“Hoezee voor Madzy Dekama!” riepen Helbada en Worp Ropta, deze reis eenstemmig: “Hoezee voor de Roos van Dekama!” riepen Schieringers en Vetkoopers: “Hoezee!” riep de gansche vergadering. Adeelen alleen bleef zwijgend en koel dit tooneel beschouwen.“Verschoont mij, edele Friezen!” zeide Aylva, “zoo ik een oogenblik aan mijn gevoel toegeve:—ik zie, met vreugd, dat gij allen in de blijdschap dezer heuglijke ontmoeting deelt.—Maar zeg mij, mijn kind! hoe zijt gij uit de handen der Hollanders ontkomen?”“Aan God alleen komt de dank toe voor mijn redding,” antwoordde zij, hem de hand kussende; “maar ik weet, gij handelt hier over ’s lands belangen: veroorloof mij voort te reizen: mijne tegenwoordigheid is hier onvoegzaam.—Waar zal ik u afwachten?”“Ga in vrede, mijn dochter! Wacht mij aan mijn huizinge te Awert: daar zal ik u komen afhalen. Zorg ook, dat uwe reisgenooten aan niets gebrek hebben. Ik zal straks na den afloop der vergadering bij u zijn.”Madzy wendde zich om, en, de vergadering met heuschheid groetende, maakte zij zich gereed te vertrekken.“Men zal zorg voor u dragen, goede vader!” zeide Aylva, ziende dat de monnik, die Madzy verzelde, onbeweeglijk staan bleef.“Ik heb mijn last nog maar gedeeltelijk volbracht,” zeide deze, “’t is niet slechts om de Jonkvrouw te geleiden, dat men mij uitzond: ik heb ook aan deze vergadering een mededeeling te doen, welke geen uitstel lijden mag.”Bij deze woorden, welke Madzy’s geleider op een krachtigen, doordringenden toon uitsprak, vestigden alle oogen zich op hem. Aylva zag eenigszins verwonderd op: hij scheen zich te willen herinneren, waar en wanneer hij die stem vernomen had. Adeelen deed verbaasd een stap voorwaarts en vestigde een blik vol verwachting op den onbekende. Madzy bleef plotselings staan als van den bliksem getroffen; haar gelaat werd met een doodskleur overtogen en teekendede angstigste verwachting. Claes Gerritsz, om wien niemand zich meer bekommerde, keerde insgelijks snel terug en trachtte den monnik in ’t gelaat te zien.“Wij laten niemand op onze landdagen toe dan een Fries,” zeide Aylva: “of dezulken, die mededeelingen hebben te doen, de belangen van Friesland betreffende.”“In die beide hoedanigheden vraag ik gehoor,” zeide de onbekende, “de zoon van Sjoerd Aylva heeft aanspraak op de eer van een Fries genoemd te worden. Mijn vader! schenk mij uw zegen.”Onder het uiten dezer woorden liet hij zich voor Aylva op de eene knie neervallen, te gelijk den kap omslaande, die zijn gelaat tot nog toe bedekt had. Adeelen stond verstomd. Madzy gaf een angstigen gil: en Aylva kon het gevoel van ontzetting niet bedwingen, dat hem door de leden waarde, toen hij in den jongeling, die hem den vadernaam schonk, Reinout van Verona herkende.“Wat wil dit?” zeide hij: “is dit een scherts, dan is zij afschuwelijk!”“Geene scherts!” zeide Reinout, zonder van houding te veranderen: “of heeft de zoon van Bianca di Salerno geen recht, een zegen af te smeeken, die hem te lang onthouden werd?”“Gij!” riep Aylva in hevige ontroering: “gij de zoon van Bianca di Salerno?”“Geloof mijn woorden niet: geloof dezen ring: dit perkament: mijn opvoeding aan het huis van Carlo della Scala: en de omstandigheden, welke uw huwelijk vergezeld hebben, en waarvan ik u een getrouw naricht geven kan.”Aylva nam met een bevende hand den ring aan; maar nauwelijks had hij er de oogen op geslagen, of de aandoeningen, welke dat gezicht bij hem verwekte, overstelpten hem. Het was op zich zelf reeds ontroerend genoeg eensklaps een zoon terug te vinden, wiens bestaan zelfs hem onbekend was; maar dien zoon te herkennen in den moordenaar eens jongelings, die zijn achting en genegenheid gewonnen had, dit was te sterk voor zijn gevoel: en bedwelmd, zich het gelaat met de handen bedekkende, viel hij op zijn zetel neer.“God! wat heb ik gedaan?” riep Reinout, opspringende: “de ontroering, de vreugd zullen hem dooden. Wee mij! dat ik zoo onvoorzichtig was. Kom tot u zelf, mijn vader! het is uw zoon, die daarom smeekt.”De hardvochtige Friezen waren bewogen. Sommigen traden toe om hulp te verschaffen aan den Olderman: Madzy bleef gelijk het beeld der wanhoop als op haar plaats genageld staan. Zij sidderde wanneer zij aan de toekomst dacht, en zag in ’t vooruitzicht Reinout, nu gerugsteund door zijn betrekking met Aylva, haar weder met zijn hatelijke liefde vervolgen.Maar een nieuw voorval kwam den zonderlingen toestand, waarin zich de aanwezigen bevonden, nog verwikkelen. Claes Gerritsz, die gelijk een aal tusschen de om Aylva verzamelde Friezen was doorgekropen, lei onverhoeds de hand op Reinouts schouder: “ik neem ugevangen,” zeide hij, “als moordenaar van Ridder Deodaat, en als voortvluchtig uit ’s Graven gevangenis.”“Hoe! wat? wat zal dat?”—riepen verscheidene stemmen.“Biedt mij de hand, trouwe onderzaten van Graaf Willem!” vervolgde de Ambtman, die in zijn blinden ijver vergat dat hij een naam aanriep, die hier weinig gezag had: “Reinout van Verona, dien gij hier ziet, ligt onder den ban des Graven:—ik eisch dat hij in mijne handen worde overgeleverd.”Reinout keerde zich met een half verwonderden, half toornigen blik naar den spreker: “Er is geen Reinout van Verona meer,” zeide hij: “dus is de ban uws Graven nietig:—en wat Deodaat betreft, die is zoo levend als ik:—gisteren althans genoot hij nog een goede gezondheid.”“En al ware die lage vrouwenverleider door uw toedoen naar de hel verhuisd,” zeide Adeelen: “welk kwaad had daarin gestoken? En wat maakt u zoo stout,” vervolgde hij tot Claes Gerritsz, “om niettegenstaande onze waarschuwing, u hier te vertoonen? Pak u van hier, of ik sla u ’t hoofd van den romp.”“Neen!” zeide Reinout, partij trekkende van deze omstandigheid en den bevenden Haarlemmer bij den arm grijpende: “Laat hij nog een oogenblik blijven. Friezen! kan ik u beteren waarborg van mijne gezindheid geven, dan de beschuldiging, die dit nietig wezen tegen mij inbrengt? Graaf Willem heeft mij gehoond en mijn diensten met ondank beloond. Gij hoort het! ik ben onder een armhartig voorwendsel, om een verwonding bij een onzaligen twist, door hem veroordeeld en vogelvrij verklaard. Ik ben hem niets meer schuldig. Mijn arm en mijn hart behooren voortaan Friesland alleen.”“Wèl gesproken!” zeide Adeelen: “en wie anders denken moge, Seerp Van Adeelen houdt u voor een echten Fries.”Dit zeggende schudde hij de hand van Reinout en velen der aanwezigen volgden zijn voorbeeld.“Goddank!” zeide Madzy, die intusschen naar haar voogd was toegetreden en zich uitsluitend met dezen had bezig gehouden: “hij opent de oogen weder.”“Wat is hier gebeurd?” vroeg Aylva, langzaam tot zich zelven keerende: “was daar niet iemand, die zich den zoon van Aylva noemde?—Maar neen, de zoon van Aylva kan geen sluipmoordenaar zijn. Ha! Madzy! mijn kind, gij daar?—Gij zijt toch altijd mijn dochter!”—“O! laten wij van hier gaan, mijn vader!” zeide zij: “laten wij naar een plaats gaan, waar gij rust kunt nemen,” herhaalde zij, ziende dat Aylva weder ineenzakte.Aylva gaf geen antwoord: maar de beweging zijner handen en van zijn hoofd gaf te kennen, dat hij stemde in haar voorstel. Door Madzy, den trouwen Feiko en eenige vrienden geleid, verwijderde hij zich. Reinout, dit gewaarwordende, trad toe om ook zijnen bijstand aan te bieden.“Wat wilt gij?” vroeg Madzy, hem met een blik van verontwaardiging aanziende: “verlangt gij hem te vermoorden?”“Moet niet de zoon zijn vader bijstaan?” zeide Reinout met een smeekend oog: “wie heeft meer recht dan ik, hem te vergezellen.”“Terug!” zeide Madzy met fierheid: “verdien eerst den naam van zijn zoon te dragen, en waag het vroeger niet, hem onder de oogen te komen.”Reinout beet zich op de lippen; maar hij gehoorzaamde, gevoelende dat alle aandrang in zulk een oogenblik slechts zou dienen, om haar nog feller tegen hem in te nemen. Zij verwijderde zich dan zonder verder oponthoud, met Aylva en Feiko, terwijl meester Claes Gerritsz dit oogenblik insgelijks waarnam om zich uit de voeten te maken. Wat Daamke betrof, hij keerde naar zijn ezel: want hij had op eens het voornemen opgevat Reinout zijn dienst aan te bieden.Na het vertrek van Aylva bleef de vergadering gedurende eenige oogenblikken in een staat van verwarring en besluiteloosheid, daar men het oneens was, of men de beraadslagingen zou voortzetten, dan wel of die behoorden geschorst te worden. Eindelijk echter drong Adeelen, gerugsteund door de aanzienlijksten der vergadering, het besluit door, om te hooren, wat Reinout had mede te deelen. Tevens bewerkte hij, dat voorloopig aan den Abt van Lidlum, zijn voormaligen vijand, het voorzitters-gestoelte aangeboden werd, en verwierf zich door dezen voorslag de toegenegenheid eener aanzienlijke partij. Iedereen keerde tot zijn plaats terug, en aan Reinout werd het woord verleend.“Friezen!” zeide hij: “ik heb slechts één woord te zeggen; maar ik weet dat, nu de nood mij dringt, het uit te spreken, het weerklank in uw aller harten vinden zal.Te wapen!—Het is de vraag niet meer, of gij den Graaf met vleiende woorden paaien, of gij zijn toorn verzoenen kunt. Zijn besluit is vast bepaald. Eer dit seizoen ten einde is, ziet gij zijn vloot aan uw kusten landen. Ik kom van Utrecht: het kan geen maand meer weerstand bieden, tenzij het ontzet worde. Zwicht het, dan trekt het zegevierend heir naar dit gewest. Voorkomt dezen slag door een manmoedig besluit. Zendt een heir naar het Sticht en valt den Graaf in zijne legerplaats aan. Laten uwe schepen de Hollandsche havens benauwen en langs de kusten stroopen. Zoodoende zult gij den moed der belegerden aanwakkeren en verwarring en schrik onder de benden des Graven brengen. Hij zal genoodzaakt zijn, zijn macht te verdeelen: zijn bondgenooten zullen hem afvallen, en de erfgrond uwer vaderen zal door geen vreemden voet bezoedeld worden.”Men beseft licht, hoe welkom de redenen van Reinout waren in de ooren van Adeelen en diens oorlogzuchtige vrienden. Maar ook zij, die in den beginne niet van krijg hadden willen hooren, zagen zich, nadat Reinout, op hun verzoek, hun de gronden van zijn raad nader had toegelicht, gedwongen te erkennen, dat er geen andere uitweg ware, dan krijg te voeren; en dat het in dat geval beter ware, den vijand aan te tasten, nu hij nog in strijd gewikkeld was, dan te wachten, dat hij het Sticht ten ondergebracht had. De partij der heethoofden dreef dus boven, gelijk zulks schier bij alle staatsberoeringenhet geval is, en na eenige woordenwisseling werd er zonder merkbare tegenkanting besloten, een leger naar Utrecht te zenden.Acht-en-twintigste Hoofdstuk.Gy zijt mijn Kodoman, en Cyrus’ nazaat waard.Bilderdijk. Darius aan Alexander.De maar, dat men niet slechts het Hollandsche juk afschudden, maar zelfs den oorlog op vreemden bodem zou gaan voeren, was spoedig Friesland rondgegaan; maar minder spoedig ging het verzamelen van een leger, om die onderneming te volvoeren. Het lichten van krijgsvolk in de steden was te dier tijd in alle landen een zaak, aan groote moeilijkheden onderhevig; maar in Friesland bleek zulks in dit geval eene onmogelijkheid te wezen: de poorters verklaarden ronduit, dat men hen steeds bereid zou vinden om de grenzen van hun land te verdedigen; maar dat zij nimmer daarbuiten zouden gaan oorlog voeren. De kloostervoogden waren evenmin geneigd, hun conversen uit te zenden: en ten platten lande begrepen de boeren dat het geene zaak was, tegen den oogsttijd van huis te gaan. Wat de Edelen betrof: leenplicht was in Friesland onbekend; en het viel hun moeilijk, aan hun onderhoorigen de noodzakelijkheid te beduiden, van zich op vreemden bodem te gaan wagen ten gevalle van een kerkvoogd, die hun onbekend en ten eenenmale onverschillig was. De heilige drift, die het besluit van den landdag had ingegeven, was merkelijk bekoeld: en nu men het in ’t werk zou stellen, zag men er eerst het onuitvoerbare van in. Het vuur der tweedracht begon ook spoedig weer te blaken: en onderlinge vijandschappen deden de landsaangelegenheden vergeten, terwijl bijna geen edelman zijn stins durfde verlaten, uit vrees van in zijn afwezigheid door den vijand te worden aangevallen: evenals in de fabel van den arend en de zeug, die beide te huis blijvende, elk bezorgd dat de andere zijnen jongen leed zoude doen, van honger omkwamen, en aan hun gemeenen vijand, de kat, ten prooi vielen.Nog eene omstandigheid werkte mede om de vorming van een leger te belemmeren: deze was gebrek aan eenheid in het uitvoerend bewind. Voorheen had men in netelige omstandigheden een Potestaat verkoren, die, met een macht bekleed, niet ongelijk aan die eens Dictators te Rome, het hoofdbeleid der verrichtingen op zich nam; thans echter geschiedde dit niet: eensdeels, omdat men huiverig was geworden, het gezag aan een enkele toe te vertrouwen: anderdeels omdat de eene partij ongenegen was, toe te stemmen in de keuze van een Potestaat uit de andere. Het opperbewind wasdaarom toevertrouwd geworden aan een raad van velen, ’t geen zeker niet tot bespoediging der zaken strekte. Wel deed Adeelen zich in dien raad krachtig gelden; maar hij leerde nu ook bij ondervinding, dat voortvarendheid in ’t besluiten, en spoed in het uitvoeren, twee geheel afgescheidene dingen zijn.Ook van de strooptochten, waartoe men had verklaard, te zullen overgaan, was niets gekomen. De poorters van Stavoren, althans de vermogenden onder hen, waren over ’t algemeen Hollandschgezind: en velen dreven handel met het graafschap: maar zelfs die, welke op de Oostzee voeren, en uithoofde van hun belang moesten verlangen, dat de handel van Holland gefnuikt werd, waren in dit tijdsgewricht bezorgd, daden van aanranding te bedrijven of goed te keuren, welke maatregelen van weerwraak konden tengevolge hebben: want zij wisten, dat een Hollandsen smaldeel voor het Vlie kruiste, en velen hunner wachtten rijkbevrachte schepen te huis, welke zij niet gaarne door Hollandsche kapers zouden zien prijsgemaakt. Zoomin uit deze als uit eenige andere haven van Westergoo zeilden dus roofschepen naar Holland uit: en men bepaalde zich ook daar, en wel nog slechts flauw, alleen tot verdedigingsmiddelen.Na in deze weinige woorden den toestand, waarin zich Friesland bevond, te hebben afgebeeld, zullen wij terugkeeren tot de schoone Madzy en haar voogd, den Heer van Aylva.Deze had zich, na het verlaten van den landdag, naar een kleine stins begeven, op een paar uren afstands van het Gaasterland nabij het dorp Caudum gelegen, en Awert-state genaamd. Op dit gebouw, hetwelk sedert lang in het bezit van zijn geslacht was, was door hem een pachter geplaatst, onder voorbehoud echter van een paar vertrekken voor zich en de zijnen. Zijn voornemen was niet geweest aldaar te vertoeven; doch zich den volgenden dag naar zijn gewoon verblijf bij Scadaert in Wonseradeel te begeven; dan, een geweldige aanval van koorts, die hem dadelijk na zijn aankomst overviel, noodzaakte hem van dit plan af te zien. Madzy bleef, gelijk men gissen kan, bij hem; en daar de eene zuster van Aylva ondertusschen overleden, en de andere met een edelman in Groningen gehuwd was, kwam de gansche zorg op haar alleen neder; en zij vervulde jegens haar voogd op de teederste wijze al de plichten eener liefhebbende dochter, terwijl Sytsken (die op de maar der terugkomst van haar meesteres dadelijk naar Awert-state gereisd was) haar in deze taak op de dienstvaardigste wijze ondersteunde. De toestand van den zieke werd weldra van een bedenkelijken aard, en de arts, zijnde een convers uit het naburige Sint-Odulfsklooster, gebood, dat men alles zorgvuldig zou vermijden, wat strekken kon om het geschokt gemoed van den kranke door nieuwe aandoeningen te kwetsen.Eens, op een schoonen avond, had Madzy het vertrek des Oldermans verlaten, met oogmerk, om voor eenige oogenblikken versche lucht te scheppen: een genot, waarvan zij nu een geruimen tijd was verstoken geweest. De toestand van den zieke had sedert een paar dagen eenig uitzicht op beterschap doen geboren worden: hij lag in een zachte sluimering: en Sytsken, in zijn vertrek gezeten, had aanMadzy beloofd, haar te zullen roepen zoodra hij ontwaakte. Zij was dus, te dezen opzichte gerust, de deur uitgetreden en verkwikte zich met de liefelijke buitenlucht, welke haar tegenwoei. Zich niet verre van huis willende verwijderen, wandelde zij een geruimen tijd op en neder voor de stins, welk gebouw uit een verzameling van onderscheidene woningen bestond, waarvan de voornaamste, die zich aan de westzijde bevond en tot verblijf voor den Heer strekte, van steen opgetrokken, twee verdiepingen hoog en met een gekartelden toren voorzien was, waarboven thans de banier van Aylva woei, zijnde een lazuur veld met een ster en een halve maan van goud. Aan dien toren grensde een half houten, half steenen huis, hetwelk door den pachter en zijn huisgezin betrokken werd en waaraan eenige lagere gebouwen, als de schuur, de stal, de bakkerij en dergelijken paalden. Hier en daar zag men nog sporen van versterking, door den bouwmeester aangebracht; maar deze waren bij vervolg van tijd tot andere gebruiken besteed: en het eenige verdedigingsmiddel, dat nu nog overig bleef, was in de dikte der muren van het hoofdgebouw gelegen, en in de breede gracht of sloot, die het erf van den landweg scheidde. Een ophaalbrug en daarnaast een plank of vonder voor de voetgangers waren de eenige middelen, langs welke toegang naar de stins verleend werd, terwijl een groote bulhond, die gedurig langs den rand van het water heen en weder liep, den al te vrijpostigen voorbijganger door zijn norsch aanzien en onophoudelijk geblaf beduidde, hoe gevaarlijk het zoude zijn, tegen den wil des bewoners dien toegang te willen gebruiken. Ja zelfs, toen Madzy zich op de werf vertoonde, bleef het dier haar, schoon zij van binnen kwam, eenigszins schuins aanstaren, stond stil en begon te knorren, terwijl het zijn gewone wandeling niet hernam, dan toen de pachtersvrouw, die in haar zomerhuisje zat, hem van verre toegeschreeuwd had, dat hij zich bedaard had te houden.Niet lang echter had Madzy in eenzaamheid de werf en den hof op en neder geloopen, toen zij in haar mijmering gestoord werd door een kletterend hoefgetrappel op den landweg, en weldra eenige ruiters zag aankomen, die voor de brug stilhielden. Twee hunner stegen af: en nu herkende zij in dezen, niet zonder siddering, Seerp Van Adeelen en Reinout, die, na hun paarden aan de zorg hunner dienaars te hebben toevertrouwd, aan gene zijde des vonders bleven staan.“Roep uw hond terug, vrouw!” schreeuwde Adeelen: “wij komen den Heer van Aylva bezoeken.”De pachtersvrouw gehoorzaamde en de beide edellieden traden de werf op.De eerste gedachte van Madzy was, binnen te gaan en zich te onttrekken aan een gezelschap, dat zoo onwelkom was. Zij begreep echter spoedig, dat dit weinig zoude baten en dat de ruiters waren gekomen, òf om den Heer van Aylva te spreken, ’t geen zij moest zoeken te beletten, òf om een onderhoud met haar zelve te hebben;—en dan was zij nog minder voor hen beiden vervaard, dan zij voor een hunner afzonderlijk zoude geweest zijn.“Madzy Dekama!” zeide Adeelen, toen hij haar genaderd was: “wij wenschen den Olderman te spreken.”“Dat mag niet geschieden,” zeide zij: “de arts heeft het stellig verboden.”“Zijn wij van dat verbod niet uitgesloten? het kan een ouden getrouwen vriend immers niet betreffen?”“Het betreft iedereen, wie hij ook wezen moge. De zieke is nog zwak en moet alle aandoeningen mijden.”“Gij zult toch,” zeide nu Reinout, “den zoon niet blijven weigeren, de sponde zijns vaders te naderen.”“Meer dan iemand,” antwoordde Madzy, zonder hem te durven aanzien: “was het niet het onverwacht hervinden van dien zoon, dat hem in die krankheid stortte? Zoo gij den man niet dooden wilt, vertoon u dan niet aan hem, voor hij u ontbieden laat.”De beide jongelingen zagen elkander eenige oogenblikken besluiteloos aan.“Gelooft mij,” vervolgde Madzy: “dringt heden niet aan op een onderhoud, dat geene andere dan schadelijke gevolgen kan met zich sleepen. Zoodra mijn waarde voogd zijn krachten heeft terugbekomen, twijfel ik niet, of hij zelf zal het onderhoud verlangen, dat hij nu niet in staat is te verduren.”“Welnu!” zeide Adeelen: “indien gij den ouden Heer achter de traliën wilt houden, dienen wij ons te onderwerpen. Dan, mijn boodschap is nog niet geëindigd:—gij hadt mij vroeger rechten op uw hand geschonken: ik kom u die teruggeven.”“Ik dacht dat gij dit reeds gedaan hadt, Seerp Van Adeelen!” zeide Madzy, op een fieren toon: “althans, na het gedrag, door u te Haarlem gehouden, beschouwde ik mij niet langer aan u verbonden.”“Des te beter! Ik herhaal het slecnts, opdat gij weten zoudt, dat gij, zonder vrees van mij te verstooten (een vrees, die juist nooit zeer zwaar bij u gewogen heeft) de ooren kunt leenen aan den zoeten praat van dezen Ridder.”“Adeelen!” riep zij verontwaardigd uit: “ik ben geen koopwaar, welke men van de eene in de andere hand kan doen overgaan.”“Ziedaar een punt, waaromtrent uw laatste reisavonturen nog eenigen twijfel zouden kunnen doen ontstaan. Een juffer, die nu met dezen, dan met genen Ridder over ’s Heeren wegen reist, die weken lang bij een Edelman huisvest, welke Edelman noch haar man, noch haar broeder, noch haar voogd is, die bij schoone Ridders in hun eigen tent bezoeken gaat afleggen, moest, dunkt mij, liever over zulke glibberige punten heenstappen.”De oogen van Madzy flonkerden van verontwaardiging, terwijl zij beurtelings van Adeelen naar Reinout dwaalden.—“Neen!” borst zij eindelijk uit: “zulk een afschuwelijk samenweefsel van laster werd nooit gesponnen! Ridder Reinout! zijt gij de verspreider dier geruchten? zoo is uwe ziel nog zwarter, dan ik mij die had voorgesteld.—Maar neen! zoo boosaardig kunt gij niet zijn. U is het bewust, u kan het althans bewust zijn, dat, zoo de schijn mij al beschuldigt, mijn eer zonder vlek of smet is gebleven. Zeg dienman, die mij beleedigen durft, dat hij zich bedriegt, en dat ik tegen mijn wil in Utrecht ben opgehouden en dat ik u niet kende, toen gij mij als reisgenoot vergezeldet.”“Kan ik krachtiger bewijs geven, hoe hoog ik u in eere houde,” zeide Reinout, “dan de verklaring zelve, dat ik het mij tot het hoogste geluk zoude rekenen, indien gij mij tot uw Ridder wildet verkiezen? Geef mij slechts eenen lichtstraal van hoop, en mijn zwaard zal elken boezem bedreigen, waarin een gedachte, uwer onwaardig, mocht opstijgen.”“Ik weet het,” zeide Madzy, met een afkeerige beweging, “uw zwaard is ras geneigd, de scheede te verlaten. Maar uw voorwaardelijk aanbod is onvoldoende. Wie heeft aan Adeelen die valsche berichten medegedeeld, zoo gij het niet geweest zijt?”“Ik heb hem niets dan de waarheid gemeld,” zeide Reinout: “de tevolgtrekkingen en de wijze van voordracht zijn van hem. Maar dit verklaar ik u, Seerp Van Adeelen! dat, schoon gij mij met Ridder-handslag tot wapenbroeder verkoren hebt, schoon ik u dank en trouw verschuldigd ben, dat ik u, als elk anderen, den Ridder-handschoen zal toewerpen, zoo gij u een woord laat ontvallen, beleedigend voor de eer dezer Jonkvrouw.”“Zooals gij wilt,” zeide Adeelen, wrevelig; “ik ben met u gegaan om u een dienst te bewijzen, niet om twist te zoeken. Er heerscht reeds tweedracht genoeg in Friesland.”“Hoe!” zeide Madzy: “is nog de haat der partijen niet uitgedoofd, bij de gevaren die ons bedreigen?”“Trekt gij u nog de zaken van Friesland aan?” zeide Adeelen, met een spottenden lach.“Gij behandelt mij onwaardiglijk, Seerp!” zeide Madzy: “misschien moest ik zwijgen en uwe woorden alleen met verachting beantwoorden! maar ik kan niet vergeten, dat uw ouders mijne weldoeners, dat gij de vriend mijner jeugd waart. Bij de schim uwer zalige moeder, Adeelen! ik ben onschuldig, en de Zuiderzee zal een droge heide worden, eer ik ophoude, een echte dochter van Friesland te zijn.””’t Is mogelijk!” zeide Adeelen, de schouders ophalende: “welnu! ik wil u dan wel melden, dat de Graaf, zoo ik hoor, den tocht naar Friesland uit het hoofd heeft gezet en bij Dordrecht een vloot laat bouwen om Eduard van Engeland tegen Frankrijk te ondersteunen: dat er nimmer schooner gelegenheid ware, een pleiziertocht in Holland te doen, zoo niet iedereen gek was geworden: dat wijders de Vetkoopers en Schieringers vuilaardiger zijn dan ooit; dat de monniken van Bloemkamp met den Proost van Pingjum zijn slaags geweest: dat Lidlum en Luidingakerke overhoop liggen: dat Wybe Reynalda en Seppe Ribalda elkaar hebben bevochten en beiden gesneuveld zijn: dat Helbada’s zoon, Douwe, door Worp Ropta in een hinderlaag gelokt en vermoord is; dat er geene stins in Oostergoo is, waar geen boom op staat1en dat Utrecht zichliever vandaag dan morgen moet overgeven, indien het zijn redding van ons verwachten moet.”“O mijn ongelukkig vaderland!” zuchtte Madzy: “wat moet er van u worden?”“Dat weet ik niet,” zeide Adeelen: “ik kan niet alles alleen af. Aylva ligt ziek: vader Syard, die zooveel praats had, is verdwenen:—denkt slechts om zich zelf:—maar zooals het nu is zal het niet blijven, of ik werp mijn zwaard in ’t meer en word een monnik.—En nu vaarwel!”Dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich, sprong op zijn paard en was spoedig buiten het gezicht. Madzy wilde zich nu terstond naar huis begeven; maar Reinout hield haar staande.“Uw hart is nog tegen mij ingenomen,” zeide hij, op een smeekenden toon: “maar kunt gij op mij eeuwig vertoornd blijven, wegens een opwelling van gramschap, welke haar oorzaak en tevens haar verschooning in mijn blakende liefde vond?”“God beware mij, Ridder!” zeide Madzy: “dat ik u gestreng zou veroordeelen. Hij zelf heeft u een eeuwig naberouw gespaard, door niet toe te laten dat uw moorddadig opzet den dood van uw evenmensch ten gevolge had:—wat zeg ik? den dood van uw boezemvriend, van hem, die u sedert uwe geboorte als een broeder bemind had.... en die, ik betuig het u, u geene oorzaak tot zulk een handelwijze gegeven had?”“En toont dit juist niet de kracht mijner liefde voor u,” vroeg Reinout, “dat ik hem, die mij zoo dierbaar was, eraan opofferde?“Dit toont alleen, dat gij een hartstochtelijk mensch zijt,” zeide Madzy: “een liefde, die tot misdaad vervoert, is geenszins de ware liefde, zooals ik mij die heb voorgesteld.”“Welnu dan!” zeide Reinout: “zij maakt voor ’t minst die misdaad verschoonlijk.—Maar ik wil het u niet verbloemen: ja! ik heb afschuwelijk gehandeld! Ik wil gelooven, dat Deodaat niet zoo schuldig was, als ik dacht: ik heb, meer dan eens, in eenzaamheid, mijn halsvriend betreurd:—maar nu, nu leeft hij weder, en het is niet langer de hand eens moordenaars, die Reinout van Aylva u aan durft bieden.”“Ridder!” hernam Madzy: “ik mag u niet vleien met een ijdele hoop. Tracht mijn achting, tracht de uwe te herwinnen, en dan zal Madzy Dekama u eeren als den zoon van iemand, wien zij boven elk ander vereert.”“Wel, in naam van dien braven man bid ik, trek uw onbarmhartige uitspraak in. Ach! Ik vermoed het: mijn vader zelf is tegen mij ingenomen wegens mijn wandaad. Wees gij de engel, de middelaarster, die ons weer te zamen brengt en hem met mij verzoent. Hij ziet, hij hoort slechts door uwe oogen: zoo uw bijstand mij faalt, hoe zal ik genade bij hem verwerven? Maar een woord van u, en hij schenkt mij vergeving en liefde: en dan, bedenk het zelve: gij hebt gehoord in welk licht Adeelen uw gedrag heeft durven plaatsen? Is er een beter middel om zijnen,om ieders mond te doen zwijgen, dan om uw hand te schenken aan hem, die ze niet zou afbidden indien hij niet van uw deugd overtuigd ware.”“Ik weet een beter middel,” zeide Madzy: “het is van uw liefde af te slaan, en daardoor te toonen, dat ik den laster niet vreeze.—Wat voorts uw verzoening met uw vader betreft, wees gerust, dat Madzy Dekama blozen zou, haar invloed op hem te misbruiken, door zijn hart van u te verwijderen.”“Ik vertrouw dit,” zeide Reinout: “oordeel zelve, welke waarde ik aan die betuiging hecht, daar ik mij door u een recht laat ontnemen, dat ik bij elk ander zoude doen gelden, dat namelijk, van mijn vader in zijn krankheid te verzorgen.”Hier werd hun gesprek gestoord door Sytsken, die, de deur uitkomende, zich tot Reinout wendde en hem te kennen gaf, dat de Olderman verlangde hem te spreken.“Is het mogelijk!” riep Reinout uit, terwijl een glans van vergenoegen zich over zijn gelaat verspreidde: “ik zie met blijdschap, dat de toestand mijns vaders niet zoo erg is, als mij die werd afgeschilderd.”“God geve,” zeide Madzy: “dat deze ontmoeting zoo gezegend voor u afloope, als ik dit van harte wenschte. Maar zeg mij, Sytsken! heeft de Olderman uit zich zelven naar den Ridder gevraagd?—Wist hij, dat die zich hier bevond?”“Wat zal ik zeggen?” zeide Sytsken: “zooeven werd hier vrij heftig gesproken: onze goede Heer ontwaakte ervan. Hij gelastte mij te vernemen, wat er gaande was: en daar ik hoorde, dat het gerucht hier vandaan kwam, ging ik even met den neus aan ’t venster en zag Seerp Van Adeelen, die als een pauw heenstapte, en den Ridder, die met u sprak, en toen zei ik het den Olderman en vroeg of ik de Jonkvrouw roepen zou, gelijk gij mij bevolen hadt te doen, als hij wakker werd. De oude Heer ging recht overeind in ’t bed zitten, zoo fiks gelijk hij nog niet gedaan heeft: ‘Sytsken!’ zeide hij: ‘ga den Ridder verzoeken hier te komen.’—‘Maar,’ zei ik, ‘uw Edelheid weet, wat de arts heeft gezegd.’—‘Ik weet het,’ zeide de oude Heer; ‘maar ik begeer hem te spreken en ’t zal mij geen nadeel doen.’—En zoo volgde ik zijn last.”“O! voldoe dan terstond aan zijn verlangen, Ridder!” zeide Madzy: “en moge de uitslag van uw onderhoud zijn als gij dien wenscht.”Een dankbare blik was het antwoord van Reinout, en hij volgde zijn geleidster met een blijmoedigheid, die niet vrij was van ontroering. Weldra bevond hij zich in het vertrek, waar Aylva op het ziekbed lag uitgestrekt.De Olderman richtte zich op toen zij binnentraden: hij zag zwijgend Reinout aan, die zich naast zijn sponde op de knie liet neervallen en de vermagerde hand van Aylva kuste. Deze trok haar zachtjes, zonder ruwheid, terug, verzocht Sytsken een waterkruik naast het hoofden einde te plaatsen en vervolgens het vertrek te ruimen. Zoodra hij met Reinout alleen was, wenkte hij hem, een stoel te nemen enzich te zetten. De jongeling gehoorzaamde zwijgend, in pijnlijke verwachting van hetgeen er volgen zoude.“Ik heb verlangd, mij met u te onderhouden,” zeide Aylva; “onze laatste ontmoeting heeft mij geschokt, ik wil dat niet ontveinzen: met dit al hebt gij recht om gehoord te worden. Wees zoo goed en verhaal mij thans eens omstandig de gebeurtenissen, waarop gij uw recht grondt, van mij vader te noemen.”Reinout gehoorzaamde. Hij vermeldde de wijze, waarop hij bij Carlo della Scala gekomen was, herhaalde hetgeen Barbanera hem betreffende Bianca had gezegd, en door ons in hetachtste Hoofdstukgeboekt is, en gaf vervolgens verslag hoe hij bij dit zonderling toeval, in dezen zijn ouden bekende Paolo ontmoet had, aan wien hij de ontdekking der waarheid verschuldigd was.“Ik herinner mij dien Paolo,” zeide Aylva, nadat Reinout zijn verhaal geëindigd had: “hij leide het te Milaan op mijn leven toe, en schoon hij het vertrouwen van mijn Bianca schijnt genoten te hebben, blijkt het mij thans, dat hij haar zoowel als den dwingeland van Verona gelijktijdig gediend en gelijktijdig bedrogen heeft. Wellicht is hij het geweest, die aan Bianca de valsche tijding van mijn dood deed weten: en ook hieruit kan ik mij de reden verklaren, waarom hij geschroomd heeft, mij te Haarlem te komen opzoeken en mij daar reeds het geheim uwer geboorte mede te deelen. Ach! dat hij het gedaan hadde! Ik had hem een bedrog, dat zoovele jaren geleden plaats had, gaarne vergeven: en wellicht had dan de euveldaad geene plaats gehad, die sedert uw naam bezoedeld heeft.”Reinout zuchtte: “Wijt die euveldaad” zeide hij, “aan gekrenkte spijt wegens slecht beloond vertrouwen, aan een opwelling van onbedachten toorn: aan het Italiaansche bloed, dat mij door de aderen vloeit.... misschien ook aan het Friesche... want naar ik bemerk, men ziet er hier te lande ook niet veel kwaad in, elkander het staal in ’t hart te jagen:—in allen gevalle, Deodaat leeft nog: en gewis, zijn hart heeft mij vergeven. Zou mijn vader gestrenger over mij oordeelen?”“Leeft hij nog?” vroeg Aylva, verheugd: “God zij geprezen! hij was een edel jongeling! en wel waardig,” vervolgde hij met een zucht, “van uit ridderbloed gesproten te zijn.—Hij was met u opgevoed, nietwaar?”Reinout wendde zich spoedig om, zoodat hij met den rug naar het licht kwam te zitten; want hij voelde, dat hij op deze onverwachte vraag bloedrood werd. Hij had met opzet de omstandigheid, dat Deodaat met hem te gelijk aan Carlo della Scala was toevertrouwd geworden, aan Aylva verzwegen: niet zoozeer omdat bij hem zelven nog eenige twijfel omtrent de echtheid zijner geboorte uit Bianca bestond, als uit vrees, dat de Olderman nog tusschen hem en Deodaat zou twijfelen, daar toch de bepaling, wie van beiden Bianca’s zoon ware, alleen van de verklaring van Barbanera-Paolo afhing, die niet tegenwoordig was, en aan wien Aylva bovendien wellicht weinig geloof zou slaan.—Intusschen was hij dubbel tevreden, van deze omstandigheid geene melding gemaakt te hebben,nu hij uit Aylva’s woorden kon afleiden, dat Deodaat hem als zoon meer welkom zou geweest zijn dan hij. Hij zweeg dan eenige oogenblikken, en antwoordde toen: “Hij was een braaf en beminnelijk mensch: de speelmakker mijner jeugd.... evenals ik door den edelen Carlo als zoon aangenomen: wij hebben samen veel lief en leed doorgestaan:—hadden wij niet beiden ons oog op Madzy laten vallen, wij waren eeuwig vrienden gebleven.”“Nu spreekt gij, zooals ik het gaarne heb,” zeide Aylva: “en ik ontwaar met vreugde, dat gij hem recht doet, en dat uw misdaad alleen een gevolg van gramschap was en niet uit een boos gemoed ontsproot. Neen: ik mag niet langer twijfelen. Deze brief is van Bianca’s hand! De edele Carlo heeft die zeker herkend—en gezwegen, om haar rampspoedig lot niet te verzwaren!—Deze ring—ik gaf hem aan Bianca bij ons huwelijk. Barbanera heeft dien, zegt gij, van haar ontvangen?”“Hij heeft haar gezien, voor hij zich naar dit land op reis begaf en hem toen van haar ontvangen om tot bewijs mijner geboorte te strekken.” (Dit had Barbanera aan Reinout in de herberg te Plaswijk verhaald.)“Zij zou dan nog leven!” riep Aylva in vervoering uit: “leven... maar in de slavernij van dien afschuwelijken dwingeland!—O God! zoo ik naar mijn herstelling zou wenschen, het ware om haar uit hare boei te verlossen!—Kom!” zeide hij, na eenige oogenblikken zwijgens; “ik ben vermoeid; maar wat geschieden moet, dient niet langer te worden uitgesteld. Roep Feiko binnen.”De dienaar verscheen, en ontving last, om Madzy, den pachter, en Aylva’s huiskapelaan te ontbieden. Zoodra deze binnen waren, gaf hij laatstgemelden bevel, een verklaring op te maken, waarbij hij, Sjoerd van Aylva, Reinout als zijn wettigen zoon en erfgenaam erkende. Dit stuk, opgesteld zijnde, werd door aller onderteekening, voor zooverre zij schrijven konden, en door de overigen met hun kenmerk bekrachtigd.“En nu, mijn zoon!” zeide Aylva: “kniel neder en ontvang den vaderlijken zegen.”Reinout viel op beide knieën voor het bed; maar een kille huivering rolde hem door de leden, toen Aylva hem de handen op het hoofd leide en den vaderlijken zegen over hem uitsprak. Hij wist niet, waaraan hij het gevoel moest toeschrijven, dat hem drukte; maar de aandoening, welke hem overstelpte, was gelijk aan die, welke volgens zijne gedachten, Jakob moet gekweld hebben toen hij den zegen aan zijn broeder ontstal. Hij rees op en omhelsde Aylva: maar hij bleef koel bij die omhelzing: hij droeg den Olderman eerbied toe; maar hij ondervond die warme kinderlijke liefde niet, welke hij zich verbeeldde dat in het hart eens zoons jegens zijn vader wonen moest. Hij trad een stap achterwaarts en toen de huispriester hem met deftigheid, Feiko met belangstelling, de pachter met onderdanigheid en Madzy op een recht welmeenenden toon gelukwenschten, gevoelde hij zich bijna ongelukkig.“En nu, mijn zoon!” zeide Aylva, “nu heb ik rust noodig. Neemden Heer kapelaan en deze verklaring mede, reis mijn goederen rond en bezoek mijn gezin. Het is voegzaam en nuttig, dat gij een en ander leert kennen. Uw bekwaamheid en kennis in krijgszaken is mij bekend. Gij zijt nu een Fries, en het betaamt u het vaderland te dienen. Gij kunt in de tegenwoordige omstandigheden van nut wezen. Beschik over al het mijne naar uw goeddunken, voor zooveel gij oordeelt, dat zulks voor Friesland heilzaam kan zijn.”“Ik hoop, mij uw vertrouwen niet onwaardig te maken,” was alles, wat Reinout kon uitbrengen: en, een kort afscheid nemende, verliet hij de ziekekamer en weldra de stins, vergezeld van den huispriester.“Welnu, Ridder!” vroeg hem aan den ingang Daamke, die na den landdag in zijn dienst getreden was en zijn ezel tegen een paard, zijn zotskolf tegen een zwaard en zijn narrenpak tegen het gewaad eens speermans verruild had: “hoe is uw wedervaren geweest?”“Ik ben voorgoed erkend als erfzoon van Aylva,” antwoordde Reinout, terwijl hij met een bedrukt gelaat te paard steeg.“Als erfzoon van Aylva,” dacht Daamke: “en hij kijkt zoo sip als een hoen, dat op ’t sterven ligt! Men zou waarlijk zeggen, dat het hem leed deed.—Bij Sint Julfus! Indien mij zulk een geluk overkwam, ik zou waarlijk in staat zijn van blijdschap den dood van mijn goeden vriend Cezar te vergeten.”1Dit was het teeken, dat de eigenaar een aanval vreesde en waarmede hij zijn vrienden waarschuwde tot ontzet aan te rukken.Negen-en-twintigste Hoofdstuk.Que diable allait-il faire dans cette galère?Molière. Les fourberies de Scapin.Eenige dagen waren er verloopen sedert het tooneel, dat wij in ons vorige Hoofdstuk vermeld hebben, toen in den vroegen morgen een vaartuig, dat het wapen van Amsterdam aan den mast voerde en oogenschijnlijk een lading bier in had, zich in ’t gezicht der Zuiderhaven van Stavoren vertoonde. De nacht was koel geweest: maar nu was de lucht spakerig en als met een gaas bedekt: terwijl de zon, die rood als bloed door dien nevel scheen, een heeten dag voorspelde. De wind, welke gedurende den nacht frisch uit het zuidwesten gewaaid had, was met den dag uitgeschoten en belette het vaartuig zijn weg te vervolgen met dien spoed, welke de omstandigheden schenen te vorderen. De schipper stond zelf aan het roer; en zijn oog, dat onafgebroken op de lucht gevestigd was, scheen met verlangen uit te zien naar de geringste verandering in de streek, die de wind hield, om daarvan terstond een voordeelig gebruik te maken; terwijl de vijf matrozen, die de manschap uitmaakten, aan den voorsteven bijeenzaten in een wel ledige houdingmaar die slechts één woord verwachtte om in een werkzame te veranderen. Naast den schipper zat iemand, in den bloei zijner jaren, op een blauwen mantel neder, met witte lieren bezaaid. Zijn gewaad was echter dat van een koopman; zijn oog gaf onrust en ongeduld te kennen en scheen bestendig den schipper te ondervragen, die echter te voorzichtig was om dien zwijgenden blik te willen begrijpen. Eindelijk kon de jongeling zich niet langer bedwingen, en, het hoofd oprichtende, dat tot nog toe op de vlakke hand geleund had, ving hij met de volgende woorden het onderhoud aan:“Hoe jammer, dat de wind niet uit denzelfden hoek is blijven waaien: wij waren anders met het aanbreken van den dag al binnen de haven geweest.”“Gij hebt gelijk,” zeide de schipper; “maar tegen de elementen valt niets te doen.”“Intusschen,” zeide de koopman; “zoo wij niet gisteravond, door wiens schuld weet ik niet, op die zandbank waren vastgeraakt, hetgeen ons zeker drie uren heeft opgehouden, zouden wij reeds lang binnen zijn.”“Door wiens schuld?—Door de schuld van die hagelsche Friezen! van die ongelukskinderen, die de bakens verzet hebben om ons een schipbreuk te bezorgen: gij kunt overtuigd zijn, dat zij al sinds lang voor een overval vreezen, en er op uit zijn geweest om den overtocht moeilijk te maken.”“Ik geloof met u,” zeide de koopman, “dat zij op hun hoede zijn, en daarom had ik gistermorgen reeds willen gaan om bij nacht in Stavoren te kunnen komen en het slot te bemannen, eer iemand de lucht van ons voornemen kreeg. Maar dat satansche volk kwam zoo laat aan:—Houdt u toch stil daar beneden,” zeide hij, opstaande en op den bodem stampende: “en schept moed! wij zullen wel in de haven zijn binnen een half....” (hier zag hij den schipper aan, die het hoofd schudde:) “binnen een uur....” (de schipper trok het gezicht tot een scheeven lach en wendde het hoofd om.) “Boudewijn! houd toch stilte! wat ik u bidden mag.”“Wij zijn zoo stil als wij kunnen, Heer Ridder!” riep een stem van beneden; “maar die arme kerels zijn ziek als honden en het vaartuig stoot als een kreupele hit.”“Geen nood,” zeide de schipper: “dat zal niet lang duren: wij komen zoo in slecht water: en dan krijgen wij een oppertje.”“Ja! mij dunkt, wij moeten er haast zijn,” zeide de koopman, of liever de Ridder: “ik begin de huizen al te onderscheiden.”Maar dit vooruitzicht was ijdel; want na weinige oogenblikken liet de schipper het vaartuig wenden en de wal verwijderde zich weer.“Eilieve!” zeide de Ridder: “waar gaan wij nu weer heen?”“Thans zal het gelukken,” zeide de schipper: “wij zijn boven den wind en krijgen zoo dadelijk hoog water. Met een paar gangetjes zijn wij er!”De Ridder nam geduld, en de armen over de borst kruisende, sloeg hij een aandachtig oog op de Friesche kust. Recht voor hem uit verhief zich de hooge heuvel uit zee, die nog heden, ofschoondoor het golfgeweld dagelijks afnemende, zijn naam van het Roode Klif bewaard heeft. Tegen de helling en aan den voet dier hoogte graasde een talrijke kudde schapen, die al meer en meer naar de kruin terugweek, naarmate de vloed kwam opzetten. Ten noorden van het Klif en aan het einde van een zomerkade, bestemd om de invretende zeegolven te keeren, strekte zich een groene smalle landstrook uit, aan wier uiterste einde zich het klooster van Sint-Odulf met zijn hoogen toren en vergulden koepel in al zijn luister verhief: en eindelijk, nog meer noordwaarts en aan den hoek van Friesland, deed zich het trotsche Stavoren op met zijn schitterende daken en ruime kerkgebouwen, met zijn dubbele haven, en zijn ver vooruitstekende kaaien, waarmede het de zee te omarmen scheen. Het gelaat des jongelings werd somberder nog dan het geweest was, en een vloed van gewaarwordingen overstelpte hem.“Daar is die kust dan,” dacht hij: “die kust, welke ik zoo gaarne als vriend betreden had! Daar leeft, voor wie ik met wellust al mijn bloed zoude offeren, en wier landgenooten ik thans bestrijden ga!—Zal ik haar nog zien?—Ach! zoo zij te Haarlem en te Utrecht mijn hand versmaadde, hoeveel te meer zal zij dit hier doen, nu ik als vijand kom!”Terwijl Deodaat, wien mijn lezers aan deze uitboezeming herkend zullen hebben, aldus stond te peinzen, kwam de jongste der matrozen, een nauw volwassen knaap, hem op zijde.“Onze onderneming begint onder slechte voorteekens, Heer Ridder!” zeide deze.“Dat doet zij, Zweder! maar een goed krijgsman mag nimmer den moed opgeven!”“Ook geef ik den moed niet op, Heer Ridder! en heb voor mij zelven geene zorg. Zoo gij sneuvelt in dezen tocht, ’t geen God verhoede! dan sneuvel ik met u, en dan is Zweder van Naaldwijk toch met eere gevallen. Maar ik ben bezorgd voor de vloot van den Graaf, die zeker reeds moet uitgezeild zijn. De matrozen zeggen, dat er weer storm zal komen; waar zij het aan zien, weet ik niet; maar zij dienen er verstand van te hebben.”“Wij willen hopen, dat des Graven stuurlieden het ook zullen zien, en de vloot niet noodeloos aan gevaar blootstellen. Met dat al, er schijnt een vloek op deze onderneming te liggen.”“Ja! ja,” zeide Zweder: “die voorspelling van Graaf Reinout en van den kokeler is menigeen voor den geest gekomen in deze laatste dagen! en, zoo ik hoor, heeft de Heer van Beaumont den Graaf nog gebeden den tocht niet aan te vangen, zonder tevens eenige benden te land te zenden.”“Welnu! dat zal immers geschieden,” zeide Deodaat. “De Bisschop heeft bevel gezonden aan zijn vazallen in Drenthe en in het Oversticht om gewapenderhand in Friesland te vallen.”“De Bisschop is een looze vos,” hernam Zweder, met een glimlach: “hij wil ook zijn aandeel in den buit niet missen;—maar ik ben overtuigd, dat zoo de vloot eens niet landde (’t geen God verhoede!) de heldendaden van ’s Bisschops leger zich zouden bepalentot het plukken van heidebloempjes op de vlakten van Drente om er kransjes van te vlechten;—maar zie eens, Heer Ridder! Daar naderen wij den wal weer. Is dat nu Stavoren?—Eilieve!—mij dunkt, daar staan menschen op de kaai.”“Dat doen er net,” zeide de schipper: “en dat voorspelt ons weinig goeds. Al die vrome lui staan daar ook niet bloot om naar den wind uit te zien. Ik zou zeer bedrogen zijn, indien die Workummer visscher, die ons gisteren, toen wij op de bank zaten, kwam vragen of hij het anker op mocht zoeken, dat wij gekapt hadden; indien die Workummerman, zeg ik, ons niet vooruit ware.—Ja bij mijn ziel! daar ligt zijn schuit al in de haven!—De kans is verkeken, Ridder!—en wij zullen wel doen den steven te wenden.”“Dat niet,” zeide Deodaat: “althans niet, voordat mij de onmogelijkheid blijkt, van mijn last te volbrengen. Maak slechts haast, want elk oogenblik vermeerdert de noodzakelijkheid om spoedig aan wal te zijn.”“Ook goed!” zeide de schipper: “nog een paar gangetjes en wij zijn er.”In weerwil van de haast, die hij predikte, was Deodaat niet ontevreden, dat het vaartuig nog die twee gangetjes te doen had, vermits hem zulks den tijd gaf, om nogmaals bedaard na te denken, welke handelwijze hij volgen moest. Des Graven last was geweest, dat hij binnen Stavoren, alwaar vele burgers nog Hollandschgezind waren, op een bedekte wijze eenig volk ontschepen zoude, het kasteel bemannen en de stad in bedwang houden, ten einde alzoo de Graaf dadelijk bij zijn landing een vast punt zou hebben, van waar hij zijn krijgsbewegingen kon besturen. Deze taak van Deodaat was hachelijk en de uitslag onzeker, daar men in Holland niet juist met den stand der zaken bekend was, en niet wist of men op de goede gezindheid der burgerij van Stavoren kon blijven vertrouwen, welke daarenboven door de overmacht der overige Friezen of door een oploop van het gepeupel kon machteloos gemaakt worden. Deodaat had daarom de noodzakelijkheid ingezien, bij verrassing te handelen en zijn krijgsknechten onder den valschen bodem verborgen van een schip, dat van boven met biervaten geladen was. Zijn plan was, dit volk bij nacht te ontschepen en daarmede naar het kasteel te trekken; hetwelk (althans zoo luidden de laatste berichten, door ClaesGerritszgezonden) geene Friesche bezetting had; maar door twee of drie lieden bewaakt werd, op wier trouw aan den Graaf men kon afgaan. Door vertraging bij inscheping en door tegenspoed op reis was er nu een dag verloren gegaan en was het noodzakelijk geworden, de onderneming tot den volgenden nacht te verschuiven. Intusschen gaf de groote menigte menschen, op de kaai verzameld, geene geringe bezorgdheid aan Deodaat, of niet zijn plan verraden en reeds te Stavoren bekend ware: en hij oordeelde het raadzaam, zich hiervan te verzekeren ten einde de zijnen niet nutteloos ter slachtbank te brengen. Het besluit, dat hij ten gevolge dier overdenkingen nam, was dan ook datgene, hetwelk hem de menschelijkheid en de voorzichtigheid voorschreven, hoewel het voor hem zelven het meeste gevaar inhad.“Boudewijn!” riep hij: “kom boven, maar leg eerst uw harnas af! En gij Zweder! hoor mij.”Beide schildknapen waren spoedig bij hem.“Mijn voornemen,” zeide hij, “is alleen en onverwijld de stad in te gaan, om kondschap te nemen hoe de zaken staan: het schip op stroom latende liggen. Binnen drie uren kom ik weder bij u; immers zoo ik alles bevind, gelijk wij wenschen. Kom ik niet terug, dan is het een teeken, dat mijn leven of mijn vrijheid bedreigd wordt: gij wendt in dat geval den steven en boodschapt den Graaf mijn wedervaren.”De twee schildknapen zagen elkaar met onrustige blikken aan.“Welnu!” zeide Deodaat: “hoe kijkt gij zoo zwart? Wat hapert er aan?”“Ridder!” zeide Boudewijn: “bij God, ik laat u niet alleen gaan:—gij zoudt omkomen in dat vervloekte nest! Laat ons liever, of al te zamen terugkeeren, of terstond met het volk aan wal springen en naar het kasteel trekken, eer die Friesche lomperds den tijd hebben om te bespeuren wat wij in ons schild voeren.”“Zie eens!” zeide Deodaat, naar de stad wijzende: “ziet gij daar eenig blijk van een vriendelijk onthaal?”De afstand, waarop zij zich nu bevonden, liet hun toe, dadelijk te bespeuren, dat niet slechts de volksmenigte op de kaai en de hoofden was aangegroeid, maar ook zag men, achter de aldaar verzamelden, ruiters heen en weer draven en hier en daar een helm en een speer in ’t zonlicht flikkeren.“Mij dunkt, gij weet reeds genoeg,” zeide de schipper tot Deodaat: “en behoeft niet aan wal te gaan om verzekerd te zijn, dat men u daar een slechte welkomst voorbereidt. Gij zijt een wakker Ridder en ik maar een slechte pekbroek; maar neem den raad aan van een oud man en keer, zonder van boord te gaan, met ons terug. Ik ken die Friezen vanouds: zij zijn niet mak als zij beginnen, en hoe best ik altijd met hen overweg gekend heb, ik viel ongaarne in hunne handen.”“Uw raad is welgemeend, schipper!” zeide Deodaat: “maar het komt hier op plichtsvervulling aan en geen denkbeeld van gevaar kan mij daarvan afschrikken. Door nu terug te keeren, zouden wij de Friezen, zoo zij kwaad vermoeden hebben, daarin versterken en des te meer op hun hoede doen wezen. Indien wij daarentegen nu stil op stroom blijven liggen, is wellicht tegen den avond die volkshoop uit elkaar en heeft niemand erg in ons. Daarom ook wil ik aan wal gaan; dan zal de achterdocht van zelf wijken.”“Neem mij dan in Gods naam mede, Heer Ridder!” merkte Boudewijn aan: “gij zoudt in ongelegenheid kunnen komen, en....”“Neen vriend!” zeide Deodaat: “gij keert weer naar beneden. In u zou elk den krijgsman ontdekken. Ook is uw post bij ’t volk, dat gij aan moet voeren.”“Maar ik mag toch meegaan!” riep Zweder, hem met gevouwen handen naderende: “ik zie er immers volkomen als een scheepsjongen uit; in mij zal niemand erg hebben: en ik zal ongemerkt wellicht nog meer kunnen vernemen dan uw Edelheid.”“Knaap!” zeide Deodaat getroffen: “ik mag het voor uw ouders niet verantwoorden.”“Gij hebt aan mijn ouders beloofd, mij tot een braaf Ridder te maken zooals gij,” zeide Zweder: “en dus, het eenigste dat gij niet verantwoorden kunt, is mij te beletten, in de gevaren te deelen, waarin de Ridderplicht u noodzaakt u te begeven.”“Zal ik het anker laten vallen, Ridder?” vroeg de schipper: “wij hebben hier een goede ligplaats.”“Doe het,” zeide Deodaat, terwijl hij Zweder, die hem biddende en smeekende bij het kleed hield, van zich afweerde: “en sein om een boot.”Een en ander geschiedde: en terstond zag men een groote beweging aan wal: in weinige oogenblikken waren niet ééne, maar een twintigtal booten bemand, die met alle haast en als om strijd naar het Hollandsche vaartuig toe roeiden; terwijl al de schepen en schuiten in de haven zich met toeschouwers vervulden, waarvan sommigen tot in de toppen der masten klommen om te ontdekken of zij ook iets in het scheepshol van den bierhaalder konden ontdekken.“Zie eens! hoe beleefd zijn de Friezen geworden!” zeide Deodaat: “wij vragen slechts één boot, en er komen er wel twintig. Past maar op, mijn maats! dat er geen ongenoodigde gast aan boord kome.”“Wij zullen den eersten, die het waagt, met den tandenstoker op zijn kop komen, dat hij het klimmen verleere,” zeide de schipper.“Alles wel! alles wel!” klonk het weldra van alle kanten van het schip, dat nu van bootjes omringd was.“Waarom komt gij niet aan ’t hoofd liggen met uw tjalk?” riepen ettelijke stemmen.“Ik moet met de eb naar Makkum,” riep de schipper.“Dat kunt gij wel uit uw hoofd zetten,”riep men van beneden: “wij krijgen zwaar weer binnen ’t uur en dan zult gij blij zijn hier in de haven te liggen.”Intusschen deden verscheidene bootslieden moeite om het vaartuig te beklimmen.“Handen af!” riep de schipper, een eind hout opheffende: “handen af! wat beduidt dit? Die koopman kan toch niet met u allen te gelijk meegaan. Bij Sinter-Klaas! die een hand aan ’t schip slaat sla ik de hersens tot gruis. Gij allen kent Krijn Jansz, en gij weet dat hij woord houdt.”“Deze is er het eerst geweest,” zeide Deodaat, op een boot wijzende, die aan stuurboord lag: “wij zullen de keus op haar bepalen.”Maar op hetzelfde oogenblik werd hij met geweld bij den arm gevat en naar bakboordszij getrokken door een Fries, die, terwijl de schipper en zijn maats het schip aan weerszijden tegen alle aanranding beschermden, tegen de roerpen was aan boord geklommen.Deodaat sloeg de hand aan zijn dolk en wendde zich om, met oogmerk om deze onheusche handelwijze te keer te gaan; maar hij liet af en beschouwde aandachtig het gelaat van den Fries, dat hem niet onbekend voorkwam.“Indien gij wijs wilt zijn, blijf dan aan boord en wend dadelijk den steven,” fluisterde hem de Fries met drift in het oor.“Ik moet aan wal zijn,” zeide Deodaat: “maar wie zijt gij, die mij zoo ongevraagd raad komt geven?”“Kent gij Feiko niet meer?” hernam de Fries: “gij hebt mij eens het leven gered en ik wil het u op mijn beurt doen.”“Welnu!” zeide Deodaat: “ik dank u! en ik zal met uwe boot aan wal gaan.”“In Gods naam dan!” zeide Feiko: “maar laat niet blijken, dat gij mij kent. Hei, ho! Rienk Westra! waar is de boot? De koopman gaat met ons mee.”De boot van Rienk Westra was spoedig naast het vaartuig, tot groote spijt van al de overige varensgasten.“Vaarwel schipper!” zeide Deodaat: “gij onthoudt onze afspraak. Kom! wij moeten voort.”“God zegene u!” zeide Krijn Jansz, hem de hand drukkende: “en brenge u behouden in de haven uwer hoop.”Deodaat steeg af: maar nauwelijks was hij in de boot, of hij ontdekte tot zijn leedwezen, dat Zweder, die zich aan een touw had laten afglijden, er reeds zat, met een riem in de eene en een aarden pot in de andere hand.“Gaat gij toch mede?” vroeg hij, zijn ongenoegen onder deze onverschillige vraag verbergende.“De schipper heeft melk noodig,” zeide Zweder: “en ik ga die te Stavoren halen.”De boot verwijderde zich met snelheid, gevolgd door de andere varensgasten, die haar ettelijke vloeken nazonden.“Wat vertoont men heden te Stavoren?” vroeg Deodaat, als begreep hij de reden van dien volksoploop niet: “is er een mysteriespel of een processie te wachten, dat alle man dus op de been is?””’t Is marktdag,” antwoordde Rienk Westra.“En komt men hier meer gewapend te markt?” vervolgde Deodaat, op eenige krijgslieden wijzende, die hij in ’t verschiet zag.“Somtijds!” hernam de Fries met een hoonenden lach: “wanneer men menschenkoppen te koop vent.”“Zoo! nu begrijp ik u,” zeide Deodaat: “er wordt dan heden recht gedaan.”De bootsman zag hem met een schamperen blik aan, en met verdubbelde kracht voortroeiende, neuriede hij het volgende referein van een oud Friesch deuntje:
“Hoezee voor Madzy Dekama!” riepen Helbada en Worp Ropta, deze reis eenstemmig: “Hoezee voor de Roos van Dekama!” riepen Schieringers en Vetkoopers: “Hoezee!” riep de gansche vergadering. Adeelen alleen bleef zwijgend en koel dit tooneel beschouwen.
“Verschoont mij, edele Friezen!” zeide Aylva, “zoo ik een oogenblik aan mijn gevoel toegeve:—ik zie, met vreugd, dat gij allen in de blijdschap dezer heuglijke ontmoeting deelt.—Maar zeg mij, mijn kind! hoe zijt gij uit de handen der Hollanders ontkomen?”
“Aan God alleen komt de dank toe voor mijn redding,” antwoordde zij, hem de hand kussende; “maar ik weet, gij handelt hier over ’s lands belangen: veroorloof mij voort te reizen: mijne tegenwoordigheid is hier onvoegzaam.—Waar zal ik u afwachten?”
“Ga in vrede, mijn dochter! Wacht mij aan mijn huizinge te Awert: daar zal ik u komen afhalen. Zorg ook, dat uwe reisgenooten aan niets gebrek hebben. Ik zal straks na den afloop der vergadering bij u zijn.”
Madzy wendde zich om, en, de vergadering met heuschheid groetende, maakte zij zich gereed te vertrekken.
“Men zal zorg voor u dragen, goede vader!” zeide Aylva, ziende dat de monnik, die Madzy verzelde, onbeweeglijk staan bleef.
“Ik heb mijn last nog maar gedeeltelijk volbracht,” zeide deze, “’t is niet slechts om de Jonkvrouw te geleiden, dat men mij uitzond: ik heb ook aan deze vergadering een mededeeling te doen, welke geen uitstel lijden mag.”
Bij deze woorden, welke Madzy’s geleider op een krachtigen, doordringenden toon uitsprak, vestigden alle oogen zich op hem. Aylva zag eenigszins verwonderd op: hij scheen zich te willen herinneren, waar en wanneer hij die stem vernomen had. Adeelen deed verbaasd een stap voorwaarts en vestigde een blik vol verwachting op den onbekende. Madzy bleef plotselings staan als van den bliksem getroffen; haar gelaat werd met een doodskleur overtogen en teekendede angstigste verwachting. Claes Gerritsz, om wien niemand zich meer bekommerde, keerde insgelijks snel terug en trachtte den monnik in ’t gelaat te zien.
“Wij laten niemand op onze landdagen toe dan een Fries,” zeide Aylva: “of dezulken, die mededeelingen hebben te doen, de belangen van Friesland betreffende.”
“In die beide hoedanigheden vraag ik gehoor,” zeide de onbekende, “de zoon van Sjoerd Aylva heeft aanspraak op de eer van een Fries genoemd te worden. Mijn vader! schenk mij uw zegen.”
Onder het uiten dezer woorden liet hij zich voor Aylva op de eene knie neervallen, te gelijk den kap omslaande, die zijn gelaat tot nog toe bedekt had. Adeelen stond verstomd. Madzy gaf een angstigen gil: en Aylva kon het gevoel van ontzetting niet bedwingen, dat hem door de leden waarde, toen hij in den jongeling, die hem den vadernaam schonk, Reinout van Verona herkende.
“Wat wil dit?” zeide hij: “is dit een scherts, dan is zij afschuwelijk!”
“Geene scherts!” zeide Reinout, zonder van houding te veranderen: “of heeft de zoon van Bianca di Salerno geen recht, een zegen af te smeeken, die hem te lang onthouden werd?”
“Gij!” riep Aylva in hevige ontroering: “gij de zoon van Bianca di Salerno?”
“Geloof mijn woorden niet: geloof dezen ring: dit perkament: mijn opvoeding aan het huis van Carlo della Scala: en de omstandigheden, welke uw huwelijk vergezeld hebben, en waarvan ik u een getrouw naricht geven kan.”
Aylva nam met een bevende hand den ring aan; maar nauwelijks had hij er de oogen op geslagen, of de aandoeningen, welke dat gezicht bij hem verwekte, overstelpten hem. Het was op zich zelf reeds ontroerend genoeg eensklaps een zoon terug te vinden, wiens bestaan zelfs hem onbekend was; maar dien zoon te herkennen in den moordenaar eens jongelings, die zijn achting en genegenheid gewonnen had, dit was te sterk voor zijn gevoel: en bedwelmd, zich het gelaat met de handen bedekkende, viel hij op zijn zetel neer.
“God! wat heb ik gedaan?” riep Reinout, opspringende: “de ontroering, de vreugd zullen hem dooden. Wee mij! dat ik zoo onvoorzichtig was. Kom tot u zelf, mijn vader! het is uw zoon, die daarom smeekt.”
De hardvochtige Friezen waren bewogen. Sommigen traden toe om hulp te verschaffen aan den Olderman: Madzy bleef gelijk het beeld der wanhoop als op haar plaats genageld staan. Zij sidderde wanneer zij aan de toekomst dacht, en zag in ’t vooruitzicht Reinout, nu gerugsteund door zijn betrekking met Aylva, haar weder met zijn hatelijke liefde vervolgen.
Maar een nieuw voorval kwam den zonderlingen toestand, waarin zich de aanwezigen bevonden, nog verwikkelen. Claes Gerritsz, die gelijk een aal tusschen de om Aylva verzamelde Friezen was doorgekropen, lei onverhoeds de hand op Reinouts schouder: “ik neem ugevangen,” zeide hij, “als moordenaar van Ridder Deodaat, en als voortvluchtig uit ’s Graven gevangenis.”
“Hoe! wat? wat zal dat?”—riepen verscheidene stemmen.
“Biedt mij de hand, trouwe onderzaten van Graaf Willem!” vervolgde de Ambtman, die in zijn blinden ijver vergat dat hij een naam aanriep, die hier weinig gezag had: “Reinout van Verona, dien gij hier ziet, ligt onder den ban des Graven:—ik eisch dat hij in mijne handen worde overgeleverd.”
Reinout keerde zich met een half verwonderden, half toornigen blik naar den spreker: “Er is geen Reinout van Verona meer,” zeide hij: “dus is de ban uws Graven nietig:—en wat Deodaat betreft, die is zoo levend als ik:—gisteren althans genoot hij nog een goede gezondheid.”
“En al ware die lage vrouwenverleider door uw toedoen naar de hel verhuisd,” zeide Adeelen: “welk kwaad had daarin gestoken? En wat maakt u zoo stout,” vervolgde hij tot Claes Gerritsz, “om niettegenstaande onze waarschuwing, u hier te vertoonen? Pak u van hier, of ik sla u ’t hoofd van den romp.”
“Neen!” zeide Reinout, partij trekkende van deze omstandigheid en den bevenden Haarlemmer bij den arm grijpende: “Laat hij nog een oogenblik blijven. Friezen! kan ik u beteren waarborg van mijne gezindheid geven, dan de beschuldiging, die dit nietig wezen tegen mij inbrengt? Graaf Willem heeft mij gehoond en mijn diensten met ondank beloond. Gij hoort het! ik ben onder een armhartig voorwendsel, om een verwonding bij een onzaligen twist, door hem veroordeeld en vogelvrij verklaard. Ik ben hem niets meer schuldig. Mijn arm en mijn hart behooren voortaan Friesland alleen.”
“Wèl gesproken!” zeide Adeelen: “en wie anders denken moge, Seerp Van Adeelen houdt u voor een echten Fries.”
Dit zeggende schudde hij de hand van Reinout en velen der aanwezigen volgden zijn voorbeeld.
“Goddank!” zeide Madzy, die intusschen naar haar voogd was toegetreden en zich uitsluitend met dezen had bezig gehouden: “hij opent de oogen weder.”
“Wat is hier gebeurd?” vroeg Aylva, langzaam tot zich zelven keerende: “was daar niet iemand, die zich den zoon van Aylva noemde?—Maar neen, de zoon van Aylva kan geen sluipmoordenaar zijn. Ha! Madzy! mijn kind, gij daar?—Gij zijt toch altijd mijn dochter!”—
“O! laten wij van hier gaan, mijn vader!” zeide zij: “laten wij naar een plaats gaan, waar gij rust kunt nemen,” herhaalde zij, ziende dat Aylva weder ineenzakte.
Aylva gaf geen antwoord: maar de beweging zijner handen en van zijn hoofd gaf te kennen, dat hij stemde in haar voorstel. Door Madzy, den trouwen Feiko en eenige vrienden geleid, verwijderde hij zich. Reinout, dit gewaarwordende, trad toe om ook zijnen bijstand aan te bieden.
“Wat wilt gij?” vroeg Madzy, hem met een blik van verontwaardiging aanziende: “verlangt gij hem te vermoorden?”
“Moet niet de zoon zijn vader bijstaan?” zeide Reinout met een smeekend oog: “wie heeft meer recht dan ik, hem te vergezellen.”
“Terug!” zeide Madzy met fierheid: “verdien eerst den naam van zijn zoon te dragen, en waag het vroeger niet, hem onder de oogen te komen.”
Reinout beet zich op de lippen; maar hij gehoorzaamde, gevoelende dat alle aandrang in zulk een oogenblik slechts zou dienen, om haar nog feller tegen hem in te nemen. Zij verwijderde zich dan zonder verder oponthoud, met Aylva en Feiko, terwijl meester Claes Gerritsz dit oogenblik insgelijks waarnam om zich uit de voeten te maken. Wat Daamke betrof, hij keerde naar zijn ezel: want hij had op eens het voornemen opgevat Reinout zijn dienst aan te bieden.
Na het vertrek van Aylva bleef de vergadering gedurende eenige oogenblikken in een staat van verwarring en besluiteloosheid, daar men het oneens was, of men de beraadslagingen zou voortzetten, dan wel of die behoorden geschorst te worden. Eindelijk echter drong Adeelen, gerugsteund door de aanzienlijksten der vergadering, het besluit door, om te hooren, wat Reinout had mede te deelen. Tevens bewerkte hij, dat voorloopig aan den Abt van Lidlum, zijn voormaligen vijand, het voorzitters-gestoelte aangeboden werd, en verwierf zich door dezen voorslag de toegenegenheid eener aanzienlijke partij. Iedereen keerde tot zijn plaats terug, en aan Reinout werd het woord verleend.
“Friezen!” zeide hij: “ik heb slechts één woord te zeggen; maar ik weet dat, nu de nood mij dringt, het uit te spreken, het weerklank in uw aller harten vinden zal.Te wapen!—Het is de vraag niet meer, of gij den Graaf met vleiende woorden paaien, of gij zijn toorn verzoenen kunt. Zijn besluit is vast bepaald. Eer dit seizoen ten einde is, ziet gij zijn vloot aan uw kusten landen. Ik kom van Utrecht: het kan geen maand meer weerstand bieden, tenzij het ontzet worde. Zwicht het, dan trekt het zegevierend heir naar dit gewest. Voorkomt dezen slag door een manmoedig besluit. Zendt een heir naar het Sticht en valt den Graaf in zijne legerplaats aan. Laten uwe schepen de Hollandsche havens benauwen en langs de kusten stroopen. Zoodoende zult gij den moed der belegerden aanwakkeren en verwarring en schrik onder de benden des Graven brengen. Hij zal genoodzaakt zijn, zijn macht te verdeelen: zijn bondgenooten zullen hem afvallen, en de erfgrond uwer vaderen zal door geen vreemden voet bezoedeld worden.”
Men beseft licht, hoe welkom de redenen van Reinout waren in de ooren van Adeelen en diens oorlogzuchtige vrienden. Maar ook zij, die in den beginne niet van krijg hadden willen hooren, zagen zich, nadat Reinout, op hun verzoek, hun de gronden van zijn raad nader had toegelicht, gedwongen te erkennen, dat er geen andere uitweg ware, dan krijg te voeren; en dat het in dat geval beter ware, den vijand aan te tasten, nu hij nog in strijd gewikkeld was, dan te wachten, dat hij het Sticht ten ondergebracht had. De partij der heethoofden dreef dus boven, gelijk zulks schier bij alle staatsberoeringenhet geval is, en na eenige woordenwisseling werd er zonder merkbare tegenkanting besloten, een leger naar Utrecht te zenden.
Gy zijt mijn Kodoman, en Cyrus’ nazaat waard.Bilderdijk. Darius aan Alexander.
Gy zijt mijn Kodoman, en Cyrus’ nazaat waard.
Gy zijt mijn Kodoman, en Cyrus’ nazaat waard.
Gy zijt mijn Kodoman, en Cyrus’ nazaat waard.
Bilderdijk. Darius aan Alexander.
De maar, dat men niet slechts het Hollandsche juk afschudden, maar zelfs den oorlog op vreemden bodem zou gaan voeren, was spoedig Friesland rondgegaan; maar minder spoedig ging het verzamelen van een leger, om die onderneming te volvoeren. Het lichten van krijgsvolk in de steden was te dier tijd in alle landen een zaak, aan groote moeilijkheden onderhevig; maar in Friesland bleek zulks in dit geval eene onmogelijkheid te wezen: de poorters verklaarden ronduit, dat men hen steeds bereid zou vinden om de grenzen van hun land te verdedigen; maar dat zij nimmer daarbuiten zouden gaan oorlog voeren. De kloostervoogden waren evenmin geneigd, hun conversen uit te zenden: en ten platten lande begrepen de boeren dat het geene zaak was, tegen den oogsttijd van huis te gaan. Wat de Edelen betrof: leenplicht was in Friesland onbekend; en het viel hun moeilijk, aan hun onderhoorigen de noodzakelijkheid te beduiden, van zich op vreemden bodem te gaan wagen ten gevalle van een kerkvoogd, die hun onbekend en ten eenenmale onverschillig was. De heilige drift, die het besluit van den landdag had ingegeven, was merkelijk bekoeld: en nu men het in ’t werk zou stellen, zag men er eerst het onuitvoerbare van in. Het vuur der tweedracht begon ook spoedig weer te blaken: en onderlinge vijandschappen deden de landsaangelegenheden vergeten, terwijl bijna geen edelman zijn stins durfde verlaten, uit vrees van in zijn afwezigheid door den vijand te worden aangevallen: evenals in de fabel van den arend en de zeug, die beide te huis blijvende, elk bezorgd dat de andere zijnen jongen leed zoude doen, van honger omkwamen, en aan hun gemeenen vijand, de kat, ten prooi vielen.
Nog eene omstandigheid werkte mede om de vorming van een leger te belemmeren: deze was gebrek aan eenheid in het uitvoerend bewind. Voorheen had men in netelige omstandigheden een Potestaat verkoren, die, met een macht bekleed, niet ongelijk aan die eens Dictators te Rome, het hoofdbeleid der verrichtingen op zich nam; thans echter geschiedde dit niet: eensdeels, omdat men huiverig was geworden, het gezag aan een enkele toe te vertrouwen: anderdeels omdat de eene partij ongenegen was, toe te stemmen in de keuze van een Potestaat uit de andere. Het opperbewind wasdaarom toevertrouwd geworden aan een raad van velen, ’t geen zeker niet tot bespoediging der zaken strekte. Wel deed Adeelen zich in dien raad krachtig gelden; maar hij leerde nu ook bij ondervinding, dat voortvarendheid in ’t besluiten, en spoed in het uitvoeren, twee geheel afgescheidene dingen zijn.
Ook van de strooptochten, waartoe men had verklaard, te zullen overgaan, was niets gekomen. De poorters van Stavoren, althans de vermogenden onder hen, waren over ’t algemeen Hollandschgezind: en velen dreven handel met het graafschap: maar zelfs die, welke op de Oostzee voeren, en uithoofde van hun belang moesten verlangen, dat de handel van Holland gefnuikt werd, waren in dit tijdsgewricht bezorgd, daden van aanranding te bedrijven of goed te keuren, welke maatregelen van weerwraak konden tengevolge hebben: want zij wisten, dat een Hollandsen smaldeel voor het Vlie kruiste, en velen hunner wachtten rijkbevrachte schepen te huis, welke zij niet gaarne door Hollandsche kapers zouden zien prijsgemaakt. Zoomin uit deze als uit eenige andere haven van Westergoo zeilden dus roofschepen naar Holland uit: en men bepaalde zich ook daar, en wel nog slechts flauw, alleen tot verdedigingsmiddelen.
Na in deze weinige woorden den toestand, waarin zich Friesland bevond, te hebben afgebeeld, zullen wij terugkeeren tot de schoone Madzy en haar voogd, den Heer van Aylva.
Deze had zich, na het verlaten van den landdag, naar een kleine stins begeven, op een paar uren afstands van het Gaasterland nabij het dorp Caudum gelegen, en Awert-state genaamd. Op dit gebouw, hetwelk sedert lang in het bezit van zijn geslacht was, was door hem een pachter geplaatst, onder voorbehoud echter van een paar vertrekken voor zich en de zijnen. Zijn voornemen was niet geweest aldaar te vertoeven; doch zich den volgenden dag naar zijn gewoon verblijf bij Scadaert in Wonseradeel te begeven; dan, een geweldige aanval van koorts, die hem dadelijk na zijn aankomst overviel, noodzaakte hem van dit plan af te zien. Madzy bleef, gelijk men gissen kan, bij hem; en daar de eene zuster van Aylva ondertusschen overleden, en de andere met een edelman in Groningen gehuwd was, kwam de gansche zorg op haar alleen neder; en zij vervulde jegens haar voogd op de teederste wijze al de plichten eener liefhebbende dochter, terwijl Sytsken (die op de maar der terugkomst van haar meesteres dadelijk naar Awert-state gereisd was) haar in deze taak op de dienstvaardigste wijze ondersteunde. De toestand van den zieke werd weldra van een bedenkelijken aard, en de arts, zijnde een convers uit het naburige Sint-Odulfsklooster, gebood, dat men alles zorgvuldig zou vermijden, wat strekken kon om het geschokt gemoed van den kranke door nieuwe aandoeningen te kwetsen.
Eens, op een schoonen avond, had Madzy het vertrek des Oldermans verlaten, met oogmerk, om voor eenige oogenblikken versche lucht te scheppen: een genot, waarvan zij nu een geruimen tijd was verstoken geweest. De toestand van den zieke had sedert een paar dagen eenig uitzicht op beterschap doen geboren worden: hij lag in een zachte sluimering: en Sytsken, in zijn vertrek gezeten, had aanMadzy beloofd, haar te zullen roepen zoodra hij ontwaakte. Zij was dus, te dezen opzichte gerust, de deur uitgetreden en verkwikte zich met de liefelijke buitenlucht, welke haar tegenwoei. Zich niet verre van huis willende verwijderen, wandelde zij een geruimen tijd op en neder voor de stins, welk gebouw uit een verzameling van onderscheidene woningen bestond, waarvan de voornaamste, die zich aan de westzijde bevond en tot verblijf voor den Heer strekte, van steen opgetrokken, twee verdiepingen hoog en met een gekartelden toren voorzien was, waarboven thans de banier van Aylva woei, zijnde een lazuur veld met een ster en een halve maan van goud. Aan dien toren grensde een half houten, half steenen huis, hetwelk door den pachter en zijn huisgezin betrokken werd en waaraan eenige lagere gebouwen, als de schuur, de stal, de bakkerij en dergelijken paalden. Hier en daar zag men nog sporen van versterking, door den bouwmeester aangebracht; maar deze waren bij vervolg van tijd tot andere gebruiken besteed: en het eenige verdedigingsmiddel, dat nu nog overig bleef, was in de dikte der muren van het hoofdgebouw gelegen, en in de breede gracht of sloot, die het erf van den landweg scheidde. Een ophaalbrug en daarnaast een plank of vonder voor de voetgangers waren de eenige middelen, langs welke toegang naar de stins verleend werd, terwijl een groote bulhond, die gedurig langs den rand van het water heen en weder liep, den al te vrijpostigen voorbijganger door zijn norsch aanzien en onophoudelijk geblaf beduidde, hoe gevaarlijk het zoude zijn, tegen den wil des bewoners dien toegang te willen gebruiken. Ja zelfs, toen Madzy zich op de werf vertoonde, bleef het dier haar, schoon zij van binnen kwam, eenigszins schuins aanstaren, stond stil en begon te knorren, terwijl het zijn gewone wandeling niet hernam, dan toen de pachtersvrouw, die in haar zomerhuisje zat, hem van verre toegeschreeuwd had, dat hij zich bedaard had te houden.
Niet lang echter had Madzy in eenzaamheid de werf en den hof op en neder geloopen, toen zij in haar mijmering gestoord werd door een kletterend hoefgetrappel op den landweg, en weldra eenige ruiters zag aankomen, die voor de brug stilhielden. Twee hunner stegen af: en nu herkende zij in dezen, niet zonder siddering, Seerp Van Adeelen en Reinout, die, na hun paarden aan de zorg hunner dienaars te hebben toevertrouwd, aan gene zijde des vonders bleven staan.
“Roep uw hond terug, vrouw!” schreeuwde Adeelen: “wij komen den Heer van Aylva bezoeken.”
De pachtersvrouw gehoorzaamde en de beide edellieden traden de werf op.
De eerste gedachte van Madzy was, binnen te gaan en zich te onttrekken aan een gezelschap, dat zoo onwelkom was. Zij begreep echter spoedig, dat dit weinig zoude baten en dat de ruiters waren gekomen, òf om den Heer van Aylva te spreken, ’t geen zij moest zoeken te beletten, òf om een onderhoud met haar zelve te hebben;—en dan was zij nog minder voor hen beiden vervaard, dan zij voor een hunner afzonderlijk zoude geweest zijn.
“Madzy Dekama!” zeide Adeelen, toen hij haar genaderd was: “wij wenschen den Olderman te spreken.”
“Dat mag niet geschieden,” zeide zij: “de arts heeft het stellig verboden.”
“Zijn wij van dat verbod niet uitgesloten? het kan een ouden getrouwen vriend immers niet betreffen?”
“Het betreft iedereen, wie hij ook wezen moge. De zieke is nog zwak en moet alle aandoeningen mijden.”
“Gij zult toch,” zeide nu Reinout, “den zoon niet blijven weigeren, de sponde zijns vaders te naderen.”
“Meer dan iemand,” antwoordde Madzy, zonder hem te durven aanzien: “was het niet het onverwacht hervinden van dien zoon, dat hem in die krankheid stortte? Zoo gij den man niet dooden wilt, vertoon u dan niet aan hem, voor hij u ontbieden laat.”
De beide jongelingen zagen elkander eenige oogenblikken besluiteloos aan.
“Gelooft mij,” vervolgde Madzy: “dringt heden niet aan op een onderhoud, dat geene andere dan schadelijke gevolgen kan met zich sleepen. Zoodra mijn waarde voogd zijn krachten heeft terugbekomen, twijfel ik niet, of hij zelf zal het onderhoud verlangen, dat hij nu niet in staat is te verduren.”
“Welnu!” zeide Adeelen: “indien gij den ouden Heer achter de traliën wilt houden, dienen wij ons te onderwerpen. Dan, mijn boodschap is nog niet geëindigd:—gij hadt mij vroeger rechten op uw hand geschonken: ik kom u die teruggeven.”
“Ik dacht dat gij dit reeds gedaan hadt, Seerp Van Adeelen!” zeide Madzy, op een fieren toon: “althans, na het gedrag, door u te Haarlem gehouden, beschouwde ik mij niet langer aan u verbonden.”
“Des te beter! Ik herhaal het slecnts, opdat gij weten zoudt, dat gij, zonder vrees van mij te verstooten (een vrees, die juist nooit zeer zwaar bij u gewogen heeft) de ooren kunt leenen aan den zoeten praat van dezen Ridder.”
“Adeelen!” riep zij verontwaardigd uit: “ik ben geen koopwaar, welke men van de eene in de andere hand kan doen overgaan.”
“Ziedaar een punt, waaromtrent uw laatste reisavonturen nog eenigen twijfel zouden kunnen doen ontstaan. Een juffer, die nu met dezen, dan met genen Ridder over ’s Heeren wegen reist, die weken lang bij een Edelman huisvest, welke Edelman noch haar man, noch haar broeder, noch haar voogd is, die bij schoone Ridders in hun eigen tent bezoeken gaat afleggen, moest, dunkt mij, liever over zulke glibberige punten heenstappen.”
De oogen van Madzy flonkerden van verontwaardiging, terwijl zij beurtelings van Adeelen naar Reinout dwaalden.—“Neen!” borst zij eindelijk uit: “zulk een afschuwelijk samenweefsel van laster werd nooit gesponnen! Ridder Reinout! zijt gij de verspreider dier geruchten? zoo is uwe ziel nog zwarter, dan ik mij die had voorgesteld.—Maar neen! zoo boosaardig kunt gij niet zijn. U is het bewust, u kan het althans bewust zijn, dat, zoo de schijn mij al beschuldigt, mijn eer zonder vlek of smet is gebleven. Zeg dienman, die mij beleedigen durft, dat hij zich bedriegt, en dat ik tegen mijn wil in Utrecht ben opgehouden en dat ik u niet kende, toen gij mij als reisgenoot vergezeldet.”
“Kan ik krachtiger bewijs geven, hoe hoog ik u in eere houde,” zeide Reinout, “dan de verklaring zelve, dat ik het mij tot het hoogste geluk zoude rekenen, indien gij mij tot uw Ridder wildet verkiezen? Geef mij slechts eenen lichtstraal van hoop, en mijn zwaard zal elken boezem bedreigen, waarin een gedachte, uwer onwaardig, mocht opstijgen.”
“Ik weet het,” zeide Madzy, met een afkeerige beweging, “uw zwaard is ras geneigd, de scheede te verlaten. Maar uw voorwaardelijk aanbod is onvoldoende. Wie heeft aan Adeelen die valsche berichten medegedeeld, zoo gij het niet geweest zijt?”
“Ik heb hem niets dan de waarheid gemeld,” zeide Reinout: “de tevolgtrekkingen en de wijze van voordracht zijn van hem. Maar dit verklaar ik u, Seerp Van Adeelen! dat, schoon gij mij met Ridder-handslag tot wapenbroeder verkoren hebt, schoon ik u dank en trouw verschuldigd ben, dat ik u, als elk anderen, den Ridder-handschoen zal toewerpen, zoo gij u een woord laat ontvallen, beleedigend voor de eer dezer Jonkvrouw.”
“Zooals gij wilt,” zeide Adeelen, wrevelig; “ik ben met u gegaan om u een dienst te bewijzen, niet om twist te zoeken. Er heerscht reeds tweedracht genoeg in Friesland.”
“Hoe!” zeide Madzy: “is nog de haat der partijen niet uitgedoofd, bij de gevaren die ons bedreigen?”
“Trekt gij u nog de zaken van Friesland aan?” zeide Adeelen, met een spottenden lach.
“Gij behandelt mij onwaardiglijk, Seerp!” zeide Madzy: “misschien moest ik zwijgen en uwe woorden alleen met verachting beantwoorden! maar ik kan niet vergeten, dat uw ouders mijne weldoeners, dat gij de vriend mijner jeugd waart. Bij de schim uwer zalige moeder, Adeelen! ik ben onschuldig, en de Zuiderzee zal een droge heide worden, eer ik ophoude, een echte dochter van Friesland te zijn.”
”’t Is mogelijk!” zeide Adeelen, de schouders ophalende: “welnu! ik wil u dan wel melden, dat de Graaf, zoo ik hoor, den tocht naar Friesland uit het hoofd heeft gezet en bij Dordrecht een vloot laat bouwen om Eduard van Engeland tegen Frankrijk te ondersteunen: dat er nimmer schooner gelegenheid ware, een pleiziertocht in Holland te doen, zoo niet iedereen gek was geworden: dat wijders de Vetkoopers en Schieringers vuilaardiger zijn dan ooit; dat de monniken van Bloemkamp met den Proost van Pingjum zijn slaags geweest: dat Lidlum en Luidingakerke overhoop liggen: dat Wybe Reynalda en Seppe Ribalda elkaar hebben bevochten en beiden gesneuveld zijn: dat Helbada’s zoon, Douwe, door Worp Ropta in een hinderlaag gelokt en vermoord is; dat er geene stins in Oostergoo is, waar geen boom op staat1en dat Utrecht zichliever vandaag dan morgen moet overgeven, indien het zijn redding van ons verwachten moet.”
“O mijn ongelukkig vaderland!” zuchtte Madzy: “wat moet er van u worden?”
“Dat weet ik niet,” zeide Adeelen: “ik kan niet alles alleen af. Aylva ligt ziek: vader Syard, die zooveel praats had, is verdwenen:—denkt slechts om zich zelf:—maar zooals het nu is zal het niet blijven, of ik werp mijn zwaard in ’t meer en word een monnik.—En nu vaarwel!”
Dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich, sprong op zijn paard en was spoedig buiten het gezicht. Madzy wilde zich nu terstond naar huis begeven; maar Reinout hield haar staande.
“Uw hart is nog tegen mij ingenomen,” zeide hij, op een smeekenden toon: “maar kunt gij op mij eeuwig vertoornd blijven, wegens een opwelling van gramschap, welke haar oorzaak en tevens haar verschooning in mijn blakende liefde vond?”
“God beware mij, Ridder!” zeide Madzy: “dat ik u gestreng zou veroordeelen. Hij zelf heeft u een eeuwig naberouw gespaard, door niet toe te laten dat uw moorddadig opzet den dood van uw evenmensch ten gevolge had:—wat zeg ik? den dood van uw boezemvriend, van hem, die u sedert uwe geboorte als een broeder bemind had.... en die, ik betuig het u, u geene oorzaak tot zulk een handelwijze gegeven had?”
“En toont dit juist niet de kracht mijner liefde voor u,” vroeg Reinout, “dat ik hem, die mij zoo dierbaar was, eraan opofferde?
“Dit toont alleen, dat gij een hartstochtelijk mensch zijt,” zeide Madzy: “een liefde, die tot misdaad vervoert, is geenszins de ware liefde, zooals ik mij die heb voorgesteld.”
“Welnu dan!” zeide Reinout: “zij maakt voor ’t minst die misdaad verschoonlijk.—Maar ik wil het u niet verbloemen: ja! ik heb afschuwelijk gehandeld! Ik wil gelooven, dat Deodaat niet zoo schuldig was, als ik dacht: ik heb, meer dan eens, in eenzaamheid, mijn halsvriend betreurd:—maar nu, nu leeft hij weder, en het is niet langer de hand eens moordenaars, die Reinout van Aylva u aan durft bieden.”
“Ridder!” hernam Madzy: “ik mag u niet vleien met een ijdele hoop. Tracht mijn achting, tracht de uwe te herwinnen, en dan zal Madzy Dekama u eeren als den zoon van iemand, wien zij boven elk ander vereert.”
“Wel, in naam van dien braven man bid ik, trek uw onbarmhartige uitspraak in. Ach! Ik vermoed het: mijn vader zelf is tegen mij ingenomen wegens mijn wandaad. Wees gij de engel, de middelaarster, die ons weer te zamen brengt en hem met mij verzoent. Hij ziet, hij hoort slechts door uwe oogen: zoo uw bijstand mij faalt, hoe zal ik genade bij hem verwerven? Maar een woord van u, en hij schenkt mij vergeving en liefde: en dan, bedenk het zelve: gij hebt gehoord in welk licht Adeelen uw gedrag heeft durven plaatsen? Is er een beter middel om zijnen,om ieders mond te doen zwijgen, dan om uw hand te schenken aan hem, die ze niet zou afbidden indien hij niet van uw deugd overtuigd ware.”
“Ik weet een beter middel,” zeide Madzy: “het is van uw liefde af te slaan, en daardoor te toonen, dat ik den laster niet vreeze.—Wat voorts uw verzoening met uw vader betreft, wees gerust, dat Madzy Dekama blozen zou, haar invloed op hem te misbruiken, door zijn hart van u te verwijderen.”
“Ik vertrouw dit,” zeide Reinout: “oordeel zelve, welke waarde ik aan die betuiging hecht, daar ik mij door u een recht laat ontnemen, dat ik bij elk ander zoude doen gelden, dat namelijk, van mijn vader in zijn krankheid te verzorgen.”
Hier werd hun gesprek gestoord door Sytsken, die, de deur uitkomende, zich tot Reinout wendde en hem te kennen gaf, dat de Olderman verlangde hem te spreken.
“Is het mogelijk!” riep Reinout uit, terwijl een glans van vergenoegen zich over zijn gelaat verspreidde: “ik zie met blijdschap, dat de toestand mijns vaders niet zoo erg is, als mij die werd afgeschilderd.”
“God geve,” zeide Madzy: “dat deze ontmoeting zoo gezegend voor u afloope, als ik dit van harte wenschte. Maar zeg mij, Sytsken! heeft de Olderman uit zich zelven naar den Ridder gevraagd?—Wist hij, dat die zich hier bevond?”
“Wat zal ik zeggen?” zeide Sytsken: “zooeven werd hier vrij heftig gesproken: onze goede Heer ontwaakte ervan. Hij gelastte mij te vernemen, wat er gaande was: en daar ik hoorde, dat het gerucht hier vandaan kwam, ging ik even met den neus aan ’t venster en zag Seerp Van Adeelen, die als een pauw heenstapte, en den Ridder, die met u sprak, en toen zei ik het den Olderman en vroeg of ik de Jonkvrouw roepen zou, gelijk gij mij bevolen hadt te doen, als hij wakker werd. De oude Heer ging recht overeind in ’t bed zitten, zoo fiks gelijk hij nog niet gedaan heeft: ‘Sytsken!’ zeide hij: ‘ga den Ridder verzoeken hier te komen.’—‘Maar,’ zei ik, ‘uw Edelheid weet, wat de arts heeft gezegd.’—‘Ik weet het,’ zeide de oude Heer; ‘maar ik begeer hem te spreken en ’t zal mij geen nadeel doen.’—En zoo volgde ik zijn last.”
“O! voldoe dan terstond aan zijn verlangen, Ridder!” zeide Madzy: “en moge de uitslag van uw onderhoud zijn als gij dien wenscht.”
Een dankbare blik was het antwoord van Reinout, en hij volgde zijn geleidster met een blijmoedigheid, die niet vrij was van ontroering. Weldra bevond hij zich in het vertrek, waar Aylva op het ziekbed lag uitgestrekt.
De Olderman richtte zich op toen zij binnentraden: hij zag zwijgend Reinout aan, die zich naast zijn sponde op de knie liet neervallen en de vermagerde hand van Aylva kuste. Deze trok haar zachtjes, zonder ruwheid, terug, verzocht Sytsken een waterkruik naast het hoofden einde te plaatsen en vervolgens het vertrek te ruimen. Zoodra hij met Reinout alleen was, wenkte hij hem, een stoel te nemen enzich te zetten. De jongeling gehoorzaamde zwijgend, in pijnlijke verwachting van hetgeen er volgen zoude.
“Ik heb verlangd, mij met u te onderhouden,” zeide Aylva; “onze laatste ontmoeting heeft mij geschokt, ik wil dat niet ontveinzen: met dit al hebt gij recht om gehoord te worden. Wees zoo goed en verhaal mij thans eens omstandig de gebeurtenissen, waarop gij uw recht grondt, van mij vader te noemen.”
Reinout gehoorzaamde. Hij vermeldde de wijze, waarop hij bij Carlo della Scala gekomen was, herhaalde hetgeen Barbanera hem betreffende Bianca had gezegd, en door ons in hetachtste Hoofdstukgeboekt is, en gaf vervolgens verslag hoe hij bij dit zonderling toeval, in dezen zijn ouden bekende Paolo ontmoet had, aan wien hij de ontdekking der waarheid verschuldigd was.
“Ik herinner mij dien Paolo,” zeide Aylva, nadat Reinout zijn verhaal geëindigd had: “hij leide het te Milaan op mijn leven toe, en schoon hij het vertrouwen van mijn Bianca schijnt genoten te hebben, blijkt het mij thans, dat hij haar zoowel als den dwingeland van Verona gelijktijdig gediend en gelijktijdig bedrogen heeft. Wellicht is hij het geweest, die aan Bianca de valsche tijding van mijn dood deed weten: en ook hieruit kan ik mij de reden verklaren, waarom hij geschroomd heeft, mij te Haarlem te komen opzoeken en mij daar reeds het geheim uwer geboorte mede te deelen. Ach! dat hij het gedaan hadde! Ik had hem een bedrog, dat zoovele jaren geleden plaats had, gaarne vergeven: en wellicht had dan de euveldaad geene plaats gehad, die sedert uw naam bezoedeld heeft.”
Reinout zuchtte: “Wijt die euveldaad” zeide hij, “aan gekrenkte spijt wegens slecht beloond vertrouwen, aan een opwelling van onbedachten toorn: aan het Italiaansche bloed, dat mij door de aderen vloeit.... misschien ook aan het Friesche... want naar ik bemerk, men ziet er hier te lande ook niet veel kwaad in, elkander het staal in ’t hart te jagen:—in allen gevalle, Deodaat leeft nog: en gewis, zijn hart heeft mij vergeven. Zou mijn vader gestrenger over mij oordeelen?”
“Leeft hij nog?” vroeg Aylva, verheugd: “God zij geprezen! hij was een edel jongeling! en wel waardig,” vervolgde hij met een zucht, “van uit ridderbloed gesproten te zijn.—Hij was met u opgevoed, nietwaar?”
Reinout wendde zich spoedig om, zoodat hij met den rug naar het licht kwam te zitten; want hij voelde, dat hij op deze onverwachte vraag bloedrood werd. Hij had met opzet de omstandigheid, dat Deodaat met hem te gelijk aan Carlo della Scala was toevertrouwd geworden, aan Aylva verzwegen: niet zoozeer omdat bij hem zelven nog eenige twijfel omtrent de echtheid zijner geboorte uit Bianca bestond, als uit vrees, dat de Olderman nog tusschen hem en Deodaat zou twijfelen, daar toch de bepaling, wie van beiden Bianca’s zoon ware, alleen van de verklaring van Barbanera-Paolo afhing, die niet tegenwoordig was, en aan wien Aylva bovendien wellicht weinig geloof zou slaan.—Intusschen was hij dubbel tevreden, van deze omstandigheid geene melding gemaakt te hebben,nu hij uit Aylva’s woorden kon afleiden, dat Deodaat hem als zoon meer welkom zou geweest zijn dan hij. Hij zweeg dan eenige oogenblikken, en antwoordde toen: “Hij was een braaf en beminnelijk mensch: de speelmakker mijner jeugd.... evenals ik door den edelen Carlo als zoon aangenomen: wij hebben samen veel lief en leed doorgestaan:—hadden wij niet beiden ons oog op Madzy laten vallen, wij waren eeuwig vrienden gebleven.”
“Nu spreekt gij, zooals ik het gaarne heb,” zeide Aylva: “en ik ontwaar met vreugde, dat gij hem recht doet, en dat uw misdaad alleen een gevolg van gramschap was en niet uit een boos gemoed ontsproot. Neen: ik mag niet langer twijfelen. Deze brief is van Bianca’s hand! De edele Carlo heeft die zeker herkend—en gezwegen, om haar rampspoedig lot niet te verzwaren!—Deze ring—ik gaf hem aan Bianca bij ons huwelijk. Barbanera heeft dien, zegt gij, van haar ontvangen?”
“Hij heeft haar gezien, voor hij zich naar dit land op reis begaf en hem toen van haar ontvangen om tot bewijs mijner geboorte te strekken.” (Dit had Barbanera aan Reinout in de herberg te Plaswijk verhaald.)
“Zij zou dan nog leven!” riep Aylva in vervoering uit: “leven... maar in de slavernij van dien afschuwelijken dwingeland!—O God! zoo ik naar mijn herstelling zou wenschen, het ware om haar uit hare boei te verlossen!—Kom!” zeide hij, na eenige oogenblikken zwijgens; “ik ben vermoeid; maar wat geschieden moet, dient niet langer te worden uitgesteld. Roep Feiko binnen.”
De dienaar verscheen, en ontving last, om Madzy, den pachter, en Aylva’s huiskapelaan te ontbieden. Zoodra deze binnen waren, gaf hij laatstgemelden bevel, een verklaring op te maken, waarbij hij, Sjoerd van Aylva, Reinout als zijn wettigen zoon en erfgenaam erkende. Dit stuk, opgesteld zijnde, werd door aller onderteekening, voor zooverre zij schrijven konden, en door de overigen met hun kenmerk bekrachtigd.
“En nu, mijn zoon!” zeide Aylva: “kniel neder en ontvang den vaderlijken zegen.”
Reinout viel op beide knieën voor het bed; maar een kille huivering rolde hem door de leden, toen Aylva hem de handen op het hoofd leide en den vaderlijken zegen over hem uitsprak. Hij wist niet, waaraan hij het gevoel moest toeschrijven, dat hem drukte; maar de aandoening, welke hem overstelpte, was gelijk aan die, welke volgens zijne gedachten, Jakob moet gekweld hebben toen hij den zegen aan zijn broeder ontstal. Hij rees op en omhelsde Aylva: maar hij bleef koel bij die omhelzing: hij droeg den Olderman eerbied toe; maar hij ondervond die warme kinderlijke liefde niet, welke hij zich verbeeldde dat in het hart eens zoons jegens zijn vader wonen moest. Hij trad een stap achterwaarts en toen de huispriester hem met deftigheid, Feiko met belangstelling, de pachter met onderdanigheid en Madzy op een recht welmeenenden toon gelukwenschten, gevoelde hij zich bijna ongelukkig.
“En nu, mijn zoon!” zeide Aylva, “nu heb ik rust noodig. Neemden Heer kapelaan en deze verklaring mede, reis mijn goederen rond en bezoek mijn gezin. Het is voegzaam en nuttig, dat gij een en ander leert kennen. Uw bekwaamheid en kennis in krijgszaken is mij bekend. Gij zijt nu een Fries, en het betaamt u het vaderland te dienen. Gij kunt in de tegenwoordige omstandigheden van nut wezen. Beschik over al het mijne naar uw goeddunken, voor zooveel gij oordeelt, dat zulks voor Friesland heilzaam kan zijn.”
“Ik hoop, mij uw vertrouwen niet onwaardig te maken,” was alles, wat Reinout kon uitbrengen: en, een kort afscheid nemende, verliet hij de ziekekamer en weldra de stins, vergezeld van den huispriester.
“Welnu, Ridder!” vroeg hem aan den ingang Daamke, die na den landdag in zijn dienst getreden was en zijn ezel tegen een paard, zijn zotskolf tegen een zwaard en zijn narrenpak tegen het gewaad eens speermans verruild had: “hoe is uw wedervaren geweest?”
“Ik ben voorgoed erkend als erfzoon van Aylva,” antwoordde Reinout, terwijl hij met een bedrukt gelaat te paard steeg.
“Als erfzoon van Aylva,” dacht Daamke: “en hij kijkt zoo sip als een hoen, dat op ’t sterven ligt! Men zou waarlijk zeggen, dat het hem leed deed.—Bij Sint Julfus! Indien mij zulk een geluk overkwam, ik zou waarlijk in staat zijn van blijdschap den dood van mijn goeden vriend Cezar te vergeten.”
1Dit was het teeken, dat de eigenaar een aanval vreesde en waarmede hij zijn vrienden waarschuwde tot ontzet aan te rukken.
1Dit was het teeken, dat de eigenaar een aanval vreesde en waarmede hij zijn vrienden waarschuwde tot ontzet aan te rukken.
Que diable allait-il faire dans cette galère?Molière. Les fourberies de Scapin.
Que diable allait-il faire dans cette galère?
Que diable allait-il faire dans cette galère?
Que diable allait-il faire dans cette galère?
Molière. Les fourberies de Scapin.
Eenige dagen waren er verloopen sedert het tooneel, dat wij in ons vorige Hoofdstuk vermeld hebben, toen in den vroegen morgen een vaartuig, dat het wapen van Amsterdam aan den mast voerde en oogenschijnlijk een lading bier in had, zich in ’t gezicht der Zuiderhaven van Stavoren vertoonde. De nacht was koel geweest: maar nu was de lucht spakerig en als met een gaas bedekt: terwijl de zon, die rood als bloed door dien nevel scheen, een heeten dag voorspelde. De wind, welke gedurende den nacht frisch uit het zuidwesten gewaaid had, was met den dag uitgeschoten en belette het vaartuig zijn weg te vervolgen met dien spoed, welke de omstandigheden schenen te vorderen. De schipper stond zelf aan het roer; en zijn oog, dat onafgebroken op de lucht gevestigd was, scheen met verlangen uit te zien naar de geringste verandering in de streek, die de wind hield, om daarvan terstond een voordeelig gebruik te maken; terwijl de vijf matrozen, die de manschap uitmaakten, aan den voorsteven bijeenzaten in een wel ledige houdingmaar die slechts één woord verwachtte om in een werkzame te veranderen. Naast den schipper zat iemand, in den bloei zijner jaren, op een blauwen mantel neder, met witte lieren bezaaid. Zijn gewaad was echter dat van een koopman; zijn oog gaf onrust en ongeduld te kennen en scheen bestendig den schipper te ondervragen, die echter te voorzichtig was om dien zwijgenden blik te willen begrijpen. Eindelijk kon de jongeling zich niet langer bedwingen, en, het hoofd oprichtende, dat tot nog toe op de vlakke hand geleund had, ving hij met de volgende woorden het onderhoud aan:
“Hoe jammer, dat de wind niet uit denzelfden hoek is blijven waaien: wij waren anders met het aanbreken van den dag al binnen de haven geweest.”
“Gij hebt gelijk,” zeide de schipper; “maar tegen de elementen valt niets te doen.”
“Intusschen,” zeide de koopman; “zoo wij niet gisteravond, door wiens schuld weet ik niet, op die zandbank waren vastgeraakt, hetgeen ons zeker drie uren heeft opgehouden, zouden wij reeds lang binnen zijn.”
“Door wiens schuld?—Door de schuld van die hagelsche Friezen! van die ongelukskinderen, die de bakens verzet hebben om ons een schipbreuk te bezorgen: gij kunt overtuigd zijn, dat zij al sinds lang voor een overval vreezen, en er op uit zijn geweest om den overtocht moeilijk te maken.”
“Ik geloof met u,” zeide de koopman, “dat zij op hun hoede zijn, en daarom had ik gistermorgen reeds willen gaan om bij nacht in Stavoren te kunnen komen en het slot te bemannen, eer iemand de lucht van ons voornemen kreeg. Maar dat satansche volk kwam zoo laat aan:—Houdt u toch stil daar beneden,” zeide hij, opstaande en op den bodem stampende: “en schept moed! wij zullen wel in de haven zijn binnen een half....” (hier zag hij den schipper aan, die het hoofd schudde:) “binnen een uur....” (de schipper trok het gezicht tot een scheeven lach en wendde het hoofd om.) “Boudewijn! houd toch stilte! wat ik u bidden mag.”
“Wij zijn zoo stil als wij kunnen, Heer Ridder!” riep een stem van beneden; “maar die arme kerels zijn ziek als honden en het vaartuig stoot als een kreupele hit.”
“Geen nood,” zeide de schipper: “dat zal niet lang duren: wij komen zoo in slecht water: en dan krijgen wij een oppertje.”
“Ja! mij dunkt, wij moeten er haast zijn,” zeide de koopman, of liever de Ridder: “ik begin de huizen al te onderscheiden.”
Maar dit vooruitzicht was ijdel; want na weinige oogenblikken liet de schipper het vaartuig wenden en de wal verwijderde zich weer.
“Eilieve!” zeide de Ridder: “waar gaan wij nu weer heen?”
“Thans zal het gelukken,” zeide de schipper: “wij zijn boven den wind en krijgen zoo dadelijk hoog water. Met een paar gangetjes zijn wij er!”
De Ridder nam geduld, en de armen over de borst kruisende, sloeg hij een aandachtig oog op de Friesche kust. Recht voor hem uit verhief zich de hooge heuvel uit zee, die nog heden, ofschoondoor het golfgeweld dagelijks afnemende, zijn naam van het Roode Klif bewaard heeft. Tegen de helling en aan den voet dier hoogte graasde een talrijke kudde schapen, die al meer en meer naar de kruin terugweek, naarmate de vloed kwam opzetten. Ten noorden van het Klif en aan het einde van een zomerkade, bestemd om de invretende zeegolven te keeren, strekte zich een groene smalle landstrook uit, aan wier uiterste einde zich het klooster van Sint-Odulf met zijn hoogen toren en vergulden koepel in al zijn luister verhief: en eindelijk, nog meer noordwaarts en aan den hoek van Friesland, deed zich het trotsche Stavoren op met zijn schitterende daken en ruime kerkgebouwen, met zijn dubbele haven, en zijn ver vooruitstekende kaaien, waarmede het de zee te omarmen scheen. Het gelaat des jongelings werd somberder nog dan het geweest was, en een vloed van gewaarwordingen overstelpte hem.
“Daar is die kust dan,” dacht hij: “die kust, welke ik zoo gaarne als vriend betreden had! Daar leeft, voor wie ik met wellust al mijn bloed zoude offeren, en wier landgenooten ik thans bestrijden ga!—Zal ik haar nog zien?—Ach! zoo zij te Haarlem en te Utrecht mijn hand versmaadde, hoeveel te meer zal zij dit hier doen, nu ik als vijand kom!”
Terwijl Deodaat, wien mijn lezers aan deze uitboezeming herkend zullen hebben, aldus stond te peinzen, kwam de jongste der matrozen, een nauw volwassen knaap, hem op zijde.
“Onze onderneming begint onder slechte voorteekens, Heer Ridder!” zeide deze.
“Dat doet zij, Zweder! maar een goed krijgsman mag nimmer den moed opgeven!”
“Ook geef ik den moed niet op, Heer Ridder! en heb voor mij zelven geene zorg. Zoo gij sneuvelt in dezen tocht, ’t geen God verhoede! dan sneuvel ik met u, en dan is Zweder van Naaldwijk toch met eere gevallen. Maar ik ben bezorgd voor de vloot van den Graaf, die zeker reeds moet uitgezeild zijn. De matrozen zeggen, dat er weer storm zal komen; waar zij het aan zien, weet ik niet; maar zij dienen er verstand van te hebben.”
“Wij willen hopen, dat des Graven stuurlieden het ook zullen zien, en de vloot niet noodeloos aan gevaar blootstellen. Met dat al, er schijnt een vloek op deze onderneming te liggen.”
“Ja! ja,” zeide Zweder: “die voorspelling van Graaf Reinout en van den kokeler is menigeen voor den geest gekomen in deze laatste dagen! en, zoo ik hoor, heeft de Heer van Beaumont den Graaf nog gebeden den tocht niet aan te vangen, zonder tevens eenige benden te land te zenden.”
“Welnu! dat zal immers geschieden,” zeide Deodaat. “De Bisschop heeft bevel gezonden aan zijn vazallen in Drenthe en in het Oversticht om gewapenderhand in Friesland te vallen.”
“De Bisschop is een looze vos,” hernam Zweder, met een glimlach: “hij wil ook zijn aandeel in den buit niet missen;—maar ik ben overtuigd, dat zoo de vloot eens niet landde (’t geen God verhoede!) de heldendaden van ’s Bisschops leger zich zouden bepalentot het plukken van heidebloempjes op de vlakten van Drente om er kransjes van te vlechten;—maar zie eens, Heer Ridder! Daar naderen wij den wal weer. Is dat nu Stavoren?—Eilieve!—mij dunkt, daar staan menschen op de kaai.”
“Dat doen er net,” zeide de schipper: “en dat voorspelt ons weinig goeds. Al die vrome lui staan daar ook niet bloot om naar den wind uit te zien. Ik zou zeer bedrogen zijn, indien die Workummer visscher, die ons gisteren, toen wij op de bank zaten, kwam vragen of hij het anker op mocht zoeken, dat wij gekapt hadden; indien die Workummerman, zeg ik, ons niet vooruit ware.—Ja bij mijn ziel! daar ligt zijn schuit al in de haven!—De kans is verkeken, Ridder!—en wij zullen wel doen den steven te wenden.”
“Dat niet,” zeide Deodaat: “althans niet, voordat mij de onmogelijkheid blijkt, van mijn last te volbrengen. Maak slechts haast, want elk oogenblik vermeerdert de noodzakelijkheid om spoedig aan wal te zijn.”
“Ook goed!” zeide de schipper: “nog een paar gangetjes en wij zijn er.”
In weerwil van de haast, die hij predikte, was Deodaat niet ontevreden, dat het vaartuig nog die twee gangetjes te doen had, vermits hem zulks den tijd gaf, om nogmaals bedaard na te denken, welke handelwijze hij volgen moest. Des Graven last was geweest, dat hij binnen Stavoren, alwaar vele burgers nog Hollandschgezind waren, op een bedekte wijze eenig volk ontschepen zoude, het kasteel bemannen en de stad in bedwang houden, ten einde alzoo de Graaf dadelijk bij zijn landing een vast punt zou hebben, van waar hij zijn krijgsbewegingen kon besturen. Deze taak van Deodaat was hachelijk en de uitslag onzeker, daar men in Holland niet juist met den stand der zaken bekend was, en niet wist of men op de goede gezindheid der burgerij van Stavoren kon blijven vertrouwen, welke daarenboven door de overmacht der overige Friezen of door een oploop van het gepeupel kon machteloos gemaakt worden. Deodaat had daarom de noodzakelijkheid ingezien, bij verrassing te handelen en zijn krijgsknechten onder den valschen bodem verborgen van een schip, dat van boven met biervaten geladen was. Zijn plan was, dit volk bij nacht te ontschepen en daarmede naar het kasteel te trekken; hetwelk (althans zoo luidden de laatste berichten, door ClaesGerritszgezonden) geene Friesche bezetting had; maar door twee of drie lieden bewaakt werd, op wier trouw aan den Graaf men kon afgaan. Door vertraging bij inscheping en door tegenspoed op reis was er nu een dag verloren gegaan en was het noodzakelijk geworden, de onderneming tot den volgenden nacht te verschuiven. Intusschen gaf de groote menigte menschen, op de kaai verzameld, geene geringe bezorgdheid aan Deodaat, of niet zijn plan verraden en reeds te Stavoren bekend ware: en hij oordeelde het raadzaam, zich hiervan te verzekeren ten einde de zijnen niet nutteloos ter slachtbank te brengen. Het besluit, dat hij ten gevolge dier overdenkingen nam, was dan ook datgene, hetwelk hem de menschelijkheid en de voorzichtigheid voorschreven, hoewel het voor hem zelven het meeste gevaar inhad.
“Boudewijn!” riep hij: “kom boven, maar leg eerst uw harnas af! En gij Zweder! hoor mij.”
Beide schildknapen waren spoedig bij hem.
“Mijn voornemen,” zeide hij, “is alleen en onverwijld de stad in te gaan, om kondschap te nemen hoe de zaken staan: het schip op stroom latende liggen. Binnen drie uren kom ik weder bij u; immers zoo ik alles bevind, gelijk wij wenschen. Kom ik niet terug, dan is het een teeken, dat mijn leven of mijn vrijheid bedreigd wordt: gij wendt in dat geval den steven en boodschapt den Graaf mijn wedervaren.”
De twee schildknapen zagen elkaar met onrustige blikken aan.
“Welnu!” zeide Deodaat: “hoe kijkt gij zoo zwart? Wat hapert er aan?”
“Ridder!” zeide Boudewijn: “bij God, ik laat u niet alleen gaan:—gij zoudt omkomen in dat vervloekte nest! Laat ons liever, of al te zamen terugkeeren, of terstond met het volk aan wal springen en naar het kasteel trekken, eer die Friesche lomperds den tijd hebben om te bespeuren wat wij in ons schild voeren.”
“Zie eens!” zeide Deodaat, naar de stad wijzende: “ziet gij daar eenig blijk van een vriendelijk onthaal?”
De afstand, waarop zij zich nu bevonden, liet hun toe, dadelijk te bespeuren, dat niet slechts de volksmenigte op de kaai en de hoofden was aangegroeid, maar ook zag men, achter de aldaar verzamelden, ruiters heen en weer draven en hier en daar een helm en een speer in ’t zonlicht flikkeren.
“Mij dunkt, gij weet reeds genoeg,” zeide de schipper tot Deodaat: “en behoeft niet aan wal te gaan om verzekerd te zijn, dat men u daar een slechte welkomst voorbereidt. Gij zijt een wakker Ridder en ik maar een slechte pekbroek; maar neem den raad aan van een oud man en keer, zonder van boord te gaan, met ons terug. Ik ken die Friezen vanouds: zij zijn niet mak als zij beginnen, en hoe best ik altijd met hen overweg gekend heb, ik viel ongaarne in hunne handen.”
“Uw raad is welgemeend, schipper!” zeide Deodaat: “maar het komt hier op plichtsvervulling aan en geen denkbeeld van gevaar kan mij daarvan afschrikken. Door nu terug te keeren, zouden wij de Friezen, zoo zij kwaad vermoeden hebben, daarin versterken en des te meer op hun hoede doen wezen. Indien wij daarentegen nu stil op stroom blijven liggen, is wellicht tegen den avond die volkshoop uit elkaar en heeft niemand erg in ons. Daarom ook wil ik aan wal gaan; dan zal de achterdocht van zelf wijken.”
“Neem mij dan in Gods naam mede, Heer Ridder!” merkte Boudewijn aan: “gij zoudt in ongelegenheid kunnen komen, en....”
“Neen vriend!” zeide Deodaat: “gij keert weer naar beneden. In u zou elk den krijgsman ontdekken. Ook is uw post bij ’t volk, dat gij aan moet voeren.”
“Maar ik mag toch meegaan!” riep Zweder, hem met gevouwen handen naderende: “ik zie er immers volkomen als een scheepsjongen uit; in mij zal niemand erg hebben: en ik zal ongemerkt wellicht nog meer kunnen vernemen dan uw Edelheid.”
“Knaap!” zeide Deodaat getroffen: “ik mag het voor uw ouders niet verantwoorden.”
“Gij hebt aan mijn ouders beloofd, mij tot een braaf Ridder te maken zooals gij,” zeide Zweder: “en dus, het eenigste dat gij niet verantwoorden kunt, is mij te beletten, in de gevaren te deelen, waarin de Ridderplicht u noodzaakt u te begeven.”
“Zal ik het anker laten vallen, Ridder?” vroeg de schipper: “wij hebben hier een goede ligplaats.”
“Doe het,” zeide Deodaat, terwijl hij Zweder, die hem biddende en smeekende bij het kleed hield, van zich afweerde: “en sein om een boot.”
Een en ander geschiedde: en terstond zag men een groote beweging aan wal: in weinige oogenblikken waren niet ééne, maar een twintigtal booten bemand, die met alle haast en als om strijd naar het Hollandsche vaartuig toe roeiden; terwijl al de schepen en schuiten in de haven zich met toeschouwers vervulden, waarvan sommigen tot in de toppen der masten klommen om te ontdekken of zij ook iets in het scheepshol van den bierhaalder konden ontdekken.
“Zie eens! hoe beleefd zijn de Friezen geworden!” zeide Deodaat: “wij vragen slechts één boot, en er komen er wel twintig. Past maar op, mijn maats! dat er geen ongenoodigde gast aan boord kome.”
“Wij zullen den eersten, die het waagt, met den tandenstoker op zijn kop komen, dat hij het klimmen verleere,” zeide de schipper.
“Alles wel! alles wel!” klonk het weldra van alle kanten van het schip, dat nu van bootjes omringd was.
“Waarom komt gij niet aan ’t hoofd liggen met uw tjalk?” riepen ettelijke stemmen.
“Ik moet met de eb naar Makkum,” riep de schipper.
“Dat kunt gij wel uit uw hoofd zetten,”riep men van beneden: “wij krijgen zwaar weer binnen ’t uur en dan zult gij blij zijn hier in de haven te liggen.”
Intusschen deden verscheidene bootslieden moeite om het vaartuig te beklimmen.
“Handen af!” riep de schipper, een eind hout opheffende: “handen af! wat beduidt dit? Die koopman kan toch niet met u allen te gelijk meegaan. Bij Sinter-Klaas! die een hand aan ’t schip slaat sla ik de hersens tot gruis. Gij allen kent Krijn Jansz, en gij weet dat hij woord houdt.”
“Deze is er het eerst geweest,” zeide Deodaat, op een boot wijzende, die aan stuurboord lag: “wij zullen de keus op haar bepalen.”
Maar op hetzelfde oogenblik werd hij met geweld bij den arm gevat en naar bakboordszij getrokken door een Fries, die, terwijl de schipper en zijn maats het schip aan weerszijden tegen alle aanranding beschermden, tegen de roerpen was aan boord geklommen.
Deodaat sloeg de hand aan zijn dolk en wendde zich om, met oogmerk om deze onheusche handelwijze te keer te gaan; maar hij liet af en beschouwde aandachtig het gelaat van den Fries, dat hem niet onbekend voorkwam.
“Indien gij wijs wilt zijn, blijf dan aan boord en wend dadelijk den steven,” fluisterde hem de Fries met drift in het oor.
“Ik moet aan wal zijn,” zeide Deodaat: “maar wie zijt gij, die mij zoo ongevraagd raad komt geven?”
“Kent gij Feiko niet meer?” hernam de Fries: “gij hebt mij eens het leven gered en ik wil het u op mijn beurt doen.”
“Welnu!” zeide Deodaat: “ik dank u! en ik zal met uwe boot aan wal gaan.”
“In Gods naam dan!” zeide Feiko: “maar laat niet blijken, dat gij mij kent. Hei, ho! Rienk Westra! waar is de boot? De koopman gaat met ons mee.”
De boot van Rienk Westra was spoedig naast het vaartuig, tot groote spijt van al de overige varensgasten.
“Vaarwel schipper!” zeide Deodaat: “gij onthoudt onze afspraak. Kom! wij moeten voort.”
“God zegene u!” zeide Krijn Jansz, hem de hand drukkende: “en brenge u behouden in de haven uwer hoop.”
Deodaat steeg af: maar nauwelijks was hij in de boot, of hij ontdekte tot zijn leedwezen, dat Zweder, die zich aan een touw had laten afglijden, er reeds zat, met een riem in de eene en een aarden pot in de andere hand.
“Gaat gij toch mede?” vroeg hij, zijn ongenoegen onder deze onverschillige vraag verbergende.
“De schipper heeft melk noodig,” zeide Zweder: “en ik ga die te Stavoren halen.”
De boot verwijderde zich met snelheid, gevolgd door de andere varensgasten, die haar ettelijke vloeken nazonden.
“Wat vertoont men heden te Stavoren?” vroeg Deodaat, als begreep hij de reden van dien volksoploop niet: “is er een mysteriespel of een processie te wachten, dat alle man dus op de been is?”
”’t Is marktdag,” antwoordde Rienk Westra.
“En komt men hier meer gewapend te markt?” vervolgde Deodaat, op eenige krijgslieden wijzende, die hij in ’t verschiet zag.
“Somtijds!” hernam de Fries met een hoonenden lach: “wanneer men menschenkoppen te koop vent.”
“Zoo! nu begrijp ik u,” zeide Deodaat: “er wordt dan heden recht gedaan.”
De bootsman zag hem met een schamperen blik aan, en met verdubbelde kracht voortroeiende, neuriede hij het volgende referein van een oud Friesch deuntje: