Eindelijk echter kreeg Arkel medelijden met het ontroerde meisje, en zich tot den Abt wendende: “al die teekens zijn niet noodig,” zeide hij: “ik kom heden niet als Bisschop; maar als vriend.—Maar wie zien wij daar? broeder Syard, zoo waar ik leve! Kom nader, Broeder! en geef mij de hand.—Altijd zonder wrok, nietwaar? Verbeeldt u, mijne Heeren! dat ik dezen goeden vader, zonder het te weten, zes weken lang in een kelder op Nyenstein heb laten doorbrengen. Ik hoop, ter vergoeding daarvan, hem eens, zoo mijn invloed iets vermag, in de vetste Abdij van mijn Sticht te plaatsen;—maar ik zou bijkans iets vergeten.—Ik kom niet alleen: er is een vreemde dame in mijn gezelschap.... een vrouw van rang.... en zij is de eerste jeugd ook al voorbij;” haastte hij zich er bij te voegen, toen hij een spotachtigen trek op het gelaat van den Abt gewaarwerd: “gij weet, broeder Volkert! hoe ik over de losbandigheid in uw kloosters denk, (Sint-Odulf zonder ik uit)—en ik zal hier geen slecht voorbeeld geven:—die dame is eenigszins ongesteld:—zoude ik de jonkvrouw mogen verzoeken, haar een oogenblik gezelschap te houden?—Zij bevindt zich in de benedenzaal.”Verheugd, een zoo goede gelegenheid te kunnen aangrijpen van zich uit het gezelschap te verwijderen, haastte zich Madzy, zonder eenige verdere vragen te doen, het vertrek te verlaten, en aan des Bisschops verzoek te voldoen. Zij begaf zich naar de benedenzaal, waar zij werkelijk de persoon vond, waar Arkel van gesproken had, zittende in een armstoel en omringd van haar vrouwen, die bezig waren, met haar die zorgen te verleenen, welke haar toestand scheen te vorderen. Bij den eersten oogopslag was Madzy getroffen door het innemend gelaat, de fijne leest en het edele, ja vorstelijke, dat over de onbekende verspreid was. Haar kleeding was eenvoudig en hield als het ware het midden tusschen het wereldlijk en geestelijk gewaad: en hoewel zij bovendien thans half nedergebogen was over de armen van eene harer kamerjuffers, duidde echter het statige en tevens bevallige, dat haar ook in die min gunstige houding bijbleef, genoeg aan, dat zij van een edele geboorte was en eenmaal een hoogen rang bekleed had. De tijd of het verdriet hadden haar gelaatstrekken doen verkleuren en vermageren en het vuur der gitzwarte oogen getemperd; maar noch het een noch het ander had eenig nadeel kunnen doen aan de volkomen zuiverheid des beloops van voorhoofd, neus en kin: en niets kon meer dan haar hoofd gelijken op een model der Grieksche Niobé, in was gevormd; ofschoon geene kunst de zachtaardige, onderworpene uitdrukking van hare oogen had kunnen nabootsen, welke teweegbracht, dat men haar bij het eerste gezicht liefkreeg, alvorens men er om dacht om haar als een schoon beeld te bewonderen.Het was dan ook met meer dan gewone welwillendheid, en tevens met eerbied, dat Madzy haar de diensten aanbood, welke het in haar vermogen was te bewijzen. De vreemde dame, aan wie deFriesche taal onbekend scheen, en die dit aanbod meer uit den toon dan uit de beteekenis van Madzy’s woorden opmaakte, dankte haar met een minzame hoofdbuiging en een glimlach, zoo betooverend, als Madzy er nooit een gezien had (want zij zelve was niet gewoon, voor den spiegel te staan glimlachen) en hoewel de beide dames elkanders taal niet verstonden, zoo ontsproot er van het eerste oogenblik een overeenstemming tusschen beiden, welke haar over en weder op haar gemak bracht. Deze spoedige kennismaking moge onwaarschijnlijk voorkomen; maar, er zijn menschen, die als het ware zusterlijke zielen bezitten, wier eerste ontmoeting altijd aan een herinnering gelijk is, alsof zij elkander niet slechts een toekomst aanbrachten, maar ook een verleden.De onbekende, die in den beginne als door een hevige aandoening overstelpt scheen, bekwam langzamerhand van haar ontroering, en terwijl zij nu Madzy met minzaamheid bij de hand had genomen, en beiden zwijgend elkanders schoonheid bewonderden, trad Sytsken, die door haar meesteres was uitgezonden om ververschingen te halen, haastig weder binnen en fluisterde Madzy eenige woorden in ’t oor, welke deze nauwelijks verstaan had, of zij gaf een luiden kreet en begon over al haar leden te beven. Het was nu de beurt der onbekende, om tot hare hulp toe te snellen; maar terwijl zij, vergetende dat Madzy haar niet verstaan kon, naar de oorzaak van haar ontsteltenis vernam, stoof er iemand, in ’t geestelijk gewaad gekleed, de kamer binnen; doch bleef, bleek als een doek, aan de deur standhouden, als onzeker of hij terugkeeren, dan voort durfde gaan.—Voor wij echter aan onze lezers verhalen, wie deze nieuwaangekomene was, moeten wij tot den Heer van Aylva en zijn gasten terugkeeren.“Gij ziet,” zeide de Bisschop, zoodra Madzy vertrokken was, tot den Olderman, “dat ik aan mijn belofte getrouw ben. Maar, mag ik u thans vragen, of de beide jongelingen, welke ik op mij genomen heb, als geestelijken vermomd, onder mijne bescherming buiten Friesland te brengen, hier aanwezig zijn?”“Zij hebben ons herwaarts vergezeld,” antwoordde Aylva: “niemand behalve de Abt en ik, benevens een getrouwe dienaar, dragen kennis van hun bestaan. Zij hebben nog last van de wonden, bij den brand bekomen; doch ik vlei mij, dat zij desniettemin in staat zullen zijn, heden met u af te reizen.”“Ik weet niet,” zeide Arkel, glimlachende: “maar ik geloof, dat ik slechts een van beiden zal kunnen medevoeren.”“Hoe!” zeide Aylva: ik had mij gevleid, dat uwe Hoogwaardigheid....”“Homo proponit: sed Deus disponit,” zeide de Bisschop, de schouders ophalende: “maar ik zal het u zelf laten beoordeelen, wanneer gij mijne redenen gehoord zult hebben. Neen, blijf, broeder Syard!” vervolgde hij, ziende dat de monnik zich uit bescheidenheid wilde verwijderen: “de zaak zal toch niet lang meer geheim blijven. Vooraf moet ik den Heer Olderman vragen, of hij niet nog betrekkingen in Italië heeft, van welke hij gaarne bericht zoude ontvangen.”“Bij alle Heiligen!” riep Aylva: “zou het mogelijk kunnen zijn dat....”“Dat ik er u tijding van gaf?—Zeer waarschijnlijk. Mij is in de vorige week in de Kuinder iemand ontmoet, die een boodschap uit Verona bracht.”“Uit Verona! Leeft.... leeft Bianca di Salerno nog?” riep de Olderman, in hevige gemoedsaandoening en de handen samenvouwende.“Francesco della Scala, de dwingeland van Verona, is niet meer,” zeide Arkel: “zijn dood heeft de vrijheid hergeven aan zijn echtgenoote, die sedert jaren in een gedwongen eenzaamheid moest leven.”“God zij geloofd en geprezen!” riep Aylva: “haar lijden heeft dan een einde genomen.”“Zij wilde wel weten,” vervolgde de Bisschop, “of de Heer van Aylva, wien zij vroeger schijnt gekend te hebben, nog harer gedenkt: en tevens, of een zoon, dien zij in zijn kindsheid aan Carlo della Scala had toevertrouwd, en die later, volgens het bericht van zekeren Paolo, haar voormaligen dienaar, aan het hof van Graaf Willem (zaliger gedachtenis) kwam, haar zou willen erkennen.”“Of ik haar nog liefheb?” vroeg de anders zoo bedaarde Aylva, thans geheel verwilderd: “o mijn God! ik heb nooit opgehouden haar te beminnen!.... ik gevoel mij weder jong.... de dagen onzer jeugd, de dagen onzer liefde zullen terugkeeren.... ik zal naar Verona gaan.... ik zal haar den zoon teruggeven, dien zij zien wil.... ik zal aan Beaumont schrijven. Reinout moet bij hem wezen!”“Reinout is haar zoon niet,” zeide Arkel: “zoomin als de uwe.”“Niet!” herhaalde Aylva: “en wie dan....”“Bij al wat heilig is!” riep vader Syard, zich voor den Bisschop nederwerpende! “Hoogwaardigste! zoo u het vreeselijk geheim bewust is, verscheur dan het hart eens vaders niet.”“Verscheuren!” zeide de Bisschop: “is Deodaat dan geen Ridder, wien elke vader trotsch zou wezen, zoon te noemen?”“Deodaat!” gilde Aylva, sprakeloos van vreugd en verbazing.“Ach!” zuchtte de monnik: “het is al te waar! Deodaat ligt onder het puin van Sint-Odulf begraven.”“Neen Broeder!” zeide de Abt, zich een traan uit het oog vegende: “Deodaat en nog een knaap zijn op den avond na den brand, toen gij op Awert-State waart, door Feiko halfdood in de kelders van het klooster gevonden: de Heer van Aylva en ik werden er alleen van onderricht, en wij besloten de beide jongelingen binnen Scharl verborgen te houden, uit vrees, dat het volk hen zou ombrengen. Wij hebben er met niemand over gesproken, ook met freule Madzy niet: want het was, dacht de Olderman, beter, dat zij den knaap dood waande, dan dat zij een hopelooze liefde voor hem bleef voeden:—en nu had de Bisschop ons beloofd, dat hij hen beiden, als tot zijn gevolg behoorende, zou met zich voeren;.... maar de Heer van Aylva is niet wel! hij moest wat schrikpoeder nemen.”“Almachtige! hoe wonderbaar zijn uwe wegen!” riep de monnik: “ja waarlijk! mijn Heer van Aylva! Deodaat is uw zoon; hier ishet geschrift, dat het u bewijst, de brief zijner moeder: en zoo wij u dien bedekt hielden, het was, omdat wij den jongeling als verloren beschouwden.”“Ik kan niets lezen,” zeide Aylva, die, overstelpt van aandoeningen, in een zetel was neergezonken en vruchteloos de letters poogde te ontcijferen, die voor zijne van tranen glinsterende oogen schemerden: “maar wat behoef ik ook iets te lezen? mijn hart had het mij immers gezegd!”“En behalve de getuigenis van uw hart,” hernam Arkel, “hebben wij ook die van Reinout, die op zijn terugtocht met Beaumont de Kuinder aandeed, en edelmoedig genoeg was, om te erkennen, dat hij alhier in zijn dwaling een recht had uitgeoefend, dat aan zijn vriend toekwam. Hij is echter getroost verder gereisd; want hij heeft aldaar tevens de zekerheid bekomen, dat hij de wettige zoon was van Bianca’s vertrouwde kamenier, en niet van dien verdoemden kwakzalver Barbanera.”“Barbanera heeft in zijn stervensuur berouw gehad,” zeide vader Syard: “het oordeel over hem komt Gode alleen toe.”“Uwe bestraffing is billijk,” zeide de Bisschop: “en ik verdien haar. Maar mijn waarde Olderman! hoe zit gij toch die naamteekening op den brief zoo te kussen. Zoudt gij niet liever uw Bianca zelve aan ’t hart drukken?—Ik verzeker u, zij is het nog wel waardig.”“Bianca!” riep Aylva, opstaande en wankelende naar den Bisschop toetredende: “nog wel waardig!.... gij hebt haar dan gezien?.... o Hemel!.... die vreemde dame, die hier met u.... Hoogwaardigste! zijt gij een engel of een mensch?”“Zij kon niet in Friesland komen,” vervolgde Arkel, dat vraagpunt in ’t midden latende, “eer de rust hier was teruggekeerd en ik had op mij genomen, haar tijding te zenden, zoodra gij gereed zoudt zijn, haar te ontvangen, en u op de wederzijdsche ontmoeting voor te bereiden.”Aylva hoorde niets meer; hij snelde de trappen af: en weinige oogenblikken later lag hij in de armen van zijn gade en van hun zoon.Lange jaren waren voorbijgeloopen en de hand des tijds had de meesten van hen, die in onze geschiedenis een rol gespeeld hadden, van het wereldtooneel afgevaagd, toen een vreemdeling, door een enkelen dienaar gevolgd, op een fraaien zomerdag, langs den kronkelenden weg, die van Harlingen naar Bolsward geleidt, kwam aangereden. Beiden schenen reeds bejaarde lieden: maar de gelijkvormige bruinheid van hun gelaatstrekken, welke ten gevolge van de uitwerking, door lucht en zonnebrand daarop teweeggebracht, hard als perkament waren geworden, zoowel als de breede en veelvuldige litteekens, welke wang en voorhoofd versierden, toonden aan, dat niet alleen de tijd, maar ook de wisselvalligheden van den krijg het hunne hadden bijgebracht, om hun lokken en baard te doen vergrijzen. Het uiterlijke van den dienaar had niets buitengemeens; maar dat des meesters was wel geschikt om de opmerkzaamheid,en weldra den eerbied des voorbijgangers op te wekken: en meer dan één landman of kloosterling, die hem op zijn weg ontmoette, was, na den gewonen groet gewisseld te hebben, op het voetpad blijven staan om den onbekenden grijsaard na te oogen: ja zelfs gebeurde het nu en dan, dat deze of gene dorper, (die de weelde zoo verre dreef van zijn blonde haren onder een hoed of muts te verbergen) door een onwillekeurige beweging de hand aan zijn hoofddeksel sloeg en zich de kruin ontblootte. Het was niet de uiterlijke tooi des vreemdelings, welke dit ongewone eerbewijs teweegbracht; want zijn kleeding bestond eenvoudig uit een effen bruin gewaad van sergie, en daarbij behoorende kaper, welke waarschijnlijk lange dienstjaren gezien hadden, daar men slechts op enkele plaatsen, welke de stof, de regen en de bloedvlekken gespaard hadden, nog bemerken kon, dat de kleur oorspronkelijk grijs was geweest. De indruk, welken de onbekende teweegbracht, had haar oorzaak in de fierheid van zijn oogopslag, in de vastheid, waarmede hij in den zadel zat, en in de behendigheid, waarmede hij op zijn gevorderde jaren met zijn klepper wist om te gaan, een fraai, bruin paard van Andalusisch ras, dat niet dan met ongeduld den teugel scheen te velen, en welks bestiering, naar men zien kon, een geoefende, fiksche hand vereischte; want meer dan eens, als zijn meester even ophield en in gebroken Hollandsch naar den weg vroeg, begon het met de voorbeenen op den harden kleigrond te krabben, en de manen te schudden, als wilde het te kennen geven, dat het niets liever verlangde, dan zijn weg in vollen ren te vervolgen. Zijn berijder scheen echter ongenegen om aan dit verlangen toe te geven; maar bleef bedaard doorstappen, nu en dan, links en rechts, uitziende, of hij het goede spoor was ingeslagen, en somtijds, wanneer hij aan een kruisweg of driesprong kwam, even stilhoudende, als iemand, die zich een weg zoekt te herinneren, en een landstreek zoekt te herkennen, welke hij in vele jaren niet bezocht heeft. Eindelijk, nadat hij weder een dusdanig onderzoek had in ’t werk gesteld, bleef hij zoolang in diep gepeins voor zich uitzien, dat zijn dienaar begon te vreezen, dat zij geheel verdwaald waren.“Ik heb het u wel gezegd, Heer Ridder,” zeide hij met een ontevreden hoofdschudden, en op dien toon van gemeenzaamheid, welken het deelen van dezelfde krijgstochten en gevaren niet zelden tusschen Heer en dienaar ontstaan doet: “wij hadden te Harlingen een wegwijzer moeten nemen: nu zijn wij het spoor geheel bijster.”“Dat zijn wij niet, Berthout!” antwoordde zijn meester, terwijl hij op een breed en hooggebouwd slot wees, dat, recht voor hem, uit het groene weiland oprees. “Dat is Aylva-state: en dat de Burchtheer te huis is, bewijst de banier, welke gij op de torenspits ziet wapperen. Zoo ik een oogenblik weifel, is het, omdat ik nog onzeker ben, welke van al de wegen, die zich hier vereenigen, als de draden van een spinneweb in het middelpunt, mij het spoedigste daar brengen zal.”De dienaar scheen zich met dit antwoord te vergenoegen; maar indien hij in de ziel zijns meesters had kunnen lezen, zou hij gewetenhebben, dat de opgegeven reden de eenige niet was, waarom de grijze krijgsman stilhield; maar dat de herinneringen aan verloopen jaren, de onzekerheid van het onthaal, dat hem verbeidde, en de vloed van andere, zoowel aangename als pijnlijke gedachten, zich van zijn geest hadden meester gemaakt en hem ongeveer in den toestand hadden gebracht van iemand, die bij een morgensluimering, half wakende, nog door een belangrijken droom wordt beziggehouden, en schoon hij de zonnestralen reeds in zijn vertrek kan zien schijnen, nochtans onwillig is om de banden des slaaps te verbreken.“UEd. kon den rechten weg misschien van dat volkje daar vernemen,” zeide de dienaar, op eenige kinderen wijzende, die zich op een nabijgelegen kamp vermaakten: “ik zou het zelf wel doen, zoo ik slechts de taal verstond; maar dat gesnater kan geen mensch ter wereld begrijpen.”De Ridder glimlachte; de goede dienaar, die eigenlijk een Henegouwer van geboorte was, had zoolang met hem rondgezworven, dat hij zelf eigenlijk geene taal, maar een mengelmoes van allerlei spraken en tongvallen bezigde. Hij volgde echter den gegeven raad, en, de stem verheffende, wekte hij opeens de aandacht van het vroolijke hoopje, dat, in den ijver van het spel, hem niet eens bespeurd had. En, terwijl de kleinsten onder de jongens, die bezig waren met den bal te werpen, hun spel staakten en hem met open mond, en eenigszins vreesachtig bleven aanstaren, en de meisjes, die een kransje van veldbloemen vlochten, zich angstig tegen elkander drongen, waagden het vier of vijf meer in jaren gevorderde knapen, hem te naderen, beurtelings het oog op hem slaande en op den boog, dien zij in de hand hielden.“Wat is de kortste weg naar Aylva-state, mijn maats?” riep de vreemdeling, zijn vraag herhalende.“De weg naar Aylva-state!” herhaalden al de knapen: “Wel, Aylva-state ligt daarginder vlak voor u.”“Gij moet recht voor u uitrijden,” vervolgde een hunner in zijn Frieschen tongval: “en dan over de hoeve van Jouke Wybes heen: en dan links houden: en dan langs de schutting tot gij aan een ouden boom komt, en dan rechtuit: en dan....”“Wel, dat is een mijl op zeven,” viel hem een ander in de rede: “gij moet linksaf naar de woning van Tiete Donia en daar uw paarden laten: en het voetpad nemen, tot aan de schuur, en dan rechtsaf....”“Ei neen!” zeide een derde: “hij kan immers hier dadelijk afstappen en ’t land oversteken....”“Dan moet hij slootje springen,” riep een vierde: “want de vonder is weggehaald.”Terwijl zij aldus hun vrij duidelijke aanwijzingen deden, waar onze reiziger te minder van begreep, daar hij de taal, waarin die gegeven werden, niet te best verstond, en hij zijn oogen beurtelings van den eenen op den anderen spreker liet ronddwalen, al lachende om hun gesnap, kwam een oude Fries, wien hij niet dadelijk bespeurd had, omdat hij achter een terp had gestaan, naar hen toegetreden met een witte schijf in de hand, die aan de jeugdige schutters toteen doel gestrekt had. Het verlangen des vreemdelings vernomen hebbende, wendde hij zich tot de kinderen: “mij dunkt,” zeide hij, “’t is voor vandaag lang genoeg: wij konden wel meteen naar huis gaan en dien kameraden den weg wijzen.”Op deze woorden verzamelde zich de gansche troep om den ouden man heen; de een echter met meer spoed en bereidwilliger dan de andere; en op menig gelaat was ongenoegen en teleurstelling te lezen.“Ik hoop niet,” zeide de vreemdeling, met deelneming die lieve, ronde gezichtjes, die er allen even gezond en bevallig uitzagen, beschouwende, “dat die goede kinderen om mijnentwil hun spel zouden moeten staken.”“In ’t geheel niet,” antwoordde de Fries: “’t is toch hun tijd: komaan, Madzy!” vervolgde hij tot een klein vierjarig meisje, schoon als de dag, dat haar bloempjes bijeenpakte: “rep u wat, kind! Sytsken mocht op u knorren.”“Madzy!” herhaalde de reiziger, blijkbaar ontroerd: “is dat kind een dochtertje van de Vrouwe van Aylva?”“Hei! ho!” antwoordde de Fries, meesmuilende: “de Vrouwe van Aylva is nog kras en vlug; maar toch....” hier zag hij eerst de kinderen en toen den vreemdeling aan, als wilde hij hem te kennen geven, dat hij om hunnentwille het verdere zweeg:—“neen!” vervolgde hij, op den grootsten der knapen wijzende: “deze hier, Juwe, is de jongste zoon van onze waardige Vrouwe—al die anderen zijn haar kleinkinderen: ja: ’t is een heel zootje: en dan zijn er nog wel zes of zeven te huis.”De reiziger scheen aangedaan; hij reikte eene hand toe aan den knaap, dien de Fries hem had voorgesteld en beschouwde met aandacht zijn fraaie regelmatige trekken en heldere blauwe oogen: “Ja! ik herken u!” zeide hij eindelijk: “gij zijt het sprekend evenbeeld uwer moeder.”“Dat is een heel geweer, dat gij daar aan uw zijde hebt,” hernam de knaap, op den langen zwaren kruisdegen des vreemdelings wijzende.“Wilt gij het eens bezien?” vroeg deze: en, toen hij de oogen van Juwe zag fonkelen van blijdschap, gespte hij het lemmer los en stelde het hem ter hand. “Ziezoo!” voegde hij er bij: “nu ben ik uw gevangene.”“Ik wilde op dit paard zitten,” zeide de kleine Madzy, op den klepper des reizigers wijzende.“Zijt gij dwaas, Madzy?” vroeg de oude dienaar: “dat Daamke u nu en dan op een ezel rondrijdt, laat ik toe: want die is vanouds gewend met ezels om te gaan; maar zoo gij op dat beest ging zitten, kwam er geen stuk van u terecht.”“Geef het lieve kind maar hier!” riep de oude krijgsman: “ik zal er zorg voor dragen of het mijn eigen was.”“Ja! ja!” riepen sommigen onder de knapen, verheugd: “gij zult het moeten aanzien, Feiko!” en meteen, het meisje opvattende, tilden zij het hoog genoeg, dat de ruiter het aan kon nemen en voor zich op het paard plaatsen.“Zijt gij waarlijk Feiko?” zeide de vreemdeling, terwijl hij meteen een kus drukte op de blozende wangen van het kind: “nu, wees dan zonder zorg; en wees verzekerd, dat ik zoo goed rijde als de Cistenser monnik, die eens in uw gezelschap Utrecht verliet.”“Wat duivel!” zeide Feiko, den ruiter stijf aanziende: “een Cistenser monnik!.... ja waarlijk!.... zoo mijn oude oogen mij niet bedriegen....?”“Neen, zij bedriegen u niet,” antwoordde de reiziger: “zeg mij maar, is alles wel op Aylva-state en zou men er mij willen ontvangen?”“U ontvangen!.... wel mijn goede tijd! onze Heer spreekt nog alle dagen over u. Hij heeft dan ook in al te lange jaren geene tijding van u gehad.”“Dat is waar! maar ik heb ook heel wat rondgezworven,” zeide Reinout, wien onze lezers reeds zullen herkend hebben: “Ik begin thans echter oud en stijf te worden, en naar rust te verlangen: en zoo er nog een hoekje op Aylva-state open is, wilde ik daar mijn dagen wel eindigen.”“Hoe!” zeide Juwe: “Is dit werkelijk Ridder Reinout, Feiko? daar vader ons zoo dikwijls van verteld heeft?”De oude dienaar knikte met het hoofd: en Juwe, zonder een woord te spreken, wierp den degen op den weg, sprong een dijkje en een paar slooten over, en liep, zonder adem te halen, dwars over het land naar Aylva-state heen, om de blijde tijding aldaar te brengen. Straks was alles in de weer: en niet lang daarna traden Deodaat van Aylva en zijn Madzy, thans wel geen jeugdig, maar toch nog een gezond en stevig paar, met hun eigene en aangehuwde kinderen, de stins uit en hun gastvriend te gemoet. Spoedig zagen zij hem verschijnen en dat wel in een kluchtigen trein: want Reinout was, ten gevalle der kinderen, die allen rijden wilden, van ’t paard gestegen, waarop er nu een vijftal zaten, terwijl hij zelf aan den kop voorging en de teugels hield, daar Feiko er naast liep om alle ongelukken te voorkomen. Een ander gedeelte van het troepje zat op het paard van Reinouts dienaar: en zij, die geene plaats hadden kunnen krijgen op een der beide rossen, reden op den langen degen des Ridders.“Wij brengen u een gevangene, grootvader!” riepen de kleinen, als uit éénen mond.“En dien ik niet hoop te laten ontsnappen,” zeide Deodaat, zijn ouden vriend omhelzende. “Kom Madzy! kus onzen nieuwen huisgenoot welkom.”“Dat zou hij voor dertig jaren niet gezegd hebben,” beet Feiko al lachende zijn vrouw in ’t oor.“Stil!” duwde Sytsken haar man toe: “hoe kunt gij daarmede spotten? Ik ben er geheel van aangedaan.”Een uur later was het gansche huisgezin met den nieuwgekomen gast aan den avonddisch gezeten, en gaf deze laatste een korte schets van zijn avonturen.Na zijn plotseling vertrek uit Friesland, was hij, als voorheen,de fortuin van Beaumont gevolgd, had eerst met dezen in Bretagne en, na den dood van dien volmaakten Ridder, dienparangon de la Chevalerie, gelijk hem de Fransche kroniekschrijvers noemen, met den vermaarden Du Guesclin, in Spanje den oorlog bijgewoond: zonder dat hem echter al zijn wakkere daden en getrouwe diensten, aan de Fransche kroon bewezen, merkelijk verrijkt hadden. Eindelijk, zwervens moede, had hij besloten het weinige, dat hem overgebleven was, bij zijn ouden vriend te komen verteren.“Ik heb aan de Vrouwe van Aylva den groet over te brengen van een oude kennis,” zeide hij, na zijn verhaal geëindigd te hebben: “mij eenige dagen geleden te Luik bevindende, had ik de eer ontvangen te worden bij den Heer Bisschop, vroeger Bisschop van Utrecht.”“Inderdaad!” zeide Madzy, glimlachende: “en hoe maakt het zijn Hoogwaardigheid thans?”“Ja! wat zal ik u zeggen,” antwoordde Reinout: “oud, jichtig en stijf, wachtende en stille zittende, maar altijd nog klaar om van elke omstandigheid tot zijn voordeel partij te trekken, en zijn eigen ik meer dan ooit boven alles stellende. Hij gevoelt intusschen de hand des tijds, gelijk wij allen, onze edele gastvrouw uitgezonderd, die waarlijk zoo weinig veranderd is,” (hier fluisterde hij Madzy in de ooren) “dat ik bijna niet weet, of ik wel voorzichtig gedaan heb om hier te komen. Men ziet meer, dat bij een ouden krijgsman zich somtijds wonden openen, die hij lang geheeld waande.”“O! dat is niets,” antwoordde zij lachende; want de toon, waarop Reinout sprak, was geruststellende genoeg om haar te doen bespeuren, dat zijne woorden niets dan loutere plichtpleging waren: “wij hebben hier nog een goeden geneesmeester voor alle wonden.”“Hoe!” zeide Reinout: “leeft onze oude vader Volkert nog, en geeft hij nog altijd geneesmiddelen?”“Neen,” zeide de Heer van Aylva: “de vrome Abt en de waardige broeder Syard zijn niet meer, maar daarachter u staat een oude kennis, die u een voortreffelijk middel tegen alle kwalen komt toedienen.”“Wel, mijn brave held, leeft gij nog?” zeide Reinout, zich omkeerende en Daamke ziende, die hem, met vele buigingen en strijkages, een zilveren beker op een schenkblad aanbood: “wel vriend! wij hebben ons indertijd met een wat al te haastig afscheid verlaten. Het spijt mij, ik kan u niet weer uw oude betrekking bij mij laten vervullen; daar zou mijn goede Berthout wat tegen hebben; maar gij zoudt zelf, denk ik, ook weinig lust hebben om, tegen de bediening van een armen dolenden Ridder als ik ben, den post van schenker, dien ik zie dat gij thans bekleedt, te verwisselen. Kom! geef hier uw beker, die betere medicijn bevat dan de tooverkast van meester Barbanera.”Dit zeggende aanvaardde hij den beker uit des dienaars handen. Het was een sierlijk gewerkte kroes, rijkelijk met wingertranken en gesneden bloemen versierd. Bijzonder trok de fraaiheid van het deksel de opmerkzaamheid van Reinout, prijkende met het wapenvan Aylva, op een kunstige wijze gesneden, terwijl het oude rijmpje betreffende de Roos van Dekama om den rand gegrift was.“Hebt gij uw wapen niet veranderd, Deodaat?” vroeg Reinout, na het pronkstuk gedurende eenige oogenblikken aandachtig te hebben beschouwd.“Ja!” antwoordde deze: “ik heb, toen de dood mijns eerwaardigen en onvergetelijken vaders mij tot het hoofd van mijn stamhuis maakte, ter gedachtenisse aan onze zonderlinge avonturen, en van den gelukkigen echt, die ze besloten heeft, mij die vrijheid veroorloofd, en de gouden ster en halve maan op het lazuren veld vermeerderd metDe Roos van Dekama.
Eindelijk echter kreeg Arkel medelijden met het ontroerde meisje, en zich tot den Abt wendende: “al die teekens zijn niet noodig,” zeide hij: “ik kom heden niet als Bisschop; maar als vriend.—Maar wie zien wij daar? broeder Syard, zoo waar ik leve! Kom nader, Broeder! en geef mij de hand.—Altijd zonder wrok, nietwaar? Verbeeldt u, mijne Heeren! dat ik dezen goeden vader, zonder het te weten, zes weken lang in een kelder op Nyenstein heb laten doorbrengen. Ik hoop, ter vergoeding daarvan, hem eens, zoo mijn invloed iets vermag, in de vetste Abdij van mijn Sticht te plaatsen;—maar ik zou bijkans iets vergeten.—Ik kom niet alleen: er is een vreemde dame in mijn gezelschap.... een vrouw van rang.... en zij is de eerste jeugd ook al voorbij;” haastte hij zich er bij te voegen, toen hij een spotachtigen trek op het gelaat van den Abt gewaarwerd: “gij weet, broeder Volkert! hoe ik over de losbandigheid in uw kloosters denk, (Sint-Odulf zonder ik uit)—en ik zal hier geen slecht voorbeeld geven:—die dame is eenigszins ongesteld:—zoude ik de jonkvrouw mogen verzoeken, haar een oogenblik gezelschap te houden?—Zij bevindt zich in de benedenzaal.”
Verheugd, een zoo goede gelegenheid te kunnen aangrijpen van zich uit het gezelschap te verwijderen, haastte zich Madzy, zonder eenige verdere vragen te doen, het vertrek te verlaten, en aan des Bisschops verzoek te voldoen. Zij begaf zich naar de benedenzaal, waar zij werkelijk de persoon vond, waar Arkel van gesproken had, zittende in een armstoel en omringd van haar vrouwen, die bezig waren, met haar die zorgen te verleenen, welke haar toestand scheen te vorderen. Bij den eersten oogopslag was Madzy getroffen door het innemend gelaat, de fijne leest en het edele, ja vorstelijke, dat over de onbekende verspreid was. Haar kleeding was eenvoudig en hield als het ware het midden tusschen het wereldlijk en geestelijk gewaad: en hoewel zij bovendien thans half nedergebogen was over de armen van eene harer kamerjuffers, duidde echter het statige en tevens bevallige, dat haar ook in die min gunstige houding bijbleef, genoeg aan, dat zij van een edele geboorte was en eenmaal een hoogen rang bekleed had. De tijd of het verdriet hadden haar gelaatstrekken doen verkleuren en vermageren en het vuur der gitzwarte oogen getemperd; maar noch het een noch het ander had eenig nadeel kunnen doen aan de volkomen zuiverheid des beloops van voorhoofd, neus en kin: en niets kon meer dan haar hoofd gelijken op een model der Grieksche Niobé, in was gevormd; ofschoon geene kunst de zachtaardige, onderworpene uitdrukking van hare oogen had kunnen nabootsen, welke teweegbracht, dat men haar bij het eerste gezicht liefkreeg, alvorens men er om dacht om haar als een schoon beeld te bewonderen.
Het was dan ook met meer dan gewone welwillendheid, en tevens met eerbied, dat Madzy haar de diensten aanbood, welke het in haar vermogen was te bewijzen. De vreemde dame, aan wie deFriesche taal onbekend scheen, en die dit aanbod meer uit den toon dan uit de beteekenis van Madzy’s woorden opmaakte, dankte haar met een minzame hoofdbuiging en een glimlach, zoo betooverend, als Madzy er nooit een gezien had (want zij zelve was niet gewoon, voor den spiegel te staan glimlachen) en hoewel de beide dames elkanders taal niet verstonden, zoo ontsproot er van het eerste oogenblik een overeenstemming tusschen beiden, welke haar over en weder op haar gemak bracht. Deze spoedige kennismaking moge onwaarschijnlijk voorkomen; maar, er zijn menschen, die als het ware zusterlijke zielen bezitten, wier eerste ontmoeting altijd aan een herinnering gelijk is, alsof zij elkander niet slechts een toekomst aanbrachten, maar ook een verleden.
De onbekende, die in den beginne als door een hevige aandoening overstelpt scheen, bekwam langzamerhand van haar ontroering, en terwijl zij nu Madzy met minzaamheid bij de hand had genomen, en beiden zwijgend elkanders schoonheid bewonderden, trad Sytsken, die door haar meesteres was uitgezonden om ververschingen te halen, haastig weder binnen en fluisterde Madzy eenige woorden in ’t oor, welke deze nauwelijks verstaan had, of zij gaf een luiden kreet en begon over al haar leden te beven. Het was nu de beurt der onbekende, om tot hare hulp toe te snellen; maar terwijl zij, vergetende dat Madzy haar niet verstaan kon, naar de oorzaak van haar ontsteltenis vernam, stoof er iemand, in ’t geestelijk gewaad gekleed, de kamer binnen; doch bleef, bleek als een doek, aan de deur standhouden, als onzeker of hij terugkeeren, dan voort durfde gaan.—Voor wij echter aan onze lezers verhalen, wie deze nieuwaangekomene was, moeten wij tot den Heer van Aylva en zijn gasten terugkeeren.
“Gij ziet,” zeide de Bisschop, zoodra Madzy vertrokken was, tot den Olderman, “dat ik aan mijn belofte getrouw ben. Maar, mag ik u thans vragen, of de beide jongelingen, welke ik op mij genomen heb, als geestelijken vermomd, onder mijne bescherming buiten Friesland te brengen, hier aanwezig zijn?”
“Zij hebben ons herwaarts vergezeld,” antwoordde Aylva: “niemand behalve de Abt en ik, benevens een getrouwe dienaar, dragen kennis van hun bestaan. Zij hebben nog last van de wonden, bij den brand bekomen; doch ik vlei mij, dat zij desniettemin in staat zullen zijn, heden met u af te reizen.”
“Ik weet niet,” zeide Arkel, glimlachende: “maar ik geloof, dat ik slechts een van beiden zal kunnen medevoeren.”
“Hoe!” zeide Aylva: ik had mij gevleid, dat uwe Hoogwaardigheid....”
“Homo proponit: sed Deus disponit,” zeide de Bisschop, de schouders ophalende: “maar ik zal het u zelf laten beoordeelen, wanneer gij mijne redenen gehoord zult hebben. Neen, blijf, broeder Syard!” vervolgde hij, ziende dat de monnik zich uit bescheidenheid wilde verwijderen: “de zaak zal toch niet lang meer geheim blijven. Vooraf moet ik den Heer Olderman vragen, of hij niet nog betrekkingen in Italië heeft, van welke hij gaarne bericht zoude ontvangen.”
“Bij alle Heiligen!” riep Aylva: “zou het mogelijk kunnen zijn dat....”
“Dat ik er u tijding van gaf?—Zeer waarschijnlijk. Mij is in de vorige week in de Kuinder iemand ontmoet, die een boodschap uit Verona bracht.”
“Uit Verona! Leeft.... leeft Bianca di Salerno nog?” riep de Olderman, in hevige gemoedsaandoening en de handen samenvouwende.
“Francesco della Scala, de dwingeland van Verona, is niet meer,” zeide Arkel: “zijn dood heeft de vrijheid hergeven aan zijn echtgenoote, die sedert jaren in een gedwongen eenzaamheid moest leven.”
“God zij geloofd en geprezen!” riep Aylva: “haar lijden heeft dan een einde genomen.”
“Zij wilde wel weten,” vervolgde de Bisschop, “of de Heer van Aylva, wien zij vroeger schijnt gekend te hebben, nog harer gedenkt: en tevens, of een zoon, dien zij in zijn kindsheid aan Carlo della Scala had toevertrouwd, en die later, volgens het bericht van zekeren Paolo, haar voormaligen dienaar, aan het hof van Graaf Willem (zaliger gedachtenis) kwam, haar zou willen erkennen.”
“Of ik haar nog liefheb?” vroeg de anders zoo bedaarde Aylva, thans geheel verwilderd: “o mijn God! ik heb nooit opgehouden haar te beminnen!.... ik gevoel mij weder jong.... de dagen onzer jeugd, de dagen onzer liefde zullen terugkeeren.... ik zal naar Verona gaan.... ik zal haar den zoon teruggeven, dien zij zien wil.... ik zal aan Beaumont schrijven. Reinout moet bij hem wezen!”
“Reinout is haar zoon niet,” zeide Arkel: “zoomin als de uwe.”
“Niet!” herhaalde Aylva: “en wie dan....”
“Bij al wat heilig is!” riep vader Syard, zich voor den Bisschop nederwerpende! “Hoogwaardigste! zoo u het vreeselijk geheim bewust is, verscheur dan het hart eens vaders niet.”
“Verscheuren!” zeide de Bisschop: “is Deodaat dan geen Ridder, wien elke vader trotsch zou wezen, zoon te noemen?”
“Deodaat!” gilde Aylva, sprakeloos van vreugd en verbazing.
“Ach!” zuchtte de monnik: “het is al te waar! Deodaat ligt onder het puin van Sint-Odulf begraven.”
“Neen Broeder!” zeide de Abt, zich een traan uit het oog vegende: “Deodaat en nog een knaap zijn op den avond na den brand, toen gij op Awert-State waart, door Feiko halfdood in de kelders van het klooster gevonden: de Heer van Aylva en ik werden er alleen van onderricht, en wij besloten de beide jongelingen binnen Scharl verborgen te houden, uit vrees, dat het volk hen zou ombrengen. Wij hebben er met niemand over gesproken, ook met freule Madzy niet: want het was, dacht de Olderman, beter, dat zij den knaap dood waande, dan dat zij een hopelooze liefde voor hem bleef voeden:—en nu had de Bisschop ons beloofd, dat hij hen beiden, als tot zijn gevolg behoorende, zou met zich voeren;.... maar de Heer van Aylva is niet wel! hij moest wat schrikpoeder nemen.”
“Almachtige! hoe wonderbaar zijn uwe wegen!” riep de monnik: “ja waarlijk! mijn Heer van Aylva! Deodaat is uw zoon; hier ishet geschrift, dat het u bewijst, de brief zijner moeder: en zoo wij u dien bedekt hielden, het was, omdat wij den jongeling als verloren beschouwden.”
“Ik kan niets lezen,” zeide Aylva, die, overstelpt van aandoeningen, in een zetel was neergezonken en vruchteloos de letters poogde te ontcijferen, die voor zijne van tranen glinsterende oogen schemerden: “maar wat behoef ik ook iets te lezen? mijn hart had het mij immers gezegd!”
“En behalve de getuigenis van uw hart,” hernam Arkel, “hebben wij ook die van Reinout, die op zijn terugtocht met Beaumont de Kuinder aandeed, en edelmoedig genoeg was, om te erkennen, dat hij alhier in zijn dwaling een recht had uitgeoefend, dat aan zijn vriend toekwam. Hij is echter getroost verder gereisd; want hij heeft aldaar tevens de zekerheid bekomen, dat hij de wettige zoon was van Bianca’s vertrouwde kamenier, en niet van dien verdoemden kwakzalver Barbanera.”
“Barbanera heeft in zijn stervensuur berouw gehad,” zeide vader Syard: “het oordeel over hem komt Gode alleen toe.”
“Uwe bestraffing is billijk,” zeide de Bisschop: “en ik verdien haar. Maar mijn waarde Olderman! hoe zit gij toch die naamteekening op den brief zoo te kussen. Zoudt gij niet liever uw Bianca zelve aan ’t hart drukken?—Ik verzeker u, zij is het nog wel waardig.”
“Bianca!” riep Aylva, opstaande en wankelende naar den Bisschop toetredende: “nog wel waardig!.... gij hebt haar dan gezien?.... o Hemel!.... die vreemde dame, die hier met u.... Hoogwaardigste! zijt gij een engel of een mensch?”
“Zij kon niet in Friesland komen,” vervolgde Arkel, dat vraagpunt in ’t midden latende, “eer de rust hier was teruggekeerd en ik had op mij genomen, haar tijding te zenden, zoodra gij gereed zoudt zijn, haar te ontvangen, en u op de wederzijdsche ontmoeting voor te bereiden.”
Aylva hoorde niets meer; hij snelde de trappen af: en weinige oogenblikken later lag hij in de armen van zijn gade en van hun zoon.
Lange jaren waren voorbijgeloopen en de hand des tijds had de meesten van hen, die in onze geschiedenis een rol gespeeld hadden, van het wereldtooneel afgevaagd, toen een vreemdeling, door een enkelen dienaar gevolgd, op een fraaien zomerdag, langs den kronkelenden weg, die van Harlingen naar Bolsward geleidt, kwam aangereden. Beiden schenen reeds bejaarde lieden: maar de gelijkvormige bruinheid van hun gelaatstrekken, welke ten gevolge van de uitwerking, door lucht en zonnebrand daarop teweeggebracht, hard als perkament waren geworden, zoowel als de breede en veelvuldige litteekens, welke wang en voorhoofd versierden, toonden aan, dat niet alleen de tijd, maar ook de wisselvalligheden van den krijg het hunne hadden bijgebracht, om hun lokken en baard te doen vergrijzen. Het uiterlijke van den dienaar had niets buitengemeens; maar dat des meesters was wel geschikt om de opmerkzaamheid,en weldra den eerbied des voorbijgangers op te wekken: en meer dan één landman of kloosterling, die hem op zijn weg ontmoette, was, na den gewonen groet gewisseld te hebben, op het voetpad blijven staan om den onbekenden grijsaard na te oogen: ja zelfs gebeurde het nu en dan, dat deze of gene dorper, (die de weelde zoo verre dreef van zijn blonde haren onder een hoed of muts te verbergen) door een onwillekeurige beweging de hand aan zijn hoofddeksel sloeg en zich de kruin ontblootte. Het was niet de uiterlijke tooi des vreemdelings, welke dit ongewone eerbewijs teweegbracht; want zijn kleeding bestond eenvoudig uit een effen bruin gewaad van sergie, en daarbij behoorende kaper, welke waarschijnlijk lange dienstjaren gezien hadden, daar men slechts op enkele plaatsen, welke de stof, de regen en de bloedvlekken gespaard hadden, nog bemerken kon, dat de kleur oorspronkelijk grijs was geweest. De indruk, welken de onbekende teweegbracht, had haar oorzaak in de fierheid van zijn oogopslag, in de vastheid, waarmede hij in den zadel zat, en in de behendigheid, waarmede hij op zijn gevorderde jaren met zijn klepper wist om te gaan, een fraai, bruin paard van Andalusisch ras, dat niet dan met ongeduld den teugel scheen te velen, en welks bestiering, naar men zien kon, een geoefende, fiksche hand vereischte; want meer dan eens, als zijn meester even ophield en in gebroken Hollandsch naar den weg vroeg, begon het met de voorbeenen op den harden kleigrond te krabben, en de manen te schudden, als wilde het te kennen geven, dat het niets liever verlangde, dan zijn weg in vollen ren te vervolgen. Zijn berijder scheen echter ongenegen om aan dit verlangen toe te geven; maar bleef bedaard doorstappen, nu en dan, links en rechts, uitziende, of hij het goede spoor was ingeslagen, en somtijds, wanneer hij aan een kruisweg of driesprong kwam, even stilhoudende, als iemand, die zich een weg zoekt te herinneren, en een landstreek zoekt te herkennen, welke hij in vele jaren niet bezocht heeft. Eindelijk, nadat hij weder een dusdanig onderzoek had in ’t werk gesteld, bleef hij zoolang in diep gepeins voor zich uitzien, dat zijn dienaar begon te vreezen, dat zij geheel verdwaald waren.
“Ik heb het u wel gezegd, Heer Ridder,” zeide hij met een ontevreden hoofdschudden, en op dien toon van gemeenzaamheid, welken het deelen van dezelfde krijgstochten en gevaren niet zelden tusschen Heer en dienaar ontstaan doet: “wij hadden te Harlingen een wegwijzer moeten nemen: nu zijn wij het spoor geheel bijster.”
“Dat zijn wij niet, Berthout!” antwoordde zijn meester, terwijl hij op een breed en hooggebouwd slot wees, dat, recht voor hem, uit het groene weiland oprees. “Dat is Aylva-state: en dat de Burchtheer te huis is, bewijst de banier, welke gij op de torenspits ziet wapperen. Zoo ik een oogenblik weifel, is het, omdat ik nog onzeker ben, welke van al de wegen, die zich hier vereenigen, als de draden van een spinneweb in het middelpunt, mij het spoedigste daar brengen zal.”
De dienaar scheen zich met dit antwoord te vergenoegen; maar indien hij in de ziel zijns meesters had kunnen lezen, zou hij gewetenhebben, dat de opgegeven reden de eenige niet was, waarom de grijze krijgsman stilhield; maar dat de herinneringen aan verloopen jaren, de onzekerheid van het onthaal, dat hem verbeidde, en de vloed van andere, zoowel aangename als pijnlijke gedachten, zich van zijn geest hadden meester gemaakt en hem ongeveer in den toestand hadden gebracht van iemand, die bij een morgensluimering, half wakende, nog door een belangrijken droom wordt beziggehouden, en schoon hij de zonnestralen reeds in zijn vertrek kan zien schijnen, nochtans onwillig is om de banden des slaaps te verbreken.
“UEd. kon den rechten weg misschien van dat volkje daar vernemen,” zeide de dienaar, op eenige kinderen wijzende, die zich op een nabijgelegen kamp vermaakten: “ik zou het zelf wel doen, zoo ik slechts de taal verstond; maar dat gesnater kan geen mensch ter wereld begrijpen.”
De Ridder glimlachte; de goede dienaar, die eigenlijk een Henegouwer van geboorte was, had zoolang met hem rondgezworven, dat hij zelf eigenlijk geene taal, maar een mengelmoes van allerlei spraken en tongvallen bezigde. Hij volgde echter den gegeven raad, en, de stem verheffende, wekte hij opeens de aandacht van het vroolijke hoopje, dat, in den ijver van het spel, hem niet eens bespeurd had. En, terwijl de kleinsten onder de jongens, die bezig waren met den bal te werpen, hun spel staakten en hem met open mond, en eenigszins vreesachtig bleven aanstaren, en de meisjes, die een kransje van veldbloemen vlochten, zich angstig tegen elkander drongen, waagden het vier of vijf meer in jaren gevorderde knapen, hem te naderen, beurtelings het oog op hem slaande en op den boog, dien zij in de hand hielden.
“Wat is de kortste weg naar Aylva-state, mijn maats?” riep de vreemdeling, zijn vraag herhalende.
“De weg naar Aylva-state!” herhaalden al de knapen: “Wel, Aylva-state ligt daarginder vlak voor u.”
“Gij moet recht voor u uitrijden,” vervolgde een hunner in zijn Frieschen tongval: “en dan over de hoeve van Jouke Wybes heen: en dan links houden: en dan langs de schutting tot gij aan een ouden boom komt, en dan rechtuit: en dan....”
“Wel, dat is een mijl op zeven,” viel hem een ander in de rede: “gij moet linksaf naar de woning van Tiete Donia en daar uw paarden laten: en het voetpad nemen, tot aan de schuur, en dan rechtsaf....”
“Ei neen!” zeide een derde: “hij kan immers hier dadelijk afstappen en ’t land oversteken....”
“Dan moet hij slootje springen,” riep een vierde: “want de vonder is weggehaald.”
Terwijl zij aldus hun vrij duidelijke aanwijzingen deden, waar onze reiziger te minder van begreep, daar hij de taal, waarin die gegeven werden, niet te best verstond, en hij zijn oogen beurtelings van den eenen op den anderen spreker liet ronddwalen, al lachende om hun gesnap, kwam een oude Fries, wien hij niet dadelijk bespeurd had, omdat hij achter een terp had gestaan, naar hen toegetreden met een witte schijf in de hand, die aan de jeugdige schutters toteen doel gestrekt had. Het verlangen des vreemdelings vernomen hebbende, wendde hij zich tot de kinderen: “mij dunkt,” zeide hij, “’t is voor vandaag lang genoeg: wij konden wel meteen naar huis gaan en dien kameraden den weg wijzen.”
Op deze woorden verzamelde zich de gansche troep om den ouden man heen; de een echter met meer spoed en bereidwilliger dan de andere; en op menig gelaat was ongenoegen en teleurstelling te lezen.
“Ik hoop niet,” zeide de vreemdeling, met deelneming die lieve, ronde gezichtjes, die er allen even gezond en bevallig uitzagen, beschouwende, “dat die goede kinderen om mijnentwil hun spel zouden moeten staken.”
“In ’t geheel niet,” antwoordde de Fries: “’t is toch hun tijd: komaan, Madzy!” vervolgde hij tot een klein vierjarig meisje, schoon als de dag, dat haar bloempjes bijeenpakte: “rep u wat, kind! Sytsken mocht op u knorren.”
“Madzy!” herhaalde de reiziger, blijkbaar ontroerd: “is dat kind een dochtertje van de Vrouwe van Aylva?”
“Hei! ho!” antwoordde de Fries, meesmuilende: “de Vrouwe van Aylva is nog kras en vlug; maar toch....” hier zag hij eerst de kinderen en toen den vreemdeling aan, als wilde hij hem te kennen geven, dat hij om hunnentwille het verdere zweeg:—“neen!” vervolgde hij, op den grootsten der knapen wijzende: “deze hier, Juwe, is de jongste zoon van onze waardige Vrouwe—al die anderen zijn haar kleinkinderen: ja: ’t is een heel zootje: en dan zijn er nog wel zes of zeven te huis.”
De reiziger scheen aangedaan; hij reikte eene hand toe aan den knaap, dien de Fries hem had voorgesteld en beschouwde met aandacht zijn fraaie regelmatige trekken en heldere blauwe oogen: “Ja! ik herken u!” zeide hij eindelijk: “gij zijt het sprekend evenbeeld uwer moeder.”
“Dat is een heel geweer, dat gij daar aan uw zijde hebt,” hernam de knaap, op den langen zwaren kruisdegen des vreemdelings wijzende.
“Wilt gij het eens bezien?” vroeg deze: en, toen hij de oogen van Juwe zag fonkelen van blijdschap, gespte hij het lemmer los en stelde het hem ter hand. “Ziezoo!” voegde hij er bij: “nu ben ik uw gevangene.”
“Ik wilde op dit paard zitten,” zeide de kleine Madzy, op den klepper des reizigers wijzende.
“Zijt gij dwaas, Madzy?” vroeg de oude dienaar: “dat Daamke u nu en dan op een ezel rondrijdt, laat ik toe: want die is vanouds gewend met ezels om te gaan; maar zoo gij op dat beest ging zitten, kwam er geen stuk van u terecht.”
“Geef het lieve kind maar hier!” riep de oude krijgsman: “ik zal er zorg voor dragen of het mijn eigen was.”
“Ja! ja!” riepen sommigen onder de knapen, verheugd: “gij zult het moeten aanzien, Feiko!” en meteen, het meisje opvattende, tilden zij het hoog genoeg, dat de ruiter het aan kon nemen en voor zich op het paard plaatsen.
“Zijt gij waarlijk Feiko?” zeide de vreemdeling, terwijl hij meteen een kus drukte op de blozende wangen van het kind: “nu, wees dan zonder zorg; en wees verzekerd, dat ik zoo goed rijde als de Cistenser monnik, die eens in uw gezelschap Utrecht verliet.”
“Wat duivel!” zeide Feiko, den ruiter stijf aanziende: “een Cistenser monnik!.... ja waarlijk!.... zoo mijn oude oogen mij niet bedriegen....?”
“Neen, zij bedriegen u niet,” antwoordde de reiziger: “zeg mij maar, is alles wel op Aylva-state en zou men er mij willen ontvangen?”
“U ontvangen!.... wel mijn goede tijd! onze Heer spreekt nog alle dagen over u. Hij heeft dan ook in al te lange jaren geene tijding van u gehad.”
“Dat is waar! maar ik heb ook heel wat rondgezworven,” zeide Reinout, wien onze lezers reeds zullen herkend hebben: “Ik begin thans echter oud en stijf te worden, en naar rust te verlangen: en zoo er nog een hoekje op Aylva-state open is, wilde ik daar mijn dagen wel eindigen.”
“Hoe!” zeide Juwe: “Is dit werkelijk Ridder Reinout, Feiko? daar vader ons zoo dikwijls van verteld heeft?”
De oude dienaar knikte met het hoofd: en Juwe, zonder een woord te spreken, wierp den degen op den weg, sprong een dijkje en een paar slooten over, en liep, zonder adem te halen, dwars over het land naar Aylva-state heen, om de blijde tijding aldaar te brengen. Straks was alles in de weer: en niet lang daarna traden Deodaat van Aylva en zijn Madzy, thans wel geen jeugdig, maar toch nog een gezond en stevig paar, met hun eigene en aangehuwde kinderen, de stins uit en hun gastvriend te gemoet. Spoedig zagen zij hem verschijnen en dat wel in een kluchtigen trein: want Reinout was, ten gevalle der kinderen, die allen rijden wilden, van ’t paard gestegen, waarop er nu een vijftal zaten, terwijl hij zelf aan den kop voorging en de teugels hield, daar Feiko er naast liep om alle ongelukken te voorkomen. Een ander gedeelte van het troepje zat op het paard van Reinouts dienaar: en zij, die geene plaats hadden kunnen krijgen op een der beide rossen, reden op den langen degen des Ridders.
“Wij brengen u een gevangene, grootvader!” riepen de kleinen, als uit éénen mond.
“En dien ik niet hoop te laten ontsnappen,” zeide Deodaat, zijn ouden vriend omhelzende. “Kom Madzy! kus onzen nieuwen huisgenoot welkom.”
“Dat zou hij voor dertig jaren niet gezegd hebben,” beet Feiko al lachende zijn vrouw in ’t oor.
“Stil!” duwde Sytsken haar man toe: “hoe kunt gij daarmede spotten? Ik ben er geheel van aangedaan.”
Een uur later was het gansche huisgezin met den nieuwgekomen gast aan den avonddisch gezeten, en gaf deze laatste een korte schets van zijn avonturen.
Na zijn plotseling vertrek uit Friesland, was hij, als voorheen,de fortuin van Beaumont gevolgd, had eerst met dezen in Bretagne en, na den dood van dien volmaakten Ridder, dienparangon de la Chevalerie, gelijk hem de Fransche kroniekschrijvers noemen, met den vermaarden Du Guesclin, in Spanje den oorlog bijgewoond: zonder dat hem echter al zijn wakkere daden en getrouwe diensten, aan de Fransche kroon bewezen, merkelijk verrijkt hadden. Eindelijk, zwervens moede, had hij besloten het weinige, dat hem overgebleven was, bij zijn ouden vriend te komen verteren.
“Ik heb aan de Vrouwe van Aylva den groet over te brengen van een oude kennis,” zeide hij, na zijn verhaal geëindigd te hebben: “mij eenige dagen geleden te Luik bevindende, had ik de eer ontvangen te worden bij den Heer Bisschop, vroeger Bisschop van Utrecht.”
“Inderdaad!” zeide Madzy, glimlachende: “en hoe maakt het zijn Hoogwaardigheid thans?”
“Ja! wat zal ik u zeggen,” antwoordde Reinout: “oud, jichtig en stijf, wachtende en stille zittende, maar altijd nog klaar om van elke omstandigheid tot zijn voordeel partij te trekken, en zijn eigen ik meer dan ooit boven alles stellende. Hij gevoelt intusschen de hand des tijds, gelijk wij allen, onze edele gastvrouw uitgezonderd, die waarlijk zoo weinig veranderd is,” (hier fluisterde hij Madzy in de ooren) “dat ik bijna niet weet, of ik wel voorzichtig gedaan heb om hier te komen. Men ziet meer, dat bij een ouden krijgsman zich somtijds wonden openen, die hij lang geheeld waande.”
“O! dat is niets,” antwoordde zij lachende; want de toon, waarop Reinout sprak, was geruststellende genoeg om haar te doen bespeuren, dat zijne woorden niets dan loutere plichtpleging waren: “wij hebben hier nog een goeden geneesmeester voor alle wonden.”
“Hoe!” zeide Reinout: “leeft onze oude vader Volkert nog, en geeft hij nog altijd geneesmiddelen?”
“Neen,” zeide de Heer van Aylva: “de vrome Abt en de waardige broeder Syard zijn niet meer, maar daarachter u staat een oude kennis, die u een voortreffelijk middel tegen alle kwalen komt toedienen.”
“Wel, mijn brave held, leeft gij nog?” zeide Reinout, zich omkeerende en Daamke ziende, die hem, met vele buigingen en strijkages, een zilveren beker op een schenkblad aanbood: “wel vriend! wij hebben ons indertijd met een wat al te haastig afscheid verlaten. Het spijt mij, ik kan u niet weer uw oude betrekking bij mij laten vervullen; daar zou mijn goede Berthout wat tegen hebben; maar gij zoudt zelf, denk ik, ook weinig lust hebben om, tegen de bediening van een armen dolenden Ridder als ik ben, den post van schenker, dien ik zie dat gij thans bekleedt, te verwisselen. Kom! geef hier uw beker, die betere medicijn bevat dan de tooverkast van meester Barbanera.”
Dit zeggende aanvaardde hij den beker uit des dienaars handen. Het was een sierlijk gewerkte kroes, rijkelijk met wingertranken en gesneden bloemen versierd. Bijzonder trok de fraaiheid van het deksel de opmerkzaamheid van Reinout, prijkende met het wapenvan Aylva, op een kunstige wijze gesneden, terwijl het oude rijmpje betreffende de Roos van Dekama om den rand gegrift was.
“Hebt gij uw wapen niet veranderd, Deodaat?” vroeg Reinout, na het pronkstuk gedurende eenige oogenblikken aandachtig te hebben beschouwd.
“Ja!” antwoordde deze: “ik heb, toen de dood mijns eerwaardigen en onvergetelijken vaders mij tot het hoofd van mijn stamhuis maakte, ter gedachtenisse aan onze zonderlinge avonturen, en van den gelukkigen echt, die ze besloten heeft, mij die vrijheid veroorloofd, en de gouden ster en halve maan op het lazuren veld vermeerderd met
De Roos van Dekama.