Negentiende tooneel.

Negentiende tooneel.Volk, De Paphlagoniër, De Worstverkooper, Koor.Paphlagoniër(tot Worstverkooper)Ga naar de eeuwige zaligheid.Worstverkooper.Ga naar de eeuwige zaligheid.Jij, deugniet, eerst!Paphlagoniër.Heer Volk! ik ga hier zitten, want nu ben ik klaarOm jou, zooals ik allang begeerde, wèl te doen.Worstverkooper.En ik ben ook allanger dan lang daartoe bereid,1155Wel honderdmaal en duizendmalen langer dan lang.Volk.Ik wacht op jullie, en dat valt me vreeslijk lang,Want ik verafschuw al dat gedoe in mijn belang.Worstverkooper.Weet je wat je doen moet?Volk.Weet je wat je doen moet?Niet vóórdat jij ’t hebt gezegd.Worstverkooper.Laat mij en hem een wedstrijd doen van meet af aan,1160Wie jou het meeste weldoet.Volk.Wie jou het meeste weldoet.Goed, dat zal ik doen.Vooruit dan!Paphlagoniër en Worstverkooper.Vooruit dan!Kijk!(Ze loopen tegen elkaar, en komen niets verder)Volk.Vooruit dan! Kijk!Waarom loop je niet!Worstverkooper.Vooruit dan! Kijk! Waarom loop je niet!Je komt niet vooruit!(Hij stoot den Paphlagoniër terug).Volk(terzijde).Òf ’k heb vandaag door die twee minnaars een mooien dag,Òf ’k zal, bij Zeus, voor altijd naar den drommel gaan.Paphlagoniër.Maar zie je niet, dat ik het eerst j’ een zetel geef?Worstverkooper.1165Een zetel, maar geen tafel—dat doe ik het eerst!Paphlagoniër.Kijk hier dat lekker broodje dat ik breng voor jou,Dat geheel voor jou uit Pylische gerst gebakken is.Worstverkooper.Ik breng je uitgeholde kruimels, beste heer,Door de godin met ivoren handen zelf gehold.Volk.1170Wat is uw vinger groot geweest, o heerscheres!Paphlagoniër.Ik breng je snert van goede kleur en lekkren smaak,Die Pallas Pylosstrijdster zelf heeft omgeroerd.Worstverkooper.Heer Volk, ’t is duidelijk dat de godin je gunstig is,Door mijne hand biedt zij j’ een pot met lekkere saus.Volk.1175Geloof jij soms dat j’ in de stad nog wonen zoudt,Als zij niet duidlijk met haar pot ons gunstig was?Paphlagoniër.De Legerscharenverschrikster schenkt je dit brokje nog.Worstverkooper.De Sterkevadersdochter schenkt je gebraden vleesch,Een stukje pens, een stukje darm en een stukje maag.Volk.1180Dat ’s mooi, dat zij nog voor haar feestkleed dankbaar is.Paphlagoniër.De Helmbosfladderaarster biedt u dezen koek,Opdat de schepen voortaan glijden als een koek!Worstverkooper.Neem ook nog dit.Volk.Neem ook nog dit.Wat moet ik met die darmen doen?Worstverkooper.Die stukken zendt u de godin opzettelijk,1185Om als ribstukken bij de schepen dienst te doen,Want onze marine gaat haar blijkbaar aan het hart.Hier heb je nog wat om te drinken, tweederdewijn.Volk.Hoe heerlijk, Zeus! een godlijke drieëenigheid!Worstverkooper.De Drieontsprotene heeft van drieën één gemaakt!Paphlagoniër.1190Neem nu van mij een stukje aan van vetten koek.Worstverkooper.Van mij geen stukje, maar een heelen koek ineens.Paphlagoniër.Jij kan hem niet van haas doen smullen, dat kan ik.Worstverkooper.O jee, hoe kom ik aan een stukje lekkeren haas?M’n beste geest! bedenk nu toch een loozen streek.Paphlagoniër.1195Zie je dat, jou schurk der schurken?Worstverkooper.Zie je dat, jou schurk der schurken?’k Geef er weinig om,Want in de verte komen er lui, ik zie ze al,Het zijn gezanten met een welgevulde beurs.Paphlagoniër.Waar, waar?Worstverkooper.’t Raakt jou niet, laat de vreemden maar met rust.(Terwijl de Paphlagoniër kijkt, pakt de Worstverkooper de hazenpastei weg).M’n beste heer Volk, zie jij die mooie hazenpastei?Paphlagoniër(terugloopende).1200O jee, je hebt gestolen wat het mijne was!Worstverkooper.Jij hebt, bij de goôn, bij Pylos net als ik gedaan!Volk.Hoe kwam j’er toe te stelen, zeg mij dat eens gauw!Worstverkooper.Een god schonk mij de gedachte, en den diefstal ik.Paphlagoniër.Ik heb de kans geloopen, ik den haas gebraân.Volk.1205Ga jij maat weg! ik dank het hem, hij bracht hem mee!Paphlagoniër.Ik ongelukkige! Ik word overonbeschaamd!Worstverkooper.Kan je nòg niet onderscheiden, wie van beiden nuHet meest aan jou en aan je maag heeft welgedaan?Volk.Zeg nu, publiek, welk kenmerk ik gebruiken moet,1210Dat ’k in uw oogen een rechtvaardig oordeel vel!Worstverkooper.Ik zal ’t je zeggen. Neem in alle stilte maarMijn korf met spijzen, onderzoek wat daarin is,En wat in zijn korf is—dan is rechtvaardig wàt je beslist!Volk.Laat kijken, wat er in is.Worstverkooper.Laat kijken, wat er in is.Zie je niet, vaderlief,1215Dat de heele korf al leeg is? Alles gaf ’k aan jou!Volk.Dat is een korf die bij de volkspartij behoort!Worstverkooper.Kijk nu eens naar den korf van den Paphlagoniër,Zie je dat?Volk.Zie je dat?Mijn hemel, nù nog vol van lekkernij!Wat heeft hij daar een reuzenkoek apart gelegd!1220En wat een schijntje heeft hij afgestaan aan mij!Worstverkooper.Zoo heeft hij vroeger ook altijd met jou gedaan:Hij gaf je mee van ’t kleinste dat hij zelf ontving,En slokte zelf altijd de grootste brokken op.Volk.O schurk! die mij dus bedrogen en bestolen hebt!1225„En ik heb u met kransen en geschenk getooid!”Paphlagoniër.Wanneer ik stal, dan was ’t in ’t voordeel van den staat.Volk.Leg jij maar gauw je krans af, want ik dorst om hemDaarmee te sieren.Worstverkooper.Daarmee te sieren.Leg je krans af, galgebrok!Paphlagoniër.Dat doe ik niet, want ik bezit een Delfisch woord,1230Waarin voorspeld is wie alleen mij kan verslaan.Worstverkooper.Mijn naam wordt daarin al te duidelijk slechts genoemd.Paphlagoniër.Ik wil nu door bewijzen onderzoeken gaan,Of jij met die orakelspreuk wel wordt bedoeld.En daarom richt ik allereerst deez vraag aan u:1235Ben jij als kind bij iemand op de school geweest?Worstverkooper.In de varkenszengplaats ben ’k met vuisten grootgebracht.Paphlagoniër.Wat zeg je daar! ’t orakel brandt mij op de ziel.En wat voor sport heb jij beoefend op je school?Worstverkooper.Valsche eeden, stelen, en een onbeschoft gezicht.Paphlagoniër.1240O groote Febus Apollo, wat doet gij mij aan!Worstverkooper.Ik leerde worstverkoopen—en wat zwijnerij.Paphlagoniër.Helaas, helaas, het is voor goed met mij gedaan,Een heel klein hoopje is nog ’t ééne waar ’k op drijf.1245Zeg mij nu nog: verkocht jij beuling op de markt,Of heb je ’t altijd vóór de poort der stad gedaan?Worstverkooper.Wel, vóór de poort, want daar verkoopt men zoutevisch.Paphlagoniër.O hemel, juist was de voorspelling van den god!Verwijdert, dienaars! mij, den ongelukkige,1250O krans, ga blijde weg van mij, ofschoon ik uNiet willig loslaat: ’n ander wacht op uw bezit,Geen grooter dief, maar wel een man van méér geluk.(Legt zijn krans af)Worstverkooper.Hellenische Zeus, ù is de zege!(De slaven komen uit het huis)Twintigste tooneel.Dezelfden. Een slaaf. (Demosthenes).Slaaf.Heil u den overwinnaar, wees indachtig thans1255Dat gij door mij de zege behaaldet. ’k Vraag u slechtsOm als Phanos bij processen jouw griffier te zijn.Volk.En zeg mij nu hoe gij toch heet.Worstverkooper.En zeg mij nu hoe gij toch heet.Agorákritos,Want onder twisten op de markt ben ik opgevoed.Volk.Dan vertrouw ’k mij voortaan toe aan Agorákritos,1260En wil niets meer weten van dien Paphlagoniër.Worstverkooper.En ik zal heerlijk voor je zorgen, meester Volk,Zoodat j’ erkent dat niemand beter in de stadVan de Praateners ooit verschenen is dan ik.(Alle acteurs verlaten het tooneel)Koor.Wat is er schooner dan in den beginne1265Of aan het eind met vroolijken zinneDe temmers der brieschende rossen te zingen—En Thumantis, die geen haard kan krijgen,En Lysistratos te verzwijgen,Niet met een spotvers hen te bespringen?1270Hem, dien Apol altijd honger ziet lijden,Hem, die de hand langs zijn koker laat glijden,Weenend hem smeekt, of de godheid zijn lijdenNiet kan bedwingen?—(Toezang)Van de slechten kwaad te spreken werd door niemand ooit veracht,1275Eerbied eisch ik voor de goeden, als men ’t ware en recht betracht.Is in waarheid er een slechtaard, die verwijt en smaad verdient,Dan behandel ik hem nimmer, bij de goden, als mijn vriend.Niemand is er, waarde hoorders, die Arígnotos niet kent,Wie maar zwart kan onderscheiden, of—’t helklinkend instrument.1280Deze man bezit een broeder, hem in wezen ongelijk:De verloopen Ariphrádes, die met slechtheid loopt te kijk.Hij is niet alleen een slechtaard, want misschien ontging het mij,Niet alleen een aartsslampamper, maar hij vond nog dit er bij:Dat hij eigen lichaamsdeelen afstaat voor ontaard genot,1285En een beeld is der ontaarding midden in het hoerekot.Hij bezoedelt baard en lippen, altijd dierlijk, altijd los,Zingt uit Polymnéstes’ liedjes, frequenteert Oeónichos.Wie voor zoo’n verloopen kerel nu geen afschuw voelt en schrik,Wordt veroordeeld nooit te drinken uit hetzelfde glas als ik.(Tegenkoor)1290Dikwijls kwam mij in slaaplooze nachtenDe veelvraat Kleónymos in gedachten,Hoe lukt het hem altijd maar eten te krijgen?Hij spint altijd als een spin zijn webbeOm het eten en drinken van hen die het hebben,1295En hun tafel beschouwt hij maar als zijn eigen!En zij—zij bidden en smeeken zeer:„Op de knieën verzoek ik u, edel heer,„Verlaat mijn tafel toch dezen keer!”Doch vergeefs is hun dreigen.(Tweede Toezang)1300Men verhaalt, de drieriemschepen hielden eens vergadering,En dat een der oudste kielen toen aldus aan ’t spreken ging:„Dames! heb je niet vernomen waarvan heel de stad gewaagt?Iemand heeft pas voor Karthago honderd schepen aangevraagd.’t Is die slechtbefaamde burger, ’t is die zure Hypérbolos!”1305Toen de dames dat nu hoorden, brak een luid gemompel los,En één van de kielen, die nog door geen manlief was betreên,Riep: „de hemel moog mij bestaan, mij gebiedt hij nimmer, neen!Liever moge ik van den houtworm rotten tot mijn ouden dag!”Juffrouw Schepers zei hetzelfde: „neen, ik duld niet zijn gezag!”1310Niet voor niets ben ik getimmerd uit het kostbaar pijnboomhout!”Als d’ Atheners dàt besluiten, varen w’ allen, jong en oudNaar der Eumeniden tempel en naar Theseus’ godshuis heen,Want als wij maar kommandeeren fopt hij niet geheel Atheen;Laat hem naar den drommel zeilen, laat hem voor zijn kraaientocht1315Maar de bakken te water laten, waar hij zijn lampjes in verkocht.”Een en twintigste tooneel.De worstverkooper. Het koor.Worstverkooper.Elk zwijge aandachtig en sluite den mond, weg met alle getuigenverhooren,Men sluite terstond alle rechtbanken ook, waarin deze stad zich verlustigt,En over ons onverhoopte geluk juich’ de heele schouwburg van blijdschap!Kooraanvoerder.O morgenlicht voor het heilig Atheen, o aller eilanden toevlucht,1320Wat brengt gij ons voor voorspoedig bericht, dat de straten zich vullen met vetdamp?Worstverkooper.Heer Volk heb ik door koken verjongd—van een leelijkert maakte ik een prachtvent.Kooraanvoerder.En waar is hij thans, o menschenvriend van bewonderenswaardige vinding?Worstverkooper.Hij woont in ons viooltjesbekranst, in ons oud eerwaardig Athene.Kooraanvoerder.Hoe hem te zien? hoe is hij gekleed? wat is hij voor kerel geworden?Worstverkooper.1325Zooals hij met Aristides eens, met Miltiades aanzat ten maaltijd,Aanschouwt hem zelf, want ik hoor reeds gedruisch van een plechtig geopende voorpoort.Juicht allen in koor bij het blijde gezicht van het oud eerwaardig Athene,Elks lofzang, ieders bewondering waard, waar het roemruchte Volk nu gaat wonen.Kooraanvoerder.O gezondheidstralend, viooltjesbekranst, en benijdenswaardig Athene,1330Toon ons wie nu over Hellas alleen en ook over dit land zal gebieden.Twee en twintigste tooneel.Dezelfden. Volk.Worstverkooper.Daar is hij te zien, met een krekel getooid, vol geschitter naar d’oude gestalte,Naar wapenstilstand, niet slakken riekt hij, als gezalfd met de heerlijkste myrre.Kooraanvoerder.Heil u, der Hellenen koning voortaan! want wij deelen van harte in uw blijdschap,Gij handelt zooals het betaamt aan den staat, en aan Marathon’s zegetrofeeën!Volk.1335O liefste mij der mannen, kom, Agorákritos!(de Worstverkooper nadert)Wat deedt gij goed met uw verjongingskuur!Worstverkooper.Wat deedt gij goed met uw verjongingskuur!Wat? ik?M’n beste man, je weet niet hoe je vroeger was,En wat je deed—je hieldt mij anders voor een god.Volk.Wat deed ik dan vroeger, en hoe was ik vroeger dan?Worstverkooper.1340Wel, vroeger, als men zei in de volksvergadering:„O Volk, ik houd zooveel van jou, van jou alleen,„Ik wil voor je zorgen, ik alleen ben j’ echte vriend,”Als iemand met die praatjes aan zijn speech begon,Dan stak je je kuif op, toonde je horens—Volk.Dan stak je je kuif op, toonde je horens—Deed ik dat?Worstverkooper.1345En met zulke woorden werd je telkens wéér bedot.Volk.Wat zeg je, dat gebeurde, en ik merkte ’t niet?Worstverkooper.Omdat, bij Zeus, je ooren als een zonneschermTe zamen klapten en zich dan weer openden!Volk.Was ik zoo dom, zoo’n onbedachtzame ouweheer?Worstverkooper.1350En als er een stel redenaars aan ’t spreken was,En d’ een voor oorlogsschepen pleitte—d’ andereVoor staatsgeld aan salarissen—wist de ééne manZijn vijand te overtroeven, en kneep daadlijk uit.(Volk geeft teekens van schaamte)Zeg, waarom bukt g’ u? blijft ge niet zooals ge waart?Volk.1355Ik schaam mij voor de verkeerde daden van voorheen.Worstverkooper.Dat was ùw schuld niet, heb daarover maar geen zorg,Dat deden zij die u bedrogen. Zeg me nu:Wanneer een schurk van een aanklager nu tot u zegt:„Je zult geen brood meer hebben, heeren rechters, hoor,1360„Wanneer je niet dat vonnis velt zooals ik wil.”Wat zal je doen met zulk een valschen beschuldiger?Volk.Ik til hem op, en gooi hem in den afgrond neer,En aan zijn nek mag slingeren—Hypérbolos.Worstverkooper.Dat is verstandig, dat ’s nu eens naar recht gezeid!1365Vertel nù, wat je verdere politiek zal zijn.Volk.Ten eerste betaal ik, wie op oorlogsschepen dient,En van den tocht terugkeert, het volledig loon.Worstverkooper.Dat geeft pleizier aan velen, wier zitvlak pijn gaat doen.Volk.Elk, verder, die ingeschreven voor de militie is,1370Zal niet door invloeden van zijn plaats verwisselen,Maar zal ingeschreven blijven evenals voorheen.Worstverkooper(ter zijde).’t Zal spijten aan het handvatsel van Kleónymos.Volk.Geen baardelooze zal meer koopen op de markt.Worstverkooper.Waar moet dan voortaan Strato koopen en Klisthenes?Volk.1375’k Bedoel die heertjes, die steeds bij den kapper zijn,En die daar zittend converseeren zooals volgt:„Wat knappe vent die Phaeax, en wat leerd’ ie goed!”„Zijn argumenten, zijn conclusies zijn perfekt,”„Hij spreekt met geur, is een orateur en een charmeur,”1380„En op de meetings heeft hij nimmer een malheur.”Worstverkooper.Sla dien kerel op z’n achterste met z’n gezeur!Volk.’k Stuur al die heertjes nog veel liever op de jacht.En zal ze leeren af te laten van politiek.(Een slaaf brengt Volk een zetel)Worstverkooper.Wanneer dat waar is, neem dan dezen klapstoel aan,1385En een sterken jongen, die hem voor je dragen zal:Maak hem desnoods tot klapstoel zelf, wanneer je wilt.Volk.Ik zalige kom in mijn oude levenswijs!Worstverkooper.Door dat ik jou een wapenstilstand van dertig jaarIn levenden lijve aanbied. Wapenstilstand, hier!(Men brengt een kruik wijn)Volk.1390O groote Zeus! hoe heerlijk is dat, bij de goôn,Mag ik een aanval op dien wapenstilstand doen?(Worstverkooper geeft den oude de kruik)Waar haalde je dien vandaan?Worstverkooper.Waar haalde je dien vandaan?De PaphlagoniërHeeft die maar altijd binn’ in huis voor jou verstopt,Pak aan nu! moge de wapenstilstand spoedig gaan1395Naar ’t platteland!Volk.Naar ’t platteland!En zeg den Paphlagoniër,Die dat gedaan heeft, dat een strenge straf hem wacht.Worstverkooper.Die straf zal wezen dat hij mijn beroep erlangt;Alleen zal hij zijn beuling verkoopen voor de poort,Ook zal hij knoeien met ezel- en met hondenvleesch,1400En dronken zal hij met meiden aan het schelden gaan,En ’t water drinken, dat in de badkuip over is.Volk.Dat ’s goed bedacht, want zulk een loon heeft hij verdiend,De meiden en de badknechten—daar hoort hij bij.Jou daarentegen roep ik thans naar het stadhuis,1405En op dien zetel, waar hij zat, de galgebrok.Hier, neem dit groene feestkleed aan, en volg mij thans!⁂Breng hem naar buiten, toon hem zijn nieuw vak bovendien,Dat de vreemde, steeds door hem geplaagd, het ook mag zien!(Slaven sleepen den Paphlagoniër aan handen en voeten mee, die als beulingventer, in de kleeren van den Worstverkooper, naar buiten wordt gegooid. Agorákritos, in feestkleed, volgt met het koor meester Volk).Einde.

Negentiende tooneel.Volk, De Paphlagoniër, De Worstverkooper, Koor.Paphlagoniër(tot Worstverkooper)Ga naar de eeuwige zaligheid.Worstverkooper.Ga naar de eeuwige zaligheid.Jij, deugniet, eerst!Paphlagoniër.Heer Volk! ik ga hier zitten, want nu ben ik klaarOm jou, zooals ik allang begeerde, wèl te doen.Worstverkooper.En ik ben ook allanger dan lang daartoe bereid,1155Wel honderdmaal en duizendmalen langer dan lang.Volk.Ik wacht op jullie, en dat valt me vreeslijk lang,Want ik verafschuw al dat gedoe in mijn belang.Worstverkooper.Weet je wat je doen moet?Volk.Weet je wat je doen moet?Niet vóórdat jij ’t hebt gezegd.Worstverkooper.Laat mij en hem een wedstrijd doen van meet af aan,1160Wie jou het meeste weldoet.Volk.Wie jou het meeste weldoet.Goed, dat zal ik doen.Vooruit dan!Paphlagoniër en Worstverkooper.Vooruit dan!Kijk!(Ze loopen tegen elkaar, en komen niets verder)Volk.Vooruit dan! Kijk!Waarom loop je niet!Worstverkooper.Vooruit dan! Kijk! Waarom loop je niet!Je komt niet vooruit!(Hij stoot den Paphlagoniër terug).Volk(terzijde).Òf ’k heb vandaag door die twee minnaars een mooien dag,Òf ’k zal, bij Zeus, voor altijd naar den drommel gaan.Paphlagoniër.Maar zie je niet, dat ik het eerst j’ een zetel geef?Worstverkooper.1165Een zetel, maar geen tafel—dat doe ik het eerst!Paphlagoniër.Kijk hier dat lekker broodje dat ik breng voor jou,Dat geheel voor jou uit Pylische gerst gebakken is.Worstverkooper.Ik breng je uitgeholde kruimels, beste heer,Door de godin met ivoren handen zelf gehold.Volk.1170Wat is uw vinger groot geweest, o heerscheres!Paphlagoniër.Ik breng je snert van goede kleur en lekkren smaak,Die Pallas Pylosstrijdster zelf heeft omgeroerd.Worstverkooper.Heer Volk, ’t is duidelijk dat de godin je gunstig is,Door mijne hand biedt zij j’ een pot met lekkere saus.Volk.1175Geloof jij soms dat j’ in de stad nog wonen zoudt,Als zij niet duidlijk met haar pot ons gunstig was?Paphlagoniër.De Legerscharenverschrikster schenkt je dit brokje nog.Worstverkooper.De Sterkevadersdochter schenkt je gebraden vleesch,Een stukje pens, een stukje darm en een stukje maag.Volk.1180Dat ’s mooi, dat zij nog voor haar feestkleed dankbaar is.Paphlagoniër.De Helmbosfladderaarster biedt u dezen koek,Opdat de schepen voortaan glijden als een koek!Worstverkooper.Neem ook nog dit.Volk.Neem ook nog dit.Wat moet ik met die darmen doen?Worstverkooper.Die stukken zendt u de godin opzettelijk,1185Om als ribstukken bij de schepen dienst te doen,Want onze marine gaat haar blijkbaar aan het hart.Hier heb je nog wat om te drinken, tweederdewijn.Volk.Hoe heerlijk, Zeus! een godlijke drieëenigheid!Worstverkooper.De Drieontsprotene heeft van drieën één gemaakt!Paphlagoniër.1190Neem nu van mij een stukje aan van vetten koek.Worstverkooper.Van mij geen stukje, maar een heelen koek ineens.Paphlagoniër.Jij kan hem niet van haas doen smullen, dat kan ik.Worstverkooper.O jee, hoe kom ik aan een stukje lekkeren haas?M’n beste geest! bedenk nu toch een loozen streek.Paphlagoniër.1195Zie je dat, jou schurk der schurken?Worstverkooper.Zie je dat, jou schurk der schurken?’k Geef er weinig om,Want in de verte komen er lui, ik zie ze al,Het zijn gezanten met een welgevulde beurs.Paphlagoniër.Waar, waar?Worstverkooper.’t Raakt jou niet, laat de vreemden maar met rust.(Terwijl de Paphlagoniër kijkt, pakt de Worstverkooper de hazenpastei weg).M’n beste heer Volk, zie jij die mooie hazenpastei?Paphlagoniër(terugloopende).1200O jee, je hebt gestolen wat het mijne was!Worstverkooper.Jij hebt, bij de goôn, bij Pylos net als ik gedaan!Volk.Hoe kwam j’er toe te stelen, zeg mij dat eens gauw!Worstverkooper.Een god schonk mij de gedachte, en den diefstal ik.Paphlagoniër.Ik heb de kans geloopen, ik den haas gebraân.Volk.1205Ga jij maat weg! ik dank het hem, hij bracht hem mee!Paphlagoniër.Ik ongelukkige! Ik word overonbeschaamd!Worstverkooper.Kan je nòg niet onderscheiden, wie van beiden nuHet meest aan jou en aan je maag heeft welgedaan?Volk.Zeg nu, publiek, welk kenmerk ik gebruiken moet,1210Dat ’k in uw oogen een rechtvaardig oordeel vel!Worstverkooper.Ik zal ’t je zeggen. Neem in alle stilte maarMijn korf met spijzen, onderzoek wat daarin is,En wat in zijn korf is—dan is rechtvaardig wàt je beslist!Volk.Laat kijken, wat er in is.Worstverkooper.Laat kijken, wat er in is.Zie je niet, vaderlief,1215Dat de heele korf al leeg is? Alles gaf ’k aan jou!Volk.Dat is een korf die bij de volkspartij behoort!Worstverkooper.Kijk nu eens naar den korf van den Paphlagoniër,Zie je dat?Volk.Zie je dat?Mijn hemel, nù nog vol van lekkernij!Wat heeft hij daar een reuzenkoek apart gelegd!1220En wat een schijntje heeft hij afgestaan aan mij!Worstverkooper.Zoo heeft hij vroeger ook altijd met jou gedaan:Hij gaf je mee van ’t kleinste dat hij zelf ontving,En slokte zelf altijd de grootste brokken op.Volk.O schurk! die mij dus bedrogen en bestolen hebt!1225„En ik heb u met kransen en geschenk getooid!”Paphlagoniër.Wanneer ik stal, dan was ’t in ’t voordeel van den staat.Volk.Leg jij maar gauw je krans af, want ik dorst om hemDaarmee te sieren.Worstverkooper.Daarmee te sieren.Leg je krans af, galgebrok!Paphlagoniër.Dat doe ik niet, want ik bezit een Delfisch woord,1230Waarin voorspeld is wie alleen mij kan verslaan.Worstverkooper.Mijn naam wordt daarin al te duidelijk slechts genoemd.Paphlagoniër.Ik wil nu door bewijzen onderzoeken gaan,Of jij met die orakelspreuk wel wordt bedoeld.En daarom richt ik allereerst deez vraag aan u:1235Ben jij als kind bij iemand op de school geweest?Worstverkooper.In de varkenszengplaats ben ’k met vuisten grootgebracht.Paphlagoniër.Wat zeg je daar! ’t orakel brandt mij op de ziel.En wat voor sport heb jij beoefend op je school?Worstverkooper.Valsche eeden, stelen, en een onbeschoft gezicht.Paphlagoniër.1240O groote Febus Apollo, wat doet gij mij aan!Worstverkooper.Ik leerde worstverkoopen—en wat zwijnerij.Paphlagoniër.Helaas, helaas, het is voor goed met mij gedaan,Een heel klein hoopje is nog ’t ééne waar ’k op drijf.1245Zeg mij nu nog: verkocht jij beuling op de markt,Of heb je ’t altijd vóór de poort der stad gedaan?Worstverkooper.Wel, vóór de poort, want daar verkoopt men zoutevisch.Paphlagoniër.O hemel, juist was de voorspelling van den god!Verwijdert, dienaars! mij, den ongelukkige,1250O krans, ga blijde weg van mij, ofschoon ik uNiet willig loslaat: ’n ander wacht op uw bezit,Geen grooter dief, maar wel een man van méér geluk.(Legt zijn krans af)Worstverkooper.Hellenische Zeus, ù is de zege!(De slaven komen uit het huis)

Negentiende tooneel.Volk, De Paphlagoniër, De Worstverkooper, Koor.Paphlagoniër(tot Worstverkooper)Ga naar de eeuwige zaligheid.Worstverkooper.Ga naar de eeuwige zaligheid.Jij, deugniet, eerst!Paphlagoniër.Heer Volk! ik ga hier zitten, want nu ben ik klaarOm jou, zooals ik allang begeerde, wèl te doen.Worstverkooper.En ik ben ook allanger dan lang daartoe bereid,1155Wel honderdmaal en duizendmalen langer dan lang.Volk.Ik wacht op jullie, en dat valt me vreeslijk lang,Want ik verafschuw al dat gedoe in mijn belang.Worstverkooper.Weet je wat je doen moet?Volk.Weet je wat je doen moet?Niet vóórdat jij ’t hebt gezegd.Worstverkooper.Laat mij en hem een wedstrijd doen van meet af aan,1160Wie jou het meeste weldoet.Volk.Wie jou het meeste weldoet.Goed, dat zal ik doen.Vooruit dan!Paphlagoniër en Worstverkooper.Vooruit dan!Kijk!(Ze loopen tegen elkaar, en komen niets verder)Volk.Vooruit dan! Kijk!Waarom loop je niet!Worstverkooper.Vooruit dan! Kijk! Waarom loop je niet!Je komt niet vooruit!(Hij stoot den Paphlagoniër terug).Volk(terzijde).Òf ’k heb vandaag door die twee minnaars een mooien dag,Òf ’k zal, bij Zeus, voor altijd naar den drommel gaan.Paphlagoniër.Maar zie je niet, dat ik het eerst j’ een zetel geef?Worstverkooper.1165Een zetel, maar geen tafel—dat doe ik het eerst!Paphlagoniër.Kijk hier dat lekker broodje dat ik breng voor jou,Dat geheel voor jou uit Pylische gerst gebakken is.Worstverkooper.Ik breng je uitgeholde kruimels, beste heer,Door de godin met ivoren handen zelf gehold.Volk.1170Wat is uw vinger groot geweest, o heerscheres!Paphlagoniër.Ik breng je snert van goede kleur en lekkren smaak,Die Pallas Pylosstrijdster zelf heeft omgeroerd.Worstverkooper.Heer Volk, ’t is duidelijk dat de godin je gunstig is,Door mijne hand biedt zij j’ een pot met lekkere saus.Volk.1175Geloof jij soms dat j’ in de stad nog wonen zoudt,Als zij niet duidlijk met haar pot ons gunstig was?Paphlagoniër.De Legerscharenverschrikster schenkt je dit brokje nog.Worstverkooper.De Sterkevadersdochter schenkt je gebraden vleesch,Een stukje pens, een stukje darm en een stukje maag.Volk.1180Dat ’s mooi, dat zij nog voor haar feestkleed dankbaar is.Paphlagoniër.De Helmbosfladderaarster biedt u dezen koek,Opdat de schepen voortaan glijden als een koek!Worstverkooper.Neem ook nog dit.Volk.Neem ook nog dit.Wat moet ik met die darmen doen?Worstverkooper.Die stukken zendt u de godin opzettelijk,1185Om als ribstukken bij de schepen dienst te doen,Want onze marine gaat haar blijkbaar aan het hart.Hier heb je nog wat om te drinken, tweederdewijn.Volk.Hoe heerlijk, Zeus! een godlijke drieëenigheid!Worstverkooper.De Drieontsprotene heeft van drieën één gemaakt!Paphlagoniër.1190Neem nu van mij een stukje aan van vetten koek.Worstverkooper.Van mij geen stukje, maar een heelen koek ineens.Paphlagoniër.Jij kan hem niet van haas doen smullen, dat kan ik.Worstverkooper.O jee, hoe kom ik aan een stukje lekkeren haas?M’n beste geest! bedenk nu toch een loozen streek.Paphlagoniër.1195Zie je dat, jou schurk der schurken?Worstverkooper.Zie je dat, jou schurk der schurken?’k Geef er weinig om,Want in de verte komen er lui, ik zie ze al,Het zijn gezanten met een welgevulde beurs.Paphlagoniër.Waar, waar?Worstverkooper.’t Raakt jou niet, laat de vreemden maar met rust.(Terwijl de Paphlagoniër kijkt, pakt de Worstverkooper de hazenpastei weg).M’n beste heer Volk, zie jij die mooie hazenpastei?Paphlagoniër(terugloopende).1200O jee, je hebt gestolen wat het mijne was!Worstverkooper.Jij hebt, bij de goôn, bij Pylos net als ik gedaan!Volk.Hoe kwam j’er toe te stelen, zeg mij dat eens gauw!Worstverkooper.Een god schonk mij de gedachte, en den diefstal ik.Paphlagoniër.Ik heb de kans geloopen, ik den haas gebraân.Volk.1205Ga jij maat weg! ik dank het hem, hij bracht hem mee!Paphlagoniër.Ik ongelukkige! Ik word overonbeschaamd!Worstverkooper.Kan je nòg niet onderscheiden, wie van beiden nuHet meest aan jou en aan je maag heeft welgedaan?Volk.Zeg nu, publiek, welk kenmerk ik gebruiken moet,1210Dat ’k in uw oogen een rechtvaardig oordeel vel!Worstverkooper.Ik zal ’t je zeggen. Neem in alle stilte maarMijn korf met spijzen, onderzoek wat daarin is,En wat in zijn korf is—dan is rechtvaardig wàt je beslist!Volk.Laat kijken, wat er in is.Worstverkooper.Laat kijken, wat er in is.Zie je niet, vaderlief,1215Dat de heele korf al leeg is? Alles gaf ’k aan jou!Volk.Dat is een korf die bij de volkspartij behoort!Worstverkooper.Kijk nu eens naar den korf van den Paphlagoniër,Zie je dat?Volk.Zie je dat?Mijn hemel, nù nog vol van lekkernij!Wat heeft hij daar een reuzenkoek apart gelegd!1220En wat een schijntje heeft hij afgestaan aan mij!Worstverkooper.Zoo heeft hij vroeger ook altijd met jou gedaan:Hij gaf je mee van ’t kleinste dat hij zelf ontving,En slokte zelf altijd de grootste brokken op.Volk.O schurk! die mij dus bedrogen en bestolen hebt!1225„En ik heb u met kransen en geschenk getooid!”Paphlagoniër.Wanneer ik stal, dan was ’t in ’t voordeel van den staat.Volk.Leg jij maar gauw je krans af, want ik dorst om hemDaarmee te sieren.Worstverkooper.Daarmee te sieren.Leg je krans af, galgebrok!Paphlagoniër.Dat doe ik niet, want ik bezit een Delfisch woord,1230Waarin voorspeld is wie alleen mij kan verslaan.Worstverkooper.Mijn naam wordt daarin al te duidelijk slechts genoemd.Paphlagoniër.Ik wil nu door bewijzen onderzoeken gaan,Of jij met die orakelspreuk wel wordt bedoeld.En daarom richt ik allereerst deez vraag aan u:1235Ben jij als kind bij iemand op de school geweest?Worstverkooper.In de varkenszengplaats ben ’k met vuisten grootgebracht.Paphlagoniër.Wat zeg je daar! ’t orakel brandt mij op de ziel.En wat voor sport heb jij beoefend op je school?Worstverkooper.Valsche eeden, stelen, en een onbeschoft gezicht.Paphlagoniër.1240O groote Febus Apollo, wat doet gij mij aan!Worstverkooper.Ik leerde worstverkoopen—en wat zwijnerij.Paphlagoniër.Helaas, helaas, het is voor goed met mij gedaan,Een heel klein hoopje is nog ’t ééne waar ’k op drijf.1245Zeg mij nu nog: verkocht jij beuling op de markt,Of heb je ’t altijd vóór de poort der stad gedaan?Worstverkooper.Wel, vóór de poort, want daar verkoopt men zoutevisch.Paphlagoniër.O hemel, juist was de voorspelling van den god!Verwijdert, dienaars! mij, den ongelukkige,1250O krans, ga blijde weg van mij, ofschoon ik uNiet willig loslaat: ’n ander wacht op uw bezit,Geen grooter dief, maar wel een man van méér geluk.(Legt zijn krans af)Worstverkooper.Hellenische Zeus, ù is de zege!(De slaven komen uit het huis)

Volk, De Paphlagoniër, De Worstverkooper, Koor.

Paphlagoniër(tot Worstverkooper)Ga naar de eeuwige zaligheid.

Paphlagoniër

(tot Worstverkooper)

Ga naar de eeuwige zaligheid.

Worstverkooper.Ga naar de eeuwige zaligheid.Jij, deugniet, eerst!

Worstverkooper.

Ga naar de eeuwige zaligheid.Jij, deugniet, eerst!

Paphlagoniër.Heer Volk! ik ga hier zitten, want nu ben ik klaarOm jou, zooals ik allang begeerde, wèl te doen.

Paphlagoniër.

Heer Volk! ik ga hier zitten, want nu ben ik klaar

Om jou, zooals ik allang begeerde, wèl te doen.

Worstverkooper.En ik ben ook allanger dan lang daartoe bereid,1155Wel honderdmaal en duizendmalen langer dan lang.

Worstverkooper.

En ik ben ook allanger dan lang daartoe bereid,

1155Wel honderdmaal en duizendmalen langer dan lang.

Volk.Ik wacht op jullie, en dat valt me vreeslijk lang,Want ik verafschuw al dat gedoe in mijn belang.

Volk.

Ik wacht op jullie, en dat valt me vreeslijk lang,

Want ik verafschuw al dat gedoe in mijn belang.

Worstverkooper.Weet je wat je doen moet?

Worstverkooper.

Weet je wat je doen moet?

Volk.Weet je wat je doen moet?Niet vóórdat jij ’t hebt gezegd.

Volk.

Weet je wat je doen moet?Niet vóórdat jij ’t hebt gezegd.

Worstverkooper.Laat mij en hem een wedstrijd doen van meet af aan,1160Wie jou het meeste weldoet.

Worstverkooper.

Laat mij en hem een wedstrijd doen van meet af aan,

1160Wie jou het meeste weldoet.

Volk.Wie jou het meeste weldoet.Goed, dat zal ik doen.Vooruit dan!

Volk.

Wie jou het meeste weldoet.Goed, dat zal ik doen.

Vooruit dan!

Paphlagoniër en Worstverkooper.Vooruit dan!Kijk!

Paphlagoniër en Worstverkooper.

Vooruit dan!Kijk!

(Ze loopen tegen elkaar, en komen niets verder)

Volk.Vooruit dan! Kijk!Waarom loop je niet!

Volk.

Vooruit dan! Kijk!Waarom loop je niet!

Worstverkooper.Vooruit dan! Kijk! Waarom loop je niet!Je komt niet vooruit!

Worstverkooper.

Vooruit dan! Kijk! Waarom loop je niet!Je komt niet vooruit!

(Hij stoot den Paphlagoniër terug).

Volk(terzijde).Òf ’k heb vandaag door die twee minnaars een mooien dag,Òf ’k zal, bij Zeus, voor altijd naar den drommel gaan.

Volk

Òf ’k heb vandaag door die twee minnaars een mooien dag,

Òf ’k zal, bij Zeus, voor altijd naar den drommel gaan.

Paphlagoniër.Maar zie je niet, dat ik het eerst j’ een zetel geef?

Paphlagoniër.

Maar zie je niet, dat ik het eerst j’ een zetel geef?

Worstverkooper.1165Een zetel, maar geen tafel—dat doe ik het eerst!

Worstverkooper.

1165Een zetel, maar geen tafel—dat doe ik het eerst!

Paphlagoniër.Kijk hier dat lekker broodje dat ik breng voor jou,Dat geheel voor jou uit Pylische gerst gebakken is.

Paphlagoniër.

Kijk hier dat lekker broodje dat ik breng voor jou,

Dat geheel voor jou uit Pylische gerst gebakken is.

Worstverkooper.Ik breng je uitgeholde kruimels, beste heer,Door de godin met ivoren handen zelf gehold.

Worstverkooper.

Ik breng je uitgeholde kruimels, beste heer,

Door de godin met ivoren handen zelf gehold.

Volk.1170Wat is uw vinger groot geweest, o heerscheres!

Volk.

1170Wat is uw vinger groot geweest, o heerscheres!

Paphlagoniër.Ik breng je snert van goede kleur en lekkren smaak,Die Pallas Pylosstrijdster zelf heeft omgeroerd.

Paphlagoniër.

Ik breng je snert van goede kleur en lekkren smaak,

Die Pallas Pylosstrijdster zelf heeft omgeroerd.

Worstverkooper.Heer Volk, ’t is duidelijk dat de godin je gunstig is,Door mijne hand biedt zij j’ een pot met lekkere saus.

Worstverkooper.

Heer Volk, ’t is duidelijk dat de godin je gunstig is,

Door mijne hand biedt zij j’ een pot met lekkere saus.

Volk.1175Geloof jij soms dat j’ in de stad nog wonen zoudt,Als zij niet duidlijk met haar pot ons gunstig was?

Volk.

1175Geloof jij soms dat j’ in de stad nog wonen zoudt,

Als zij niet duidlijk met haar pot ons gunstig was?

Paphlagoniër.De Legerscharenverschrikster schenkt je dit brokje nog.

Paphlagoniër.

De Legerscharenverschrikster schenkt je dit brokje nog.

Worstverkooper.De Sterkevadersdochter schenkt je gebraden vleesch,Een stukje pens, een stukje darm en een stukje maag.

Worstverkooper.

De Sterkevadersdochter schenkt je gebraden vleesch,

Een stukje pens, een stukje darm en een stukje maag.

Volk.1180Dat ’s mooi, dat zij nog voor haar feestkleed dankbaar is.

Volk.

1180Dat ’s mooi, dat zij nog voor haar feestkleed dankbaar is.

Paphlagoniër.De Helmbosfladderaarster biedt u dezen koek,Opdat de schepen voortaan glijden als een koek!

Paphlagoniër.

De Helmbosfladderaarster biedt u dezen koek,

Opdat de schepen voortaan glijden als een koek!

Worstverkooper.Neem ook nog dit.

Worstverkooper.

Neem ook nog dit.

Volk.Neem ook nog dit.Wat moet ik met die darmen doen?

Volk.

Neem ook nog dit.Wat moet ik met die darmen doen?

Worstverkooper.Die stukken zendt u de godin opzettelijk,1185Om als ribstukken bij de schepen dienst te doen,Want onze marine gaat haar blijkbaar aan het hart.Hier heb je nog wat om te drinken, tweederdewijn.

Worstverkooper.

Die stukken zendt u de godin opzettelijk,

1185Om als ribstukken bij de schepen dienst te doen,

Want onze marine gaat haar blijkbaar aan het hart.

Hier heb je nog wat om te drinken, tweederdewijn.

Volk.Hoe heerlijk, Zeus! een godlijke drieëenigheid!

Volk.

Hoe heerlijk, Zeus! een godlijke drieëenigheid!

Worstverkooper.De Drieontsprotene heeft van drieën één gemaakt!

Worstverkooper.

De Drieontsprotene heeft van drieën één gemaakt!

Paphlagoniër.1190Neem nu van mij een stukje aan van vetten koek.

Paphlagoniër.

1190Neem nu van mij een stukje aan van vetten koek.

Worstverkooper.Van mij geen stukje, maar een heelen koek ineens.

Worstverkooper.

Van mij geen stukje, maar een heelen koek ineens.

Paphlagoniër.Jij kan hem niet van haas doen smullen, dat kan ik.

Paphlagoniër.

Jij kan hem niet van haas doen smullen, dat kan ik.

Worstverkooper.O jee, hoe kom ik aan een stukje lekkeren haas?M’n beste geest! bedenk nu toch een loozen streek.

Worstverkooper.

O jee, hoe kom ik aan een stukje lekkeren haas?

M’n beste geest! bedenk nu toch een loozen streek.

Paphlagoniër.1195Zie je dat, jou schurk der schurken?

Paphlagoniër.

1195Zie je dat, jou schurk der schurken?

Worstverkooper.Zie je dat, jou schurk der schurken?’k Geef er weinig om,Want in de verte komen er lui, ik zie ze al,Het zijn gezanten met een welgevulde beurs.

Worstverkooper.

Zie je dat, jou schurk der schurken?’k Geef er weinig om,

Want in de verte komen er lui, ik zie ze al,

Het zijn gezanten met een welgevulde beurs.

Paphlagoniër.Waar, waar?

Paphlagoniër.

Waar, waar?

Worstverkooper.’t Raakt jou niet, laat de vreemden maar met rust.(Terwijl de Paphlagoniër kijkt, pakt de Worstverkooper de hazenpastei weg).M’n beste heer Volk, zie jij die mooie hazenpastei?

Worstverkooper.

’t Raakt jou niet, laat de vreemden maar met rust.

(Terwijl de Paphlagoniër kijkt, pakt de Worstverkooper de hazenpastei weg).

M’n beste heer Volk, zie jij die mooie hazenpastei?

Paphlagoniër(terugloopende).1200O jee, je hebt gestolen wat het mijne was!

Paphlagoniër

1200O jee, je hebt gestolen wat het mijne was!

Worstverkooper.Jij hebt, bij de goôn, bij Pylos net als ik gedaan!

Worstverkooper.

Jij hebt, bij de goôn, bij Pylos net als ik gedaan!

Volk.Hoe kwam j’er toe te stelen, zeg mij dat eens gauw!

Volk.

Hoe kwam j’er toe te stelen, zeg mij dat eens gauw!

Worstverkooper.Een god schonk mij de gedachte, en den diefstal ik.

Worstverkooper.

Een god schonk mij de gedachte, en den diefstal ik.

Paphlagoniër.Ik heb de kans geloopen, ik den haas gebraân.

Paphlagoniër.

Ik heb de kans geloopen, ik den haas gebraân.

Volk.1205Ga jij maat weg! ik dank het hem, hij bracht hem mee!

Volk.

1205Ga jij maat weg! ik dank het hem, hij bracht hem mee!

Paphlagoniër.Ik ongelukkige! Ik word overonbeschaamd!

Paphlagoniër.

Ik ongelukkige! Ik word overonbeschaamd!

Worstverkooper.Kan je nòg niet onderscheiden, wie van beiden nuHet meest aan jou en aan je maag heeft welgedaan?

Worstverkooper.

Kan je nòg niet onderscheiden, wie van beiden nu

Het meest aan jou en aan je maag heeft welgedaan?

Volk.Zeg nu, publiek, welk kenmerk ik gebruiken moet,1210Dat ’k in uw oogen een rechtvaardig oordeel vel!

Volk.

Zeg nu, publiek, welk kenmerk ik gebruiken moet,

1210Dat ’k in uw oogen een rechtvaardig oordeel vel!

Worstverkooper.Ik zal ’t je zeggen. Neem in alle stilte maarMijn korf met spijzen, onderzoek wat daarin is,En wat in zijn korf is—dan is rechtvaardig wàt je beslist!

Worstverkooper.

Ik zal ’t je zeggen. Neem in alle stilte maar

Mijn korf met spijzen, onderzoek wat daarin is,

En wat in zijn korf is—dan is rechtvaardig wàt je beslist!

Volk.Laat kijken, wat er in is.

Volk.

Laat kijken, wat er in is.

Worstverkooper.Laat kijken, wat er in is.Zie je niet, vaderlief,1215Dat de heele korf al leeg is? Alles gaf ’k aan jou!

Worstverkooper.

Laat kijken, wat er in is.Zie je niet, vaderlief,

1215Dat de heele korf al leeg is? Alles gaf ’k aan jou!

Volk.Dat is een korf die bij de volkspartij behoort!

Volk.

Dat is een korf die bij de volkspartij behoort!

Worstverkooper.Kijk nu eens naar den korf van den Paphlagoniër,Zie je dat?

Worstverkooper.

Kijk nu eens naar den korf van den Paphlagoniër,

Zie je dat?

Volk.Zie je dat?Mijn hemel, nù nog vol van lekkernij!Wat heeft hij daar een reuzenkoek apart gelegd!1220En wat een schijntje heeft hij afgestaan aan mij!

Volk.

Zie je dat?Mijn hemel, nù nog vol van lekkernij!

Wat heeft hij daar een reuzenkoek apart gelegd!

1220En wat een schijntje heeft hij afgestaan aan mij!

Worstverkooper.Zoo heeft hij vroeger ook altijd met jou gedaan:Hij gaf je mee van ’t kleinste dat hij zelf ontving,En slokte zelf altijd de grootste brokken op.

Worstverkooper.

Zoo heeft hij vroeger ook altijd met jou gedaan:

Hij gaf je mee van ’t kleinste dat hij zelf ontving,

En slokte zelf altijd de grootste brokken op.

Volk.O schurk! die mij dus bedrogen en bestolen hebt!1225„En ik heb u met kransen en geschenk getooid!”

Volk.

O schurk! die mij dus bedrogen en bestolen hebt!

1225„En ik heb u met kransen en geschenk getooid!”

Paphlagoniër.Wanneer ik stal, dan was ’t in ’t voordeel van den staat.

Paphlagoniër.

Wanneer ik stal, dan was ’t in ’t voordeel van den staat.

Volk.Leg jij maar gauw je krans af, want ik dorst om hemDaarmee te sieren.

Volk.

Leg jij maar gauw je krans af, want ik dorst om hem

Daarmee te sieren.

Worstverkooper.Daarmee te sieren.Leg je krans af, galgebrok!

Worstverkooper.

Daarmee te sieren.Leg je krans af, galgebrok!

Paphlagoniër.Dat doe ik niet, want ik bezit een Delfisch woord,1230Waarin voorspeld is wie alleen mij kan verslaan.

Paphlagoniër.

Dat doe ik niet, want ik bezit een Delfisch woord,

1230Waarin voorspeld is wie alleen mij kan verslaan.

Worstverkooper.Mijn naam wordt daarin al te duidelijk slechts genoemd.

Worstverkooper.

Mijn naam wordt daarin al te duidelijk slechts genoemd.

Paphlagoniër.Ik wil nu door bewijzen onderzoeken gaan,Of jij met die orakelspreuk wel wordt bedoeld.En daarom richt ik allereerst deez vraag aan u:1235Ben jij als kind bij iemand op de school geweest?

Paphlagoniër.

Ik wil nu door bewijzen onderzoeken gaan,

Of jij met die orakelspreuk wel wordt bedoeld.

En daarom richt ik allereerst deez vraag aan u:

1235Ben jij als kind bij iemand op de school geweest?

Worstverkooper.In de varkenszengplaats ben ’k met vuisten grootgebracht.

Worstverkooper.

In de varkenszengplaats ben ’k met vuisten grootgebracht.

Paphlagoniër.Wat zeg je daar! ’t orakel brandt mij op de ziel.En wat voor sport heb jij beoefend op je school?

Paphlagoniër.

Wat zeg je daar! ’t orakel brandt mij op de ziel.

En wat voor sport heb jij beoefend op je school?

Worstverkooper.Valsche eeden, stelen, en een onbeschoft gezicht.

Worstverkooper.

Valsche eeden, stelen, en een onbeschoft gezicht.

Paphlagoniër.1240O groote Febus Apollo, wat doet gij mij aan!

Paphlagoniër.

1240O groote Febus Apollo, wat doet gij mij aan!

Worstverkooper.Ik leerde worstverkoopen—en wat zwijnerij.

Worstverkooper.

Ik leerde worstverkoopen—en wat zwijnerij.

Paphlagoniër.Helaas, helaas, het is voor goed met mij gedaan,Een heel klein hoopje is nog ’t ééne waar ’k op drijf.1245Zeg mij nu nog: verkocht jij beuling op de markt,Of heb je ’t altijd vóór de poort der stad gedaan?

Paphlagoniër.

Helaas, helaas, het is voor goed met mij gedaan,

Een heel klein hoopje is nog ’t ééne waar ’k op drijf.

1245Zeg mij nu nog: verkocht jij beuling op de markt,

Of heb je ’t altijd vóór de poort der stad gedaan?

Worstverkooper.Wel, vóór de poort, want daar verkoopt men zoutevisch.

Worstverkooper.

Wel, vóór de poort, want daar verkoopt men zoutevisch.

Paphlagoniër.O hemel, juist was de voorspelling van den god!Verwijdert, dienaars! mij, den ongelukkige,1250O krans, ga blijde weg van mij, ofschoon ik uNiet willig loslaat: ’n ander wacht op uw bezit,Geen grooter dief, maar wel een man van méér geluk.

Paphlagoniër.

O hemel, juist was de voorspelling van den god!

Verwijdert, dienaars! mij, den ongelukkige,

1250O krans, ga blijde weg van mij, ofschoon ik u

Niet willig loslaat: ’n ander wacht op uw bezit,

Geen grooter dief, maar wel een man van méér geluk.

(Legt zijn krans af)

Worstverkooper.Hellenische Zeus, ù is de zege!

Worstverkooper.

Hellenische Zeus, ù is de zege!

(De slaven komen uit het huis)

Twintigste tooneel.Dezelfden. Een slaaf. (Demosthenes).Slaaf.Heil u den overwinnaar, wees indachtig thans1255Dat gij door mij de zege behaaldet. ’k Vraag u slechtsOm als Phanos bij processen jouw griffier te zijn.Volk.En zeg mij nu hoe gij toch heet.Worstverkooper.En zeg mij nu hoe gij toch heet.Agorákritos,Want onder twisten op de markt ben ik opgevoed.Volk.Dan vertrouw ’k mij voortaan toe aan Agorákritos,1260En wil niets meer weten van dien Paphlagoniër.Worstverkooper.En ik zal heerlijk voor je zorgen, meester Volk,Zoodat j’ erkent dat niemand beter in de stadVan de Praateners ooit verschenen is dan ik.(Alle acteurs verlaten het tooneel)Koor.Wat is er schooner dan in den beginne1265Of aan het eind met vroolijken zinneDe temmers der brieschende rossen te zingen—En Thumantis, die geen haard kan krijgen,En Lysistratos te verzwijgen,Niet met een spotvers hen te bespringen?1270Hem, dien Apol altijd honger ziet lijden,Hem, die de hand langs zijn koker laat glijden,Weenend hem smeekt, of de godheid zijn lijdenNiet kan bedwingen?—(Toezang)Van de slechten kwaad te spreken werd door niemand ooit veracht,1275Eerbied eisch ik voor de goeden, als men ’t ware en recht betracht.Is in waarheid er een slechtaard, die verwijt en smaad verdient,Dan behandel ik hem nimmer, bij de goden, als mijn vriend.Niemand is er, waarde hoorders, die Arígnotos niet kent,Wie maar zwart kan onderscheiden, of—’t helklinkend instrument.1280Deze man bezit een broeder, hem in wezen ongelijk:De verloopen Ariphrádes, die met slechtheid loopt te kijk.Hij is niet alleen een slechtaard, want misschien ontging het mij,Niet alleen een aartsslampamper, maar hij vond nog dit er bij:Dat hij eigen lichaamsdeelen afstaat voor ontaard genot,1285En een beeld is der ontaarding midden in het hoerekot.Hij bezoedelt baard en lippen, altijd dierlijk, altijd los,Zingt uit Polymnéstes’ liedjes, frequenteert Oeónichos.Wie voor zoo’n verloopen kerel nu geen afschuw voelt en schrik,Wordt veroordeeld nooit te drinken uit hetzelfde glas als ik.(Tegenkoor)1290Dikwijls kwam mij in slaaplooze nachtenDe veelvraat Kleónymos in gedachten,Hoe lukt het hem altijd maar eten te krijgen?Hij spint altijd als een spin zijn webbeOm het eten en drinken van hen die het hebben,1295En hun tafel beschouwt hij maar als zijn eigen!En zij—zij bidden en smeeken zeer:„Op de knieën verzoek ik u, edel heer,„Verlaat mijn tafel toch dezen keer!”Doch vergeefs is hun dreigen.(Tweede Toezang)1300Men verhaalt, de drieriemschepen hielden eens vergadering,En dat een der oudste kielen toen aldus aan ’t spreken ging:„Dames! heb je niet vernomen waarvan heel de stad gewaagt?Iemand heeft pas voor Karthago honderd schepen aangevraagd.’t Is die slechtbefaamde burger, ’t is die zure Hypérbolos!”1305Toen de dames dat nu hoorden, brak een luid gemompel los,En één van de kielen, die nog door geen manlief was betreên,Riep: „de hemel moog mij bestaan, mij gebiedt hij nimmer, neen!Liever moge ik van den houtworm rotten tot mijn ouden dag!”Juffrouw Schepers zei hetzelfde: „neen, ik duld niet zijn gezag!”1310Niet voor niets ben ik getimmerd uit het kostbaar pijnboomhout!”Als d’ Atheners dàt besluiten, varen w’ allen, jong en oudNaar der Eumeniden tempel en naar Theseus’ godshuis heen,Want als wij maar kommandeeren fopt hij niet geheel Atheen;Laat hem naar den drommel zeilen, laat hem voor zijn kraaientocht1315Maar de bakken te water laten, waar hij zijn lampjes in verkocht.”

Twintigste tooneel.Dezelfden. Een slaaf. (Demosthenes).Slaaf.Heil u den overwinnaar, wees indachtig thans1255Dat gij door mij de zege behaaldet. ’k Vraag u slechtsOm als Phanos bij processen jouw griffier te zijn.Volk.En zeg mij nu hoe gij toch heet.Worstverkooper.En zeg mij nu hoe gij toch heet.Agorákritos,Want onder twisten op de markt ben ik opgevoed.Volk.Dan vertrouw ’k mij voortaan toe aan Agorákritos,1260En wil niets meer weten van dien Paphlagoniër.Worstverkooper.En ik zal heerlijk voor je zorgen, meester Volk,Zoodat j’ erkent dat niemand beter in de stadVan de Praateners ooit verschenen is dan ik.(Alle acteurs verlaten het tooneel)Koor.Wat is er schooner dan in den beginne1265Of aan het eind met vroolijken zinneDe temmers der brieschende rossen te zingen—En Thumantis, die geen haard kan krijgen,En Lysistratos te verzwijgen,Niet met een spotvers hen te bespringen?1270Hem, dien Apol altijd honger ziet lijden,Hem, die de hand langs zijn koker laat glijden,Weenend hem smeekt, of de godheid zijn lijdenNiet kan bedwingen?—(Toezang)Van de slechten kwaad te spreken werd door niemand ooit veracht,1275Eerbied eisch ik voor de goeden, als men ’t ware en recht betracht.Is in waarheid er een slechtaard, die verwijt en smaad verdient,Dan behandel ik hem nimmer, bij de goden, als mijn vriend.Niemand is er, waarde hoorders, die Arígnotos niet kent,Wie maar zwart kan onderscheiden, of—’t helklinkend instrument.1280Deze man bezit een broeder, hem in wezen ongelijk:De verloopen Ariphrádes, die met slechtheid loopt te kijk.Hij is niet alleen een slechtaard, want misschien ontging het mij,Niet alleen een aartsslampamper, maar hij vond nog dit er bij:Dat hij eigen lichaamsdeelen afstaat voor ontaard genot,1285En een beeld is der ontaarding midden in het hoerekot.Hij bezoedelt baard en lippen, altijd dierlijk, altijd los,Zingt uit Polymnéstes’ liedjes, frequenteert Oeónichos.Wie voor zoo’n verloopen kerel nu geen afschuw voelt en schrik,Wordt veroordeeld nooit te drinken uit hetzelfde glas als ik.(Tegenkoor)1290Dikwijls kwam mij in slaaplooze nachtenDe veelvraat Kleónymos in gedachten,Hoe lukt het hem altijd maar eten te krijgen?Hij spint altijd als een spin zijn webbeOm het eten en drinken van hen die het hebben,1295En hun tafel beschouwt hij maar als zijn eigen!En zij—zij bidden en smeeken zeer:„Op de knieën verzoek ik u, edel heer,„Verlaat mijn tafel toch dezen keer!”Doch vergeefs is hun dreigen.(Tweede Toezang)1300Men verhaalt, de drieriemschepen hielden eens vergadering,En dat een der oudste kielen toen aldus aan ’t spreken ging:„Dames! heb je niet vernomen waarvan heel de stad gewaagt?Iemand heeft pas voor Karthago honderd schepen aangevraagd.’t Is die slechtbefaamde burger, ’t is die zure Hypérbolos!”1305Toen de dames dat nu hoorden, brak een luid gemompel los,En één van de kielen, die nog door geen manlief was betreên,Riep: „de hemel moog mij bestaan, mij gebiedt hij nimmer, neen!Liever moge ik van den houtworm rotten tot mijn ouden dag!”Juffrouw Schepers zei hetzelfde: „neen, ik duld niet zijn gezag!”1310Niet voor niets ben ik getimmerd uit het kostbaar pijnboomhout!”Als d’ Atheners dàt besluiten, varen w’ allen, jong en oudNaar der Eumeniden tempel en naar Theseus’ godshuis heen,Want als wij maar kommandeeren fopt hij niet geheel Atheen;Laat hem naar den drommel zeilen, laat hem voor zijn kraaientocht1315Maar de bakken te water laten, waar hij zijn lampjes in verkocht.”

Dezelfden. Een slaaf. (Demosthenes).

Slaaf.Heil u den overwinnaar, wees indachtig thans1255Dat gij door mij de zege behaaldet. ’k Vraag u slechtsOm als Phanos bij processen jouw griffier te zijn.

Slaaf.

Heil u den overwinnaar, wees indachtig thans

1255Dat gij door mij de zege behaaldet. ’k Vraag u slechts

Om als Phanos bij processen jouw griffier te zijn.

Volk.En zeg mij nu hoe gij toch heet.

Volk.

En zeg mij nu hoe gij toch heet.

Worstverkooper.En zeg mij nu hoe gij toch heet.Agorákritos,Want onder twisten op de markt ben ik opgevoed.

Worstverkooper.

En zeg mij nu hoe gij toch heet.Agorákritos,

Want onder twisten op de markt ben ik opgevoed.

Volk.Dan vertrouw ’k mij voortaan toe aan Agorákritos,1260En wil niets meer weten van dien Paphlagoniër.

Volk.

Dan vertrouw ’k mij voortaan toe aan Agorákritos,

1260En wil niets meer weten van dien Paphlagoniër.

Worstverkooper.En ik zal heerlijk voor je zorgen, meester Volk,Zoodat j’ erkent dat niemand beter in de stadVan de Praateners ooit verschenen is dan ik.

Worstverkooper.

En ik zal heerlijk voor je zorgen, meester Volk,

Zoodat j’ erkent dat niemand beter in de stad

Van de Praateners ooit verschenen is dan ik.

(Alle acteurs verlaten het tooneel)

Koor.Wat is er schooner dan in den beginne1265Of aan het eind met vroolijken zinneDe temmers der brieschende rossen te zingen—En Thumantis, die geen haard kan krijgen,En Lysistratos te verzwijgen,Niet met een spotvers hen te bespringen?1270Hem, dien Apol altijd honger ziet lijden,Hem, die de hand langs zijn koker laat glijden,Weenend hem smeekt, of de godheid zijn lijdenNiet kan bedwingen?—(Toezang)Van de slechten kwaad te spreken werd door niemand ooit veracht,1275Eerbied eisch ik voor de goeden, als men ’t ware en recht betracht.Is in waarheid er een slechtaard, die verwijt en smaad verdient,Dan behandel ik hem nimmer, bij de goden, als mijn vriend.Niemand is er, waarde hoorders, die Arígnotos niet kent,Wie maar zwart kan onderscheiden, of—’t helklinkend instrument.1280Deze man bezit een broeder, hem in wezen ongelijk:De verloopen Ariphrádes, die met slechtheid loopt te kijk.Hij is niet alleen een slechtaard, want misschien ontging het mij,Niet alleen een aartsslampamper, maar hij vond nog dit er bij:Dat hij eigen lichaamsdeelen afstaat voor ontaard genot,1285En een beeld is der ontaarding midden in het hoerekot.Hij bezoedelt baard en lippen, altijd dierlijk, altijd los,Zingt uit Polymnéstes’ liedjes, frequenteert Oeónichos.Wie voor zoo’n verloopen kerel nu geen afschuw voelt en schrik,Wordt veroordeeld nooit te drinken uit hetzelfde glas als ik.(Tegenkoor)1290Dikwijls kwam mij in slaaplooze nachtenDe veelvraat Kleónymos in gedachten,Hoe lukt het hem altijd maar eten te krijgen?Hij spint altijd als een spin zijn webbeOm het eten en drinken van hen die het hebben,1295En hun tafel beschouwt hij maar als zijn eigen!En zij—zij bidden en smeeken zeer:„Op de knieën verzoek ik u, edel heer,„Verlaat mijn tafel toch dezen keer!”Doch vergeefs is hun dreigen.(Tweede Toezang)1300Men verhaalt, de drieriemschepen hielden eens vergadering,En dat een der oudste kielen toen aldus aan ’t spreken ging:„Dames! heb je niet vernomen waarvan heel de stad gewaagt?Iemand heeft pas voor Karthago honderd schepen aangevraagd.’t Is die slechtbefaamde burger, ’t is die zure Hypérbolos!”1305Toen de dames dat nu hoorden, brak een luid gemompel los,En één van de kielen, die nog door geen manlief was betreên,Riep: „de hemel moog mij bestaan, mij gebiedt hij nimmer, neen!Liever moge ik van den houtworm rotten tot mijn ouden dag!”Juffrouw Schepers zei hetzelfde: „neen, ik duld niet zijn gezag!”1310Niet voor niets ben ik getimmerd uit het kostbaar pijnboomhout!”Als d’ Atheners dàt besluiten, varen w’ allen, jong en oudNaar der Eumeniden tempel en naar Theseus’ godshuis heen,Want als wij maar kommandeeren fopt hij niet geheel Atheen;Laat hem naar den drommel zeilen, laat hem voor zijn kraaientocht1315Maar de bakken te water laten, waar hij zijn lampjes in verkocht.”

Koor.

Wat is er schooner dan in den beginne

1265Of aan het eind met vroolijken zinne

De temmers der brieschende rossen te zingen—

En Thumantis, die geen haard kan krijgen,

En Lysistratos te verzwijgen,

Niet met een spotvers hen te bespringen?

1270Hem, dien Apol altijd honger ziet lijden,

Hem, die de hand langs zijn koker laat glijden,

Weenend hem smeekt, of de godheid zijn lijden

Niet kan bedwingen?—

(Toezang)

Van de slechten kwaad te spreken werd door niemand ooit veracht,

1275Eerbied eisch ik voor de goeden, als men ’t ware en recht betracht.

Is in waarheid er een slechtaard, die verwijt en smaad verdient,

Dan behandel ik hem nimmer, bij de goden, als mijn vriend.

Niemand is er, waarde hoorders, die Arígnotos niet kent,

Wie maar zwart kan onderscheiden, of—’t helklinkend instrument.

1280Deze man bezit een broeder, hem in wezen ongelijk:

De verloopen Ariphrádes, die met slechtheid loopt te kijk.

Hij is niet alleen een slechtaard, want misschien ontging het mij,

Niet alleen een aartsslampamper, maar hij vond nog dit er bij:

Dat hij eigen lichaamsdeelen afstaat voor ontaard genot,

1285En een beeld is der ontaarding midden in het hoerekot.

Hij bezoedelt baard en lippen, altijd dierlijk, altijd los,

Zingt uit Polymnéstes’ liedjes, frequenteert Oeónichos.

Wie voor zoo’n verloopen kerel nu geen afschuw voelt en schrik,

Wordt veroordeeld nooit te drinken uit hetzelfde glas als ik.

(Tegenkoor)

1290Dikwijls kwam mij in slaaplooze nachten

De veelvraat Kleónymos in gedachten,

Hoe lukt het hem altijd maar eten te krijgen?

Hij spint altijd als een spin zijn webbe

Om het eten en drinken van hen die het hebben,

1295En hun tafel beschouwt hij maar als zijn eigen!

En zij—zij bidden en smeeken zeer:

„Op de knieën verzoek ik u, edel heer,

„Verlaat mijn tafel toch dezen keer!”

Doch vergeefs is hun dreigen.

(Tweede Toezang)

1300Men verhaalt, de drieriemschepen hielden eens vergadering,

En dat een der oudste kielen toen aldus aan ’t spreken ging:

„Dames! heb je niet vernomen waarvan heel de stad gewaagt?

Iemand heeft pas voor Karthago honderd schepen aangevraagd.

’t Is die slechtbefaamde burger, ’t is die zure Hypérbolos!”

1305Toen de dames dat nu hoorden, brak een luid gemompel los,

En één van de kielen, die nog door geen manlief was betreên,

Riep: „de hemel moog mij bestaan, mij gebiedt hij nimmer, neen!

Liever moge ik van den houtworm rotten tot mijn ouden dag!”

Juffrouw Schepers zei hetzelfde: „neen, ik duld niet zijn gezag!”

1310Niet voor niets ben ik getimmerd uit het kostbaar pijnboomhout!”

Als d’ Atheners dàt besluiten, varen w’ allen, jong en oud

Naar der Eumeniden tempel en naar Theseus’ godshuis heen,

Want als wij maar kommandeeren fopt hij niet geheel Atheen;

Laat hem naar den drommel zeilen, laat hem voor zijn kraaientocht

1315Maar de bakken te water laten, waar hij zijn lampjes in verkocht.”

Een en twintigste tooneel.De worstverkooper. Het koor.Worstverkooper.Elk zwijge aandachtig en sluite den mond, weg met alle getuigenverhooren,Men sluite terstond alle rechtbanken ook, waarin deze stad zich verlustigt,En over ons onverhoopte geluk juich’ de heele schouwburg van blijdschap!Kooraanvoerder.O morgenlicht voor het heilig Atheen, o aller eilanden toevlucht,1320Wat brengt gij ons voor voorspoedig bericht, dat de straten zich vullen met vetdamp?Worstverkooper.Heer Volk heb ik door koken verjongd—van een leelijkert maakte ik een prachtvent.Kooraanvoerder.En waar is hij thans, o menschenvriend van bewonderenswaardige vinding?Worstverkooper.Hij woont in ons viooltjesbekranst, in ons oud eerwaardig Athene.Kooraanvoerder.Hoe hem te zien? hoe is hij gekleed? wat is hij voor kerel geworden?Worstverkooper.1325Zooals hij met Aristides eens, met Miltiades aanzat ten maaltijd,Aanschouwt hem zelf, want ik hoor reeds gedruisch van een plechtig geopende voorpoort.Juicht allen in koor bij het blijde gezicht van het oud eerwaardig Athene,Elks lofzang, ieders bewondering waard, waar het roemruchte Volk nu gaat wonen.Kooraanvoerder.O gezondheidstralend, viooltjesbekranst, en benijdenswaardig Athene,1330Toon ons wie nu over Hellas alleen en ook over dit land zal gebieden.

Een en twintigste tooneel.De worstverkooper. Het koor.Worstverkooper.Elk zwijge aandachtig en sluite den mond, weg met alle getuigenverhooren,Men sluite terstond alle rechtbanken ook, waarin deze stad zich verlustigt,En over ons onverhoopte geluk juich’ de heele schouwburg van blijdschap!Kooraanvoerder.O morgenlicht voor het heilig Atheen, o aller eilanden toevlucht,1320Wat brengt gij ons voor voorspoedig bericht, dat de straten zich vullen met vetdamp?Worstverkooper.Heer Volk heb ik door koken verjongd—van een leelijkert maakte ik een prachtvent.Kooraanvoerder.En waar is hij thans, o menschenvriend van bewonderenswaardige vinding?Worstverkooper.Hij woont in ons viooltjesbekranst, in ons oud eerwaardig Athene.Kooraanvoerder.Hoe hem te zien? hoe is hij gekleed? wat is hij voor kerel geworden?Worstverkooper.1325Zooals hij met Aristides eens, met Miltiades aanzat ten maaltijd,Aanschouwt hem zelf, want ik hoor reeds gedruisch van een plechtig geopende voorpoort.Juicht allen in koor bij het blijde gezicht van het oud eerwaardig Athene,Elks lofzang, ieders bewondering waard, waar het roemruchte Volk nu gaat wonen.Kooraanvoerder.O gezondheidstralend, viooltjesbekranst, en benijdenswaardig Athene,1330Toon ons wie nu over Hellas alleen en ook over dit land zal gebieden.

De worstverkooper. Het koor.

Worstverkooper.Elk zwijge aandachtig en sluite den mond, weg met alle getuigenverhooren,Men sluite terstond alle rechtbanken ook, waarin deze stad zich verlustigt,En over ons onverhoopte geluk juich’ de heele schouwburg van blijdschap!

Worstverkooper.

Elk zwijge aandachtig en sluite den mond, weg met alle getuigenverhooren,

Men sluite terstond alle rechtbanken ook, waarin deze stad zich verlustigt,

En over ons onverhoopte geluk juich’ de heele schouwburg van blijdschap!

Kooraanvoerder.O morgenlicht voor het heilig Atheen, o aller eilanden toevlucht,1320Wat brengt gij ons voor voorspoedig bericht, dat de straten zich vullen met vetdamp?

Kooraanvoerder.

O morgenlicht voor het heilig Atheen, o aller eilanden toevlucht,

1320Wat brengt gij ons voor voorspoedig bericht, dat de straten zich vullen met vetdamp?

Worstverkooper.Heer Volk heb ik door koken verjongd—van een leelijkert maakte ik een prachtvent.

Worstverkooper.

Heer Volk heb ik door koken verjongd—van een leelijkert maakte ik een prachtvent.

Kooraanvoerder.En waar is hij thans, o menschenvriend van bewonderenswaardige vinding?

Kooraanvoerder.

En waar is hij thans, o menschenvriend van bewonderenswaardige vinding?

Worstverkooper.Hij woont in ons viooltjesbekranst, in ons oud eerwaardig Athene.

Worstverkooper.

Hij woont in ons viooltjesbekranst, in ons oud eerwaardig Athene.

Kooraanvoerder.Hoe hem te zien? hoe is hij gekleed? wat is hij voor kerel geworden?

Kooraanvoerder.

Hoe hem te zien? hoe is hij gekleed? wat is hij voor kerel geworden?

Worstverkooper.1325Zooals hij met Aristides eens, met Miltiades aanzat ten maaltijd,Aanschouwt hem zelf, want ik hoor reeds gedruisch van een plechtig geopende voorpoort.Juicht allen in koor bij het blijde gezicht van het oud eerwaardig Athene,Elks lofzang, ieders bewondering waard, waar het roemruchte Volk nu gaat wonen.

Worstverkooper.

1325Zooals hij met Aristides eens, met Miltiades aanzat ten maaltijd,

Aanschouwt hem zelf, want ik hoor reeds gedruisch van een plechtig geopende voorpoort.

Juicht allen in koor bij het blijde gezicht van het oud eerwaardig Athene,

Elks lofzang, ieders bewondering waard, waar het roemruchte Volk nu gaat wonen.

Kooraanvoerder.O gezondheidstralend, viooltjesbekranst, en benijdenswaardig Athene,1330Toon ons wie nu over Hellas alleen en ook over dit land zal gebieden.

Kooraanvoerder.

O gezondheidstralend, viooltjesbekranst, en benijdenswaardig Athene,

1330Toon ons wie nu over Hellas alleen en ook over dit land zal gebieden.

Twee en twintigste tooneel.Dezelfden. Volk.Worstverkooper.Daar is hij te zien, met een krekel getooid, vol geschitter naar d’oude gestalte,Naar wapenstilstand, niet slakken riekt hij, als gezalfd met de heerlijkste myrre.Kooraanvoerder.Heil u, der Hellenen koning voortaan! want wij deelen van harte in uw blijdschap,Gij handelt zooals het betaamt aan den staat, en aan Marathon’s zegetrofeeën!Volk.1335O liefste mij der mannen, kom, Agorákritos!(de Worstverkooper nadert)Wat deedt gij goed met uw verjongingskuur!Worstverkooper.Wat deedt gij goed met uw verjongingskuur!Wat? ik?M’n beste man, je weet niet hoe je vroeger was,En wat je deed—je hieldt mij anders voor een god.Volk.Wat deed ik dan vroeger, en hoe was ik vroeger dan?Worstverkooper.1340Wel, vroeger, als men zei in de volksvergadering:„O Volk, ik houd zooveel van jou, van jou alleen,„Ik wil voor je zorgen, ik alleen ben j’ echte vriend,”Als iemand met die praatjes aan zijn speech begon,Dan stak je je kuif op, toonde je horens—Volk.Dan stak je je kuif op, toonde je horens—Deed ik dat?Worstverkooper.1345En met zulke woorden werd je telkens wéér bedot.Volk.Wat zeg je, dat gebeurde, en ik merkte ’t niet?Worstverkooper.Omdat, bij Zeus, je ooren als een zonneschermTe zamen klapten en zich dan weer openden!Volk.Was ik zoo dom, zoo’n onbedachtzame ouweheer?Worstverkooper.1350En als er een stel redenaars aan ’t spreken was,En d’ een voor oorlogsschepen pleitte—d’ andereVoor staatsgeld aan salarissen—wist de ééne manZijn vijand te overtroeven, en kneep daadlijk uit.(Volk geeft teekens van schaamte)Zeg, waarom bukt g’ u? blijft ge niet zooals ge waart?Volk.1355Ik schaam mij voor de verkeerde daden van voorheen.Worstverkooper.Dat was ùw schuld niet, heb daarover maar geen zorg,Dat deden zij die u bedrogen. Zeg me nu:Wanneer een schurk van een aanklager nu tot u zegt:„Je zult geen brood meer hebben, heeren rechters, hoor,1360„Wanneer je niet dat vonnis velt zooals ik wil.”Wat zal je doen met zulk een valschen beschuldiger?Volk.Ik til hem op, en gooi hem in den afgrond neer,En aan zijn nek mag slingeren—Hypérbolos.Worstverkooper.Dat is verstandig, dat ’s nu eens naar recht gezeid!1365Vertel nù, wat je verdere politiek zal zijn.Volk.Ten eerste betaal ik, wie op oorlogsschepen dient,En van den tocht terugkeert, het volledig loon.Worstverkooper.Dat geeft pleizier aan velen, wier zitvlak pijn gaat doen.Volk.Elk, verder, die ingeschreven voor de militie is,1370Zal niet door invloeden van zijn plaats verwisselen,Maar zal ingeschreven blijven evenals voorheen.Worstverkooper(ter zijde).’t Zal spijten aan het handvatsel van Kleónymos.Volk.Geen baardelooze zal meer koopen op de markt.Worstverkooper.Waar moet dan voortaan Strato koopen en Klisthenes?Volk.1375’k Bedoel die heertjes, die steeds bij den kapper zijn,En die daar zittend converseeren zooals volgt:„Wat knappe vent die Phaeax, en wat leerd’ ie goed!”„Zijn argumenten, zijn conclusies zijn perfekt,”„Hij spreekt met geur, is een orateur en een charmeur,”1380„En op de meetings heeft hij nimmer een malheur.”Worstverkooper.Sla dien kerel op z’n achterste met z’n gezeur!Volk.’k Stuur al die heertjes nog veel liever op de jacht.En zal ze leeren af te laten van politiek.(Een slaaf brengt Volk een zetel)Worstverkooper.Wanneer dat waar is, neem dan dezen klapstoel aan,1385En een sterken jongen, die hem voor je dragen zal:Maak hem desnoods tot klapstoel zelf, wanneer je wilt.Volk.Ik zalige kom in mijn oude levenswijs!Worstverkooper.Door dat ik jou een wapenstilstand van dertig jaarIn levenden lijve aanbied. Wapenstilstand, hier!(Men brengt een kruik wijn)Volk.1390O groote Zeus! hoe heerlijk is dat, bij de goôn,Mag ik een aanval op dien wapenstilstand doen?(Worstverkooper geeft den oude de kruik)Waar haalde je dien vandaan?Worstverkooper.Waar haalde je dien vandaan?De PaphlagoniërHeeft die maar altijd binn’ in huis voor jou verstopt,Pak aan nu! moge de wapenstilstand spoedig gaan1395Naar ’t platteland!Volk.Naar ’t platteland!En zeg den Paphlagoniër,Die dat gedaan heeft, dat een strenge straf hem wacht.Worstverkooper.Die straf zal wezen dat hij mijn beroep erlangt;Alleen zal hij zijn beuling verkoopen voor de poort,Ook zal hij knoeien met ezel- en met hondenvleesch,1400En dronken zal hij met meiden aan het schelden gaan,En ’t water drinken, dat in de badkuip over is.Volk.Dat ’s goed bedacht, want zulk een loon heeft hij verdiend,De meiden en de badknechten—daar hoort hij bij.Jou daarentegen roep ik thans naar het stadhuis,1405En op dien zetel, waar hij zat, de galgebrok.Hier, neem dit groene feestkleed aan, en volg mij thans!⁂Breng hem naar buiten, toon hem zijn nieuw vak bovendien,Dat de vreemde, steeds door hem geplaagd, het ook mag zien!(Slaven sleepen den Paphlagoniër aan handen en voeten mee, die als beulingventer, in de kleeren van den Worstverkooper, naar buiten wordt gegooid. Agorákritos, in feestkleed, volgt met het koor meester Volk).Einde.

Twee en twintigste tooneel.Dezelfden. Volk.Worstverkooper.Daar is hij te zien, met een krekel getooid, vol geschitter naar d’oude gestalte,Naar wapenstilstand, niet slakken riekt hij, als gezalfd met de heerlijkste myrre.Kooraanvoerder.Heil u, der Hellenen koning voortaan! want wij deelen van harte in uw blijdschap,Gij handelt zooals het betaamt aan den staat, en aan Marathon’s zegetrofeeën!Volk.1335O liefste mij der mannen, kom, Agorákritos!(de Worstverkooper nadert)Wat deedt gij goed met uw verjongingskuur!Worstverkooper.Wat deedt gij goed met uw verjongingskuur!Wat? ik?M’n beste man, je weet niet hoe je vroeger was,En wat je deed—je hieldt mij anders voor een god.Volk.Wat deed ik dan vroeger, en hoe was ik vroeger dan?Worstverkooper.1340Wel, vroeger, als men zei in de volksvergadering:„O Volk, ik houd zooveel van jou, van jou alleen,„Ik wil voor je zorgen, ik alleen ben j’ echte vriend,”Als iemand met die praatjes aan zijn speech begon,Dan stak je je kuif op, toonde je horens—Volk.Dan stak je je kuif op, toonde je horens—Deed ik dat?Worstverkooper.1345En met zulke woorden werd je telkens wéér bedot.Volk.Wat zeg je, dat gebeurde, en ik merkte ’t niet?Worstverkooper.Omdat, bij Zeus, je ooren als een zonneschermTe zamen klapten en zich dan weer openden!Volk.Was ik zoo dom, zoo’n onbedachtzame ouweheer?Worstverkooper.1350En als er een stel redenaars aan ’t spreken was,En d’ een voor oorlogsschepen pleitte—d’ andereVoor staatsgeld aan salarissen—wist de ééne manZijn vijand te overtroeven, en kneep daadlijk uit.(Volk geeft teekens van schaamte)Zeg, waarom bukt g’ u? blijft ge niet zooals ge waart?Volk.1355Ik schaam mij voor de verkeerde daden van voorheen.Worstverkooper.Dat was ùw schuld niet, heb daarover maar geen zorg,Dat deden zij die u bedrogen. Zeg me nu:Wanneer een schurk van een aanklager nu tot u zegt:„Je zult geen brood meer hebben, heeren rechters, hoor,1360„Wanneer je niet dat vonnis velt zooals ik wil.”Wat zal je doen met zulk een valschen beschuldiger?Volk.Ik til hem op, en gooi hem in den afgrond neer,En aan zijn nek mag slingeren—Hypérbolos.Worstverkooper.Dat is verstandig, dat ’s nu eens naar recht gezeid!1365Vertel nù, wat je verdere politiek zal zijn.Volk.Ten eerste betaal ik, wie op oorlogsschepen dient,En van den tocht terugkeert, het volledig loon.Worstverkooper.Dat geeft pleizier aan velen, wier zitvlak pijn gaat doen.Volk.Elk, verder, die ingeschreven voor de militie is,1370Zal niet door invloeden van zijn plaats verwisselen,Maar zal ingeschreven blijven evenals voorheen.Worstverkooper(ter zijde).’t Zal spijten aan het handvatsel van Kleónymos.Volk.Geen baardelooze zal meer koopen op de markt.Worstverkooper.Waar moet dan voortaan Strato koopen en Klisthenes?Volk.1375’k Bedoel die heertjes, die steeds bij den kapper zijn,En die daar zittend converseeren zooals volgt:„Wat knappe vent die Phaeax, en wat leerd’ ie goed!”„Zijn argumenten, zijn conclusies zijn perfekt,”„Hij spreekt met geur, is een orateur en een charmeur,”1380„En op de meetings heeft hij nimmer een malheur.”Worstverkooper.Sla dien kerel op z’n achterste met z’n gezeur!Volk.’k Stuur al die heertjes nog veel liever op de jacht.En zal ze leeren af te laten van politiek.(Een slaaf brengt Volk een zetel)Worstverkooper.Wanneer dat waar is, neem dan dezen klapstoel aan,1385En een sterken jongen, die hem voor je dragen zal:Maak hem desnoods tot klapstoel zelf, wanneer je wilt.Volk.Ik zalige kom in mijn oude levenswijs!Worstverkooper.Door dat ik jou een wapenstilstand van dertig jaarIn levenden lijve aanbied. Wapenstilstand, hier!(Men brengt een kruik wijn)Volk.1390O groote Zeus! hoe heerlijk is dat, bij de goôn,Mag ik een aanval op dien wapenstilstand doen?(Worstverkooper geeft den oude de kruik)Waar haalde je dien vandaan?Worstverkooper.Waar haalde je dien vandaan?De PaphlagoniërHeeft die maar altijd binn’ in huis voor jou verstopt,Pak aan nu! moge de wapenstilstand spoedig gaan1395Naar ’t platteland!Volk.Naar ’t platteland!En zeg den Paphlagoniër,Die dat gedaan heeft, dat een strenge straf hem wacht.Worstverkooper.Die straf zal wezen dat hij mijn beroep erlangt;Alleen zal hij zijn beuling verkoopen voor de poort,Ook zal hij knoeien met ezel- en met hondenvleesch,1400En dronken zal hij met meiden aan het schelden gaan,En ’t water drinken, dat in de badkuip over is.Volk.Dat ’s goed bedacht, want zulk een loon heeft hij verdiend,De meiden en de badknechten—daar hoort hij bij.Jou daarentegen roep ik thans naar het stadhuis,1405En op dien zetel, waar hij zat, de galgebrok.Hier, neem dit groene feestkleed aan, en volg mij thans!⁂Breng hem naar buiten, toon hem zijn nieuw vak bovendien,Dat de vreemde, steeds door hem geplaagd, het ook mag zien!(Slaven sleepen den Paphlagoniër aan handen en voeten mee, die als beulingventer, in de kleeren van den Worstverkooper, naar buiten wordt gegooid. Agorákritos, in feestkleed, volgt met het koor meester Volk).Einde.

Dezelfden. Volk.

Worstverkooper.Daar is hij te zien, met een krekel getooid, vol geschitter naar d’oude gestalte,Naar wapenstilstand, niet slakken riekt hij, als gezalfd met de heerlijkste myrre.

Worstverkooper.

Daar is hij te zien, met een krekel getooid, vol geschitter naar d’oude gestalte,

Naar wapenstilstand, niet slakken riekt hij, als gezalfd met de heerlijkste myrre.

Kooraanvoerder.Heil u, der Hellenen koning voortaan! want wij deelen van harte in uw blijdschap,Gij handelt zooals het betaamt aan den staat, en aan Marathon’s zegetrofeeën!

Kooraanvoerder.

Heil u, der Hellenen koning voortaan! want wij deelen van harte in uw blijdschap,

Gij handelt zooals het betaamt aan den staat, en aan Marathon’s zegetrofeeën!

Volk.1335O liefste mij der mannen, kom, Agorákritos!(de Worstverkooper nadert)Wat deedt gij goed met uw verjongingskuur!

Volk.

1335O liefste mij der mannen, kom, Agorákritos!

(de Worstverkooper nadert)

Wat deedt gij goed met uw verjongingskuur!

Worstverkooper.Wat deedt gij goed met uw verjongingskuur!Wat? ik?M’n beste man, je weet niet hoe je vroeger was,En wat je deed—je hieldt mij anders voor een god.

Worstverkooper.

Wat deedt gij goed met uw verjongingskuur!Wat? ik?

M’n beste man, je weet niet hoe je vroeger was,

En wat je deed—je hieldt mij anders voor een god.

Volk.Wat deed ik dan vroeger, en hoe was ik vroeger dan?

Volk.

Wat deed ik dan vroeger, en hoe was ik vroeger dan?

Worstverkooper.1340Wel, vroeger, als men zei in de volksvergadering:„O Volk, ik houd zooveel van jou, van jou alleen,„Ik wil voor je zorgen, ik alleen ben j’ echte vriend,”Als iemand met die praatjes aan zijn speech begon,Dan stak je je kuif op, toonde je horens—

Worstverkooper.

1340Wel, vroeger, als men zei in de volksvergadering:

„O Volk, ik houd zooveel van jou, van jou alleen,

„Ik wil voor je zorgen, ik alleen ben j’ echte vriend,”

Als iemand met die praatjes aan zijn speech begon,

Dan stak je je kuif op, toonde je horens—

Volk.Dan stak je je kuif op, toonde je horens—Deed ik dat?

Volk.

Dan stak je je kuif op, toonde je horens—Deed ik dat?

Worstverkooper.1345En met zulke woorden werd je telkens wéér bedot.

Worstverkooper.

1345En met zulke woorden werd je telkens wéér bedot.

Volk.Wat zeg je, dat gebeurde, en ik merkte ’t niet?

Volk.

Wat zeg je, dat gebeurde, en ik merkte ’t niet?

Worstverkooper.Omdat, bij Zeus, je ooren als een zonneschermTe zamen klapten en zich dan weer openden!

Worstverkooper.

Omdat, bij Zeus, je ooren als een zonnescherm

Te zamen klapten en zich dan weer openden!

Volk.Was ik zoo dom, zoo’n onbedachtzame ouweheer?

Volk.

Was ik zoo dom, zoo’n onbedachtzame ouweheer?

Worstverkooper.1350En als er een stel redenaars aan ’t spreken was,En d’ een voor oorlogsschepen pleitte—d’ andereVoor staatsgeld aan salarissen—wist de ééne manZijn vijand te overtroeven, en kneep daadlijk uit.(Volk geeft teekens van schaamte)Zeg, waarom bukt g’ u? blijft ge niet zooals ge waart?

Worstverkooper.

1350En als er een stel redenaars aan ’t spreken was,

En d’ een voor oorlogsschepen pleitte—d’ andere

Voor staatsgeld aan salarissen—wist de ééne man

Zijn vijand te overtroeven, en kneep daadlijk uit.

(Volk geeft teekens van schaamte)

Zeg, waarom bukt g’ u? blijft ge niet zooals ge waart?

Volk.1355Ik schaam mij voor de verkeerde daden van voorheen.

Volk.

1355Ik schaam mij voor de verkeerde daden van voorheen.

Worstverkooper.Dat was ùw schuld niet, heb daarover maar geen zorg,Dat deden zij die u bedrogen. Zeg me nu:Wanneer een schurk van een aanklager nu tot u zegt:„Je zult geen brood meer hebben, heeren rechters, hoor,1360„Wanneer je niet dat vonnis velt zooals ik wil.”Wat zal je doen met zulk een valschen beschuldiger?

Worstverkooper.

Dat was ùw schuld niet, heb daarover maar geen zorg,

Dat deden zij die u bedrogen. Zeg me nu:

Wanneer een schurk van een aanklager nu tot u zegt:

„Je zult geen brood meer hebben, heeren rechters, hoor,

1360„Wanneer je niet dat vonnis velt zooals ik wil.”

Wat zal je doen met zulk een valschen beschuldiger?

Volk.Ik til hem op, en gooi hem in den afgrond neer,En aan zijn nek mag slingeren—Hypérbolos.

Volk.

Ik til hem op, en gooi hem in den afgrond neer,

En aan zijn nek mag slingeren—Hypérbolos.

Worstverkooper.Dat is verstandig, dat ’s nu eens naar recht gezeid!1365Vertel nù, wat je verdere politiek zal zijn.

Worstverkooper.

Dat is verstandig, dat ’s nu eens naar recht gezeid!

1365Vertel nù, wat je verdere politiek zal zijn.

Volk.Ten eerste betaal ik, wie op oorlogsschepen dient,En van den tocht terugkeert, het volledig loon.

Volk.

Ten eerste betaal ik, wie op oorlogsschepen dient,

En van den tocht terugkeert, het volledig loon.

Worstverkooper.Dat geeft pleizier aan velen, wier zitvlak pijn gaat doen.

Worstverkooper.

Dat geeft pleizier aan velen, wier zitvlak pijn gaat doen.

Volk.Elk, verder, die ingeschreven voor de militie is,1370Zal niet door invloeden van zijn plaats verwisselen,Maar zal ingeschreven blijven evenals voorheen.

Volk.

Elk, verder, die ingeschreven voor de militie is,

1370Zal niet door invloeden van zijn plaats verwisselen,

Maar zal ingeschreven blijven evenals voorheen.

Worstverkooper(ter zijde).’t Zal spijten aan het handvatsel van Kleónymos.

Worstverkooper

’t Zal spijten aan het handvatsel van Kleónymos.

Volk.Geen baardelooze zal meer koopen op de markt.

Volk.

Geen baardelooze zal meer koopen op de markt.

Worstverkooper.Waar moet dan voortaan Strato koopen en Klisthenes?

Worstverkooper.

Waar moet dan voortaan Strato koopen en Klisthenes?

Volk.1375’k Bedoel die heertjes, die steeds bij den kapper zijn,En die daar zittend converseeren zooals volgt:„Wat knappe vent die Phaeax, en wat leerd’ ie goed!”„Zijn argumenten, zijn conclusies zijn perfekt,”„Hij spreekt met geur, is een orateur en een charmeur,”1380„En op de meetings heeft hij nimmer een malheur.”

Volk.

1375’k Bedoel die heertjes, die steeds bij den kapper zijn,

En die daar zittend converseeren zooals volgt:

„Wat knappe vent die Phaeax, en wat leerd’ ie goed!”

„Zijn argumenten, zijn conclusies zijn perfekt,”

„Hij spreekt met geur, is een orateur en een charmeur,”

1380„En op de meetings heeft hij nimmer een malheur.”

Worstverkooper.Sla dien kerel op z’n achterste met z’n gezeur!

Worstverkooper.

Sla dien kerel op z’n achterste met z’n gezeur!

Volk.’k Stuur al die heertjes nog veel liever op de jacht.En zal ze leeren af te laten van politiek.

Volk.

’k Stuur al die heertjes nog veel liever op de jacht.

En zal ze leeren af te laten van politiek.

(Een slaaf brengt Volk een zetel)

Worstverkooper.Wanneer dat waar is, neem dan dezen klapstoel aan,1385En een sterken jongen, die hem voor je dragen zal:Maak hem desnoods tot klapstoel zelf, wanneer je wilt.

Worstverkooper.

Wanneer dat waar is, neem dan dezen klapstoel aan,

1385En een sterken jongen, die hem voor je dragen zal:

Maak hem desnoods tot klapstoel zelf, wanneer je wilt.

Volk.Ik zalige kom in mijn oude levenswijs!

Volk.

Ik zalige kom in mijn oude levenswijs!

Worstverkooper.Door dat ik jou een wapenstilstand van dertig jaarIn levenden lijve aanbied. Wapenstilstand, hier!

Worstverkooper.

Door dat ik jou een wapenstilstand van dertig jaar

In levenden lijve aanbied. Wapenstilstand, hier!

(Men brengt een kruik wijn)

Volk.1390O groote Zeus! hoe heerlijk is dat, bij de goôn,Mag ik een aanval op dien wapenstilstand doen?(Worstverkooper geeft den oude de kruik)Waar haalde je dien vandaan?

Volk.

1390O groote Zeus! hoe heerlijk is dat, bij de goôn,

Mag ik een aanval op dien wapenstilstand doen?

(Worstverkooper geeft den oude de kruik)

Waar haalde je dien vandaan?

Worstverkooper.Waar haalde je dien vandaan?De PaphlagoniërHeeft die maar altijd binn’ in huis voor jou verstopt,Pak aan nu! moge de wapenstilstand spoedig gaan1395Naar ’t platteland!

Worstverkooper.

Waar haalde je dien vandaan?De Paphlagoniër

Heeft die maar altijd binn’ in huis voor jou verstopt,

Pak aan nu! moge de wapenstilstand spoedig gaan

1395Naar ’t platteland!

Volk.Naar ’t platteland!En zeg den Paphlagoniër,Die dat gedaan heeft, dat een strenge straf hem wacht.

Volk.

Naar ’t platteland!En zeg den Paphlagoniër,

Die dat gedaan heeft, dat een strenge straf hem wacht.

Worstverkooper.Die straf zal wezen dat hij mijn beroep erlangt;Alleen zal hij zijn beuling verkoopen voor de poort,Ook zal hij knoeien met ezel- en met hondenvleesch,1400En dronken zal hij met meiden aan het schelden gaan,En ’t water drinken, dat in de badkuip over is.

Worstverkooper.

Die straf zal wezen dat hij mijn beroep erlangt;

Alleen zal hij zijn beuling verkoopen voor de poort,

Ook zal hij knoeien met ezel- en met hondenvleesch,

1400En dronken zal hij met meiden aan het schelden gaan,

En ’t water drinken, dat in de badkuip over is.

Volk.Dat ’s goed bedacht, want zulk een loon heeft hij verdiend,De meiden en de badknechten—daar hoort hij bij.Jou daarentegen roep ik thans naar het stadhuis,1405En op dien zetel, waar hij zat, de galgebrok.Hier, neem dit groene feestkleed aan, en volg mij thans!

Volk.

Dat ’s goed bedacht, want zulk een loon heeft hij verdiend,

De meiden en de badknechten—daar hoort hij bij.

Jou daarentegen roep ik thans naar het stadhuis,

1405En op dien zetel, waar hij zat, de galgebrok.

Hier, neem dit groene feestkleed aan, en volg mij thans!

Breng hem naar buiten, toon hem zijn nieuw vak bovendien,Dat de vreemde, steeds door hem geplaagd, het ook mag zien!

Breng hem naar buiten, toon hem zijn nieuw vak bovendien,

Dat de vreemde, steeds door hem geplaagd, het ook mag zien!

(Slaven sleepen den Paphlagoniër aan handen en voeten mee, die als beulingventer, in de kleeren van den Worstverkooper, naar buiten wordt gegooid. Agorákritos, in feestkleed, volgt met het koor meester Volk).

Einde.


Back to IndexNext