Een-en-dertigste Hoofdstuk.

1Hiera picraenhiera gladiiwaren eene soort van artsenijen, voorheen in zwang. Zie Petras BlesensisLib.in Job. I, alsmede het Receptenboek, in het voorbericht van dit werk aangehaald.Een-en-dertigste Hoofdstuk.Daar is de vader zelf, zoo bleek en afgevast.Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.Aylva, nu buiten gevaar, schoon zich nog altijd zwak gevoelende, zat op den avond, die de gebeurtenissen volgde, in de beide vorige Hoofdstukken vermeld, in zijn slaapvertrek op Awertstate, en luisterde naar een oude kroniek, welke Madzy bezig was hem voor te lezen. Reeds dikwijls had het geratel der donderslagen, die men bij tusschenpoozen van den zeekant hoorde, haar belet, met hare taak voort te gaan, toen het geblaf van den hofhond, hetwelk spoedig in een vroolijk gejank veranderde, haar aanleiding gaf, de lezing geheel te staken.“Daar zal onze goede Feiko zijn!” zeide Madzy, haar boek nederleggende: “die ons tijding komt geven, hoe het binnen de stad gesteld is.”“Hij mag voorwaar wel iets belangrijks medebrengen,” zeide Aylva, “om zijn lang uitblijven te vergoeden.”“Ach!” hernam Madzy, met een zucht: “in de tegenwoordige dagen is een belangrijke zelden een welkome tijding.”“Ik ben overtuigd,” zeide Sytsken, die in een hoek van het vertrek zat te spinnen, “dat hij weer bij Auke Wybinga heeft gezeten en daar zijn tijd verpraat.”Auke Wybinga was een schipper van Stavoren, die twee mooie dochters bezat, welke aan Sytsken niet weinig jaloezie inboezemden, daar zij vreesde dat de bezoeken, die Feiko nu en dan aldaar aflegde, grooten hinder mochten aanbrengen aan den aanval, dien zij voorlang op het hart van den jongeling gemaakt had.“Wel Feiko! welke kruiden brengt gij uit het veld?” vroeg Madzy, toen de dienaar het vertrek binnentrad.“Weinig goeds,” antwoordde deze: “de Hollandsche vloot is in aantocht en misschien voor morgen op de kust.”“De Hollandsche vloot!” herhaalde Aylva: “Feiko, zegt gij waarheid?—Breng mijn wapens!—Ik heb reeds lang genoeg als een nutteloos meubel in dit slaapvertrek gesuft.”“Om ’s Hemels naam! mijn goede voogd!” zeide Madzy: “denk om uw zwakheid, om uw ongesteldheid.”“Als Friesland in nood is, denkt gij dan dat een zwakheid mij tot verschooning kan strekken? Ik zal, hoop ik, nog in staat zijneen pijl af te schieten, en een lans te voeren. Hoe is de wind?—Hedennacht, zegt gij?”“Laten wij ten minste eerst vernemen,” zeide Madzy, “wat Feiko te verhalen heeft en of zijn bericht op goede gronden steunt.”“Gij hebt gelijk:—welnu Feiko! verhaal ons al wat gij gezien en gehoord hebt.... alles; daarmede versta ik het noodige, zonder uitweidingen of herhalingen.”“Zooals UEd. het beveelt. UEd. moet dan weten, dat ik met het krieken van den dag naar Stavoren was getrokken, om een pond of wat honig te halen voor den ouden schimmel, die bitter verkouden is, en hoe langer hoe meer hoest, sedert hij die pillen inneemt, die Daamke hem gegeven heeft uit de oude lapzalverkast van zijn meester.... hij deed beter, sedert hij nu toch ook een speerman is, van dat ambacht te laten varen, en ik vrees dat hij het nog eens te kwaad zal krijgen met den Abt van Sint-Odulf, die ook een handje heeft van recepten te geven; maar hij wil nog maar net doen als zijn oude baas, en menschen genezen, ofschoon hij niet eens een paard kan oplappen: zoodat ik hem dikwijls zeg: Daamke! zeg ik....”“Wat bruien ons Daamke en zijn pillen,” zeide de Olderman, ongeduldig wordende; “ik heb u gelast, geen uitweidingen te maken. Gij waart dan te Stavoren.”“Nog niet, Heer Olderman!” hernam Feiko met veel koelbloedigheid: “ik was nog maar op weg, en ik had een goed wollen buis aangetrokken, omdat de ochtenden al mooi koud beginnen te worden, al is het overdag heet: ja, het heeft gistermorgen gevroren, dat het torenplat wit was als mijn hemd.... Zoodat ik maar zeggen wil,” vervolgde hij, ziende dat Aylva van drift begon te stampvoeten, “dat ik er uitzag als een Urker varensgast.”“Is dat om aan Tjetske Wybinga te behagen, dat gij u als een schipper kleedt?” vroeg Sytsken, spijtig.“Maar Feiko!” zeide Madzy, op een zachten toon van verwijt: “wat kan het den Olderman schelen, hoe gij er uitzaagt en wat gij aan ’t lijf hadt?”“Meer dan gij denken zoudt misschien,” antwoordde Feiko: “ik kwam dan te Stavoren en er was reeds meer volk op de markt bijeen dan ik wel gedacht zou hebben: en zij stonden allen op een hoop bij elkaar om een Workummer visscher: en die Workummer visscher verhaalde al heel wonderlijke dingen.”“Nu vraag ik toch eens,” zeide Sytsken: “wat Feiko altijd met die varenslui te maken heeft? Is dat een gezelschap voor den dienaar van een edelman?”“Gelooft gij, dat wij oudewijvenklap van schippers en voerlui willen aanhooren?” vroeg Aylva: “kom tot de zaak: wij hebben met uw gedraai niet noodig.”“Wij komen er al,” zeide Feiko, Aylva en Sytsken beurtelings aanziende: “maar als men mij ieder oogenblik in de rede valt, zie ik geen kans om alles te vertellen zonder iets te vergeten.”“Kom, ga voort, mijn goede Feiko!” zeide Madzy, verontrust door den staat van zenuwachtige prikkelbaarheid, waarin zij bespeurdedat zich Aylva bevond: “verhaal ons alles; maar zoo kort mogelijk.”“Welnu!” vervolgde Feiko: “de Workummer verhaalde dan, dat hij met vader Syard uit de Eem was gekomen en dat....”“Is vader Syard terug?—Is het mogelijk!” riepen Aylva en Madzy verheugd uit.“En dat men in Holland mompelde, dat er overal volk naar de haven was getrokken om de vloot te bemannen. Dat zij wat in den zin hadden is zeker; want sedert drie dagen was er geen schuit of schip van de overzij aangekomen, ofschoon de wind voordeelig was: en er hebben ook twee gewapende koggen op den Workummer jacht gemaakt; maar oomkool was hun te vlug.”“Welnu! is dit alles?”“Verre van dien. Tegen den avond was het windje aangewakkerd en hoopte onze maat nog voor den nacht Stavoren te bereiken, toen hij een grooten Amsterdammer bierhaalder zag, die op het Enkhuizer zand was vastgeraakt, ’t geen nu dagelijks gebeurt, want de bakens zijn overal verzet of....”“Wij weten het:—ga voort.”“Nu ging onze maat er op los; want hij had achterdocht op dat vaartuig:—ofschoon het er net uitzag als een gewone bierhaalder;—maar wat hem toch bevreemdde, was dat er een man onder de manschap was, die een mantel omhad als de Ridders dragen, met witte lieren bezaaid.”“Een mantel met lieren....” riep Madzy; terwijl een hoogrood hare wangen bedekte.“Een mantel met lieren!” herhaalde Aylva: “was niet ridder Deodaat op het steekspel juist zoo gekleed?—Het is het wapen van de Scalieri!”“Dat dacht ik ook zoo bij mij zelf, toen de Workummer dat verhaalde,” zeide Feiko: “maar ik hield mijn mond.—En toen kwam er een ander, en vertelde dat vader Syard aan Seerp Van Adeelen gezegd had, dat de Hollandsche vloot dezen morgen af zou varen—en dat er gewapend volk in dien bierhaalder school:—en toen werd het volk zoo giftig, dat het aan ’t plunderen en aan ’t hangen ging.”“Hangen! wie hing men?”“Dat zwarte gekje van een Haarlemmer;—maar daar bemoeide ik mij niet mee:—ik dacht zoo bij mij zelf: het zou toch jammer zijn, dat Ridder Deodaat, die er ons voor Utrecht zoo trouw heeft doorgeholpen, dat die nu van een slechte reis kwam.”“Dat was wel van u gedacht,” zeide Aylva.—Madzy sprak geen woord; maar de uitdrukking van hare schoone oogen gaf genoeg te kennen, hoezeer zij met dat oordeel van haar voogd instemde en welk belang het verhaal van Feiko bij haar begon te verwekken.“Nu begon ik op een middel te denken, om den goeden Ridder te verwittigen, dat hij maar beter zou doen, om den steven te wenden: en zoo peinzende, ga ik bij Auke Wybinga een slokje drinken.”“Dacht ik het niet?” zeide Sytsken: “en wist gij nergens beter raad te krijgen, dan bij die nuffen?”“Zwijg Sytsken!” zeide Aylva: “en laat Feiko zijn rede voleindigen. Welnu—gij waart dan bij Wybinga.”“Zooals ik zeide; en met komt daar Rienk Westra aangeloopen, die bij zich zelven vloekte, dat zijn maat ziek was en dat hij alleen niet tegen de anderen varen kon;—want zij liepen nu allen naar de kaai, omdat men het vaartuig al in ’t gezicht kreeg:—en ieder wou de eerste zijn om er aan boord te komen; nu, de schipper had het in den neus; want hij was op stroom gaan liggen.”“En toen?”“Toen bood ik aan, Rienk te helpen. Iedereen die mij niet kende hield mij voor een varensgast; ’k was ook de eerste aan boord; maar jawel! wat ik ook zei, de Ridder wou aan wal met alle geweld.”“Goede God!” riep Madzy: “en hebben zij hem vermoord?” vroeg zij met een nauwelijks hoorbare stem.“Neen!—maar ’t heeft weinig gescheeld:—Ridder Reinout heeft het zooverre gekregen, dat hij op zijn woord te Sint-Odulf gevangen zal blijven.”“Reinout!” riep Madzy: “God loone hem!”“Hij is mijner waardig,” zeide Aylva, verheugd:—“maar nu de tijding der vloot, is zij echt?”“Er werden overal manschappen op de been gebracht en boden heengestuurd:—mij heeft uw zoon gelast u te zeggen, dat gij hem heden niet zien zoudt:—zij hebben het ook druk genoeg.”“En ik zou hier stilzitten. Feiko! haal terstond mijn wapens en zadel mijn paard.”“Met uw verlof,” zeide Feiko: “Ridder Reinout heeft mij ook nog gelast, u te verzoeken om hier te vertoeven, tot hij een nadere boodschap zond, hoe de zaken staan. Hij is bang, dat de nachtlucht u hinderlijk zou wezen: en dan, het begint er mooi stormachtig uit te zien ook.”“Zal ik van hem mijn plicht leeren?” vroeg Aylva, vertoornd. “Doe als ik u zeg; en gij, mijn dochter! maak u gereed elk oogenblik deze stins te verlaten, die u wellicht binnen korten tijd geene veilige wijkplaats meer verstrekken zal.”“Ach! sta mij toe, hier te blijven,” zeide Madzy: “hier kan ik u, hier kan ik Friesland van dienst zijn. Zoo mijn hand te zwak is om een boog te spannen, zij kan ten minste een gekwetste verbinden. Zend al wie hulp behoeft slechts herwaarts en aan goede verpleging zal het niemand ontbreken.”“Dat weet ik,” zeide Aylva: “niemand dan ik, kan beter getuigenis geven, hoe voortreffelijk een ziekenoppasster gij zijt. Nu! ik begeer dan ook niet, dat gij u terstond van hier begeeft. Ik beloof u, ik zal u gekwetsten zenden, indien zij er zijn; maar naar ik onze Friezen ken, zult gij weinig te doen hebben, en liever zullen zij zich laten doodslaan dan het veld te verlaten, zoolang zij nog tanden in den mond hebben om hun vijand te bijten.—Wees nu zoo goed en help mij, mij van dit nachtgewaad te ontdoen:—waar blijft Feiko toch?—Het is waarlijk, of de menschen van dag tot dag luier worden.”“Waarlijk, mijn waarde voogd,” zeide Madzy: “gij overhaast u tezeer. Al ware de Hollandsche vloot in het gezicht, gij zoudt nog altijd tijdig genoeg komen. Bedenk toch, dat zoo gij u thans reeds zonder noodzakelijkheid vermoeit, gij uw krachten verloren zult hebben, wanneer u die het meest te stade zult komen.”“Gij hebt gelijk, mijn kind! zooals altijd;—maar zie, gij beseft dat niet, wat het voor een ouden krijgsman zegt, als hem de kreet: te wapen! in de ooren klinkt. Dan gevoelt men zich op eens weer verjongd en versterkt; dan zijn ziekte en zwakheid vergeten en de kracht der ziel schenkt ons, wat die van het lichaam ons weigeren mocht.—Maar laat ik eens aan ’t raam gaan, en naar den wind zien.”“De wind is om, dunkt mij,” zeide Madzy.“Ha! welk een heerlijk gezicht,” zeide de Olderman, het venster openslaande en de lucht beschouwende: “wat zeide hij, de Hollandsche vloot was nog niet in ’t gezicht?—Indien zij hedenmorgen is afgezeild, moet zij met den nacht aan onze kusten wezen; want de wind is naar ’t zuidwesten gedraaid en zij heeft dien vlak voor ’t lapje!“Met den nacht reeds!” zeide Madzy, verbleekende.“Gewis;—maar niet in den staat, waarin zij de reede verliet. Geloof mij, daar zal menige mast en menige kiel ontredderd raken, en menig vaartuig aan den grond komen, eer zij de kust in ’t oog; krijgen. Er is zwaar weer op zee:—zwaarder dan gij hier zelfs vermoeden kunt: merkt gij die donderbui op, die daar vlak tegen den wind intrekt. Zoo gij over den heuvel heen kondet kijken, gij zoudt de zee zien schuimen als een ziedende pot.—Aha! eindelijk is Feiko klaar.”“Waarlijk, Heer Olderman,” zeide Feiko, die met de wapenrusting aan kwam dragen: “ik had niet gedacht, dat UEd. er zoo spoedig weer gebruik van zoudt maken; en er waren een paar spijkertjes aan de beenstukken noodig, die....”“Wat beenstukken!—Geef mij slechts mijn borstharnas en mijn helm: de beenen zullen wij maar ongedekt laten:—indien wij vechten, zullen wij toch van achter de aarden wallen strijden: en dan wordt alle onnutte wapenrusting maar tot overlast.—Voorwaar!” vervolgde hij, toen Feiko hem het borstkuras had aangegespt: “ik kan toch merken dat ik mager geworden ben. Ik zou de freule er desnoods bij in bergen.”“Hoe dunner hoe beter,” zeide Feiko lachende: “des te meer plaats is er naast u voor de pijlen.”“Goed gezegd, Feiko! maar waar had ik mijn hoofd? Wie zal nu mijn bloedvrienden te wapen roepen? Zeg aan den pachter....”“O! wat dat betreft,” zeide Feiko: “daar heeft Jonker Reinout al voor gezorgd. Die van Wonseradeel zijn reeds bij hem en hij heeft boden naar uw stinsen in Ferwerderadeel en Westdongeradeel gezonden.”“Hij is een brave borst, dat moet ik hem nageven,” zeide Aylva met een zucht, die een zonderling contrast met zijn gezegde opleverde.“Maar hoor!—daar is weer iemand: de hond blaft....”“Ik herken die stem!” zeide Madzy: “ja waarlijk, het is vader Syard, die binnengelaten wil worden.”“Wat jaagt hem hier?” zeide Aylva: “Feiko! gij zult mij mijn helm achternadragen.—Madzy heeft gelijk: ik moet mij niet vermoeien voor den tijd.—Hoor hoe het onweer buldert!—Ha! daar is de vrome man zelf. Wel, Vader! het verheugt mij u weer te zien: waarlijk, wij hadden ons niet met dat geluk mogen vleien.”“De Heer heeft mij verlost,” zeide de monnik, “gelijk Hij Daniël uit den leeuwenkuil verloste.”“Wij zijn er beiden heel wat op vermagerd,” zeide de Olderman:—daarover wel eens nader. Gij komt zeker onze Madzy eens gezelschap houden en daar doet gij wel aan. Gij zult elkander veel te vertellen hebben. Mij zult gij niet kwalijk nemen, dat ik ga, waar het vaderland mij roept. Waar zijn de Hoofden?—waar is mijn zoon?”“Het is dan waar!—Hebt gij werkelijk een zoon teruggevonden? Is die Ridder Reinout....”“Dat zal Madzy u alles wel vertellen:—ik moet voort: zeg mij slechts, waar ik hem vinden zal.”“Op dit oogenblik nog te Stavoren; maar....”“Welnu! dan ga ik derwaarts. Is alles gereed, Feiko?”Op dit oogenblik begon de storm met dubbel geweld op te zetten, zware hagelsteenen kletterden tegen de daken: het geheele zwerk was door bliksemvuur verlicht en de donder ratelde zonder ophouden.“Om ’s Hemels wil, mijn goede voogd!” zeide Madzy: “zult gij u waarlijk aan zulk een weer blootstellen? Bedenk toch, dat gij nog niet geheel hersteld zijt.”“Een heerlijk weer,” zeide Aylva: “zie, de Hemel strijdt met ons. In een halfuur ben ik immers te Stavoren. Ik zal mijn mantel dubbel omslaan: en dan lach ik met een bui.”“Nog een woord, eer gij vertrekt,” zeide de monnik: “God weet, of wij elkander levend terugzien. Hebt gij overtuigende bewijzen, dat Ridder Reinout uw zoon is?”“Vanwaar die vraag?—En op dit oogenblik?” zeide Aylva:—ja, ik heb die: en, wanneer gij wilt, zal ik u die toonen. Thans is het tijd, ten strijde te gaan.”“Gij hebt gelijk,” zeide de monnik, wiens anders zoo vaste ziel overmand scheen door een ontroering, die hem niet eigen was. “Maar dan heb ik nog eene bede. Ridder Deodaat van Verona is naar Sint-Odulf overgebracht. Wordt het klooster aangevallen, zoo smeek ik u, draag zorg, dat hem vriend noch vijand dere: ik bezweer u zulks, bij uw zaligheid!”“Ik zal mijn best doen,” zeide Avlva: “ik zelf heb dubbele redenen om voor zijn leven te waken: ik ben hem vergoeding verschuldigd voor het ongelijk, hem door Reinout aangedaan en voor zijn hulp aan Madzy betoond.”Na deze woorden te hebben geuit, omhelsde hij de lieve maagd: haar gedachten hadden door de rede van den monnik een andere wending genomen; thans echter, nu zij haar pleegvader gereed zag,een in zijn toestand bedenkelijken, ja hoogst gevaarlijken tocht te ondernemen, vergat zij alles, ook zelfs den teedergeliefde, om hem, aan wien zij zooveel verschuldigd was. Niet zonder moeite, en op Madzy en Feiko leunende, daalde Aylva de trap af; zoodra hij zich echter buiten en in den zadel bevond, scheen net, of zijn zwakheid geheel verdwenen was; en zijn ros de sporen gevende, reed hij, van Feiko vergezeld, in vollen draf den weg op naar Stavoren.Zoodra hij vertrokken was, gelastte Madzy den ouden pachter eenig brandhout op den haard te werpen: en weldra zat de monnik, die op zijn wandeling doornat geworden was, zich bij een vroolijk vuur te drogen, terwijl Madzy een verwarmenden drank naast hem plaatste. Een geruimen tijd bewaarden zij het stilzwijgen: men kon zien, dat beiden elkander veel te vertellen hadden en als ’t ware verlegen waren hoe te beginnen.Eindelijk vatte de monnik het woord op: “Wij hebben wel reden om God te danken, Freule! Hij heeft ons uit groote gevaren gered: en ik had na onze zonderlinge scheiding, mij niet gevleid u ooit te zullen wederzien.”“God heeft mij gesterkt,” zeide Madzy: “maar ik heb veel geleden.”“Er zijn zonderlinge geruchten van u in omloop,” zeide de monnik: “men heeft mij verhaald, dat gij te Utrecht bij een Ridder waart gevangengehouden.—Mag ik vragen, was deze ook dezelfde als de burchtvoogd van het slot Nyenstein nabij Plaswijk?”“Ik zag hem het eerst op het slot,” zeide Madzy: “wie hij was heb ik gezworen te verzwijgen.”“Zooveel ik dan kan opmaken uit het onzamenhangend verhaal van uw lotgevallen, dat hier rondloopt, zijn wij beiden de slachtoffers geweest van denzelfden listigen bedrieger: en ik heb bijna reden om te gelooven, dat die zoogenaamde zoon van den Heer van Aylva mede de hand in ’t spel heeft gehad.”“Die zoogenaamde zoon?—gij hebt reden om te gelooven, dat....?”“Dat hier een samenweefsel van list en bedrog plaats heeft;—maar om des te zekerder te werk te gaan: verhaal mij, bid ik u, uwe lotgevallen sedert ik u verliet.”Madzy voldeed aan zijn verzoek: zij begon met in korte woorden de aanleiding tot haar opneming in ’t slot Nyenstein te vermelden. De monnik zuchtte diep, toen hij ontwaarde, welke listen Jan Van Arkel in ’t werk gesteld had, om zich van zijn prooi te verzekeren: zijn verontwaardiging steeg ten top, toen zij van haar verblijf te Utrecht gewaagde, en maakte plaats voor een aandachtig nadenken, toen hij het verslag van haar reis en van het gebeurde in ’t Gaasterbosch vernam.“Hoogst zonderling!” zeide hij, toen zij haar verhaal geëindigd had: “die Reinout heeft zich dus voor den zoon van den Olderman doen erkennen?—En die hansworst zegt gij, is nog in Friesland?”Madzy antwoordde toestemmend op beide vragen en meldde hem, dat Daamke in Reinouts dienst was.“Dan kan het mogelijk zijn, dat die nar iets weet en dat Reinout zijn stilzwijgendheid koopt!—Dat alles moet zich eenmaal oplossen of.... misschien.... weet gij ook, of hij de medicijnkist zijns meesters Barbanera heeft met zich gebracht?”“Voorzeker,” zeide Madzy, glimlachende om deze zonderlinge vraag: “maar ik bid u, welk belang stelt gij daarin? Gij hebt toch geen lust, zijne pillen en tincturen te gebruiken.”“Misschien!” zeide de monnik op een ernstigen toon: “ik geloof dat gij met mij van hetzelfde gevoelen zult zijn, wanneer ik u mijn wedervaren verhaal.... het onweer is nog niet verminderd: en zij zullen mij nog niet missen te Sint-Odulf.—Zoo gij dus geen vaak hebt, luister.”Nadat Madzy verklaard had, hoogst verlangend te zijn, hem te hooren, deelde de monnik haar mede wat er geschied was sedert den morgen dat hij haar in de herberg vermist had, en hoe hij vervolgens zich met meester Barbanera in het slot van Nyenstein had zien opsluiten.“Mijn eerste gevoel,” vervolgde hij, “was, gelijk gij denken kunt, een gevoel van spijt en toorn tegen hem, die mij zoo listig van mijn vrijheid beroofd had. Wat den kokeler betrof, deze bleef nog lang in den waan dat hij alleen voor de leus was opgesloten. Toen hij echter het tegendeel begon te bemerken, verviel hij tot een staat van woede en wanhoop, die aan vertwijfeling grensde, en liet geen uur voorbijgaan, zonder de vreeselijkste verwenschingen uit te braken tegen den bewerker van zijn ongeluk, terwijl hij allen troost versmaadde, dien ik hem aanbood, en mij vervloekte, zoowel als den grijsaard, die ons dagelijks door een valluik ons voedsel toediende. Mijn toestand was hoogst onaangenaam: van het daglicht verstoken, in een nauwen kelder en gedwongen, het gezelschap te dulden eens gevloekten godslasteraars;—maar ik offerde mijn lijden den Heere op en Hij verleende mij sterkte. Hij deed meer; Hij maakte mij tot het werktuig in Zijne hand om een gevallen ziel te behouden, en deed mijn lijden strekken tot de ontdekking van een geheim, dat anders wellicht verborgen ware gebleven.“Een dag (nimmer zal ik dien vergeten) kwam onze oude stokwaarder niet opdagen. Het vasten gewoon, verduurde ik de ontbering van voedsel met gelatenheid; maar de deelgenoot mijns kerkers kon minder weerstand aan zijn nooddruft bieden. De volgende dag verliep:—weder geen voedsel:—gelukkig was onze waterkruik, die eenmaal ’s weeks gevuld werd, nog halfvol;—maar het gemis aan spijs verzwakte Barbanera: en nu eerst werd hij vatbaar voor de woorden van vermaning en boete, die ik tot hem sprak. Hij vroeg mij om vergiffenis voor zijn handelwijze te mijwaart, hij biechte mij zijn zonden en toonde een hartgrondig berouw. Den derden dag voelde hij zijn einde naderen: en toen smeekte hij mij, om, zoo ik tegen alle verwachting het leven behield en de vrijheid terugkreeg, te herstellen wat hij verdorven had. Ik spande mijn uiterste krachten in om het verhaal te verstaan, dat hij mij half in ’t Italiaansch, half in krom Latijn, half in gebroken Hollandsch deed:het kwam hierop neer, dat hij zich in ’t verloopen jaar, te Grenoble in Frankrijk, in dienst van den Bisschop van Utrecht bevond, toen daar een pelgrim uit Holland aankwam, die naar Italië trok en in ’t voorbijgaan den Prelaat bezoeken kwam. Deze pelgrim verhaalde aan Barbanera, eens dat zij samen spijsden, door twee Ridders uit Holland, Reinout en Deodaat van Verona, belast te zijn met het opsporen hunner familie en toonde hem een brief, die daartoe strekken moest. Niemand was beter dan Barbanera in staat aan den pelgrim eenig bericht dienaangaande te doen toekomen; want hij was vroeger in dienst geweest van Bianca di Salerno wier geheime verbintenis met den Olderman u bekend is. Hij besloot, zelf de belooning te verdienen, op de ontdekking gesteld: dat viel hem te gemakkelijker, doordien de pelgrim kort daarna ziek werd en stierf. Barbanera maakte zich van den brief meester, verliet den Bisschop en reisde naar Verona. Daar wist hij vermomd tot in het klooster te dringen, waar de dwingeland Francesco zijn gemalin sedert jaren gevangen houdt: hij deelde haar mede, dat haar zoon nog leefde, en verkreeg van hare hand den ring, haar door uw voogd geschonken, en meteen een brief, waarin zij het merk aanduidde, waaraan die zoon te herkennen ware. Van Verona reisde hij naar Holland en vond toevallig èn uw pleegvader èn de beide jongelingen te Haarlem. Gij weet, welke kunsten hij op den Vogelesang in ’t werk stelde om hun nieuwsgierigheid op te wekken. Had hij toen het geheim geopenbaard, hij had zich een jammerlijken dood en veel wroeging bespaard; maar de duivel der geldzucht verleidde hem: hij wilde zijn geheim aan den meestbiedende der twee Ridders verkoopen, en naar gelang daarvan den brief van Bianca geven of terughouden. Tot Aylva dorst hij zich nog niet wenden: eensdeels omdat hij vroeger op zijn leven had toegelegd en bovendien vreesde dat Aylva te weten zou gekomen zijn, hoe hij Bianca door een valsch gerucht van haars minnaars dood misleid had; anderdeels, omdat hij hem niet wilde naderen, voor hij hem een zoon kon bieden, die zijn voorspraak wezen mocht. Toen hij later te Plaswijk Reinout vond, en beiden in den waan verkeerden, dat Deodaat dood of stervende ware, maakte hij hem diets, dat hij de wettige zoon van Aylva was, ofschoon hij zich intusschen van het tegendeel overtuigde.”“Goede God!” riep Madzy: “en van waar bekwam hij die overtuiging?”“Op een zeer eenvoudige wijze. Toen Reinout zich ’s nachts ontkleedde, zag Barbanera, dat hij het teeken miste, hetwelk Bianca, ter voorkoming van verwarring, haren zoon op de borst gegrift had.”“En zou Deodaat dat teeken....?”“Ziedaar wat mij nog onbekend is; maar mij zoowel als Feiko trof hedenmorgen, toen ik hem onder het gepeupel zoo onvoorziens in ’t oog kreeg, zijn gelijkenis op den Olderman. Dezelfde houding, dezelfde wending, dezelfde stem, alleen door den uitheemschen tongval eenigszins gewijzigd.—Maar hoor verder:—Barbanera verhaalde mij, dat hij met opzet Bianca’s brief, waarin deze omstandigheidvermeld was, had achtergehouden en in zijn medicijnkist onder een dubbelen bodem verborgen. Dit bleef Reinout onbewust.”“Hemel! indien er slechts mogelijkheid is, die kist te bekomen!”“De Italiaan overleefde zijn bekentenis niet lang. Hij is getroost in mijn arm ontslapen, mij smeekende, zoo ik in Friesland terugkwam, den Heer van Aylva deze tijding te melden. Alleen het belang mijns vaderlands kon mij doen vertragen om zijn uitersten wil te voldoen;—maar iemand moest deelgenoot wezen mijns geheims:—en in niemand kan ik meer vertrouwen stellen dan in u.”“Ik dank u, goede Pater!—En hoe werdt gij verlost?”“Op denzelfden dag toen Barbanera stierf. Niet twijfelende, of ik zou spoedig deelen in zijn lot, had ik mij reeds ter dood bereid; toen op eenmaal mijn kerkerdeur werd opengeslagen. Een bende Hollanders had Nyenstein overrompeld: bij het doorzoeken van het slot had men ook de deur des kelders opengebroken en men bracht mij schier levenloos naar buiten. Ik vernam sedert, dat de oude dienaar des Bisschops door een beroerte uit het leven was weggerukt, zonder den tijd gehad te hebben, het geheim onzer gevangenis te openbaren. Mij schonk men de vrijheid, daar niemand reden had mij te houden. Ik hoorde, dat Deodaat van zijn wond hersteld, en in ’t leger was: ik ging derwaarts, en kwam juist te Utrecht om den zegepralenden intocht des Graven bij te wonen. Deodaat echter vond ik niet: hij was naar de Gravin gezonden om haar den roem der Hollandsche wapenen te verkondigen. Intusschen begrijpende, dat de Graaf niet werkeloos zou blijven, hield ik mij nog een wijl in Utrecht op, om te ontdekken, wat hij in zijn schild voerde. De Bisschop had nu, zoo ’t scheen, zijn geheel vertrouwen gewonnen. Ik begaf mij naar den listigen kerkvoogd.”“Hoe! gij dorst u opnieuw in zijn tegenwoordigheid wagen?”“Ik wist, dat hij mij niet zou hebben durven beleedigen; want hij moest de ontdekkingen vreezen, die ik in staat was te doen. Hij ontving mij echter met nog meer vrijmoedige kalmte dan ik mogelijk achtte: ja hij was zoo gemeenzaam, als ware er niets tusschen ons voorgevallen. Mijn gevangenis schreef hij aan een misverstand toe: hij betuigde mij, niet geweten te hebben, dat ik mij met Barbanera in den kelder bevond, wien hij er alleen in dacht op te sluiten:—en inderdaad, ik kon hem het tegendeel niet bewijzen. Verder toonde hij zich zeer vertrouwelijk jegens mij, en verzocht mij terug te komen. Iets later deelde hij mij de geheime ontwerpen des Graven mede, zelfs het plan ter verrassing van Stavoren, welks mislukking, gelijk ook het verdere, u Feiko ongetwijfeld zal gemeld hebben.”“En.... waant gij, dat Reinout ter goeder trouw handelt....?”“Zijn gedrag van heden doet mij zulks vermoeden. Hij redde het leven van Deodaat.”“En hij zelf, wie is hij dan....?”“De zoon van Bianca’s dienstjuffer. De listige Barbanera, beducht voor het ongenoegen van diegene der beide jongelingen, welken hij niet als den zoon van uw voogd zoude aanwijzen, had aan Reinout wijsgemaakt, dat hij zelf, hij Barbanera, de vader was vaneen hunner.—En thans!” vervolgde de monnik, opstaande, “moet ik naar Sint-Odulf keeren, en het overige van den nacht aan Friesland wijden.—Ha! Indien die looze Bisschop mij niet bedrogen had,—het ware nooit zooverre gekomen: en de arme, verachte vader Syard, had in naam van het geestelijk gezag het geheele volk op de been kunnen brengen eer Willem nog een leger bijeen had.”Op dit oogenblik kwam Sytsken de kamer binnengeloopen, met den angst op ’t gelaat geschilderd.“Heilige maagd!” riep zij: “daar is de bliksem zeker in den toren van Stavoren geslagen en de gansche stad staat in brand.”“De gansche stad? van eenen bliksemstraal, die op den toren neerkomt?” zeide de monnik: “dat zou mij vreemd voorkomen.”“Ik verzeker u,” hernam Sytsken, “dat het geheele zwerk rood is van de vlam die opstijgt.”“Willen wij niet eens op het plat gaan en zien wat er te doen is?” stelde Madzy voor.“Het zwerk rood van vuur!” herhaalde vader Syard: “dan zeker moet er iets buitengewoons hebben plaats gehad. Nu ja! ik ben bereid u te volgen.”De twee meisjes hadden reeds een paar mantels omgeslagen om zich tegen den regen te beschutten: en alle drie begaven zich op het plat van den toren, van waar men bij dag de stad Stavoren, en ook de zee kon onderscheiden. Een oogopslag was genoeg om den monnik te overtuigen, dat de schrik van Sytsken niet zonder grond was geweest. Het was nu geheel nacht; en de duisternis verhoogde den rooden gloed der vlam, die ten noordwesten opsteeg als achter een gordijn van regen, hetwelk aan het vuur een des te fantastischer aanzicht gaf. De monnik ontdekte echter spoedig, dat de brand zeer vermoedelijk een andere oorzaak had, dan die, welke er door Sytsken aan gegeven was.“Het is niet Stavoren dat in brand staat,” zeide hij: “Stavoren ligt meer westelijk: en mij dunkt, ik zie den kerktoren, die den gloed terugkaatst. Het is Norwert, waar men den rooden haan heeft uitgestoken.”“Ik hoor het alarmgeklep!” zeide Madzy: “de vijand moet geland zijn.”“Hij is geland!” riep de monnik: “ik moet geen tijd verliezen, de ure des gevaars kan voor ons klooster komen:—en dan mag niemand zeggen dat broeder Syard afwezig was.”Dit gezegd hebbende nam hij zijn afscheid en haastte zich naar Sint-Odulf over een voetpad, hetwelk langs het meer heen van den landweg af derwaarts geleidde.Twee-en-dertigste Hoofdstuk.Sy quamen ’s morgens met getaelenVan schepen, klein en groot;Maar toen de nacht begon te daelenRiep elck: waer is de vloot?Geusen-liedtjen op deArmada.Het was op den morgen van dien dag, dat de koggen, bestemd het Grafelijke leger naar de Friesche kust over te brengen, en welke met den meesten spoed den IJsel, de Vecht en het IJ waren komen afzakken, zich in de kom van de Zuiderzee vereenigd hadden en aldaar een machtige vloot gevormd van over de tweehonderd vaartuigen, die nu gezamenlijk naar de Friesche kust den steven wendden. Nooit voorheen was een heerlijker schouwspel in die wateren te zien geweest: nooit was er een tocht op de Zuiderzee beproefd geworden, ontzaglijker door het aantal, uitnemender door den rang, belangrijker door de vermaardheid van hen, die daaraan deelnamen. Geheel de adel van Holland, van Henegouwen en van het Sticht was op de vloot vertegenwoordigd: en menig heer- en ridderlijk Huis had er al zijn leden gezonden. Met een oogverblindenden luister schitterde de morgenzon op de nieuwgeverfde en geëmailleerde blazoenen en wapenborden, welke aan mast en spiegel praalden, op de vergulde helmen en op het blinkend staal van schilden en rondassen: dartel speelde de wind in de ontelbare wimpels en banderollen, of deed hij de blanke pluimen en geborduurde mantels golven op zijn adem: en die van verre dat heerlijk schouwspel had kunnen genieten, zou gewaand hebben, dat hij een vereeniging dier zeebewoners zag, van welke de Arabische schrijvers in hun vindingrijke verhalen spreken, die met goud en koralen en edelgesteenten en kostbare zeegewassen beladen, zich boven de oppervlakte der wateren vertoonen. Aan boord heerschte overal onbedwongen vroolijkheid: dartele scherts en blij gezang verwisselden elkaar en aller harten waren tot blijmoedigheid en hooge verwachting gestemd: de bezorgdheid, welke, gelijk wij verhaald hebben, bij sommigen, over deze onderneming was gevoed geweest, zoolang zij niet werkelijk was aangevangen, was verdwenen, zoodra men zich aan boord bevond: zij had voor een kommerlooze gerustheid plaats gemaakt; want hoe kon men anders, wanneer men het oog in ’t ronde sloeg, en die landingstroepen zag, wier aantal omtrent gelijkstond met de gansche bevolking van Wester- en Oostergoo te zamen, en geheel uit welgeoefende strijders bestond, hoe kon men anders dan zich een gemakkelijke zege toeschrijven? Nadat Utrecht, het rijke en machtige Utrecht gezwicht was, was het toch niet te denken, dat de onderling verdeelde Friezen eenigen noemenswaarden wederstand zouden beproeven.Vroolijk schuimde de beker dan ook rond en wenschte men elkaar geluk met de bijna zekere overwinning. Ach! weinig dachten zij, die moedige Ridders en Baanrotsen, dat de blijde disch, waarom zij zich onder luide gezangen en schaterende toejuichingen verzamelden, hun doodmaal droeg!Er was echter onder al die hooggestemde tochtgenooten een enkele, die niet in de algemeene blijmoedigheid deelde, ofschoon zijn gelaat die trachtte voor te wenden: het was het hoofd der onderneming zelf, Graaf Willem, die anders, meer dan een ander, reden moest gehad hebben om op zijn gelukster, die hem nooit verlaten had, een blind vertrouwen te stellen, indien dit al niet bij hem opgewekt werd door de gunstige voorteekenen, waaronder de tocht was aangevangen. De oorzaak zijner geheime zorg was bovendien van een zoo beuzelachtigen aard, dat hij er zelf schaamte over had; maar het innerlijk gevoel, dat hem ontrustte, was hem te sterk, dan dat hij het door redeneering of verstrooiing kon te boven komen. Op het vaartuig dat zijn vlag droeg was een prachtig paviljoen opgericht, van welks top de driedubbele Gravenkroon sierlijk schitterde tusschen een bundel van kunstig gewerkte banieren: van welks troonhemel het fluweel in purperen plooien, met gouden franje geboord, rondom afhing, terwijl rozeroode gordijnen van zijde de stralen van het zonnelicht keerden. Daarbinnen liepen banken rond, met spierwit doek overtogen en bedekt met donzige kussens van karmozijn, waar ’s Graven naamcijfer of wapen in gouden letteren op prijkte: terwijl een dressoir, over den ingang geplaatst, beladen was met al de geriefelijkheden, die den smaak konden streelen, en van goud en zilver fonkelde. Dit fraai geheel was een geschenk van den Bisschop van Utrecht en de vrucht van het nacht en dag doorwerken der meest bekwame kunstenaars uit al de omliggende steden. Kort na het afzeilen was de Graaf het paviljoen binnengetreden om er al den rijkdom van te bewonderen; maar niet weinig was hij verwonderd geweest, van op het dressoir, in den voor hem bestemden drinkhoorn een briefje te vinden, waarop deze woorden te lezen waren: “denk aan de voorspelling van Reinout van Gelder.”—Dadelijk na de lezing verborg hij die ontijdige waarschuwing: en, het paviljoen uittredende, vroeg hij aan den deurwachter, op een toon, dien hij zoo kalm mogelijk deed schijnen, wie er vóór hem binnen geweest ware.De deurwachter betuigde op zijne eer, dat niemand zich verstout had binnen te treden, sedert het paviljoen gezet was, dan alleen de behangers en een paar lijfbedienden des Bisschops, ten einde zich te verzekeren dat alles in behoorlijke orde ware.De Graaf sloeg de oogen om zich heen en ontdekte kort bij hem het vaartuig, waarin Jan van Arkel zich bevond, in zijn priesterlijk gewaad, half zittende en half liggende tusschen een hoop welgevulde kussens, op het dek gespreid. De oogen des Kerkvoogds hadden op dit oogenblik een boosaardig spottende uitdrukking; maar zoodra de Graaf hem aansprak, nam het gelaat terstond weder de effen plooi aan, die het gewoonlijk kenmerkte.“Wij hebben nooit iets prachtigers gezien dan uw geschenk, HeerNeef!” riep hem Willem toe, terwijl de stuurlieden de schepen eenigszins nader bij elkander brachten, om het gesprek tusschen de twee aanzienlijke passagiers gemakkelijker te maken.“Uwe Genade heeft te veel goedheid,” zeide de Bisschop, zich half opheffende met de achtelooze loomheid eener half slapende kokette: “ik had wel gewenscht uwe Genade meer naar verdienste te kunnen behandelen.”“Men vindt er bewonderenswaardige dingen in,” vervolgde Willem, hem veelbeduidend aanziende; “dingen, die men er niet zou verwachten. Die drinkhoorn vooral, die voor ons bestemd is, is allervreemdst en de inhoud heeft ons verrast.”’t Zij dat de Bisschop aan het geval volkomen onschuldig, ’t zij dat hij op alles gewapend ware, de effen kalmte van zijn trekken onderging geene de minste verandering, en hij sloeg de oogen niet neder voor den scherpen blik des Graven: “ik had gelast,” antwoordde hij, op een flauwen toon, “dat men hem met Spaanschen wijn zou vullen, die, gelijk mij verzekerd werd, met tweebak genuttigd, een uitmuntend voorbehoedmiddel is tegen zeeziekte. Ik had er ook wel van mogen nemen; want, niettegenstaande het slechte water voel ik mij geheel niet op mijn gemak, en het is niet de geringste opoffering, welke ik aan uwe Genade doe, dat ik mij op zee begeef, waar ik een tegenzin in heb.”Dit gezegd hebbende, voegde hij de daad bij de woorden, en zich omwendende, zakte hij in zijn kussens neer.“Nu ben ik even wijs,” dacht Willem, terwijl hij ontevreden terugging en het dek op en neer wandelde. “Maar kom! die grillen uit het hoofd gezet. Waar is de kaart van Friesland?—Mijne Heeren! wij zullen ons plan van landing nog eens nazien.”Binnen weinige oogenblikken was hij met Walcourt, Teylingen en eenige andere vertrouwelingen, die op zijn vaartuig voeren, in het paviljoen gezeten en zocht hij, door het belangrijke onderwerp van hun gesprek, de heimelijke zorg die hem kwelde te verzetten:—ieder oogenblik liet hij aan den schipper vragen, hoe laat men aan wal zou wezen: waarop dan altijd het antwoord was, dat zulks aan God alleen bekend was; maar dat, zoo de wind niet voordeeliger werd, men genoodzaakt zou zijn, dien nacht een ankerplaats te zoeken: daar men sedert de twee laatste gangen meer achter- dan vooruitgegaan was.“Ik heb het al gevreesd,”—zeide de Graaf, wrevelig met de vuist op tafel slaande, toen hem dit antwoord voor de vijfde maal gebracht werd:—“wanneer zal men eens vaartuigen uitvinden, die niet van den wind afhangen?”Walcourt wilde juist antwoorden, dat dit wel een onmogelijkheid zijn zou; maar een plotselinge ongesteldheid, die hem overkwam, noodzaakte hem naar buiten te gaan: en weldra zagen Teylingen en Naaldwijk zich gedwongen, zijn voorbeeld te volgen.“Bij Sint-Japik!” zeide de Graaf: “daar zijn er al drie, die wegloopen zonder verlof te vragen: het schijnt, dat aan boord de Graaf en zijn leenmannen gelijk zijn:—en men moet bekennen, dat wij mooischeef gaan en aardig stooten.—Waar duivel is die Spaansche wijn, waar de Bisschop van sprak?”Met deze woorden trad hij naar het dressoir toe; maar op het oogenblik dat hij de hand naar een drinkkan uitstrekte, kreeg het schip een golf in den boeg, die het fraaie kunststuk, het onderst boven sloeg.“Daar ligt de gansche Bisschoppelijke weelde,” zeide Willem, het oog slaande op den gevallen toestel, en op den wijn, die door elkander vloeide, “en wij zouden waarachtig gevaar kunnen loopen, aan boord te verzuipen, zoo niet in zeewater, dan in druivennat:—dat ware een andere dood, dan dien mij de zwarte Reinout voorspelde!.... nogal dat noodlottige orakel:—zal ik het dan niet uit mijn geest kunnen bannen?”Hij plaatste zich nu bij het roer en zag rond; het was nog altijd een belangrijk en fraai schouwspel, die geheele vloot met den tegenwind te zien worstelen; maar de schepen leverden niet meer de schitterende vertooning op van des morgens. In het laatste uur waren meest alle banieren en wimpels binnengehaald, en men zag geene blinkende harnassen noch golvende pluimen meer. De gewapenden streden meest allen met dien onweerstaanbaren vijand, de zeeziekte, en lagen op het dek uitgestrekt.Langzamerhand echter begon de wind te minderen: en tegen den namiddag werd het stil, zoodat men alle zeilen bij moest zetten om slechts een flauw zuchtje, dat nu uit het noordwesten woei, te kunnen opvangen en alzoo met halfwind voort te komen. Nu keerden de moed en de eetlust bij velen, en de Graaf had juist last gegeven, dat men de omgestorte kannen weder vullen zoude, toen men in ’t verschiet een schip ontwaarde, dat op de vloot aanhield en weldra bijdraaide. Het was de bierhaalder, waarmede Deodaat naar Stavoren was gezeild, en die nu van den mislukten tocht terugkwam. Krijn Jansz vervoegde zich terstond aan boord van des Graven schip.“Welnu!” zeide deze, zoodra de schipper voor hem in het paviljoen stond: “wat hebt gij ons te melden? Is het kasteel van Stavoren al onder het bedwang van onzen vriend Deodaat?”Krijn Jansz haalde de schouders op en verhaalde hetgeen den lezer bekend is nopens den ongelukkigen uitslag zijner onderneming.“Bij Sint-Japik!” zeide de Graaf, hem halverwege in de rede vallende: “dat is fout!—Intusschen, die Friezen beloven ons een genoegen, waar wij ons niet mede hadden durven vleien, en wij zullen althans eenige eer behalen; want er zal weerstand zijn. Maar het volk dat met u was, zit dat nog onder uwe vaten?”“Ziedaar, wat ik uwe Genade wilde verhalen,” zeide Krijn Jansz. “Die twee schildknapen van den Ridder waren maar gansch niet in hun schik, dat zij hem dus in de macht der Friezen zouden laten, zonder weerwraak te nemen. Een van hen, de kleinste, is aan wal gebleven, om te zien waar men zijn meester heenvoerde, en hem, zoo mogelijk, te verlossen. Wat den anderen betreft, dien heb ik, nadat wij Stavoren verlieten, met zijn volk in een Makkummer schuit overgezet, die wij in zee overrompeld hebben. Zij zouden zichvandaag op de hoogte van het dorpje Norwert, benoorden Stavoren, ophouden, met den nacht landen, en het dorpje in brand steken: dan kon uwe Genade op het licht aanzeilen.”“En dat zullen wij doen ook!—Dit verandert ons plan eenigszins, mijne Heeren! maar dat is om ’t even. Men boodschappe deze tijding terstond aan den Heer van Beaumont. Hij houde met zijne vaartuigen op de Lemmer aan en rukke vandaar landwaarts in, terwijl wij benoorden Stavoren landen: dan vereenigen wij ons in het hart van Friesland. Ha! daar zal evenwel een kamp plaats hebben!”“Met het verlof van uwe Genade,” zeide Krijn Jansz, die op dit oogenblik buiten de tent keek: “ik vrees, dat de kamp met den storm wel de ergste wezen zal, dien gij heden zult strijden. Ik zal zien uw boodschap te doen, maar ik moet naar mijn schip keeren. Wel over!”En zonder eenigen verderen last af te wachten, ijlde hij het paviljoen uit en sprong in zijn vaartuig over.“Storm?” herhaalde de Graaf, verwonderd op het dek tredende. “Is de kerel dol? Het is het heerlijkste weer, dat men uitdenken kan.”“Naar binnen, Graaf!” riep de schipper, die aan ’t roer stond, hem toe: “alle man op het dek! Bergt de zeilen!”“Mij dunkt,” zeide Willem, de vermaning des schippers volgende, “dat ons gezag nu geheel naar de maan is. Straks praatte ik nog van gelijkheid; maar nu zie ik wel, dat de Keizer zelf geen baas zou zijn, als hij zich aan boord bevond.”Niet lang echter kon hij zijn nieuwsgierigheid en ongeduld bedwingen. Hij trad weder naar den ingang van het paviljoen; maar hij bemerkte reeds dadelijk, dat de schipper de waarheid had gesproken. De gansche toestand der vloot was veranderd. Nergens was een zeil meer te aanschouwen: de zee had op eenmaal die gele, vale kleur aangenomen, die een geweldige, inwendige beroering verkondigt, en stak, sterk door de zon verlicht zijnde, krachtig af tegen de donkere en loodkleurige wolken, die, als een tooverslag opgewekt, uit het Oosten kwamen opdagen. Nog was het water stil om hen heen; maar het duurde geen twintig tellens, of de windvlaag, welke men van verre over de oppervlakte der zee zag aankomen, was nabij hen, en had het paviljoen omgeworpen, waarvan de rijke hangtapijten, nu als rag gescheurd, maar weerhouden door de sterke koorden, waaraan zij vast waren gemaakt, over het dek in de hoogte fladderden. Terstond snelden een paar matrozen toe en sneden die koorden los, zoodat nu dat geheele meesterstuk van kunst overboord vloog.“Daar gaat onze heerlijkheid naar de visschen,” zeide de Graaf, met een gedwongen lach; maar eene kille huivering overviel hem, toen hij de kronen, waarmede het paviljoen versierd was geweest, ter prooi der golven zag. Hij had echter schier geen tijd tot denken; want op hetzelfde oogenblik ontlastten zich de wolken in zulke hagel- en regenbuien, dat het dek een stortvloed geleek, en de gansche krijgsdos der edelen en gewapenden in een oogenblik onkenbaarwas. Geen pluim was er meer, die niet gescheurd en druipend neerhing: geen wapenrok of mantel, waarin de hagelsteenen geen gaten hadden geslagen.“Voor den duivel!” zeide Walcourt: “de Friezen zullen ons voor een koppel wilde eenden aanzien, als wij ons zoo aan hen vertoonen.”“De Graaf had ook wel naar beneden kunnen gaan,” bromde Teylingen: “zoo hij er vermaak in schept, doornat te worden, ik zie volstrekt niet, waarom wij onze plunje moeten laten bederven.”“Durft gij het hem niet voorstellen?” vroeg een ander edelman.“Ik heb het reeds gedaan; maar hij vroeg mij, of wij van zout waren. Zie eens! mijn overrok is aan flarden gehageld; en mijn helm zal meer roestvlakken bekomen, dan of hij tien jaren in den dauw gelegen had.”Terwijl zij zich dus beklaagden, stond de Graaf onbeweeglijk tegen den mast geleund. Deze schonk hem een gedeeltelijke beschutting tegen het onweder; echter had hij niet zoozeer daarom deze plaats uitgekozen: zijn oog bleef met een angstig ongeduld gevestigd op de overige schepen; en pijnlijk was de indruk, door die beschouwing teweeggebracht. De schoone orde, waarmede de vloot nog zoo kort geleden zeilde, was verbroken: het geweld van den wind, die ieder oogenblik veranderde, had de vaartuigen in een oogenblik over de oppervlakte der zee verstrooid: sommige schepen waren op zandgronden vastgeraakt, en hun half omgeslagen kielen leverden een onheilspellend schouwspel op: andere, wier manschap niet tijdig genoeg klaar geweest was, hadden den mast moeten kappen en met zeil en want overboord werpen: enkele, wier schippers stoutmoediger waren, of die door den breeden bouw minder gevaar hadden van om te slaan, hadden het fokkezeil bijgehouden, lensden op Gods genade voort, en waren spoedig uit het gezicht: de meeste echter werden nu her- dan derwaarts heengeslingerd.De avond begon intusschen te vallen en het werd den Graaf hoe langer hoe moeilijker te onderscheiden, hoevele schepen hij nog bij zich had. Op eens kreeg hij van verre een licht in ’t oog.“Wat kan dat zijn?” vroeg hij aan een bootsgezel, die nevens hem stond.“Dat is Stavoren, uwe Genade,” was het antwoord: “en zoo de wind nog blijft aanzuidelijken, zitten wij binnen een paar uren op de Friesche kust.”De Graaf ontving deze tijding zonder schrik; maar ook zonder genoegen. Zijn last was, dit had hij wel bespeurd, niet aan Beaumont kunnen gebracht worden: zijn schoone vloot was verstrooid, en hij wist niet, hoe lange tijd er verloopen zou, eer men de schepen weder bij elkander zou kunnen brengen en de orde van de landing herkrijgen. Hij pleegde nu raad met den schipper, die het meest raadzaam oordeelde, een poging te doen om voor Enkhuizen te ankeren en daar den dag af te wachten. Dit gelukte na eenigen tijd: de lantaren werd aan den mast geheschen, en werkelijk zag men dit sein door sommige vaartuigen herhalen, die hetzelfde voorbeeld gevolgd hadden. Dan niet lang hadden zij zich op die reede bevonden, toen de schepelingeneen hevige vlam ten noorden van Stavoren zagen opstijgen.“Ha!” riep Willem, die op dit gezicht al zijn moed herleven voelde: “zij houden woord, mijn trouwe Zeeuwen! Hoe is de wind, schipper?”“Nu sedert eenigen tijd stik zuidwest,” was het antwoord.“Dan het anker gelicht en op die vuurbaak afgezeild! Sint-Niklaas is met ons!”’“Ik vrees er voor,” zeide de bezorgde schipper: “het is hier zulk een vervloekt vaarwater, dat wij, bij nacht varende, machtig veel kans hebben om aan den grond te geraken.”“Om ’t even! daar moet een poging worden aangewend. Ik kan mijn dappere strijdmakkers, dien kleinen hoop daar aan wal, niet hulpeloos laten. En dan? herschept dat vuur den nacht niet in een dag? daarop aangehouden, zeg ik: de gevolgen zijn voor mijne rekening.”De schipper haalde de schouders op en gehoorzaamde; zijn voorbeeld werd door de nabij hen liggende schepen gevolgd en weldra stevende alles naar Norwert toe: maar ofschoon sommige vaartuigen den tocht voorspoedig volbrachten, bleek het echter, dat de angst des schippers niet voorbarig was geweest; want de grootste helft van het smaldeel raakte ieder oogenblik vast en kwam dus, òf niet, òf te laat, ter bestemmingsplaatse aan.Het vaartuig, waarop de Bisschop zich bevond, had langen tijd omtrent gelijken koers met dat des Graven gehouden. Hoewel door gestadige zeeziekte gekweld, had Arkel echter niet zonder een geheim genoegen den bedroefden toestand der vloot waargenomen. Toen het duister begon te worden liet hij den schipper bij zich komen.“Gij behoeft u zoo niet te haasten,” zeide hij: “ik ga slechts als toeschouwer mede: en als het donker is, kan ik toch niets zien.”“Hoogwaardigste!” zeide de schipper: “ik vrees, dat, indien ik niet zooveel mogelijk koers op het noorden houde, wij te ver van het Grafelijk schip zullen afdwalen: want de wind zou ons oostwaarts drijven.”“Zeer wel!” hernam de Bisschop; “maar ik heb geen trek om op het Enkhuizer Zand vast te raken. Doe mij het vermaak en poog zoo lang als gij kunt in ’t goede vaarwater te blijven.”“Hoogwaardigste!” zeide de schipper verbaasd: “dan raken wij hoe langer hoe verder van de vloot en drijven misschien tot aan de Kuinder af.”“Licht mogelijk:—en indien het niet anders kan,” zeide Arkel, die deze gevolgtrekking des schippers wel verwacht en daarop zijn gansche redeneering gegrond had, “dan zie ik er geen kwaad in, naar de Kuinder te trekken. Daar zijn wij op onzijdigen grond en toch aan de grenzen van Friesland.—Ja! steven gerust naar de Kuinder: als net dag is, kunnen wij altijd zien wat wij doen zullen.”De schipper gehoorzaamde: en de gewapenden van ’s Bisschops gevolg, die het onderhoud niet vernomen hadden, waren niet weinig verwonderd, toen zij zich ’s morgens bij hun ontwaken in de haven van de Kuinder zagen. De Bisschop ging dadelijk met zijn geestelijken en verder gevolg aan land en trok naar het nabij de stadgelegene nonnenklooster van Sinte-Martha, waar hij besloten had van de reis uit te rusten en op nadere tijding uit Friesland te wachten, ten einde naar bevind van zaken te kunnen handelen.Hij vond bij zijn aankomst een groote beweging in het gesticht. Er was den avond te voren een vreemde dame aldaar aangekomen, die naar Friesland toog, maar door het slechte weer verhinderd was geworden hare reis te vervolgen. Zij scheen een vrouw van aanzien te zijn; althans voor zooverre men zulks moest opmaken uit hetgeen de gids, die haar vergezelde, van haar dienaars en juffers vernomen had.Men kan licht beseffen, welke verlegenheid en verwarring het onverwacht bezoek van den Bisschop bij de vrouw Abdis en haar vrome gezellinnen teweegbracht. In het afgelegen en weinig bezochte klooster van de Kuinder waren vreemdelingen een buitengewoon, een welkom verschijnsel, hetwelk voor een geheel jaar stof tot gesprekken gaf;—maar nu twee hooge personages te gelijk! een uitheemsche Vorstin!—want dit voor ’t minst moest de onbekende zijn: en het geestelijk hoofd van het Sticht.—Dat was te veel genoegen op eenmaal en bracht al de nonnenhoofdjes op hol. Waar zou men die beide bezoekers en hun gevolg plaatsen? Of de vreemde dame haar reis dien dag vervolgen zoude, was nog onzeker, want er waren reeds geruchten in omloop, dat men in Friesland met strijden bezig was:—haar weg te zenden, ware onchristelijk geweest:—en den Bisschop kon men nog veel minder terugwijzen.Arkel kon niet nalaten, hartelijk te lachen, toen hij de verlegenheid der Abdis vernam: en zich terstond bij haar begevende, nam hij alle zwarigheid weg, door te melden, dat hij zich met elk vertrek, hoe klein ook, behelpen zou, en zijn stoet, op eenen lijfbediende na, naar de Kuinder terugzenden. Op deze wijze was alles spoedig geschikt: en niet lang daarna was de Abdis, recht opgeruimd en wel te moede, bij naar beide voorname gasten aan een goeden disch gezeten.Drie-en-dertigste Hoofdstuk.

1Hiera picraenhiera gladiiwaren eene soort van artsenijen, voorheen in zwang. Zie Petras BlesensisLib.in Job. I, alsmede het Receptenboek, in het voorbericht van dit werk aangehaald.

1Hiera picraenhiera gladiiwaren eene soort van artsenijen, voorheen in zwang. Zie Petras BlesensisLib.in Job. I, alsmede het Receptenboek, in het voorbericht van dit werk aangehaald.

Daar is de vader zelf, zoo bleek en afgevast.Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.

Daar is de vader zelf, zoo bleek en afgevast.

Daar is de vader zelf, zoo bleek en afgevast.

Daar is de vader zelf, zoo bleek en afgevast.

Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.

Aylva, nu buiten gevaar, schoon zich nog altijd zwak gevoelende, zat op den avond, die de gebeurtenissen volgde, in de beide vorige Hoofdstukken vermeld, in zijn slaapvertrek op Awertstate, en luisterde naar een oude kroniek, welke Madzy bezig was hem voor te lezen. Reeds dikwijls had het geratel der donderslagen, die men bij tusschenpoozen van den zeekant hoorde, haar belet, met hare taak voort te gaan, toen het geblaf van den hofhond, hetwelk spoedig in een vroolijk gejank veranderde, haar aanleiding gaf, de lezing geheel te staken.

“Daar zal onze goede Feiko zijn!” zeide Madzy, haar boek nederleggende: “die ons tijding komt geven, hoe het binnen de stad gesteld is.”

“Hij mag voorwaar wel iets belangrijks medebrengen,” zeide Aylva, “om zijn lang uitblijven te vergoeden.”

“Ach!” hernam Madzy, met een zucht: “in de tegenwoordige dagen is een belangrijke zelden een welkome tijding.”

“Ik ben overtuigd,” zeide Sytsken, die in een hoek van het vertrek zat te spinnen, “dat hij weer bij Auke Wybinga heeft gezeten en daar zijn tijd verpraat.”

Auke Wybinga was een schipper van Stavoren, die twee mooie dochters bezat, welke aan Sytsken niet weinig jaloezie inboezemden, daar zij vreesde dat de bezoeken, die Feiko nu en dan aldaar aflegde, grooten hinder mochten aanbrengen aan den aanval, dien zij voorlang op het hart van den jongeling gemaakt had.

“Wel Feiko! welke kruiden brengt gij uit het veld?” vroeg Madzy, toen de dienaar het vertrek binnentrad.

“Weinig goeds,” antwoordde deze: “de Hollandsche vloot is in aantocht en misschien voor morgen op de kust.”

“De Hollandsche vloot!” herhaalde Aylva: “Feiko, zegt gij waarheid?—Breng mijn wapens!—Ik heb reeds lang genoeg als een nutteloos meubel in dit slaapvertrek gesuft.”

“Om ’s Hemels naam! mijn goede voogd!” zeide Madzy: “denk om uw zwakheid, om uw ongesteldheid.”

“Als Friesland in nood is, denkt gij dan dat een zwakheid mij tot verschooning kan strekken? Ik zal, hoop ik, nog in staat zijneen pijl af te schieten, en een lans te voeren. Hoe is de wind?—Hedennacht, zegt gij?”

“Laten wij ten minste eerst vernemen,” zeide Madzy, “wat Feiko te verhalen heeft en of zijn bericht op goede gronden steunt.”

“Gij hebt gelijk:—welnu Feiko! verhaal ons al wat gij gezien en gehoord hebt.... alles; daarmede versta ik het noodige, zonder uitweidingen of herhalingen.”

“Zooals UEd. het beveelt. UEd. moet dan weten, dat ik met het krieken van den dag naar Stavoren was getrokken, om een pond of wat honig te halen voor den ouden schimmel, die bitter verkouden is, en hoe langer hoe meer hoest, sedert hij die pillen inneemt, die Daamke hem gegeven heeft uit de oude lapzalverkast van zijn meester.... hij deed beter, sedert hij nu toch ook een speerman is, van dat ambacht te laten varen, en ik vrees dat hij het nog eens te kwaad zal krijgen met den Abt van Sint-Odulf, die ook een handje heeft van recepten te geven; maar hij wil nog maar net doen als zijn oude baas, en menschen genezen, ofschoon hij niet eens een paard kan oplappen: zoodat ik hem dikwijls zeg: Daamke! zeg ik....”

“Wat bruien ons Daamke en zijn pillen,” zeide de Olderman, ongeduldig wordende; “ik heb u gelast, geen uitweidingen te maken. Gij waart dan te Stavoren.”

“Nog niet, Heer Olderman!” hernam Feiko met veel koelbloedigheid: “ik was nog maar op weg, en ik had een goed wollen buis aangetrokken, omdat de ochtenden al mooi koud beginnen te worden, al is het overdag heet: ja, het heeft gistermorgen gevroren, dat het torenplat wit was als mijn hemd.... Zoodat ik maar zeggen wil,” vervolgde hij, ziende dat Aylva van drift begon te stampvoeten, “dat ik er uitzag als een Urker varensgast.”

“Is dat om aan Tjetske Wybinga te behagen, dat gij u als een schipper kleedt?” vroeg Sytsken, spijtig.

“Maar Feiko!” zeide Madzy, op een zachten toon van verwijt: “wat kan het den Olderman schelen, hoe gij er uitzaagt en wat gij aan ’t lijf hadt?”

“Meer dan gij denken zoudt misschien,” antwoordde Feiko: “ik kwam dan te Stavoren en er was reeds meer volk op de markt bijeen dan ik wel gedacht zou hebben: en zij stonden allen op een hoop bij elkaar om een Workummer visscher: en die Workummer visscher verhaalde al heel wonderlijke dingen.”

“Nu vraag ik toch eens,” zeide Sytsken: “wat Feiko altijd met die varenslui te maken heeft? Is dat een gezelschap voor den dienaar van een edelman?”

“Gelooft gij, dat wij oudewijvenklap van schippers en voerlui willen aanhooren?” vroeg Aylva: “kom tot de zaak: wij hebben met uw gedraai niet noodig.”

“Wij komen er al,” zeide Feiko, Aylva en Sytsken beurtelings aanziende: “maar als men mij ieder oogenblik in de rede valt, zie ik geen kans om alles te vertellen zonder iets te vergeten.”

“Kom, ga voort, mijn goede Feiko!” zeide Madzy, verontrust door den staat van zenuwachtige prikkelbaarheid, waarin zij bespeurdedat zich Aylva bevond: “verhaal ons alles; maar zoo kort mogelijk.”

“Welnu!” vervolgde Feiko: “de Workummer verhaalde dan, dat hij met vader Syard uit de Eem was gekomen en dat....”

“Is vader Syard terug?—Is het mogelijk!” riepen Aylva en Madzy verheugd uit.

“En dat men in Holland mompelde, dat er overal volk naar de haven was getrokken om de vloot te bemannen. Dat zij wat in den zin hadden is zeker; want sedert drie dagen was er geen schuit of schip van de overzij aangekomen, ofschoon de wind voordeelig was: en er hebben ook twee gewapende koggen op den Workummer jacht gemaakt; maar oomkool was hun te vlug.”

“Welnu! is dit alles?”

“Verre van dien. Tegen den avond was het windje aangewakkerd en hoopte onze maat nog voor den nacht Stavoren te bereiken, toen hij een grooten Amsterdammer bierhaalder zag, die op het Enkhuizer zand was vastgeraakt, ’t geen nu dagelijks gebeurt, want de bakens zijn overal verzet of....”

“Wij weten het:—ga voort.”

“Nu ging onze maat er op los; want hij had achterdocht op dat vaartuig:—ofschoon het er net uitzag als een gewone bierhaalder;—maar wat hem toch bevreemdde, was dat er een man onder de manschap was, die een mantel omhad als de Ridders dragen, met witte lieren bezaaid.”

“Een mantel met lieren....” riep Madzy; terwijl een hoogrood hare wangen bedekte.

“Een mantel met lieren!” herhaalde Aylva: “was niet ridder Deodaat op het steekspel juist zoo gekleed?—Het is het wapen van de Scalieri!”

“Dat dacht ik ook zoo bij mij zelf, toen de Workummer dat verhaalde,” zeide Feiko: “maar ik hield mijn mond.—En toen kwam er een ander, en vertelde dat vader Syard aan Seerp Van Adeelen gezegd had, dat de Hollandsche vloot dezen morgen af zou varen—en dat er gewapend volk in dien bierhaalder school:—en toen werd het volk zoo giftig, dat het aan ’t plunderen en aan ’t hangen ging.”

“Hangen! wie hing men?”

“Dat zwarte gekje van een Haarlemmer;—maar daar bemoeide ik mij niet mee:—ik dacht zoo bij mij zelf: het zou toch jammer zijn, dat Ridder Deodaat, die er ons voor Utrecht zoo trouw heeft doorgeholpen, dat die nu van een slechte reis kwam.”

“Dat was wel van u gedacht,” zeide Aylva.—Madzy sprak geen woord; maar de uitdrukking van hare schoone oogen gaf genoeg te kennen, hoezeer zij met dat oordeel van haar voogd instemde en welk belang het verhaal van Feiko bij haar begon te verwekken.

“Nu begon ik op een middel te denken, om den goeden Ridder te verwittigen, dat hij maar beter zou doen, om den steven te wenden: en zoo peinzende, ga ik bij Auke Wybinga een slokje drinken.”

“Dacht ik het niet?” zeide Sytsken: “en wist gij nergens beter raad te krijgen, dan bij die nuffen?”

“Zwijg Sytsken!” zeide Aylva: “en laat Feiko zijn rede voleindigen. Welnu—gij waart dan bij Wybinga.”

“Zooals ik zeide; en met komt daar Rienk Westra aangeloopen, die bij zich zelven vloekte, dat zijn maat ziek was en dat hij alleen niet tegen de anderen varen kon;—want zij liepen nu allen naar de kaai, omdat men het vaartuig al in ’t gezicht kreeg:—en ieder wou de eerste zijn om er aan boord te komen; nu, de schipper had het in den neus; want hij was op stroom gaan liggen.”

“En toen?”

“Toen bood ik aan, Rienk te helpen. Iedereen die mij niet kende hield mij voor een varensgast; ’k was ook de eerste aan boord; maar jawel! wat ik ook zei, de Ridder wou aan wal met alle geweld.”

“Goede God!” riep Madzy: “en hebben zij hem vermoord?” vroeg zij met een nauwelijks hoorbare stem.

“Neen!—maar ’t heeft weinig gescheeld:—Ridder Reinout heeft het zooverre gekregen, dat hij op zijn woord te Sint-Odulf gevangen zal blijven.”

“Reinout!” riep Madzy: “God loone hem!”

“Hij is mijner waardig,” zeide Aylva, verheugd:—“maar nu de tijding der vloot, is zij echt?”

“Er werden overal manschappen op de been gebracht en boden heengestuurd:—mij heeft uw zoon gelast u te zeggen, dat gij hem heden niet zien zoudt:—zij hebben het ook druk genoeg.”

“En ik zou hier stilzitten. Feiko! haal terstond mijn wapens en zadel mijn paard.”

“Met uw verlof,” zeide Feiko: “Ridder Reinout heeft mij ook nog gelast, u te verzoeken om hier te vertoeven, tot hij een nadere boodschap zond, hoe de zaken staan. Hij is bang, dat de nachtlucht u hinderlijk zou wezen: en dan, het begint er mooi stormachtig uit te zien ook.”

“Zal ik van hem mijn plicht leeren?” vroeg Aylva, vertoornd. “Doe als ik u zeg; en gij, mijn dochter! maak u gereed elk oogenblik deze stins te verlaten, die u wellicht binnen korten tijd geene veilige wijkplaats meer verstrekken zal.”

“Ach! sta mij toe, hier te blijven,” zeide Madzy: “hier kan ik u, hier kan ik Friesland van dienst zijn. Zoo mijn hand te zwak is om een boog te spannen, zij kan ten minste een gekwetste verbinden. Zend al wie hulp behoeft slechts herwaarts en aan goede verpleging zal het niemand ontbreken.”

“Dat weet ik,” zeide Aylva: “niemand dan ik, kan beter getuigenis geven, hoe voortreffelijk een ziekenoppasster gij zijt. Nu! ik begeer dan ook niet, dat gij u terstond van hier begeeft. Ik beloof u, ik zal u gekwetsten zenden, indien zij er zijn; maar naar ik onze Friezen ken, zult gij weinig te doen hebben, en liever zullen zij zich laten doodslaan dan het veld te verlaten, zoolang zij nog tanden in den mond hebben om hun vijand te bijten.—Wees nu zoo goed en help mij, mij van dit nachtgewaad te ontdoen:—waar blijft Feiko toch?—Het is waarlijk, of de menschen van dag tot dag luier worden.”

“Waarlijk, mijn waarde voogd,” zeide Madzy: “gij overhaast u tezeer. Al ware de Hollandsche vloot in het gezicht, gij zoudt nog altijd tijdig genoeg komen. Bedenk toch, dat zoo gij u thans reeds zonder noodzakelijkheid vermoeit, gij uw krachten verloren zult hebben, wanneer u die het meest te stade zult komen.”

“Gij hebt gelijk, mijn kind! zooals altijd;—maar zie, gij beseft dat niet, wat het voor een ouden krijgsman zegt, als hem de kreet: te wapen! in de ooren klinkt. Dan gevoelt men zich op eens weer verjongd en versterkt; dan zijn ziekte en zwakheid vergeten en de kracht der ziel schenkt ons, wat die van het lichaam ons weigeren mocht.—Maar laat ik eens aan ’t raam gaan, en naar den wind zien.”

“De wind is om, dunkt mij,” zeide Madzy.

“Ha! welk een heerlijk gezicht,” zeide de Olderman, het venster openslaande en de lucht beschouwende: “wat zeide hij, de Hollandsche vloot was nog niet in ’t gezicht?—Indien zij hedenmorgen is afgezeild, moet zij met den nacht aan onze kusten wezen; want de wind is naar ’t zuidwesten gedraaid en zij heeft dien vlak voor ’t lapje!

“Met den nacht reeds!” zeide Madzy, verbleekende.

“Gewis;—maar niet in den staat, waarin zij de reede verliet. Geloof mij, daar zal menige mast en menige kiel ontredderd raken, en menig vaartuig aan den grond komen, eer zij de kust in ’t oog; krijgen. Er is zwaar weer op zee:—zwaarder dan gij hier zelfs vermoeden kunt: merkt gij die donderbui op, die daar vlak tegen den wind intrekt. Zoo gij over den heuvel heen kondet kijken, gij zoudt de zee zien schuimen als een ziedende pot.—Aha! eindelijk is Feiko klaar.”

“Waarlijk, Heer Olderman,” zeide Feiko, die met de wapenrusting aan kwam dragen: “ik had niet gedacht, dat UEd. er zoo spoedig weer gebruik van zoudt maken; en er waren een paar spijkertjes aan de beenstukken noodig, die....”

“Wat beenstukken!—Geef mij slechts mijn borstharnas en mijn helm: de beenen zullen wij maar ongedekt laten:—indien wij vechten, zullen wij toch van achter de aarden wallen strijden: en dan wordt alle onnutte wapenrusting maar tot overlast.—Voorwaar!” vervolgde hij, toen Feiko hem het borstkuras had aangegespt: “ik kan toch merken dat ik mager geworden ben. Ik zou de freule er desnoods bij in bergen.”

“Hoe dunner hoe beter,” zeide Feiko lachende: “des te meer plaats is er naast u voor de pijlen.”

“Goed gezegd, Feiko! maar waar had ik mijn hoofd? Wie zal nu mijn bloedvrienden te wapen roepen? Zeg aan den pachter....”

“O! wat dat betreft,” zeide Feiko: “daar heeft Jonker Reinout al voor gezorgd. Die van Wonseradeel zijn reeds bij hem en hij heeft boden naar uw stinsen in Ferwerderadeel en Westdongeradeel gezonden.”

“Hij is een brave borst, dat moet ik hem nageven,” zeide Aylva met een zucht, die een zonderling contrast met zijn gezegde opleverde.

“Maar hoor!—daar is weer iemand: de hond blaft....”

“Ik herken die stem!” zeide Madzy: “ja waarlijk, het is vader Syard, die binnengelaten wil worden.”

“Wat jaagt hem hier?” zeide Aylva: “Feiko! gij zult mij mijn helm achternadragen.—Madzy heeft gelijk: ik moet mij niet vermoeien voor den tijd.—Hoor hoe het onweer buldert!—Ha! daar is de vrome man zelf. Wel, Vader! het verheugt mij u weer te zien: waarlijk, wij hadden ons niet met dat geluk mogen vleien.”

“De Heer heeft mij verlost,” zeide de monnik, “gelijk Hij Daniël uit den leeuwenkuil verloste.”

“Wij zijn er beiden heel wat op vermagerd,” zeide de Olderman:—daarover wel eens nader. Gij komt zeker onze Madzy eens gezelschap houden en daar doet gij wel aan. Gij zult elkander veel te vertellen hebben. Mij zult gij niet kwalijk nemen, dat ik ga, waar het vaderland mij roept. Waar zijn de Hoofden?—waar is mijn zoon?”

“Het is dan waar!—Hebt gij werkelijk een zoon teruggevonden? Is die Ridder Reinout....”

“Dat zal Madzy u alles wel vertellen:—ik moet voort: zeg mij slechts, waar ik hem vinden zal.”

“Op dit oogenblik nog te Stavoren; maar....”

“Welnu! dan ga ik derwaarts. Is alles gereed, Feiko?”

Op dit oogenblik begon de storm met dubbel geweld op te zetten, zware hagelsteenen kletterden tegen de daken: het geheele zwerk was door bliksemvuur verlicht en de donder ratelde zonder ophouden.

“Om ’s Hemels wil, mijn goede voogd!” zeide Madzy: “zult gij u waarlijk aan zulk een weer blootstellen? Bedenk toch, dat gij nog niet geheel hersteld zijt.”

“Een heerlijk weer,” zeide Aylva: “zie, de Hemel strijdt met ons. In een halfuur ben ik immers te Stavoren. Ik zal mijn mantel dubbel omslaan: en dan lach ik met een bui.”

“Nog een woord, eer gij vertrekt,” zeide de monnik: “God weet, of wij elkander levend terugzien. Hebt gij overtuigende bewijzen, dat Ridder Reinout uw zoon is?”

“Vanwaar die vraag?—En op dit oogenblik?” zeide Aylva:—ja, ik heb die: en, wanneer gij wilt, zal ik u die toonen. Thans is het tijd, ten strijde te gaan.”

“Gij hebt gelijk,” zeide de monnik, wiens anders zoo vaste ziel overmand scheen door een ontroering, die hem niet eigen was. “Maar dan heb ik nog eene bede. Ridder Deodaat van Verona is naar Sint-Odulf overgebracht. Wordt het klooster aangevallen, zoo smeek ik u, draag zorg, dat hem vriend noch vijand dere: ik bezweer u zulks, bij uw zaligheid!”

“Ik zal mijn best doen,” zeide Avlva: “ik zelf heb dubbele redenen om voor zijn leven te waken: ik ben hem vergoeding verschuldigd voor het ongelijk, hem door Reinout aangedaan en voor zijn hulp aan Madzy betoond.”

Na deze woorden te hebben geuit, omhelsde hij de lieve maagd: haar gedachten hadden door de rede van den monnik een andere wending genomen; thans echter, nu zij haar pleegvader gereed zag,een in zijn toestand bedenkelijken, ja hoogst gevaarlijken tocht te ondernemen, vergat zij alles, ook zelfs den teedergeliefde, om hem, aan wien zij zooveel verschuldigd was. Niet zonder moeite, en op Madzy en Feiko leunende, daalde Aylva de trap af; zoodra hij zich echter buiten en in den zadel bevond, scheen net, of zijn zwakheid geheel verdwenen was; en zijn ros de sporen gevende, reed hij, van Feiko vergezeld, in vollen draf den weg op naar Stavoren.

Zoodra hij vertrokken was, gelastte Madzy den ouden pachter eenig brandhout op den haard te werpen: en weldra zat de monnik, die op zijn wandeling doornat geworden was, zich bij een vroolijk vuur te drogen, terwijl Madzy een verwarmenden drank naast hem plaatste. Een geruimen tijd bewaarden zij het stilzwijgen: men kon zien, dat beiden elkander veel te vertellen hadden en als ’t ware verlegen waren hoe te beginnen.

Eindelijk vatte de monnik het woord op: “Wij hebben wel reden om God te danken, Freule! Hij heeft ons uit groote gevaren gered: en ik had na onze zonderlinge scheiding, mij niet gevleid u ooit te zullen wederzien.”

“God heeft mij gesterkt,” zeide Madzy: “maar ik heb veel geleden.”

“Er zijn zonderlinge geruchten van u in omloop,” zeide de monnik: “men heeft mij verhaald, dat gij te Utrecht bij een Ridder waart gevangengehouden.—Mag ik vragen, was deze ook dezelfde als de burchtvoogd van het slot Nyenstein nabij Plaswijk?”

“Ik zag hem het eerst op het slot,” zeide Madzy: “wie hij was heb ik gezworen te verzwijgen.”

“Zooveel ik dan kan opmaken uit het onzamenhangend verhaal van uw lotgevallen, dat hier rondloopt, zijn wij beiden de slachtoffers geweest van denzelfden listigen bedrieger: en ik heb bijna reden om te gelooven, dat die zoogenaamde zoon van den Heer van Aylva mede de hand in ’t spel heeft gehad.”

“Die zoogenaamde zoon?—gij hebt reden om te gelooven, dat....?”

“Dat hier een samenweefsel van list en bedrog plaats heeft;—maar om des te zekerder te werk te gaan: verhaal mij, bid ik u, uwe lotgevallen sedert ik u verliet.”

Madzy voldeed aan zijn verzoek: zij begon met in korte woorden de aanleiding tot haar opneming in ’t slot Nyenstein te vermelden. De monnik zuchtte diep, toen hij ontwaarde, welke listen Jan Van Arkel in ’t werk gesteld had, om zich van zijn prooi te verzekeren: zijn verontwaardiging steeg ten top, toen zij van haar verblijf te Utrecht gewaagde, en maakte plaats voor een aandachtig nadenken, toen hij het verslag van haar reis en van het gebeurde in ’t Gaasterbosch vernam.

“Hoogst zonderling!” zeide hij, toen zij haar verhaal geëindigd had: “die Reinout heeft zich dus voor den zoon van den Olderman doen erkennen?—En die hansworst zegt gij, is nog in Friesland?”

Madzy antwoordde toestemmend op beide vragen en meldde hem, dat Daamke in Reinouts dienst was.

“Dan kan het mogelijk zijn, dat die nar iets weet en dat Reinout zijn stilzwijgendheid koopt!—Dat alles moet zich eenmaal oplossen of.... misschien.... weet gij ook, of hij de medicijnkist zijns meesters Barbanera heeft met zich gebracht?”

“Voorzeker,” zeide Madzy, glimlachende om deze zonderlinge vraag: “maar ik bid u, welk belang stelt gij daarin? Gij hebt toch geen lust, zijne pillen en tincturen te gebruiken.”

“Misschien!” zeide de monnik op een ernstigen toon: “ik geloof dat gij met mij van hetzelfde gevoelen zult zijn, wanneer ik u mijn wedervaren verhaal.... het onweer is nog niet verminderd: en zij zullen mij nog niet missen te Sint-Odulf.—Zoo gij dus geen vaak hebt, luister.”

Nadat Madzy verklaard had, hoogst verlangend te zijn, hem te hooren, deelde de monnik haar mede wat er geschied was sedert den morgen dat hij haar in de herberg vermist had, en hoe hij vervolgens zich met meester Barbanera in het slot van Nyenstein had zien opsluiten.

“Mijn eerste gevoel,” vervolgde hij, “was, gelijk gij denken kunt, een gevoel van spijt en toorn tegen hem, die mij zoo listig van mijn vrijheid beroofd had. Wat den kokeler betrof, deze bleef nog lang in den waan dat hij alleen voor de leus was opgesloten. Toen hij echter het tegendeel begon te bemerken, verviel hij tot een staat van woede en wanhoop, die aan vertwijfeling grensde, en liet geen uur voorbijgaan, zonder de vreeselijkste verwenschingen uit te braken tegen den bewerker van zijn ongeluk, terwijl hij allen troost versmaadde, dien ik hem aanbood, en mij vervloekte, zoowel als den grijsaard, die ons dagelijks door een valluik ons voedsel toediende. Mijn toestand was hoogst onaangenaam: van het daglicht verstoken, in een nauwen kelder en gedwongen, het gezelschap te dulden eens gevloekten godslasteraars;—maar ik offerde mijn lijden den Heere op en Hij verleende mij sterkte. Hij deed meer; Hij maakte mij tot het werktuig in Zijne hand om een gevallen ziel te behouden, en deed mijn lijden strekken tot de ontdekking van een geheim, dat anders wellicht verborgen ware gebleven.

“Een dag (nimmer zal ik dien vergeten) kwam onze oude stokwaarder niet opdagen. Het vasten gewoon, verduurde ik de ontbering van voedsel met gelatenheid; maar de deelgenoot mijns kerkers kon minder weerstand aan zijn nooddruft bieden. De volgende dag verliep:—weder geen voedsel:—gelukkig was onze waterkruik, die eenmaal ’s weeks gevuld werd, nog halfvol;—maar het gemis aan spijs verzwakte Barbanera: en nu eerst werd hij vatbaar voor de woorden van vermaning en boete, die ik tot hem sprak. Hij vroeg mij om vergiffenis voor zijn handelwijze te mijwaart, hij biechte mij zijn zonden en toonde een hartgrondig berouw. Den derden dag voelde hij zijn einde naderen: en toen smeekte hij mij, om, zoo ik tegen alle verwachting het leven behield en de vrijheid terugkreeg, te herstellen wat hij verdorven had. Ik spande mijn uiterste krachten in om het verhaal te verstaan, dat hij mij half in ’t Italiaansch, half in krom Latijn, half in gebroken Hollandsch deed:het kwam hierop neer, dat hij zich in ’t verloopen jaar, te Grenoble in Frankrijk, in dienst van den Bisschop van Utrecht bevond, toen daar een pelgrim uit Holland aankwam, die naar Italië trok en in ’t voorbijgaan den Prelaat bezoeken kwam. Deze pelgrim verhaalde aan Barbanera, eens dat zij samen spijsden, door twee Ridders uit Holland, Reinout en Deodaat van Verona, belast te zijn met het opsporen hunner familie en toonde hem een brief, die daartoe strekken moest. Niemand was beter dan Barbanera in staat aan den pelgrim eenig bericht dienaangaande te doen toekomen; want hij was vroeger in dienst geweest van Bianca di Salerno wier geheime verbintenis met den Olderman u bekend is. Hij besloot, zelf de belooning te verdienen, op de ontdekking gesteld: dat viel hem te gemakkelijker, doordien de pelgrim kort daarna ziek werd en stierf. Barbanera maakte zich van den brief meester, verliet den Bisschop en reisde naar Verona. Daar wist hij vermomd tot in het klooster te dringen, waar de dwingeland Francesco zijn gemalin sedert jaren gevangen houdt: hij deelde haar mede, dat haar zoon nog leefde, en verkreeg van hare hand den ring, haar door uw voogd geschonken, en meteen een brief, waarin zij het merk aanduidde, waaraan die zoon te herkennen ware. Van Verona reisde hij naar Holland en vond toevallig èn uw pleegvader èn de beide jongelingen te Haarlem. Gij weet, welke kunsten hij op den Vogelesang in ’t werk stelde om hun nieuwsgierigheid op te wekken. Had hij toen het geheim geopenbaard, hij had zich een jammerlijken dood en veel wroeging bespaard; maar de duivel der geldzucht verleidde hem: hij wilde zijn geheim aan den meestbiedende der twee Ridders verkoopen, en naar gelang daarvan den brief van Bianca geven of terughouden. Tot Aylva dorst hij zich nog niet wenden: eensdeels omdat hij vroeger op zijn leven had toegelegd en bovendien vreesde dat Aylva te weten zou gekomen zijn, hoe hij Bianca door een valsch gerucht van haars minnaars dood misleid had; anderdeels, omdat hij hem niet wilde naderen, voor hij hem een zoon kon bieden, die zijn voorspraak wezen mocht. Toen hij later te Plaswijk Reinout vond, en beiden in den waan verkeerden, dat Deodaat dood of stervende ware, maakte hij hem diets, dat hij de wettige zoon van Aylva was, ofschoon hij zich intusschen van het tegendeel overtuigde.”

“Goede God!” riep Madzy: “en van waar bekwam hij die overtuiging?”

“Op een zeer eenvoudige wijze. Toen Reinout zich ’s nachts ontkleedde, zag Barbanera, dat hij het teeken miste, hetwelk Bianca, ter voorkoming van verwarring, haren zoon op de borst gegrift had.”

“En zou Deodaat dat teeken....?”

“Ziedaar wat mij nog onbekend is; maar mij zoowel als Feiko trof hedenmorgen, toen ik hem onder het gepeupel zoo onvoorziens in ’t oog kreeg, zijn gelijkenis op den Olderman. Dezelfde houding, dezelfde wending, dezelfde stem, alleen door den uitheemschen tongval eenigszins gewijzigd.—Maar hoor verder:—Barbanera verhaalde mij, dat hij met opzet Bianca’s brief, waarin deze omstandigheidvermeld was, had achtergehouden en in zijn medicijnkist onder een dubbelen bodem verborgen. Dit bleef Reinout onbewust.”

“Hemel! indien er slechts mogelijkheid is, die kist te bekomen!”

“De Italiaan overleefde zijn bekentenis niet lang. Hij is getroost in mijn arm ontslapen, mij smeekende, zoo ik in Friesland terugkwam, den Heer van Aylva deze tijding te melden. Alleen het belang mijns vaderlands kon mij doen vertragen om zijn uitersten wil te voldoen;—maar iemand moest deelgenoot wezen mijns geheims:—en in niemand kan ik meer vertrouwen stellen dan in u.”

“Ik dank u, goede Pater!—En hoe werdt gij verlost?”

“Op denzelfden dag toen Barbanera stierf. Niet twijfelende, of ik zou spoedig deelen in zijn lot, had ik mij reeds ter dood bereid; toen op eenmaal mijn kerkerdeur werd opengeslagen. Een bende Hollanders had Nyenstein overrompeld: bij het doorzoeken van het slot had men ook de deur des kelders opengebroken en men bracht mij schier levenloos naar buiten. Ik vernam sedert, dat de oude dienaar des Bisschops door een beroerte uit het leven was weggerukt, zonder den tijd gehad te hebben, het geheim onzer gevangenis te openbaren. Mij schonk men de vrijheid, daar niemand reden had mij te houden. Ik hoorde, dat Deodaat van zijn wond hersteld, en in ’t leger was: ik ging derwaarts, en kwam juist te Utrecht om den zegepralenden intocht des Graven bij te wonen. Deodaat echter vond ik niet: hij was naar de Gravin gezonden om haar den roem der Hollandsche wapenen te verkondigen. Intusschen begrijpende, dat de Graaf niet werkeloos zou blijven, hield ik mij nog een wijl in Utrecht op, om te ontdekken, wat hij in zijn schild voerde. De Bisschop had nu, zoo ’t scheen, zijn geheel vertrouwen gewonnen. Ik begaf mij naar den listigen kerkvoogd.”

“Hoe! gij dorst u opnieuw in zijn tegenwoordigheid wagen?”

“Ik wist, dat hij mij niet zou hebben durven beleedigen; want hij moest de ontdekkingen vreezen, die ik in staat was te doen. Hij ontving mij echter met nog meer vrijmoedige kalmte dan ik mogelijk achtte: ja hij was zoo gemeenzaam, als ware er niets tusschen ons voorgevallen. Mijn gevangenis schreef hij aan een misverstand toe: hij betuigde mij, niet geweten te hebben, dat ik mij met Barbanera in den kelder bevond, wien hij er alleen in dacht op te sluiten:—en inderdaad, ik kon hem het tegendeel niet bewijzen. Verder toonde hij zich zeer vertrouwelijk jegens mij, en verzocht mij terug te komen. Iets later deelde hij mij de geheime ontwerpen des Graven mede, zelfs het plan ter verrassing van Stavoren, welks mislukking, gelijk ook het verdere, u Feiko ongetwijfeld zal gemeld hebben.”

“En.... waant gij, dat Reinout ter goeder trouw handelt....?”

“Zijn gedrag van heden doet mij zulks vermoeden. Hij redde het leven van Deodaat.”

“En hij zelf, wie is hij dan....?”

“De zoon van Bianca’s dienstjuffer. De listige Barbanera, beducht voor het ongenoegen van diegene der beide jongelingen, welken hij niet als den zoon van uw voogd zoude aanwijzen, had aan Reinout wijsgemaakt, dat hij zelf, hij Barbanera, de vader was vaneen hunner.—En thans!” vervolgde de monnik, opstaande, “moet ik naar Sint-Odulf keeren, en het overige van den nacht aan Friesland wijden.—Ha! Indien die looze Bisschop mij niet bedrogen had,—het ware nooit zooverre gekomen: en de arme, verachte vader Syard, had in naam van het geestelijk gezag het geheele volk op de been kunnen brengen eer Willem nog een leger bijeen had.”

Op dit oogenblik kwam Sytsken de kamer binnengeloopen, met den angst op ’t gelaat geschilderd.

“Heilige maagd!” riep zij: “daar is de bliksem zeker in den toren van Stavoren geslagen en de gansche stad staat in brand.”

“De gansche stad? van eenen bliksemstraal, die op den toren neerkomt?” zeide de monnik: “dat zou mij vreemd voorkomen.”

“Ik verzeker u,” hernam Sytsken, “dat het geheele zwerk rood is van de vlam die opstijgt.”

“Willen wij niet eens op het plat gaan en zien wat er te doen is?” stelde Madzy voor.

“Het zwerk rood van vuur!” herhaalde vader Syard: “dan zeker moet er iets buitengewoons hebben plaats gehad. Nu ja! ik ben bereid u te volgen.”

De twee meisjes hadden reeds een paar mantels omgeslagen om zich tegen den regen te beschutten: en alle drie begaven zich op het plat van den toren, van waar men bij dag de stad Stavoren, en ook de zee kon onderscheiden. Een oogopslag was genoeg om den monnik te overtuigen, dat de schrik van Sytsken niet zonder grond was geweest. Het was nu geheel nacht; en de duisternis verhoogde den rooden gloed der vlam, die ten noordwesten opsteeg als achter een gordijn van regen, hetwelk aan het vuur een des te fantastischer aanzicht gaf. De monnik ontdekte echter spoedig, dat de brand zeer vermoedelijk een andere oorzaak had, dan die, welke er door Sytsken aan gegeven was.

“Het is niet Stavoren dat in brand staat,” zeide hij: “Stavoren ligt meer westelijk: en mij dunkt, ik zie den kerktoren, die den gloed terugkaatst. Het is Norwert, waar men den rooden haan heeft uitgestoken.”

“Ik hoor het alarmgeklep!” zeide Madzy: “de vijand moet geland zijn.”

“Hij is geland!” riep de monnik: “ik moet geen tijd verliezen, de ure des gevaars kan voor ons klooster komen:—en dan mag niemand zeggen dat broeder Syard afwezig was.”

Dit gezegd hebbende nam hij zijn afscheid en haastte zich naar Sint-Odulf over een voetpad, hetwelk langs het meer heen van den landweg af derwaarts geleidde.

Sy quamen ’s morgens met getaelenVan schepen, klein en groot;Maar toen de nacht begon te daelenRiep elck: waer is de vloot?Geusen-liedtjen op deArmada.

Sy quamen ’s morgens met getaelenVan schepen, klein en groot;Maar toen de nacht begon te daelenRiep elck: waer is de vloot?

Sy quamen ’s morgens met getaelenVan schepen, klein en groot;Maar toen de nacht begon te daelenRiep elck: waer is de vloot?

Sy quamen ’s morgens met getaelen

Van schepen, klein en groot;

Maar toen de nacht begon te daelen

Riep elck: waer is de vloot?

Geusen-liedtjen op deArmada.

Het was op den morgen van dien dag, dat de koggen, bestemd het Grafelijke leger naar de Friesche kust over te brengen, en welke met den meesten spoed den IJsel, de Vecht en het IJ waren komen afzakken, zich in de kom van de Zuiderzee vereenigd hadden en aldaar een machtige vloot gevormd van over de tweehonderd vaartuigen, die nu gezamenlijk naar de Friesche kust den steven wendden. Nooit voorheen was een heerlijker schouwspel in die wateren te zien geweest: nooit was er een tocht op de Zuiderzee beproefd geworden, ontzaglijker door het aantal, uitnemender door den rang, belangrijker door de vermaardheid van hen, die daaraan deelnamen. Geheel de adel van Holland, van Henegouwen en van het Sticht was op de vloot vertegenwoordigd: en menig heer- en ridderlijk Huis had er al zijn leden gezonden. Met een oogverblindenden luister schitterde de morgenzon op de nieuwgeverfde en geëmailleerde blazoenen en wapenborden, welke aan mast en spiegel praalden, op de vergulde helmen en op het blinkend staal van schilden en rondassen: dartel speelde de wind in de ontelbare wimpels en banderollen, of deed hij de blanke pluimen en geborduurde mantels golven op zijn adem: en die van verre dat heerlijk schouwspel had kunnen genieten, zou gewaand hebben, dat hij een vereeniging dier zeebewoners zag, van welke de Arabische schrijvers in hun vindingrijke verhalen spreken, die met goud en koralen en edelgesteenten en kostbare zeegewassen beladen, zich boven de oppervlakte der wateren vertoonen. Aan boord heerschte overal onbedwongen vroolijkheid: dartele scherts en blij gezang verwisselden elkaar en aller harten waren tot blijmoedigheid en hooge verwachting gestemd: de bezorgdheid, welke, gelijk wij verhaald hebben, bij sommigen, over deze onderneming was gevoed geweest, zoolang zij niet werkelijk was aangevangen, was verdwenen, zoodra men zich aan boord bevond: zij had voor een kommerlooze gerustheid plaats gemaakt; want hoe kon men anders, wanneer men het oog in ’t ronde sloeg, en die landingstroepen zag, wier aantal omtrent gelijkstond met de gansche bevolking van Wester- en Oostergoo te zamen, en geheel uit welgeoefende strijders bestond, hoe kon men anders dan zich een gemakkelijke zege toeschrijven? Nadat Utrecht, het rijke en machtige Utrecht gezwicht was, was het toch niet te denken, dat de onderling verdeelde Friezen eenigen noemenswaarden wederstand zouden beproeven.Vroolijk schuimde de beker dan ook rond en wenschte men elkaar geluk met de bijna zekere overwinning. Ach! weinig dachten zij, die moedige Ridders en Baanrotsen, dat de blijde disch, waarom zij zich onder luide gezangen en schaterende toejuichingen verzamelden, hun doodmaal droeg!

Er was echter onder al die hooggestemde tochtgenooten een enkele, die niet in de algemeene blijmoedigheid deelde, ofschoon zijn gelaat die trachtte voor te wenden: het was het hoofd der onderneming zelf, Graaf Willem, die anders, meer dan een ander, reden moest gehad hebben om op zijn gelukster, die hem nooit verlaten had, een blind vertrouwen te stellen, indien dit al niet bij hem opgewekt werd door de gunstige voorteekenen, waaronder de tocht was aangevangen. De oorzaak zijner geheime zorg was bovendien van een zoo beuzelachtigen aard, dat hij er zelf schaamte over had; maar het innerlijk gevoel, dat hem ontrustte, was hem te sterk, dan dat hij het door redeneering of verstrooiing kon te boven komen. Op het vaartuig dat zijn vlag droeg was een prachtig paviljoen opgericht, van welks top de driedubbele Gravenkroon sierlijk schitterde tusschen een bundel van kunstig gewerkte banieren: van welks troonhemel het fluweel in purperen plooien, met gouden franje geboord, rondom afhing, terwijl rozeroode gordijnen van zijde de stralen van het zonnelicht keerden. Daarbinnen liepen banken rond, met spierwit doek overtogen en bedekt met donzige kussens van karmozijn, waar ’s Graven naamcijfer of wapen in gouden letteren op prijkte: terwijl een dressoir, over den ingang geplaatst, beladen was met al de geriefelijkheden, die den smaak konden streelen, en van goud en zilver fonkelde. Dit fraai geheel was een geschenk van den Bisschop van Utrecht en de vrucht van het nacht en dag doorwerken der meest bekwame kunstenaars uit al de omliggende steden. Kort na het afzeilen was de Graaf het paviljoen binnengetreden om er al den rijkdom van te bewonderen; maar niet weinig was hij verwonderd geweest, van op het dressoir, in den voor hem bestemden drinkhoorn een briefje te vinden, waarop deze woorden te lezen waren: “denk aan de voorspelling van Reinout van Gelder.”—Dadelijk na de lezing verborg hij die ontijdige waarschuwing: en, het paviljoen uittredende, vroeg hij aan den deurwachter, op een toon, dien hij zoo kalm mogelijk deed schijnen, wie er vóór hem binnen geweest ware.

De deurwachter betuigde op zijne eer, dat niemand zich verstout had binnen te treden, sedert het paviljoen gezet was, dan alleen de behangers en een paar lijfbedienden des Bisschops, ten einde zich te verzekeren dat alles in behoorlijke orde ware.

De Graaf sloeg de oogen om zich heen en ontdekte kort bij hem het vaartuig, waarin Jan van Arkel zich bevond, in zijn priesterlijk gewaad, half zittende en half liggende tusschen een hoop welgevulde kussens, op het dek gespreid. De oogen des Kerkvoogds hadden op dit oogenblik een boosaardig spottende uitdrukking; maar zoodra de Graaf hem aansprak, nam het gelaat terstond weder de effen plooi aan, die het gewoonlijk kenmerkte.

“Wij hebben nooit iets prachtigers gezien dan uw geschenk, HeerNeef!” riep hem Willem toe, terwijl de stuurlieden de schepen eenigszins nader bij elkander brachten, om het gesprek tusschen de twee aanzienlijke passagiers gemakkelijker te maken.

“Uwe Genade heeft te veel goedheid,” zeide de Bisschop, zich half opheffende met de achtelooze loomheid eener half slapende kokette: “ik had wel gewenscht uwe Genade meer naar verdienste te kunnen behandelen.”

“Men vindt er bewonderenswaardige dingen in,” vervolgde Willem, hem veelbeduidend aanziende; “dingen, die men er niet zou verwachten. Die drinkhoorn vooral, die voor ons bestemd is, is allervreemdst en de inhoud heeft ons verrast.”

’t Zij dat de Bisschop aan het geval volkomen onschuldig, ’t zij dat hij op alles gewapend ware, de effen kalmte van zijn trekken onderging geene de minste verandering, en hij sloeg de oogen niet neder voor den scherpen blik des Graven: “ik had gelast,” antwoordde hij, op een flauwen toon, “dat men hem met Spaanschen wijn zou vullen, die, gelijk mij verzekerd werd, met tweebak genuttigd, een uitmuntend voorbehoedmiddel is tegen zeeziekte. Ik had er ook wel van mogen nemen; want, niettegenstaande het slechte water voel ik mij geheel niet op mijn gemak, en het is niet de geringste opoffering, welke ik aan uwe Genade doe, dat ik mij op zee begeef, waar ik een tegenzin in heb.”

Dit gezegd hebbende, voegde hij de daad bij de woorden, en zich omwendende, zakte hij in zijn kussens neer.

“Nu ben ik even wijs,” dacht Willem, terwijl hij ontevreden terugging en het dek op en neer wandelde. “Maar kom! die grillen uit het hoofd gezet. Waar is de kaart van Friesland?—Mijne Heeren! wij zullen ons plan van landing nog eens nazien.”

Binnen weinige oogenblikken was hij met Walcourt, Teylingen en eenige andere vertrouwelingen, die op zijn vaartuig voeren, in het paviljoen gezeten en zocht hij, door het belangrijke onderwerp van hun gesprek, de heimelijke zorg die hem kwelde te verzetten:—ieder oogenblik liet hij aan den schipper vragen, hoe laat men aan wal zou wezen: waarop dan altijd het antwoord was, dat zulks aan God alleen bekend was; maar dat, zoo de wind niet voordeeliger werd, men genoodzaakt zou zijn, dien nacht een ankerplaats te zoeken: daar men sedert de twee laatste gangen meer achter- dan vooruitgegaan was.

“Ik heb het al gevreesd,”—zeide de Graaf, wrevelig met de vuist op tafel slaande, toen hem dit antwoord voor de vijfde maal gebracht werd:—“wanneer zal men eens vaartuigen uitvinden, die niet van den wind afhangen?”

Walcourt wilde juist antwoorden, dat dit wel een onmogelijkheid zijn zou; maar een plotselinge ongesteldheid, die hem overkwam, noodzaakte hem naar buiten te gaan: en weldra zagen Teylingen en Naaldwijk zich gedwongen, zijn voorbeeld te volgen.

“Bij Sint-Japik!” zeide de Graaf: “daar zijn er al drie, die wegloopen zonder verlof te vragen: het schijnt, dat aan boord de Graaf en zijn leenmannen gelijk zijn:—en men moet bekennen, dat wij mooischeef gaan en aardig stooten.—Waar duivel is die Spaansche wijn, waar de Bisschop van sprak?”

Met deze woorden trad hij naar het dressoir toe; maar op het oogenblik dat hij de hand naar een drinkkan uitstrekte, kreeg het schip een golf in den boeg, die het fraaie kunststuk, het onderst boven sloeg.

“Daar ligt de gansche Bisschoppelijke weelde,” zeide Willem, het oog slaande op den gevallen toestel, en op den wijn, die door elkander vloeide, “en wij zouden waarachtig gevaar kunnen loopen, aan boord te verzuipen, zoo niet in zeewater, dan in druivennat:—dat ware een andere dood, dan dien mij de zwarte Reinout voorspelde!.... nogal dat noodlottige orakel:—zal ik het dan niet uit mijn geest kunnen bannen?”

Hij plaatste zich nu bij het roer en zag rond; het was nog altijd een belangrijk en fraai schouwspel, die geheele vloot met den tegenwind te zien worstelen; maar de schepen leverden niet meer de schitterende vertooning op van des morgens. In het laatste uur waren meest alle banieren en wimpels binnengehaald, en men zag geene blinkende harnassen noch golvende pluimen meer. De gewapenden streden meest allen met dien onweerstaanbaren vijand, de zeeziekte, en lagen op het dek uitgestrekt.

Langzamerhand echter begon de wind te minderen: en tegen den namiddag werd het stil, zoodat men alle zeilen bij moest zetten om slechts een flauw zuchtje, dat nu uit het noordwesten woei, te kunnen opvangen en alzoo met halfwind voort te komen. Nu keerden de moed en de eetlust bij velen, en de Graaf had juist last gegeven, dat men de omgestorte kannen weder vullen zoude, toen men in ’t verschiet een schip ontwaarde, dat op de vloot aanhield en weldra bijdraaide. Het was de bierhaalder, waarmede Deodaat naar Stavoren was gezeild, en die nu van den mislukten tocht terugkwam. Krijn Jansz vervoegde zich terstond aan boord van des Graven schip.

“Welnu!” zeide deze, zoodra de schipper voor hem in het paviljoen stond: “wat hebt gij ons te melden? Is het kasteel van Stavoren al onder het bedwang van onzen vriend Deodaat?”

Krijn Jansz haalde de schouders op en verhaalde hetgeen den lezer bekend is nopens den ongelukkigen uitslag zijner onderneming.

“Bij Sint-Japik!” zeide de Graaf, hem halverwege in de rede vallende: “dat is fout!—Intusschen, die Friezen beloven ons een genoegen, waar wij ons niet mede hadden durven vleien, en wij zullen althans eenige eer behalen; want er zal weerstand zijn. Maar het volk dat met u was, zit dat nog onder uwe vaten?”

“Ziedaar, wat ik uwe Genade wilde verhalen,” zeide Krijn Jansz. “Die twee schildknapen van den Ridder waren maar gansch niet in hun schik, dat zij hem dus in de macht der Friezen zouden laten, zonder weerwraak te nemen. Een van hen, de kleinste, is aan wal gebleven, om te zien waar men zijn meester heenvoerde, en hem, zoo mogelijk, te verlossen. Wat den anderen betreft, dien heb ik, nadat wij Stavoren verlieten, met zijn volk in een Makkummer schuit overgezet, die wij in zee overrompeld hebben. Zij zouden zichvandaag op de hoogte van het dorpje Norwert, benoorden Stavoren, ophouden, met den nacht landen, en het dorpje in brand steken: dan kon uwe Genade op het licht aanzeilen.”

“En dat zullen wij doen ook!—Dit verandert ons plan eenigszins, mijne Heeren! maar dat is om ’t even. Men boodschappe deze tijding terstond aan den Heer van Beaumont. Hij houde met zijne vaartuigen op de Lemmer aan en rukke vandaar landwaarts in, terwijl wij benoorden Stavoren landen: dan vereenigen wij ons in het hart van Friesland. Ha! daar zal evenwel een kamp plaats hebben!”

“Met het verlof van uwe Genade,” zeide Krijn Jansz, die op dit oogenblik buiten de tent keek: “ik vrees, dat de kamp met den storm wel de ergste wezen zal, dien gij heden zult strijden. Ik zal zien uw boodschap te doen, maar ik moet naar mijn schip keeren. Wel over!”

En zonder eenigen verderen last af te wachten, ijlde hij het paviljoen uit en sprong in zijn vaartuig over.

“Storm?” herhaalde de Graaf, verwonderd op het dek tredende. “Is de kerel dol? Het is het heerlijkste weer, dat men uitdenken kan.”

“Naar binnen, Graaf!” riep de schipper, die aan ’t roer stond, hem toe: “alle man op het dek! Bergt de zeilen!”

“Mij dunkt,” zeide Willem, de vermaning des schippers volgende, “dat ons gezag nu geheel naar de maan is. Straks praatte ik nog van gelijkheid; maar nu zie ik wel, dat de Keizer zelf geen baas zou zijn, als hij zich aan boord bevond.”

Niet lang echter kon hij zijn nieuwsgierigheid en ongeduld bedwingen. Hij trad weder naar den ingang van het paviljoen; maar hij bemerkte reeds dadelijk, dat de schipper de waarheid had gesproken. De gansche toestand der vloot was veranderd. Nergens was een zeil meer te aanschouwen: de zee had op eenmaal die gele, vale kleur aangenomen, die een geweldige, inwendige beroering verkondigt, en stak, sterk door de zon verlicht zijnde, krachtig af tegen de donkere en loodkleurige wolken, die, als een tooverslag opgewekt, uit het Oosten kwamen opdagen. Nog was het water stil om hen heen; maar het duurde geen twintig tellens, of de windvlaag, welke men van verre over de oppervlakte der zee zag aankomen, was nabij hen, en had het paviljoen omgeworpen, waarvan de rijke hangtapijten, nu als rag gescheurd, maar weerhouden door de sterke koorden, waaraan zij vast waren gemaakt, over het dek in de hoogte fladderden. Terstond snelden een paar matrozen toe en sneden die koorden los, zoodat nu dat geheele meesterstuk van kunst overboord vloog.

“Daar gaat onze heerlijkheid naar de visschen,” zeide de Graaf, met een gedwongen lach; maar eene kille huivering overviel hem, toen hij de kronen, waarmede het paviljoen versierd was geweest, ter prooi der golven zag. Hij had echter schier geen tijd tot denken; want op hetzelfde oogenblik ontlastten zich de wolken in zulke hagel- en regenbuien, dat het dek een stortvloed geleek, en de gansche krijgsdos der edelen en gewapenden in een oogenblik onkenbaarwas. Geen pluim was er meer, die niet gescheurd en druipend neerhing: geen wapenrok of mantel, waarin de hagelsteenen geen gaten hadden geslagen.

“Voor den duivel!” zeide Walcourt: “de Friezen zullen ons voor een koppel wilde eenden aanzien, als wij ons zoo aan hen vertoonen.”

“De Graaf had ook wel naar beneden kunnen gaan,” bromde Teylingen: “zoo hij er vermaak in schept, doornat te worden, ik zie volstrekt niet, waarom wij onze plunje moeten laten bederven.”

“Durft gij het hem niet voorstellen?” vroeg een ander edelman.

“Ik heb het reeds gedaan; maar hij vroeg mij, of wij van zout waren. Zie eens! mijn overrok is aan flarden gehageld; en mijn helm zal meer roestvlakken bekomen, dan of hij tien jaren in den dauw gelegen had.”

Terwijl zij zich dus beklaagden, stond de Graaf onbeweeglijk tegen den mast geleund. Deze schonk hem een gedeeltelijke beschutting tegen het onweder; echter had hij niet zoozeer daarom deze plaats uitgekozen: zijn oog bleef met een angstig ongeduld gevestigd op de overige schepen; en pijnlijk was de indruk, door die beschouwing teweeggebracht. De schoone orde, waarmede de vloot nog zoo kort geleden zeilde, was verbroken: het geweld van den wind, die ieder oogenblik veranderde, had de vaartuigen in een oogenblik over de oppervlakte der zee verstrooid: sommige schepen waren op zandgronden vastgeraakt, en hun half omgeslagen kielen leverden een onheilspellend schouwspel op: andere, wier manschap niet tijdig genoeg klaar geweest was, hadden den mast moeten kappen en met zeil en want overboord werpen: enkele, wier schippers stoutmoediger waren, of die door den breeden bouw minder gevaar hadden van om te slaan, hadden het fokkezeil bijgehouden, lensden op Gods genade voort, en waren spoedig uit het gezicht: de meeste echter werden nu her- dan derwaarts heengeslingerd.

De avond begon intusschen te vallen en het werd den Graaf hoe langer hoe moeilijker te onderscheiden, hoevele schepen hij nog bij zich had. Op eens kreeg hij van verre een licht in ’t oog.

“Wat kan dat zijn?” vroeg hij aan een bootsgezel, die nevens hem stond.

“Dat is Stavoren, uwe Genade,” was het antwoord: “en zoo de wind nog blijft aanzuidelijken, zitten wij binnen een paar uren op de Friesche kust.”

De Graaf ontving deze tijding zonder schrik; maar ook zonder genoegen. Zijn last was, dit had hij wel bespeurd, niet aan Beaumont kunnen gebracht worden: zijn schoone vloot was verstrooid, en hij wist niet, hoe lange tijd er verloopen zou, eer men de schepen weder bij elkander zou kunnen brengen en de orde van de landing herkrijgen. Hij pleegde nu raad met den schipper, die het meest raadzaam oordeelde, een poging te doen om voor Enkhuizen te ankeren en daar den dag af te wachten. Dit gelukte na eenigen tijd: de lantaren werd aan den mast geheschen, en werkelijk zag men dit sein door sommige vaartuigen herhalen, die hetzelfde voorbeeld gevolgd hadden. Dan niet lang hadden zij zich op die reede bevonden, toen de schepelingeneen hevige vlam ten noorden van Stavoren zagen opstijgen.

“Ha!” riep Willem, die op dit gezicht al zijn moed herleven voelde: “zij houden woord, mijn trouwe Zeeuwen! Hoe is de wind, schipper?”

“Nu sedert eenigen tijd stik zuidwest,” was het antwoord.

“Dan het anker gelicht en op die vuurbaak afgezeild! Sint-Niklaas is met ons!”’

“Ik vrees er voor,” zeide de bezorgde schipper: “het is hier zulk een vervloekt vaarwater, dat wij, bij nacht varende, machtig veel kans hebben om aan den grond te geraken.”

“Om ’t even! daar moet een poging worden aangewend. Ik kan mijn dappere strijdmakkers, dien kleinen hoop daar aan wal, niet hulpeloos laten. En dan? herschept dat vuur den nacht niet in een dag? daarop aangehouden, zeg ik: de gevolgen zijn voor mijne rekening.”

De schipper haalde de schouders op en gehoorzaamde; zijn voorbeeld werd door de nabij hen liggende schepen gevolgd en weldra stevende alles naar Norwert toe: maar ofschoon sommige vaartuigen den tocht voorspoedig volbrachten, bleek het echter, dat de angst des schippers niet voorbarig was geweest; want de grootste helft van het smaldeel raakte ieder oogenblik vast en kwam dus, òf niet, òf te laat, ter bestemmingsplaatse aan.

Het vaartuig, waarop de Bisschop zich bevond, had langen tijd omtrent gelijken koers met dat des Graven gehouden. Hoewel door gestadige zeeziekte gekweld, had Arkel echter niet zonder een geheim genoegen den bedroefden toestand der vloot waargenomen. Toen het duister begon te worden liet hij den schipper bij zich komen.

“Gij behoeft u zoo niet te haasten,” zeide hij: “ik ga slechts als toeschouwer mede: en als het donker is, kan ik toch niets zien.”

“Hoogwaardigste!” zeide de schipper: “ik vrees, dat, indien ik niet zooveel mogelijk koers op het noorden houde, wij te ver van het Grafelijk schip zullen afdwalen: want de wind zou ons oostwaarts drijven.”

“Zeer wel!” hernam de Bisschop; “maar ik heb geen trek om op het Enkhuizer Zand vast te raken. Doe mij het vermaak en poog zoo lang als gij kunt in ’t goede vaarwater te blijven.”

“Hoogwaardigste!” zeide de schipper verbaasd: “dan raken wij hoe langer hoe verder van de vloot en drijven misschien tot aan de Kuinder af.”

“Licht mogelijk:—en indien het niet anders kan,” zeide Arkel, die deze gevolgtrekking des schippers wel verwacht en daarop zijn gansche redeneering gegrond had, “dan zie ik er geen kwaad in, naar de Kuinder te trekken. Daar zijn wij op onzijdigen grond en toch aan de grenzen van Friesland.—Ja! steven gerust naar de Kuinder: als net dag is, kunnen wij altijd zien wat wij doen zullen.”

De schipper gehoorzaamde: en de gewapenden van ’s Bisschops gevolg, die het onderhoud niet vernomen hadden, waren niet weinig verwonderd, toen zij zich ’s morgens bij hun ontwaken in de haven van de Kuinder zagen. De Bisschop ging dadelijk met zijn geestelijken en verder gevolg aan land en trok naar het nabij de stadgelegene nonnenklooster van Sinte-Martha, waar hij besloten had van de reis uit te rusten en op nadere tijding uit Friesland te wachten, ten einde naar bevind van zaken te kunnen handelen.

Hij vond bij zijn aankomst een groote beweging in het gesticht. Er was den avond te voren een vreemde dame aldaar aangekomen, die naar Friesland toog, maar door het slechte weer verhinderd was geworden hare reis te vervolgen. Zij scheen een vrouw van aanzien te zijn; althans voor zooverre men zulks moest opmaken uit hetgeen de gids, die haar vergezelde, van haar dienaars en juffers vernomen had.

Men kan licht beseffen, welke verlegenheid en verwarring het onverwacht bezoek van den Bisschop bij de vrouw Abdis en haar vrome gezellinnen teweegbracht. In het afgelegen en weinig bezochte klooster van de Kuinder waren vreemdelingen een buitengewoon, een welkom verschijnsel, hetwelk voor een geheel jaar stof tot gesprekken gaf;—maar nu twee hooge personages te gelijk! een uitheemsche Vorstin!—want dit voor ’t minst moest de onbekende zijn: en het geestelijk hoofd van het Sticht.—Dat was te veel genoegen op eenmaal en bracht al de nonnenhoofdjes op hol. Waar zou men die beide bezoekers en hun gevolg plaatsen? Of de vreemde dame haar reis dien dag vervolgen zoude, was nog onzeker, want er waren reeds geruchten in omloop, dat men in Friesland met strijden bezig was:—haar weg te zenden, ware onchristelijk geweest:—en den Bisschop kon men nog veel minder terugwijzen.

Arkel kon niet nalaten, hartelijk te lachen, toen hij de verlegenheid der Abdis vernam: en zich terstond bij haar begevende, nam hij alle zwarigheid weg, door te melden, dat hij zich met elk vertrek, hoe klein ook, behelpen zou, en zijn stoet, op eenen lijfbediende na, naar de Kuinder terugzenden. Op deze wijze was alles spoedig geschikt: en niet lang daarna was de Abdis, recht opgeruimd en wel te moede, bij naar beide voorname gasten aan een goeden disch gezeten.


Back to IndexNext