IV.

image: 08_oogen.jpg

image: 08_oogen.jpg

[Illustratie: De felle oogen gingen nu haar kant uit.]

[Illustratie: De felle oogen gingen nu haar kant uit.]

"Ik ben geen Menist meer!"

Moeder de vrouw, die wist wat die woorden in den mond van dezen zonderlingen knaap te beduiden hadden, stond te trillen op haar voeten.

"Je was waard, dat de meester je wegjoeg."

"Lààt hij me dan wegjagen!"

"Dat wou-je wel," zoo wond de vrouw zich op zonder te gevoelen, dat zij van Noord naar Zuid was gedraaid. "Dat wou-je wel, hé? Net als van de lijnbaan, toen je daar te lui was, om aan het wiel te draaien."

Witte haalde onverschillig-weg de schouders op en zette zich met gekruiste beenen naast meester Stoffelsen, die volgens zijn gewoonte de wijste partij gekozen en zich stilzwijgend aan den arbeid gezet had.

Maar moeder Stoffelsen liet den leerjongen zoo gemakkelijk niet schieten. Ze ging aan 't voorspellen, dat hij voor galg en rad opgroeide.

"Vrouw," kwam de patroon eindelijk op zijn gewone onderworpen wijze er weer tusschen, "wees toch wijzer en verspil je woorden niet aan.... aan dat sujet."

"Juist," triomfeerde zij. "Zeg maar: verloren sujet. Want dàt zal hij wezen, als hij ook hier vandaan wordt gejaagd...."

"Of wegloopt," vulde Witte droogjes aan.

"Hoor-je dat, man; hóór-je dat?"

De patroon glimlachte even.

"Hij zal 't wel uit zijn lijf laten.... Ja, als daar geen zware boete op stond!"

De vrouw maakte een gebaar van: wat kan hèm dat schelen!

"Zijn arme moeder is er goed voor."

Witte gaf daar geen antwoord op. Hij boog zich dieper over het wambuis, waaraan hij bezig was knoopen te zetten, maar boven zijn neuswortel werd weer die loodrechte rimpel zichtbaar.

De baas zag het.

"Vrouw, vrouw!" vermaande hij "laat z'n moeder buiten het spel!"

Wat zij op deze vermaning geantwoord zou hebben, is niet te zeggen. Erg vredelievend stond in elk geval haar gelaat niet. Gelukkig werd juist op dit oogenblik in het aangrenzende vertrekje eenig gestommel vernomen en een krachtige stem riep: "Hei daar!"

"Vrouw, ik geloof dat er volk is!"

Dadelijk kreeg haar gelaat een andere plooi.

"'t Wordt tijd," zei ze, "want ik heb vanmorgen nog geen handgeld ontvangen."

En met deze opmerking verdween ze van het tooneel.

In de werkplaats was het heel stil geworden. Daardoor hoorde men duidelijk uit het nevenvertrekje, dat als taveerne dienst deed, de stemmen van eenige mannen. Het waren meest vreemde klanken, maar dat verbaasde meester noch knechtje. Den Briel toch was in die jaren, n.l. van 1585—1616, een Engelsche pandstad, gelijk gij wel uit de vaderlandsche geschiedenis weet. In deze sterkte, evenals in Vlissingen en Rammekens, lag een Engelsche bezetting. Door veelvuldige aanraking waren de inwoners wat Engelsch gaan parlevinken en de Engelsche soldaten wat Hollandsch. Men kon elkaar, ten minste wat eten en drinken betreft, vrij goed verstaan. De Engelschen vonden het eten hier te lande best naar hun zin. Zelfs wat overdadig, omdat men op het brood niet alleen van die heerlijke goudgele boter smeerde, maar daarop weer flinke plakken kaas lei. Dat laatste mocht men zélf doen.Was men daarmee klaar, dan woog de hospes het stuk kaas, wist op die manier precies wat ervan afgesneden was en berekende daar den prijs naar.

Na wat meester Jochum Stoffelsen uit het stemgerucht kon opmaken, zou 't ook nu wel een kroes bier, en brood met boter en kaas zijn.

De baas kreeg er een kleur van plezier door. 't Had hem groote moeite gekost, om voor zijn vrouw de vergunning van klein-tapster te krijgen, en als zij nu maar geld verdiende, was zij thuis veel zachtzinniger. Haar booze bui van dezen morgen was enkel een gevolg geweest van te weinig nering in de laatste dagen en dat een buurvrouw haar zulks in de keel gestoken had. En blijde, dat bij moeder de vrouw voorloopig de muts weer goed zou staan, oordeelde hij het verstandig ook wat olie te storten over den toorn van zijn leerjongen.

"Je moet de vrouw niet zoo tegenspreken, Witte... Dat heb ik wel honderdmaal gezegd."

Witte zweeg.

"Hoor-je me niet?"

"Ja, meester."

"Waarom geef-je me dan geen antwoord?"

"Omdat ik dan tegenspreek," meester.

De patroon schudde het hoofd.

"Wat ben-je toch een rare jongen."

Zwijgen.

"Je wordt haast zeventien, is 't niet?"

Knik met het hoofd.

"Wanneer?"

"Komende jaar."

"Dat spreekt!... Maar wannéér?"

"Den 29en Maart."

"Zeventien is al een heele leeftijd, Witte!"

Zwijgen.

"Zou het zoetjesaan geen tijd worden, dat je veranderde?"

"Van vak?"

De patroon keek hem een beetje verbluft aan. Witte zag dat, en moest daar toch even om glimlachen.

"Dàt zal je niet gelukken, ventje!" voer zijn meester voort. "Je ben — laat eens kijken, wat je zoo al geweest ben.... Lijndraaier, knoopenmaker, kalfsleerwerker... en wandsnijder, is't niet?"

"Ja, meester.... En toen zeilmaker en nu ben ik kleerenjutter!"

"Hoe? Je spot toch niet met dat mooie ambacht?"

"Neen, meester; ik ben blij, dat ik het een beetje versta. Daar zal ik profijt van hebben.... als ik op zee vaar."

"Jongen, stel toch die malligheid uit je hoofd! Leer je vak goed, dan word-je een man in de maatschappij. En denk er toch aan, dat als je van mij met schade en schande weggaat, je een verloren man ben."

"Dat zie ik nog niet in, meester."

"Hoe? Je weet toch, dat je zoo goed als in niet één gilde meer terecht kunt komen. Uit hoeveel gilden ben-je al niet weggestuurd! En dáár kom-je nooit meer in."

Zwijgen.

"En wat moet er dan van je terecht komen? M'n vrouw sprak daarstraks van een verlorensujet. Neen, kijk me niet zoo nijdig aan!.... Weet-je wel wat dat is?"

"Ja, zeker; als je nergens meer voor deugt en door de dienaars van den baljuw buiten de grenspalen wordt geleid."

"Of op een schip naar Oostinje," vulde de baas aan.

Witte liet zijn werk op zijn knie vallen.

"Doen ze dat óók met een verloren sujet?"

"Ho, ho! Zoo bedoelde ik het niet!"

"Neen, baas, nu moet-je er geen doekjes om winden."

De baas keek strak op zijn werk.

"Daar zijn ze pas bij het Gerecht mee begonnen... Maar (en hier sloeg hij zijn oogen op en keek Witte vlak in het gezicht) opdiemanier zou-jij toch niet het zeegat willen uitvaren?"

De jongen gaf geen antwoord en vatte zijn werk weer op. Hij bromde wat, dat zoowel ja als neen kon beteekenen, en het gesprek verliep.

Na een half uurtje kwam de vrouw weer in de werkplaats. Zij was bijzonder in haar nopjes, dat zag de baas dadelijk. Zij telde op, wat de Engelsche krijgslieden verteerd hadden. Zooveel boterhammen, zooveel boter, maar in het gebruik van de kaas waren zij haar tegengevallen.

"Je schalen en gewichten zijn toch zuiver, vrouw?"

"Als de zon.... Maar wat zit die jongen te grijnzen?"

"Ze hebben je te pakken gehad, vrouw."

"Mij?.... De eerste, die mij te pakken neemt, moet nog opstaan.... Maar.... maar wat begintde jongen nu? Is hij dol geworden? Houd hem tegen, man!.... Hij gaat op den loop, of...."

Met de vlugheid zijner jaren was Witte van de kleermakerstafel gesprongen en ijlde naar de taveerne.

image: 09_gauwdieven.jpg

image: 09_gauwdieven.jpg

[Illustratie: O, die gauwdieven, die schurken!]

[Illustratie: O, die gauwdieven, die schurken!]

De vrouw als de drommel hem na, en daarachter de meester met zijn knipbeenen.

Toen hij in de taveerne gekomen was, zag hij, dat Witte het stuk kaas in handen genomen had, en hoorde zijn vrouw aangaan als een Noordwester: van dat de jongen er met zijn leelijke, vuile handen af moest blijven.

Maar Witte had zijn mes te voorschijn gehaald en sneed toen heel netjes de kleine, looden kogeltjeseruit, die de soldaten na het gebruik stiekem in de kaas gestopt hadden.

De vrouw hief haar handen omhoog.

"O, die gauwdieven, die schurken!"

"Hoe wist-jij dat?" vroeg de baas aan zijn leerjongen.

"Wel meester, wie veel langs de kaai loopt, hoort wel eens dingen, die hij in zijn ooren knoopt. Het kan altijd te pas komen, zooals je ziet."

Dien avond wachtte zijn zuster hem op bij den ingang van de hofstede.

Ze wist, dat hij komen zou, want het was lichte maan.

Niettegenstaande de zwaar bewolkte lucht, kon men, wanneer men zich slechts een poosje buiten bevond, ten minste zien waar men liep. Bij donkeren winternacht was dat niet te doen, ja, zelfs gevaarlijk. Men had dan kans terzijde van den weg in de sloot te geraken, omdat men, om de vochtige wagensporen en de brijachtige modder te ontwijken, meestal op den glibberiger graskant langs het pad liep, vanwaar men licht naar den verkeerden kant uitgleed.

In den winter bracht Witte meestal den nacht in het huis van zijn patroon door, waar hij in den kost was. Met mooi weer en maneschijn trok zijn hart hem echter naar Nieuwenhoorn, al was het niet zoozeer naar de steê van zijn moeder, waar hij echter wel zijn slaapplaats vond.

Waarheen hij dan ging, eer hij zijn kooi opzocht?

Dat zullen we dadelijk wel vernemen.Catharina de With wist dus, dat haar broer zou aankomen, om te zeggen, dat hij vannacht thuis sliep, en wist ook wel omstreeks welken tijd dat zijn zou.

In het onzekere licht van dien winteravond zag zij hem toch al in de verte aankomen, eenzame figuur op den weg, die tegen de grauw-groene grasbanden afstak, zich als eindeloos verlengde en opging in het schijnsel, dat in de verte de stad afgaf, waar de olielantaarns aangestoken werden en een weerschijn wierpen op den zwaren toren, die in het groezelige licht van den door zware wolken verduisterden maan-avond toch nog duidelijk te onderscheiden was.

"Ben-jij daar, Witte?"

"Ja, Katrijn."

"Je komt zeker zeggen, dat je hier vannacht slaapt."

"Ja."

"En je gaat zeker naar nicht Maertje."

"Ja."

"Ga er dan maar dadelijk heen."

"Is er ginder zwarigheid?"

"Neen, dáár niet.... maar hier."

"Wat dan?.... Is Abram weer ziek?"

"Neen.... moeder."

"Erg?"

"Nou erg?.... Ze heeft zich kwaad gemaakt."

"Op wie nu alweer?"

"Da's ook een vraag! — Op jou."

"Natuurlijk omdat ik gisteravond...."

Maar de rest van zijn woorden ging in een soort gegrom verloren.

"Gisteravond?.... O, Witte, ben-je soms weer bij de fijnen geweest?"

"Als je 't vragen moet, weet-je het niet.... En dus is moeder weer om iets anders nijdig op me."

Katrijn zweeg eenige oogenblikken.

"Wacht.... ik loop een eindje met je mee."

"Goed!" zei Witte kortaf.

Ze gingen samen voorbij de steê, den hoogen dijk af en het Hellevoetsche zandpad op.

"Ik begrijp uit alles, dat je me nou liever niet thuis wil hebben."

"Neen.... moeder zou er wakker van kunnen worden en dan krijgen jullie weer ruzie."

"Kan ik dat helpen?"

"Anders wel, Witte.... maar nu niet."

"Dus moeder weet niets van dat conventikel?"

Zijn zuster stond stil.

"Waarom doe-je moeder toch dàt verdriet?"

"Omdat men Godmeer moet gehoorzamen dan de menschen," klonk het dadelijk terug.

Katrijn zuchtte.

"Laten we daar maar geen ruzie over krijgen.... en ik wil dat ook niet."

"Nee, je màg niet."

"Juist!.... Omdat ik Menist ben."

"Of die niet strijdlustig zijn!" ging Witte op bitteren toon voort.

"Foei, je bedoelt moeder?"

"Ja."

"Hoe durf-je dat zeggen!"

"Omdat ik geen duivel op mijn hart smoor. Vandaag niet en morgen niet en nooit niet. Dàt hebik tenminste nog van de Menisten overgehouden."

Katrijn zuchtte weer.

"Witte," riep zij eindelijk uit, "je ben zoo in het net van die fijnen verstrikt...."

"Wat zeg-je?" riep hij uit, stilstaande en zich dreigend voor haar plaatsend.

"Neen, neen," weerde ze af, "geen ruzie tusschen ons. Je weet, dat ik je help, waar ik kan.... Maar je gedachten zijn zoo van dat.... dat andere vervuld, dat je niet eens vraagt, waarom moeder ziek geworden is."

Witte haalde onverschillig de schouders op.

"Je hebt het al gezegd: van boosheid op mij. Oud nieuws. Ik heb het immers altijd gedaan?"

"Neen, Witte, nu is hetnieuwnieuws.... Er is iemand over je wezen praten."

"Dominee Leo?"

"Die kan komen, zooveel als hij wil; maar je weet, dat moeder dan als een stom beeld zit."

"Dat weet ik," merkte Witte bitter op. "Hij heeft me immers ongelukkig gemaakt, zooals moeder altijd gelieft te zeggen!"

Katrijn liet dat nu maar voor wat het was.

"Je raadt het nooit. Witte," zei ze.

"Láát me dan ook niet raden. Ik heb daar een hekel aan."

"Ik.... ik durf het haast niet zeggen."

"Is het dan zóó erg?"

"Erg?.... Neen, dat wel niet, maar als je het weet, is het weer voor weken en maanden mis met je."

Weer stond Witte stil.

"Zeg op, Katrijn!.... Dacht-je, dat op heel de wereld me één ding nog schelen kon?"

"Ja, Witte.... één. En 't is juist dáárover, dat het tusschen moeder en hem ging."

Witte haalde diep adem.

image: 10_zee.jpg

image: 10_zee.jpg

[Illustratie: "De zee?"]

[Illustratie: "De zee?"]

"De zee?"

Hij stootte die ééne klank eruit.

Toen greep hij zijn zuster beet, maar deze rukte zich lachend los.

"Zie-je wel, dat één ding je toch nog wel schelen kan?"

Nu lachte hij ook.

"Toe, zusje.... zeg het me nou!"

Ze vertelde hem van het bezoek van den zeemanen stond er vreemd van op te kijken, toen ze hoorde, dat hij dien al kende.

"Op de oefening, gisteravond."

"Welzoo? Ik dacht, dat je daar...."

"Stil, zusje, toe, alsjeblieft nu niet daarover...."

Ze kreeg met hem te doen. Vooral, omdat ze hem moest mededeelen, dat moeder ook nu niet te bewegen was geweest.

Gelijk hij gewoon was, werd Witte er weer hard tegenin.

"Eens ga ik toch," sprak hij.

En zonder hem aan te zien, wist zijn zuster, hoe zijn gezicht stond.

Ze waren dicht bij een andere boerenhuizinge aangekomen, waarvan zij reeds geruimen tijd 't verlichte venster hadden gezien.

"Ik ga nu terug, Witte. Moeder sliep, toen ik heenging, maar kan wakker worden en naar mij vragen. Zonder noodzaak behoeft zij niet te weten, dat ik jou gesproken heb."

"Geen nood!.... Over mij spreekt ze toch nooit.... of...."

Katrijn sloot hem den mond.

"Je mag de Tien Geboden nog wel eens overleeren, Witte."

Dadelijk stond de jonge ijveraar pal.

"Ik eer mijne moeder.... Dáárom gehoorzaam ik haar en loop ik niet weg."

Na dit gezegd te hebben, keerde hij zich bruusk om, en liet het aan zijn zuster, die op haar schreden terugkeerde, over, om het onderscheid tusschen eeren en liefhebben, te overpeinzen.

Intusschen had het geblaf van den hofhond een meisje buiten doen komen.

"Ben-jij daar, Witte?"

"Ja, Marie."

"Malle, jongen, waarom zeg-je toch geen Maertje, zoo heet ik immers?"

Witte was reeds bij haar en ging met haar in huis.

"Maertje vind ik zoo, zoo.... net of je je moeder ben."

Hij leek wel heelemaal veranderd. Veel zachter, maar ook veel onbeslister in zijn woorden, die anders, precies als bij zijn moeder, gelijk hamerslagen neer konden vallen.

Het meisje, dat van zijn jaren was, lachte luid:

"Hoe kan dat nou?.... Mijn eigen moeder zijn!"

"Och, ik bedoel.... je moeder heet Maertje."

"En ik naar haar."

"Wat is er?" zoo kwam uit de boerenkeuken, waarin zij binnentraden, de stem van een nog jonge vrouw hen tegemoet.

"Goeien avond, nicht.... Waar is de baas?"

"Naar bed.... Hij gevoelde zich niet wel. En de jongens zijn verkouden.... dus ook naar de kooi. Je weet: de de With's zijn niet sterk... Nu, ja, Witte, jij en je moeder zijn een uitzondering."

"Hij is ten minste weer aan den gang, moeder!"

"Zoo.... heeft hij een pak kleeren bij zijn baas bedorven?"

Witte maakte een afwerend gebaar.

"Toe.... nicht Maertje, kom me daar nu alsjeblieft niet mee aan boord. Ik ben bang, dat dielucht van de kleermakerstafel nog aan m'n plunje hangt."

Plagend berook hem het jonge meisje.

"Ja waarlijk," riep ze uit. "Ik ruik.... baas Jochum Stoffelsen en zijn vrouw."

Daar begon Witte te lachen, eigenlijk heel vreemd voor dat anders zoo nijdige gelaat.

Hij vertelde van de loodjes in de kaas, en de twee vrouwen hadden daar wàt 'n schik in.

"Goed, dat ik het weet," riep nicht Maertje uit, "want die Engelschen zwerven tegenwoordig over het heele eiland.... 't Wordt tijd, dat ze weggaan."

Nu, Witte kon het gerucht meedeelen, dat het vermoedelijk niet lang meer duren zou. Er moesten onderhandelingen aan den gang zijn tusschen den landsadvocaat en den koning van Engeland over het inlossen van de pandsteden.

Dat gesprek werd te taai voor het jonge meisje en die begon nu maar gauw over de gekheid van daarstraks.

"Hoe kwam-je zoo mal?" vroeg nicht Maertje aan Witte. "Waarom moet Maertje nu Marie heeten?"

"Om den boel een beetje uit elkaar te houden, nicht."

Zij knikte toestemmend.

"Ja, onze familie zit ook op een wònderlijke wijze in elkaar."

"O, Witte," riep het jonge meisje uit, "wat bèn-je begonnen!.... Je weet, als moeder daarover begint...."

"Wel, jou nest," bestrafte haar d'r moeder; "Als ik dat boeltje niet telkens uit elkaar haalde, zou-jijlater niet meer weten, of Witte een oom, een neef of een achterneef van je was...."

"Voor mij blijft hij Witte, hoor!"

"En jij, Marie!" zei hij dadelijk.

"Hóór-je 't, moeder?" vroeg het meisje.

Maar deze was al aan haar geslachtkundige uitlegging begonnen.

"Jou vader, Witte, was een broer van mijn vader."

"Ja, nicht Maertje."

"Jou vader heette Cornelis, en de mijne Leendert de With."

"En die waren broers," plaagde haar dochter, die we nu ook maar Marie zullen blijven noemen.

"Ssst!" deed haar moeder, "ik ben er nog niet!"

"Nog lang niet," plaagde nu ook Witte.

"En," aldus ging zij op zwaarwichtiger toon voort, "daarom heet ik voluit Maertgen Leenderts-dochter de With."

De beide jongelieden gaven elkaar een knipoogje maar durfden toch niet lachen.

"Ik, Maertgen Leendersdr. de With, trouwde weer met dien de With, die nu mijn man is."

"Ze vergeet den voornaam," dacht Witte, "dat schiet vast op."

"En uit die echt werd nu Maertje geboren, die net zoo oud is als jij, Witte, hoewel jou vaders broer haar grootvader is."

"Hè," zei Witte, "daar zou een mensch simpel van worden."

"Ssst," waarschuwde nu op haar beurt Marie, "moeder is er nog niet."

"Nu, ik was toch al zoover, dat Maertje geboren was."

"En die zit hier," kon Marie niet nalaten te schertsen.

"En die heet net als ik...."

image: 11_moeder.jpg

image: 11_moeder.jpg

[Illustratie: Moeder is er nog niet.]

[Illustratie: Moeder is er nog niet.]

"Ho, ho, nicht," kwam Witte tusschen beiden, "maak een beetje onderscheid alsjeblieft en noem haar Marie."

"Dus.... ze moet zich over haar moeder schamen?"

"Hoe kòm-je daaraan, nicht!.... Maar, zie-je, als ik later aan 't varen ben..."

"Altijd dat varen, Witte?"

"Altijd dat varen, nicht!.... Maar, wat ikzeggen wil, als ik ergens in een apenland zit en een brief wil schrijven aan.... aan die lachebek hier.... hoe moet ik dan de dochter van de moeder onderscheiden?...."

"O ja, dàt 's waar," riep Marie uit, "dáár had ik niet aan gedacht!"

"Net goed!" plaagde nicht Maertje, "dan krijg ik den brief in handen."

"En u kunt niet lezen!" plaagde haar dochter weerom.

"Daar vind ik wel iemand voor," dreigde haar moeder.

Maar toen hij naar huis ging, na een uurtje in dit gezin verkeerd te hebben, dat voor hem als 't ware een oase in de woestijn van zijn wanhopig eentonig leven was, — fluisterde zijn achternicht hem toe; dat hij haar voortaan Marie mocht blijven noemen.

En dat is zoo gebleven, tot haar dood toe.

Eenige dagen later stond het kleine huisgezin van den meester-snijder Jochum Stoffelsen héélemaal op stelten.

Den vorigen avond was Witte wederom naar de hofstede gegaan om daar den nacht door te brengen; nu liep het al naar noen en nog was hij niet teruggekeerd.

Al voor den opgank der zonne — wat in de maand December nu juist niet zoo bijzonder vroeg beteekent! — had hij reeds terug moeten zijn.

Dies schetterde als een krijgstrompet de stem van vrouw Stoffelsen door het huiske, en de eenige afwisseling daarin was de plaats der handeling.

Want nu eens lawaaide het in de werkplaats van den eerzamen meester, maar het meest toch in de taveerne, waar de pot voor het middageten te vuur stond.

Ook dàn vermocht meester Jochum Stoffelsen er geen woord van te verliezen, omdat — tot het doorlaten van de warmte — de deur tusschen beide gelegenheden wijd geopend bleef.

"Die lamme jongen...."

"Ho, ho, vrouwtje! Bezondig-je niet aan zulke verwenschingen."

"Dàcht ik het niet, dat ik het alweer op m'n kop kreeg?.... Is dàt nou een verwensching?"

"Zeker! Want — als dat nu juist eens gebeurde en hij met lamheid geslagen was...."

"Dan.... dan zou het nog een zegen voor zijn moeder en voor mij en jou zijn."

Ontzet zag meester Stoffelsen haar aan.

"Zeker! Dan zou hij wat vaster zitten aan de kleermakerstafel en stellig liep hij niet weg om het zeegat uit te gaan. Want — al moest ik er mij voor laten geeselen en brandmerken — ik ben er zoo zeker van als.... als.... ja, 't kan me niet schelen als wat, dat hij er nu vandoor is gegaan."

De kleermaker had te midden dezer ontboezeming vermanend zijn hand, waarin hij de naald hield, opwaarts geheven.

"Geeselen en brandmerken?.... Vrouwtje vrouwtje, waar moet dat heen!"

"Waar het heen moet?" snauwde ze terug. "Vraag dàt liever aan het goed, dat die zaterdagsche kwâjongen naar de klanten moet brengen. Zou-je denken, dat ik met m'n rampzalige eksteroogen soms het vuur uit m'n sloffen ging loopen, om dien rommel weg te brengen?"

"Ik zal het zelf wel doen, moeder."

"Een mooie meester, die zelf voor loopjongen speelt!"

"Kom, kom, suikerpoesje," vleide de meester, die er hard naar ging verlangen om eens een poosjebuiten dat geraas te zijn, "dan schep ik meteen eens een luchtje!"

Het suikerpoesje bromde iets onverstaanbaars terug, maar vond het ten slotte goed dat haar heer en meester er na het noenmaal op uit zou gaan. Minder om die kleeren weg te brengen — als men die lorren noodig had, zou men er zelf wel om sturen, decreteerde vrouw Stoffelsen — dan wel om even naar de hofstede van vrouw de With over te wippen en daar te hooren, of men iets wist van het wegblijven van den leerjongen.

"Dat geloof ik nu wel niet," meende de practische vrouw Stoffelsen, "want anders had men ons wel een boodschap gestuurd. Ze hebben daar volk genoeg op de steê. Maar het is toch vrouw de With in de eerste plaats, die er van op de hoogte moet gebracht worden, als er soms iets methaar zoon niet is, zooals 't wezen moet."

"Verstandig geredeneerd, vrouw!" prees haar meester Stoffelsen, die inwendig al heelemaal opgefleurd was, dat hij nu voor een geruimen tijd uit dat gezeur zou zijn, maar wel oppaste van dat gevoel iets, zelfs niet door de uitdrukking in zijn gelaatstrekken, te doen verraden.

Na het middagmaal ging de baas er met zijn knipbeenen van door, terwijl moeder de vrouw het voorloopig druk genoeg had met het wasschen der vaten.

Ze was daarmede nog niet gereed, toen er "volk" geroepen werd in de taveerne.

Haastig streek ze haar voorschoot glad, en, een proper mondje zettende, begaf zij zich naar het afgeschoten hokje.

Ze stond ineens voor een grooten, stevigen baas. "Ben ik hier bij den kleermaker Jochum Stoffelsen."

"Ja, sinjeur."

"Is hij thuis?"

"Neen, maar kan ik de boodschap niet overbrengen?"

De vreemdeling aarzelde even.

"Weet-je wat?" besloot hij, "geef me maar vast een kroes bier." En zijn breedgeranden hoed op het tafeltje werpende, dat dicht bij den haard stond, liet hij zijn zwaar lichaam nedervallen op een der houten banken.

"Die zit," dacht vrouw Stoffelsen, zich beijverend om aan de opdracht te voldoen, "en ik zal wel zorgen, dat hij vooreerst niet opstaat."

Nu, dat scheen ook zonder haar medewerking te zullen gelukken, want toen zij hem het bestelde bracht, zat de gast voorovergebogen naar het vuur, de handen ernaar uitgestrekt om die te warmen, de houding dus van iemand, die niet van plan is dadelijk te vertrekken.

"Guur weertje, sinjeur!"

"De tijd van het jaar, moedertje!"

"Kwam er maar een beetje vorst...."

"Zal wel komen; misschien meer dan je lief is."

"Ja, en misschien meer dan jou lief is, sinjeur," lachte ze.

O, ze was nu heelemaal een ander mensch. Als ze maar een klant had in haar taveerne. De vreemdeling haalde de schouders op.

"'t Kan zijn.... Maar einde Januari is het voor mij: 'adé, lief vaderland'."

"Waar gaat de reis heen, sinjeur?"

"De Indiën."

"Lange reis?"

"Een jaartje of vier denk ik."

"Jonge," dacht vrouw Stoffelsen, "z'n laatste duiten dansen in z'n zak; dien baas moet ik in de gaten houden, hoor, en aan den praat erbij!"

"Mijn man zal wel niet lang wegblijven, hoop ik."

"Dat hoop ik ook, vrouwtje!"

"Ja, 't is singulier: hij is zoo goed als nooit uit, en nu er een goeie klant voor hem komt...." De zeeman hief zich uit zijn voorovergebogen houding op.

"Een klant?.... Hij is toch geen wantsnijder?" Want zoo werden de kleermakers geheeten, die aan de zeelui gemaakte kleederen verkochten.

"Neen, maar ik denk...."

"Dat een zeeman zoo nauw niet kijkt, meen-je. Is 't niet?"

"Dat kon-je wel eens geraden hebben," lachte vrouw Stoffelsen.

Even dacht hij na. Toen hij opkeek, zag hij haar blikken strak op zich gevestigd. Toen schoten ze beiden in den lach.

"Je bent niet van gisteren, moeder!"

"En jij ook niet, sinjeur!"

Hij maakte een geruststellend gebaar.

"Als 't lukt, loop ik nog wel eens bij je man aan, hoor."

"Als wat lukt?"

Nu keek hij haar op een manier aan, die zelfs op haar indruk maakte.

"Je bent zeker de baas van de schuit?" onderstelde zij.

"Juist."

"Geen gemakkelijke, geloof ik."

Hij glimlachte.

"Waarom denk-je dat?"

"Omdat.... ja, omdat je me daar aankeek, alsof je me koejeneeren wou."

"Dat laat ik aan je man over," plaagde hij.

In de oogen van vrouw Stoffelsen vlamde iets op, dat niet onopgemerkt aan den zeeman voorbij ging.

"Ik geloof, dat ik tóch terecht ben," verklaarde hij opeens.

"Hoe bedoel-je dat?"

"Ik denk, dat ik best de boodschap aan jou op kan dragen."

"Dat zou ik ook denken," merkte zij snibbig op.

Hij liet die opmerking aan zich voorbij gaan.

"Ik wou het eens met je man hebben over z'n leerjongen."

Daar rezen de handen van vrouw Stoffelsen omhoog.

"Van.... van...."

Zooveel woorden tegelijk kwamen er van binnen bij haar aanzetten, dat ze die eigenlijk alle ineens eruit had willen smijten. Omdat zulks onmogelijk was, vermocht ze op dit oogenblik niet anders dan er die twee klanken uit te krijschen.

Niet zonder eenige grappige verbazing zag de zeeman haar aan.

"Eens op je rug kloppen, moeder?" vroeg hij heel gemoedelijk.

image: 12_stoffelsen.jpg

image: 12_stoffelsen.jpg

[Illustratie: Daar rezen de handen van vrouw Stoffelsen omhoog.]

[Illustratie: Daar rezen de handen van vrouw Stoffelsen omhoog.]

"Op m'n rug?"

Ze hapte naar adem.

Maar nu kwamen haar handen met de rugzijde op haar heupen, en toen ze eenmaal daar goed en wel beland waren, vond vrouw Stoffelsen zichzelve terug.

Nu, kapitein Geen Huyghen Schapenham — want men zal in den bezoeker dezer taveerne wel reeds lang den gezagvoerder van "de Gouden Leeuw" herkend hebben — behoefde in den eersten tijd om geen nadere inlichtingen aangaande den beschermeling van dominee Leo te vragen. Hij kreeg ze zoo ongezouten mogelijk, zelfs meer dan hem lief was. En gerust kan getuigd worden, dat ze van een geheel anderen aard waren, dan die, welke hij van den Nieuwenhoornschen predikant ontvangen had.

Een paar maal poogde hij den wild bruisenden stroom door een vraag of een opmerking in een gelijkmatiger bedding te leiden, maar op 't laatst gaf hij daartoe den moed op, en zich wederom met de handen naar het vuur wendende, liet hij den woordenvloed kalmweg over zijn breeden rug gaan.

"Geduld overwint alles," dacht hij, "maar nu ga ik er toch spijt van krijgen, dat ik me met het lot van dien jongen bemoeid heb."

Toch — hij had het ds. Leo beloofd, en belofte maakt schuld.

Maar dat geschetter van vrouw Stoffelsen!....

Zij meende nu voor eens en voor goed het doopceel van den leerjongen gelicht te hebben! Ze had eens moeten weten, hoe elk van haar grievende scheldwoorden en beleedigingen, den zeekapitein ervan overtuigde, dat een boy, wiens hart in de baren der zee lag, nooit het bedorven kindje van vrouw Stoffelsen kon wezen.

Wijselijk hield hij die opmerking voor zich, maar hij kon niet nalaten even te glimlachen.

Vrouw Stoffelsen zag dat, en evenals zij dat bij haar man gewoon was, kwam het er meer of minder dreigend uit:

"Hoekun-jedaar nu nog om lachen, sinjeur!" Wijl zij door deze opmerking voor een wijle zelf haar woordenstroom onderbrak, kreeg eindelijk kapitein Schapenham gelegenheid er een woordje tusschen te plaatsen.

"Is die jongen thuis, moeder?"

Ze keek hem zoo oprecht verbaasd aan, dat hij in zichzelven mompelde: "Ik verwed er m'n nieuwe bramzeilen onder, dat ze me al verteld heeft, waar die snuiter zit. Hoe jammer, dat ik maar niet wat beter naar dat gerei geluisterd heb!"

Intusschen had vrouw Stoffelsen de macht over haar spraak weer teruggekregen.

"Wel, heb ik van m'n leven, sinjeur.... Zóó vertel ik je, dat die luie slungel maar kalmpjes-weg thuisgebleven is en...."

Doch nu viel de kapitein haar in de rede met een stem, die, als het wezen moest, zich boven het gerumoer van den zwaarsten storm wist verstaanbaar te maken:

"Wàt zeg-je?.... Weggebleven?"

Toch een weinigje overstuur van dat krachtige geluid, knikte zij alleen van ja.

"Sedert wanneer?"

"Sedert vanmorgen."

"Hoe komt dat?"

Ze haalde de schouders op.

"Weet ik het?.... Weggeloopen, denk ik."

Kapitein Schapenham stond op.

"Weggeloopen?.... Waarheen?"

"Wel natuurlijk naar Hellevoet!"

"Naar Hellevoet?"

"Welja! Daar ligt immers een Oostinjevaarder, waar ze zooveel volk voor moeten hebben!"

En ineens de oogen wijd openende, alsof haar een gedachte inviel: "Jou schip?!"

Maar kapitein Schapenham had al zijn hoed gegrepen, zich dien op het hoofd geplakt en snelde de deur uit.

"M'n gelag!" schreeuwde vrouw Stoffelsen, die heelemaal in beweging kwam, zonder hem dadelijk na te kunnen zetten.

Dat kwam, omdat zij een paar leelijke likdoorns onder haar voeten had, voor haar heel pijnlijk en voor de rest van de menschheid heel vervelend, omdat zij aan ieder, die er maar naar luisterden wilde — of luisteren moest! — er een klaaglied over aanhief.

Wanneer zij niet liep, schopte zij altijd haar muilen uit, met het gevolg, dat op het oogenblik, waarop zij er een vaartje achter moest zetten, die sloffen links lagen, als zij ze rechts zocht.

Ongelukkig waren zij door haar driftig geredeneer van daarstraks, waarbij ze armen en beenen bewogen had om toch meer nadruk aan haar betoog te geven, zoo raar in haar nabuurschap weggescharreld, dat zij op haar zeere voeten over den met scherp zand bestrooiden tegelen vloer onder een gejammer van "Houdt den dief!" heen en weer schoof, zonder eigenlijk op te schieten.

Juist had zij onder gekreun, geklaag en geroephare voeten in de muilen gekregen en in haar lichaam een vaartje gebracht, toen de deur door een krachtige mannenhand opengeworpen werd, ten minste het bovengedeelte daarvan, zoodat moeder Stoffelsen een tik beetkreeg, dien zij voelde.

Kapitein Schapenham was het, die zich nu hoofdschuddend en glimlachend over de onderdeur heenboog, waar, als ze soms niets te doen hadden, de vrouwkens uit dien tijd zoo gezellig overheen konden leunen voor een buurpraatje, bij welke gelegenheid zoowat heel de buurt over de tong ging.

"Goeie vrouw, ik zou daar haast vergeten zoowaar mijn gelag te betalen."

De "goeie vrouw," die juist van plan was door haar alarmkreet desnoods heel de stad in rep en roer te brengen, wou eerst nog veel vijven en zessen eruit gooien, omdat ze zulk een bons tegen haar hoofd gekregen had, welk lichaamsdeel zij volijverig stond te wrijven, toen zij iets tusschen duim en wijsvinger van zijn rechterhand zag blinken. Dadelijk sloot zich haar mond en verzoette zich in een suikerzoet lachje.

"Wel, sinjeur, moet-je daarvoor nog terugkomen? Dàt was toch wel vanzelf...."

Hij liet ze niet uitpraten.

"Daar, moeder."

Ze voelde zich het geldstuk in de hand stoppen.

"Zooveel kleingeld heb ik op het oogenblik niet terug, sinjeur."

Al in de haast, waarin hij scheen te verkeeren, maakte hij een gebaar van "laat dat maar blijven, hoor!" en verdween opnieuw uit haar gezichtskring.


Back to IndexNext