BRAND!

[Inhoud]BRAND!Duivelsch uitziend hoofd.Den negenden dag, dat deNieuw-Hoornvoor Sante-Marie lag, waren allen genezen. En men ging welgemoed onder zeil, vertrouwende, dat de voorraad versch voedsel toereikend zou zijn. Men koerste eerst Zuid-Oostwaarts tot op 33° en wendde den steven daarna Noord-Oost naar Straat Soenda.Het waren mooie, stille dagen. De maats hadden de handen vol met het onderhoud van het pluimvee. Maar heel hun leven hadden de oomes niet zooveel eitjes gepeuzeld.Padde werd in den loop der weken zelf zoo rond als een ei. Men ried hem wat beweging aan. Zuchtend besloot Padde het werkje over te nemen, dat tot nu toe de Schele altijd had verricht, namelijk ’s middags met een vaatje in den kelder te gaan en dat vol te pompen, ten einde den volgenden morgen allen oomes een half „mutseke” te kunnen verstrekken.Joppie kreeg spreeklessen. Een kreet van blijde verrassing ging onder de oomes op, toen hij duidelijk verstaanbaar: Hajo! krijschte. Maar nu bleek, dat Joppie al niet veel beter was dan de menschen: ook hij stelde zijn kennis in dienst van het booze. Hij riep zijn meester den ganschen dag, liefst barsch, bevelend, zooals Berentsz. het deed, dan weer lokkend, vleiend, of angstig, opgewonden, als wilde hij zeggen: Kerel, je bent me toch niet overboord gevallen?—Zoo kwam Hajo soms buiten adem aanhollen om te vragen wat de bootsman van hem wou, en vond dan, in plaats van een grimmigen Folkert Berentsz., een allervriendelijksten Joppie, die hem den kop toestak om gekrauwd te worden. Alle maats, die den leergierigen vogel hun naam wisten in te pompen, kregen er spijt van als haren op het hoofd.[228]Joppie leerde ook zijn eigen naam en toonde in het uitspreken ervan een groote mate van zelfingenomenheid. De maats wisten niet waar ze bleven van het lachen, wanneer Joppie zijn naam in alle toonaarden, den een nog vleiender en liefelijker dan de andere, uitgalmde.Gerrit was tevreden over zijn pleegkind. Hij had aanvankelijk wel wat raar tegen den krommen snavel en de bonte pluimage van den jongen „torenkraai” aangekeken, maar nu herkende hij in de wijze, waarop Joppie: Ka! kon zeggen, toch duidelijk een rasgenoot.Toen de oomes vonden, dat Joppie meer dan wijs genoeg was, nam Padde de taak over om Joppie’s leergierigheid te bevredigen.„Vooruit!” zei Padde, „zeg nou eens: Padde Kelemeijn!”Joppie keek hem pienter aan. „’t Is een merakel!” meende het dier toen.„Vooruit!” mopperde zijn leermeester. „Padde Kelemeijn! Zeg het dan, stommeling!”Joppie hield z’n kop schuin, luisterde vol aandacht. Toen keek hij Padde trouwhartig aan en schetterde: „Stommeling!”„Je bent zelf een stommeling!” gromde Padde, die rood werd van drift.„Kletskoek”, verklaarde de vogel en keek luchthartig naar boven.Padde staarde het dier met opengespalkte oogen sprakeloos aan, keerde zich toen om en nam zich voor, geen woord meer aan het mormel te verspillen.Zoo kwam een dag, die den mannen van deNieuw-Hoornlang heugen zou: de negentiendeNovembervan het jaar 1619.Naar gewoonte begaf Padde zich in den namiddag naar den kelder, daalde met zijn kaars het korte trapje af en plaatste het licht op een volle ton, om de handen vrij te hebben voor het pompen.„Mallemallemootje,Zeven in een bootje;Mallemallemootje, mallemallemoer,Zes aan de riemen en een aan het roer!”[229]zong Padde, blijgemoed pompende. Het vaatje was vol; Padde bevrijdde met zwierigen greep de kaars, die hij op de ton had vastgesmolten. Toen viel—kon het ongelukkiger?—het gloeiend eindje der kaarsepit in het spongat; de brandewijn daarbinnen vatte vuur; de duigen scheurden met een doffen knal uiteen, en de brandende vloeistof dekte ineens den geheelen kelderbodem. Met een schreeuw vloog onze botteliersmaat het laddertje op, zag twee putsen water staan, waarmee Hajo en Rolf aan het dekschrobben waren, greep de putsen en keerde ze boven het luik uit.Naar gewoonte begaf Padde zich....Naargewoonte begaf Padde zich.…„Padde! Wat is er?!”De arme dikzak wilde wat stamelen, maar het was niet meer noodig: het sissen, knetteren en de wolk verdampt water, die uit het luik opsloeg, zeiden genoeg.„Brand!Brand!!!”Dat werkte. Van alle kanten kwamen de maats met verschrikte gezichten aanhollen, sommigen al met volle putsen. „Wáár is de brand?!”„In de kelder!!” Angst en opwinding trilden door aller stem. In razende haast zocht men naar putsen. Heele plassen water werden door het luik geworpen.Folkert Berentsz. klauterde, nadat men wel een honderd emmers water had leeggeworpen, den kelder in en kon daar gelukkig geen brand meer ontdekken. Intusschen had Bontekoe zich naar het ruim gehaast, waar, zooals hij terecht vermoedde, plassen brandend vocht den bodem dekten. Hij riep om putsen. Na een tiental te hebben leeggegoten, scheen ook daar de brand gebluscht.[230]Een zucht van verlichting ging op, toen men hoorde, dat de smidskolen niet door het vuur waren aangetast. Nog hijgend van opwinding, besprak men het gevaar, dat gedreigd had. Als de brand tot in den kruitkelder was doorgedrongen.….„Padde!” werd er geroepen. „In de kajuit komen!”De arme jongen trilde over al zijn leden. Ongemerkt wist hij door een luik in het ruim te glippen. Daar was het stikdonker; tastend daalde hij het steile trapje af. Beneden gekomen, wankelde hij naar een hoop touw, ging zitten, borg het hoofd in de handen en schreide, schreide.….Stil! Wat hoorde hij daar?! Met bonzend hart luisterde Padde. Hij durfde de oogen haast niet te openen in dit griezelig donker. Krak! Knaps! Kritsch! Klappertandend richtte Padde het hoofd op. Was het een koortsschim? Daar, aan den anderen kant van het ruim, laaiden groote vlammen op! Een zwavelige lucht drong Padde in den neus. Groote God.….! De kolen brandden.….!!Met een schreeuw vloog Padde naar de ladder. „De kolen …! Dek-kolen!!!Een nieuwe paniek. „De kolen?! Branden de kolen?!!”Een paar kloeke maats zijn het eerst weer het ruim in, gewapend met putsen water, die ze hijgend leegkletsen over de brandende kolen. Gesis van heb-ik-jou-daar; gele zwaveldampen barsten uit den gloeienden berg te voorschijn, en in een oogwenk is de lucht in het ruim zoo benauwend, dat men het er geen twee minuten kan uithouden.Maar de kerels zijn taai. Altijd opnieuw dalen ze met volle putsen langs het smalle laddertje in het ruim af, banen zich een weg in het verpeste zwavelhok, werpen het water over de kolen en zoeken tuimelend, vloekend, met betraande oogen den weg terug naar het laddertje. Hoevelen vinden den weg? Hoevelen zakken bedwelmd, reeds half verstikt ineen, na in radeloozen angst heen en weer gerend te zijn?Bontekoe leidt zelf het werk,—tot zijn stem versmoort, en hij wankelend de ladder op vlucht. Maar een minuut later is hij weer beneden. „Moed, jongens!”Men kapt gaten in het tusschendek, werpt ontzaggelijke hoeveelheden water in het ruim. Zou het helpen? De planken[231]bodem onder de voeten wordt steeds heeter; de maats springen als zandvlooien rond, moeten om den haverklap hun half verschroeide voetzolen koelen in de putsen water, die ze aandragen.Zou men het kruit overboord werpen? De kans om in deze streken een Spaansch schip te ontmoeten is bedenkelijk groot. Zonder kruit aan boord zou men verloren zijn. Nu, met het wegwerpen van het kruit dan maar tot het uiterste gewacht.Hou vast, mannen!Maar er waren verraders. Wetende, dat de jol en de sloep achter het schip aansleepten, (de jol was sinds het vertrek van Sante-Marie nog niet binnengehaald, en de sloep was daareven uitgezet, omdat ze bij het bluschwerk in den weg stond) hadden enkelen het voor raadzaam gehouden zich overboord te laten glijden, naar de jol of de sloep te zwemmen en zich onder de banken te verbergen. De koopman, die juist naar de kajuit ging om in elk geval reeds zijn voornaamste papieren bijeen te binden, zag juist een kerel de jol inkruipen. „Wat heeft dat te beteekenen!” schreeuwde hij.„Kom ook in de booten, Koopman!” riepen de maats. „Temet vliegt de heele kast aan gruzelementen!”„Als jullie niet terugkomt, waarschuw ik de schipper!” riep Hein Rol driftig.„Dan kappen wij de touwen door!”„Schurken!” was Rol’s verontwaardigd antwoord.„Ga je mee of niet?” werd er uit de jol geroepen.De koopman weifelde even, maakte een onwillig gebaar. „Ik kom!” riep hij toen norsch. En hij spoedde zich naar de kajuit om zijn paperassen.Want kostbaarder dan zijn eer, waren hem zijn papieren.Toen hij zich langs een touw in de jol had laten glijden, kapten de maats de booten vrij. „Roeien jullie weg?!” vroeg Rol verschrikt.„Neen, waarachtig niet, we zullen in de buurt blijven om te helpen. Maar zoo meteen vliegt de boel aan stukken, dan moeten wij buiten schot zijn.”De koopman zweeg, keek met bezorgd gelaat naar het schip, waaruit een vuil-gele rook opwervelde, die masten en touwen[232]aan het oog onttrok. „’t Is gekkenwerk om nog aan blusschen te denken!” zei hij, om zijn geweten gerust te stellen. En hij blies zich in de bleeke handen, die geschaafd waren door het omlaagglijden langs het touw.Op het schip vochten de anderen. Met toegeknepen oogen gaven de mannen elkaar de volle putsen over. Hou vast, jongens!!Daar kwam de barbier aanhollen. „Schipper! De booten zijn weg!!”De mannen zijn verlamd van schrik. „De booten weg?!!” Alles vliegt naar de verschansing. Daar drijven de booten!! Een stomme woede maakt zich van de verlatenen meester.„Schipper! Watnou??!”Zóó hebben de mannen hun schipper nog nooit gezien. Het open zeemansgelaat is plots vertrokken van toorn en smart. „Haal de zeilen om, mannen! We zullen ze onder de kiel stroopen!”Smart over de wonde, die hun makkers hun geslagen hebben, doet de maats het want invliegen en, tastend in den groezeligen rook, met opeengeklemde tanden de zeilen krap zetten. Zoo koerst men recht op de booten af.Daar schijnt het dreigend gevaar vermoed te worden. De kerels roeien als dollen, steken drie scheepslengten voor deNieuw-Hoornover, den boeg in den wind, zoodat ze niet achtervolgd kunnen worden.„Wel, laat hun geweten hen dan straffen!” roept de schipper. „Nu het kruit maar overboord, mannen! De schuit drijft nog! Als we er aangaan,—dan met z’n allen!”„Leve Bontekoe!!!” brullen de oomes, al is het alleen maar om den laffen kameraden daarginds te laten hooren, dat er nog kerels zijn, dienietin de booten kruipen, als de schuit in gevaar is. Grimmig pakken ze met hun verweerde knuisten de tonnetjes kruit, werpen ze van man tot man en zoo overboord. Op Bontekoe’s bevel laten de maats, die met timmergerei weten om te gaan, zich over de verschansing zakken, om onder het zee-oppervlak gaten in den scheepswand te boren. De schipper wil het ruim een paar vadem vol laten loopen en zoo den brand[233]van onderen blusschen. Maar vergeefs zet men de boren in het hout: de wand zit vol ijzerwerk. Dan maar weer met putsen aan het werk!Hoei!! De vlammentongen lekken al uit een der luiken. Dat is de duivel, die er uit loert! Smijt hem den kop in!In koortsige opwinding komen de mannen met water aandragen.Maar hoogerop laait de vlam, en vreemd.…. het kraken, knetteren, barsten, piepen houdt op. Zachtjes loeiend steekt het vuur een lange, roode tong uit de luiken.„De olie brandt!!!”Met verlamming geslagen laten de oomes de armen zinken; dikke tranen rollen den gebruinden kerels over de wangen.„Water!” roept een stem.Flang! daar gaan de putsen weer rond. Al gietende en de voeten koelende, grienen de oomes als kinderen. Maar opgeven? Ho maar! Hollandsche jongens, wâ-blief?! Grienen kan geen kwaad: tranen zijn ook water en helpen blusschen. Met hun bloote pooten staan ze schrap op het gloeiend heete dek.Een der dapperste voorwerkers, die koppig, oogen en lippen saamgeperst, in rook en damp te ploeteren stond.…. was Padde.Hij boette zijn schuld.En men werkte. De wanhoop in het hart,—maar men werkte. Tot.….! Met verdoovend gekraak begaf zich het achterdek, en gillend stortte een handvol wakkere vrienden in de vuurzee. Hei!!! Hoe stoven de vonken tot hoog boven de masten uit! En de vlammen sloegen tegen de ra’s op, grepen de zeilen aanenzonden de blanke vleugels van deNieuw-Hoornverzengd, wijd uitlaaiend omhoog. De gescheurde kabels vielen slap neer in den vuurgloed en dienden duizend kleine vlammetjes tot ladder.De vlag moest veroverd worden! Op, vlammen! Haalt het neer, dat dartele, bonte doekske!Daar reet een vlam het omlaag en roofde het zijn kleuren. Danst nu, vlammen! Danst; de vlag is ons, danst, danst![234]Hajo, Rolf en Padde stonden bij den grooten mast. Verderop begon het dek door te buigen; er schoten bruine schroeivlekken in.…. Toen sleurde Rolf zijn beide makkers naar de verschansing. „Het water in!” siste hij tusschen de tanden. De verbouwereerde knapen volgden klakkeloos het bevel op.Velen waren Rolf nagesneld en ook pardoes in zee gesprongen. Anderen hadden, verlamd van schrik, niet zoo snel een besluit kunnen vatten en zonken nu weg in de vlammen.Toen gebeurde het. Een ontzettende slag, een helsch gekraak, een prikkelend-scherpe lucht, versmoorde kreten, angstig geloei van het vee.…. Het kruit had vlam gevat.Een nieuwe ontploffing! DeNieuw-Hoornscheurde uiteen; masten, planken, menschen, dieren en brokstukken ervan vlogen de lucht in. Sissend, krakend, hoog opstuwend de kolommen zwarte rook en gouden vonken, kantelden de brokstukken van het gescheurde schip weer tegen elkaar en.…. zonken in de golven weg.De mannen in de boot keken rillend toe.Was het mogelijk?! Was deNieuw-Hoorn, hun prachtig schip, vergaan?! Die zwarte wolk tegen den bloedrooden avondhemel.…. was dat alles, wat er van restte?!—Neen! Daar dreven op het water stukken mast, kisten, balken, en op die stukken mast, die kisten en balken klemden zich levende wezens. Te hulp! De handen aan de riemen!!Van onze drie Hoornsche vrienden was het Hajo, die het eerst zijn bezinning terugvond. Hij zag den bezaansmast drijven en werkte zich er op. Snel denkend en handelend, wierp hij Padde, die zich aan een langzaam volloopende houten bak had vastgeklemd, een masttouw toe. Padde zag het, tastte er naar, maar vond het niet. Hajo trok het touw in en wierp het opnieuw. Ditmaal wist Padde het te grijpen, liet zich naar zijn makker trekken en pakte hem kreunend bij de knieën. „Hajo.…. o, God, Hajo.….!”„Klim op de mast!”„Ik kan niet meer.….!”Met inspanning van alle krachten wist Hajo zijn vriend schrijlings op den mast te krijgen. Snikkend leunde Padde het[235]hoofd tegen Hajo’s schouder.—Nu Rolf! Groote God, waar zou Rolf zijn! In radeloozen angst keek Hajo rond. Verderop, buiten zijn bereik, worstelden een paar maats met de golven. Hier en daar werkten zich in de schemering gestalten op stengen, planken, tonnen of brokken mast. „Rolf! Rolf!! Rolf!!!”„Hajo!”Goddank! Rolf had zich op een mastkorf gered.—Waar waren de booten? Te ver om ze te beroepen. In de halve duisternis was het niet mogelijk te zien, of ze hier vandaan, dan wel hier naar toe roeiden. „Boot ahoy! Ahoy!”„Hajo.….!” kermde Padde.„Moed, Padde!” Hajo sloot zelf even de oogen om wat rust te vinden. Langzaam vloeiden de tranen over zijn wangen. Toen hij de oogen opsloeg, was de jol tot op een vijftig voet genaderd. Dichterbij kon ze niet komen door de vele, zware brokstukken, die overal ronddreven. Hajo mat den afstand tot de jol. Zou hij het halen? „Blijf hier zitten, Padde! Hou je goed vast!”„O, God, Hajo.…. je gaat toch niet weg? Hajo.….?!”Hajo beet de lippen opeen, liet zich van den mast glijden en zwom in de richting van de jol. Maar onderweg werden zijn armen zwaar als lood.….Daar werd hem een touw toegeworpen. Hij greep het en liet zich naar de jol trekken. „Neen!” hijgde hij, toen de oomes hem binnen boord wilden halen, „ik rust maar even. Geef me het.…. het touw mee.…. ik wil.…. ik.….” Zijn oogen sloten zich; zijn handen lieten den jolboord los; men kon hem nog net bijtijds grijpen en binnen boord halen.Toen sprong Bokje, de trompetter, met een loodlijn overboord, zwom naar Padde en liet zich samen met hem terugtrekken. Een tweede maat ging het water in en redde den Neus. Floorke kwam proestend, op eigen kracht aanplassen en begon den kerels in de jol de huid vol te schelden. Maar toen hij ze een voor een hun huid zag wagen om den haaien een drenkeling te ontrooven, zakte zijn gramschap weer een weinig. Men roeide de plaats rond, waar deNieuw-Hoornwas ondergegaan. Ten slotte geloofde men alle drenkelingen te hebben opgepikt. Velen verloren het bewustzijn terstond, wanneer ze[236]in de boot waren getrokken; anderen lagen nog van opwinding te schreien. Maar de schipper?! Waar was de schipper!!Daar verscheen Harmen’s kop aan bakboord. Hij liet zich in de jol trekken, spuwde een golf zeewater uit, wees verderop. „De sch.…. schipper!” Toen begaven zich zijn krachten.Men zag in de door Harmen aangeduide richting in het duister een wrakstuk drijven en daarop een gedaante. De jol werd zoo dicht mogelijk naar den drenkeling toegeroeid; Bokje, de beste zwemmer van allen, sprong weer met een lijn overboord, en, ja, even later kwam hij met den schipper terug, die in de jol getild en achter in de roef werd neergelegd. Goddank! „Geef ons raad, schipper! Wat moeten we doen?!”Met matte stem ried Bontekoe aan, dezen nacht nog bij het wrak te blijven en den volgenden morgen wat levensmiddelen op te hengelen, die overal ronddreven. Hevige pijnen deden hem spoedig het bewustzijn verliezen. Men roeide nog eens om de ongeluksplek heen, maar vond in het duister geen menschelijk wezen, dood of levend, meer. Toen haalde men de riemen in, om den morgen af te wachten.Maar met de verschrikking voor oogen valt wachten moeilijk. Zij, die van vermoeidheid waren ingeslapen, werden met een gevoel van onrust weer wakker.„Laten we wegroeien!” zeiden ze. „Waarom roeien we niet weg?”De anderen schudden het hoofd. „We moeten morgen wat eten opvisschen. Met het beetje brood, dat we hebben, houden we het geen dag uit.”Maar de vragers waren niet tevredengesteld. „Wat hebben we aan eten, als de zee gaat aanloopen en de jol aan stukken slaat? Nu is het goed weer; laten we naar land zoeken!”„We moeten wachten! Bevel van de schipper!”Dan werd er een tijdje gezwegen.—Maar een nacht is lang. Een kwartier later begon de onrust weer. „Laten we toch wegroeien! We zullen wel een paar dagen vasten! Misschien hebben we morgen al land. We zijn immers niet ver meer van Sumatra!”„We moeten wachten. De schipper heeft het gezeid.”„Nou ja.….”[237]„Wat: nou ja?! Ben jij soms een van die gluiperds, die er tusschen uit zijn gegaan?”„Als wij dat niet gedaan hadden, waren jullie met z’n allen voor de haaien geweest!”„Toch was het smerig!”„Weet je, watiksmerig vind? Dat jullie er ons onderdoor wouden halen!”„Dat was je verdiende loon geweest!”„Maar het zat jullie toch niet glad, hè?”„Kom”, zeurt een ander, „maak geen herrie! Laten we nou wegroeien!”„Neen”, koppen een paar oomes, „de schipper heeft gezegd: neen.”Nieuw zwijgen. De minuten kruipen.Ineens vloekt er een oome, steekt de riemen uit en begint te roeien. En daarmee is de ban verbroken, die van ’s schippers woord uitging. Allen, die nog macht over hun lichaam hebben, grijpen een riem.Waarheen? Naar land! Waar ligt dat? Niemand, die het weet. Maar het roeien drukt de onrust den kop in. Roeien, jongens! Roeien! Niemand houdt het stuur.Enkelen worden wakker, ontwakend uit een nachtmerrie. „Waar zijn we?!”„In de jol.”„In de jol?” Even zwijgen. De vrager schijnt zijn herinnering wakker te roepen. „En waar gaan we nou heen?”„Naar Sumatra.”„Waar legt dat?”„Vlak bij. Pas maar op, straks val je er nog over!”Zwijgen. Stug roeien de kerels voort.„Hein”, vraagt er een met zwakke stem, „was jij dat, Hein?”„Ja, Kalle. Waar lig je?”„Voorin.—’k Heb zoo’n pijn.….”„’t Zal wel klaren, Kalle.Ikheb een verbrande poot.”„Hou hem in het water.—Zouwen we ver van land zijn, Hein?”[238]„Ben je gek? Morgen, als het licht is, zien we ’t misschien wel. Wacht maar, Kalle, als ’t licht is, morgen.….!”De roeiers zuchten, halen de riemen aan.Platsch!—Platsch!—Platsch!Gezonken zeventiende-eeuws zeilschip.[239]

[Inhoud]BRAND!Duivelsch uitziend hoofd.Den negenden dag, dat deNieuw-Hoornvoor Sante-Marie lag, waren allen genezen. En men ging welgemoed onder zeil, vertrouwende, dat de voorraad versch voedsel toereikend zou zijn. Men koerste eerst Zuid-Oostwaarts tot op 33° en wendde den steven daarna Noord-Oost naar Straat Soenda.Het waren mooie, stille dagen. De maats hadden de handen vol met het onderhoud van het pluimvee. Maar heel hun leven hadden de oomes niet zooveel eitjes gepeuzeld.Padde werd in den loop der weken zelf zoo rond als een ei. Men ried hem wat beweging aan. Zuchtend besloot Padde het werkje over te nemen, dat tot nu toe de Schele altijd had verricht, namelijk ’s middags met een vaatje in den kelder te gaan en dat vol te pompen, ten einde den volgenden morgen allen oomes een half „mutseke” te kunnen verstrekken.Joppie kreeg spreeklessen. Een kreet van blijde verrassing ging onder de oomes op, toen hij duidelijk verstaanbaar: Hajo! krijschte. Maar nu bleek, dat Joppie al niet veel beter was dan de menschen: ook hij stelde zijn kennis in dienst van het booze. Hij riep zijn meester den ganschen dag, liefst barsch, bevelend, zooals Berentsz. het deed, dan weer lokkend, vleiend, of angstig, opgewonden, als wilde hij zeggen: Kerel, je bent me toch niet overboord gevallen?—Zoo kwam Hajo soms buiten adem aanhollen om te vragen wat de bootsman van hem wou, en vond dan, in plaats van een grimmigen Folkert Berentsz., een allervriendelijksten Joppie, die hem den kop toestak om gekrauwd te worden. Alle maats, die den leergierigen vogel hun naam wisten in te pompen, kregen er spijt van als haren op het hoofd.[228]Joppie leerde ook zijn eigen naam en toonde in het uitspreken ervan een groote mate van zelfingenomenheid. De maats wisten niet waar ze bleven van het lachen, wanneer Joppie zijn naam in alle toonaarden, den een nog vleiender en liefelijker dan de andere, uitgalmde.Gerrit was tevreden over zijn pleegkind. Hij had aanvankelijk wel wat raar tegen den krommen snavel en de bonte pluimage van den jongen „torenkraai” aangekeken, maar nu herkende hij in de wijze, waarop Joppie: Ka! kon zeggen, toch duidelijk een rasgenoot.Toen de oomes vonden, dat Joppie meer dan wijs genoeg was, nam Padde de taak over om Joppie’s leergierigheid te bevredigen.„Vooruit!” zei Padde, „zeg nou eens: Padde Kelemeijn!”Joppie keek hem pienter aan. „’t Is een merakel!” meende het dier toen.„Vooruit!” mopperde zijn leermeester. „Padde Kelemeijn! Zeg het dan, stommeling!”Joppie hield z’n kop schuin, luisterde vol aandacht. Toen keek hij Padde trouwhartig aan en schetterde: „Stommeling!”„Je bent zelf een stommeling!” gromde Padde, die rood werd van drift.„Kletskoek”, verklaarde de vogel en keek luchthartig naar boven.Padde staarde het dier met opengespalkte oogen sprakeloos aan, keerde zich toen om en nam zich voor, geen woord meer aan het mormel te verspillen.Zoo kwam een dag, die den mannen van deNieuw-Hoornlang heugen zou: de negentiendeNovembervan het jaar 1619.Naar gewoonte begaf Padde zich in den namiddag naar den kelder, daalde met zijn kaars het korte trapje af en plaatste het licht op een volle ton, om de handen vrij te hebben voor het pompen.„Mallemallemootje,Zeven in een bootje;Mallemallemootje, mallemallemoer,Zes aan de riemen en een aan het roer!”[229]zong Padde, blijgemoed pompende. Het vaatje was vol; Padde bevrijdde met zwierigen greep de kaars, die hij op de ton had vastgesmolten. Toen viel—kon het ongelukkiger?—het gloeiend eindje der kaarsepit in het spongat; de brandewijn daarbinnen vatte vuur; de duigen scheurden met een doffen knal uiteen, en de brandende vloeistof dekte ineens den geheelen kelderbodem. Met een schreeuw vloog onze botteliersmaat het laddertje op, zag twee putsen water staan, waarmee Hajo en Rolf aan het dekschrobben waren, greep de putsen en keerde ze boven het luik uit.Naar gewoonte begaf Padde zich....Naargewoonte begaf Padde zich.…„Padde! Wat is er?!”De arme dikzak wilde wat stamelen, maar het was niet meer noodig: het sissen, knetteren en de wolk verdampt water, die uit het luik opsloeg, zeiden genoeg.„Brand!Brand!!!”Dat werkte. Van alle kanten kwamen de maats met verschrikte gezichten aanhollen, sommigen al met volle putsen. „Wáár is de brand?!”„In de kelder!!” Angst en opwinding trilden door aller stem. In razende haast zocht men naar putsen. Heele plassen water werden door het luik geworpen.Folkert Berentsz. klauterde, nadat men wel een honderd emmers water had leeggeworpen, den kelder in en kon daar gelukkig geen brand meer ontdekken. Intusschen had Bontekoe zich naar het ruim gehaast, waar, zooals hij terecht vermoedde, plassen brandend vocht den bodem dekten. Hij riep om putsen. Na een tiental te hebben leeggegoten, scheen ook daar de brand gebluscht.[230]Een zucht van verlichting ging op, toen men hoorde, dat de smidskolen niet door het vuur waren aangetast. Nog hijgend van opwinding, besprak men het gevaar, dat gedreigd had. Als de brand tot in den kruitkelder was doorgedrongen.….„Padde!” werd er geroepen. „In de kajuit komen!”De arme jongen trilde over al zijn leden. Ongemerkt wist hij door een luik in het ruim te glippen. Daar was het stikdonker; tastend daalde hij het steile trapje af. Beneden gekomen, wankelde hij naar een hoop touw, ging zitten, borg het hoofd in de handen en schreide, schreide.….Stil! Wat hoorde hij daar?! Met bonzend hart luisterde Padde. Hij durfde de oogen haast niet te openen in dit griezelig donker. Krak! Knaps! Kritsch! Klappertandend richtte Padde het hoofd op. Was het een koortsschim? Daar, aan den anderen kant van het ruim, laaiden groote vlammen op! Een zwavelige lucht drong Padde in den neus. Groote God.….! De kolen brandden.….!!Met een schreeuw vloog Padde naar de ladder. „De kolen …! Dek-kolen!!!Een nieuwe paniek. „De kolen?! Branden de kolen?!!”Een paar kloeke maats zijn het eerst weer het ruim in, gewapend met putsen water, die ze hijgend leegkletsen over de brandende kolen. Gesis van heb-ik-jou-daar; gele zwaveldampen barsten uit den gloeienden berg te voorschijn, en in een oogwenk is de lucht in het ruim zoo benauwend, dat men het er geen twee minuten kan uithouden.Maar de kerels zijn taai. Altijd opnieuw dalen ze met volle putsen langs het smalle laddertje in het ruim af, banen zich een weg in het verpeste zwavelhok, werpen het water over de kolen en zoeken tuimelend, vloekend, met betraande oogen den weg terug naar het laddertje. Hoevelen vinden den weg? Hoevelen zakken bedwelmd, reeds half verstikt ineen, na in radeloozen angst heen en weer gerend te zijn?Bontekoe leidt zelf het werk,—tot zijn stem versmoort, en hij wankelend de ladder op vlucht. Maar een minuut later is hij weer beneden. „Moed, jongens!”Men kapt gaten in het tusschendek, werpt ontzaggelijke hoeveelheden water in het ruim. Zou het helpen? De planken[231]bodem onder de voeten wordt steeds heeter; de maats springen als zandvlooien rond, moeten om den haverklap hun half verschroeide voetzolen koelen in de putsen water, die ze aandragen.Zou men het kruit overboord werpen? De kans om in deze streken een Spaansch schip te ontmoeten is bedenkelijk groot. Zonder kruit aan boord zou men verloren zijn. Nu, met het wegwerpen van het kruit dan maar tot het uiterste gewacht.Hou vast, mannen!Maar er waren verraders. Wetende, dat de jol en de sloep achter het schip aansleepten, (de jol was sinds het vertrek van Sante-Marie nog niet binnengehaald, en de sloep was daareven uitgezet, omdat ze bij het bluschwerk in den weg stond) hadden enkelen het voor raadzaam gehouden zich overboord te laten glijden, naar de jol of de sloep te zwemmen en zich onder de banken te verbergen. De koopman, die juist naar de kajuit ging om in elk geval reeds zijn voornaamste papieren bijeen te binden, zag juist een kerel de jol inkruipen. „Wat heeft dat te beteekenen!” schreeuwde hij.„Kom ook in de booten, Koopman!” riepen de maats. „Temet vliegt de heele kast aan gruzelementen!”„Als jullie niet terugkomt, waarschuw ik de schipper!” riep Hein Rol driftig.„Dan kappen wij de touwen door!”„Schurken!” was Rol’s verontwaardigd antwoord.„Ga je mee of niet?” werd er uit de jol geroepen.De koopman weifelde even, maakte een onwillig gebaar. „Ik kom!” riep hij toen norsch. En hij spoedde zich naar de kajuit om zijn paperassen.Want kostbaarder dan zijn eer, waren hem zijn papieren.Toen hij zich langs een touw in de jol had laten glijden, kapten de maats de booten vrij. „Roeien jullie weg?!” vroeg Rol verschrikt.„Neen, waarachtig niet, we zullen in de buurt blijven om te helpen. Maar zoo meteen vliegt de boel aan stukken, dan moeten wij buiten schot zijn.”De koopman zweeg, keek met bezorgd gelaat naar het schip, waaruit een vuil-gele rook opwervelde, die masten en touwen[232]aan het oog onttrok. „’t Is gekkenwerk om nog aan blusschen te denken!” zei hij, om zijn geweten gerust te stellen. En hij blies zich in de bleeke handen, die geschaafd waren door het omlaagglijden langs het touw.Op het schip vochten de anderen. Met toegeknepen oogen gaven de mannen elkaar de volle putsen over. Hou vast, jongens!!Daar kwam de barbier aanhollen. „Schipper! De booten zijn weg!!”De mannen zijn verlamd van schrik. „De booten weg?!!” Alles vliegt naar de verschansing. Daar drijven de booten!! Een stomme woede maakt zich van de verlatenen meester.„Schipper! Watnou??!”Zóó hebben de mannen hun schipper nog nooit gezien. Het open zeemansgelaat is plots vertrokken van toorn en smart. „Haal de zeilen om, mannen! We zullen ze onder de kiel stroopen!”Smart over de wonde, die hun makkers hun geslagen hebben, doet de maats het want invliegen en, tastend in den groezeligen rook, met opeengeklemde tanden de zeilen krap zetten. Zoo koerst men recht op de booten af.Daar schijnt het dreigend gevaar vermoed te worden. De kerels roeien als dollen, steken drie scheepslengten voor deNieuw-Hoornover, den boeg in den wind, zoodat ze niet achtervolgd kunnen worden.„Wel, laat hun geweten hen dan straffen!” roept de schipper. „Nu het kruit maar overboord, mannen! De schuit drijft nog! Als we er aangaan,—dan met z’n allen!”„Leve Bontekoe!!!” brullen de oomes, al is het alleen maar om den laffen kameraden daarginds te laten hooren, dat er nog kerels zijn, dienietin de booten kruipen, als de schuit in gevaar is. Grimmig pakken ze met hun verweerde knuisten de tonnetjes kruit, werpen ze van man tot man en zoo overboord. Op Bontekoe’s bevel laten de maats, die met timmergerei weten om te gaan, zich over de verschansing zakken, om onder het zee-oppervlak gaten in den scheepswand te boren. De schipper wil het ruim een paar vadem vol laten loopen en zoo den brand[233]van onderen blusschen. Maar vergeefs zet men de boren in het hout: de wand zit vol ijzerwerk. Dan maar weer met putsen aan het werk!Hoei!! De vlammentongen lekken al uit een der luiken. Dat is de duivel, die er uit loert! Smijt hem den kop in!In koortsige opwinding komen de mannen met water aandragen.Maar hoogerop laait de vlam, en vreemd.…. het kraken, knetteren, barsten, piepen houdt op. Zachtjes loeiend steekt het vuur een lange, roode tong uit de luiken.„De olie brandt!!!”Met verlamming geslagen laten de oomes de armen zinken; dikke tranen rollen den gebruinden kerels over de wangen.„Water!” roept een stem.Flang! daar gaan de putsen weer rond. Al gietende en de voeten koelende, grienen de oomes als kinderen. Maar opgeven? Ho maar! Hollandsche jongens, wâ-blief?! Grienen kan geen kwaad: tranen zijn ook water en helpen blusschen. Met hun bloote pooten staan ze schrap op het gloeiend heete dek.Een der dapperste voorwerkers, die koppig, oogen en lippen saamgeperst, in rook en damp te ploeteren stond.…. was Padde.Hij boette zijn schuld.En men werkte. De wanhoop in het hart,—maar men werkte. Tot.….! Met verdoovend gekraak begaf zich het achterdek, en gillend stortte een handvol wakkere vrienden in de vuurzee. Hei!!! Hoe stoven de vonken tot hoog boven de masten uit! En de vlammen sloegen tegen de ra’s op, grepen de zeilen aanenzonden de blanke vleugels van deNieuw-Hoornverzengd, wijd uitlaaiend omhoog. De gescheurde kabels vielen slap neer in den vuurgloed en dienden duizend kleine vlammetjes tot ladder.De vlag moest veroverd worden! Op, vlammen! Haalt het neer, dat dartele, bonte doekske!Daar reet een vlam het omlaag en roofde het zijn kleuren. Danst nu, vlammen! Danst; de vlag is ons, danst, danst![234]Hajo, Rolf en Padde stonden bij den grooten mast. Verderop begon het dek door te buigen; er schoten bruine schroeivlekken in.…. Toen sleurde Rolf zijn beide makkers naar de verschansing. „Het water in!” siste hij tusschen de tanden. De verbouwereerde knapen volgden klakkeloos het bevel op.Velen waren Rolf nagesneld en ook pardoes in zee gesprongen. Anderen hadden, verlamd van schrik, niet zoo snel een besluit kunnen vatten en zonken nu weg in de vlammen.Toen gebeurde het. Een ontzettende slag, een helsch gekraak, een prikkelend-scherpe lucht, versmoorde kreten, angstig geloei van het vee.…. Het kruit had vlam gevat.Een nieuwe ontploffing! DeNieuw-Hoornscheurde uiteen; masten, planken, menschen, dieren en brokstukken ervan vlogen de lucht in. Sissend, krakend, hoog opstuwend de kolommen zwarte rook en gouden vonken, kantelden de brokstukken van het gescheurde schip weer tegen elkaar en.…. zonken in de golven weg.De mannen in de boot keken rillend toe.Was het mogelijk?! Was deNieuw-Hoorn, hun prachtig schip, vergaan?! Die zwarte wolk tegen den bloedrooden avondhemel.…. was dat alles, wat er van restte?!—Neen! Daar dreven op het water stukken mast, kisten, balken, en op die stukken mast, die kisten en balken klemden zich levende wezens. Te hulp! De handen aan de riemen!!Van onze drie Hoornsche vrienden was het Hajo, die het eerst zijn bezinning terugvond. Hij zag den bezaansmast drijven en werkte zich er op. Snel denkend en handelend, wierp hij Padde, die zich aan een langzaam volloopende houten bak had vastgeklemd, een masttouw toe. Padde zag het, tastte er naar, maar vond het niet. Hajo trok het touw in en wierp het opnieuw. Ditmaal wist Padde het te grijpen, liet zich naar zijn makker trekken en pakte hem kreunend bij de knieën. „Hajo.…. o, God, Hajo.….!”„Klim op de mast!”„Ik kan niet meer.….!”Met inspanning van alle krachten wist Hajo zijn vriend schrijlings op den mast te krijgen. Snikkend leunde Padde het[235]hoofd tegen Hajo’s schouder.—Nu Rolf! Groote God, waar zou Rolf zijn! In radeloozen angst keek Hajo rond. Verderop, buiten zijn bereik, worstelden een paar maats met de golven. Hier en daar werkten zich in de schemering gestalten op stengen, planken, tonnen of brokken mast. „Rolf! Rolf!! Rolf!!!”„Hajo!”Goddank! Rolf had zich op een mastkorf gered.—Waar waren de booten? Te ver om ze te beroepen. In de halve duisternis was het niet mogelijk te zien, of ze hier vandaan, dan wel hier naar toe roeiden. „Boot ahoy! Ahoy!”„Hajo.….!” kermde Padde.„Moed, Padde!” Hajo sloot zelf even de oogen om wat rust te vinden. Langzaam vloeiden de tranen over zijn wangen. Toen hij de oogen opsloeg, was de jol tot op een vijftig voet genaderd. Dichterbij kon ze niet komen door de vele, zware brokstukken, die overal ronddreven. Hajo mat den afstand tot de jol. Zou hij het halen? „Blijf hier zitten, Padde! Hou je goed vast!”„O, God, Hajo.…. je gaat toch niet weg? Hajo.….?!”Hajo beet de lippen opeen, liet zich van den mast glijden en zwom in de richting van de jol. Maar onderweg werden zijn armen zwaar als lood.….Daar werd hem een touw toegeworpen. Hij greep het en liet zich naar de jol trekken. „Neen!” hijgde hij, toen de oomes hem binnen boord wilden halen, „ik rust maar even. Geef me het.…. het touw mee.…. ik wil.…. ik.….” Zijn oogen sloten zich; zijn handen lieten den jolboord los; men kon hem nog net bijtijds grijpen en binnen boord halen.Toen sprong Bokje, de trompetter, met een loodlijn overboord, zwom naar Padde en liet zich samen met hem terugtrekken. Een tweede maat ging het water in en redde den Neus. Floorke kwam proestend, op eigen kracht aanplassen en begon den kerels in de jol de huid vol te schelden. Maar toen hij ze een voor een hun huid zag wagen om den haaien een drenkeling te ontrooven, zakte zijn gramschap weer een weinig. Men roeide de plaats rond, waar deNieuw-Hoornwas ondergegaan. Ten slotte geloofde men alle drenkelingen te hebben opgepikt. Velen verloren het bewustzijn terstond, wanneer ze[236]in de boot waren getrokken; anderen lagen nog van opwinding te schreien. Maar de schipper?! Waar was de schipper!!Daar verscheen Harmen’s kop aan bakboord. Hij liet zich in de jol trekken, spuwde een golf zeewater uit, wees verderop. „De sch.…. schipper!” Toen begaven zich zijn krachten.Men zag in de door Harmen aangeduide richting in het duister een wrakstuk drijven en daarop een gedaante. De jol werd zoo dicht mogelijk naar den drenkeling toegeroeid; Bokje, de beste zwemmer van allen, sprong weer met een lijn overboord, en, ja, even later kwam hij met den schipper terug, die in de jol getild en achter in de roef werd neergelegd. Goddank! „Geef ons raad, schipper! Wat moeten we doen?!”Met matte stem ried Bontekoe aan, dezen nacht nog bij het wrak te blijven en den volgenden morgen wat levensmiddelen op te hengelen, die overal ronddreven. Hevige pijnen deden hem spoedig het bewustzijn verliezen. Men roeide nog eens om de ongeluksplek heen, maar vond in het duister geen menschelijk wezen, dood of levend, meer. Toen haalde men de riemen in, om den morgen af te wachten.Maar met de verschrikking voor oogen valt wachten moeilijk. Zij, die van vermoeidheid waren ingeslapen, werden met een gevoel van onrust weer wakker.„Laten we wegroeien!” zeiden ze. „Waarom roeien we niet weg?”De anderen schudden het hoofd. „We moeten morgen wat eten opvisschen. Met het beetje brood, dat we hebben, houden we het geen dag uit.”Maar de vragers waren niet tevredengesteld. „Wat hebben we aan eten, als de zee gaat aanloopen en de jol aan stukken slaat? Nu is het goed weer; laten we naar land zoeken!”„We moeten wachten! Bevel van de schipper!”Dan werd er een tijdje gezwegen.—Maar een nacht is lang. Een kwartier later begon de onrust weer. „Laten we toch wegroeien! We zullen wel een paar dagen vasten! Misschien hebben we morgen al land. We zijn immers niet ver meer van Sumatra!”„We moeten wachten. De schipper heeft het gezeid.”„Nou ja.….”[237]„Wat: nou ja?! Ben jij soms een van die gluiperds, die er tusschen uit zijn gegaan?”„Als wij dat niet gedaan hadden, waren jullie met z’n allen voor de haaien geweest!”„Toch was het smerig!”„Weet je, watiksmerig vind? Dat jullie er ons onderdoor wouden halen!”„Dat was je verdiende loon geweest!”„Maar het zat jullie toch niet glad, hè?”„Kom”, zeurt een ander, „maak geen herrie! Laten we nou wegroeien!”„Neen”, koppen een paar oomes, „de schipper heeft gezegd: neen.”Nieuw zwijgen. De minuten kruipen.Ineens vloekt er een oome, steekt de riemen uit en begint te roeien. En daarmee is de ban verbroken, die van ’s schippers woord uitging. Allen, die nog macht over hun lichaam hebben, grijpen een riem.Waarheen? Naar land! Waar ligt dat? Niemand, die het weet. Maar het roeien drukt de onrust den kop in. Roeien, jongens! Roeien! Niemand houdt het stuur.Enkelen worden wakker, ontwakend uit een nachtmerrie. „Waar zijn we?!”„In de jol.”„In de jol?” Even zwijgen. De vrager schijnt zijn herinnering wakker te roepen. „En waar gaan we nou heen?”„Naar Sumatra.”„Waar legt dat?”„Vlak bij. Pas maar op, straks val je er nog over!”Zwijgen. Stug roeien de kerels voort.„Hein”, vraagt er een met zwakke stem, „was jij dat, Hein?”„Ja, Kalle. Waar lig je?”„Voorin.—’k Heb zoo’n pijn.….”„’t Zal wel klaren, Kalle.Ikheb een verbrande poot.”„Hou hem in het water.—Zouwen we ver van land zijn, Hein?”[238]„Ben je gek? Morgen, als het licht is, zien we ’t misschien wel. Wacht maar, Kalle, als ’t licht is, morgen.….!”De roeiers zuchten, halen de riemen aan.Platsch!—Platsch!—Platsch!Gezonken zeventiende-eeuws zeilschip.[239]

[Inhoud]BRAND!Duivelsch uitziend hoofd.Den negenden dag, dat deNieuw-Hoornvoor Sante-Marie lag, waren allen genezen. En men ging welgemoed onder zeil, vertrouwende, dat de voorraad versch voedsel toereikend zou zijn. Men koerste eerst Zuid-Oostwaarts tot op 33° en wendde den steven daarna Noord-Oost naar Straat Soenda.Het waren mooie, stille dagen. De maats hadden de handen vol met het onderhoud van het pluimvee. Maar heel hun leven hadden de oomes niet zooveel eitjes gepeuzeld.Padde werd in den loop der weken zelf zoo rond als een ei. Men ried hem wat beweging aan. Zuchtend besloot Padde het werkje over te nemen, dat tot nu toe de Schele altijd had verricht, namelijk ’s middags met een vaatje in den kelder te gaan en dat vol te pompen, ten einde den volgenden morgen allen oomes een half „mutseke” te kunnen verstrekken.Joppie kreeg spreeklessen. Een kreet van blijde verrassing ging onder de oomes op, toen hij duidelijk verstaanbaar: Hajo! krijschte. Maar nu bleek, dat Joppie al niet veel beter was dan de menschen: ook hij stelde zijn kennis in dienst van het booze. Hij riep zijn meester den ganschen dag, liefst barsch, bevelend, zooals Berentsz. het deed, dan weer lokkend, vleiend, of angstig, opgewonden, als wilde hij zeggen: Kerel, je bent me toch niet overboord gevallen?—Zoo kwam Hajo soms buiten adem aanhollen om te vragen wat de bootsman van hem wou, en vond dan, in plaats van een grimmigen Folkert Berentsz., een allervriendelijksten Joppie, die hem den kop toestak om gekrauwd te worden. Alle maats, die den leergierigen vogel hun naam wisten in te pompen, kregen er spijt van als haren op het hoofd.[228]Joppie leerde ook zijn eigen naam en toonde in het uitspreken ervan een groote mate van zelfingenomenheid. De maats wisten niet waar ze bleven van het lachen, wanneer Joppie zijn naam in alle toonaarden, den een nog vleiender en liefelijker dan de andere, uitgalmde.Gerrit was tevreden over zijn pleegkind. Hij had aanvankelijk wel wat raar tegen den krommen snavel en de bonte pluimage van den jongen „torenkraai” aangekeken, maar nu herkende hij in de wijze, waarop Joppie: Ka! kon zeggen, toch duidelijk een rasgenoot.Toen de oomes vonden, dat Joppie meer dan wijs genoeg was, nam Padde de taak over om Joppie’s leergierigheid te bevredigen.„Vooruit!” zei Padde, „zeg nou eens: Padde Kelemeijn!”Joppie keek hem pienter aan. „’t Is een merakel!” meende het dier toen.„Vooruit!” mopperde zijn leermeester. „Padde Kelemeijn! Zeg het dan, stommeling!”Joppie hield z’n kop schuin, luisterde vol aandacht. Toen keek hij Padde trouwhartig aan en schetterde: „Stommeling!”„Je bent zelf een stommeling!” gromde Padde, die rood werd van drift.„Kletskoek”, verklaarde de vogel en keek luchthartig naar boven.Padde staarde het dier met opengespalkte oogen sprakeloos aan, keerde zich toen om en nam zich voor, geen woord meer aan het mormel te verspillen.Zoo kwam een dag, die den mannen van deNieuw-Hoornlang heugen zou: de negentiendeNovembervan het jaar 1619.Naar gewoonte begaf Padde zich in den namiddag naar den kelder, daalde met zijn kaars het korte trapje af en plaatste het licht op een volle ton, om de handen vrij te hebben voor het pompen.„Mallemallemootje,Zeven in een bootje;Mallemallemootje, mallemallemoer,Zes aan de riemen en een aan het roer!”[229]zong Padde, blijgemoed pompende. Het vaatje was vol; Padde bevrijdde met zwierigen greep de kaars, die hij op de ton had vastgesmolten. Toen viel—kon het ongelukkiger?—het gloeiend eindje der kaarsepit in het spongat; de brandewijn daarbinnen vatte vuur; de duigen scheurden met een doffen knal uiteen, en de brandende vloeistof dekte ineens den geheelen kelderbodem. Met een schreeuw vloog onze botteliersmaat het laddertje op, zag twee putsen water staan, waarmee Hajo en Rolf aan het dekschrobben waren, greep de putsen en keerde ze boven het luik uit.Naar gewoonte begaf Padde zich....Naargewoonte begaf Padde zich.…„Padde! Wat is er?!”De arme dikzak wilde wat stamelen, maar het was niet meer noodig: het sissen, knetteren en de wolk verdampt water, die uit het luik opsloeg, zeiden genoeg.„Brand!Brand!!!”Dat werkte. Van alle kanten kwamen de maats met verschrikte gezichten aanhollen, sommigen al met volle putsen. „Wáár is de brand?!”„In de kelder!!” Angst en opwinding trilden door aller stem. In razende haast zocht men naar putsen. Heele plassen water werden door het luik geworpen.Folkert Berentsz. klauterde, nadat men wel een honderd emmers water had leeggeworpen, den kelder in en kon daar gelukkig geen brand meer ontdekken. Intusschen had Bontekoe zich naar het ruim gehaast, waar, zooals hij terecht vermoedde, plassen brandend vocht den bodem dekten. Hij riep om putsen. Na een tiental te hebben leeggegoten, scheen ook daar de brand gebluscht.[230]Een zucht van verlichting ging op, toen men hoorde, dat de smidskolen niet door het vuur waren aangetast. Nog hijgend van opwinding, besprak men het gevaar, dat gedreigd had. Als de brand tot in den kruitkelder was doorgedrongen.….„Padde!” werd er geroepen. „In de kajuit komen!”De arme jongen trilde over al zijn leden. Ongemerkt wist hij door een luik in het ruim te glippen. Daar was het stikdonker; tastend daalde hij het steile trapje af. Beneden gekomen, wankelde hij naar een hoop touw, ging zitten, borg het hoofd in de handen en schreide, schreide.….Stil! Wat hoorde hij daar?! Met bonzend hart luisterde Padde. Hij durfde de oogen haast niet te openen in dit griezelig donker. Krak! Knaps! Kritsch! Klappertandend richtte Padde het hoofd op. Was het een koortsschim? Daar, aan den anderen kant van het ruim, laaiden groote vlammen op! Een zwavelige lucht drong Padde in den neus. Groote God.….! De kolen brandden.….!!Met een schreeuw vloog Padde naar de ladder. „De kolen …! Dek-kolen!!!Een nieuwe paniek. „De kolen?! Branden de kolen?!!”Een paar kloeke maats zijn het eerst weer het ruim in, gewapend met putsen water, die ze hijgend leegkletsen over de brandende kolen. Gesis van heb-ik-jou-daar; gele zwaveldampen barsten uit den gloeienden berg te voorschijn, en in een oogwenk is de lucht in het ruim zoo benauwend, dat men het er geen twee minuten kan uithouden.Maar de kerels zijn taai. Altijd opnieuw dalen ze met volle putsen langs het smalle laddertje in het ruim af, banen zich een weg in het verpeste zwavelhok, werpen het water over de kolen en zoeken tuimelend, vloekend, met betraande oogen den weg terug naar het laddertje. Hoevelen vinden den weg? Hoevelen zakken bedwelmd, reeds half verstikt ineen, na in radeloozen angst heen en weer gerend te zijn?Bontekoe leidt zelf het werk,—tot zijn stem versmoort, en hij wankelend de ladder op vlucht. Maar een minuut later is hij weer beneden. „Moed, jongens!”Men kapt gaten in het tusschendek, werpt ontzaggelijke hoeveelheden water in het ruim. Zou het helpen? De planken[231]bodem onder de voeten wordt steeds heeter; de maats springen als zandvlooien rond, moeten om den haverklap hun half verschroeide voetzolen koelen in de putsen water, die ze aandragen.Zou men het kruit overboord werpen? De kans om in deze streken een Spaansch schip te ontmoeten is bedenkelijk groot. Zonder kruit aan boord zou men verloren zijn. Nu, met het wegwerpen van het kruit dan maar tot het uiterste gewacht.Hou vast, mannen!Maar er waren verraders. Wetende, dat de jol en de sloep achter het schip aansleepten, (de jol was sinds het vertrek van Sante-Marie nog niet binnengehaald, en de sloep was daareven uitgezet, omdat ze bij het bluschwerk in den weg stond) hadden enkelen het voor raadzaam gehouden zich overboord te laten glijden, naar de jol of de sloep te zwemmen en zich onder de banken te verbergen. De koopman, die juist naar de kajuit ging om in elk geval reeds zijn voornaamste papieren bijeen te binden, zag juist een kerel de jol inkruipen. „Wat heeft dat te beteekenen!” schreeuwde hij.„Kom ook in de booten, Koopman!” riepen de maats. „Temet vliegt de heele kast aan gruzelementen!”„Als jullie niet terugkomt, waarschuw ik de schipper!” riep Hein Rol driftig.„Dan kappen wij de touwen door!”„Schurken!” was Rol’s verontwaardigd antwoord.„Ga je mee of niet?” werd er uit de jol geroepen.De koopman weifelde even, maakte een onwillig gebaar. „Ik kom!” riep hij toen norsch. En hij spoedde zich naar de kajuit om zijn paperassen.Want kostbaarder dan zijn eer, waren hem zijn papieren.Toen hij zich langs een touw in de jol had laten glijden, kapten de maats de booten vrij. „Roeien jullie weg?!” vroeg Rol verschrikt.„Neen, waarachtig niet, we zullen in de buurt blijven om te helpen. Maar zoo meteen vliegt de boel aan stukken, dan moeten wij buiten schot zijn.”De koopman zweeg, keek met bezorgd gelaat naar het schip, waaruit een vuil-gele rook opwervelde, die masten en touwen[232]aan het oog onttrok. „’t Is gekkenwerk om nog aan blusschen te denken!” zei hij, om zijn geweten gerust te stellen. En hij blies zich in de bleeke handen, die geschaafd waren door het omlaagglijden langs het touw.Op het schip vochten de anderen. Met toegeknepen oogen gaven de mannen elkaar de volle putsen over. Hou vast, jongens!!Daar kwam de barbier aanhollen. „Schipper! De booten zijn weg!!”De mannen zijn verlamd van schrik. „De booten weg?!!” Alles vliegt naar de verschansing. Daar drijven de booten!! Een stomme woede maakt zich van de verlatenen meester.„Schipper! Watnou??!”Zóó hebben de mannen hun schipper nog nooit gezien. Het open zeemansgelaat is plots vertrokken van toorn en smart. „Haal de zeilen om, mannen! We zullen ze onder de kiel stroopen!”Smart over de wonde, die hun makkers hun geslagen hebben, doet de maats het want invliegen en, tastend in den groezeligen rook, met opeengeklemde tanden de zeilen krap zetten. Zoo koerst men recht op de booten af.Daar schijnt het dreigend gevaar vermoed te worden. De kerels roeien als dollen, steken drie scheepslengten voor deNieuw-Hoornover, den boeg in den wind, zoodat ze niet achtervolgd kunnen worden.„Wel, laat hun geweten hen dan straffen!” roept de schipper. „Nu het kruit maar overboord, mannen! De schuit drijft nog! Als we er aangaan,—dan met z’n allen!”„Leve Bontekoe!!!” brullen de oomes, al is het alleen maar om den laffen kameraden daarginds te laten hooren, dat er nog kerels zijn, dienietin de booten kruipen, als de schuit in gevaar is. Grimmig pakken ze met hun verweerde knuisten de tonnetjes kruit, werpen ze van man tot man en zoo overboord. Op Bontekoe’s bevel laten de maats, die met timmergerei weten om te gaan, zich over de verschansing zakken, om onder het zee-oppervlak gaten in den scheepswand te boren. De schipper wil het ruim een paar vadem vol laten loopen en zoo den brand[233]van onderen blusschen. Maar vergeefs zet men de boren in het hout: de wand zit vol ijzerwerk. Dan maar weer met putsen aan het werk!Hoei!! De vlammentongen lekken al uit een der luiken. Dat is de duivel, die er uit loert! Smijt hem den kop in!In koortsige opwinding komen de mannen met water aandragen.Maar hoogerop laait de vlam, en vreemd.…. het kraken, knetteren, barsten, piepen houdt op. Zachtjes loeiend steekt het vuur een lange, roode tong uit de luiken.„De olie brandt!!!”Met verlamming geslagen laten de oomes de armen zinken; dikke tranen rollen den gebruinden kerels over de wangen.„Water!” roept een stem.Flang! daar gaan de putsen weer rond. Al gietende en de voeten koelende, grienen de oomes als kinderen. Maar opgeven? Ho maar! Hollandsche jongens, wâ-blief?! Grienen kan geen kwaad: tranen zijn ook water en helpen blusschen. Met hun bloote pooten staan ze schrap op het gloeiend heete dek.Een der dapperste voorwerkers, die koppig, oogen en lippen saamgeperst, in rook en damp te ploeteren stond.…. was Padde.Hij boette zijn schuld.En men werkte. De wanhoop in het hart,—maar men werkte. Tot.….! Met verdoovend gekraak begaf zich het achterdek, en gillend stortte een handvol wakkere vrienden in de vuurzee. Hei!!! Hoe stoven de vonken tot hoog boven de masten uit! En de vlammen sloegen tegen de ra’s op, grepen de zeilen aanenzonden de blanke vleugels van deNieuw-Hoornverzengd, wijd uitlaaiend omhoog. De gescheurde kabels vielen slap neer in den vuurgloed en dienden duizend kleine vlammetjes tot ladder.De vlag moest veroverd worden! Op, vlammen! Haalt het neer, dat dartele, bonte doekske!Daar reet een vlam het omlaag en roofde het zijn kleuren. Danst nu, vlammen! Danst; de vlag is ons, danst, danst![234]Hajo, Rolf en Padde stonden bij den grooten mast. Verderop begon het dek door te buigen; er schoten bruine schroeivlekken in.…. Toen sleurde Rolf zijn beide makkers naar de verschansing. „Het water in!” siste hij tusschen de tanden. De verbouwereerde knapen volgden klakkeloos het bevel op.Velen waren Rolf nagesneld en ook pardoes in zee gesprongen. Anderen hadden, verlamd van schrik, niet zoo snel een besluit kunnen vatten en zonken nu weg in de vlammen.Toen gebeurde het. Een ontzettende slag, een helsch gekraak, een prikkelend-scherpe lucht, versmoorde kreten, angstig geloei van het vee.…. Het kruit had vlam gevat.Een nieuwe ontploffing! DeNieuw-Hoornscheurde uiteen; masten, planken, menschen, dieren en brokstukken ervan vlogen de lucht in. Sissend, krakend, hoog opstuwend de kolommen zwarte rook en gouden vonken, kantelden de brokstukken van het gescheurde schip weer tegen elkaar en.…. zonken in de golven weg.De mannen in de boot keken rillend toe.Was het mogelijk?! Was deNieuw-Hoorn, hun prachtig schip, vergaan?! Die zwarte wolk tegen den bloedrooden avondhemel.…. was dat alles, wat er van restte?!—Neen! Daar dreven op het water stukken mast, kisten, balken, en op die stukken mast, die kisten en balken klemden zich levende wezens. Te hulp! De handen aan de riemen!!Van onze drie Hoornsche vrienden was het Hajo, die het eerst zijn bezinning terugvond. Hij zag den bezaansmast drijven en werkte zich er op. Snel denkend en handelend, wierp hij Padde, die zich aan een langzaam volloopende houten bak had vastgeklemd, een masttouw toe. Padde zag het, tastte er naar, maar vond het niet. Hajo trok het touw in en wierp het opnieuw. Ditmaal wist Padde het te grijpen, liet zich naar zijn makker trekken en pakte hem kreunend bij de knieën. „Hajo.…. o, God, Hajo.….!”„Klim op de mast!”„Ik kan niet meer.….!”Met inspanning van alle krachten wist Hajo zijn vriend schrijlings op den mast te krijgen. Snikkend leunde Padde het[235]hoofd tegen Hajo’s schouder.—Nu Rolf! Groote God, waar zou Rolf zijn! In radeloozen angst keek Hajo rond. Verderop, buiten zijn bereik, worstelden een paar maats met de golven. Hier en daar werkten zich in de schemering gestalten op stengen, planken, tonnen of brokken mast. „Rolf! Rolf!! Rolf!!!”„Hajo!”Goddank! Rolf had zich op een mastkorf gered.—Waar waren de booten? Te ver om ze te beroepen. In de halve duisternis was het niet mogelijk te zien, of ze hier vandaan, dan wel hier naar toe roeiden. „Boot ahoy! Ahoy!”„Hajo.….!” kermde Padde.„Moed, Padde!” Hajo sloot zelf even de oogen om wat rust te vinden. Langzaam vloeiden de tranen over zijn wangen. Toen hij de oogen opsloeg, was de jol tot op een vijftig voet genaderd. Dichterbij kon ze niet komen door de vele, zware brokstukken, die overal ronddreven. Hajo mat den afstand tot de jol. Zou hij het halen? „Blijf hier zitten, Padde! Hou je goed vast!”„O, God, Hajo.…. je gaat toch niet weg? Hajo.….?!”Hajo beet de lippen opeen, liet zich van den mast glijden en zwom in de richting van de jol. Maar onderweg werden zijn armen zwaar als lood.….Daar werd hem een touw toegeworpen. Hij greep het en liet zich naar de jol trekken. „Neen!” hijgde hij, toen de oomes hem binnen boord wilden halen, „ik rust maar even. Geef me het.…. het touw mee.…. ik wil.…. ik.….” Zijn oogen sloten zich; zijn handen lieten den jolboord los; men kon hem nog net bijtijds grijpen en binnen boord halen.Toen sprong Bokje, de trompetter, met een loodlijn overboord, zwom naar Padde en liet zich samen met hem terugtrekken. Een tweede maat ging het water in en redde den Neus. Floorke kwam proestend, op eigen kracht aanplassen en begon den kerels in de jol de huid vol te schelden. Maar toen hij ze een voor een hun huid zag wagen om den haaien een drenkeling te ontrooven, zakte zijn gramschap weer een weinig. Men roeide de plaats rond, waar deNieuw-Hoornwas ondergegaan. Ten slotte geloofde men alle drenkelingen te hebben opgepikt. Velen verloren het bewustzijn terstond, wanneer ze[236]in de boot waren getrokken; anderen lagen nog van opwinding te schreien. Maar de schipper?! Waar was de schipper!!Daar verscheen Harmen’s kop aan bakboord. Hij liet zich in de jol trekken, spuwde een golf zeewater uit, wees verderop. „De sch.…. schipper!” Toen begaven zich zijn krachten.Men zag in de door Harmen aangeduide richting in het duister een wrakstuk drijven en daarop een gedaante. De jol werd zoo dicht mogelijk naar den drenkeling toegeroeid; Bokje, de beste zwemmer van allen, sprong weer met een lijn overboord, en, ja, even later kwam hij met den schipper terug, die in de jol getild en achter in de roef werd neergelegd. Goddank! „Geef ons raad, schipper! Wat moeten we doen?!”Met matte stem ried Bontekoe aan, dezen nacht nog bij het wrak te blijven en den volgenden morgen wat levensmiddelen op te hengelen, die overal ronddreven. Hevige pijnen deden hem spoedig het bewustzijn verliezen. Men roeide nog eens om de ongeluksplek heen, maar vond in het duister geen menschelijk wezen, dood of levend, meer. Toen haalde men de riemen in, om den morgen af te wachten.Maar met de verschrikking voor oogen valt wachten moeilijk. Zij, die van vermoeidheid waren ingeslapen, werden met een gevoel van onrust weer wakker.„Laten we wegroeien!” zeiden ze. „Waarom roeien we niet weg?”De anderen schudden het hoofd. „We moeten morgen wat eten opvisschen. Met het beetje brood, dat we hebben, houden we het geen dag uit.”Maar de vragers waren niet tevredengesteld. „Wat hebben we aan eten, als de zee gaat aanloopen en de jol aan stukken slaat? Nu is het goed weer; laten we naar land zoeken!”„We moeten wachten! Bevel van de schipper!”Dan werd er een tijdje gezwegen.—Maar een nacht is lang. Een kwartier later begon de onrust weer. „Laten we toch wegroeien! We zullen wel een paar dagen vasten! Misschien hebben we morgen al land. We zijn immers niet ver meer van Sumatra!”„We moeten wachten. De schipper heeft het gezeid.”„Nou ja.….”[237]„Wat: nou ja?! Ben jij soms een van die gluiperds, die er tusschen uit zijn gegaan?”„Als wij dat niet gedaan hadden, waren jullie met z’n allen voor de haaien geweest!”„Toch was het smerig!”„Weet je, watiksmerig vind? Dat jullie er ons onderdoor wouden halen!”„Dat was je verdiende loon geweest!”„Maar het zat jullie toch niet glad, hè?”„Kom”, zeurt een ander, „maak geen herrie! Laten we nou wegroeien!”„Neen”, koppen een paar oomes, „de schipper heeft gezegd: neen.”Nieuw zwijgen. De minuten kruipen.Ineens vloekt er een oome, steekt de riemen uit en begint te roeien. En daarmee is de ban verbroken, die van ’s schippers woord uitging. Allen, die nog macht over hun lichaam hebben, grijpen een riem.Waarheen? Naar land! Waar ligt dat? Niemand, die het weet. Maar het roeien drukt de onrust den kop in. Roeien, jongens! Roeien! Niemand houdt het stuur.Enkelen worden wakker, ontwakend uit een nachtmerrie. „Waar zijn we?!”„In de jol.”„In de jol?” Even zwijgen. De vrager schijnt zijn herinnering wakker te roepen. „En waar gaan we nou heen?”„Naar Sumatra.”„Waar legt dat?”„Vlak bij. Pas maar op, straks val je er nog over!”Zwijgen. Stug roeien de kerels voort.„Hein”, vraagt er een met zwakke stem, „was jij dat, Hein?”„Ja, Kalle. Waar lig je?”„Voorin.—’k Heb zoo’n pijn.….”„’t Zal wel klaren, Kalle.Ikheb een verbrande poot.”„Hou hem in het water.—Zouwen we ver van land zijn, Hein?”[238]„Ben je gek? Morgen, als het licht is, zien we ’t misschien wel. Wacht maar, Kalle, als ’t licht is, morgen.….!”De roeiers zuchten, halen de riemen aan.Platsch!—Platsch!—Platsch!Gezonken zeventiende-eeuws zeilschip.[239]

BRAND!

Duivelsch uitziend hoofd.Den negenden dag, dat deNieuw-Hoornvoor Sante-Marie lag, waren allen genezen. En men ging welgemoed onder zeil, vertrouwende, dat de voorraad versch voedsel toereikend zou zijn. Men koerste eerst Zuid-Oostwaarts tot op 33° en wendde den steven daarna Noord-Oost naar Straat Soenda.Het waren mooie, stille dagen. De maats hadden de handen vol met het onderhoud van het pluimvee. Maar heel hun leven hadden de oomes niet zooveel eitjes gepeuzeld.Padde werd in den loop der weken zelf zoo rond als een ei. Men ried hem wat beweging aan. Zuchtend besloot Padde het werkje over te nemen, dat tot nu toe de Schele altijd had verricht, namelijk ’s middags met een vaatje in den kelder te gaan en dat vol te pompen, ten einde den volgenden morgen allen oomes een half „mutseke” te kunnen verstrekken.Joppie kreeg spreeklessen. Een kreet van blijde verrassing ging onder de oomes op, toen hij duidelijk verstaanbaar: Hajo! krijschte. Maar nu bleek, dat Joppie al niet veel beter was dan de menschen: ook hij stelde zijn kennis in dienst van het booze. Hij riep zijn meester den ganschen dag, liefst barsch, bevelend, zooals Berentsz. het deed, dan weer lokkend, vleiend, of angstig, opgewonden, als wilde hij zeggen: Kerel, je bent me toch niet overboord gevallen?—Zoo kwam Hajo soms buiten adem aanhollen om te vragen wat de bootsman van hem wou, en vond dan, in plaats van een grimmigen Folkert Berentsz., een allervriendelijksten Joppie, die hem den kop toestak om gekrauwd te worden. Alle maats, die den leergierigen vogel hun naam wisten in te pompen, kregen er spijt van als haren op het hoofd.[228]Joppie leerde ook zijn eigen naam en toonde in het uitspreken ervan een groote mate van zelfingenomenheid. De maats wisten niet waar ze bleven van het lachen, wanneer Joppie zijn naam in alle toonaarden, den een nog vleiender en liefelijker dan de andere, uitgalmde.Gerrit was tevreden over zijn pleegkind. Hij had aanvankelijk wel wat raar tegen den krommen snavel en de bonte pluimage van den jongen „torenkraai” aangekeken, maar nu herkende hij in de wijze, waarop Joppie: Ka! kon zeggen, toch duidelijk een rasgenoot.Toen de oomes vonden, dat Joppie meer dan wijs genoeg was, nam Padde de taak over om Joppie’s leergierigheid te bevredigen.„Vooruit!” zei Padde, „zeg nou eens: Padde Kelemeijn!”Joppie keek hem pienter aan. „’t Is een merakel!” meende het dier toen.„Vooruit!” mopperde zijn leermeester. „Padde Kelemeijn! Zeg het dan, stommeling!”Joppie hield z’n kop schuin, luisterde vol aandacht. Toen keek hij Padde trouwhartig aan en schetterde: „Stommeling!”„Je bent zelf een stommeling!” gromde Padde, die rood werd van drift.„Kletskoek”, verklaarde de vogel en keek luchthartig naar boven.Padde staarde het dier met opengespalkte oogen sprakeloos aan, keerde zich toen om en nam zich voor, geen woord meer aan het mormel te verspillen.Zoo kwam een dag, die den mannen van deNieuw-Hoornlang heugen zou: de negentiendeNovembervan het jaar 1619.Naar gewoonte begaf Padde zich in den namiddag naar den kelder, daalde met zijn kaars het korte trapje af en plaatste het licht op een volle ton, om de handen vrij te hebben voor het pompen.„Mallemallemootje,Zeven in een bootje;Mallemallemootje, mallemallemoer,Zes aan de riemen en een aan het roer!”[229]zong Padde, blijgemoed pompende. Het vaatje was vol; Padde bevrijdde met zwierigen greep de kaars, die hij op de ton had vastgesmolten. Toen viel—kon het ongelukkiger?—het gloeiend eindje der kaarsepit in het spongat; de brandewijn daarbinnen vatte vuur; de duigen scheurden met een doffen knal uiteen, en de brandende vloeistof dekte ineens den geheelen kelderbodem. Met een schreeuw vloog onze botteliersmaat het laddertje op, zag twee putsen water staan, waarmee Hajo en Rolf aan het dekschrobben waren, greep de putsen en keerde ze boven het luik uit.Naar gewoonte begaf Padde zich....Naargewoonte begaf Padde zich.…„Padde! Wat is er?!”De arme dikzak wilde wat stamelen, maar het was niet meer noodig: het sissen, knetteren en de wolk verdampt water, die uit het luik opsloeg, zeiden genoeg.„Brand!Brand!!!”Dat werkte. Van alle kanten kwamen de maats met verschrikte gezichten aanhollen, sommigen al met volle putsen. „Wáár is de brand?!”„In de kelder!!” Angst en opwinding trilden door aller stem. In razende haast zocht men naar putsen. Heele plassen water werden door het luik geworpen.Folkert Berentsz. klauterde, nadat men wel een honderd emmers water had leeggeworpen, den kelder in en kon daar gelukkig geen brand meer ontdekken. Intusschen had Bontekoe zich naar het ruim gehaast, waar, zooals hij terecht vermoedde, plassen brandend vocht den bodem dekten. Hij riep om putsen. Na een tiental te hebben leeggegoten, scheen ook daar de brand gebluscht.[230]Een zucht van verlichting ging op, toen men hoorde, dat de smidskolen niet door het vuur waren aangetast. Nog hijgend van opwinding, besprak men het gevaar, dat gedreigd had. Als de brand tot in den kruitkelder was doorgedrongen.….„Padde!” werd er geroepen. „In de kajuit komen!”De arme jongen trilde over al zijn leden. Ongemerkt wist hij door een luik in het ruim te glippen. Daar was het stikdonker; tastend daalde hij het steile trapje af. Beneden gekomen, wankelde hij naar een hoop touw, ging zitten, borg het hoofd in de handen en schreide, schreide.….Stil! Wat hoorde hij daar?! Met bonzend hart luisterde Padde. Hij durfde de oogen haast niet te openen in dit griezelig donker. Krak! Knaps! Kritsch! Klappertandend richtte Padde het hoofd op. Was het een koortsschim? Daar, aan den anderen kant van het ruim, laaiden groote vlammen op! Een zwavelige lucht drong Padde in den neus. Groote God.….! De kolen brandden.….!!Met een schreeuw vloog Padde naar de ladder. „De kolen …! Dek-kolen!!!Een nieuwe paniek. „De kolen?! Branden de kolen?!!”Een paar kloeke maats zijn het eerst weer het ruim in, gewapend met putsen water, die ze hijgend leegkletsen over de brandende kolen. Gesis van heb-ik-jou-daar; gele zwaveldampen barsten uit den gloeienden berg te voorschijn, en in een oogwenk is de lucht in het ruim zoo benauwend, dat men het er geen twee minuten kan uithouden.Maar de kerels zijn taai. Altijd opnieuw dalen ze met volle putsen langs het smalle laddertje in het ruim af, banen zich een weg in het verpeste zwavelhok, werpen het water over de kolen en zoeken tuimelend, vloekend, met betraande oogen den weg terug naar het laddertje. Hoevelen vinden den weg? Hoevelen zakken bedwelmd, reeds half verstikt ineen, na in radeloozen angst heen en weer gerend te zijn?Bontekoe leidt zelf het werk,—tot zijn stem versmoort, en hij wankelend de ladder op vlucht. Maar een minuut later is hij weer beneden. „Moed, jongens!”Men kapt gaten in het tusschendek, werpt ontzaggelijke hoeveelheden water in het ruim. Zou het helpen? De planken[231]bodem onder de voeten wordt steeds heeter; de maats springen als zandvlooien rond, moeten om den haverklap hun half verschroeide voetzolen koelen in de putsen water, die ze aandragen.Zou men het kruit overboord werpen? De kans om in deze streken een Spaansch schip te ontmoeten is bedenkelijk groot. Zonder kruit aan boord zou men verloren zijn. Nu, met het wegwerpen van het kruit dan maar tot het uiterste gewacht.Hou vast, mannen!Maar er waren verraders. Wetende, dat de jol en de sloep achter het schip aansleepten, (de jol was sinds het vertrek van Sante-Marie nog niet binnengehaald, en de sloep was daareven uitgezet, omdat ze bij het bluschwerk in den weg stond) hadden enkelen het voor raadzaam gehouden zich overboord te laten glijden, naar de jol of de sloep te zwemmen en zich onder de banken te verbergen. De koopman, die juist naar de kajuit ging om in elk geval reeds zijn voornaamste papieren bijeen te binden, zag juist een kerel de jol inkruipen. „Wat heeft dat te beteekenen!” schreeuwde hij.„Kom ook in de booten, Koopman!” riepen de maats. „Temet vliegt de heele kast aan gruzelementen!”„Als jullie niet terugkomt, waarschuw ik de schipper!” riep Hein Rol driftig.„Dan kappen wij de touwen door!”„Schurken!” was Rol’s verontwaardigd antwoord.„Ga je mee of niet?” werd er uit de jol geroepen.De koopman weifelde even, maakte een onwillig gebaar. „Ik kom!” riep hij toen norsch. En hij spoedde zich naar de kajuit om zijn paperassen.Want kostbaarder dan zijn eer, waren hem zijn papieren.Toen hij zich langs een touw in de jol had laten glijden, kapten de maats de booten vrij. „Roeien jullie weg?!” vroeg Rol verschrikt.„Neen, waarachtig niet, we zullen in de buurt blijven om te helpen. Maar zoo meteen vliegt de boel aan stukken, dan moeten wij buiten schot zijn.”De koopman zweeg, keek met bezorgd gelaat naar het schip, waaruit een vuil-gele rook opwervelde, die masten en touwen[232]aan het oog onttrok. „’t Is gekkenwerk om nog aan blusschen te denken!” zei hij, om zijn geweten gerust te stellen. En hij blies zich in de bleeke handen, die geschaafd waren door het omlaagglijden langs het touw.Op het schip vochten de anderen. Met toegeknepen oogen gaven de mannen elkaar de volle putsen over. Hou vast, jongens!!Daar kwam de barbier aanhollen. „Schipper! De booten zijn weg!!”De mannen zijn verlamd van schrik. „De booten weg?!!” Alles vliegt naar de verschansing. Daar drijven de booten!! Een stomme woede maakt zich van de verlatenen meester.„Schipper! Watnou??!”Zóó hebben de mannen hun schipper nog nooit gezien. Het open zeemansgelaat is plots vertrokken van toorn en smart. „Haal de zeilen om, mannen! We zullen ze onder de kiel stroopen!”Smart over de wonde, die hun makkers hun geslagen hebben, doet de maats het want invliegen en, tastend in den groezeligen rook, met opeengeklemde tanden de zeilen krap zetten. Zoo koerst men recht op de booten af.Daar schijnt het dreigend gevaar vermoed te worden. De kerels roeien als dollen, steken drie scheepslengten voor deNieuw-Hoornover, den boeg in den wind, zoodat ze niet achtervolgd kunnen worden.„Wel, laat hun geweten hen dan straffen!” roept de schipper. „Nu het kruit maar overboord, mannen! De schuit drijft nog! Als we er aangaan,—dan met z’n allen!”„Leve Bontekoe!!!” brullen de oomes, al is het alleen maar om den laffen kameraden daarginds te laten hooren, dat er nog kerels zijn, dienietin de booten kruipen, als de schuit in gevaar is. Grimmig pakken ze met hun verweerde knuisten de tonnetjes kruit, werpen ze van man tot man en zoo overboord. Op Bontekoe’s bevel laten de maats, die met timmergerei weten om te gaan, zich over de verschansing zakken, om onder het zee-oppervlak gaten in den scheepswand te boren. De schipper wil het ruim een paar vadem vol laten loopen en zoo den brand[233]van onderen blusschen. Maar vergeefs zet men de boren in het hout: de wand zit vol ijzerwerk. Dan maar weer met putsen aan het werk!Hoei!! De vlammentongen lekken al uit een der luiken. Dat is de duivel, die er uit loert! Smijt hem den kop in!In koortsige opwinding komen de mannen met water aandragen.Maar hoogerop laait de vlam, en vreemd.…. het kraken, knetteren, barsten, piepen houdt op. Zachtjes loeiend steekt het vuur een lange, roode tong uit de luiken.„De olie brandt!!!”Met verlamming geslagen laten de oomes de armen zinken; dikke tranen rollen den gebruinden kerels over de wangen.„Water!” roept een stem.Flang! daar gaan de putsen weer rond. Al gietende en de voeten koelende, grienen de oomes als kinderen. Maar opgeven? Ho maar! Hollandsche jongens, wâ-blief?! Grienen kan geen kwaad: tranen zijn ook water en helpen blusschen. Met hun bloote pooten staan ze schrap op het gloeiend heete dek.Een der dapperste voorwerkers, die koppig, oogen en lippen saamgeperst, in rook en damp te ploeteren stond.…. was Padde.Hij boette zijn schuld.En men werkte. De wanhoop in het hart,—maar men werkte. Tot.….! Met verdoovend gekraak begaf zich het achterdek, en gillend stortte een handvol wakkere vrienden in de vuurzee. Hei!!! Hoe stoven de vonken tot hoog boven de masten uit! En de vlammen sloegen tegen de ra’s op, grepen de zeilen aanenzonden de blanke vleugels van deNieuw-Hoornverzengd, wijd uitlaaiend omhoog. De gescheurde kabels vielen slap neer in den vuurgloed en dienden duizend kleine vlammetjes tot ladder.De vlag moest veroverd worden! Op, vlammen! Haalt het neer, dat dartele, bonte doekske!Daar reet een vlam het omlaag en roofde het zijn kleuren. Danst nu, vlammen! Danst; de vlag is ons, danst, danst![234]Hajo, Rolf en Padde stonden bij den grooten mast. Verderop begon het dek door te buigen; er schoten bruine schroeivlekken in.…. Toen sleurde Rolf zijn beide makkers naar de verschansing. „Het water in!” siste hij tusschen de tanden. De verbouwereerde knapen volgden klakkeloos het bevel op.Velen waren Rolf nagesneld en ook pardoes in zee gesprongen. Anderen hadden, verlamd van schrik, niet zoo snel een besluit kunnen vatten en zonken nu weg in de vlammen.Toen gebeurde het. Een ontzettende slag, een helsch gekraak, een prikkelend-scherpe lucht, versmoorde kreten, angstig geloei van het vee.…. Het kruit had vlam gevat.Een nieuwe ontploffing! DeNieuw-Hoornscheurde uiteen; masten, planken, menschen, dieren en brokstukken ervan vlogen de lucht in. Sissend, krakend, hoog opstuwend de kolommen zwarte rook en gouden vonken, kantelden de brokstukken van het gescheurde schip weer tegen elkaar en.…. zonken in de golven weg.De mannen in de boot keken rillend toe.Was het mogelijk?! Was deNieuw-Hoorn, hun prachtig schip, vergaan?! Die zwarte wolk tegen den bloedrooden avondhemel.…. was dat alles, wat er van restte?!—Neen! Daar dreven op het water stukken mast, kisten, balken, en op die stukken mast, die kisten en balken klemden zich levende wezens. Te hulp! De handen aan de riemen!!Van onze drie Hoornsche vrienden was het Hajo, die het eerst zijn bezinning terugvond. Hij zag den bezaansmast drijven en werkte zich er op. Snel denkend en handelend, wierp hij Padde, die zich aan een langzaam volloopende houten bak had vastgeklemd, een masttouw toe. Padde zag het, tastte er naar, maar vond het niet. Hajo trok het touw in en wierp het opnieuw. Ditmaal wist Padde het te grijpen, liet zich naar zijn makker trekken en pakte hem kreunend bij de knieën. „Hajo.…. o, God, Hajo.….!”„Klim op de mast!”„Ik kan niet meer.….!”Met inspanning van alle krachten wist Hajo zijn vriend schrijlings op den mast te krijgen. Snikkend leunde Padde het[235]hoofd tegen Hajo’s schouder.—Nu Rolf! Groote God, waar zou Rolf zijn! In radeloozen angst keek Hajo rond. Verderop, buiten zijn bereik, worstelden een paar maats met de golven. Hier en daar werkten zich in de schemering gestalten op stengen, planken, tonnen of brokken mast. „Rolf! Rolf!! Rolf!!!”„Hajo!”Goddank! Rolf had zich op een mastkorf gered.—Waar waren de booten? Te ver om ze te beroepen. In de halve duisternis was het niet mogelijk te zien, of ze hier vandaan, dan wel hier naar toe roeiden. „Boot ahoy! Ahoy!”„Hajo.….!” kermde Padde.„Moed, Padde!” Hajo sloot zelf even de oogen om wat rust te vinden. Langzaam vloeiden de tranen over zijn wangen. Toen hij de oogen opsloeg, was de jol tot op een vijftig voet genaderd. Dichterbij kon ze niet komen door de vele, zware brokstukken, die overal ronddreven. Hajo mat den afstand tot de jol. Zou hij het halen? „Blijf hier zitten, Padde! Hou je goed vast!”„O, God, Hajo.…. je gaat toch niet weg? Hajo.….?!”Hajo beet de lippen opeen, liet zich van den mast glijden en zwom in de richting van de jol. Maar onderweg werden zijn armen zwaar als lood.….Daar werd hem een touw toegeworpen. Hij greep het en liet zich naar de jol trekken. „Neen!” hijgde hij, toen de oomes hem binnen boord wilden halen, „ik rust maar even. Geef me het.…. het touw mee.…. ik wil.…. ik.….” Zijn oogen sloten zich; zijn handen lieten den jolboord los; men kon hem nog net bijtijds grijpen en binnen boord halen.Toen sprong Bokje, de trompetter, met een loodlijn overboord, zwom naar Padde en liet zich samen met hem terugtrekken. Een tweede maat ging het water in en redde den Neus. Floorke kwam proestend, op eigen kracht aanplassen en begon den kerels in de jol de huid vol te schelden. Maar toen hij ze een voor een hun huid zag wagen om den haaien een drenkeling te ontrooven, zakte zijn gramschap weer een weinig. Men roeide de plaats rond, waar deNieuw-Hoornwas ondergegaan. Ten slotte geloofde men alle drenkelingen te hebben opgepikt. Velen verloren het bewustzijn terstond, wanneer ze[236]in de boot waren getrokken; anderen lagen nog van opwinding te schreien. Maar de schipper?! Waar was de schipper!!Daar verscheen Harmen’s kop aan bakboord. Hij liet zich in de jol trekken, spuwde een golf zeewater uit, wees verderop. „De sch.…. schipper!” Toen begaven zich zijn krachten.Men zag in de door Harmen aangeduide richting in het duister een wrakstuk drijven en daarop een gedaante. De jol werd zoo dicht mogelijk naar den drenkeling toegeroeid; Bokje, de beste zwemmer van allen, sprong weer met een lijn overboord, en, ja, even later kwam hij met den schipper terug, die in de jol getild en achter in de roef werd neergelegd. Goddank! „Geef ons raad, schipper! Wat moeten we doen?!”Met matte stem ried Bontekoe aan, dezen nacht nog bij het wrak te blijven en den volgenden morgen wat levensmiddelen op te hengelen, die overal ronddreven. Hevige pijnen deden hem spoedig het bewustzijn verliezen. Men roeide nog eens om de ongeluksplek heen, maar vond in het duister geen menschelijk wezen, dood of levend, meer. Toen haalde men de riemen in, om den morgen af te wachten.Maar met de verschrikking voor oogen valt wachten moeilijk. Zij, die van vermoeidheid waren ingeslapen, werden met een gevoel van onrust weer wakker.„Laten we wegroeien!” zeiden ze. „Waarom roeien we niet weg?”De anderen schudden het hoofd. „We moeten morgen wat eten opvisschen. Met het beetje brood, dat we hebben, houden we het geen dag uit.”Maar de vragers waren niet tevredengesteld. „Wat hebben we aan eten, als de zee gaat aanloopen en de jol aan stukken slaat? Nu is het goed weer; laten we naar land zoeken!”„We moeten wachten! Bevel van de schipper!”Dan werd er een tijdje gezwegen.—Maar een nacht is lang. Een kwartier later begon de onrust weer. „Laten we toch wegroeien! We zullen wel een paar dagen vasten! Misschien hebben we morgen al land. We zijn immers niet ver meer van Sumatra!”„We moeten wachten. De schipper heeft het gezeid.”„Nou ja.….”[237]„Wat: nou ja?! Ben jij soms een van die gluiperds, die er tusschen uit zijn gegaan?”„Als wij dat niet gedaan hadden, waren jullie met z’n allen voor de haaien geweest!”„Toch was het smerig!”„Weet je, watiksmerig vind? Dat jullie er ons onderdoor wouden halen!”„Dat was je verdiende loon geweest!”„Maar het zat jullie toch niet glad, hè?”„Kom”, zeurt een ander, „maak geen herrie! Laten we nou wegroeien!”„Neen”, koppen een paar oomes, „de schipper heeft gezegd: neen.”Nieuw zwijgen. De minuten kruipen.Ineens vloekt er een oome, steekt de riemen uit en begint te roeien. En daarmee is de ban verbroken, die van ’s schippers woord uitging. Allen, die nog macht over hun lichaam hebben, grijpen een riem.Waarheen? Naar land! Waar ligt dat? Niemand, die het weet. Maar het roeien drukt de onrust den kop in. Roeien, jongens! Roeien! Niemand houdt het stuur.Enkelen worden wakker, ontwakend uit een nachtmerrie. „Waar zijn we?!”„In de jol.”„In de jol?” Even zwijgen. De vrager schijnt zijn herinnering wakker te roepen. „En waar gaan we nou heen?”„Naar Sumatra.”„Waar legt dat?”„Vlak bij. Pas maar op, straks val je er nog over!”Zwijgen. Stug roeien de kerels voort.„Hein”, vraagt er een met zwakke stem, „was jij dat, Hein?”„Ja, Kalle. Waar lig je?”„Voorin.—’k Heb zoo’n pijn.….”„’t Zal wel klaren, Kalle.Ikheb een verbrande poot.”„Hou hem in het water.—Zouwen we ver van land zijn, Hein?”[238]„Ben je gek? Morgen, als het licht is, zien we ’t misschien wel. Wacht maar, Kalle, als ’t licht is, morgen.….!”De roeiers zuchten, halen de riemen aan.Platsch!—Platsch!—Platsch!Gezonken zeventiende-eeuws zeilschip.[239]

Duivelsch uitziend hoofd.

Den negenden dag, dat deNieuw-Hoornvoor Sante-Marie lag, waren allen genezen. En men ging welgemoed onder zeil, vertrouwende, dat de voorraad versch voedsel toereikend zou zijn. Men koerste eerst Zuid-Oostwaarts tot op 33° en wendde den steven daarna Noord-Oost naar Straat Soenda.

Het waren mooie, stille dagen. De maats hadden de handen vol met het onderhoud van het pluimvee. Maar heel hun leven hadden de oomes niet zooveel eitjes gepeuzeld.

Padde werd in den loop der weken zelf zoo rond als een ei. Men ried hem wat beweging aan. Zuchtend besloot Padde het werkje over te nemen, dat tot nu toe de Schele altijd had verricht, namelijk ’s middags met een vaatje in den kelder te gaan en dat vol te pompen, ten einde den volgenden morgen allen oomes een half „mutseke” te kunnen verstrekken.

Joppie kreeg spreeklessen. Een kreet van blijde verrassing ging onder de oomes op, toen hij duidelijk verstaanbaar: Hajo! krijschte. Maar nu bleek, dat Joppie al niet veel beter was dan de menschen: ook hij stelde zijn kennis in dienst van het booze. Hij riep zijn meester den ganschen dag, liefst barsch, bevelend, zooals Berentsz. het deed, dan weer lokkend, vleiend, of angstig, opgewonden, als wilde hij zeggen: Kerel, je bent me toch niet overboord gevallen?—Zoo kwam Hajo soms buiten adem aanhollen om te vragen wat de bootsman van hem wou, en vond dan, in plaats van een grimmigen Folkert Berentsz., een allervriendelijksten Joppie, die hem den kop toestak om gekrauwd te worden. Alle maats, die den leergierigen vogel hun naam wisten in te pompen, kregen er spijt van als haren op het hoofd.[228]

Joppie leerde ook zijn eigen naam en toonde in het uitspreken ervan een groote mate van zelfingenomenheid. De maats wisten niet waar ze bleven van het lachen, wanneer Joppie zijn naam in alle toonaarden, den een nog vleiender en liefelijker dan de andere, uitgalmde.

Gerrit was tevreden over zijn pleegkind. Hij had aanvankelijk wel wat raar tegen den krommen snavel en de bonte pluimage van den jongen „torenkraai” aangekeken, maar nu herkende hij in de wijze, waarop Joppie: Ka! kon zeggen, toch duidelijk een rasgenoot.

Toen de oomes vonden, dat Joppie meer dan wijs genoeg was, nam Padde de taak over om Joppie’s leergierigheid te bevredigen.

„Vooruit!” zei Padde, „zeg nou eens: Padde Kelemeijn!”

Joppie keek hem pienter aan. „’t Is een merakel!” meende het dier toen.

„Vooruit!” mopperde zijn leermeester. „Padde Kelemeijn! Zeg het dan, stommeling!”

Joppie hield z’n kop schuin, luisterde vol aandacht. Toen keek hij Padde trouwhartig aan en schetterde: „Stommeling!”

„Je bent zelf een stommeling!” gromde Padde, die rood werd van drift.

„Kletskoek”, verklaarde de vogel en keek luchthartig naar boven.

Padde staarde het dier met opengespalkte oogen sprakeloos aan, keerde zich toen om en nam zich voor, geen woord meer aan het mormel te verspillen.

Zoo kwam een dag, die den mannen van deNieuw-Hoornlang heugen zou: de negentiendeNovembervan het jaar 1619.

Naar gewoonte begaf Padde zich in den namiddag naar den kelder, daalde met zijn kaars het korte trapje af en plaatste het licht op een volle ton, om de handen vrij te hebben voor het pompen.

„Mallemallemootje,Zeven in een bootje;Mallemallemootje, mallemallemoer,Zes aan de riemen en een aan het roer!”

„Mallemallemootje,

Zeven in een bootje;

Mallemallemootje, mallemallemoer,

Zes aan de riemen en een aan het roer!”

[229]

zong Padde, blijgemoed pompende. Het vaatje was vol; Padde bevrijdde met zwierigen greep de kaars, die hij op de ton had vastgesmolten. Toen viel—kon het ongelukkiger?—het gloeiend eindje der kaarsepit in het spongat; de brandewijn daarbinnen vatte vuur; de duigen scheurden met een doffen knal uiteen, en de brandende vloeistof dekte ineens den geheelen kelderbodem. Met een schreeuw vloog onze botteliersmaat het laddertje op, zag twee putsen water staan, waarmee Hajo en Rolf aan het dekschrobben waren, greep de putsen en keerde ze boven het luik uit.

Naar gewoonte begaf Padde zich....Naargewoonte begaf Padde zich.…

Naargewoonte begaf Padde zich.…

„Padde! Wat is er?!”

De arme dikzak wilde wat stamelen, maar het was niet meer noodig: het sissen, knetteren en de wolk verdampt water, die uit het luik opsloeg, zeiden genoeg.

„Brand!Brand!!!”

Dat werkte. Van alle kanten kwamen de maats met verschrikte gezichten aanhollen, sommigen al met volle putsen. „Wáár is de brand?!”

„In de kelder!!” Angst en opwinding trilden door aller stem. In razende haast zocht men naar putsen. Heele plassen water werden door het luik geworpen.

Folkert Berentsz. klauterde, nadat men wel een honderd emmers water had leeggeworpen, den kelder in en kon daar gelukkig geen brand meer ontdekken. Intusschen had Bontekoe zich naar het ruim gehaast, waar, zooals hij terecht vermoedde, plassen brandend vocht den bodem dekten. Hij riep om putsen. Na een tiental te hebben leeggegoten, scheen ook daar de brand gebluscht.[230]

Een zucht van verlichting ging op, toen men hoorde, dat de smidskolen niet door het vuur waren aangetast. Nog hijgend van opwinding, besprak men het gevaar, dat gedreigd had. Als de brand tot in den kruitkelder was doorgedrongen.….

„Padde!” werd er geroepen. „In de kajuit komen!”

De arme jongen trilde over al zijn leden. Ongemerkt wist hij door een luik in het ruim te glippen. Daar was het stikdonker; tastend daalde hij het steile trapje af. Beneden gekomen, wankelde hij naar een hoop touw, ging zitten, borg het hoofd in de handen en schreide, schreide.….

Stil! Wat hoorde hij daar?! Met bonzend hart luisterde Padde. Hij durfde de oogen haast niet te openen in dit griezelig donker. Krak! Knaps! Kritsch! Klappertandend richtte Padde het hoofd op. Was het een koortsschim? Daar, aan den anderen kant van het ruim, laaiden groote vlammen op! Een zwavelige lucht drong Padde in den neus. Groote God.….! De kolen brandden.….!!

Met een schreeuw vloog Padde naar de ladder. „De kolen …! Dek-kolen!!!

Een nieuwe paniek. „De kolen?! Branden de kolen?!!”

Een paar kloeke maats zijn het eerst weer het ruim in, gewapend met putsen water, die ze hijgend leegkletsen over de brandende kolen. Gesis van heb-ik-jou-daar; gele zwaveldampen barsten uit den gloeienden berg te voorschijn, en in een oogwenk is de lucht in het ruim zoo benauwend, dat men het er geen twee minuten kan uithouden.

Maar de kerels zijn taai. Altijd opnieuw dalen ze met volle putsen langs het smalle laddertje in het ruim af, banen zich een weg in het verpeste zwavelhok, werpen het water over de kolen en zoeken tuimelend, vloekend, met betraande oogen den weg terug naar het laddertje. Hoevelen vinden den weg? Hoevelen zakken bedwelmd, reeds half verstikt ineen, na in radeloozen angst heen en weer gerend te zijn?

Bontekoe leidt zelf het werk,—tot zijn stem versmoort, en hij wankelend de ladder op vlucht. Maar een minuut later is hij weer beneden. „Moed, jongens!”

Men kapt gaten in het tusschendek, werpt ontzaggelijke hoeveelheden water in het ruim. Zou het helpen? De planken[231]bodem onder de voeten wordt steeds heeter; de maats springen als zandvlooien rond, moeten om den haverklap hun half verschroeide voetzolen koelen in de putsen water, die ze aandragen.

Zou men het kruit overboord werpen? De kans om in deze streken een Spaansch schip te ontmoeten is bedenkelijk groot. Zonder kruit aan boord zou men verloren zijn. Nu, met het wegwerpen van het kruit dan maar tot het uiterste gewacht.

Hou vast, mannen!

Maar er waren verraders. Wetende, dat de jol en de sloep achter het schip aansleepten, (de jol was sinds het vertrek van Sante-Marie nog niet binnengehaald, en de sloep was daareven uitgezet, omdat ze bij het bluschwerk in den weg stond) hadden enkelen het voor raadzaam gehouden zich overboord te laten glijden, naar de jol of de sloep te zwemmen en zich onder de banken te verbergen. De koopman, die juist naar de kajuit ging om in elk geval reeds zijn voornaamste papieren bijeen te binden, zag juist een kerel de jol inkruipen. „Wat heeft dat te beteekenen!” schreeuwde hij.

„Kom ook in de booten, Koopman!” riepen de maats. „Temet vliegt de heele kast aan gruzelementen!”

„Als jullie niet terugkomt, waarschuw ik de schipper!” riep Hein Rol driftig.

„Dan kappen wij de touwen door!”

„Schurken!” was Rol’s verontwaardigd antwoord.

„Ga je mee of niet?” werd er uit de jol geroepen.

De koopman weifelde even, maakte een onwillig gebaar. „Ik kom!” riep hij toen norsch. En hij spoedde zich naar de kajuit om zijn paperassen.

Want kostbaarder dan zijn eer, waren hem zijn papieren.

Toen hij zich langs een touw in de jol had laten glijden, kapten de maats de booten vrij. „Roeien jullie weg?!” vroeg Rol verschrikt.

„Neen, waarachtig niet, we zullen in de buurt blijven om te helpen. Maar zoo meteen vliegt de boel aan stukken, dan moeten wij buiten schot zijn.”

De koopman zweeg, keek met bezorgd gelaat naar het schip, waaruit een vuil-gele rook opwervelde, die masten en touwen[232]aan het oog onttrok. „’t Is gekkenwerk om nog aan blusschen te denken!” zei hij, om zijn geweten gerust te stellen. En hij blies zich in de bleeke handen, die geschaafd waren door het omlaagglijden langs het touw.

Op het schip vochten de anderen. Met toegeknepen oogen gaven de mannen elkaar de volle putsen over. Hou vast, jongens!!

Daar kwam de barbier aanhollen. „Schipper! De booten zijn weg!!”

De mannen zijn verlamd van schrik. „De booten weg?!!” Alles vliegt naar de verschansing. Daar drijven de booten!! Een stomme woede maakt zich van de verlatenen meester.

„Schipper! Watnou??!”

Zóó hebben de mannen hun schipper nog nooit gezien. Het open zeemansgelaat is plots vertrokken van toorn en smart. „Haal de zeilen om, mannen! We zullen ze onder de kiel stroopen!”

Smart over de wonde, die hun makkers hun geslagen hebben, doet de maats het want invliegen en, tastend in den groezeligen rook, met opeengeklemde tanden de zeilen krap zetten. Zoo koerst men recht op de booten af.

Daar schijnt het dreigend gevaar vermoed te worden. De kerels roeien als dollen, steken drie scheepslengten voor deNieuw-Hoornover, den boeg in den wind, zoodat ze niet achtervolgd kunnen worden.

„Wel, laat hun geweten hen dan straffen!” roept de schipper. „Nu het kruit maar overboord, mannen! De schuit drijft nog! Als we er aangaan,—dan met z’n allen!”

„Leve Bontekoe!!!” brullen de oomes, al is het alleen maar om den laffen kameraden daarginds te laten hooren, dat er nog kerels zijn, dienietin de booten kruipen, als de schuit in gevaar is. Grimmig pakken ze met hun verweerde knuisten de tonnetjes kruit, werpen ze van man tot man en zoo overboord. Op Bontekoe’s bevel laten de maats, die met timmergerei weten om te gaan, zich over de verschansing zakken, om onder het zee-oppervlak gaten in den scheepswand te boren. De schipper wil het ruim een paar vadem vol laten loopen en zoo den brand[233]van onderen blusschen. Maar vergeefs zet men de boren in het hout: de wand zit vol ijzerwerk. Dan maar weer met putsen aan het werk!

Hoei!! De vlammentongen lekken al uit een der luiken. Dat is de duivel, die er uit loert! Smijt hem den kop in!

In koortsige opwinding komen de mannen met water aandragen.

Maar hoogerop laait de vlam, en vreemd.…. het kraken, knetteren, barsten, piepen houdt op. Zachtjes loeiend steekt het vuur een lange, roode tong uit de luiken.

„De olie brandt!!!”

Met verlamming geslagen laten de oomes de armen zinken; dikke tranen rollen den gebruinden kerels over de wangen.

„Water!” roept een stem.

Flang! daar gaan de putsen weer rond. Al gietende en de voeten koelende, grienen de oomes als kinderen. Maar opgeven? Ho maar! Hollandsche jongens, wâ-blief?! Grienen kan geen kwaad: tranen zijn ook water en helpen blusschen. Met hun bloote pooten staan ze schrap op het gloeiend heete dek.

Een der dapperste voorwerkers, die koppig, oogen en lippen saamgeperst, in rook en damp te ploeteren stond.…. was Padde.

Hij boette zijn schuld.

En men werkte. De wanhoop in het hart,—maar men werkte. Tot.….! Met verdoovend gekraak begaf zich het achterdek, en gillend stortte een handvol wakkere vrienden in de vuurzee. Hei!!! Hoe stoven de vonken tot hoog boven de masten uit! En de vlammen sloegen tegen de ra’s op, grepen de zeilen aanenzonden de blanke vleugels van deNieuw-Hoornverzengd, wijd uitlaaiend omhoog. De gescheurde kabels vielen slap neer in den vuurgloed en dienden duizend kleine vlammetjes tot ladder.

De vlag moest veroverd worden! Op, vlammen! Haalt het neer, dat dartele, bonte doekske!

Daar reet een vlam het omlaag en roofde het zijn kleuren. Danst nu, vlammen! Danst; de vlag is ons, danst, danst![234]

Hajo, Rolf en Padde stonden bij den grooten mast. Verderop begon het dek door te buigen; er schoten bruine schroeivlekken in.…. Toen sleurde Rolf zijn beide makkers naar de verschansing. „Het water in!” siste hij tusschen de tanden. De verbouwereerde knapen volgden klakkeloos het bevel op.

Velen waren Rolf nagesneld en ook pardoes in zee gesprongen. Anderen hadden, verlamd van schrik, niet zoo snel een besluit kunnen vatten en zonken nu weg in de vlammen.

Toen gebeurde het. Een ontzettende slag, een helsch gekraak, een prikkelend-scherpe lucht, versmoorde kreten, angstig geloei van het vee.…. Het kruit had vlam gevat.

Een nieuwe ontploffing! DeNieuw-Hoornscheurde uiteen; masten, planken, menschen, dieren en brokstukken ervan vlogen de lucht in. Sissend, krakend, hoog opstuwend de kolommen zwarte rook en gouden vonken, kantelden de brokstukken van het gescheurde schip weer tegen elkaar en.…. zonken in de golven weg.

De mannen in de boot keken rillend toe.

Was het mogelijk?! Was deNieuw-Hoorn, hun prachtig schip, vergaan?! Die zwarte wolk tegen den bloedrooden avondhemel.…. was dat alles, wat er van restte?!—Neen! Daar dreven op het water stukken mast, kisten, balken, en op die stukken mast, die kisten en balken klemden zich levende wezens. Te hulp! De handen aan de riemen!!

Van onze drie Hoornsche vrienden was het Hajo, die het eerst zijn bezinning terugvond. Hij zag den bezaansmast drijven en werkte zich er op. Snel denkend en handelend, wierp hij Padde, die zich aan een langzaam volloopende houten bak had vastgeklemd, een masttouw toe. Padde zag het, tastte er naar, maar vond het niet. Hajo trok het touw in en wierp het opnieuw. Ditmaal wist Padde het te grijpen, liet zich naar zijn makker trekken en pakte hem kreunend bij de knieën. „Hajo.…. o, God, Hajo.….!”

„Klim op de mast!”

„Ik kan niet meer.….!”

Met inspanning van alle krachten wist Hajo zijn vriend schrijlings op den mast te krijgen. Snikkend leunde Padde het[235]hoofd tegen Hajo’s schouder.—Nu Rolf! Groote God, waar zou Rolf zijn! In radeloozen angst keek Hajo rond. Verderop, buiten zijn bereik, worstelden een paar maats met de golven. Hier en daar werkten zich in de schemering gestalten op stengen, planken, tonnen of brokken mast. „Rolf! Rolf!! Rolf!!!”

„Hajo!”

Goddank! Rolf had zich op een mastkorf gered.—Waar waren de booten? Te ver om ze te beroepen. In de halve duisternis was het niet mogelijk te zien, of ze hier vandaan, dan wel hier naar toe roeiden. „Boot ahoy! Ahoy!”

„Hajo.….!” kermde Padde.

„Moed, Padde!” Hajo sloot zelf even de oogen om wat rust te vinden. Langzaam vloeiden de tranen over zijn wangen. Toen hij de oogen opsloeg, was de jol tot op een vijftig voet genaderd. Dichterbij kon ze niet komen door de vele, zware brokstukken, die overal ronddreven. Hajo mat den afstand tot de jol. Zou hij het halen? „Blijf hier zitten, Padde! Hou je goed vast!”

„O, God, Hajo.…. je gaat toch niet weg? Hajo.….?!”

Hajo beet de lippen opeen, liet zich van den mast glijden en zwom in de richting van de jol. Maar onderweg werden zijn armen zwaar als lood.….

Daar werd hem een touw toegeworpen. Hij greep het en liet zich naar de jol trekken. „Neen!” hijgde hij, toen de oomes hem binnen boord wilden halen, „ik rust maar even. Geef me het.…. het touw mee.…. ik wil.…. ik.….” Zijn oogen sloten zich; zijn handen lieten den jolboord los; men kon hem nog net bijtijds grijpen en binnen boord halen.

Toen sprong Bokje, de trompetter, met een loodlijn overboord, zwom naar Padde en liet zich samen met hem terugtrekken. Een tweede maat ging het water in en redde den Neus. Floorke kwam proestend, op eigen kracht aanplassen en begon den kerels in de jol de huid vol te schelden. Maar toen hij ze een voor een hun huid zag wagen om den haaien een drenkeling te ontrooven, zakte zijn gramschap weer een weinig. Men roeide de plaats rond, waar deNieuw-Hoornwas ondergegaan. Ten slotte geloofde men alle drenkelingen te hebben opgepikt. Velen verloren het bewustzijn terstond, wanneer ze[236]in de boot waren getrokken; anderen lagen nog van opwinding te schreien. Maar de schipper?! Waar was de schipper!!

Daar verscheen Harmen’s kop aan bakboord. Hij liet zich in de jol trekken, spuwde een golf zeewater uit, wees verderop. „De sch.…. schipper!” Toen begaven zich zijn krachten.

Men zag in de door Harmen aangeduide richting in het duister een wrakstuk drijven en daarop een gedaante. De jol werd zoo dicht mogelijk naar den drenkeling toegeroeid; Bokje, de beste zwemmer van allen, sprong weer met een lijn overboord, en, ja, even later kwam hij met den schipper terug, die in de jol getild en achter in de roef werd neergelegd. Goddank! „Geef ons raad, schipper! Wat moeten we doen?!”

Met matte stem ried Bontekoe aan, dezen nacht nog bij het wrak te blijven en den volgenden morgen wat levensmiddelen op te hengelen, die overal ronddreven. Hevige pijnen deden hem spoedig het bewustzijn verliezen. Men roeide nog eens om de ongeluksplek heen, maar vond in het duister geen menschelijk wezen, dood of levend, meer. Toen haalde men de riemen in, om den morgen af te wachten.

Maar met de verschrikking voor oogen valt wachten moeilijk. Zij, die van vermoeidheid waren ingeslapen, werden met een gevoel van onrust weer wakker.

„Laten we wegroeien!” zeiden ze. „Waarom roeien we niet weg?”

De anderen schudden het hoofd. „We moeten morgen wat eten opvisschen. Met het beetje brood, dat we hebben, houden we het geen dag uit.”

Maar de vragers waren niet tevredengesteld. „Wat hebben we aan eten, als de zee gaat aanloopen en de jol aan stukken slaat? Nu is het goed weer; laten we naar land zoeken!”

„We moeten wachten! Bevel van de schipper!”

Dan werd er een tijdje gezwegen.—Maar een nacht is lang. Een kwartier later begon de onrust weer. „Laten we toch wegroeien! We zullen wel een paar dagen vasten! Misschien hebben we morgen al land. We zijn immers niet ver meer van Sumatra!”

„We moeten wachten. De schipper heeft het gezeid.”

„Nou ja.….”[237]

„Wat: nou ja?! Ben jij soms een van die gluiperds, die er tusschen uit zijn gegaan?”

„Als wij dat niet gedaan hadden, waren jullie met z’n allen voor de haaien geweest!”

„Toch was het smerig!”

„Weet je, watiksmerig vind? Dat jullie er ons onderdoor wouden halen!”

„Dat was je verdiende loon geweest!”

„Maar het zat jullie toch niet glad, hè?”

„Kom”, zeurt een ander, „maak geen herrie! Laten we nou wegroeien!”

„Neen”, koppen een paar oomes, „de schipper heeft gezegd: neen.”

Nieuw zwijgen. De minuten kruipen.

Ineens vloekt er een oome, steekt de riemen uit en begint te roeien. En daarmee is de ban verbroken, die van ’s schippers woord uitging. Allen, die nog macht over hun lichaam hebben, grijpen een riem.

Waarheen? Naar land! Waar ligt dat? Niemand, die het weet. Maar het roeien drukt de onrust den kop in. Roeien, jongens! Roeien! Niemand houdt het stuur.

Enkelen worden wakker, ontwakend uit een nachtmerrie. „Waar zijn we?!”

„In de jol.”

„In de jol?” Even zwijgen. De vrager schijnt zijn herinnering wakker te roepen. „En waar gaan we nou heen?”

„Naar Sumatra.”

„Waar legt dat?”

„Vlak bij. Pas maar op, straks val je er nog over!”

Zwijgen. Stug roeien de kerels voort.

„Hein”, vraagt er een met zwakke stem, „was jij dat, Hein?”

„Ja, Kalle. Waar lig je?”

„Voorin.—’k Heb zoo’n pijn.….”

„’t Zal wel klaren, Kalle.Ikheb een verbrande poot.”

„Hou hem in het water.—Zouwen we ver van land zijn, Hein?”[238]

„Ben je gek? Morgen, als het licht is, zien we ’t misschien wel. Wacht maar, Kalle, als ’t licht is, morgen.….!”

De roeiers zuchten, halen de riemen aan.

Platsch!—Platsch!—Platsch!

Gezonken zeventiende-eeuws zeilschip.

[239]


Back to IndexNext