Drie-en-twintigste Hoofdstuk.

“Het komt mij vreemd voor,” zeide hij eindelijk, “dat uw geleider zoo spoedig verdwenen is. Het zou mij, uit de gansche toedracht der zaken, niet bevreemden, indien hij voornemens was geweest, u aan uwe vijanden over te leveren. Intusschen was het misschien uw geluk, dat u hier gevoerd heeft: onder mijn geleide zult gij veilig kunnen reizen en welhaast in de armen uwer vrienden de ongemakken der reis vergeten.—Voor ’t oogenblik zal ik u verlaten en u gelegenheid geven u te kleeden: zoo gij inmiddels iets noodig hebt, gelief slechts op den vloer te stampen en men zal zich gereedmaken om aan uw wenschen te voldoen.”—Met deze woorden nam hij zijn afscheid.“Ik heb haar!” zeide Arkel verheugd, tot zich zelven, zoodra hij de kamer verlaten had. “Het vinkje heeft lang om de baan heen en weer gefladderd; maar het is eindelijk onder het net gekomen en ik heb slechts toe te halen. Bij mijn zaligheid! Ik heb vandaag heet werk gehad! In twee uren tijds en zonder helpers den hoofdmaneener bende verschalkt: Syard en Barbanera hunne geheimen onttroggeld en die twee listige en gevaarlijke vertrouwelingen opgesloten: een hansworst van de hand gezonden om Friesland in rep en roer te brengen: een adellijke Jonkvrouw geknipt—en een Ridder bovendien:—bij Sint-Maarten! dien had ik bijna vergeten! het wordt tijd, dat ik hem uit zijn gevangenis verlosse! hij zal zeker reeds toornig wezen over mijn verwijl.”Drie-en-twintigste Hoofdstuk.Lodewijk. Gy zult Baron zijn,Jan!Langendijk. Het wederzijds huwlijksbedrog.Het was gelijk Arkel gedacht had. Reinout, onverduldig geworden van niemand te zien komen, en wanende dat men hem gevangen wilde houden, was juist bezig, met zijn dolk de kracht van het deurslot te beproeven, toen hij zijn gastheer hoorde aankomen en dezen terstond daarna over zich zag staan.“Ik heb u wat laten wachten,” zei de Arkel, op dien hoffelijken maar koelen toon, waartegen alle toorn af komt stuiten, evenals een afgeschoten pijl over de oppervlakte van het ijs heenglijdt: “vergeef mij: ik heb veel en zwaar werk bij de hand gehad. Op den weg zal ik u alles verhalen. Indien ik tot op dit oogenblik misschien wat te erg den meester jegens u gespeeld heb, zoo staat het aan u thans de rollen te veranderen. Van stonden aan zult gij Heer, en ik slechts uw schildknaap zijn. Gij zult uw paard terugbekomen: en daarbij, indien gij ze uwer niet onwaardig acht, de wapenrusting van den Ridder van den Adelaar. Deze vermomming kan u van dienst zijn; want ook in ’t Sticht zoudt gij lieden kunnen vinden, die den moord van Deodaat zouden wenschen te wreken.”Reinout stond verzet: “den moord!” herhaalde hij: “wie heeft u sedert ons gesprek met de omstandigheden....”“Om ’t even,” zeide de Bisschop; “dat alles zal zich wel ophelderen. Onderweg ben ik tot uw dienst om den tijd met mededeelingen over en weder te korten: voor ’t oogenblik zullen wij den innerlijken mensch gedenken; want na al wat ik verricht heb, roept mijn maag mij toe, dat het tijd is te rampeneeren. Hei ho! Peter!”Peter kwam binnen met de dienaars van Arkel, die, na een tafel uit het celletje in de zaal te hebben geschoven, eenige spijzen opdischten, waaruit een verkwikkende geur opsteeg, welke de zinnen des Bisschops liefelijk scheen aan te doen.“Kom!” zeide hij: “neem plaats, Heer Ridder! en zet alle grillen uit uw hoofd. Peter! is de draagstoel gereed?”“Ik heb het paard van de deerne uit de herberg laten komen en er voorgespannen,” zeide de trouwe dienaar.“Voortreffelijk!—komaan, wakkere Ridder! laat het hoofd niet hangen; maar proef liever eens van dezen wijn: het is geenlacryma Christi, gelijk men in uw vaderland drinkt, noch Sint-Jans-wijn, gelijk men op de feesten te Haarlem dronk, noch van het roode druivensap, dat te Avignon op de tafel des Heiligen Vaders prijkt; maar eenvoudig Bleeker van de vruchtbare velden, die door vader Rijn besproeid worden. Hij is er echter niet te minder om, nu hij eenige jaren in de kelders van dit oude kraaiennest gelegen heeft; en wanneer gij in Utrecht zijn zult, hoop ik u beter te onthalen: ik heb er nog Kamerijks bier liggen: en dat, weet gij, is het puik van alle bieren.Wees heil! heer Ridder! dit gaat u voor! op onze goede reis, en den gelukkigen uitslag onzer wenschen.”Reinout beantwoordde den hem toegebrachten dronk; maar de sombere gedachten, welke zijn ziel vervulden, hadden hem in een stille afgetrokkenheid doen vervallen. Het was hem onmogelijk te deelen in de vroolijke luim des Bisschops, die, met een levendige gemakkelijkheid, welke Reinout in andere oogenblikken met bewondering zou hebben beschouwd, zijn post van gastheer vervulde, uit elke spijs of drank, die hun voorgediend werd, gepaste stof ontleende tot een geestig betoog, waarin hij zijn fijne proef als lekkerbek en zijn begaafdheden als man van de wereld ten toon spreidde. Wie hem gezien had, zooals hij op de netste en volmaakste wijze een duif opsneed en toebereidde, en wie hem tevens had hooren redeneeren over ringduiven en pauwstaartjes, gekapte nonnen en brievendragers en allerlei andere soorten van duiven, en over de wijze van die te stoven met eieren en citroen, of op te vullen met zoete melk, zes dooren van eieren en sjalotten en pieterseliequantum sufficit, of over de wijze, waarop het half doorgespouwd beestje, dat hij in de hand hield, op de reis bewaard was gebleven, in een oud charter, met boter wel gesmeerd, door middel eener voorafgemaakte omwenteling in fijngehakte ajuin, peper en zout, en het daarna braden van alles te zamen op een rooster, zou weinig gedacht hebben, dat diezelfde man, die geheel was overgegeven aan het genot van een goed gebraad, en zijn buik tot zijn afgod verkoren scheen te hebben, een oogenblik te voren in een maalstroom was rondgesleept van hooge staatkundige plannen en inzichten en van kleine en verwarde verwikkelingen van allerlei aard. ’t Is omdat Arkel een van die gelukkige (?)egoïstenwas, wier hart altijd in rust blijft, hoe werkzaam ook hun brein moge wezen: die alleen voor zich zelven levende, hun gevoel verhard hebben tegen alle indrukselen van buiten, en zich van lieverlede de kunst hebben eigen gemaakt om alle onaangename denkbeelden en lastige zorgen te verbannen, van elke omstandigheid des levens slechts die zijde aan te grijpen, welke hun het aangenaamste toeschijnt, en daardoor nimmer dulden, dat het genot van het oogenblik vergald worde door pijnlijke herinnering aan het verledene of zorg voor de toekomst.Welke voorstelling men zich wijders, uit het vroeger verhaalde,van het karakter des Bisschops moge vormen, dit is zeker, dat de tijd, waarin hij leefde, en de omstandigheden, waarin hij zich geplaatst vond, veel toebrachten om hem daden te doen bedrijven, welke, ja, terecht als misdadig beschouwd, maar, naar den zedelijken maatstaf van zijne eeuw beoordeeld, meer verschoonbaar kunnen gerekend worden. Jan van Arkel was een dier menschen, die zich op de wereld als bij wijze van uitzondering vertoonen, met alle begaafdheden toegerust, maar met een hart vol onverzadelijke en nimmer rustende begeerten: een dier gevaarlijke wezens, die door een eeuwige behoefte aan werkzame beweging worden verslonden: die op de gewone stervelingen met een glimlach van verachting nederzien en niet tevreden zijn met een dagelijksche bestemming: een dier genieën, die door de nakomelingschap somtijds vervloekt, maar door den dichter en den wijsgeer beschouwd worden met diezelfde bewondering, waarmede zij een onrustbarend gesternte aan de bogen des hemels gadeslaan. Reeds in zijn eerste jeugd bezat hij de stoutmoedige onbeschroomdheid van een meer gevorderden leeftijd: zijn moed was even onbetwijfelbaar als zijn eerzucht onbepaald, zijn brein even vernuftig en vruchtbaar in uitkomsten als zijn manieren hoffelijk en bevallig waren. Hij verstond evenzeer de kunst om zich door een aangenamen omgang bemind te maken bij hen die hij noodig had, als om zijn vijanden onder de geweldige wapenen der bespotting te verpletteren. Hij was vasthoudend in al wat hij ondernam, en nimmer af te brengen van een eenmaal gevormd besluit; maar daar die vaste wil, om zijn zin te doen, zich dikwijls ook in kleine en onbelangrijke voorwerpen vertoonde, nam die, door een zonderlinge tegenstrijdigheid, niet zelden den schijn van loszinnigheid aan en bracht hem in ongelegenheden, waaronder een ander bezweken en de fabel van het algemeen zou geworden zijn; maar waarin hij slechts een gelegenheid meer vond, om zijn onuitputtelijk vernuft, en zijn behendigheid in het partij trekken van elke omstandigheid, te doen schitteren. Zoo hij echter dat vernuft hoofdzakelijk tot duistere kuiperijen en staatslisten aanwendde, en zoo zijn hart, dat van nature open en edel was, zich reeds spoedig met een driedubbele ijskorst omschorste, dit moet, gelijk wij reeds hebben aangemerkt, hoofdzakelijk aan de omstandigheden worden toegeschreven. In een anderen tijd geboren, had hij, naar zijn keuze, òf in de rij der beroemdste helden òf aan de zijde der volkomenste staatslieden een eervolle plaats kunnen bekleeden; maar in zijn eeuw mocht het hem niet vergund zijn, openlijk naar den oorlogsroem te dingen; en was de staatkunde nog niet, als later, eene eerverschaffende wetenschap.Hij was tot den geestelijken stand gedrongen geweest, terwijl zijn neigingen als kind reeds naar den wapenhandel helden; zijn onrustige geest had hem in het stille klooster niet toegelaten zich te vergenoegen met het betrachten der eentonige en weinig beduidende werkzaamheden aan zijn betrekking verbonden: eenmaal zich in den stand geplaatst ziende, waartoe vaderlijke dwang hem verwezen had, nam hij voor, zich daarin een naam te maken:—niet zoozeer noguit eerzucht, als wel om zich te ontslaan van hetgeen hem het onverdraaglijkste van alles was, de afhankelijkheid van anderen. Hij had daarom ook zijn ledige uren nuttig besteed: en het was aan iemand als hij, die met een gelukkig geheugen, een scherpzinnig oordeel en een vasten wil begaafd was, niet ongemakkelijk gevallen, om het spoedig door ijver en studie zooverre te brengen, dat zijn tijdgenooten hem als een wonder beschouwden, en de ergernis over ’t hoofd zagen, veeltijds door hem gegeven, wanneer hij, als zich daartoe de gelegenheid aanbood, of gedurende de dagen dat hij zijn ouders bezocht, in de ridderspelen zijner broeders en van andere jeugdige edellieden deelde:—uitspanningen, welke hij verschoonde, door aan te voeren, dat zij voor zijn gezondheid, die van ’t letterblokken kwijnde, noodzakelijk waren. Naarmate hij echter in jaren vorderde, werden dergelijke oefeningen, welke men in den beginne door de vingeren gezien had, gestrenger berispt en hem eindelijk door den Prior van zijn klooster volstrekt verboden. De jongeling kon geen dwang verdragen, en meer dan eens ontstond bij hem de lust om den monnikskap weg te smijten en alleen met lans en zwaard de wereld in te gaan. Hij was echter nu eenmaal aan het gemakkelijke kloosterleven gewend, en wanneer hij de voordeelen, aan den geestelijken stand verknocht, overwoog, maakte hij de slotsom op, dat hij te veel zou opofferen om dien te verlaten en als dolend Ridder honger te lijden. Het viel hem echter zwaar om aan zijn geliefkoosde uitspanningen vaarwel te zeggen;—en nu vormde hij het besluit om zich oogenschijnlijk naar den wil zijns kloostervoogds te schikken, maar in ’t geheim te doen wat hij verkoos: in ’t kort, hij veinsde, alle wereldsche gedachten te laten varen en zette zich met meer ijver dan ooit aan zijn studiën; maar dikwijls, terwijl een ieder hem in zijn cel waande, verdiept in afgetrokken bespiegelingen, of ter bedevaart naar deze of gene heilige stad, was hij, vermomd of onder een valschen naam, bij jachten of ridderspelen tegenwoordig en deelde in een vermaak, dat hem te meer smaakte omdat het verboden was.Eindelijk bereikte hij het doel van zijn verlangen, en de invloed van Graaf Willem bracht hem op den Bisschoppelijken zetel; maar hoe groot was zijn teleurstelling, toen hij ontdekte, dat hij bestemd werd, om ook daar niet zijn eigen meester, maar de speelpop eens anderen te worden. Dit verdroot hem: en hij besloot zich ook van deze afhankelijkheid te ontslaan. Zijn handelingen als Bisschop, vroeger door ons verhaald, getuigden, hoezeer hem dit voornemen ernst was en met welk een vastberadenheid hij dit wist door te zetten. Het Sticht bewonderde een kerkvoogd, die, reeds op zulk een jeugdigen leeftijd, met zulk een ijver de belangen van het Bisdom wist te behartigen, en aller harten waren met smart vervuld, toen hij zijn grootsch opzet bekroonde door zijn vrijwillige ballingschap naar Frankrijk. Wat hem betrof, hij had een driedubbel oogmerk bereikt; hij had de harten der zijnen gewonnen: hij had het Sticht onafhankelijk gemaakt van vreemden invloed: en hij vond zich in een vreemd gewest, vrij en onbelemmerd als de vogel in de lucht, opeen plaats, waar niemand zijn gangen bespiedde en waar hij zich dus kon overgeven aan al de genoegens, waarvoor zijn boezem blaakte. Maar, te midden dier vermakelijkheden, ontving hij van zijn broeder en vertrouweling de tijding, dat Graaf Willem zijn verloren invloed in het Sticht op alle wijzen zocht te herwinnen. Het was toen dat de wijdluchtige plannen, welke wij hem hoofdzakelijk aan vader Syard hebben hooren mededeelen, in zijn brein tot rijpheid kwamen. Het begon hem nu ook te vervelen, op steekspelen lauweren in te oogsten, welke hem geene eer aanbrachten, vermits zijn naam onbekend bleef: en de stem der staatzucht verdrong eindelijk alle andere neigingen uit zijn borst. Ten einde den staat van zaken beter te leeren kennen, vertrok hij in stilte uit Grenoble en maakte, gelijk wij gezien hebben, zijn aankomst in Holland slechts aan weinigen bekend. Het steekspel te Haarlem was voor hem nog een beproeving, aan welke hij geen weerstand kon bieden en die bijna zijn geheele plan van onbekend te blijven had in duigen geworpen. Echter was het hem in zooverre voordeelig geweest, doordien het hem in kennis gebracht had met Reinout, van welken hij zich nu hoopte te zullen bedienen als van een nuttig werktuig, dat hij naar zijn verkiezing kon gebruiken of vernielen:—vernielen, ja; want gelijk wij uit zijn handelwijze met vader Syard en Barbanera gezien hebben, aarzelde hij niet, tot bereiking van zijn doel, die middelen aan te wenden, welke de zedekunde verwierp, maar die gepredikt worden door de noodzakelijkheid, welke hij, met vele staatslieden ook van latere dagen, als de bestierder onzer daden eerbiedigde.Men vergeve ons deze uitweiding, die zeker lang genoeg is om onzen dischgenooten de gelegenheid te hebben gegeven hun maal te eindigen; na welks afloop Arkel eensklaps een verhandeling over de onderscheidene kersensoorten afbrak met aan de dienaars last te geven om de wapenrustingen te halen. Men gehoorzaamde: en nu gespte de Bisschop zelf Reinout het harnas aan, en zette hem den helm op ’t hoofd met den rooden Arend, welken hij zelf op het steekspel gedragen had: terwijl hij zich vergenoegde met de nederige rusting van een eenvoudigen schildknaap.Nauwelijks waren zij ten volle gewapend, toen zich trompetgeschal liet hooren, en Peter het bericht kwam brengen, dat Wouter van IJselstein met zijn bende voor de poort stond.“Dat is een vierde uurs vroeger dan de afspraak was,” zeide Arkel: “zij zullen niet binnenkomen voor het oogenblik, dat ik bepaald heb.”Dit zeggende ging hij de zaal uit en begaf zich naar het verblijf van Madzy, die, nu geheel gekleed, hem zat te wachten.“Ik hoop, dat het u aan niets ontbroken heeft,” zeide hij, de oogen slaande op een schotel, welken de voor alles zorgende Peter haar gebracht had, en die nog onaangeroerd was.Madzy verzekerde hem, dat men haar met alle mogelijke voorkomendheid bediend had, doch dat zij niet in staat was geweest, iets te nuttigen.“Gij hebt kunnen hooren,” hernam Arkel, “dat de Stichtsche bendevoor de poort staat. Een draagstoel is gereed voor u en gij kunt voor ieder onbekend blijven.... indien gij namelijk het besluit genomen hebt, van met ons te vertrekken.”Dit zeggende, bood hij haar de hand aan om haar de deur uit te brengen.“Ridder!” zeide zij, terwijl hare oogen een zoo edele uitdrukking aannamen, dat de hardvochtige Arkel een onrustige beweging in de borst gevoelde: “ik vertrouw mij aan uwe rechtschapenheid. Het zou schandelijk van u zijn, indien gij mij misleidet.”Na het uiten dezer woorden, welke de Bisschop slechts met een hoofdbuiging beantwoordde, legde zij hare hand in de zijne en, zich het gelaat met haar kaper bedekkende, vergezelde zij haar geleider.Intusschen waren Wouter van IJselstein en de zijnen ongeduldig geworden: en de eerstgemelde, wanende dat men hem misleid had, begon met zijn strijdbijl op de buitenpoort te rammelen, toen Arkel, die Madzy in haar draagstoel gebracht had, zich aan de binnendeur vertoonde.“Met uw verlof, vrome Heeren!” riep hij hun toe: “breekt gij nu reeds de poorten af, om aan de Hollanders, wanneer zij komen zullen, een vrijen en onbelemmerden intocht te verschaffen?”“Wij hadden verwacht die open te vinden,” zeide Wouter brommende: “en het was onze afspraak....”“Dat gij na éénen zoudt binnengelaten worden,” zeide Arkel: “en indien gij uwe oogen gelieft te slaan op den zonnewijzer, die daarginds tegen den toren gespijkerd is, zult gij zien, dat ik mijn belofte nakom. Wees zoo goed en schaar uw volk op het buitenwerk, dan zal ik u intusschen kennis doen maken met het slot.”IJselstein voldeed aan het verlangen des Bisschops, waarna deze hem en zijne hoplieden de wallen rondleidde, hem de zwakke en sterke punten aanwees, hem de verbeteringen opgaf, welke hier en daar nog te maken waren, en verscheidene middelen aan de hand deed om partij te trekken van de gelegenheid van den grond: bij zijn inlichtingen een zoodanige kennis van zaken ten toon spreidende en zoovele blijken van een juist oordeel gevende, dat allen hem verbaasd aanstaarden, en elkander vroegen, wie toch de man ware, die er meer van af wist dan een van hen.Na deze wandeling bracht Arkel hen in de zaal, waar hij hun Reinout voorstelde als een Duitsch Ridder, die van het steekspel te Haarlem gekomen was, en thans naar Utrecht reisde om het Sticht in gevalle van oorlog te dienen tegen den Graaf van Holland. Met een beker wijns werd het onderhoud besloten, en eenige oogenblikken later zaten Arkel en Reinout te paard en reden zij de slotbrug over, gevolgd door de twee dienaars van eerstgenoemde, mede te paard, en de draagstoel, waarin Madzy zich bevond, en welke door een boerenknaap gemend werd. IJselstein en de getrouwe Peter deden hun uitgeleide tot over de brug. Gereed om den tocht aan te vangen, scheen Arkel zich nog iets te herinneren: hij wendde zijn paard om, en, Peter op zijde komende, fluisterde hij hem zachtjes in ’t oor:“Wat de twee gevangenen in den kelder van het slot betreft, gij zorgt, dat zij onder geen voorwendsel hoegenaamd iemand te zien of te spreken krijgen.”“Ware het dan niet beter,” zeide Peter, “dat men hen liet uithongeren? Het zijn twee onnutte monden meer op het slot.”“Wacht er u wel voor: hun bloed zou van u teruggeëischt worden. Niet dan in de hoogste noodzakelijkheid moeten zij opgeofferd worden.”En zonder in verdere opheldering te treden, haastte hij zich weder naar zijn gezelschap.“Ziedaar een juweel van een dienaar,” zeide hij, terwijl zij nu gezamenlijk den weg op naar Utrecht reden, tegen Reinout: “of liever een persoonsverbeelding der dienstbaarheid. Er is geen hond, hoe getrouw ook, die zoo volkomen en zonder aarzelen de bevelen zijns meesters volbrengen zal. Zoo ik hem gelastte, onzen Heiligen Vader van zijn zetel te gaan halen en mij dien, aan handen en voeten gebonden, hier te brengen, hij zou het doen ook.”“Is het verknochtheid aan uw huis, of aan uw persoon, welke hem aldus doet handelen?” vroeg Reinout.“Het is mij onbewust. Vraag aan het hondje, dat in huis geboren is, waarom het één der huisgenooten bij voorkeur op zijn wandelingen vergezelt, het dier zal er u evenveel reden van geven als mijn oude Peter. De man was een dienaar mijns vaders; maar van mijn geboorte af was hij bij mij. Mijn vader had hem gezegd: ‘gij Peter! zult Jonker Jan bedienen,’ en hij heeft den hem opgedragen last volbracht. Toen ik naar Frankrijk vertrok, zeide ik tot hem: ‘Peter! gij zult het slot Nyenstein gaan bewonen en er niemand op laten, en zorgen dat ik het bij mijn terugkomst vinde zooals ik het gelaten heb:’—en Peter vertrok naar het slot, en toen ik voor een paar dagen terugkwam, vond ik op de trap een handschoen, dien ik er, bij mijn vertrek, vier jaren geleden, had laten vallen.”Reinout glimlachte even over dit voorbeeld van nauwkeurigheid: maar weldra hernam zijn gelaat een ernstige plooi en reed hij weder zwijgend en treurig voor zich heen.“Ik had verwacht,” zeide de Bisschop, “dat gij uw zwarten hengst met meer genoegen zoudt hebben teruggevonden na een scheiding van zes dagen; maar waarlijk, gij slaat niet meer acht op hem, als ware hij de ezel van Barbanera’s hansworst.”Reinout zuchtte diep; want inderdaad, zijn hart werd door de pijnlijkste aandoeningen gefolterd. Hij had gedurig de beeltenis voor zich van zijn wapenbroeder, van den vriend zijner jeugd, van dien Deodaat, met wien hij altijd zoo innig verknocht was geweest en wiens moordenaar hij geworden was. Hij herdacht die gelukkige en kommerlooze dagen, toen zij, eens van zin en ziel, geene gedachten voor elkander verborgen, leed en lief te zamen deelden en altijd gereed waren elke opoffering voor elkander te doen: toen zij, in spijt hunner twijfelachtige geboorte, aan ’s Graven hof geëerd en gezien waren, de fortuin hun toelachte en de roem hun laurieren bood;—en thans! welk een onderscheid!—als eenmoordenaar zwierf hij rond, half overgeleverd aan de genade van een onbekende, wiens inzichten hij niet doorgrondde, vervallen uit den eerestaat, waarin hij geplaatst was en beladen met den vloek van velen. En met dit al, zoo hevig is de macht van een dwazen hartstocht, hij zou zelfs nu nog zijn liefde niet hebben willen opofferen om zijn vriend in ’t leven terug te roepen:—hij zou zijn tegenwoordig ongeluk niet tegen zijn vroeger geluk hebben willen ruilen: en hetgeen hem meest folterde was niet zoozeer berouw over zijn euveldaad, als spijt over het nuttelooze van zijn feit: het was woede over de kloof, die hij zelf tusschen Madzy en hem gedolven had: het was bruisend verlangen om haar terug te zien: het was heete liefdekoorts, zonder tusschenpoozen, zonder nadenken, zonder hoop. O! had hij geweten, dat het voorwerp dier brandende drift slechts weinige schreden achter hem, en éénen weg met hem uitreed; niets in de wereld had hem teruggehouden om haar uit haar draagstoel te lichten en haar met zich te voeren in spijt van alle hinderpalen:—en zij, de arme duif, had zij slechts kunnen vermoeden, dat de Ridder, wiens gedaante zij nu en dan door de reten der lederen gordijnen onderscheidde, de gehate Reinout ware, zij had zich liever in den Vechtstroom geworpen, dan een stap verder te gaan.“Ik beken,” zeide eindelijk Reinout tot zijn reisgezel, “dat mijn omstandigheden niet van een vroolijken aard zijn; en dat de onzekerheid, waarin ik nopens de toekomst verkeer, niet wel in staat is mij op te beuren.... dan, gij hadt mij beloofd, mij opheldering te geven omtrent uw gedrag jegens mij.”“En belofte maakt schuld, nietwaar?—Welnu! ik beken u openhartig, dezen morgen mistrouwde ik u en daarom hield ik u in bewaring: maar een onderhoud met Barbanera loste mijn zwarigheden op. Ik schroom niet, u mijn vertrouwen te schenken. Gij kent mij reeds als den man, aan wiens zaak gij uw arm en uw ervarenis kwaamt aanbieden; maar, wat u misschien vreemd zal voorkomen, in plaats van u mijn bescherming te schenken, moet ik om de uwe vragen.”“De mijne!” herhaalde Reinout verbaasd: “welke bescherming kunt gij van een ongelukkigen zwerver verwachten?”“Ik zal u zulks verklaren. Staatkundige redenen, wier gewicht u later blijken zal, verbieden mij, vooralsnog mijn rang en naam openbaar te maken. Ik reken op uwe stilzwijgendheid, en zoo ik u geen eeden afverg, is het, omdat ik u tot geen verraad in staat acht. Indien ik mij alleen in Utrecht vertoonde, zou ik vermoedens wekken en het zou mij spoedig onmogelijk vallen zoo onbekend te blijven als ik verlang. Daarom wil ik er slechts als uw schildknaap verschijnen, in wien niemand den kerkvoogd vermoeden zal. Mijn broeder Robbert heeft een woning besteld voor den Ridder van den Rooden Adelaar: die zult gij betrekken: gij zult er meester in zijn; ik zal onder uwe vleugelen schuilen.”“En onder wiens vleugelen,” vroeg Reinout, “zal onze reisgenoot schuilen, die zich in gindschen draagstoel bevindt?”“Wat die betreft, zij (want het is eene zij) zal een paar vertrekken in onze woning bekomen, waar ik begeer, dat niemand, wie hij zijn moge, haar kome storen. Wat meer is, ik verlang, dat niemand pogingen aanwende om haar te zien, veelmin met haar te spreken.”“Ik versta u: en ik weet, dat het niet geoorloofd is, aan geestelijk eigendom te raken.”“De Graaf van Holland is minder nauwgezet,” zeide Arkel: “hij zou den geheelen Dom in zijn tasch steken zonder er een oogenblik berouw over te gevoelen;—maar, nu ik u mijn voornemen heb medegedeeld, verwacht ik wederkeerig uw vertrouwen. Ik weet, dat Barbanera u niet slechts mijn geheimen heeft medegedeeld; hij heeft u ook openbaringen omtrent u zelven gedaan.”“Gij weet ook dit!....”“Ik weet, dat gij, nog liever dan mij te vergezellen, naar Friesland zoudt reizen, indien gij aldaar met zekerheid aan den Heer van Aylva bewijzen kondet, dat gij zijn zoon zijt.”“Inderdaad!” zeide Reinout: “doch hij heeft mij een nader bewijs beloofd, zoodra....”“Zoodra gij in staat zoudt wezen, dit met goud te betalen, daarvoor ken ik hem genoeg. Ik weet, dat onze kwakzalver zijn waren zoomin als zijn valsche geheimen anders dan tegen klinkende munt verkoopt.”“Ik heb,” liet Reinout zich ontvallen, “hem bewogen, met mij naar Friesland te gaan, zoodra....”“Zoodra gij mij goedschiks kunt verlaten, nietwaar?.... Zoo! ja! dus is uw reis naar Utrecht slechts een voorwendsel om verder te komen: en zal ik mij eerstdaags een schildknaap zonder meester bevinden?—Het zij zoo! Alleen zult gij nog eenige dagen op uw vriend den kokeler moeten wachten; want ik heb hem tot een geheime zending uitgezonden.”Reinout zweeg en beet op de lippen, terwijl Arkel achter zijn helmvizier lachte. Wellicht zal men zich verwonderen, dat de Bisschop, die zooveel belang stelde op het bondgenootschap der Friezen, niet dadelijk aan Reinout de bewijsstukken, welke hij bij zich had, terhandstelde en hem naar Friesland afvaardigde; maar, behalve dat hij den Ridder noodig had om zijn komst te Utrecht bedekt te houden, was hij nog niet overtuigd, of deze zijner wel indachtig zijn zoude, wanneer hij in Friesland kwam, en wilde hij den Italiaan wat nader doorgronden, eer hij hem een zoo belangrijke zending opdroeg.—Met deze bedoeling ging hij aldus voort:“Er is, geloof ik, nog een andere reden, waarom een reis naar Friesland u hoogst aangenaam zijn zou. Men verhaalt, dat, zoo Deodaat viel door den dolk van zijn boezemvriend, zulks alleen geschiedde, omdat hij wat dieper in de gunst van zekere Madzy Dekama gedrongen was dan den anderen aangenaam was.”“Dewijl gij alles weet,” zeide Reinout, “waartoe dan deze nuttelooze vragen? Ja! ik heb mijn vriend gestraft, omdat hij mij trouweloos behandeld, ja, laaghartig verraden had.”“De wijze, waarop gij u gewroken hebt,” zeide de Bisschop, “getuigt,dat het bloed uwer Italiaansche moeder feller door uw aderen stroomt, dan dat van uw Frieschen vader; maar gij hebt het dom aangelegd: ik begrijp, dat men iemand uit den weg ruimt, die ons hinderlijk is; maar dat men zulks uit loutere wraakzucht doet en zonder er eenig nut uit te trekken, dat kan ik .... gij zult mijn vrijpostigheid verschoonen .... niet anders dan aan een aanval van zinneloosheid toeschrijven.—Wat hebt gij met dien moord gewonnen? Aylva zelf zal er u om haten.”Reinout zweeg en zag zuchtend voor zich neder; hij gevoelde de juistheid van Arkels gezegde: ofschoon zijn hart gruwde van een stelsel, waarbij een moord in koelen bloede meer verschoonbaar gerekend werd dan een moord in drift gepleegd.“Maar één ding moet gij mij nog verhalen,” zeide Arkel: “hoe zijt gij toch uwe gevangenis ontkomen?”“Seerp Van Adeelen, wien ik als mijn medeminnaar haatte, toonde zich mijn vriend. Hij verschafte mij een dolk. Toen ik nu in den toren van het jachthuis zat opgesloten, viel mij een middel ter ontkoming in, waar ik vroeger weleens van had hooren gewagen; doch hetgeen ik altijd als onmogelijk beschouwde. Het bestaat hierin: men houdt het gevest van den dolk met beide handen stijf vast, plaatst de punt tegen den buitenmuur en zet zich op het lemmer te paard: dan daalt men af: de scherpe punt glijdt den muur langs naar beneden: terwijl de kracht, waarmede men den dolk tegen de steenen aandrukt en de zwaarte van het lichaam zelf beletten dat hij uitschiet.—Het raam was onvoorzien: ik beproefde het: en het gelukte mij boven verwachting.”“Ziedaar een kunstgreep, behendiger dan die van meester Barbanera.”“Van hem gesproken, hoe komt die gelukzoeker aan uwe kennis en aan uw vertrouwen?”“Oho!” zeide Arkel: “mijn nieuwe meester begint zijn gezag al uit te oefenen; maar ik zie geene redenen om niet aan uwe nieuwsgierigheid te voldoen. De oude gauwdief is te Grenoble, waar hij baardscheerder was, in mijn dienst getreden. Ik gaf hem, ruim vier maanden geleden, zijn afscheid, omdat ik bemerkte, dat hij mijn belangen minder goed behartigde dan de zijne. Toen ik een paar maanden later, begreep, dat mijne tegenwoordigheid alhier noodzakelijk was, verliet ik Grenoble onder voorwendsel eener reis naar Italië en nam mijn weg over Zwitserland en Duitschland. Te Keulen gekomen, hoorde ik van een steekspel spreken, dat te Haarlem gehouden stond te worden. Terstond was mijn besluit genomen: dit, dacht mij, was een heerlijke gelegenheid om onbekend in deze gewesten te verschijnen. Ik schafte mij de wapenrusting aan, die gij thans draagt, dankte mijn dienaars af, nam in mijnen dienst de beide knapen, die ons vergezellen en mij niet kennen, en trok door. Te Nijmegen gekomen, vond ik de stad opgepropt met reizigers: ik moest mijn intrek in een slechte herberg nemen: daar vond ik Barbanera, die mij terstond herkende. Ik begreep zijn stilzwijgen te moeten koopen, en tevens oordeelde ik, dat hij, wiens schranderheid ik kende, mij van dienst zoude kunnen zijn. Den hansworsthad hij in Duitschland opgedaan: van dezen was geen ontdekking te vreezen, maar ik vond in hem een geschikten en ijverigen bode. Te Leiden werd mijn paard ziek: ik liet het daar met mijn wapenen en dienaars, en hield mij bij Haarlem verborgen: den dag voor het steekspel kocht ik de paarden, die wij thans berijden, van iemand, die zich voor een paardenkooper uit Asperen uitgaf....”“Van een onbeschaamden dief,” zeide Reinout: “die meer van uwe zaken schijnt te weten, dan wel dienstig is. Althans hij verhaalde gisteravond, dat gij hem voor den dienst des Bisschops geworven hadt.”“Gekheid! hij weet niets!—Ik had spoedig in den neus, dat hij met zijn persoon machtig verlegen was: ik zond hem daarom naar mijn broeder met een brief in cijferschrift, waarin ik meldde: dat ik te Plaswijk antwoord wachtte. Dit bracht mij de knaap gistermiddag. Ondertusschen had hij bij de Stichtschen dienst genomen.”“En .... die draagbaar,” zeide Reinout: “heeft die u op uwe reizen bestendig gevolgd?”“Neen!” antwoordde Arkel droogjes weg; “die is mij somtijds voorgegaan;—maar ik had verzocht, dat daarover niet gesproken zou worden. Gij weet nu al wat gij verlangt te weten. Wij zouden onzen tred wat kunnen verhaasten.”Onder het uiten dezer woorden, gaf hij zijn paard de sporen: en de trein reed op een vluggen draf naar Utrecht voort.Vier-en-twintigsteHoofdstuk.O simpele vogels! de listige knippenBedriegen u schendig door ’t veinzende voer.’t Zoet fluitje speelt vrede: ’t loos net dekt den vloerDer weiden, waarop gy uw welstand laat glippen.Poot.Wij moeten bij den aanvang van dit Hoofdstuk ons bedienen van een voorrecht, hetwelk aan samenstellers of uitgevers van dergelijke verhalen als het onze nooit is betwist geworden, en onze geschiedenis, die tot nu toe den tragen slakkengang is gegaan, een tijdperk van zes weken vooruit laten springen. Uit de nieuwe tooneelen, welke onzen lezers zullen worden voorgesteld, zal hun genoegzaam blijken, wat er in den tusschentijd is voorgevallen met die personages, waarin zij belang stellen.Wij verplaatsen hen dan met ons in een kleine, maar naar den aard des tijds met smaak behangen en gemeubileerde kamer, in een huis te Utrecht, het uitzicht hebbende over een onbezocht en somber kerkhof, en tegen de hooge wallen van het daaraan grenzend klooster. In dit vertrek was Madzy Dekama aan een welgewreveneikenhouten tafel gezeten, en hield zich met eenig vrouwelijk handwerk bezig. Zij droeg thans noch de Friesche kleeding, welke haar vroeger zoo wel stond, noch het boerinnenpak, waarin zij van Haarlem gevlucht was; maar een eenvoudig morgengewaad, dat het midden hield tusschen de dracht des adels en die van de gegoede burgerklasse. Treurige denkbeelden waren op haar voorhoofd te lezen en in haar nedergeslagen oogen, wier glans door ziels- en lichaamssmarten eenigszins verdoofd schenen: meer dan eens bleef hare hand werkeloos op het borduurraam rusten, ontviel de naald aan haar blanke en vermagerde vingeren en zakte haar hoofd als in somber gepeins op den boezem neder. Op eenigen afstand van haar was een burgervrouw van middelbare jaren aan ’t spinnewiel gezeten. Zij scheen minder stof tot gewichtige overdenkingen te hebben, althans haar tong klapte onophoudelijk voort en hield gelijken gang met de snorrende draden, die zich door hare handen bewogen. Wat het uiterlijke der vrouw betrof, welke aan Madzy tot gezelschap en oppassing gegeven was, zoo was haar gestalte verre beneden de middelmatige; maar dit gebrek in hoogte werd vergoed door den omvang der ledematen, vooral van het hoofd, dat evengoed op de schouders van een Goliath had kunnen prijken, te meer, dewijl het met alleszins ruwe mannelijke trekken voorzien was, onregelmatig en grimmig van uitdrukking, en de kin en bovenlip zelfs met talrijke geelgrijze haren versierd waren. Het was niet zonder moeite, dat het den opmerkzamen beschouwer gelukte, in dat groote hoofd de oogen te vinden, welke schier geheel verborgen waren tusschen de zwaar vooruitstekende wenkbrauwen en het gerimpelde perkament, dat zij voor wangen liet doorgaan. Een nieuwsgierig onderzoeker had echter, schoon niet dan bij zeer hellen dag, de kleur van het rechteroog kunnen bepalen, zijnde vaalgrijs, en de uitdrukking, zijnde nagenoeg die eener loerende kat;—want wat het linkeroog betrof, dit was sedert jaren gesloten en kon dus al de nasporingen tarten. Van onder den ingedrongen neus en de dikke loodkleurige bovenlip, staken twee monsterachtige tanden haar ongelijkvormige punten tusschen de dikke lippen uit: in één woord, er ontbrak slechts een snuit, en het geheele hoofd had zeer goed voor den kop eens olifants kunnen doorgaan.Alleen het aanhoudend gezelschap van dit vrouwelijk wanschepsel ware reeds genoegzaam geweest om bij Madzy, ook indien zij voor ’t overige geene redenen tot droefgeestigheid had gehad, onlust en droefgeestigheid te verwekken, te meer, daar de onderwerpen van haar gesprek zelden van de uitgezochtste waren, en haar luim doorgaans alles behalve aangenaam was; intusschen moeten wij dit zeggen tot eer van Juffer Mechtelt (zooals zij zich noemen liet), dat zij, ook dan wanneer zij het meest ontevreden en tot brommen en knorren geneigd was, nimmer anders dan de zoetste en vriendelijkste woorden bezigde, welke vaak door hun liefelijkheid in een omgekeerde reden stonden tot den inhoud van haar gezegde. Tot een staaltje van haar onderhoud diene het navolgende gesprek, dat zij met Madzy bezig was te voeren.“Lief kind!” zeide zij: “hoe gaat het al? hoe ziet ge zoo treurig? vlot het werk niet, of hebt ge muizenissen in ’t hoofd?”“Mij dunkt,” zeide Madzy, “ik heb weinig reden tot opbeuring. Verwijderd van de mijnen, opgesloten in een vreemd huis, waar ik met niemand een woord kan wisselen over hetgeen mij naast aan ’t harte ligt....”“Met niemand? En wie ben ik dan, hartje? Is Juffer Mechtelt geen vrouw van genoegzame ondervinding om vertrouwen te ontvangen en raad te geven? Ho! ho! schatje! ik heb zoo menige jongedochter met mijn beetje ervaring bijgestaan: en zij hebben zich er altijd wel bij bevonden, dat hebben zij. Daar was Betje van de Molenwerf, een onnoozel mulderskind, dat een paar bruine kijkers in het hoofd had en verder geen rijkdom; maar het schaap liet zich leiden en was zoo handelbaar als een stuk was, dat was zij. En is zij door mijn toedoen niet de vrouw geworden van den dikken Bartel Bartelsz, den overman van het slachtersgild? en wandelt zij niet op elken feestdag zoo dapper met een gelemmerd kleed en een huif van Amsterdamsch zwart als de dochter van een banjer heer?—En daar is Emmeke, de dochter van Teunis met de Kodde, die haar ouders allebei dood waren, dat waren ze; en heb ik haar niet in kennis gebracht met de rijksten van Utrecht? en windt ze nu niet den ouden Proost van Sint-Salvator om haar duim als een kluw garen? en drinkt ze niet uit een zilveren kroes, wat ze lust? dat doet ze. En wie anders als ik is oorzaak dat Adriaan van Montfoort zoo verslingerd werd op het blonde Femmeke, schoon het maar een arm schepseltje was, dat met radijs en biet op de markt zat, dat hij al zijn geld en goed aan haar verdaan heeft, en zijn vader hem heeft moeten opsluiten, dat heeft hij, wilde hij hem niet kaal geplukt zien als een vink?”Het scheen, dat de bewijzen, waarmede Mechtelt aan onze heldin zulk een hooge gedachte van haar bekwaamheid als raadgeefster meende in te boezemen, op deze laatste geenszins de gehoopte uitwerking maakten; althans deJonkvrouwzag haar met een blik van verontwaardiging aan en loosde vervolgens een diepen zucht.“Waarlijk poesje!” vervolgde Mechtelt: “gij bezondigt u, met zoo te kijken als een kip op een streep, dat doet gij. Zijt gij niet door onzen waardigen meester van den dood gered? En heeft hij u niet, toen gij hier aankwaamt met de koorts op ’t lijf, doen genezen en verzorgen of ge zijn lijfelijke en vleeschelijke zuster waart? en mij tot uwe oppassing laten komen, wetende, dat niemand beter dan ik de kunst versta, met zieke meisjes om te gaan? Laat hij het u wel aan iets ontbreken? En is hij niet bereid, u al te geven wat gij verlangt? beproef het eens: vraag hem wat gij wilt, en gij zult zien dat het u geworden zal, dat zal het! En dat hij zoo mild is als de Graaf van Gelder, die, om zijn duifje genoegen te geven, toen zij om een nieuwen kaper vroeg, heel naar Compiegne zond, omdat daar de beste kappen gemaakt worden. En hebt ge geen lakens van Bourgondisch linnen? En eet ge niet alle dagen goed rundvleesch en volop wittebrood? ofschoon er velen hier in de stad zijn, die zichalleen met groentestelen en erwteschillen moeten tevreden houden, dat moeten zij! en blij zouden wezen, indien zij een stuk hondevleesch vonden, nu alles zoo peperduur is met dat satansche beleg, dat men een goudstuk voor een gestopten beuling geeft, dat doet men!”“Dat moet niet zijn,” zeide Madzy, bewogen door de schilderij, welke Mechtelt van den toestand maakte, waarin de burgerij van Utrecht verkeerde, en welke inderdaad niet vergroot was: “dat mag zoo niet blijven. Ik wil geen overvloed, wanneer om ons heen ellende en honger worden geleden. Mijn disch moet voortaan eenvoudig en zelfs schraal zijn. Ik zal hierover met onzen gastheer spreken.”“Wat een dwaasheid, engeltje!” riep Mechtelt, vervaard en verontrust door het gezegde van Madzy, en in haar verbeelding reeds al de lekkernijen, welke zij met haar deelde, ziende verdwijnen en plaats maken voor den soberen pot der arme burgerij: “ik hoop, dat gij wijzer zult zijn: denk toch, dat gij pas ziek geweest zijt en gezond voedsel noodig hebt, dat hebje! Pas begint er weer een blos op de koontjes te komen en gij zoudt uw best doen om hun die aschmanskleur terug te bezorgen, die zij hadden toen ik u ’t eerst zag.”“En gij zoudt verlangen,” zeide Madzy, “dat die blos op mijn wangen gekocht werd door de bleekheid op die van anderen? O God! ik zal geen stuk meer kunnen eten, nu ik verneem, dat elk stuk van achten, hetwelk voor mijne tafel wordt uitgegeven, het onderhoud van een lijdend huisgezin had kunnen verzekeren.”“Nu! ik mag het lijden,” zeide Mechtelt: “maar gij krijgt het van onzen Heer niet gedaan, boutje! hij is een mild en edel meester, dat is hij! die niet wil, dat iemand in zijn huis gebrek lijde.”“Hij is edelmoedig, al te edelmoedig zelfs,” zeide Madzy; “maar ik wil hem niet langer tot last verstrekken. Het is tijd, dat ik dit huis verlate. Nog heden wil ik hem mijn besluit mededeelen.”“Dit huis verlaten!” herhaalde Mechtelt, die bleek ware geworden indien de grauwe tint van haar gelaat voor eenige verandering ware vatbaar geweest: “heden mijn tijd, engeltje! hoe komt gij aan die dwaze gedachte? En waar zou een schoon kind als gij tegenwoordig heen? Wij zitten hier in Utrecht zoo nauw opgesloten als een pruimepit binnen de vrucht, dat doen wij! en waarachtig! al de meisjes hier in de stad zouden een waskaars aan de Heilige Maagd branden, indien zij zoo gelukkig waren als gij, dat zouden zij! en zij zouden er duim en vinger voor likken, om onder bescherming van een zoo mild Heer te komen; en gij zoudt hem verlaten en u noodeloos blootstellen? hij zou het nooit dulden.”“Hoe!” zeide Madzy, verwonderd en verontrust: “Nooit dulden! wat meenen deze woorden? Ik veronderstel toch, dat ik mijn eigene meesteresse ben en hier niet langer zal behoeven te blijven dan mij goeddunkt.”De lippen van Mechtelt vertrokken zich bij dit gezegde tot iets, dat een glimlach beteekenen moest: “och mijn hartje!” zeide zij: “gij kunt er niets van meenen. Daar was Klaartje van den Abeele: die was door den Jonker van Gaesbeek van de Tielermarkt afgetroond,en mede naar zijn slot gevoerd: die sprak al zoo bout als gij, dat sprak zij; en wel mocht zij het doen; want zij had een aardig penningske aan geld en een schoone erfenis van haar moei te wachten en was bovendien van goeden huize, zijnde een nicht van den Heer van Mynden, ofschoon een beetje van de linkerhand, dat ’s waar;—maar er was geen week verloopen, of zij schikte zich in haar toestand: en vroolijk heeft zij met den Jonker huisgehouden, en hem zes kinderen als wolken geschonken, dat heeft zij: en de oudste er van neemt nu het huishouden waar van den Pastoor te Jutfaas, dien vromen man, die haar met de pen opvoedt, dat doet hij.”“Vrouw!” riep Madzy uit, terwijl zij met ontsteltenis oprees (want het onvoorzichtig gesnap der vuige koppelaarster had bij haar vermoedens gesterkt, welke, ja, nu en dan bij haar waren opgerezen, maar die haar onschuldig en argeloos hart haar altijd verborgen had): “Vrouw! wat bedoelt gij met dat alles? wat heeft men met mij voor? Ik blijf geen dag langer in dit huis. Ziedaar!” vervolgde zij, een gouden doekspeld op de tafel leggende; want zij vreesde zich te verontreinigen, indien zij die Mechtelt in handen gaf: “neem dit tot belooning der diensten, die gij mij in mijne ziekte bewezen hebt: ik ga het eerste klooster het beste zoeken en mij onder de bescherming stellen der abdis.—Van daar zal ik mijn dank aan uw meester doen toekomen.”Onder het uiten dezer woorden had zij zich naar de deur begeven; maar Mechtelt was, na haar met een verbaasd oog te hebben aangestaard en de doekspeld op haar mouw te hebben gestoken, naar de deur gewipt, waar zij Madzy met haar kromme dikke vingers bij de kleeren greep.“Zacht wat! zacht wat! lief engeltje!” riep zij: “men gaat hier zoo niet uit zonder de toestemming des meesters. Ik ben bij u gekomen als waakster: en ik zal u bewaken, lief dotje! dat zal ik.—En schreeuw maar niet, hartje! het zou u toch niet helpen, och heden neen!”In dit oogenblik werd de deur eensklaps van buiten geopend en Arkel trad binnen. Beide de vrouwen traden op zijn verschijning onthutst terug: Mechtelt, omdat zij vreesde, dat hij haar handelwijze haar kwalijk mocht afnemen, en dat zij niet gaarne een plaats verliezen zoude, waar zij goed loon en goed eten kreeg:—en Madzy, omdat zij op een oogenblik verrast werd, waarin het den schijn had, als ware zij handgemeen met haar bewaakster, een bezigheid, weinig overeenkomstig met haar stand en geboorte.“Hoe nu!” zeide Arkel, terwijl hij verbaasd staan bleef: “de wangen van onze lieve zieke gloeien, alsof zij van nieuw af de koorts had gekregen! En het oog van Juffer Mechtelt flikkert als een nachtlamp die uitgaat! Heeft hier een twist plaats gehad? Ik wil niet hopen, Freule, dat deze vrouw zich onbetamelijk tegen u gedragen heeft. Bij Sint-Maarten! zij had minder gewaagd met de Domkerk in brand te steken, dan met u de minste beleediging aan te doen.”“Wie zou zulk een lief schepseltje beleedigen?” zeide Mechtelt: “Lieve Maagd! ik dacht dat alles voor het beste ware, dat dachtik. Maar dat engeltje wilde zonder afscheid heen wandelen, dat wou ze: en daar ik betaald worde om haar te bewaken, zoo dacht ik geen kwaad te doen met haar te wederhouden, dat dacht ik.”“Gij dacht als een oude zottin,” zeide Arkel, haar verstoord aanziende: “is het hier een gevangenis? en is de Jonkvrouw niet vrij te gaan waar zij heen wil?—Alleen smart het mij,” voegde hij er bij, terwijl hij Madzy met een minzamen, eenigszins weemoedigen blik aanzag, “dat gij zoudt hebben kunnen besluiten te vertrekken, zonder mij vergund te hebben, afscheid van u te nemen.”Madzy bloosde en zag voor zich; want, hoewel zij geen berouw gevoelde over haar poging om het huis te verlaten, zoo zag zij zelve in, dat deze handelwijs den schijn had van ondankbaarheid tegen haar gastheer: en zij was vrouw genoeg om gegriefd te worden door het verwijt, dat in zijne woorden lag opgesloten. Zij weigerde dan ook de hand niet, haar aangeboden door Arkel, die, radende wat in haar ziel omging, zich innerlijk gelukwenschte met eene omstandigheid, die haar eenigszins jegens hem in ’t ongelijk stelde: en zij liet zich zwijgend door hem terugleiden naar de zitplaats, welke zij verlaten had.“Vertrek!” zeide Arkel tegen de oude vrouw: “en beef, indien ik ooit weder bemerk dat gij uw plicht te buiten gaat, of de achting uit het oog verliest, die gij aan deze Jonkvrouw verschuldigd zijt.”Madzy zag verlegen op en was zelfs op het punt om de waakster terug te roepen; want sedert haar komst te Utrecht had zij haar gastheer nooit anders als in tegenwoordigheid van Mechtelt ontvangen: en hoe verachtelijk dit schepsel ook ware, haar bijzijn gaf echter eenigen meerderen schijn van welvoeglijkheid aan zijn bezoeken: maar de afschuw, welke de taal, zooeven uit haar mond vernomen, in de reine ziel der Jonkvrouw verwekt had, was oorzaak, dat deze haar voornemen varen liet en zelfs zich verlicht voelde in haar afwezigheid.Arkel had intusschen een zetel genomen en zich over Madzy aan de tafel gezet. Er verliepen eenige oogenblikken eer hij begon te spreken. Er was een kommervolle gedachte op zijn gelaat te lezen: en zijn anders zoo levendige oogen stonden strak op den grond gevestigd. Zijn somber wezen en afgetrokken houding leverden een zonderlinge tegenstrijdigheid op met zijn gewaad, hetwelk zwierig en smaakvol was, en wel geschikt, om zijn natuurlijke begaafdheden te doen uitkomen. Sierlijk golfden zijn lokken van onder uit de muts van Gentsen scharlaken, die met bevallige plooien over de eene zijde afhing. Een overrok van dezelfde rijke stoffage, met loshangende mouwen, en door een gordel om ’t lijf gesloten, liet een wit zijden buis zien, met zilverdraad doorweven: terwijl de blanke hozen in roode laarsjes staken, wier punt en opslagen met zilveren kwastjes waren voorzien. In ’t kort, hij geleek meer op een hoveling, die bij een schoone zijn hof komt maken, dan op den geheimen inwoner eener belegerde stad.“Het is dan waar,” zeide hij eindelijk met een diepen zucht, “gij hadt het besluit gevormd, iemand, die u tot nog toe slechts blijkenvan eerbied en welmeenendheid gegeven heeft, zonder afscheid, zonder waarschuwing, te verlaten?”“Ridder!” zeide zij, hem met een vrijen, openen blik in ’t aangezicht ziende: “het wordt eindelijk tijd, ronduit te spreken. Ik ben slechts een jong, onervaren meisje, door een droevigen samenloop van omstandigheden onder vreemden gebracht: en ik ben niet in de zeden, gewoonten en spreekwijzen van dit land bedreven: maar ik spreek slecht en recht, gelijk het mijn landaard eigen is: ik zal dan ook geen schoone woorden zoeken; maar mij uitdrukken zooals ik het meen.—Wel dan:—ik heb in uwe woning gastvrijheid genoten, en ik ben er u dankbaar voor. Maar ik ken u niet: ik weet niets van uw rang en stand: ik weet niet, of gij gehuwd of ongehuwd zijt:—dit alleen is zeker, dat het mij niet betaamt, langer onder uw dak te blijven: en gij zelf zult beter gevoelen dan ik het voegzaam uit kan drukken, dat ik, verwijderd van de mijnen, een andere bescherming behoef dan die, welke gij mij verleenen kunt.”“Ik heb vermeend,” zeide Arkel, “de welvoeglijkheid in acht te nemen, door u het gezelschap eener bejaarde vrouw te verschaffen. Het smart mij, dat zij die taak onwaardig schijnt te zijn en dat ik mij in de keuze bedrogen heb.”“Hebt gij u waarlijk in de keuze bedrogen?” vroeg Madzy, hem scherp aanziende: “dan zijt gij wel ongelukkig geweest; want uit den inhoud van hare woorden, die ik mij schamen zou te herhalen, had ik bijna opgemaakt, dat zij niet zonder oogmerk bij mij was geplaatst....; maar wij zullen dat daarlaten. Toen gij mij voorsteldet uw slot onder uw geleide te verlaten, deed ik zulks alleen, omdat ik op uw belofte rekende van mij weer bij de mijnen te voeren. Dit heeft geene plaats gehad. In hoeverre het niet nakomen van uw woord alleen belet zij geworden door mijn ziekte en het daarop gevolgd beleg, zullen wij liefst niet onderzoeken. Maar thans ben ik hersteld en ik verlang een voegzamer verblijf. Reeds gedurende mijn ziekte heb ik meermalen den wensch geuit, om naar een klooster vervoerd te worden:—het is mij steeds geweigerd uithoofde van zwakte.... het zij zoo!—die reden bestaat thans niet meer.”“En de gedachte is niet eenmaal bij u opgerezen, dat gij, door dit huis te verlaten, den ongelukkigen bewoner daarvan alles zoudt ontrooven, wat hem het leven draaglijk maakt?”“Hoe!” riep Madzy uit, verschrikt van haar vrees zoo spoedig verwezenlijkt te zien.“Ja, bekoorlijke Madzy!” zeide Arkel, zich voor haar nederwerpende: “ik zeg niet te veel: met u verlies ik al mijn geluk op aarde. Hoe! heeft al mijn zorg voor uw welzijn, al mijn streven om uw toestand te veraangenamen, om uwe wenschen te bevredigen, hebben mijn zuchten, de tranen, mij soms in uw bijzijn ontvallen, nog niet genoeg gesproken? en moet mijn mond er nog de betuiging bijvoegen, dat ik u onuitsprekelijk bemin? Zie dezen arm,” vervolgde hij, zijn linkermouw opstroopende en het verband toonende, dat om den arm geslagen was: “heden werd hij in den strijd gekwetst: en ik zegende den pijl, die mij wondde: want mij verheugde de gedachte:Madzy zal weten, dat ik haar vijanden bestreden heb. Neen Madzy! neen, gij zult niet onbarmhartig en onverbiddelijk wezen: gij zult mij niet verlaten, mij, die u zoo teeder liefheb, om u te gaan blootstellen aan de onzekere kansen van een zwervend leven. O! wend uw gelaat niet af! zie niet toornig! laat ik in uw oogen een enkelen blik van deernis lezen voor zooveel liefde.”Neen! het was geen blik van deernis; het was een blik van diepe verontwaardiging, welken Madzy vestigde op den man, dien zij aan hare voeten zag.“Gij hebt schandelijk en onridderlijk met mij gehandeld,” zeide zij: “gij hebt mij met valsche beloften misleid om mij in uwe macht te houden: en ik ben dwaas genoeg geweest om geloof aan uwe betuigingen te hechten. Laat mij van hier gaan: gij hebt geen recht om mij mijns ondanks terug te houden.”“En wat is dan mijn misdaad geweest?” vroeg Arkel: “is het mij te wijten, zoo de omstandigheden hebben te zamen gewerkt om uw verblijf in dit huis te verlengen? Ik beken, ja, dat ik dit gunstig toeval gezegend heb, dat ik, toen elke blik, dien ik op u sloeg, elk woord, dat ik uit uwen mond hoorde, mij eene nieuwe voortreffelijkheid in u ontdekken deed, den hemel gesmeekt heb, om het tijdstip nog verre te verlengen, waarin gij van scheiden zoudt gewagen, ja, zoo ’t zijn kon, het voor eeuwig te verschuiven.—Is dat een misdaad, u te beminnen? ja! dan ben ik de grootste misdadiger onder den hemel; want mijn liefde voor u is sterker, dan ik die uit kan drukken. En waarom zoude u die liefde vertoornen? Ben ik dan zoo onwaardig, u te verdienen? Gij zelve, gij hebt u kunnen overtuigen, dat ik als Ridder de wapens weet te voeren: om u alleen heb ik gestreden tegen dien trotschen Graaf, die u vervolgde! en zoovele wakkere oorlogslieden, voor deze muren gevallen, kunnen tot getuige strekken of uwe zaak mij ter harte is gegaan. Wat mijn adel betreft: er is geen huis, ook dat des Graven niet, dat zich op een hoogere en schoonere afkomst beroemen kan: o! versmaad mij niet: niemand is meer in staat dan ik, u een gewenscht en heerlijk lot te doen verwerven. Wat kan u dat Friesland, waaraan gij zoo gehecht schijnt, anders beloven, dan treurige, eentonige dagen, in verveling doorgebracht op een koude, vochtige stins, waar uw oog niets ontwaart dan een weide, een korenveld en een meertje: waar gij geen ander gezelschap vindt, dan boeren, wier taal geen schepsel kan verstaan, en edellieden, nog lomper en onverdraaglijker dan uw boeren. Maar aan mijne zijde zullen uwe dagen vroolijk en blijde daarheen vlieten: al de vermaken, al de weelde, die de wereld ons aanbiedt, zullen u worden toegevoerd: geen wensch zult gij kunnen vormen, die niet terstond zal verhoord worden. De keur van de schatten, welke de aarde ons aanbiedt, al de genoegens, welke het leven veraangenamen, al de pracht, welke het maagdenhart kan streelen, zal ik aan uwe voeten brengen: niets zal mij te kostbaar, te moeilijk vallen, om uw geluk te bevorderen: en ik zal mij heilrijk noemen, indien nu en dan slechts een enkele blik van tevredenheid mijne pogingen beloont.”“Ridder!” zeide Madzy: “indien ik in vrijheid ware en in ’t midden van de mijnen, en gij kwaamt dan mijn hand en mijn liefde vragen, dan zou ik u doen hooren, hoe ik over uwe voorstellen dacht. Thans moet ik die alleen met stilzwijgen beantwoorden. De vogelaar kan het onnoozele vinkje in ’t kooitje sluiten of den kop inknijpen; maar hij vergt niet van het arme dier, dat het vrijwillig in zijn kerker blijve, of het rondfladderen aan de koord boven het genot van Gods vrije lucht verkieze.”“Moet ik,” vroeg Arkel, “uit uwe woorden zelven, niet afleiden, dat ik als de vogelaar moet handelen en u als het eigendom beschouwen, dat mij een gelukkig toeval in handen heeft gespeeld?”“Neen!” zeide Madzy, ontsteld: “zoo laag zult gij niet handelen. Zoo er nog een sprank van eer in uw boezem overblijft, laat mij dan van hier vertrekken.”“En waar zoudt gij heengaan? het leger des Graven sluit onze muren in: vruchteloos deedt gij een poging om te ontkomen. Gij zoudt in zijn handen vallen, en Rijnsburg zag u weldra binnen zijn muren.”“Liever mijn leven in Rijnsburg, dan een dag langer in dit huis gebleven;—maar uw zwarigheid wegens de macht des Graven is ijdel. Ik zal hier in Utrecht nog wel een schuilplaats vinden.”“Beproef het eens,” zeide Arkel met een boozen glimlach, “bel slechts aan de poort van het eerste klooster het beste. O! de geestelijke zusters zullen u met opene armen ontvangen, wanneer zij vernemen, dat gij zes weken hebt doorgebracht in de woning van een wakker jong Ridder, zonder ander gezelschap dan de eerzame Mechtelt Dirksdochter.”Al het bloed van het onschuldige meisje vloeide naar haar hart terug op het hooren van deze taal; want zij voelde er al te wel de juistheid, de vreeselijke waarheid van: het denkbeeld, dat haar goede naam op een zoo schandelijke wijze was blootgesteld aan verdenking, ja wellicht onherstelbaar verloren, was voor haar geschokt zenuwgestel te schrikkelijk om verduurd te worden. Zij zonk in haar stoel, bedekte zich het gelaat met beide handen en smolt in tranen weg.“Ween niet, beminde vrouw!” zeide Arkel, wiens hart niet boosaardig genoeg was om haar diepe droefheid onbewogen aan te zien: “ween niet: mijne liefde voor u zal alles vergoeden. Een woord uit uwen mond: en geene kwellingen zullen u langer het leven vergallen; maar ziet dit wel in: gij zelve zijt voortaan alleen meesteres van uw lot. Verlaat deze woning, en gij zult door laster uw goeden naam zien bezwalken: gij zult tot een voorwerp van spot en minachting verstrekken aan de zoodanigen, die niet waardig zijn uwe schoenriemen los te binden;—doch blijf bij mij, en macht en aanzien zullen uw deel zijn en gij zult onder uw voeten vertreden al wie de stoutheid heeft om u slechts een norsch gelaat te toonen.”“Neen!” snikte Madzy: “zulk een afschuwelijke boosheid heeft nooit bestaan. Verfoeilijk mensch!” vervolgde zij, hem met ijzing aanziende: “wie zijt gij?”“Wie ik ben,” antwoordde Arkel, “zal misschien de toekomst ontsluieren. Wie ik ben, is nog een raadsel voor den blinden hoop; maar dit kan ik u zeggen, dat het slechts van mij afhangt, met de voornaamsten in ’s Graven leger gelijk te staan, ja boven hen den voorrang te bekleeden: dat één woord van mijnen mond het beleg kan doen opbreken, den oorlog eindigen en aan deze stad de rust hergeven.”“Elk uwer woorden,” zeide Madzy, zich van hem afwendende, “maakt u nog gruwzamer in mijne oogen. Eén woord van u kan den oorlog doen eindigen!—en gij zwijgt? Bezigt gij uwe macht dan als Satan, alleen om kwaad te doen?”“Neen meisje!” zeide de Bisschop: “in welk ongunstig daglicht gij mijne handelingen ook verkiest te zien, mijn doel omtrent dit gewest was edel en groot. Ik heb wellicht in de middelen gefaald; maar zoolang mij dit niet gebleken is, moet ik op het ingeslagen spoor blijven voortwandelen. Wat u betreft, tracht, ik smeek er u om, de kalmte te hervinden en overweeg bedaard hetgeen ik u gezegd heb. Vrees niet, dat ik mijn macht over u misbruiken zal. Ik zou mij schamen, van met geweld te verkrijgen, hetgeen ik alleen aan de overtuiging en, kan ’t zijn, aan de liefde wil dank weten.”“Geen nadenken, geene overweging,” zeide Madzy, terwijl zij haar oogen afdroogde en met waardigheid oprees, “zijn in staat, eenige verandering in mijn besluit teweeg te brengen. Gij hebt mij nog sterker dan te voren doen gevoelen, dat mijn verblijf alhier onbetamelijk is: en al moest mijn vertrek mij aan schande blootstellen, het zal mij lichter vallen, onverdiend de beschuldiging van anderen te dragen, dan die, welke ik mij zelve doen zou door te blijven. Het bewustzijn van de zuiverheid mijner bedoelingen zal mijn troost zijn, indien de laster mij beticht; maar eeuwig naberouw ware mijn deel, zoo ik thans, nu ik uwe bedoelingen verstaan heb, aan uwe hoop door mijne tegenwoordigheid een zweem van grond gave. Bijaldien gij mij dus hier wilt houden, zal de trotsche Ridder, die zoo prat is op zijn adel en zijn macht, tegen het arme meisje, dat geene wapenen heeft dan hare onschuld en hare tranen, geweld moeten gebruiken.”“Dat zal onnoodig zijn,” zeide Arkel, het onrustig gevoel, dat zich van hem, in weerwil zijner hardvochtigheid, meester begon te maken, achter een bitteren lach verbergende: “zoo uw meisjesarm sterk genoeg is om door eiken deuren en ijzeren tralies heen te breken, is het u vergund van hier te gaan. Tot dien tijd zult gij moeten leeren, u aan uw kerker te gewennen.”“Welaan!” zeide Madzy: “er blijft mij een middel over om mij aan uw dwang te onttrekken: en gij zult het genoegen hebben nog een offer te voegen bij al diegene, waarmede gij deze rampzalige stad hebt opgevuld. Ik zal geen stuk brood meer eten:—dan voor ’t minst zal mij de dood van uw dwang bevrijden.”“Madzy!” zeide Arkel, ontzet over de wending, welke het onderhoud begon te nemen: “o! spreek zoo niet!.... zoo gij wist....; maar neen; ik mag niet spreken.”“Voleind,” zeide zij: “onderdruk de eerste edelmoedige gedachte niet, die in uwe ziel komt opgerezen.”“Helaas!” hernam hij, “zoo gij wist, waartoe mij het lot veroordeelt, gij zoudt deernis met mij gevoelen. Een stalen, een onverbiddelijke wet verbiedt mij jegens u te handelen gelijk ik zoo gaarne wilde, verbiedt mij voor het aangezicht der wereld te zeggen: ik bemin Madzy Dekama en zoek haar tot gade. En nu dit hart mij mijns ondanks dwingt u te beminnen, moogt gij slechts daarvan kennis dragen en moet ik hard tegen u zijn, omdat het oogenblik, dat u aan mijne macht ontrooft, mij meteen alle hoop voor de toekomst ontneemt. Mijn woorden schijnen u raadsels toe;—welaan! ik zal duidelijker spreken,—Madzy Dekama! ik ben....”Hier deed zich op eens een stem hooren, welke op luiden toon om den schildknaap Otto riep. Zoodra de Bisschop dit geluid vernam, zweeg hij eensklaps, sloeg zich voor ’t hoofd en snelde de deur uit, welke hij echter niet vergat met voorzichtigheid weder achter zich te sluiten; waarna hij zich naar den kant begaf, van waar het geroep gekomen was.Madzy bleef dus weder aan haar zelve overgelaten, en, gelijk men denken kan, ter prooi aan de droevigste gepeinzen. O! hoe betreurde zij opnieuw den dag, toen zij voor ’t eerst het land van haar geboorte verlaten had. Hoe suisde haar, gelijk een kwellende geest, die voorspelling in de ooren, welke aan de Roos van Dekama zooveel leeds toezeide, indien zij de zee overtrok. Twee gedeelten dier voorspelling waren reeds uitgekomen: zij had vleiers en minnaars gevonden: en zij was in een beangsten toestand gebracht. Zou het derde deel ook eens uitkomen? Ach! vruchteloos scheen het haar toe, zich met een ijdele hoop te vleien; want de terugkeer van haar voorspoed was aan een voorwaarde verbonden, wier zin duister, wier vervulling bijna onmogelijk scheen; want van welken vorst kon het orakel spreken? en wiens buit kon in de tegenwoordige omstandigheden de roof der Friezen worden?Zij zocht nu haar toevlucht bij Hem, buiten Wiens wil geen musch ter aarde en geen haar van het hoofd valt, en smeekte Hem, ook haar, in den pijnlijken toestand, waarin zij zich bevond, niet te willen verlaten. Haar gebed was lang en innig; en meer dan eens werd het door heete tranen afgebroken;—maar, toen zij weder oprees, gevoelde zij zich gesterkt en opgebeurd, en met een kalm gelaat besloot zij naar lot te verwachten. Het duurde niet lang of haar moed werd opnieuw op de proef gesteld, want zij hoorde iemand, die met rassche schreden haar vertrek genaken kwam. Een onwillekeurige trilling beving haar: zij vermande zich echter en rees op. De deur ging open:—maar wie schildert haar verbazing, haar opgetogenheid, toen zij, in de plaats van haar gevreesden vervolger, Aylva’s dienaar, den getrouwen Feiko voor zich zag.Hoe deze in zulk een gepast oogenblik verscheen, zullen wij in het volgende hoofdstuk ophelderen.

“Het komt mij vreemd voor,” zeide hij eindelijk, “dat uw geleider zoo spoedig verdwenen is. Het zou mij, uit de gansche toedracht der zaken, niet bevreemden, indien hij voornemens was geweest, u aan uwe vijanden over te leveren. Intusschen was het misschien uw geluk, dat u hier gevoerd heeft: onder mijn geleide zult gij veilig kunnen reizen en welhaast in de armen uwer vrienden de ongemakken der reis vergeten.—Voor ’t oogenblik zal ik u verlaten en u gelegenheid geven u te kleeden: zoo gij inmiddels iets noodig hebt, gelief slechts op den vloer te stampen en men zal zich gereedmaken om aan uw wenschen te voldoen.”—Met deze woorden nam hij zijn afscheid.

“Ik heb haar!” zeide Arkel verheugd, tot zich zelven, zoodra hij de kamer verlaten had. “Het vinkje heeft lang om de baan heen en weer gefladderd; maar het is eindelijk onder het net gekomen en ik heb slechts toe te halen. Bij mijn zaligheid! Ik heb vandaag heet werk gehad! In twee uren tijds en zonder helpers den hoofdmaneener bende verschalkt: Syard en Barbanera hunne geheimen onttroggeld en die twee listige en gevaarlijke vertrouwelingen opgesloten: een hansworst van de hand gezonden om Friesland in rep en roer te brengen: een adellijke Jonkvrouw geknipt—en een Ridder bovendien:—bij Sint-Maarten! dien had ik bijna vergeten! het wordt tijd, dat ik hem uit zijn gevangenis verlosse! hij zal zeker reeds toornig wezen over mijn verwijl.”

Lodewijk. Gy zult Baron zijn,Jan!Langendijk. Het wederzijds huwlijksbedrog.

Lodewijk. Gy zult Baron zijn,Jan!

Lodewijk. Gy zult Baron zijn,Jan!

Lodewijk. Gy zult Baron zijn,Jan!

Langendijk. Het wederzijds huwlijksbedrog.

Het was gelijk Arkel gedacht had. Reinout, onverduldig geworden van niemand te zien komen, en wanende dat men hem gevangen wilde houden, was juist bezig, met zijn dolk de kracht van het deurslot te beproeven, toen hij zijn gastheer hoorde aankomen en dezen terstond daarna over zich zag staan.

“Ik heb u wat laten wachten,” zei de Arkel, op dien hoffelijken maar koelen toon, waartegen alle toorn af komt stuiten, evenals een afgeschoten pijl over de oppervlakte van het ijs heenglijdt: “vergeef mij: ik heb veel en zwaar werk bij de hand gehad. Op den weg zal ik u alles verhalen. Indien ik tot op dit oogenblik misschien wat te erg den meester jegens u gespeeld heb, zoo staat het aan u thans de rollen te veranderen. Van stonden aan zult gij Heer, en ik slechts uw schildknaap zijn. Gij zult uw paard terugbekomen: en daarbij, indien gij ze uwer niet onwaardig acht, de wapenrusting van den Ridder van den Adelaar. Deze vermomming kan u van dienst zijn; want ook in ’t Sticht zoudt gij lieden kunnen vinden, die den moord van Deodaat zouden wenschen te wreken.”

Reinout stond verzet: “den moord!” herhaalde hij: “wie heeft u sedert ons gesprek met de omstandigheden....”

“Om ’t even,” zeide de Bisschop; “dat alles zal zich wel ophelderen. Onderweg ben ik tot uw dienst om den tijd met mededeelingen over en weder te korten: voor ’t oogenblik zullen wij den innerlijken mensch gedenken; want na al wat ik verricht heb, roept mijn maag mij toe, dat het tijd is te rampeneeren. Hei ho! Peter!”

Peter kwam binnen met de dienaars van Arkel, die, na een tafel uit het celletje in de zaal te hebben geschoven, eenige spijzen opdischten, waaruit een verkwikkende geur opsteeg, welke de zinnen des Bisschops liefelijk scheen aan te doen.

“Kom!” zeide hij: “neem plaats, Heer Ridder! en zet alle grillen uit uw hoofd. Peter! is de draagstoel gereed?”

“Ik heb het paard van de deerne uit de herberg laten komen en er voorgespannen,” zeide de trouwe dienaar.

“Voortreffelijk!—komaan, wakkere Ridder! laat het hoofd niet hangen; maar proef liever eens van dezen wijn: het is geenlacryma Christi, gelijk men in uw vaderland drinkt, noch Sint-Jans-wijn, gelijk men op de feesten te Haarlem dronk, noch van het roode druivensap, dat te Avignon op de tafel des Heiligen Vaders prijkt; maar eenvoudig Bleeker van de vruchtbare velden, die door vader Rijn besproeid worden. Hij is er echter niet te minder om, nu hij eenige jaren in de kelders van dit oude kraaiennest gelegen heeft; en wanneer gij in Utrecht zijn zult, hoop ik u beter te onthalen: ik heb er nog Kamerijks bier liggen: en dat, weet gij, is het puik van alle bieren.Wees heil! heer Ridder! dit gaat u voor! op onze goede reis, en den gelukkigen uitslag onzer wenschen.”

Reinout beantwoordde den hem toegebrachten dronk; maar de sombere gedachten, welke zijn ziel vervulden, hadden hem in een stille afgetrokkenheid doen vervallen. Het was hem onmogelijk te deelen in de vroolijke luim des Bisschops, die, met een levendige gemakkelijkheid, welke Reinout in andere oogenblikken met bewondering zou hebben beschouwd, zijn post van gastheer vervulde, uit elke spijs of drank, die hun voorgediend werd, gepaste stof ontleende tot een geestig betoog, waarin hij zijn fijne proef als lekkerbek en zijn begaafdheden als man van de wereld ten toon spreidde. Wie hem gezien had, zooals hij op de netste en volmaakste wijze een duif opsneed en toebereidde, en wie hem tevens had hooren redeneeren over ringduiven en pauwstaartjes, gekapte nonnen en brievendragers en allerlei andere soorten van duiven, en over de wijze van die te stoven met eieren en citroen, of op te vullen met zoete melk, zes dooren van eieren en sjalotten en pieterseliequantum sufficit, of over de wijze, waarop het half doorgespouwd beestje, dat hij in de hand hield, op de reis bewaard was gebleven, in een oud charter, met boter wel gesmeerd, door middel eener voorafgemaakte omwenteling in fijngehakte ajuin, peper en zout, en het daarna braden van alles te zamen op een rooster, zou weinig gedacht hebben, dat diezelfde man, die geheel was overgegeven aan het genot van een goed gebraad, en zijn buik tot zijn afgod verkoren scheen te hebben, een oogenblik te voren in een maalstroom was rondgesleept van hooge staatkundige plannen en inzichten en van kleine en verwarde verwikkelingen van allerlei aard. ’t Is omdat Arkel een van die gelukkige (?)egoïstenwas, wier hart altijd in rust blijft, hoe werkzaam ook hun brein moge wezen: die alleen voor zich zelven levende, hun gevoel verhard hebben tegen alle indrukselen van buiten, en zich van lieverlede de kunst hebben eigen gemaakt om alle onaangename denkbeelden en lastige zorgen te verbannen, van elke omstandigheid des levens slechts die zijde aan te grijpen, welke hun het aangenaamste toeschijnt, en daardoor nimmer dulden, dat het genot van het oogenblik vergald worde door pijnlijke herinnering aan het verledene of zorg voor de toekomst.

Welke voorstelling men zich wijders, uit het vroeger verhaalde,van het karakter des Bisschops moge vormen, dit is zeker, dat de tijd, waarin hij leefde, en de omstandigheden, waarin hij zich geplaatst vond, veel toebrachten om hem daden te doen bedrijven, welke, ja, terecht als misdadig beschouwd, maar, naar den zedelijken maatstaf van zijne eeuw beoordeeld, meer verschoonbaar kunnen gerekend worden. Jan van Arkel was een dier menschen, die zich op de wereld als bij wijze van uitzondering vertoonen, met alle begaafdheden toegerust, maar met een hart vol onverzadelijke en nimmer rustende begeerten: een dier gevaarlijke wezens, die door een eeuwige behoefte aan werkzame beweging worden verslonden: die op de gewone stervelingen met een glimlach van verachting nederzien en niet tevreden zijn met een dagelijksche bestemming: een dier genieën, die door de nakomelingschap somtijds vervloekt, maar door den dichter en den wijsgeer beschouwd worden met diezelfde bewondering, waarmede zij een onrustbarend gesternte aan de bogen des hemels gadeslaan. Reeds in zijn eerste jeugd bezat hij de stoutmoedige onbeschroomdheid van een meer gevorderden leeftijd: zijn moed was even onbetwijfelbaar als zijn eerzucht onbepaald, zijn brein even vernuftig en vruchtbaar in uitkomsten als zijn manieren hoffelijk en bevallig waren. Hij verstond evenzeer de kunst om zich door een aangenamen omgang bemind te maken bij hen die hij noodig had, als om zijn vijanden onder de geweldige wapenen der bespotting te verpletteren. Hij was vasthoudend in al wat hij ondernam, en nimmer af te brengen van een eenmaal gevormd besluit; maar daar die vaste wil, om zijn zin te doen, zich dikwijls ook in kleine en onbelangrijke voorwerpen vertoonde, nam die, door een zonderlinge tegenstrijdigheid, niet zelden den schijn van loszinnigheid aan en bracht hem in ongelegenheden, waaronder een ander bezweken en de fabel van het algemeen zou geworden zijn; maar waarin hij slechts een gelegenheid meer vond, om zijn onuitputtelijk vernuft, en zijn behendigheid in het partij trekken van elke omstandigheid, te doen schitteren. Zoo hij echter dat vernuft hoofdzakelijk tot duistere kuiperijen en staatslisten aanwendde, en zoo zijn hart, dat van nature open en edel was, zich reeds spoedig met een driedubbele ijskorst omschorste, dit moet, gelijk wij reeds hebben aangemerkt, hoofdzakelijk aan de omstandigheden worden toegeschreven. In een anderen tijd geboren, had hij, naar zijn keuze, òf in de rij der beroemdste helden òf aan de zijde der volkomenste staatslieden een eervolle plaats kunnen bekleeden; maar in zijn eeuw mocht het hem niet vergund zijn, openlijk naar den oorlogsroem te dingen; en was de staatkunde nog niet, als later, eene eerverschaffende wetenschap.

Hij was tot den geestelijken stand gedrongen geweest, terwijl zijn neigingen als kind reeds naar den wapenhandel helden; zijn onrustige geest had hem in het stille klooster niet toegelaten zich te vergenoegen met het betrachten der eentonige en weinig beduidende werkzaamheden aan zijn betrekking verbonden: eenmaal zich in den stand geplaatst ziende, waartoe vaderlijke dwang hem verwezen had, nam hij voor, zich daarin een naam te maken:—niet zoozeer noguit eerzucht, als wel om zich te ontslaan van hetgeen hem het onverdraaglijkste van alles was, de afhankelijkheid van anderen. Hij had daarom ook zijn ledige uren nuttig besteed: en het was aan iemand als hij, die met een gelukkig geheugen, een scherpzinnig oordeel en een vasten wil begaafd was, niet ongemakkelijk gevallen, om het spoedig door ijver en studie zooverre te brengen, dat zijn tijdgenooten hem als een wonder beschouwden, en de ergernis over ’t hoofd zagen, veeltijds door hem gegeven, wanneer hij, als zich daartoe de gelegenheid aanbood, of gedurende de dagen dat hij zijn ouders bezocht, in de ridderspelen zijner broeders en van andere jeugdige edellieden deelde:—uitspanningen, welke hij verschoonde, door aan te voeren, dat zij voor zijn gezondheid, die van ’t letterblokken kwijnde, noodzakelijk waren. Naarmate hij echter in jaren vorderde, werden dergelijke oefeningen, welke men in den beginne door de vingeren gezien had, gestrenger berispt en hem eindelijk door den Prior van zijn klooster volstrekt verboden. De jongeling kon geen dwang verdragen, en meer dan eens ontstond bij hem de lust om den monnikskap weg te smijten en alleen met lans en zwaard de wereld in te gaan. Hij was echter nu eenmaal aan het gemakkelijke kloosterleven gewend, en wanneer hij de voordeelen, aan den geestelijken stand verknocht, overwoog, maakte hij de slotsom op, dat hij te veel zou opofferen om dien te verlaten en als dolend Ridder honger te lijden. Het viel hem echter zwaar om aan zijn geliefkoosde uitspanningen vaarwel te zeggen;—en nu vormde hij het besluit om zich oogenschijnlijk naar den wil zijns kloostervoogds te schikken, maar in ’t geheim te doen wat hij verkoos: in ’t kort, hij veinsde, alle wereldsche gedachten te laten varen en zette zich met meer ijver dan ooit aan zijn studiën; maar dikwijls, terwijl een ieder hem in zijn cel waande, verdiept in afgetrokken bespiegelingen, of ter bedevaart naar deze of gene heilige stad, was hij, vermomd of onder een valschen naam, bij jachten of ridderspelen tegenwoordig en deelde in een vermaak, dat hem te meer smaakte omdat het verboden was.

Eindelijk bereikte hij het doel van zijn verlangen, en de invloed van Graaf Willem bracht hem op den Bisschoppelijken zetel; maar hoe groot was zijn teleurstelling, toen hij ontdekte, dat hij bestemd werd, om ook daar niet zijn eigen meester, maar de speelpop eens anderen te worden. Dit verdroot hem: en hij besloot zich ook van deze afhankelijkheid te ontslaan. Zijn handelingen als Bisschop, vroeger door ons verhaald, getuigden, hoezeer hem dit voornemen ernst was en met welk een vastberadenheid hij dit wist door te zetten. Het Sticht bewonderde een kerkvoogd, die, reeds op zulk een jeugdigen leeftijd, met zulk een ijver de belangen van het Bisdom wist te behartigen, en aller harten waren met smart vervuld, toen hij zijn grootsch opzet bekroonde door zijn vrijwillige ballingschap naar Frankrijk. Wat hem betrof, hij had een driedubbel oogmerk bereikt; hij had de harten der zijnen gewonnen: hij had het Sticht onafhankelijk gemaakt van vreemden invloed: en hij vond zich in een vreemd gewest, vrij en onbelemmerd als de vogel in de lucht, opeen plaats, waar niemand zijn gangen bespiedde en waar hij zich dus kon overgeven aan al de genoegens, waarvoor zijn boezem blaakte. Maar, te midden dier vermakelijkheden, ontving hij van zijn broeder en vertrouweling de tijding, dat Graaf Willem zijn verloren invloed in het Sticht op alle wijzen zocht te herwinnen. Het was toen dat de wijdluchtige plannen, welke wij hem hoofdzakelijk aan vader Syard hebben hooren mededeelen, in zijn brein tot rijpheid kwamen. Het begon hem nu ook te vervelen, op steekspelen lauweren in te oogsten, welke hem geene eer aanbrachten, vermits zijn naam onbekend bleef: en de stem der staatzucht verdrong eindelijk alle andere neigingen uit zijn borst. Ten einde den staat van zaken beter te leeren kennen, vertrok hij in stilte uit Grenoble en maakte, gelijk wij gezien hebben, zijn aankomst in Holland slechts aan weinigen bekend. Het steekspel te Haarlem was voor hem nog een beproeving, aan welke hij geen weerstand kon bieden en die bijna zijn geheele plan van onbekend te blijven had in duigen geworpen. Echter was het hem in zooverre voordeelig geweest, doordien het hem in kennis gebracht had met Reinout, van welken hij zich nu hoopte te zullen bedienen als van een nuttig werktuig, dat hij naar zijn verkiezing kon gebruiken of vernielen:—vernielen, ja; want gelijk wij uit zijn handelwijze met vader Syard en Barbanera gezien hebben, aarzelde hij niet, tot bereiking van zijn doel, die middelen aan te wenden, welke de zedekunde verwierp, maar die gepredikt worden door de noodzakelijkheid, welke hij, met vele staatslieden ook van latere dagen, als de bestierder onzer daden eerbiedigde.

Men vergeve ons deze uitweiding, die zeker lang genoeg is om onzen dischgenooten de gelegenheid te hebben gegeven hun maal te eindigen; na welks afloop Arkel eensklaps een verhandeling over de onderscheidene kersensoorten afbrak met aan de dienaars last te geven om de wapenrustingen te halen. Men gehoorzaamde: en nu gespte de Bisschop zelf Reinout het harnas aan, en zette hem den helm op ’t hoofd met den rooden Arend, welken hij zelf op het steekspel gedragen had: terwijl hij zich vergenoegde met de nederige rusting van een eenvoudigen schildknaap.

Nauwelijks waren zij ten volle gewapend, toen zich trompetgeschal liet hooren, en Peter het bericht kwam brengen, dat Wouter van IJselstein met zijn bende voor de poort stond.

“Dat is een vierde uurs vroeger dan de afspraak was,” zeide Arkel: “zij zullen niet binnenkomen voor het oogenblik, dat ik bepaald heb.”

Dit zeggende ging hij de zaal uit en begaf zich naar het verblijf van Madzy, die, nu geheel gekleed, hem zat te wachten.

“Ik hoop, dat het u aan niets ontbroken heeft,” zeide hij, de oogen slaande op een schotel, welken de voor alles zorgende Peter haar gebracht had, en die nog onaangeroerd was.

Madzy verzekerde hem, dat men haar met alle mogelijke voorkomendheid bediend had, doch dat zij niet in staat was geweest, iets te nuttigen.

“Gij hebt kunnen hooren,” hernam Arkel, “dat de Stichtsche bendevoor de poort staat. Een draagstoel is gereed voor u en gij kunt voor ieder onbekend blijven.... indien gij namelijk het besluit genomen hebt, van met ons te vertrekken.”

Dit zeggende, bood hij haar de hand aan om haar de deur uit te brengen.

“Ridder!” zeide zij, terwijl hare oogen een zoo edele uitdrukking aannamen, dat de hardvochtige Arkel een onrustige beweging in de borst gevoelde: “ik vertrouw mij aan uwe rechtschapenheid. Het zou schandelijk van u zijn, indien gij mij misleidet.”

Na het uiten dezer woorden, welke de Bisschop slechts met een hoofdbuiging beantwoordde, legde zij hare hand in de zijne en, zich het gelaat met haar kaper bedekkende, vergezelde zij haar geleider.

Intusschen waren Wouter van IJselstein en de zijnen ongeduldig geworden: en de eerstgemelde, wanende dat men hem misleid had, begon met zijn strijdbijl op de buitenpoort te rammelen, toen Arkel, die Madzy in haar draagstoel gebracht had, zich aan de binnendeur vertoonde.

“Met uw verlof, vrome Heeren!” riep hij hun toe: “breekt gij nu reeds de poorten af, om aan de Hollanders, wanneer zij komen zullen, een vrijen en onbelemmerden intocht te verschaffen?”

“Wij hadden verwacht die open te vinden,” zeide Wouter brommende: “en het was onze afspraak....”

“Dat gij na éénen zoudt binnengelaten worden,” zeide Arkel: “en indien gij uwe oogen gelieft te slaan op den zonnewijzer, die daarginds tegen den toren gespijkerd is, zult gij zien, dat ik mijn belofte nakom. Wees zoo goed en schaar uw volk op het buitenwerk, dan zal ik u intusschen kennis doen maken met het slot.”

IJselstein voldeed aan het verlangen des Bisschops, waarna deze hem en zijne hoplieden de wallen rondleidde, hem de zwakke en sterke punten aanwees, hem de verbeteringen opgaf, welke hier en daar nog te maken waren, en verscheidene middelen aan de hand deed om partij te trekken van de gelegenheid van den grond: bij zijn inlichtingen een zoodanige kennis van zaken ten toon spreidende en zoovele blijken van een juist oordeel gevende, dat allen hem verbaasd aanstaarden, en elkander vroegen, wie toch de man ware, die er meer van af wist dan een van hen.

Na deze wandeling bracht Arkel hen in de zaal, waar hij hun Reinout voorstelde als een Duitsch Ridder, die van het steekspel te Haarlem gekomen was, en thans naar Utrecht reisde om het Sticht in gevalle van oorlog te dienen tegen den Graaf van Holland. Met een beker wijns werd het onderhoud besloten, en eenige oogenblikken later zaten Arkel en Reinout te paard en reden zij de slotbrug over, gevolgd door de twee dienaars van eerstgenoemde, mede te paard, en de draagstoel, waarin Madzy zich bevond, en welke door een boerenknaap gemend werd. IJselstein en de getrouwe Peter deden hun uitgeleide tot over de brug. Gereed om den tocht aan te vangen, scheen Arkel zich nog iets te herinneren: hij wendde zijn paard om, en, Peter op zijde komende, fluisterde hij hem zachtjes in ’t oor:

“Wat de twee gevangenen in den kelder van het slot betreft, gij zorgt, dat zij onder geen voorwendsel hoegenaamd iemand te zien of te spreken krijgen.”

“Ware het dan niet beter,” zeide Peter, “dat men hen liet uithongeren? Het zijn twee onnutte monden meer op het slot.”

“Wacht er u wel voor: hun bloed zou van u teruggeëischt worden. Niet dan in de hoogste noodzakelijkheid moeten zij opgeofferd worden.”

En zonder in verdere opheldering te treden, haastte hij zich weder naar zijn gezelschap.

“Ziedaar een juweel van een dienaar,” zeide hij, terwijl zij nu gezamenlijk den weg op naar Utrecht reden, tegen Reinout: “of liever een persoonsverbeelding der dienstbaarheid. Er is geen hond, hoe getrouw ook, die zoo volkomen en zonder aarzelen de bevelen zijns meesters volbrengen zal. Zoo ik hem gelastte, onzen Heiligen Vader van zijn zetel te gaan halen en mij dien, aan handen en voeten gebonden, hier te brengen, hij zou het doen ook.”

“Is het verknochtheid aan uw huis, of aan uw persoon, welke hem aldus doet handelen?” vroeg Reinout.

“Het is mij onbewust. Vraag aan het hondje, dat in huis geboren is, waarom het één der huisgenooten bij voorkeur op zijn wandelingen vergezelt, het dier zal er u evenveel reden van geven als mijn oude Peter. De man was een dienaar mijns vaders; maar van mijn geboorte af was hij bij mij. Mijn vader had hem gezegd: ‘gij Peter! zult Jonker Jan bedienen,’ en hij heeft den hem opgedragen last volbracht. Toen ik naar Frankrijk vertrok, zeide ik tot hem: ‘Peter! gij zult het slot Nyenstein gaan bewonen en er niemand op laten, en zorgen dat ik het bij mijn terugkomst vinde zooals ik het gelaten heb:’—en Peter vertrok naar het slot, en toen ik voor een paar dagen terugkwam, vond ik op de trap een handschoen, dien ik er, bij mijn vertrek, vier jaren geleden, had laten vallen.”

Reinout glimlachte even over dit voorbeeld van nauwkeurigheid: maar weldra hernam zijn gelaat een ernstige plooi en reed hij weder zwijgend en treurig voor zich heen.

“Ik had verwacht,” zeide de Bisschop, “dat gij uw zwarten hengst met meer genoegen zoudt hebben teruggevonden na een scheiding van zes dagen; maar waarlijk, gij slaat niet meer acht op hem, als ware hij de ezel van Barbanera’s hansworst.”

Reinout zuchtte diep; want inderdaad, zijn hart werd door de pijnlijkste aandoeningen gefolterd. Hij had gedurig de beeltenis voor zich van zijn wapenbroeder, van den vriend zijner jeugd, van dien Deodaat, met wien hij altijd zoo innig verknocht was geweest en wiens moordenaar hij geworden was. Hij herdacht die gelukkige en kommerlooze dagen, toen zij, eens van zin en ziel, geene gedachten voor elkander verborgen, leed en lief te zamen deelden en altijd gereed waren elke opoffering voor elkander te doen: toen zij, in spijt hunner twijfelachtige geboorte, aan ’s Graven hof geëerd en gezien waren, de fortuin hun toelachte en de roem hun laurieren bood;—en thans! welk een onderscheid!—als eenmoordenaar zwierf hij rond, half overgeleverd aan de genade van een onbekende, wiens inzichten hij niet doorgrondde, vervallen uit den eerestaat, waarin hij geplaatst was en beladen met den vloek van velen. En met dit al, zoo hevig is de macht van een dwazen hartstocht, hij zou zelfs nu nog zijn liefde niet hebben willen opofferen om zijn vriend in ’t leven terug te roepen:—hij zou zijn tegenwoordig ongeluk niet tegen zijn vroeger geluk hebben willen ruilen: en hetgeen hem meest folterde was niet zoozeer berouw over zijn euveldaad, als spijt over het nuttelooze van zijn feit: het was woede over de kloof, die hij zelf tusschen Madzy en hem gedolven had: het was bruisend verlangen om haar terug te zien: het was heete liefdekoorts, zonder tusschenpoozen, zonder nadenken, zonder hoop. O! had hij geweten, dat het voorwerp dier brandende drift slechts weinige schreden achter hem, en éénen weg met hem uitreed; niets in de wereld had hem teruggehouden om haar uit haar draagstoel te lichten en haar met zich te voeren in spijt van alle hinderpalen:—en zij, de arme duif, had zij slechts kunnen vermoeden, dat de Ridder, wiens gedaante zij nu en dan door de reten der lederen gordijnen onderscheidde, de gehate Reinout ware, zij had zich liever in den Vechtstroom geworpen, dan een stap verder te gaan.

“Ik beken,” zeide eindelijk Reinout tot zijn reisgezel, “dat mijn omstandigheden niet van een vroolijken aard zijn; en dat de onzekerheid, waarin ik nopens de toekomst verkeer, niet wel in staat is mij op te beuren.... dan, gij hadt mij beloofd, mij opheldering te geven omtrent uw gedrag jegens mij.”

“En belofte maakt schuld, nietwaar?—Welnu! ik beken u openhartig, dezen morgen mistrouwde ik u en daarom hield ik u in bewaring: maar een onderhoud met Barbanera loste mijn zwarigheden op. Ik schroom niet, u mijn vertrouwen te schenken. Gij kent mij reeds als den man, aan wiens zaak gij uw arm en uw ervarenis kwaamt aanbieden; maar, wat u misschien vreemd zal voorkomen, in plaats van u mijn bescherming te schenken, moet ik om de uwe vragen.”

“De mijne!” herhaalde Reinout verbaasd: “welke bescherming kunt gij van een ongelukkigen zwerver verwachten?”

“Ik zal u zulks verklaren. Staatkundige redenen, wier gewicht u later blijken zal, verbieden mij, vooralsnog mijn rang en naam openbaar te maken. Ik reken op uwe stilzwijgendheid, en zoo ik u geen eeden afverg, is het, omdat ik u tot geen verraad in staat acht. Indien ik mij alleen in Utrecht vertoonde, zou ik vermoedens wekken en het zou mij spoedig onmogelijk vallen zoo onbekend te blijven als ik verlang. Daarom wil ik er slechts als uw schildknaap verschijnen, in wien niemand den kerkvoogd vermoeden zal. Mijn broeder Robbert heeft een woning besteld voor den Ridder van den Rooden Adelaar: die zult gij betrekken: gij zult er meester in zijn; ik zal onder uwe vleugelen schuilen.”

“En onder wiens vleugelen,” vroeg Reinout, “zal onze reisgenoot schuilen, die zich in gindschen draagstoel bevindt?”

“Wat die betreft, zij (want het is eene zij) zal een paar vertrekken in onze woning bekomen, waar ik begeer, dat niemand, wie hij zijn moge, haar kome storen. Wat meer is, ik verlang, dat niemand pogingen aanwende om haar te zien, veelmin met haar te spreken.”

“Ik versta u: en ik weet, dat het niet geoorloofd is, aan geestelijk eigendom te raken.”

“De Graaf van Holland is minder nauwgezet,” zeide Arkel: “hij zou den geheelen Dom in zijn tasch steken zonder er een oogenblik berouw over te gevoelen;—maar, nu ik u mijn voornemen heb medegedeeld, verwacht ik wederkeerig uw vertrouwen. Ik weet, dat Barbanera u niet slechts mijn geheimen heeft medegedeeld; hij heeft u ook openbaringen omtrent u zelven gedaan.”

“Gij weet ook dit!....”

“Ik weet, dat gij, nog liever dan mij te vergezellen, naar Friesland zoudt reizen, indien gij aldaar met zekerheid aan den Heer van Aylva bewijzen kondet, dat gij zijn zoon zijt.”

“Inderdaad!” zeide Reinout: “doch hij heeft mij een nader bewijs beloofd, zoodra....”

“Zoodra gij in staat zoudt wezen, dit met goud te betalen, daarvoor ken ik hem genoeg. Ik weet, dat onze kwakzalver zijn waren zoomin als zijn valsche geheimen anders dan tegen klinkende munt verkoopt.”

“Ik heb,” liet Reinout zich ontvallen, “hem bewogen, met mij naar Friesland te gaan, zoodra....”

“Zoodra gij mij goedschiks kunt verlaten, nietwaar?.... Zoo! ja! dus is uw reis naar Utrecht slechts een voorwendsel om verder te komen: en zal ik mij eerstdaags een schildknaap zonder meester bevinden?—Het zij zoo! Alleen zult gij nog eenige dagen op uw vriend den kokeler moeten wachten; want ik heb hem tot een geheime zending uitgezonden.”

Reinout zweeg en beet op de lippen, terwijl Arkel achter zijn helmvizier lachte. Wellicht zal men zich verwonderen, dat de Bisschop, die zooveel belang stelde op het bondgenootschap der Friezen, niet dadelijk aan Reinout de bewijsstukken, welke hij bij zich had, terhandstelde en hem naar Friesland afvaardigde; maar, behalve dat hij den Ridder noodig had om zijn komst te Utrecht bedekt te houden, was hij nog niet overtuigd, of deze zijner wel indachtig zijn zoude, wanneer hij in Friesland kwam, en wilde hij den Italiaan wat nader doorgronden, eer hij hem een zoo belangrijke zending opdroeg.—Met deze bedoeling ging hij aldus voort:

“Er is, geloof ik, nog een andere reden, waarom een reis naar Friesland u hoogst aangenaam zijn zou. Men verhaalt, dat, zoo Deodaat viel door den dolk van zijn boezemvriend, zulks alleen geschiedde, omdat hij wat dieper in de gunst van zekere Madzy Dekama gedrongen was dan den anderen aangenaam was.”

“Dewijl gij alles weet,” zeide Reinout, “waartoe dan deze nuttelooze vragen? Ja! ik heb mijn vriend gestraft, omdat hij mij trouweloos behandeld, ja, laaghartig verraden had.”

“De wijze, waarop gij u gewroken hebt,” zeide de Bisschop, “getuigt,dat het bloed uwer Italiaansche moeder feller door uw aderen stroomt, dan dat van uw Frieschen vader; maar gij hebt het dom aangelegd: ik begrijp, dat men iemand uit den weg ruimt, die ons hinderlijk is; maar dat men zulks uit loutere wraakzucht doet en zonder er eenig nut uit te trekken, dat kan ik .... gij zult mijn vrijpostigheid verschoonen .... niet anders dan aan een aanval van zinneloosheid toeschrijven.—Wat hebt gij met dien moord gewonnen? Aylva zelf zal er u om haten.”

Reinout zweeg en zag zuchtend voor zich neder; hij gevoelde de juistheid van Arkels gezegde: ofschoon zijn hart gruwde van een stelsel, waarbij een moord in koelen bloede meer verschoonbaar gerekend werd dan een moord in drift gepleegd.

“Maar één ding moet gij mij nog verhalen,” zeide Arkel: “hoe zijt gij toch uwe gevangenis ontkomen?”

“Seerp Van Adeelen, wien ik als mijn medeminnaar haatte, toonde zich mijn vriend. Hij verschafte mij een dolk. Toen ik nu in den toren van het jachthuis zat opgesloten, viel mij een middel ter ontkoming in, waar ik vroeger weleens van had hooren gewagen; doch hetgeen ik altijd als onmogelijk beschouwde. Het bestaat hierin: men houdt het gevest van den dolk met beide handen stijf vast, plaatst de punt tegen den buitenmuur en zet zich op het lemmer te paard: dan daalt men af: de scherpe punt glijdt den muur langs naar beneden: terwijl de kracht, waarmede men den dolk tegen de steenen aandrukt en de zwaarte van het lichaam zelf beletten dat hij uitschiet.—Het raam was onvoorzien: ik beproefde het: en het gelukte mij boven verwachting.”

“Ziedaar een kunstgreep, behendiger dan die van meester Barbanera.”

“Van hem gesproken, hoe komt die gelukzoeker aan uwe kennis en aan uw vertrouwen?”

“Oho!” zeide Arkel: “mijn nieuwe meester begint zijn gezag al uit te oefenen; maar ik zie geene redenen om niet aan uwe nieuwsgierigheid te voldoen. De oude gauwdief is te Grenoble, waar hij baardscheerder was, in mijn dienst getreden. Ik gaf hem, ruim vier maanden geleden, zijn afscheid, omdat ik bemerkte, dat hij mijn belangen minder goed behartigde dan de zijne. Toen ik een paar maanden later, begreep, dat mijne tegenwoordigheid alhier noodzakelijk was, verliet ik Grenoble onder voorwendsel eener reis naar Italië en nam mijn weg over Zwitserland en Duitschland. Te Keulen gekomen, hoorde ik van een steekspel spreken, dat te Haarlem gehouden stond te worden. Terstond was mijn besluit genomen: dit, dacht mij, was een heerlijke gelegenheid om onbekend in deze gewesten te verschijnen. Ik schafte mij de wapenrusting aan, die gij thans draagt, dankte mijn dienaars af, nam in mijnen dienst de beide knapen, die ons vergezellen en mij niet kennen, en trok door. Te Nijmegen gekomen, vond ik de stad opgepropt met reizigers: ik moest mijn intrek in een slechte herberg nemen: daar vond ik Barbanera, die mij terstond herkende. Ik begreep zijn stilzwijgen te moeten koopen, en tevens oordeelde ik, dat hij, wiens schranderheid ik kende, mij van dienst zoude kunnen zijn. Den hansworsthad hij in Duitschland opgedaan: van dezen was geen ontdekking te vreezen, maar ik vond in hem een geschikten en ijverigen bode. Te Leiden werd mijn paard ziek: ik liet het daar met mijn wapenen en dienaars, en hield mij bij Haarlem verborgen: den dag voor het steekspel kocht ik de paarden, die wij thans berijden, van iemand, die zich voor een paardenkooper uit Asperen uitgaf....”

“Van een onbeschaamden dief,” zeide Reinout: “die meer van uwe zaken schijnt te weten, dan wel dienstig is. Althans hij verhaalde gisteravond, dat gij hem voor den dienst des Bisschops geworven hadt.”

“Gekheid! hij weet niets!—Ik had spoedig in den neus, dat hij met zijn persoon machtig verlegen was: ik zond hem daarom naar mijn broeder met een brief in cijferschrift, waarin ik meldde: dat ik te Plaswijk antwoord wachtte. Dit bracht mij de knaap gistermiddag. Ondertusschen had hij bij de Stichtschen dienst genomen.”

“En .... die draagbaar,” zeide Reinout: “heeft die u op uwe reizen bestendig gevolgd?”

“Neen!” antwoordde Arkel droogjes weg; “die is mij somtijds voorgegaan;—maar ik had verzocht, dat daarover niet gesproken zou worden. Gij weet nu al wat gij verlangt te weten. Wij zouden onzen tred wat kunnen verhaasten.”

Onder het uiten dezer woorden, gaf hij zijn paard de sporen: en de trein reed op een vluggen draf naar Utrecht voort.

O simpele vogels! de listige knippenBedriegen u schendig door ’t veinzende voer.’t Zoet fluitje speelt vrede: ’t loos net dekt den vloerDer weiden, waarop gy uw welstand laat glippen.Poot.

O simpele vogels! de listige knippenBedriegen u schendig door ’t veinzende voer.’t Zoet fluitje speelt vrede: ’t loos net dekt den vloerDer weiden, waarop gy uw welstand laat glippen.

O simpele vogels! de listige knippenBedriegen u schendig door ’t veinzende voer.’t Zoet fluitje speelt vrede: ’t loos net dekt den vloerDer weiden, waarop gy uw welstand laat glippen.

O simpele vogels! de listige knippen

Bedriegen u schendig door ’t veinzende voer.

’t Zoet fluitje speelt vrede: ’t loos net dekt den vloer

Der weiden, waarop gy uw welstand laat glippen.

Poot.

Wij moeten bij den aanvang van dit Hoofdstuk ons bedienen van een voorrecht, hetwelk aan samenstellers of uitgevers van dergelijke verhalen als het onze nooit is betwist geworden, en onze geschiedenis, die tot nu toe den tragen slakkengang is gegaan, een tijdperk van zes weken vooruit laten springen. Uit de nieuwe tooneelen, welke onzen lezers zullen worden voorgesteld, zal hun genoegzaam blijken, wat er in den tusschentijd is voorgevallen met die personages, waarin zij belang stellen.

Wij verplaatsen hen dan met ons in een kleine, maar naar den aard des tijds met smaak behangen en gemeubileerde kamer, in een huis te Utrecht, het uitzicht hebbende over een onbezocht en somber kerkhof, en tegen de hooge wallen van het daaraan grenzend klooster. In dit vertrek was Madzy Dekama aan een welgewreveneikenhouten tafel gezeten, en hield zich met eenig vrouwelijk handwerk bezig. Zij droeg thans noch de Friesche kleeding, welke haar vroeger zoo wel stond, noch het boerinnenpak, waarin zij van Haarlem gevlucht was; maar een eenvoudig morgengewaad, dat het midden hield tusschen de dracht des adels en die van de gegoede burgerklasse. Treurige denkbeelden waren op haar voorhoofd te lezen en in haar nedergeslagen oogen, wier glans door ziels- en lichaamssmarten eenigszins verdoofd schenen: meer dan eens bleef hare hand werkeloos op het borduurraam rusten, ontviel de naald aan haar blanke en vermagerde vingeren en zakte haar hoofd als in somber gepeins op den boezem neder. Op eenigen afstand van haar was een burgervrouw van middelbare jaren aan ’t spinnewiel gezeten. Zij scheen minder stof tot gewichtige overdenkingen te hebben, althans haar tong klapte onophoudelijk voort en hield gelijken gang met de snorrende draden, die zich door hare handen bewogen. Wat het uiterlijke der vrouw betrof, welke aan Madzy tot gezelschap en oppassing gegeven was, zoo was haar gestalte verre beneden de middelmatige; maar dit gebrek in hoogte werd vergoed door den omvang der ledematen, vooral van het hoofd, dat evengoed op de schouders van een Goliath had kunnen prijken, te meer, dewijl het met alleszins ruwe mannelijke trekken voorzien was, onregelmatig en grimmig van uitdrukking, en de kin en bovenlip zelfs met talrijke geelgrijze haren versierd waren. Het was niet zonder moeite, dat het den opmerkzamen beschouwer gelukte, in dat groote hoofd de oogen te vinden, welke schier geheel verborgen waren tusschen de zwaar vooruitstekende wenkbrauwen en het gerimpelde perkament, dat zij voor wangen liet doorgaan. Een nieuwsgierig onderzoeker had echter, schoon niet dan bij zeer hellen dag, de kleur van het rechteroog kunnen bepalen, zijnde vaalgrijs, en de uitdrukking, zijnde nagenoeg die eener loerende kat;—want wat het linkeroog betrof, dit was sedert jaren gesloten en kon dus al de nasporingen tarten. Van onder den ingedrongen neus en de dikke loodkleurige bovenlip, staken twee monsterachtige tanden haar ongelijkvormige punten tusschen de dikke lippen uit: in één woord, er ontbrak slechts een snuit, en het geheele hoofd had zeer goed voor den kop eens olifants kunnen doorgaan.

Alleen het aanhoudend gezelschap van dit vrouwelijk wanschepsel ware reeds genoegzaam geweest om bij Madzy, ook indien zij voor ’t overige geene redenen tot droefgeestigheid had gehad, onlust en droefgeestigheid te verwekken, te meer, daar de onderwerpen van haar gesprek zelden van de uitgezochtste waren, en haar luim doorgaans alles behalve aangenaam was; intusschen moeten wij dit zeggen tot eer van Juffer Mechtelt (zooals zij zich noemen liet), dat zij, ook dan wanneer zij het meest ontevreden en tot brommen en knorren geneigd was, nimmer anders dan de zoetste en vriendelijkste woorden bezigde, welke vaak door hun liefelijkheid in een omgekeerde reden stonden tot den inhoud van haar gezegde. Tot een staaltje van haar onderhoud diene het navolgende gesprek, dat zij met Madzy bezig was te voeren.

“Lief kind!” zeide zij: “hoe gaat het al? hoe ziet ge zoo treurig? vlot het werk niet, of hebt ge muizenissen in ’t hoofd?”

“Mij dunkt,” zeide Madzy, “ik heb weinig reden tot opbeuring. Verwijderd van de mijnen, opgesloten in een vreemd huis, waar ik met niemand een woord kan wisselen over hetgeen mij naast aan ’t harte ligt....”

“Met niemand? En wie ben ik dan, hartje? Is Juffer Mechtelt geen vrouw van genoegzame ondervinding om vertrouwen te ontvangen en raad te geven? Ho! ho! schatje! ik heb zoo menige jongedochter met mijn beetje ervaring bijgestaan: en zij hebben zich er altijd wel bij bevonden, dat hebben zij. Daar was Betje van de Molenwerf, een onnoozel mulderskind, dat een paar bruine kijkers in het hoofd had en verder geen rijkdom; maar het schaap liet zich leiden en was zoo handelbaar als een stuk was, dat was zij. En is zij door mijn toedoen niet de vrouw geworden van den dikken Bartel Bartelsz, den overman van het slachtersgild? en wandelt zij niet op elken feestdag zoo dapper met een gelemmerd kleed en een huif van Amsterdamsch zwart als de dochter van een banjer heer?—En daar is Emmeke, de dochter van Teunis met de Kodde, die haar ouders allebei dood waren, dat waren ze; en heb ik haar niet in kennis gebracht met de rijksten van Utrecht? en windt ze nu niet den ouden Proost van Sint-Salvator om haar duim als een kluw garen? en drinkt ze niet uit een zilveren kroes, wat ze lust? dat doet ze. En wie anders als ik is oorzaak dat Adriaan van Montfoort zoo verslingerd werd op het blonde Femmeke, schoon het maar een arm schepseltje was, dat met radijs en biet op de markt zat, dat hij al zijn geld en goed aan haar verdaan heeft, en zijn vader hem heeft moeten opsluiten, dat heeft hij, wilde hij hem niet kaal geplukt zien als een vink?”

Het scheen, dat de bewijzen, waarmede Mechtelt aan onze heldin zulk een hooge gedachte van haar bekwaamheid als raadgeefster meende in te boezemen, op deze laatste geenszins de gehoopte uitwerking maakten; althans deJonkvrouwzag haar met een blik van verontwaardiging aan en loosde vervolgens een diepen zucht.

“Waarlijk poesje!” vervolgde Mechtelt: “gij bezondigt u, met zoo te kijken als een kip op een streep, dat doet gij. Zijt gij niet door onzen waardigen meester van den dood gered? En heeft hij u niet, toen gij hier aankwaamt met de koorts op ’t lijf, doen genezen en verzorgen of ge zijn lijfelijke en vleeschelijke zuster waart? en mij tot uwe oppassing laten komen, wetende, dat niemand beter dan ik de kunst versta, met zieke meisjes om te gaan? Laat hij het u wel aan iets ontbreken? En is hij niet bereid, u al te geven wat gij verlangt? beproef het eens: vraag hem wat gij wilt, en gij zult zien dat het u geworden zal, dat zal het! En dat hij zoo mild is als de Graaf van Gelder, die, om zijn duifje genoegen te geven, toen zij om een nieuwen kaper vroeg, heel naar Compiegne zond, omdat daar de beste kappen gemaakt worden. En hebt ge geen lakens van Bourgondisch linnen? En eet ge niet alle dagen goed rundvleesch en volop wittebrood? ofschoon er velen hier in de stad zijn, die zichalleen met groentestelen en erwteschillen moeten tevreden houden, dat moeten zij! en blij zouden wezen, indien zij een stuk hondevleesch vonden, nu alles zoo peperduur is met dat satansche beleg, dat men een goudstuk voor een gestopten beuling geeft, dat doet men!”

“Dat moet niet zijn,” zeide Madzy, bewogen door de schilderij, welke Mechtelt van den toestand maakte, waarin de burgerij van Utrecht verkeerde, en welke inderdaad niet vergroot was: “dat mag zoo niet blijven. Ik wil geen overvloed, wanneer om ons heen ellende en honger worden geleden. Mijn disch moet voortaan eenvoudig en zelfs schraal zijn. Ik zal hierover met onzen gastheer spreken.”

“Wat een dwaasheid, engeltje!” riep Mechtelt, vervaard en verontrust door het gezegde van Madzy, en in haar verbeelding reeds al de lekkernijen, welke zij met haar deelde, ziende verdwijnen en plaats maken voor den soberen pot der arme burgerij: “ik hoop, dat gij wijzer zult zijn: denk toch, dat gij pas ziek geweest zijt en gezond voedsel noodig hebt, dat hebje! Pas begint er weer een blos op de koontjes te komen en gij zoudt uw best doen om hun die aschmanskleur terug te bezorgen, die zij hadden toen ik u ’t eerst zag.”

“En gij zoudt verlangen,” zeide Madzy, “dat die blos op mijn wangen gekocht werd door de bleekheid op die van anderen? O God! ik zal geen stuk meer kunnen eten, nu ik verneem, dat elk stuk van achten, hetwelk voor mijne tafel wordt uitgegeven, het onderhoud van een lijdend huisgezin had kunnen verzekeren.”

“Nu! ik mag het lijden,” zeide Mechtelt: “maar gij krijgt het van onzen Heer niet gedaan, boutje! hij is een mild en edel meester, dat is hij! die niet wil, dat iemand in zijn huis gebrek lijde.”

“Hij is edelmoedig, al te edelmoedig zelfs,” zeide Madzy; “maar ik wil hem niet langer tot last verstrekken. Het is tijd, dat ik dit huis verlate. Nog heden wil ik hem mijn besluit mededeelen.”

“Dit huis verlaten!” herhaalde Mechtelt, die bleek ware geworden indien de grauwe tint van haar gelaat voor eenige verandering ware vatbaar geweest: “heden mijn tijd, engeltje! hoe komt gij aan die dwaze gedachte? En waar zou een schoon kind als gij tegenwoordig heen? Wij zitten hier in Utrecht zoo nauw opgesloten als een pruimepit binnen de vrucht, dat doen wij! en waarachtig! al de meisjes hier in de stad zouden een waskaars aan de Heilige Maagd branden, indien zij zoo gelukkig waren als gij, dat zouden zij! en zij zouden er duim en vinger voor likken, om onder bescherming van een zoo mild Heer te komen; en gij zoudt hem verlaten en u noodeloos blootstellen? hij zou het nooit dulden.”

“Hoe!” zeide Madzy, verwonderd en verontrust: “Nooit dulden! wat meenen deze woorden? Ik veronderstel toch, dat ik mijn eigene meesteresse ben en hier niet langer zal behoeven te blijven dan mij goeddunkt.”

De lippen van Mechtelt vertrokken zich bij dit gezegde tot iets, dat een glimlach beteekenen moest: “och mijn hartje!” zeide zij: “gij kunt er niets van meenen. Daar was Klaartje van den Abeele: die was door den Jonker van Gaesbeek van de Tielermarkt afgetroond,en mede naar zijn slot gevoerd: die sprak al zoo bout als gij, dat sprak zij; en wel mocht zij het doen; want zij had een aardig penningske aan geld en een schoone erfenis van haar moei te wachten en was bovendien van goeden huize, zijnde een nicht van den Heer van Mynden, ofschoon een beetje van de linkerhand, dat ’s waar;—maar er was geen week verloopen, of zij schikte zich in haar toestand: en vroolijk heeft zij met den Jonker huisgehouden, en hem zes kinderen als wolken geschonken, dat heeft zij: en de oudste er van neemt nu het huishouden waar van den Pastoor te Jutfaas, dien vromen man, die haar met de pen opvoedt, dat doet hij.”

“Vrouw!” riep Madzy uit, terwijl zij met ontsteltenis oprees (want het onvoorzichtig gesnap der vuige koppelaarster had bij haar vermoedens gesterkt, welke, ja, nu en dan bij haar waren opgerezen, maar die haar onschuldig en argeloos hart haar altijd verborgen had): “Vrouw! wat bedoelt gij met dat alles? wat heeft men met mij voor? Ik blijf geen dag langer in dit huis. Ziedaar!” vervolgde zij, een gouden doekspeld op de tafel leggende; want zij vreesde zich te verontreinigen, indien zij die Mechtelt in handen gaf: “neem dit tot belooning der diensten, die gij mij in mijne ziekte bewezen hebt: ik ga het eerste klooster het beste zoeken en mij onder de bescherming stellen der abdis.—Van daar zal ik mijn dank aan uw meester doen toekomen.”

Onder het uiten dezer woorden had zij zich naar de deur begeven; maar Mechtelt was, na haar met een verbaasd oog te hebben aangestaard en de doekspeld op haar mouw te hebben gestoken, naar de deur gewipt, waar zij Madzy met haar kromme dikke vingers bij de kleeren greep.

“Zacht wat! zacht wat! lief engeltje!” riep zij: “men gaat hier zoo niet uit zonder de toestemming des meesters. Ik ben bij u gekomen als waakster: en ik zal u bewaken, lief dotje! dat zal ik.—En schreeuw maar niet, hartje! het zou u toch niet helpen, och heden neen!”

In dit oogenblik werd de deur eensklaps van buiten geopend en Arkel trad binnen. Beide de vrouwen traden op zijn verschijning onthutst terug: Mechtelt, omdat zij vreesde, dat hij haar handelwijze haar kwalijk mocht afnemen, en dat zij niet gaarne een plaats verliezen zoude, waar zij goed loon en goed eten kreeg:—en Madzy, omdat zij op een oogenblik verrast werd, waarin het den schijn had, als ware zij handgemeen met haar bewaakster, een bezigheid, weinig overeenkomstig met haar stand en geboorte.

“Hoe nu!” zeide Arkel, terwijl hij verbaasd staan bleef: “de wangen van onze lieve zieke gloeien, alsof zij van nieuw af de koorts had gekregen! En het oog van Juffer Mechtelt flikkert als een nachtlamp die uitgaat! Heeft hier een twist plaats gehad? Ik wil niet hopen, Freule, dat deze vrouw zich onbetamelijk tegen u gedragen heeft. Bij Sint-Maarten! zij had minder gewaagd met de Domkerk in brand te steken, dan met u de minste beleediging aan te doen.”

“Wie zou zulk een lief schepseltje beleedigen?” zeide Mechtelt: “Lieve Maagd! ik dacht dat alles voor het beste ware, dat dachtik. Maar dat engeltje wilde zonder afscheid heen wandelen, dat wou ze: en daar ik betaald worde om haar te bewaken, zoo dacht ik geen kwaad te doen met haar te wederhouden, dat dacht ik.”

“Gij dacht als een oude zottin,” zeide Arkel, haar verstoord aanziende: “is het hier een gevangenis? en is de Jonkvrouw niet vrij te gaan waar zij heen wil?—Alleen smart het mij,” voegde hij er bij, terwijl hij Madzy met een minzamen, eenigszins weemoedigen blik aanzag, “dat gij zoudt hebben kunnen besluiten te vertrekken, zonder mij vergund te hebben, afscheid van u te nemen.”

Madzy bloosde en zag voor zich; want, hoewel zij geen berouw gevoelde over haar poging om het huis te verlaten, zoo zag zij zelve in, dat deze handelwijs den schijn had van ondankbaarheid tegen haar gastheer: en zij was vrouw genoeg om gegriefd te worden door het verwijt, dat in zijne woorden lag opgesloten. Zij weigerde dan ook de hand niet, haar aangeboden door Arkel, die, radende wat in haar ziel omging, zich innerlijk gelukwenschte met eene omstandigheid, die haar eenigszins jegens hem in ’t ongelijk stelde: en zij liet zich zwijgend door hem terugleiden naar de zitplaats, welke zij verlaten had.

“Vertrek!” zeide Arkel tegen de oude vrouw: “en beef, indien ik ooit weder bemerk dat gij uw plicht te buiten gaat, of de achting uit het oog verliest, die gij aan deze Jonkvrouw verschuldigd zijt.”

Madzy zag verlegen op en was zelfs op het punt om de waakster terug te roepen; want sedert haar komst te Utrecht had zij haar gastheer nooit anders als in tegenwoordigheid van Mechtelt ontvangen: en hoe verachtelijk dit schepsel ook ware, haar bijzijn gaf echter eenigen meerderen schijn van welvoeglijkheid aan zijn bezoeken: maar de afschuw, welke de taal, zooeven uit haar mond vernomen, in de reine ziel der Jonkvrouw verwekt had, was oorzaak, dat deze haar voornemen varen liet en zelfs zich verlicht voelde in haar afwezigheid.

Arkel had intusschen een zetel genomen en zich over Madzy aan de tafel gezet. Er verliepen eenige oogenblikken eer hij begon te spreken. Er was een kommervolle gedachte op zijn gelaat te lezen: en zijn anders zoo levendige oogen stonden strak op den grond gevestigd. Zijn somber wezen en afgetrokken houding leverden een zonderlinge tegenstrijdigheid op met zijn gewaad, hetwelk zwierig en smaakvol was, en wel geschikt, om zijn natuurlijke begaafdheden te doen uitkomen. Sierlijk golfden zijn lokken van onder uit de muts van Gentsen scharlaken, die met bevallige plooien over de eene zijde afhing. Een overrok van dezelfde rijke stoffage, met loshangende mouwen, en door een gordel om ’t lijf gesloten, liet een wit zijden buis zien, met zilverdraad doorweven: terwijl de blanke hozen in roode laarsjes staken, wier punt en opslagen met zilveren kwastjes waren voorzien. In ’t kort, hij geleek meer op een hoveling, die bij een schoone zijn hof komt maken, dan op den geheimen inwoner eener belegerde stad.

“Het is dan waar,” zeide hij eindelijk met een diepen zucht, “gij hadt het besluit gevormd, iemand, die u tot nog toe slechts blijkenvan eerbied en welmeenendheid gegeven heeft, zonder afscheid, zonder waarschuwing, te verlaten?”

“Ridder!” zeide zij, hem met een vrijen, openen blik in ’t aangezicht ziende: “het wordt eindelijk tijd, ronduit te spreken. Ik ben slechts een jong, onervaren meisje, door een droevigen samenloop van omstandigheden onder vreemden gebracht: en ik ben niet in de zeden, gewoonten en spreekwijzen van dit land bedreven: maar ik spreek slecht en recht, gelijk het mijn landaard eigen is: ik zal dan ook geen schoone woorden zoeken; maar mij uitdrukken zooals ik het meen.—Wel dan:—ik heb in uwe woning gastvrijheid genoten, en ik ben er u dankbaar voor. Maar ik ken u niet: ik weet niets van uw rang en stand: ik weet niet, of gij gehuwd of ongehuwd zijt:—dit alleen is zeker, dat het mij niet betaamt, langer onder uw dak te blijven: en gij zelf zult beter gevoelen dan ik het voegzaam uit kan drukken, dat ik, verwijderd van de mijnen, een andere bescherming behoef dan die, welke gij mij verleenen kunt.”

“Ik heb vermeend,” zeide Arkel, “de welvoeglijkheid in acht te nemen, door u het gezelschap eener bejaarde vrouw te verschaffen. Het smart mij, dat zij die taak onwaardig schijnt te zijn en dat ik mij in de keuze bedrogen heb.”

“Hebt gij u waarlijk in de keuze bedrogen?” vroeg Madzy, hem scherp aanziende: “dan zijt gij wel ongelukkig geweest; want uit den inhoud van hare woorden, die ik mij schamen zou te herhalen, had ik bijna opgemaakt, dat zij niet zonder oogmerk bij mij was geplaatst....; maar wij zullen dat daarlaten. Toen gij mij voorsteldet uw slot onder uw geleide te verlaten, deed ik zulks alleen, omdat ik op uw belofte rekende van mij weer bij de mijnen te voeren. Dit heeft geene plaats gehad. In hoeverre het niet nakomen van uw woord alleen belet zij geworden door mijn ziekte en het daarop gevolgd beleg, zullen wij liefst niet onderzoeken. Maar thans ben ik hersteld en ik verlang een voegzamer verblijf. Reeds gedurende mijn ziekte heb ik meermalen den wensch geuit, om naar een klooster vervoerd te worden:—het is mij steeds geweigerd uithoofde van zwakte.... het zij zoo!—die reden bestaat thans niet meer.”

“En de gedachte is niet eenmaal bij u opgerezen, dat gij, door dit huis te verlaten, den ongelukkigen bewoner daarvan alles zoudt ontrooven, wat hem het leven draaglijk maakt?”

“Hoe!” riep Madzy uit, verschrikt van haar vrees zoo spoedig verwezenlijkt te zien.

“Ja, bekoorlijke Madzy!” zeide Arkel, zich voor haar nederwerpende: “ik zeg niet te veel: met u verlies ik al mijn geluk op aarde. Hoe! heeft al mijn zorg voor uw welzijn, al mijn streven om uw toestand te veraangenamen, om uwe wenschen te bevredigen, hebben mijn zuchten, de tranen, mij soms in uw bijzijn ontvallen, nog niet genoeg gesproken? en moet mijn mond er nog de betuiging bijvoegen, dat ik u onuitsprekelijk bemin? Zie dezen arm,” vervolgde hij, zijn linkermouw opstroopende en het verband toonende, dat om den arm geslagen was: “heden werd hij in den strijd gekwetst: en ik zegende den pijl, die mij wondde: want mij verheugde de gedachte:Madzy zal weten, dat ik haar vijanden bestreden heb. Neen Madzy! neen, gij zult niet onbarmhartig en onverbiddelijk wezen: gij zult mij niet verlaten, mij, die u zoo teeder liefheb, om u te gaan blootstellen aan de onzekere kansen van een zwervend leven. O! wend uw gelaat niet af! zie niet toornig! laat ik in uw oogen een enkelen blik van deernis lezen voor zooveel liefde.”

Neen! het was geen blik van deernis; het was een blik van diepe verontwaardiging, welken Madzy vestigde op den man, dien zij aan hare voeten zag.

“Gij hebt schandelijk en onridderlijk met mij gehandeld,” zeide zij: “gij hebt mij met valsche beloften misleid om mij in uwe macht te houden: en ik ben dwaas genoeg geweest om geloof aan uwe betuigingen te hechten. Laat mij van hier gaan: gij hebt geen recht om mij mijns ondanks terug te houden.”

“En wat is dan mijn misdaad geweest?” vroeg Arkel: “is het mij te wijten, zoo de omstandigheden hebben te zamen gewerkt om uw verblijf in dit huis te verlengen? Ik beken, ja, dat ik dit gunstig toeval gezegend heb, dat ik, toen elke blik, dien ik op u sloeg, elk woord, dat ik uit uwen mond hoorde, mij eene nieuwe voortreffelijkheid in u ontdekken deed, den hemel gesmeekt heb, om het tijdstip nog verre te verlengen, waarin gij van scheiden zoudt gewagen, ja, zoo ’t zijn kon, het voor eeuwig te verschuiven.—Is dat een misdaad, u te beminnen? ja! dan ben ik de grootste misdadiger onder den hemel; want mijn liefde voor u is sterker, dan ik die uit kan drukken. En waarom zoude u die liefde vertoornen? Ben ik dan zoo onwaardig, u te verdienen? Gij zelve, gij hebt u kunnen overtuigen, dat ik als Ridder de wapens weet te voeren: om u alleen heb ik gestreden tegen dien trotschen Graaf, die u vervolgde! en zoovele wakkere oorlogslieden, voor deze muren gevallen, kunnen tot getuige strekken of uwe zaak mij ter harte is gegaan. Wat mijn adel betreft: er is geen huis, ook dat des Graven niet, dat zich op een hoogere en schoonere afkomst beroemen kan: o! versmaad mij niet: niemand is meer in staat dan ik, u een gewenscht en heerlijk lot te doen verwerven. Wat kan u dat Friesland, waaraan gij zoo gehecht schijnt, anders beloven, dan treurige, eentonige dagen, in verveling doorgebracht op een koude, vochtige stins, waar uw oog niets ontwaart dan een weide, een korenveld en een meertje: waar gij geen ander gezelschap vindt, dan boeren, wier taal geen schepsel kan verstaan, en edellieden, nog lomper en onverdraaglijker dan uw boeren. Maar aan mijne zijde zullen uwe dagen vroolijk en blijde daarheen vlieten: al de vermaken, al de weelde, die de wereld ons aanbiedt, zullen u worden toegevoerd: geen wensch zult gij kunnen vormen, die niet terstond zal verhoord worden. De keur van de schatten, welke de aarde ons aanbiedt, al de genoegens, welke het leven veraangenamen, al de pracht, welke het maagdenhart kan streelen, zal ik aan uwe voeten brengen: niets zal mij te kostbaar, te moeilijk vallen, om uw geluk te bevorderen: en ik zal mij heilrijk noemen, indien nu en dan slechts een enkele blik van tevredenheid mijne pogingen beloont.”

“Ridder!” zeide Madzy: “indien ik in vrijheid ware en in ’t midden van de mijnen, en gij kwaamt dan mijn hand en mijn liefde vragen, dan zou ik u doen hooren, hoe ik over uwe voorstellen dacht. Thans moet ik die alleen met stilzwijgen beantwoorden. De vogelaar kan het onnoozele vinkje in ’t kooitje sluiten of den kop inknijpen; maar hij vergt niet van het arme dier, dat het vrijwillig in zijn kerker blijve, of het rondfladderen aan de koord boven het genot van Gods vrije lucht verkieze.”

“Moet ik,” vroeg Arkel, “uit uwe woorden zelven, niet afleiden, dat ik als de vogelaar moet handelen en u als het eigendom beschouwen, dat mij een gelukkig toeval in handen heeft gespeeld?”

“Neen!” zeide Madzy, ontsteld: “zoo laag zult gij niet handelen. Zoo er nog een sprank van eer in uw boezem overblijft, laat mij dan van hier vertrekken.”

“En waar zoudt gij heengaan? het leger des Graven sluit onze muren in: vruchteloos deedt gij een poging om te ontkomen. Gij zoudt in zijn handen vallen, en Rijnsburg zag u weldra binnen zijn muren.”

“Liever mijn leven in Rijnsburg, dan een dag langer in dit huis gebleven;—maar uw zwarigheid wegens de macht des Graven is ijdel. Ik zal hier in Utrecht nog wel een schuilplaats vinden.”

“Beproef het eens,” zeide Arkel met een boozen glimlach, “bel slechts aan de poort van het eerste klooster het beste. O! de geestelijke zusters zullen u met opene armen ontvangen, wanneer zij vernemen, dat gij zes weken hebt doorgebracht in de woning van een wakker jong Ridder, zonder ander gezelschap dan de eerzame Mechtelt Dirksdochter.”

Al het bloed van het onschuldige meisje vloeide naar haar hart terug op het hooren van deze taal; want zij voelde er al te wel de juistheid, de vreeselijke waarheid van: het denkbeeld, dat haar goede naam op een zoo schandelijke wijze was blootgesteld aan verdenking, ja wellicht onherstelbaar verloren, was voor haar geschokt zenuwgestel te schrikkelijk om verduurd te worden. Zij zonk in haar stoel, bedekte zich het gelaat met beide handen en smolt in tranen weg.

“Ween niet, beminde vrouw!” zeide Arkel, wiens hart niet boosaardig genoeg was om haar diepe droefheid onbewogen aan te zien: “ween niet: mijne liefde voor u zal alles vergoeden. Een woord uit uwen mond: en geene kwellingen zullen u langer het leven vergallen; maar ziet dit wel in: gij zelve zijt voortaan alleen meesteres van uw lot. Verlaat deze woning, en gij zult door laster uw goeden naam zien bezwalken: gij zult tot een voorwerp van spot en minachting verstrekken aan de zoodanigen, die niet waardig zijn uwe schoenriemen los te binden;—doch blijf bij mij, en macht en aanzien zullen uw deel zijn en gij zult onder uw voeten vertreden al wie de stoutheid heeft om u slechts een norsch gelaat te toonen.”

“Neen!” snikte Madzy: “zulk een afschuwelijke boosheid heeft nooit bestaan. Verfoeilijk mensch!” vervolgde zij, hem met ijzing aanziende: “wie zijt gij?”

“Wie ik ben,” antwoordde Arkel, “zal misschien de toekomst ontsluieren. Wie ik ben, is nog een raadsel voor den blinden hoop; maar dit kan ik u zeggen, dat het slechts van mij afhangt, met de voornaamsten in ’s Graven leger gelijk te staan, ja boven hen den voorrang te bekleeden: dat één woord van mijnen mond het beleg kan doen opbreken, den oorlog eindigen en aan deze stad de rust hergeven.”

“Elk uwer woorden,” zeide Madzy, zich van hem afwendende, “maakt u nog gruwzamer in mijne oogen. Eén woord van u kan den oorlog doen eindigen!—en gij zwijgt? Bezigt gij uwe macht dan als Satan, alleen om kwaad te doen?”

“Neen meisje!” zeide de Bisschop: “in welk ongunstig daglicht gij mijne handelingen ook verkiest te zien, mijn doel omtrent dit gewest was edel en groot. Ik heb wellicht in de middelen gefaald; maar zoolang mij dit niet gebleken is, moet ik op het ingeslagen spoor blijven voortwandelen. Wat u betreft, tracht, ik smeek er u om, de kalmte te hervinden en overweeg bedaard hetgeen ik u gezegd heb. Vrees niet, dat ik mijn macht over u misbruiken zal. Ik zou mij schamen, van met geweld te verkrijgen, hetgeen ik alleen aan de overtuiging en, kan ’t zijn, aan de liefde wil dank weten.”

“Geen nadenken, geene overweging,” zeide Madzy, terwijl zij haar oogen afdroogde en met waardigheid oprees, “zijn in staat, eenige verandering in mijn besluit teweeg te brengen. Gij hebt mij nog sterker dan te voren doen gevoelen, dat mijn verblijf alhier onbetamelijk is: en al moest mijn vertrek mij aan schande blootstellen, het zal mij lichter vallen, onverdiend de beschuldiging van anderen te dragen, dan die, welke ik mij zelve doen zou door te blijven. Het bewustzijn van de zuiverheid mijner bedoelingen zal mijn troost zijn, indien de laster mij beticht; maar eeuwig naberouw ware mijn deel, zoo ik thans, nu ik uwe bedoelingen verstaan heb, aan uwe hoop door mijne tegenwoordigheid een zweem van grond gave. Bijaldien gij mij dus hier wilt houden, zal de trotsche Ridder, die zoo prat is op zijn adel en zijn macht, tegen het arme meisje, dat geene wapenen heeft dan hare onschuld en hare tranen, geweld moeten gebruiken.”

“Dat zal onnoodig zijn,” zeide Arkel, het onrustig gevoel, dat zich van hem, in weerwil zijner hardvochtigheid, meester begon te maken, achter een bitteren lach verbergende: “zoo uw meisjesarm sterk genoeg is om door eiken deuren en ijzeren tralies heen te breken, is het u vergund van hier te gaan. Tot dien tijd zult gij moeten leeren, u aan uw kerker te gewennen.”

“Welaan!” zeide Madzy: “er blijft mij een middel over om mij aan uw dwang te onttrekken: en gij zult het genoegen hebben nog een offer te voegen bij al diegene, waarmede gij deze rampzalige stad hebt opgevuld. Ik zal geen stuk brood meer eten:—dan voor ’t minst zal mij de dood van uw dwang bevrijden.”

“Madzy!” zeide Arkel, ontzet over de wending, welke het onderhoud begon te nemen: “o! spreek zoo niet!.... zoo gij wist....; maar neen; ik mag niet spreken.”

“Voleind,” zeide zij: “onderdruk de eerste edelmoedige gedachte niet, die in uwe ziel komt opgerezen.”

“Helaas!” hernam hij, “zoo gij wist, waartoe mij het lot veroordeelt, gij zoudt deernis met mij gevoelen. Een stalen, een onverbiddelijke wet verbiedt mij jegens u te handelen gelijk ik zoo gaarne wilde, verbiedt mij voor het aangezicht der wereld te zeggen: ik bemin Madzy Dekama en zoek haar tot gade. En nu dit hart mij mijns ondanks dwingt u te beminnen, moogt gij slechts daarvan kennis dragen en moet ik hard tegen u zijn, omdat het oogenblik, dat u aan mijne macht ontrooft, mij meteen alle hoop voor de toekomst ontneemt. Mijn woorden schijnen u raadsels toe;—welaan! ik zal duidelijker spreken,—Madzy Dekama! ik ben....”

Hier deed zich op eens een stem hooren, welke op luiden toon om den schildknaap Otto riep. Zoodra de Bisschop dit geluid vernam, zweeg hij eensklaps, sloeg zich voor ’t hoofd en snelde de deur uit, welke hij echter niet vergat met voorzichtigheid weder achter zich te sluiten; waarna hij zich naar den kant begaf, van waar het geroep gekomen was.

Madzy bleef dus weder aan haar zelve overgelaten, en, gelijk men denken kan, ter prooi aan de droevigste gepeinzen. O! hoe betreurde zij opnieuw den dag, toen zij voor ’t eerst het land van haar geboorte verlaten had. Hoe suisde haar, gelijk een kwellende geest, die voorspelling in de ooren, welke aan de Roos van Dekama zooveel leeds toezeide, indien zij de zee overtrok. Twee gedeelten dier voorspelling waren reeds uitgekomen: zij had vleiers en minnaars gevonden: en zij was in een beangsten toestand gebracht. Zou het derde deel ook eens uitkomen? Ach! vruchteloos scheen het haar toe, zich met een ijdele hoop te vleien; want de terugkeer van haar voorspoed was aan een voorwaarde verbonden, wier zin duister, wier vervulling bijna onmogelijk scheen; want van welken vorst kon het orakel spreken? en wiens buit kon in de tegenwoordige omstandigheden de roof der Friezen worden?

Zij zocht nu haar toevlucht bij Hem, buiten Wiens wil geen musch ter aarde en geen haar van het hoofd valt, en smeekte Hem, ook haar, in den pijnlijken toestand, waarin zij zich bevond, niet te willen verlaten. Haar gebed was lang en innig; en meer dan eens werd het door heete tranen afgebroken;—maar, toen zij weder oprees, gevoelde zij zich gesterkt en opgebeurd, en met een kalm gelaat besloot zij naar lot te verwachten. Het duurde niet lang of haar moed werd opnieuw op de proef gesteld, want zij hoorde iemand, die met rassche schreden haar vertrek genaken kwam. Een onwillekeurige trilling beving haar: zij vermande zich echter en rees op. De deur ging open:—maar wie schildert haar verbazing, haar opgetogenheid, toen zij, in de plaats van haar gevreesden vervolger, Aylva’s dienaar, den getrouwen Feiko voor zich zag.

Hoe deze in zulk een gepast oogenblik verscheen, zullen wij in het volgende hoofdstuk ophelderen.


Back to IndexNext