image: 24_goud.jpg
image: 24_goud.jpg
[Illustratie: "Dukaten-goud!" schertste hij.]
[Illustratie: "Dukaten-goud!" schertste hij.]
Witte zette een vies gezicht en maakte een gebaar van afschuw.
Hans keek hem aan.
"Ben-jij een jongen, die de linie gepasseerd is?"
"Wat zou dat?"
"Wat dat zou? Wel die ziet nergens tegen op, of staat nergens voor."
"Maar die wormen en torretjes in je beschuit...."
"'t Mocht wat!.... Waar ter wereld zul-je dat kunstje kunnen vertoonen van aan je scheepskaak te fluiten?"
"Aan je scheepskaak te fluiten!...."
"Wel ja!.... In de mijne waren zooveel beesten met en zonder pooten, dat als ik m'n stuk op dek lei en ik floot, het vanzelf naar mij toe kwam wandelen."
"Loop!" zei Witte, een beetje boos, omdat Hans hem er zoo had doorgehaald.
"Loopen?.... We blijven stilletjes zitten.... Of liggen, al naar je 't neemt. Maar al ga-je staan of hangen, vergeet toch alsjeblieft één ding niet, en dat is, dat je hier niet voor je plezier ben."
"Voor mijn verdriet ben ik toch niet gaan varen zou ik denken?"
Hans maakte een gebaar, als wilde hij zeggen: "Hoor toch zoo'n kind eens!"
"Ga-je nou al piepen?" sprak hij. "Wacht maar een paar dagen en je zult nog heel wat anders beleven."
"Moeten er dan nog erger dingen gebeuren?"
Hans knikte.
"Wees maar blij, dat je niet gezouten bent."
"Gezouten?.... Ben-je heelemaal?"
"Nu ja, zoo noemen we de matrozen, die eigenlijk de beste zijn, omdat zij het langst gevaren hebben en zooveel achter den rug hebben. Dat soortje heeft van z'n levensdagen zooveel gezouten goedje door het keelgat verwerkt, dat ze er heelemaal van doortrokken zijn. 't Is door heel d'r lichaam gaan zitten."
"Maak dat een ander wijs!"
"'k Maak je niets wijs. 't Is de waarheid. En gauw genoeg zul-je de ellende daarvan zelf aanschouwen."
"Welke ellende?"
"De scheurbuik, maat!"
Witte voelde zich bij die op somberen toon geuite woorden een steek door het hart gaan. Hij had al meer van die wanhopig ellendige ziekte gehoord, welke veroorzaakt wordt door het gebrek aan versche spijzen, vooral van groente.
Arme zeeman, die er door bezocht wordt. Zijn tandvleesch zet zoo sterk op, dat het als een sponsachtig gezwel tusschen de lippen door uit den mond komt puilen. Armen en beenen worden loodkleurig en dik. Duwt men er met den vinger op, dan blijven de putten erin staan. Een gevoel van ontzaglijke moedeloosheid komt over den patiënt. Het leven is hem niets meer waard, de dood schijnt hem een uitkomst uit zijn lijden. En, gelijk Hans het opmerkte, het zijn juist de meest ervaren, de meest "gezouten" matrozen, die al de ellende van deze verschrikkelijke bezoeking moeten doorstaan.
Wel werd er ook Hans even door bezocht, maar het beduidde bij hem niet veel, en hij bleef met den schrik vrij. Witte, die als het ware nog geheel "versch" was, bleef ongedeerd.
Wel, wel, wat was dat verschrikkelijk, zoo te midden van den Oceaan, onder een heete, vochtige lucht en een zee, die ook een geduchte warmte van zich gaf, zonder eenige afwisseling, zonderop te kunnen schieten, al maar dat gekreun van de zieken te moeten aanhooren, of wat nog erger was, hun niet zelden stom lijden aan te zien.
Eindelijk toch kwam er uitkomst.
Na veel getob bereikte men het eiland Annabon, en het eerst, waar men daar navraag naar deed, was naar versche groenten en vruchten.
Het gebruik daarvan werkte op de zieken als een toovermiddel.
Nu, 't werd tijd ook, dat er uitkomst kwam. Van de bemanning waren er 47 gestorven en niet minder dan 150 ziek.
O, dat terugkeerend leven in die doffe oogen, toen men hun oranje-appelen kon plukken en hun die als triomf voorhield!
Om een denkbeeld te geven, hoe lang dat getob geduurd had, zij het voldoende mede te deelen, dat men den 3en Maart van Isle de Majo was vertrokken en eerst den 18en Juni het anker voor Annabon uitgeworpen had.
Het lijkt zoo mooi, om, gelijk het versje zingt, heel de wereld rond te zwieren in het topje van den mast; maar als men dien dichter, van wien ik overigens geen kwaad zal spreken, omdat ik veel van zijn mooie liedjes houd, eens aan boord van "de Gouden Leeuw" had kunnen stoppen om al die tobberij rond de linie mee te maken, geloof ik, dat hij, ten minste in dit opzicht, wel tot andere gedachten gekomen zou zijn.
Daar was met die scheurbuik, met dat eeuwige menu van pekelvleesch, erwten en boonen, en niet het minst door die nooit aflatende zwoele warmte, een stemming onder de bemanningen der vijf schepen gekomen, die weinig op levenslust geleek.
Ook de gezagvoerders kon den neerdrukkenden invloed niet ontgaan. Evenals de matrozen waren zij humeurig en prikkelbaar geworden.
De matrozen uitten dit, door weinig van elkander te kunnen velen. Maar als dat tot ruzie oversloeg, dan waren hun bazen daar als de kippen bij, en moest de man met het stokje voor den dag komen,die een voor den grooten mast gebonden zeerob ongenadig op zijn ribbenkast kon geven.
Wie echter stond er boven de vijf gezagvoerders, om die tot reden te brengen, indien dit noodig mocht blijken?
Al lijkt het, dat het kapitein Schapenham was, die als de voornaamste werd aangezien, toch hadden drie van de vijf geen zin, om zich aan zijn oppergezag te onderwerpen. En zoo geschiedde het, dat nog op de reede van Annabon, waar men, gelijk men zich herinneren zal, den 18en Juni was aangekomen en een poos lang verbleef om de zieken wat te doen opknappen, er een scheuring kwam in de kleine vloot. De kapitein van de "Westvriesland" bleef kapitein Schapenham getrouw, maar de drie overige gezagvoerders besloten te zamen de reis op eigen gelegenheid te vervolgen.
Of daartoe medegewerkt had de ontmoeting van twee schepen, die van den kant van de kust van Guinea kwamen, even Annabon aandeden en toen op reis gingen naar het vaderland, vermag ik niet te zeggen.
Voor Witte anders was die eerste ontmoeting met zeekasteelen, die de vaderlandsche vlag langs de wijde wateren lieten zwieren, een heele gebeurtenis.
Zonder dat hij zeggen kon waarom, had het hem getroffen, toen hij, nadat de uitkijk al gerapporteerd had, dat het vaderlandsche schepen waren, ze, mooi over de zee, had zien komen aanzeilen. 't Leek hem een stukje van Holland, erg gezellig, al was het nu zoowaar heelemaal hierheen verdwaald. Enhet meest trof hem toch het denkbeeld, dat die afgedwaalde partjes weer naar hun oorsprong terugkeerden, of gelijk men dat nu eenmaal uitdrukte, dat de schepen op de terugreis waren naar Patria.
image: 25_heimwee.jpg
image: 25_heimwee.jpg
[Illustratie: Heimwee, maat?]
[Illustratie: Heimwee, maat?]
Hij schrok, toen Hans, die hem bij het uitkijken naar die naderende zeekasteelen had gadegeslagen, hem op den schouder sloeg.
"Heimwee, maat?"
Witte verzette zich, met al de zuurheid van zijn gelaat, tegen dàt denkbeeld.
"Je lijkt wel gek!" beet hij Hans toe.
"Mogelijk," gaf Hans kalm ten antwoord, "want ik heb op het oogenblik geen spiegeltje bij me, om m'n gezicht te bekijken. Maar dit zal je toch van me moeten aanhooren, dat na zoo'n reisje, als wij er een achter den rug hebben, er meer Jantjes zijn geweest, die graag op een naar Patria terugkeerend schip hadden over willen stappen."
"Om Jan Salie te worden?"
Hans keek hem een oogenblik strak aan.
Toen stak hij zijn breeden knuist uit.
"Kordaat gesproken, Witte.... Ik was al bang, dat...."
"Nu, waarvoor?"
"Dat.... nu ja, dat een kleermakersjongen voor goed na zoo'n vreeselijke reis van zijn waan genezen zou zijn."
"'t Wàs geen waan!.... Ik zou op die kleermakerstafel kapot zijn gegaan.... en dàt zou me gespeten hebben!"
"Nu.... dàt kun-je op deze schuit ook.... Zooals je aan onze arme maats gemerkt hebt, die we in het groote zeemansgraf lieten afglijden."
Witte haalde de schouders op.
"Dominee Leo heeft...."
"Hoho!.... Kom-je weer met dien op de proppen?"
"Ja, Hans.... En wat hij mij daarover geleerd heeft, geloof-je toch ook?"
"Dan moet ik toch eerst nog weten wat!"
"Stil, Hans, niet spotten!.... Want jij weet toch ook.... en dat is het wat ds. Leo me altijd heeft voorgehouden, dat het uurtje van onzen dood vastgesteld is, en niemand daar iets aan veranderen kan."
"O, meen-je dàt?.... Wel dat is natuurlijk."
Dat "natuurlijk" kwam er bij Hans van ganscher harte uit. 't Was ook het geheim, waarom onze 17de-eeuwsche varenslui nooit ofte nimmer vrees kenden, en, zooals zoo dikwijls in onze rijke geschiedenis neergeschreven zou moeten worden, in een simpel roeibootje op een vijandelijk zeekasteel af durfden gaan.
"Niemand kan zijn dood ontloopen," zeiden zij, "en als dat oogenblik gekomen is, moet men sterven; maar zoo niet, dan kan geen regen van kogels, geen orkaan of stortzee je deren."
Daarom gingen zij, zonder een spier op het gelaat te vertrekken, de grootste gevaren tegemoet.
Het was dan ook op het anders niet te vriendelijke gelaat van Witte te zien, dat die uitroep van Hans hem genoegen deed. Die wilde er nog wat bijvoegen, maar werd op dit oogenblik geroepen om met eenige andere matrozen een boot uit te zetten.
Indien hij had kunnen vermoeden, dat het geruimen tijd zou duren, voor en aleer hij met Witte weer een praatje zou kunnen maken, dan zou hij hem zeker de hand ten afscheid gereikt hebben.
Het geval toch lag ertoe, dat er aan boord van de "Westvriesland" meer patiënten aan de scheurbuik overleden waren dan op "de Gouden Leeuw". Zoo kwam het, dat nog denzelfden dag, na eenbijeenkomst van de gezagvoerders dier twee bodems, er eenige manschappen van laatstgenoemd schip naar de "Westvriesland" werden overgeplaatst, waaronder, tot zijn groote vreugde, ook Hans behoorde, die aldus op een onverwacht oogenblik zijn lievelingswensch in vervulling zag overgaan.
't Ging alles zoo gauw, dat hij maar even tijd had om zijn bultzak en verdere spulletjes te halen, om die naar zijn nieuwe verblijfplaats over te brengen. Even nog keek hij rond naar Witte, om dien het blijde nieuws mede te deelen, maar deze was in de kajuit van kapitein Schapenham aan het werk, en in dit heiligdom kwam zeer zeker een lichtmatroos niet ongeroepen.
Witte hoorde eerst dien avond, dat zijn kameraad voorloopig niet meer een praatje met hem zou kunnen maken, hem plagen, maar ook van goeden raad dienen. Eerst speet hem dit erg, maar een zeeman moet zoo dikwijls en zoo herhaaldelijk afscheid nemen, dat hij wel leert, zich dat niet bijzonder aan te trekken, anders lag hij al heel gauw op zijn dooden rug.
Bovendien begon Witte er iets manlijks in te vinden, nu eigenlijk in waarheid geheel op eigen beenen te staan.
Hans was een bovenst beste jongen, vond hij, maar het begon hem toch al meer en meer te hinderen, dat hij door hem altijd nog op een soort beschermende wijze behandeld werd.
Een echt zeemansjong uit dien tijd, steunde, naast God, het liefst op zich zelven. En in Witte zat de echte zeemansnatuur.
In elk geval, en hiermede troostte zich ten slotte onze vriend — indien al ooit van hèm gezegd is kunnen worden, dat hij troost noodig had! — zij bleven toch in zeker opzicht bij elkaar in de buurt.
Want het was op den 9den Juli, dat "de Gouden Leeuw" tegelijk met de "Westvriesland" het anker lichtte, om de reis naar Oostinje voort te zetten, op welke reis nu de eerstkomende pleisterplaats de bekende Kaap de Goede Hoop zou zijn.2)
Precies na twee maanden, dus op den 9den September 1616, kwam zij in het zicht, en wierpen beide schepen het anker uit in de Tafelbaai.
In die twee maanden mocht Witte al meer en meer ervaring als zeerob hebben opgedaan, voor Hans waren zij van zulk een groot belang geweest, dat het hem later leek, alsof hij in dien tijd vele jaren ouder was geworden.
Toen zijn vriend hem terugzag, vroeg deze zich onwillekeurig af, of dat nu heusch dezelfde Hans was.
Dat terugzien had plaats op de reede, waarheen van beide schepen bootjes kwamen aangeroeid tot het innemen van versch water.
Al dadelijk deed zich een groot verschil voor tusschen de schepelingen van "de Gouden Leeuw" en die van de "Westvriesland".
De eersten zongen het hoogste lied uit van blijdschap, dat ze weer eens, zij het voor korten tijd, den voet aan den vasten wal zouden zetten. Onder de laatsten echter heerschte een stilzwijgen, dat iets benauwends kreeg, juist door de uitgelatenheid van de branies van "de Gouden Leeuw".
"Zouden ze een dooie aan boord hebben?" vroeg Witte aan den matroos, die met hem op 't zelfde bankje zat te roeien.
"Ben-je....?" riep die onverschillig uit en met eenige minachting voegde hij eraan toe:
"Ik kan wel zien, dat jij pas komt kijken!"
"Pas kom kijken?.... Ben ik niet de linie gepasseerd?"
"Dàt ben-je. En.... zeg me nu eens, hoeveel tranen heb-je gestort over de maats, die je nu al in 't groote matrozengraf hebt zien glijden?"
Ondanks zichzelf moest Witte om deze nuchtere vraag glimlachen.
De matroos zag dat, en gaf hem schertsenderwijs met den elleboog een stoot in de ribben.
"Nu ja," zoo verdedigde zich Witte, "bij den eerste, dien wij over boord zetten, vond ik het akeliger dan later."
"Dan ben-je al harder dan ik dacht," merkte de matroos op. "Want altijd vind ik dat driemaal rondgaan mèt het in een zeildoek gewikkelde lijk, om er beroerd van te worden. En dat één-twee-drie-in-Godsnaam van den schipper snijdt me nog altijd door de ziel."
"O ja, zóó bedoelde ik het ook niet," verontschuldigde zich Witte. "Dat is net, of je in een kerk bent, en daar moet-je eerbied hebben, hè?"
"Dat zeg ik met jou.... Maar, vrindje, nu wou ik jou erin vragen, of je zit te grijnen, zoolang de doode man in 't vooronder op zijn uitvaart ligt te wachten?"
"Wel neen," moest Witte volmondig bekennen.
"O, zoo!" ging de matroos voort. "En nu heb-je ze nog maar enkel zien sterven, terwijl de ziekentrooster met hen bad of de schipper ze nog een goed woordje voorlas. Alweer net als in de kerk! Maar dan zal je eens wat anders gebeuren, als jij op je beurt ook schipbreuk lijdt, wat ook in je leven als zeeman in je boekje zal voorkomen. Als je daar zoo met je kameraden je toevlucht in den mast genomen hebt, en je met handen, blauw en gezwollen van de kou, je moet vastklemmen aan het want of aan een touw, dat op het laatst door je knuisten snijdt, en dat je tóch vasthoudt, omdat je anders neerduikt in die schuimende, kokende massa beneden je. Jongetje nog toe, dan zie-je af en toe een maat, die het niet meer kan uithouden, vlak voor je oogen en zonder dat je ze helpen kunt naar den kelder gaan.... Laat het je gezegd wezen door een, die meer keertjes dan jij de linie is gepasseerd, dat, wie zeeman is, veel ondervonden heeft, en voor geen klein geruchtje vervaard kan wezen."
Onder die redevoering, die er bij stukken en brokken bij zijn bevaren maat uitkwam, zat Witte, werktuigelijk doorroeiend, strak voor zich uit te kijken.
Ook de matroos zweeg een wijle.
Toen kwam het er bruusk bij dezen uit:
"Een zeeman leeft, zoolang hem dit vergund is, en gaat niet in een hoekje zitten. Eenvoudig omdat er aan de zee nu eenmaal geen hoekjes zijn. Hij helpt zijn scheepsmakkers, omdat je natuurlijk helpen moet, maar is die makker dood, dan zegt-ie: dat is er weer een naar de haaien. Zoo zullen erhonderden uit je kluisgaten raken, lansje, en, kom-je in den oorlog, dàn bij duizenden. Net zoo lang, tot je zelf de laan uitgaat. We leven met de levenden, jongen, en praten tusschenbeide nog wel eens over een goeien kameraad.... Waar zou een zeeman blijven, als hij met sjimmen en huilebalken begon?"
image: 26_vergund.jpg
image: 26_vergund.jpg
[Illustratie: Een zeeman leeft, zoolang hem dit vergund is.]
[Illustratie: Een zeeman leeft, zoolang hem dit vergund is.]
Witte knikte. Hard als hij van aard was, zou hij een der hardsten van het toenmalige geslacht worden, dat wèl voor de daad, maar minder voor de overpeinzing was. Wat hij tegen zich zou krijgen, was, dat die aard zich bij hem niet zou omzetten in een luchtigheid, welke den zeeman over al de ellende van zijn moeilijk en gevaarvol leven zou heen zetten, maar in een strengheid, waardoorhij bij die zeelui niet geliefd, integendeel, gehaat zou worden.
Wat de toekomst zou brengen, lag op dat pas voor hem nog verborgen, maar nu ten minste begreep hij wel zoo ten naaste bij, dat het stilzwijgen der bemanning van de "Westvriesland" niet toegeschreven zou kunnen worden aan een mogelijk sterfgeval.
Wat zou het dan kunnen zijn?
Aha! ze zouden het straks wel te weten komen, aan wal, wanneer men hen, bij het inslaan van het kostelijke drinkwater, zou kunnen uithooren.
Doch van dat uithooren kwam voor ditmaal niemendal.
Zeer streng hielden de officieren van de "Westvriesland" hun mannen onder bewaking en afzondering. Even hadden zij gesproken met de officieren van "de Gouden Leeuw", maar ook die werden daar niet veel wijzer door. Ze mochten niets zeggen voor hun commandant.Al gaven zijwel iets te verstaan, waardoor hun ondervragers een zeer bedenkelijk gezicht trokken, en van dit oogenblik af meer dan bij zulk een tochtje aan wal de gewoonte was, op hun mannen gingen letten en ze streng nagingen, of zij wel met die van het andere schip in aanraking zochten te komen.
Ja, zeker, laat dàt maar eens aan een paar kwâjongens belet worden, die elkaar wenschen te spreken! Die guiten rollen onder alle mogelijke opzicht door! Want toen Witte in een van de schepelingen van de "Westvriesland" zijn vriend Hans herkende, of althans meende te herkennen,omdat de boy wel een paar jaar ouder leek geworden, konden de autoriteiten doen en opletten wat ze wilden, maar die twee veelbelovende knapen kregen het gedaan, wat al den anderen mislukte.
"Hans.... wat is er toch bij jullie?"
"Wèg, wèg, Witte.... Als ze 't zien...."
"Maar...."
"Maak me niet ongelukkig!"
"Ik jou?"
"Ja, ja.... Maar ga dan toch weg.... Ze zullen ons in de gaten krijgen!"
"Wat is er dan toch?"
"Kun je zwijgen?"
"Ja."
"Ook als ze je op de folterbank leggen!"
Witte huiverde. Star keek hij zijn vriend aan.
"Wèg, Witte.... Anders kom ik er op."
"Nooit!"
Akelig ernstig keek de anders zoo vroolijke Hans hem aan.
Hij sprak nu niet, bang, dat de lucht den klank van het woord over zou brengen. Alleen spraken zijn lippen het uit.
"Samenzwering," verstond Witte.
"Een samenzwering"
"Ja," fluisterde Hans terug.
"Waartoe?"
"Om zeeroover te worden."
"O, Hans!"
"Stil!.... Men let misschien op ons!"
"Ik ga al weg...."
"Niets verraden, hoor!"
"Mijn hand erop!"
"Neen.... geen hand.... Hoor, ze roepen al..."
En weg was Hans.
Dienzelfden dag was er een druk gesein tusschen de twee schepen. De kapitein van de "Westvriesland" kwam aan boord en daalde met den gezagvoerder van "de Gouden Leeuw" naar diens kajuit.
image: 27_samenzwering.jpg
image: 27_samenzwering.jpg
[Illustratie: "Samenzwering", verstond Witte.]
[Illustratie: "Samenzwering", verstond Witte.]
Hoeveel honderden oogen waren in dien tusschentijd in angstige nieuwsgierigheid op beide gezagvoerders gericht!
Daar.... werden de andere officieren van "de Gouden Leeuw" geroepen. Witte, als kajuitswachter moest hen binnen laten en bedienen. Hij kreeg een schier onwederstaanbaren lust om aan de deur van de kajuit te luisteren, maar met al zijn wilskracht bedwong hij die verleiding. Hij wist, dat er op een vergrijp tegen de krijgstucht in deze hoogst ernstige omstandigheden de dood kon staan.
Na een geruimen tijd van beraadslagen, ging de krijgsraad uiteen, en keerde de gezagvoerder van de "Westvriesland" naar zijn bodem terug.
De matrozen van "de Gouden Leeuw" bleven uitkijken.
Ze gevoelden, dat er meer gebeuren zou.
Wat zij verwachtten, geschiedde. Ze zagen een paar sloepen strijken, en in het helle zonnelicht de loopen van vuurroeren glinsteren....
O, o, wat zou er toch gebeurd zijn?
Met afgemeten riemslagen naderden de sloepen, scherp beloerd door al wat aan "de Gouden Leeuw" oogen had om waar te nemen.
Wat zij nu zagen, ontroerde hen.
Zwaar geboeide mannen, die nu met moeite den valreep werden opgeleid.
Ze telden er niet minder dan acht-en-twintig.
O, wat zagen die er wanhopend en terneergeslagen uit!
Er waren eronder, die men kende, en dat vermeerderde de belangstelling.
Ook Witte had uitgekeken, tersluiks, even als de anderen.
Hij voelde het kloppen van zijn hart.
Was Hans erbij?
Gelukkig, neen! Die behoorde niet tot die ellendigen.
Hij zag hen leiden naar de plaats, waar men degevangenen bewaarde; in deze warme streken een waar martelhol.3)
Akelig klonk hem het ketengerammel in de ooren, toen ze vlak voorbij hem gingen.
Zouden ze ooit weer die mooie zee en die stralende zon terugzien?
Witte las bij enkele nog heel jonge kereltjes onder hen die vraag uit den blik, waarmede ze rond zich keken, voor zij door de gewapende wachters naar beneden waren gevoerd.
Doch nu Hans maar niet bij hen was, had hij geen medelijden meer. Wie kwaad gedaan had, moest gestraft worden. Dat stond al jong bij hem vast, en dat heeft hij zijn heele leven vast gehouden.
De gevangenen mochten niet onbewaakt blijven, dus wel moest hun misdrijf heel ernstig zijn. De schildwachten, daartoe aangewezen, waren gewapend, en werden op bepaalde tijden afgelost.
Bovendien hadden zij de opdracht zeer streng in hun bewaking te zijn, en dat zij geen woord met de gevangenen mochten wisselen. Op overtreding van dit gebod stond de onteerende straf van aan de groote ra opgeknoopt te worden.
Nog eens, het moest dus wel een verschrikkelijk geheim zijn, hetwelk voor de equipage van "de Gouden Leeuw" weggeborgen was in de vuile cachotten waarin het bij de toenemende warmte, krioelde van kakkerlakken en allerlei ander ongedierte. Daarvan kon het toentertijde in die houten,slecht geluchte schepen soms letterlijk wemelen.
Wat dat geheim toch zijn kon?
De equipage had wel het vermoeden, dat we daarstraks door Hans hoorden aangeven, maar den vollen omvang, van wat er ginder aan boord van de "Westvriesland" mocht gebeurd zijn, had niet een.
2)Zie buitenplaat
3)Zie titelplaat.
Negen dagen, nadat men het anker in de Tafelbaai had uitgeworpen, dus den 18en Juli 1616, maakte men zich wederom op tot voortzetting van de reis, en nu zou het door den blauwen Indischen Oceaan regelrecht naar die rijke eilanden gaan, welke zulk een groote aantrekkingskracht op de Westersche volken van dien tijd uitoefenden.
Dit laatste deel van die maandelange reis zou niet een bevestiging kunnen zijn van het oud-Hollandsche spreekwoord, dat de laatste loodjes het zwaarst wegen. Want men kon nu gebruik maken van den passaat en eveneens van gunstige zeestroomingen. Toch duurde het nog tot den 10en November, eer de beide schepen de Straat van Soenda passeerden.
Gedurende die vaart door dit gedeelte van de wereldzeeën, waar, in de heerlijke maan- en sterrennachten, het den Westerling kan voorkomen, of hij een der verhalen uit de Duizend-en-één-nacht doorleeft, had aan boord van "de Gouden Leeuw" iets plaats, dat weinig in overeenstemming was met de heerlijkheid van saffieren zee en juweelennachthemel. De bevelhebber en zijn officieren namen er toch den tijd toe om tot in de alleruiterste bijzonderheden van het plan der samenzweerders door te dringen.
Indien de daartoe gestelde machten in onzen tijd zoo iets moesten ondernemen, zouden wij daar liever niet mee te maken hebben, omdat daar rechtszittingen, ondervragingen op allerlei wijzen, boeten en gevangenisstraf bij te pas komen. Hoeveel te erger was de rechtspleging in den ouden tijd! Toch waren de menschen er toen aan gewend. Een jongen als Witte zou niet gesidderd hebben zooals wij, wanneer we in den Haag de Gevangenpoort bezoeken, in welk somber gebouw hij trouwens in later jaren zelf is opgesloten. Toentertijd werd een gerechtelijk onderzoek schier altijd vergezeld door het inroepen van de hulp van een der meest duivelachtige uitvindingen der menschheid, namelijk de pijnbank. En in dit geval zou het geleid worden door scheepskapiteins, die, wat een samenzwering betrof, welke het vermoorden van de autoriteiten en het wegvoeren van het schip bedoelden, geen genade voor recht zouden doen gelden. Integendeel!
Onze scheepsjongen heeft het later zelf getuigd, dat de schuldigen, en niet minder de verdachten, dagelijks in de kajuit werden "geëxamineerd en getortureerd", en als ge bijgeval niet weet, wat de laatste uitdrukking beteekent, moet ge het maar opzoeken in een Woordenboek. Zelfs geviel het, dat hij, die de kajuitswachter van kapitein Schapenham was, meer dan eens getuige van die rechterlijkewreedheden, ja, door het aanbrengen van het een en ander, daarin behulpzaam moest zijn.
Toch kwam hij, die natuurlijk slechts enkele gedeelten van de ondervragingen kon vernemen, niet op de hoogte van wat er geschied was. Doch van dat weinige zelfs liet hij niet veel uit tegen de matrozen, die niet nalieten hem af en toe te polsen. Zijn stuursche aard kwam hem hierbij goed te pas, zoodat de ondervragers altijd een beetje op een afstand van hem moesten blijven. Zij scholden hem wel uit voor strooplikker van den schipper, maar als het op schelden aankwam, zou Witte nog wel uit de jaren, toen de Brielsche Zeeleepers hem zoo turkten of zijn achtereenvolgens bazen hem uitmaakten voor al wat leelijk was, wel enkele bijdragen hebben kunnen leveren voor het scheld-woordenboek der toenmalige zeelieden, hoe ruim dat ook ten opzichte van een scheepsjongen mocht voorzien zijn.
Wat hem evenwel maar niet uit de gedachte wilde, was de zorg, dat zijn eenige vriend op de een of andere wijze met die samenzwering wat mocht uit te staan hebben. Want anders wist hij het niet te verklaren, dat de voormaals zoo opgeruimde boy omgekeerd was als het blad van een boom. Het ernstige, en daarom zoo wonderlijke gezicht van Hans, zooals hij het den laatsten keer aanschouwd had, bleef hem maar bij. Hij ontstelde daarom werkelijk — en dat wilde bij Witte wat zeggen! — toen hij, op een goeien morgen aan dek komend, daar Hans vond, geheel en al in zijn emplooi van licht-matroos, alsof hij nooit van boord was geweest.
"Jij hier!"
Hans trok alweer een heel zorgerlijk gezicht, loerde om zich heen en gaf hem toen een wenk om te doen, alsof hij hem niet opmerkte.
Witte, die niet van gisteren was, volgde die waarschuwing op, maar wist het toch wel zoo rond te schieten, dat hij met zijn werkzaamheden in de nabijheid van zijn vriend kwam. En terwijl beiden zich hielden, alsof zij daar geheel in opgingen, had snel het volgende gesprek plaats.
"Hoe kom-jij hier?"
"Mijn vader heeft het gevraagd aan onzen schipper."
"Ben-je dan gedegradeerd?"
"Nou.... eigenlijk wel, maar uit eigen wil."
"Begrijp ik niet."
"Liever hier lichtmatroos, dan.... ginder een graadje hooger."
"Wel?"
"'t Was daar niet voor me om uit te houden.... Al maar oogen om je heen, die je bespieden."
Wittens doordringende oogen gingen zijn kant op.
"Heb-je dan wat te verbergen, Hans!"
Hans gaf geen antwoord, maar zijn handen beefden.
De bekende rimpel trok zich boven den neus van Witte samen.
"Ik heb wel eens gehoord, dat een moordenaar altijd naar de plek van zijn misdrijf terug moet keeren."
Hans lachte gedwongen.
"Dan moest ik dáár gebleven zijn," — en hijwenkte met zijn hoofd naar het andere schip — "want dáár is het gebeurd."
"Dat 's jou slag, Hans!.... Behalve dat de misdadigershierzijn, en.... ze wel eens een naam konden noemen, die...."
image: 28_zwijg.jpg
image: 28_zwijg.jpg
[Illustratie: "Om 's hemels wille, zwijg!"]
[Illustratie: "Om 's hemels wille, zwijg!"]
Alle voorzichtigheid uit het oog verliezende, greep Hans zijn arm.
"Om 's hemels wille, zwijg!"
"Pas op.... je zou jezelf verraden! En.... ik mag je verrader niet zijn."
"Jij?"
"Ja.... een rebel moet gestraft worden."
"O, maar ik heb geen kwaad gedaan!"
"Wat scheelt je dan?"
Eenige oogenblikken zweeg Hans, schijnbaar geheel ingenomen door zijn werk. Toen zei hij heel zacht voor zich heen, want er waren een paar matrozen in de nabijheid gekomen:
"Zoo gauw als ik de hondenwacht heb, zal ik je dat wel doen weten.... Kun-je dan zorgen er ook te zijn?"
"Dat zal zoo gemakkelijk niet gaan!"
"Toe, alsjeblieft!"
"Goed.... ik zal mijn best doen. Lukt het den eersten keer niet, dan later."
"O, Witte, ik zal zoo blij zijn m'n hart eens te kunnen uitstorten."
Witte zweeg en keek voor zich heen.
"Witte," fluisterde Hans angstig, "waar denk-je aan?"
"Of ik het mag doen."
Hans slikte een paar maal van zenuwachtigheid.
"Witte, Witte.... ben-je vergeten, hoe eigenlijk ik de persoon was, die je van de kleermakerstafel verloste?"
Weer kwam de ons bekende rimpel te voorschijn.
"Als je schuldig bent...."
"Zoo waar als ik leef, Witte, dàt ben ik niet."
Witte's felle oogen gingen even over het gelaat van zijn vriend.
"Goed!" gaf hij toen kort en bondig ten antwoord, "ik zal mijn best doen er te zijn."
En zoo geschiedde het, dat op een van die stille, heerlijke tropennachten, de beide maats op de hondenwacht, die van middernacht tot 's morgens vier uur duurde, gelegenheid kregen zich van hun slaperige maats af te zonderen en op een verborgen plaatsje eens een openhartig woordje met elkander te kunnen wisselen.
Witte viel maar met de deur in het huis.
"Uit alles begrijp ik, dat ze ook jou aangezocht hebben mee te doen, Hans."
"Wel niet rechtstreeks, maar zoo heel in de verte hebben ze mij gepolst."
"Dan had-je dadelijk af moeten bijten."
"Zonder erg hèb ik dat ook gedaan."
"Zonder erg? Ik begrijp je niet, Hans."
"Och, kijk eens Witte.... Nu ik de zaak van achteren kan bezien, begrijp ik alles, maar toen ze me kwamen vertellen van het gezellige leven op de vrije vaart, hoe rijk die en die er op geworden was, en heel wat van die dingen meer, hoe had ik toen kunnen begrijpen, dat zij-zelf van plan waren meester te worden van het schip en zeeroovertje te gaan spelen?"
"Ja, dat 's waar, moet ik zelf erkennen. Toch begrijp ik niet, dat ze niet verder bij je gegaan zijn."
"Dat begrijp ik nu best.... Ik zei, dat ik niets van die zeeroovers moest hebben en den eersten den besten, die bij ons aan boord durfde klauteren, de hersens in zou slaan."
"Goed geantwoord!.... En toen?"
"Toen zeiden ze met een lachje — dat ik later pas begrepen heb! — dat ze me groot gelijk gaven en precies eender zouden handelen."
"En is dat alles?.... Dan heb-je je eigen toch niks te verwijten?"
Hans zuchtte.
"Er kwam meer bij, Witte!"
"Vertel dan op.... en verberg mij niets."
Even aarzelde Hans; toen kwam het er snel bij hem uit:
"Toen de samenzwering uitkwam, was ik er heelemaal van op de hoogte!"
Witte liet van verbazing een zacht gefluit hooren.
"Sapperloot!" riep hij uit, "dat is andere praat!.... Maar hoe was dat voor den drommel mogelijk?"
"Luister, Witte. In die dagen werd ik bezocht met koorts of wat het dan ook geweest mag zijn. Onder al de warmte van het weer, was ik koud en rillerig. De bootsman zei, dat ik maar eens met m'n tong aan den teerkwast moest likken en dan een poosje me in een deken rollen, dan zou ik er de kwaal wel uitzweeten."
Witte knikte. Hij kende dat middel ook.
"En toen?" vroeg hij.
"Wel, ik lei me ergens op een veilig plekje neer, waar ik er zeker van kon zijn niet gestoord te worden, bakerde me goed in, nog een waardeloos zeil over m'n body...."
"Om te smoren!" merkte Witte op.
"Neen, toch niet. Ik bleef al maar beverig. En dan m'n mond vol van dien teersmaak!.... Jekunt begrijpen, dat ik me eigenlijk zieker gevoelde dan ooit."
Witte bevestigde de meening door een hoofdknikken.
"Na een poos," aldus ging Hans voort, "begon ik toch een warm gevoel te krijgen en toen kwam Klaas Vaak. Ik heb geslapen als een os. Hoelang weet ik niet, maar toen ik wakker werd, was het nacht. Ik zag door een scheurtje van m'n zeil de sterren flonkeren en heerlijk rekte ik m'n leden uit, in 't gevoel van beter te zijn. Een slaap als ik anders nog had....nee maar, dat kan ik je niet vertellen. Juist gingen m'n oogen dichtvallen, toen ik door een katachtig geschuifel over het dek wakker schrikte. Dadelijk begreep ik, dat het de bloote voeten van een of meer matrozen moesten zijn. Ze kwamen haast vlak bij me, en al maar meer schuifelden aan. 'Zijn we er alle dertien?' hoorde ik een stem fluisteren en even zacht werd geantwoord, dat die en die opgehouden was geworden. En toen, Witte, vernam ik alles. O, ik durfde op zijn best ademhalen!"
"Dat begrijp ik.... Bij ontdekking zou-je mee hebben moeten doen, of ze hadden je puur bij ongeluk over boord laten glijden."
"Juist.... en daarom hield ik me zoo stil als een muisje."
"En wat vernam-je?"
"Ik kwam er op die manier achter, dat de belhamels met hun dertienen waren en de samenzweering nu, allen en alles bij elkaar, acht en twintig personen omvatte. Ze hadden zich op leven en doodverbonden door in een cirkel hun namen te zetten; die niet schrijven konden, hun kruisjes."
image: 29_alles.jpg
image: 29_alles.jpg
[Illustratie: En toen Witte, vernam ik alles.]
[Illustratie: En toen Witte, vernam ik alles.]
"Spraken ze er ook over, wat ze van plan waren?"
"Ja zeker!.... Als ze genoeg lui op d'r hand konden krijgen, zouden ze een dag vaststellen om het stoute stuk uit te voeren. Onverwachts zouden zij den schipper en de officieren overvallen en vermoorden, ook den koopman, die voor zijn maatschappij bij ons aan boord is...."
"Verder, verder, Hans!"
"En, na baas over het schip geworden te zijn, den steven naar de Middellandsche Zee wenden, om daar zeeroovertje te spelen."
Witte hief de handen op van ontsteltenis.
"Wie was de hoofdman?"
Hans noemde hem en nog een paar anderen, die na hem het meest in de melk zouden te brokken krijgen.
"Je begrijpt, Witte, dat ik den hemel dankte, toen die vreeselijke nachtmerrie voorbij was. Eerst dacht ik heusch, dat ik dat alles gedroomd had, toen ik, na weer in slaap gevallen te zijn, den volgenden morgen ontwaakte. Maar nu ik meer op ging letten, zag ik aan een heeleboel dingen, dat ik goed gehoord had, en, helaas, de bezitter was van een ontzettend geheim."
"Dat je dadelijk aan je schipper had moeten openbaren."
Hans zag hem met zijn open kijkers aan.
"O, Witte, dat is juist zoo'n gemartel voor me geweest. Het eene oogenblik zei ik tot mezelven, dat ik naar den schipper moest gaan, want datik anders zijn dood op mijn geweten zou krijgen, maar het volgende oogenblik kon ik het toch niet over me verkrijgen om den verrader te spelen."
"Dat laatste ben ik niet met je eens, maar dat eerste wel. Want het leven van den schipper berustte om zoo te zeggen in jou handen."
Hans knikte.
"Maar óók het leven van de saamgezworenen, Witte!.... En daar waren een paar jongens bij, met wien ik al menig reisje gemaakt had. En dan nog iets! Als ik het uitgebracht had, zou ik tot mijn dood toe onder het zeevolk als een verklikker na worden gewezen en door niemand meer vertrouwd."
Witte keek voor zich. Hij begon nu ook iets van den gemoedsstrijd van zijn vriend te begrijpen.
"O, Witte," ging deze voort, "wat heb ik daar dagen mee rondgeloopen! Nu eens was ik op weg naar het achterdek, maar, of het werk zoo sprak, dan kwam ik telkens een van de samenzweerders tegen en was het me, of ik de beulsknecht was, die voor zijn meester een strop ging halen, om die om den hals van m'n maats te wringen.... Dat heeft weken en weken geduurd. Ik ben er wel tien jaren van m'n leven ouder door geworden. Want ook in 't volkslogies moest ik aldoor maar doen, of ik van niets afwist."
De jonge matroos veegde zich met den rug van zijn hand het angstzweet van zijn gezicht, waarin de twee wijd geopende oogen in het licht van den tropennacht spookachtig uitkwamen.
Hoe ook getroffen door wat zijn vriend zeide,bleef Witte zijn kalmte behouden. Geen wonder! Heel zijn leven door heeft hij nooit geaarzeld in de keuze, welken weg hij zou inslaan. Aan den eenen kant lag zijn plicht, en aan den anderen kant de verzaking daarvan. Middenwegen kende hij niet.