ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Gevangen.Zij kon er zich geen rekenschap van geven, hoe lang men met haar voortsolde, want zij had alle begrip van tijd en ruimte verloren.Zij gevoelde, dat men haar na een poos op een mantel neerzette, met haar rug tegen een rotsblok. De maan was wederom achter wolken verscholen. De zee bruiste een paar honderd voeten onder haar, en terwijl ze haar oogen liet ronddwalen, kon ze de flikkering van het kleine roode licht niet meer bespeuren.Dat het doel van den tocht was bereikt, leidde zij af uit het snelle kruisverhoor, dat vlak in haar nabijheid fluisterend plaats greep.„Er zijn vier mannen ginds in die hut, burger; ze zitten bij het vuur en schijnen geduldig te wachten.”„Hoe laat is het?”„Bij drieën.”„De vloed?”„Is aan ’t opkomen.”„De schoener ginds?”„Bepaald een Engelschman, een drie kilometer uit den wal. Maar we kunnen zijn sloep niet gewaarworden.”„Hebben de manschappen zich verdekt opgesteld?”„Ja, burger.”„Ze zullen zich toch niet vergissen?”„Ze verroeren zich niet, voordat de lange Engelschman komt aanzetten, dan zullen ze de hut omsingelen en het viertal inrekenen.”„Goed zoo. En de dame?”„Ligt nog te soezen, denk ik. Ze is dicht bij u, burger.”„En de Jood?”„Is gemuilband, met de beenen vastgebonden. Hij kan geen vin verroeren, niet kikken of mikken.”„Goed. Houdt nu de geweren op aanslag, voor het geval, dat je moet vuren. Gaat dicht bij de hut en laat de lady maar aan mij over.”Marguerite kon nagaan, hoe Desgas langs de rots voortkroop. Daarop voelde ze haar beide handen eensklaps gekneld als in een stalen greep.„Alvorens de doek van uw mondje wordt weggenomen, schoone dame,” fluisterde Chauvelin haar in het oor, „acht ik het zaak u een waarschuwend woordje toe te spreken. Wat mij de eer verschaft heeft over het Kanaal door zulk een bekoorlijke reisgezellin gevolgd te worden, kan ik natuurlijk niet nagaan. Maar, zoo ik me niet vergis, geldt deze streelende attentie niet mijn persoon, en vrees ik, dat, zoodra de band is weggenomen, het eerste geluid, door uw lieve lippen voortgebracht, een waarschuwend woord zou zijn voor den sluwen vos, wiens spoor ik met zooveel moeite gevolgd heb.”Hij zweeg een poos, terwijl de ijzeren greep haar polsen nog steviger scheen te omknellen; daarop vervolgde hij, haastig fluisterend als te voren:„Binnen die hut daarginds, zoo ik me niet vergis, wacht uw broer Armand St. Just, in gezelschap van den Graaf de Tournay en nog een paar u onbekende heeren, de komst af van den vermetelen Rooden Pimpernel. Geen twijfel of er zal, als u uw mondje open doet, een worsteling volgen, er zullen schoten vallen, maar dan kan het ook gebeuren, dat dezelfde lange beenen, die hem hier hebben gebracht, hem even spoedig naar een veiligerplaats kunnen wegvoeren, en ik zou dan een heel vergeefsche reis, mijlen ver, hebben gedaan. Van den anderen kant hangt het maar van u zelf af, uw broer Armand nog dezen nacht veilig naar Engeland te doen reizen, of waarheen u denkt, dat hij een goed heenkomen kan vinden.”Marguerite was niet in staat eenig geluid te geven, zoo vast knelde haar het verband om den mond, maar in de duisternis keek Chauvelin haar strak in het gezicht, en hij vervolgde op zijn snijdenden toon:„Wat ik verlang, dat ge doen zult, om Armand’s veiligheid te verzekeren, is doodeenvoudig, waarde lady. Het is—hier te blijven op deze plek, zonder eenig geluid te geven, totdat ik u het spreken vergun. Ach! maar ik geloof wel, dat u zult gehoorzamen, want laat me u zeggen, dat zoo ge schreeuwt, of ook maar kikt of mikt, of een poging waagt deze plek te verlaten, mijn manschappen—ik heb er dertig onder mijn bevelen—St. Just, de Tournay en hun twee vrienden zullen aangrijpen en hier doodschieten vóór uw oogen.”Met steeds toenemenden schrik had Marguerite de woorden van haar onmenschelijken beul aangehoord. Ze zag al het vreeselijke in van het zielsvernietigend „Of dit—of dat”, hetwelk hij haar andermaal voorhield, een dilemma, dat duizendwerf verschrikkelijker was dan wat hij haar in den noodlottigen nacht van het bal had voor oogen gehouden.Ditmaal had het de bedoeling, dat zij zich niet zou verroeren en met lijdelijk verzet aanzien, hoe haar echtgenoot zijn verderf tegemoet liep, of dat zij, door hem—ook al even vruchteloos—te waarschuwen, het sein zou geven voor den dood van haren broeder en van het drietal niets argwanende deelgenooten in het dreigend gevaar.„Neen, schoone lady,” vervolgde hij, „gij kunt in niemand anders belang stellen dan in St. Just, en al, wat ge voor diens behoud te doen hebt, is, te blijven waar ge zijt en u stil te houden. Mijn manschappen hebben strenge bevelen hèm in ieder geval te sparen. Wat dien Rooden Pimpernel aangaat, wat kan hij u schelen? Geloof me,geen waarschuwing uwerzijds kan hèm bij eenige mogelijkheid redden. En nu, mijn waarde lady, vergun me dit onaangenaam verband van uw aanvalligen mond te verwijderen. U ziet, dat ik u volkomen vrij laat in uw keus.”Chauvelin bevrijdde haar van den doek. Neen, ze schreeuwde niet. Ze bezat op dit oogenblik geen kracht iets anders te doen dan in rechte houding te blijven en te trachten haar gedachten te verzamelen.O! te denken! denken! denken! wat ze zou doen! De minuten vloden heen; in deze angstwekkende stilte kon ze niet nagaan, hoe spoedig of hoe langzaam de tijd verliep; zij hoorde niets, zij zag niets; zij werd de geurige herfstlucht niet gewaar, vermengd met den zilten reuk van de zee; zij hoorde het geraas der branding niet meer, noch het toevallig afrollen van een rotssteen naar den oever.Waarom kon ze niet, als het ware met een bovennatuurlijken gil, dien de echo’s zouden herhalen van strand tot strand, haar Percy waarschuwen terug te keeren op zijn schreden? Een paar malen steeg haar zoo iets naar de keel... maar dan daagde het vreeselijk alternatief, die ontzettende keus voor haar op: haar broeder en de drie mannen doodgeschoten vóór haar oogen, in werkelijkheid door haar toedoen; zij als hun moordenares!Zij kon dat sein niet geven.—Zij was maar een zwakke vrouw. Hoe kon ze in koelen bloede bevel geven Armand in haar tegenwoordigheid dood te schieten, zijn kostbaar bloed te laten komen over haar hoofd. En de vader der kleine Suzanne, ook hij, een grijsaard! en de anderen!—Neen, neen... dat alles was te, te afschuwelijk?Wachten! wachten! wachten! Hoelang! De uren vloden heen, en toch daagde de morgen nog niet.Daar klonk plotseling, op geringen afstand, een vroolijke, krachtige stem, die het Engelsche volkslied aanhief: „God save the King!”
ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Gevangen.Zij kon er zich geen rekenschap van geven, hoe lang men met haar voortsolde, want zij had alle begrip van tijd en ruimte verloren.Zij gevoelde, dat men haar na een poos op een mantel neerzette, met haar rug tegen een rotsblok. De maan was wederom achter wolken verscholen. De zee bruiste een paar honderd voeten onder haar, en terwijl ze haar oogen liet ronddwalen, kon ze de flikkering van het kleine roode licht niet meer bespeuren.Dat het doel van den tocht was bereikt, leidde zij af uit het snelle kruisverhoor, dat vlak in haar nabijheid fluisterend plaats greep.„Er zijn vier mannen ginds in die hut, burger; ze zitten bij het vuur en schijnen geduldig te wachten.”„Hoe laat is het?”„Bij drieën.”„De vloed?”„Is aan ’t opkomen.”„De schoener ginds?”„Bepaald een Engelschman, een drie kilometer uit den wal. Maar we kunnen zijn sloep niet gewaarworden.”„Hebben de manschappen zich verdekt opgesteld?”„Ja, burger.”„Ze zullen zich toch niet vergissen?”„Ze verroeren zich niet, voordat de lange Engelschman komt aanzetten, dan zullen ze de hut omsingelen en het viertal inrekenen.”„Goed zoo. En de dame?”„Ligt nog te soezen, denk ik. Ze is dicht bij u, burger.”„En de Jood?”„Is gemuilband, met de beenen vastgebonden. Hij kan geen vin verroeren, niet kikken of mikken.”„Goed. Houdt nu de geweren op aanslag, voor het geval, dat je moet vuren. Gaat dicht bij de hut en laat de lady maar aan mij over.”Marguerite kon nagaan, hoe Desgas langs de rots voortkroop. Daarop voelde ze haar beide handen eensklaps gekneld als in een stalen greep.„Alvorens de doek van uw mondje wordt weggenomen, schoone dame,” fluisterde Chauvelin haar in het oor, „acht ik het zaak u een waarschuwend woordje toe te spreken. Wat mij de eer verschaft heeft over het Kanaal door zulk een bekoorlijke reisgezellin gevolgd te worden, kan ik natuurlijk niet nagaan. Maar, zoo ik me niet vergis, geldt deze streelende attentie niet mijn persoon, en vrees ik, dat, zoodra de band is weggenomen, het eerste geluid, door uw lieve lippen voortgebracht, een waarschuwend woord zou zijn voor den sluwen vos, wiens spoor ik met zooveel moeite gevolgd heb.”Hij zweeg een poos, terwijl de ijzeren greep haar polsen nog steviger scheen te omknellen; daarop vervolgde hij, haastig fluisterend als te voren:„Binnen die hut daarginds, zoo ik me niet vergis, wacht uw broer Armand St. Just, in gezelschap van den Graaf de Tournay en nog een paar u onbekende heeren, de komst af van den vermetelen Rooden Pimpernel. Geen twijfel of er zal, als u uw mondje open doet, een worsteling volgen, er zullen schoten vallen, maar dan kan het ook gebeuren, dat dezelfde lange beenen, die hem hier hebben gebracht, hem even spoedig naar een veiligerplaats kunnen wegvoeren, en ik zou dan een heel vergeefsche reis, mijlen ver, hebben gedaan. Van den anderen kant hangt het maar van u zelf af, uw broer Armand nog dezen nacht veilig naar Engeland te doen reizen, of waarheen u denkt, dat hij een goed heenkomen kan vinden.”Marguerite was niet in staat eenig geluid te geven, zoo vast knelde haar het verband om den mond, maar in de duisternis keek Chauvelin haar strak in het gezicht, en hij vervolgde op zijn snijdenden toon:„Wat ik verlang, dat ge doen zult, om Armand’s veiligheid te verzekeren, is doodeenvoudig, waarde lady. Het is—hier te blijven op deze plek, zonder eenig geluid te geven, totdat ik u het spreken vergun. Ach! maar ik geloof wel, dat u zult gehoorzamen, want laat me u zeggen, dat zoo ge schreeuwt, of ook maar kikt of mikt, of een poging waagt deze plek te verlaten, mijn manschappen—ik heb er dertig onder mijn bevelen—St. Just, de Tournay en hun twee vrienden zullen aangrijpen en hier doodschieten vóór uw oogen.”Met steeds toenemenden schrik had Marguerite de woorden van haar onmenschelijken beul aangehoord. Ze zag al het vreeselijke in van het zielsvernietigend „Of dit—of dat”, hetwelk hij haar andermaal voorhield, een dilemma, dat duizendwerf verschrikkelijker was dan wat hij haar in den noodlottigen nacht van het bal had voor oogen gehouden.Ditmaal had het de bedoeling, dat zij zich niet zou verroeren en met lijdelijk verzet aanzien, hoe haar echtgenoot zijn verderf tegemoet liep, of dat zij, door hem—ook al even vruchteloos—te waarschuwen, het sein zou geven voor den dood van haren broeder en van het drietal niets argwanende deelgenooten in het dreigend gevaar.„Neen, schoone lady,” vervolgde hij, „gij kunt in niemand anders belang stellen dan in St. Just, en al, wat ge voor diens behoud te doen hebt, is, te blijven waar ge zijt en u stil te houden. Mijn manschappen hebben strenge bevelen hèm in ieder geval te sparen. Wat dien Rooden Pimpernel aangaat, wat kan hij u schelen? Geloof me,geen waarschuwing uwerzijds kan hèm bij eenige mogelijkheid redden. En nu, mijn waarde lady, vergun me dit onaangenaam verband van uw aanvalligen mond te verwijderen. U ziet, dat ik u volkomen vrij laat in uw keus.”Chauvelin bevrijdde haar van den doek. Neen, ze schreeuwde niet. Ze bezat op dit oogenblik geen kracht iets anders te doen dan in rechte houding te blijven en te trachten haar gedachten te verzamelen.O! te denken! denken! denken! wat ze zou doen! De minuten vloden heen; in deze angstwekkende stilte kon ze niet nagaan, hoe spoedig of hoe langzaam de tijd verliep; zij hoorde niets, zij zag niets; zij werd de geurige herfstlucht niet gewaar, vermengd met den zilten reuk van de zee; zij hoorde het geraas der branding niet meer, noch het toevallig afrollen van een rotssteen naar den oever.Waarom kon ze niet, als het ware met een bovennatuurlijken gil, dien de echo’s zouden herhalen van strand tot strand, haar Percy waarschuwen terug te keeren op zijn schreden? Een paar malen steeg haar zoo iets naar de keel... maar dan daagde het vreeselijk alternatief, die ontzettende keus voor haar op: haar broeder en de drie mannen doodgeschoten vóór haar oogen, in werkelijkheid door haar toedoen; zij als hun moordenares!Zij kon dat sein niet geven.—Zij was maar een zwakke vrouw. Hoe kon ze in koelen bloede bevel geven Armand in haar tegenwoordigheid dood te schieten, zijn kostbaar bloed te laten komen over haar hoofd. En de vader der kleine Suzanne, ook hij, een grijsaard! en de anderen!—Neen, neen... dat alles was te, te afschuwelijk?Wachten! wachten! wachten! Hoelang! De uren vloden heen, en toch daagde de morgen nog niet.Daar klonk plotseling, op geringen afstand, een vroolijke, krachtige stem, die het Engelsche volkslied aanhief: „God save the King!”
ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Gevangen.
Zij kon er zich geen rekenschap van geven, hoe lang men met haar voortsolde, want zij had alle begrip van tijd en ruimte verloren.Zij gevoelde, dat men haar na een poos op een mantel neerzette, met haar rug tegen een rotsblok. De maan was wederom achter wolken verscholen. De zee bruiste een paar honderd voeten onder haar, en terwijl ze haar oogen liet ronddwalen, kon ze de flikkering van het kleine roode licht niet meer bespeuren.Dat het doel van den tocht was bereikt, leidde zij af uit het snelle kruisverhoor, dat vlak in haar nabijheid fluisterend plaats greep.„Er zijn vier mannen ginds in die hut, burger; ze zitten bij het vuur en schijnen geduldig te wachten.”„Hoe laat is het?”„Bij drieën.”„De vloed?”„Is aan ’t opkomen.”„De schoener ginds?”„Bepaald een Engelschman, een drie kilometer uit den wal. Maar we kunnen zijn sloep niet gewaarworden.”„Hebben de manschappen zich verdekt opgesteld?”„Ja, burger.”„Ze zullen zich toch niet vergissen?”„Ze verroeren zich niet, voordat de lange Engelschman komt aanzetten, dan zullen ze de hut omsingelen en het viertal inrekenen.”„Goed zoo. En de dame?”„Ligt nog te soezen, denk ik. Ze is dicht bij u, burger.”„En de Jood?”„Is gemuilband, met de beenen vastgebonden. Hij kan geen vin verroeren, niet kikken of mikken.”„Goed. Houdt nu de geweren op aanslag, voor het geval, dat je moet vuren. Gaat dicht bij de hut en laat de lady maar aan mij over.”Marguerite kon nagaan, hoe Desgas langs de rots voortkroop. Daarop voelde ze haar beide handen eensklaps gekneld als in een stalen greep.„Alvorens de doek van uw mondje wordt weggenomen, schoone dame,” fluisterde Chauvelin haar in het oor, „acht ik het zaak u een waarschuwend woordje toe te spreken. Wat mij de eer verschaft heeft over het Kanaal door zulk een bekoorlijke reisgezellin gevolgd te worden, kan ik natuurlijk niet nagaan. Maar, zoo ik me niet vergis, geldt deze streelende attentie niet mijn persoon, en vrees ik, dat, zoodra de band is weggenomen, het eerste geluid, door uw lieve lippen voortgebracht, een waarschuwend woord zou zijn voor den sluwen vos, wiens spoor ik met zooveel moeite gevolgd heb.”Hij zweeg een poos, terwijl de ijzeren greep haar polsen nog steviger scheen te omknellen; daarop vervolgde hij, haastig fluisterend als te voren:„Binnen die hut daarginds, zoo ik me niet vergis, wacht uw broer Armand St. Just, in gezelschap van den Graaf de Tournay en nog een paar u onbekende heeren, de komst af van den vermetelen Rooden Pimpernel. Geen twijfel of er zal, als u uw mondje open doet, een worsteling volgen, er zullen schoten vallen, maar dan kan het ook gebeuren, dat dezelfde lange beenen, die hem hier hebben gebracht, hem even spoedig naar een veiligerplaats kunnen wegvoeren, en ik zou dan een heel vergeefsche reis, mijlen ver, hebben gedaan. Van den anderen kant hangt het maar van u zelf af, uw broer Armand nog dezen nacht veilig naar Engeland te doen reizen, of waarheen u denkt, dat hij een goed heenkomen kan vinden.”Marguerite was niet in staat eenig geluid te geven, zoo vast knelde haar het verband om den mond, maar in de duisternis keek Chauvelin haar strak in het gezicht, en hij vervolgde op zijn snijdenden toon:„Wat ik verlang, dat ge doen zult, om Armand’s veiligheid te verzekeren, is doodeenvoudig, waarde lady. Het is—hier te blijven op deze plek, zonder eenig geluid te geven, totdat ik u het spreken vergun. Ach! maar ik geloof wel, dat u zult gehoorzamen, want laat me u zeggen, dat zoo ge schreeuwt, of ook maar kikt of mikt, of een poging waagt deze plek te verlaten, mijn manschappen—ik heb er dertig onder mijn bevelen—St. Just, de Tournay en hun twee vrienden zullen aangrijpen en hier doodschieten vóór uw oogen.”Met steeds toenemenden schrik had Marguerite de woorden van haar onmenschelijken beul aangehoord. Ze zag al het vreeselijke in van het zielsvernietigend „Of dit—of dat”, hetwelk hij haar andermaal voorhield, een dilemma, dat duizendwerf verschrikkelijker was dan wat hij haar in den noodlottigen nacht van het bal had voor oogen gehouden.Ditmaal had het de bedoeling, dat zij zich niet zou verroeren en met lijdelijk verzet aanzien, hoe haar echtgenoot zijn verderf tegemoet liep, of dat zij, door hem—ook al even vruchteloos—te waarschuwen, het sein zou geven voor den dood van haren broeder en van het drietal niets argwanende deelgenooten in het dreigend gevaar.„Neen, schoone lady,” vervolgde hij, „gij kunt in niemand anders belang stellen dan in St. Just, en al, wat ge voor diens behoud te doen hebt, is, te blijven waar ge zijt en u stil te houden. Mijn manschappen hebben strenge bevelen hèm in ieder geval te sparen. Wat dien Rooden Pimpernel aangaat, wat kan hij u schelen? Geloof me,geen waarschuwing uwerzijds kan hèm bij eenige mogelijkheid redden. En nu, mijn waarde lady, vergun me dit onaangenaam verband van uw aanvalligen mond te verwijderen. U ziet, dat ik u volkomen vrij laat in uw keus.”Chauvelin bevrijdde haar van den doek. Neen, ze schreeuwde niet. Ze bezat op dit oogenblik geen kracht iets anders te doen dan in rechte houding te blijven en te trachten haar gedachten te verzamelen.O! te denken! denken! denken! wat ze zou doen! De minuten vloden heen; in deze angstwekkende stilte kon ze niet nagaan, hoe spoedig of hoe langzaam de tijd verliep; zij hoorde niets, zij zag niets; zij werd de geurige herfstlucht niet gewaar, vermengd met den zilten reuk van de zee; zij hoorde het geraas der branding niet meer, noch het toevallig afrollen van een rotssteen naar den oever.Waarom kon ze niet, als het ware met een bovennatuurlijken gil, dien de echo’s zouden herhalen van strand tot strand, haar Percy waarschuwen terug te keeren op zijn schreden? Een paar malen steeg haar zoo iets naar de keel... maar dan daagde het vreeselijk alternatief, die ontzettende keus voor haar op: haar broeder en de drie mannen doodgeschoten vóór haar oogen, in werkelijkheid door haar toedoen; zij als hun moordenares!Zij kon dat sein niet geven.—Zij was maar een zwakke vrouw. Hoe kon ze in koelen bloede bevel geven Armand in haar tegenwoordigheid dood te schieten, zijn kostbaar bloed te laten komen over haar hoofd. En de vader der kleine Suzanne, ook hij, een grijsaard! en de anderen!—Neen, neen... dat alles was te, te afschuwelijk?Wachten! wachten! wachten! Hoelang! De uren vloden heen, en toch daagde de morgen nog niet.Daar klonk plotseling, op geringen afstand, een vroolijke, krachtige stem, die het Engelsche volkslied aanhief: „God save the King!”
Zij kon er zich geen rekenschap van geven, hoe lang men met haar voortsolde, want zij had alle begrip van tijd en ruimte verloren.
Zij gevoelde, dat men haar na een poos op een mantel neerzette, met haar rug tegen een rotsblok. De maan was wederom achter wolken verscholen. De zee bruiste een paar honderd voeten onder haar, en terwijl ze haar oogen liet ronddwalen, kon ze de flikkering van het kleine roode licht niet meer bespeuren.
Dat het doel van den tocht was bereikt, leidde zij af uit het snelle kruisverhoor, dat vlak in haar nabijheid fluisterend plaats greep.
„Er zijn vier mannen ginds in die hut, burger; ze zitten bij het vuur en schijnen geduldig te wachten.”
„Hoe laat is het?”
„Bij drieën.”
„De vloed?”
„Is aan ’t opkomen.”
„De schoener ginds?”
„Bepaald een Engelschman, een drie kilometer uit den wal. Maar we kunnen zijn sloep niet gewaarworden.”
„Hebben de manschappen zich verdekt opgesteld?”
„Ja, burger.”
„Ze zullen zich toch niet vergissen?”
„Ze verroeren zich niet, voordat de lange Engelschman komt aanzetten, dan zullen ze de hut omsingelen en het viertal inrekenen.”
„Goed zoo. En de dame?”
„Ligt nog te soezen, denk ik. Ze is dicht bij u, burger.”
„En de Jood?”
„Is gemuilband, met de beenen vastgebonden. Hij kan geen vin verroeren, niet kikken of mikken.”
„Goed. Houdt nu de geweren op aanslag, voor het geval, dat je moet vuren. Gaat dicht bij de hut en laat de lady maar aan mij over.”
Marguerite kon nagaan, hoe Desgas langs de rots voortkroop. Daarop voelde ze haar beide handen eensklaps gekneld als in een stalen greep.
„Alvorens de doek van uw mondje wordt weggenomen, schoone dame,” fluisterde Chauvelin haar in het oor, „acht ik het zaak u een waarschuwend woordje toe te spreken. Wat mij de eer verschaft heeft over het Kanaal door zulk een bekoorlijke reisgezellin gevolgd te worden, kan ik natuurlijk niet nagaan. Maar, zoo ik me niet vergis, geldt deze streelende attentie niet mijn persoon, en vrees ik, dat, zoodra de band is weggenomen, het eerste geluid, door uw lieve lippen voortgebracht, een waarschuwend woord zou zijn voor den sluwen vos, wiens spoor ik met zooveel moeite gevolgd heb.”
Hij zweeg een poos, terwijl de ijzeren greep haar polsen nog steviger scheen te omknellen; daarop vervolgde hij, haastig fluisterend als te voren:
„Binnen die hut daarginds, zoo ik me niet vergis, wacht uw broer Armand St. Just, in gezelschap van den Graaf de Tournay en nog een paar u onbekende heeren, de komst af van den vermetelen Rooden Pimpernel. Geen twijfel of er zal, als u uw mondje open doet, een worsteling volgen, er zullen schoten vallen, maar dan kan het ook gebeuren, dat dezelfde lange beenen, die hem hier hebben gebracht, hem even spoedig naar een veiligerplaats kunnen wegvoeren, en ik zou dan een heel vergeefsche reis, mijlen ver, hebben gedaan. Van den anderen kant hangt het maar van u zelf af, uw broer Armand nog dezen nacht veilig naar Engeland te doen reizen, of waarheen u denkt, dat hij een goed heenkomen kan vinden.”
Marguerite was niet in staat eenig geluid te geven, zoo vast knelde haar het verband om den mond, maar in de duisternis keek Chauvelin haar strak in het gezicht, en hij vervolgde op zijn snijdenden toon:
„Wat ik verlang, dat ge doen zult, om Armand’s veiligheid te verzekeren, is doodeenvoudig, waarde lady. Het is—hier te blijven op deze plek, zonder eenig geluid te geven, totdat ik u het spreken vergun. Ach! maar ik geloof wel, dat u zult gehoorzamen, want laat me u zeggen, dat zoo ge schreeuwt, of ook maar kikt of mikt, of een poging waagt deze plek te verlaten, mijn manschappen—ik heb er dertig onder mijn bevelen—St. Just, de Tournay en hun twee vrienden zullen aangrijpen en hier doodschieten vóór uw oogen.”
Met steeds toenemenden schrik had Marguerite de woorden van haar onmenschelijken beul aangehoord. Ze zag al het vreeselijke in van het zielsvernietigend „Of dit—of dat”, hetwelk hij haar andermaal voorhield, een dilemma, dat duizendwerf verschrikkelijker was dan wat hij haar in den noodlottigen nacht van het bal had voor oogen gehouden.
Ditmaal had het de bedoeling, dat zij zich niet zou verroeren en met lijdelijk verzet aanzien, hoe haar echtgenoot zijn verderf tegemoet liep, of dat zij, door hem—ook al even vruchteloos—te waarschuwen, het sein zou geven voor den dood van haren broeder en van het drietal niets argwanende deelgenooten in het dreigend gevaar.
„Neen, schoone lady,” vervolgde hij, „gij kunt in niemand anders belang stellen dan in St. Just, en al, wat ge voor diens behoud te doen hebt, is, te blijven waar ge zijt en u stil te houden. Mijn manschappen hebben strenge bevelen hèm in ieder geval te sparen. Wat dien Rooden Pimpernel aangaat, wat kan hij u schelen? Geloof me,geen waarschuwing uwerzijds kan hèm bij eenige mogelijkheid redden. En nu, mijn waarde lady, vergun me dit onaangenaam verband van uw aanvalligen mond te verwijderen. U ziet, dat ik u volkomen vrij laat in uw keus.”
Chauvelin bevrijdde haar van den doek. Neen, ze schreeuwde niet. Ze bezat op dit oogenblik geen kracht iets anders te doen dan in rechte houding te blijven en te trachten haar gedachten te verzamelen.
O! te denken! denken! denken! wat ze zou doen! De minuten vloden heen; in deze angstwekkende stilte kon ze niet nagaan, hoe spoedig of hoe langzaam de tijd verliep; zij hoorde niets, zij zag niets; zij werd de geurige herfstlucht niet gewaar, vermengd met den zilten reuk van de zee; zij hoorde het geraas der branding niet meer, noch het toevallig afrollen van een rotssteen naar den oever.
Waarom kon ze niet, als het ware met een bovennatuurlijken gil, dien de echo’s zouden herhalen van strand tot strand, haar Percy waarschuwen terug te keeren op zijn schreden? Een paar malen steeg haar zoo iets naar de keel... maar dan daagde het vreeselijk alternatief, die ontzettende keus voor haar op: haar broeder en de drie mannen doodgeschoten vóór haar oogen, in werkelijkheid door haar toedoen; zij als hun moordenares!
Zij kon dat sein niet geven.—Zij was maar een zwakke vrouw. Hoe kon ze in koelen bloede bevel geven Armand in haar tegenwoordigheid dood te schieten, zijn kostbaar bloed te laten komen over haar hoofd. En de vader der kleine Suzanne, ook hij, een grijsaard! en de anderen!—Neen, neen... dat alles was te, te afschuwelijk?
Wachten! wachten! wachten! Hoelang! De uren vloden heen, en toch daagde de morgen nog niet.
Daar klonk plotseling, op geringen afstand, een vroolijke, krachtige stem, die het Engelsche volkslied aanhief: „God save the King!”