XIX.

Overal in zijn kunst wordtChrestiendoor zijn persoonlikheid in twee verschillende richtingen getrokken. Er is een realisties nuchter verstand in hem dat het vreemde element assimileert aan wat hem familiaar is en bekend, het hoge aan het lage. Maar er is ook een drang naar het ideale in hem die hem steeds zijn onderwerpen doet opsmukken, verfijnen en veredelen. Zijn fantasie leeft steeds onder de vorsten en edelen, hij schildert slechts rijkdom en schoonheid, en tovert zich en zijn publiek het verleden als een ideale avontuurlike wereld voor de ogen. Laten wij van de tegenwoordige tijden maar niet spreken, zegt hij,—die kennen geen ware ridderlikheid meer en geen ware liefde, maar laat ons spreken van hen diewaren; een dode edelman is meer waard dan een levende ellendeling; laten wij spreken van de gulden tijden van koning Artus, toen het leven was zo als het zijn moet. Toen waren er feesten,—„niets ontbrak er toen van wat genot geeft of 's mensen harte vreugde brengt”; toen waren er vrouwen,—„nooit zag men een schoner paar”, „God schiep inBlanchefleurzijn meesterwerk”; toen waren er paarden,—„geen koning of keizer bezit zulk een prachtig paard”,—„dat is 100 Mark, ja, wel 100.000 Mark in goud waard.” In zulk een idealisme wordt elke karakteristiek van personen en toestanden uitgewist. Maar als hij aan 't werk is, vergeet MeesterChrestiengelukkig dat hij Hofdichter is en Artus moet bezingen en geïnspireerd door zijn naieve en realistiese vertellingskunst, schildert hij zonder zich te generen, hoe de ridder achter de valdeur gevangen zat als in een rotteval, hoe een der strijders een hele karbonade uit zijn tegenstander kerft en hoe die zich liever een tand uit wou laten trekken dan door te vechten. Vooral tegenover de vrouw en de liefde komt zo zijn realistiese en ironiese blik op de menselike natuur duidelik voor den dag. Hij vindt het gewoon „onzin” om te beweren, zoalsThomasin zijn Tristan doet, dat de ene geliefde op een afstand kan voelen wat de ander denkt, omdat „zijn hart bij haar en 't hare bij hem is.” En hij heeft er plezier in alle voorbeelden op te noemen van de trouweloosheid en veranderlikheid van de vrouw en tekent een beeld van haar dat heel wat verschilt van dat der troubadours. Maar toch zijnChrestien's romans er op uit om in de Bretonse sagestof het idealisme van de liefde en de riddereer te leggen die hij aan de adel verkondigt. Het is een sentimenteel, maar misschien ook tot zekere hoogte een logies idealisme: het is zijn dialekties verstand dat er een genoegen in vindt om die opvatting van de liefde en de eer welke hij in de ridderlike poëzie al gevonden had, zo subtiel mogelik ten spits te drijven en logies in al zijn konsekwenties door te voeren. Zo als dit voor een ceremoniemeester en wapenheraut past, stelt hij in zijn romans alle regels der riddereer op en interpreteert ze als een streng jurist; maar als de hofdichter van Marie van Champagne huldigt hij tegelijk ook de religie van de mode-liefde en waakt er nauwkeurig over dat aan alle eisen daarvan voldaan wordt. En met zijn dramatiese dichtergave weet hij in zijn romans het konflikt tussen riddereer en ridderliefde ten top te drijven.

In „Erec en Enide” wordt verhaald hoe Erec, een der ridders van koning Artus, door de dwerg van een onbekend ridder gehoond is geworden. Zijn riddereer verbood hem de dwerg dadelik te tuchtigen, maar nu gaat hij naar een stad waar hij die ridder in een toernooi zal ontmoeten. Gezellig pratend verteltChrestienhoe Erec bij een arme „Vavassor” met een witte baard, zijn intrek neemt die droef in zijn eenzaamheid voor zijn huis zit. Zijn gastheer heet hem dadelik welkom en roept zijn vrouw en dochter van haar huiselik werk en beveelt het jonge meisje voor het paard van de ridder te zorgen en dat op stal te zetten. Zij is zeer armoedig gekleed en treedt schuchter voor de gast, maar haar zeldzame schoonheid lijkt dubbel schoon in haar nederig kleed. Als zij het paard verzorgd heeft, leidt zij de ridder bij de hand naar de kamer die de moeder intussen zo fraai mogelik voor hem in orde heeft gebracht. En daar zet Erec zich nu tussen zijn gastheer en diens dochter op het met tapijten bedekte bed voor een helder brandend vuur, terwijl de enige dienstmaagd van de familie het avondeten toebereidt. Erec vindt het meisje hoe langer hoe liever en de vader vertelt met naieve trots hoe velen haar al gevraagd hebben, maar zij is zo schoon dat hij haar niet geven wil tenzij er een echte koningszoon komt die haar hebben wil. Nu maakt de gast zich bekend als Erec, de zoon van koning Lac, een der ridders van de Tafelronde en vraagt dat de dochter morgen bij het toernooi zijn dame moge zijn. De gastheer en de hele familie zijn natuurlik allemaal even blij als vereerd en voor de avond om is, is de zaak uitgemaakt dat Enide met Erec trouwen gaat.Stil en bedeesd zit het jonge meisje daar, innig gelukkig bij de gedachte dat zij koningin zal worden. De volgende morgen helpt zij hem bij het aantrekken van zijn wapenrusting, „dat liet zij zich niet twee maal vragen,” zegt de dichter schelms, en Erec overwint in de strijd en geeft haar de prijs: een sperwer. De volgende dag trekt Erec met Enide naar het hof van koning Artus. Erec vraagt dat zij haar armoedig kleed aan zal houden, niet alleen omdat hij dit wel pikant vindt, maar ook omdat hij zeer ridderlijk haar uitzet door koningin Guenievre wil laten bezorgen; het enige dat zij mede neemt is de sperwer die niet uit haar hand te krijgen is, en waarin ze de hele tocht door een kinderlik plezier heeft, terwijl Erec zich steeds dicht tegen zijn schone aandrukt en niet moe wordt haar aan te zien, vol ongeduld om haar aan het hof voor te stellen en zijn lotgevallen te vertellen...

En nu vertelt de schrijver, alles in de prachtigste kleuren, van de schitterende bruiloft en van het jonge paar en hun huweliksgeluk. Maar nu komt pas het eigelike onderwerp: het konflikt in Erec tussen de minnaar en de ridder. Naïef en familiaar verhaaltChrestienons hoe Erec meer en meer verwijfd wordt; hij is niet van Enide af te slaan en staat soms niet voor 12 uur op. Zijn mannen beginnen daar over te mopperen en eens op een morgen hoort hij hoe Enide tegen zich zelf ligt te klagen dat zij schande en oneer over haar man gebracht heeft door hem van zijn ridderlike daden af te houden. Als Erec met moeite uit haar gekregen heeft wat er van hem verteld wordt, ontwaakt zijn trots en zijn gramschap en zijn gekrenkte riddereer doet hem in zijn overspanning een plotseling besluit nemen. Nu zal hij haar en de wereld eens tonen wat het voor een man is die zij verdenken en tegelijkertijd zal hij haar vertrouwen en gehoorzaamheid op de proef stellen. Hij laat zich zijn volle wapenrusting aandoen en zonder enige verklaring, bars en met een paar woorden, beveelt hij zijn vrouw haar schoonste kleed aan te trekken; nu gaan zij te samen de wereld in. Het enige teken van tederheid dat hij aan den dag legt, is dat hij zijn vader opdraagt voor Enide te zorgen, voor het geval dat zij alleen terug zou komen. Nu laat hij haar steeds een eind vóór hem uit rijden en verbiedt hij haar streng tegen hem te spreken of hem te waarschuwen, welk gevaar zij ook moge vrezen. Zijn bedoeling daarmee is haar als een soort lokvogel te laten dienen en zo allerlei roofridders en strijders te krijgen die Erec in nieuwe gevaren zullen brengen en nieuwe avonturen zullen bezorgen. Er wordt nu geschilderd hoe ze rondtrekken;overdag mag de arme Enide geen woord tegen haar geliefde man zeggen en des avonds in de herbergen behandelt hij haar als zijn schildknaap en moet zij het werk van een stalknecht doen. Keer op keer is haar man aan gevaren blootgesteld door haar schoonheid; òf het zijn drie roofridders die hem overvallen, òf wel een burchtheer in een ander slot waar ze overnachten, wordt verliefd op Enide en wil Erec ombrengen... En keer op keer vergeet zij in angst voor haar man zijn verbod of veronachtzaamt het, waarschuwt hem en redt daardoor zijn leven; maar hij wordt elke keer weer meer vergramd over haar ongehoorzaamheid en haar wantrouwen,—hij zal zich wel weten te redden zonder hulp van vrouwen! Maar,—haar liefde is toch steeds sterker dan haar vrees voor zijn gramschap. Dit is feitelik een oud motief uit de heldenpoëzie en de sprookjesliteratuur: een hond of een paard dat door zijn blaffen of hinniken zijn heer voor een gevaar wil waarschuwen die de bedoeling van het trouwe dier niet begrijpt en het daarom met slagen dreigt of werkelik slaat, maar de liefde van het dier is steeds sterker dan de vrees en de gehoorzaamheid; pas op 't allerlaatste ogenblik, misschien pas als het te laat is of hij zijn trouwe vriend gedood heeft, bemerkt hij het gevaar. Hier is het nu de vrouw die haar heer die hondentrouw bewijst of die nederige liefde toont. Het motief is ook verwant met die talrijke verhalen op het (latere) Griseldis-motief van een man die zijn echtgenote op de proef wil stellen, haar verstoot, haar een andere vrouw laat dienen die hij voorgeeft te willen huwen, die haar beveelt hem als staljongen te volgen en die hij op stroo aan het voeteneinde van zijn bed laat slapen... alleen om haar later tot groter eer en waardigheid op te heffen. Tenslotte, wanneer Erec dodelik gewond bewusteloos voor dood nederligt en Enide juist door een burchtheer gedwongen zal worden hem te trouwen, komt Erec door haar kreten weer tot bewustzijn, vliegt op en bevrijdt haar... Zij omhelzen elkaar; aangedaan dankt hij zijn Enide—telkens wanneer zij ongehoorzaam was had zij in werkelikheid hem eigelik weer een bewijs van haar liefde gegeven en van nu af leven zij in een en al geluk zonder de minste wolkjes.

Hier was het de vrouw,—in de volgende roman vanChrestien„Ivan, de ridder met de leeuw”, is het de man die door een hardvochtige geliefde gepijnigd wordt, waar die de proef door zijn onderdanige liefde bestaat; en ook in deze roman is het weer het konflikt tusschen de eisen der liefde en die der riddereervoor een leven van heldendaden, dat de handeling in beweging brengt. Maar het begin behandelt toch een ander onderwerp,—dat duidelik de reeds hiervoor genoemde sage van feeënliefde is, maar op menselike wezens overgebracht, zodat het bijna onherkenbaar is.Chrestien's bewerking van dit motief werd door zijn tijdgenoten beschouwd als een meesterstuk in vrouwen-psychologie.

Ivan heeft met een gouden beker water uit een betoverde bron geschept, met de eigenaar van die bron gestreden en hem dadelik gewond. De gewonde vliedt naar zijn burcht terug, Ivan zit hem op de hielen... maar is juist de poort door binnengedrongen, wanneer die achter hem dicht slaat, voor hem valt een hamei neer en... zo zit hij gevangen! De burchtgravin en de dienstbaren zijn gelukkig zo druk bezig met hun meester die in de ridderzaal ligt te sterven, dat zij hem niet opmerken, alleen een der camerieres heeft hem gezien en wat nog beter uitkomt, eens toen zij met een boodschap naar het hof van Artus was gekomen, had Ivan haar een kleine beleefdheid kunnen bewijzen; als dank voor die ridderlikheid belooft zij niet alleen hem niet te verraden, maar zij geeft hem ook een ring die hem onzichtbaar maakt. Met die ring aan zijn vinger loopt hij nu veilig overal het kasteel door. Wanneer Ivan de zaal inkomt, springen de wonden van de dode open en begint het lijk te bloeden,—een zeker teken dat de moordenaar in de nabijheid is—maar de mensen zoeken hem vergeefs. Maar daar staat nu Ivan, en kijkt de wanhopend verdrietige weduwe aan, de schone „Dame de la Fontaine” en voelt de liefde voor haar ontwaken. Echt een pikante en sentimentele situatie: de overwinnaar overwonnen door de echtgenote van zijn verslagen vijand, in de macht van haar die hem meer dan allen haat. Betoverd door zijn liefde is het hem onmogelik de plaats te verlaten die meer dan een ander vol gevaren voor hem is. Wanneer Lunette, de cameriere hem de open deur wijst, kan hij 't niet over zich krijgen het slot te verlaten, hoe hopeloos zijn liefde hem ook voor moet komen. In lange monologen horen wij in detail al het paradoxale van zijn toestand en hoe sentimenteel hij nu volkomen in de war is gebracht. Nu maakt hij Lunette tot zijn vertrouwde en deze, een van het echte koppelaarster-soort (verwant aan de dienstmaagd van Medea en Dido's zuster in de antieke romans) beweert kans te zien er haar meesteres toe te brengen de moordenaar van haar echtgenoot lief te krijgen. In de feeënsage die hier aan ten grondslag ligt, was het heel natuurlik dat elke ridder die opnieuw deMeester van de bron werd, ook de watergeest daarvan, de fee, zou bezitten; het wordt pas stotend en paradoksaal wanneer dit op menselike wezens overgebracht wordt. Toch kan dit het publiek van de heldenpoëzie niet ongelofelik voorgekomen zijn, zo min als de lezers van onze oude balladen; voor hen was het iets heel gewoons dat een moordenaar als boetedoening en schadevergoeding de weduwe of de dochter van de verslagene huwde. Maar de prototype vanChrestienwas niet zo zeer de Oosterse cyniese vertelling van de gemakkelik te troosten weduwe van Ephesus, als Jokaste die, in de Roman van Thebe, de moordenaar van haar man huwt, of Dido, die er door haar zuster toe gebracht wordt haar belofte van trouw tegenover haar gestorven gemaal te breken, of de wispelturige trouweloze Briseis in de roman van Troje. Het is vooral zeker de episode van Briseis dieChrestienheeft willen overtreffen door een nog schitterender schildering der veranderlikheid van het vrouwenhart en hoe dat zich onder alle omstandigheden voor de liefde vinden laat. Het meisje dat blijkbaar tegen haar meesteres zeggen mag wat ze wil, begint een praatje met haar: dat het toch niets geeft of ze daar nu al blijft zitten wenen, zij moet er liever over denken hoe zij de bron en het kasteel nu kan beschermen, zij kan toch gemakkelik weer een even goed heer en meester krijgen als hij die ze nu verloren heeft. Haar meesteres, die, gelijk alle vrouwen, „weigert wat ze in haar hart eigelik wil”, zendt het meisje weg en verbiedt haar zulke dingen te zeggen. Maar ze denkt er toch steeds aan en voelt al wat berouw dat zij Lunette verboden heeft er op terug te komen. Gelukkig begint die er kalm de volgende keer toch weer over en verklaart dat het een voorname vrouw als haar meesteres niet past zo lang te wenen en vraagt of zij misschien denkt dat er geen moediger mannen zijn dan hij die nu gevallen is?—„Ja,—en wie zou dat dan zijn?”—„Ik zeg 't niet want dan wordt u maar boos!”—De vrouwe belooft van niet. En nu begint Lunette: „Iemand die een ander velt, moet een beter en sterker ridder zijn dan de verslagene, en dus...” „Weg, uit mijn ogen! afschuwelik wezen!”—barst de meesteres uit,—maar desniettegenstaande ligt zij toch een hele nacht over de zaak na te denken en reeds begint zij in haar hart zijn zaak te bepleiten.„Als de mensen mij maar niet uit zouden lachen!” Maar wanneer Lunette haar de volgende dag vertelt dat de man niemand anders is dan Ivan, de beroemde Artus-ridder, dan is de dame op eens vuur en vlam. „Hoe gauw zou hij hier kunnenkomen?”—en ofschoon Lunette hem in haar bereik heeft, laat zij toch haar vrouwe een hele dag lang in spanning op hem wachten vóór zij haar Ivan brengt. Wanneer die voor haar verschijnt weet hij nog van niets en is hevig bevreesd voor zijn leven, ofschoon Lunette hem schelms verteld heeft dat haar meesteres hem in een niet zeer onaangename gevangenis wil zetten. Hij moet nu ook niet met zijn mond vol tanden blijven staan maar... flink voor den dag komen. Hij gaat nu recht op haar af, werpt zich voor haar op de knieën en geeft zich aan haar genade over,... vertelt dat het liefde voor haar is die hem op het kasteel heeft doen blijven; en eindelik stelt zij hem kort maar bondig en zakelik voor de verdediger van de burcht te worden en daarmede... haar man! Dan roept zij haar baronnen bij elkaar, speelt een scène voor hen en weet het zo in te richten dat zij haar dwingen een nieuwe echtgenoot te kiezen,—waarop zij met Ivan voor den dag komt en hen de eed van trouw aan hem doet afleggen.

Hoe naïef dit hele stuk psychologiese roman de moderne tijd ook kan schijnen,—de mensenwarennu eenmaal naïever en meer ongekunsteld in die dagen, en de analyse vanChrestienkomt tegenover de werkelikheid misschien niet zo heel veel tekort. Maar nu komt als de eigelike inhoud van de roman, het moment dat Iwein's vriend Gawein hem al heel gauw verwijt dat hij „luiwammest” en in zijn liefde het ridderleven vergeet en nu vraagt en krijgt Iwein een jaar permissie van zijn vrouw. Maar de vriendschap met Gawein, het genot dat hij nu weer in het ridderleven schept en dan ook zijn ridderplichten die hem steeds weer de ongelukkigen ter hulp doet snellen die in nood verkeren, dit alles maakt dat hij langer dan een jaar uitblijft—de plichten der liefde worden nu voor die der riddereer verzuimd—en nu krijgt hij bericht van zijn dame dat zij hem niet meer zien wil. In wanhoop en berouw vliedt Iwein nu naar het bos en leeft daar als een wildeman, wordt waanzinnig van verdriet en het is niet dan na veel ellende doorstaan en vele heldendaden bedreven te hebben dat hij alweer door de slimheid van Lunette zich in genade bij zijn vrouw weet te doen aannemen.

Dat de vrouw hier supérieur, de meesteres is en de man de ootmoedige dienaar, terwijl in „Erec en Enide” de toestand juist omgekeerd was, komt in hoofdzaak hierdoor dat Enide een arm meisje was dat tot een plaats aan de zijde van een vorst opgeheven wordt, terwijl de „Dame de la Fontaine” de regerende vorstin is en Iwein haar „man” d. w. in dit geval zeggen haar „vasal” was.Maar in de volgende roman vanChrestienzien wij de Provençaalse vrouwenverering reeds geheel en al door hem in de Britse sagenwereld ingewerkt en paradoksaal tot het uiterste gedreven. En hier is het nu de Keltiese sage van iemand die naar het Dodenrijk ontvoerd wordt maar die weer voor het leven gewonnen wordt, waar de dichter een volkomen menselik ridderverhaal op geborduurd heeft. De geschiedenis der ontvoering van Artur's gemalin door een vreemde koning was een oude schakel in de Britse Arthur-verhalen en daarmede smolt de Keltiese Orfeus-mythe samen; Guenievre is het, die weggevoerd wordt en Lancelot die haar terug haalt. Nu wordt Lancelot tot de neef van de koning gemaakt en hij vereert en aanbidt de vrouw van zijn oom,—evenals Tristan die van zijn oom Marc. Ook hier draait alles feitelik om een konflikt tusschen riddereer en liefde,—een zuiver simbolies konflikt tussen die twee tot het uiterste gevoerde begrippen. Lancelot hunkert er slechts naar te weten te komen waar zijn aangebeden koningin heen gevoerd is en dat land zelf te betreden, maar hij is zijn paard kwijt geraakt en staat wanhopend te kijken wanneer er juist een dwerg voorbij komt op een kar: als de ridder nu maar op wil zitten, zal de dwerg hem de weg naar de koningin wijzen. In zijn sterk ongeduldig verlangen begaat nu ridder Lancelot door zijn liefde voor Guenievre de voor een ridder zo uiterst vernederende handeling werkelik op de kar plaats te nemen,—iets waar hij duur voor zal moeten boeten. In de oude sage is er zeker ook iets van een wagen geweest,—misschien wel de doodswagen, waar er voor de ridder een grote zelfoverwinning voor nodig was om die te bestijgen, om zo in het doodsrijk te komen. En dit zalChrestienòf niet hebben begrepen òf niet hebben kunnen gebruiken, in plaats waarvan hij met al het formalisme van een ceremoniemeester, een heel simbool maakt dat Lancelot liefde boven riddereer stelt, wat per slot van rekening toch maar een kleine inbreuk was op de riddergewoonten: dat hij in een kar reed in plaats van te paard. Overal waar hij nu voortaan heengaat, heeft men van zijn tocht op de kar gehoord en wordt hij met spot en hoon overladen, ja, wanneer hij eindelik, na allerlei avonturen en heldendaden, alles om zijn liefde vergetend, de koningin weet te vinden en haar te bevrijden, dan keert ook zij haar ridder en redder de rug toe: hij heeft zijn riddereer geschonden en daardoor haar eer. (Anderen verstaan daarentegen de tekst zo dat de koningin er integendeel boos over is omdat Lancelot evengeaarzeldheeft vande kar gebruik te maken). Zwijgend en ootmoedig buigt hij zich voor haar ongenade, die hem geen woord van verklaring zelfs gunt en lang zwerft hij wanhopend rond totdat hij na nieuwe daden en gebroken in zijn ootmoed eindelik toch in genade aangenomen wordt. Met nieuwe, heel bizondere kleuren is die ootmoedige liefde van Lancelot geschilderd; niettegenstaande de invloed der troubadours is die, als men het zo uitdrukken mag, meer noordelik-blond dan de door hen geschilderde liefde; het is een heel romanties-dromende ingenomenheid, een verlangend smachten, waar de jongeling mede rondloopt. Vele maagden trachten hem onderweg te verleiden of te dwingen, maar „een ridder heeft maar één hart en het zijne is niet langer bij hem”, in alle situaties bewaart hij zijn kuisheid, als b.v. ergens de jonge schone gastvrouw hem haar bed laat delen, houdt hij voorzichtig zijn ondergoed aan. Eens op een morgen vindt hij een ivoren kam op de weg liggen, met goudgeel vrouwenhaar er in—„ik weet niet van wie die is”, zegt de schrijver schelms—dadelik valt hij in zwijm van aandoening, daarna haalt hij er netjes alle haren uit, drukt die tegen zijn ogen, mond en voorhoofd en bergt ze op zijn borst. Van haar kant heeft Guenievre er plezier in de bescheiden page-liefde van de jongeling naar haar zin te zetten en op een verfijnde proef te stellen. Eens wanneer Lancelot—incognito, alleen de koningin herkent hem—met grote kranigheid op een toernooi strijdt dat enige dagen duurt, zendt zij hem op een morgen heimelik bevel dat hij die dag slecht moet vechten en niettegenstaande hij in zijn eergierigheid hevige lust heeft om zich zo goed mogelik voor te doen, geeft hij toch aan de luimen van zijn aangebedene toe en laat zich door de anderen uitlachen. Als een want in haar hand, als een hond voor haar voet wil zij hem hebben. Eindelik weet hij haar toch 's nachts te ontmoeten; hij drukt de ijzeren tralies van haar raam uit elkaar en werkt zich naar binnen, niet zonder zijn hand te kneuzen en aan het bloeden gekregen te hebben,—een herinnering misschien wel aan deYonecvanMarie de France. Als hij het bed van de koningin bereikt „buigt hij zich eerst aanbiddend neder, want hij gelooft in geen heilig lichaam zoals aan het hare”—men ziet hoe blasfemies de liefde kan zijn—en na een nacht vol, gelijk de auteur het mysties uitdrukt, van een soort wellust „die nooit zijns gelijke heeft gehad en die ik mijn leven lang zal verzwijgen”, na zulk een liefdenacht staat hij op, terwijl de koningin nog slaapt, maar voor hij weg sluipt, „valt hij eerstnog weer voor het bed op zijn knie; hij voelt zich geheel als een martelaar en hij doet als bevond hij zich voor een altaar”. Het pathologiese element waar wij in de knielende onderwerping der troubadours aan de vrouw reeds de eerste sporen van tegen zijn gekomen, is hier bijna onguur van perversiteit geworden.

Niettegenstaande de oude mytiese stof nu zo op mensen overgedragen is, ligt er toch nog een zekere vaag-mystiese atmosfeer over de gebeurtenissen en de personen in dit gedicht van Lancelot. Pas wanneer we ver in de historie gekomen zijn, krijgen wij te horen, en dan nog maar helemaal in het voorbijgaan, wie de „Ridder met de kam” zoals Lancelot genoemd wordt, eigelik is (een kunstmiddeltje om de nieuwsgierigheid op te wekken, waarChrestienook elders met graagte gebruik van maakt) en de hele verhouding tussen hem en Gawein, die ook op zoek naar avonturen is, wordt geheel en al in het donker gehouden: de eerste schijnt de laatste te kennen maar niet omgekeerd; de verhouding tussen Lancelot en de koningin is ook al vaag en onduidelik en de Mysteries in het land van koning Gorre, aan de overzijde van de „Zwaardbrug”, worden al meer en meer dromerig-onbegrijpelik, hoe verder de held op zijn tochten komt. Het is duidelik dat de dichter zelf, met al zijn gevoel voor de nuchtere werkelikheid voor goed in de mysteries der Keltiese sagen-wereld bevangen is geraakt;Chrestienzowel als zijn lezers voelen dat wij ons hier eigelik in de onwerkelike wereld van het hiernamaals bevinden. En in zijn laatste inkomplete roman „Perceval van Wales” verdwaalt de dichter nog dieper in het land der wonderbare fantasie.

„Perceval” verhaalt van de knaap die in het bos grootgebracht wordt, waar zijn moeder, de weduwe van een ridder, hem ver van de wereld heeft opgevoed, opdat hij niet gelijk zijn vader en diens broeders een vroege dood op het slagveld zal vinden. Eens in de lente als de jongen in het bos rijdt en alles om hem heen van vreugde straalt, zo dat zijn hart in zijn borst breder schijnt uit te slaan, hoort hij tussen de eikenbomen door het kletteren van metaal, er komt een schitterend licht uit de diepte van het bos en vijf ridders springen langs hem heen. Dat moeten de engelen zijn waarvan zijn moeder hem verteld heeft, die schoner zijn dan al het andere behalve God. Hij knielt neêr en wil ze aanbidden. Maar zij houden stil en vragen hem naar de weg en heel levendig wordt het nu beschreven hoe de knaap, in stomme verbazing, hun allerlei vragen stelt over hun wapenrusting, hun paarden enz., terwijl de ridders al ongeduldiger worden omdat zij niets van hemte weten kunnen komen,—„al die lui uit Wales zijn ook zo dom,” zegt een van hen. Wanneer hij bij zijn moeder thuis komt is hij niet uitgepraat over die hemelse wezens die zich ridders noemen en tevergeefs tracht de moeder in haar angst hem aan zijn verstand te brengen dat dit een soort engelen zijn die de mensen dood slaan. Het geeft allemaal niets, als de zoon nu hoort dat zijn vader ook ridder was, wil hij absoluut ook de wereld in en ridder worden.

Met een zwaar gemoed gaat zijn moeder nu ook voor zijn uitrusting zorgen, het wordt een zeer huiselike, komiek boerachtige uitrusting, en zij geeft hem allerlei raad voor het leven mede, praktiese dingen en zedelike voorschriften, regels op de hoofsheid en goede manieren betrekking hebbend, als in de Oosterse verhalen en Ruodlieb, alleen iets ridderliker. En zo trekt de jongen de wereld in, zonder te vermoeden dat zijn moeder van verdriet in zwijm valt. En waar hij nu ook komt, overal tracht hij de levensregels van zijn moeder in praktijk te brengen, „dat heeft mijn moeder mij nu zo voorgehouden,” zegt hij eenvoudig. En die voorschriften brengt hij dan op zulk een naïef-onwetende manier in toepassing dat hij voortdurend tegen „de goede toon” handelt, maar door zijn gezonde onbedorven natuur komt hij toch vooruit, en steeds tracht hij zich volgens de raad van zijn moeder te volmaken en zich altijd bij de „prudhommes” te houden. Hij komt aan het hof van koning Arthur, waar „le valet sauvage”, zoals de dichter hem noemt, dadelik zonder blikken of blozen eist een uitrusting te krijgen en tot ridder geslagen te worden. Als hij juist op dat ogenblik een ridder in een rode wapenrusting zich ongepast tegen de koningin ziet gedragen, slaat hij hem met zijn eigenaardige werpspiets uit Wales ter neer en trekt nu diens wapenrusting aan. Maar hij wil zijn eigengemaakte kleeren toch niet afleggen en zo moet men de jongen, die natuurlik aan dit alles niet gewend is, helpen die nieuwe wapenrusting over zijn eigen kleeren aan te trekken, en als „de roode ridder”—zijn eigen ware naam kent hij niet—trekt hij nu verder de wereld in. Hij komt een oude burchtheer tegen, Goneman, die hem uitnodigt mee naar zijn slot te gaan, hem tot ridder slaat en verder voor zijn opvoeding zorgt, door hem een stel nieuwe levensregels mede te geven,—niet alleen voorschriften uit de ridderlik-religieuse moraal: de weerlozen te hulp te komen, in de kerken te bidden, geen overwonnen vijand te doden, maar ook die op goede manieren betrekking hebben, b.v. dat men niet te veel moet spreken of vragen.

Maar hij trekt weer verder om zijn „Lehr- und Wanderjahre” voort te zetten. En nu krijgt hij ook les in de liefde. Op een kasteel treft hij de heerseres, een jong meisje dat lelik door vijandelike naburen in het nauw wordt gebracht. Hij verslaat al haar vijanden en het duurt niet lang of het jonge meisje behandelt hem zo vriendelik dat zij tedere gevoelens bij de onwetende en onschuldige knaap weet op te wekken; die episode is in al haar naïeveteit zéér lief en fijn geschilderd. Maar voorlopig moet „de rode ridder” verder, nu wil hij zijn lieve moeder bezoeken, eindelik is het verlangen naar haar in hem ontwaakt.

Maar vergeefs gaat hij de „gaste forèt” zoeken waar zijn moeder woonde. Maar wel komt hij aan een geheimzinnig slot. Een man die stond te vissen heeft hem daar heen gebracht en hij wordt nu een zaal binnengeleid waar op een bed voor een vuur een oude man ligt wien blijkbaar al zijn krachten begeven hebben. Beleefd vraagt hij de gast hem dan ook te verontschuldigen als hij niet opstaat, en begint een gesprek met hem. Onderwijl komt een dienaar zijn meester een zwaard brengen van zijn nicht, en de gastheer vereert dit aan de rode Ridder. Daarna komt er een ander met een blinkende lans, waar bloed afdruipt; nieuwsgierig is hij op 't punt te vragen wat dit alles te betekenen heeft, maar hij herinnert zich Goneman's raad en zwijgt. Ten slotte komen er twee dienaren met hoge kandelaars en tussen hen in loopt een maagd die een „graal” in haar handen draagt; de glans van die graal overtreft verre die van de kaarsen. Een vlak, zilveren bordje, een soort voetstuk, wordt achter de graal aangedragen. Weer weet de ridder zijn nieuwsgierigheid te bedwingen en de stoet verdwijnt door een andere deur. Geen woord wordt over dit alles gewisseld en nu wordt er een prachtige maaltijd binnengebracht; daarna wordt de gast naar zijn legerstede gebracht. Maar de volgende morgen als hij wakker wordt is het gehele kasteel als uitgestorven, de zalen zijn afgesloten, alleen ziet hij zijn paard gezadeld staan waarop hij verder rijdt...

Dit was de Graalburg waar hij in geweest was, krijgt Perceval (die zich nu plotseling zijn naam herinnert) naderhand te weten, en het was heel erg jammer dat hij niets gevraagd heeft. Maar, zoals een heremiet hem weet te vertellen, dat hij er niet toe kwam te vragen, dat was de straf omdat hij zo hardvochtig van zijn wenende moeder weggetrokken was, die van verdriet over zijn vertrek gestorven is; de zieke Graalkoning was een der twee broeders van zijn moeder, hij, de heremiet zelf, is de ander...Maar meer krijgen wij bij onze schrijver niet te weten, de pen is hem ontvallen en zo laatChrestienhet aan talrijke andere dichters over de Graalsage verder uit te werken.

De dichterlike richting waarinChrestiendie „Bretonse” stof vorm had gegeven, werd voortdurend meer en meer karakteristiek voor die geweldige massa van „Bretonse Romans”. Aan de ene kant vinden wij daarin een zeer realistiese, lustig-frivole schildering van de zeden van de adel en van het ongebonden, avontuurlike leven langs 's Heren wegen. Wij krijgen verhalen van kroningsfeesten en bruiloften en de ontvangst in een stad van een geliefd vorstenpaar; wij zien ook de dame aan haar toilet, hoe zij half ligt, half zit op een ligbank, terwijl de ene dienstmaagd met een ivoren kam haar de lange blonde haren kamt, de andere haar een spiegel voorhoudt terwijl zij een bloemenkrans in de hand heeft, en wij wonen hele gesprekken bij tussen dames en heren bij de ontvangst op het kasteel. Hier en daar merkt men pogingen om een zekere uiterlike en innerlike karakteristiek in de personennamen te leggen:Guinautde blonde,Madiande trotse, „le beau-tenebreux”, „le beau-hardi”, of de mensen allerlei capricieuse eigenaardigheden te geven; ook vindt men nu karikaturen van een lelike dame, een monsterlike dwerg, en—in de proza-romans—„problematiese naturen” met allerlei eigenschappen die aantrekken of afstoten goed dooreengemengd, b.v. zulke figuren als Morgane, de zuster van koning Claudas en Arthur.

Die romans geven gewoonlik een soort elegante kroniek van de maatschappij, en het beeld dat zij van de adellike zeden geven is nu niet bepaald stichtelik. De dame is maar al te verleidelik met haar koketteren; wanneer zij met een cavalier samen uitrijdt, spreekt zij over liefde en zingt Britse „lais” en „retrouenges” voor hem, doet onder het gesprek haar halsdoek af, of maakt een paar knopen los van haar kleed „omdat het zo warm is” zodat haar gezicht en blanke hals te zien komen en kiest bij voorkeur gezellige, schaduwrijke plekjes uit om even rust te houden. Of zij komt 's morgens een praatje bij hem maken op de rand van zijn bed. Maar ook de ridder is niet bang om het initiatief te nemen. Tegen bedtijd komt hij b.v. een der dames op het kasteel bezoeken; zij zit in haar kamer gouddraad op te winden; hij gaat naast haar zitten, laat het gouddraad tussen zijn vingers door glijden en vraagt haar naar haar werk... en dan eindigt het er al licht mede dat hij daar 's nachts blijft. En zo is het werkelikgeen wonder dat als er eens een man met een wondermantel aan het hof van koning Artus komt, welke slechtsdiedame past die zich niets te verwijten heeft, en een andere keer een man met een drinkbeker waarvan alleen die man kan drinken zonder te morsen, wiens echtgenote zijn eer nooit bezoedeld heeft,—dat dan blijkt, tot schrik van enkelen, maar tot groot vermaak van de meesten, dat de mantel zo goed als geen enkele dame past en geen echtgenoot uit de horen kan drinken.

Maar vooral het rondtrekken en het leven langs 's Heren wegen en in de herbergen werkt verslappend op alle zeden. Hier is een herberg waar de dochter van de waard 's nachts de gast haar gezelschap opdringt, ginds een slot waar de Heer zich zo door de vrouwen der reizigers voor zijn gastvrijheid laat betalen. In het land waar Lancelot doortrekt was het gewoonte dat een jonkvrouw, die alleen reisde, niet zonder hevige straf verkracht kon worden—ofschoon dat toch voortdurend voorkomt—wanneer zij daarentegen een ridder mede had als begeleider, mag hij die deze laatste overwint op haar liefde aanspraak maken. Een ruw ridder,Agravain, heeft juist de begeleidende ridder van zulk een rondtrekkende dame gedood; nu gebiedt hij haar van haar paard te komen, gooit haar op de grond en rukt haar de kleêren van het lijf, maar als hij dan ziet dat haar lichaam vol builen zit, beveelt hij haar in plompe hoon maar weer op te staan, haar zal hij waarachtig geen kwaad doen. Maar gelijk wij al gezien hebben, is er maar al te dikwels geen geweld nodig. Een ridder stelt eens zijn dame en zijn hond op de proef en ziet met weemoed dat zijn schone dadelik met een vreemde ridder meegaat, terwijl zijn hond hem trouw blijft. En veel van de meest beroemde ridders hebben op hun tochten het ene avontuurtje na het andere; waar een ridder als de vrolike Gawein zich vertoont, wedijveren alle dames om zijn gunst. Overal hebben Gawein en andere ridders dan ook kinderen waar zij niet van weten en die ook hun vader niet kennen, wanneer zij de wereld in trekken; het is zeker niet zonder goede reden dat die romans zo dikwels over dergelike heldenzonen handelen, die hun vader gaan zoeken en die tenslotte herkennen in Gawein of een ander ridder van de tafelronde.

Maar met dit frivole realisme mengt zich, evenals bijChrestien, overal in de Artus-romans een sentimentele vrouwenverering en een hooggespannen gevoel van riddereer. Drie broeders, koningszonen, rijden het bos door en de één vraagt de ander wat hijdoen zou als zij nu de schone dochter van de waard bij wie zij 's nachts gelogeerd hadden, eens alleen in het bos aantroffen. Nu, zegt de een, dat begrijpt hij toch ook wel, hij zal nooit een gelegenheid voorbij laten gaan om van een vrouw zijn lust te hebben, een ridder die dat niet doet met of zonder geweld betekent ook niet veel. Maar de ander ontwikkelt hiertegenover zijn sentimentele smachtende opvatting van de liefde. Deze laatste hoort tot de klasse van sentimentele minnaars als Lancelot,Gliglois, Ider, Claris entutti quanti.Gligloisis een jonge page die Gawein zijn schone gezonden heeft om haar te dienen, maar die nu zelf gloeiend op haar verliefd wordt, nu hij dageliks in haar nabijheid is en haar aan tafel en bij haar toilet dient. Zij merkt hoe de knaap vergeet voor te snijden, hoe zijn handen beven wanneer hij haar kleêren vast moet maken; zij heeft er plezier in met zijn hopeloos bedeesde liefde te koketteren, hem gruwelik te plagen en hem zeer hardvochtig zich half dood naast haar paard te laten lopen... en tòch per slot, wanneer zij hem genoeg gepijnigd en op de proef gesteld heeft, plotseling zijn „perseverance” te belonen met haar hand en haar hart.—Claris is de arme jonge ridder die op de koningin verliefd wordt; als hij eens zwaar gewond ter neder ligt, heeft de broeder van de koningin aan wie hij eens zijn geheim toevertrouwd heeft, er zijn zuster toe weten te krijgen hem te bezoeken. Overweldigd door zijn vreugde vat hij nu moed haar zijn gevoelens te doen kennen, maar zij wijst hem streng terug, zodat de zieke voor dood in zwijm valt. Nu krijgt haar medelijden de overhand, zij buigt zich over hem en kust hem. Die kus doet hem weer herleven, en op voorspraak van haar broeder stemt de koningin er in toe zijn „amie” te worden; alleen moet hij beloven zich tevreden te stellen met „l'acoler et le besier”.

Ook de liefde in de echtbreuk wordt langzamerhand heel smachtend-elegies en sentimenteel-moreel behandeld,—vooral in de twee uitvoerige prozaromans van Lancelot en Tristan. In plaats van de versvorm komt nl. nu en dan het proza te voorschijn—een bleek, dun proza wel is waar, dat toch een eigenaardig ceremoniëleelegancevertoont, een eigenaardig smachtende gratie die goed bij de gekunsteldheid en de sentimentaliteit van de toon past. Lang dweept de jonge Lancelot in stilte met de koningin, hij kan niet, gelijk de levendige Zuid-Fransen, zijn gevoelens in een sierlike hulde uiten, hij valt bijna in zwijm wanneer zij hem haar hand geeft, en zij is het die de eerste fijne en diskrete toenadering moet doen,—allerliefst isb.v. de boodschap die zij hem zendt, wanneer hij een verre tocht gaat ondernemen, dat hij zich voor onwaardige liefde moet wachten, want „hoe hoger een ridder zijn wensen stelt, des te meer stijgt hij zelf in waarde.” Tenslotte moet een vriend de postillon van Lancelots gevoelens zijn en in tegenwoordigheid harer maagden, geeft de koningin hem een kus. Op die kus en een „beau doux ami” kan de gelukkige minnaar lang leven. Op zijn tochten kan hij een hele dag stil in zijn liefdedromen weggezonken, zich door zijn paard laten leiden, zonder dat hij zelf weet waarheen, evenals de koningin zelf in haar torenvenster kan staan dromen van al de vreugde die haar het hart doet overstromen. De geliefden ontmoeten elkaar maar weinig en kort, gewoonlik moeten zij tevreden zijn met op een afstand voor elkaar te zuchten en naar elkaar te smachten, en zelfs wanneer zij bij elkaar zijn, vergiet hun liefde meestal nog tranen omdat zij door het ijzeren hek van het huwelik van elkaar gescheiden zijn. Zij lijden onder het halve en het verborgene in hun verhouding en de koning zelf heeft medelijden met hen. Zelfs is Artus bereid hem zijn gemalin af te staan, alleen om Lancelot's vriendschap te behouden. Elk der twee gelieven heeft een vertrouwde, een vriend of een vriendin, voor wie zij hun hart uitstorten en die zich met hen verheugen en met hen wenen en de koningin weet van die twee vertrouwden een paartje te maken, evenals wij dit met Kaherdin enBrangienin „Tristan” zagen gebeuren. Boze mensen zaaien door vervalste brieven het zaad der verdenking tussen Tristan en Isolde, als tussen Lancelot en Guenievre en wat uitdrukkelik in het wetboek der liefde van Andreas Capellanus voorgeschreven is,—de geliefden geloven altijd dadelik het allerergste van elkaar en zijn te trots om een verklaring te zoeken of zich zelf te rechtvaardigen. Zij willen zich uit wanhoop doden, maar dan weten de confidenten een verklaring of een verzoening te weeg te brengen. En Lancelot is werkelik het voorbeeld van een „loyal amant”. Wanneer men hem met de woorden „uw vriendin zal het nooit te weten komen” tracht te verleiden, antwoordt hij: „Mijn hart zal het te weten komen en dat is één met het hare”, en als iemand hem eens een kus heeft ontstolen, gaat hij zich wanhopend aan een beek staan wassen, veegt zijn lippen af en spoelt zijn mond om,—gelijk een heilige in de oude legenden dit gedaan zou hebben.

Lijnrecht tegenover die sentimentele liefde staat echter bijChrestienals bij anderen, een ander ideaal prinsiepe, dat van dehooggespannen en ten top gedreven cultus van de eer. Konden echte helden der heldensage bang worden, deze onwerkelike ridders weten niet wat vrees is; konden de eersten verstand aan den dag leggen en list vertonen, de laatsten verachten zulke dingen. Wanneer er gezanten de grote zaal van Artus binnenkomen, pochend en vol drukte zoals er dat in de heldensage bij hoort, dan antwoordt de koning zachtmoedig glimlachend: „Vriend, zeg ons uw boodschap; dat zal niemand u verhinderen.” De ridders van de Tafelronde moeten elke bede op voorhand inwilligen en keer op keer worden Artus zo wel als zijn helden in de pijnlikste verlegenheid gebracht wanneer de bede iets absoluut onmogeliks blijkt te beogen, en meer dan eens worden zij door die onbezonnen beloften genoodzaakt een onrechtvaardige zaak te bevorderen. Met poenerige trotsmoedigheid zet de ridder zijn dame op het spel, zodra iemand hem maar uitdaagt om haar te strijden. Komt er een vreemde strijdridder aan het hof van Artus, die een ieder uitdaagt die maar wil om met hem om de koningin te vechten, dan neemt Artus dit dadelik aan. Guenievre wordt dadelik als het voorwerp van de strijd naar een weide gebracht en wie ook maar wil van de ridders, al was het ook ridder Key, die om zijn ongelukken bekend is, mag haar verdedigen. In de strijd zelf geeft de ridder zijn tegenstander allerlei voordelen en is er op uit de fijnste ere-regels voor de strijd op te stellen. Onder de ridders geldt ook de stijfste beleefdheidsetikette en elk woord dat niet „convenable” is of elk onbeleefd antwoord betekent zoveel als een uitdaging in een duel. Vooral is hoofsheid tegen de dames een ridderplicht; een dame niet te groeten is een misdaad, die gezoend moet worden; de hand aan een vrouw te slaan—zelfs al zou zij daar zelf schuld aan zijn doordat zij zich tussen de strijdenden geworpen had—eist een lange tijd van boetedoening.

Een nieuwe ridderlike deugd, die de ridders van koning Artus op de meest geraffineerde wijze beoefenen is de bescheidenheid; die hebben ze uit de heilige legenden geleerd. Nooit zullen ze zich ook maar enigermate op de voorgrond stellen, altijd, zo mogelik, hun heldendaden anoniem volbrengen, in een onbekende wapenrusting, men moet ze bespioneren om gelegenheid te krijgen ze te bedanken. Schoon is b.v. ook een scène waarin Gawein een zijner broeders treft, zonder dat die hem kent. De broeder vraagt de Artusridder over de Tafelronde uit, wie de beste is, enz.... steeds in de hoop Gawein te horen prijzen. Maar Gawein noemt allen anderen een voor één op, maar nooit zijn eigen naam, waarde ander zich hevig over ergert. En Lancelot zowel als andere helden hebben er een bepaald plezier in om zich zelf te plagen, en zich te doen miskennen, zich voor te doen als of ze voor iets niet deugden en zich door anderen in de schaduw te doen stellen; zachtmoedig houden zij zich op de achtergrond, totdat ze van de nood een deugd moeten maken en ze zich plotseling in al hun kracht vertonen.

En de Artusromans hebben er plezier in, evenalsChrestien, de ridder met zijn eigen geweten in konflikt te brengen, waardoor verschillende kwesties van eer of de eisen van de riddereer en die der liefde tegenover elkaar komen te staan, zo dat de ridder genoodzaakt wordt een dier eisen te overtreden en daarvoor gestraft wordt òf dat hij zich door de ene of andere subtiliteit uit de slag moet trekken. Hij heeft b.v. juist een tegenstander overwonnen en die ligt nu weerloos onder hem; nu komt een dame aanzetten die om een gunst vraagt welke de ridder haar natuurlik dadelik toestaat,—nu vraagt zij om het hoofd van de overwonnene. Eerloos zou het zijn de weerloze te doden, maar zijn belofte aan de dame mag een ridder ook niet breken; hij geeft dus de ridder zijn wapenen terug en begint een nieuwe kamp met hem, waarin hij hem overwint. Of Gawein heeft een ridder verslagen die een vrouw geweld aan heeft gedaan. Des avonds komt hij aan een kasteel waar hij allervriendelikst ontvangen wordt. Maar aan het eind van de maaltijd wordt het lijk van de verslagene binnengebracht en nu blijkt het dat het de zoon van zijn gastheer is die Gawein gedood heeft; het bloed dat uit de wonden vloeit toont wie de moordenaar is en hij tracht dit dan ook niet te ontkennen. Eerst wil zijn gastheer hem nu doden, maar dan herinnert hij zich de eisen der gastvrijheid, laat hem de volgende morgen wegtrekken, om hem dan pas te vervolgen en wraak te zoeken.

De proza-roman van Lancelot is van de monniksgeest doortrokken. Lange uitwijdingen over dogma's breken het verhaal overal af en voortdurend wordt de kristelike missie van de ridderschap op de voorgrond gebracht. Van zonde, berouw en boetedoening is de liefdeshistorie van Lancelot en Guenievre vol, en de gehele elegiese sentimentaliteit waarmede hun moeilikheden geschilderd worden heeft een kristelike legendentoon over zich. De schroomvallige nauwgezetheid en de spitsvondige dialektiek waarmede de ridder aan de eisen van de eer tracht te voldoen,het diepe schuldbewustzijn dat de minste tekortkoming aan die eisen in het gemoed van die ridder achterlaat,—dat is alles ook van kristelike oorsprong. En de roman eindigt er dan ook meê dat Guenievre zich in een klooster terugtrekt en Lancelot zijn leven als een vrome eremiet eindigt.

Vele zijn over het algemeen de pogingen van de geestelikheid geweest om de ridderpoëzie van de kristelike geest te doordringen. Wij hebben „lais” die een kristelike morele kleur over de heidense Keltiese sagen trachten te leggen; wij hebben romans waarin de kristelike mirakelen tegen heidense toverij strijden of waar het teken des kruises de ridder uit de handen der spoken redt. Maar de belangrijkste poging om een beslist kristelike ridderromantiek tegenover de wereldlike te zetten, deden de monniken in de Graalromans. Tegenover de ridders van de Tafelronde kwam de heilige ridderschap van de Graal te staan, tegenover de jacht op avonturen en eer, die van de Graal, „la quète du graal”, een jacht op die levenskroon welke slechts de volmaakte ridder zonder blaam zou kunnen bereiken. En niet minder avontuurlik,—neen! nog avontuurliker en wonderliker, nog meer vervuld van heldendaden en ridderlikheid dan al die Artur-romans werd die Graal-romantiek in de werken vanChrestiens' navolgers, de DuitserWolfram von Eischenbach, die in een groot gedicht een verloren Franse versroman nabootst, in de berijmde Graalromans vanRobert de Boron, een Anglo-Normandies dichter en ten slotte in de grote prozaromans die ten dele aanWalter Mapestoegeschreven worden.

In die overweldigende massa van vers en proza golft er een chaotiese menigte van voorstellingen, van alle kanten te samen gevloeid en die elkaar dikwels tegenspreken. Maar dehoofdtrekkenzullen wel zo ongeveer de volgende zijn:

De schaal, het bekken of de schotel waarvan Kristus bij het laatste avondmaal zeide: „Die de hand met mij in den schotel doopt, die zal mij verraden”, heeft steeds een wonderbare kracht behouden, niet alleen om de goeden en de reinen voedsel te geven en hen tevreden te stellen maar ook om de zonden te ontsluieren door geen onreinen in de buurt te kunnen dulden. Die schotel kwam in het bezit van de vrome Josef van Arimathea die er het bloed van de Gekruisigde in bewaarde. Toen hij gedurende de Kristen-vervolgingen in de gevangenis geworpen was, werd hij wonderbaarlik voortdurend door den schotel gevoed, en Kristus openbaarde zich voor hem en leerde hem de ritus van de Misen de mystiese betekenis er van. Toen stichtte Josef een broederschap van die „Graal” zoals het genoemd werd en van een Tafelronde, ter herinnering aan het laatste Avondmaal. De Graal verschaft voedsel, maar hij die alleen uit nieuwsgierigheid er in kijken wil of die zich aan de tafel neerzet zonder er recht op te hebben, wordt gewond of verblind door hemelse wapenen. De Graalbroeders trekken als zendelingen de wereld in en ten slotte trekken zij op hemels bevel naar Engeland om dat land te kerstenen. Overal wordt hun tocht door mirakelen en mysteriën gekenmerkt, zij vinden het toverzwaard van koning Salomon; ter loutering van hun zonden worden enkelen hunner met toverschepen naar tovereilanden gebracht: een der leden van de broederschap heet Brons en wordt „de rijke visser” genoemd, omdat hij een vis gevangen heeft waar een heel gezelschap mee gevoed is geworden.—Petrus wordt in de H. Schrift een „visser der mensen” genoemd en de vis is ook het symbool van Kristus—, een ander wordt door een bloeddruipende lans in zijn voet gewond, hetzij omdat hij op een heilige plaats is gaan slapen of omdat hij in de schotel gekeken heeft, of het is door het zwaard van Salomon dat hij gewond wordt. Intussen is de Graal van Josef van Arimathea in andere handen overgegaan en die wordt ten slotte in een onbekend slot, ergens in het westen van Engeland, bewaard opdat die niet in de handen der woeste Saksen vallen zal.

Daar zit nu een Graalkoning die te bewaken... hij is ziek, maar hij kan niet sterven of beter worden, vóór een rein, edel man naar de Graal en de bloedende lans komt vragen. In navolging van de broederschap van de Graal is nu Artur's ridderschap van de Tafelronde gesticht geworden om de Graal te zoeken. Merlijn is de stichter er van; hij was eigelik een afgezant van de Hel, uit een maagd geboren om zo een tegenhanger van Kristus te vormen en had als deze bovennatuurlike macht gekregen; maar het goede in hem had de overhand gekregen over het daemoniese in hem. Zo zijn de ridders van de Tafelronde een wereldlike ridderschap die naar ideële volmaking streven en de beste ridders zoeken overal de wereld af naar de Graal. Door zijn liefde voor de koningin heeft Lancelot zich onwaardig gemaakt om die te vinden; het is òf Percival òf—volgens anderen—Galahad, de zoon van Lancelot, die eindelik als de reine ridder zonder smetten, het kasteel weet te bereiken, de vragen stelt en Graalkoning wordt.

Dat schijnen de grote trekken te zijn. Het is een vreemd mengelmoesvan trekken uit alle kanten. Zeker zijn er Keltiese sage-elementen bij. Zoals wij reeds gezien hebben waren er oude Ierse verhalen van een ketel waarin altijd genoeg te eten was, en van andere merkwaardige talismans als een lans en een zwaard; verder de sage van de gewonde koning Artus die nog steeds in leven is op het tovereiland Avalon, en er zijn zonder kwestie sagen bij de Britten in omloop geweest van de romantiese jacht die hun helden de gehele wereld door maakten op wonderbare talismans,—evenals Jason het gulden Vlies was gaan zoeken, Herkules de appelen der Hesperiden, Thor de wonderbare ketel van Hymir en de appelen van Idun, of de helden van de Kalevala de molen van Sampo. Perceval schijnt oorspronkelik er op uit getrokken te zijn om een toverzwaard te zoeken waarmede hij de moord op zijn vader zou wreken; andere helden zochten de wonderbare ketel die weer welvaart zou brengen in een land dat onder een vloek had gelegen of die een zieke koning de gezondheid weer zou geven.

En geesteliken hebben nu die Keltiese sagen in verband gebracht met kristelike legenden. Apocryfe evangelieën waaronder dat van Nicodemus het voornaamste is, vertelden van Josef van Arimathea, die de beschermheilige der ridders werd en vooral van Brittannië en van oude kristelike Broederschappen. Vervolgens: evenals alle andere relikwieën uit het leven van Kristus—zijn rok, de zweetdoek van Veronica, de lans van Longinus, het kruishout en de kruisnagels—zette de avondmaalschotel ten tijde der kruistochten de fantasie in hoge mate in beweging en ook alweer als die andere relikwieën werd het op verschillende plaatsen vertoond, b.v. te Constantinopel en te Genua. Verder moest het bloed van Kristus in de opvattingen van die dagen wel een grote rol spelen. In overeenstemming met de oude begrippen van bloedwraak was het 't storten van Kristenbloed zelf dat voor de mensheid de eigelike verzoening betekende. Dat zij die het lichaam van de dode Heiland gewassen hadden, dat kostbare vocht niet zouden hebben bewaard, waarin toch altijd zulk een merkwaardige kracht moest zijn blijven wonen, dat scheen de mensen volkomen onbegrijpelik: op vele plaatsen beweerde men dan ook een weinig bloed van Kristus te bezitten, zo kreeg b.v. in het jaar 1247 koning Hendrik III van de patriarch van Jerusalem een kristallen buisje met een weinig van het heilige bloed er in, dat in de familie van de patriarch, van de tijd van Josef van Arimathea af, van vader op zoon overgegaan was. Bij de communie gebruikte men dit bloedook, en het was juist in de dagen der Kruistochten dat het krasse materialisme der Middeleeuwen als vaststaand aannam dat het brood en de wijn door de mis werkelik tot het lichaam en het bloed van Kristus werden. De naam graal was waarschijnlik bedorven Middeleeuws-latijn, en de substantie waarschijnlik een samensmelting van de schotel en de kelk die bij het H. Avondmaal gebruikt waren, in oude miniaturen wordt die als een kelk afgebeeld en het schijnt ook dat een en ander der mystiese liturgie der mis, misschien wel bizonder zoals de kruisvaarders die in de Oosterse kristelike kerk bediend zagen, de stof gegeven heeft voor vele Graal-mysterieën.

Over het algemeen kan men zeggen dat de kruistochten het voornaamste element voor de Graalpoëzie geleverd hebben. Er zijn talrijke Oosterse elementen in de fraaie détails. Verschillende van de mystiese merkwaardigheden van de Graalburcht doen denken aan wat de „Priester Johannes” in de (onechte) Latijnsche brief aan de Keizer van Byzantium vertelde van zijn geheimzinnige reis naar de binnenlanden van Azië, of aan een nieuw Babylonies rijk waar te Byzantium van gefabeld werd,—waar de Griekse afgezanten bv. een heilige kerk gezien hadden die altijd met water van het graf van Kristus gevuld bleef, en waar onzichtbare stemmen en mystiese opschriften de vreemdelingen altijd op weg hielpen—evenals in de Graalromans. Maar die hele Broederschap van de Graal schijnt te danken aan voorstellingen over de orde der Tempeliers, met hun prachtige residentie in de „Tempel van Salomon”, hun verschillende religieuse mysterieën en hun half priesterlike ridderschap. In een geschrift „De laude novae militiae” verheerlikteBernard de Clairvauxdie krijgshaftige Broederschap „die ik niet weet of ik monniken of ridders moet noemen”,—„zachtmoediger dan het lam, wilder dan de leeuw;”leefden die te zamen in kuisheid, soberheid en eendracht, terwijl zij wonderen van heldendaden bedreven tegenover de ongelovigen. In de verloren Franse Perceval-roman van „Kyot uit Provence”—dieWolfram von Eschenbachals zijn bron noemt, wordt de Graal ook, duidelik genoeg, door een Broederschap van heilige ongetrouwde „Tempelridders” bewaakt.

Maar evenals de Tempelheren al heel spoedig als separatisten en ketters bij de Kerk in miskrediet en in ongenade vielen, zo was goed beschouwd de gehele Graal-poëzie tegenover de Roomse kerk ook ketters. De leden vormden toch eigelik een priesterschap zonder door de kerk geordineerd te zijn, met huneigen sakramenten en hun eigen heiligdommen, terwijl zij de kerk die ze niet nodig hadden ook niet als hun overheid erkenden. De grote prozaroman over de H. Graal beweert zelfs brutaalweg van Kristus zelf te stammen als een evangelie even heilig als dat van de kerk. En een duidelik Anglikaanse tendens beheerste het gehele gedicht; de Britse kerk heeft te bogen, èn op een bizonder hoge ouderdom en een bizondere heiligheid, geheel onafhankelijk van de Paus te Rome. Er is ook heel veel grond om met de middeleeuwen aan te nemen dat deze en dergelijke trekken te danken zijn aanWalter Mapes, bekend als diplomaat en de hoogbegaafde kapellaan van Hendrik II. Evenals het trotse nationale Anglo-normandiese rijk van Hendrik II de figuur van Koning Artus als een pendant van Karel de Grote voor de Fransen voelde, zo is de Graal-legende zeker wel een poging om in de fantasie een nationaal Engels Kristendom te scheppen.

Maar, hoe dit nu ook zij, een feit is het dat de Graalromans een legendaries-mysties en een asketies-moreel element in de ridderromantiek brachten en tussen de Bretonse romans in, waarmede ze veel van de ridderlikheid en het sosiale en het fantastiese element gemeen hebben, zowel als de drang naar avonturen langs de grote weg, waren de Graalromans bizonder in trek en werden ze met een spesiale eerbied ontvangen. Na de ridder-romantiek vanChrestien, menselik-wereldlik en met haar drang naar strijd en liefde, met intérieurs van hethigh-lifevan die tijd en met avonturen waar niets „achter” stak, naïef rechtuit en in bepaalde, duidelike, glasheldere omtrekken,—volgde er in de Graalromans een ridderlik geestelike romantiek van een diepzinniger en meer metafysies karakter en met een dieper en verder strekkend fantasie-perspektief in zich. Met grote kunst wordt de fantasie der lezers steeds in een mystiese atmosfeer zwevend gehouden. Er zijn bv. geheimen die Jesus Josef van Arimathea in het oor gefluisterd heeft en die niet bekend gemaakt mogen worden, of duistere voorspellingen die niet verwezenlikt zullen worden voor „de dag komt, waarop de ridder met twee zwaarden de droevige slag zal slaan waardoor alle wonderen van de Graal zich voor het koninkrijk van Logres zullen openbaren en alle die ellende op Groot-Brittanië zal vallen”. Of we horen van mysterieën die men aan profane oren niet durft toevertrouwen, maar die „opgeschreven gevonden kunnen worden in het boek der klerken, waarin alles opgetekend staat over de grote heimelikheid die„de Graal” heet.” Of we krijgen wonderen te aanschouwen die heel wat irreëler en bovennatuurliker zijn dan de reuzen en dwergen vanChrestien: er wordt u een slot voorgetoverd in plaats waarvan er plotseling een dorre heide verschijnt; een meer, als dat waarin de „Dame du Lac” woonde en dat dan weer een bos blijkt te zijn; stemmen, opschriften die een waarschuwing of een voorspelling bevatten, onzichtbare handen die iemand trekken of terughouden, die iemand een slag met een zwaard op de schouders geven, of die als de geesten der spiritisten, iemand in de wang knijpen, zo dat er een litteken van blijft zitten. Ook wat er op de kastelen voor toverij gebeurt, is heel wat dromeriger en geheimzinniger in de Graalroman dan bijChrestien. In donkere gangen tast men zijn weg, deuren vliegen open en slaan weer toe, men hoort het geratel van ketenen en ongure helse geluiden... Hier is een drempel waar de ridder met geen macht ter wereld over heen kan komen, daar ziet men een put open staan, waar giftige gassen en duivelse stank uit komen... het doet zo wat denken aan de ongemotiveerde en absoluut onbegrijpelike manier waarop men bij een nachtmerrie in zijn dromen van het kastje naar de muur wordt gestuurd.

Maar steeds weer voert die atmosfeer van mystiek naar een hiernamaals en altijd klinkt er een moraal-religieuse toon doorheen. Het zijn geen heidense maar kristelike spookverschijningen die men hier in alle soorten vindt. Kisten wier deksel zich opent en waar vlammen uitslaan; te middernacht in de kerk, wordt de ridder met geselslagen van onzichtbare geesten ontvangen of moet hij strijden met vormloze spookverschijningen; of wel is het buiten op het kerkhof dat hij jammerkreten uit de graven op hoort stijgen, hij wentelt grafstenen weg en bevrijdt jonge meisjes die daar door duivels opgesloten werden om hun lusten te dienen. Duivels die in de vorm van schone vrouwen mensen trachten te verleiden, ridders voor hun zonden door straffende mirakelen getuchtigd. Dikwels zijn het mirakuleuze illustratiën van het een of ander dogma; een brood dat zich bij het gebruiken van het Avondmaal in een levend kinderlichaam veranderd, welks bloed in de kelk vloeit terwijl hemelse stemmen bevelen dat het in tweeën gesneden en verteerd moet worden. Dwars door de gesloten deuren en vensters van een vertrek komt op eens een wonderschone knaap, die ook op die zelfde wijze weer verdwijnt; een stem verklaart dat hij die dit wonder gezien heeft zich nu ook niet meer er over verbazen mag dat Jesus uit het lichaamener maagd geboren kon worden. Dikwels laat zich nog heel goed aantonen dat er aan zulke verhalen een heidense Keltiese sage ten grondslag ligt, maar waar de geesteliken een symbolies-kristelike uitlegging aan gegeven hebben.

Een fatalisme vol geheimzinnigheden dat half Oosters schijnt te zijn, maar ten dele ook op de kristelike leer der voorzienigheid gebouwd, rust op alles wat wij zien gebeuren. Alles is voorspeld en staat met „çhaldæiese” schrifttekenen in het „Boek van het Noodlot”; de menselike vrije wil is maar een illusie, het zijnde hemelse machten die de mensen blindelings, volgens ondoorgrondelike besluiten hun pad doen betreden. Eens vindt Lancelot ergens een grafsteen met zijn naam en zijn afstamming er op aangegeven, die hem onbekend waren, en er staat bij dat hier zijn graf zal staan. Er komt ergens een schip zonder zeilen aanzetten, op het dek ligt een wapenrusting met een schriftelike mededeling dat de wijze Salomon duizende jaren geleden het schip gebouwd heeft en het de wereld in heeft gezonden, waar het rond zou dwalen tot het de persoon zou vinden voor wie schip en wapenrusting bestemd waren. Het zwaard is prachtig maar het hangt aan een versleten hennepen koord en er staat bij dat het steeds daaraan gedragen moet worden, totdat een koningsdochter er een ander voor in de plaats maakt van wat zij bij zich draagt en het meeste liefheeft en zij zal het zwaard dan ook pas zijn ware naam geven.

De monniksgeest die wij reeds in de roman van Lancelot op de voorgrond zagen komen, beheerst de Graal-poëzie al meer en meer. Reeds in de „Perceval” vanChrestienwas er op de sexuele kuisheid van de knaap en zijn misdaad jegens zijn moeder sterk de nadruk gelegd; maar in het gedicht van Robert de Boron en in de proza-romans dringt het ascetisme overal door. In alle verhalen over de voorhistorie van de Graal, speelt de vrouw bijna in 't geheel geen rol en waar ze optreedt wordt ze meestal als het lagere wezen voorgesteld dat alleen maar tot het kwade verleidt, evenals in de legenden en in de Oosterse bronnen. En in de verhalen die „la quête du Graal” schilderen, het zoeken der Tafelronde-ridders naar het kasteel waar men de Graal bewaart, wordt sexuele reinheid en maagdelikheid absoluut geëist van hem die Graalkoning worden zal. „Hij moet goed zijn in de ogen van God en in die van de wereld. In de wereld moet hij goed zijn als hij, die vervuld is van alle goede eigenschappen: eer, schoonheid en moed, en in Gods ogen moet hij goed zijn, want hij moet vervuld zijn van barmhartigheid en vroomheid en hij moet ookhet zuiverste voorbeeld van kuisheid genoemd kunnen worden.”

Maar hier overschrijden wij dan de grenzen der ridderromantiek. De mystiek en het idealisme van de Graal krijgt meer en meer een volkomen kristelik-geestelike kleur,—wordt meer en meer geestesverwant met die kruistocht der Albigensen, waardoor het vrolike Zuid-Frankrijk als de aren voor de zeis werd neergemaaid, of met Lodewijk de Heilige, die geentrouvèresof minnestreels aan zijn hof duldde.

DUITSE RIDDERROMANTIEK.

De Ridderromantiek is geheel en al op Franse bodem ontkiemd en in Frankrijks lucht groot geworden en haar levensloop kan in de Franse literatuur zelf nagegaan worden van de tijd dat zij knoppen zet en bloeit af, totdat zij zaad schiet en verkwijnt toe. Maar—zoals wij reeds in het begin gezien hebben—de sosiale en geestelike voorwaarden waren zo ongeveer dezelfde in Duitsland en de ontwikkeling der kultuur en literatuur zou daar in hoofdzaak langs dezelfde ontwikkelingslijnen gaan als in Frankrijk, zodat de enorme Franse invloed die zich weldra aan gene zijde van de Rijn deed gelden, eigelik slechts die geestelike krachten in beweging bracht en vorm gaf, welke uit zich zelf al op Duitse bodem ontstaan en gegroeid waren, en dan ook niettegenstaande alle verfransing tot zekere hoogte een Duits karakter bewaarden.

Zoals bij de Zuid- en Noord-Franse vorstenhoven, kwamen ook in het Duitsland der 12deeeuw de kleine edellieden aan de hoven der Welfen in Brunswijk en Beieren bij elkaar, te Weenen, in Zwaben en op de Wartburg, aan die der Babensbergers, derStaufenen der graven van Thüringen en daar ontstond even als in Frankrijk een sosiaal leven en een sosiale kultuur. De Latijnse roman „Ruodlieb” toonde, zoals wij gezien hebben, niet alleen hoe ver men in de 11deeeuw reeds aan de Beierse hoven gekomen was, maar ook vooral welke levensidealen de geesteliken de baronnen voor ogen hielden. Evenals wij dit bij de Noord- en Zuid-Franse hoven zagen gebeuren, werd ook aan die der Duitse vorsten het volkslied het voorwerp van een fijnere, meer aristokratiese behandeling en de edellieden van beider kunne dichtten dansliederen en minneliederen over ridders en dames die elkaar verlaten moeten, en „Liebesgrüsze” die ze elkaar in de vertezenden,—de dame is in de regel degeen die vraagt, de ridder gedraagt zich koel, zoals het zijn waardigheid van man past—; de zanger zelf staat op het voorplein van de burcht voor de dames en heren te zingen. En ten slotte: evenals weer in Frankrijk, begonnen ook aan het hof der Welfiese hertogen te Regensburg klerken de Latijnse kronieken der geesteliken tot Duitse rijmkronieken om te werken, als de Kaiserkroniek, rijk aan romanachtige onderhoudende stof, terwijl tegelijkertijd de omzwervende speellieden in Frankenland en Beieren evenals in Frankrijk zelf de oude heldengedichten gingen moderniseren en romantiseren door ze naar het Oosten te verleggen en ze met herinneringen aan de kruistochten op te smukken,—verliefde Saraceense schonen, Oosterse pracht en wonderen. Uit de tijd der Ottonen waren er toch genoeg verbindingen tussen het Duits-Romeinse Keizerrijk en Byzantium en lang vóór dat Duitsland door de tweede kruistocht aan die religieuse tochten mee was gaan doen, hadden vorsten en ridders, vooral juist uit Beieren, aan zulk een tocht naar het Heilige Land deel genomen.

Maar de begonnen zelfstandige ontwikkeling werd al meer en meer onder een direkte, veelzijdige invloed van de Franse kultuur gebracht. Die gehele nieuwe grote religieuse stroming van de 12deeeuw was Frans van oorsprong en de monniken vanClunydie ook in Duitsland het kerkelik leven beheersten, brachten de Franse geest en vorming met zich. Een reeks huweliken met Franse prinsessen introduceerden het Fransdom aan de vorstenhoven. Op het huwelik van Hendrik III met Agnes van Poitou, volgde later dat van Hendrik V met een Anglo-Normandiese en dat van Frederik Barbarossa met een Bourgondiese prinses en Hendrik de Leeuw van Saksen huwde met de zuster vanRichard Coeur de Lion. Zowel Bourgondië als Provence kwamen onder de Duitse Keizerskroon en toen Frederik Barbarossa de reis door Provence ondernam om zich te laten huldigen of met oorlogszuchtige doeleinden naar Zuid-Italië trok, mag men wel aannemen dat zijn volgelingen allerlei Romaanse modes en zeden hebben leren kennen en overnemen, en dat troubadours hem op zijn feesten hun opwachting zijn komen maken en Duitse hofzangers een lesje in hun kunst hebben gegeven. Uit Noord-Italië trokken ook klerken zowel als die troubadours uit Provence over de oude Alpenwegen op naar de gastvrije hoven van Bohemen en Hongarije; de Donau-streken werden voortdurend bereisd door Fransen die over land naar Byzantium of het Heilige Land wilden. Maar vooralwas de benedenloop van de Rijn: de Nederlanden, Neder-Lotharingen, zowel als Vlaanderen, de plaats waar Frans en Duits samenkwamen. Niet alleen Henegouwen en Brabant maar ook Lotharingen hoorden onder het Duitse Keizerrijk maar waren altans overwegend Frans in taal en kultuur en namen een aktief deel aan het opbloeien der ridderromantiek die zich in het naburige Vlaanderen en Champagne aan het ontwikkelen was. Langs al die wegen drong het Fransdom binnen.

En de superioriteit van dat Franse element werd bereidwillig door de Duitsers erkend die met het grote adaptatievermogen dat zij steeds hebben behouden, zich er vlijtig aan begonnen aan te passen. De bouw en de inrichting der kastelen, de klederdracht en de spijzen der edelen werden Frans. De hogere standen engageerden Franse geesteliken om hun kinderen Frans te leren of zonden ze met een gouverneur naar Frankrijk om daar de taal te leren, evenals ook Duitse studenten de Franse scholen gingen bezoeken. Door een reeks leerdichten, beantwoordende aan de Franse „castoiements” en „doctrinals”, trachtten Duitse geesteliken hun landgenoten in Franse „Sitte” en „Zucht” in te wijden en zij vormden het woord „höfisch”, beantwoordende aan het Franse „courtois”. In 1127 werd te Würzburg het eerste toernooi op Duitse bodem gegeven op Franse leest geschoeid, en in diezelfde tijd begonnen ook de vormen en ceremonieën van het Ridderwezen een Frans karakter aan te nemen. En in verband hiermede begon men nu de erotiese poëzie der troubadours en de ridderromans langs verschillende wegen in het Duits te vertalen,—en het zal buitengewoon leerrijk zijn die wegen schrede voor schrede na te gaan.

Gewoonlik waren het persoonlike en maatschappelike verbindingen der vorsten die de aanleiding waren tot dergelijke vertalingen en bewerkingen. Op een reis in Frankrijk in 1131 had Hendrik de Stoute het Rolandslied leren kennen en bij zijn thuiskomst droegen hij en de hertogin aan een priester Konrad op dit in Duitse verzen te vertalen. Ongeveer gelijktijdig hiermede bewerkte een zekerePfaffe Lamprecht, die aan de Rijn in de buurt van Straatsburg thuis hoorde, de Provençaalse Alexanderroman in het Duits. Maar degeen wie toch eigelik de eer toekomt die ridderomans in Duitsland geïntroduceerd te hebben, wasHeinrich von Veldeke, die in de Nederlanden uit een ridderlik geslacht geboren en getogen was, maar dicht bij de Franse taalgrens. Voor een gravin van Kleef bewerkte hij de Aeneasroman in Duitse verzen.Toen zij met de landgraaf Lodewijk van Thüringen trouwde, was het een dier graven van Thüringen die het nog onvoltooide manuskript mede naar huis nam en eerst toen de dichter negen jaar later zelf naar Thüringen kwam, kreeg hij het van de literaire landgraaf Herman terug met de opdracht het te voltooien. En die zelfde graaf Herman gaf nu zijn wens te kennen de Trojaroman, die men als een soort vóórgeschiedenis van die van Aeneas beschouwde, ook in het Duits vertaald te zien. Een graaf vanLeiningenwist de Franse roman machtig te worden en droeg een jonge geestelike uitFritzlarop die te verduitsen. Een ander onderdaan van de Landgraaf, een der geesteliken uit het klooster Jechaburg in Thüringen, kreeg nu het idee deMetamorphosesvan Ovidius in Duitse verzen te vertalen. En zo verplant de beweging zich, stap voor stap, van de Nederlanden naar het hof op de Wartburg.

Een andere zetel van de Franse kultuur was, zoals wij zagen reeds ten tijde van Hendrik de Stoute, het hof der Welfen te Regensburg; later bevorderde de Anglo-Normandiese gemalin van Hendrik de Leeuw nog de invloed van haar geboorteland sterker. Zo vertaalde b.v. een van 's hertogen „Dienstmannen”Eilhart van Oberge, uit het Brunswijkse, het ons bekende gedicht van Tristan en Isolde.

In Zwaben en aan de Bovenrijn hadden deStaufenhun eigelik machtsgebied en Frederik Barbarossa resideerde gewoonlik in de Keizerlike Palts, te Hagenau, Gelnhausen of Ingelheim. Het grote feest dat hij op Pinkster van 1184 te Mainz gaf naar aanleiding van de ridderslag—de „Schwertleite”—van zijn zoons, kwamen vorsten en edellieden uit Frankrijk en Duitsland te zamen en die glorieuse dagen te Mainz wijdden om zo te zeggen de gouden eeuw der Ridderromantiek voor Duitsland in. Een der mannen van Barbarossa, een riddervon Hausenuit de Rijnstreken die in de dienst van de Keiser naar Frankrijk zowel als in Italië kwam, vertaalde de minne-poëzie der Provençaalse troubadours in het Duits en veel andere keizerlikeambtenarendie ook in de Romaanse landen reisden volgden zijn voorbeeld. Andere ridders uit de Rijnstreek en Zwaben zochten hun voorbeelden in Noord-Frankrijk, zo richtteReinmar von Hagenauuit de Elzas zich voor zijn minneliederen hoofdzakelik naar de Noord-Franse lyriek. Daar heeft ook de eerste grote man van de Duitse ridderroman gereisd,Hartmann, waarschijnlik in de dienst van zijn meester, de heer von Aue, zelf vertelt hij ons dat hij zijn ridderlike Liefdeleer daar van daan meebracht, die hij in een poëtiese zendbrief (ein „Büchlein”) ontvouwde,zo wel als twee der ridderromans vanChrestien de Troyesdie hij elegant verduitste: Erec en Iwein.

Tussen die verschillende haardsteden der kultuur in Zwaben, Rijn-Frankenland, Thüringen en het hof der Beierse hertogen was er nu een sterk, levendig literair verkeer, en van die vaste punten breidde de ridderromantiek zich over andere delen van Duitsland uit. Een der Franse edelen, een dier gijzelaars die tegen de loslating vanRichard Coeur-de-Lionuit de gevangenschap des keizers gesteld waren, gaf een handschrift van de roman van Lancelot aan een geestelike uitThurgau, die dit later in het Duits trachtte weer te geven op het voetspoor vanHartmann von Aue's romans. Een waardiger navolger en mededinger kreegHartmannintussen in een ridder uit het Beierse Frankenland,Wolfram von Eschenbach, die heel lang aan het hof van de landgraafHerman von Thüringenleefde en werkte; althans één van de romans die Wolfram bewerkte was hem door die landgraaf besteld. Ook de troubadour-poëzie verplantte zich tegelijk van de Rijnstreek naar de hoven van Thüringen, waarHeinrich von Moringende leider werd van een locale school van minnezangers.

En eindelik komt de beurt aan het Beiers-Oostenrijkse Duitsland, waar de eigen nationale kultuur zich nog het langst tegen de indringer verzet had,—waar de oude heldenliederen van Siegfried en Krimhilde enWolfdietrichnog voortdurend in de grote hal der kastelen weerklonken en waar het inheemse minnelied nog steeds aan de hoven gekultiveerd werd. Uit de Rijnstreek kwam dezoëvengenoemdeReinmarvanHagenaunaar het hof der Babensbergers te Weenen en charmeerde allen door zijn vreemde koloratuur en niet lang daarna was het Oostenrijk dat in Walther von der Vogelweide de fraaiste liederen der ridderlyriek voort zou brengen. Uit Midden-Duitsland kwam de rondzwervende zangerStrickernaar Oostenrijk met zijn eigengemaakte Artur-romans en het was ook daar dat later de vrouwendienst en het rondzwervende ridderleven het verst gedreven werden, zelfs bijna tot een karikatuur, doorUlrich von Lichtenstein. Zelden zal een literaire modebeweging zo aardig stap voor stap in haar ontwikkeling gevolgd kunnen worden. Maar het waren toch voortdurend de Rijnlanden die de meest echt-Franse en de meest elegante ridderlikheid opleverden: de klassieke ridderroman in de „Tristan en Isolde” van Gottfried van Straatsburg, fijne ridderlike verhaaltjes in de „Mären” vanKonrad von Würzburgdie te Straatsburg en Bazel werkte.


Back to IndexNext