de knoopen van haar lijfje.Na Zououka wordt het dal zeer breed; de beide zijden nemen zichtbaar in hoogte af, en worden langgestrekte heuvels, die aan steenen muren doen denken. Werkelijk geven die lage, roode rotswanden, waardoor diepe, horizontale groeven en kleine, loodrechte insnijdingen loopen, den indruk van twee geweldige gemetselde dijken, die een denkbeeldigen stroom moeten insluiten. De bodem vertoont overal die zelfde roode kleur, zoodat de rivier, als er regen valt, een bloedstroom gelijkt, die uit een of ander reuzen-abattoir is losgebroken. Terwijl wij steeds lager dalen, en het gebergte achter ons laten, zien wij vaag, als in een droom, een witte wolk oprijzen aan den horizon, als een windveer in de lucht. Het is de Koungheï-ala-Tao, aan de overzijde van het meer Issik-koul, waarvan de zachtblauwe waterspiegel zich voor ons uitbreidt, in het trillende, gulden waas, dat uit den grond schijnt op te stijgen.De vallei van Issik-koul is overal waar men het oog laat rusten, even bekoorlijk. De wisselende tinten van het landschap zijn zoo ijl en doorzichtig, en de lijnen van elk tafereel zoo wazig en onbestemd, dat men zich vol verrukking overgeeft aan de indrukken, gewekt door het aanschouwen van grootschheid, die met bevalligheid gepaard gaat.Weldra komen wij te Slifkina, een kozakkendorp, op de grens tusschen de beschaafde wereld en het Hemelsche Gebergte gelegen. ’t Is het laatste russische dorp in de streek ten Zuiden en Westen van het meer Issik-koul. Men kan zich niet voorstellen, hoe blijde wij zijn, eindelijk eens weer menschelijke wezens te zien, die geen Kirghizen zijn, en woningen, die er anders uitzien dan de yourtes. ’t Is werkelijk, alsof we in een groote stad zijn aangekomen. De verwarde haren en scharlaken kleeding der kozakken doen ons oog bepaald aangenaam aan, en het welgedane voorkomen der roodwangige russische vrouwen maakt thans op ons een geheel anderen indruk dan vroeger. Wij vinden ze nu bijna mooi. Met de matigheid, die wij zoo lang hebben moeten betrachten, is het nu ook gedaan. We halen onze schade in, en doen ons te goed aan pivo en heerlijke goudgele appelen, terwijl we des avonds een stevig maal eer aan doen van eieren, kip, aardappels, rijst en vruchten. Slifkina of Kizil-sou, zooals de Kirghizen hetnoemen, ligt dertig wersten ten Westen van Prjevalsk. Niet meer over gletschers, door steenen, noch langs afgronden voert ons pad; wij rijden rustig over een breeden, witten weg, die als een lint door groene velden slingert. Geen sprake meer van bezorgdheid over de meer of mindere doorwaadbaarheid der rivieren, nu de hoeven onzer paarden vroolijk over de stevige bruggen trappelen, die de oevers verbinden van elken stroom.En toch, ondanks die rust en die veiligheid, komt die kalme, vlakke streek ons na de eerste twintig werst eentonig voor, en wij verbeelden ons, dat het rijden hier ons veel meer vermoeit dan onze tochten door de bergen. En dan die zon,—en dat stof!...Kort daarna kwamen wij behouden te Prjevalsk. Om een al te plotselingen overgang te vermijden, sliepen wij niet in het posthuis; maar kampeerden buiten, in een boomgaard.Twee dagen later, den 4den September, gingen wij ieder onzes weegs. Zurbriggen en Abbas keerden terug naar Tasjkent; terwijl de prins en ik onze reis voortzetten naar Siberië.VI.De Kirghizen.—Oorsprong van het ras.—Kozakken en Kirghizen.—Verdeeling der Bourouts.—Kleederdracht.—De yourte.—Zeden en gebruiken.—Huwelijk.—Besluit.De wetenschap heeft haar laatste woord nog niet gesproken omtrent de samengestelde stammen, die slechts een karig levensonderhoud vinden in die gedeelten van Midden-Azië, welke wij thans hadden bezocht. Meerdere reizigers meenen die lastige vraag bevredigend te hebben opgelost. Waar het onderzoek van den geleerde zich grondt op de geschiedenis, en zekere bewijzen bestaan voor den samenhang van bepaalde gebeurtenissen, kan men licht een stelsel opbouwen, een redeneering volgen, die niet al te veel van de waarheid afwijkt.Maar niet alle volken hebben achter zich, wat men een geschiedenis noemt; niet allen bezitten bewijzen van hun ouderdom of gedenkteekenen, die ons hun verleden weder voor den geest roepen. Door bergen of woestijnen afgesloten, zonder ooit den invloed der beschaving te hebben ondergaan of deze met opzet ontwijkend, uit vrees hun vrijheid te verliezen, zijn zulke volken gebleven in den primitieven staat, waarin zij zich bevonden van den beginne. Met de dieren en als de dieren levend, hebben zij nooit behoefte gevoeld, in dien toestand verandering te brengen. Tot die volken behooren ook de Kirghizen. Zij zijn nagenoeg dezelfden als voor 2000 jaar. En in al die eeuwen hebben zij niets verricht, dat den geleerde opheldering zou kunnen verschaffen omtrent hunne afstamming of de wisselvalligheden van hun bestaan. Nog steeds verdiept men zich in gissingen omtrent den oorsprong van hun naam. In het Turksch schijnt het woord: “landbewoners” te beteekenen; terwijl het in de taal der nomaden vertaald kan worden door: “veertig meisjes” (Karr-Keuz). Wij zouden eer vermoeden, dat in de chineesche taal de juiste oplossing van dit raadsel is te vinden. Sedert de 10de eeuw van onze jaartelling wordt in chineesche boeken gesproken van een volk, dat den Tiensjan-Nan-Sou bewoont, het zuidelijk deel van het Hemelsche gebergte. Later, tegen het eind der 13e eeuw, spreekt de beroemde zendeling Hiouen Tsang, de eerste man, die het aziatische vasteland bereisde, van de Ki-zi-li-tsé, die hij op zijn tochten had leeren kennen. Hij zegt, dat hij Kirghizen ontmoet heeft in het dal van Dzoungarie. Deze streek zou, volgens hem, hun aangenomen vaderland zijn geweest; oorspronkelijk bewoonden zij het oostelijk deel van het Altaï-gebergte. Onophoudelijk bedreigd door de Mongolen in het Zuiden en de Tartaren in het Noorden, waren zij gedwongen eerst naar het Tabargataï-gebergte te verhuizen en daarna, eenige eeuwen later, naar de Hemelsche bergen. De naam Ki-zi-li-tsé zou later veranderd zijn in Kirr-ki-tsé, toen het volk van dien naam zich tot het Mohammedaansche geloof had bekeerd.De heer Ujfalvy de Mezö-Kovesd heeft bij zijn onderzoekingen in Turkestanrassenverwantschapmeenen te ontdekken tusschen de bewoners der steppen en die van het gebergte. Volgens hem, en andere reizigers, zou er geen onderscheid bestaan tusschen de Kara-Kirghizen en de Kirghizen-Kazakken, de nomaden uit de vlakte.Al leiden deze volken echter hetzelfde leven, en al kleeden zij zich nagenoeg op dezelfde wijze, hun taal is niettemin zeer verschillend. En bovendien koesteren zij jegens elkander zulk een hevigen haat, dat het bijna niet mogelijk is aan stamverwantschap tusschen die beide volken te gelooven.Uit anthropologisch oogpunt beschouwd, vertoonen de beide typen ook opvallende punten van verschil. Hun lichaamsbouw, de vorm van hun hoofd, hun gelaatstint, de soort en kleur van hun haar, dat alles is geheel verschillend. Het is dus wel wat voorbarig, te beweren, dat de Kazakken niet anders dan Kirghizen zijn. Om dit te kunnen vaststellen, moest men overtuigende bewijsgronden kunnen aanvoeren, verzameld na een langdurig verblijf in die streek.Ons zijn alleen bekend de Kirghizen, of Bourouts, een volk, dat uitsluitend in de dalen van den Tiensjan woont; van Pamir tot Dzoungarie; van het meer Issik-koul tot Ak-sou. Het is onmogelijk, hun aantal ook maar bij benadering vast te stellen. Men hoort het getal 400 zoowel als 500 000 noemen; maar er zullen er nog wel tweemaal zooveel zijn in de werkelijkheid. Als men aan een der hoofden vraagt, hoeveel lieden in zijn aoul wonen, kan hij het niet zeggen; wel weet hij precies, hoeveel schapen en paarden zijn volkje bezit. Men kan de Kirghizen ook moeilijk rangschikken in verschillende groepen. Hun land is niet eens geheel en al bekend, en er zijn dus stellig stammen, die nooit met vreemdelingen in aanraking zijn geweest.De berichten der nomaden zelf dienaangaande zijn volstrekt niet te vertrouwen. Tot nu toe verdeelt men de Kirghizen in twee groote groepen, de linker- en de rechtergroep. De eerste,solgenaamd, omvat het bekken van den Naryn, den hoogen Oxus en de Kok-Chaal-daria.Die groep wordt onderscheiden in 4 stammen: Koutchi, Sorou, Moundouz en Kitaïs. De laatste benaming dragen zij, die chineesch grondgebied bewonen.De rechter groep,ongenaamd, houdt zich op inhet bekken van het meer Issik-koul, en de dalen rondom de Khan-Tengri-groep. Zij wordt verdeeld in zeven stammen: Bogon, Sary-Baghichtch, Son-Baghichtch, Soulton, Echerik, Sagaz en Bassindz.Het russische gouvernement volgt een andere indeeling, op het voorbeeld der aoulbewoners, die hun buren in de andere valleien eenvoudig noemen naar de plaatsen, waar ze gewoonlijk kampeeren. Zoo noemen zij de lieden, die in de omstreken huizen van het Tourghent-dal, Tourghensky, en blijven ook verder aan dien regel getrouw.Het spreekt van zelf, dat de russische regeering het aantal harer onderdanen in deze streken volstrekt niet kent. De meesten ontsnappen dan ook aan de, overigens niet hooge, belasting van anderhalven roebel per yourte of familie. Die schatting is de eenige band, welke hen aan Rusland bindt; want ze zijn volstrekt niet veranderd sedert de verovering van Turkestan, en nog even vrij en onafhankelijk als voorheen.De karavanen brengen hun leven door in de Hemelsche bergen en hun familie vervoeren zij met hunne koopwaar.De karavanen brengen hun leven door in de Hemelsche bergen en hun familie vervoeren zij met hunne koopwaar.De Kirghizen zijn in den regel goed gebouwd en zeer sterk. Ze hebben een dikken neus, een stompen gelaatshoek, uitstekende jukbeenderen, en zwarte, kleine, schuinstaande oogen, evenals de Chineezen. De baardgroei is zeer gering. Hun haar is sluik en zwart; blonde personen ziet men zeer zelden. Dikwijls treft men onder hen zuiver mongoolsche typen aan. De mannen zijn goed geproportionneerd en niet terugstootend.Het voorkomen der vrouwen heeft weinig aantrekkelijks. De jonge meisjes hebben vrij geregelde gelaatstrekken; maar, al zijn ze niet mager, hare vormen zijn hoekig en schraal. Ze hebben echter mooie zwarte oogen en prachtige tanden. Haar costuum draagt er echter niet toe bij, hare bekoorlijkheid te verhoogen.De kleederdracht der Kirghizen is uiterst eenvoudig. Over een bont katoenen hemd, met bespottelijk lange mouwen, en een wijde, lange linnen broek, met een gordel om het middel vastgemaakt, dragen zoowel vrouwen als mannen een soort overkleed van cretonne, met wol of watten gevoerd, dat op de borst met houten knoopen wordt gesloten, en om het middel wordt vastgehouden door eene lange sjerp, die van voren geknoopt wordt. De mouwen van dit kleedingstuk reiken niet eens tot aan den elleboog; maar die van het hemd vallen over de hand, en worden telkens door een snelle beweging van den pols weer opgeschoven. Dat gebaar maken de Kirghizen nu al eeuwen lang.Deze primitieve kleedij wordt binnenshuis gedragen, en ook des zomers, als zij buiten zijn. Hooge, tot de knie reikende laarzen, met hielen van minstens 10cM.hoog, en een smerig kapje op hun kaalgeschoren kruin voltooien hun costuum. In den winter en op hun reizen trachten de Kirghizen zich tegen de koude te beschermen door hun wijden tschiapann, een grooten, gevoerden overjas, waarin ze geheel verdwijnen. Soms dragen ze, bij strenge koude, twee, drie of meer van die omhulsels over elkaar. Daarbij bedekken ze dan hun hoofd met een ronden, wit vilten hoed met een zwarten rand, van voren neer, van achteren opgeslagen. Dat hoofddeksel is van chineeschen oorsprong, en daar niet ieder zich zulk een hoed kan verschaffen, dragen zij in de plaats daarvan ook wel een muts van ruw vilt, met lamsvel gevoerd.Dat staat niet leelijk, en past goed bij hun overig costuum. Zulke mutsen kunnen in de bergen over de ooren getrokken worden, en als het regent, wordt de lamsvacht naar buiten gekeerd. De vrouwen gaan precies zoo gekleed als de mannen; alleen in kleinigheden is eenig verschil op te merken. Hare laarzen zijn sierlijker, met zijde geboord, of met randjes van gekleurd leer versierd, en de hielen en teenen zijn met koper beslagen. Haar broeken zijn wijder en langer, en haretschiapannszijn vervaardigd van fijnere en bontgekleurde stoffen; soms wel van zijde uit Bokhara of Kasjgar.Met haar kleine oogjes, uitstekende jukbeenderen en dikke neuzen, zijn de Kirghizenvrouwen van Kaënde bijzonder leelijkMet haar kleine oogjes, uitstekende jukbeenderen en dikke neuzen, zijn de Kirghizenvrouwen van Kaënde bijzonder leelijkHet merkwaardigste onderdeel van de kleederdracht der Kirghizenvrouwen is de witte kap, dien zij op het hoofd dragen, en die haar op nonnen doet gelijken. ’t Is een cylindervormig gewonden band van gesteven linnen, wel 30cM.breed, die om het hoofd sluit, en waarvan de einden los op den rug hangen. Het haar wordt glad achterover gekamd, en zorgvuldig onder die soort van doos verborgen, die tevens als bergplaats dient van kleine voorwerpen voor dagelijksch gebruik. Een bijzonder praktische inrichting, zooals men ziet.Van achteren wordt het haar in twee of meer vlechten gevlochten, waarvan er eenige op den rug neerhangen, en met een kettinkje of gesp zijn vastgemaakt. Daaraan bengelt weer een bos sleutels, of koperen plaatjes, die tot op de hielen hangen, zoodat ze bij elke beweging een rinkelend geluid maken. Dien tulband of eletchik dragen alleen de getrouwde vrouwen.De jonge meisjes zijn meer behaagziek. Zij tooien zich met mutsen van vossenvel, waarop een bosje arendsveeren prijkt. Het haar vlechten ze in een menigte dunne vlechtjes, die langs de slapen en op den rug neerhangen, waar ze worden bijeengehouden door een lap stof, met glazen kralen versierd. Als jonge meisjes een man willen veroveren, flonkeren ze van blinkende sieraden en trachten zich zoo rijk mogelijk uit te dossen. Maar later moeten zij dikwijls zwaar voor hare ijdelheid boeten, want ze worden de slavinnen van mannen, die haar geheel in hun macht hebben en gewoonlijk ruw behandelen.De yourte der Kirghizen is niet zoo ruim als die der Kozakken, of als de kibitka der Turkomanen. Zij is bescheidener van afmeting en minder weelderig ingericht. De Kirghizen moeten dikwijls verhuizen, wegens gebrek aan weidegrond. Bovendien noodzaken hen de strenge en langdurige winters, de afmetingen van hun woonvertrekken tot een minimum te beperken, om ten minste nog zooveel mogelijk warmte te genieten bij het weinigje brandstof, waarover zij kunnen beschikken. De tenten der Kirghizen bestaan uit een geraamte van buigzaam hout, dat met paaltjes in den grond wordt gestoken en met riemen van dierenhuid doorvlochten is. Dat geraamte is ongeveer twee of drie meter hoog, en evenzoo breed. De zoldering wordt gesteund door houten latten, die schuin oploopen naar een opening in het midden, welke als schoorsteen, en tevens als venster dient. Over dit onderstel worden zware lappen vilt geslagen, die met touwen worden omwonden en bevestigd.Zulk een tent wordt binnen eenige minuten opgeslagen, of weer afgebroken, en kan door twee kameelen worden vervoerd. De inrichting is, zelfs bij rijkere lieden, zeer eenvoudig. De stapels vilt, die als matrassen dienst doen, de houten kisten, zakken, paardetuig en dergelijke benoodigdheden liggen over den grond verspreid, of worden langs de zijden van de tent opgehangen. Midden in de yourte, op drie rechtopstaande steenen, of op een ijzeren voetstuk geplaatst, staat een groote ijzeren pot, de kazan, het eenige gerei, waarvan zich de nomaden bedienen om hun potje te koken. Overigens zijn de werktuigen, die zij gebruiken bij het verrichten van hun dagelijksche bezigheden, noch talrijk, noch gecompliceerd. Behalve den kazan, hebben zij meestal een soort kan van geciseleerd koper, en twee of drie houtennappen; hun vingers moeten vorken en lepels vervangen. Voor het melken gebruiken ze emmers van dierenvel, en in leêren zakken wordt de melk bewaard.Lucifers zijn bij de Kirghizen niet bekend, ieder draagt een leeren zakje bij zich, met een vuursteen, een stuk ijzer, en een brok zwam. Van dat zakje en een klein stevig dolkmes, aan hun gordel bevestigd, zijn ze onafscheidelijk. Het mes wordt voor de meest verschillende doeleinden gebruikt; om dieren te dooden, vellen af te schrapen, hun hoofd te scheren, hout te snijden, enz. ’t Is het eenige scherpe werktuig, dat bij de nomaden in gebruik is.Al het werk komt neer op de vrouwen. Die hebben den geheelen dag volop te doen. Als ’s morgens het vee naar de weide is, maken zij koumiss van de melk van den vorigen dag, looien dierenhuiden, kloppen vilt, vlechten tres, maken kleeren, en als ze er tijd voor kunnen vinden, borduren ze ook nog met wol. ’s Avonds halen ze, geholpen door de grootste kinderen, het vee weer binnen, en binden de dieren aan lange touwen vast. Ondanks dien zwaren arbeid, die haar geen oogenblik verpoozing gunt, schijnen de vrouwen der Kirghizen niet ontevreden met haar lot. Ze zijn zeer vroolijk en altijd tot babbelen en lachen geneigd.De mannen brengen den dag door met op hun vrouwen te passen, en elkaar over en weer verhalen te doen, of te beraadslagen omtrent plannen, die ze in den zin hebben. Het gesprek loopt hoofdzakelijk over paarden. De taal der Kirghizen, overigens vrij arm, is uiterst rijk aan uitdrukkingen, die op paarden betrekking hebben; en elk jaar krijgen de dieren weer een anderen naam. Het paard is voor den Kirghies niet, zooals voor den Arabier, een voorwerp van vereering; zij hebben het niet weten te veredelen of verfijnen; maar het is hun onafscheidelijke metgezel, en zij zouden niet kunnen leven zonder dien trouwen kameraad. In de oudheid stelde men zich voor, dat de Tartaren verblijf hielden in deze onbekende streken, en de verbeelding dacht zich die half wilde wezens als centauren, half mensch, half paard. Aan die voorstelling beantwoordt nog steeds de Kirghies van thans.Als men hen te paard ziet zitten, schijnen ze als aan den zadel vastgegroeid, en hoewel dit van hout en zeer ongemakkelijk is, leggen zij zonder de minste vermoeienis lange dagreizen af, langs meestal gevaarlijke wegen. Van loopen houden ze echter volstrekt niet; ze worden spoedig moede, en zullen zonder noodzaak geen honderd schreden te voet gaan. Voor ’t geval, dat ze zich van hun yourte naar een andere willen begeven, staat altijd een paard aan den ingang der tent gereed. Ze zijn ontzettend lui, en kunnen slapen als marmotten. Men ziet ze nooit langer dan een paar minuten achtereen rechtop staan, en het is ondenkbaar, dat twee Kirghizen in staande houding een gesprek zouden voeren. Als ze elkaar iets te zeggen hebben, gaan ze op de hurken zitten, vatten elkaar bij beide handen, en in die positie bespreken zij alles, wat zij te verhandelen hebben. In die ongemakkelijke houding blijven ze soms een halven dag achtereen zitten.Nog een andere reden waarom de Kirghizen hun paarden in eere houden, is deze, dat zij uit de melk der paarden den koumiss bereiden. Alle Oosterlingen zijn dol op dien heerlijken drank; maar niemand is er blijkbaar zoo op verlekkerd als de Kirghizen. Zij leven van koumiss en voor koumiss alleen. Wilde men hen van dien drank berooven, dan zou men hen evengoed het genot van frissche lucht kunnen ontzeggen. Als ze zich niet letterlijk eraan hebben te buiten gegaan, zijn ze niet te houden; ze zouden uw karavaan in den steek laten, en de afgelegenste hoeken van het gebergte doorzoeken, om een aoul te vinden waar ze hun verlangen kunnen bevredigen. De zak met koumiss staat altijd voor den voorbijtrekkenden reiziger gereed en wordt hem nimmer geweigerd. De Kirghizen vinden het dan ook volstrekt niet noodig, op hun tochten voedsel mede te nemen; zij weten zeer goed, dat ze erop kunnen rekenen, in de aouls, op hun weg verspreid, voldoende onderhoud te vinden. Behalve koumiss, dien zij den geheelen dag door drinken, gebruiken de Kirghizen slechts één maaltijd per dag. Bij troepen van tien, vijftien, tot twintig personen vereenigen zij zich in de yourte om den kazan, waarin een geheel schaap gekookt wordt. Ieder haalt zijn pitchiak uit de scheede, grijpt een been, en gaat smakelijk aan ’t kluiven, terwijl men af en toe het vleeschnat toespreekt. Tot besluit volgt natuurlijk weer koumiss, die eerst, om hem goed te laten schuimen, duchtig wordt geschud. Als ze dan volop gegeten hebben, geven ze met welbehagen toe aan de onvermijdelijke slaapzucht, die het gevolg is van zulk een overvloedig maal. Thee en brood gebruiken alleen rijke lieden. Het laatste wordt in den aoul zelf toebereid uit gerstemeel, waarvan koeken worden gekneed, die zij bakken in schapenvet.De brandstof der Kirghizen bestaat bijna uitsluitend uit twijgen en wortels van den téo-goïrouk (kameelenstaart), die zoo genoemd wordt, omdat de takken ervan veel op dat aanhangsel gelijken. Het is een soort rhododendron, die in den grond geworteld, en met doornachtige takken, ongeveer een halven meter hoog is. Deze plant groeit tot op een hoogte van 3000 M.; altijd op de noordelijke berghellingen.Aan de aanwezigheid van die struiken hebben de nomaden het te danken, als zij zich kunnen ophouden in de hooggelegen dalen van den Tiensjan, welke, dicht bij de gletschers gelegen, lang groen blijven, ondanks de zomerhitte.Wanneer echter op honderd mijlen in den omtrek geen brandhout te vinden is, gebruiken de Kirghizen dierenmest als brandstof. Zulk een vuurtje is niet bevorderlijk voor de frischheid der atmosfeer in de benauwde yourte; maar overgevoelige reukzenuwen hebben de Kirghizen niet.Als zij niets beters te doen hebben, gaan zij somtijds op de jacht. Ze richten arenden af voor de vangst van vossen en pelsdieren, en dooden grootere dieren, zooals wolven, beren en ovispoli met een flintgeweer, waaraan, op ongeveer een derde van den loop, een beweegbaar steunsel is bevestigd voor het aanleggen. De Kirghies is echter geen geweldig Nimrod, en de tallooze dieren, die zich in de dalen van het Hemelsche gebergte ophouden, hebben van zijn zijde geen groot gevaar te duchten. Hij jaagt alleenom in zijn onderhoud te voorzien, en drijft geen handel in pelterijen.Men heeft dikwijls willen beweren, dat de Kirghizen woest en onhandelbaar zijn. Wij vonden hen integendeel zeer zachtaardig en onderworpen. Ook daarin verschillen zij van de Kozakken, want deze zijn diefachtig en niet te vertrouwen. De Kirghizen zijn volstrekt niet strijdlustig, zooals de Turkomanen en Afghanen; hun aard is zelfs bijzonder vreesachtig. Dreigt hun geen gevaar, dan zullen zij nooit geweld plegen. Diefstal komt bij hen zeer veel voor. Daarom moeten ze bijzondere zorg dragen voor hun kudden, die ’s nachts bij den aoul worden verzameld en door honden bewaakt. De Kirghizen zijn werkelijk buitengewoon goedaardig en naïef. Die eenvoud is zeker wel het gevolg van het leven, dat zij leiden en de afzondering, waarin zij hun dagen slijten. Fatalisten zijn ze allen en in alle omstandigheden. Alles is hun een goed of slecht voorteeken, het vallen van een draad op een witten steen, de kleurspelingen in een vlam, de vormen der wolken, een ontmoeting van bepaalde dieren; of het gezicht van een zekere bloem, alles heeft voor hen beteekenis, en van die toevallige kleinigheden laten zij dikwijls gewichtige besluiten afhangen.Ze nemen allerlei middelen te baat, om de booze geesten te bezweren. Men kan zich geen denkbeeld vormen van hun kinderachtige bijgeloovigheid. Een grillig gevormde rots, een struik in een kloof geworteld, een vallende meteoorsteen, of een warme bron, ’t zijn voor hen louter wonderbare verschijnselen, die zij niet anders dan met uitgespreide armen en vele kniebuigingen durven naderen.Ze noemen zich Sunitische Mohammedanen; maar zij zijn dit in werkelijkheid niet. Zij verrichten noch de wasschingen, noch de gebeden, die door den Koran worden voorgeschreven, zij hebben geen moskeeën, noch mollahs, en ondernemen nooit bedevaarten naar het graf van den Profeet. Wel hebben ze eenige gebruiken bewaard, die aan den mohammedaanschen godsdienst zijn ontleend; maar dat is slechts een uiterlijke vertooning, die zij ten behoeve van vreemdelingen ten beste geven. Feitelijk hebben zij geen bepaalden godsdienst, behalve enkele herinneringen aan de vele verschillende secten, waarvan het Noorden van Azië eertijds wemelde. Een voorschrift van den Koran volgen zij echter letterlijk op,n.l.dat omtrent de veelwijverij. Als het hem maar eenigszins mogelijk is, huwt de Kirghies twee, drie of meer vrouwen. Het aantal zijner echtgenooten staat in verband met het getal kudden, dat hij bezit; want dat is het ruilmiddel waarmede hij zijn vrouwen koopt. Vergezeld van eenige vrienden en verwanten, trekt hij bergop, bergaf, doorzoekt alle aouls, en geeft zich veel moeite om, desnoods door list, de meisjes, die bijna altijd in de hutten blijven, te zien te krijgen. Als hij een keuze heeft gedaan, worden met de ouders onderhandelingen aangeknoopt over de huwelijksgift. Na maandenlang loven en bieden wordt men het eindelijk eens, en van nu af telt het jonge meisje, om zoo te zeggen, niet meer mede.Als de koop gesloten is, mag zij gedurende een geheel jaar met geen andere mannen meer spreken dan haar familieleden en moet altijd in de yourte blijven, waar de andere vrouwen urenlang met haar komen babbelen, en haar helpen om haar uitzet gereed te maken.Het huwelijk wordt voltrokken door het hoofd van den stam. De plechtigheid bestaat voornamelijk in een wisseling van begroetingen tusschen het jonge paar en hun verwanten, waarna alle aanwezigen zich vereenigen tot een reuzenmaaltijd, waarbij de koumiss vloeit in stroomen en ieder zich te goed doet aan borsaks en schapenbout. Daarop biedt de jonge echtgenoot zijn schoonvader de beloofde kudden aan. Deze stelt een nauwkeurig onderzoek in naar den toestand der dieren, en telt ze, om zeker te zijn dat hij niet bedrogen wordt. In ruil daarvoor schenkt hij zijn schoonzoon, als bruidschat zijner dochter, eenige kameelen en paarden, die zoolang zij leeft haar eigendom blijven. De man behoudt en gebruikt ze, zoolang zijn vrouw onder zijn dak vertoeft; maar als hij haar verstoot, moet hij ze teruggeven, tenzij zij een misstap begaan heeft. De Kirghizen nemen niet meerdere vrouwen tegelijk ten huwelijk, zooals de Mohammedanen doen. Zij huwen slechts ééne; maar als deze hun na eenigen tijd niet meer behaagt, nemen zij een jongere vrouw, en zoo gaan zij voort, zoolang hun middelen hun dit veroorloven. De laatste is natuurlijk altijd de gunstelinge van haar echtgenoot; de anderen tellen niet meer mede. De jonggetrouwde zit op haar gemak in de yourte, verwend en vertroeteld door haar man, en de andere vrouwen werken buitenshuis en slapen afzonderlijk.Eer zij met de Russen in aanraking kwamen, kenden de Kirghizen het gebruik van het geld niet; zij ruilden hun koopwaren in voor vee. Ook thans nog hebben zij van tijdverdeeling geen begrip; zij weten niet hoe oud zij zijn, en zijn evenmin op de hoogte van het begin der mohammedaansche tijdrekening. Het jaar wordt ingedeeld naar de manen, en de maand naar het wassen en afnemen daarvan. Om een bepaalden tijdsduur aan te geven, spreken zij van een dag, een halven of een kwart dag, en zoo berekenen zij ook afstanden. Voor kleinere maten gebruiken zij hun arm, hand of voet.Hoogst zelden treft men onder de nomaden van den Tiensjan lieden aan, die kunnen lezen en schrijven. De meesten zijn zeer tevreden in hun staat van volslagen onwetendheid, en vertoonen niet de minste neiging om zich te ontworstelen aan den toestand van barbaarsche duisternis, waarin hun geest sedert eeuwen is gehuld. Dit gemis van de eerste beginselen der beschaving heeft hen ook altijd verhinderd, zich tot een geheel volk te vereenigen. Elke stam blijft binnen zijn eigen domein, en vermijdt de nabijheid zijner buren. Zij kampeeren op vaste plaatsen, en elke yourte wordt neergezet op dezelfde plek, waar zij het vorige jaar werd opgeslagen. Slaven der gewoonte zijn de Kirghizen, naar lichaam en ziel. Hun aanhankelijkheidsgevoel is weinig ontwikkeld. Gehechtheid aan personen of zaken kennen zij niet. Voor hun vrouwen koesteren zij geen andere gevoelens, dan die van het dier voor zijn wijfje, en de genegenheid voor hun kroost gaat ook niet zeer diep.Als zij aan hun bergen gehecht zijn, vloeit dit voort uit gewoonte; en zij zouden dan ook nergenselders het ongebonden, zwervend leven kunnen leiden, waaraan zij behoefte hebben.Hun kunstzin is nagenoeg niet ontwikkeld, doch zingen doen zij gaarne, zoowel de mannen als de vrouwen. Soms begeleiden zij dat gezang op een soort van gitaar, uit een massief stuk hout vervaardigd, waarover snaren van darmen zijn gespannen.Een ander muziek-instrument is een fluit, uit een uitgeholden boomtak gesneden, die rauwe en on welluidende klanken voortbrengt. Het is een volk, dat den trap der eerste kindsheid nog niet heeft overschreden. Maar zoolang zij binnen hun bergen blijven opgesloten, door hooge graniet wanden gescheiden van de bewoonde wereld, zullen de Kirghizen ongetwijfeld blijven zooals zij zijn.Kirghizen-voertuig uit het Irtach-dal.Kirghizen-voertuig uit het Irtach-dal.Wat de uitkomsten onzer reis naar het Hemelsche gebergte betreft, die uitsluitend met een wetenschappelijk doel werd ondernomen, kunnen wij tevreden zijn. Al ontdekten wij niet anders dan gletschers en stroomen, al zagen wij geen historische bouwvallen, en al liepen wij er geen gevaar, door kannibalen te worden verslonden, voor wie de bekoring ondergaat dezer woeste en maagdelijke natuur, zullen deze sombere, verlaten berggevaarten, deze wijde, schijnbaar onvruchtbare dalen niet langer verlaten en somber schijnen, daar zij hem spreken van het onbekende, zijn weetgierigheid prikkelen, en hem opwekken tot het naspeuren van de vele raadselen, welker oplossing hem nog wacht.In dien zin opgevat, mogen wij op onzen eentonigen en vermoeienden tocht met voldoening terugzien, daar ons onderzoek ons in staat gesteld heeft een nauwkeurig beeld te ontwerpen van een tot nog toe geheel onbekend gebleven gedeelte onzer aardoppervlakte. En dit eindresultaat, dat der geographische wetenschap ten goede komt, vergoedt ons ruimschoots de vermoeienissen en gevaren van onzen bezwaarlijken tocht.

V.De terugreis.—Het Irtach-dal.—Bij het douane-station.—Aankomst te Prjevalsk.—Wij gaan uiteen.Het Irtach-dal, dat bijna honderd wersten lang is, vertoont den vorm van een wijden Z. Het bovenste dwarsstreepje grenst aan de Terskeï-ala-Tao, die de vlakte afsluit, waarin het meer Issik-Koul is gelegen. Aan het eind van die dwarsstreep, waar het haakje ombuigt, ligt de Djoukoutchiak-pas, de gewone weg der nomaden, die zich naar Prjevalsk begeven.Dit zou ook onze terugweg zijn. Tegenover den pas, aan de zuidzijde, strekt zich een kring van weiden uit, waartusschen gletschers afdalen, welker stroomen een groote vlakte besproeien en verloopen in eene menigte kleine poelen en plassen. Deze pas, 3850 M. hoog, is zeer gevaarlijk voor de paarden; de hellingen zijn dan ook bezaaid met rottende lijken of met geraamten, die door de gieren zijn afgeknaagd, welke voor ons uitvliegen op onzen weg. Eerst moet men zich een weg banen tusschen steenen, en dan een ijshelling beklimmen, waarna men den rand der moraines volgt, tot aan de eerste grasvlakten. Langzamerhand geraken wij uit het hooggebergte in een boschrijke streek. De noordelijke helling van den Terskeï-ala-Tao is bedekt met wouden, waarin zich zoovele dieren ophouden, dat men geen stap kan doen, zonder ze naar alle zijden te doen wegvluchten onder de struiken, waaruit zwermen vogels opvliegen.Dit dal sluit zich aan bij de Zououka-vallei, waardoor de karavanen trekken, die geregeld vrachtgoederen vervoeren tusschen Viernyi en Kasjgar. Dat vervoer is uitsluitend in handen van een stam der Sarten, en de post gaat over van vader op zoon. Onderweg vinden zij dikwijls nog gelegenheid, om onder de nomaden hun slag te slaan, en kostbare pelterijen in te ruilen tegen katoentjes en snuisterijen uit Rusland. De lieden, die aan deze tochten deelnemen, slijten hun geheele leven in de Hemelsche Bergen, in alle jaargetijden. Hun familie trekt mede, de vrouwen wijdbeens op balen katoen of rollen linnen gezeten, de kinderen veilig geborgen in houten kooien, die aan beide zijden van den zadel zijn bevestigd. Bij het douanenstation van Zoukoua, aan het begin der vallei, zien wij hoe de goederen gevisiteerd worden. Ze zijn in schilderachtige verwarring op het gras uitgespreid, en schapen en honden wandelen er overheen. De beambten zien op hun gemak na, of er ook contrabande onder schuilt, en laten geen enkel pakket ongeopend de revue passeeren. Ze laten zelfs de vrouwen zich ontkleeden, om te zien, of zij ook verboden waar onder hare kleeren verborgen hebben.Natuurlijk hebben zij altoos gelijk, en noch het heftig verzet der vrouwen, noch de scheldwoorden der mannen brengen hen van hun stuk. Soms worden er stokslagen uitgedeeld, als het eenvoudigste middel om de zaak in ’t reine te brengen. De vrouwen zijn voor zulke reizigsters bijzonder fraai gekleed. Ze dragen zilveren sieraden om den hals, en aan hare ooren hangen kettingen, die tot op de schouders bengelen, en telkens verward raken in de knoopen van haar lijfje.Na Zououka wordt het dal zeer breed; de beide zijden nemen zichtbaar in hoogte af, en worden langgestrekte heuvels, die aan steenen muren doen denken. Werkelijk geven die lage, roode rotswanden, waardoor diepe, horizontale groeven en kleine, loodrechte insnijdingen loopen, den indruk van twee geweldige gemetselde dijken, die een denkbeeldigen stroom moeten insluiten. De bodem vertoont overal die zelfde roode kleur, zoodat de rivier, als er regen valt, een bloedstroom gelijkt, die uit een of ander reuzen-abattoir is losgebroken. Terwijl wij steeds lager dalen, en het gebergte achter ons laten, zien wij vaag, als in een droom, een witte wolk oprijzen aan den horizon, als een windveer in de lucht. Het is de Koungheï-ala-Tao, aan de overzijde van het meer Issik-koul, waarvan de zachtblauwe waterspiegel zich voor ons uitbreidt, in het trillende, gulden waas, dat uit den grond schijnt op te stijgen.De vallei van Issik-koul is overal waar men het oog laat rusten, even bekoorlijk. De wisselende tinten van het landschap zijn zoo ijl en doorzichtig, en de lijnen van elk tafereel zoo wazig en onbestemd, dat men zich vol verrukking overgeeft aan de indrukken, gewekt door het aanschouwen van grootschheid, die met bevalligheid gepaard gaat.Weldra komen wij te Slifkina, een kozakkendorp, op de grens tusschen de beschaafde wereld en het Hemelsche Gebergte gelegen. ’t Is het laatste russische dorp in de streek ten Zuiden en Westen van het meer Issik-koul. Men kan zich niet voorstellen, hoe blijde wij zijn, eindelijk eens weer menschelijke wezens te zien, die geen Kirghizen zijn, en woningen, die er anders uitzien dan de yourtes. ’t Is werkelijk, alsof we in een groote stad zijn aangekomen. De verwarde haren en scharlaken kleeding der kozakken doen ons oog bepaald aangenaam aan, en het welgedane voorkomen der roodwangige russische vrouwen maakt thans op ons een geheel anderen indruk dan vroeger. Wij vinden ze nu bijna mooi. Met de matigheid, die wij zoo lang hebben moeten betrachten, is het nu ook gedaan. We halen onze schade in, en doen ons te goed aan pivo en heerlijke goudgele appelen, terwijl we des avonds een stevig maal eer aan doen van eieren, kip, aardappels, rijst en vruchten. Slifkina of Kizil-sou, zooals de Kirghizen hetnoemen, ligt dertig wersten ten Westen van Prjevalsk. Niet meer over gletschers, door steenen, noch langs afgronden voert ons pad; wij rijden rustig over een breeden, witten weg, die als een lint door groene velden slingert. Geen sprake meer van bezorgdheid over de meer of mindere doorwaadbaarheid der rivieren, nu de hoeven onzer paarden vroolijk over de stevige bruggen trappelen, die de oevers verbinden van elken stroom.En toch, ondanks die rust en die veiligheid, komt die kalme, vlakke streek ons na de eerste twintig werst eentonig voor, en wij verbeelden ons, dat het rijden hier ons veel meer vermoeit dan onze tochten door de bergen. En dan die zon,—en dat stof!...Kort daarna kwamen wij behouden te Prjevalsk. Om een al te plotselingen overgang te vermijden, sliepen wij niet in het posthuis; maar kampeerden buiten, in een boomgaard.Twee dagen later, den 4den September, gingen wij ieder onzes weegs. Zurbriggen en Abbas keerden terug naar Tasjkent; terwijl de prins en ik onze reis voortzetten naar Siberië.VI.De Kirghizen.—Oorsprong van het ras.—Kozakken en Kirghizen.—Verdeeling der Bourouts.—Kleederdracht.—De yourte.—Zeden en gebruiken.—Huwelijk.—Besluit.De wetenschap heeft haar laatste woord nog niet gesproken omtrent de samengestelde stammen, die slechts een karig levensonderhoud vinden in die gedeelten van Midden-Azië, welke wij thans hadden bezocht. Meerdere reizigers meenen die lastige vraag bevredigend te hebben opgelost. Waar het onderzoek van den geleerde zich grondt op de geschiedenis, en zekere bewijzen bestaan voor den samenhang van bepaalde gebeurtenissen, kan men licht een stelsel opbouwen, een redeneering volgen, die niet al te veel van de waarheid afwijkt.Maar niet alle volken hebben achter zich, wat men een geschiedenis noemt; niet allen bezitten bewijzen van hun ouderdom of gedenkteekenen, die ons hun verleden weder voor den geest roepen. Door bergen of woestijnen afgesloten, zonder ooit den invloed der beschaving te hebben ondergaan of deze met opzet ontwijkend, uit vrees hun vrijheid te verliezen, zijn zulke volken gebleven in den primitieven staat, waarin zij zich bevonden van den beginne. Met de dieren en als de dieren levend, hebben zij nooit behoefte gevoeld, in dien toestand verandering te brengen. Tot die volken behooren ook de Kirghizen. Zij zijn nagenoeg dezelfden als voor 2000 jaar. En in al die eeuwen hebben zij niets verricht, dat den geleerde opheldering zou kunnen verschaffen omtrent hunne afstamming of de wisselvalligheden van hun bestaan. Nog steeds verdiept men zich in gissingen omtrent den oorsprong van hun naam. In het Turksch schijnt het woord: “landbewoners” te beteekenen; terwijl het in de taal der nomaden vertaald kan worden door: “veertig meisjes” (Karr-Keuz). Wij zouden eer vermoeden, dat in de chineesche taal de juiste oplossing van dit raadsel is te vinden. Sedert de 10de eeuw van onze jaartelling wordt in chineesche boeken gesproken van een volk, dat den Tiensjan-Nan-Sou bewoont, het zuidelijk deel van het Hemelsche gebergte. Later, tegen het eind der 13e eeuw, spreekt de beroemde zendeling Hiouen Tsang, de eerste man, die het aziatische vasteland bereisde, van de Ki-zi-li-tsé, die hij op zijn tochten had leeren kennen. Hij zegt, dat hij Kirghizen ontmoet heeft in het dal van Dzoungarie. Deze streek zou, volgens hem, hun aangenomen vaderland zijn geweest; oorspronkelijk bewoonden zij het oostelijk deel van het Altaï-gebergte. Onophoudelijk bedreigd door de Mongolen in het Zuiden en de Tartaren in het Noorden, waren zij gedwongen eerst naar het Tabargataï-gebergte te verhuizen en daarna, eenige eeuwen later, naar de Hemelsche bergen. De naam Ki-zi-li-tsé zou later veranderd zijn in Kirr-ki-tsé, toen het volk van dien naam zich tot het Mohammedaansche geloof had bekeerd.De heer Ujfalvy de Mezö-Kovesd heeft bij zijn onderzoekingen in Turkestanrassenverwantschapmeenen te ontdekken tusschen de bewoners der steppen en die van het gebergte. Volgens hem, en andere reizigers, zou er geen onderscheid bestaan tusschen de Kara-Kirghizen en de Kirghizen-Kazakken, de nomaden uit de vlakte.Al leiden deze volken echter hetzelfde leven, en al kleeden zij zich nagenoeg op dezelfde wijze, hun taal is niettemin zeer verschillend. En bovendien koesteren zij jegens elkander zulk een hevigen haat, dat het bijna niet mogelijk is aan stamverwantschap tusschen die beide volken te gelooven.Uit anthropologisch oogpunt beschouwd, vertoonen de beide typen ook opvallende punten van verschil. Hun lichaamsbouw, de vorm van hun hoofd, hun gelaatstint, de soort en kleur van hun haar, dat alles is geheel verschillend. Het is dus wel wat voorbarig, te beweren, dat de Kazakken niet anders dan Kirghizen zijn. Om dit te kunnen vaststellen, moest men overtuigende bewijsgronden kunnen aanvoeren, verzameld na een langdurig verblijf in die streek.Ons zijn alleen bekend de Kirghizen, of Bourouts, een volk, dat uitsluitend in de dalen van den Tiensjan woont; van Pamir tot Dzoungarie; van het meer Issik-koul tot Ak-sou. Het is onmogelijk, hun aantal ook maar bij benadering vast te stellen. Men hoort het getal 400 zoowel als 500 000 noemen; maar er zullen er nog wel tweemaal zooveel zijn in de werkelijkheid. Als men aan een der hoofden vraagt, hoeveel lieden in zijn aoul wonen, kan hij het niet zeggen; wel weet hij precies, hoeveel schapen en paarden zijn volkje bezit. Men kan de Kirghizen ook moeilijk rangschikken in verschillende groepen. Hun land is niet eens geheel en al bekend, en er zijn dus stellig stammen, die nooit met vreemdelingen in aanraking zijn geweest.De berichten der nomaden zelf dienaangaande zijn volstrekt niet te vertrouwen. Tot nu toe verdeelt men de Kirghizen in twee groote groepen, de linker- en de rechtergroep. De eerste,solgenaamd, omvat het bekken van den Naryn, den hoogen Oxus en de Kok-Chaal-daria.Die groep wordt onderscheiden in 4 stammen: Koutchi, Sorou, Moundouz en Kitaïs. De laatste benaming dragen zij, die chineesch grondgebied bewonen.De rechter groep,ongenaamd, houdt zich op inhet bekken van het meer Issik-koul, en de dalen rondom de Khan-Tengri-groep. Zij wordt verdeeld in zeven stammen: Bogon, Sary-Baghichtch, Son-Baghichtch, Soulton, Echerik, Sagaz en Bassindz.Het russische gouvernement volgt een andere indeeling, op het voorbeeld der aoulbewoners, die hun buren in de andere valleien eenvoudig noemen naar de plaatsen, waar ze gewoonlijk kampeeren. Zoo noemen zij de lieden, die in de omstreken huizen van het Tourghent-dal, Tourghensky, en blijven ook verder aan dien regel getrouw.Het spreekt van zelf, dat de russische regeering het aantal harer onderdanen in deze streken volstrekt niet kent. De meesten ontsnappen dan ook aan de, overigens niet hooge, belasting van anderhalven roebel per yourte of familie. Die schatting is de eenige band, welke hen aan Rusland bindt; want ze zijn volstrekt niet veranderd sedert de verovering van Turkestan, en nog even vrij en onafhankelijk als voorheen.De karavanen brengen hun leven door in de Hemelsche bergen en hun familie vervoeren zij met hunne koopwaar.De karavanen brengen hun leven door in de Hemelsche bergen en hun familie vervoeren zij met hunne koopwaar.De Kirghizen zijn in den regel goed gebouwd en zeer sterk. Ze hebben een dikken neus, een stompen gelaatshoek, uitstekende jukbeenderen, en zwarte, kleine, schuinstaande oogen, evenals de Chineezen. De baardgroei is zeer gering. Hun haar is sluik en zwart; blonde personen ziet men zeer zelden. Dikwijls treft men onder hen zuiver mongoolsche typen aan. De mannen zijn goed geproportionneerd en niet terugstootend.Het voorkomen der vrouwen heeft weinig aantrekkelijks. De jonge meisjes hebben vrij geregelde gelaatstrekken; maar, al zijn ze niet mager, hare vormen zijn hoekig en schraal. Ze hebben echter mooie zwarte oogen en prachtige tanden. Haar costuum draagt er echter niet toe bij, hare bekoorlijkheid te verhoogen.De kleederdracht der Kirghizen is uiterst eenvoudig. Over een bont katoenen hemd, met bespottelijk lange mouwen, en een wijde, lange linnen broek, met een gordel om het middel vastgemaakt, dragen zoowel vrouwen als mannen een soort overkleed van cretonne, met wol of watten gevoerd, dat op de borst met houten knoopen wordt gesloten, en om het middel wordt vastgehouden door eene lange sjerp, die van voren geknoopt wordt. De mouwen van dit kleedingstuk reiken niet eens tot aan den elleboog; maar die van het hemd vallen over de hand, en worden telkens door een snelle beweging van den pols weer opgeschoven. Dat gebaar maken de Kirghizen nu al eeuwen lang.Deze primitieve kleedij wordt binnenshuis gedragen, en ook des zomers, als zij buiten zijn. Hooge, tot de knie reikende laarzen, met hielen van minstens 10cM.hoog, en een smerig kapje op hun kaalgeschoren kruin voltooien hun costuum. In den winter en op hun reizen trachten de Kirghizen zich tegen de koude te beschermen door hun wijden tschiapann, een grooten, gevoerden overjas, waarin ze geheel verdwijnen. Soms dragen ze, bij strenge koude, twee, drie of meer van die omhulsels over elkaar. Daarbij bedekken ze dan hun hoofd met een ronden, wit vilten hoed met een zwarten rand, van voren neer, van achteren opgeslagen. Dat hoofddeksel is van chineeschen oorsprong, en daar niet ieder zich zulk een hoed kan verschaffen, dragen zij in de plaats daarvan ook wel een muts van ruw vilt, met lamsvel gevoerd.Dat staat niet leelijk, en past goed bij hun overig costuum. Zulke mutsen kunnen in de bergen over de ooren getrokken worden, en als het regent, wordt de lamsvacht naar buiten gekeerd. De vrouwen gaan precies zoo gekleed als de mannen; alleen in kleinigheden is eenig verschil op te merken. Hare laarzen zijn sierlijker, met zijde geboord, of met randjes van gekleurd leer versierd, en de hielen en teenen zijn met koper beslagen. Haar broeken zijn wijder en langer, en haretschiapannszijn vervaardigd van fijnere en bontgekleurde stoffen; soms wel van zijde uit Bokhara of Kasjgar.Met haar kleine oogjes, uitstekende jukbeenderen en dikke neuzen, zijn de Kirghizenvrouwen van Kaënde bijzonder leelijkMet haar kleine oogjes, uitstekende jukbeenderen en dikke neuzen, zijn de Kirghizenvrouwen van Kaënde bijzonder leelijkHet merkwaardigste onderdeel van de kleederdracht der Kirghizenvrouwen is de witte kap, dien zij op het hoofd dragen, en die haar op nonnen doet gelijken. ’t Is een cylindervormig gewonden band van gesteven linnen, wel 30cM.breed, die om het hoofd sluit, en waarvan de einden los op den rug hangen. Het haar wordt glad achterover gekamd, en zorgvuldig onder die soort van doos verborgen, die tevens als bergplaats dient van kleine voorwerpen voor dagelijksch gebruik. Een bijzonder praktische inrichting, zooals men ziet.Van achteren wordt het haar in twee of meer vlechten gevlochten, waarvan er eenige op den rug neerhangen, en met een kettinkje of gesp zijn vastgemaakt. Daaraan bengelt weer een bos sleutels, of koperen plaatjes, die tot op de hielen hangen, zoodat ze bij elke beweging een rinkelend geluid maken. Dien tulband of eletchik dragen alleen de getrouwde vrouwen.De jonge meisjes zijn meer behaagziek. Zij tooien zich met mutsen van vossenvel, waarop een bosje arendsveeren prijkt. Het haar vlechten ze in een menigte dunne vlechtjes, die langs de slapen en op den rug neerhangen, waar ze worden bijeengehouden door een lap stof, met glazen kralen versierd. Als jonge meisjes een man willen veroveren, flonkeren ze van blinkende sieraden en trachten zich zoo rijk mogelijk uit te dossen. Maar later moeten zij dikwijls zwaar voor hare ijdelheid boeten, want ze worden de slavinnen van mannen, die haar geheel in hun macht hebben en gewoonlijk ruw behandelen.De yourte der Kirghizen is niet zoo ruim als die der Kozakken, of als de kibitka der Turkomanen. Zij is bescheidener van afmeting en minder weelderig ingericht. De Kirghizen moeten dikwijls verhuizen, wegens gebrek aan weidegrond. Bovendien noodzaken hen de strenge en langdurige winters, de afmetingen van hun woonvertrekken tot een minimum te beperken, om ten minste nog zooveel mogelijk warmte te genieten bij het weinigje brandstof, waarover zij kunnen beschikken. De tenten der Kirghizen bestaan uit een geraamte van buigzaam hout, dat met paaltjes in den grond wordt gestoken en met riemen van dierenhuid doorvlochten is. Dat geraamte is ongeveer twee of drie meter hoog, en evenzoo breed. De zoldering wordt gesteund door houten latten, die schuin oploopen naar een opening in het midden, welke als schoorsteen, en tevens als venster dient. Over dit onderstel worden zware lappen vilt geslagen, die met touwen worden omwonden en bevestigd.Zulk een tent wordt binnen eenige minuten opgeslagen, of weer afgebroken, en kan door twee kameelen worden vervoerd. De inrichting is, zelfs bij rijkere lieden, zeer eenvoudig. De stapels vilt, die als matrassen dienst doen, de houten kisten, zakken, paardetuig en dergelijke benoodigdheden liggen over den grond verspreid, of worden langs de zijden van de tent opgehangen. Midden in de yourte, op drie rechtopstaande steenen, of op een ijzeren voetstuk geplaatst, staat een groote ijzeren pot, de kazan, het eenige gerei, waarvan zich de nomaden bedienen om hun potje te koken. Overigens zijn de werktuigen, die zij gebruiken bij het verrichten van hun dagelijksche bezigheden, noch talrijk, noch gecompliceerd. Behalve den kazan, hebben zij meestal een soort kan van geciseleerd koper, en twee of drie houtennappen; hun vingers moeten vorken en lepels vervangen. Voor het melken gebruiken ze emmers van dierenvel, en in leêren zakken wordt de melk bewaard.Lucifers zijn bij de Kirghizen niet bekend, ieder draagt een leeren zakje bij zich, met een vuursteen, een stuk ijzer, en een brok zwam. Van dat zakje en een klein stevig dolkmes, aan hun gordel bevestigd, zijn ze onafscheidelijk. Het mes wordt voor de meest verschillende doeleinden gebruikt; om dieren te dooden, vellen af te schrapen, hun hoofd te scheren, hout te snijden, enz. ’t Is het eenige scherpe werktuig, dat bij de nomaden in gebruik is.Al het werk komt neer op de vrouwen. Die hebben den geheelen dag volop te doen. Als ’s morgens het vee naar de weide is, maken zij koumiss van de melk van den vorigen dag, looien dierenhuiden, kloppen vilt, vlechten tres, maken kleeren, en als ze er tijd voor kunnen vinden, borduren ze ook nog met wol. ’s Avonds halen ze, geholpen door de grootste kinderen, het vee weer binnen, en binden de dieren aan lange touwen vast. Ondanks dien zwaren arbeid, die haar geen oogenblik verpoozing gunt, schijnen de vrouwen der Kirghizen niet ontevreden met haar lot. Ze zijn zeer vroolijk en altijd tot babbelen en lachen geneigd.De mannen brengen den dag door met op hun vrouwen te passen, en elkaar over en weer verhalen te doen, of te beraadslagen omtrent plannen, die ze in den zin hebben. Het gesprek loopt hoofdzakelijk over paarden. De taal der Kirghizen, overigens vrij arm, is uiterst rijk aan uitdrukkingen, die op paarden betrekking hebben; en elk jaar krijgen de dieren weer een anderen naam. Het paard is voor den Kirghies niet, zooals voor den Arabier, een voorwerp van vereering; zij hebben het niet weten te veredelen of verfijnen; maar het is hun onafscheidelijke metgezel, en zij zouden niet kunnen leven zonder dien trouwen kameraad. In de oudheid stelde men zich voor, dat de Tartaren verblijf hielden in deze onbekende streken, en de verbeelding dacht zich die half wilde wezens als centauren, half mensch, half paard. Aan die voorstelling beantwoordt nog steeds de Kirghies van thans.Als men hen te paard ziet zitten, schijnen ze als aan den zadel vastgegroeid, en hoewel dit van hout en zeer ongemakkelijk is, leggen zij zonder de minste vermoeienis lange dagreizen af, langs meestal gevaarlijke wegen. Van loopen houden ze echter volstrekt niet; ze worden spoedig moede, en zullen zonder noodzaak geen honderd schreden te voet gaan. Voor ’t geval, dat ze zich van hun yourte naar een andere willen begeven, staat altijd een paard aan den ingang der tent gereed. Ze zijn ontzettend lui, en kunnen slapen als marmotten. Men ziet ze nooit langer dan een paar minuten achtereen rechtop staan, en het is ondenkbaar, dat twee Kirghizen in staande houding een gesprek zouden voeren. Als ze elkaar iets te zeggen hebben, gaan ze op de hurken zitten, vatten elkaar bij beide handen, en in die positie bespreken zij alles, wat zij te verhandelen hebben. In die ongemakkelijke houding blijven ze soms een halven dag achtereen zitten.Nog een andere reden waarom de Kirghizen hun paarden in eere houden, is deze, dat zij uit de melk der paarden den koumiss bereiden. Alle Oosterlingen zijn dol op dien heerlijken drank; maar niemand is er blijkbaar zoo op verlekkerd als de Kirghizen. Zij leven van koumiss en voor koumiss alleen. Wilde men hen van dien drank berooven, dan zou men hen evengoed het genot van frissche lucht kunnen ontzeggen. Als ze zich niet letterlijk eraan hebben te buiten gegaan, zijn ze niet te houden; ze zouden uw karavaan in den steek laten, en de afgelegenste hoeken van het gebergte doorzoeken, om een aoul te vinden waar ze hun verlangen kunnen bevredigen. De zak met koumiss staat altijd voor den voorbijtrekkenden reiziger gereed en wordt hem nimmer geweigerd. De Kirghizen vinden het dan ook volstrekt niet noodig, op hun tochten voedsel mede te nemen; zij weten zeer goed, dat ze erop kunnen rekenen, in de aouls, op hun weg verspreid, voldoende onderhoud te vinden. Behalve koumiss, dien zij den geheelen dag door drinken, gebruiken de Kirghizen slechts één maaltijd per dag. Bij troepen van tien, vijftien, tot twintig personen vereenigen zij zich in de yourte om den kazan, waarin een geheel schaap gekookt wordt. Ieder haalt zijn pitchiak uit de scheede, grijpt een been, en gaat smakelijk aan ’t kluiven, terwijl men af en toe het vleeschnat toespreekt. Tot besluit volgt natuurlijk weer koumiss, die eerst, om hem goed te laten schuimen, duchtig wordt geschud. Als ze dan volop gegeten hebben, geven ze met welbehagen toe aan de onvermijdelijke slaapzucht, die het gevolg is van zulk een overvloedig maal. Thee en brood gebruiken alleen rijke lieden. Het laatste wordt in den aoul zelf toebereid uit gerstemeel, waarvan koeken worden gekneed, die zij bakken in schapenvet.De brandstof der Kirghizen bestaat bijna uitsluitend uit twijgen en wortels van den téo-goïrouk (kameelenstaart), die zoo genoemd wordt, omdat de takken ervan veel op dat aanhangsel gelijken. Het is een soort rhododendron, die in den grond geworteld, en met doornachtige takken, ongeveer een halven meter hoog is. Deze plant groeit tot op een hoogte van 3000 M.; altijd op de noordelijke berghellingen.Aan de aanwezigheid van die struiken hebben de nomaden het te danken, als zij zich kunnen ophouden in de hooggelegen dalen van den Tiensjan, welke, dicht bij de gletschers gelegen, lang groen blijven, ondanks de zomerhitte.Wanneer echter op honderd mijlen in den omtrek geen brandhout te vinden is, gebruiken de Kirghizen dierenmest als brandstof. Zulk een vuurtje is niet bevorderlijk voor de frischheid der atmosfeer in de benauwde yourte; maar overgevoelige reukzenuwen hebben de Kirghizen niet.Als zij niets beters te doen hebben, gaan zij somtijds op de jacht. Ze richten arenden af voor de vangst van vossen en pelsdieren, en dooden grootere dieren, zooals wolven, beren en ovispoli met een flintgeweer, waaraan, op ongeveer een derde van den loop, een beweegbaar steunsel is bevestigd voor het aanleggen. De Kirghies is echter geen geweldig Nimrod, en de tallooze dieren, die zich in de dalen van het Hemelsche gebergte ophouden, hebben van zijn zijde geen groot gevaar te duchten. Hij jaagt alleenom in zijn onderhoud te voorzien, en drijft geen handel in pelterijen.Men heeft dikwijls willen beweren, dat de Kirghizen woest en onhandelbaar zijn. Wij vonden hen integendeel zeer zachtaardig en onderworpen. Ook daarin verschillen zij van de Kozakken, want deze zijn diefachtig en niet te vertrouwen. De Kirghizen zijn volstrekt niet strijdlustig, zooals de Turkomanen en Afghanen; hun aard is zelfs bijzonder vreesachtig. Dreigt hun geen gevaar, dan zullen zij nooit geweld plegen. Diefstal komt bij hen zeer veel voor. Daarom moeten ze bijzondere zorg dragen voor hun kudden, die ’s nachts bij den aoul worden verzameld en door honden bewaakt. De Kirghizen zijn werkelijk buitengewoon goedaardig en naïef. Die eenvoud is zeker wel het gevolg van het leven, dat zij leiden en de afzondering, waarin zij hun dagen slijten. Fatalisten zijn ze allen en in alle omstandigheden. Alles is hun een goed of slecht voorteeken, het vallen van een draad op een witten steen, de kleurspelingen in een vlam, de vormen der wolken, een ontmoeting van bepaalde dieren; of het gezicht van een zekere bloem, alles heeft voor hen beteekenis, en van die toevallige kleinigheden laten zij dikwijls gewichtige besluiten afhangen.Ze nemen allerlei middelen te baat, om de booze geesten te bezweren. Men kan zich geen denkbeeld vormen van hun kinderachtige bijgeloovigheid. Een grillig gevormde rots, een struik in een kloof geworteld, een vallende meteoorsteen, of een warme bron, ’t zijn voor hen louter wonderbare verschijnselen, die zij niet anders dan met uitgespreide armen en vele kniebuigingen durven naderen.Ze noemen zich Sunitische Mohammedanen; maar zij zijn dit in werkelijkheid niet. Zij verrichten noch de wasschingen, noch de gebeden, die door den Koran worden voorgeschreven, zij hebben geen moskeeën, noch mollahs, en ondernemen nooit bedevaarten naar het graf van den Profeet. Wel hebben ze eenige gebruiken bewaard, die aan den mohammedaanschen godsdienst zijn ontleend; maar dat is slechts een uiterlijke vertooning, die zij ten behoeve van vreemdelingen ten beste geven. Feitelijk hebben zij geen bepaalden godsdienst, behalve enkele herinneringen aan de vele verschillende secten, waarvan het Noorden van Azië eertijds wemelde. Een voorschrift van den Koran volgen zij echter letterlijk op,n.l.dat omtrent de veelwijverij. Als het hem maar eenigszins mogelijk is, huwt de Kirghies twee, drie of meer vrouwen. Het aantal zijner echtgenooten staat in verband met het getal kudden, dat hij bezit; want dat is het ruilmiddel waarmede hij zijn vrouwen koopt. Vergezeld van eenige vrienden en verwanten, trekt hij bergop, bergaf, doorzoekt alle aouls, en geeft zich veel moeite om, desnoods door list, de meisjes, die bijna altijd in de hutten blijven, te zien te krijgen. Als hij een keuze heeft gedaan, worden met de ouders onderhandelingen aangeknoopt over de huwelijksgift. Na maandenlang loven en bieden wordt men het eindelijk eens, en van nu af telt het jonge meisje, om zoo te zeggen, niet meer mede.Als de koop gesloten is, mag zij gedurende een geheel jaar met geen andere mannen meer spreken dan haar familieleden en moet altijd in de yourte blijven, waar de andere vrouwen urenlang met haar komen babbelen, en haar helpen om haar uitzet gereed te maken.Het huwelijk wordt voltrokken door het hoofd van den stam. De plechtigheid bestaat voornamelijk in een wisseling van begroetingen tusschen het jonge paar en hun verwanten, waarna alle aanwezigen zich vereenigen tot een reuzenmaaltijd, waarbij de koumiss vloeit in stroomen en ieder zich te goed doet aan borsaks en schapenbout. Daarop biedt de jonge echtgenoot zijn schoonvader de beloofde kudden aan. Deze stelt een nauwkeurig onderzoek in naar den toestand der dieren, en telt ze, om zeker te zijn dat hij niet bedrogen wordt. In ruil daarvoor schenkt hij zijn schoonzoon, als bruidschat zijner dochter, eenige kameelen en paarden, die zoolang zij leeft haar eigendom blijven. De man behoudt en gebruikt ze, zoolang zijn vrouw onder zijn dak vertoeft; maar als hij haar verstoot, moet hij ze teruggeven, tenzij zij een misstap begaan heeft. De Kirghizen nemen niet meerdere vrouwen tegelijk ten huwelijk, zooals de Mohammedanen doen. Zij huwen slechts ééne; maar als deze hun na eenigen tijd niet meer behaagt, nemen zij een jongere vrouw, en zoo gaan zij voort, zoolang hun middelen hun dit veroorloven. De laatste is natuurlijk altijd de gunstelinge van haar echtgenoot; de anderen tellen niet meer mede. De jonggetrouwde zit op haar gemak in de yourte, verwend en vertroeteld door haar man, en de andere vrouwen werken buitenshuis en slapen afzonderlijk.Eer zij met de Russen in aanraking kwamen, kenden de Kirghizen het gebruik van het geld niet; zij ruilden hun koopwaren in voor vee. Ook thans nog hebben zij van tijdverdeeling geen begrip; zij weten niet hoe oud zij zijn, en zijn evenmin op de hoogte van het begin der mohammedaansche tijdrekening. Het jaar wordt ingedeeld naar de manen, en de maand naar het wassen en afnemen daarvan. Om een bepaalden tijdsduur aan te geven, spreken zij van een dag, een halven of een kwart dag, en zoo berekenen zij ook afstanden. Voor kleinere maten gebruiken zij hun arm, hand of voet.Hoogst zelden treft men onder de nomaden van den Tiensjan lieden aan, die kunnen lezen en schrijven. De meesten zijn zeer tevreden in hun staat van volslagen onwetendheid, en vertoonen niet de minste neiging om zich te ontworstelen aan den toestand van barbaarsche duisternis, waarin hun geest sedert eeuwen is gehuld. Dit gemis van de eerste beginselen der beschaving heeft hen ook altijd verhinderd, zich tot een geheel volk te vereenigen. Elke stam blijft binnen zijn eigen domein, en vermijdt de nabijheid zijner buren. Zij kampeeren op vaste plaatsen, en elke yourte wordt neergezet op dezelfde plek, waar zij het vorige jaar werd opgeslagen. Slaven der gewoonte zijn de Kirghizen, naar lichaam en ziel. Hun aanhankelijkheidsgevoel is weinig ontwikkeld. Gehechtheid aan personen of zaken kennen zij niet. Voor hun vrouwen koesteren zij geen andere gevoelens, dan die van het dier voor zijn wijfje, en de genegenheid voor hun kroost gaat ook niet zeer diep.Als zij aan hun bergen gehecht zijn, vloeit dit voort uit gewoonte; en zij zouden dan ook nergenselders het ongebonden, zwervend leven kunnen leiden, waaraan zij behoefte hebben.Hun kunstzin is nagenoeg niet ontwikkeld, doch zingen doen zij gaarne, zoowel de mannen als de vrouwen. Soms begeleiden zij dat gezang op een soort van gitaar, uit een massief stuk hout vervaardigd, waarover snaren van darmen zijn gespannen.Een ander muziek-instrument is een fluit, uit een uitgeholden boomtak gesneden, die rauwe en on welluidende klanken voortbrengt. Het is een volk, dat den trap der eerste kindsheid nog niet heeft overschreden. Maar zoolang zij binnen hun bergen blijven opgesloten, door hooge graniet wanden gescheiden van de bewoonde wereld, zullen de Kirghizen ongetwijfeld blijven zooals zij zijn.Kirghizen-voertuig uit het Irtach-dal.Kirghizen-voertuig uit het Irtach-dal.Wat de uitkomsten onzer reis naar het Hemelsche gebergte betreft, die uitsluitend met een wetenschappelijk doel werd ondernomen, kunnen wij tevreden zijn. Al ontdekten wij niet anders dan gletschers en stroomen, al zagen wij geen historische bouwvallen, en al liepen wij er geen gevaar, door kannibalen te worden verslonden, voor wie de bekoring ondergaat dezer woeste en maagdelijke natuur, zullen deze sombere, verlaten berggevaarten, deze wijde, schijnbaar onvruchtbare dalen niet langer verlaten en somber schijnen, daar zij hem spreken van het onbekende, zijn weetgierigheid prikkelen, en hem opwekken tot het naspeuren van de vele raadselen, welker oplossing hem nog wacht.In dien zin opgevat, mogen wij op onzen eentonigen en vermoeienden tocht met voldoening terugzien, daar ons onderzoek ons in staat gesteld heeft een nauwkeurig beeld te ontwerpen van een tot nog toe geheel onbekend gebleven gedeelte onzer aardoppervlakte. En dit eindresultaat, dat der geographische wetenschap ten goede komt, vergoedt ons ruimschoots de vermoeienissen en gevaren van onzen bezwaarlijken tocht.

V.De terugreis.—Het Irtach-dal.—Bij het douane-station.—Aankomst te Prjevalsk.—Wij gaan uiteen.Het Irtach-dal, dat bijna honderd wersten lang is, vertoont den vorm van een wijden Z. Het bovenste dwarsstreepje grenst aan de Terskeï-ala-Tao, die de vlakte afsluit, waarin het meer Issik-Koul is gelegen. Aan het eind van die dwarsstreep, waar het haakje ombuigt, ligt de Djoukoutchiak-pas, de gewone weg der nomaden, die zich naar Prjevalsk begeven.Dit zou ook onze terugweg zijn. Tegenover den pas, aan de zuidzijde, strekt zich een kring van weiden uit, waartusschen gletschers afdalen, welker stroomen een groote vlakte besproeien en verloopen in eene menigte kleine poelen en plassen. Deze pas, 3850 M. hoog, is zeer gevaarlijk voor de paarden; de hellingen zijn dan ook bezaaid met rottende lijken of met geraamten, die door de gieren zijn afgeknaagd, welke voor ons uitvliegen op onzen weg. Eerst moet men zich een weg banen tusschen steenen, en dan een ijshelling beklimmen, waarna men den rand der moraines volgt, tot aan de eerste grasvlakten. Langzamerhand geraken wij uit het hooggebergte in een boschrijke streek. De noordelijke helling van den Terskeï-ala-Tao is bedekt met wouden, waarin zich zoovele dieren ophouden, dat men geen stap kan doen, zonder ze naar alle zijden te doen wegvluchten onder de struiken, waaruit zwermen vogels opvliegen.Dit dal sluit zich aan bij de Zououka-vallei, waardoor de karavanen trekken, die geregeld vrachtgoederen vervoeren tusschen Viernyi en Kasjgar. Dat vervoer is uitsluitend in handen van een stam der Sarten, en de post gaat over van vader op zoon. Onderweg vinden zij dikwijls nog gelegenheid, om onder de nomaden hun slag te slaan, en kostbare pelterijen in te ruilen tegen katoentjes en snuisterijen uit Rusland. De lieden, die aan deze tochten deelnemen, slijten hun geheele leven in de Hemelsche Bergen, in alle jaargetijden. Hun familie trekt mede, de vrouwen wijdbeens op balen katoen of rollen linnen gezeten, de kinderen veilig geborgen in houten kooien, die aan beide zijden van den zadel zijn bevestigd. Bij het douanenstation van Zoukoua, aan het begin der vallei, zien wij hoe de goederen gevisiteerd worden. Ze zijn in schilderachtige verwarring op het gras uitgespreid, en schapen en honden wandelen er overheen. De beambten zien op hun gemak na, of er ook contrabande onder schuilt, en laten geen enkel pakket ongeopend de revue passeeren. Ze laten zelfs de vrouwen zich ontkleeden, om te zien, of zij ook verboden waar onder hare kleeren verborgen hebben.Natuurlijk hebben zij altoos gelijk, en noch het heftig verzet der vrouwen, noch de scheldwoorden der mannen brengen hen van hun stuk. Soms worden er stokslagen uitgedeeld, als het eenvoudigste middel om de zaak in ’t reine te brengen. De vrouwen zijn voor zulke reizigsters bijzonder fraai gekleed. Ze dragen zilveren sieraden om den hals, en aan hare ooren hangen kettingen, die tot op de schouders bengelen, en telkens verward raken in de knoopen van haar lijfje.Na Zououka wordt het dal zeer breed; de beide zijden nemen zichtbaar in hoogte af, en worden langgestrekte heuvels, die aan steenen muren doen denken. Werkelijk geven die lage, roode rotswanden, waardoor diepe, horizontale groeven en kleine, loodrechte insnijdingen loopen, den indruk van twee geweldige gemetselde dijken, die een denkbeeldigen stroom moeten insluiten. De bodem vertoont overal die zelfde roode kleur, zoodat de rivier, als er regen valt, een bloedstroom gelijkt, die uit een of ander reuzen-abattoir is losgebroken. Terwijl wij steeds lager dalen, en het gebergte achter ons laten, zien wij vaag, als in een droom, een witte wolk oprijzen aan den horizon, als een windveer in de lucht. Het is de Koungheï-ala-Tao, aan de overzijde van het meer Issik-koul, waarvan de zachtblauwe waterspiegel zich voor ons uitbreidt, in het trillende, gulden waas, dat uit den grond schijnt op te stijgen.De vallei van Issik-koul is overal waar men het oog laat rusten, even bekoorlijk. De wisselende tinten van het landschap zijn zoo ijl en doorzichtig, en de lijnen van elk tafereel zoo wazig en onbestemd, dat men zich vol verrukking overgeeft aan de indrukken, gewekt door het aanschouwen van grootschheid, die met bevalligheid gepaard gaat.Weldra komen wij te Slifkina, een kozakkendorp, op de grens tusschen de beschaafde wereld en het Hemelsche Gebergte gelegen. ’t Is het laatste russische dorp in de streek ten Zuiden en Westen van het meer Issik-koul. Men kan zich niet voorstellen, hoe blijde wij zijn, eindelijk eens weer menschelijke wezens te zien, die geen Kirghizen zijn, en woningen, die er anders uitzien dan de yourtes. ’t Is werkelijk, alsof we in een groote stad zijn aangekomen. De verwarde haren en scharlaken kleeding der kozakken doen ons oog bepaald aangenaam aan, en het welgedane voorkomen der roodwangige russische vrouwen maakt thans op ons een geheel anderen indruk dan vroeger. Wij vinden ze nu bijna mooi. Met de matigheid, die wij zoo lang hebben moeten betrachten, is het nu ook gedaan. We halen onze schade in, en doen ons te goed aan pivo en heerlijke goudgele appelen, terwijl we des avonds een stevig maal eer aan doen van eieren, kip, aardappels, rijst en vruchten. Slifkina of Kizil-sou, zooals de Kirghizen hetnoemen, ligt dertig wersten ten Westen van Prjevalsk. Niet meer over gletschers, door steenen, noch langs afgronden voert ons pad; wij rijden rustig over een breeden, witten weg, die als een lint door groene velden slingert. Geen sprake meer van bezorgdheid over de meer of mindere doorwaadbaarheid der rivieren, nu de hoeven onzer paarden vroolijk over de stevige bruggen trappelen, die de oevers verbinden van elken stroom.En toch, ondanks die rust en die veiligheid, komt die kalme, vlakke streek ons na de eerste twintig werst eentonig voor, en wij verbeelden ons, dat het rijden hier ons veel meer vermoeit dan onze tochten door de bergen. En dan die zon,—en dat stof!...Kort daarna kwamen wij behouden te Prjevalsk. Om een al te plotselingen overgang te vermijden, sliepen wij niet in het posthuis; maar kampeerden buiten, in een boomgaard.Twee dagen later, den 4den September, gingen wij ieder onzes weegs. Zurbriggen en Abbas keerden terug naar Tasjkent; terwijl de prins en ik onze reis voortzetten naar Siberië.

De terugreis.—Het Irtach-dal.—Bij het douane-station.—Aankomst te Prjevalsk.—Wij gaan uiteen.

De terugreis.—Het Irtach-dal.—Bij het douane-station.—Aankomst te Prjevalsk.—Wij gaan uiteen.

Het Irtach-dal, dat bijna honderd wersten lang is, vertoont den vorm van een wijden Z. Het bovenste dwarsstreepje grenst aan de Terskeï-ala-Tao, die de vlakte afsluit, waarin het meer Issik-Koul is gelegen. Aan het eind van die dwarsstreep, waar het haakje ombuigt, ligt de Djoukoutchiak-pas, de gewone weg der nomaden, die zich naar Prjevalsk begeven.

Dit zou ook onze terugweg zijn. Tegenover den pas, aan de zuidzijde, strekt zich een kring van weiden uit, waartusschen gletschers afdalen, welker stroomen een groote vlakte besproeien en verloopen in eene menigte kleine poelen en plassen. Deze pas, 3850 M. hoog, is zeer gevaarlijk voor de paarden; de hellingen zijn dan ook bezaaid met rottende lijken of met geraamten, die door de gieren zijn afgeknaagd, welke voor ons uitvliegen op onzen weg. Eerst moet men zich een weg banen tusschen steenen, en dan een ijshelling beklimmen, waarna men den rand der moraines volgt, tot aan de eerste grasvlakten. Langzamerhand geraken wij uit het hooggebergte in een boschrijke streek. De noordelijke helling van den Terskeï-ala-Tao is bedekt met wouden, waarin zich zoovele dieren ophouden, dat men geen stap kan doen, zonder ze naar alle zijden te doen wegvluchten onder de struiken, waaruit zwermen vogels opvliegen.

Dit dal sluit zich aan bij de Zououka-vallei, waardoor de karavanen trekken, die geregeld vrachtgoederen vervoeren tusschen Viernyi en Kasjgar. Dat vervoer is uitsluitend in handen van een stam der Sarten, en de post gaat over van vader op zoon. Onderweg vinden zij dikwijls nog gelegenheid, om onder de nomaden hun slag te slaan, en kostbare pelterijen in te ruilen tegen katoentjes en snuisterijen uit Rusland. De lieden, die aan deze tochten deelnemen, slijten hun geheele leven in de Hemelsche Bergen, in alle jaargetijden. Hun familie trekt mede, de vrouwen wijdbeens op balen katoen of rollen linnen gezeten, de kinderen veilig geborgen in houten kooien, die aan beide zijden van den zadel zijn bevestigd. Bij het douanenstation van Zoukoua, aan het begin der vallei, zien wij hoe de goederen gevisiteerd worden. Ze zijn in schilderachtige verwarring op het gras uitgespreid, en schapen en honden wandelen er overheen. De beambten zien op hun gemak na, of er ook contrabande onder schuilt, en laten geen enkel pakket ongeopend de revue passeeren. Ze laten zelfs de vrouwen zich ontkleeden, om te zien, of zij ook verboden waar onder hare kleeren verborgen hebben.

Natuurlijk hebben zij altoos gelijk, en noch het heftig verzet der vrouwen, noch de scheldwoorden der mannen brengen hen van hun stuk. Soms worden er stokslagen uitgedeeld, als het eenvoudigste middel om de zaak in ’t reine te brengen. De vrouwen zijn voor zulke reizigsters bijzonder fraai gekleed. Ze dragen zilveren sieraden om den hals, en aan hare ooren hangen kettingen, die tot op de schouders bengelen, en telkens verward raken in de knoopen van haar lijfje.

Na Zououka wordt het dal zeer breed; de beide zijden nemen zichtbaar in hoogte af, en worden langgestrekte heuvels, die aan steenen muren doen denken. Werkelijk geven die lage, roode rotswanden, waardoor diepe, horizontale groeven en kleine, loodrechte insnijdingen loopen, den indruk van twee geweldige gemetselde dijken, die een denkbeeldigen stroom moeten insluiten. De bodem vertoont overal die zelfde roode kleur, zoodat de rivier, als er regen valt, een bloedstroom gelijkt, die uit een of ander reuzen-abattoir is losgebroken. Terwijl wij steeds lager dalen, en het gebergte achter ons laten, zien wij vaag, als in een droom, een witte wolk oprijzen aan den horizon, als een windveer in de lucht. Het is de Koungheï-ala-Tao, aan de overzijde van het meer Issik-koul, waarvan de zachtblauwe waterspiegel zich voor ons uitbreidt, in het trillende, gulden waas, dat uit den grond schijnt op te stijgen.

De vallei van Issik-koul is overal waar men het oog laat rusten, even bekoorlijk. De wisselende tinten van het landschap zijn zoo ijl en doorzichtig, en de lijnen van elk tafereel zoo wazig en onbestemd, dat men zich vol verrukking overgeeft aan de indrukken, gewekt door het aanschouwen van grootschheid, die met bevalligheid gepaard gaat.

Weldra komen wij te Slifkina, een kozakkendorp, op de grens tusschen de beschaafde wereld en het Hemelsche Gebergte gelegen. ’t Is het laatste russische dorp in de streek ten Zuiden en Westen van het meer Issik-koul. Men kan zich niet voorstellen, hoe blijde wij zijn, eindelijk eens weer menschelijke wezens te zien, die geen Kirghizen zijn, en woningen, die er anders uitzien dan de yourtes. ’t Is werkelijk, alsof we in een groote stad zijn aangekomen. De verwarde haren en scharlaken kleeding der kozakken doen ons oog bepaald aangenaam aan, en het welgedane voorkomen der roodwangige russische vrouwen maakt thans op ons een geheel anderen indruk dan vroeger. Wij vinden ze nu bijna mooi. Met de matigheid, die wij zoo lang hebben moeten betrachten, is het nu ook gedaan. We halen onze schade in, en doen ons te goed aan pivo en heerlijke goudgele appelen, terwijl we des avonds een stevig maal eer aan doen van eieren, kip, aardappels, rijst en vruchten. Slifkina of Kizil-sou, zooals de Kirghizen hetnoemen, ligt dertig wersten ten Westen van Prjevalsk. Niet meer over gletschers, door steenen, noch langs afgronden voert ons pad; wij rijden rustig over een breeden, witten weg, die als een lint door groene velden slingert. Geen sprake meer van bezorgdheid over de meer of mindere doorwaadbaarheid der rivieren, nu de hoeven onzer paarden vroolijk over de stevige bruggen trappelen, die de oevers verbinden van elken stroom.

En toch, ondanks die rust en die veiligheid, komt die kalme, vlakke streek ons na de eerste twintig werst eentonig voor, en wij verbeelden ons, dat het rijden hier ons veel meer vermoeit dan onze tochten door de bergen. En dan die zon,—en dat stof!...

Kort daarna kwamen wij behouden te Prjevalsk. Om een al te plotselingen overgang te vermijden, sliepen wij niet in het posthuis; maar kampeerden buiten, in een boomgaard.

Twee dagen later, den 4den September, gingen wij ieder onzes weegs. Zurbriggen en Abbas keerden terug naar Tasjkent; terwijl de prins en ik onze reis voortzetten naar Siberië.

VI.De Kirghizen.—Oorsprong van het ras.—Kozakken en Kirghizen.—Verdeeling der Bourouts.—Kleederdracht.—De yourte.—Zeden en gebruiken.—Huwelijk.—Besluit.De wetenschap heeft haar laatste woord nog niet gesproken omtrent de samengestelde stammen, die slechts een karig levensonderhoud vinden in die gedeelten van Midden-Azië, welke wij thans hadden bezocht. Meerdere reizigers meenen die lastige vraag bevredigend te hebben opgelost. Waar het onderzoek van den geleerde zich grondt op de geschiedenis, en zekere bewijzen bestaan voor den samenhang van bepaalde gebeurtenissen, kan men licht een stelsel opbouwen, een redeneering volgen, die niet al te veel van de waarheid afwijkt.Maar niet alle volken hebben achter zich, wat men een geschiedenis noemt; niet allen bezitten bewijzen van hun ouderdom of gedenkteekenen, die ons hun verleden weder voor den geest roepen. Door bergen of woestijnen afgesloten, zonder ooit den invloed der beschaving te hebben ondergaan of deze met opzet ontwijkend, uit vrees hun vrijheid te verliezen, zijn zulke volken gebleven in den primitieven staat, waarin zij zich bevonden van den beginne. Met de dieren en als de dieren levend, hebben zij nooit behoefte gevoeld, in dien toestand verandering te brengen. Tot die volken behooren ook de Kirghizen. Zij zijn nagenoeg dezelfden als voor 2000 jaar. En in al die eeuwen hebben zij niets verricht, dat den geleerde opheldering zou kunnen verschaffen omtrent hunne afstamming of de wisselvalligheden van hun bestaan. Nog steeds verdiept men zich in gissingen omtrent den oorsprong van hun naam. In het Turksch schijnt het woord: “landbewoners” te beteekenen; terwijl het in de taal der nomaden vertaald kan worden door: “veertig meisjes” (Karr-Keuz). Wij zouden eer vermoeden, dat in de chineesche taal de juiste oplossing van dit raadsel is te vinden. Sedert de 10de eeuw van onze jaartelling wordt in chineesche boeken gesproken van een volk, dat den Tiensjan-Nan-Sou bewoont, het zuidelijk deel van het Hemelsche gebergte. Later, tegen het eind der 13e eeuw, spreekt de beroemde zendeling Hiouen Tsang, de eerste man, die het aziatische vasteland bereisde, van de Ki-zi-li-tsé, die hij op zijn tochten had leeren kennen. Hij zegt, dat hij Kirghizen ontmoet heeft in het dal van Dzoungarie. Deze streek zou, volgens hem, hun aangenomen vaderland zijn geweest; oorspronkelijk bewoonden zij het oostelijk deel van het Altaï-gebergte. Onophoudelijk bedreigd door de Mongolen in het Zuiden en de Tartaren in het Noorden, waren zij gedwongen eerst naar het Tabargataï-gebergte te verhuizen en daarna, eenige eeuwen later, naar de Hemelsche bergen. De naam Ki-zi-li-tsé zou later veranderd zijn in Kirr-ki-tsé, toen het volk van dien naam zich tot het Mohammedaansche geloof had bekeerd.De heer Ujfalvy de Mezö-Kovesd heeft bij zijn onderzoekingen in Turkestanrassenverwantschapmeenen te ontdekken tusschen de bewoners der steppen en die van het gebergte. Volgens hem, en andere reizigers, zou er geen onderscheid bestaan tusschen de Kara-Kirghizen en de Kirghizen-Kazakken, de nomaden uit de vlakte.Al leiden deze volken echter hetzelfde leven, en al kleeden zij zich nagenoeg op dezelfde wijze, hun taal is niettemin zeer verschillend. En bovendien koesteren zij jegens elkander zulk een hevigen haat, dat het bijna niet mogelijk is aan stamverwantschap tusschen die beide volken te gelooven.Uit anthropologisch oogpunt beschouwd, vertoonen de beide typen ook opvallende punten van verschil. Hun lichaamsbouw, de vorm van hun hoofd, hun gelaatstint, de soort en kleur van hun haar, dat alles is geheel verschillend. Het is dus wel wat voorbarig, te beweren, dat de Kazakken niet anders dan Kirghizen zijn. Om dit te kunnen vaststellen, moest men overtuigende bewijsgronden kunnen aanvoeren, verzameld na een langdurig verblijf in die streek.Ons zijn alleen bekend de Kirghizen, of Bourouts, een volk, dat uitsluitend in de dalen van den Tiensjan woont; van Pamir tot Dzoungarie; van het meer Issik-koul tot Ak-sou. Het is onmogelijk, hun aantal ook maar bij benadering vast te stellen. Men hoort het getal 400 zoowel als 500 000 noemen; maar er zullen er nog wel tweemaal zooveel zijn in de werkelijkheid. Als men aan een der hoofden vraagt, hoeveel lieden in zijn aoul wonen, kan hij het niet zeggen; wel weet hij precies, hoeveel schapen en paarden zijn volkje bezit. Men kan de Kirghizen ook moeilijk rangschikken in verschillende groepen. Hun land is niet eens geheel en al bekend, en er zijn dus stellig stammen, die nooit met vreemdelingen in aanraking zijn geweest.De berichten der nomaden zelf dienaangaande zijn volstrekt niet te vertrouwen. Tot nu toe verdeelt men de Kirghizen in twee groote groepen, de linker- en de rechtergroep. De eerste,solgenaamd, omvat het bekken van den Naryn, den hoogen Oxus en de Kok-Chaal-daria.Die groep wordt onderscheiden in 4 stammen: Koutchi, Sorou, Moundouz en Kitaïs. De laatste benaming dragen zij, die chineesch grondgebied bewonen.De rechter groep,ongenaamd, houdt zich op inhet bekken van het meer Issik-koul, en de dalen rondom de Khan-Tengri-groep. Zij wordt verdeeld in zeven stammen: Bogon, Sary-Baghichtch, Son-Baghichtch, Soulton, Echerik, Sagaz en Bassindz.Het russische gouvernement volgt een andere indeeling, op het voorbeeld der aoulbewoners, die hun buren in de andere valleien eenvoudig noemen naar de plaatsen, waar ze gewoonlijk kampeeren. Zoo noemen zij de lieden, die in de omstreken huizen van het Tourghent-dal, Tourghensky, en blijven ook verder aan dien regel getrouw.Het spreekt van zelf, dat de russische regeering het aantal harer onderdanen in deze streken volstrekt niet kent. De meesten ontsnappen dan ook aan de, overigens niet hooge, belasting van anderhalven roebel per yourte of familie. Die schatting is de eenige band, welke hen aan Rusland bindt; want ze zijn volstrekt niet veranderd sedert de verovering van Turkestan, en nog even vrij en onafhankelijk als voorheen.De karavanen brengen hun leven door in de Hemelsche bergen en hun familie vervoeren zij met hunne koopwaar.De karavanen brengen hun leven door in de Hemelsche bergen en hun familie vervoeren zij met hunne koopwaar.De Kirghizen zijn in den regel goed gebouwd en zeer sterk. Ze hebben een dikken neus, een stompen gelaatshoek, uitstekende jukbeenderen, en zwarte, kleine, schuinstaande oogen, evenals de Chineezen. De baardgroei is zeer gering. Hun haar is sluik en zwart; blonde personen ziet men zeer zelden. Dikwijls treft men onder hen zuiver mongoolsche typen aan. De mannen zijn goed geproportionneerd en niet terugstootend.Het voorkomen der vrouwen heeft weinig aantrekkelijks. De jonge meisjes hebben vrij geregelde gelaatstrekken; maar, al zijn ze niet mager, hare vormen zijn hoekig en schraal. Ze hebben echter mooie zwarte oogen en prachtige tanden. Haar costuum draagt er echter niet toe bij, hare bekoorlijkheid te verhoogen.De kleederdracht der Kirghizen is uiterst eenvoudig. Over een bont katoenen hemd, met bespottelijk lange mouwen, en een wijde, lange linnen broek, met een gordel om het middel vastgemaakt, dragen zoowel vrouwen als mannen een soort overkleed van cretonne, met wol of watten gevoerd, dat op de borst met houten knoopen wordt gesloten, en om het middel wordt vastgehouden door eene lange sjerp, die van voren geknoopt wordt. De mouwen van dit kleedingstuk reiken niet eens tot aan den elleboog; maar die van het hemd vallen over de hand, en worden telkens door een snelle beweging van den pols weer opgeschoven. Dat gebaar maken de Kirghizen nu al eeuwen lang.Deze primitieve kleedij wordt binnenshuis gedragen, en ook des zomers, als zij buiten zijn. Hooge, tot de knie reikende laarzen, met hielen van minstens 10cM.hoog, en een smerig kapje op hun kaalgeschoren kruin voltooien hun costuum. In den winter en op hun reizen trachten de Kirghizen zich tegen de koude te beschermen door hun wijden tschiapann, een grooten, gevoerden overjas, waarin ze geheel verdwijnen. Soms dragen ze, bij strenge koude, twee, drie of meer van die omhulsels over elkaar. Daarbij bedekken ze dan hun hoofd met een ronden, wit vilten hoed met een zwarten rand, van voren neer, van achteren opgeslagen. Dat hoofddeksel is van chineeschen oorsprong, en daar niet ieder zich zulk een hoed kan verschaffen, dragen zij in de plaats daarvan ook wel een muts van ruw vilt, met lamsvel gevoerd.Dat staat niet leelijk, en past goed bij hun overig costuum. Zulke mutsen kunnen in de bergen over de ooren getrokken worden, en als het regent, wordt de lamsvacht naar buiten gekeerd. De vrouwen gaan precies zoo gekleed als de mannen; alleen in kleinigheden is eenig verschil op te merken. Hare laarzen zijn sierlijker, met zijde geboord, of met randjes van gekleurd leer versierd, en de hielen en teenen zijn met koper beslagen. Haar broeken zijn wijder en langer, en haretschiapannszijn vervaardigd van fijnere en bontgekleurde stoffen; soms wel van zijde uit Bokhara of Kasjgar.Met haar kleine oogjes, uitstekende jukbeenderen en dikke neuzen, zijn de Kirghizenvrouwen van Kaënde bijzonder leelijkMet haar kleine oogjes, uitstekende jukbeenderen en dikke neuzen, zijn de Kirghizenvrouwen van Kaënde bijzonder leelijkHet merkwaardigste onderdeel van de kleederdracht der Kirghizenvrouwen is de witte kap, dien zij op het hoofd dragen, en die haar op nonnen doet gelijken. ’t Is een cylindervormig gewonden band van gesteven linnen, wel 30cM.breed, die om het hoofd sluit, en waarvan de einden los op den rug hangen. Het haar wordt glad achterover gekamd, en zorgvuldig onder die soort van doos verborgen, die tevens als bergplaats dient van kleine voorwerpen voor dagelijksch gebruik. Een bijzonder praktische inrichting, zooals men ziet.Van achteren wordt het haar in twee of meer vlechten gevlochten, waarvan er eenige op den rug neerhangen, en met een kettinkje of gesp zijn vastgemaakt. Daaraan bengelt weer een bos sleutels, of koperen plaatjes, die tot op de hielen hangen, zoodat ze bij elke beweging een rinkelend geluid maken. Dien tulband of eletchik dragen alleen de getrouwde vrouwen.De jonge meisjes zijn meer behaagziek. Zij tooien zich met mutsen van vossenvel, waarop een bosje arendsveeren prijkt. Het haar vlechten ze in een menigte dunne vlechtjes, die langs de slapen en op den rug neerhangen, waar ze worden bijeengehouden door een lap stof, met glazen kralen versierd. Als jonge meisjes een man willen veroveren, flonkeren ze van blinkende sieraden en trachten zich zoo rijk mogelijk uit te dossen. Maar later moeten zij dikwijls zwaar voor hare ijdelheid boeten, want ze worden de slavinnen van mannen, die haar geheel in hun macht hebben en gewoonlijk ruw behandelen.De yourte der Kirghizen is niet zoo ruim als die der Kozakken, of als de kibitka der Turkomanen. Zij is bescheidener van afmeting en minder weelderig ingericht. De Kirghizen moeten dikwijls verhuizen, wegens gebrek aan weidegrond. Bovendien noodzaken hen de strenge en langdurige winters, de afmetingen van hun woonvertrekken tot een minimum te beperken, om ten minste nog zooveel mogelijk warmte te genieten bij het weinigje brandstof, waarover zij kunnen beschikken. De tenten der Kirghizen bestaan uit een geraamte van buigzaam hout, dat met paaltjes in den grond wordt gestoken en met riemen van dierenhuid doorvlochten is. Dat geraamte is ongeveer twee of drie meter hoog, en evenzoo breed. De zoldering wordt gesteund door houten latten, die schuin oploopen naar een opening in het midden, welke als schoorsteen, en tevens als venster dient. Over dit onderstel worden zware lappen vilt geslagen, die met touwen worden omwonden en bevestigd.Zulk een tent wordt binnen eenige minuten opgeslagen, of weer afgebroken, en kan door twee kameelen worden vervoerd. De inrichting is, zelfs bij rijkere lieden, zeer eenvoudig. De stapels vilt, die als matrassen dienst doen, de houten kisten, zakken, paardetuig en dergelijke benoodigdheden liggen over den grond verspreid, of worden langs de zijden van de tent opgehangen. Midden in de yourte, op drie rechtopstaande steenen, of op een ijzeren voetstuk geplaatst, staat een groote ijzeren pot, de kazan, het eenige gerei, waarvan zich de nomaden bedienen om hun potje te koken. Overigens zijn de werktuigen, die zij gebruiken bij het verrichten van hun dagelijksche bezigheden, noch talrijk, noch gecompliceerd. Behalve den kazan, hebben zij meestal een soort kan van geciseleerd koper, en twee of drie houtennappen; hun vingers moeten vorken en lepels vervangen. Voor het melken gebruiken ze emmers van dierenvel, en in leêren zakken wordt de melk bewaard.Lucifers zijn bij de Kirghizen niet bekend, ieder draagt een leeren zakje bij zich, met een vuursteen, een stuk ijzer, en een brok zwam. Van dat zakje en een klein stevig dolkmes, aan hun gordel bevestigd, zijn ze onafscheidelijk. Het mes wordt voor de meest verschillende doeleinden gebruikt; om dieren te dooden, vellen af te schrapen, hun hoofd te scheren, hout te snijden, enz. ’t Is het eenige scherpe werktuig, dat bij de nomaden in gebruik is.Al het werk komt neer op de vrouwen. Die hebben den geheelen dag volop te doen. Als ’s morgens het vee naar de weide is, maken zij koumiss van de melk van den vorigen dag, looien dierenhuiden, kloppen vilt, vlechten tres, maken kleeren, en als ze er tijd voor kunnen vinden, borduren ze ook nog met wol. ’s Avonds halen ze, geholpen door de grootste kinderen, het vee weer binnen, en binden de dieren aan lange touwen vast. Ondanks dien zwaren arbeid, die haar geen oogenblik verpoozing gunt, schijnen de vrouwen der Kirghizen niet ontevreden met haar lot. Ze zijn zeer vroolijk en altijd tot babbelen en lachen geneigd.De mannen brengen den dag door met op hun vrouwen te passen, en elkaar over en weer verhalen te doen, of te beraadslagen omtrent plannen, die ze in den zin hebben. Het gesprek loopt hoofdzakelijk over paarden. De taal der Kirghizen, overigens vrij arm, is uiterst rijk aan uitdrukkingen, die op paarden betrekking hebben; en elk jaar krijgen de dieren weer een anderen naam. Het paard is voor den Kirghies niet, zooals voor den Arabier, een voorwerp van vereering; zij hebben het niet weten te veredelen of verfijnen; maar het is hun onafscheidelijke metgezel, en zij zouden niet kunnen leven zonder dien trouwen kameraad. In de oudheid stelde men zich voor, dat de Tartaren verblijf hielden in deze onbekende streken, en de verbeelding dacht zich die half wilde wezens als centauren, half mensch, half paard. Aan die voorstelling beantwoordt nog steeds de Kirghies van thans.Als men hen te paard ziet zitten, schijnen ze als aan den zadel vastgegroeid, en hoewel dit van hout en zeer ongemakkelijk is, leggen zij zonder de minste vermoeienis lange dagreizen af, langs meestal gevaarlijke wegen. Van loopen houden ze echter volstrekt niet; ze worden spoedig moede, en zullen zonder noodzaak geen honderd schreden te voet gaan. Voor ’t geval, dat ze zich van hun yourte naar een andere willen begeven, staat altijd een paard aan den ingang der tent gereed. Ze zijn ontzettend lui, en kunnen slapen als marmotten. Men ziet ze nooit langer dan een paar minuten achtereen rechtop staan, en het is ondenkbaar, dat twee Kirghizen in staande houding een gesprek zouden voeren. Als ze elkaar iets te zeggen hebben, gaan ze op de hurken zitten, vatten elkaar bij beide handen, en in die positie bespreken zij alles, wat zij te verhandelen hebben. In die ongemakkelijke houding blijven ze soms een halven dag achtereen zitten.Nog een andere reden waarom de Kirghizen hun paarden in eere houden, is deze, dat zij uit de melk der paarden den koumiss bereiden. Alle Oosterlingen zijn dol op dien heerlijken drank; maar niemand is er blijkbaar zoo op verlekkerd als de Kirghizen. Zij leven van koumiss en voor koumiss alleen. Wilde men hen van dien drank berooven, dan zou men hen evengoed het genot van frissche lucht kunnen ontzeggen. Als ze zich niet letterlijk eraan hebben te buiten gegaan, zijn ze niet te houden; ze zouden uw karavaan in den steek laten, en de afgelegenste hoeken van het gebergte doorzoeken, om een aoul te vinden waar ze hun verlangen kunnen bevredigen. De zak met koumiss staat altijd voor den voorbijtrekkenden reiziger gereed en wordt hem nimmer geweigerd. De Kirghizen vinden het dan ook volstrekt niet noodig, op hun tochten voedsel mede te nemen; zij weten zeer goed, dat ze erop kunnen rekenen, in de aouls, op hun weg verspreid, voldoende onderhoud te vinden. Behalve koumiss, dien zij den geheelen dag door drinken, gebruiken de Kirghizen slechts één maaltijd per dag. Bij troepen van tien, vijftien, tot twintig personen vereenigen zij zich in de yourte om den kazan, waarin een geheel schaap gekookt wordt. Ieder haalt zijn pitchiak uit de scheede, grijpt een been, en gaat smakelijk aan ’t kluiven, terwijl men af en toe het vleeschnat toespreekt. Tot besluit volgt natuurlijk weer koumiss, die eerst, om hem goed te laten schuimen, duchtig wordt geschud. Als ze dan volop gegeten hebben, geven ze met welbehagen toe aan de onvermijdelijke slaapzucht, die het gevolg is van zulk een overvloedig maal. Thee en brood gebruiken alleen rijke lieden. Het laatste wordt in den aoul zelf toebereid uit gerstemeel, waarvan koeken worden gekneed, die zij bakken in schapenvet.De brandstof der Kirghizen bestaat bijna uitsluitend uit twijgen en wortels van den téo-goïrouk (kameelenstaart), die zoo genoemd wordt, omdat de takken ervan veel op dat aanhangsel gelijken. Het is een soort rhododendron, die in den grond geworteld, en met doornachtige takken, ongeveer een halven meter hoog is. Deze plant groeit tot op een hoogte van 3000 M.; altijd op de noordelijke berghellingen.Aan de aanwezigheid van die struiken hebben de nomaden het te danken, als zij zich kunnen ophouden in de hooggelegen dalen van den Tiensjan, welke, dicht bij de gletschers gelegen, lang groen blijven, ondanks de zomerhitte.Wanneer echter op honderd mijlen in den omtrek geen brandhout te vinden is, gebruiken de Kirghizen dierenmest als brandstof. Zulk een vuurtje is niet bevorderlijk voor de frischheid der atmosfeer in de benauwde yourte; maar overgevoelige reukzenuwen hebben de Kirghizen niet.Als zij niets beters te doen hebben, gaan zij somtijds op de jacht. Ze richten arenden af voor de vangst van vossen en pelsdieren, en dooden grootere dieren, zooals wolven, beren en ovispoli met een flintgeweer, waaraan, op ongeveer een derde van den loop, een beweegbaar steunsel is bevestigd voor het aanleggen. De Kirghies is echter geen geweldig Nimrod, en de tallooze dieren, die zich in de dalen van het Hemelsche gebergte ophouden, hebben van zijn zijde geen groot gevaar te duchten. Hij jaagt alleenom in zijn onderhoud te voorzien, en drijft geen handel in pelterijen.Men heeft dikwijls willen beweren, dat de Kirghizen woest en onhandelbaar zijn. Wij vonden hen integendeel zeer zachtaardig en onderworpen. Ook daarin verschillen zij van de Kozakken, want deze zijn diefachtig en niet te vertrouwen. De Kirghizen zijn volstrekt niet strijdlustig, zooals de Turkomanen en Afghanen; hun aard is zelfs bijzonder vreesachtig. Dreigt hun geen gevaar, dan zullen zij nooit geweld plegen. Diefstal komt bij hen zeer veel voor. Daarom moeten ze bijzondere zorg dragen voor hun kudden, die ’s nachts bij den aoul worden verzameld en door honden bewaakt. De Kirghizen zijn werkelijk buitengewoon goedaardig en naïef. Die eenvoud is zeker wel het gevolg van het leven, dat zij leiden en de afzondering, waarin zij hun dagen slijten. Fatalisten zijn ze allen en in alle omstandigheden. Alles is hun een goed of slecht voorteeken, het vallen van een draad op een witten steen, de kleurspelingen in een vlam, de vormen der wolken, een ontmoeting van bepaalde dieren; of het gezicht van een zekere bloem, alles heeft voor hen beteekenis, en van die toevallige kleinigheden laten zij dikwijls gewichtige besluiten afhangen.Ze nemen allerlei middelen te baat, om de booze geesten te bezweren. Men kan zich geen denkbeeld vormen van hun kinderachtige bijgeloovigheid. Een grillig gevormde rots, een struik in een kloof geworteld, een vallende meteoorsteen, of een warme bron, ’t zijn voor hen louter wonderbare verschijnselen, die zij niet anders dan met uitgespreide armen en vele kniebuigingen durven naderen.Ze noemen zich Sunitische Mohammedanen; maar zij zijn dit in werkelijkheid niet. Zij verrichten noch de wasschingen, noch de gebeden, die door den Koran worden voorgeschreven, zij hebben geen moskeeën, noch mollahs, en ondernemen nooit bedevaarten naar het graf van den Profeet. Wel hebben ze eenige gebruiken bewaard, die aan den mohammedaanschen godsdienst zijn ontleend; maar dat is slechts een uiterlijke vertooning, die zij ten behoeve van vreemdelingen ten beste geven. Feitelijk hebben zij geen bepaalden godsdienst, behalve enkele herinneringen aan de vele verschillende secten, waarvan het Noorden van Azië eertijds wemelde. Een voorschrift van den Koran volgen zij echter letterlijk op,n.l.dat omtrent de veelwijverij. Als het hem maar eenigszins mogelijk is, huwt de Kirghies twee, drie of meer vrouwen. Het aantal zijner echtgenooten staat in verband met het getal kudden, dat hij bezit; want dat is het ruilmiddel waarmede hij zijn vrouwen koopt. Vergezeld van eenige vrienden en verwanten, trekt hij bergop, bergaf, doorzoekt alle aouls, en geeft zich veel moeite om, desnoods door list, de meisjes, die bijna altijd in de hutten blijven, te zien te krijgen. Als hij een keuze heeft gedaan, worden met de ouders onderhandelingen aangeknoopt over de huwelijksgift. Na maandenlang loven en bieden wordt men het eindelijk eens, en van nu af telt het jonge meisje, om zoo te zeggen, niet meer mede.Als de koop gesloten is, mag zij gedurende een geheel jaar met geen andere mannen meer spreken dan haar familieleden en moet altijd in de yourte blijven, waar de andere vrouwen urenlang met haar komen babbelen, en haar helpen om haar uitzet gereed te maken.Het huwelijk wordt voltrokken door het hoofd van den stam. De plechtigheid bestaat voornamelijk in een wisseling van begroetingen tusschen het jonge paar en hun verwanten, waarna alle aanwezigen zich vereenigen tot een reuzenmaaltijd, waarbij de koumiss vloeit in stroomen en ieder zich te goed doet aan borsaks en schapenbout. Daarop biedt de jonge echtgenoot zijn schoonvader de beloofde kudden aan. Deze stelt een nauwkeurig onderzoek in naar den toestand der dieren, en telt ze, om zeker te zijn dat hij niet bedrogen wordt. In ruil daarvoor schenkt hij zijn schoonzoon, als bruidschat zijner dochter, eenige kameelen en paarden, die zoolang zij leeft haar eigendom blijven. De man behoudt en gebruikt ze, zoolang zijn vrouw onder zijn dak vertoeft; maar als hij haar verstoot, moet hij ze teruggeven, tenzij zij een misstap begaan heeft. De Kirghizen nemen niet meerdere vrouwen tegelijk ten huwelijk, zooals de Mohammedanen doen. Zij huwen slechts ééne; maar als deze hun na eenigen tijd niet meer behaagt, nemen zij een jongere vrouw, en zoo gaan zij voort, zoolang hun middelen hun dit veroorloven. De laatste is natuurlijk altijd de gunstelinge van haar echtgenoot; de anderen tellen niet meer mede. De jonggetrouwde zit op haar gemak in de yourte, verwend en vertroeteld door haar man, en de andere vrouwen werken buitenshuis en slapen afzonderlijk.Eer zij met de Russen in aanraking kwamen, kenden de Kirghizen het gebruik van het geld niet; zij ruilden hun koopwaren in voor vee. Ook thans nog hebben zij van tijdverdeeling geen begrip; zij weten niet hoe oud zij zijn, en zijn evenmin op de hoogte van het begin der mohammedaansche tijdrekening. Het jaar wordt ingedeeld naar de manen, en de maand naar het wassen en afnemen daarvan. Om een bepaalden tijdsduur aan te geven, spreken zij van een dag, een halven of een kwart dag, en zoo berekenen zij ook afstanden. Voor kleinere maten gebruiken zij hun arm, hand of voet.Hoogst zelden treft men onder de nomaden van den Tiensjan lieden aan, die kunnen lezen en schrijven. De meesten zijn zeer tevreden in hun staat van volslagen onwetendheid, en vertoonen niet de minste neiging om zich te ontworstelen aan den toestand van barbaarsche duisternis, waarin hun geest sedert eeuwen is gehuld. Dit gemis van de eerste beginselen der beschaving heeft hen ook altijd verhinderd, zich tot een geheel volk te vereenigen. Elke stam blijft binnen zijn eigen domein, en vermijdt de nabijheid zijner buren. Zij kampeeren op vaste plaatsen, en elke yourte wordt neergezet op dezelfde plek, waar zij het vorige jaar werd opgeslagen. Slaven der gewoonte zijn de Kirghizen, naar lichaam en ziel. Hun aanhankelijkheidsgevoel is weinig ontwikkeld. Gehechtheid aan personen of zaken kennen zij niet. Voor hun vrouwen koesteren zij geen andere gevoelens, dan die van het dier voor zijn wijfje, en de genegenheid voor hun kroost gaat ook niet zeer diep.Als zij aan hun bergen gehecht zijn, vloeit dit voort uit gewoonte; en zij zouden dan ook nergenselders het ongebonden, zwervend leven kunnen leiden, waaraan zij behoefte hebben.Hun kunstzin is nagenoeg niet ontwikkeld, doch zingen doen zij gaarne, zoowel de mannen als de vrouwen. Soms begeleiden zij dat gezang op een soort van gitaar, uit een massief stuk hout vervaardigd, waarover snaren van darmen zijn gespannen.Een ander muziek-instrument is een fluit, uit een uitgeholden boomtak gesneden, die rauwe en on welluidende klanken voortbrengt. Het is een volk, dat den trap der eerste kindsheid nog niet heeft overschreden. Maar zoolang zij binnen hun bergen blijven opgesloten, door hooge graniet wanden gescheiden van de bewoonde wereld, zullen de Kirghizen ongetwijfeld blijven zooals zij zijn.Kirghizen-voertuig uit het Irtach-dal.Kirghizen-voertuig uit het Irtach-dal.Wat de uitkomsten onzer reis naar het Hemelsche gebergte betreft, die uitsluitend met een wetenschappelijk doel werd ondernomen, kunnen wij tevreden zijn. Al ontdekten wij niet anders dan gletschers en stroomen, al zagen wij geen historische bouwvallen, en al liepen wij er geen gevaar, door kannibalen te worden verslonden, voor wie de bekoring ondergaat dezer woeste en maagdelijke natuur, zullen deze sombere, verlaten berggevaarten, deze wijde, schijnbaar onvruchtbare dalen niet langer verlaten en somber schijnen, daar zij hem spreken van het onbekende, zijn weetgierigheid prikkelen, en hem opwekken tot het naspeuren van de vele raadselen, welker oplossing hem nog wacht.In dien zin opgevat, mogen wij op onzen eentonigen en vermoeienden tocht met voldoening terugzien, daar ons onderzoek ons in staat gesteld heeft een nauwkeurig beeld te ontwerpen van een tot nog toe geheel onbekend gebleven gedeelte onzer aardoppervlakte. En dit eindresultaat, dat der geographische wetenschap ten goede komt, vergoedt ons ruimschoots de vermoeienissen en gevaren van onzen bezwaarlijken tocht.

De Kirghizen.—Oorsprong van het ras.—Kozakken en Kirghizen.—Verdeeling der Bourouts.—Kleederdracht.—De yourte.—Zeden en gebruiken.—Huwelijk.—Besluit.

De Kirghizen.—Oorsprong van het ras.—Kozakken en Kirghizen.—Verdeeling der Bourouts.—Kleederdracht.—De yourte.—Zeden en gebruiken.—Huwelijk.—Besluit.

De wetenschap heeft haar laatste woord nog niet gesproken omtrent de samengestelde stammen, die slechts een karig levensonderhoud vinden in die gedeelten van Midden-Azië, welke wij thans hadden bezocht. Meerdere reizigers meenen die lastige vraag bevredigend te hebben opgelost. Waar het onderzoek van den geleerde zich grondt op de geschiedenis, en zekere bewijzen bestaan voor den samenhang van bepaalde gebeurtenissen, kan men licht een stelsel opbouwen, een redeneering volgen, die niet al te veel van de waarheid afwijkt.

Maar niet alle volken hebben achter zich, wat men een geschiedenis noemt; niet allen bezitten bewijzen van hun ouderdom of gedenkteekenen, die ons hun verleden weder voor den geest roepen. Door bergen of woestijnen afgesloten, zonder ooit den invloed der beschaving te hebben ondergaan of deze met opzet ontwijkend, uit vrees hun vrijheid te verliezen, zijn zulke volken gebleven in den primitieven staat, waarin zij zich bevonden van den beginne. Met de dieren en als de dieren levend, hebben zij nooit behoefte gevoeld, in dien toestand verandering te brengen. Tot die volken behooren ook de Kirghizen. Zij zijn nagenoeg dezelfden als voor 2000 jaar. En in al die eeuwen hebben zij niets verricht, dat den geleerde opheldering zou kunnen verschaffen omtrent hunne afstamming of de wisselvalligheden van hun bestaan. Nog steeds verdiept men zich in gissingen omtrent den oorsprong van hun naam. In het Turksch schijnt het woord: “landbewoners” te beteekenen; terwijl het in de taal der nomaden vertaald kan worden door: “veertig meisjes” (Karr-Keuz). Wij zouden eer vermoeden, dat in de chineesche taal de juiste oplossing van dit raadsel is te vinden. Sedert de 10de eeuw van onze jaartelling wordt in chineesche boeken gesproken van een volk, dat den Tiensjan-Nan-Sou bewoont, het zuidelijk deel van het Hemelsche gebergte. Later, tegen het eind der 13e eeuw, spreekt de beroemde zendeling Hiouen Tsang, de eerste man, die het aziatische vasteland bereisde, van de Ki-zi-li-tsé, die hij op zijn tochten had leeren kennen. Hij zegt, dat hij Kirghizen ontmoet heeft in het dal van Dzoungarie. Deze streek zou, volgens hem, hun aangenomen vaderland zijn geweest; oorspronkelijk bewoonden zij het oostelijk deel van het Altaï-gebergte. Onophoudelijk bedreigd door de Mongolen in het Zuiden en de Tartaren in het Noorden, waren zij gedwongen eerst naar het Tabargataï-gebergte te verhuizen en daarna, eenige eeuwen later, naar de Hemelsche bergen. De naam Ki-zi-li-tsé zou later veranderd zijn in Kirr-ki-tsé, toen het volk van dien naam zich tot het Mohammedaansche geloof had bekeerd.

De heer Ujfalvy de Mezö-Kovesd heeft bij zijn onderzoekingen in Turkestanrassenverwantschapmeenen te ontdekken tusschen de bewoners der steppen en die van het gebergte. Volgens hem, en andere reizigers, zou er geen onderscheid bestaan tusschen de Kara-Kirghizen en de Kirghizen-Kazakken, de nomaden uit de vlakte.

Al leiden deze volken echter hetzelfde leven, en al kleeden zij zich nagenoeg op dezelfde wijze, hun taal is niettemin zeer verschillend. En bovendien koesteren zij jegens elkander zulk een hevigen haat, dat het bijna niet mogelijk is aan stamverwantschap tusschen die beide volken te gelooven.

Uit anthropologisch oogpunt beschouwd, vertoonen de beide typen ook opvallende punten van verschil. Hun lichaamsbouw, de vorm van hun hoofd, hun gelaatstint, de soort en kleur van hun haar, dat alles is geheel verschillend. Het is dus wel wat voorbarig, te beweren, dat de Kazakken niet anders dan Kirghizen zijn. Om dit te kunnen vaststellen, moest men overtuigende bewijsgronden kunnen aanvoeren, verzameld na een langdurig verblijf in die streek.

Ons zijn alleen bekend de Kirghizen, of Bourouts, een volk, dat uitsluitend in de dalen van den Tiensjan woont; van Pamir tot Dzoungarie; van het meer Issik-koul tot Ak-sou. Het is onmogelijk, hun aantal ook maar bij benadering vast te stellen. Men hoort het getal 400 zoowel als 500 000 noemen; maar er zullen er nog wel tweemaal zooveel zijn in de werkelijkheid. Als men aan een der hoofden vraagt, hoeveel lieden in zijn aoul wonen, kan hij het niet zeggen; wel weet hij precies, hoeveel schapen en paarden zijn volkje bezit. Men kan de Kirghizen ook moeilijk rangschikken in verschillende groepen. Hun land is niet eens geheel en al bekend, en er zijn dus stellig stammen, die nooit met vreemdelingen in aanraking zijn geweest.

De berichten der nomaden zelf dienaangaande zijn volstrekt niet te vertrouwen. Tot nu toe verdeelt men de Kirghizen in twee groote groepen, de linker- en de rechtergroep. De eerste,solgenaamd, omvat het bekken van den Naryn, den hoogen Oxus en de Kok-Chaal-daria.

Die groep wordt onderscheiden in 4 stammen: Koutchi, Sorou, Moundouz en Kitaïs. De laatste benaming dragen zij, die chineesch grondgebied bewonen.

De rechter groep,ongenaamd, houdt zich op inhet bekken van het meer Issik-koul, en de dalen rondom de Khan-Tengri-groep. Zij wordt verdeeld in zeven stammen: Bogon, Sary-Baghichtch, Son-Baghichtch, Soulton, Echerik, Sagaz en Bassindz.

Het russische gouvernement volgt een andere indeeling, op het voorbeeld der aoulbewoners, die hun buren in de andere valleien eenvoudig noemen naar de plaatsen, waar ze gewoonlijk kampeeren. Zoo noemen zij de lieden, die in de omstreken huizen van het Tourghent-dal, Tourghensky, en blijven ook verder aan dien regel getrouw.

Het spreekt van zelf, dat de russische regeering het aantal harer onderdanen in deze streken volstrekt niet kent. De meesten ontsnappen dan ook aan de, overigens niet hooge, belasting van anderhalven roebel per yourte of familie. Die schatting is de eenige band, welke hen aan Rusland bindt; want ze zijn volstrekt niet veranderd sedert de verovering van Turkestan, en nog even vrij en onafhankelijk als voorheen.

De karavanen brengen hun leven door in de Hemelsche bergen en hun familie vervoeren zij met hunne koopwaar.De karavanen brengen hun leven door in de Hemelsche bergen en hun familie vervoeren zij met hunne koopwaar.

De karavanen brengen hun leven door in de Hemelsche bergen en hun familie vervoeren zij met hunne koopwaar.

De Kirghizen zijn in den regel goed gebouwd en zeer sterk. Ze hebben een dikken neus, een stompen gelaatshoek, uitstekende jukbeenderen, en zwarte, kleine, schuinstaande oogen, evenals de Chineezen. De baardgroei is zeer gering. Hun haar is sluik en zwart; blonde personen ziet men zeer zelden. Dikwijls treft men onder hen zuiver mongoolsche typen aan. De mannen zijn goed geproportionneerd en niet terugstootend.

Het voorkomen der vrouwen heeft weinig aantrekkelijks. De jonge meisjes hebben vrij geregelde gelaatstrekken; maar, al zijn ze niet mager, hare vormen zijn hoekig en schraal. Ze hebben echter mooie zwarte oogen en prachtige tanden. Haar costuum draagt er echter niet toe bij, hare bekoorlijkheid te verhoogen.

De kleederdracht der Kirghizen is uiterst eenvoudig. Over een bont katoenen hemd, met bespottelijk lange mouwen, en een wijde, lange linnen broek, met een gordel om het middel vastgemaakt, dragen zoowel vrouwen als mannen een soort overkleed van cretonne, met wol of watten gevoerd, dat op de borst met houten knoopen wordt gesloten, en om het middel wordt vastgehouden door eene lange sjerp, die van voren geknoopt wordt. De mouwen van dit kleedingstuk reiken niet eens tot aan den elleboog; maar die van het hemd vallen over de hand, en worden telkens door een snelle beweging van den pols weer opgeschoven. Dat gebaar maken de Kirghizen nu al eeuwen lang.

Deze primitieve kleedij wordt binnenshuis gedragen, en ook des zomers, als zij buiten zijn. Hooge, tot de knie reikende laarzen, met hielen van minstens 10cM.hoog, en een smerig kapje op hun kaalgeschoren kruin voltooien hun costuum. In den winter en op hun reizen trachten de Kirghizen zich tegen de koude te beschermen door hun wijden tschiapann, een grooten, gevoerden overjas, waarin ze geheel verdwijnen. Soms dragen ze, bij strenge koude, twee, drie of meer van die omhulsels over elkaar. Daarbij bedekken ze dan hun hoofd met een ronden, wit vilten hoed met een zwarten rand, van voren neer, van achteren opgeslagen. Dat hoofddeksel is van chineeschen oorsprong, en daar niet ieder zich zulk een hoed kan verschaffen, dragen zij in de plaats daarvan ook wel een muts van ruw vilt, met lamsvel gevoerd.

Dat staat niet leelijk, en past goed bij hun overig costuum. Zulke mutsen kunnen in de bergen over de ooren getrokken worden, en als het regent, wordt de lamsvacht naar buiten gekeerd. De vrouwen gaan precies zoo gekleed als de mannen; alleen in kleinigheden is eenig verschil op te merken. Hare laarzen zijn sierlijker, met zijde geboord, of met randjes van gekleurd leer versierd, en de hielen en teenen zijn met koper beslagen. Haar broeken zijn wijder en langer, en haretschiapannszijn vervaardigd van fijnere en bontgekleurde stoffen; soms wel van zijde uit Bokhara of Kasjgar.

Met haar kleine oogjes, uitstekende jukbeenderen en dikke neuzen, zijn de Kirghizenvrouwen van Kaënde bijzonder leelijkMet haar kleine oogjes, uitstekende jukbeenderen en dikke neuzen, zijn de Kirghizenvrouwen van Kaënde bijzonder leelijk

Met haar kleine oogjes, uitstekende jukbeenderen en dikke neuzen, zijn de Kirghizenvrouwen van Kaënde bijzonder leelijk

Het merkwaardigste onderdeel van de kleederdracht der Kirghizenvrouwen is de witte kap, dien zij op het hoofd dragen, en die haar op nonnen doet gelijken. ’t Is een cylindervormig gewonden band van gesteven linnen, wel 30cM.breed, die om het hoofd sluit, en waarvan de einden los op den rug hangen. Het haar wordt glad achterover gekamd, en zorgvuldig onder die soort van doos verborgen, die tevens als bergplaats dient van kleine voorwerpen voor dagelijksch gebruik. Een bijzonder praktische inrichting, zooals men ziet.

Van achteren wordt het haar in twee of meer vlechten gevlochten, waarvan er eenige op den rug neerhangen, en met een kettinkje of gesp zijn vastgemaakt. Daaraan bengelt weer een bos sleutels, of koperen plaatjes, die tot op de hielen hangen, zoodat ze bij elke beweging een rinkelend geluid maken. Dien tulband of eletchik dragen alleen de getrouwde vrouwen.

De jonge meisjes zijn meer behaagziek. Zij tooien zich met mutsen van vossenvel, waarop een bosje arendsveeren prijkt. Het haar vlechten ze in een menigte dunne vlechtjes, die langs de slapen en op den rug neerhangen, waar ze worden bijeengehouden door een lap stof, met glazen kralen versierd. Als jonge meisjes een man willen veroveren, flonkeren ze van blinkende sieraden en trachten zich zoo rijk mogelijk uit te dossen. Maar later moeten zij dikwijls zwaar voor hare ijdelheid boeten, want ze worden de slavinnen van mannen, die haar geheel in hun macht hebben en gewoonlijk ruw behandelen.

De yourte der Kirghizen is niet zoo ruim als die der Kozakken, of als de kibitka der Turkomanen. Zij is bescheidener van afmeting en minder weelderig ingericht. De Kirghizen moeten dikwijls verhuizen, wegens gebrek aan weidegrond. Bovendien noodzaken hen de strenge en langdurige winters, de afmetingen van hun woonvertrekken tot een minimum te beperken, om ten minste nog zooveel mogelijk warmte te genieten bij het weinigje brandstof, waarover zij kunnen beschikken. De tenten der Kirghizen bestaan uit een geraamte van buigzaam hout, dat met paaltjes in den grond wordt gestoken en met riemen van dierenhuid doorvlochten is. Dat geraamte is ongeveer twee of drie meter hoog, en evenzoo breed. De zoldering wordt gesteund door houten latten, die schuin oploopen naar een opening in het midden, welke als schoorsteen, en tevens als venster dient. Over dit onderstel worden zware lappen vilt geslagen, die met touwen worden omwonden en bevestigd.

Zulk een tent wordt binnen eenige minuten opgeslagen, of weer afgebroken, en kan door twee kameelen worden vervoerd. De inrichting is, zelfs bij rijkere lieden, zeer eenvoudig. De stapels vilt, die als matrassen dienst doen, de houten kisten, zakken, paardetuig en dergelijke benoodigdheden liggen over den grond verspreid, of worden langs de zijden van de tent opgehangen. Midden in de yourte, op drie rechtopstaande steenen, of op een ijzeren voetstuk geplaatst, staat een groote ijzeren pot, de kazan, het eenige gerei, waarvan zich de nomaden bedienen om hun potje te koken. Overigens zijn de werktuigen, die zij gebruiken bij het verrichten van hun dagelijksche bezigheden, noch talrijk, noch gecompliceerd. Behalve den kazan, hebben zij meestal een soort kan van geciseleerd koper, en twee of drie houtennappen; hun vingers moeten vorken en lepels vervangen. Voor het melken gebruiken ze emmers van dierenvel, en in leêren zakken wordt de melk bewaard.

Lucifers zijn bij de Kirghizen niet bekend, ieder draagt een leeren zakje bij zich, met een vuursteen, een stuk ijzer, en een brok zwam. Van dat zakje en een klein stevig dolkmes, aan hun gordel bevestigd, zijn ze onafscheidelijk. Het mes wordt voor de meest verschillende doeleinden gebruikt; om dieren te dooden, vellen af te schrapen, hun hoofd te scheren, hout te snijden, enz. ’t Is het eenige scherpe werktuig, dat bij de nomaden in gebruik is.

Al het werk komt neer op de vrouwen. Die hebben den geheelen dag volop te doen. Als ’s morgens het vee naar de weide is, maken zij koumiss van de melk van den vorigen dag, looien dierenhuiden, kloppen vilt, vlechten tres, maken kleeren, en als ze er tijd voor kunnen vinden, borduren ze ook nog met wol. ’s Avonds halen ze, geholpen door de grootste kinderen, het vee weer binnen, en binden de dieren aan lange touwen vast. Ondanks dien zwaren arbeid, die haar geen oogenblik verpoozing gunt, schijnen de vrouwen der Kirghizen niet ontevreden met haar lot. Ze zijn zeer vroolijk en altijd tot babbelen en lachen geneigd.

De mannen brengen den dag door met op hun vrouwen te passen, en elkaar over en weer verhalen te doen, of te beraadslagen omtrent plannen, die ze in den zin hebben. Het gesprek loopt hoofdzakelijk over paarden. De taal der Kirghizen, overigens vrij arm, is uiterst rijk aan uitdrukkingen, die op paarden betrekking hebben; en elk jaar krijgen de dieren weer een anderen naam. Het paard is voor den Kirghies niet, zooals voor den Arabier, een voorwerp van vereering; zij hebben het niet weten te veredelen of verfijnen; maar het is hun onafscheidelijke metgezel, en zij zouden niet kunnen leven zonder dien trouwen kameraad. In de oudheid stelde men zich voor, dat de Tartaren verblijf hielden in deze onbekende streken, en de verbeelding dacht zich die half wilde wezens als centauren, half mensch, half paard. Aan die voorstelling beantwoordt nog steeds de Kirghies van thans.

Als men hen te paard ziet zitten, schijnen ze als aan den zadel vastgegroeid, en hoewel dit van hout en zeer ongemakkelijk is, leggen zij zonder de minste vermoeienis lange dagreizen af, langs meestal gevaarlijke wegen. Van loopen houden ze echter volstrekt niet; ze worden spoedig moede, en zullen zonder noodzaak geen honderd schreden te voet gaan. Voor ’t geval, dat ze zich van hun yourte naar een andere willen begeven, staat altijd een paard aan den ingang der tent gereed. Ze zijn ontzettend lui, en kunnen slapen als marmotten. Men ziet ze nooit langer dan een paar minuten achtereen rechtop staan, en het is ondenkbaar, dat twee Kirghizen in staande houding een gesprek zouden voeren. Als ze elkaar iets te zeggen hebben, gaan ze op de hurken zitten, vatten elkaar bij beide handen, en in die positie bespreken zij alles, wat zij te verhandelen hebben. In die ongemakkelijke houding blijven ze soms een halven dag achtereen zitten.

Nog een andere reden waarom de Kirghizen hun paarden in eere houden, is deze, dat zij uit de melk der paarden den koumiss bereiden. Alle Oosterlingen zijn dol op dien heerlijken drank; maar niemand is er blijkbaar zoo op verlekkerd als de Kirghizen. Zij leven van koumiss en voor koumiss alleen. Wilde men hen van dien drank berooven, dan zou men hen evengoed het genot van frissche lucht kunnen ontzeggen. Als ze zich niet letterlijk eraan hebben te buiten gegaan, zijn ze niet te houden; ze zouden uw karavaan in den steek laten, en de afgelegenste hoeken van het gebergte doorzoeken, om een aoul te vinden waar ze hun verlangen kunnen bevredigen. De zak met koumiss staat altijd voor den voorbijtrekkenden reiziger gereed en wordt hem nimmer geweigerd. De Kirghizen vinden het dan ook volstrekt niet noodig, op hun tochten voedsel mede te nemen; zij weten zeer goed, dat ze erop kunnen rekenen, in de aouls, op hun weg verspreid, voldoende onderhoud te vinden. Behalve koumiss, dien zij den geheelen dag door drinken, gebruiken de Kirghizen slechts één maaltijd per dag. Bij troepen van tien, vijftien, tot twintig personen vereenigen zij zich in de yourte om den kazan, waarin een geheel schaap gekookt wordt. Ieder haalt zijn pitchiak uit de scheede, grijpt een been, en gaat smakelijk aan ’t kluiven, terwijl men af en toe het vleeschnat toespreekt. Tot besluit volgt natuurlijk weer koumiss, die eerst, om hem goed te laten schuimen, duchtig wordt geschud. Als ze dan volop gegeten hebben, geven ze met welbehagen toe aan de onvermijdelijke slaapzucht, die het gevolg is van zulk een overvloedig maal. Thee en brood gebruiken alleen rijke lieden. Het laatste wordt in den aoul zelf toebereid uit gerstemeel, waarvan koeken worden gekneed, die zij bakken in schapenvet.

De brandstof der Kirghizen bestaat bijna uitsluitend uit twijgen en wortels van den téo-goïrouk (kameelenstaart), die zoo genoemd wordt, omdat de takken ervan veel op dat aanhangsel gelijken. Het is een soort rhododendron, die in den grond geworteld, en met doornachtige takken, ongeveer een halven meter hoog is. Deze plant groeit tot op een hoogte van 3000 M.; altijd op de noordelijke berghellingen.

Aan de aanwezigheid van die struiken hebben de nomaden het te danken, als zij zich kunnen ophouden in de hooggelegen dalen van den Tiensjan, welke, dicht bij de gletschers gelegen, lang groen blijven, ondanks de zomerhitte.

Wanneer echter op honderd mijlen in den omtrek geen brandhout te vinden is, gebruiken de Kirghizen dierenmest als brandstof. Zulk een vuurtje is niet bevorderlijk voor de frischheid der atmosfeer in de benauwde yourte; maar overgevoelige reukzenuwen hebben de Kirghizen niet.

Als zij niets beters te doen hebben, gaan zij somtijds op de jacht. Ze richten arenden af voor de vangst van vossen en pelsdieren, en dooden grootere dieren, zooals wolven, beren en ovispoli met een flintgeweer, waaraan, op ongeveer een derde van den loop, een beweegbaar steunsel is bevestigd voor het aanleggen. De Kirghies is echter geen geweldig Nimrod, en de tallooze dieren, die zich in de dalen van het Hemelsche gebergte ophouden, hebben van zijn zijde geen groot gevaar te duchten. Hij jaagt alleenom in zijn onderhoud te voorzien, en drijft geen handel in pelterijen.

Men heeft dikwijls willen beweren, dat de Kirghizen woest en onhandelbaar zijn. Wij vonden hen integendeel zeer zachtaardig en onderworpen. Ook daarin verschillen zij van de Kozakken, want deze zijn diefachtig en niet te vertrouwen. De Kirghizen zijn volstrekt niet strijdlustig, zooals de Turkomanen en Afghanen; hun aard is zelfs bijzonder vreesachtig. Dreigt hun geen gevaar, dan zullen zij nooit geweld plegen. Diefstal komt bij hen zeer veel voor. Daarom moeten ze bijzondere zorg dragen voor hun kudden, die ’s nachts bij den aoul worden verzameld en door honden bewaakt. De Kirghizen zijn werkelijk buitengewoon goedaardig en naïef. Die eenvoud is zeker wel het gevolg van het leven, dat zij leiden en de afzondering, waarin zij hun dagen slijten. Fatalisten zijn ze allen en in alle omstandigheden. Alles is hun een goed of slecht voorteeken, het vallen van een draad op een witten steen, de kleurspelingen in een vlam, de vormen der wolken, een ontmoeting van bepaalde dieren; of het gezicht van een zekere bloem, alles heeft voor hen beteekenis, en van die toevallige kleinigheden laten zij dikwijls gewichtige besluiten afhangen.

Ze nemen allerlei middelen te baat, om de booze geesten te bezweren. Men kan zich geen denkbeeld vormen van hun kinderachtige bijgeloovigheid. Een grillig gevormde rots, een struik in een kloof geworteld, een vallende meteoorsteen, of een warme bron, ’t zijn voor hen louter wonderbare verschijnselen, die zij niet anders dan met uitgespreide armen en vele kniebuigingen durven naderen.

Ze noemen zich Sunitische Mohammedanen; maar zij zijn dit in werkelijkheid niet. Zij verrichten noch de wasschingen, noch de gebeden, die door den Koran worden voorgeschreven, zij hebben geen moskeeën, noch mollahs, en ondernemen nooit bedevaarten naar het graf van den Profeet. Wel hebben ze eenige gebruiken bewaard, die aan den mohammedaanschen godsdienst zijn ontleend; maar dat is slechts een uiterlijke vertooning, die zij ten behoeve van vreemdelingen ten beste geven. Feitelijk hebben zij geen bepaalden godsdienst, behalve enkele herinneringen aan de vele verschillende secten, waarvan het Noorden van Azië eertijds wemelde. Een voorschrift van den Koran volgen zij echter letterlijk op,n.l.dat omtrent de veelwijverij. Als het hem maar eenigszins mogelijk is, huwt de Kirghies twee, drie of meer vrouwen. Het aantal zijner echtgenooten staat in verband met het getal kudden, dat hij bezit; want dat is het ruilmiddel waarmede hij zijn vrouwen koopt. Vergezeld van eenige vrienden en verwanten, trekt hij bergop, bergaf, doorzoekt alle aouls, en geeft zich veel moeite om, desnoods door list, de meisjes, die bijna altijd in de hutten blijven, te zien te krijgen. Als hij een keuze heeft gedaan, worden met de ouders onderhandelingen aangeknoopt over de huwelijksgift. Na maandenlang loven en bieden wordt men het eindelijk eens, en van nu af telt het jonge meisje, om zoo te zeggen, niet meer mede.

Als de koop gesloten is, mag zij gedurende een geheel jaar met geen andere mannen meer spreken dan haar familieleden en moet altijd in de yourte blijven, waar de andere vrouwen urenlang met haar komen babbelen, en haar helpen om haar uitzet gereed te maken.

Het huwelijk wordt voltrokken door het hoofd van den stam. De plechtigheid bestaat voornamelijk in een wisseling van begroetingen tusschen het jonge paar en hun verwanten, waarna alle aanwezigen zich vereenigen tot een reuzenmaaltijd, waarbij de koumiss vloeit in stroomen en ieder zich te goed doet aan borsaks en schapenbout. Daarop biedt de jonge echtgenoot zijn schoonvader de beloofde kudden aan. Deze stelt een nauwkeurig onderzoek in naar den toestand der dieren, en telt ze, om zeker te zijn dat hij niet bedrogen wordt. In ruil daarvoor schenkt hij zijn schoonzoon, als bruidschat zijner dochter, eenige kameelen en paarden, die zoolang zij leeft haar eigendom blijven. De man behoudt en gebruikt ze, zoolang zijn vrouw onder zijn dak vertoeft; maar als hij haar verstoot, moet hij ze teruggeven, tenzij zij een misstap begaan heeft. De Kirghizen nemen niet meerdere vrouwen tegelijk ten huwelijk, zooals de Mohammedanen doen. Zij huwen slechts ééne; maar als deze hun na eenigen tijd niet meer behaagt, nemen zij een jongere vrouw, en zoo gaan zij voort, zoolang hun middelen hun dit veroorloven. De laatste is natuurlijk altijd de gunstelinge van haar echtgenoot; de anderen tellen niet meer mede. De jonggetrouwde zit op haar gemak in de yourte, verwend en vertroeteld door haar man, en de andere vrouwen werken buitenshuis en slapen afzonderlijk.

Eer zij met de Russen in aanraking kwamen, kenden de Kirghizen het gebruik van het geld niet; zij ruilden hun koopwaren in voor vee. Ook thans nog hebben zij van tijdverdeeling geen begrip; zij weten niet hoe oud zij zijn, en zijn evenmin op de hoogte van het begin der mohammedaansche tijdrekening. Het jaar wordt ingedeeld naar de manen, en de maand naar het wassen en afnemen daarvan. Om een bepaalden tijdsduur aan te geven, spreken zij van een dag, een halven of een kwart dag, en zoo berekenen zij ook afstanden. Voor kleinere maten gebruiken zij hun arm, hand of voet.

Hoogst zelden treft men onder de nomaden van den Tiensjan lieden aan, die kunnen lezen en schrijven. De meesten zijn zeer tevreden in hun staat van volslagen onwetendheid, en vertoonen niet de minste neiging om zich te ontworstelen aan den toestand van barbaarsche duisternis, waarin hun geest sedert eeuwen is gehuld. Dit gemis van de eerste beginselen der beschaving heeft hen ook altijd verhinderd, zich tot een geheel volk te vereenigen. Elke stam blijft binnen zijn eigen domein, en vermijdt de nabijheid zijner buren. Zij kampeeren op vaste plaatsen, en elke yourte wordt neergezet op dezelfde plek, waar zij het vorige jaar werd opgeslagen. Slaven der gewoonte zijn de Kirghizen, naar lichaam en ziel. Hun aanhankelijkheidsgevoel is weinig ontwikkeld. Gehechtheid aan personen of zaken kennen zij niet. Voor hun vrouwen koesteren zij geen andere gevoelens, dan die van het dier voor zijn wijfje, en de genegenheid voor hun kroost gaat ook niet zeer diep.

Als zij aan hun bergen gehecht zijn, vloeit dit voort uit gewoonte; en zij zouden dan ook nergenselders het ongebonden, zwervend leven kunnen leiden, waaraan zij behoefte hebben.

Hun kunstzin is nagenoeg niet ontwikkeld, doch zingen doen zij gaarne, zoowel de mannen als de vrouwen. Soms begeleiden zij dat gezang op een soort van gitaar, uit een massief stuk hout vervaardigd, waarover snaren van darmen zijn gespannen.

Een ander muziek-instrument is een fluit, uit een uitgeholden boomtak gesneden, die rauwe en on welluidende klanken voortbrengt. Het is een volk, dat den trap der eerste kindsheid nog niet heeft overschreden. Maar zoolang zij binnen hun bergen blijven opgesloten, door hooge graniet wanden gescheiden van de bewoonde wereld, zullen de Kirghizen ongetwijfeld blijven zooals zij zijn.

Kirghizen-voertuig uit het Irtach-dal.Kirghizen-voertuig uit het Irtach-dal.

Kirghizen-voertuig uit het Irtach-dal.

Wat de uitkomsten onzer reis naar het Hemelsche gebergte betreft, die uitsluitend met een wetenschappelijk doel werd ondernomen, kunnen wij tevreden zijn. Al ontdekten wij niet anders dan gletschers en stroomen, al zagen wij geen historische bouwvallen, en al liepen wij er geen gevaar, door kannibalen te worden verslonden, voor wie de bekoring ondergaat dezer woeste en maagdelijke natuur, zullen deze sombere, verlaten berggevaarten, deze wijde, schijnbaar onvruchtbare dalen niet langer verlaten en somber schijnen, daar zij hem spreken van het onbekende, zijn weetgierigheid prikkelen, en hem opwekken tot het naspeuren van de vele raadselen, welker oplossing hem nog wacht.

In dien zin opgevat, mogen wij op onzen eentonigen en vermoeienden tocht met voldoening terugzien, daar ons onderzoek ons in staat gesteld heeft een nauwkeurig beeld te ontwerpen van een tot nog toe geheel onbekend gebleven gedeelte onzer aardoppervlakte. En dit eindresultaat, dat der geographische wetenschap ten goede komt, vergoedt ons ruimschoots de vermoeienissen en gevaren van onzen bezwaarlijken tocht.


Back to IndexNext