1Het zijn twee gekken.2’t Is mogelijk; maar beiden hebben zij het hart welgeplaatst.3Made(’t Engelschemeadow) is een groen veld, hiervanzich vermeien,spelemeien, voor: zich op ’t veld vermaken.Zesde Hoofdstuk.Tot u koom ick om hulp, vermits u swarte flessenGaen dieper in gespoock als alle toveressen.Wat ick u bidden magh, laat my door uwe gunstEens sien, tot myn gerief, de krachten van de kunst.Cats. Spoock-liefde.Het was in den tijd, waarin onze geschiedenis voorviel, ja nog wel later, geene ongewone zaak, dat reizende zangers, vinders, meistreels of potsenmakers ter verkorting der middaguren bij groote Heeren werden ontboden: en nochl’Incomparabilenoch zijn hansworst, noch zijn aap, betoonden dus eenige verlegenheid, toen zij zich door een daartoe afgezonden page voor het edel gezelschap op het grasperk gevoerd zagen. De kist, door de kunstenaars medegebracht, werd nu ontpakt: al de aanwezigen plaatsten zich op last der Gravin in een wijden kring en ontvingen stipt bevel, de te verrichten toeren niet te storen, noch den kokeler te nauw op de vingers te kijken en hem zijn geheimen af te neuzen, want de Gravin behoorde tot die lieden, welke, niet vlug zijnde om het fijne van een kunstgreep te vatten, daarom juist niet gaarne zien, dat anderen die beter begrijpen dan zij.Zoodra de toestel in behoorlijke orde gebracht was, begon de hansworst, na een diepe buiging, een treflijke redevoering, waarin hij de schoone Gravin en haren doorluchtigen Echtgenoot boven alle andere vorsten van Europa verhief, en er breed van opgaf, dat de beroemde Barbanera zich alleen de verre reize naar Holland getroost had, om in de tegenwoordigheid van den Graaf aller Graven en den Veldheer aller soldaten gebracht te worden.“Een fraaie aanspraak!” zeide de Aartsbisschop van Trier tegen de Gravin, toen de nar algemeen werd toegejuicht: “jammer maar, dat ik die op mijn doorreize woordelijk door den spreker heb hooren opsnijden aan het Hof van Gelder, alleen met verandering van namen en titels.”“Onze waarde neef van Gelder zal zich toch niet beroemen dat hij nu reeds de Hertog aller Hertogen is, tenzij hij het sedert een paar dagen geworden zij,” antwoordde de Gravin, doelende op de Hertogelijke kroon, welke den Graaf van Gelder geschonken was, en die zij wist, dat door haren gemaal geweigerd zou worden.Onderscheidene toeren, door de drie kunstenaars met een gelukkig gevolg ten uitvoer gebracht, droegen, meer nog dan de aanspraak, de algemeene goedkeuring weg, welke echter, om een echt grammaticale spreekwijze te bezigen, aan den kwakzalver in den stelligen, aan den alwillensdwaas in den vergelijkenden, en aan den aapin den overtreffenden trap geschonken werd. Alleen het gelaat der Gravin had zijn koele stemming hernomen, welke zelfs, toen de kunstverrichtingen eenigen tijd geduurd hadden, door kennelijke teekenen van weerzin en ongeduld werden vervangen. Om deze verandering in hare gemoedsgesteldheid, welke door een al te haastigen lezer wellicht aan een vrouwelijke gril zoude kunnen worden toegeschreven, te verklaren, dient men te weten, dat de Gravin naar de kunstenaars niet zoozeer verlangd had, om hunne behendigheid in gewone goochelaars-kunsten te bewonderen (ofschoon deze de voorgewende reden ware): als wel omdat zij vernomen had, dat meester Barbanera het in de verborgene wetenschappen tot een hoogte gebracht had, welke de zoodanigen, die er getuigen van geweest waren, met verbazing vervuld had, en dat zij in ’t geheim vurig verlangde, eenige bewijzen zijner bekwaamheid in die vakken te vernemen. De gewone kunsten, hoe vernuftig ook gedacht en hoe behendig ook uitgevoerd, verwekten bij haar dus niets dan verveling, evenals dikwijls een wel uitgevoerd treurspel geen aandacht waardig is bij dezulken, die alleen om het ballet gekomen zijn: zij haakte naar het oogenblik, dat al die bekers en balletjes en kastjes verdwijnen zouden om voor de in haar oog meer belangrijke kunsten plaats te maken; maar, gelijk het doorgaans gaat, zij was beschroomd om daartoe stelligen last te geven, ja zelfs om hare geheime begeerte aan iemand mede te deelen. Eindelijk echter werd zij uit dien staat van ongeduld verlost, door een vraag, welke Treslong aan den hansworst deed, wat of er namelijk in den zak school, dien hij bij zijn komst zoo zorgvuldig onder de tafel geplaatst had.“Daar in dien zak,” was het antwoord, “zit het wonderbare glas, waarin mijn meester de toekomst leest.”“Ei! de toekomst!—en kunt gij die ook reeds verklaren, vriendje?”“Bij Sint-Julfus,” zeide de nar: “ik heb dagwerk om den menschen de dwaasheden te verwijten, die zij gedaan hebben, zonder dat ik er die behoef bij te voegen, welke zij zullen doen.”“Een goed antwoord,” zeide Treslong; “maar zoo het Mevrouw behaagt, zouden wij de geheimen van dat tooverglas ook wel eens willen kennen.”“Mijn vermaarde meester,” zeide de hansworst, “zou het uit eigen beweging niet gewaagd hebben, de kennis, welke hem zijn verborgen wetenschap van de bovenzinnelijke en bovennatuurlijke dingen verschaft heeft, op zulk een verheven gezelschap toe te passen: en hij zal daartoe niet overgaan dan op drie voorwaarden, waar de billijkheid aan een iegelijk van zal blijken.”“Men moet ze echter eerst hooren om ze te kunnen beoordeelen,” zeide de Heer van Teylingen: “welke zijn uw voorwaarden?”“De eerste is, dat het de uitdrukkelijke begeerte van Mevrouw de Gravin is, dat mijn meester zijn verborgene kennis ten toon spreide.”“Mevrouw de Gravin hoort wat die nar verlangt,” zeide Treslonglachende: “zal zij zoo goed zijn, een bevel dienovereenkomstig te geven?”“Het zij zoo!” zeide de Gravin, half tevreden en half wrevelig: tevreden, omdat aan haar wensch voldaan werd; wrevelig, omdat zij zulks bekennen moest.“Het tweede verzoek mijns meesters is, dat niemand het hem wijte, noch hem op de eene of andere wijze mishandele of benadeele, zoo altemet deze of gene zijner woorden iets bevatten mocht, dat min aangenaam in de ooren klonk.”Het voorhoofd van den Heer van Treslong fronselde zich en hij zag de Gravin vragende aan.“Deze bede is hoogst billijk,” zeide de Gravin: “en ik verwacht, dat niemand der aanwezigen zich tegen hare vervulling verzetten zal.”“Wat de derde betreft,” vervolgde de dwaas, een koddige buiging makende, “zij bestaat alleen daarin, dat het aanzienlijk gezelschap indachtig zij, hoe wetenschap boven vlugheid verheven is en dus op eene hoogere belooning aanspraak mag maken.”De Gravin knikte goedkeurend met het hoofd en wachtte nu, evenals elk ander, met ingespannen nieuwsgierigheid wat er volgen zou. Met behulp van zijn makker ruimde Barbanera alles wat hem hinderen kon van de tafel, plaatste er vervolgens een glas op van buitengewone grootte, vulde het tot op de helft met een doorschijnend vocht, hetwelk hij uit een lederen flesch schonk, en wierp er onderscheidene poeders in, waarna hij den bokaal weder toedekte. Straks werd men een zonderlinge werking in het glas gewaar: de daarin geworpen stoffen losten zich op en vormden onderscheidene gedaanten, naar ertsen en plantsoorten, ja zelfs naar dieren en menschen zweemende, verschillende van kleur en grootte. Nadat men gedurende eenige oogenblikken dit schouwspel had aangestaard, kondigde de hansworst aan, dat al wie zulks verkoos eenige vragen aan zijn meester kon doen.Geen mensch deed zich op; want, behalve dat niemand bij zulke gelegenheden gaarne het voorbeeld geeft, dorst men niet beginnen zonder de toestemming der Gravin, op welke alle blikken gevestigd waren.“Mevrouw!” riep eindelijk Treslong: “indien uwe Genade het voorbeeld niet geeft, zal niemand onzer de vermetelheid hebben het orakel te raadplegen.”“Wat zou ons lot ons kunnen schelen,” zeide de Aartsbisschop van Keulen, “indien wij niet omtrent dat onzer edele gastvrouw gerustgesteld waren.”“Hoe, Hoogwaardigste!” zeide zij glimlachende, “gij, die een Prelaat zijt, gij spoort ons aan, een duivelskunstenaar te raadplegen?””’t Zijn allemaal fratsen en narrepoetserijen,” hervatte de Dignitaris: “ik heb dat al meer gezien; maar het loopt op dwaasheid uit.”“Welaan dan,” zeide zij: “hoewel het ons weinig betaamt, zullen wij ons niet aan het algemeene verlangen onttrekken: doch wij begeeren,dat niemand ons volge, uitgenomen Yolente van Dampmartin en Ottilia van Naaldwijk: wij vrouwen,” vervolgde zij met een vroolijken lach, “vertrouwen ongaarne onze geheimen aan de ooren van zooveel bijstanders.”Men trad eerbiedig op zekeren afstand terug: de Gravin, door de twee jonkvrouwen vergezeld, begaf zich naar den kokeler, wien zij de vraag voorstelde, of zij nog lang met haren echtgenoot gelukkig zoude wezen. Barbanera boog zich eerbiedig, lichtte het deksel van het glas, stak er het eene einde van zijn tooverstaf in, en gaf haar het andere in de hand, terwijl hij zelf met een zilveren pijpje in het vocht blies.Terwijl zij des meesters voorschrift opvolgde, gaf, ondanks haar voorgewende bedaardheid, het trillen van het glas haar heimelijken angst te kennen: de waarzegger zag haar beurtelings scherp in de oogen en dan weder in het glas. Op eens trok hij de wenkbrauwen saâm; de Gravin ontstelde en zag in het glas: het vocht was op eenmaal zwart geworden, en de zich daarin bewegende gedaanten zwommen als paarlen of tranen heen en weder. Het gelaat der schoone vrouw werd bleek als een doek.De omstanders, die de vraag niet gehoord, doch wel de kleurverandering der Gravin bespeurd hadden, stonden verbaasd en verstomd. Treslong deed een stap voorwaarts: maar trad weder terug, toen hij bemerkte, dat de zwarte tint na eenige oogenblikken weder verdwenen was en alles zich in het glas voordeed als te voren.Nu stak Barbanera het hoofd naar de Gravin: en de tooverroede terugnemende, fluisterde hij haar de navolgende voorspelling in ’t oor:“Sombres jours bientôt viendront:Haults Seigneurs trépasseront;Paix et lesse jâ suivront:Lis et roses fleuriront.”1Teffens wees hij op het glas, waar de Gravin, òf werkelijk, òf door een spel van hare verbeelding, een bloemkransje op den bodem zag liggen.“Het slot vergoedt het begin,” zeide zij zuchtend: “ik verlang verder niets te weten. Mejuffers!” vervolgde zij tot de haar omringende dames, zoodra zij naar hare plaats gekeerd was:—“ik raad geene van u allen aan, den meester te gaan raadplegen. Het is een te gevaarlijk spel voor vrouwen.”“Het zal derhalve onze beurt worden,” zeide ’s Graven vertrouweling, de Heer van Naaldwijk: “wat mij betreft, ik geef er niet om of iemand de vraag en het antwoord hoore. Heksenmeester!”vervolgde hij, “een stuk geld op de tafel werpende: zeg mij slechts of mij een lang leven is toegedacht?”De waarzegger stelde hem het stokje ter hand: maar nauwelijks stak de Ridder het in ’t water of hij zag de kleur daarvan in die van bloed veranderen, terwijl hem Barbanera toeriep:“Arc est tendu et flêche preste,Qui bientot férira ta teste.”2“Het zij zoo!” hernam Naaldwijk, nadat hem Deodaat, op zijn verzoek, de beteekenis dier woorden had doen kennen: “ik zal dan voor ’t minst een krijgsmansdood sterven.”“Zal mijn lot even voorspoedig wezen?” vroeg de Heer van Spangen, terwijl hij den wichelaar zijn gift aanbood.Ook hij zag dezelfde bloedkleur.—“Hou thans uw Fransch maar voor u,” zeide hij: “ik heb aan dat teeken genoeg.”“Wanneer ik sterven zal, is mij vrij onverschillig,” zeide Walcourt: “zeg mij, zoo gij kunt, wie mij dooden zal,” en, den staf met een vaste hand aangrijpende, stak hij dien in ’t vocht.Meester Barbanera beschouwde een wijl de zich daarin voordoende gedaanten, en op eene er van wijzende, die naar een dorschvlegel zweemde, zeide hij:“De vilain ignoble fléauVous occira sur le préau.”3Andere Ridders en Edellieden volgden: en bijna ieder ontving een onheilspellend antwoord. Het was niet onbelangrijk op te merken, hoe elk hunner zich in deze omstandigheid gedroeg. Sommigen lachten overluid: doch hun gedwongen houding toonde genoeg aan, hoe weinig zij innig tot vroolijkheid gestemd waren: anderen zagen den toovenaar met een gramstorigen blik aan: enkelen bleven, in diep gepeins verzonken, zijn voorspelling overdenken.“En gij, mijn Heer van Beaumont!” riep Naaldwijk dezen Edelman toe, die met Aylva stond te praten: “zijt gij niet nieuwsgierig om uw lot te vernemen?”“Ik zie niet,” antwoordde Beaumont, “dat de wetenschap, die gij allen hebt opgedaan, u veel profijt heeft bezorgd.”“Komaan! Komaan! laat u overhalen!” klonken verscheidene stemmen: “het is immers slechts een spel.”“Indien het u aangenaam kan zijn, welaan dan,” zeide Beaumont: “zeg mij, waarzegger! of ik in het lot van al die brave Heeren deelen zal; want mij dunkt, dat er een groote slachting onder hen zal plaats hebben.”“En tout temps te gardera DieuD’eau, de fer, de bois et de feu.”4was het antwoord des waarzeggers.“Waarlijk! gij meent het wel met mij,” zeide Beaumont lachende, “en hebt op eene dubbele belooning recht. Komaan, mijn Heer van Aylva, het is uwe beurt.”“Kunt gij raden wat ik u vragen wilde?” zeide deze tot den profeet.Nauwelijks had meester Barbanera hem in de oogen gezien of hij wenkte de omstanders terug te treden.“Hoe nu!” zeide Aylva, verbaasd het stokje in de hand nemende, “mag niemand het antwoord hooren?””Ricordatevidi Bianca di Salerno,”5fluisterde hem de waarzegger in ’t oor.“Madre di Dio!” riep Aylva sidderend uit.Op het hooren van dezen kreet kwamen de omstanders weder naar voren; waarop de kokeler terstond overluid deze regels volgen liet:“Il cane la brebis mangea,Mais l’agnel tôt reviendra.”6“Mensch!” zeide Aylva: “van wien hebt gij deze dingen?”Doch Adeelen was hem reeds voorgetreden. “Elk zijn beurt, vriend Aylva!” zeide hij: “kom, meld mij eens, kokeler! of Friesland nog lang vrede zal hebben. Maar spreek mij geene vreemde talen, die ik toch niet versta.”Barbanera bedacht zich een oogenblik, en terwijl het water weder de bloedkleur aannam, zong hij het referein van een Platduitsch liedje:“Waert up de fruntering!De Viant ist da.”7“Men moest een ezel zijn, om dit niet te begrijpen,” zeide Adeelen, terwijl hij vergenoegd aftrok.“Zal ik goede tijding uit Verona hebben?” vroeg Deodaat, aan wien Reinout deze vraag had geopperd.—Het antwoord was:“Nouvelles qui vous parviendront,Joies et douleurs vous causeront.”8“Men behoeft geen toovenaar te zijn om zulk een antwoord te geven,” zeide Reinout, en zijns makkers plaats innemende, vroeg hij, of hij de schoone zangster zou leeren kennen, wier maatgeluid hem verrukt had, en bekwam het navolgend orakel:“De Sirènes le chant plaira;Mais male mort s’en suivera.”9“En gij, eerwaardige Abt!” vroeg Treslong aan vader Volkert: “wilt gij ook de wijsheid des kunstenaars niet beproeven?”“Ofschoon ik zijne waarzeggingen voor dwaze en onbeduidende praktijken houde,” antwoordde de Abt, “wil ik echter, uit achting voor het aanzienlijk gezelschap, hem eene vraag voorstellen. Ik begeer geenszins het toekomende uit te vorschen, daar zulks in iemand van mijn karakter hoogst ongepast ware; doch zal hem alleen naar het tegenwoordige vragen. Zeg mij nu, toovenaar! dragen al de Monniken van Sint-Odulf hunnen Abt in hun gemoed de achting toe, die zij hem verschuldigd zijn?”Een algemeen gelach ontstond toen de waarzegger antwoordde:“Souvent qui porte mîtred’Abbé n’a que le titre.”10“Lacht zooveel gij wilt, mijne Heeren!” zeide vader Volkert: “zooals zij dan wezen moge, ruil ik mijne waardigheid tegen geene andere: want in Sint-Odulf heerscht rust en vrede, ’t geen men niet van alle conventen zeggen kan: en ik ben meer heer in mijn klooster dan Jan van Arkel in zijn Bisdom, waar hij van verdriet is uitgeloopen.”“Kent gij den Bisschop van Utrecht?” vroeg Beaumont.“Hij is kort na zijn verheffing onze kloosters komen bezoeken.... een schoon jongeling was hij, en wien de mijter wèl stond, dat mag gezegd worden:—hij kwam eerst te Sint-Odulf: en toen gaf ik hem op zijn reis naar de andere kloosters onzen broeder Syard mede, die hem overal heeft rondgeleid en alles verklaard, of ik het gedaan had.... maar nu, gij, mijnheer van Treslong, die mij aangespoord hebt om den kokeler te gaan raadplegen, gij lacht mij uit en zijt zelf nog niet bij hem geweest.”De Ridder zag hem glimlachende aan, en naar Barbanera gaande, nam hij den tooverstaf uit diens handen. Maar nauwelijks had hij dien in het vocht gestoken, en de vraag gedaan of hij slagen zou in de onderneming, welke hij in den zin had, of de waarzegger zag hem met smeekende oogen aan, wrong de handen en viel op de knieën neder.“Hoe nu, schurk! wat heeft dat te beduiden?” vroeg Treslong.“Perdonatemi, illustrissimo Signor conte!” riep Barbanera als in doodsangst uit: “ma non posso dir11....”“Gij kent mij!” zeide de Graaf; want het was Willem IV zelf, die gewoon was zijn rang af te leggen wanneer hij met zijn hovelingen aan ’t spelen was, en zulks dezen avond langer dan gewoonlijk had volgehouden, eerst om zich met de Friezen te vermaken en vervolgens om den toovenaar te misleiden:—“Welnu! wat zegt uw orakel?”Barbanera liet het hoofd op de borst vallen, sloeg de oogen neder, kruiste zijn armen en mompelde toen:“Non vié altro oracolo che quello del conte di Gelria12.”“Ellendige!” riep de Graaf vertoornd uit en wierp den tooverstaf met geweld van zich af. Ten einde de uitwerking van des waarzeggers woorden te verstaan, dienen mijn lezers zich te herinneren, dat de oude Graaf Reinout van Gelder, toen hij Willem IV als kind ten doop hield, de voorspelling gedaan had, dat zijn petekind eenmaal door het zwaard der Friezen zou omkomen. Hoewel niemand en vooral de Graaf zelf ooit veel gewicht had gehecht aan de taal des ouden mans, dien men als half zinneloos beschouwde, liet de aanhaling daarvan, op zulk een oogenblik en bij een zoo zonderlinge gelegenheid, niet na, een diepen indruk op het gemoed der aanwezigen te maken.Aylva was de eerste, die de stilte brak, welke dit voorval had doen ontstaan. Eerbiedig naderde hij Willem en, zich ontdekkende: “Heer Graaf!” zeide hij: “vergeef het mij, die u vroeger reeds herkend had, zoo ik u niet eer de hulde heb bewezen, die u toekomt; maar ik had uw verlangen, van onbekend te blijven, geraden en geëerbiedigd. Het voegde mij niet, ongeroepen het woord tot u te voeren; maar de taal, door gindschen bedrieger gesproken, maakt het mij tot een plicht, u te verzekeren, dat, zoolang de Friezen in u een goeden en gunstigen beschermer vinden, gij van Friesche zwaarden niets zult te vreezen hebben.”“En ik waarborg u,” voegde Beaumont er bij, “dat uwe Genade geen waardiger en getrouwer vriend kunt hebben dan den Heer van Aylva, althans zoo hij nog dezelfde is, die hij voor vijf en twintig jaren was.”“Wij danken u, waardige Aylva,” zeide de Graaf, hem bewogen de hand toereikende: “wees verzekerd, dat ons het welzijn van een gewest, waarin wij zulke getrouwe vrienden bezitten, op ’t naaste aan ’t harte ligt. Vergeef ons, zoo wij ons niet dadelijk aan u bekend hebben gemaakt; maar wij moesten den dag van morgen aan onze waardigheid geven en daarom wilden wij dien van heden buiten den band der plichtplegingen doorbrengen.”“De Heer van Aylva had er wel bij mogen voegen, dat hij thansuit zijn eigen naam sprak en niet als afgevaardigde van Friesland,” zeide Adeelen halfluid tegen den Abt.“Stil! stil!” voegde hem deze zachtjes toe: “onze vriend is een wijs man; maar hij vergeet somtijds dat hij mede-afgevaardigden heeft. Intusschen voegt het ons, insgelijks den Graaf te gaan begroeten.”“Ik zal wachten, dat hij zelf mij aanspreekt,” hernam Adeelen: “o! dat ik hem eerder gekend hadde, ik had liever deze hand afgekapt dan dat ik ze hem had toegestoken.”“Gij zijt toch niet verstoord op ons, mijne goede Heeren!” zeide de Graaf, op datzelfde oogenblik minzaam tot hen tredende. “Wij hebben gehoord, dat er hedenmorgen een uwer in den Hout onaangenaamheden heeft gehad. Deze zaak zal onderzocht worden. Reeds hebben wij een der aanstokers van dat geschil, een boschwachter, die in onzen eigen dienst was, zijn afscheid doen geven.”De Abt boog zich met eerbied. Adeelen maakte een stijve buiging en bleef toen strak voor zich kijken.“Gij hebt zoo straks uwe hand aan den Heer van Treslong gegeven,” vervolgde Willem: “zult gij die aan den Graaf weigeren?”Adeelen stond nog roerloos. Beaumont, die een uitbersting vreesde, trad haastig tusschen beiden.“Het is niet aan den afgevaardigde van Friesland,” zeide hij, “het is aan Jonker Seerp Van Adeelen, dat Willem van Henegouwen de hand biedt.”“Seerp Van Adeelen heeft vrijwillig de hand aan den heer van Treslong gegeven,” zeide de weerbarstige Fries: “den Grave komt òf de hulde òf den handschoen van Frieslands afgevaardigde toe.””’t Is genoeg,” zeide Willem, die zich, zonder naar deze taal te luisteren, reeds had omgewend:“on ne scauroit faire boire un asne s’il n’a soif13.”“Mevrouw de Gravin! zou het uwe goedkeuring wegdragen, indien we de paarden lieten opzadelen?”De Gravin boog zich toestemmend: en het gezelschap, dezen wenk verstaande, maakte de noodige toebereidselen om te vertrekken.“Wat belieft uwe genade, dat met deze kokelers gedaan worde?” vroeg Reinout aan den Graaf, terwijl hij op Barbanera wees, die, met behulp van zijn makker, den toestel bereids weer had ingepakt.“Mij dunkt, zij zouden een groot versiersel zijn voor den kastanjeboom op het achterplein,” zeide Naaldwijk.“Dat men hen met zweepslagen den Vogelesang afdrijve,” zeide Willem op een gestrengen toon.“Mijn edele Heer!” riep de Gravin, hem bij de hand nemende: “zij hebben mijn woord in uw bijzijn ontvangen, dat men hun geen leed zou doen.”De Graaf bedacht zich eenige oogenblikken. “Welaan!” zeide hij vervolgens: “breng hun een paar gulden: en daarbij onzen stelligenwil, dat zij na vier en twintig uren zich niet weder in onze Staten vertoonen, op straffe van aan den Rechter te worden overgeleverd, als schuldig aan duivelskunstenarijen. Gij hebt ons verstaan, Reinout! zorg dat zij het wel begrijpen:—en deel onzen last aan den Schout van Haarlem mede, dat hij voor de uitvoering zorge.—En nu, mijne Heeren! is het tijd van gaan. Wie ons liefheeft, volge ons.”In weinige oogenblikken was de gansche stoet te paard gezeten en naar Haarlem in aantocht. Alleen Reinout en Deodaat bleven een poos achter, om den kokeler ’s Graven besluit mede te deelen, en volgden toen, ofschoon op eenigen afstand, den trein.Het was eerst nabij het oude Johanniter-klooster, dat zij dien weder in ’t oog kregen en zagen, dat de Friezen, waarschijnlijk om den Graaf eer aan te doen, niet afstapten, maar mede naar Haarlem reden. “Hou even op,” zeide Reinout: “ik krijg daar een inval.”“Deze of gene zottigheid?” zeide Deodaat.“Neen, in ernst!—Wij hebben den avond vrij: laat ons dien besteden om achter het geheim te geraken, dat mij zoo na aan ’t harte ligt.”“Wat zijn uwe voornemens?”“Volg mij, en gij zult die vernemen,” antwoordde Reinout, terwijl hij rechtsaf een weg insloeg.“Gaat gij verre?” vroeg Deodaat: “ik ben vermoeid en verlang hartelijk naar mijn bed.”“Niet verder dan de hut van Walger den boschwachter, waar wij onze paarden zullen laten,” antwoordde Reinout.“En dan?”“En dan!—maar gij bezit niet de minste verbeeldingskracht! Dan sluipen wij naar het klooster, trachten onze schoone zangster te ontdekken....”“Beklauteren de muren, rooven haar weg, slaan alles dood, en voeren onzen buit naar ons paleis te Verona:—is dat uwe bedoeling niet?”“Niet volkomen!” antwoordde Reinout, lachende in weerwil van zich zelven: “indien wij haar slechts kunnen zien en hooren, dan ben ik voldaan.”“Ik beken u van harte, dat ik al zoo lief op mijn bed lag en van daar die hemelsche tonen hoorde:—zoo wij eens betrapt worden, terwijl wij rondom dat klooster dwalen, zal onze ontdekkingsreis stofs genoeg opleveren tot een maand bespotting.”“Welnu! laat mij dan alleen gaan,” zeide Reinout, wrevelig: “ik geloof inderdaad, dat men alleen beter tot zulk een tocht geschikt is.”“Reinout!” zeide Deodaat, het hoofd langzaam schuddende: “dat heb ik niet aan u verdiend!—Gelooft gij, dat ik u verlaten zou, hoe zot het avontuur dat gij voorhadt ook wezen mocht?”“Vergeef mij,” zeide Reinout: “heb slechts de goedheid mij niet weer te kwellen; gij weet, wanneer ik verliefd ben, versta ik geen boert.”Gedurende deze woordenwisseling waren zij de woning des boschwachtersgenaderd: deze was tegen een klein duintje gelegen, en van den zijweg, waarop de vrienden zich bevonden, afgescheiden door een scherm elzenhakhout en door twee zware wilde kastanjeboomen, die thans in vollen bloei stonden, en tusschen welke het pad lag, dat dwars door het hakhout naar den ingang der woning geleidde. De Ridders stegen af, en terwijl Reinout de paarden aan den boomstam bond, begaf zich Deodaat naar de hut, om den boschwachter of iemand der zijnen te roepen, ten einde bij de paarden te blijven en die te bewaken, zoolang zij op hunne ontdekkingsreis uit waren.1Droeve dagen zullen komen:Groote heeren zullen sneven;Vrede en vreugde zullen volgen:Roos en lelie zullen bloeien.2De boog is gespannen, de pijl gereed,Die ras uw hoofd zal treffen.3Eens dorpers onedele vlegelZal u op het veld doodslaan.4God zal u altijd bewarenVoor water, staal, hout en vuur.5Herinner u Bianca van Salerno.6De hond heeft het schaap opgegeten;Maar het lam zal weldra terugkomen.7Waakt op de grenzen!De vijand is daar.8De tijdingen, die u zullen komen,Zullen u vreugd en leed veroorzaken.9Der Sirenen lied zal behagen;Maar droeve dood er op volgen.10Dikwijls heeft hij die een mijter draagtAlleen den titel van Abt.11Vergeef mij, doorluchte Heer Graaf; maar ik kan niet zeggen....12Er is geen ander orakel dan dat des Graven van Gelder.13Men kan geen ezel doen drinken zoo hij geen dorst heeft.Zevende Hoofdstuk.O hemel! ja! dus was haar spraak, haar tred, haar wezen:Zij is het.Alzire.Daar de deur half aanstond, behoefde Deodaat zijn komst door geen geklop aan te kondigen, maar trad onverhinderd binnen. Het verblijf van Walger bestond uit een vrij ruim vertrek, waarvan een derde was ingenomen of overdekt door den wijd vooruitstekenden schoorsteenmantel, binnen welks omvang een paar zijden spek, eenige gevilde en ruige konijnen en een menigte netten en vischwant hingen te drogen. Een tafel van ruw hout, die nabij het venster stond, een paar zitbankjes en jachtgereedschappen van allerlei vorm en gebruik, maakten de eenige meubelen uit, waarmede overigens dit verblijf was voorzien.De zon was sedert een geruimen tijd ondergegaan, en de schaduw, welke de breede kruinen der beide kastanjeboomen om zich neerwierpen, had over al de voorwerpen, die zich in de stulp bevonden, een duisternis verspreid, waaraan de oogen van hen die zich binnen bevonden, reeds gewend waren, maar welke Deodaat, die van buiten kwam, belette, den vorm of de kleur van eenig ding duidelijk te onderscheiden. Alleen de smeulende gloed van een paar kluiten afgestoken derrie, die op den haard lagen, wierp een flauwen schemerschijn om zich heen, en deed al de voorwerpen op eene nog ongewisser en fantastischer wijze uitkomen.Het eerste, wat onze Ridder bij het inkomen bespeurde, was eene aan de tafel zittende gedaante, welke hij voor de vrouw des boschwachters hield, en die een pak, dat naar een kind geleek, op den schoot had. Zonder verder rond te zien naderde hij dit vrouwelijk wezen:“Vrouwtje!” zeide hij: “kunt gij of uw man even buiten komen om onze paarden vast te houden?”De gedaante hief het hoofd op met een half versmoorden kreetvan schrik (want zij had de komst van Deodaat niet opgemerkt); doch antwoordde, zich terstond herstellende: “ik ben de vrouw van den boschwachter niet; maar ’t zal nu moeilijk schikken u te helpen.”De stem was zoo zoet en welluidend, en deed zich in zulk een zachten tongval hooren, dat Deodaat een oogenblik verlegen en opgetogen van verwondering bleef staan: “Vergeef mij,” zeide hij vervolgens: “ik heb, geloof ik, een dommen streek begaan; maar de duisternis belet mij te zien tot wie ik spreek, en welk een titel ik moet geven aan haar, die mij de eer aandoet van mij te antwoorden.”“Aha! zijt gij het?” vroeg een ander lief stemmetje, ’t welk aan een jong meisje toebehoorde, dat van achter de schouwe uit een donkeren hoek kwam opdagen.“Mijn mooi Friezinnetje van hedenmorgen!” riep Deodaat vroolijk uit, die Sytsken herkende aan haar uitspraak zoowel als aan haar kleine gestalte en vluggen lichaamszwaai.“Wacht!” hernam Sytsken: “ik zal licht opsteken; want de kat alleen kan in deze duisternis zien. Vrouw! waar bewaart gij de lamp?”“Achter, op den schoorsteenrand,” antwoordde, uit de in den donkeren hoek aanwezige bedstede, een flauwe stem, welke Deodaat voor die van des boschwachters huisvrouw herkende.Het kleine Friezinnetje klom op een bank en kreeg niet zonder moeite de lamp van hare plaats, waarna zij gehurkt bij het vuur ging zitten om licht te verschaffen; maar vruchteloos bracht zij het eene aangestokene strootje voor en het andere na bij de pit: het vlammetje was uit eer de olie vuur vatte.“Ik zal zien of ik u helpen kan,” zeide Deodaat, toen het meisje over haar mislukte pogingen onverduldig werd: “de tocht door dien schoorsteen blaast de vlam uit:” en zich op de eene knie naast haar nederlatende, dekte hij het aangestoken vlammetje met zijn toppermuts tegen de lucht, die van boven kwam, waardoor een herhaalde poging gelukkiger slaagde.Het licht werd nu op de tafel geplaatst; maar, was de verbazing van Deodaat groot geweest, toen hij de liefelijke stem der onbekende gehoord had, hij stond nu als opgetogen, toen hij haar, die zoo bevallig gesproken had, mocht aanschouwen.Voor zooveel men, nu zij gezeten was, haar gestalte kon beoordeelen, was zij rijzig van postuur; doch haar fijne leest was gewikkeld in een zwarten zijden mantel, die niets liet bespeuren dan de bevallige ronding van een leliewitten arm, die, tegen de toen algemeen heerschende mode, tot boven den elleboog bloot, en om het lijf van een ziekelijk kind, dat op haar schoot zat, geslagen was. De kap van den mantel bedekte het hoofd, en was onder de kin vastgestrikt, doch liet echter vrijheid om de edelste en tevens innemendste wezenstrekken te beschouwen, welke immer in het hart eens jongelings liefde verwekt hebben. De strenge regelmaat des beloops van neus en voorhoofd, welke aan het profil der Grieksche Juno herinnerden, was getemperd door den zachten, minzamen opslag van tweegroote, helder hemelsblauwe oogen, overwelfd door gitzwarte wenkbrauwen, zoo zuiver van omtrek, als waren zij door een penseel gevormd, en door de kuiltjes, welke in de van gezondheid schitterende wangen en in de ronde kin als tot een schuilplaats voor de bevalligheden gevormd waren. Een klein vlekje ter zijde der bovenlip, in stede van het gelaat te ontsieren, stak geestig af tegen de blanke tinten van het fijne, met blauwe adertjes gemarmerde vel, en verhoogde de levendigheid van uitdrukking der wezenstrekken, vooral wanneer zij zich tot een lachje saamtrokken, en de half geopende rozemond de dubbele rij der hagelwitte tandjes ontdekken liet.“Bij mijn ziel!” dacht Deodaat: “Reinout heeft een heerlijken inval gehad: en ik gun hem zijne zangeres, zoo ik dezen lieven engel op mijn gemak mag blijven beschouwen.—Waarlijk, bevallige Jonkvrouw!” vervolgde hij, overluid: “ik dacht weinig, dat de nederige stulp van Walger met zulke bezoeken vereerd werd. Zij strekte menigmalen tot een verzamelplaats voor de jagers; maar zij zou nimmer ledig zijn, indien men altijd zeker ware, er zulke gasten aan te treffen.”Nauwelijks had hij dezen volzin geëindigd, of hij werd knorrig op zich zelf en vond de geüite plichtpleging laf, ontijdig en ongepast. Het antwoord der schoone versterkte hem in deze opvatting.“Ik geloof niet,” zeide zij, op een vriendelijken, maar gevoelvollen toon, “dat de jagers, waar gij van spreekt, veel genoegen zouden vinden in een zoo droevig schouwspel als hetgeen deze plaats thans verschaft,” en zij wees den Ridder naar de bedstede, waar hij nu eindelijk een geestelijke ontdekte, oogenschijnlijk gereed de plichten van zijn heilig ambt waar te nemen bij een vrouw, welke op het leger lag uitgestrekt.“Is de vrouw van Walger ziek?” vroeg Deodaat.“Er is een ongeval gebeurd,” antwoordde de onbekende: “zij heeft een wond aan het hoofd bekomen.”“Ja freule!” voegde Sytsken er bij: “zoo gij dat een ongeval noemt.... alsof het niet de schuld van dien boozen boschwachter ware: dat het een rechte smijtersbaas is, heb ik van morgen al opgemerkt.”“Ik heb al meer bespeurd,” zeide Deodaat, het hoofd schuddende, “dat Walger de beste man niet was. Wel Elske!” vervolgde hij, naar de bedstede gaande: “hoe staat het er mede?”“Ik hoop dat het schikken zal, Ridder!” antwoordde Elske, moeite doende om met het hoofd te knikken: “haddendezebrave menschen mij niet geholpen, ik ware er om koud geweest.”“Stil!” zeide de geestelijke, die onbeweeglijk naast de bedstede zittende, haar polsslag gadesloeg: “gij moet zoo min mogelijk spreken.”“Corpo di Bacco!” klonk op eens de stem van Reinout, die met vrij wat gedruis binnentrad: “moet ik tot morgen bij de paarden blijven?”“Bedaar wat,” zeide Deodaat: “hier is een zieke.”“En gezonden ook, naar ik merk,” hernam zijn vriend, rondziende: “’t verwondert mij niet, dat gij mij in zulk gezelschap vergeet. Zult gij mij het genoegen doen, mij aan deze jonkvrouwen voor te stellen? want zeker hebt gij reeds kennis gemaakt.—Madre di Dio! deze hier heb ik meer gezien.” Dit zeggende pakte hij Sytsken bij den arm, die zich haastig losrukte.“Jongeling!” zeide vader Syard, (want deze was de monnik, die naast net ziekbed zat) oprijzende, en met een streng gelaat naar hem toetredende: “bewaar uw loszinnigheid voor het hof van Graaf Willem: daar mag zij misschien behagen! hier is zij ongepast.”“Vergeef mij, Pater!” zeide Reinout, zonder zijn spotachtigen toon te laten varen: “ik had u niet gezien: en ik wist niet, dat deze schoonen zoo gelukkig waren u tot haar beschermheer te hebben;.... maar zoo ik mij wel bezin,” voegde hij er bij, op eens van toon veranderende: “draagt gij niet het ordekleed van Sint-Benedictus?”De monnik knikte toestemmend.“En dit meisje was het, dat hedenmorgen onze hulp voor Seerp Van Adeelen inriep?”“Dat was ik,” zeide Sytsken: “en nogmaals dank voor uw bijstand.”“En deze daar,” vervolgde Reinout, met klimmende belangstelling, terwijl hij de onbekende met opgetogen verbazing beschouwde: “behoort ze ook bij u?”“Wij zijn de Jonkvrouw hier gevolgd,” antwoordde vader Syard.“Ik ben een zot, een ezel!” riep Reinout, zich voor het hoofd slaande, “vergeef mij, schoone Freule, zoo ik eene, eene enkele uitdrukking gebezigd heb, die uw toorn verwekken kon.”“Er was geen opzet tot beleediging,” zeide de onbekende op een vriendelijken toon: “hoe zou ik dan toornig zijn.””’t Is hare stem, bij alle Heiligen!” zeide Reinout: “en gij liet mij buiten staan, Deodaat!”“Ik zou u juist zijn gaan roepen,” zeide Deodaat.“Maar, wat zegt gij toch?” zeide de Jonkvrouw, die niets van den uitroep van Reinout begreep, terwijl zij eerst dezen, en vervolgens de overigen verlegen aanzag.“Waarlijk ja,” zeide Deodaat halfluid tegen zijn vriend: “nu meen ik ook de stem te herkennen.”“Meenen!—Zoo gij het minste gevoel in uw ziel bezat, zoudt gij er zeker van zijn zoowel als ik,” hernam Reinout opgetogen.“Ik geloof, dat die Heeren gek zijn,” zeide de onbekende tegen Sytsken, terwijl zij opstond en haar het kind overhandigde: “zij hebben mij nooit hooren spreken.”“Neen, maar wel zingen,” zeide Reinout: “en de ooren, die eens de melodie uwer stem dronken, zullen haar nimmer meer met een andere verwarren.”“Hoe!” zeide de Jonkvrouw, sterk blozende: “gij hebt....”“Vergeef ons, edele Freule!” zeide Deodaat: “wij zijn onbescheiden geweest. Dezen achternoen bevonden wij ons toevallig in denhof van het oude Sint-Jans-klooster.... en het was vergeeflijk, dat wij niet vertrokken, voordat de hemelsche muziek geëindigd was, die ons daar mocht boeien.”“Ik dacht niet dat iemand mij hoorde buiten Sytsken,” hernam de onbekende: “had ik geweten, dat zulke kenners, die beter zang gewend zijn, naar mij luisterden, ik had wel gezwegen: doch kom! ik verpraat mijn tijd.... en die arme vrouw ligt ondertusschen te steunen. Hoe gaat het nu, vrouwtje?”Dit zeggende, plaatste zij zich naast het bed.“En dat meisje, dat niet terugkomt,” zeide Sytsken: “en de Olderman en Seerp Van Adeelen, die misschien al ongerust zijn over uw uitblijven.“Dat zal zich wel schikken,” hernam de Jonkvrouw: “lang mij even dat kommetje aan: ik moet het linnen nog eens betten.”Sytsken leide het kind op het bed, en hield een kommetje met azijn en water voor hare schoone meesteres, terwijl deze met den linkerarm het hoofd der lijderes ondersteunde en met de rechterhand het verband der wond bevochtigde. Deodaat nam dadelijk deze gelegenheid waar om nuttig te zijn: en de lamp van de tafel nemende, hield hij het licht bij. In dien tusschentijd verzocht Reinout den monnik, hem te willen verhalen, wat er voorgevallen was, en bood zijn hulp aan, voor zooverre hij van eenigen dienst kon wezen.“Het is ongeveer twee uren geleden,” zeide vader Syard, “dat een klein meisje, naar ik meen het dochtertje van deze vrouw, aan ons verblijf kwam aankloppen en schreiende aan den dienaar, die haar inliet, verhaalde, dat haar vader hare moeder doodgeslagen had.”“Dat is niets nieuws,” merkte Reinout aan: “dat doet Walger alle maanden eens; maar ga voort, Pater.”“De twist scheen daaruit ontstaan te zijn, dat er in de afwezigheid des mans iemand vanwege den Graaf is gekomen met de boodschap, dat men zijne diensten als boschwachter niet meer noodig had, uithoofde hij zich hedenmorgen in den twist met Seerp Van Adeelen gemengd had.”“Inderdaad, nu herinner ik mij, iets van zulk een bevel gehoord te hebben.”“De man, die wel beschonken te huis kwam, geraakte op het hooren dezer tijding en van de verwijtingen zijner vrouw bij die gelegenheid zoo in toorn, dat hij haar met het hoofd tegen de steenen smeet:—wanende dat zij dood was, nam hij de vlucht.”“Laat hij wegblijven: een schurk minder in de buurt.”“Men kwam mij dit alles boodschappen, terwijl de afgevaardigden, als u bewust is, afwezig waren. Ik bevond mij juist bij de Jonkvrouw, die terstond begeerde het meisje te zien. Na het ongeval uit haar mond vernomen te hebben, besloten wij het kind te volgen, in de hoop, dat zoowel geneeskundige als geestelijke hulp nog tijdig genoeg mocht komen. Wij vonden de vrouw nog altijd bezwijmd, en een kleiner kind kermende op het bed. Met Gods hulpbrachten wij haar weder tot haar zelve en de Jonkvrouw verbond de kwetsuur, welke ik mij vlei, dat weldra genezen zal, zoo er geene koorts of ontsteking bij komt.”“Men beweert,” zeide Deodaat, die mede aandachtig had toegeluisterd, “dat hoofdwonden in dit land nogal niet gevaarlijk zijn.”“Dit schijnt de ondervinding te bevestigen,” zeide de monnik.“Er zijn wonden, die even snel geslagen worden en wier genezing onmogelijk is,” zeide Reinout, de Friesche Jonkvrouw met een smachtenden blik aanziende. Zij sloeg echter geen acht op zijn ontijdige liefdesverklaring, daar zij bezig was, het verband, dat losgeraakt was, weer vast te hechten.“Kunt gij ook iets nader bijlichten?” zeide zij: “het springt gedurig los.... ’t gaat alweer niet,” hervatte zij, een weinig ongeduldig.“Met uw verlof,” zeide Deodaat; “zoo ik even helpen mag—ik geloof dat ik zie waar het aan hapert.”“Gij!” zeide de Jonkvrouw, hem eenigszins verwonderd aanziende: “welnu!” vervolgde zij glimlachende: “wijs mij eens te recht.”“Zie,” zeide Deodaat, de lamp aan Reinout ter hand stellende, die bij zich zelven vloekte: “indien gij het linnen hier dubbel vouwt en er dit end doorhaalt, en voorts kruiselings over het hoofd slaat, kan het verband onmogelijk losgaan.”Terwijl hij aldus sprak, voegde hij de aanwijzing bij het voorschrift en geleidde de blanke en poezele handjes der schoone over het hoofd van des boschwachters vrouw, niet zonder een zoete en zalige trilling te gevoelen, welke die aanraking in geheel zijn wezen teweegbracht.“Gij hebt gelijk,” zeide de Friezin, toen zij naar eisch geslaagd was: “en ik dank u voor de hulp.”“Wie had het ooit gedacht?” voegde Sytsken er bij: “dat een Jonker beter een verband zou leggen dan Freule Madzy, die ik niet dacht dat haars gelijke had.”“De oorlog maakt ons deze kennis vaak noodzakelijk,” zeide Deodaat: “maar nooit heb ik haar met zooveel genoegen in het werk gesteld als nu.”Op ditzelfde oogenblik ging de stulpdeur open, en Marretje, des boschwachters dochter, die, nadat haar moeder weer was bijgekomen, door deze was uitgezonden om een buurvrouw te halen, ten einde bij de zieke te waken, kwam springende en in de handen klappende terug, de oude boerin bij de hand geleidende, welke de taak van oppasster zoude waarnemen.—“Goed nieuws!” zeide zij: “ik breng een meester mede, die moeder wel terstond genezen zal.”—Hier zweeg zij plotseling, onthutst op het zien der beide Ridders.“En wie is de kunstenaar, die dat wonder doen zal?” vroeg Reinout, zich omkeerende: “ei zoo! is het die schurk?”Het was inderdaad meester Barbanera, die de hut binnentrad, en een diepe buiging voor het aanwezig gezelschap maakte.“Zijt gij het, ongeluksvogel?” vroeg Deodaat: “gelooft gij, dateen der onderzaten van Graaf Willem nog met uwe hulp gediend zal wezen na al de ellenden, die gij hem en zijn huis voorspeld hebt? Verbeeld u,Pater!” vervolgde hij tot den monnik: “dat deze kwakzalver de stoutheid heeft gehad, hedenavond, ter belooning der gunst, waarmede hij op den Vogelesang ontvangen was, niets dan rampen aan onzen Vorst en het daar tegenwoordig gezelschap te voorspellen.”Meester Barbanera haalde de schouders op en hief de oogen opwaarts, als wilde hij te kennen geven, dat men alleen het gestarnte en niet hem beschuldigen moest. Vervolgens begaf hij zich naar de bedstede en wilde de hand der lijderes nemen om haar pols te voelen, toen Reinout hem bij den kraag vatte en terugtrok.“Waag het niet haar aan te raken,” zeide hij op een gramstorigen toon, “zoo gij niet begeert dat wij terstond den eersten last des Graven ten uitvoer brengen en u tot een aas der kraaien maken.”“Gij zoudt kwalijk doen,” fluisterde de kwakzalver hem in ’t Italiaansch toe: “gij zoudt daardoor den eenigen man wegruimen, die het geheim uwer geboorte kent.”“Gij!” herhaalde Reinout, in dezelfde taal, terwijl hij de armen vallen liet. “Welnu,” vervolgde hij, hem in een hoek van het vertrek voerende, “morgen te acht uren wacht ik u hier weder. Den brenger van echte tijdingen zal ik rijkelijk beloonen; maar den bedrieger ernstig straffen: wees daarvan zeker.”“Ik zal komen,” zeide de kwakzalver; “doch onder één beding; gij zegt niets van dit aan uw makker: en gij komt alleen.”De monnik en Deodaat, bezig met de zieke zijnde, hadden niets van dat gesprek vernomen: “Mij dunkt,” zeide de eerstgemelde, “dat het alleen aan de lijderes staat om te beslissen, of zij van de hulp des vreemdelings al of niet gebruik wil maken.”“Ik gevoel mij beter,” zeide Elske: “en ik hoop dat het zonder medicijnen wel zal schikken; als buurvrouw Machteld bij mij blijft van nacht; want ik ben doodsbang alleen.”“In dat geval kunnen wij terugkeeren,” zeide vader Syard tegen zijn twee gezellinnen; “het voegt ons niet, de Heeren aan ’t klooster langer in ongerustheid te laten.”“Gij zult ons vergunnen u veilig naar huis te geleiden,” zeide Reinout: “het is avond en in de duisternis zoudt gij kunnen verdwalen.”De monnik nam dit aanbod met een stijve hoofdbuiging aan: Madzy hoorde het niet, of deed althans of zij het niet hoorde en nam afscheid van de gewonde, haar belovende, den volgenden dag naar haar te komen zien: de kwakzalver werd op een zachte wijze de deur uitgeschoven en het gezelschap verliet de hut, Elske aan de zorg van buurvrouw Machteld overlatende.Het was nu volkomen nacht geworden, en daar de maan nog niet was opgekomen, donker genoeg: zoodat er reeds eenige behoedzaamheid noodig was om den rijweg te bereiken langs het smalle paadje door het kreupelhout, waarop Reinout de anderen voorging, die hem één voor één volgden. Op den rijweg gekomen, begon men min ofmeer de vormen der dingen te kunnen onderscheiden en Reinout, den kastanjeboom naderende, greep naar den toom van hetgeen hij voor zijn paard hield.“Dat is mijn paard niet,” zeide hij: “is het uw vos, Deodaat?”Dit zeggende liet hij den toom in de hand zijns vriends glijden en sloeg zijn arm om den nek van een ander viervoetig dier; dan op hetzelfde oogenblik gaven beiden een kreet van verbazing.“Wilt gij mij dit paard uit de openbaring voor mijn vos verkoopen?” vroeg Deodaat, de hand strijkende over de uitstekende bouten en knoken van het dier, dat hij vasthield.“Hier heeft tooverij plaats, bij alle duivels!” vloekte Reinout, die, in de plaats van het spiegelgladde vel van zijn zwarten hengst, de stekelharige vacht van een ezel voelde.“Wat is u toch overkomen?” vroegen vader Syard en de beide meisjes, als uit eenen mond.“Hier priester! eene bezwering!—het is de booze zelf, die mij in ’t aangezicht vaart,” brulde Reinout, wien een zwart dier, dat zich van des ezels rug scheen los te maken, in ’t aangezicht was gevlogen.“Cezar! hier!” riep plotseling de stem van den hansworst, die naast de beide dieren, welke hij bewaken moest, zat te dutten, en nu eensklaps opsprong.”’t Zijn de beesten van den kwakzalver, die wij voor de onzen aanzagen,” zeide Deodaat, in gelach uitberstende.“Schurk!” riep Reinout, den hansworst in den hals knijpende, “wat belet mij u op de plaats te doorsteken?” en meteen hief hij zijn dolk op.“Foei Reinout, schaam u!” zeide Deodaat, hem terughoudende: “een aap en een nar, zijn dat gepaste kampvechters voor u?”“Gij hebt fraai spreken,” hernam Reinout, zijn dolk weder opstekende, “uw gezicht is niet gelijk het mijne, open gekrabd door dat satansche beest.”Meester Barbanera, die tot nog toe vol angst in het pad teruggeweken was, kwam bij dit gezegde voor den dag met een zalfpot, dien hij Reinout aanbood, en welken deze terstond over den kastanjeboom heen deed vliegen, zeggende:“Loop naar den duivel met uw gesnor.—Waar zijn onze paarden?”“Dat is waar ook,” zeide Deodaat: “met al die gekheid zijn onze paarden nog zoek.”“Ik heb hier bij onze komst niets gezien dat naar een paard geleek,” zeide de nar.“Gij hebt ze gestolen, ellendeling!” zeide Reinout: “beken waar zij gebleven zijn, of dit oogenblik is het laatste uws levens.”“Bij Sint-Momus!” zeide de hansworst, terwijl hij trillende van angst op de knieën viel: “ik zweer u, mijne goede Heeren, dat zoo hier paarden gestaan hebben, de kaboutermannetjes ze hebben weggehaald, of dat zij op de lucht van meester Cezar gevlucht zijn; want ik heb ze niet gezien en de kokeler kan getuigen....”“Een fraaie getuige!” zeide Reinout, den armen Barbanera aanziende, die trillende en met gevouwen handen tegen den boom stond geleund: “gehangen zult gij worden, paardendieven!”“Mij dunkt,” zeide Deodaat tegen den kokeler: “gij, die een waarzegger zijt, moest ons kunnen vertellen waar zich onze rossen bevinden!””’t Is wel een oogenblik van gekscheren,” bromde Reinout: “zij mogen zweren wat zij willen, ik zweer hun dat zij er niet heelhuids afkomen, zoo zij de waarheid langer durven verzwijgen.”Hier deed de zachte stem van Madzy zich hooren: “Mijne goede Heeren!” zeide zij: “deze lieden zijn mogelijk onschuldig. Indien zij uwe paarden gestolen hadden, zouden zij er dan niet mede weggevlucht zijn?”De juistheid dezer aanmerking en meer nog de uitwerking vanMadzy’sbevallig stemgeluid deed de gramschap van Reinout bedaren, die eenigszms verlegen terugtrad. “De Jonkvrouw heeft gelijk,” zeide Deodaat: “en wij moesten ons schamen, haar te laten wachten tot wij onze beesten terughebben. Veroorloof mij, Freule! u den weg te wijzen.”“Gij zijt te goed!” antwoordde Madzy: “zoek eerst de verlorene schapen weer op: wij zullen den weg wel vinden.... maar wacht eens!” hier wendde zij zich tot de buurvrouw, die met Elskes dochtertje op het gerucht was komen aanloopen: “zijn deze vrouwen en dit meisje niet met den meester gekomen.”“Zeer juist!” merkte de monnik aan: “vrouwtje!” vervolgde hij tot Machteld: “waar hebt gij dien wonderdokter en zijn maat ontmoet?”“Zij zijn ons op den grooten weg achterop gekomen,” was het antwoord.“Net zoo,” zeide de nar: “wij kwamen van den Vogelesang.”“Zwijg!” zeide vader Syard: “het wordt u niet gevraagd,” en, zijn onderzoek voortzettende: “zijt gij met hen tot hier gekomen?”“Dat bennen wij.”“Waren er twee paarden aan dezen boom gebonden?”“Ik heb geen biest gezien? jij al, Marretje?”“Niets dat naar een paard leek,” zeide deze.“Dan moeten zij vroeger gestolen zijn,” zeide Reinout: “want ik had ze aan denzelfden boom gebonden, waar nu deze ongelukken van beesten aan zijn vastgemaakt.”“Gij kunt er nog de hoeven van bespeuren,” zeide Deodaat, “niettegenstaande de duisternis: kom! dat zijn twee zorgen minder op stal. Het spijt mij;.... maar men moet zich de wereldsche zaken kunnen getroosten.”“Ik heb een erger verlies ondergaan, sedert ik u gezien heb,” zeide Reinout, zich bij Madzy voegende.“Waarlijk?” zeide deze:—“gij moet wel achteloos zijn, om zoo alles te verliezen.”“Kom! genoeg gedraald,” zeide Deodaat: “trek in vrede af, meester Barbanera! maar wacht u, hier langer in de buurt te vertoeven.—En wij, gaan wij: de Heer van Aylva zal ongerust zijn: enwie zou het niet wezen, wanneer hij bij zijne tehuiskomst zulk een beminnelijke dochter mist.”“Ik ben de dochter van den Heer van Aylva niet,” zeide Madzy, terwijl allen zich op weg begaven: “hij is mijn voogd.”De zoo natuurlijke bescheidenheid, welke ieder jongeling vervult in de tegenwoordigheid van een meisje, dat bij hem een ontkiemend gevoel van liefde verwekt, belette Deodaat verder te vragen. Ook Reinout gevoelde een verlegenheid, welke hij nimmer bespeurd had: het eenvoudig onschuldige van Madzy boezemde hem een eerbied in, welke geen vrouw ter wereld ooit bij hem had doen ontstaan. Men wandelde dus een poos in stilte voorwaarts, zonder dat er een woord gewisseld werd. Eindelijk brak vader Syard het zwijgen, ten einde de Ridders over de voorzeggingen van meester Barbanera te ondervragen. Zij voldeden aan zijne nieuwsgierigheid: Madzy mengde zich weldra in het onderhoud, en men begon over en weder van vervulde en nog te vervullene profetieën te gewagen.“Men heeft bij u te lande ook nogal vrij wat op met waarzeggingen,” zeide Reinout tegen Madzy: “ten minste, dit is mij wel verhaald.”“Dat geloof ik!” zeide Madzy, “er wordt bij ons geene stins gebouwd, geen dam gelegd, geen kind geboren, of er is de een of andere monnik, die er het toekomstige lot van voorspelt.”“Ik herinner mij,” zeide Deodaat peinzende, “dat ik eens bij toeval zulk een Friesche voorspelling gehoord heb. Ik ben die meerendeels vergeten: een paar regels zijn mij lang bijgebleven: laat zien,” vervolgde hij, zich het hoofd krabbende, “of ik mij die nog kan herinneren:
1Het zijn twee gekken.2’t Is mogelijk; maar beiden hebben zij het hart welgeplaatst.3Made(’t Engelschemeadow) is een groen veld, hiervanzich vermeien,spelemeien, voor: zich op ’t veld vermaken.
1Het zijn twee gekken.
2’t Is mogelijk; maar beiden hebben zij het hart welgeplaatst.
3Made(’t Engelschemeadow) is een groen veld, hiervanzich vermeien,spelemeien, voor: zich op ’t veld vermaken.
Tot u koom ick om hulp, vermits u swarte flessenGaen dieper in gespoock als alle toveressen.Wat ick u bidden magh, laat my door uwe gunstEens sien, tot myn gerief, de krachten van de kunst.Cats. Spoock-liefde.
Tot u koom ick om hulp, vermits u swarte flessenGaen dieper in gespoock als alle toveressen.Wat ick u bidden magh, laat my door uwe gunstEens sien, tot myn gerief, de krachten van de kunst.
Tot u koom ick om hulp, vermits u swarte flessenGaen dieper in gespoock als alle toveressen.Wat ick u bidden magh, laat my door uwe gunstEens sien, tot myn gerief, de krachten van de kunst.
Tot u koom ick om hulp, vermits u swarte flessen
Gaen dieper in gespoock als alle toveressen.
Wat ick u bidden magh, laat my door uwe gunst
Eens sien, tot myn gerief, de krachten van de kunst.
Cats. Spoock-liefde.
Het was in den tijd, waarin onze geschiedenis voorviel, ja nog wel later, geene ongewone zaak, dat reizende zangers, vinders, meistreels of potsenmakers ter verkorting der middaguren bij groote Heeren werden ontboden: en nochl’Incomparabilenoch zijn hansworst, noch zijn aap, betoonden dus eenige verlegenheid, toen zij zich door een daartoe afgezonden page voor het edel gezelschap op het grasperk gevoerd zagen. De kist, door de kunstenaars medegebracht, werd nu ontpakt: al de aanwezigen plaatsten zich op last der Gravin in een wijden kring en ontvingen stipt bevel, de te verrichten toeren niet te storen, noch den kokeler te nauw op de vingers te kijken en hem zijn geheimen af te neuzen, want de Gravin behoorde tot die lieden, welke, niet vlug zijnde om het fijne van een kunstgreep te vatten, daarom juist niet gaarne zien, dat anderen die beter begrijpen dan zij.
Zoodra de toestel in behoorlijke orde gebracht was, begon de hansworst, na een diepe buiging, een treflijke redevoering, waarin hij de schoone Gravin en haren doorluchtigen Echtgenoot boven alle andere vorsten van Europa verhief, en er breed van opgaf, dat de beroemde Barbanera zich alleen de verre reize naar Holland getroost had, om in de tegenwoordigheid van den Graaf aller Graven en den Veldheer aller soldaten gebracht te worden.
“Een fraaie aanspraak!” zeide de Aartsbisschop van Trier tegen de Gravin, toen de nar algemeen werd toegejuicht: “jammer maar, dat ik die op mijn doorreize woordelijk door den spreker heb hooren opsnijden aan het Hof van Gelder, alleen met verandering van namen en titels.”
“Onze waarde neef van Gelder zal zich toch niet beroemen dat hij nu reeds de Hertog aller Hertogen is, tenzij hij het sedert een paar dagen geworden zij,” antwoordde de Gravin, doelende op de Hertogelijke kroon, welke den Graaf van Gelder geschonken was, en die zij wist, dat door haren gemaal geweigerd zou worden.
Onderscheidene toeren, door de drie kunstenaars met een gelukkig gevolg ten uitvoer gebracht, droegen, meer nog dan de aanspraak, de algemeene goedkeuring weg, welke echter, om een echt grammaticale spreekwijze te bezigen, aan den kwakzalver in den stelligen, aan den alwillensdwaas in den vergelijkenden, en aan den aapin den overtreffenden trap geschonken werd. Alleen het gelaat der Gravin had zijn koele stemming hernomen, welke zelfs, toen de kunstverrichtingen eenigen tijd geduurd hadden, door kennelijke teekenen van weerzin en ongeduld werden vervangen. Om deze verandering in hare gemoedsgesteldheid, welke door een al te haastigen lezer wellicht aan een vrouwelijke gril zoude kunnen worden toegeschreven, te verklaren, dient men te weten, dat de Gravin naar de kunstenaars niet zoozeer verlangd had, om hunne behendigheid in gewone goochelaars-kunsten te bewonderen (ofschoon deze de voorgewende reden ware): als wel omdat zij vernomen had, dat meester Barbanera het in de verborgene wetenschappen tot een hoogte gebracht had, welke de zoodanigen, die er getuigen van geweest waren, met verbazing vervuld had, en dat zij in ’t geheim vurig verlangde, eenige bewijzen zijner bekwaamheid in die vakken te vernemen. De gewone kunsten, hoe vernuftig ook gedacht en hoe behendig ook uitgevoerd, verwekten bij haar dus niets dan verveling, evenals dikwijls een wel uitgevoerd treurspel geen aandacht waardig is bij dezulken, die alleen om het ballet gekomen zijn: zij haakte naar het oogenblik, dat al die bekers en balletjes en kastjes verdwijnen zouden om voor de in haar oog meer belangrijke kunsten plaats te maken; maar, gelijk het doorgaans gaat, zij was beschroomd om daartoe stelligen last te geven, ja zelfs om hare geheime begeerte aan iemand mede te deelen. Eindelijk echter werd zij uit dien staat van ongeduld verlost, door een vraag, welke Treslong aan den hansworst deed, wat of er namelijk in den zak school, dien hij bij zijn komst zoo zorgvuldig onder de tafel geplaatst had.
“Daar in dien zak,” was het antwoord, “zit het wonderbare glas, waarin mijn meester de toekomst leest.”
“Ei! de toekomst!—en kunt gij die ook reeds verklaren, vriendje?”
“Bij Sint-Julfus,” zeide de nar: “ik heb dagwerk om den menschen de dwaasheden te verwijten, die zij gedaan hebben, zonder dat ik er die behoef bij te voegen, welke zij zullen doen.”
“Een goed antwoord,” zeide Treslong; “maar zoo het Mevrouw behaagt, zouden wij de geheimen van dat tooverglas ook wel eens willen kennen.”
“Mijn vermaarde meester,” zeide de hansworst, “zou het uit eigen beweging niet gewaagd hebben, de kennis, welke hem zijn verborgen wetenschap van de bovenzinnelijke en bovennatuurlijke dingen verschaft heeft, op zulk een verheven gezelschap toe te passen: en hij zal daartoe niet overgaan dan op drie voorwaarden, waar de billijkheid aan een iegelijk van zal blijken.”
“Men moet ze echter eerst hooren om ze te kunnen beoordeelen,” zeide de Heer van Teylingen: “welke zijn uw voorwaarden?”
“De eerste is, dat het de uitdrukkelijke begeerte van Mevrouw de Gravin is, dat mijn meester zijn verborgene kennis ten toon spreide.”
“Mevrouw de Gravin hoort wat die nar verlangt,” zeide Treslonglachende: “zal zij zoo goed zijn, een bevel dienovereenkomstig te geven?”
“Het zij zoo!” zeide de Gravin, half tevreden en half wrevelig: tevreden, omdat aan haar wensch voldaan werd; wrevelig, omdat zij zulks bekennen moest.
“Het tweede verzoek mijns meesters is, dat niemand het hem wijte, noch hem op de eene of andere wijze mishandele of benadeele, zoo altemet deze of gene zijner woorden iets bevatten mocht, dat min aangenaam in de ooren klonk.”
Het voorhoofd van den Heer van Treslong fronselde zich en hij zag de Gravin vragende aan.
“Deze bede is hoogst billijk,” zeide de Gravin: “en ik verwacht, dat niemand der aanwezigen zich tegen hare vervulling verzetten zal.”
“Wat de derde betreft,” vervolgde de dwaas, een koddige buiging makende, “zij bestaat alleen daarin, dat het aanzienlijk gezelschap indachtig zij, hoe wetenschap boven vlugheid verheven is en dus op eene hoogere belooning aanspraak mag maken.”
De Gravin knikte goedkeurend met het hoofd en wachtte nu, evenals elk ander, met ingespannen nieuwsgierigheid wat er volgen zou. Met behulp van zijn makker ruimde Barbanera alles wat hem hinderen kon van de tafel, plaatste er vervolgens een glas op van buitengewone grootte, vulde het tot op de helft met een doorschijnend vocht, hetwelk hij uit een lederen flesch schonk, en wierp er onderscheidene poeders in, waarna hij den bokaal weder toedekte. Straks werd men een zonderlinge werking in het glas gewaar: de daarin geworpen stoffen losten zich op en vormden onderscheidene gedaanten, naar ertsen en plantsoorten, ja zelfs naar dieren en menschen zweemende, verschillende van kleur en grootte. Nadat men gedurende eenige oogenblikken dit schouwspel had aangestaard, kondigde de hansworst aan, dat al wie zulks verkoos eenige vragen aan zijn meester kon doen.
Geen mensch deed zich op; want, behalve dat niemand bij zulke gelegenheden gaarne het voorbeeld geeft, dorst men niet beginnen zonder de toestemming der Gravin, op welke alle blikken gevestigd waren.
“Mevrouw!” riep eindelijk Treslong: “indien uwe Genade het voorbeeld niet geeft, zal niemand onzer de vermetelheid hebben het orakel te raadplegen.”
“Wat zou ons lot ons kunnen schelen,” zeide de Aartsbisschop van Keulen, “indien wij niet omtrent dat onzer edele gastvrouw gerustgesteld waren.”
“Hoe, Hoogwaardigste!” zeide zij glimlachende, “gij, die een Prelaat zijt, gij spoort ons aan, een duivelskunstenaar te raadplegen?”
”’t Zijn allemaal fratsen en narrepoetserijen,” hervatte de Dignitaris: “ik heb dat al meer gezien; maar het loopt op dwaasheid uit.”
“Welaan dan,” zeide zij: “hoewel het ons weinig betaamt, zullen wij ons niet aan het algemeene verlangen onttrekken: doch wij begeeren,dat niemand ons volge, uitgenomen Yolente van Dampmartin en Ottilia van Naaldwijk: wij vrouwen,” vervolgde zij met een vroolijken lach, “vertrouwen ongaarne onze geheimen aan de ooren van zooveel bijstanders.”
Men trad eerbiedig op zekeren afstand terug: de Gravin, door de twee jonkvrouwen vergezeld, begaf zich naar den kokeler, wien zij de vraag voorstelde, of zij nog lang met haren echtgenoot gelukkig zoude wezen. Barbanera boog zich eerbiedig, lichtte het deksel van het glas, stak er het eene einde van zijn tooverstaf in, en gaf haar het andere in de hand, terwijl hij zelf met een zilveren pijpje in het vocht blies.
Terwijl zij des meesters voorschrift opvolgde, gaf, ondanks haar voorgewende bedaardheid, het trillen van het glas haar heimelijken angst te kennen: de waarzegger zag haar beurtelings scherp in de oogen en dan weder in het glas. Op eens trok hij de wenkbrauwen saâm; de Gravin ontstelde en zag in het glas: het vocht was op eenmaal zwart geworden, en de zich daarin bewegende gedaanten zwommen als paarlen of tranen heen en weder. Het gelaat der schoone vrouw werd bleek als een doek.
De omstanders, die de vraag niet gehoord, doch wel de kleurverandering der Gravin bespeurd hadden, stonden verbaasd en verstomd. Treslong deed een stap voorwaarts: maar trad weder terug, toen hij bemerkte, dat de zwarte tint na eenige oogenblikken weder verdwenen was en alles zich in het glas voordeed als te voren.
Nu stak Barbanera het hoofd naar de Gravin: en de tooverroede terugnemende, fluisterde hij haar de navolgende voorspelling in ’t oor:
“Sombres jours bientôt viendront:Haults Seigneurs trépasseront;Paix et lesse jâ suivront:Lis et roses fleuriront.”1
“Sombres jours bientôt viendront:Haults Seigneurs trépasseront;Paix et lesse jâ suivront:Lis et roses fleuriront.”1
“Sombres jours bientôt viendront:
Haults Seigneurs trépasseront;
Paix et lesse jâ suivront:
Lis et roses fleuriront.”1
Teffens wees hij op het glas, waar de Gravin, òf werkelijk, òf door een spel van hare verbeelding, een bloemkransje op den bodem zag liggen.
“Het slot vergoedt het begin,” zeide zij zuchtend: “ik verlang verder niets te weten. Mejuffers!” vervolgde zij tot de haar omringende dames, zoodra zij naar hare plaats gekeerd was:—“ik raad geene van u allen aan, den meester te gaan raadplegen. Het is een te gevaarlijk spel voor vrouwen.”
“Het zal derhalve onze beurt worden,” zeide ’s Graven vertrouweling, de Heer van Naaldwijk: “wat mij betreft, ik geef er niet om of iemand de vraag en het antwoord hoore. Heksenmeester!”vervolgde hij, “een stuk geld op de tafel werpende: zeg mij slechts of mij een lang leven is toegedacht?”
De waarzegger stelde hem het stokje ter hand: maar nauwelijks stak de Ridder het in ’t water of hij zag de kleur daarvan in die van bloed veranderen, terwijl hem Barbanera toeriep:
“Arc est tendu et flêche preste,Qui bientot férira ta teste.”2
“Arc est tendu et flêche preste,Qui bientot férira ta teste.”2
“Arc est tendu et flêche preste,
Qui bientot férira ta teste.”2
“Het zij zoo!” hernam Naaldwijk, nadat hem Deodaat, op zijn verzoek, de beteekenis dier woorden had doen kennen: “ik zal dan voor ’t minst een krijgsmansdood sterven.”
“Zal mijn lot even voorspoedig wezen?” vroeg de Heer van Spangen, terwijl hij den wichelaar zijn gift aanbood.
Ook hij zag dezelfde bloedkleur.—“Hou thans uw Fransch maar voor u,” zeide hij: “ik heb aan dat teeken genoeg.”
“Wanneer ik sterven zal, is mij vrij onverschillig,” zeide Walcourt: “zeg mij, zoo gij kunt, wie mij dooden zal,” en, den staf met een vaste hand aangrijpende, stak hij dien in ’t vocht.
Meester Barbanera beschouwde een wijl de zich daarin voordoende gedaanten, en op eene er van wijzende, die naar een dorschvlegel zweemde, zeide hij:
“De vilain ignoble fléauVous occira sur le préau.”3
“De vilain ignoble fléauVous occira sur le préau.”3
“De vilain ignoble fléau
Vous occira sur le préau.”3
Andere Ridders en Edellieden volgden: en bijna ieder ontving een onheilspellend antwoord. Het was niet onbelangrijk op te merken, hoe elk hunner zich in deze omstandigheid gedroeg. Sommigen lachten overluid: doch hun gedwongen houding toonde genoeg aan, hoe weinig zij innig tot vroolijkheid gestemd waren: anderen zagen den toovenaar met een gramstorigen blik aan: enkelen bleven, in diep gepeins verzonken, zijn voorspelling overdenken.
“En gij, mijn Heer van Beaumont!” riep Naaldwijk dezen Edelman toe, die met Aylva stond te praten: “zijt gij niet nieuwsgierig om uw lot te vernemen?”
“Ik zie niet,” antwoordde Beaumont, “dat de wetenschap, die gij allen hebt opgedaan, u veel profijt heeft bezorgd.”
“Komaan! Komaan! laat u overhalen!” klonken verscheidene stemmen: “het is immers slechts een spel.”
“Indien het u aangenaam kan zijn, welaan dan,” zeide Beaumont: “zeg mij, waarzegger! of ik in het lot van al die brave Heeren deelen zal; want mij dunkt, dat er een groote slachting onder hen zal plaats hebben.”
“En tout temps te gardera DieuD’eau, de fer, de bois et de feu.”4
“En tout temps te gardera DieuD’eau, de fer, de bois et de feu.”4
“En tout temps te gardera Dieu
D’eau, de fer, de bois et de feu.”4
was het antwoord des waarzeggers.
“Waarlijk! gij meent het wel met mij,” zeide Beaumont lachende, “en hebt op eene dubbele belooning recht. Komaan, mijn Heer van Aylva, het is uwe beurt.”
“Kunt gij raden wat ik u vragen wilde?” zeide deze tot den profeet.
Nauwelijks had meester Barbanera hem in de oogen gezien of hij wenkte de omstanders terug te treden.
“Hoe nu!” zeide Aylva, verbaasd het stokje in de hand nemende, “mag niemand het antwoord hooren?”
”Ricordatevidi Bianca di Salerno,”5fluisterde hem de waarzegger in ’t oor.
“Madre di Dio!” riep Aylva sidderend uit.
Op het hooren van dezen kreet kwamen de omstanders weder naar voren; waarop de kokeler terstond overluid deze regels volgen liet:
“Il cane la brebis mangea,Mais l’agnel tôt reviendra.”6
“Il cane la brebis mangea,Mais l’agnel tôt reviendra.”6
“Il cane la brebis mangea,
Mais l’agnel tôt reviendra.”6
“Mensch!” zeide Aylva: “van wien hebt gij deze dingen?”
Doch Adeelen was hem reeds voorgetreden. “Elk zijn beurt, vriend Aylva!” zeide hij: “kom, meld mij eens, kokeler! of Friesland nog lang vrede zal hebben. Maar spreek mij geene vreemde talen, die ik toch niet versta.”
Barbanera bedacht zich een oogenblik, en terwijl het water weder de bloedkleur aannam, zong hij het referein van een Platduitsch liedje:
“Waert up de fruntering!De Viant ist da.”7
“Waert up de fruntering!De Viant ist da.”7
“Waert up de fruntering!
De Viant ist da.”7
“Men moest een ezel zijn, om dit niet te begrijpen,” zeide Adeelen, terwijl hij vergenoegd aftrok.
“Zal ik goede tijding uit Verona hebben?” vroeg Deodaat, aan wien Reinout deze vraag had geopperd.—Het antwoord was:
“Nouvelles qui vous parviendront,Joies et douleurs vous causeront.”8
“Nouvelles qui vous parviendront,Joies et douleurs vous causeront.”8
“Nouvelles qui vous parviendront,
Joies et douleurs vous causeront.”8
“Men behoeft geen toovenaar te zijn om zulk een antwoord te geven,” zeide Reinout, en zijns makkers plaats innemende, vroeg hij, of hij de schoone zangster zou leeren kennen, wier maatgeluid hem verrukt had, en bekwam het navolgend orakel:
“De Sirènes le chant plaira;Mais male mort s’en suivera.”9
“De Sirènes le chant plaira;Mais male mort s’en suivera.”9
“De Sirènes le chant plaira;
Mais male mort s’en suivera.”9
“En gij, eerwaardige Abt!” vroeg Treslong aan vader Volkert: “wilt gij ook de wijsheid des kunstenaars niet beproeven?”
“Ofschoon ik zijne waarzeggingen voor dwaze en onbeduidende praktijken houde,” antwoordde de Abt, “wil ik echter, uit achting voor het aanzienlijk gezelschap, hem eene vraag voorstellen. Ik begeer geenszins het toekomende uit te vorschen, daar zulks in iemand van mijn karakter hoogst ongepast ware; doch zal hem alleen naar het tegenwoordige vragen. Zeg mij nu, toovenaar! dragen al de Monniken van Sint-Odulf hunnen Abt in hun gemoed de achting toe, die zij hem verschuldigd zijn?”
Een algemeen gelach ontstond toen de waarzegger antwoordde:
“Souvent qui porte mîtred’Abbé n’a que le titre.”10
“Souvent qui porte mîtred’Abbé n’a que le titre.”10
“Souvent qui porte mître
d’Abbé n’a que le titre.”10
“Lacht zooveel gij wilt, mijne Heeren!” zeide vader Volkert: “zooals zij dan wezen moge, ruil ik mijne waardigheid tegen geene andere: want in Sint-Odulf heerscht rust en vrede, ’t geen men niet van alle conventen zeggen kan: en ik ben meer heer in mijn klooster dan Jan van Arkel in zijn Bisdom, waar hij van verdriet is uitgeloopen.”
“Kent gij den Bisschop van Utrecht?” vroeg Beaumont.
“Hij is kort na zijn verheffing onze kloosters komen bezoeken.... een schoon jongeling was hij, en wien de mijter wèl stond, dat mag gezegd worden:—hij kwam eerst te Sint-Odulf: en toen gaf ik hem op zijn reis naar de andere kloosters onzen broeder Syard mede, die hem overal heeft rondgeleid en alles verklaard, of ik het gedaan had.... maar nu, gij, mijnheer van Treslong, die mij aangespoord hebt om den kokeler te gaan raadplegen, gij lacht mij uit en zijt zelf nog niet bij hem geweest.”
De Ridder zag hem glimlachende aan, en naar Barbanera gaande, nam hij den tooverstaf uit diens handen. Maar nauwelijks had hij dien in het vocht gestoken, en de vraag gedaan of hij slagen zou in de onderneming, welke hij in den zin had, of de waarzegger zag hem met smeekende oogen aan, wrong de handen en viel op de knieën neder.
“Hoe nu, schurk! wat heeft dat te beduiden?” vroeg Treslong.
“Perdonatemi, illustrissimo Signor conte!” riep Barbanera als in doodsangst uit: “ma non posso dir11....”
“Gij kent mij!” zeide de Graaf; want het was Willem IV zelf, die gewoon was zijn rang af te leggen wanneer hij met zijn hovelingen aan ’t spelen was, en zulks dezen avond langer dan gewoonlijk had volgehouden, eerst om zich met de Friezen te vermaken en vervolgens om den toovenaar te misleiden:—“Welnu! wat zegt uw orakel?”
Barbanera liet het hoofd op de borst vallen, sloeg de oogen neder, kruiste zijn armen en mompelde toen:
“Non vié altro oracolo che quello del conte di Gelria12.”
“Ellendige!” riep de Graaf vertoornd uit en wierp den tooverstaf met geweld van zich af. Ten einde de uitwerking van des waarzeggers woorden te verstaan, dienen mijn lezers zich te herinneren, dat de oude Graaf Reinout van Gelder, toen hij Willem IV als kind ten doop hield, de voorspelling gedaan had, dat zijn petekind eenmaal door het zwaard der Friezen zou omkomen. Hoewel niemand en vooral de Graaf zelf ooit veel gewicht had gehecht aan de taal des ouden mans, dien men als half zinneloos beschouwde, liet de aanhaling daarvan, op zulk een oogenblik en bij een zoo zonderlinge gelegenheid, niet na, een diepen indruk op het gemoed der aanwezigen te maken.
Aylva was de eerste, die de stilte brak, welke dit voorval had doen ontstaan. Eerbiedig naderde hij Willem en, zich ontdekkende: “Heer Graaf!” zeide hij: “vergeef het mij, die u vroeger reeds herkend had, zoo ik u niet eer de hulde heb bewezen, die u toekomt; maar ik had uw verlangen, van onbekend te blijven, geraden en geëerbiedigd. Het voegde mij niet, ongeroepen het woord tot u te voeren; maar de taal, door gindschen bedrieger gesproken, maakt het mij tot een plicht, u te verzekeren, dat, zoolang de Friezen in u een goeden en gunstigen beschermer vinden, gij van Friesche zwaarden niets zult te vreezen hebben.”
“En ik waarborg u,” voegde Beaumont er bij, “dat uwe Genade geen waardiger en getrouwer vriend kunt hebben dan den Heer van Aylva, althans zoo hij nog dezelfde is, die hij voor vijf en twintig jaren was.”
“Wij danken u, waardige Aylva,” zeide de Graaf, hem bewogen de hand toereikende: “wees verzekerd, dat ons het welzijn van een gewest, waarin wij zulke getrouwe vrienden bezitten, op ’t naaste aan ’t harte ligt. Vergeef ons, zoo wij ons niet dadelijk aan u bekend hebben gemaakt; maar wij moesten den dag van morgen aan onze waardigheid geven en daarom wilden wij dien van heden buiten den band der plichtplegingen doorbrengen.”
“De Heer van Aylva had er wel bij mogen voegen, dat hij thansuit zijn eigen naam sprak en niet als afgevaardigde van Friesland,” zeide Adeelen halfluid tegen den Abt.
“Stil! stil!” voegde hem deze zachtjes toe: “onze vriend is een wijs man; maar hij vergeet somtijds dat hij mede-afgevaardigden heeft. Intusschen voegt het ons, insgelijks den Graaf te gaan begroeten.”
“Ik zal wachten, dat hij zelf mij aanspreekt,” hernam Adeelen: “o! dat ik hem eerder gekend hadde, ik had liever deze hand afgekapt dan dat ik ze hem had toegestoken.”
“Gij zijt toch niet verstoord op ons, mijne goede Heeren!” zeide de Graaf, op datzelfde oogenblik minzaam tot hen tredende. “Wij hebben gehoord, dat er hedenmorgen een uwer in den Hout onaangenaamheden heeft gehad. Deze zaak zal onderzocht worden. Reeds hebben wij een der aanstokers van dat geschil, een boschwachter, die in onzen eigen dienst was, zijn afscheid doen geven.”
De Abt boog zich met eerbied. Adeelen maakte een stijve buiging en bleef toen strak voor zich kijken.
“Gij hebt zoo straks uwe hand aan den Heer van Treslong gegeven,” vervolgde Willem: “zult gij die aan den Graaf weigeren?”
Adeelen stond nog roerloos. Beaumont, die een uitbersting vreesde, trad haastig tusschen beiden.
“Het is niet aan den afgevaardigde van Friesland,” zeide hij, “het is aan Jonker Seerp Van Adeelen, dat Willem van Henegouwen de hand biedt.”
“Seerp Van Adeelen heeft vrijwillig de hand aan den heer van Treslong gegeven,” zeide de weerbarstige Fries: “den Grave komt òf de hulde òf den handschoen van Frieslands afgevaardigde toe.”
”’t Is genoeg,” zeide Willem, die zich, zonder naar deze taal te luisteren, reeds had omgewend:“on ne scauroit faire boire un asne s’il n’a soif13.”“Mevrouw de Gravin! zou het uwe goedkeuring wegdragen, indien we de paarden lieten opzadelen?”
De Gravin boog zich toestemmend: en het gezelschap, dezen wenk verstaande, maakte de noodige toebereidselen om te vertrekken.
“Wat belieft uwe genade, dat met deze kokelers gedaan worde?” vroeg Reinout aan den Graaf, terwijl hij op Barbanera wees, die, met behulp van zijn makker, den toestel bereids weer had ingepakt.
“Mij dunkt, zij zouden een groot versiersel zijn voor den kastanjeboom op het achterplein,” zeide Naaldwijk.
“Dat men hen met zweepslagen den Vogelesang afdrijve,” zeide Willem op een gestrengen toon.
“Mijn edele Heer!” riep de Gravin, hem bij de hand nemende: “zij hebben mijn woord in uw bijzijn ontvangen, dat men hun geen leed zou doen.”
De Graaf bedacht zich eenige oogenblikken. “Welaan!” zeide hij vervolgens: “breng hun een paar gulden: en daarbij onzen stelligenwil, dat zij na vier en twintig uren zich niet weder in onze Staten vertoonen, op straffe van aan den Rechter te worden overgeleverd, als schuldig aan duivelskunstenarijen. Gij hebt ons verstaan, Reinout! zorg dat zij het wel begrijpen:—en deel onzen last aan den Schout van Haarlem mede, dat hij voor de uitvoering zorge.—En nu, mijne Heeren! is het tijd van gaan. Wie ons liefheeft, volge ons.”
In weinige oogenblikken was de gansche stoet te paard gezeten en naar Haarlem in aantocht. Alleen Reinout en Deodaat bleven een poos achter, om den kokeler ’s Graven besluit mede te deelen, en volgden toen, ofschoon op eenigen afstand, den trein.
Het was eerst nabij het oude Johanniter-klooster, dat zij dien weder in ’t oog kregen en zagen, dat de Friezen, waarschijnlijk om den Graaf eer aan te doen, niet afstapten, maar mede naar Haarlem reden. “Hou even op,” zeide Reinout: “ik krijg daar een inval.”
“Deze of gene zottigheid?” zeide Deodaat.
“Neen, in ernst!—Wij hebben den avond vrij: laat ons dien besteden om achter het geheim te geraken, dat mij zoo na aan ’t harte ligt.”
“Wat zijn uwe voornemens?”
“Volg mij, en gij zult die vernemen,” antwoordde Reinout, terwijl hij rechtsaf een weg insloeg.
“Gaat gij verre?” vroeg Deodaat: “ik ben vermoeid en verlang hartelijk naar mijn bed.”
“Niet verder dan de hut van Walger den boschwachter, waar wij onze paarden zullen laten,” antwoordde Reinout.
“En dan?”
“En dan!—maar gij bezit niet de minste verbeeldingskracht! Dan sluipen wij naar het klooster, trachten onze schoone zangster te ontdekken....”
“Beklauteren de muren, rooven haar weg, slaan alles dood, en voeren onzen buit naar ons paleis te Verona:—is dat uwe bedoeling niet?”
“Niet volkomen!” antwoordde Reinout, lachende in weerwil van zich zelven: “indien wij haar slechts kunnen zien en hooren, dan ben ik voldaan.”
“Ik beken u van harte, dat ik al zoo lief op mijn bed lag en van daar die hemelsche tonen hoorde:—zoo wij eens betrapt worden, terwijl wij rondom dat klooster dwalen, zal onze ontdekkingsreis stofs genoeg opleveren tot een maand bespotting.”
“Welnu! laat mij dan alleen gaan,” zeide Reinout, wrevelig: “ik geloof inderdaad, dat men alleen beter tot zulk een tocht geschikt is.”
“Reinout!” zeide Deodaat, het hoofd langzaam schuddende: “dat heb ik niet aan u verdiend!—Gelooft gij, dat ik u verlaten zou, hoe zot het avontuur dat gij voorhadt ook wezen mocht?”
“Vergeef mij,” zeide Reinout: “heb slechts de goedheid mij niet weer te kwellen; gij weet, wanneer ik verliefd ben, versta ik geen boert.”
Gedurende deze woordenwisseling waren zij de woning des boschwachtersgenaderd: deze was tegen een klein duintje gelegen, en van den zijweg, waarop de vrienden zich bevonden, afgescheiden door een scherm elzenhakhout en door twee zware wilde kastanjeboomen, die thans in vollen bloei stonden, en tusschen welke het pad lag, dat dwars door het hakhout naar den ingang der woning geleidde. De Ridders stegen af, en terwijl Reinout de paarden aan den boomstam bond, begaf zich Deodaat naar de hut, om den boschwachter of iemand der zijnen te roepen, ten einde bij de paarden te blijven en die te bewaken, zoolang zij op hunne ontdekkingsreis uit waren.
1Droeve dagen zullen komen:Groote heeren zullen sneven;Vrede en vreugde zullen volgen:Roos en lelie zullen bloeien.2De boog is gespannen, de pijl gereed,Die ras uw hoofd zal treffen.3Eens dorpers onedele vlegelZal u op het veld doodslaan.4God zal u altijd bewarenVoor water, staal, hout en vuur.5Herinner u Bianca van Salerno.6De hond heeft het schaap opgegeten;Maar het lam zal weldra terugkomen.7Waakt op de grenzen!De vijand is daar.8De tijdingen, die u zullen komen,Zullen u vreugd en leed veroorzaken.9Der Sirenen lied zal behagen;Maar droeve dood er op volgen.10Dikwijls heeft hij die een mijter draagtAlleen den titel van Abt.11Vergeef mij, doorluchte Heer Graaf; maar ik kan niet zeggen....12Er is geen ander orakel dan dat des Graven van Gelder.13Men kan geen ezel doen drinken zoo hij geen dorst heeft.
1
Droeve dagen zullen komen:
Groote heeren zullen sneven;
Vrede en vreugde zullen volgen:
Roos en lelie zullen bloeien.
2
De boog is gespannen, de pijl gereed,
Die ras uw hoofd zal treffen.
3
Eens dorpers onedele vlegel
Zal u op het veld doodslaan.
4
God zal u altijd bewaren
Voor water, staal, hout en vuur.
5Herinner u Bianca van Salerno.
6
De hond heeft het schaap opgegeten;
Maar het lam zal weldra terugkomen.
7
Waakt op de grenzen!
De vijand is daar.
8
De tijdingen, die u zullen komen,
Zullen u vreugd en leed veroorzaken.
9
Der Sirenen lied zal behagen;
Maar droeve dood er op volgen.
10
Dikwijls heeft hij die een mijter draagt
Alleen den titel van Abt.
11Vergeef mij, doorluchte Heer Graaf; maar ik kan niet zeggen....
12Er is geen ander orakel dan dat des Graven van Gelder.
13Men kan geen ezel doen drinken zoo hij geen dorst heeft.
O hemel! ja! dus was haar spraak, haar tred, haar wezen:Zij is het.Alzire.
O hemel! ja! dus was haar spraak, haar tred, haar wezen:Zij is het.
O hemel! ja! dus was haar spraak, haar tred, haar wezen:Zij is het.
O hemel! ja! dus was haar spraak, haar tred, haar wezen:
Zij is het.
Alzire.
Daar de deur half aanstond, behoefde Deodaat zijn komst door geen geklop aan te kondigen, maar trad onverhinderd binnen. Het verblijf van Walger bestond uit een vrij ruim vertrek, waarvan een derde was ingenomen of overdekt door den wijd vooruitstekenden schoorsteenmantel, binnen welks omvang een paar zijden spek, eenige gevilde en ruige konijnen en een menigte netten en vischwant hingen te drogen. Een tafel van ruw hout, die nabij het venster stond, een paar zitbankjes en jachtgereedschappen van allerlei vorm en gebruik, maakten de eenige meubelen uit, waarmede overigens dit verblijf was voorzien.
De zon was sedert een geruimen tijd ondergegaan, en de schaduw, welke de breede kruinen der beide kastanjeboomen om zich neerwierpen, had over al de voorwerpen, die zich in de stulp bevonden, een duisternis verspreid, waaraan de oogen van hen die zich binnen bevonden, reeds gewend waren, maar welke Deodaat, die van buiten kwam, belette, den vorm of de kleur van eenig ding duidelijk te onderscheiden. Alleen de smeulende gloed van een paar kluiten afgestoken derrie, die op den haard lagen, wierp een flauwen schemerschijn om zich heen, en deed al de voorwerpen op eene nog ongewisser en fantastischer wijze uitkomen.
Het eerste, wat onze Ridder bij het inkomen bespeurde, was eene aan de tafel zittende gedaante, welke hij voor de vrouw des boschwachters hield, en die een pak, dat naar een kind geleek, op den schoot had. Zonder verder rond te zien naderde hij dit vrouwelijk wezen:
“Vrouwtje!” zeide hij: “kunt gij of uw man even buiten komen om onze paarden vast te houden?”
De gedaante hief het hoofd op met een half versmoorden kreetvan schrik (want zij had de komst van Deodaat niet opgemerkt); doch antwoordde, zich terstond herstellende: “ik ben de vrouw van den boschwachter niet; maar ’t zal nu moeilijk schikken u te helpen.”
De stem was zoo zoet en welluidend, en deed zich in zulk een zachten tongval hooren, dat Deodaat een oogenblik verlegen en opgetogen van verwondering bleef staan: “Vergeef mij,” zeide hij vervolgens: “ik heb, geloof ik, een dommen streek begaan; maar de duisternis belet mij te zien tot wie ik spreek, en welk een titel ik moet geven aan haar, die mij de eer aandoet van mij te antwoorden.”
“Aha! zijt gij het?” vroeg een ander lief stemmetje, ’t welk aan een jong meisje toebehoorde, dat van achter de schouwe uit een donkeren hoek kwam opdagen.
“Mijn mooi Friezinnetje van hedenmorgen!” riep Deodaat vroolijk uit, die Sytsken herkende aan haar uitspraak zoowel als aan haar kleine gestalte en vluggen lichaamszwaai.
“Wacht!” hernam Sytsken: “ik zal licht opsteken; want de kat alleen kan in deze duisternis zien. Vrouw! waar bewaart gij de lamp?”
“Achter, op den schoorsteenrand,” antwoordde, uit de in den donkeren hoek aanwezige bedstede, een flauwe stem, welke Deodaat voor die van des boschwachters huisvrouw herkende.
Het kleine Friezinnetje klom op een bank en kreeg niet zonder moeite de lamp van hare plaats, waarna zij gehurkt bij het vuur ging zitten om licht te verschaffen; maar vruchteloos bracht zij het eene aangestokene strootje voor en het andere na bij de pit: het vlammetje was uit eer de olie vuur vatte.
“Ik zal zien of ik u helpen kan,” zeide Deodaat, toen het meisje over haar mislukte pogingen onverduldig werd: “de tocht door dien schoorsteen blaast de vlam uit:” en zich op de eene knie naast haar nederlatende, dekte hij het aangestoken vlammetje met zijn toppermuts tegen de lucht, die van boven kwam, waardoor een herhaalde poging gelukkiger slaagde.
Het licht werd nu op de tafel geplaatst; maar, was de verbazing van Deodaat groot geweest, toen hij de liefelijke stem der onbekende gehoord had, hij stond nu als opgetogen, toen hij haar, die zoo bevallig gesproken had, mocht aanschouwen.
Voor zooveel men, nu zij gezeten was, haar gestalte kon beoordeelen, was zij rijzig van postuur; doch haar fijne leest was gewikkeld in een zwarten zijden mantel, die niets liet bespeuren dan de bevallige ronding van een leliewitten arm, die, tegen de toen algemeen heerschende mode, tot boven den elleboog bloot, en om het lijf van een ziekelijk kind, dat op haar schoot zat, geslagen was. De kap van den mantel bedekte het hoofd, en was onder de kin vastgestrikt, doch liet echter vrijheid om de edelste en tevens innemendste wezenstrekken te beschouwen, welke immer in het hart eens jongelings liefde verwekt hebben. De strenge regelmaat des beloops van neus en voorhoofd, welke aan het profil der Grieksche Juno herinnerden, was getemperd door den zachten, minzamen opslag van tweegroote, helder hemelsblauwe oogen, overwelfd door gitzwarte wenkbrauwen, zoo zuiver van omtrek, als waren zij door een penseel gevormd, en door de kuiltjes, welke in de van gezondheid schitterende wangen en in de ronde kin als tot een schuilplaats voor de bevalligheden gevormd waren. Een klein vlekje ter zijde der bovenlip, in stede van het gelaat te ontsieren, stak geestig af tegen de blanke tinten van het fijne, met blauwe adertjes gemarmerde vel, en verhoogde de levendigheid van uitdrukking der wezenstrekken, vooral wanneer zij zich tot een lachje saamtrokken, en de half geopende rozemond de dubbele rij der hagelwitte tandjes ontdekken liet.
“Bij mijn ziel!” dacht Deodaat: “Reinout heeft een heerlijken inval gehad: en ik gun hem zijne zangeres, zoo ik dezen lieven engel op mijn gemak mag blijven beschouwen.—Waarlijk, bevallige Jonkvrouw!” vervolgde hij, overluid: “ik dacht weinig, dat de nederige stulp van Walger met zulke bezoeken vereerd werd. Zij strekte menigmalen tot een verzamelplaats voor de jagers; maar zij zou nimmer ledig zijn, indien men altijd zeker ware, er zulke gasten aan te treffen.”
Nauwelijks had hij dezen volzin geëindigd, of hij werd knorrig op zich zelf en vond de geüite plichtpleging laf, ontijdig en ongepast. Het antwoord der schoone versterkte hem in deze opvatting.
“Ik geloof niet,” zeide zij, op een vriendelijken, maar gevoelvollen toon, “dat de jagers, waar gij van spreekt, veel genoegen zouden vinden in een zoo droevig schouwspel als hetgeen deze plaats thans verschaft,” en zij wees den Ridder naar de bedstede, waar hij nu eindelijk een geestelijke ontdekte, oogenschijnlijk gereed de plichten van zijn heilig ambt waar te nemen bij een vrouw, welke op het leger lag uitgestrekt.
“Is de vrouw van Walger ziek?” vroeg Deodaat.
“Er is een ongeval gebeurd,” antwoordde de onbekende: “zij heeft een wond aan het hoofd bekomen.”
“Ja freule!” voegde Sytsken er bij: “zoo gij dat een ongeval noemt.... alsof het niet de schuld van dien boozen boschwachter ware: dat het een rechte smijtersbaas is, heb ik van morgen al opgemerkt.”
“Ik heb al meer bespeurd,” zeide Deodaat, het hoofd schuddende, “dat Walger de beste man niet was. Wel Elske!” vervolgde hij, naar de bedstede gaande: “hoe staat het er mede?”
“Ik hoop dat het schikken zal, Ridder!” antwoordde Elske, moeite doende om met het hoofd te knikken: “haddendezebrave menschen mij niet geholpen, ik ware er om koud geweest.”
“Stil!” zeide de geestelijke, die onbeweeglijk naast de bedstede zittende, haar polsslag gadesloeg: “gij moet zoo min mogelijk spreken.”
“Corpo di Bacco!” klonk op eens de stem van Reinout, die met vrij wat gedruis binnentrad: “moet ik tot morgen bij de paarden blijven?”
“Bedaar wat,” zeide Deodaat: “hier is een zieke.”
“En gezonden ook, naar ik merk,” hernam zijn vriend, rondziende: “’t verwondert mij niet, dat gij mij in zulk gezelschap vergeet. Zult gij mij het genoegen doen, mij aan deze jonkvrouwen voor te stellen? want zeker hebt gij reeds kennis gemaakt.—Madre di Dio! deze hier heb ik meer gezien.” Dit zeggende pakte hij Sytsken bij den arm, die zich haastig losrukte.
“Jongeling!” zeide vader Syard, (want deze was de monnik, die naast net ziekbed zat) oprijzende, en met een streng gelaat naar hem toetredende: “bewaar uw loszinnigheid voor het hof van Graaf Willem: daar mag zij misschien behagen! hier is zij ongepast.”
“Vergeef mij, Pater!” zeide Reinout, zonder zijn spotachtigen toon te laten varen: “ik had u niet gezien: en ik wist niet, dat deze schoonen zoo gelukkig waren u tot haar beschermheer te hebben;.... maar zoo ik mij wel bezin,” voegde hij er bij, op eens van toon veranderende: “draagt gij niet het ordekleed van Sint-Benedictus?”
De monnik knikte toestemmend.
“En dit meisje was het, dat hedenmorgen onze hulp voor Seerp Van Adeelen inriep?”
“Dat was ik,” zeide Sytsken: “en nogmaals dank voor uw bijstand.”
“En deze daar,” vervolgde Reinout, met klimmende belangstelling, terwijl hij de onbekende met opgetogen verbazing beschouwde: “behoort ze ook bij u?”
“Wij zijn de Jonkvrouw hier gevolgd,” antwoordde vader Syard.
“Ik ben een zot, een ezel!” riep Reinout, zich voor het hoofd slaande, “vergeef mij, schoone Freule, zoo ik eene, eene enkele uitdrukking gebezigd heb, die uw toorn verwekken kon.”
“Er was geen opzet tot beleediging,” zeide de onbekende op een vriendelijken toon: “hoe zou ik dan toornig zijn.”
”’t Is hare stem, bij alle Heiligen!” zeide Reinout: “en gij liet mij buiten staan, Deodaat!”
“Ik zou u juist zijn gaan roepen,” zeide Deodaat.
“Maar, wat zegt gij toch?” zeide de Jonkvrouw, die niets van den uitroep van Reinout begreep, terwijl zij eerst dezen, en vervolgens de overigen verlegen aanzag.
“Waarlijk ja,” zeide Deodaat halfluid tegen zijn vriend: “nu meen ik ook de stem te herkennen.”
“Meenen!—Zoo gij het minste gevoel in uw ziel bezat, zoudt gij er zeker van zijn zoowel als ik,” hernam Reinout opgetogen.
“Ik geloof, dat die Heeren gek zijn,” zeide de onbekende tegen Sytsken, terwijl zij opstond en haar het kind overhandigde: “zij hebben mij nooit hooren spreken.”
“Neen, maar wel zingen,” zeide Reinout: “en de ooren, die eens de melodie uwer stem dronken, zullen haar nimmer meer met een andere verwarren.”
“Hoe!” zeide de Jonkvrouw, sterk blozende: “gij hebt....”
“Vergeef ons, edele Freule!” zeide Deodaat: “wij zijn onbescheiden geweest. Dezen achternoen bevonden wij ons toevallig in denhof van het oude Sint-Jans-klooster.... en het was vergeeflijk, dat wij niet vertrokken, voordat de hemelsche muziek geëindigd was, die ons daar mocht boeien.”
“Ik dacht niet dat iemand mij hoorde buiten Sytsken,” hernam de onbekende: “had ik geweten, dat zulke kenners, die beter zang gewend zijn, naar mij luisterden, ik had wel gezwegen: doch kom! ik verpraat mijn tijd.... en die arme vrouw ligt ondertusschen te steunen. Hoe gaat het nu, vrouwtje?”
Dit zeggende, plaatste zij zich naast het bed.
“En dat meisje, dat niet terugkomt,” zeide Sytsken: “en de Olderman en Seerp Van Adeelen, die misschien al ongerust zijn over uw uitblijven.
“Dat zal zich wel schikken,” hernam de Jonkvrouw: “lang mij even dat kommetje aan: ik moet het linnen nog eens betten.”
Sytsken leide het kind op het bed, en hield een kommetje met azijn en water voor hare schoone meesteres, terwijl deze met den linkerarm het hoofd der lijderes ondersteunde en met de rechterhand het verband der wond bevochtigde. Deodaat nam dadelijk deze gelegenheid waar om nuttig te zijn: en de lamp van de tafel nemende, hield hij het licht bij. In dien tusschentijd verzocht Reinout den monnik, hem te willen verhalen, wat er voorgevallen was, en bood zijn hulp aan, voor zooverre hij van eenigen dienst kon wezen.
“Het is ongeveer twee uren geleden,” zeide vader Syard, “dat een klein meisje, naar ik meen het dochtertje van deze vrouw, aan ons verblijf kwam aankloppen en schreiende aan den dienaar, die haar inliet, verhaalde, dat haar vader hare moeder doodgeslagen had.”
“Dat is niets nieuws,” merkte Reinout aan: “dat doet Walger alle maanden eens; maar ga voort, Pater.”
“De twist scheen daaruit ontstaan te zijn, dat er in de afwezigheid des mans iemand vanwege den Graaf is gekomen met de boodschap, dat men zijne diensten als boschwachter niet meer noodig had, uithoofde hij zich hedenmorgen in den twist met Seerp Van Adeelen gemengd had.”
“Inderdaad, nu herinner ik mij, iets van zulk een bevel gehoord te hebben.”
“De man, die wel beschonken te huis kwam, geraakte op het hooren dezer tijding en van de verwijtingen zijner vrouw bij die gelegenheid zoo in toorn, dat hij haar met het hoofd tegen de steenen smeet:—wanende dat zij dood was, nam hij de vlucht.”
“Laat hij wegblijven: een schurk minder in de buurt.”
“Men kwam mij dit alles boodschappen, terwijl de afgevaardigden, als u bewust is, afwezig waren. Ik bevond mij juist bij de Jonkvrouw, die terstond begeerde het meisje te zien. Na het ongeval uit haar mond vernomen te hebben, besloten wij het kind te volgen, in de hoop, dat zoowel geneeskundige als geestelijke hulp nog tijdig genoeg mocht komen. Wij vonden de vrouw nog altijd bezwijmd, en een kleiner kind kermende op het bed. Met Gods hulpbrachten wij haar weder tot haar zelve en de Jonkvrouw verbond de kwetsuur, welke ik mij vlei, dat weldra genezen zal, zoo er geene koorts of ontsteking bij komt.”
“Men beweert,” zeide Deodaat, die mede aandachtig had toegeluisterd, “dat hoofdwonden in dit land nogal niet gevaarlijk zijn.”
“Dit schijnt de ondervinding te bevestigen,” zeide de monnik.
“Er zijn wonden, die even snel geslagen worden en wier genezing onmogelijk is,” zeide Reinout, de Friesche Jonkvrouw met een smachtenden blik aanziende. Zij sloeg echter geen acht op zijn ontijdige liefdesverklaring, daar zij bezig was, het verband, dat losgeraakt was, weer vast te hechten.
“Kunt gij ook iets nader bijlichten?” zeide zij: “het springt gedurig los.... ’t gaat alweer niet,” hervatte zij, een weinig ongeduldig.
“Met uw verlof,” zeide Deodaat; “zoo ik even helpen mag—ik geloof dat ik zie waar het aan hapert.”
“Gij!” zeide de Jonkvrouw, hem eenigszins verwonderd aanziende: “welnu!” vervolgde zij glimlachende: “wijs mij eens te recht.”
“Zie,” zeide Deodaat, de lamp aan Reinout ter hand stellende, die bij zich zelven vloekte: “indien gij het linnen hier dubbel vouwt en er dit end doorhaalt, en voorts kruiselings over het hoofd slaat, kan het verband onmogelijk losgaan.”
Terwijl hij aldus sprak, voegde hij de aanwijzing bij het voorschrift en geleidde de blanke en poezele handjes der schoone over het hoofd van des boschwachters vrouw, niet zonder een zoete en zalige trilling te gevoelen, welke die aanraking in geheel zijn wezen teweegbracht.
“Gij hebt gelijk,” zeide de Friezin, toen zij naar eisch geslaagd was: “en ik dank u voor de hulp.”
“Wie had het ooit gedacht?” voegde Sytsken er bij: “dat een Jonker beter een verband zou leggen dan Freule Madzy, die ik niet dacht dat haars gelijke had.”
“De oorlog maakt ons deze kennis vaak noodzakelijk,” zeide Deodaat: “maar nooit heb ik haar met zooveel genoegen in het werk gesteld als nu.”
Op ditzelfde oogenblik ging de stulpdeur open, en Marretje, des boschwachters dochter, die, nadat haar moeder weer was bijgekomen, door deze was uitgezonden om een buurvrouw te halen, ten einde bij de zieke te waken, kwam springende en in de handen klappende terug, de oude boerin bij de hand geleidende, welke de taak van oppasster zoude waarnemen.—“Goed nieuws!” zeide zij: “ik breng een meester mede, die moeder wel terstond genezen zal.”—Hier zweeg zij plotseling, onthutst op het zien der beide Ridders.
“En wie is de kunstenaar, die dat wonder doen zal?” vroeg Reinout, zich omkeerende: “ei zoo! is het die schurk?”
Het was inderdaad meester Barbanera, die de hut binnentrad, en een diepe buiging voor het aanwezig gezelschap maakte.
“Zijt gij het, ongeluksvogel?” vroeg Deodaat: “gelooft gij, dateen der onderzaten van Graaf Willem nog met uwe hulp gediend zal wezen na al de ellenden, die gij hem en zijn huis voorspeld hebt? Verbeeld u,Pater!” vervolgde hij tot den monnik: “dat deze kwakzalver de stoutheid heeft gehad, hedenavond, ter belooning der gunst, waarmede hij op den Vogelesang ontvangen was, niets dan rampen aan onzen Vorst en het daar tegenwoordig gezelschap te voorspellen.”
Meester Barbanera haalde de schouders op en hief de oogen opwaarts, als wilde hij te kennen geven, dat men alleen het gestarnte en niet hem beschuldigen moest. Vervolgens begaf hij zich naar de bedstede en wilde de hand der lijderes nemen om haar pols te voelen, toen Reinout hem bij den kraag vatte en terugtrok.
“Waag het niet haar aan te raken,” zeide hij op een gramstorigen toon, “zoo gij niet begeert dat wij terstond den eersten last des Graven ten uitvoer brengen en u tot een aas der kraaien maken.”
“Gij zoudt kwalijk doen,” fluisterde de kwakzalver hem in ’t Italiaansch toe: “gij zoudt daardoor den eenigen man wegruimen, die het geheim uwer geboorte kent.”
“Gij!” herhaalde Reinout, in dezelfde taal, terwijl hij de armen vallen liet. “Welnu,” vervolgde hij, hem in een hoek van het vertrek voerende, “morgen te acht uren wacht ik u hier weder. Den brenger van echte tijdingen zal ik rijkelijk beloonen; maar den bedrieger ernstig straffen: wees daarvan zeker.”
“Ik zal komen,” zeide de kwakzalver; “doch onder één beding; gij zegt niets van dit aan uw makker: en gij komt alleen.”
De monnik en Deodaat, bezig met de zieke zijnde, hadden niets van dat gesprek vernomen: “Mij dunkt,” zeide de eerstgemelde, “dat het alleen aan de lijderes staat om te beslissen, of zij van de hulp des vreemdelings al of niet gebruik wil maken.”
“Ik gevoel mij beter,” zeide Elske: “en ik hoop dat het zonder medicijnen wel zal schikken; als buurvrouw Machteld bij mij blijft van nacht; want ik ben doodsbang alleen.”
“In dat geval kunnen wij terugkeeren,” zeide vader Syard tegen zijn twee gezellinnen; “het voegt ons niet, de Heeren aan ’t klooster langer in ongerustheid te laten.”
“Gij zult ons vergunnen u veilig naar huis te geleiden,” zeide Reinout: “het is avond en in de duisternis zoudt gij kunnen verdwalen.”
De monnik nam dit aanbod met een stijve hoofdbuiging aan: Madzy hoorde het niet, of deed althans of zij het niet hoorde en nam afscheid van de gewonde, haar belovende, den volgenden dag naar haar te komen zien: de kwakzalver werd op een zachte wijze de deur uitgeschoven en het gezelschap verliet de hut, Elske aan de zorg van buurvrouw Machteld overlatende.
Het was nu volkomen nacht geworden, en daar de maan nog niet was opgekomen, donker genoeg: zoodat er reeds eenige behoedzaamheid noodig was om den rijweg te bereiken langs het smalle paadje door het kreupelhout, waarop Reinout de anderen voorging, die hem één voor één volgden. Op den rijweg gekomen, begon men min ofmeer de vormen der dingen te kunnen onderscheiden en Reinout, den kastanjeboom naderende, greep naar den toom van hetgeen hij voor zijn paard hield.
“Dat is mijn paard niet,” zeide hij: “is het uw vos, Deodaat?”
Dit zeggende liet hij den toom in de hand zijns vriends glijden en sloeg zijn arm om den nek van een ander viervoetig dier; dan op hetzelfde oogenblik gaven beiden een kreet van verbazing.
“Wilt gij mij dit paard uit de openbaring voor mijn vos verkoopen?” vroeg Deodaat, de hand strijkende over de uitstekende bouten en knoken van het dier, dat hij vasthield.
“Hier heeft tooverij plaats, bij alle duivels!” vloekte Reinout, die, in de plaats van het spiegelgladde vel van zijn zwarten hengst, de stekelharige vacht van een ezel voelde.
“Wat is u toch overkomen?” vroegen vader Syard en de beide meisjes, als uit eenen mond.
“Hier priester! eene bezwering!—het is de booze zelf, die mij in ’t aangezicht vaart,” brulde Reinout, wien een zwart dier, dat zich van des ezels rug scheen los te maken, in ’t aangezicht was gevlogen.
“Cezar! hier!” riep plotseling de stem van den hansworst, die naast de beide dieren, welke hij bewaken moest, zat te dutten, en nu eensklaps opsprong.
”’t Zijn de beesten van den kwakzalver, die wij voor de onzen aanzagen,” zeide Deodaat, in gelach uitberstende.
“Schurk!” riep Reinout, den hansworst in den hals knijpende, “wat belet mij u op de plaats te doorsteken?” en meteen hief hij zijn dolk op.
“Foei Reinout, schaam u!” zeide Deodaat, hem terughoudende: “een aap en een nar, zijn dat gepaste kampvechters voor u?”
“Gij hebt fraai spreken,” hernam Reinout, zijn dolk weder opstekende, “uw gezicht is niet gelijk het mijne, open gekrabd door dat satansche beest.”
Meester Barbanera, die tot nog toe vol angst in het pad teruggeweken was, kwam bij dit gezegde voor den dag met een zalfpot, dien hij Reinout aanbood, en welken deze terstond over den kastanjeboom heen deed vliegen, zeggende:
“Loop naar den duivel met uw gesnor.—Waar zijn onze paarden?”
“Dat is waar ook,” zeide Deodaat: “met al die gekheid zijn onze paarden nog zoek.”
“Ik heb hier bij onze komst niets gezien dat naar een paard geleek,” zeide de nar.
“Gij hebt ze gestolen, ellendeling!” zeide Reinout: “beken waar zij gebleven zijn, of dit oogenblik is het laatste uws levens.”
“Bij Sint-Momus!” zeide de hansworst, terwijl hij trillende van angst op de knieën viel: “ik zweer u, mijne goede Heeren, dat zoo hier paarden gestaan hebben, de kaboutermannetjes ze hebben weggehaald, of dat zij op de lucht van meester Cezar gevlucht zijn; want ik heb ze niet gezien en de kokeler kan getuigen....”
“Een fraaie getuige!” zeide Reinout, den armen Barbanera aanziende, die trillende en met gevouwen handen tegen den boom stond geleund: “gehangen zult gij worden, paardendieven!”
“Mij dunkt,” zeide Deodaat tegen den kokeler: “gij, die een waarzegger zijt, moest ons kunnen vertellen waar zich onze rossen bevinden!”
”’t Is wel een oogenblik van gekscheren,” bromde Reinout: “zij mogen zweren wat zij willen, ik zweer hun dat zij er niet heelhuids afkomen, zoo zij de waarheid langer durven verzwijgen.”
Hier deed de zachte stem van Madzy zich hooren: “Mijne goede Heeren!” zeide zij: “deze lieden zijn mogelijk onschuldig. Indien zij uwe paarden gestolen hadden, zouden zij er dan niet mede weggevlucht zijn?”
De juistheid dezer aanmerking en meer nog de uitwerking vanMadzy’sbevallig stemgeluid deed de gramschap van Reinout bedaren, die eenigszms verlegen terugtrad. “De Jonkvrouw heeft gelijk,” zeide Deodaat: “en wij moesten ons schamen, haar te laten wachten tot wij onze beesten terughebben. Veroorloof mij, Freule! u den weg te wijzen.”
“Gij zijt te goed!” antwoordde Madzy: “zoek eerst de verlorene schapen weer op: wij zullen den weg wel vinden.... maar wacht eens!” hier wendde zij zich tot de buurvrouw, die met Elskes dochtertje op het gerucht was komen aanloopen: “zijn deze vrouwen en dit meisje niet met den meester gekomen.”
“Zeer juist!” merkte de monnik aan: “vrouwtje!” vervolgde hij tot Machteld: “waar hebt gij dien wonderdokter en zijn maat ontmoet?”
“Zij zijn ons op den grooten weg achterop gekomen,” was het antwoord.
“Net zoo,” zeide de nar: “wij kwamen van den Vogelesang.”
“Zwijg!” zeide vader Syard: “het wordt u niet gevraagd,” en, zijn onderzoek voortzettende: “zijt gij met hen tot hier gekomen?”
“Dat bennen wij.”
“Waren er twee paarden aan dezen boom gebonden?”
“Ik heb geen biest gezien? jij al, Marretje?”
“Niets dat naar een paard leek,” zeide deze.
“Dan moeten zij vroeger gestolen zijn,” zeide Reinout: “want ik had ze aan denzelfden boom gebonden, waar nu deze ongelukken van beesten aan zijn vastgemaakt.”
“Gij kunt er nog de hoeven van bespeuren,” zeide Deodaat, “niettegenstaande de duisternis: kom! dat zijn twee zorgen minder op stal. Het spijt mij;.... maar men moet zich de wereldsche zaken kunnen getroosten.”
“Ik heb een erger verlies ondergaan, sedert ik u gezien heb,” zeide Reinout, zich bij Madzy voegende.
“Waarlijk?” zeide deze:—“gij moet wel achteloos zijn, om zoo alles te verliezen.”
“Kom! genoeg gedraald,” zeide Deodaat: “trek in vrede af, meester Barbanera! maar wacht u, hier langer in de buurt te vertoeven.—En wij, gaan wij: de Heer van Aylva zal ongerust zijn: enwie zou het niet wezen, wanneer hij bij zijne tehuiskomst zulk een beminnelijke dochter mist.”
“Ik ben de dochter van den Heer van Aylva niet,” zeide Madzy, terwijl allen zich op weg begaven: “hij is mijn voogd.”
De zoo natuurlijke bescheidenheid, welke ieder jongeling vervult in de tegenwoordigheid van een meisje, dat bij hem een ontkiemend gevoel van liefde verwekt, belette Deodaat verder te vragen. Ook Reinout gevoelde een verlegenheid, welke hij nimmer bespeurd had: het eenvoudig onschuldige van Madzy boezemde hem een eerbied in, welke geen vrouw ter wereld ooit bij hem had doen ontstaan. Men wandelde dus een poos in stilte voorwaarts, zonder dat er een woord gewisseld werd. Eindelijk brak vader Syard het zwijgen, ten einde de Ridders over de voorzeggingen van meester Barbanera te ondervragen. Zij voldeden aan zijne nieuwsgierigheid: Madzy mengde zich weldra in het onderhoud, en men begon over en weder van vervulde en nog te vervullene profetieën te gewagen.
“Men heeft bij u te lande ook nogal vrij wat op met waarzeggingen,” zeide Reinout tegen Madzy: “ten minste, dit is mij wel verhaald.”
“Dat geloof ik!” zeide Madzy, “er wordt bij ons geene stins gebouwd, geen dam gelegd, geen kind geboren, of er is de een of andere monnik, die er het toekomstige lot van voorspelt.”
“Ik herinner mij,” zeide Deodaat peinzende, “dat ik eens bij toeval zulk een Friesche voorspelling gehoord heb. Ik ben die meerendeels vergeten: een paar regels zijn mij lang bijgebleven: laat zien,” vervolgde hij, zich het hoofd krabbende, “of ik mij die nog kan herinneren: