VEERTIENDE HOOFDSTUK.Twijfel.In somber gepeins zat Marguerite Blakeney in het kleine, altijd nog eenzame boudoir, dat door de geopende portière uitzicht gaf op de dansende paren, maar zij sloeg er geen acht op.Voor haar geest daagde het visioen op van het tooneel, dat wellicht op dit oogenblik zich beneden in de eetzaal afspeelde. Die verlaten ruimte, het noodlottig uur—Chauvelin op wacht! dan, juist op het bepaalde tijdstip, het binnenkomen van een man, de Roode Pimpernel, den geheimzinnigen leider, die voor Marguerite nagenoeg onbestaanbaar was geworden.Zij wenschte ook tegenwoordig te zijn in de eetzaal op dit moment, hem gade te slaan als hij binnenkwam: ze wist, dat haar vrouwelijk vernuft terstond in hetgelaat van den vreemdeling—wie hij ook zijn mocht—de krachtige individualiteit zou herkennen, die onafscheidelijk is van een aanvoerder—van een held.„Lady Blakeney moet mij wel voor zeer achteloos aanzien,” sprak eensklaps een stem, dicht in haar nabijheid. „Ik heb heel wat moeite gehad mij van uw opdracht te kwijten, want aanvankelijk kon ik Blakeney nergens vinden...”Marguerite was alles omtrent haar echtgenoot en haar boodschap voor hem vergeten; zijn naam zelfs, door Lord Fancourt uitgesproken, klonk haar vreemd in de ooren, zoo geheel en al had ze haar vroeger leven geleefd in de Rue de Richelieu, met Armand altijd bij haar, als een beschermer en vriend.„Ik vond hem eindelijk,” vervolgde Lord Fancourt, „en bracht hem uw boodschap over. Hij zei, dat hij onmiddellijk orders zou geven om in te spannen.”„Ah!” zei ze, nog altijd zeer verstrooid, „u hebt Percy gevonden en hem mijn boodschap gebracht?”„Ja; hij lag in de eetzaal in diepen slaap. Ik kon er eerst niet in slagen hem wakker te krijgen.”„Dank u wel zeer,” zei ze werktuigelijk, trachtende haar gedachten te verzamelen.„Wil Lady Blakeney mij vereeren met den contredans, totdat uw rijtuig gereed is?” vroeg Lord Fancourt.„Dank u vriendelijk, milord, ik ben uiterst vermoeid,” zei ze verdrietig, zich door Lord Fancourt naar de koele serre latende geleiden. Hij bood haar een stoel aan, waarin ze neerzonk. Deze lange tusschenpoos wachtens was ondragelijk. Waarom kwam Chauvelin niet opdagen en haar den uitslag meedeelen zijner wacht?Lord Fancourt was zeer attent. Toch hoorde zij nauwelijks, wat hij zeide en deed hem plotseling schrikken door de onverwachte vraag:—„Lord Fancourt, hebt u gezien, wie zoo even, behalve Sir Percy Blakeney, in de eetzaal was?”„Alleen de agent der Fransche Republiek, Mr. Chauvelin, ook al in diepen slaap in een anderen hoek. Maar waarom vraagt u dit, Lady?”„Ik weet niet”... ik... „Hebt u den tijd genoteerd, waarop u er waart?”„Het zal zoo wat vijf à tien minuten over éénen zijn geweest. Ik begrijp niet, waarover u zich verontrust,” ging hij voort, want schijnbaar dwaalden de gedachten der schoone vrouw ver weg, en had ze zijn gesprek niet aangehoord.Maar feitelijk was dit niet het geval. Haar gedachten dwaalden slechts één verdieping benedenwaarts, in ditzelfde gebouw, naar de eetzaal, waar Chauvelin nog de wacht hield. Was hij niet geslaagd? Een enkel oogenblik daagde deze mogelijkheid voor haar op als een straal van hoop—dat de Roode Pimpernel door Sir Andrew mocht gewaarschuwd zijn en Chauvelin zijn vogel niet had kunnen knippen; maar weldra maakte die hoop plaats voor vrees. Was het hem niet gelukt! Maar dan—Armand!Lord Fancourt had het gesprek gestaakt, nu hij zag, dat hij geen gehoor vond. Hij wenschte zich te verwijderen en zei daarom eindelijk:„Zal ik eens gaan zien, of uw rijtuig gereed is, lady?”„Oh! gaarne... gaarne... als u zoo vriendelijk wilt zijn... ik ben nu geen opwekkend gezelschap nu... want ik ben vreeselijk moe... het beste is, mij maar aan mijn lot over te laten.”Zij verlangde ernaar hem te loozen, want de wensch bekroop haar, dat Chauvelin als een vos, op wien hij zoozeer geleek, mocht rondwaren met het voornemen haar op te sporen.Maar lord Fancourt was heengegaan, en nog kwam Chauvelin niet opdagen. Ach! wat kon er gebeurd zijn? Ze zag Armand gewogen en te licht bevonden... ze vreesde—ditmaal in doodsangst—dat Chauvelin’s list was mislukt en de geheimzinnige Roode Pimpernel wederom als een nevelbeeld was verdwenen; zij wist dat geen hoop, geen medelijden noch genade van den Franschman haar wachtte.Hij had zijn „Of dit—of—” uitgesproken; met niets anders was hij tevreden te stellen; hij kon gaan denken,dat zij hem opzettelijk had misleid, en daarom als weerwraak Armand ten verderve doemen.Toch had ze haar best gedaan. Ze kon het denkbeeld niet verdragen, dat alles mislukt was. Ze kon niet stil zitten; zij wilde heengaan en het ergste terstond vernemen, ze verwonderde zich zelfs, dat Chauvelin nog niet was gekomen, om zijn toorn te luchten en haar onder handen te nemen.Lord Grenville kwam nu in persoon haar aanzeggen, dat haar rijtuig gereed stond en Sir Percy haar wachtte—teugels in handen. Marguerite zei den gastheer „Vaarwel”; velen harer vrienden hielden haar staande op het oogenblik, dat zij de zalen doorliep, om haar een „tot weerziens!” toe te roepen.De Minister alleen nam boven aan de trap afscheid van de schoone Lady Blakeney; beneden in de vestibule wachtte een heirleger galante heeren, om de koningin van het bal uitgeleide te doen, terwijl daar buiten de prachtige schimmels van Sir Percy ongeduldig met hun voorbeenen den grond schraapten.Juist nadat zij van Lord Grenville had afscheid genomen, kreeg ze plotseling Chauvelin in het oog. Een vreemde uitdrukking lag op zijn gezicht, deels vermakelijk deels verward; toen zijn sluwe oogen die van Marguerite ontmoetten, namen ze weer een sarkastische uitdrukking aan.„Meneer Chauvelin,” zei ze, toen hij stilstond en voor haar boog, „mijn rijtuig staat buiten, mag ik uwen arm verzoeken?”Galant als altijd, voldeed hij aan haar verzoek. De menigte was zeer talrijk, sommigen der gasten van den Minister vertrokken, anderen leunden tegen de ballustrade, den drom gadeslaande, al naar gelang deze zich naar boven of beneden op de breede staatsietrap bewoog.„Chauvelin”, zei ze eindelijk wanhopig, „ik moet weten, wat er gebeurd is.”„Wat er gebeurd is, geachte lady?” zei hij met gemaakte verbazing. „Waar? Wanneer?”„Gij legt me op de pijnbank, Chauvelin. Ik ben u dezen nacht van dienst geweest... ik heb dus recht op eenigeinlichting. Wat is er in de eetzaal te één uur voorgevallen?”Zij sprak fluisterend, vertrouwende, dat in het algemeen rumoer haar woorden alleen door den man naast haar zouden worden vernomen.„Rust en vrede hadden de bovenhand, waarde lady; op gezegd uur sliep ik in den hoek van een canapé en Sir Percy Blakeney op een ander rustbed.”„Kwam er dan niemand in de zaal?”„Niemand.”„Dan zijn wij beiden niet geslaagd?...”„Ja! het is ons niet gelukt—misschien...”„Maar Armand?” vroeg ze ontroerd.„Ah! De kansen van Armand St. Just hangen aan een zijden draad... bid den hemel, waarde lady, dat die draad niet breke!”„Chauvelin, ik heb eerlijk voor u gewerkt... denk erom...”„Ik herinner me mijn belofte,” zei hij kalm „op den dag, dat de Roode Pimpernel en ik elkander ontmoeten op Franschen bodem, zal St. Just zijn beminde zuster weerzien.”„Hetgeen zeggen wil, dat het bloed van een braaf man aan mijn handen zal kleven,” antwoordde ze sidderend.„Zijnbloed, of dat van uw broeder. Geloof me, voor het oogenblik moet u alleen hopen, evenals ik, dat de Roode Pimpernel vandaag naar Calais oversteekt.”„Ik koester maar een enkele hoop, burger Chauvelin.”„En die is?”„Dat de Satan, uw meester, elders uw diensten moge noodig hebben, voordat de zon opgaat over dezen dag.”„U vleit mij, burgeres.”Zij had hem voor een poos opgehouden, halverwege de trap, met een poging om de gedachten te weten te komen, die achter dat vosachtig masker lagen verscholen. Maar Chauvelin bleef sarkastisch en geheimzinnig. Geen trek van zijn gezicht zeide de arme, angstige vrouw, of zij in dit kritieke oogenblik had te vreezen of te hopen.Beneden in de vestibule bevond zij zich weldra in een besloten kring. Lady Blakeney stapte nimmer voor eenigewoning in haar rijtuig, zonder een zwerm van zwevende motten in menschengedaante, om het schitterend licht harer verblindende schoonheid. Maar voordat ze van Chauvelin finaal afscheid nam, stak zij hem de tengere hand toe:„Geef mij eenige hoop, Chauvelin,” smeekte ze.Met innemende galanterie boog hij over de fijne hand en kuste de toppenvan derozige vingers.„Bid den hemel, dat de draad niet breke,” herhaalde hij met zijn raadselachtigen glimlach, toen hij terzijde week.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.Twijfel.In somber gepeins zat Marguerite Blakeney in het kleine, altijd nog eenzame boudoir, dat door de geopende portière uitzicht gaf op de dansende paren, maar zij sloeg er geen acht op.Voor haar geest daagde het visioen op van het tooneel, dat wellicht op dit oogenblik zich beneden in de eetzaal afspeelde. Die verlaten ruimte, het noodlottig uur—Chauvelin op wacht! dan, juist op het bepaalde tijdstip, het binnenkomen van een man, de Roode Pimpernel, den geheimzinnigen leider, die voor Marguerite nagenoeg onbestaanbaar was geworden.Zij wenschte ook tegenwoordig te zijn in de eetzaal op dit moment, hem gade te slaan als hij binnenkwam: ze wist, dat haar vrouwelijk vernuft terstond in hetgelaat van den vreemdeling—wie hij ook zijn mocht—de krachtige individualiteit zou herkennen, die onafscheidelijk is van een aanvoerder—van een held.„Lady Blakeney moet mij wel voor zeer achteloos aanzien,” sprak eensklaps een stem, dicht in haar nabijheid. „Ik heb heel wat moeite gehad mij van uw opdracht te kwijten, want aanvankelijk kon ik Blakeney nergens vinden...”Marguerite was alles omtrent haar echtgenoot en haar boodschap voor hem vergeten; zijn naam zelfs, door Lord Fancourt uitgesproken, klonk haar vreemd in de ooren, zoo geheel en al had ze haar vroeger leven geleefd in de Rue de Richelieu, met Armand altijd bij haar, als een beschermer en vriend.„Ik vond hem eindelijk,” vervolgde Lord Fancourt, „en bracht hem uw boodschap over. Hij zei, dat hij onmiddellijk orders zou geven om in te spannen.”„Ah!” zei ze, nog altijd zeer verstrooid, „u hebt Percy gevonden en hem mijn boodschap gebracht?”„Ja; hij lag in de eetzaal in diepen slaap. Ik kon er eerst niet in slagen hem wakker te krijgen.”„Dank u wel zeer,” zei ze werktuigelijk, trachtende haar gedachten te verzamelen.„Wil Lady Blakeney mij vereeren met den contredans, totdat uw rijtuig gereed is?” vroeg Lord Fancourt.„Dank u vriendelijk, milord, ik ben uiterst vermoeid,” zei ze verdrietig, zich door Lord Fancourt naar de koele serre latende geleiden. Hij bood haar een stoel aan, waarin ze neerzonk. Deze lange tusschenpoos wachtens was ondragelijk. Waarom kwam Chauvelin niet opdagen en haar den uitslag meedeelen zijner wacht?Lord Fancourt was zeer attent. Toch hoorde zij nauwelijks, wat hij zeide en deed hem plotseling schrikken door de onverwachte vraag:—„Lord Fancourt, hebt u gezien, wie zoo even, behalve Sir Percy Blakeney, in de eetzaal was?”„Alleen de agent der Fransche Republiek, Mr. Chauvelin, ook al in diepen slaap in een anderen hoek. Maar waarom vraagt u dit, Lady?”„Ik weet niet”... ik... „Hebt u den tijd genoteerd, waarop u er waart?”„Het zal zoo wat vijf à tien minuten over éénen zijn geweest. Ik begrijp niet, waarover u zich verontrust,” ging hij voort, want schijnbaar dwaalden de gedachten der schoone vrouw ver weg, en had ze zijn gesprek niet aangehoord.Maar feitelijk was dit niet het geval. Haar gedachten dwaalden slechts één verdieping benedenwaarts, in ditzelfde gebouw, naar de eetzaal, waar Chauvelin nog de wacht hield. Was hij niet geslaagd? Een enkel oogenblik daagde deze mogelijkheid voor haar op als een straal van hoop—dat de Roode Pimpernel door Sir Andrew mocht gewaarschuwd zijn en Chauvelin zijn vogel niet had kunnen knippen; maar weldra maakte die hoop plaats voor vrees. Was het hem niet gelukt! Maar dan—Armand!Lord Fancourt had het gesprek gestaakt, nu hij zag, dat hij geen gehoor vond. Hij wenschte zich te verwijderen en zei daarom eindelijk:„Zal ik eens gaan zien, of uw rijtuig gereed is, lady?”„Oh! gaarne... gaarne... als u zoo vriendelijk wilt zijn... ik ben nu geen opwekkend gezelschap nu... want ik ben vreeselijk moe... het beste is, mij maar aan mijn lot over te laten.”Zij verlangde ernaar hem te loozen, want de wensch bekroop haar, dat Chauvelin als een vos, op wien hij zoozeer geleek, mocht rondwaren met het voornemen haar op te sporen.Maar lord Fancourt was heengegaan, en nog kwam Chauvelin niet opdagen. Ach! wat kon er gebeurd zijn? Ze zag Armand gewogen en te licht bevonden... ze vreesde—ditmaal in doodsangst—dat Chauvelin’s list was mislukt en de geheimzinnige Roode Pimpernel wederom als een nevelbeeld was verdwenen; zij wist dat geen hoop, geen medelijden noch genade van den Franschman haar wachtte.Hij had zijn „Of dit—of—” uitgesproken; met niets anders was hij tevreden te stellen; hij kon gaan denken,dat zij hem opzettelijk had misleid, en daarom als weerwraak Armand ten verderve doemen.Toch had ze haar best gedaan. Ze kon het denkbeeld niet verdragen, dat alles mislukt was. Ze kon niet stil zitten; zij wilde heengaan en het ergste terstond vernemen, ze verwonderde zich zelfs, dat Chauvelin nog niet was gekomen, om zijn toorn te luchten en haar onder handen te nemen.Lord Grenville kwam nu in persoon haar aanzeggen, dat haar rijtuig gereed stond en Sir Percy haar wachtte—teugels in handen. Marguerite zei den gastheer „Vaarwel”; velen harer vrienden hielden haar staande op het oogenblik, dat zij de zalen doorliep, om haar een „tot weerziens!” toe te roepen.De Minister alleen nam boven aan de trap afscheid van de schoone Lady Blakeney; beneden in de vestibule wachtte een heirleger galante heeren, om de koningin van het bal uitgeleide te doen, terwijl daar buiten de prachtige schimmels van Sir Percy ongeduldig met hun voorbeenen den grond schraapten.Juist nadat zij van Lord Grenville had afscheid genomen, kreeg ze plotseling Chauvelin in het oog. Een vreemde uitdrukking lag op zijn gezicht, deels vermakelijk deels verward; toen zijn sluwe oogen die van Marguerite ontmoetten, namen ze weer een sarkastische uitdrukking aan.„Meneer Chauvelin,” zei ze, toen hij stilstond en voor haar boog, „mijn rijtuig staat buiten, mag ik uwen arm verzoeken?”Galant als altijd, voldeed hij aan haar verzoek. De menigte was zeer talrijk, sommigen der gasten van den Minister vertrokken, anderen leunden tegen de ballustrade, den drom gadeslaande, al naar gelang deze zich naar boven of beneden op de breede staatsietrap bewoog.„Chauvelin”, zei ze eindelijk wanhopig, „ik moet weten, wat er gebeurd is.”„Wat er gebeurd is, geachte lady?” zei hij met gemaakte verbazing. „Waar? Wanneer?”„Gij legt me op de pijnbank, Chauvelin. Ik ben u dezen nacht van dienst geweest... ik heb dus recht op eenigeinlichting. Wat is er in de eetzaal te één uur voorgevallen?”Zij sprak fluisterend, vertrouwende, dat in het algemeen rumoer haar woorden alleen door den man naast haar zouden worden vernomen.„Rust en vrede hadden de bovenhand, waarde lady; op gezegd uur sliep ik in den hoek van een canapé en Sir Percy Blakeney op een ander rustbed.”„Kwam er dan niemand in de zaal?”„Niemand.”„Dan zijn wij beiden niet geslaagd?...”„Ja! het is ons niet gelukt—misschien...”„Maar Armand?” vroeg ze ontroerd.„Ah! De kansen van Armand St. Just hangen aan een zijden draad... bid den hemel, waarde lady, dat die draad niet breke!”„Chauvelin, ik heb eerlijk voor u gewerkt... denk erom...”„Ik herinner me mijn belofte,” zei hij kalm „op den dag, dat de Roode Pimpernel en ik elkander ontmoeten op Franschen bodem, zal St. Just zijn beminde zuster weerzien.”„Hetgeen zeggen wil, dat het bloed van een braaf man aan mijn handen zal kleven,” antwoordde ze sidderend.„Zijnbloed, of dat van uw broeder. Geloof me, voor het oogenblik moet u alleen hopen, evenals ik, dat de Roode Pimpernel vandaag naar Calais oversteekt.”„Ik koester maar een enkele hoop, burger Chauvelin.”„En die is?”„Dat de Satan, uw meester, elders uw diensten moge noodig hebben, voordat de zon opgaat over dezen dag.”„U vleit mij, burgeres.”Zij had hem voor een poos opgehouden, halverwege de trap, met een poging om de gedachten te weten te komen, die achter dat vosachtig masker lagen verscholen. Maar Chauvelin bleef sarkastisch en geheimzinnig. Geen trek van zijn gezicht zeide de arme, angstige vrouw, of zij in dit kritieke oogenblik had te vreezen of te hopen.Beneden in de vestibule bevond zij zich weldra in een besloten kring. Lady Blakeney stapte nimmer voor eenigewoning in haar rijtuig, zonder een zwerm van zwevende motten in menschengedaante, om het schitterend licht harer verblindende schoonheid. Maar voordat ze van Chauvelin finaal afscheid nam, stak zij hem de tengere hand toe:„Geef mij eenige hoop, Chauvelin,” smeekte ze.Met innemende galanterie boog hij over de fijne hand en kuste de toppenvan derozige vingers.„Bid den hemel, dat de draad niet breke,” herhaalde hij met zijn raadselachtigen glimlach, toen hij terzijde week.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.Twijfel.
In somber gepeins zat Marguerite Blakeney in het kleine, altijd nog eenzame boudoir, dat door de geopende portière uitzicht gaf op de dansende paren, maar zij sloeg er geen acht op.Voor haar geest daagde het visioen op van het tooneel, dat wellicht op dit oogenblik zich beneden in de eetzaal afspeelde. Die verlaten ruimte, het noodlottig uur—Chauvelin op wacht! dan, juist op het bepaalde tijdstip, het binnenkomen van een man, de Roode Pimpernel, den geheimzinnigen leider, die voor Marguerite nagenoeg onbestaanbaar was geworden.Zij wenschte ook tegenwoordig te zijn in de eetzaal op dit moment, hem gade te slaan als hij binnenkwam: ze wist, dat haar vrouwelijk vernuft terstond in hetgelaat van den vreemdeling—wie hij ook zijn mocht—de krachtige individualiteit zou herkennen, die onafscheidelijk is van een aanvoerder—van een held.„Lady Blakeney moet mij wel voor zeer achteloos aanzien,” sprak eensklaps een stem, dicht in haar nabijheid. „Ik heb heel wat moeite gehad mij van uw opdracht te kwijten, want aanvankelijk kon ik Blakeney nergens vinden...”Marguerite was alles omtrent haar echtgenoot en haar boodschap voor hem vergeten; zijn naam zelfs, door Lord Fancourt uitgesproken, klonk haar vreemd in de ooren, zoo geheel en al had ze haar vroeger leven geleefd in de Rue de Richelieu, met Armand altijd bij haar, als een beschermer en vriend.„Ik vond hem eindelijk,” vervolgde Lord Fancourt, „en bracht hem uw boodschap over. Hij zei, dat hij onmiddellijk orders zou geven om in te spannen.”„Ah!” zei ze, nog altijd zeer verstrooid, „u hebt Percy gevonden en hem mijn boodschap gebracht?”„Ja; hij lag in de eetzaal in diepen slaap. Ik kon er eerst niet in slagen hem wakker te krijgen.”„Dank u wel zeer,” zei ze werktuigelijk, trachtende haar gedachten te verzamelen.„Wil Lady Blakeney mij vereeren met den contredans, totdat uw rijtuig gereed is?” vroeg Lord Fancourt.„Dank u vriendelijk, milord, ik ben uiterst vermoeid,” zei ze verdrietig, zich door Lord Fancourt naar de koele serre latende geleiden. Hij bood haar een stoel aan, waarin ze neerzonk. Deze lange tusschenpoos wachtens was ondragelijk. Waarom kwam Chauvelin niet opdagen en haar den uitslag meedeelen zijner wacht?Lord Fancourt was zeer attent. Toch hoorde zij nauwelijks, wat hij zeide en deed hem plotseling schrikken door de onverwachte vraag:—„Lord Fancourt, hebt u gezien, wie zoo even, behalve Sir Percy Blakeney, in de eetzaal was?”„Alleen de agent der Fransche Republiek, Mr. Chauvelin, ook al in diepen slaap in een anderen hoek. Maar waarom vraagt u dit, Lady?”„Ik weet niet”... ik... „Hebt u den tijd genoteerd, waarop u er waart?”„Het zal zoo wat vijf à tien minuten over éénen zijn geweest. Ik begrijp niet, waarover u zich verontrust,” ging hij voort, want schijnbaar dwaalden de gedachten der schoone vrouw ver weg, en had ze zijn gesprek niet aangehoord.Maar feitelijk was dit niet het geval. Haar gedachten dwaalden slechts één verdieping benedenwaarts, in ditzelfde gebouw, naar de eetzaal, waar Chauvelin nog de wacht hield. Was hij niet geslaagd? Een enkel oogenblik daagde deze mogelijkheid voor haar op als een straal van hoop—dat de Roode Pimpernel door Sir Andrew mocht gewaarschuwd zijn en Chauvelin zijn vogel niet had kunnen knippen; maar weldra maakte die hoop plaats voor vrees. Was het hem niet gelukt! Maar dan—Armand!Lord Fancourt had het gesprek gestaakt, nu hij zag, dat hij geen gehoor vond. Hij wenschte zich te verwijderen en zei daarom eindelijk:„Zal ik eens gaan zien, of uw rijtuig gereed is, lady?”„Oh! gaarne... gaarne... als u zoo vriendelijk wilt zijn... ik ben nu geen opwekkend gezelschap nu... want ik ben vreeselijk moe... het beste is, mij maar aan mijn lot over te laten.”Zij verlangde ernaar hem te loozen, want de wensch bekroop haar, dat Chauvelin als een vos, op wien hij zoozeer geleek, mocht rondwaren met het voornemen haar op te sporen.Maar lord Fancourt was heengegaan, en nog kwam Chauvelin niet opdagen. Ach! wat kon er gebeurd zijn? Ze zag Armand gewogen en te licht bevonden... ze vreesde—ditmaal in doodsangst—dat Chauvelin’s list was mislukt en de geheimzinnige Roode Pimpernel wederom als een nevelbeeld was verdwenen; zij wist dat geen hoop, geen medelijden noch genade van den Franschman haar wachtte.Hij had zijn „Of dit—of—” uitgesproken; met niets anders was hij tevreden te stellen; hij kon gaan denken,dat zij hem opzettelijk had misleid, en daarom als weerwraak Armand ten verderve doemen.Toch had ze haar best gedaan. Ze kon het denkbeeld niet verdragen, dat alles mislukt was. Ze kon niet stil zitten; zij wilde heengaan en het ergste terstond vernemen, ze verwonderde zich zelfs, dat Chauvelin nog niet was gekomen, om zijn toorn te luchten en haar onder handen te nemen.Lord Grenville kwam nu in persoon haar aanzeggen, dat haar rijtuig gereed stond en Sir Percy haar wachtte—teugels in handen. Marguerite zei den gastheer „Vaarwel”; velen harer vrienden hielden haar staande op het oogenblik, dat zij de zalen doorliep, om haar een „tot weerziens!” toe te roepen.De Minister alleen nam boven aan de trap afscheid van de schoone Lady Blakeney; beneden in de vestibule wachtte een heirleger galante heeren, om de koningin van het bal uitgeleide te doen, terwijl daar buiten de prachtige schimmels van Sir Percy ongeduldig met hun voorbeenen den grond schraapten.Juist nadat zij van Lord Grenville had afscheid genomen, kreeg ze plotseling Chauvelin in het oog. Een vreemde uitdrukking lag op zijn gezicht, deels vermakelijk deels verward; toen zijn sluwe oogen die van Marguerite ontmoetten, namen ze weer een sarkastische uitdrukking aan.„Meneer Chauvelin,” zei ze, toen hij stilstond en voor haar boog, „mijn rijtuig staat buiten, mag ik uwen arm verzoeken?”Galant als altijd, voldeed hij aan haar verzoek. De menigte was zeer talrijk, sommigen der gasten van den Minister vertrokken, anderen leunden tegen de ballustrade, den drom gadeslaande, al naar gelang deze zich naar boven of beneden op de breede staatsietrap bewoog.„Chauvelin”, zei ze eindelijk wanhopig, „ik moet weten, wat er gebeurd is.”„Wat er gebeurd is, geachte lady?” zei hij met gemaakte verbazing. „Waar? Wanneer?”„Gij legt me op de pijnbank, Chauvelin. Ik ben u dezen nacht van dienst geweest... ik heb dus recht op eenigeinlichting. Wat is er in de eetzaal te één uur voorgevallen?”Zij sprak fluisterend, vertrouwende, dat in het algemeen rumoer haar woorden alleen door den man naast haar zouden worden vernomen.„Rust en vrede hadden de bovenhand, waarde lady; op gezegd uur sliep ik in den hoek van een canapé en Sir Percy Blakeney op een ander rustbed.”„Kwam er dan niemand in de zaal?”„Niemand.”„Dan zijn wij beiden niet geslaagd?...”„Ja! het is ons niet gelukt—misschien...”„Maar Armand?” vroeg ze ontroerd.„Ah! De kansen van Armand St. Just hangen aan een zijden draad... bid den hemel, waarde lady, dat die draad niet breke!”„Chauvelin, ik heb eerlijk voor u gewerkt... denk erom...”„Ik herinner me mijn belofte,” zei hij kalm „op den dag, dat de Roode Pimpernel en ik elkander ontmoeten op Franschen bodem, zal St. Just zijn beminde zuster weerzien.”„Hetgeen zeggen wil, dat het bloed van een braaf man aan mijn handen zal kleven,” antwoordde ze sidderend.„Zijnbloed, of dat van uw broeder. Geloof me, voor het oogenblik moet u alleen hopen, evenals ik, dat de Roode Pimpernel vandaag naar Calais oversteekt.”„Ik koester maar een enkele hoop, burger Chauvelin.”„En die is?”„Dat de Satan, uw meester, elders uw diensten moge noodig hebben, voordat de zon opgaat over dezen dag.”„U vleit mij, burgeres.”Zij had hem voor een poos opgehouden, halverwege de trap, met een poging om de gedachten te weten te komen, die achter dat vosachtig masker lagen verscholen. Maar Chauvelin bleef sarkastisch en geheimzinnig. Geen trek van zijn gezicht zeide de arme, angstige vrouw, of zij in dit kritieke oogenblik had te vreezen of te hopen.Beneden in de vestibule bevond zij zich weldra in een besloten kring. Lady Blakeney stapte nimmer voor eenigewoning in haar rijtuig, zonder een zwerm van zwevende motten in menschengedaante, om het schitterend licht harer verblindende schoonheid. Maar voordat ze van Chauvelin finaal afscheid nam, stak zij hem de tengere hand toe:„Geef mij eenige hoop, Chauvelin,” smeekte ze.Met innemende galanterie boog hij over de fijne hand en kuste de toppenvan derozige vingers.„Bid den hemel, dat de draad niet breke,” herhaalde hij met zijn raadselachtigen glimlach, toen hij terzijde week.
In somber gepeins zat Marguerite Blakeney in het kleine, altijd nog eenzame boudoir, dat door de geopende portière uitzicht gaf op de dansende paren, maar zij sloeg er geen acht op.
Voor haar geest daagde het visioen op van het tooneel, dat wellicht op dit oogenblik zich beneden in de eetzaal afspeelde. Die verlaten ruimte, het noodlottig uur—Chauvelin op wacht! dan, juist op het bepaalde tijdstip, het binnenkomen van een man, de Roode Pimpernel, den geheimzinnigen leider, die voor Marguerite nagenoeg onbestaanbaar was geworden.
Zij wenschte ook tegenwoordig te zijn in de eetzaal op dit moment, hem gade te slaan als hij binnenkwam: ze wist, dat haar vrouwelijk vernuft terstond in hetgelaat van den vreemdeling—wie hij ook zijn mocht—de krachtige individualiteit zou herkennen, die onafscheidelijk is van een aanvoerder—van een held.
„Lady Blakeney moet mij wel voor zeer achteloos aanzien,” sprak eensklaps een stem, dicht in haar nabijheid. „Ik heb heel wat moeite gehad mij van uw opdracht te kwijten, want aanvankelijk kon ik Blakeney nergens vinden...”
Marguerite was alles omtrent haar echtgenoot en haar boodschap voor hem vergeten; zijn naam zelfs, door Lord Fancourt uitgesproken, klonk haar vreemd in de ooren, zoo geheel en al had ze haar vroeger leven geleefd in de Rue de Richelieu, met Armand altijd bij haar, als een beschermer en vriend.
„Ik vond hem eindelijk,” vervolgde Lord Fancourt, „en bracht hem uw boodschap over. Hij zei, dat hij onmiddellijk orders zou geven om in te spannen.”
„Ah!” zei ze, nog altijd zeer verstrooid, „u hebt Percy gevonden en hem mijn boodschap gebracht?”
„Ja; hij lag in de eetzaal in diepen slaap. Ik kon er eerst niet in slagen hem wakker te krijgen.”
„Dank u wel zeer,” zei ze werktuigelijk, trachtende haar gedachten te verzamelen.
„Wil Lady Blakeney mij vereeren met den contredans, totdat uw rijtuig gereed is?” vroeg Lord Fancourt.
„Dank u vriendelijk, milord, ik ben uiterst vermoeid,” zei ze verdrietig, zich door Lord Fancourt naar de koele serre latende geleiden. Hij bood haar een stoel aan, waarin ze neerzonk. Deze lange tusschenpoos wachtens was ondragelijk. Waarom kwam Chauvelin niet opdagen en haar den uitslag meedeelen zijner wacht?
Lord Fancourt was zeer attent. Toch hoorde zij nauwelijks, wat hij zeide en deed hem plotseling schrikken door de onverwachte vraag:—
„Lord Fancourt, hebt u gezien, wie zoo even, behalve Sir Percy Blakeney, in de eetzaal was?”
„Alleen de agent der Fransche Republiek, Mr. Chauvelin, ook al in diepen slaap in een anderen hoek. Maar waarom vraagt u dit, Lady?”
„Ik weet niet”... ik... „Hebt u den tijd genoteerd, waarop u er waart?”
„Het zal zoo wat vijf à tien minuten over éénen zijn geweest. Ik begrijp niet, waarover u zich verontrust,” ging hij voort, want schijnbaar dwaalden de gedachten der schoone vrouw ver weg, en had ze zijn gesprek niet aangehoord.
Maar feitelijk was dit niet het geval. Haar gedachten dwaalden slechts één verdieping benedenwaarts, in ditzelfde gebouw, naar de eetzaal, waar Chauvelin nog de wacht hield. Was hij niet geslaagd? Een enkel oogenblik daagde deze mogelijkheid voor haar op als een straal van hoop—dat de Roode Pimpernel door Sir Andrew mocht gewaarschuwd zijn en Chauvelin zijn vogel niet had kunnen knippen; maar weldra maakte die hoop plaats voor vrees. Was het hem niet gelukt! Maar dan—Armand!
Lord Fancourt had het gesprek gestaakt, nu hij zag, dat hij geen gehoor vond. Hij wenschte zich te verwijderen en zei daarom eindelijk:
„Zal ik eens gaan zien, of uw rijtuig gereed is, lady?”
„Oh! gaarne... gaarne... als u zoo vriendelijk wilt zijn... ik ben nu geen opwekkend gezelschap nu... want ik ben vreeselijk moe... het beste is, mij maar aan mijn lot over te laten.”
Zij verlangde ernaar hem te loozen, want de wensch bekroop haar, dat Chauvelin als een vos, op wien hij zoozeer geleek, mocht rondwaren met het voornemen haar op te sporen.
Maar lord Fancourt was heengegaan, en nog kwam Chauvelin niet opdagen. Ach! wat kon er gebeurd zijn? Ze zag Armand gewogen en te licht bevonden... ze vreesde—ditmaal in doodsangst—dat Chauvelin’s list was mislukt en de geheimzinnige Roode Pimpernel wederom als een nevelbeeld was verdwenen; zij wist dat geen hoop, geen medelijden noch genade van den Franschman haar wachtte.
Hij had zijn „Of dit—of—” uitgesproken; met niets anders was hij tevreden te stellen; hij kon gaan denken,dat zij hem opzettelijk had misleid, en daarom als weerwraak Armand ten verderve doemen.
Toch had ze haar best gedaan. Ze kon het denkbeeld niet verdragen, dat alles mislukt was. Ze kon niet stil zitten; zij wilde heengaan en het ergste terstond vernemen, ze verwonderde zich zelfs, dat Chauvelin nog niet was gekomen, om zijn toorn te luchten en haar onder handen te nemen.
Lord Grenville kwam nu in persoon haar aanzeggen, dat haar rijtuig gereed stond en Sir Percy haar wachtte—teugels in handen. Marguerite zei den gastheer „Vaarwel”; velen harer vrienden hielden haar staande op het oogenblik, dat zij de zalen doorliep, om haar een „tot weerziens!” toe te roepen.
De Minister alleen nam boven aan de trap afscheid van de schoone Lady Blakeney; beneden in de vestibule wachtte een heirleger galante heeren, om de koningin van het bal uitgeleide te doen, terwijl daar buiten de prachtige schimmels van Sir Percy ongeduldig met hun voorbeenen den grond schraapten.
Juist nadat zij van Lord Grenville had afscheid genomen, kreeg ze plotseling Chauvelin in het oog. Een vreemde uitdrukking lag op zijn gezicht, deels vermakelijk deels verward; toen zijn sluwe oogen die van Marguerite ontmoetten, namen ze weer een sarkastische uitdrukking aan.
„Meneer Chauvelin,” zei ze, toen hij stilstond en voor haar boog, „mijn rijtuig staat buiten, mag ik uwen arm verzoeken?”
Galant als altijd, voldeed hij aan haar verzoek. De menigte was zeer talrijk, sommigen der gasten van den Minister vertrokken, anderen leunden tegen de ballustrade, den drom gadeslaande, al naar gelang deze zich naar boven of beneden op de breede staatsietrap bewoog.
„Chauvelin”, zei ze eindelijk wanhopig, „ik moet weten, wat er gebeurd is.”
„Wat er gebeurd is, geachte lady?” zei hij met gemaakte verbazing. „Waar? Wanneer?”
„Gij legt me op de pijnbank, Chauvelin. Ik ben u dezen nacht van dienst geweest... ik heb dus recht op eenigeinlichting. Wat is er in de eetzaal te één uur voorgevallen?”
Zij sprak fluisterend, vertrouwende, dat in het algemeen rumoer haar woorden alleen door den man naast haar zouden worden vernomen.
„Rust en vrede hadden de bovenhand, waarde lady; op gezegd uur sliep ik in den hoek van een canapé en Sir Percy Blakeney op een ander rustbed.”
„Kwam er dan niemand in de zaal?”
„Niemand.”
„Dan zijn wij beiden niet geslaagd?...”
„Ja! het is ons niet gelukt—misschien...”
„Maar Armand?” vroeg ze ontroerd.
„Ah! De kansen van Armand St. Just hangen aan een zijden draad... bid den hemel, waarde lady, dat die draad niet breke!”
„Chauvelin, ik heb eerlijk voor u gewerkt... denk erom...”
„Ik herinner me mijn belofte,” zei hij kalm „op den dag, dat de Roode Pimpernel en ik elkander ontmoeten op Franschen bodem, zal St. Just zijn beminde zuster weerzien.”
„Hetgeen zeggen wil, dat het bloed van een braaf man aan mijn handen zal kleven,” antwoordde ze sidderend.
„Zijnbloed, of dat van uw broeder. Geloof me, voor het oogenblik moet u alleen hopen, evenals ik, dat de Roode Pimpernel vandaag naar Calais oversteekt.”
„Ik koester maar een enkele hoop, burger Chauvelin.”
„En die is?”
„Dat de Satan, uw meester, elders uw diensten moge noodig hebben, voordat de zon opgaat over dezen dag.”
„U vleit mij, burgeres.”
Zij had hem voor een poos opgehouden, halverwege de trap, met een poging om de gedachten te weten te komen, die achter dat vosachtig masker lagen verscholen. Maar Chauvelin bleef sarkastisch en geheimzinnig. Geen trek van zijn gezicht zeide de arme, angstige vrouw, of zij in dit kritieke oogenblik had te vreezen of te hopen.
Beneden in de vestibule bevond zij zich weldra in een besloten kring. Lady Blakeney stapte nimmer voor eenigewoning in haar rijtuig, zonder een zwerm van zwevende motten in menschengedaante, om het schitterend licht harer verblindende schoonheid. Maar voordat ze van Chauvelin finaal afscheid nam, stak zij hem de tengere hand toe:
„Geef mij eenige hoop, Chauvelin,” smeekte ze.
Met innemende galanterie boog hij over de fijne hand en kuste de toppenvan derozige vingers.
„Bid den hemel, dat de draad niet breke,” herhaalde hij met zijn raadselachtigen glimlach, toen hij terzijde week.