BIJ DE BRUINVISCH AAN BOORD

[Inhoud]BIJ DE BRUINVISCH AAN BOORDBIJ DE BRUINVISCH AAN BOORD„Mijn jongens.….! Hajo! Rolf! Harmen! Padde, goeie sukkel, ik dacht, dat jullie altemet naar de weerlicht waren!” En de tranen sprongen zoo maar Hilke’s oogen uit. „Mannen, haal Bolle eens op!”Daar kwam Bolle al aanhollen. „Groote genade, jongens, zijnjulliedaar weer?!” Bolle veegde z’n vette handen aan zijn witten voorschoot af. „Hoe hebben jullie ’m dat gelapt?”„Tja, Bolle”, zei Harmen, „als ik daarvan begin te vertellen, mag ik eerst wel een bord bruine boonen met spek achter de kiezen hebben, anders val ik onderweg van m’n stokje.”„’k Zal gauw wat klaarmaken!” verzekerde Bolle, aangedaan. „Lusten jullie een bordje pap na?”„Schei maar uit, Bolle!” zuchtte Harmen. „Pap.….! Groote genade!”Bolle spoedde zich naar de kombuis. En Harmen schreeuwde hem na: „Denk je om de basterdsuiker?”Hilke keek de jongens nog hoofdschuddend, de oogen vol tranen, aan. „Ik kan het nog niet gelooven, jongens! Daar staan jullie weer in levende lijve voor me en.…. wat voor rokjes hebben jullie aan?”„Geef me er straks maar een broek van jou, Hilke”, zei Harmen. „Op wat voor schuit sta ik?”„Je bent op deNieuw-Zeeland, bij de Bruinvisch.”[494]„Op die rotschuit?” vroeg Harmen.„Heila!” schreeuwden een paar mannen. „Zachies an!”„Vraag ik jullie wat?” informeerde Harmen. „Zeg, Hilke, waar is de schipper?Onzeschipper bedoel ik natuurlijk.”„Bontekoe heeft een nieuwe schuit: deBerger Boot. Die ligt een eind verderop. Voor Batavia.”„En jij en Bolle zitten hier?! Jullie laten den ouwe toch niet schieten?!”„Wat kunnen we anders doen?” vroeg Hilke. „Als de schipper niet teruggaat.….?”„Nou valt m’n hoedje af!” zei Harmen. „Waar gaat ie dan heen?”„Weet ik het? Tegen de Chineezen bakkeleien.”„Ik doe mee!” stelde Harmen vast. „Ik laat de schipper niet in de steek!”„Nou, ga nou maar eerst mee naar het logies”, suste Hilke. „Dan krijg je een broek van me, en dan moeten jullie maar eens alles vertellen!”„Dat we met die gepolitoerde nikkers wat beleefd hebben, daar kun je gif op nemen, Hilke!” verzekerde Harmen.„Jongens, we zullen eerst naar de kajuit moeten”, zei Rolf.„In m’n rokkie zeker?” vroeg Harmen.„De Bruinvisch is er niet!” gromde een der mannen.„Anders had ie jullie al lang in de gaten!”„Is de stuurman dan aan boord?”„De opperstuur is met de Bruinvisch mee. En de onderstuur ligt in zijn kooi. Was ie maar aan boord, de Bruinvisch, dan zouden we van de kust afzeilen, want ’t is hier gevaarlijk liggen met dit weer. Maar als de ouwe vannacht terugkomt en ie moet zich eerst groen zoeken voor ie de kast vindt, raast ie morgen de zeilen van de mast.”„Hij is naar deMaegt van Dordregtbij Jan Coen op bezoek”, lichtte Hilke toe.In optocht daalde men nu in het vooronder af,—eerst de jongens. „Alle duivels, die hond, die jullie daar hebben.….” riep Hilke uit.…. „da’s immers geen ander mensch als.… alsJoppie!”„Wauw!” gilde Joppie en vloog tegen Hilke op, die hem in zijn armen ving.[495]„Joppie! Zat je daarom zoo aan me te snuffelen! Heb jij dat heele tochtje ook meegemaakt, ouwe jongen?—Kom, jullie moeten eerst wat ordentelijks aan je lijf hebben! Hier, Harmen, pas die broek eens?”„Hij zou me wel eens wat lang kunnen wezen.….” weifelde Harmen. Zijn veronderstelling werd gerechtvaardigd: de kniebroek, die Hilke hem geoffreerd had, reikte hem tot op de enkels. „Nou, een broekishet”, troostte Harmen zichzelf. „En ’k hoef er niet mee naar m’n meisje. We zullen de pijpen eens wat omslaan!”Zoo deed Harmen. Ook Padde kreeg een broek: een goedhartige oome stond hem een kleedingstuk af.—„Veel zaaks is het niet”, meende Padde.„Toch beter als zoo’n rokkie”, excuseerde de oome zich.Padde weifelde. „Kijk het zitvlak eens gesleten zijn!”„Wacht maar”, troostten de maats, „als je hier aan boord blijft, zal het nog wel meer slijten! Juffer Driesteng ligt altijd klaar.”„Dacht je dan, dat ik op die smerige schuit wou blijven?” vroeg Padde. Hij trok de broek aan; ze bleek om het middel wat nauw, maar Padde stak een paar gaatjes in den boord, trok er een touwtje door,—toen paste ze zoowat.„Nou”, zei Harmen, „nou moet je me eerst nog eens vertellen waar de anderen zijn. Waar is de bootsman? En de Schele en Bokje en Gerretje en Diede Doedes en.….”„De meesten zijn bij den schipper gebleven”, antwoordde Hilke. „Ik had ook wel gewild, maar eh, Sijtje, snap je.….? Nou, en de Schele is dood.”„D-dood?” stamelde Padde.„Dood”, zei Hilke triest. „Toen tegelijk met.…. Wacht, dat weten jullie natuurlijk niet: we zijn overvallen! Floorke en de Neus en.…..”„Schei maar uit.….” zuchtte Harmen. „Wij hebben ze begraven, Hilke!”„Is ’t waarachtig.….?—Dat was me wat, jongens!—Nou, de Schele is dus dood, hij kreeg een giftige pijl in z’n schouder; we hebben hem later over boord moeten zetten. En Gerretje is getrouwd.”[496]„Getr.….?! Wàt zeg je?”„Met een Javaansch meisje.”„En z’n meisje in Hoorn dan?”„Tja.….! Mij loopen de tranen ook over de wangen, als ik daaraan denk! Hij zegt, dat ie geen aardigheid meer aan varen heeft, nou Floorke er niet meer is.”„Wedden, dat ik ’m weer op een schip krijg?” vroeg Harmen. „Schamen moest ie zich!”Daar kwam Bolle aanzetten met een pan bruine boonen en een kommetje vet met uitgebakken stukjes spek er in. En de jongens smulden.….! Ze lepelden dapper uit de groote pan; Bolle bracht nog wat mosterd,—dat smaakte heel wat hartiger dan de zoutelooze rommel, dien ze al dien tijd hadden moeten slikken!De schuit begon al aardig te dansen, maar de jongens merkten er niet veel van; zelfs Padde had geen behoefte om naar het zeeziekvrije plekje te gaan zoeken.—„Hè, Joppie, ouwe karkas?” vroeg Harmen, wiens wangen, neus en kin blonken van het vet, „dat is wat anders als zoo’n half gepekeld stukkie visch?”„Wat zul je daar een gelijk aan hebben!” antwoordde Joppie. „Krak!” En hij brak met de tanden een groote spekkorst middendoor.Een groot bord pap besloot den koningsmaaltijd. Vol aandacht strooiden de jongens er basterdsuiker over, en Padde gooide er zooveel in, dat de pap heelemaal bruin werd. Maar Bolle keek vandaag zoo nauw niet.„Ziezoo”, zei Harmen, „als jullie me nou een pijpie en een blaadje geeft en wat brand er in, zal ik jullie eens gaan vertellen wat we alzoo beleefd hebben!”Zijn bescheiden wensch werd met bekwamen spoed ingewilligd, want allen waren even nieuwsgierig om de lotgevallen der jongens te vernemen.„Nou, luisteren jullie?” vroeg Harmen, na gnuivend een paar trekken aan z’n pijpje gedaan te hebben. En toen begon Harmen te vertellen. Te vertellen.….!! De jongens hadden, samen met Joppie, heele kampongs bestormd; Dolimah bleek tot achter de ooren op Harmen verliefd te zijn geweest; het[497]verhaal van den panter werd in zoo felle kleuren opgedischt, dat den maats de rillingen over het lichaam liepen. Toen Harmen merkte, dat de geschiedenis indruk maakte, deelde hij den panter nog een wijfje en vijf volwassen jongen toe, mormels van heb ik jou daar! Toen het hol eindelijk geheel van het pantergebroed gezuiverd was, hadden twee reuzenslangen de arme zwervers in hun schuilplaats belegerd. Maar Harmen knoopte de beide staartuiteinden van de monsterachtig groote beesten met een dubbelen ouwewijvenslag aaneen, zoodat ze voor hun leven lang aan elkaar geketend waren en.….!—Harmen stokte. „Dat laatste was gelogen”, bekende hij onder de ongeloovige blikken van alle kanten. „Laat Hajo het dan maar vertellen.”„Neen, vooruit, vertel maar door. Kun je het dan niet zonder liegen?”Harmen schudde ontkennend het hoofd. „In het begin wel, maar later niet meer. En als ik aan jullie tronies zie, dat jullie het niet meer gelooven, geloof ik het zelf ineens ook niet meer.—Vertel jij het maar, Hajo!”Hajo nam Harmen’s taak over, maar Harmen viel hem telkens in de rede om er een haaltje aan te maken en vroeg dan: „Niet waar, Rolf?” Voor Rolf wat zeggen kon, ratelde Harmen al weer verder.Nu en dan sloeg Hilke Hajo op den schouder, dat zijn botten kraakten, en zei, zegevierend rondkijkend: „Alsjeblieft, mannen, hier zien jullie eenFries!”Zoo werd het elf uur. Toen eerst begaven de mannen zich ter ruste, allen nog druk dooreenpratend over de avonturen van de helden van dien dag, voor wie een paarfijnekooien waren vrijgemaakt. Terwijl de kerels zich, schrap staande op beide beenen om niet om te slaan, stonden uit te kleeden, klonk buiten plots een stem als een kanon. „De Bruinvisch!” stamelden de maats en schoten haastig hun broeken weer aan. Ook de jongens, die het met uitkleeden gemakkelijk hadden en al hoog en droog in hun kooien lagen, vlogen overeind.„Blijf liggen!” raadde Hilke. „Jullie liggen immers goed? Als je bij hem mocht aanmonsteren, zul je nog genoeg hollen,[498]—’t is hier werken aan boord! Kom, ik ga ook eens kijken wat er aan het handje is!” En Hilke stapte met groote passen achter de anderen aan.Zwijgend zaten de jongens in het uitgestorven vooronder te luisteren naar de donderende bevelen van den Bruinvisch. „Haal inde ankers! Zet de fok op! Hel en weerlicht, als ik een uur later was gekomen, had de kast aan gruzelementen gelegen!”Verdraaid! ze dansten flink,—dat was waar. Hoor! de ankerspillen ratelden. Nu werd er zeker een zeil opgezet. Hoe de wind er in sloeg! Pang!—Hilke kwam kletsnat weer binnen en schudde zich. „’k Heb door een zeetje geloopen”, lichtte hij toe. „We steken eerst een eind van wal en varen dan op Batavia aan, dan spreken jullie morgen de schipper meteen! Kom, ik moet nog wat helpen! Slaap lekker, jongens!” En Hilke verdween weer met een vriendelijken hoofdknik.„Dag, Hilke!”—Maar de jongens konden maar zoo niet inslapen. Zwijgend lagen ze in hun kooien, stil-gelukkig in het heerlijke bewustzijn weer bij vrienden te zijn. Morgen zouden ze Bontekoe de hand drukken,—die lag met zijn schip voor Batavia.…. was dat een eiland? Rolf had er nooit van gehoord. En de schipper ging met de Chineezen bakkeleien? Wat moesten zij dan doen? Ze wilden wel mee, maar.…. Zou de schipper lang in Indië blijven, vóór hij weer terugvoer naar.…. naar Hoorn.….?—Doet er niet toe! Ze kenden hun plicht en wisten waar hun plaats was. Maar toch.….—De jongenszuchtten. Drommels, wat vloog de lamp heen en weer; wat kraakten de masten!Bij groepjes kwamen de maats weer terug. De helft moest opblijven. De Bruinvisch zelf ging ook niet ter kooie. Mijmerend dachten de jongens er over na, wat Bontekoe eens van den Bruinvisch had gezegd: „Tòch een goed zeeman!”Rolf was het langst wakker. Hij dacht aan het oogenblik, dat hij van Hajo afscheid zou moeten nemen. Hun wegen zouden uiteenloopen,—daar was Rolf nu zeker van.Zeemeeuw.[499]

[Inhoud]BIJ DE BRUINVISCH AAN BOORDBIJ DE BRUINVISCH AAN BOORD„Mijn jongens.….! Hajo! Rolf! Harmen! Padde, goeie sukkel, ik dacht, dat jullie altemet naar de weerlicht waren!” En de tranen sprongen zoo maar Hilke’s oogen uit. „Mannen, haal Bolle eens op!”Daar kwam Bolle al aanhollen. „Groote genade, jongens, zijnjulliedaar weer?!” Bolle veegde z’n vette handen aan zijn witten voorschoot af. „Hoe hebben jullie ’m dat gelapt?”„Tja, Bolle”, zei Harmen, „als ik daarvan begin te vertellen, mag ik eerst wel een bord bruine boonen met spek achter de kiezen hebben, anders val ik onderweg van m’n stokje.”„’k Zal gauw wat klaarmaken!” verzekerde Bolle, aangedaan. „Lusten jullie een bordje pap na?”„Schei maar uit, Bolle!” zuchtte Harmen. „Pap.….! Groote genade!”Bolle spoedde zich naar de kombuis. En Harmen schreeuwde hem na: „Denk je om de basterdsuiker?”Hilke keek de jongens nog hoofdschuddend, de oogen vol tranen, aan. „Ik kan het nog niet gelooven, jongens! Daar staan jullie weer in levende lijve voor me en.…. wat voor rokjes hebben jullie aan?”„Geef me er straks maar een broek van jou, Hilke”, zei Harmen. „Op wat voor schuit sta ik?”„Je bent op deNieuw-Zeeland, bij de Bruinvisch.”[494]„Op die rotschuit?” vroeg Harmen.„Heila!” schreeuwden een paar mannen. „Zachies an!”„Vraag ik jullie wat?” informeerde Harmen. „Zeg, Hilke, waar is de schipper?Onzeschipper bedoel ik natuurlijk.”„Bontekoe heeft een nieuwe schuit: deBerger Boot. Die ligt een eind verderop. Voor Batavia.”„En jij en Bolle zitten hier?! Jullie laten den ouwe toch niet schieten?!”„Wat kunnen we anders doen?” vroeg Hilke. „Als de schipper niet teruggaat.….?”„Nou valt m’n hoedje af!” zei Harmen. „Waar gaat ie dan heen?”„Weet ik het? Tegen de Chineezen bakkeleien.”„Ik doe mee!” stelde Harmen vast. „Ik laat de schipper niet in de steek!”„Nou, ga nou maar eerst mee naar het logies”, suste Hilke. „Dan krijg je een broek van me, en dan moeten jullie maar eens alles vertellen!”„Dat we met die gepolitoerde nikkers wat beleefd hebben, daar kun je gif op nemen, Hilke!” verzekerde Harmen.„Jongens, we zullen eerst naar de kajuit moeten”, zei Rolf.„In m’n rokkie zeker?” vroeg Harmen.„De Bruinvisch is er niet!” gromde een der mannen.„Anders had ie jullie al lang in de gaten!”„Is de stuurman dan aan boord?”„De opperstuur is met de Bruinvisch mee. En de onderstuur ligt in zijn kooi. Was ie maar aan boord, de Bruinvisch, dan zouden we van de kust afzeilen, want ’t is hier gevaarlijk liggen met dit weer. Maar als de ouwe vannacht terugkomt en ie moet zich eerst groen zoeken voor ie de kast vindt, raast ie morgen de zeilen van de mast.”„Hij is naar deMaegt van Dordregtbij Jan Coen op bezoek”, lichtte Hilke toe.In optocht daalde men nu in het vooronder af,—eerst de jongens. „Alle duivels, die hond, die jullie daar hebben.….” riep Hilke uit.…. „da’s immers geen ander mensch als.… alsJoppie!”„Wauw!” gilde Joppie en vloog tegen Hilke op, die hem in zijn armen ving.[495]„Joppie! Zat je daarom zoo aan me te snuffelen! Heb jij dat heele tochtje ook meegemaakt, ouwe jongen?—Kom, jullie moeten eerst wat ordentelijks aan je lijf hebben! Hier, Harmen, pas die broek eens?”„Hij zou me wel eens wat lang kunnen wezen.….” weifelde Harmen. Zijn veronderstelling werd gerechtvaardigd: de kniebroek, die Hilke hem geoffreerd had, reikte hem tot op de enkels. „Nou, een broekishet”, troostte Harmen zichzelf. „En ’k hoef er niet mee naar m’n meisje. We zullen de pijpen eens wat omslaan!”Zoo deed Harmen. Ook Padde kreeg een broek: een goedhartige oome stond hem een kleedingstuk af.—„Veel zaaks is het niet”, meende Padde.„Toch beter als zoo’n rokkie”, excuseerde de oome zich.Padde weifelde. „Kijk het zitvlak eens gesleten zijn!”„Wacht maar”, troostten de maats, „als je hier aan boord blijft, zal het nog wel meer slijten! Juffer Driesteng ligt altijd klaar.”„Dacht je dan, dat ik op die smerige schuit wou blijven?” vroeg Padde. Hij trok de broek aan; ze bleek om het middel wat nauw, maar Padde stak een paar gaatjes in den boord, trok er een touwtje door,—toen paste ze zoowat.„Nou”, zei Harmen, „nou moet je me eerst nog eens vertellen waar de anderen zijn. Waar is de bootsman? En de Schele en Bokje en Gerretje en Diede Doedes en.….”„De meesten zijn bij den schipper gebleven”, antwoordde Hilke. „Ik had ook wel gewild, maar eh, Sijtje, snap je.….? Nou, en de Schele is dood.”„D-dood?” stamelde Padde.„Dood”, zei Hilke triest. „Toen tegelijk met.…. Wacht, dat weten jullie natuurlijk niet: we zijn overvallen! Floorke en de Neus en.…..”„Schei maar uit.….” zuchtte Harmen. „Wij hebben ze begraven, Hilke!”„Is ’t waarachtig.….?—Dat was me wat, jongens!—Nou, de Schele is dus dood, hij kreeg een giftige pijl in z’n schouder; we hebben hem later over boord moeten zetten. En Gerretje is getrouwd.”[496]„Getr.….?! Wàt zeg je?”„Met een Javaansch meisje.”„En z’n meisje in Hoorn dan?”„Tja.….! Mij loopen de tranen ook over de wangen, als ik daaraan denk! Hij zegt, dat ie geen aardigheid meer aan varen heeft, nou Floorke er niet meer is.”„Wedden, dat ik ’m weer op een schip krijg?” vroeg Harmen. „Schamen moest ie zich!”Daar kwam Bolle aanzetten met een pan bruine boonen en een kommetje vet met uitgebakken stukjes spek er in. En de jongens smulden.….! Ze lepelden dapper uit de groote pan; Bolle bracht nog wat mosterd,—dat smaakte heel wat hartiger dan de zoutelooze rommel, dien ze al dien tijd hadden moeten slikken!De schuit begon al aardig te dansen, maar de jongens merkten er niet veel van; zelfs Padde had geen behoefte om naar het zeeziekvrije plekje te gaan zoeken.—„Hè, Joppie, ouwe karkas?” vroeg Harmen, wiens wangen, neus en kin blonken van het vet, „dat is wat anders als zoo’n half gepekeld stukkie visch?”„Wat zul je daar een gelijk aan hebben!” antwoordde Joppie. „Krak!” En hij brak met de tanden een groote spekkorst middendoor.Een groot bord pap besloot den koningsmaaltijd. Vol aandacht strooiden de jongens er basterdsuiker over, en Padde gooide er zooveel in, dat de pap heelemaal bruin werd. Maar Bolle keek vandaag zoo nauw niet.„Ziezoo”, zei Harmen, „als jullie me nou een pijpie en een blaadje geeft en wat brand er in, zal ik jullie eens gaan vertellen wat we alzoo beleefd hebben!”Zijn bescheiden wensch werd met bekwamen spoed ingewilligd, want allen waren even nieuwsgierig om de lotgevallen der jongens te vernemen.„Nou, luisteren jullie?” vroeg Harmen, na gnuivend een paar trekken aan z’n pijpje gedaan te hebben. En toen begon Harmen te vertellen. Te vertellen.….!! De jongens hadden, samen met Joppie, heele kampongs bestormd; Dolimah bleek tot achter de ooren op Harmen verliefd te zijn geweest; het[497]verhaal van den panter werd in zoo felle kleuren opgedischt, dat den maats de rillingen over het lichaam liepen. Toen Harmen merkte, dat de geschiedenis indruk maakte, deelde hij den panter nog een wijfje en vijf volwassen jongen toe, mormels van heb ik jou daar! Toen het hol eindelijk geheel van het pantergebroed gezuiverd was, hadden twee reuzenslangen de arme zwervers in hun schuilplaats belegerd. Maar Harmen knoopte de beide staartuiteinden van de monsterachtig groote beesten met een dubbelen ouwewijvenslag aaneen, zoodat ze voor hun leven lang aan elkaar geketend waren en.….!—Harmen stokte. „Dat laatste was gelogen”, bekende hij onder de ongeloovige blikken van alle kanten. „Laat Hajo het dan maar vertellen.”„Neen, vooruit, vertel maar door. Kun je het dan niet zonder liegen?”Harmen schudde ontkennend het hoofd. „In het begin wel, maar later niet meer. En als ik aan jullie tronies zie, dat jullie het niet meer gelooven, geloof ik het zelf ineens ook niet meer.—Vertel jij het maar, Hajo!”Hajo nam Harmen’s taak over, maar Harmen viel hem telkens in de rede om er een haaltje aan te maken en vroeg dan: „Niet waar, Rolf?” Voor Rolf wat zeggen kon, ratelde Harmen al weer verder.Nu en dan sloeg Hilke Hajo op den schouder, dat zijn botten kraakten, en zei, zegevierend rondkijkend: „Alsjeblieft, mannen, hier zien jullie eenFries!”Zoo werd het elf uur. Toen eerst begaven de mannen zich ter ruste, allen nog druk dooreenpratend over de avonturen van de helden van dien dag, voor wie een paarfijnekooien waren vrijgemaakt. Terwijl de kerels zich, schrap staande op beide beenen om niet om te slaan, stonden uit te kleeden, klonk buiten plots een stem als een kanon. „De Bruinvisch!” stamelden de maats en schoten haastig hun broeken weer aan. Ook de jongens, die het met uitkleeden gemakkelijk hadden en al hoog en droog in hun kooien lagen, vlogen overeind.„Blijf liggen!” raadde Hilke. „Jullie liggen immers goed? Als je bij hem mocht aanmonsteren, zul je nog genoeg hollen,[498]—’t is hier werken aan boord! Kom, ik ga ook eens kijken wat er aan het handje is!” En Hilke stapte met groote passen achter de anderen aan.Zwijgend zaten de jongens in het uitgestorven vooronder te luisteren naar de donderende bevelen van den Bruinvisch. „Haal inde ankers! Zet de fok op! Hel en weerlicht, als ik een uur later was gekomen, had de kast aan gruzelementen gelegen!”Verdraaid! ze dansten flink,—dat was waar. Hoor! de ankerspillen ratelden. Nu werd er zeker een zeil opgezet. Hoe de wind er in sloeg! Pang!—Hilke kwam kletsnat weer binnen en schudde zich. „’k Heb door een zeetje geloopen”, lichtte hij toe. „We steken eerst een eind van wal en varen dan op Batavia aan, dan spreken jullie morgen de schipper meteen! Kom, ik moet nog wat helpen! Slaap lekker, jongens!” En Hilke verdween weer met een vriendelijken hoofdknik.„Dag, Hilke!”—Maar de jongens konden maar zoo niet inslapen. Zwijgend lagen ze in hun kooien, stil-gelukkig in het heerlijke bewustzijn weer bij vrienden te zijn. Morgen zouden ze Bontekoe de hand drukken,—die lag met zijn schip voor Batavia.…. was dat een eiland? Rolf had er nooit van gehoord. En de schipper ging met de Chineezen bakkeleien? Wat moesten zij dan doen? Ze wilden wel mee, maar.…. Zou de schipper lang in Indië blijven, vóór hij weer terugvoer naar.…. naar Hoorn.….?—Doet er niet toe! Ze kenden hun plicht en wisten waar hun plaats was. Maar toch.….—De jongenszuchtten. Drommels, wat vloog de lamp heen en weer; wat kraakten de masten!Bij groepjes kwamen de maats weer terug. De helft moest opblijven. De Bruinvisch zelf ging ook niet ter kooie. Mijmerend dachten de jongens er over na, wat Bontekoe eens van den Bruinvisch had gezegd: „Tòch een goed zeeman!”Rolf was het langst wakker. Hij dacht aan het oogenblik, dat hij van Hajo afscheid zou moeten nemen. Hun wegen zouden uiteenloopen,—daar was Rolf nu zeker van.Zeemeeuw.[499]

[Inhoud]BIJ DE BRUINVISCH AAN BOORDBIJ DE BRUINVISCH AAN BOORD„Mijn jongens.….! Hajo! Rolf! Harmen! Padde, goeie sukkel, ik dacht, dat jullie altemet naar de weerlicht waren!” En de tranen sprongen zoo maar Hilke’s oogen uit. „Mannen, haal Bolle eens op!”Daar kwam Bolle al aanhollen. „Groote genade, jongens, zijnjulliedaar weer?!” Bolle veegde z’n vette handen aan zijn witten voorschoot af. „Hoe hebben jullie ’m dat gelapt?”„Tja, Bolle”, zei Harmen, „als ik daarvan begin te vertellen, mag ik eerst wel een bord bruine boonen met spek achter de kiezen hebben, anders val ik onderweg van m’n stokje.”„’k Zal gauw wat klaarmaken!” verzekerde Bolle, aangedaan. „Lusten jullie een bordje pap na?”„Schei maar uit, Bolle!” zuchtte Harmen. „Pap.….! Groote genade!”Bolle spoedde zich naar de kombuis. En Harmen schreeuwde hem na: „Denk je om de basterdsuiker?”Hilke keek de jongens nog hoofdschuddend, de oogen vol tranen, aan. „Ik kan het nog niet gelooven, jongens! Daar staan jullie weer in levende lijve voor me en.…. wat voor rokjes hebben jullie aan?”„Geef me er straks maar een broek van jou, Hilke”, zei Harmen. „Op wat voor schuit sta ik?”„Je bent op deNieuw-Zeeland, bij de Bruinvisch.”[494]„Op die rotschuit?” vroeg Harmen.„Heila!” schreeuwden een paar mannen. „Zachies an!”„Vraag ik jullie wat?” informeerde Harmen. „Zeg, Hilke, waar is de schipper?Onzeschipper bedoel ik natuurlijk.”„Bontekoe heeft een nieuwe schuit: deBerger Boot. Die ligt een eind verderop. Voor Batavia.”„En jij en Bolle zitten hier?! Jullie laten den ouwe toch niet schieten?!”„Wat kunnen we anders doen?” vroeg Hilke. „Als de schipper niet teruggaat.….?”„Nou valt m’n hoedje af!” zei Harmen. „Waar gaat ie dan heen?”„Weet ik het? Tegen de Chineezen bakkeleien.”„Ik doe mee!” stelde Harmen vast. „Ik laat de schipper niet in de steek!”„Nou, ga nou maar eerst mee naar het logies”, suste Hilke. „Dan krijg je een broek van me, en dan moeten jullie maar eens alles vertellen!”„Dat we met die gepolitoerde nikkers wat beleefd hebben, daar kun je gif op nemen, Hilke!” verzekerde Harmen.„Jongens, we zullen eerst naar de kajuit moeten”, zei Rolf.„In m’n rokkie zeker?” vroeg Harmen.„De Bruinvisch is er niet!” gromde een der mannen.„Anders had ie jullie al lang in de gaten!”„Is de stuurman dan aan boord?”„De opperstuur is met de Bruinvisch mee. En de onderstuur ligt in zijn kooi. Was ie maar aan boord, de Bruinvisch, dan zouden we van de kust afzeilen, want ’t is hier gevaarlijk liggen met dit weer. Maar als de ouwe vannacht terugkomt en ie moet zich eerst groen zoeken voor ie de kast vindt, raast ie morgen de zeilen van de mast.”„Hij is naar deMaegt van Dordregtbij Jan Coen op bezoek”, lichtte Hilke toe.In optocht daalde men nu in het vooronder af,—eerst de jongens. „Alle duivels, die hond, die jullie daar hebben.….” riep Hilke uit.…. „da’s immers geen ander mensch als.… alsJoppie!”„Wauw!” gilde Joppie en vloog tegen Hilke op, die hem in zijn armen ving.[495]„Joppie! Zat je daarom zoo aan me te snuffelen! Heb jij dat heele tochtje ook meegemaakt, ouwe jongen?—Kom, jullie moeten eerst wat ordentelijks aan je lijf hebben! Hier, Harmen, pas die broek eens?”„Hij zou me wel eens wat lang kunnen wezen.….” weifelde Harmen. Zijn veronderstelling werd gerechtvaardigd: de kniebroek, die Hilke hem geoffreerd had, reikte hem tot op de enkels. „Nou, een broekishet”, troostte Harmen zichzelf. „En ’k hoef er niet mee naar m’n meisje. We zullen de pijpen eens wat omslaan!”Zoo deed Harmen. Ook Padde kreeg een broek: een goedhartige oome stond hem een kleedingstuk af.—„Veel zaaks is het niet”, meende Padde.„Toch beter als zoo’n rokkie”, excuseerde de oome zich.Padde weifelde. „Kijk het zitvlak eens gesleten zijn!”„Wacht maar”, troostten de maats, „als je hier aan boord blijft, zal het nog wel meer slijten! Juffer Driesteng ligt altijd klaar.”„Dacht je dan, dat ik op die smerige schuit wou blijven?” vroeg Padde. Hij trok de broek aan; ze bleek om het middel wat nauw, maar Padde stak een paar gaatjes in den boord, trok er een touwtje door,—toen paste ze zoowat.„Nou”, zei Harmen, „nou moet je me eerst nog eens vertellen waar de anderen zijn. Waar is de bootsman? En de Schele en Bokje en Gerretje en Diede Doedes en.….”„De meesten zijn bij den schipper gebleven”, antwoordde Hilke. „Ik had ook wel gewild, maar eh, Sijtje, snap je.….? Nou, en de Schele is dood.”„D-dood?” stamelde Padde.„Dood”, zei Hilke triest. „Toen tegelijk met.…. Wacht, dat weten jullie natuurlijk niet: we zijn overvallen! Floorke en de Neus en.…..”„Schei maar uit.….” zuchtte Harmen. „Wij hebben ze begraven, Hilke!”„Is ’t waarachtig.….?—Dat was me wat, jongens!—Nou, de Schele is dus dood, hij kreeg een giftige pijl in z’n schouder; we hebben hem later over boord moeten zetten. En Gerretje is getrouwd.”[496]„Getr.….?! Wàt zeg je?”„Met een Javaansch meisje.”„En z’n meisje in Hoorn dan?”„Tja.….! Mij loopen de tranen ook over de wangen, als ik daaraan denk! Hij zegt, dat ie geen aardigheid meer aan varen heeft, nou Floorke er niet meer is.”„Wedden, dat ik ’m weer op een schip krijg?” vroeg Harmen. „Schamen moest ie zich!”Daar kwam Bolle aanzetten met een pan bruine boonen en een kommetje vet met uitgebakken stukjes spek er in. En de jongens smulden.….! Ze lepelden dapper uit de groote pan; Bolle bracht nog wat mosterd,—dat smaakte heel wat hartiger dan de zoutelooze rommel, dien ze al dien tijd hadden moeten slikken!De schuit begon al aardig te dansen, maar de jongens merkten er niet veel van; zelfs Padde had geen behoefte om naar het zeeziekvrije plekje te gaan zoeken.—„Hè, Joppie, ouwe karkas?” vroeg Harmen, wiens wangen, neus en kin blonken van het vet, „dat is wat anders als zoo’n half gepekeld stukkie visch?”„Wat zul je daar een gelijk aan hebben!” antwoordde Joppie. „Krak!” En hij brak met de tanden een groote spekkorst middendoor.Een groot bord pap besloot den koningsmaaltijd. Vol aandacht strooiden de jongens er basterdsuiker over, en Padde gooide er zooveel in, dat de pap heelemaal bruin werd. Maar Bolle keek vandaag zoo nauw niet.„Ziezoo”, zei Harmen, „als jullie me nou een pijpie en een blaadje geeft en wat brand er in, zal ik jullie eens gaan vertellen wat we alzoo beleefd hebben!”Zijn bescheiden wensch werd met bekwamen spoed ingewilligd, want allen waren even nieuwsgierig om de lotgevallen der jongens te vernemen.„Nou, luisteren jullie?” vroeg Harmen, na gnuivend een paar trekken aan z’n pijpje gedaan te hebben. En toen begon Harmen te vertellen. Te vertellen.….!! De jongens hadden, samen met Joppie, heele kampongs bestormd; Dolimah bleek tot achter de ooren op Harmen verliefd te zijn geweest; het[497]verhaal van den panter werd in zoo felle kleuren opgedischt, dat den maats de rillingen over het lichaam liepen. Toen Harmen merkte, dat de geschiedenis indruk maakte, deelde hij den panter nog een wijfje en vijf volwassen jongen toe, mormels van heb ik jou daar! Toen het hol eindelijk geheel van het pantergebroed gezuiverd was, hadden twee reuzenslangen de arme zwervers in hun schuilplaats belegerd. Maar Harmen knoopte de beide staartuiteinden van de monsterachtig groote beesten met een dubbelen ouwewijvenslag aaneen, zoodat ze voor hun leven lang aan elkaar geketend waren en.….!—Harmen stokte. „Dat laatste was gelogen”, bekende hij onder de ongeloovige blikken van alle kanten. „Laat Hajo het dan maar vertellen.”„Neen, vooruit, vertel maar door. Kun je het dan niet zonder liegen?”Harmen schudde ontkennend het hoofd. „In het begin wel, maar later niet meer. En als ik aan jullie tronies zie, dat jullie het niet meer gelooven, geloof ik het zelf ineens ook niet meer.—Vertel jij het maar, Hajo!”Hajo nam Harmen’s taak over, maar Harmen viel hem telkens in de rede om er een haaltje aan te maken en vroeg dan: „Niet waar, Rolf?” Voor Rolf wat zeggen kon, ratelde Harmen al weer verder.Nu en dan sloeg Hilke Hajo op den schouder, dat zijn botten kraakten, en zei, zegevierend rondkijkend: „Alsjeblieft, mannen, hier zien jullie eenFries!”Zoo werd het elf uur. Toen eerst begaven de mannen zich ter ruste, allen nog druk dooreenpratend over de avonturen van de helden van dien dag, voor wie een paarfijnekooien waren vrijgemaakt. Terwijl de kerels zich, schrap staande op beide beenen om niet om te slaan, stonden uit te kleeden, klonk buiten plots een stem als een kanon. „De Bruinvisch!” stamelden de maats en schoten haastig hun broeken weer aan. Ook de jongens, die het met uitkleeden gemakkelijk hadden en al hoog en droog in hun kooien lagen, vlogen overeind.„Blijf liggen!” raadde Hilke. „Jullie liggen immers goed? Als je bij hem mocht aanmonsteren, zul je nog genoeg hollen,[498]—’t is hier werken aan boord! Kom, ik ga ook eens kijken wat er aan het handje is!” En Hilke stapte met groote passen achter de anderen aan.Zwijgend zaten de jongens in het uitgestorven vooronder te luisteren naar de donderende bevelen van den Bruinvisch. „Haal inde ankers! Zet de fok op! Hel en weerlicht, als ik een uur later was gekomen, had de kast aan gruzelementen gelegen!”Verdraaid! ze dansten flink,—dat was waar. Hoor! de ankerspillen ratelden. Nu werd er zeker een zeil opgezet. Hoe de wind er in sloeg! Pang!—Hilke kwam kletsnat weer binnen en schudde zich. „’k Heb door een zeetje geloopen”, lichtte hij toe. „We steken eerst een eind van wal en varen dan op Batavia aan, dan spreken jullie morgen de schipper meteen! Kom, ik moet nog wat helpen! Slaap lekker, jongens!” En Hilke verdween weer met een vriendelijken hoofdknik.„Dag, Hilke!”—Maar de jongens konden maar zoo niet inslapen. Zwijgend lagen ze in hun kooien, stil-gelukkig in het heerlijke bewustzijn weer bij vrienden te zijn. Morgen zouden ze Bontekoe de hand drukken,—die lag met zijn schip voor Batavia.…. was dat een eiland? Rolf had er nooit van gehoord. En de schipper ging met de Chineezen bakkeleien? Wat moesten zij dan doen? Ze wilden wel mee, maar.…. Zou de schipper lang in Indië blijven, vóór hij weer terugvoer naar.…. naar Hoorn.….?—Doet er niet toe! Ze kenden hun plicht en wisten waar hun plaats was. Maar toch.….—De jongenszuchtten. Drommels, wat vloog de lamp heen en weer; wat kraakten de masten!Bij groepjes kwamen de maats weer terug. De helft moest opblijven. De Bruinvisch zelf ging ook niet ter kooie. Mijmerend dachten de jongens er over na, wat Bontekoe eens van den Bruinvisch had gezegd: „Tòch een goed zeeman!”Rolf was het langst wakker. Hij dacht aan het oogenblik, dat hij van Hajo afscheid zou moeten nemen. Hun wegen zouden uiteenloopen,—daar was Rolf nu zeker van.Zeemeeuw.[499]

BIJ DE BRUINVISCH AAN BOORDBIJ DE BRUINVISCH AAN BOORD

BIJ DE BRUINVISCH AAN BOORD

„Mijn jongens.….! Hajo! Rolf! Harmen! Padde, goeie sukkel, ik dacht, dat jullie altemet naar de weerlicht waren!” En de tranen sprongen zoo maar Hilke’s oogen uit. „Mannen, haal Bolle eens op!”Daar kwam Bolle al aanhollen. „Groote genade, jongens, zijnjulliedaar weer?!” Bolle veegde z’n vette handen aan zijn witten voorschoot af. „Hoe hebben jullie ’m dat gelapt?”„Tja, Bolle”, zei Harmen, „als ik daarvan begin te vertellen, mag ik eerst wel een bord bruine boonen met spek achter de kiezen hebben, anders val ik onderweg van m’n stokje.”„’k Zal gauw wat klaarmaken!” verzekerde Bolle, aangedaan. „Lusten jullie een bordje pap na?”„Schei maar uit, Bolle!” zuchtte Harmen. „Pap.….! Groote genade!”Bolle spoedde zich naar de kombuis. En Harmen schreeuwde hem na: „Denk je om de basterdsuiker?”Hilke keek de jongens nog hoofdschuddend, de oogen vol tranen, aan. „Ik kan het nog niet gelooven, jongens! Daar staan jullie weer in levende lijve voor me en.…. wat voor rokjes hebben jullie aan?”„Geef me er straks maar een broek van jou, Hilke”, zei Harmen. „Op wat voor schuit sta ik?”„Je bent op deNieuw-Zeeland, bij de Bruinvisch.”[494]„Op die rotschuit?” vroeg Harmen.„Heila!” schreeuwden een paar mannen. „Zachies an!”„Vraag ik jullie wat?” informeerde Harmen. „Zeg, Hilke, waar is de schipper?Onzeschipper bedoel ik natuurlijk.”„Bontekoe heeft een nieuwe schuit: deBerger Boot. Die ligt een eind verderop. Voor Batavia.”„En jij en Bolle zitten hier?! Jullie laten den ouwe toch niet schieten?!”„Wat kunnen we anders doen?” vroeg Hilke. „Als de schipper niet teruggaat.….?”„Nou valt m’n hoedje af!” zei Harmen. „Waar gaat ie dan heen?”„Weet ik het? Tegen de Chineezen bakkeleien.”„Ik doe mee!” stelde Harmen vast. „Ik laat de schipper niet in de steek!”„Nou, ga nou maar eerst mee naar het logies”, suste Hilke. „Dan krijg je een broek van me, en dan moeten jullie maar eens alles vertellen!”„Dat we met die gepolitoerde nikkers wat beleefd hebben, daar kun je gif op nemen, Hilke!” verzekerde Harmen.„Jongens, we zullen eerst naar de kajuit moeten”, zei Rolf.„In m’n rokkie zeker?” vroeg Harmen.„De Bruinvisch is er niet!” gromde een der mannen.„Anders had ie jullie al lang in de gaten!”„Is de stuurman dan aan boord?”„De opperstuur is met de Bruinvisch mee. En de onderstuur ligt in zijn kooi. Was ie maar aan boord, de Bruinvisch, dan zouden we van de kust afzeilen, want ’t is hier gevaarlijk liggen met dit weer. Maar als de ouwe vannacht terugkomt en ie moet zich eerst groen zoeken voor ie de kast vindt, raast ie morgen de zeilen van de mast.”„Hij is naar deMaegt van Dordregtbij Jan Coen op bezoek”, lichtte Hilke toe.In optocht daalde men nu in het vooronder af,—eerst de jongens. „Alle duivels, die hond, die jullie daar hebben.….” riep Hilke uit.…. „da’s immers geen ander mensch als.… alsJoppie!”„Wauw!” gilde Joppie en vloog tegen Hilke op, die hem in zijn armen ving.[495]„Joppie! Zat je daarom zoo aan me te snuffelen! Heb jij dat heele tochtje ook meegemaakt, ouwe jongen?—Kom, jullie moeten eerst wat ordentelijks aan je lijf hebben! Hier, Harmen, pas die broek eens?”„Hij zou me wel eens wat lang kunnen wezen.….” weifelde Harmen. Zijn veronderstelling werd gerechtvaardigd: de kniebroek, die Hilke hem geoffreerd had, reikte hem tot op de enkels. „Nou, een broekishet”, troostte Harmen zichzelf. „En ’k hoef er niet mee naar m’n meisje. We zullen de pijpen eens wat omslaan!”Zoo deed Harmen. Ook Padde kreeg een broek: een goedhartige oome stond hem een kleedingstuk af.—„Veel zaaks is het niet”, meende Padde.„Toch beter als zoo’n rokkie”, excuseerde de oome zich.Padde weifelde. „Kijk het zitvlak eens gesleten zijn!”„Wacht maar”, troostten de maats, „als je hier aan boord blijft, zal het nog wel meer slijten! Juffer Driesteng ligt altijd klaar.”„Dacht je dan, dat ik op die smerige schuit wou blijven?” vroeg Padde. Hij trok de broek aan; ze bleek om het middel wat nauw, maar Padde stak een paar gaatjes in den boord, trok er een touwtje door,—toen paste ze zoowat.„Nou”, zei Harmen, „nou moet je me eerst nog eens vertellen waar de anderen zijn. Waar is de bootsman? En de Schele en Bokje en Gerretje en Diede Doedes en.….”„De meesten zijn bij den schipper gebleven”, antwoordde Hilke. „Ik had ook wel gewild, maar eh, Sijtje, snap je.….? Nou, en de Schele is dood.”„D-dood?” stamelde Padde.„Dood”, zei Hilke triest. „Toen tegelijk met.…. Wacht, dat weten jullie natuurlijk niet: we zijn overvallen! Floorke en de Neus en.…..”„Schei maar uit.….” zuchtte Harmen. „Wij hebben ze begraven, Hilke!”„Is ’t waarachtig.….?—Dat was me wat, jongens!—Nou, de Schele is dus dood, hij kreeg een giftige pijl in z’n schouder; we hebben hem later over boord moeten zetten. En Gerretje is getrouwd.”[496]„Getr.….?! Wàt zeg je?”„Met een Javaansch meisje.”„En z’n meisje in Hoorn dan?”„Tja.….! Mij loopen de tranen ook over de wangen, als ik daaraan denk! Hij zegt, dat ie geen aardigheid meer aan varen heeft, nou Floorke er niet meer is.”„Wedden, dat ik ’m weer op een schip krijg?” vroeg Harmen. „Schamen moest ie zich!”Daar kwam Bolle aanzetten met een pan bruine boonen en een kommetje vet met uitgebakken stukjes spek er in. En de jongens smulden.….! Ze lepelden dapper uit de groote pan; Bolle bracht nog wat mosterd,—dat smaakte heel wat hartiger dan de zoutelooze rommel, dien ze al dien tijd hadden moeten slikken!De schuit begon al aardig te dansen, maar de jongens merkten er niet veel van; zelfs Padde had geen behoefte om naar het zeeziekvrije plekje te gaan zoeken.—„Hè, Joppie, ouwe karkas?” vroeg Harmen, wiens wangen, neus en kin blonken van het vet, „dat is wat anders als zoo’n half gepekeld stukkie visch?”„Wat zul je daar een gelijk aan hebben!” antwoordde Joppie. „Krak!” En hij brak met de tanden een groote spekkorst middendoor.Een groot bord pap besloot den koningsmaaltijd. Vol aandacht strooiden de jongens er basterdsuiker over, en Padde gooide er zooveel in, dat de pap heelemaal bruin werd. Maar Bolle keek vandaag zoo nauw niet.„Ziezoo”, zei Harmen, „als jullie me nou een pijpie en een blaadje geeft en wat brand er in, zal ik jullie eens gaan vertellen wat we alzoo beleefd hebben!”Zijn bescheiden wensch werd met bekwamen spoed ingewilligd, want allen waren even nieuwsgierig om de lotgevallen der jongens te vernemen.„Nou, luisteren jullie?” vroeg Harmen, na gnuivend een paar trekken aan z’n pijpje gedaan te hebben. En toen begon Harmen te vertellen. Te vertellen.….!! De jongens hadden, samen met Joppie, heele kampongs bestormd; Dolimah bleek tot achter de ooren op Harmen verliefd te zijn geweest; het[497]verhaal van den panter werd in zoo felle kleuren opgedischt, dat den maats de rillingen over het lichaam liepen. Toen Harmen merkte, dat de geschiedenis indruk maakte, deelde hij den panter nog een wijfje en vijf volwassen jongen toe, mormels van heb ik jou daar! Toen het hol eindelijk geheel van het pantergebroed gezuiverd was, hadden twee reuzenslangen de arme zwervers in hun schuilplaats belegerd. Maar Harmen knoopte de beide staartuiteinden van de monsterachtig groote beesten met een dubbelen ouwewijvenslag aaneen, zoodat ze voor hun leven lang aan elkaar geketend waren en.….!—Harmen stokte. „Dat laatste was gelogen”, bekende hij onder de ongeloovige blikken van alle kanten. „Laat Hajo het dan maar vertellen.”„Neen, vooruit, vertel maar door. Kun je het dan niet zonder liegen?”Harmen schudde ontkennend het hoofd. „In het begin wel, maar later niet meer. En als ik aan jullie tronies zie, dat jullie het niet meer gelooven, geloof ik het zelf ineens ook niet meer.—Vertel jij het maar, Hajo!”Hajo nam Harmen’s taak over, maar Harmen viel hem telkens in de rede om er een haaltje aan te maken en vroeg dan: „Niet waar, Rolf?” Voor Rolf wat zeggen kon, ratelde Harmen al weer verder.Nu en dan sloeg Hilke Hajo op den schouder, dat zijn botten kraakten, en zei, zegevierend rondkijkend: „Alsjeblieft, mannen, hier zien jullie eenFries!”Zoo werd het elf uur. Toen eerst begaven de mannen zich ter ruste, allen nog druk dooreenpratend over de avonturen van de helden van dien dag, voor wie een paarfijnekooien waren vrijgemaakt. Terwijl de kerels zich, schrap staande op beide beenen om niet om te slaan, stonden uit te kleeden, klonk buiten plots een stem als een kanon. „De Bruinvisch!” stamelden de maats en schoten haastig hun broeken weer aan. Ook de jongens, die het met uitkleeden gemakkelijk hadden en al hoog en droog in hun kooien lagen, vlogen overeind.„Blijf liggen!” raadde Hilke. „Jullie liggen immers goed? Als je bij hem mocht aanmonsteren, zul je nog genoeg hollen,[498]—’t is hier werken aan boord! Kom, ik ga ook eens kijken wat er aan het handje is!” En Hilke stapte met groote passen achter de anderen aan.Zwijgend zaten de jongens in het uitgestorven vooronder te luisteren naar de donderende bevelen van den Bruinvisch. „Haal inde ankers! Zet de fok op! Hel en weerlicht, als ik een uur later was gekomen, had de kast aan gruzelementen gelegen!”Verdraaid! ze dansten flink,—dat was waar. Hoor! de ankerspillen ratelden. Nu werd er zeker een zeil opgezet. Hoe de wind er in sloeg! Pang!—Hilke kwam kletsnat weer binnen en schudde zich. „’k Heb door een zeetje geloopen”, lichtte hij toe. „We steken eerst een eind van wal en varen dan op Batavia aan, dan spreken jullie morgen de schipper meteen! Kom, ik moet nog wat helpen! Slaap lekker, jongens!” En Hilke verdween weer met een vriendelijken hoofdknik.„Dag, Hilke!”—Maar de jongens konden maar zoo niet inslapen. Zwijgend lagen ze in hun kooien, stil-gelukkig in het heerlijke bewustzijn weer bij vrienden te zijn. Morgen zouden ze Bontekoe de hand drukken,—die lag met zijn schip voor Batavia.…. was dat een eiland? Rolf had er nooit van gehoord. En de schipper ging met de Chineezen bakkeleien? Wat moesten zij dan doen? Ze wilden wel mee, maar.…. Zou de schipper lang in Indië blijven, vóór hij weer terugvoer naar.…. naar Hoorn.….?—Doet er niet toe! Ze kenden hun plicht en wisten waar hun plaats was. Maar toch.….—De jongenszuchtten. Drommels, wat vloog de lamp heen en weer; wat kraakten de masten!Bij groepjes kwamen de maats weer terug. De helft moest opblijven. De Bruinvisch zelf ging ook niet ter kooie. Mijmerend dachten de jongens er over na, wat Bontekoe eens van den Bruinvisch had gezegd: „Tòch een goed zeeman!”Rolf was het langst wakker. Hij dacht aan het oogenblik, dat hij van Hajo afscheid zou moeten nemen. Hun wegen zouden uiteenloopen,—daar was Rolf nu zeker van.Zeemeeuw.[499]

„Mijn jongens.….! Hajo! Rolf! Harmen! Padde, goeie sukkel, ik dacht, dat jullie altemet naar de weerlicht waren!” En de tranen sprongen zoo maar Hilke’s oogen uit. „Mannen, haal Bolle eens op!”

Daar kwam Bolle al aanhollen. „Groote genade, jongens, zijnjulliedaar weer?!” Bolle veegde z’n vette handen aan zijn witten voorschoot af. „Hoe hebben jullie ’m dat gelapt?”

„Tja, Bolle”, zei Harmen, „als ik daarvan begin te vertellen, mag ik eerst wel een bord bruine boonen met spek achter de kiezen hebben, anders val ik onderweg van m’n stokje.”

„’k Zal gauw wat klaarmaken!” verzekerde Bolle, aangedaan. „Lusten jullie een bordje pap na?”

„Schei maar uit, Bolle!” zuchtte Harmen. „Pap.….! Groote genade!”

Bolle spoedde zich naar de kombuis. En Harmen schreeuwde hem na: „Denk je om de basterdsuiker?”

Hilke keek de jongens nog hoofdschuddend, de oogen vol tranen, aan. „Ik kan het nog niet gelooven, jongens! Daar staan jullie weer in levende lijve voor me en.…. wat voor rokjes hebben jullie aan?”

„Geef me er straks maar een broek van jou, Hilke”, zei Harmen. „Op wat voor schuit sta ik?”

„Je bent op deNieuw-Zeeland, bij de Bruinvisch.”[494]

„Op die rotschuit?” vroeg Harmen.

„Heila!” schreeuwden een paar mannen. „Zachies an!”

„Vraag ik jullie wat?” informeerde Harmen. „Zeg, Hilke, waar is de schipper?Onzeschipper bedoel ik natuurlijk.”

„Bontekoe heeft een nieuwe schuit: deBerger Boot. Die ligt een eind verderop. Voor Batavia.”

„En jij en Bolle zitten hier?! Jullie laten den ouwe toch niet schieten?!”

„Wat kunnen we anders doen?” vroeg Hilke. „Als de schipper niet teruggaat.….?”

„Nou valt m’n hoedje af!” zei Harmen. „Waar gaat ie dan heen?”

„Weet ik het? Tegen de Chineezen bakkeleien.”

„Ik doe mee!” stelde Harmen vast. „Ik laat de schipper niet in de steek!”

„Nou, ga nou maar eerst mee naar het logies”, suste Hilke. „Dan krijg je een broek van me, en dan moeten jullie maar eens alles vertellen!”

„Dat we met die gepolitoerde nikkers wat beleefd hebben, daar kun je gif op nemen, Hilke!” verzekerde Harmen.

„Jongens, we zullen eerst naar de kajuit moeten”, zei Rolf.

„In m’n rokkie zeker?” vroeg Harmen.

„De Bruinvisch is er niet!” gromde een der mannen.„Anders had ie jullie al lang in de gaten!”

„Is de stuurman dan aan boord?”

„De opperstuur is met de Bruinvisch mee. En de onderstuur ligt in zijn kooi. Was ie maar aan boord, de Bruinvisch, dan zouden we van de kust afzeilen, want ’t is hier gevaarlijk liggen met dit weer. Maar als de ouwe vannacht terugkomt en ie moet zich eerst groen zoeken voor ie de kast vindt, raast ie morgen de zeilen van de mast.”

„Hij is naar deMaegt van Dordregtbij Jan Coen op bezoek”, lichtte Hilke toe.

In optocht daalde men nu in het vooronder af,—eerst de jongens. „Alle duivels, die hond, die jullie daar hebben.….” riep Hilke uit.…. „da’s immers geen ander mensch als.… alsJoppie!”

„Wauw!” gilde Joppie en vloog tegen Hilke op, die hem in zijn armen ving.[495]

„Joppie! Zat je daarom zoo aan me te snuffelen! Heb jij dat heele tochtje ook meegemaakt, ouwe jongen?—Kom, jullie moeten eerst wat ordentelijks aan je lijf hebben! Hier, Harmen, pas die broek eens?”

„Hij zou me wel eens wat lang kunnen wezen.….” weifelde Harmen. Zijn veronderstelling werd gerechtvaardigd: de kniebroek, die Hilke hem geoffreerd had, reikte hem tot op de enkels. „Nou, een broekishet”, troostte Harmen zichzelf. „En ’k hoef er niet mee naar m’n meisje. We zullen de pijpen eens wat omslaan!”

Zoo deed Harmen. Ook Padde kreeg een broek: een goedhartige oome stond hem een kleedingstuk af.—„Veel zaaks is het niet”, meende Padde.

„Toch beter als zoo’n rokkie”, excuseerde de oome zich.

Padde weifelde. „Kijk het zitvlak eens gesleten zijn!”

„Wacht maar”, troostten de maats, „als je hier aan boord blijft, zal het nog wel meer slijten! Juffer Driesteng ligt altijd klaar.”

„Dacht je dan, dat ik op die smerige schuit wou blijven?” vroeg Padde. Hij trok de broek aan; ze bleek om het middel wat nauw, maar Padde stak een paar gaatjes in den boord, trok er een touwtje door,—toen paste ze zoowat.

„Nou”, zei Harmen, „nou moet je me eerst nog eens vertellen waar de anderen zijn. Waar is de bootsman? En de Schele en Bokje en Gerretje en Diede Doedes en.….”

„De meesten zijn bij den schipper gebleven”, antwoordde Hilke. „Ik had ook wel gewild, maar eh, Sijtje, snap je.….? Nou, en de Schele is dood.”

„D-dood?” stamelde Padde.

„Dood”, zei Hilke triest. „Toen tegelijk met.…. Wacht, dat weten jullie natuurlijk niet: we zijn overvallen! Floorke en de Neus en.…..”

„Schei maar uit.….” zuchtte Harmen. „Wij hebben ze begraven, Hilke!”

„Is ’t waarachtig.….?—Dat was me wat, jongens!—Nou, de Schele is dus dood, hij kreeg een giftige pijl in z’n schouder; we hebben hem later over boord moeten zetten. En Gerretje is getrouwd.”[496]

„Getr.….?! Wàt zeg je?”

„Met een Javaansch meisje.”

„En z’n meisje in Hoorn dan?”

„Tja.….! Mij loopen de tranen ook over de wangen, als ik daaraan denk! Hij zegt, dat ie geen aardigheid meer aan varen heeft, nou Floorke er niet meer is.”

„Wedden, dat ik ’m weer op een schip krijg?” vroeg Harmen. „Schamen moest ie zich!”

Daar kwam Bolle aanzetten met een pan bruine boonen en een kommetje vet met uitgebakken stukjes spek er in. En de jongens smulden.….! Ze lepelden dapper uit de groote pan; Bolle bracht nog wat mosterd,—dat smaakte heel wat hartiger dan de zoutelooze rommel, dien ze al dien tijd hadden moeten slikken!

De schuit begon al aardig te dansen, maar de jongens merkten er niet veel van; zelfs Padde had geen behoefte om naar het zeeziekvrije plekje te gaan zoeken.—„Hè, Joppie, ouwe karkas?” vroeg Harmen, wiens wangen, neus en kin blonken van het vet, „dat is wat anders als zoo’n half gepekeld stukkie visch?”

„Wat zul je daar een gelijk aan hebben!” antwoordde Joppie. „Krak!” En hij brak met de tanden een groote spekkorst middendoor.

Een groot bord pap besloot den koningsmaaltijd. Vol aandacht strooiden de jongens er basterdsuiker over, en Padde gooide er zooveel in, dat de pap heelemaal bruin werd. Maar Bolle keek vandaag zoo nauw niet.

„Ziezoo”, zei Harmen, „als jullie me nou een pijpie en een blaadje geeft en wat brand er in, zal ik jullie eens gaan vertellen wat we alzoo beleefd hebben!”

Zijn bescheiden wensch werd met bekwamen spoed ingewilligd, want allen waren even nieuwsgierig om de lotgevallen der jongens te vernemen.

„Nou, luisteren jullie?” vroeg Harmen, na gnuivend een paar trekken aan z’n pijpje gedaan te hebben. En toen begon Harmen te vertellen. Te vertellen.….!! De jongens hadden, samen met Joppie, heele kampongs bestormd; Dolimah bleek tot achter de ooren op Harmen verliefd te zijn geweest; het[497]verhaal van den panter werd in zoo felle kleuren opgedischt, dat den maats de rillingen over het lichaam liepen. Toen Harmen merkte, dat de geschiedenis indruk maakte, deelde hij den panter nog een wijfje en vijf volwassen jongen toe, mormels van heb ik jou daar! Toen het hol eindelijk geheel van het pantergebroed gezuiverd was, hadden twee reuzenslangen de arme zwervers in hun schuilplaats belegerd. Maar Harmen knoopte de beide staartuiteinden van de monsterachtig groote beesten met een dubbelen ouwewijvenslag aaneen, zoodat ze voor hun leven lang aan elkaar geketend waren en.….!—Harmen stokte. „Dat laatste was gelogen”, bekende hij onder de ongeloovige blikken van alle kanten. „Laat Hajo het dan maar vertellen.”

„Neen, vooruit, vertel maar door. Kun je het dan niet zonder liegen?”

Harmen schudde ontkennend het hoofd. „In het begin wel, maar later niet meer. En als ik aan jullie tronies zie, dat jullie het niet meer gelooven, geloof ik het zelf ineens ook niet meer.—Vertel jij het maar, Hajo!”

Hajo nam Harmen’s taak over, maar Harmen viel hem telkens in de rede om er een haaltje aan te maken en vroeg dan: „Niet waar, Rolf?” Voor Rolf wat zeggen kon, ratelde Harmen al weer verder.

Nu en dan sloeg Hilke Hajo op den schouder, dat zijn botten kraakten, en zei, zegevierend rondkijkend: „Alsjeblieft, mannen, hier zien jullie eenFries!”

Zoo werd het elf uur. Toen eerst begaven de mannen zich ter ruste, allen nog druk dooreenpratend over de avonturen van de helden van dien dag, voor wie een paarfijnekooien waren vrijgemaakt. Terwijl de kerels zich, schrap staande op beide beenen om niet om te slaan, stonden uit te kleeden, klonk buiten plots een stem als een kanon. „De Bruinvisch!” stamelden de maats en schoten haastig hun broeken weer aan. Ook de jongens, die het met uitkleeden gemakkelijk hadden en al hoog en droog in hun kooien lagen, vlogen overeind.

„Blijf liggen!” raadde Hilke. „Jullie liggen immers goed? Als je bij hem mocht aanmonsteren, zul je nog genoeg hollen,[498]—’t is hier werken aan boord! Kom, ik ga ook eens kijken wat er aan het handje is!” En Hilke stapte met groote passen achter de anderen aan.

Zwijgend zaten de jongens in het uitgestorven vooronder te luisteren naar de donderende bevelen van den Bruinvisch. „Haal inde ankers! Zet de fok op! Hel en weerlicht, als ik een uur later was gekomen, had de kast aan gruzelementen gelegen!”

Verdraaid! ze dansten flink,—dat was waar. Hoor! de ankerspillen ratelden. Nu werd er zeker een zeil opgezet. Hoe de wind er in sloeg! Pang!—Hilke kwam kletsnat weer binnen en schudde zich. „’k Heb door een zeetje geloopen”, lichtte hij toe. „We steken eerst een eind van wal en varen dan op Batavia aan, dan spreken jullie morgen de schipper meteen! Kom, ik moet nog wat helpen! Slaap lekker, jongens!” En Hilke verdween weer met een vriendelijken hoofdknik.

„Dag, Hilke!”—Maar de jongens konden maar zoo niet inslapen. Zwijgend lagen ze in hun kooien, stil-gelukkig in het heerlijke bewustzijn weer bij vrienden te zijn. Morgen zouden ze Bontekoe de hand drukken,—die lag met zijn schip voor Batavia.…. was dat een eiland? Rolf had er nooit van gehoord. En de schipper ging met de Chineezen bakkeleien? Wat moesten zij dan doen? Ze wilden wel mee, maar.…. Zou de schipper lang in Indië blijven, vóór hij weer terugvoer naar.…. naar Hoorn.….?—Doet er niet toe! Ze kenden hun plicht en wisten waar hun plaats was. Maar toch.….—De jongenszuchtten. Drommels, wat vloog de lamp heen en weer; wat kraakten de masten!

Bij groepjes kwamen de maats weer terug. De helft moest opblijven. De Bruinvisch zelf ging ook niet ter kooie. Mijmerend dachten de jongens er over na, wat Bontekoe eens van den Bruinvisch had gezegd: „Tòch een goed zeeman!”

Rolf was het langst wakker. Hij dacht aan het oogenblik, dat hij van Hajo afscheid zou moeten nemen. Hun wegen zouden uiteenloopen,—daar was Rolf nu zeker van.

Zeemeeuw.

[499]


Back to IndexNext