“Ik ging den Heer van Aylva het verlangen der Jonkvrouw van Dekama overbrengen: zij wenscht te vertrekken.”“Ik wil het gaarne gelooven,” zeide Beaumont, de schouders ophalende; “maar dat zal nu niet gaan, vrees ik.”“Jonkvrouw!” vroeg intusschen Ottilia aan Madzy: “wilt gij niet op een meer afgelegene plaats gaan zitten? Ik zie den hofstoet aankomen.”“O ja!” antwoordde Madzy, opstaande en haastig haar arm nemende: “laten wij ons verwijderen.”Maar reeds had zich een der edelknapen van den stoet afgescheiden en de wijkende jonkvrouwen ingehaald.“De Heer van Beaumont verlangt u te spreken, Freule!” zeide hij tot Madzy.Deze gevoelde op die taal een trilling, welke haar geheele gestel in beweging bracht, en werktuiglijk volgde zij, aan den arm harer geleidster, den bode van Beaumont.De Gravin, nu beter onderricht en, hoewel nog niet zeker van Madzy’s onschuld, echter iets, dat naar medelijden zweemde, met haar gevoelende, begreep het nu veilig te kunnen wagen om haar toe te spreken: en na eenige weinige onbeduidende vragen, waarop Madzy nauwelijks in staat was antwoord te geven, zeide zij:“De Heer van Beaumont heeft iets met u te verhandelen, weshalvewij u zullen verlaten. Jonkvrouw van Naaldwijk! wij hebben u gemist. Uwe plaats is bij ons, zoo wij ons niet bedriegen.”Ottilia kleurde en zuchtte, en met moeite een traan verbergende, die haar bij dat openbaar verwijt in de oogen schoot, wilde zij zich weder bij den hofstoet voegen; doch Madzy hield haar hand tusschen de hare vast.“Ik dank u,” zeide zij: “gij voor ’t minst weet medelijdend te zijn. Madzy Dekama zal u nooit vergeten. O! bloos niet en laat het u niet smarten, vriendelijk jegens mij te zijn geweest. Een enkele traan, om mijnentwille gestort, zal u in uw ouderdom zoeter herinneringen geven dan al de hofgunst u bieden kan.”Hier liet zij de hand van Ottilia varen: en geroerd en verlegen trad de Jonkvrouw van Naaldwijk tusschen hare gezellinnen terug.“Welnu,” voegde haar Oda toe: “hebt gij u de fraaie predikatie wel in ’t hoofd geprent, die ons dat Friezinnetje in ’t bijzijn der Gravin heeft opgedischt?”Beaumont had intusschen Madzy met de hem zoo eigene minzaamheid bij de hand genomen: en zoodra de hofstoet zich verwijderd had, vroeg hij haar op een vriendelijken toon, hoe zij het had. Madzy dankte hem voor zijn deelneming en gaf op hare beurt haar verlangen te kennen om zoo spoedig mogelijk met haar voogd te vertrekken.Beaumont hield zich, of hij haar niet begreep, en van onderwerp veranderende, verhaalde hij haar, dat de wond van Deodaat onderzocht was, en dat men, in afwachting van den wondheeler, om wien men gezonden had, er een doek met olie van hertshoorn op had gelegd, welk middel door den eerwaarden Abt van Sint-Odulf als hoogst weldoende was aangeprezen. “De wond,” voegde hij er bij, “is diep; maar men vleit zich nog, dat er geene edele deelen geraakt zijn.”Madzy gevoelde zich opgebeurd door deze tijding. Zij had naar den toestand des gewonden niet durven vernemen en de mededeeling van Beaumont was haar daarom dubbel welkom. “Wij hebben ons veel te verwijten,” vervolgde deze, “dat wij u zoolang aan u zelve hebben overgelaten; doch wij meenden allen, dat uw bruidegom zich bij u bevond.”“Ik heb geen bruidegom meer,” zeide Madzy met een ontstelde stem.“Is het dan waar?” vroeg Beaumont; “inderdaad, Mevrouw de Gravin heeft mij iets verhaald van een onderhoud, dat tusschen u plaats schijnt te hebben gehad.... doch, vergeef mij, ik raak een onderwerp aan, dat mij niet betreft en voorzeker pijnlijk is voor u. Ook wordt het tijd, dat ik mijne boodschap doe. Uw waardige voogd wilde u gaan opzoeken;—maar hij was zelf zoo ontsteld over die noodlottige gebeurtenis, dat hij ternauwernood gaan kon. Hij heeft zich dit geval zoo sterk aangetrokken, als ik zelf kon doen, ik, die nog een oude betrekking heb tot den goeden Deodaat. Daar ik den last des Graven ongaarne door een hofbediende had laten volbrengen, heb ik zelf de vervulling daarvan op mij genomen, en kom u thansvragen, of gij krachts genoeg zoudt gevoelen om den moordenaar te zien?—vergeef mij,” vervolgde hij, den plotselingen schrik ontwarende, waarmede Madzy bevangen werd: “het zal wellicht heden nog niet noodig zijn; doch gij alleen zijt bij het misdrijf tegenwoordig geweest, en uwe getuigenis is onmisbaar tot zijn overtuiging.”“Heden of morgen,” antwoordde Madzy, “het zal er toch toe moeten komen, en waarom dan maar niet terstond? Mijn ziel is nu toch zoozeer geschokt, dat een pijnlijke gewaarwording te meer schier geen invloed meer op mij hebben zal.”“Ik geloof, dat gij recht hebt,” zeide Beaumont, “maar in dat geval, wees zoo goed, en leun op mijn arm. Het doet mij leed dat mijn genadige Nicht u de hulp van haar Jonkvrouwen niet gelaten heeft.... maar ik zal zorgen, dat gij na afloop van het verhoor eenige juffers tot uw dienst hebt.”Zeventiende Hoofdstuk.Kom ridderlijke man, door waan ten top gedreven,Ik eysch u voor de kling, te paarde of wel te voet.Luyken. Duitsche Lier.Toen Madzy meer dood dan levend door den Heer van Beaumont in de groote hal van het jachthuis werd ingeleid, gaf deze een vertooning welke schilderachtige groepen zou hebben opgeleverd, aan al, wie haar met een onverschillig oog ware binnengetreden. Graaf Willem, wiens ontevredenheid en wrevel, door het wonden van een zijner gunstelingen en de verwarring hierdoor in zijn feest gebracht, niet waren verminderd, liep met een donkeren blik en de handen op den rug de gaanderij op en neder, gelijk een leeuw in zijn kooi. Zijn edellieden en dienaars stonden hier en daar verspreid, slechts fluisterend met elkander sprekende. In een dier groepen stond de Wapenkoning, op den hem eigen gewichtigen toon, doch niet luider dan juist noodig was om door zijn toehoorders verstaan te worden, zich te beklagen over de moeite, welke het geven zoude, indien Deodaat kwam te overlijden, om diens begrafenis op een behoorlijke wijze in te richten, dewijl de adel des jongen Italiaans een hoogst onzekere zaak was, en er bij velen nog twijfel bestond, of Graaf Willem wel recht had gehad Reinout en hem tot Ridders te slaan, zonder verlof van den Keizer. Over hem ontdekte men den Heer van Aylva, die gedwongen was geweest, de sponde des gekwetsten te verlaten, bij wien zich thans niemand bevond dan des Graven biechtvader, gereed om hem de diensten van zijn heilig ambt aan te bieden, zoodra hij tot zijn kennis kwam. De waardige Olderman stond in diep gepeins verzonken en als verplet van droefheid. Wat verder zag men eenige Stichtsche edelen in een wel stil, dochdriftig gesprek gewikkeld, terwijl hunne teekenen en gebaren, en de ongewisse, ja soms verontruste blikken, die zij op den Graaf wierpen, te kennen gaven, dat het onderwerp van hun gesprek belangrijk was. En geen wonder! zij hadden zooeven uit het Sticht de tijding bekomen, dat men aldaar te wapen vloog en zich tot weerstand bereidde, bijaldien de Graaf zijn voogdijschap over ’t Bisdom met geweld wilde doen gelden. Kort bij hen stond Adeelen alleen, tegen den muur geleund, den arm over een hertekop geslagen, die den wand versierde, in diep gepeins verzonken en zijn oogen nu eens naar de zijgang slaande, welke naar het vertrek des gewonden leidde, dan weder op den Graaf, en dan weder naar den moordenaar. Deze stond ongeboeid doch wapenloos aan het einde der zaal, omringd van eenige edelen en wapenknechten. Men had hem gegrepen, op het oogenblik, dat hij reeds te paard gestegen was en zich tot de vlucht gereedmaakte. Een akelige bleekheid bedekte zijn gelaat; maar zijn gitzwarte oogen doorliepen de zaal en vestigden zich op de aanwezigen met een uitdrukking van hoogheid, gelijk aan die, waarmede de schilders den gevallen Aartsengel afmalen. Hij sloeg ze echter een oogenblik neder en een vluchtig rood kleurde zijn wangen toen hij Madzy gewaarwerd: doch hij herkreeg spoedig zijn vrijmoedigheid en bleef een zegepralenden blik op het meisje gevestigd houden.Wat haar betreft, zij had hem, die zich in den meest verwijderden hoek der zaal bevond, niet dadelijk opgemerkt: en haar aandacht was terstond op haar voogd gevallen, die met een treurigen blik haar te gemoet kwam. “Madzy! Madzy!” zeide hij zachtjes, terwijl hij weemoedig het hoofd schudde: “Ik had de Roos van Dekama niet over zee moeten medevoeren!” En terstond daarop den geschokten toestand van Madzy bespeurende, verweet hij zich de uitdrukking, die hij gebezigd had en hielp hij Beaumont om haar te ondersteunen.“Meisje!” zeide Graaf Willem, toen hij haar gewaarwerd: “wij hebben u hier ontboden om den moordenaar van Deodaat te herkennen. Is het de man die daar staat, die de wond heeft toegebracht?”Madzy hief de oogen op, maar bedekte die terstond met beide handen, toen zij den Italiaan gewaarwerd. “O! uit deernis, spaar mij!” riep zij met een angstvolle stem.“En welke noodzakelijkheid bestond er,” vroeg nu Reinout op een trotschen toon, “om haar hier te doen verschijnen? Heb ik mijn euveldaad niet beleden? Ja! deze hand was het, die het verraderlijk hart doorboord heeft, en zoo zij den dolk des sluipmoordenaars gebezigd heeft, men bedenke, dat het haar niet vergund werd de ridderlijke lans te gebruiken.”“Het is genoeg!” zeide Willem: “en wij behoeven de Jonkvrouw niet verder te ondervragen. Haar schrik op zijn gezicht en zijne volmondige bekentenis laten geen twijfel omtrent de misdaad over. Hij is echter Ridder en kan, als zoodanig, adellijke rechters, vragen.”“Met verlof van uwe Genade!” zeide Paypaert, “ik moet eerbiedigaanmerken, dat geene bescheiden betreffende de geboorte van dezen jongeling tot nog toe hebben bewezen, dat hem de voorrechten, aan den adel verknocht, kunnen vergund worden.”Willem antwoordde niets; maar sloeg op den grijsaard een dier blikken, welke zooveel willen zeggen als: “waar bemoeit gij u mede?”—Vervolgens gaf hij last, dat men den gevangene in den toren zoude sluiten en verwijderde zich, gevolgd door de genoodigden.Wat Madzy betreft, zoodra de hofstoet zich verwijderd had, wierp zij zich weemoedig om den hals van haar voogd en smeekte hem, met haar een feest te verlaten, dat zoo treurig begonnen was. Aylva drukte haar aan zijn hart: en zonder een woord te spreken, begaven zich beiden naar de stallingen, van waar zij zich weldra huiswaarts spoedden.Intusschen zouden de wapenknechten Reinout voeren naar den toren boven het jachthuis, die hem tot tijdelijke gevangenis was aangewezen. Hij liep in hun midden, meer met den zegepralenden blik eens overwinnaars, dan met den wankelenden tred eens gevangenen. Toen zij de zijdeur intraden, welke de donkere trap opende, die naar boven leidde, bemerkte Reinout, dat iemand hem vrij onzacht tegen het lijf aan liep, en te gelijk voelde hij dat hem een dolk werd toegestoken, dien hij schielijk in zijn kleed, verborg. Een haastige wending met het hoofd deed hem Seerp Van Adeelen herkennen, die zich van hem verwijderde.Dit dienstbetoon volbracht hebbende, begaf zich de Fries naar de plaats, waar het gastmaal gehouden werd. Maar reeds was iedereen gezeten en niemand scheen geneigd, plaats te maken voor den wreveligen Adeelen, die, volgens de uitdrukking van Oda, de tafel rondliep gelijk een hengelaar, die langs den waterkant gaat en plaats zoekt om zijn aas uit te werpen, maar overal door hooge biezen verhinderd wordt. Eindelijk wist Adeelen zich naast zijn ambtgenoot van Sint-Odulf te vervoegen, die reeds de vreemde voorvallen van den dag scheen vergeten te hebben, en met een graagte, welke het vertragen van den maaltijd nog gescherpt had, bezig was een geduchte bres te maken in een pauwepastei. Daar de Graaf in zich zelf gekeerd en ontevreden was, en de houding van de aanwezigen, bovendien door het gebeurde weinig gestemd tot vroolijkheid, zich naar die des gastheers schikte, liep het feest vrij stil en droomerig af, en men scheidde vroeger dan men had voorgenomen, zonder dat eenig noemenswaardige gebeurtenis dien dag verder plaats greep.Nauwelijks was de volgende morgen aangebroken, of een talrijke menigte was weder op hetZandte Haarlem samengestroomd in afwachting van het tweegevecht, dat hun den vorigen dag, als een onverwacht schouwspel, en om zoo te spreken op den koop toe, was toegezegd geweest. Wel liep er hier en daar een dof gerucht, dat de kamp vechter des Graven gekwetst, of volgens sommigen, gedood was geworden; doch daar niemand iets zekers van de zaak wist en de bezetting van de kampplaats op den bestemden tijd was verschenen, hechtte men weinig aan deze tijding. Intusschen dientde lezer te weten, dat de Graaf zoowel als Beaumont, bij de drukte, welke de staatsaangelegenheden zoowel als het gebeurde op den Vogelesang veroorzaakten, vergeten hadden de bezetting te doen afzeggen of een anderen kampvechter in de plaats van Deodaat te benoemen; terwijl Paypaert (wiens geheele verbeelding werktuiglijk was en zich ten deze alleen bepaalde tot de zorg, dat alles, voor zooverre hem betrof, tot de krijtwerf gereed ware, zonder zich zooverre uit te strekken om na te denken, of er wel een kampvechter komen zoude) daarentegen zijne bevelen in dien zin gegeven had, alsof er geen twijfel aan den voortgang van het gevecht bestaan kon. Hij vertoonde zich dan ook binnen het krijt, aan het hoofd zijner Herauten en trompetters, recht bezig om alles naar behooren te schikken: echter kon hij niet nalaten van tijd tot tijd het hoofd te wenden naar de zitplaatsen van den adel, welke grootendeels ledig bleven en slechts bezet werden door enkele edellieden van den omtrek, die nog onbewust waren van de gebeurtenis, waardoor het kampgevecht onmogelijk gemaakt was. “Die eeuwige treuzelaars!” mompelde de grijsaard bij zich zelven, met een ontevreden hoofdschudden: “in mijne jeugd zoude men den tijd niet zoo onnut hebben laten voorbijloopen, wanneer er een kampgevecht te zien ware. Is het dan voor het vermaak van het gepeupel, dat men heden vechten zal? En is een strijd op leven en dood tusschen twee Ridders niet meer dan een hanengevecht?”Het volk begon insgelijks te morren. “Zou er waarlijk niets van komen, buurman?” vroeg de wapensmid aan onzen vriend Claes Gerritsz: “en zou ik voor niemental mijn blaasbalg laten roeren?”“Bij Sint-Gangolf!” antwoordde de marktschrijver: “ik wist wel dat mijne berichten goed waren: die lompe Fries heeft gisteren den Italiaan, met wien hij vechten moest, op het feest overhoop gestoten en is dadelijk tusschen vier muren geplakt. Het zijn gelukkig twee bloedzuigers van vreemdelingen minder.”“Ja maar,” hernam de zwaardslager, “het verwondert mij dan dat al de Herauten aanwezig zijn.”“Daar verstaat gij niets van,” zeide Claes Gerritsz: “tijd en plaats zijn bepaald, en al komt er geen mensch bidden, de priester moet daarom toch in de kerk zijn.“Het bevreemdt mij met dat al,” zeide de smid, “dat onze Graaf een vreemdeling als dien Deodaat tot zijn kampvechter verkozen heeft, alsof er geene Hollandsche edelen genoeg waren, om dien Fries de les te lezen.”“En is de Graaf niet zelf een vreemdeling?” vroeg Claes Gerritsz: “en kan men wel iets anders verwachten van al wat van gene zijde der wateren komt: Fries, Italiaan of Henegouwer, ’t is al een pot nat.”“Gij moet toch erkennen,” hernam de smid, “dat de vorige Graaf veel voor ons gedaan heeft en den naam van den Goeden ruim verdiend heeft.”“Nu! dan verkerft zijn zoon het dubbel,” zeide de schrijver: “heeft hij ons niet bij zijn huwelijk over de veertig pond afgetroggeld,terwijl wij volgens het Privilege van Koning Willem slechts twintig pond schuldig waren te betalen, evenals bij de blijde inkomste. Maar de Magistraat is een hoop stoflikkers, en er moesten heel andere menschen aan het roer zitten,” voegde hij er bij, den neus optrekkende en de borst hoog zettende.“Ik zie de onbillijkheid nog niet in, daar gij van spreekt,” zeide zijn buurman: “betaalt gij meer, gij geniet ook meer: en Haarlem is sedert dien tijd ook wel eens zoo groot geworden.”“En eens zoo arm, moogt gij er wel bijvoegen. Sedert Amsterdam met Holland vereenigd is, vaart er bijna geen schip meer uit Haarlem naar de Oostzee.”“Gij zijt een ondankbare klager, buurman! En brengen al die feesten ons geen rijkdom aan?”“Rijkdom?—Ja, aan de kroeghouders, die drank tappen en den accijns smokkelen, en aan de wapensmids, die een dubbel getal knechts in ’t werk stellen, en die ook wel een tiendubbel aandeel in de blijde inkomsten mochten betalen: althans zoo er een oorlog met Utrecht op handen is, gelijk ik zooeven vernomen heb.”“Een oorlog met Utrecht!” herhaalde de verheugde smid, zich de handen wrijvende: “eilieve, buurman! verhaal mij dat eens.”Maar het was den marktschrijver niet mogelijk zulks op een verstaanbare wijze te doen. Een luid geschal en volksgejoel kondigde eindelijk de aankomst van een der kampvechters aan.“Daar is hij! daar is hij!” riep de smid, den Stichtschen oorlog schier vergetende.“Wie is daar?” vroeg de marktschrijver, ontevreden.“De Friesche Ridder,” antwoordde de smid: “dien gij achter de tralies geplakt hebt. Mij dunkt, uwe tijdingen zijn niet van de allerjuiste. Wie weet of die Ridder Deodaat, dien gij doodmaakt, ook niet nog verschijnt.”“Maar is het waarlijk de Fries?” vroeg Claes Gerritsz, nog steeds ongeloovig.“Ken ik dan de wapenrusting met de zilveren sterren niet, die ik zelf geleverd heb? En heb ik dien strijdbijl, die aan den zadelknop hangt, niet nog gisteravond gescherpt en aan zijn dienaar overhandigd?”Het was inderdaad Seerp Van Adeelen, die geharnast het krijt was binnengereden en nu onbeweeglijk aan den ingang post vatte.“Ziedaar een ongehoorde zaak!” bromde Paypaert: “een der kampioenen is er, en er is nog geen Kamprechter: en de Graaf, die beloofd had, te komen! Het gaat mijn begrip te boven.”“Maar, Heer Wapenkoning!” zeide een der Herauten: “mag ik vragen, of er ook een misverstand plaats heeft? De andere kampioen is immers gisteren gekwetst en misschien al dood?”“Even alsof de Graaf niet voor een anderen zoude gezorgd hebben. Breek mijn hoofd niet met zulken zotteklap en ga naar stijl en gebruik aan gindschen Ridder vragen, wat hij hier verrichten komt.”De Heraut zweeg, reed naar Adeelen en volbracht zijn boodschap.“Ik ben Seerp Van Adeelen,” was het antwoord, dat vader Syard had opgesteld en waaraan Seerp een halven nacht besteed had om het zich in ’t hoofd te prenten: “en ik kom gewapend en te paard, als eenen edelman betaamt, om een rechten kamp te wagen en mijn uitdaging gestand te doen tegen Willem, Grave van Henegouwen en Holland; en ik neem tot getuigen van mijn goed recht aan, Onzen Heere, Onze Lieve Vrouwe en mijn Heere Sint-Nikolaas. Ik verlang, dat gij mij mijn gedeelte van het veld, van den wind, van de zon en van alles, wat oorbaar en noodzakelijk is, toestaat. En dat gedaan zijnde, zal ik mijn plicht doen, met de hulpe Godes, Onzer Lieve Vrouwe en van mijn Heere Sint-Nikolaas, te voet of te paard, met al zulke wapenen als door de Kamprechters zal goedgevonden worden.”Zoodra deze litanie aan den Wapenkoning was overgebracht, gaf deze last, dat de trompetters zouden blazen en dat de verweerder zoude uitgeroepen worden om namens den Grave van Holland en Henegouwen tegen Seerp Van Adeelen op te komen. Maar vruchteloos klaterde het luide geschal door de lucht. Niemand beantwoordde de indaging.“Men moet wachten,” zeide Paypaert: “de verweerder moet den behoorlijken tijd van drie uren hebben: en is hij dan niet verschenen, dan kan de indager geacht worden aan zijne verplichting voldaan te hebben.” Maar het eerste uur verstreek en het tweede ging mede voorbij, en niemand was nog aan den ingang van het krijt verschenen.Het volk morde en mompelde luidkeels en woelde onvergenoegd over het plein dooreen. Nu eens ging er een gedeelte verveeld en knorrig van het plein af, maar keerde, even spoedig als het vertrokken was, uit nieuwsgierigheid weer terug: en schier elk bevond zich in dien toestand, waarvan meer dan een onzer lezers wellicht meermalen de onaangenaamheid zal ondervonden hebben; dien toestand, waarin men verkeert, wanneer men, ’t zij het begin van een lang beloofd vuurwerk, ’t zij de ontknooping van een langdradig tooneelstuk, ’t zij het toegezegd bezoek van een ouden vriend, die wegblijft, ’t zij de aankomst eenerdiligence, die een ongeluk gehad heeft, wachtende, even onwillig is, langer te verbeiden, als te vertrekken.De jonge edellieden, die langs de zitplaatsen heen en weder liepen, waren, niet minder dan de oude Wapenkoning, verontwaardigd over de schande, welke de Graaf zoude te lijden hebben, indien er zich geen kampvechter opdeed om zijn goed recht te verdedigen, en onderhielden zich reeds met warmte, en overluid, over de noodzakelijkheid, dat, zoo niemand in het krijt verscheen, een hunner de plaats des uitblijvenden vervulde.“Bij den baard van Sint-Bavo!” riep de wapensmid, onverduldig: “zal die satansche Fries onzen Graaf en ons hier ongestraft blijven uittarten? Ha! zoo de oude Paypaert de kampwerf niet ontzeide aan al wie geen adellijk bloed in de aderen heeft, ik zou met genoegen eens binnenstappen, en dien hoovaardigen ruiter voor de eer van Holland durven staan, zonder ander wapen dan mijn moker: en ikzou wel willen zien, of hij mij met zijn degen of heirbijl aan ’t lijf zou komen, en of ik hem niet zoo plat zou beuken als een haardplaat.”“Des te eerder,” zeide Claes Gerritsz, “dewijl gij het harnas zelf vervaardigd hebt, en dus best in staat zijt, de plaatsen te kennen, waar de minst deugdzame spijkers zitten.”“Oho,” zeide de smid: “zoo Melis Courtz uit den Anegang den kolder gemaakt had, nam ik aan er schub voor schub uit te slaan;—maar ik zet het den besten, eenige fout in een harnas te vinden, dat uit mijne smidse komt.”“Hei ho! meester helmslager!” riepen op dit oogenblik de stemmen van ettelijke edellieden, die zich tusschen den volkshoop heen naar hem toe drongen: “hebt gij geen kuras voor ons gereed?”“Ik zou u het beste, dat ooit uit mijne werkplaats te voorschijn kwam, voor niet leveren,” antwoordde de vaderlandlievende smid, “indien hij, die het aantrok, dien snoever met voordeel bestreed;—maar bij alle duivels! de schelm zelf heeft den laatsten kolder, dien ik vervaardigd heb, aan zijn bast, en een deugdzaam harnas ook, dat beloof ik u. Ik wilde, dat mijn arm melaatsen ware geworden, toen ik er de nagels insloeg.”“Dat u de nikker hale!” riepen de edellieden uit: “ongelukskind! waar zal men wapenen vinden? Hoor hem eens balken, den onbeschaamden Fries!”—want Adeelen, zoowel om de gemeente te tergen als uit verveling, liet niet af, de kampplaats op en neder te rijden, al roepende: “Welnu! dappere Hollanders! Laat gij u door een Fries uit het veld slaan? en is er niemand, die moeds genoeg heeft, de eer van uw Graaf op te houden?”“Bij mijn ziel! ik bedenk daar iets!” riep een der jonge edellieden uit: “laat ons naar de Sint-Jans-Heeren gaan; daar zijn zeker wapenen te vinden.”—En allen, zich verwonderende dien inval ook niet te hebben gehad, volgden hun metgezel naar het klooster in de Jansstraat. Maar toen zij daar gekomen waren, vonden zij hun bedoeling reeds voorgekomen. Op het kloosterplein zat de eerwaardige Kommandeur, Heer Hugo van Koukerk, reeds in volle wapenrusting te paard, omringd van zijn ridders. Hij had de Gravin, die reeds vroeg in den morgen naar ’s-Hage vertrokken was, uitgeleide gedaan (de Graaf zelf was op den Vogelesang blijven slapen) en had bij zijn terugkomst vernomen, wat er op het Zand te doen was. Terstond was zijn besluit genomen geweest: hij had zich laten wapenen en was nu vaardig om de eer des Graven in den kamp te gaan handhaven.Maar toen hij, aan het hoofd zijner Ridders en omringd door de verheugde edellieden, de groote Markt opreed, ontdekte hij aan het uitbundig gejuich der menigte, en aan het plotseling steken der trompetten, dat hij reeds in zijn oogmerk was voorgekomen, en dat een onbekende Ridder, in een eenvoudige wapenrusting zonder blazoen of leuze het krijt was binnengereden. De Heraut, die door Paypaert was afgezonden om naar den naam en de reden zijner komst te vernemen, kwam bij den Wapenkoning terug, met het bericht, dat de kampioen, die voor den Grave optrad, hem ten opzichte van zijnebevoegdheid om gewapend te verschijnen, volkomen voldaan had, doch om gewichtige redenen verlangde onbekend te blijven.“Dit is alles nu schoon en goed,” zeide de Wapenkoning: “doch wie zal het ambt van rechter vervullen?”“Die zwarigheid is licht uit den weg te nemen,” zeide een der Herauten: “indien de Kommandeur, die ginds komt aangereden, die taak wil op zich nemen.”De voorslag, door de beide kampioenen mede goedgekeurd zijnde, werd aan Heer Hugo gedaan, die hem met bereidwilligheid aanvaardde en zich hierop, met twee zijner Ridders als bijstanders,binnenhet perk begaf.Nadat Adeelen en de onbekende Ridder zich elk aan eene zijde van het krijt begeven hadden, steeg eerstgemelde af, lichtte zijn vizier op, en trad, van twee Herauten vergezeld, naar een klein altaar, dat men voor den ledigen zetel des Graven had nedergesteld en waarboven een geordende geestelijke een kruisbeeld hield. Hij legde hier den gebruikelijken eed af, en keerde vervolgens terug:—waarna de verweerder hetzelfde deed, met dit onderscheid alleen, dat hij zijn aangezicht niet ontblootte. De priester vertrok hierop met zijn altaar en, nadat de Kamprechter een wenk aan Paypaert gegeven had, deed deze den gewonen uitroep: “doet uw plicht!”Terstond sprongen beide kampioenen te paard en namen hun lansen uit de handen hunner schildknapen aan.“Laissez aller!” riep nu de Kamprechter, zijn handschoen in het strijdperk werpende. “Laissez aller! laissez aller!”—De trompetters bliezen; en de beide Ridders reden op elkaar aan.De schok der strijders was geweldig en scheen met een gelijk voordeel aan beide zijden gepaard te gaan. De lans van Adeelen was met zooveel kracht aangekomen, dat zij in splinters stoof, en dat het paard des onbekenden Ridders stortte; maar de Fries was niet gelukkiger geweest en geheel en al door zijn weerpartij uit den zadel gelicht, ja een eind weegs geworpen, terwijl zijn ros het veld overholde.De vreemde Ridder, zich niet zonder moeite van onder zijn klepper hebbende opgewerkt, rukte de strijdbijl los, die aan den zadelknop hing, en kwam te voet op zijn tegenstrever aan, die insgelijks was opgestaan. Doch ziende, dat Adeelen geen ander wapen had ter zijner verdediging dan het brok zijner lans, bleef hij staan.“Ga uw strijdbijl halen,” zeide hij: “onze wapenen zijn niet gelijk.”Adeelen boog het hoofd en wachtte zijn schildknaap af, die, na het voortvluchtige paard te hebben opgevangen, het wapentuig had losgemaakt en het nu aan zijn Heer kwam terugbrengen.Luid waren de toejuichingen, welke de vergadering den verweerder toezwaaide wegens zijn edelmoedige handelwijze; ofschoon velen het eenigszins gewaagd van hem oordeelden, dat hij zich niet bediend had van het voordeel, bij het eerste treffen voor hem ontstaan; want nu de beide Ridders te voet waren, en op elkander toetraden, was het duidelijk te bespeuren, dat de Fries vrij wat grooter en kloeker was dan zijn bestrijder, aan wiens langzamen en eenigszins moeilijkengang men buitendien zien kon, dat hij de eerste jeugd reeds voorbij was.Echter aan de behendige wijze, waarop hij de eerste slagen, welke Adeelen hem met zijn heirbijl zocht toe te brengen, wist af te weren, ontwaarde men, dat hij door bedrevenheid vergoedde, wat hem wellicht aan kracht ontbrak, en men begon den strijd als meer gelijk te beschouwen. Met onverflauwde vaart en snelheid deed Adeelen zijn heirbijl zonder tusschenpoozen rondzwieren: en de minst geweldige van zijne slagen ware genoegzaam geweest om zijn tegenstander te vellen, indien deze niet de grootste voorzichtigheid in het werk gesteld en zich alleen bij de verdediging bepaald had. De vreemde Ridder bleef staan gelijk een rots,mediis tranquillus in undis, terwijl Adeelen om hem heen draaide even als een belegeraar, die een vesting, nu van deze, dan van gene zijde zoekt te verrassen. Nadat echter dit gevecht een geruime poos geduurd had, begon de onbekende te bespeuren, dat de aanval zijns weerpartijders niet meer zoo heftig was als in ’t begin, en dat zijn slagen ongewisser en minder geweldig nedervielen: ook het volk merkte dit op; en de angstvolle stilte, waarmede men tot nu toe den bangen strijd had gadegeslagen, maakte op eenmaal plaats voor luide kreten van aanmoediging, tot den verweerder gericht.“Beuk er nu op!” riep de wapensmid, wiens stentorstem boven alles heen weergalmde: “de Fries verflauwt! Neem het oogenblik waar, eer hij zijn krachten terugkrijgt. Val aan! val aan!”Doch hij, aan wien die raad gegeven werd, scheen er voor alsnog geen ooren naar te hebben, ’t zij dat hij zijn vijand sparen, ’t zij dat hij zijn goede kans niet in de waagschaal wilde stellen; of wel, omdat hij zijn bedrevenheid in het hanteeren der wapenen door een beslissend feit wilde toonen. Hij werd geen aanvaller; maar bleef het er op toeleggen, om door zijn onverzettelijke bedaardheid den fellen Fries af te matten en van zijn stuk te brengen. Eindelijk, ziende dat Adeelen, hijgende en vermoeid, slechts in den blinde begon toe te slaan, nam hij het geschiktste oogenblik waar, onderschepte zijns vijands bijl met de zijne, zoodat de beide moordtuigen aan elkander haakten: en met snelheid zijn linkerhand naar het midden van den steel brengende, terwijl de rechter den greep neerwaarts drukte, deed hij het wapen van Adeelen uit diens handen en over het slagveld vliegen: een daad van behendigheid, welke een algemeen en uitbundig hoezee1deed ontstaan.Razend van spijt, dat hij zich zoo onvoorziens ontwapend zag, trok Adeelen zijn dolk, en wilde op zijn tegenpartij toespringen; maar de bijstanders des Kamprechters reden dadelijk tusschen beiden en de Kommandeur verklaarde, dat de Fries zijn neerlaag behoorde teerkennen, daar het slechts van zijn weerpartij had afgehangen, hem, toen hij ontwapend was, ter aarde te vellen.Dan op datzelfde oogenblik werd de aandacht der menigte opnieuw gewekt door de komst van een aantal ruiters, aan wier hoofd zich de Graaf zelf bevond, die hun schuimbekkende en hijgende rossen het strijdperk binnendreven. Ten einde de oorzaak hunner verschijning op dit oogenblik op te helderen, zal het noodig zijn, dat wij eenige stappen in ons verhaal terugtreden.1En geenhoera! zooals men tegenwoordig in alle liedjes en nieuwsbladen leest, en zelfs door krijgslieden hoort uitgalmen, als waren wij Kozakken geworden, en als had niemand het uitmuntend puntdichtje gelezen van den voortreffelijken Staring, dien kernachtigsten onzer hedendaagsche dichters.Achttiende Hoofdstuk.Lodewijk. Maar wy moeten van den waard,Daar wy logeeren, nu vertrekken naar een ander.Jan. Dan is het noodig dat ik ook mijn kleed verander.Langendijk. Het wederzijds huwlijksbedrog.Na den afloop van het feest op den Vogelesang was de Gravin met het grootste gedeelte van den hofstoet naar Haarlem gekeerd, ten einde van daar met het aanbreken van den volgenden dag naar ’s-Hage op te breken. De Graaf, het noodzakelijk oordeelende, zijn vazallen bijeen te roepen en de goede gezindheid der steden te polsen betreffende een oorlog met het Sticht, had bepaald, dat het gansche hof zich weder naar de hofplaats begeven zou. Hij zelf was echter met Beaumont, Naaldwijk, Teylingen en Walcourt op het jachthuis gebleven en had er den avond in gewichtige beraadslagingen doorgebracht, het oogmerk hebbende, om den dag daar aan, na alles verricht te hebben, wat nog te doen stond, zich naar ’s-Hage te begeven.Hiertoe behoorde in de eerste plaats het antwoord, dat hij nog aan de Friesche afgevaardigden schuldig was. Hij was moede van de rol, die hij ten hunnen opzichte gespeeld, en van de verkeerde uitwerking, die zijn stelsel van welwillendheid had teweeggebracht: hij achtte zijn waardigheid gekrenkt en had daarom den raad zijner gunstelingen in den wind geslagen, die hem vergeefs voorstelden, dat het, nu men een oorlog met Utrecht in den zin had, van dubbel belang was geworden de Friezen te winnen en zich geen twee vijanden voor eenen op den hals te halen. Deze raadgeving deed bij Willem een juist tegenovergestelde uitwerking dan men bedoelde; want hij behoorde tot die menschen, die somtijds uit vrijen wil, maar nooit door dwang of uit nood inschikkelijk zijn: en het was ten gevolge van zijn in dezen genomen besluit, dat hij ’s morgens bij zijn ontwaken dadelijk last gaf, de Friesche Heeren te ontbieden.Nauwelijks was de dienaar, aan wien hij dit bevel gegeven had,vertrokken, toen de Heer van Teylingen met een vervaard gelaat kwam binnengetreden en hem meldde, dat Reinout ontsnapt was uit de gevangenis, waar men hem in gezet had.“Onmogelijk!” riep de Graaf uit: “of hebben die ezels de grendels niet gesloten?”“Ik zelf heb het ook onmogelijk genoemd,” zeide Teylingen: “want de deur van het kamertje was zoowel voorzien, dat zij niet kon geopend worden zonder de wachters te wekken: ook is daaraan niet geraakt;—en uit het venster heeft hij niet kunnen wegkomen, tenzij hij vleugels had als een vogel.”“Hij kan zich aan een touw of saamgeknoopte lappen hebben laten afglijden.”“Men zou dan dat touw hebben gevonden; maar het meeste wat men ontdekt heeft is een scherpe gleuf, die van het venster af tot op den grond toe doorloopt, even of zij met de punt van een mes of dolk in den muur ware gesneden. Hulp van buiten heeft hij niet gehad, want men ziet geen andere voetstappen in het zand dan de zijne, die wat verder op het gras weer verloren raken.”“Zonderling!—maar dewijl hij toch gevlucht is, mag ik lijden, dat men hem niet terugvange; want hij heeft mij altijd trouw gediend en het zou mij spijten, indien hij om een driftig oogenblik zijn leven verbeuren moest.—Verzoek den Heer van Beaumont bij mij te komen.”Dit laatste bevel was gericht tot een page, die in het voorvertrek wachtte en die eenige oogenblikken daarna terugkeerde met de boodschap dat de Heer van Beaumont niet te vinden was.“Hoe!” zeide Willem, met bevreemding: “is hij reeds zoo vroeg uitgegaan? Hij weet, dat wij hem spreken moeten.”“Ik meen te weten,” zeide de page, “dat hij hedenmorgen den gewonden Ridder vroegtijdig bezocht heeft en kort daarna een renbode van Haarlem gesproken, waarna hij terstond vertrokken is. Zelfs zijn schildknapen zijn niet meer te vinden.”“Onbegrijpelijk! of is hij misschien den voortvluchtige achterna?—Maar, zeg, hoe is het met den gekwetste?”“De arts is zooeven bij hem geweest en geeft hoop.”“Misschien kent Deodaat de reden van dat overhaast vertrek. Wij willen hem in persoon bezoeken en naar zijn toestand vernemen.”Met deze woorden rees de Graaf op en begaf zich met Teylingen naar den gewonde, wien hij volkomen bij zijn kennis vond en verkwikt door eenige uren sluimering. Na een kort onderhoud over zijn toestand vroeg hem Graaf Willem, of hij ook de oorzaak kon gissen, waarom Beaumont zoo overhaast vertrokken was.Deodaat ontzette op deze vraag. “Goede Hemel!” zeide hij: “ik herinner mij over den kamp te hebben gesproken, dien ik heden tegen den Fries had moeten voeren: en te hebben gevraagd, wie in mijne plaats gekozen was om Adeelen te bevechten.”“Die onbeschaamde Fries zal toch niet in het krijt zijn gekomen,” zeide de Graaf: “wetende dat zijn weerpartij buiten staat was daar te verschijnen.”“Licht mogelijk,” merkte Teylingen aan: “en wanneer ik alles wel overdenk, herinner ik mij, dat Paypaert gisteravond aan zijn Herauten bevel heeft gegeven, met zonsopgang te Haarlem te zijn.”“Bij Sint-Japik!” riep de Graaf, opspringende: “en waarom heeft niemand ons daarvan verwittigd? Zou waarlijk onze oom de dwaasheid hebben gehad van naar Haarlem te gaan, om zijn post als Kamprechter waar te nemen bij een gevecht, dat geen plaats kan hebben.”“Dit ware minder erg,” zeide Teylingen, “dan dat die trotsche Fries zonder tegenpartij in het krijt verscheen.”“Gij hebt gelijk, Teylingen! Spoedig, spoedig van hier. Dit moet nader onderzocht worden.”Doch hij was nauwelijks in de groote hal gekomen, toen hij den dienaar ontmoette, die de afgevaardigden was gaan ontbieden. Deze bevestigde ’s Graven vermoeden door hem te berichten, dat een der knapen van den Heer van Aylva hem had verhaald, hoe Seerp van Adeelen ’s morgens in volle wapenrusting naar Haarlem was gereden.“Adeelen te Haarlem!” riep de Graaf, terwijl hij bij al de Heiligen uit den almanak vloekte: “onze eer is verspeeld indien wij zijne uitdaging onbeantwoord laten.—Een paard! wapens! en laten de schildknapen opzitten.”“Uwe Genade!” riepen Naaldwijk en Teylingen als uit één mond: “laat mij den Fries bevechten.—Ik ben Maarschalk van Holland:” riep de eerste: “het komt mij toe, die eer te genieten.”—“Ik ben een verwant van het Hollandsche Huis,” zeide de tweede.—Ik ben een Henegouwer,” zeide Walcourt, mede toesnellende. De Graaf ging voort met zich te wapenen, zonder eenig antwoord te geven.“Het betaamt ons,” zeide hij eindelijk, toen hij gereed en te paard gestegen was: “het betaamt ons zelven, de beleedigingen te wreken, die ons worden aangedaan. Voort! voort naar Haarlem! Ieder oogenblik is kostbaar.”En vliegend reed hij voort, op een afstand door zijn Edelen gevolgd. Onderweg kwam hij Aylva en den Abt tegen, die naar den Vogelesang trokken. Zonder op te houden, schreeuwde hij hun toe:“Gij waant ons ongestraft te kunnen tergen; maar wij zullen ’t u verleeren.”Aylva hield zijn paard op, bevreemd over dezen uitroep, welke hem door Naaldwijk, die kort daarop volgde, verklaard werd.“Helaas!” zeide de Olderman: “het is wel tegen onzen zin en buiten onze voorkennis, dat Adeelen hedenmorgen naar Haarlem is vertrokken. Hadden wij kunnen veronderstellen, dat hij die dwaasheid zoude hebben begaan, wij hadden gepoogd hem daaraf te brengen. Intusschen, hoe kan de Graaf den Abt en mij zulks ten kwade duiden, daar wij terstond iemand naar den Vogelesang gezonden hebben, om den Grave bericht te geven van het voorgevallene.”“Wij hebben niemand gezien,” zeide Teylingen.“Deze knaap heeft mij echter gezegd,” zeide Aylva, op Feiko wijzende,die hem volgde, “dat hij den Heer van Beaumont had gesproken.”“Zoo is ’t,” zeide Feiko, “en die Heer heeft mij twee groot gegeven, met last, om terstond terug te keeren en met niemand meer te spreken.”“Dat zal het zijn,” hervatte Teylingen: “nu is de zaak duidelijk: spoedig voort! misschien is de edele Graaf reeds het slachtoffer van zijn ijver.”En hunne rossen des te vuriger aansporende, reden zij voort, door Aylva vergezeld. De Abt oordeelde het wel voorzichtiger, om, wat hem betrof, huiswaarts te keeren en zich niet bij dien wilden hoop te wagen; maar zijn merrie scheen niet van dat gevoelen en voerde hem zijns ondanks mede. Te Haarlem eerst haalden zij den Graaf in, die zich in de buitenstallen van een versch paard had voorzien om niet met een vermoeid ros in het strijdperk te verschijnen: en zoo kwamen zij gezamenlijk op hetZand.“Oom! Oom! was dat wel van u gehandeld?” zeide Graaf Willem, van ’t paard springende en den overwinnaar omhelzende.“Stil! Stil!” zeide Beaumont: “wat ik deed heb ik voor de eer van ons huis gedaan; maar niemand behoeft immers te weten, dat ik als een jonge spring-in-’t-veld mijn grijzen kop tegen het haar- en hersenlooze hoofd van dien Fries gewaagd heb!”En met deze woorden steeg hij te paard, met oogmerk om zich aan de oogen der menigte te onttrekken. Maar zijn naam, die eerst zachtjes van mond tot mond was overgebracht, werd nu overluid met blij gejuich door het volk herhaald.“Hoezee voor Beaumont!” riepen allen: “Beaumont! Beaumont!”“Oom!” zeide de Graaf, “zoo komt gij er niet af. Geheel Holland mag en moet weten, wat wij aan u verschuldigd zijn. Vergun ons, uw schildknaap te wezen.”Met deze woorden gespte hij den helm des ouden krijgsmans los: en toen de toeschouwers het achtbaar gelaat zagen, waar aan de hitte van het gevecht de kleur der jeugd hergeven had, en die lokken, in ’t veld vergrijsd, steeg de jubeltoon al hooger en hooger.“Komaan, dewijl het eenmaal zoo zijn moet,” zeide Beaumont, het krijt aan ’s Graven zijde rondrijdende en overal met minzaamheid groetende: “de beer moet wel rondgeleid worden, nu hij zijn kunsten vertoond heeft. Alles wel beschouwd, zal het uwe schuld zijn, waarde Neef! indien ik heden kou vat.”“Dat zal in der eeuwigheid niet gebeuren,” zeide Willem, met zijn mantel de kruin des grijzen helds bedekkende: “maar beken, Oom! dat, zoo gij als goede bloedverwant gehandeld hebt, gij u tevens als een oproerig onderdaan hebt gedragen, door een kamp te wagen zonder onze toestemming.”“De tijd veroorloofde mij niet, die te vragen,” antwoordde Beaumont: “en al had ik tijd gehad, ik had nog gezwegen, uit vrees, dat u zelven de lust mocht bekropen hebben, een lans te breken. Daarom heb ik ook Aylva’s dienaar, die mij de tijding brengen kwam, terstond weer weggezonden, en in ’t voorbijgaan een wapenrustingbij den Jonker van Teylinger-Bosch1geleend, die, ofschoon hij ze zelf niet meer gebruiken kan, altijd een kabinetje van wapenen uit al de werelddeelen bewaart.”“Daar alles nu in zooverre voorspoedig afgeloopen is,” zeide Graaf Willem, “gelooven wij best te doen met hoe eer hoe beter naar ’s-Hage te vertrekken; maar eerst moet ik nog dien Friezen hun afscheid geven en het hun doen heugen, dat zij mij beleedigd hebben.”Na dienaangaande zijne bevelen te hebben gegeven, reed Graaf Willem met de zijnen onder de herhaalde kreten des volks het perk uit en begaf zich naar het Sint-Jans-klooster, terwijl een zijner dienaren aan Aylva en den Abt den last overbracht, hem aldaar te volgen en zich daarna met dezelfde boodschap vervoegde bij Adeelen, die zich nog altijd op de plaats bevond, waar hij door Beaumont was overwonnen geweest. Somber in zich zelf teruggetrokken stond hij daar, de armen over elkander geslagen en met een gelaat, waarop spijt over zijn nederlaag, en tevens een hooghartige trots te lezen waren, niet ongelijk aan dien, welken een scholier, die zich reeds man gevoelt, aan den dag legt, wanneer hij door zijn meester getuchtigd werd. Hij verwaardigde ’s Graven bode met geen antwoord; maar, zijn schildknaap roepende, ontdeed hij zich van zijn helm: en de muts, waarmede hij dien verwisselde, diep in de oogen drukkende, ging hij met zijn medeafgevaardigden naar het klooster.Zij vonden er den Graaf in een klein spreekvertrek, slechts van weinige getrouwen omgeven. Toen zij binnen waren getreden, wierp Willem hun een norschen blik toe en sloeg terstond de oogen weder op den grond, haastig sprekende en strak voor zich ziende, evenals iemand, die, eens een besluit genomen hebbende, niets wil zien noch hooren, dat hem in het uiten daarvan zoude kunnen verhinderen.“Mijne Heeren van Friesland!” zeide hij, “de zaken van dit Graafschap vereischen ons vertrek naar ’s-Hage. Vooraf echter achten wij het betamelijk, u ons laatste besluit mede te deelen. Wij kunnen in geen voorwaarden of schikkingen komen met ongehoorzame onderdanen. Indien gij ons terstond uit naam der Edelen en Steden van Friesland hulde wilt doen als uwen wettigen Heer, zal het gebeurde vergeten en vergeven zijn:—zoo niet, dan is uwe verdere tegenwoordigheid hier onnoodig, en zult gij u niet later dan op den dag van morgen naar huis begeven en uwen lastgevers bericht brengen, dat zij eerlang onze nadere bevelen ontvangen zullen.”Dit gezegd hebbende, vestte hij op Aylva een doordringenden blik, om de uitwerking zijner woorden te zien. Zonder van zijn stuk gebracht te zijn, antwoordde de Olderman met waardigheid:“Graaf! het vrije volk van Friesland zou uwe Genade met welgevallen tot zijn beschermheer en bondgenoot aannemen: maar hetontvangt van niemand bevelen dan van den Keizer, zijn wettigen Heer. Wij willen uwe wenschen niettemin aan onze lastgevers overbrengen.”“Wat de erfdochter van Dekama betreft,” vervolgde de Graaf, alsof hij op de woorden van Aylva geen acht had geslagen, “wij zullen haar in het Rijnsburger klooster een veilige verblijfplaats verschaffen, tot wij een echtgenoot, harer waardig, gevonden hebben. Onze bevelen zijn daaromtrent gegeven. Gij kunt zonder haar vertrekken.”“Graaf!” riep Aylva verontwaardigd uit: “gij zoudt.....”“Laat hem,” zeide Adeelen, hem in de rede vallende: “zij is niet beter waardig dan een pluimstrijkster des dwingelands te huwen.”“Wat u betreft, Seerp Van Adeelen!” zeide Willem: “wij hebben u reeds meer vergund dan met onze waardigheid strookt: wij hebben uwe onbeschaamde taal herhaalde reizen met geduld aangehoord en uwe uitdaging aangenomen; maar na de gunst moet ook het recht zijn beurt hebben. Wij hadden u als overwonnene buiten het krijt kunnen laten werpen, uwe wapenen doen aan stukken slaan en u vervallen van uw adel verklaren; maar wij vergenoegen ons, met uw sloten, landgoederen en bezittingen verbeurd te verklaren, en u voor eeuwig uit onze Staten te bannen. Dank het vrijgeleide, dat de wetten van het tornooispel u schenken, zoo wij uwe oproerige handelingen niet met den dood straffen, dien zij verdienden.“Ik zal afwachten,” zeide Adeelen, met meer bezadigdheid dan hem gewoonlijk eigen was, en op een toon, die naar spotternij zweemde, “wanneer uwe zendelingen van mijn erfgoed bezit komen nemen, ten einde hen naar behooren te ontvangen.”Maar de Graaf had deze schampere taal niet meer gehoord: zich zonder verdere groete omwendende, had hij met de zijnen het vertrek verlaten. In ’t heengaan echter kon Beaumont niet nalaten, de hand van Aylva te drukken: “helaas!” fluisterde hij hem in: “wat ik gevreesd heb is bewaarheid geworden: de breuk is onherstelbaar: en zoo wij elkaar terugzien, zal het niet dan op het slagveld zijn.”“Hij dwingt ons daartoe,” zeide Aylva: “welnu! het zal zijn, zooals het den Hemel behaagt.”Zoodra de Graaf met de zijnen het klooster verlaten had, namen ook de drie afgevaardigden de terugreize aan. De Abt toch was nog buiten adem van zijn gedwongen rit naar Haarlem en niet in staat geweest een woord uit te brengen: Adeelen was te zeer vervuld met denkbeelden van spijt en wraak, om acht te geven op zijn ros en liet de teugels achteloos hangen: Aylva huiverde op de gedachte eener ontmoeting met Madzy en zat op middelen te peinzen om haar aan ’s Graven dwang te onttrekken. Intusschen had hij, indachtig aan Willems gezegde, dat er de noodige bevelen waren gegeven om Madzy den terugtocht naar Friesland te beletten, den getrouwen Feiko vooruitgezonden, met last om alles tot een spoedig vertrek in gereedheid te brengen.Men vond dan ook bij de aankomst alles in rep en roer. Adeelen, verklarende, dat hij zich met het besluit ten opzichte van Madzy niet verkoos te bemoeien, en dat het hem volkomen onverschillig was, of zij naar Rijnsburg dan naar Friesland trok, begaf zich terstond naar zijn vertrek: de Abt viel van vermoeidheid in den eersten stoel den besten neder en vond zich onbekwaam en buiten staat om eenig advies te geven; zoodat Aylva begreep vader Syard te laten roepen, ten einde met hem over de zaak te raadplegen. Wat Madzy betrof, hij wilde haar niet noodeloos verontrusten, alvorens men een stellig besluit genomen had.Nadat de monnik de zwarigheid vernomen had, bleef hij een wijl in ernstig gepeins staan en gaf toen te kennen, dat hij wel een middel zoude kunnen voorstellen, waardoor Madzy op een vrij zekere wijze aan des Graven gezag ontrukt werd; doch dat hij beducht was, dat Madzy er niet in zoude toestemmen.“Laat hooren!” zeide Aylva: “al ware uw middel onuitvoerbaar, het kon ons misschien op den weg brengen om iets beters uit te denken.”“Welnu!” zeide de monnik: “volgens mijn voornemen zouden wij allen ons dezen avond aan boord begeven en morgen met het aanbreken van den dag het Sparen uitzeilen. De Jonkvrouw zou inmiddels, slechts door eenen dienaar vergezeld, en beiden in een geschikte vermomming, om geen argwaan te verwekken, zich van hier over Utrecht naar Harderwijk begeven, alwaar wij haar met het vaartuig zouden wachten.”“Ziedaar juist wat ik ook zou aangeraden hebben,” zeide de Abt, al hijgende en blazende, “indien mij de vermoeidheid niet had belet te spreken.”De Olderman overdacht een wijl het voorstel: “het middel is gewaagd,” zeide hij eindelijk: “maar ik geloof, dat het slagen kan. Intusschen moeten wij de gedachte der Jonkvrouw er over vernemen.”“En wel terstond,” hernam vader Syard: “want zoo het aangenomen wordt, dient het dadelijk ten uitvoer te worden gebracht.”Beiden begaven zich hierop bij Madzy, welke zij in dien droevigen staat van neerslachtigheid vonden, waarin men volkomen bereid is, zich als een kind te laten leiden en elken raad te volgen, niet omdat hij ons verstandig toeschijnt, maar omdat ons alles even onverschillig is. “Zoo mijn waarde voogd begrijpt,” zeide zij, “dat ik op deze wijze reizen moet, heeft hij slechts te bevelen:—alleen moet ik weten, aan wiens geleide ik zal worden toevertrouwd.”“Ziedaar juist de grootste zwarigheid,” zeide Aylva: “de goede Feiko is trouw en wakker genoeg; maar hij is nooit buiten Friesland geweest: hij is den weg en de zeden des lands niet kundig, en zijn tongval zou hem spoedig verraden. Een leidsman uit den omtrek kunnen wij niet vertrouwen.”“Indien de jonkvrouw zich aan mijne zwakke bescherming durft toevertrouwen,” zeide vader Syard, “zal het mij wellicht gelukken, haar, met behulp onzer Lieve Vrouwe en van Sint-Odulf, mijn patroon, in veiligheid te geleiden waar zij wezen moet.”Dit aanbod werd dankbaar aangenomen: en zooras de Abt aan vader Syard het gevraagde verlof verleend had tot de reize, en de vereischtedispensatie, om het geestelijk kleed voor een korten tijd af te leggen, ontvouwde de monnik zijn plan nader aan Aylya, en, het noodige geld van den Olderman ontvangen hebbende, verliet hij het klooster.Hij kwam echter weldra terug, doch schier onkenbaar voor zijn beste kennissen. Een buis of jak, van een stoffage, welke men te dier tijd met den naam vangrauwen ezelbestempelde, hing hem om ’t lijf: zijn beenen staken in twee zware modderlaarzen met omgeslagen randen. Een blauwe kaper, die vastzat aan een soort van pelgrimskraag, welke hem tot even over de schouderen viel, bedekte zijn hoofd, en een groote, breedgerande hoed hing hem op den rug. Onder den arm droeg hij een pakje, waarin zich een boerinnengewaad bevond, dat voor Madzy bestemd was. Hij had zich deze beide vermommingen in de hut des boschwachters aangeschaft. Elske, die nu de hoop had opgegeven van haar man terug te zien, had aan den monnik, op zijn verzoek, de daagsche kleeren van Walger en haar zondagspak voor een ruime belooning afgestaan en zich tevens verbonden, dezen verkoop, althans een paar dagen, geheim te houden.Zonder een woord te spreken, had Madzy zich van hare versierselen ontdaan en de nederige kleedij aangetrokken, welke voor haar bestemd was: en het was eerst toen zij afscheid van haar voogd nam, dat zij haar somber stilzwijgen afbrak met de nauwelijks hoorbare vraag: “Weet gij iets van den armen gewonde?”“Hij leeft!” antwoordde Aylva: “en God geve hem een spoedig herstel. Maar, mijn lieve!” vervolgde hij, toen hij haar de blauwe oogen erkentelijk ten hemel zag opslaan: “gij moet hem vergeten; want hij leeft niet voor u. Het is slechts aan een Fries, dat de dochter van Sjoerd Dekama hare hand moet wegschenken: en zoo Adeelen een zoo onwaardeerbaren schat verstoot, er zullen er anderen gevonden worden, die hem meer op prijs weten te stellen.—Ga nu, mijn engel! en mogen u alle Heiligen geleiden.”Madzy omhelsde hem met vervoering, doch zweeg: haar gemoed was vol; maar zij kon noch spreken, noch schreien: zij sloeg haar mantel op, haalde haar kap over ’t gelaat, en, den arm des monniks nemende, ging zij met hem het achterpoortje uit, naar de plaats, waar Feiko hen met de paarden verwachtte. Spoedig kwam de trouwe dienaar terug met de tijding, dat beiden zich verwijderd hadden.Het bleek weldra, hoe noodzakelijk de gemaakte spoed was geweest; want nauwelijks waren er eenige minuten verloopen, toen het huis door een aanzienlijke ruiterbende omsingeld werd en de aanvoerder zich aanmeldde met de tijding, dat hij uit ’s Graven naam Jonkvrouw Madzy Dekama kwam afhalen.“Het doet mij leed, dat ik u haar niet kan afstaan,” zeide Aylva, on een koelen toon: “maar zij was gisteravond zoo ontsteld en ziek van het voorgevallene, dat zij terstond met een Harlinger vaartuig naar Friesland is teruggekeerd.”“Ziedaar iets, waarvan wij ons zullen moeten verzekeren,” zeide de hopman, en gaf hierop aan zijn wapenknechten last, het gebouw te doorzoeken. Toen echter alle nasporingen vruchteloos bleken te zijn, zond hij zijn volk in onderscheidene richtingen uit en stuurde zelfs een boodschap naar den mond van ’t Snaren, om te vernemen, welke schepen er vertrokken waren; doch al zijn handelingen strekten slechts, om hem te doen zien, dat zijn moeite vergeefsch en dat de vogel alreeds gevlogen was.Intusschen hadden de beide vluchtelingen de aanzienlijke bleekerijen, welke toen reeds aan de omstreken van Haarlem een alom erkende vermaardheid gaven, rechts laten liggen en een achterweg ingeslagen, welke, over het grondgebied van den Heer van Heemstede, door een bevallige landstreek heenkronkelde. Aan hun linkerzijde vertoonde zich weldra het achtbaar slot met zijn breede grachten en talrijke torentransen, in ’t midden van uitgestrekte weiden gelegen, terwijl aan de andere zijde schilderachtige heuvels oprezen, wier helling rijkelijk met struikgewassen begroeid was, waarboven de sombere eiken hun nog dorre takken naar boven staken. Nette en wel geschilderde woningen getuigden alom van de welvaart en rust, welke de landstreek genoot; en de kunstelooze, vroolijke liederen der landbewoners, die van hun werk terugkwamen om het middagmaal te gebruiken, gaven te kennen, dat zij met hun lot tevreden waren. Over Bennebroek, dat zich uit de overblijfsels van een vervallen nonnenklooster tot een vroolijk dorpje vervormd had, kwamen de reizigers in de zandige Hillegommer duinen en bereikten langs dien weg de groote heirbaan weder van Haarlem naar Leiden. Vader Syard had besloten over laatstgemelde stad naar Utrecht te reizen, en had hiermede een dubbel oogmerk. Vooreerst begreep hij, dat, zoo Madzy vervolgd werd, men haar eerder op den weg naar Amsterdam of in Kennemerland zoeken zoude, dan aan de zuidzijde; en dat zij beiden op den grooten landweg, die met reizigers bedekt was, minder in ’t oog zouden loop en, dan op achterwegen. Ten tweede vreesde hij te verdwalen, zoo hij binnenwegen nam, en wilde geen geleider nemen, ja zelfs zoo min mogelijk geluid geven, ten einde de Friesche tongval hem niet verraden mocht.Het was vrij vol op den weg: doch daar de meeste reizigers van het feest terugkwamen en dus denzelfden kant uitgingen als onze vluchtelingen, zoo hadden zij weinig aanstoot te lijden en gingen vrij onopgemerkt verder. Wel wendde nu en dan een kloeke landbewoner, die op zijn vluggen draver, met ledige manden beladen, van de stad keerde, waar hij vruchten was gaan verkoopen, een rijke Leidenaar, wiens stevige merrie een deel snuisterijen droeg, te Haarlem gekocht en tot geschenken voor zijn huisgezin bestemd, of zelfs een jonge Edelman, die zijn trotschen klepper liet op en neder huppelen, in ’t voorbijgaan een oog naar de bevallige rijdster; maar geen van allen giste, dat het fijne neusje, ’t welk alleen uit den dicht over de oogen getrokken kaper te voorschijn kwam, aan de Roos van Dekama behoorde; en het strak en ontzag inboezemend gelaat van haar metgezel was wel geschikt om een ieder af teschrikken, die zijn nieuwsgierigheid verder had willen uitstrekken.De beide reizigers reden op een gelijken, doch niet snellen draf voort, uit vrees van iemand uit ’s Graven gevolg, dat slechts kort voor hen naar ’s-Hage vertrokken was, achterop te rijden, en zonder een woord te wisselen. De monnik zweeg, als wij gemeld hebben, uit voorzichtigheid: en Madzy had genoeg aan de droevige gedachten, die zich van haar ziel hadden meestergemaakt. Pijnigend waren de verwijten, die zij zich zelve onder ’t voortrijden deed. Zij beschouwde zich als de oorzaak van al de onheilen, die in de laatste dagen waren voorgevallen. Zij beschuldigde zich, Adeelen te hebben misleid, aanleiding te hebben gegeven tot de verwonding van Deodaat, ja tot des Graven toorn, die weldra, vreesde zij, op een geduchte wijze haar vaderland zou treffen. En echter, wanneer zij het gedrag overdacht, door haar in de laatste dagen gehouden, dan kon zij, bij het gemoedelijkste onderzoek van hare handelingen, niet zien, waarin zij dan eigenlijk gedwaald had, en vond zij niet, dat zij ergens verkeerd in gehandeld had, dan alleen, door Deodaat toe te laten, haar aan te spreken. Maar dit was zoo onverwacht geschied en in zulk een oogenblik van verwarring, dat zij niet inzag, hoe zij dat onderhoud op een geschikte wijze zoude hebben kunnen vermijden. Intusschen kon zij midden in haar druk niet nalaten, een soort van verlichting te gevoelen, dat zij van het aan Adeelen gegeven woord ontslagen was. Zij bespeurde nu, dat zij hem nimmer had kunnen gelukkig maken, maar dat zij stellig met iemand van zijn onhandelbaren aard hoogst rampzalig zou geworden zijn. Die gedachte, dat zij weder vrij was, streelde haar, ja, doch tevens dacht zij met schrik aan den blaam, dien Adeelen, bij zijn terugkomst in Friesland, op haar werpen zoude, en aan de verachting van haar landgenooten, waaraan hij haar onverdiend prijs zou geven: en dan wenschte zij soms haars ondanks, dat een stille wijkplaats haar mocht geschonken worden, niet in het adellijke Rijnsburger klooster, waar weelderige loszinnigheid en dartele uitspanningen den boventoon hielden, maar in een stil en vreedzaam gesticht, waar zij haar tijd in kalme rust zou verdeelen tusschen het betrachten van godsdienstplichten en van liefdewerken.—Dan ach! zij zorgde, dat zij ook daar den jongeling niet uit haar geest zou kunnen bannen, wiens bleeke en doodsche trekken haar nog onophoudelijk voor oogen zweefden.Op deze wijze zetteden zij hun weg voort, zonder zich langer op te houden dan noodig was, om aan hunne paarden eenige verversching toe te dienen, trokken Leiden onverhinderd door en reden den oever van den Rijn langs tot aan Bodegrave. Hier vernamen zij, dat de weg hooger op reeds vernield was op last van de stad Utrecht en dat de doortocht aan sommige Hollanders reeds geweigerd was. Dit deed vader Syard besluiten, een poging te doen, Utrecht langs een omweg te bereiken: en links den eersten zijweg inslaande, was hij tegen het vallen van den avond met zijn reisgenoote zonder hindernissen op het Stichtsche grondgebied aangekomen, waar zij zich tegen alle vervolging beveiligd mochten achten.
“Ik ging den Heer van Aylva het verlangen der Jonkvrouw van Dekama overbrengen: zij wenscht te vertrekken.”
“Ik wil het gaarne gelooven,” zeide Beaumont, de schouders ophalende; “maar dat zal nu niet gaan, vrees ik.”
“Jonkvrouw!” vroeg intusschen Ottilia aan Madzy: “wilt gij niet op een meer afgelegene plaats gaan zitten? Ik zie den hofstoet aankomen.”
“O ja!” antwoordde Madzy, opstaande en haastig haar arm nemende: “laten wij ons verwijderen.”
Maar reeds had zich een der edelknapen van den stoet afgescheiden en de wijkende jonkvrouwen ingehaald.
“De Heer van Beaumont verlangt u te spreken, Freule!” zeide hij tot Madzy.
Deze gevoelde op die taal een trilling, welke haar geheele gestel in beweging bracht, en werktuiglijk volgde zij, aan den arm harer geleidster, den bode van Beaumont.
De Gravin, nu beter onderricht en, hoewel nog niet zeker van Madzy’s onschuld, echter iets, dat naar medelijden zweemde, met haar gevoelende, begreep het nu veilig te kunnen wagen om haar toe te spreken: en na eenige weinige onbeduidende vragen, waarop Madzy nauwelijks in staat was antwoord te geven, zeide zij:
“De Heer van Beaumont heeft iets met u te verhandelen, weshalvewij u zullen verlaten. Jonkvrouw van Naaldwijk! wij hebben u gemist. Uwe plaats is bij ons, zoo wij ons niet bedriegen.”
Ottilia kleurde en zuchtte, en met moeite een traan verbergende, die haar bij dat openbaar verwijt in de oogen schoot, wilde zij zich weder bij den hofstoet voegen; doch Madzy hield haar hand tusschen de hare vast.
“Ik dank u,” zeide zij: “gij voor ’t minst weet medelijdend te zijn. Madzy Dekama zal u nooit vergeten. O! bloos niet en laat het u niet smarten, vriendelijk jegens mij te zijn geweest. Een enkele traan, om mijnentwille gestort, zal u in uw ouderdom zoeter herinneringen geven dan al de hofgunst u bieden kan.”
Hier liet zij de hand van Ottilia varen: en geroerd en verlegen trad de Jonkvrouw van Naaldwijk tusschen hare gezellinnen terug.
“Welnu,” voegde haar Oda toe: “hebt gij u de fraaie predikatie wel in ’t hoofd geprent, die ons dat Friezinnetje in ’t bijzijn der Gravin heeft opgedischt?”
Beaumont had intusschen Madzy met de hem zoo eigene minzaamheid bij de hand genomen: en zoodra de hofstoet zich verwijderd had, vroeg hij haar op een vriendelijken toon, hoe zij het had. Madzy dankte hem voor zijn deelneming en gaf op hare beurt haar verlangen te kennen om zoo spoedig mogelijk met haar voogd te vertrekken.
Beaumont hield zich, of hij haar niet begreep, en van onderwerp veranderende, verhaalde hij haar, dat de wond van Deodaat onderzocht was, en dat men, in afwachting van den wondheeler, om wien men gezonden had, er een doek met olie van hertshoorn op had gelegd, welk middel door den eerwaarden Abt van Sint-Odulf als hoogst weldoende was aangeprezen. “De wond,” voegde hij er bij, “is diep; maar men vleit zich nog, dat er geene edele deelen geraakt zijn.”
Madzy gevoelde zich opgebeurd door deze tijding. Zij had naar den toestand des gewonden niet durven vernemen en de mededeeling van Beaumont was haar daarom dubbel welkom. “Wij hebben ons veel te verwijten,” vervolgde deze, “dat wij u zoolang aan u zelve hebben overgelaten; doch wij meenden allen, dat uw bruidegom zich bij u bevond.”
“Ik heb geen bruidegom meer,” zeide Madzy met een ontstelde stem.
“Is het dan waar?” vroeg Beaumont; “inderdaad, Mevrouw de Gravin heeft mij iets verhaald van een onderhoud, dat tusschen u plaats schijnt te hebben gehad.... doch, vergeef mij, ik raak een onderwerp aan, dat mij niet betreft en voorzeker pijnlijk is voor u. Ook wordt het tijd, dat ik mijne boodschap doe. Uw waardige voogd wilde u gaan opzoeken;—maar hij was zelf zoo ontsteld over die noodlottige gebeurtenis, dat hij ternauwernood gaan kon. Hij heeft zich dit geval zoo sterk aangetrokken, als ik zelf kon doen, ik, die nog een oude betrekking heb tot den goeden Deodaat. Daar ik den last des Graven ongaarne door een hofbediende had laten volbrengen, heb ik zelf de vervulling daarvan op mij genomen, en kom u thansvragen, of gij krachts genoeg zoudt gevoelen om den moordenaar te zien?—vergeef mij,” vervolgde hij, den plotselingen schrik ontwarende, waarmede Madzy bevangen werd: “het zal wellicht heden nog niet noodig zijn; doch gij alleen zijt bij het misdrijf tegenwoordig geweest, en uwe getuigenis is onmisbaar tot zijn overtuiging.”
“Heden of morgen,” antwoordde Madzy, “het zal er toch toe moeten komen, en waarom dan maar niet terstond? Mijn ziel is nu toch zoozeer geschokt, dat een pijnlijke gewaarwording te meer schier geen invloed meer op mij hebben zal.”
“Ik geloof, dat gij recht hebt,” zeide Beaumont, “maar in dat geval, wees zoo goed, en leun op mijn arm. Het doet mij leed dat mijn genadige Nicht u de hulp van haar Jonkvrouwen niet gelaten heeft.... maar ik zal zorgen, dat gij na afloop van het verhoor eenige juffers tot uw dienst hebt.”
Kom ridderlijke man, door waan ten top gedreven,Ik eysch u voor de kling, te paarde of wel te voet.Luyken. Duitsche Lier.
Kom ridderlijke man, door waan ten top gedreven,Ik eysch u voor de kling, te paarde of wel te voet.
Kom ridderlijke man, door waan ten top gedreven,Ik eysch u voor de kling, te paarde of wel te voet.
Kom ridderlijke man, door waan ten top gedreven,
Ik eysch u voor de kling, te paarde of wel te voet.
Luyken. Duitsche Lier.
Toen Madzy meer dood dan levend door den Heer van Beaumont in de groote hal van het jachthuis werd ingeleid, gaf deze een vertooning welke schilderachtige groepen zou hebben opgeleverd, aan al, wie haar met een onverschillig oog ware binnengetreden. Graaf Willem, wiens ontevredenheid en wrevel, door het wonden van een zijner gunstelingen en de verwarring hierdoor in zijn feest gebracht, niet waren verminderd, liep met een donkeren blik en de handen op den rug de gaanderij op en neder, gelijk een leeuw in zijn kooi. Zijn edellieden en dienaars stonden hier en daar verspreid, slechts fluisterend met elkander sprekende. In een dier groepen stond de Wapenkoning, op den hem eigen gewichtigen toon, doch niet luider dan juist noodig was om door zijn toehoorders verstaan te worden, zich te beklagen over de moeite, welke het geven zoude, indien Deodaat kwam te overlijden, om diens begrafenis op een behoorlijke wijze in te richten, dewijl de adel des jongen Italiaans een hoogst onzekere zaak was, en er bij velen nog twijfel bestond, of Graaf Willem wel recht had gehad Reinout en hem tot Ridders te slaan, zonder verlof van den Keizer. Over hem ontdekte men den Heer van Aylva, die gedwongen was geweest, de sponde des gekwetsten te verlaten, bij wien zich thans niemand bevond dan des Graven biechtvader, gereed om hem de diensten van zijn heilig ambt aan te bieden, zoodra hij tot zijn kennis kwam. De waardige Olderman stond in diep gepeins verzonken en als verplet van droefheid. Wat verder zag men eenige Stichtsche edelen in een wel stil, dochdriftig gesprek gewikkeld, terwijl hunne teekenen en gebaren, en de ongewisse, ja soms verontruste blikken, die zij op den Graaf wierpen, te kennen gaven, dat het onderwerp van hun gesprek belangrijk was. En geen wonder! zij hadden zooeven uit het Sticht de tijding bekomen, dat men aldaar te wapen vloog en zich tot weerstand bereidde, bijaldien de Graaf zijn voogdijschap over ’t Bisdom met geweld wilde doen gelden. Kort bij hen stond Adeelen alleen, tegen den muur geleund, den arm over een hertekop geslagen, die den wand versierde, in diep gepeins verzonken en zijn oogen nu eens naar de zijgang slaande, welke naar het vertrek des gewonden leidde, dan weder op den Graaf, en dan weder naar den moordenaar. Deze stond ongeboeid doch wapenloos aan het einde der zaal, omringd van eenige edelen en wapenknechten. Men had hem gegrepen, op het oogenblik, dat hij reeds te paard gestegen was en zich tot de vlucht gereedmaakte. Een akelige bleekheid bedekte zijn gelaat; maar zijn gitzwarte oogen doorliepen de zaal en vestigden zich op de aanwezigen met een uitdrukking van hoogheid, gelijk aan die, waarmede de schilders den gevallen Aartsengel afmalen. Hij sloeg ze echter een oogenblik neder en een vluchtig rood kleurde zijn wangen toen hij Madzy gewaarwerd: doch hij herkreeg spoedig zijn vrijmoedigheid en bleef een zegepralenden blik op het meisje gevestigd houden.
Wat haar betreft, zij had hem, die zich in den meest verwijderden hoek der zaal bevond, niet dadelijk opgemerkt: en haar aandacht was terstond op haar voogd gevallen, die met een treurigen blik haar te gemoet kwam. “Madzy! Madzy!” zeide hij zachtjes, terwijl hij weemoedig het hoofd schudde: “Ik had de Roos van Dekama niet over zee moeten medevoeren!” En terstond daarop den geschokten toestand van Madzy bespeurende, verweet hij zich de uitdrukking, die hij gebezigd had en hielp hij Beaumont om haar te ondersteunen.
“Meisje!” zeide Graaf Willem, toen hij haar gewaarwerd: “wij hebben u hier ontboden om den moordenaar van Deodaat te herkennen. Is het de man die daar staat, die de wond heeft toegebracht?”
Madzy hief de oogen op, maar bedekte die terstond met beide handen, toen zij den Italiaan gewaarwerd. “O! uit deernis, spaar mij!” riep zij met een angstvolle stem.
“En welke noodzakelijkheid bestond er,” vroeg nu Reinout op een trotschen toon, “om haar hier te doen verschijnen? Heb ik mijn euveldaad niet beleden? Ja! deze hand was het, die het verraderlijk hart doorboord heeft, en zoo zij den dolk des sluipmoordenaars gebezigd heeft, men bedenke, dat het haar niet vergund werd de ridderlijke lans te gebruiken.”
“Het is genoeg!” zeide Willem: “en wij behoeven de Jonkvrouw niet verder te ondervragen. Haar schrik op zijn gezicht en zijne volmondige bekentenis laten geen twijfel omtrent de misdaad over. Hij is echter Ridder en kan, als zoodanig, adellijke rechters, vragen.”
“Met verlof van uwe Genade!” zeide Paypaert, “ik moet eerbiedigaanmerken, dat geene bescheiden betreffende de geboorte van dezen jongeling tot nog toe hebben bewezen, dat hem de voorrechten, aan den adel verknocht, kunnen vergund worden.”
Willem antwoordde niets; maar sloeg op den grijsaard een dier blikken, welke zooveel willen zeggen als: “waar bemoeit gij u mede?”—Vervolgens gaf hij last, dat men den gevangene in den toren zoude sluiten en verwijderde zich, gevolgd door de genoodigden.
Wat Madzy betreft, zoodra de hofstoet zich verwijderd had, wierp zij zich weemoedig om den hals van haar voogd en smeekte hem, met haar een feest te verlaten, dat zoo treurig begonnen was. Aylva drukte haar aan zijn hart: en zonder een woord te spreken, begaven zich beiden naar de stallingen, van waar zij zich weldra huiswaarts spoedden.
Intusschen zouden de wapenknechten Reinout voeren naar den toren boven het jachthuis, die hem tot tijdelijke gevangenis was aangewezen. Hij liep in hun midden, meer met den zegepralenden blik eens overwinnaars, dan met den wankelenden tred eens gevangenen. Toen zij de zijdeur intraden, welke de donkere trap opende, die naar boven leidde, bemerkte Reinout, dat iemand hem vrij onzacht tegen het lijf aan liep, en te gelijk voelde hij dat hem een dolk werd toegestoken, dien hij schielijk in zijn kleed, verborg. Een haastige wending met het hoofd deed hem Seerp Van Adeelen herkennen, die zich van hem verwijderde.
Dit dienstbetoon volbracht hebbende, begaf zich de Fries naar de plaats, waar het gastmaal gehouden werd. Maar reeds was iedereen gezeten en niemand scheen geneigd, plaats te maken voor den wreveligen Adeelen, die, volgens de uitdrukking van Oda, de tafel rondliep gelijk een hengelaar, die langs den waterkant gaat en plaats zoekt om zijn aas uit te werpen, maar overal door hooge biezen verhinderd wordt. Eindelijk wist Adeelen zich naast zijn ambtgenoot van Sint-Odulf te vervoegen, die reeds de vreemde voorvallen van den dag scheen vergeten te hebben, en met een graagte, welke het vertragen van den maaltijd nog gescherpt had, bezig was een geduchte bres te maken in een pauwepastei. Daar de Graaf in zich zelf gekeerd en ontevreden was, en de houding van de aanwezigen, bovendien door het gebeurde weinig gestemd tot vroolijkheid, zich naar die des gastheers schikte, liep het feest vrij stil en droomerig af, en men scheidde vroeger dan men had voorgenomen, zonder dat eenig noemenswaardige gebeurtenis dien dag verder plaats greep.
Nauwelijks was de volgende morgen aangebroken, of een talrijke menigte was weder op hetZandte Haarlem samengestroomd in afwachting van het tweegevecht, dat hun den vorigen dag, als een onverwacht schouwspel, en om zoo te spreken op den koop toe, was toegezegd geweest. Wel liep er hier en daar een dof gerucht, dat de kamp vechter des Graven gekwetst, of volgens sommigen, gedood was geworden; doch daar niemand iets zekers van de zaak wist en de bezetting van de kampplaats op den bestemden tijd was verschenen, hechtte men weinig aan deze tijding. Intusschen dientde lezer te weten, dat de Graaf zoowel als Beaumont, bij de drukte, welke de staatsaangelegenheden zoowel als het gebeurde op den Vogelesang veroorzaakten, vergeten hadden de bezetting te doen afzeggen of een anderen kampvechter in de plaats van Deodaat te benoemen; terwijl Paypaert (wiens geheele verbeelding werktuiglijk was en zich ten deze alleen bepaalde tot de zorg, dat alles, voor zooverre hem betrof, tot de krijtwerf gereed ware, zonder zich zooverre uit te strekken om na te denken, of er wel een kampvechter komen zoude) daarentegen zijne bevelen in dien zin gegeven had, alsof er geen twijfel aan den voortgang van het gevecht bestaan kon. Hij vertoonde zich dan ook binnen het krijt, aan het hoofd zijner Herauten en trompetters, recht bezig om alles naar behooren te schikken: echter kon hij niet nalaten van tijd tot tijd het hoofd te wenden naar de zitplaatsen van den adel, welke grootendeels ledig bleven en slechts bezet werden door enkele edellieden van den omtrek, die nog onbewust waren van de gebeurtenis, waardoor het kampgevecht onmogelijk gemaakt was. “Die eeuwige treuzelaars!” mompelde de grijsaard bij zich zelven, met een ontevreden hoofdschudden: “in mijne jeugd zoude men den tijd niet zoo onnut hebben laten voorbijloopen, wanneer er een kampgevecht te zien ware. Is het dan voor het vermaak van het gepeupel, dat men heden vechten zal? En is een strijd op leven en dood tusschen twee Ridders niet meer dan een hanengevecht?”
Het volk begon insgelijks te morren. “Zou er waarlijk niets van komen, buurman?” vroeg de wapensmid aan onzen vriend Claes Gerritsz: “en zou ik voor niemental mijn blaasbalg laten roeren?”
“Bij Sint-Gangolf!” antwoordde de marktschrijver: “ik wist wel dat mijne berichten goed waren: die lompe Fries heeft gisteren den Italiaan, met wien hij vechten moest, op het feest overhoop gestoten en is dadelijk tusschen vier muren geplakt. Het zijn gelukkig twee bloedzuigers van vreemdelingen minder.”
“Ja maar,” hernam de zwaardslager, “het verwondert mij dan dat al de Herauten aanwezig zijn.”
“Daar verstaat gij niets van,” zeide Claes Gerritsz: “tijd en plaats zijn bepaald, en al komt er geen mensch bidden, de priester moet daarom toch in de kerk zijn.
“Het bevreemdt mij met dat al,” zeide de smid, “dat onze Graaf een vreemdeling als dien Deodaat tot zijn kampvechter verkozen heeft, alsof er geene Hollandsche edelen genoeg waren, om dien Fries de les te lezen.”
“En is de Graaf niet zelf een vreemdeling?” vroeg Claes Gerritsz: “en kan men wel iets anders verwachten van al wat van gene zijde der wateren komt: Fries, Italiaan of Henegouwer, ’t is al een pot nat.”
“Gij moet toch erkennen,” hernam de smid, “dat de vorige Graaf veel voor ons gedaan heeft en den naam van den Goeden ruim verdiend heeft.”
“Nu! dan verkerft zijn zoon het dubbel,” zeide de schrijver: “heeft hij ons niet bij zijn huwelijk over de veertig pond afgetroggeld,terwijl wij volgens het Privilege van Koning Willem slechts twintig pond schuldig waren te betalen, evenals bij de blijde inkomste. Maar de Magistraat is een hoop stoflikkers, en er moesten heel andere menschen aan het roer zitten,” voegde hij er bij, den neus optrekkende en de borst hoog zettende.
“Ik zie de onbillijkheid nog niet in, daar gij van spreekt,” zeide zijn buurman: “betaalt gij meer, gij geniet ook meer: en Haarlem is sedert dien tijd ook wel eens zoo groot geworden.”
“En eens zoo arm, moogt gij er wel bijvoegen. Sedert Amsterdam met Holland vereenigd is, vaart er bijna geen schip meer uit Haarlem naar de Oostzee.”
“Gij zijt een ondankbare klager, buurman! En brengen al die feesten ons geen rijkdom aan?”
“Rijkdom?—Ja, aan de kroeghouders, die drank tappen en den accijns smokkelen, en aan de wapensmids, die een dubbel getal knechts in ’t werk stellen, en die ook wel een tiendubbel aandeel in de blijde inkomsten mochten betalen: althans zoo er een oorlog met Utrecht op handen is, gelijk ik zooeven vernomen heb.”
“Een oorlog met Utrecht!” herhaalde de verheugde smid, zich de handen wrijvende: “eilieve, buurman! verhaal mij dat eens.”
Maar het was den marktschrijver niet mogelijk zulks op een verstaanbare wijze te doen. Een luid geschal en volksgejoel kondigde eindelijk de aankomst van een der kampvechters aan.
“Daar is hij! daar is hij!” riep de smid, den Stichtschen oorlog schier vergetende.
“Wie is daar?” vroeg de marktschrijver, ontevreden.
“De Friesche Ridder,” antwoordde de smid: “dien gij achter de tralies geplakt hebt. Mij dunkt, uwe tijdingen zijn niet van de allerjuiste. Wie weet of die Ridder Deodaat, dien gij doodmaakt, ook niet nog verschijnt.”
“Maar is het waarlijk de Fries?” vroeg Claes Gerritsz, nog steeds ongeloovig.
“Ken ik dan de wapenrusting met de zilveren sterren niet, die ik zelf geleverd heb? En heb ik dien strijdbijl, die aan den zadelknop hangt, niet nog gisteravond gescherpt en aan zijn dienaar overhandigd?”
Het was inderdaad Seerp Van Adeelen, die geharnast het krijt was binnengereden en nu onbeweeglijk aan den ingang post vatte.
“Ziedaar een ongehoorde zaak!” bromde Paypaert: “een der kampioenen is er, en er is nog geen Kamprechter: en de Graaf, die beloofd had, te komen! Het gaat mijn begrip te boven.”
“Maar, Heer Wapenkoning!” zeide een der Herauten: “mag ik vragen, of er ook een misverstand plaats heeft? De andere kampioen is immers gisteren gekwetst en misschien al dood?”
“Even alsof de Graaf niet voor een anderen zoude gezorgd hebben. Breek mijn hoofd niet met zulken zotteklap en ga naar stijl en gebruik aan gindschen Ridder vragen, wat hij hier verrichten komt.”
De Heraut zweeg, reed naar Adeelen en volbracht zijn boodschap.
“Ik ben Seerp Van Adeelen,” was het antwoord, dat vader Syard had opgesteld en waaraan Seerp een halven nacht besteed had om het zich in ’t hoofd te prenten: “en ik kom gewapend en te paard, als eenen edelman betaamt, om een rechten kamp te wagen en mijn uitdaging gestand te doen tegen Willem, Grave van Henegouwen en Holland; en ik neem tot getuigen van mijn goed recht aan, Onzen Heere, Onze Lieve Vrouwe en mijn Heere Sint-Nikolaas. Ik verlang, dat gij mij mijn gedeelte van het veld, van den wind, van de zon en van alles, wat oorbaar en noodzakelijk is, toestaat. En dat gedaan zijnde, zal ik mijn plicht doen, met de hulpe Godes, Onzer Lieve Vrouwe en van mijn Heere Sint-Nikolaas, te voet of te paard, met al zulke wapenen als door de Kamprechters zal goedgevonden worden.”
Zoodra deze litanie aan den Wapenkoning was overgebracht, gaf deze last, dat de trompetters zouden blazen en dat de verweerder zoude uitgeroepen worden om namens den Grave van Holland en Henegouwen tegen Seerp Van Adeelen op te komen. Maar vruchteloos klaterde het luide geschal door de lucht. Niemand beantwoordde de indaging.
“Men moet wachten,” zeide Paypaert: “de verweerder moet den behoorlijken tijd van drie uren hebben: en is hij dan niet verschenen, dan kan de indager geacht worden aan zijne verplichting voldaan te hebben.” Maar het eerste uur verstreek en het tweede ging mede voorbij, en niemand was nog aan den ingang van het krijt verschenen.
Het volk morde en mompelde luidkeels en woelde onvergenoegd over het plein dooreen. Nu eens ging er een gedeelte verveeld en knorrig van het plein af, maar keerde, even spoedig als het vertrokken was, uit nieuwsgierigheid weer terug: en schier elk bevond zich in dien toestand, waarvan meer dan een onzer lezers wellicht meermalen de onaangenaamheid zal ondervonden hebben; dien toestand, waarin men verkeert, wanneer men, ’t zij het begin van een lang beloofd vuurwerk, ’t zij de ontknooping van een langdradig tooneelstuk, ’t zij het toegezegd bezoek van een ouden vriend, die wegblijft, ’t zij de aankomst eenerdiligence, die een ongeluk gehad heeft, wachtende, even onwillig is, langer te verbeiden, als te vertrekken.
De jonge edellieden, die langs de zitplaatsen heen en weder liepen, waren, niet minder dan de oude Wapenkoning, verontwaardigd over de schande, welke de Graaf zoude te lijden hebben, indien er zich geen kampvechter opdeed om zijn goed recht te verdedigen, en onderhielden zich reeds met warmte, en overluid, over de noodzakelijkheid, dat, zoo niemand in het krijt verscheen, een hunner de plaats des uitblijvenden vervulde.
“Bij den baard van Sint-Bavo!” riep de wapensmid, onverduldig: “zal die satansche Fries onzen Graaf en ons hier ongestraft blijven uittarten? Ha! zoo de oude Paypaert de kampwerf niet ontzeide aan al wie geen adellijk bloed in de aderen heeft, ik zou met genoegen eens binnenstappen, en dien hoovaardigen ruiter voor de eer van Holland durven staan, zonder ander wapen dan mijn moker: en ikzou wel willen zien, of hij mij met zijn degen of heirbijl aan ’t lijf zou komen, en of ik hem niet zoo plat zou beuken als een haardplaat.”
“Des te eerder,” zeide Claes Gerritsz, “dewijl gij het harnas zelf vervaardigd hebt, en dus best in staat zijt, de plaatsen te kennen, waar de minst deugdzame spijkers zitten.”
“Oho,” zeide de smid: “zoo Melis Courtz uit den Anegang den kolder gemaakt had, nam ik aan er schub voor schub uit te slaan;—maar ik zet het den besten, eenige fout in een harnas te vinden, dat uit mijne smidse komt.”
“Hei ho! meester helmslager!” riepen op dit oogenblik de stemmen van ettelijke edellieden, die zich tusschen den volkshoop heen naar hem toe drongen: “hebt gij geen kuras voor ons gereed?”
“Ik zou u het beste, dat ooit uit mijne werkplaats te voorschijn kwam, voor niet leveren,” antwoordde de vaderlandlievende smid, “indien hij, die het aantrok, dien snoever met voordeel bestreed;—maar bij alle duivels! de schelm zelf heeft den laatsten kolder, dien ik vervaardigd heb, aan zijn bast, en een deugdzaam harnas ook, dat beloof ik u. Ik wilde, dat mijn arm melaatsen ware geworden, toen ik er de nagels insloeg.”
“Dat u de nikker hale!” riepen de edellieden uit: “ongelukskind! waar zal men wapenen vinden? Hoor hem eens balken, den onbeschaamden Fries!”—want Adeelen, zoowel om de gemeente te tergen als uit verveling, liet niet af, de kampplaats op en neder te rijden, al roepende: “Welnu! dappere Hollanders! Laat gij u door een Fries uit het veld slaan? en is er niemand, die moeds genoeg heeft, de eer van uw Graaf op te houden?”
“Bij mijn ziel! ik bedenk daar iets!” riep een der jonge edellieden uit: “laat ons naar de Sint-Jans-Heeren gaan; daar zijn zeker wapenen te vinden.”—En allen, zich verwonderende dien inval ook niet te hebben gehad, volgden hun metgezel naar het klooster in de Jansstraat. Maar toen zij daar gekomen waren, vonden zij hun bedoeling reeds voorgekomen. Op het kloosterplein zat de eerwaardige Kommandeur, Heer Hugo van Koukerk, reeds in volle wapenrusting te paard, omringd van zijn ridders. Hij had de Gravin, die reeds vroeg in den morgen naar ’s-Hage vertrokken was, uitgeleide gedaan (de Graaf zelf was op den Vogelesang blijven slapen) en had bij zijn terugkomst vernomen, wat er op het Zand te doen was. Terstond was zijn besluit genomen geweest: hij had zich laten wapenen en was nu vaardig om de eer des Graven in den kamp te gaan handhaven.
Maar toen hij, aan het hoofd zijner Ridders en omringd door de verheugde edellieden, de groote Markt opreed, ontdekte hij aan het uitbundig gejuich der menigte, en aan het plotseling steken der trompetten, dat hij reeds in zijn oogmerk was voorgekomen, en dat een onbekende Ridder, in een eenvoudige wapenrusting zonder blazoen of leuze het krijt was binnengereden. De Heraut, die door Paypaert was afgezonden om naar den naam en de reden zijner komst te vernemen, kwam bij den Wapenkoning terug, met het bericht, dat de kampioen, die voor den Grave optrad, hem ten opzichte van zijnebevoegdheid om gewapend te verschijnen, volkomen voldaan had, doch om gewichtige redenen verlangde onbekend te blijven.
“Dit is alles nu schoon en goed,” zeide de Wapenkoning: “doch wie zal het ambt van rechter vervullen?”
“Die zwarigheid is licht uit den weg te nemen,” zeide een der Herauten: “indien de Kommandeur, die ginds komt aangereden, die taak wil op zich nemen.”
De voorslag, door de beide kampioenen mede goedgekeurd zijnde, werd aan Heer Hugo gedaan, die hem met bereidwilligheid aanvaardde en zich hierop, met twee zijner Ridders als bijstanders,binnenhet perk begaf.
Nadat Adeelen en de onbekende Ridder zich elk aan eene zijde van het krijt begeven hadden, steeg eerstgemelde af, lichtte zijn vizier op, en trad, van twee Herauten vergezeld, naar een klein altaar, dat men voor den ledigen zetel des Graven had nedergesteld en waarboven een geordende geestelijke een kruisbeeld hield. Hij legde hier den gebruikelijken eed af, en keerde vervolgens terug:—waarna de verweerder hetzelfde deed, met dit onderscheid alleen, dat hij zijn aangezicht niet ontblootte. De priester vertrok hierop met zijn altaar en, nadat de Kamprechter een wenk aan Paypaert gegeven had, deed deze den gewonen uitroep: “doet uw plicht!”
Terstond sprongen beide kampioenen te paard en namen hun lansen uit de handen hunner schildknapen aan.
“Laissez aller!” riep nu de Kamprechter, zijn handschoen in het strijdperk werpende. “Laissez aller! laissez aller!”—De trompetters bliezen; en de beide Ridders reden op elkaar aan.
De schok der strijders was geweldig en scheen met een gelijk voordeel aan beide zijden gepaard te gaan. De lans van Adeelen was met zooveel kracht aangekomen, dat zij in splinters stoof, en dat het paard des onbekenden Ridders stortte; maar de Fries was niet gelukkiger geweest en geheel en al door zijn weerpartij uit den zadel gelicht, ja een eind weegs geworpen, terwijl zijn ros het veld overholde.
De vreemde Ridder, zich niet zonder moeite van onder zijn klepper hebbende opgewerkt, rukte de strijdbijl los, die aan den zadelknop hing, en kwam te voet op zijn tegenstrever aan, die insgelijks was opgestaan. Doch ziende, dat Adeelen geen ander wapen had ter zijner verdediging dan het brok zijner lans, bleef hij staan.
“Ga uw strijdbijl halen,” zeide hij: “onze wapenen zijn niet gelijk.”
Adeelen boog het hoofd en wachtte zijn schildknaap af, die, na het voortvluchtige paard te hebben opgevangen, het wapentuig had losgemaakt en het nu aan zijn Heer kwam terugbrengen.
Luid waren de toejuichingen, welke de vergadering den verweerder toezwaaide wegens zijn edelmoedige handelwijze; ofschoon velen het eenigszins gewaagd van hem oordeelden, dat hij zich niet bediend had van het voordeel, bij het eerste treffen voor hem ontstaan; want nu de beide Ridders te voet waren, en op elkander toetraden, was het duidelijk te bespeuren, dat de Fries vrij wat grooter en kloeker was dan zijn bestrijder, aan wiens langzamen en eenigszins moeilijkengang men buitendien zien kon, dat hij de eerste jeugd reeds voorbij was.
Echter aan de behendige wijze, waarop hij de eerste slagen, welke Adeelen hem met zijn heirbijl zocht toe te brengen, wist af te weren, ontwaarde men, dat hij door bedrevenheid vergoedde, wat hem wellicht aan kracht ontbrak, en men begon den strijd als meer gelijk te beschouwen. Met onverflauwde vaart en snelheid deed Adeelen zijn heirbijl zonder tusschenpoozen rondzwieren: en de minst geweldige van zijne slagen ware genoegzaam geweest om zijn tegenstander te vellen, indien deze niet de grootste voorzichtigheid in het werk gesteld en zich alleen bij de verdediging bepaald had. De vreemde Ridder bleef staan gelijk een rots,mediis tranquillus in undis, terwijl Adeelen om hem heen draaide even als een belegeraar, die een vesting, nu van deze, dan van gene zijde zoekt te verrassen. Nadat echter dit gevecht een geruime poos geduurd had, begon de onbekende te bespeuren, dat de aanval zijns weerpartijders niet meer zoo heftig was als in ’t begin, en dat zijn slagen ongewisser en minder geweldig nedervielen: ook het volk merkte dit op; en de angstvolle stilte, waarmede men tot nu toe den bangen strijd had gadegeslagen, maakte op eenmaal plaats voor luide kreten van aanmoediging, tot den verweerder gericht.
“Beuk er nu op!” riep de wapensmid, wiens stentorstem boven alles heen weergalmde: “de Fries verflauwt! Neem het oogenblik waar, eer hij zijn krachten terugkrijgt. Val aan! val aan!”
Doch hij, aan wien die raad gegeven werd, scheen er voor alsnog geen ooren naar te hebben, ’t zij dat hij zijn vijand sparen, ’t zij dat hij zijn goede kans niet in de waagschaal wilde stellen; of wel, omdat hij zijn bedrevenheid in het hanteeren der wapenen door een beslissend feit wilde toonen. Hij werd geen aanvaller; maar bleef het er op toeleggen, om door zijn onverzettelijke bedaardheid den fellen Fries af te matten en van zijn stuk te brengen. Eindelijk, ziende dat Adeelen, hijgende en vermoeid, slechts in den blinde begon toe te slaan, nam hij het geschiktste oogenblik waar, onderschepte zijns vijands bijl met de zijne, zoodat de beide moordtuigen aan elkander haakten: en met snelheid zijn linkerhand naar het midden van den steel brengende, terwijl de rechter den greep neerwaarts drukte, deed hij het wapen van Adeelen uit diens handen en over het slagveld vliegen: een daad van behendigheid, welke een algemeen en uitbundig hoezee1deed ontstaan.
Razend van spijt, dat hij zich zoo onvoorziens ontwapend zag, trok Adeelen zijn dolk, en wilde op zijn tegenpartij toespringen; maar de bijstanders des Kamprechters reden dadelijk tusschen beiden en de Kommandeur verklaarde, dat de Fries zijn neerlaag behoorde teerkennen, daar het slechts van zijn weerpartij had afgehangen, hem, toen hij ontwapend was, ter aarde te vellen.
Dan op datzelfde oogenblik werd de aandacht der menigte opnieuw gewekt door de komst van een aantal ruiters, aan wier hoofd zich de Graaf zelf bevond, die hun schuimbekkende en hijgende rossen het strijdperk binnendreven. Ten einde de oorzaak hunner verschijning op dit oogenblik op te helderen, zal het noodig zijn, dat wij eenige stappen in ons verhaal terugtreden.
1En geenhoera! zooals men tegenwoordig in alle liedjes en nieuwsbladen leest, en zelfs door krijgslieden hoort uitgalmen, als waren wij Kozakken geworden, en als had niemand het uitmuntend puntdichtje gelezen van den voortreffelijken Staring, dien kernachtigsten onzer hedendaagsche dichters.
1En geenhoera! zooals men tegenwoordig in alle liedjes en nieuwsbladen leest, en zelfs door krijgslieden hoort uitgalmen, als waren wij Kozakken geworden, en als had niemand het uitmuntend puntdichtje gelezen van den voortreffelijken Staring, dien kernachtigsten onzer hedendaagsche dichters.
Lodewijk. Maar wy moeten van den waard,Daar wy logeeren, nu vertrekken naar een ander.Jan. Dan is het noodig dat ik ook mijn kleed verander.Langendijk. Het wederzijds huwlijksbedrog.
Lodewijk. Maar wy moeten van den waard,Daar wy logeeren, nu vertrekken naar een ander.
Lodewijk. Maar wy moeten van den waard,Daar wy logeeren, nu vertrekken naar een ander.
Lodewijk. Maar wy moeten van den waard,
Daar wy logeeren, nu vertrekken naar een ander.
Jan. Dan is het noodig dat ik ook mijn kleed verander.
Jan. Dan is het noodig dat ik ook mijn kleed verander.
Jan. Dan is het noodig dat ik ook mijn kleed verander.
Langendijk. Het wederzijds huwlijksbedrog.
Na den afloop van het feest op den Vogelesang was de Gravin met het grootste gedeelte van den hofstoet naar Haarlem gekeerd, ten einde van daar met het aanbreken van den volgenden dag naar ’s-Hage op te breken. De Graaf, het noodzakelijk oordeelende, zijn vazallen bijeen te roepen en de goede gezindheid der steden te polsen betreffende een oorlog met het Sticht, had bepaald, dat het gansche hof zich weder naar de hofplaats begeven zou. Hij zelf was echter met Beaumont, Naaldwijk, Teylingen en Walcourt op het jachthuis gebleven en had er den avond in gewichtige beraadslagingen doorgebracht, het oogmerk hebbende, om den dag daar aan, na alles verricht te hebben, wat nog te doen stond, zich naar ’s-Hage te begeven.
Hiertoe behoorde in de eerste plaats het antwoord, dat hij nog aan de Friesche afgevaardigden schuldig was. Hij was moede van de rol, die hij ten hunnen opzichte gespeeld, en van de verkeerde uitwerking, die zijn stelsel van welwillendheid had teweeggebracht: hij achtte zijn waardigheid gekrenkt en had daarom den raad zijner gunstelingen in den wind geslagen, die hem vergeefs voorstelden, dat het, nu men een oorlog met Utrecht in den zin had, van dubbel belang was geworden de Friezen te winnen en zich geen twee vijanden voor eenen op den hals te halen. Deze raadgeving deed bij Willem een juist tegenovergestelde uitwerking dan men bedoelde; want hij behoorde tot die menschen, die somtijds uit vrijen wil, maar nooit door dwang of uit nood inschikkelijk zijn: en het was ten gevolge van zijn in dezen genomen besluit, dat hij ’s morgens bij zijn ontwaken dadelijk last gaf, de Friesche Heeren te ontbieden.
Nauwelijks was de dienaar, aan wien hij dit bevel gegeven had,vertrokken, toen de Heer van Teylingen met een vervaard gelaat kwam binnengetreden en hem meldde, dat Reinout ontsnapt was uit de gevangenis, waar men hem in gezet had.
“Onmogelijk!” riep de Graaf uit: “of hebben die ezels de grendels niet gesloten?”
“Ik zelf heb het ook onmogelijk genoemd,” zeide Teylingen: “want de deur van het kamertje was zoowel voorzien, dat zij niet kon geopend worden zonder de wachters te wekken: ook is daaraan niet geraakt;—en uit het venster heeft hij niet kunnen wegkomen, tenzij hij vleugels had als een vogel.”
“Hij kan zich aan een touw of saamgeknoopte lappen hebben laten afglijden.”
“Men zou dan dat touw hebben gevonden; maar het meeste wat men ontdekt heeft is een scherpe gleuf, die van het venster af tot op den grond toe doorloopt, even of zij met de punt van een mes of dolk in den muur ware gesneden. Hulp van buiten heeft hij niet gehad, want men ziet geen andere voetstappen in het zand dan de zijne, die wat verder op het gras weer verloren raken.”
“Zonderling!—maar dewijl hij toch gevlucht is, mag ik lijden, dat men hem niet terugvange; want hij heeft mij altijd trouw gediend en het zou mij spijten, indien hij om een driftig oogenblik zijn leven verbeuren moest.—Verzoek den Heer van Beaumont bij mij te komen.”
Dit laatste bevel was gericht tot een page, die in het voorvertrek wachtte en die eenige oogenblikken daarna terugkeerde met de boodschap dat de Heer van Beaumont niet te vinden was.
“Hoe!” zeide Willem, met bevreemding: “is hij reeds zoo vroeg uitgegaan? Hij weet, dat wij hem spreken moeten.”
“Ik meen te weten,” zeide de page, “dat hij hedenmorgen den gewonden Ridder vroegtijdig bezocht heeft en kort daarna een renbode van Haarlem gesproken, waarna hij terstond vertrokken is. Zelfs zijn schildknapen zijn niet meer te vinden.”
“Onbegrijpelijk! of is hij misschien den voortvluchtige achterna?—Maar, zeg, hoe is het met den gekwetste?”
“De arts is zooeven bij hem geweest en geeft hoop.”
“Misschien kent Deodaat de reden van dat overhaast vertrek. Wij willen hem in persoon bezoeken en naar zijn toestand vernemen.”
Met deze woorden rees de Graaf op en begaf zich met Teylingen naar den gewonde, wien hij volkomen bij zijn kennis vond en verkwikt door eenige uren sluimering. Na een kort onderhoud over zijn toestand vroeg hem Graaf Willem, of hij ook de oorzaak kon gissen, waarom Beaumont zoo overhaast vertrokken was.
Deodaat ontzette op deze vraag. “Goede Hemel!” zeide hij: “ik herinner mij over den kamp te hebben gesproken, dien ik heden tegen den Fries had moeten voeren: en te hebben gevraagd, wie in mijne plaats gekozen was om Adeelen te bevechten.”
“Die onbeschaamde Fries zal toch niet in het krijt zijn gekomen,” zeide de Graaf: “wetende dat zijn weerpartij buiten staat was daar te verschijnen.”
“Licht mogelijk,” merkte Teylingen aan: “en wanneer ik alles wel overdenk, herinner ik mij, dat Paypaert gisteravond aan zijn Herauten bevel heeft gegeven, met zonsopgang te Haarlem te zijn.”
“Bij Sint-Japik!” riep de Graaf, opspringende: “en waarom heeft niemand ons daarvan verwittigd? Zou waarlijk onze oom de dwaasheid hebben gehad van naar Haarlem te gaan, om zijn post als Kamprechter waar te nemen bij een gevecht, dat geen plaats kan hebben.”
“Dit ware minder erg,” zeide Teylingen, “dan dat die trotsche Fries zonder tegenpartij in het krijt verscheen.”
“Gij hebt gelijk, Teylingen! Spoedig, spoedig van hier. Dit moet nader onderzocht worden.”
Doch hij was nauwelijks in de groote hal gekomen, toen hij den dienaar ontmoette, die de afgevaardigden was gaan ontbieden. Deze bevestigde ’s Graven vermoeden door hem te berichten, dat een der knapen van den Heer van Aylva hem had verhaald, hoe Seerp van Adeelen ’s morgens in volle wapenrusting naar Haarlem was gereden.
“Adeelen te Haarlem!” riep de Graaf, terwijl hij bij al de Heiligen uit den almanak vloekte: “onze eer is verspeeld indien wij zijne uitdaging onbeantwoord laten.—Een paard! wapens! en laten de schildknapen opzitten.”
“Uwe Genade!” riepen Naaldwijk en Teylingen als uit één mond: “laat mij den Fries bevechten.—Ik ben Maarschalk van Holland:” riep de eerste: “het komt mij toe, die eer te genieten.”—“Ik ben een verwant van het Hollandsche Huis,” zeide de tweede.—Ik ben een Henegouwer,” zeide Walcourt, mede toesnellende. De Graaf ging voort met zich te wapenen, zonder eenig antwoord te geven.
“Het betaamt ons,” zeide hij eindelijk, toen hij gereed en te paard gestegen was: “het betaamt ons zelven, de beleedigingen te wreken, die ons worden aangedaan. Voort! voort naar Haarlem! Ieder oogenblik is kostbaar.”
En vliegend reed hij voort, op een afstand door zijn Edelen gevolgd. Onderweg kwam hij Aylva en den Abt tegen, die naar den Vogelesang trokken. Zonder op te houden, schreeuwde hij hun toe:
“Gij waant ons ongestraft te kunnen tergen; maar wij zullen ’t u verleeren.”
Aylva hield zijn paard op, bevreemd over dezen uitroep, welke hem door Naaldwijk, die kort daarop volgde, verklaard werd.
“Helaas!” zeide de Olderman: “het is wel tegen onzen zin en buiten onze voorkennis, dat Adeelen hedenmorgen naar Haarlem is vertrokken. Hadden wij kunnen veronderstellen, dat hij die dwaasheid zoude hebben begaan, wij hadden gepoogd hem daaraf te brengen. Intusschen, hoe kan de Graaf den Abt en mij zulks ten kwade duiden, daar wij terstond iemand naar den Vogelesang gezonden hebben, om den Grave bericht te geven van het voorgevallene.”
“Wij hebben niemand gezien,” zeide Teylingen.
“Deze knaap heeft mij echter gezegd,” zeide Aylva, op Feiko wijzende,die hem volgde, “dat hij den Heer van Beaumont had gesproken.”
“Zoo is ’t,” zeide Feiko, “en die Heer heeft mij twee groot gegeven, met last, om terstond terug te keeren en met niemand meer te spreken.”
“Dat zal het zijn,” hervatte Teylingen: “nu is de zaak duidelijk: spoedig voort! misschien is de edele Graaf reeds het slachtoffer van zijn ijver.”
En hunne rossen des te vuriger aansporende, reden zij voort, door Aylva vergezeld. De Abt oordeelde het wel voorzichtiger, om, wat hem betrof, huiswaarts te keeren en zich niet bij dien wilden hoop te wagen; maar zijn merrie scheen niet van dat gevoelen en voerde hem zijns ondanks mede. Te Haarlem eerst haalden zij den Graaf in, die zich in de buitenstallen van een versch paard had voorzien om niet met een vermoeid ros in het strijdperk te verschijnen: en zoo kwamen zij gezamenlijk op hetZand.
“Oom! Oom! was dat wel van u gehandeld?” zeide Graaf Willem, van ’t paard springende en den overwinnaar omhelzende.
“Stil! Stil!” zeide Beaumont: “wat ik deed heb ik voor de eer van ons huis gedaan; maar niemand behoeft immers te weten, dat ik als een jonge spring-in-’t-veld mijn grijzen kop tegen het haar- en hersenlooze hoofd van dien Fries gewaagd heb!”
En met deze woorden steeg hij te paard, met oogmerk om zich aan de oogen der menigte te onttrekken. Maar zijn naam, die eerst zachtjes van mond tot mond was overgebracht, werd nu overluid met blij gejuich door het volk herhaald.
“Hoezee voor Beaumont!” riepen allen: “Beaumont! Beaumont!”
“Oom!” zeide de Graaf, “zoo komt gij er niet af. Geheel Holland mag en moet weten, wat wij aan u verschuldigd zijn. Vergun ons, uw schildknaap te wezen.”
Met deze woorden gespte hij den helm des ouden krijgsmans los: en toen de toeschouwers het achtbaar gelaat zagen, waar aan de hitte van het gevecht de kleur der jeugd hergeven had, en die lokken, in ’t veld vergrijsd, steeg de jubeltoon al hooger en hooger.
“Komaan, dewijl het eenmaal zoo zijn moet,” zeide Beaumont, het krijt aan ’s Graven zijde rondrijdende en overal met minzaamheid groetende: “de beer moet wel rondgeleid worden, nu hij zijn kunsten vertoond heeft. Alles wel beschouwd, zal het uwe schuld zijn, waarde Neef! indien ik heden kou vat.”
“Dat zal in der eeuwigheid niet gebeuren,” zeide Willem, met zijn mantel de kruin des grijzen helds bedekkende: “maar beken, Oom! dat, zoo gij als goede bloedverwant gehandeld hebt, gij u tevens als een oproerig onderdaan hebt gedragen, door een kamp te wagen zonder onze toestemming.”
“De tijd veroorloofde mij niet, die te vragen,” antwoordde Beaumont: “en al had ik tijd gehad, ik had nog gezwegen, uit vrees, dat u zelven de lust mocht bekropen hebben, een lans te breken. Daarom heb ik ook Aylva’s dienaar, die mij de tijding brengen kwam, terstond weer weggezonden, en in ’t voorbijgaan een wapenrustingbij den Jonker van Teylinger-Bosch1geleend, die, ofschoon hij ze zelf niet meer gebruiken kan, altijd een kabinetje van wapenen uit al de werelddeelen bewaart.”
“Daar alles nu in zooverre voorspoedig afgeloopen is,” zeide Graaf Willem, “gelooven wij best te doen met hoe eer hoe beter naar ’s-Hage te vertrekken; maar eerst moet ik nog dien Friezen hun afscheid geven en het hun doen heugen, dat zij mij beleedigd hebben.”
Na dienaangaande zijne bevelen te hebben gegeven, reed Graaf Willem met de zijnen onder de herhaalde kreten des volks het perk uit en begaf zich naar het Sint-Jans-klooster, terwijl een zijner dienaren aan Aylva en den Abt den last overbracht, hem aldaar te volgen en zich daarna met dezelfde boodschap vervoegde bij Adeelen, die zich nog altijd op de plaats bevond, waar hij door Beaumont was overwonnen geweest. Somber in zich zelf teruggetrokken stond hij daar, de armen over elkander geslagen en met een gelaat, waarop spijt over zijn nederlaag, en tevens een hooghartige trots te lezen waren, niet ongelijk aan dien, welken een scholier, die zich reeds man gevoelt, aan den dag legt, wanneer hij door zijn meester getuchtigd werd. Hij verwaardigde ’s Graven bode met geen antwoord; maar, zijn schildknaap roepende, ontdeed hij zich van zijn helm: en de muts, waarmede hij dien verwisselde, diep in de oogen drukkende, ging hij met zijn medeafgevaardigden naar het klooster.
Zij vonden er den Graaf in een klein spreekvertrek, slechts van weinige getrouwen omgeven. Toen zij binnen waren getreden, wierp Willem hun een norschen blik toe en sloeg terstond de oogen weder op den grond, haastig sprekende en strak voor zich ziende, evenals iemand, die, eens een besluit genomen hebbende, niets wil zien noch hooren, dat hem in het uiten daarvan zoude kunnen verhinderen.
“Mijne Heeren van Friesland!” zeide hij, “de zaken van dit Graafschap vereischen ons vertrek naar ’s-Hage. Vooraf echter achten wij het betamelijk, u ons laatste besluit mede te deelen. Wij kunnen in geen voorwaarden of schikkingen komen met ongehoorzame onderdanen. Indien gij ons terstond uit naam der Edelen en Steden van Friesland hulde wilt doen als uwen wettigen Heer, zal het gebeurde vergeten en vergeven zijn:—zoo niet, dan is uwe verdere tegenwoordigheid hier onnoodig, en zult gij u niet later dan op den dag van morgen naar huis begeven en uwen lastgevers bericht brengen, dat zij eerlang onze nadere bevelen ontvangen zullen.”
Dit gezegd hebbende, vestte hij op Aylva een doordringenden blik, om de uitwerking zijner woorden te zien. Zonder van zijn stuk gebracht te zijn, antwoordde de Olderman met waardigheid:
“Graaf! het vrije volk van Friesland zou uwe Genade met welgevallen tot zijn beschermheer en bondgenoot aannemen: maar hetontvangt van niemand bevelen dan van den Keizer, zijn wettigen Heer. Wij willen uwe wenschen niettemin aan onze lastgevers overbrengen.”
“Wat de erfdochter van Dekama betreft,” vervolgde de Graaf, alsof hij op de woorden van Aylva geen acht had geslagen, “wij zullen haar in het Rijnsburger klooster een veilige verblijfplaats verschaffen, tot wij een echtgenoot, harer waardig, gevonden hebben. Onze bevelen zijn daaromtrent gegeven. Gij kunt zonder haar vertrekken.”
“Graaf!” riep Aylva verontwaardigd uit: “gij zoudt.....”
“Laat hem,” zeide Adeelen, hem in de rede vallende: “zij is niet beter waardig dan een pluimstrijkster des dwingelands te huwen.”
“Wat u betreft, Seerp Van Adeelen!” zeide Willem: “wij hebben u reeds meer vergund dan met onze waardigheid strookt: wij hebben uwe onbeschaamde taal herhaalde reizen met geduld aangehoord en uwe uitdaging aangenomen; maar na de gunst moet ook het recht zijn beurt hebben. Wij hadden u als overwonnene buiten het krijt kunnen laten werpen, uwe wapenen doen aan stukken slaan en u vervallen van uw adel verklaren; maar wij vergenoegen ons, met uw sloten, landgoederen en bezittingen verbeurd te verklaren, en u voor eeuwig uit onze Staten te bannen. Dank het vrijgeleide, dat de wetten van het tornooispel u schenken, zoo wij uwe oproerige handelingen niet met den dood straffen, dien zij verdienden.
“Ik zal afwachten,” zeide Adeelen, met meer bezadigdheid dan hem gewoonlijk eigen was, en op een toon, die naar spotternij zweemde, “wanneer uwe zendelingen van mijn erfgoed bezit komen nemen, ten einde hen naar behooren te ontvangen.”
Maar de Graaf had deze schampere taal niet meer gehoord: zich zonder verdere groete omwendende, had hij met de zijnen het vertrek verlaten. In ’t heengaan echter kon Beaumont niet nalaten, de hand van Aylva te drukken: “helaas!” fluisterde hij hem in: “wat ik gevreesd heb is bewaarheid geworden: de breuk is onherstelbaar: en zoo wij elkaar terugzien, zal het niet dan op het slagveld zijn.”
“Hij dwingt ons daartoe,” zeide Aylva: “welnu! het zal zijn, zooals het den Hemel behaagt.”
Zoodra de Graaf met de zijnen het klooster verlaten had, namen ook de drie afgevaardigden de terugreize aan. De Abt toch was nog buiten adem van zijn gedwongen rit naar Haarlem en niet in staat geweest een woord uit te brengen: Adeelen was te zeer vervuld met denkbeelden van spijt en wraak, om acht te geven op zijn ros en liet de teugels achteloos hangen: Aylva huiverde op de gedachte eener ontmoeting met Madzy en zat op middelen te peinzen om haar aan ’s Graven dwang te onttrekken. Intusschen had hij, indachtig aan Willems gezegde, dat er de noodige bevelen waren gegeven om Madzy den terugtocht naar Friesland te beletten, den getrouwen Feiko vooruitgezonden, met last om alles tot een spoedig vertrek in gereedheid te brengen.
Men vond dan ook bij de aankomst alles in rep en roer. Adeelen, verklarende, dat hij zich met het besluit ten opzichte van Madzy niet verkoos te bemoeien, en dat het hem volkomen onverschillig was, of zij naar Rijnsburg dan naar Friesland trok, begaf zich terstond naar zijn vertrek: de Abt viel van vermoeidheid in den eersten stoel den besten neder en vond zich onbekwaam en buiten staat om eenig advies te geven; zoodat Aylva begreep vader Syard te laten roepen, ten einde met hem over de zaak te raadplegen. Wat Madzy betrof, hij wilde haar niet noodeloos verontrusten, alvorens men een stellig besluit genomen had.
Nadat de monnik de zwarigheid vernomen had, bleef hij een wijl in ernstig gepeins staan en gaf toen te kennen, dat hij wel een middel zoude kunnen voorstellen, waardoor Madzy op een vrij zekere wijze aan des Graven gezag ontrukt werd; doch dat hij beducht was, dat Madzy er niet in zoude toestemmen.
“Laat hooren!” zeide Aylva: “al ware uw middel onuitvoerbaar, het kon ons misschien op den weg brengen om iets beters uit te denken.”
“Welnu!” zeide de monnik: “volgens mijn voornemen zouden wij allen ons dezen avond aan boord begeven en morgen met het aanbreken van den dag het Sparen uitzeilen. De Jonkvrouw zou inmiddels, slechts door eenen dienaar vergezeld, en beiden in een geschikte vermomming, om geen argwaan te verwekken, zich van hier over Utrecht naar Harderwijk begeven, alwaar wij haar met het vaartuig zouden wachten.”
“Ziedaar juist wat ik ook zou aangeraden hebben,” zeide de Abt, al hijgende en blazende, “indien mij de vermoeidheid niet had belet te spreken.”
De Olderman overdacht een wijl het voorstel: “het middel is gewaagd,” zeide hij eindelijk: “maar ik geloof, dat het slagen kan. Intusschen moeten wij de gedachte der Jonkvrouw er over vernemen.”
“En wel terstond,” hernam vader Syard: “want zoo het aangenomen wordt, dient het dadelijk ten uitvoer te worden gebracht.”
Beiden begaven zich hierop bij Madzy, welke zij in dien droevigen staat van neerslachtigheid vonden, waarin men volkomen bereid is, zich als een kind te laten leiden en elken raad te volgen, niet omdat hij ons verstandig toeschijnt, maar omdat ons alles even onverschillig is. “Zoo mijn waarde voogd begrijpt,” zeide zij, “dat ik op deze wijze reizen moet, heeft hij slechts te bevelen:—alleen moet ik weten, aan wiens geleide ik zal worden toevertrouwd.”
“Ziedaar juist de grootste zwarigheid,” zeide Aylva: “de goede Feiko is trouw en wakker genoeg; maar hij is nooit buiten Friesland geweest: hij is den weg en de zeden des lands niet kundig, en zijn tongval zou hem spoedig verraden. Een leidsman uit den omtrek kunnen wij niet vertrouwen.”
“Indien de jonkvrouw zich aan mijne zwakke bescherming durft toevertrouwen,” zeide vader Syard, “zal het mij wellicht gelukken, haar, met behulp onzer Lieve Vrouwe en van Sint-Odulf, mijn patroon, in veiligheid te geleiden waar zij wezen moet.”
Dit aanbod werd dankbaar aangenomen: en zooras de Abt aan vader Syard het gevraagde verlof verleend had tot de reize, en de vereischtedispensatie, om het geestelijk kleed voor een korten tijd af te leggen, ontvouwde de monnik zijn plan nader aan Aylya, en, het noodige geld van den Olderman ontvangen hebbende, verliet hij het klooster.
Hij kwam echter weldra terug, doch schier onkenbaar voor zijn beste kennissen. Een buis of jak, van een stoffage, welke men te dier tijd met den naam vangrauwen ezelbestempelde, hing hem om ’t lijf: zijn beenen staken in twee zware modderlaarzen met omgeslagen randen. Een blauwe kaper, die vastzat aan een soort van pelgrimskraag, welke hem tot even over de schouderen viel, bedekte zijn hoofd, en een groote, breedgerande hoed hing hem op den rug. Onder den arm droeg hij een pakje, waarin zich een boerinnengewaad bevond, dat voor Madzy bestemd was. Hij had zich deze beide vermommingen in de hut des boschwachters aangeschaft. Elske, die nu de hoop had opgegeven van haar man terug te zien, had aan den monnik, op zijn verzoek, de daagsche kleeren van Walger en haar zondagspak voor een ruime belooning afgestaan en zich tevens verbonden, dezen verkoop, althans een paar dagen, geheim te houden.
Zonder een woord te spreken, had Madzy zich van hare versierselen ontdaan en de nederige kleedij aangetrokken, welke voor haar bestemd was: en het was eerst toen zij afscheid van haar voogd nam, dat zij haar somber stilzwijgen afbrak met de nauwelijks hoorbare vraag: “Weet gij iets van den armen gewonde?”
“Hij leeft!” antwoordde Aylva: “en God geve hem een spoedig herstel. Maar, mijn lieve!” vervolgde hij, toen hij haar de blauwe oogen erkentelijk ten hemel zag opslaan: “gij moet hem vergeten; want hij leeft niet voor u. Het is slechts aan een Fries, dat de dochter van Sjoerd Dekama hare hand moet wegschenken: en zoo Adeelen een zoo onwaardeerbaren schat verstoot, er zullen er anderen gevonden worden, die hem meer op prijs weten te stellen.—Ga nu, mijn engel! en mogen u alle Heiligen geleiden.”
Madzy omhelsde hem met vervoering, doch zweeg: haar gemoed was vol; maar zij kon noch spreken, noch schreien: zij sloeg haar mantel op, haalde haar kap over ’t gelaat, en, den arm des monniks nemende, ging zij met hem het achterpoortje uit, naar de plaats, waar Feiko hen met de paarden verwachtte. Spoedig kwam de trouwe dienaar terug met de tijding, dat beiden zich verwijderd hadden.
Het bleek weldra, hoe noodzakelijk de gemaakte spoed was geweest; want nauwelijks waren er eenige minuten verloopen, toen het huis door een aanzienlijke ruiterbende omsingeld werd en de aanvoerder zich aanmeldde met de tijding, dat hij uit ’s Graven naam Jonkvrouw Madzy Dekama kwam afhalen.
“Het doet mij leed, dat ik u haar niet kan afstaan,” zeide Aylva, on een koelen toon: “maar zij was gisteravond zoo ontsteld en ziek van het voorgevallene, dat zij terstond met een Harlinger vaartuig naar Friesland is teruggekeerd.”
“Ziedaar iets, waarvan wij ons zullen moeten verzekeren,” zeide de hopman, en gaf hierop aan zijn wapenknechten last, het gebouw te doorzoeken. Toen echter alle nasporingen vruchteloos bleken te zijn, zond hij zijn volk in onderscheidene richtingen uit en stuurde zelfs een boodschap naar den mond van ’t Snaren, om te vernemen, welke schepen er vertrokken waren; doch al zijn handelingen strekten slechts, om hem te doen zien, dat zijn moeite vergeefsch en dat de vogel alreeds gevlogen was.
Intusschen hadden de beide vluchtelingen de aanzienlijke bleekerijen, welke toen reeds aan de omstreken van Haarlem een alom erkende vermaardheid gaven, rechts laten liggen en een achterweg ingeslagen, welke, over het grondgebied van den Heer van Heemstede, door een bevallige landstreek heenkronkelde. Aan hun linkerzijde vertoonde zich weldra het achtbaar slot met zijn breede grachten en talrijke torentransen, in ’t midden van uitgestrekte weiden gelegen, terwijl aan de andere zijde schilderachtige heuvels oprezen, wier helling rijkelijk met struikgewassen begroeid was, waarboven de sombere eiken hun nog dorre takken naar boven staken. Nette en wel geschilderde woningen getuigden alom van de welvaart en rust, welke de landstreek genoot; en de kunstelooze, vroolijke liederen der landbewoners, die van hun werk terugkwamen om het middagmaal te gebruiken, gaven te kennen, dat zij met hun lot tevreden waren. Over Bennebroek, dat zich uit de overblijfsels van een vervallen nonnenklooster tot een vroolijk dorpje vervormd had, kwamen de reizigers in de zandige Hillegommer duinen en bereikten langs dien weg de groote heirbaan weder van Haarlem naar Leiden. Vader Syard had besloten over laatstgemelde stad naar Utrecht te reizen, en had hiermede een dubbel oogmerk. Vooreerst begreep hij, dat, zoo Madzy vervolgd werd, men haar eerder op den weg naar Amsterdam of in Kennemerland zoeken zoude, dan aan de zuidzijde; en dat zij beiden op den grooten landweg, die met reizigers bedekt was, minder in ’t oog zouden loop en, dan op achterwegen. Ten tweede vreesde hij te verdwalen, zoo hij binnenwegen nam, en wilde geen geleider nemen, ja zelfs zoo min mogelijk geluid geven, ten einde de Friesche tongval hem niet verraden mocht.
Het was vrij vol op den weg: doch daar de meeste reizigers van het feest terugkwamen en dus denzelfden kant uitgingen als onze vluchtelingen, zoo hadden zij weinig aanstoot te lijden en gingen vrij onopgemerkt verder. Wel wendde nu en dan een kloeke landbewoner, die op zijn vluggen draver, met ledige manden beladen, van de stad keerde, waar hij vruchten was gaan verkoopen, een rijke Leidenaar, wiens stevige merrie een deel snuisterijen droeg, te Haarlem gekocht en tot geschenken voor zijn huisgezin bestemd, of zelfs een jonge Edelman, die zijn trotschen klepper liet op en neder huppelen, in ’t voorbijgaan een oog naar de bevallige rijdster; maar geen van allen giste, dat het fijne neusje, ’t welk alleen uit den dicht over de oogen getrokken kaper te voorschijn kwam, aan de Roos van Dekama behoorde; en het strak en ontzag inboezemend gelaat van haar metgezel was wel geschikt om een ieder af teschrikken, die zijn nieuwsgierigheid verder had willen uitstrekken.
De beide reizigers reden op een gelijken, doch niet snellen draf voort, uit vrees van iemand uit ’s Graven gevolg, dat slechts kort voor hen naar ’s-Hage vertrokken was, achterop te rijden, en zonder een woord te wisselen. De monnik zweeg, als wij gemeld hebben, uit voorzichtigheid: en Madzy had genoeg aan de droevige gedachten, die zich van haar ziel hadden meestergemaakt. Pijnigend waren de verwijten, die zij zich zelve onder ’t voortrijden deed. Zij beschouwde zich als de oorzaak van al de onheilen, die in de laatste dagen waren voorgevallen. Zij beschuldigde zich, Adeelen te hebben misleid, aanleiding te hebben gegeven tot de verwonding van Deodaat, ja tot des Graven toorn, die weldra, vreesde zij, op een geduchte wijze haar vaderland zou treffen. En echter, wanneer zij het gedrag overdacht, door haar in de laatste dagen gehouden, dan kon zij, bij het gemoedelijkste onderzoek van hare handelingen, niet zien, waarin zij dan eigenlijk gedwaald had, en vond zij niet, dat zij ergens verkeerd in gehandeld had, dan alleen, door Deodaat toe te laten, haar aan te spreken. Maar dit was zoo onverwacht geschied en in zulk een oogenblik van verwarring, dat zij niet inzag, hoe zij dat onderhoud op een geschikte wijze zoude hebben kunnen vermijden. Intusschen kon zij midden in haar druk niet nalaten, een soort van verlichting te gevoelen, dat zij van het aan Adeelen gegeven woord ontslagen was. Zij bespeurde nu, dat zij hem nimmer had kunnen gelukkig maken, maar dat zij stellig met iemand van zijn onhandelbaren aard hoogst rampzalig zou geworden zijn. Die gedachte, dat zij weder vrij was, streelde haar, ja, doch tevens dacht zij met schrik aan den blaam, dien Adeelen, bij zijn terugkomst in Friesland, op haar werpen zoude, en aan de verachting van haar landgenooten, waaraan hij haar onverdiend prijs zou geven: en dan wenschte zij soms haars ondanks, dat een stille wijkplaats haar mocht geschonken worden, niet in het adellijke Rijnsburger klooster, waar weelderige loszinnigheid en dartele uitspanningen den boventoon hielden, maar in een stil en vreedzaam gesticht, waar zij haar tijd in kalme rust zou verdeelen tusschen het betrachten van godsdienstplichten en van liefdewerken.—Dan ach! zij zorgde, dat zij ook daar den jongeling niet uit haar geest zou kunnen bannen, wiens bleeke en doodsche trekken haar nog onophoudelijk voor oogen zweefden.
Op deze wijze zetteden zij hun weg voort, zonder zich langer op te houden dan noodig was, om aan hunne paarden eenige verversching toe te dienen, trokken Leiden onverhinderd door en reden den oever van den Rijn langs tot aan Bodegrave. Hier vernamen zij, dat de weg hooger op reeds vernield was op last van de stad Utrecht en dat de doortocht aan sommige Hollanders reeds geweigerd was. Dit deed vader Syard besluiten, een poging te doen, Utrecht langs een omweg te bereiken: en links den eersten zijweg inslaande, was hij tegen het vallen van den avond met zijn reisgenoote zonder hindernissen op het Stichtsche grondgebied aangekomen, waar zij zich tegen alle vervolging beveiligd mochten achten.