XXI.

Een samengaan van „Tucht” en „Gemeite”, d. w. z. van eerbare tucht en opgewekte vriendelikheid is het ideaal voor de verschijning in 't publiek. Te hard lachen en te hard schreeuwen als menklaagt is al even ongepast; een vrouw moet met half open mond lachen, en al is ze ook nog zo zeer onder de indruk van het een of ander, moet ze toch goed oppassen dat haar hoofdtooi netjes blijft zitten,—als Walther klaagt dat de wereld in de war is, drukt hij dit zo uit: „Wee, u, wereld, wat zit uw hoofddoek tegenwoordig slecht!”—zacht en licht moet de vrouw voortzweven („schleichen”), liefst met een zekere gratieuse zwaai („swanc”); het hoofd ietwat op zij—zoals men dat op de Mariabeelden kan zien; en de ene kant van haar kleed moet zij op een bepaalde wijze opnemen. Zij mag niet te veel rondgluren maar een zekere schuchtere, half nieuwsgierige blik past een jong meisje wel, zegt Walther. Een voorbeeld van menselike „Tucht” en „Gemeite” is de manier waarop Isolde en haar moeder, de koningin, de zaal binnentreden in de koningsburcht, zoals Gottfried dit schildert. Slank als een den is de prinses, haar bruine fluwelen kleed is om het middel vastgesnoerd en voegt zich lenig om de lichaamsvormen, met haar linkerhand houdt ze een paarlen snoer vast dat de mantel op haar borst vast bindt, zo dat ze volgens de hoofse zeden die met twee vingers samenhoudt; bevallig „zweeft” ze nu met haar moeder naar binnen, men volgt hen met de ogen en langzaam en gelijk op doorlopen de blikken der twee vorstinnen de zaal, zo dat elk der aanwezigen een blik krijgt en in aller harten brengen ze onrust; de moeder begroet de anderen met een woord, de dochter, zo als het past, buigt zwijgend.

Steeds fijner worden de wenken die Provençaalse en Franse didaktiese gedichten de dames geven voor hun optreden in de wereld—„Het hof der Liefde”,—„De God der Liefde”,—„De Sleutel der Liefde”,—„De Kunst der Liefde” en wat die alle heten,—de Liefde wordt nl. altijd beschouwd als de bloem van het wereldse „Savoir-vivre”. Dergelijke leerdichten bewerkte een halfduitse geestelike in Italië in Duitse verzen en zond die naar zijn land onder de titel „De Walse Gast”,—en kort daarop volgde een „Winsbecker” en een „Winsbeckerin” methunraad. Een geslacht later was er een notaris uit Florence die aan Franse hoven verwijld had en die, toen hij thuis gekomen was, een leerdicht schreef om zijn vrouwelike landgenoten Franse manieren te leren. En nu zijn het niet meer zo als vroeger elementaire regels die ze daar te lezen krijgen: wanneer ze zich verschonen moeten en dergelijke dingen—ofschoon „er zijn dames die geloven dat reinheid een teken van losse zeden is”—hij schrijft vooral overde kunst om maatschappelike talenten te vormen. De dame moet leren zingen en als zij een aangename stem heeft, moet zij zich niet laten bidden, maar gewillig een lied ten beste geven; ten dans moet zij gaan „à petit pas, simple et mollet”, zij moet kunnen schaken en de teerlingbak spelen, waarbij het er minder voor haar op aan komt goed, dan wel met gratie te spelen en zij mag voor al niet boos worden als zij verliest,—de vrouw die boos wordt en dat in woorden toont, verdient de naam van „dame” niet. Vooral moet zij de kunst verstaan van een gesprek te voeren, „car nul chose tant n'afole—coeur d'homme que douce parole”, zij moet, gelijk een Zuid-frans gedicht het fijn uitdrukt, zo kunnen spreken, zo kunnen converseren dat de ander bij zijn afscheid, de indruk meeneemt dat hij geestig geweest is, zelfs al is hij niet meer dan een dwaas, en zij moet een gesprek dat haar mishaagt af kunnen breken of het een andere draai te geven, zonder iemand te stoten; dan kan zij hem b.v. vragen of hij de vrouwen uit Gascogne of die uit Engeland schoner vindt en welke opinie hij dan ook heeft, kan zij het tegenovergestelde beweren om zo een dispuut aan de gang te krijgen. Zeer fijne regels worden er b.v. ook gegeven over de kwestie hoe een bruid zich gedragen moet. Bij het wisselen van de ringen moet zij terughoudend zijn, bijna angstig, haar hand niet al te gretig naar de ring uitsteken en slechts met een zachte stem „ja” zeggen. Het is ook verstandig als zij thuis reeds iets eet, zo dat zij bij de huweliksmaaltijd zich meer in kan houden, en wanneer zij het vertrek binnenkomt waar de bruidegom is, moet zij eerst doen alsof zij hem niet ziet, dat is echt „hoofs”.

Opgewektheid, vriendelikheid, zachtheid, dat is voor de man zo wel als voor de vrouw de hoofdzaak bij de omgang; het is er de kultuur dier dagen dan ook altijd om te doen, ruwheid en brutaliteit te onderdrukken. De Tristan van Gottfried is de verpersoonliking van de vriendelikheid; wij lezen van hem dat hij graag een ieder op zijn handen wil dragen en voor allen tracht te leven, „wat iemand uit het gezelschap ook maar voorsloeg was hij dadelik bereid te doen.” OokAucassinis de beminnelikheid zelf; door zijn zachtmoedigheid en hoofsheid ontwapent de jonge edelknaap volkomen de lompe kolenbranders en herders die hem onbeschoft aan hebben gesproken. Een zoetige liefheid hoort tot de goede toon tussen ridders en hun dames: „Schone Heer”,—„Schone Dame”,—„Lieve, zoete vriend”,—„God zegene U”, en kussen en een omhelzing horen tot de omgangsvormen, evenals er in de brievenstijl allerlei sierlike wendingen en zwierige zwaaien voorkomen die in de „brievenboeken” aangegeven zijn.

Een vrolik „leven en laten leven” hoort verder tot de „liberale” ridderlike opvattingen. Al wat treurig is en ruw, wordt glad gemaakt, al wat somber is en donker wordt verlicht en verzacht in deze adelswereld van spel en schoonheid. Ouderdom en dood is iets waar de ridderpoëzie maar zo min mogelik over denkt; de dood die zulk een tragiese pathos in de oude heldenpoëzie gebracht had, komt hier bijna niet voor, en de eerbied waarmede de ouderdom daar ginds omstraald werd is hier verdwenen—het is b.v. bepaald vermakelik te zien hoe ongepast in de Parzival van Wolfram de oude moeder van koning Arthur behandeld wordt en terzijde gezet, voor de jongere dames. Schoonheid, jeugd en vreugde moeten regeren. Hoog en rijk moet er geleefd worden,—alle sparen en alle zuinigheid maakt de geest bekrompen en zet „banausties” stof op de vingers. Men moet „gast-ere” aan den dag leggen zowel als „hus-ere”,—d. w. z. milddadigheid en gastvrijheid bij feestelike gelegenheden tonen, en zelf een gepaste weelde in zijn huishouding ten toon spreiden. En het is niet langer genoeg vrijgevig te zijn, men mag een echte welwillendheid en fijngevoeligheid eisen in de manierwaaropmen geeft. Van een edele vorstin lezen wij: zij heeft er meer door fraaie woorden gewonnen, dan anderen door grote gaven, en zo vriendelik geeft zij haar geschenk dat dit voor dubbele gave telt. En omgekeerd worden die gastheren gelaakt, die over niets met hun gasten spreken dan over de slechte tijden en hoe weinig er te verdienen valt, zodat de gasten het niet anders dan bezwaarlik moeten vinden zich zo te laten onthalen.

„Les vilains”,—dat zijn de gemelike knorrepotten die altijd in de contramine zijn, en die noch zelf willen leven noch anderen laten leven. Maar God is met de opgewekten en welwilligen, „les courtois”; hij zelf en zijn engelen zijn schoner en opgewekter dan alle anderen en hij heeft alle jonge paren en alle vrouwen lief. Hoe graag zou hij b.v. nietNicolettedaarboven in den hemel bij zich gehad hebben,„om in den avondstond als een licht voor hem te schijnen”! En jonkvrouw Maria—men merke maar op hoe schoon en liefderijk zij er uit ziet, die zal zeker de jonge ridderknaap niet weigeren wat hij zo graag zou wensen. Als schitterende feestzalen schijnen de Gotiese kerken. „Het oog weet niet waarheen het 't eerst de blik zal wenden. De zoldering isgroen als een tapijt, de muren verbeelden het paradijs, de vensters wekken bewondering door de schone kleuren van het glas en het rijk versierde werk... Het is alsof men naar de hemel verplaatst is en zich in een der schoonste zalen van het paradijs bevindt.” Hier, bij het heldere schijnsel der waskaarsen en het schone misgezang der geesteliken, wordt de ziel tot liefde gestemd en hier heeft men gelegenheid de schonen te zien, die iemand een glimlach of een knik geven of in het geheim de hand drukken en de zeer gewillige biechtvader heeft er niets op tegen de smeekbeden van de minnaars te verhoren, of de geliefden samen te brengen ten spijt van boze ouders of brutale echtgenoten.

Alle goede, zachte gevoelens van menselike simpatie zijn het die de ridderlike hofkultuur ontwikkelen wil, en die de ridder-romantiek verheerlikt. De wapenen zijn niet minder geëerd dan vroeger, de roeping van de ridder is „Schiltes Ambt” en het is het schild dat hem verplicht zijn eer onbevlekt te houden; wil men in teugelloosheid leven en zijn schild met oneer bevlekken, dan doet men beter het maar aan de wand te laten hangen. Maar wat de ridder op den weg der eer zal vergezellen dat is, lezen wij: „de gedachte aan een reine vrouw.” En korter en korter worden in de schoonste riddergedichten de beschrijvingen van de strijd, meer en meer idealiseert de ridderromantiek zich tot hetzelfde schone, gevoelvolle humanisme waar het kristendom zich in de Gotiese beeldende kunst en de Marialegenden der 13deeeuw in omzet. In werkelikheid is ook die bloem der ridderkultuur ontsproten uit de sentimentaliteit der kristelike legenden zowel als uit de zoetige humaniteit van Ovidius en de Griekse romans en uit de vrouwen-atmosfeer van het maatschappelike hofleven.

In de heldenpoëzie hadden de personen er zich op beroemd wanneer zij een hart hadden als een steen zo hard en als een noot zo klein. In een asceties gedicht uit de 12deeeuw klaagde een monnik over zijn oproerig gek hart dat nooit de ziel met rust laat; het is niet 't lichaam maar het hart dat de zonde veroorzaakt, en nu had hij zelf, ongelukkig voor zijn zielsrust, een hart gekregen dat groot genoeg was voor duizend mensen. Maar nu berispt de ridderlike dichter hem, die „een hart van hout heeft”. Het hart is het lievelingetje dier dagen geworden, naar welks bewegingen men luistert, naar welks welzijn men steeds informeert, en waar men trots op is als men het zijne groter, zachter, rijker noemen kan dan dat van anderen en welks bevelen men zonder aarzelen opvolgt. „Pitié” en „Gentilesse” zijn in het Frans, „Güte” in 't Duits de termen voor de zachtheid en de ontvankelikheid voor simpatie van het hart en de woorden die Chaucer meer dan eens herhaalt: „Pity renneth sone in gentil heart” kon het motto zijn van de ridderpoëzie.

Het zijn alle vormen van „Güte” en „Pitié” die de Duitse en Franse vertellingen van de 13deeeuw verheerliken. De roerende trouw van een oude dienaar jegens zijn ridder die tot armoede vervallen is (Der Junker und der treue Heinrich, vgl. Flore en Jehanne); opofferende vriendschap, (Engelhart); de leenman van keizer Otto die in een rijksakte verbannen verklaard is, maar gelegenheid vindt om het leven van zijn leenheer te redden en zich met hem verzoent (Otto mit dem Barte); de onschuldig aangeklaagde prinses voor wie geen ridder in het perk durft te treden tegen de machtige aanklager, totdat op het beslissende ogenblik een Arthur of Graalridder als redder op het toneel komt en de beschuldiger nederslaat (het allerschoonst in de Lohengrin). Maar in de eerste plaats is het toch de min in alle soorten en graden waar de romans en vertellingen over handelen; de liefde is de bloem van het ridderleven en de gehele edele menselikheid.

Denk b.v. aan dat heel kleine meisje dat Gawein bij een toernooi tot zijn dame gemaakt heeft, opdat zij evengoed een ridder hebben zou als haar oudere zuster. Haar vader laat haar een mouw van rood fluweel maken, die het kind de volgende morgen zelf haar ridder brengen moet om in de strijd op zijn lans te dragen, zoals dat gewoonte was, en zij kan van ongeduld haast niet slapen, staat ook vroeg op en brengt hem de mouw. Met kloppend hart volgt zij haar ridder in het gevecht en is verrukt te zien dat hij haar zusters kavalier geheel in de schaduw stelt, en wanneer hij thuiskomt staat zij aan zijn stijgbeugel om hem te bedanken. Gawein moet verder de wereld in maar belooft voor haar als haar ridder te komen strijden, wanneer zij in haar nood hem een boodschap zendt en het kleine meisje kust zijn voet opdat hij aan haar zal denken waar hij ook komt (Chrestien's „Perceval” en Wolfram's Parzival).

Of het zeer jonge meisje dat nieuwsgierig de wereldt inkijkt, maar nog jonkvrouwelik schuchter, niets van de liefde weten wil. Haar vader heeft haar opgedragen om de vreemde gast zo goed mogelik bezig te houden en zo neemt zij hem dan ook bij de hand en wijst hem in het kasteel rond. Hij vraagt haar uit of zij al een vriend heeft, maar zij antwoordt wijsneuzerig dat de tijd voor zulke gekheid nog niet gekomen is; als zij wou had ze alheel goed een „ami bel et gent” kunnen hebben, maar daar heeft ze nu nog geen zin in. Maar daarentegen wil ze graag mensen ontmoeten die de liefde gekend hebben en daarvoor geleden hebben, zodat zij op die manier wat ervaring in dat opzicht op kan doen. Glimlachend luistert de ridder naar dat voorzichtige jonge meisje en maakt haar een paar komplimentjes (Chrestien's „Perceval”).

Dan lezen we van een bakvisje dat haar eerste kleine hartewonde krijgt. Het is de uitverkorene van haar nichtje op wie zij in stilte verliefd wordt. Zij heeft hem helpen oppassen en aan zijn ridderdracht naaien en „zolang heeft zij nu naar zijn ogen en zijn gezicht gekeken, en zijn handen en zijn lichaam dat het haar wee begint te doen.” De ridder ziet dat wel, maar vindt dat het haar alleen maar goed kan doen iets van hartsverdriet te leren kennen. Zij is er altijd bij om hem zijn wapenrusting aan te helpen trekken; hoe zwaar het haar ook valt, is het haar toch aangenaam met iets van hem bezig te zijn. Hoe meer het huwelik nadert, des te dieper wordt de stille smart van het meisje; zonder iets te zeggen legt zij haar zuster's hand op haar hart, opdat zij merken zal hoe haar het harte klopt. Maar de ridder heeft toch goed gezien, het was alleen maar een „proefpijltje” dat Amor op haar afgezonden had om haar kinderhart te wekken. Wanneer een arme maar uitstekende ridder even daarna om haar komt met de klacht dat hij haar helaas geen rijkdom heeft aan te bieden, antwoordt zij: „Mijn liefde hangt niet aan goed of geld, maar behoort een ridder even beminnelik als dapper.” Terwijl zij dit zegt,—waarschuwt nu de dichter—denkt zij nog aan haar aangebeden ridder, maar meer en meer gaan haar gedachten toch naar de ander. En het duurt niet lang voor die haar hand en hart gewonnen heeft (Parthenopaeus vanBlois).

En tegenover het heel jong meisje staat de even jeugdige knaap, de page,—„le valet” of „das Kind”. Het is als de verliefdheid van een student en een jong meisje in onze tijd—die schuchtere liefde tussen Alexander en Soredamor, waar bij een moederlike vriendin ze te hulp moet komen. Zij is de hofdame van de koningin en hij een vreemde vorstenzoon, op bezoek aan 't hof; zij zijn beiden—voor de eerste maal—verliefd, tot over de oren, maar ze generen zich gruwelik voor elkaar. Op een avond in gezelschap zitten ze bij elkaar, maar hij houdt zijn hand onder zijn gezicht en zegt niets, en zij wou graag tegen hem spreken, maar hoe zal zij hem noemen? Hoe zoet zou het niet zijn als zij hem „vriend” durfde noemen—maar heeft ze daar recht op? een ding weetzij wel, dat als hij haar „vriendin” noemde, dit geen onwaarheid zou zijn. Maar waarom hem niet bij de naam noemen? Maar die heeft zo veel en zulke zware lettergrepen, zij voelt dat zij in haar bedeesdheid er midden in zou blijven steken. Als zij dat gemakkelik en liever „mon doux ami” er maar uit kon krijgen... De koningin krijgt dikwels bezoek van de prins en daar mag Soredamor dan bij zijn; de koningin heeft hem een met goud gestikt kleed ten geschenke gegeven en daar heeft Soredamor aan helpen borduren zonder te weten voor wie het bestemd was. Uit de aardigheid heeft het jonge meisje van haar eigen guldenhaar tussen het gouddraad ingewerkt en wanneer zij eens op een dag met z'n drieën bij elkaar zitten en de koningin naar Alexanders kleed kijkt, ontdekt zij het gouden haar; het gouddraad er naast wordt geheel door de glans er van overtroffen. Glimlachend roept zij het jonge meisje er bij, alle twee worden om beurten rood en wit en weten uit puur geluk dat ze zo dicht bij elkaar zijn niet hoe ze zich zullen houden en de koningin die dit ziet, begrijpt nu alles en vertelt hun wat hun scheelt. „Kijk eens naar dat kleed,” zegt zij, „en vertel wie daar aan gewerkt heeft en of zij er niet iets van haar zelf bij gegeven heeft.” En Soredamor is tegelijk verrukt en ongelukkig dat ze nu met de verklaring voor den dag moet komen, maar Alexander kan zich nauweliks inhouden om het gouden haar niet, waar zij beiden bij zijn, te kussen (Chrestien: „Cligès”).

Alles lokte ook tot liefde,—de gehele atmosfeer van de ridderhoven was vol van liefde. Op alle muren en wandtapijten trof het oog scènes uit Ovidius of uit „Tristan en Isolde”,—een Duits gedicht „Het Gordijn” behandelt een hele serie van dergelijke liefdegeschiedenissen die op een bedgordijn afgebeeld waren. Op ivoren kammen en toiletdozen vond men zoetige, kleine Amorbeeldjes, op drinkbekers stond te lezen: „Liebes langer Mangel—das ist der Herzen Angel”, op gespen kon men (antieke?) stenen vinden met Amor en Venus er in uitgesneden; verzen over de „zoete moeite van de liefde” waren met kralen op de klederen der ridders en hun dames geborduurd. Om liefde speelt men en van liefde zingt men, en de romans zijn het meest geliefde tijdverdrijf voor allen. Menige ridder gaat het als de Heer van Gravenberg van wie het heet dat hij de gehele dag op zijn kamer romans zit te lezen over avonturen en liefde, en iedereen is het er over eens dat het lezen van romans de beste opvoeding voor de jeugd is en de ouderen van dagen van alle „vilainie”afhoudt. „Men mint beter als men over liefde hoort zingen en lezen” en het is door die roman dat de jonge knaap leert dat het nu tijd voor hem is om er op uit te trekken en een „voorwerp” te zoeken. Romans en leerdichten vertellen van de verschillende soorten van liefde: „twingende minne”—de woeste passie der zinnen, die „glibberig als ijs” is en de „hohe minne”, die van het hart. Van de lage liefde die aan het verlangen naar geld te danken is, de grote die door de goede naam der dame ontstaat, en de allerbeste liefde,—dat is de „goedwil” (bonne volonté) die plotseling uit het diepste van het hart opwelt.Van de verschillende stadiën van de liefde: het ontwaken er van, het dieper worden er van, door de zekerheid dat men weder bemind wordt en de consumatie er van wanneer men gekomen is tot „le baiser et l'accoler”. Hoe een man merken kan of een dame hem liefheeft; zij durft zich natuurlik niet het eerst uitspreken, maar als zij met het oog half toe geloken, ietwat knipogend hem een blik van helderste zonnestralen toezendt, is dit een zeker teken. Ook de dame krijgt allerlei lessen hoe zij haar aanbidder op de proef kan stellen, hoe zij hem geleidelik hoop mag geven—welke kleine geschenken zij, zonder zich te compromitteren kan aannemen—hoe zij, in geval van geheime correspondentie met bleke inkt moet schrijven en alleen op kleine wassen tafelen waar het schrift onduidelik is, evenals zij altijd van zich zelf alshijen van haar minnaar alszijmoet spreken,—hoeveel van haar lichaam zij haar aanbidder mag laten zien en aanraken; ook allerlei intieme voorschriften voor de verschillende stadia van haar overgave en de aestethiek van het eroties genot.

Met alle mogelike variaties is het referein dat „de jonge man die niet lief heeft, verspilt zijn tijd”, en „de dame die niet iets of wat zondigt, waar zou die later wanneer ze ouder geworden is, berouw over hebben?”—Bovendien: is liefde zonde, dan brengt die zonde toch zoveel goeds met zich, dat God die licht vergeeft. „Pitié” is het de plicht van alle Kristenen, vooral van de vrouwen aan den dag te leggen, het is tegen de natuur dat een vrouw zich hard en ongevoelig zou tonen, het is niets minder dan doodslag om een aanbidder tot wanhoop en zelfmoord te brengen door zijn smeekbede niet te verhoren. Hoe was het niet dat een oude vrouw (in de „Gesta Romanorum”) een al te ongevoelig meisje een doodsschrik op het lijf joeg door haar een hond te laten zien die niemand anders was dan haar eigen dochter, die God in een hond veranderd had tot straf dat hetmeisje haar aanbidder zelfmoord had doen plegen! Zo had ook een ridder eens buiten een schare vrouwen gezien, die, in lompen gehuld met gewonde, nakende voeten op uitgehongerde, zwarte paarden door het bos reden,—dat waren vrouwen die gedurende hun leven niet hadden willen liefhebben en die nu zo gestraft werden, terwijl er een andere schare aan kwam rijden, schoon versierd met rozenkrans en op krachtige witte paarden, elk in een zoet gesprek met een vriend; dat waren zij die zo beloond werden voor een leven, gewijd aan fijne ridderlike liefde.

Van een dergelijke liefde berichten de romans en de berijmde verhalen uit die tijd in het oneindige. De motieven worden midden uit het leven van „de hogere kringen” genomen en dikwels worden de verhalen door bekende met name genoemde personen verteld; veel van de verhalen uit Provence geven zich gewoon uit voor biografieën van troubadours en vele geschiedenissen worden ook aan de naam van adelike Noordfranse of Duitse minnezangers vastgeknoopt. Soms zijn het niets dan anekdoten van een stukjecourtoisie, een geestig antwoord of een galant idee. Bijvoorbeeld een verhaal van eenliaisontussen een troubadour,GuillaumevanCabestaingen de Gravin vanRoussillonen hoe haar zuster zo goed de schijn op zich laadt dat zij de geliefde van de troubadour is, dat haar zuster feitelik jaloers wordt. Hoe een ridder, vermoeid van een toernooi, zich verslaapt en daardoor een geheime ontmoeting met een dame mist, maar hoe galant en spirituëel hij haar zijne verontschuldiging aanbiedt, zodat alleen zij verstaat wat hij bedoelt en hem vergiffenis schenkt. Een soort „Proverbe”, als vande Musset, heeft men in de kleine „lai de l'ombre”. De dame heeft aan een ridder die haar sterk het hof maakt, weerstand kunnen bieden, maar nu heeft hij, zonder dat zij het weet onder menig een „bel mot plaisant et poli” zijn ring aan haar vinger weten te schuiven. Dat ontdekt zij later en eist dat hij die terug zal nemen. Zij zitten op de rand van de put in de burchttuin, als hij genoodzaakt wordt de compromitterende ring aan te nemen; „die is er niet zwarter op geworden door aan zulk een schone vinger te zitten,” zegt hij droevig glimlachend en als hij haar beeld zich op de bodem van de put in het water ziet spiegelen, voegt hij er bij dat hij die nu ook niet meer dragen wil, maar dat zijn lieve vriendin de ring nu moet hebben, zij, die hij, na haar, het liefste heeft. De dame is ietwat vertoornd er over dat hij zo een ander op de achtergrond schijnt te hebben, maar op hetzelfde ogenblik werpt hij de ring in het water voor haar beeld.„Zie, nu mijn dame de ring niet wil hebben, is die voor haar daarginds”, „Welk een gelukkige inval,” zegt de dichter, „was die galanterie niet!” De dame kijkt naar beneden in de put en wordt geroerd: „Uwe zoete woorden en uw grappig idee en het geschenk dat gij mijn beeld geschonken hebt, doen mij geheel anders hierover denken; daar hebt gij mijn ring: ik veronderstel dat gij er niet minder op gesteld zult zijn, al is die ook minder fraai dan die welke gij opgeofferd hebt.”

Een werkelike echtbreuk-roman is de Provençaalse „Flamenca”. De jongeGuillaume de Neversheeft zo veel horen spreken van Flamenca, de vrome, jonge echtgenote van de brutaleSeigneur de Bourbon, dat hij het besluit neemt de ongeziene Schone lief te hebben. Hij neemt een kamer in een herberg vlak tegenover de burchttoren, waarin zij opgesloten gehouden wordt, en geïnspireerd door de nabijheid der geliefde, groeit zijn romantiese liefde voor haar aan tot dweperij van de zelfde telepatiese aard als die wij bij Tristan tegen zijn gekomen. Wanneer hij vanuit zijn venster naar haar toren kijkt, valt hij in een soort bezwijming en in die tijd is zijn ziel bij haar in de toren en houdt haar in de armen zonder dat zij 't zelf vermoedt. Slechts na enkele ogenblikken ziet zijn bekommerde dienaar een glimlach over het bewusteloze gezicht spelen en de geest er langzamerhand weer in terugkeren, met een weerspiegeling over zich van het geluk dat die genoten heeft. Om met de dame in verbinding te komen weet hij van een gewillige priester de toelating te verkrijgen de koordienst in de kerk te verrichten waar zij de mis hoort, en dat hij het werk van de geestelike op zich mag nemen die rondgaat en de gemeente het brevier laat kussen. Bij dat werk heeft hij allerlei ogenblikken van verrukking. Wanneer hij het zonnelicht op Flamenca's haar ziet vallen, jubelt hij met zijn schone stem dubbel mede in het koorgezang. Wanneer zij haar hand ontbloot om het teken des kruises te maken, dan loopt het de minnaar als ijs langs de rug „alsof men in al te koud water baadt”. Nu waagt hij het een eigenaardig soort van gesprek in te leiden, wanneer hij haar het brevier tot kussen aanbiedt. De eerste keer zucht hij alleen maar diep, en thuis gekomen vertelt Flamenca haar maagden van die schone geestelike en zijn zuchten, waarop de meisjes dadelik gereed staan met hun raad: de volgende maal moet zij vragen waarom hij zo zucht. En zo ontwikkelt zich het gesprek, elke keer dat zij in de kerk komt slechts een paar woorden van een der beide partijen en telkens wordt er thuis inhet vrouwenvertrek ijverig gedebatteerd, wat de geestelike gezegd heeft en hoeveel aanmoediging hun meesteres hem de volgende keer in haar antwoord geven mag, totdat zij elkaar langzamerhand beginnen te begrijpen en afspreken hoe de echtgenoot het best bedrogen zal kunnen worden.

In Noord-Frankrijk worden de minneliederen van de Heer vanCoucyaan de Vrouwe vanFayelhet onderwerp van een hele roman die wij gedeeltelik terugvinden in de allerliefste „Herzmäre” van Koenraad van Würzburg. Die eindigt met het barbaarse sage-motief dat men ook in Indiese en Keltiese en vele andere sprookjes vindt,—dat de echtgenoot zijn vrouw het hart van haar minnaar te eten geeft en haar dan, als het op is, vertelt wat voor een lekkernij zij voor zich gehad heeft, waarop zij zweert van nu af geen voedsel meer tot zich te nemen. Maar afgezien van dit tragiese slot beweegt de historie zich geheel en al in de vormen van het geciviliseerde hofleven en schetst de verhouding der twee hoofdpersonen door alle gewone fases heen, van het eerste bezoek af waar zij, in de afwezigheid van haar gemaal, het gesprek een andere draai geeft telkens wanneer zij vrezen moet dat de Heer vanCoucyaan tafel met zijn liefdesverklaring voor den dag zal komen, tot op het ogenblik dat een andere dame, wier avances de ridder afgewezen heeft, eens met de scherpzinnigheid van de jalousie de blikken opvangt die de geliefden elkaar in 't geheim toewerpen en alles aan de echtgenoot verklikt.

Maar liefde die met het huwelik in konflikt komt is nu niet langer het enige wat interesseert. Men heeft nu het konventionele standpunt verlaten van het geloof dat de poëtiese ridderlike liefde niet met het proza van het huwelik samen kan gaan; een fijnere moraal begint zich aan het halve en het valse in gestolen liefde te stoten en een inniger opvatting der liefde tracht tot solieder, zekerder huwelikstoestanden te leiden. Men zal zich herinneren hoe de echtgenote in het gedicht vanMarie de France„Eliduc” haar recht op haar eigen echtgenoot opgaf ten voordele van de verbinding die hij in 't buitenland aangegaan had, ofschoon hij wist dat hij elders gebonden was. Op dit gedicht van Marie schreefGautiervanArraseen roman maar met karakteristieke veranderingen.Illeverlaat zijn innig geliefde vrouw Galeron uit wanhoop dat hij bij een toernooi zijn ene oog kwijt is geraakt; hij kan niet geloven dat zij steeds liefde zal kunnen blijven voelen voor iemand die zo ontsierd is, en trekt stil weg naar een vreemd land. Een zeer onhandig idee, dat blijkbaar in verband staat met eenoordeel in het boek van Andreas Capellanus over de „Kunst der Liefde” en ook weer gevonden wordt in een Duits gedicht: „De getrouwe Echtgenote”; maar er moest iets zijn omIllesvertrek van zijn huis te verklaren. Ille komt te Rome en maakt zich zo verdienstelik dat de Paus en de keizer hem een geschikte partij vinden voor de dochter van de keizer. Maar het is alleen op de verantwoording van de Paus en na lang Galeron gezocht te hebben, die intussen ook haar tehuis verlaten heeft, datIllein het nieuwe huwelik toestemt, en wanneer dan Galeron in de St. Pieterskerk opduikt, juist op het ogenblik dat de bruidsstoet daar aankomt, bedenkt Ille zich geen ogenblik om de keizerdochter in de steek te laten en met zijn vrouw naar huis te trekken, niettegenstaande die bereid is hem op te geven. Eerst na jaren geeft Galeron zich na een gevaarlike bevalling aan God en wordt non, en nu kanIllezich met zijn geliefde prinses laten verenigen. Het verschil ten gunste van Marie wat betreft demoreleverantwoordelikheid en fijngevoeligheid is duidelik.

Nog duideliker is het dat deCligèsvanChrestienals een morele tegenhanger van de Tristan-romans bedoeld is. Evenals hier wordt ook in deCligèseen neef verliefd op de bruid die hij voor de koning, zijn oom, gaat halen. Maar behalve datCligèsvolstrekt niet door dankbaarheid aan zijn oom gebonden was, zoals dit met Tristan het geval was,—integendeel is zijn erfrecht op de troon door zijn oom met geweld terzijde gezet—verklaart ook Felice, de koningin, dadelik uitdrukkelik dat zij niet, wat Isolde zo met vreugde deed, haar lichaam tussen echtgenoot en minnaar wil delen: „hij die het hart heeft, zal ook het lichaam genieten.” En zo geeft zij zich ook pas aanCligès, wanneer haar min, die de kunst der toverij verstaat, de keizer een toverdrank gegeven heeft die maakt dat hij het huwelik niet heeft kunnen consumeren. En de twee gelieven zoeken dan ook niets beter dan een openbaar, wettig huwelik voor de verborgen liaison in de plaats te stellen, wat hun dan per slot van rekening ook gelukt, als de keizer uit de weg geruimd is. Maar zelfs als echtgenote—heet het, volkomen tegen de wetten van de ridderlike erotiek indruisend—bleef zij zijn dame en vriendin. Zo antwoordt ook de echtgenote in „Erec en Enide” demonstratief aan iemand die haar vraagt of zij de vrouw of de vriendin van de held is: „Echtgenote èn vriendin.”

In vele romans van de 13deeeuw kan men nagaan hoe de verfijning van de erotiese moraal en het dieper en inniger gevoeldat voor de andere min in de plaats komt, als vanzelf van de konventionele troubadourliefde tot het huwelik voert. De vorstenzoon,Durmart le Gallois, die begint met een losse verbintenis met de vrouw van den drossaete, ondergaat b.v. langzamerhand een morele loutering en opvoeding en eindigt met zijn dame, de Ierse vorstin, de hand voor het altaar te reiken. „De meesten,” zegt de dichter, „laken hem die met zijn minnares trouwt, maar die voelen de ware, echte liefde niet, want hoger is dàt geluk te achten dat onverminderd genoten kan worden, dan dat hetwelk men slechts voor een ogenblik leent, en het moet voor ieder zéér pijnlik aandoen zijn vriendin vlak voor zijn ogen door een ander te moeten zien kussen en omhelzen.” En vooral in Duitsland bezingen de voornaamste dichters eigelik steeds de lof van het huwelik ten spijt van de conventie der riddererotiek, terwijl de leerdichten als in de geest van Luther verklaren dat het hoogste geluk in de wereld is een goede en trouwe vrouw te bezitten en dat de wil van man en vrouw „van het hart en tot het hart gaat”.

Ook uit menig andere conventie der ridderromantiek ziet men zich langzamerhand een fijnere en gezonder liefdemoraal ontwikkelen. B.v. uit de argumenten tegen die echtgenoten welke zonder het minste vertrouwen op hun vrouw, dadelik in alle laster tegen hen en hun eer geloven—gelijk in de „Roman de la Violette”—uit de oppositie tegen de dames die de ridder tot speelbal van hun luimen maken en hen die ze liefhebben door hun grillen plagen; of wel wendt dan de ridder zich ten slotte van haar af, als hij genoeg heeft van haar koketterie, of wel betaalt hij haar in gelijke munt door haar liefde op een dergelike proef te stellen, als die waarmede zij hem in haar koketterie geplaagd heeft. Allerliefst bestaat beider liefde de proef in een klein verhaal: „De drie ridders en de mantel.” De dame heeft haar drie aanbidders gezegd dat zij hèm voor zou trekken, die bij een toernooi haar mantel wil aantrekken in plaats van een wapenrusting. Slechts bij één der drie is de liefde daar sterk genoeg voor en hij komt zegevierend terug, maar met zware wonden. Maar nu verlangt hij van haar dat zij op een feest die bloedige mantel over haar feestdracht dragen zal. En haar liefde is even sterk als de zijne, zij offert haar ijdelheid op evenals hij zijn leven op het spel gezet had.

Of men lette op hoe vaak morele fijngevoeligheid en hooggespannen idealisme de ridderroman op zijn best in het oude feeën-motief leggen kan, dat wij al zo dikwels hebben zien behandelen:de ridder die verraadt dat hij in het geheim de gunst van de fee genoten heeft. In de „Parthenopaeus vanBlois” is de fee tot een prinses van Konstantinopel geworden, die de toverkunst machtig geworden is, haar minnaar is de jonge ridder vanBlois. Wanneer hij er zich toe laat verleiden haar gebod van geheimhouding te overtreden, verbant zij hem uit haar ogen, niettegenstaande al zijn berouw en de smeekbeden van haar zuster; haar verwond hart, haar teleurgesteld vertrouwen vloeien over van smart en boosheid. „Zuster,” zegt zij, „gij kent de liefde slecht, de liefde met haar vreugde en smart; één enkele smart die een vriend ons berokkent, doet meer kwaad dan vijf die een vijand ons veroorzaakt.” Maar even diep is dan ook haar berouw en haar zelfverwijt, als het blijkt dat zij hem tot vertwijfeling gebracht heeft. „Wie zijn vriend hoogmoedig afwijst, wanneer hij onder tranen om genade bidt,” zegt zij, „moet niet éénmaal sterven, maar langzaam de uitterende dood voelen naderen.” Eerst wanneer beiden door hun beproevingen gelouterd zijn, worden zij voor goed vereenigd.

Dit feeën-motief wordt geheel in de werkelikheid opgenomen in de kleine vertelling van „La Châtelaine de Vergy”,—misschien de fijnste bloem der ridderpoëzie. Misschien ligt er iets dat werkelik aan het Bourgondiese hof gebeurd is aan ten grondslag. Aan het hof van een Hertog leeft een jong ridder, de lieveling van de vorst en de vreugde van het hof. Ook de hertogin werpt haar ogen op hem; lang tracht zij hem zeer diskreet haar gunst te tonen, en in fijne, passende bewoordingen geeft zij hem haar gevoelens te kennen, maar hij doet haar in alle hoffelikheid begrijpen dat hij er niet over kan denken het vertrouwen van zijn meester te beschamen. En nu gaat de hertogin diep gekrenkt naar haar echtgenoot om de knaap te belasteren en te zeggen dat hij haar met oneerbare bedoelingen heeft trachten te naderen. De hertog kan zijn oren nauweliks geloven en hij laat de ridder nu alleen bij zich komen om hem aan een verhoor te onderwerpen; het is duidelik dat de jongen verliefd is, maar hij zweert dat hij onschuldig is en de hertog wil hem heel graag geloven, maar op wie kan het dan zijn dat hij verliefd is? Slechts als hij hem dat wil zeggen, kan hij zijn wantrouwen doen verdwijnen. En zo lang dringt hij aan en zo ongelukkig voelt de knaap zich dat hij in een vals licht voor zijn meester zou staan, dat hij ten slotte met het geheim voor den dag komt: het is de nicht van de hertog, de Burchtgravinne vanVergyen hij die elkaar al langin het geheim bemind hebben, maar ze hebben gezworen er het stilzwijgen over te bewaren. De vorst zweert van zijn kant dat het geheim niet over zijn lippen zal komen en neemt de gelegenheid waar, om, ongezien, de ontmoeting van het jonge paar in de tuin bij te wonen. Hoger dan ooit te voren staat de jongeling nu bij de hertog in de gunst, wat, gelijk te verwachten was, de verbazing en zelfs de verbittering van de hertogin wekt. In een vluchtig geschetst nachtelik idyllies ogenblik weet de jaloerse vrouw eindelik haar gemaal met moeite het geheim te ontlokken. Zij, een hertogin, versmaad voor een simpele burchtgravin,—dat is een belediging, die gewroken moet worden. Kort daarna is er een groot feest aan het hof van de hertog en onder de gasten uit de buurt is ook de burchtgravin. Vriendelik wordt zij door de hertogin ontvangen, maar wanneer de dames zich na het middagmaal teruggetrokken hebben om zich voor het bal te kleden, dan kan de gastvrouw niet nalaten met een kleine hatelikheid voor den dag te komen die de jonge vrouw het hart doorboort, omdat die het haar duidelik maakt dat haar geliefde hun geheim verraden heeft. Als de andere dames die niets gemerkt hebben, ten dans gaan, trekt zij zich, diep in 't hart getroffen, in een kleine kleedkamer terug: zij is verraden door haar minnaar, verraden aan de hertogin,—dus is zij het nu die hij liefheeft. Zij werpt zich op een bed en onder wenen en klagen breekt haar hart van verdriet met de woorden: „Gode beveel ik u, zoete vriend.” Ondertussen heeft haar ridder haar overal bij de dans gezocht en in de vertrekken; eindelik vindt hij haar op het bed in die kleine kamer. Zijn kwade geweten doet hem reeds vermoeden wat er gebeurd is en dat wordt hem door een kamermeisje bevestigd die de dame heeft horen klagen, en als de rest van het gezelschap aan komt ijlen, wordt de ridder, doorboord door zijn zwaard, op het lichaam van zijn geliefde gevonden. Maar de vorst trekt het zwaard uit het lichaam van de dode en midden onder het feest stoot hij het in zijn vrouw,—daarop neemt hij het kruis en trekt naar het heilige land.

Alles wat de ridderromantiek aan fijne kennis van het maatschappelik leven kent en fijne aristokratiese mensenkennis, komt rein en schoon in deze kleine berijmde vertelling voor den dag, die nog heden ten dage geleefd en gedicht had kunnen worden.

HET EINDE DER RIDDERROMANTIEK.

Gelijk de glanstijd van de ridderadel, duurde ook de bloeitijd van de ridderromantiek slechts zeer kort. In het laatst der middeleeuwen was het de kerk, de universiteit en de burgergeest die het geestesleven zouden beheersen. Deze drie machten waren het die in de 14deen 15deeeuw de dood van de ridderromantiek veroorzaakten.

In de latere Graalromans zagen wij haar in de dienst treden van de kristelike mystiek en ascetiese monnikengeest. Lancelot en Guenievre doen ten slotte boete in cel en kluis; Perceval ligt „bevend als een blad” aan de zijde van zijn vrouw die hij voor God en de mensen getrouwd heeft, van pure vrees de vreugde des hemels te missen, als hij zich aan vleselike lust overgeeft; heilige mirakelen en de valstrikken des duivels omgeven de maagdelike Galaad bij zijn zoeken naar de Graal; en in het Duitse gedicht „De jonge Titurel” worden de Graal-tempel en de Graal-dienst tot een mysties symboliese idealisering van het nieuwe Gotiese kerkgebouw en de kristelike godsdienst. Handige geesteliken beginnen over het algemeen de wereldlikheid tot de Ere Gods te wenden, door de ridderromans en de minneliederen of de „ars amandi” te „moraliseren” en te „spiritualiseren” en ze tot geestelike allegorieën te maken; er worden „geestelike toernooien” en ridderromans geschreven over de reis naar de Hel en het Paradijs. Menig ridderlik dichter kreeg zelf scrupules: zowelChrestien de TroyesalsHartmann von Aueschreven legenden als boetedoening voor hun ridderromans en meer dan een minnezanger eindigde op een kruistocht of in het klooster. In het gedicht vanKonrath von Würzburg, „'s Werelds loon”, krijgt een ridderlik minnezanger bezoek van „Frau Welt” die hij steeds gediend heeft, haar schoonheid en beminnelikheid betoveren hem volkomen, maar als zij zich omkeert, ziet hij hoe haar rug geheel opgegeten is door vergiftige slangen, en vol walging maakt hij zich nu van haar af en neemt het kruis.

Nog werkzamer middelen dan allegorieën en waarschuwingen werden tegen de verwilderde kinderen der wereld gebruikt. De 13deeeuw is die van Innocentius III en Lodewijk de Heilige, van de orden der bedelmonnikenen van de Inquisitie; de 14deeeuw is die der mystiek, van de zwarte dood, en van de geselbroeders en noch in de ogen van Lodewijk de Heilige, noch in die van Bonaventura, zou de roman van Lancelot genade kunnen vinden die Paolo en Francesca tot „de zoete zonde” verleidde. Vooral was het de schone jolige ridderkultuur van geheel Zuid-Frankrijk die vertrapt werd, toen het kruisleger vanSimon de Montfortals een gesel Gods zich over de ketterse steden en het land der troubadourhoven stortte. „Ik was gewoon aan zang en vrolikheid, aan ridderlikheid en vriendelikheid, klaagt de troubadour,—de wereld was vrolik en de vrouwen mooi en lief en een ieder legde zich slechts toe op wat edel was en schoon. Maar nu is alles veranderd, ik word gelaakt en veroordeeld voor alles waar ik vroeger voor geprezen werd en nu zegt men dat gulden stoffen niet voor vrouwen passen en dat men de genade Gods vinden zal door witte pijen en zwarte kleêren.” Zeer plotseling verstomde de rijke fijne zangkunst of moest zich voor moraliserende leerdichten laten gebruiken, slechts een paar troubadours waren er voor te vinden om de liefdelyriek te gebruiken voor de verkondiging van een platonies-kristelike, mysties-spiritualistiese godsdienst der liefde,—zoals die zich later verder ontwikkelde uit de Italiaanserenaissance-lyriek, in Dantes „Vita nuova” en Petrarca's „Canzoniere”.

Intussen kwam de kerk zelf ook met een literatuur voor den dag die het publiek interesseerde. Van de ridderromans wendde men zich tot de „Legenda Aurea”, Bonaventura's „Beschouwingen”,Jacques de Vitry's verzameling van stichtelike „exempelen” en door de boetpredikanten die uit het volk voorkwamen en vóor het volk spraken, zowel als door de grote mysteries werd het kermispubliek toch meer en meer van de speellieden en de „conteors” afgetrokken.

Maar tegelijkertijd kreeg de ridderromantiek het hard te verantwoorden op de Universiteit,—door de geleerdheid en de scholastiek. Een geografiese en natuurwetenschappelike literatuur in de volkstaal zou weldra de ridderromans geheel overtreffen door haar verhalen over alle merkwaardige landen en volkeren, van alle wonderbare planten en dieren en mirakuleuze stenen. De romantiese fantasiehonger had zich langzamerhand ontwikkeld tot een werkelike dorst naar wetenschap en tot een ontwakende drang naar onderzoek, en allerlei soort„Mappemondes”, „Miroirs du monde”, bestiarieën en lapidarieën of de reisbeschrijvingen van een Marco Polo en Mandeville trokken weldra de belangstellingsterker tot zich dan de merkwaardigheden van de Alexanderromans of de Parzivalgedichten. Op dezelfde manier leidden de ridderromans tot een historiese literatuur die meer en meer de belangstelling van die romans af, en tot zich trok. Reeds de schrijver van „de roman van Troje” begon op zijn ouden dag een kroniek der Normandiese Hertogen te schrijven, en gebruikte de kleuren der ridderromantiek om te beschrijven hoe hertog Richard tot ridder geslagen werd of de liefdegeschiedenis te vertellen van Robert van Normandië en het schone burgermeisje dat hij aan de was had zien staan. InVillehardouin, in de werken van de Minstreel uit Rheims, en later in de kronieken vanFroissartontwikkelt zich een ridderlik romantiese kunst om de geschiedenis te schrijven, met schitterende beschrijvingen van de feesten der Bourgondiese hertogen en het hofleven der Engelse Plantagenets of van de heldenfeiten en de Oosterse lust naar avonturen op de kruistocht naar Konstantinopel. De overgang van roman naar historie komt duidelik aan den dag in een werk als de „Roman de Hem” van een Sarrasijn in de 13deeeuw. Feitelik is dit niet anders dan een uitvoerige beschrijving van een toernooi, dat de dichter bijgewoond heeft, hij beschrijft alle deelnemers onder hun werkelike namen, ofschoon in een gril zijner fantasie een paar Arthurridders er bij gehaald worden. In zijn inleiding prijst de schrijver ook bizonder die dame op wier bevel het gedicht geschreven werd, omdat zij niet is gelijk die dames die zich allerlei leugens „bij elkaar laten lappen die de geest alleen maar bederven”, maar die zulke „romans d'aventure” als „Cligès” en „Parcival” versmaden.

Maar het was toch vooral de didaktiek en de scholastiek die van de Universiteit komende, de ridderromantiek zouden verstikken. Er was, zoals wij al gezien hebben, reeds vroeg een scholasties element in de minnepoëzie der troubadours gekomen en in zelfstandige leerdichten zowel als overal in de ridderromans waren er stukken te vinden waar men een lesje in de ridderlikheid en de hoofsheid kon krijgen. Meer en meer verdroogt nu echter dat frisse gevoel in de lyriek en verdwijnt de levende fantasie uit de romans en in plaats daarvan komen morele allegorieën en een spitsvondige dialektiek in die lyriek, in de romans en nog meer in de zelfstandige leerdichten. Reeds in de jongste klassiciteit floreerden erotiese en morele allegorieën—het slot van Venus en de rechtbank van Venus, vrouw Philosophia die Boethius in zijn gevangenis komt troosten, of de bruiloft vanPhilologia en Mercurius bijMartianus Capella—en meer en meer ziet men die allegorieën in de theologie der middeleeuwen verschijnen, en daaruit dringt nu de zin om eigenschappen te personifieren en abstrakte begrippen af te beelden in de wereldlike ridderpoëzie door, in Noord- en Zuid-Frankrijk zo ook als in Duitschland. De Godin der Liefde zit in haar paleis omgeven door Vreugde, Schaamte, Hoop enz. en houdt een leerrijke voordracht voor hen. De dichter ontmoet op zijn wandeling allerlei allegoriese personen en heeft leerrijke gesprekken met hen. Of wel wordt de belegering van „de Burcht der Liefde” in alle stadia geschilderd. Het is vooral in Noord-Frankrijk—Parijs was immers de hoofdzetel van de Scholastiek—dat wij de moraal der ridderlikheid aanschouwelijk zagen maken door de allegorie, of het wezen der liefde in zijn bestanddeelen zagen oplossen die alle allegories gekleed waren. En wij zagen ook hoe in het leerboek over de „gepaste” liefde „Dearte honeste amandi” van de Kapellaan Andreas, de regels van de ridderlikheid en de ridderliefde gesistematiseerd waren, als wetten werden geformuleerd en subtiel in scholasties-juridiese geest vertolkt; in een gedicht als „het Dierenboek der Liefde” vanRichard de Fournival, maakt de minnaar van alle berichten uit de bestiaria over merkwaardige dieren gebruik om allegories de merkwaardige eigenschappen van de liefde en de aangebedene te beschrijven en zij antwoordt door nog weer andere morele vertolkingen van die dierenverhalen te citeren!

Maar de beroemdste en fijnste, meest poëtiese scholastisering van de ridderromantiek is toch de „Roman de la Rose” die een jonge geestelik opgevoede edelman uit Orleans omstreeks het jaar 1240 geschreven had. Daarin lezen we, hoe de dichter—in zijn droom—vrolik en met liefde in het hart, de stad uitwandelt om van het gezang der vogelen en het voorjaar te genieten, en bij een tuin komt die door een hoge muur omgeven is zodat men er niet in kan komen. Buiten op de muur zijn de ondeugden afgebeeld die er buiten moeten blijven: haat en laagheid, gierigheid en afgunst, droefenis en ouderdom; want dit is het rijk van de ridderlik-hoofse liefde, dat slechts open staat voor de edel geborenen, rijken, welopgevoeden en jongen. „Dame Oiseuse” is de portierster, d. w. z. dat alleen een leven in lediggang als dat van de hogere klassen daar toegang verschaft. Zij vraagt de dichter vriendelik de tuin in ogenschouw te willen nemen; het is haar zuster „Déduit” die hem heeft aangelegd. In de tuin gekomen, vindt hij zich weldra omringd door een uitgelezen gezelschap vanspelende en dansende Dames en Heren, „Juffrouw Beleefdheid”, „Rijkdom”, die zijn vriendin „Vrolikheid” bij de hand geleidt, „Vrijgevigheid”, die als een ridder van Arthur's Tafelronde gekleed is, „Jeugd”, een lief klein meisje van 12 jaar dat argeloos-onschuldig haar minnaar voor aller ogen kust, en eindelik „Amor” zelf, een jong ridder in een kleed met bloemen, die door zijn page „Zoete Blik” begeleid is en met „Vrouwe Schoonheid” danst, die prachtig is als de maneschijn, onstoffelik als de dauw, eerbaar als een bruid en wit als een lelie. Terwijl de dichter een roos achter een heg staat te bewonderen, schiet Amor een pijl op hem af die hem in zijn hart wondt, en knielend moet de dichter nu de Liefdegod als zijn leenheer huldigen. Om volkomen zeker te zijn, zet die bovendien nog een slot op zijn hart en steekt de sleutel in zijn zak, waarop hij zijn vazal een reeks voorschriften geeft, hoe hij zich bij de liefde gedragen moet,—vele er van kinderachtig, maar enkele toch ook fijn en schoon—, en om hem te troosten krijgt hij „Zoete Gedachte”, „Zoete Woorden” en „Zoete Blik” bij zich. Gewond sleept de dichter zich nu naar de roos en vergeet zijn wonde door daar op te blijven zitten staren en er de geur van op te snuiven; een vriendelike man (Bel-accueil) biedt aan hem te helpen als hij beloven kan de roos niet te plukken maar alleen zich met de aanblik en de geur er van tevreden te stellen, maar hij kan aan de verleiding geen weerstand bieden en wil over de heg springen,—als de „bewaker” (Dangier) te voorschijn komt en hem overvalt, met behulp van „Kwade tongen”, „Schrik” en „Schuchterheid”... Een hele liefde-geschiedenis, zoals men ziet, en een soort psychologie der verliefdheid in een allegorie ingekleed; de fijnste essens der riddererotiek, die zonder de geur te verliezen in de verschillende samenstellende delen ontleed is en op flessen gezet.

Maar midden in zijn verhaal was de dichter er uitgescheden, en een mensenleeftijd later of iets meer, was er een welvarende, geleerde burger van Parijs,Jean de Meung, die het handschrift in zijn bezit kreeg en het voortzette. En met hem kwam er een hele nieuwe geest in het werk, die van een grof verstands-realisme, dat de sierlike rozentuin lelik zou maken. Want terwijl de minnaar staat te jammeren, komt „Het Verstand” hem eens de les lezen. Liefde komt slechts uit een „passion desordonnée” voort en is een soort krankzinnigheid die de man uit natuurdrift overvalt, terwille van de voortplanting. En als zulk een natuurdrift moet die gehoorzaamd worden, maar als het niet wegens die blinde passie was, zou het verstand werkelik geen plezier vinden in die onbekooktepraatjesmaaksters die men vrouwen noemt en die de poëten nog verheerliken!,—het is alleen maar hun opschik die ons zand in de ogen strooit, en al de sentimentaliteit waarmede de liefde zich omgeeft, betekent eigelik niets! Als priester der natuur treedt ook „Genius” op en verkondigt zijn: „Vermenigvuldigt u”. Alle vrouwen zijn voor alle mannen en het is al te dwaas te geloven datRobiconvoorMariotegeschapen is ofMariotevoorRobicon. Meer en meer brengen de lange gesprekken die de dichter heeft met „Verstand”, met de „Vriend” en „Valse Schijn”, hem uit de atmosfeer van de rozentuin weg, maar op alle gebied is het romantiek en sentimentaliteit en de gekunsteldheid in de overspanning der hele ridderkultuur die aangegrepen wordt—alles in naam van kultuur en verstand, van utiliteit en verlichting en van een demokratiese burgerlikheid. „Laten wij nu toch eens even verstandig trachten te zijn!” daar komt het alles op neer. Geen adel en geen rijkdom,—de mensen zijn van nature gelijk; geen weelde in eten en klederdracht, geen preutsheid en geen affectatie, geen bederven van de natuur door opvoeding en konventie, niet al dat blanketten en maskeren van de naaktheid van het geslachtsleven, niet al die hoogdravendheid en gekheid van het ridderwezen,—laten wij natuurlik zijn en waar, en de werkelikheid onder de ogen zien.

En onder talrijke vormen laat de burgerlike geest in de zich ontwikkelende steden een dergelijke taal tegenover de ridderromantiek horen. Zeker, de burgers proberen de ridderromantiek zo wel als de ridderlyriek tot de hunne te maken en die bewust of onbewust te verburgerliken. De werklieden vormen een zangersgilde te Toulouse, te Gent en te Neurenberg en maken zo een handwerk op rijm van de minneliederen der troubadours met moraliserende, spitsburgerlike inhoud. En de ridderromans werden omgewerkt tot lompe, kinderachtige volksboeken, tot vermaak van het volk. Maar tegelijkertijd wordt de poëzie der ridders en hun romantiek voortdurend geparodieerd evenals de ridderadel met hoon en toorn aangevallen wordt. Van de latere riddergedichten waren er al vele die in zelf-ironie gespot hadden over de afstand tussen het hooggespannen ridderlike idealisme en de steeds meer en meer armer wordende werkelikheid in de ridderwereld. En in Chaucers nobeleSir Thopasof in de kleineJean de Saintréin de Franse roman van de 15deeeuw worden de ronddolende ridders geparodieerd en gehoond, presies als later in de ridderepopeën der Italiaanse Renaissance-dichters. In Duitse gedichten willen ridders meê doenaan de dans met boerendochters, maar ze worden met spot de deur gewezen door de landelike schoonheden als zij ze het hof willen maken, en lopen een pak slaag op van de boerenjongens. Alle aanstellerij in de minnepoëzie der troubadours kan men in de gedichten der Florentijnse burgers geparodieerd vinden. En hoe meer de adel zelf ekonomies, moreel en militair in verval kwam, des te meer lachen de burgers ze uit. Het eclatante fiasco van de Franse adel in de honderdjarige oorlog doet een stroom van spot op hun hoofden nederdalen,—hoe de Duitse ridders in het laatste deel der Middeleeuwen eigelik tot gemene struikrovers gezonken waren, vindt men reeds midden in de 13deeeuw getekend in een allerliefste kleine novelle „Meier Helmbrecht” waar het eerlike werkzame leven van de boer in een heldere tegenstelling geplaatst is tot het vervallen ridderwezen, waar de ridders rijp zijn voor de dood van een struikrover aan de galg.

En dit verval van de adel, ekonomies, militair, politiek en moreel, brengt ook van zelf dat van de ridderromantiek mede. Wel is waar schoot die eerst nog veel meer en meer eksentriese loten. Zo overtrof b.v. de Duitse ridder Ulrich von Lichtenstein alle vroegere minnedichters in dwaasheid, toen hij een lid van zijn vinger afhakte en dat zijn aangebedene zond, of als „Vrouw Venus” verkleed, geheel Duitsland doortrok en bij alle toernooien ter ere van zijn dame streed—gelijk hij dit alles zelf in zijn autobiografiese roman „Vrouwendienst” verhaald heeft. De eindeloze Franse roman „Perceforest” uit de 14deeeuw en de Spaans-Portugese Amadis romans uit de 15deeeuw gaven nog eens en wel in de meest paradoxale ten spits gedreven vorm alle idealen van de ridderromantiek bij elkaar en alle lievelingsmotieven uit de ridderromans. Aan het Bourgondiese hertogelike hof trachtte men evenzo in de 15deeeuw de ridderlike glansperiode van de Tafelronde te doen herleven door prachtige toernooien, kunstmatige hoflyriek en ridderlike „voeux du faisan” over de kruistochten tegen de Turken. En toch,—evenals het niet de ridderlike politiek der Bourgondiese hertogen was die de zegepraal zou behalen, maar de zeer burgerlike politiek van Lodewijk XI, zo waren het niet de laatste verwaterde ridderromans en minnedichten in de stijl der troubadours, maar de burgerlike realistiese farce of novelle of Villon's burgerlik-realistiese lyriek waaruit de levende ziel van de 15deeeuw sprak. Terwijl de ridderromantiek zich over de andere landen van Europa uitbreidde en nog in de 15deeeuw nieuwe zelfstandige loten schoot, in de Scandinaviese ridderballaden, in Spaanseromances van de Cid, in de Engelse Arturroman van Malory, allerlei spruiten van de ridderromantiek die wij hier niet verder kunnen vervolgen,—waren hun sappen uitgedroogd in de landen zelf waar zij thuis hoort, de leidende landen wat de kultuur der middeleeuwen betreft: Frankrijk en Duitsland.

Zo nauw was de Ridderromantiek aan een bepaald maatschappelik en geestelik leven der middeleeuwen verbonden, dat die in haar oorspronkelike vormen met de middeleeuwen ten gravemoestdalen. Maar in die romantiek, en verborgen onder wat daarvan aan plaats en tijd gebonden was, lagen algemene dichterlike kultuurwaarden die altijd tot het levende eigendom der mensheid zouden blijven behoren. Meer en meer is men toch ook van de opvatting teruggekomen dat de renaissance een volkomen breken met de Middeleeuwen zou betekenen. Evenals het middeleeuwse kristendom en de stedelike kultuur, maakt ook de ridderlike vorming een deel van de moderne kultuur uit. Indien men de inslag van de ridderlikheid door de schering van het maatschappelike geestesleven van een latere tijd of die van de ridderromantiek in haar latere literaire ontwikkeling heen wilde nagaan, zou dit betekenen dat een aanzienlik deel van de geschiedenis der moderne kultuur geschreven was. Het ridderlike krijgsmansideaal en het ridderlike begrip van eer zijn niet alleen nu nog springlevend in de militaire stand, maar maakt een vrij essentieel deel uit van onze burgerlike mannelike moraal en de middeleeuwse begrippen „Chevalier” en „gentilhomme” met de bijsmaak van eer en hoofsheid die deze woorden hebben, zijn langzamerhand tot het „cavalier” en „gentleman” van onze tijd geworden. En zo zijn, van een zuiver literair standpunt uit, de ridders van Ariosto, Tasso en Spenser, die de wereld rondtrekken en ter ere van hun Angelica, Armida of Gloriana strijden, de direkte afstammelingen van de ridders vanChrestienen Wolfram, maar ook de galante Alexander de Grote vanMlle de Scudéry, de Cid van Corneille, ja zelfs Hernani van Victor Hugo en Don Carlos vanSchillerhebben nog het bloed in hun aderen van Arthur's ridders van de Tafelronde. En verder: de Provençaalse en Franse „Hoven van Liefde” waar de dames presideerden, werden voortgezet in de hoven van Margareta van Navarre en de Italiaanse literaire vorstinnen, zowel als in de Franse salons der 17deen 18deeeuw en de minneliederen der troubadours weerklinken in het Italiaanse sosiale leven als sonnetten van Petrarca, evenzeer als de spiritueel-sentimentele liederen vanCharles d'Orléansbij het hof vanBlois,ende liefdelyriek vanSidneyenSpenseraan het hof vanElisabeth. Ja, zelfs de minneliederen van de Musset enLamartine, van Klopstock en vanHeinehebben nog veel in zich dat aan de „Liefdekunst” der troubadours herinnert. En tenslotte: de middeleeuwse liefderoman—met zijn sentimentaliteit, zijn romaneske intrigue-fantasie en zijn belangstelling om de grillige roeringen van het hart na te sporen—brengt ons tot Boccacio en Ariosto, Chaucer en Shakespeare, Margareta van Navarre en Racine en daaruit vinden wij die met zijn motieven en gehele toonscala in talrijke moderne romans, novellen en drama's terug. De episode van Troïlus en Briseïs in de roman van Troje werd als voorbeeld van de grillen van de liefde en het vrouwenhart eerst en veel dieper gebruikt door Boccacio en Chaucer, en later door Shakespeare; bij diezelfde drie grote dichters der renaissance werden de onschuldig lijdende en zich liefderijk opofferende vrouwen heerlik gepoëtiseerd in figuren als Griseldis of Imogen. De meest sentimentele van Boccacio's novellen en de meest romantiese van Shakespeare's blijspelen zijn op de Middeleeuwse intrigen gebouwd, maar met roerender toon en dieper zielestudie,—van Floris enBlanchefleur, Appollonius van Tyrus,Die Herzmäreen de roman van Lancelot. Ariosto's van liefde razende Roeland en de heldin Bradamante in panser en kuras,—Chaucer's „Fair Emily” op een schone Meimorgen, enSpencer's Britomartisdie de wereld doortrekt om een ontvoerde geliefde te zoeken wier beeld zij in een spiegel gezien heeft,—Tasso's kokette en ijverzuchtige Armida... aan al dergelijke figuren kunnen wij zien hoe ze direkt uit middeleeuwse ridderromans stammen en op hun beurt weer leiden totRacine's despotiese en jaloerse prinsessen, tot de desperate minnaars der romantiek enTennyson's „fair Elaine”.

Het moderne geestesleven zou nog verder ten achter gestaan hebben in morele verfijning en maatschappelike vormen, de moderne poëzie zou heel wat armer geweest zijn aan sentimentaliteit en een eigenaardig soort romanfantasie, indien het adelike hofleven der 12deen 13deeeuw niet geleefd was en de gedichten der troubadours en de ridderromans nooit geschreven waren. Soms lijkt het zelfs wel eens alsof al onze hang naar het populaire en natuurlike en over het algemeen onze tijd van „feiten” en „een gezonde brutaliteit” nog heel wat zou kunnen leren van adel en ridderlikheid, fijne hoofsheid en zelfopofferende innigheid, van die oude verhalen van Eer en Liefde ten spijt van alle gezond verstand en langer dan het leven.


Back to IndexNext