[Inhoud]DE DESSAH INDE DESSAH INNa het eten, dat zelfs Padde’s verwachtingen nog verre overtrof, overlegden de schipbreukelingen, hoe ze nog aan wat meer proviand voor de reis zouden komen. Van een zoo vreedzame bevolking zou wel alles zijn los te krijgen wat men voorloopig noodig had. De inlanders zeiden, dat een uur varens de rivier op een dorp lag; daar besloot Bontekoe zich eens heen te te laten roeien.Hij liet zijn neef bij zich roepen. „Rolf, jij mag mee, als mijn tolk. De inlanders zullen ons straks zelf met een prauw de rivier oproeien.”„Wat leuk, oom! Mag Hajo mee?”Bontekoe keek zijn neef glimlachend aan. „Jullie houdt mekaar altijd bij de broek, geloof ik! Heb je Jan, dan heb je Piet! Nou, vooruit dan maar.”Stralend pakte Rolf zijn biezen.Tien tellen later stond Harmen bij den schipper.„Wat heb je op je lever?”„Ik.….” Harmen slikte, „ik heb nog nooit in zoo’n Maleisch sloepie gezeten, schipper!”„Maar als ik jou ook nog meeneem, zullen ze daarginds denken, dat ik met een jol vol kinderen ben aangekomen!”[268]Harmen verbleekte. „Kinderen, schipper.….?! ’k Word met Maart zestien!”„Uitgerukt!” klonk het antwoord, dat echter lachend gegeven werd.Verbluft trok Harmen zich terug. Maar Rolf, die het gesprek op eenigen afstand gevolgd had, gaf hem een ribbestoot. „Je mag mee!” fluisterde Rolf.Harmen keek hem weifelend aan. „Nou.…. voor mijn part, zeg! Als de prauw er is, spring ik er in. Maar als de schipper me de beenen stukslaat, komen de kosten voor jou!”Daar kwam een prauw de rivierbocht omscheren, handig zwenkend tusschen de steenen. Voor- en achterin zat een Maleier met een spaan in de handen. Ze meerden de prauw, en Bontekoe nam er met zijn drie flinke geleiders in plaats. Harmen keek met een scheel oogje naar den schipper,—gereed om er zoo noodig vlug als de weerlicht nog uit te wippen. Maar Bontekoe scheen hem niet op te merken. Juist hadden de twee Maleiers hun prauw van den wal afgestooten, toen Padde buiten adem kwam aanhollen.„Wat moet dat?!” riep Padde. „Waar gaat dat naar toe?”Hajo schaamde zich een weinig over Padde’s optreden, dat al van bar weinig eerbied voor des schippers tegenwoordigheid getuigde. Maar hij wilde zijn vriend het antwoord toch niet schuldig blijven. „Inkoopen doen voor de kombuis, Padde!”„Ik ga mee”, zei Padde. „Leg maar even an.”„Waarachtig niet”, klonk het uit Bontekoe’s mond. „Je gaatnietmee!”„Ik gawelmee”, verklaarde Padde.Bontekoe zette groote oogen op.„Zwem maar achter de prauw aan!” grinnikte Harmen. Weinig vermoedde hij, dat zijn raad tot gevolg zou hebben.… Pats! daar sprong Padde pardoes het water in en ploeterde naar de prauw. Samen met Hajo en Rolf heesch Bontekoe den roekeloozen botteliersmaat binnen boord. „Blikslagersche jongen!” mopperde de schipper, „wil jij je door een kaaiman laten verslinden?!”„Ik wil met m’n vrind mee”, hijgde Padde.Bontekoe wist niet zoo gauw wat te zeggen. En Padde scheen er ook weinig belang in te stellen. Hij zette zich op den bodem[269]van het vaartuigje neer en wrong nijdig zijn muts buiten boord uit.„Vooruit! Roei op!” beval Bontekoe den Maleischen roeiers. Onmiddellijk sloegen de Maleiers de spanen in het water: of ze het begrepen, al was het bevel ook in zuiver Hollandsch gesteld!Aanvankelijk werd er gezwegen. Bontekoe keek met een half oogje naar Padde, die, zonder de anderen met een blik te verwaardigen, grimmig met het uitwringen van zijn kleeren doorging.De inlanders werkten de prauw de bocht om; Hajo en Harmen bewonderden in stilte de vaardigheid, waarmee ze de gevaarlijke punten wisten te omsturen. Enkele korte roepen waren den roeiers voldoende verstandhouding.Een drukkende hitte lag nu reeds op het water. Hoe zou het vanmiddag wel worden?Allengs verbreedde de rivierbedding zich; de boomen stonden ook niet meer vlak aan het water, maar waren er van gescheiden door een veld grijze bergsteenen. De lichte palmen aan den oever maakten plaats voor donkere loofboomen, hooger dan een kerk. Wonderlijk speelden daarboven de zonnestralen op de roerlooze bladeren en op de bonte bloemen der slingerplanten.Groote, bruine apen volgden de prauw; aan loshangende lianen slingerden zij zich van den eenen boom in den anderen. Een oud apen-mannetje bewoog zich met groote sprongen over het steenen bed aan den oever, siste, nam een aanvallende houding aan, wierp met keitjes naar de prauw zonder zich te laten afschrikken door de verwenschingen, die de beide inlanders hem naar het hoofd slingerden. Kleurige vogels fladderden van tak op tak, streken in prachtigen val neer, een langen staart achter zich aan. Wanneer er een over een zonneplek gleed, schitterde een helle vlam, kort, terstond weer doovend.Men kwam langs enkele huisjes, half achter de boomen verborgen. Een paar vrouwen waren met het wasschen van kleeren bezig. Zij hadden een rok („sarong,” zei Rolf) boven de borst dichtgeknoopt en sloegen het waschgoed op een grooten steen. Naakte kindertjes met dikke rijstbuikjes zaten elkaar in het water na en plasten, dat het een aard had. De meisjes hadden het haar in een knoedeltje opgebonden, de jongens waren kaalgeschoren, op een gitzwarten lok, vóór op hun ovaal bolletje, na.[270]Groote verbazing onder de kleinen, toen de prauw naderde! Een paar kereltjes kozen het hazenpad; anderen bleven met open mond staan, de oogen zoo wijd als de zee.De vrouwen merkten de prauw nu ook op. Ze staakten het werk en uitten in een kreet haar verwondering: „Tjobah.….!” Het feit, dat er twee inlanders, die ze kenden, in de prauw zaten, scheen haar gerust te stellen. En toen het vaartuigje voorbijgleed, overstelpten ze de roeiers met vragen. Dezen gaven geen antwoord. „Diam! Mond houden!” morde de achterste slechts. De kinderen wilden de prauw volgen, maar de vrouwen riepen de bengels terug.Verderop stonden de boomen weer vlak aan het water, de rivier geheel overwelvend. Hier werd het heerlijk koel. In het groene schemerlicht daarboven slingerden de apen zich aan loshangende lianen heen en weer en schudden krijschend de takken.Er kwamen weer huisjes met kinderen, geiten, kippen en honden er onder, er op, er in, er omheen. Daarna kokostuinen met bamboezen omheiningen. De jongens waren paf over de rapheid, waarmee een knaapje daarginds zich in een der boomen werkte: hijlieptegen den stam op!Bij een primitief huisje, waaronder een paar booten lagen, legden de Maleiers ten slotte aan. En Bontekoe sprong met zijn gevolg aan wal. De inlanders als gidsen voorop, sloegen ze een kronkelpaadje in, met aan beide zijden dichte, groene bamboebosschen. Toen voerde de weg over een dijkje tusschen twee vijvers door, waarin visschen heen en weer schoten. Kikkersplonsdenbij vieren, vijven tegelijk van het aarden walletje het water in,enaan de overzijde stond een grijze reiger te visschen. De inlanders wierpen een steen naar het dier, waarop het in een boom streek, vast besloten zijn maaltijd voort te zetten, zoodra die lastige menschen hun hielen hadden gelicht.Weer een bocht om, en men was bij het dorp. Het lag er alleraardigst, omzoomd door een strook gras, waarop een paar buffels, vervaarlijke kolossen met zware horens, vreedzaam graasden, en een aantal kleine bruine dreumesen speelden. Toen ze de vreemden zagen, verborgen ze zich ijlings achter de buffels, loerden met groote oogen tusschen de pooten door. Om het dorp bevond zich een aarden, met bloemen overdekte wal,[271]waarop een schutting van dikke, gespitste bamboestokken was geplaatst. Het pad voerde naar een doorgang, waarvoor een man gehurkt te soezen zat. Een speer stond achter hem.waarvoor een man gehurkt te soezen zat.....waarvoor een man gehurkt te soezen zat.….De Maleiers riepen hem bij zijn naam. Hij schrikte op,krabbelde schuw overeind, vol wantrouwen de vreemdelingen aanziend, en sloeg tweemaal op een houten blok, dat naast hem hing. Intusschen wenkte de voorste Maleier Bontekoe en de zijnen, om hem verder te volgen. Ze kwamen nu op een soort voorplein van gestampte aarde, waarop ’t krioelde van pluimvee.Rechts achter de poort waren, in de schaduw van een groepje pisang- en papajaboomen, een viertal jonge meisjes met het stampen van rijst in de weer. Het mooie, glanzend-zwarte haar lag sierlijk, in een kleine wrong, achter in den hals, en er staken een paar fleurige bloempjes in. Het bovenlijf was onbedekt, maar om het middel droegen ze een kleurig kleedje, dat tot over de knieën reikte. Terwijl ze[272]aanhoudend werk hadden om de diefachtige kippen weg te jagen, die een graantje kwamen pikken, stampten ze, neuriënd, met lange stokken in houten kommen, waarvan er vier naast elkaar waren gehouwen in een scheepvormig stuk hout, dat op den grond stond. Toen de meisjes onze vrienden zagen, slaakten ze een lichten kreet.„Tabeh!” zei Harmen vriendelijk.„Tabeh, toean.….” stamelde een der meisjes. En een paar kwieke haantjes vielen op de onbehoede rijst aan.Aan de andere zijde van het plein lag het eigenlijke dorp. En terwijl de blanke bezoekers het pleintje overstaken, kwamen uit enkele woningen al inlanders aanzetten: dat zou de slag op het houten blok wel hebben uitgewerkt. Op eenigen afstand bleven ze staan.Harmen groette naar alle kanten. Maar op zijn vriendelijkste „tabeh” kreeg hij slechts een onverstaanbaar gemompel terug. Alle huizen waren op hooge, sterke palen gebouwd. Sommige hadden een balkon en drie, vier tralievensters. En hoe kunstig waren de bamboezen wanden gevlochten! Daar zaten allerlei figuren in! En dan dat kleurige snijwerk onder de spitse daken! Onder de meeste huizen hing in rotankoorden een prauw, en er was geen enkele woning, waarbij aan den zijkant niet een paal met een kooi was aangebracht, waarin een kleine, grijze duif koekeloerde. Alom scharrelde pluimvee rond. Een paar jonge haantjes oefenden zich in het kraaien en mengden hun schorre, onzekere stemmen met het zelfingenomen gekakel van hennen, die luid verkondigden, dat ze daareven een ei hadden gelegd. Het was alweer juist hetzelfde als in het Sante-Mariesch dorpje: tusschen deuren- en vensterspleten gluurden angstige gezichten van vrouwen en meisjes, en ook hier krioelde het van kleine, naakte dreumesen, die, op de komst der vreemdelingen, hals over kop de vlucht namen.Zoo, met een schare Maleiers op de hielen, belandden ze bij een huis, dat het grootste en fraaiste van alle was en dus wel het dorpshoofd zou toebehooren. Hun leider verzocht hen een oogenblik te wachten: de bewoner van het huis zou zich dadelijk vertoonen.Harmen zette zijn verbroederingspogingen voort. Hij bleef[273]maar knikken en „tabeh!” roepen. En ten slotte scheen hij veld te winnen. Enkele inlanders riepen den anderen wat toe; daarop werd er gemeesmuild. „Aha!” dacht Harmen, „ik schiet op!” En onverwachts maakte hij een prachtige luchtbuiteling. In het maken van een dergelijke toer was Harmen rijp voor het paardespel, en ook ditmaal miste ze haar uitwerking niet. Eerst een oogenblik van verbaasd zwijgen, toen algemeen gelach. Er waren op den achtergrond nu ook vrouwen en meiskes opgedoken, wier vroolijkheid aanstekelijk werkte. Juist maakte Harmen nog eens dezelfde buiteling, maar nu achterstevoren, toen in de veranda van het groote huis een Inlander verscheen, fraai gekleed in langen lendenrok, jasje en hoofddoek. In een breeden, goudbestikten buikgordel stak achter den rug een eigenaardig gevormd steekwapen met sierlijke greep.Op zijn verschijnen heerschte oogenblikkelijk stilte onder de verzamelde inlanders, en terwijl hij, nog verbaasd naar Harmen ziend, die verlegen zijn broek optrok, langzaam en plechtig de trap van het bordes afdaalde om de vreemdelingen te begroeten, gingen allen eerbiedig achteruit en hurkten op eenigen afstand neer, de handen in den schoot. Bontekoe en de jongens voelden, dat ze hier bij een ander volk terecht waren gekomen dan bij de zwartjes op Sante-Marie! Ze besloten in beleefdheid niet onder te doen: Bontekoe maakte een buiging, een voorbeeld, dat door onze Hoornsche vrienden kranig werd nagevolgd, op Padde na, die met zijn houding geen raad wist en daarom maar kuchte en met de mouw zijn neus schoonveegde.Hierop boog het dorpshoofd ook een weinig, heette den vreemdelingen welkom in bewoordingen, die meer begrepen dan verstaan werden, en verzocht den vreemdelingen, zijn gast te willen zijn. Rolf, die het best Maleisch sprak, dankte het dorpshoofd voor zijn vriendelijk aanbod. Hierop begaf hun gastheer zich weer naar boven, met hoffelijk gebaar Bontekoe en de zijnen noodend hem te volgen. Zoo deden zij. Roerloos bleven buiten de inlanders gehurkt toezien.Op het bordes hadden enkele vrouwen en meisjes tegen den wand plaats genomen. Het dorpshoofd gaf een wenk, waarop ze oprezen en zes matjes op den vloer spreidden. Vriendelijk[274]noodigde hij zijn gasten, plaats te nemen. Bontekoe en de jongens gaven er gehoor aan en zetten zich met opgetrokken knieën op de matjes neer. De Inlander was ook gaan zitten, kruiste de beenen onder het lichaam. Een nieuwe wenk, en de meisjes zetten een koperen schaal neer, waarop enkele aardige, met grillige figuren besneden kommetjes stonden. In een ervan lag een noot, in een ander een krans van groene bladeren, in een derde witte kalk, in een vierde weer wat anders.…. De jongens keken er met groote oogen naar. Wat moesten ze daarmee beginnen?De Inlander legde enkele bladeren tot een matje ineen, nam iets uit de verschillende kommetjes, vouwde de bladeren dicht, stak die toen in den mond en maakte tot zijn gasten een uitnoodigend gebaar.„Nadoen!” zei Bontekoe tot zijn dapperen.„Moet je ’t slikken?” vroeg Hajo weifelend.„Ik slik het niet”, zei Harmen; „ik ga liever gewóón dood.”„Je moet het kauwen”, zei Bontekoe. „Het is een betelpruim.”En zoo goed en kwaad als het ging, maakten de schipper en de jongens hun pruim terecht en staken haar daarna dapper in den mond, op Padde na, die maar weer z’n neus schoonwreef. Het goedje smaakte bitter.Al dien tijd heerschte er zwijgen. Bontekoe raadde Rolf door een wenk, dien de beleefde inlander gebaarde niet te merken, met spreken te wachten, tot hun gastheer het woord genomen had. Eindelijk was het zoover. Het dorpshoofd wenkte de meisjes om de schalen weg te nemen en wendde zich tot Bontekoe: „Mag ik u vragen, heer, van waar gij komt?”Rolf vertelde zoo goed en kwaad als het ging hun wedervaren, en dat ze hier op Sumatra geland waren om wat eten in te koopen voor de verdere reis.Het dorpshoofd antwoordde, dat hij zelf hun tot zijn spijt niets te koop kon bieden, maar dat er in het dorp stellig wel menschen zouden zijn, die etenswaren konden leveren. Daarop verklaarde hij, dat hij het zich een groote eer zou rekenen, indien zijn gasten zoometeen bij den maaltijd zouden willen aanzitten en verder den nacht bij hem doorbrengen.[275]Het slapen moest Rolf afslaan, omdat, zooals hij zei, de haast om bij hun makkers in Bantem te komen hen verhinderde hier lang te vertoeven. Maar den maaltijd zouden zij gaarne aanvaarden.Daarna wendde Rolf zich tot zijn oom en bracht het gesprek over.Harmen was nadenkelijk geworden. „Ik vertrouw hem voor geen pruim tabak”, zei hij plots. „Wat ik je brom: ’t is een blinde klip! Hij kijkt me te geniepig! ’k Zal Louwtje Laurenszoon heeten, als er geen gif in het eten zit!”Rolf keek Harmen aarzelend aan.„Een gast is hier in Indië heilig!” zei Bontekoe. Maar ook hij voelde Harmen’s wantrouwen mee. Er zat in al die hoffelijke manieren iets beklemmends,—een rond zeeman wist niet goed, wat ie er aan had. En tegelijk met een zweem van argwaan kwam in hem een gevoel van spijt op, dat hij, in plaats van de vier jongens, niet een dozijn onbehouwen maats had meegenomen.….Hajo vond hun gastheer een buitengewoon vriendelijk man. Je moest niet achter alles wat zoeken!En Padde kon zijn oogen maar niet afwenden van het meisje, dat hem daarstraks de betelschaal had gereikt. Het kopje vormde een prachtig ovaal; de oortjes, lipjes, het neusje waren fijner dan Padde ze ooit gezien had; de sierlijk gebogen, smalle wenkbrauwen, de donkere, glanzende oogen, half versluierd achter de lange wimpers, de prachtige haarval, waarin een zilveren gesp en een paar sneeuwwitte bloempjes waren gestoken, het fijne halsje, dat zoo wonderlijk mooi in de schouderlijn overging; de tengere armen, handjes en vingertjes, het zonderlinge, kleurige kleedje, de ranke enkels, elk met een zilveren band! Padde vergat de heele wereld. Net een plaatje! vond hij.Maar het meisje had ook voor den braven botteliersmaat belangstelling. Nu en dan wierp ze hem van onder haar lange wimpers een schuwen blik toe.Dan werd Padde rood als een kool en keek vlug een anderen kant uit.De gastheer stelde voor, het dorp eens te bezien; intusschen kon men hier het eten opdienen. Gretig nam Rolf het voorstel[276]aan, blij, eindelijk van de zittende houding en het betelkauwen verlost te zijn. Nauwelijks waren ze het trapje afgedaald, of onze vrienden maakten van de gelegenheid gebruik, zich van hun betelpruim te ontdoen.De kring hurkende inlanders opende zich terstond in de richting, waarheen het dorpshoofd zijn gasten geleidde. Kindertjes liepen in een drafje toe en gluurden van ter zijde de „witte” menschen aan, zich eerst weer schuchter terugtrekkend, wanneer een van de vreemde gasten een blik op hen liet vallen.„Stampt men in uw land de rijst, zooals wij het hier doen?” vroeg het dorpshoofd, toen ze een plek naderden waar weer vier meisjes met dat werk bezig waren, doch nu verlegen ophielden.„In ons land groeit geen rijst”, antwoordde Rolf.Het dorpshoofd keek vol verbazing zijn gasten aan. „Tjobah.….!” En ook onder de omstaande inlanders werd gemurmeld.„Mogen we het stampen eens zien?” vroeg Rolf vroolijk.„Wel zeker!” haastte zich het wellevende dorpshoofd te verklaren. En hij wenkte de meisjes nader te komen en hun arbeid voort te zetten. Schuchter, met neergeslagen oogen, voldeden ze aan het verzoek.Zij stelden zich aan beide zijden van het stampblok op, namen den houten stok en begonnen op een kort en zacht uitgesproken bevel van een van hen te stampen. Al spoedig merkten Bontekoe en de zijnen op, dat er in een bepaalde maat gestampt werd. De leidster zei weer een woord, en nu wisselden plotseling alle vier de maat. Als vanzelf begonnen de deerntjes te neuriën, eerst heel zacht, toen wat vrijer uit, en bij elke maatwisseling zetten ze ook terstond een ander wijsje in. En alles rondom was zoo vredig; de lucht hing vol zoeten bloemengeur, de zon was zoo koesterend.….„Alleraardigst!” riep Bontekoe uit.Het was, als verstonden de ijverige stampsters hem, want ze bloosden onder den lof; de jongste giechelde even, waarop ook de anderen haar vroolijkheid een oogenblik botvierden. Een oude vrouw, die gehurkt bij het blok was gaan zitten, berispte ze met krijschende stem; de meiskes wierpen elkaar en[277]ook den omstanders een oogje toe en kozen ditmaal een bijzonder vroolijke maat,—ondanks het kijven der oude, die thans met een mandje, dat veel van een omgekeerden hoed had en met ongepelde rijst was gevuld, bij het stampblok neerhurkte. Met vluggen greep griste ze tusschen twee stooten door met haar magere, gerimpelde hand de rijst uit de kommen, wierp ze in een leeg mandje en gooide daarna de kommen weer vol ongepelde rijst.Terwijl de meisjes met stampen doorgingen, leidde het dorpshoofd zijn gasten weer verder.Rolf vroeg naar den naam der grijze duiven in de kooien. „Boeroeng perkoetoet”, luidde het antwoord. Onze vrienden verbaasden zich over de juiste klanknabootsing: ze hoorden nu duidelijk in den roep van den vogel het woord: perkoetoet!Ze hielden stil bij een ouden man, die met het versieren van een deur bezig was. Niets dan een kort mesje was zijn werktuig: daarmee—en met eindeloos geduld!—had hij vogels, visschen en boomen in fraaie lijnen uit het hout getooverd. De oude houtsnijder glimlachte vol bescheiden vreugde, toen de vreemdelingen zijn werk bewonderden.„Kan ik ook”, zei Harmen. „Heb jullie mijn tabaksdoos aleensgezien?”Een strenge blik van den schipper hield hem ervan terug, dit zeldzame kunstwerk, waarop twee aaneengesmede harten prijkten, voor den dag te halen.Na den rondgang door het dorp te hebben gemaakt, kwam men weer bij de woning van het dorpshoofd, waar intusschen het eten was opgediend. Een groote mat lag op den vloer, en daarop prijkte een keur van gerechten, alle in stukken pisangblad gewikkeld. Men zette zich op matjes rond den „disch”. Er was rijst met scherpsmakende vischjes, gekruide kip, allerlei vruchten, waarbij vooral een groene vrucht met heerlijk sappig, oranje vleesch en een groote pit onze vrienden in verrukking bracht. Het eten was zoo gepeperd, dat men er de tranen van in de oogen kreeg. „Toch lekker”, vonden de jongens. Alleen Harmen was zijn wantrouwen nog niet geheel kwijt, aarzelde bij elk nieuw gerecht, dat men hem aanbood.„Smaakt het jou niet?” vroeg Bontekoe.[278]„Als ik maar zeker wist, dat er geen gif inzat, zou je me eens zien eten, schipper!” verklaarde Harmen.Zijn makkers lachten. „We hebben anders nog geen meelij met je! Als je dat allemaal opeet.….!”De soep werd tot hun verbazing over de rijst geschept! Dan waren er allerhande koekjes en geconfijte vruchten, en na het eten werd er gegiste palmwijn rondgediend.Daarna stonden onze vrienden op om nu eens ernstig op zoek te gaan naar proviand voor de jol! Ze hadden verrukkelijk gegeten en bedankten het dorpshoofd voor zijn gastvrijheid. En nu Harmen geen buikkrampen of iets dergelijks voelde, week ook bij hem, als bij de anderen, het laatste restje wantrouwen.Rolf vroeg den inlanders, die nog steeds in grooten kring voor het huis zaten, of niemand van hen iets te koop kon bieden.„Kippen!” riep er een. „Twee geiten!” luidde het uit een anderen hoek. „Rijst! Rijst en kippen!”Kippen bleken in overvloed te koop te zijn. Bontekoe kocht wat rijst en pluimvee op en liet het naar de jol zenden. Daarna volgde men den inlander, die twee geiten te koop had. Maar ter plaatse gekomen, bleken de „geiten” nog geen maand oud te zijn. En het dochtertje van den man huilde zoo, toen zij merkte wat haar vader met de lustige speelkameraadjes van plan was, en zijn vrouw kijfde hem zoo de huid vol, dat hij maar van zijn plan tot verkoop afzag.Op dat oogenblik kwam zijn buurman zeggen, dat hij een buffel te koop had. Dat zou zoden aan den dijk zetten! En onze vrienden volgden den man, die hen het dorp uitleidde. Daar graasde zijn buffel, een mooi, jong beest met een paar geduchte horens.Rolf opende de onderhandelingen. Men werd het eens op vijf-en-een-halve real van achten. Maar hoe nu den stier naar de jol te krijgen? „Als we het die nikker laten doen, zien we het beest nooit!” meende Harmen.„We zullen het zelf doen”, zei Rolf. En den Maleier vroeg hij: „Is er een weg naar het strand?”„Zeker, heer, langs de rivier loopt een weg.”„Wel”, zei Harmen, „ga jij dan met de kano terug, schipper,[279]dan slaan wij het mormel een touwtje om z’n hals en brengen het netjes naar de jol.”Dat scheen ook Bontekoe het beste. „Nu, gaan jullie je gang dan maar. Tot over een paar uur dus!”„Jawel, schipper!”Bontekoe ging naar de woning van het dorpshoofd.„Nou”, zei Harmen den inlander, „haal jij nou er eens als de weerlicht een stukkie talie!”De man raapte een stuk rotan van den grond op.„Best, kassie maar aan saja”, zei Harmen. „Dan zal ik hem dat lusje even om z’n hals leggen!” Harmen, die al eens vaker een koe bij de horens had gepakt, stapte op den grazenden kolos af.Maar deze sprong haastig een paar passen terug en keek dreigend onzen vriend aan, die van zijn kant een en al innemendheid was en als een verleidelijk lokaas den strik voor zich uithield. „Kom dan?” vroeg Harmen vriendelijk, „kom dan, ouwe jongen?” Maar de buffel kwam niet,—zoodat Harmen tot list overging. Hij maakte van den rotan een lasso en wierp dien, na alleronschuldigst nog een paar duim genaderd te zijn, den buffel om de horens.Het dier sprong achteruit, sleurde Harmen mee. Maar deze hield vast. Toen een korte aarzeling, en het beest boog snuivend den zwaren nek en stormde met gevelde horens op den onversaagden koksmaat af. In dit hachelijk oogenblik maakte Harmen den sprong, waaraan hij het te danken had, dat hij vijftig jaar later aan zijn kleinkinderen het buffelavontuur nog in geuren en kleuren kon voorschilderen. Terwijl hij er eigenlijk nog over na dacht, hoe hij zich het best uit de voeten kon maken, hadden zijn armen en beenen het werk al verricht: hij greep, den doodsangst in de oogen, met zijn gespierde knuisten de horens beet, zette geweldig af en.…. sprong haasje-over!„Tjobah.….!” stamelde de inlander. De anderen voelden een koude rilling door de leden gaan. De buffel stoof door tot aan de omheining van het dorp; daar bleef het dier staan, de horens gebogen voor een nieuwen aanval.„Vooruit!” riep Rolf den inlander driftig toe. „Tangkep!”De man keek schuw op. „Oah toean, ’nga brani, toean.….”„Wat zeg je? Durf je niet? ’t Is toch jouw stier?”[280]„Mijn stier, heer? Ik heb hem u toch verkocht? Dan is hij toch niet meer van mij?”„Wat zeit ie?” vroeg Harmen.„Hij heeft ons een koopje geleverd! Hoe krijgen we het beest in ’s hemelsnaam mee?”„Wachten, tot ’t donker is”, meende Harmen. „Dan draai ik ’m stiekum een touwtje om z’n pooten. En dan slapen we vannacht bij deradjah!”„Onmogelijk! Dan is het nog beter, zonder buffel terug te gaan.”„De schipper zal ons zien aankomen!” smaalde Harmen. „En hij zal nòg eens jongens meenemen! Neen, hij heeft gezeid, dat we hem de stier moeten brengen, nou, dan moeten we hem de stier ook brengen. Over een uur is het al donker.—En dan krijgen we je wel, hè, dikkop?”—Dat laatste ging tegen den stier.Rolf weifelde. „Vooruit dan maar!” zei hij ten slotte. Hij had per slot van rekening ook niet veel lust om zonder den stier in het kamp terug te keeren. De schipper zou zich wel ongerust maken, maar morgen helderde zich immers alles op.En de knapen togen naar het dorpshoofd, dat hen weer allervriendelijkst ontving en hun een klein huisje aanbood, hetwelk naast het zijne stond en voor de herberging van gasten diende. Hij liet de knapen een oogenblik alleen, keerde vriendelijk glimlachend terug en zei, dat alles voor hen werd gereedgemaakt. Opnieuw liet hij palmwijn brengen, verzekerde, dat hij het zich een eer rekende, de zonen van een schipper der Compagnie te herbergen. En toen een inlander hurkend kwam mededeelen, dat het nachtleger voor de gasten gereed was, vroeg hij hun, of ze lust gevoelden even met den dienaar mee te gaan, ten einde hun onderdak voor dezen nacht in oogenschouw te nemen. Zoo volgden de jongens, vroolijk koutend en verrukt over den palmwijn en hun hartelijken gastheer, den inlander naar het huisje.Ze klommen, Harmen vooraan, een laddertje op, dat naar de kamer voerde, traden met gebukt hoofd de lage deur binnen en kwamen zoo in een donkere ruimte. Padde kroop als laatste naar binnen.[281]„Sakkerju”, zei Harmen, „’t is donker; we hadden wel een dievenlantarentje mee mogen brengen!”Op dat oogenblik werden ze beetgegrepen, ondanks hun woedend verzet gekneveld—en in het duister alleen gelaten.Kokospalmen.[282]
[Inhoud]DE DESSAH INDE DESSAH INNa het eten, dat zelfs Padde’s verwachtingen nog verre overtrof, overlegden de schipbreukelingen, hoe ze nog aan wat meer proviand voor de reis zouden komen. Van een zoo vreedzame bevolking zou wel alles zijn los te krijgen wat men voorloopig noodig had. De inlanders zeiden, dat een uur varens de rivier op een dorp lag; daar besloot Bontekoe zich eens heen te te laten roeien.Hij liet zijn neef bij zich roepen. „Rolf, jij mag mee, als mijn tolk. De inlanders zullen ons straks zelf met een prauw de rivier oproeien.”„Wat leuk, oom! Mag Hajo mee?”Bontekoe keek zijn neef glimlachend aan. „Jullie houdt mekaar altijd bij de broek, geloof ik! Heb je Jan, dan heb je Piet! Nou, vooruit dan maar.”Stralend pakte Rolf zijn biezen.Tien tellen later stond Harmen bij den schipper.„Wat heb je op je lever?”„Ik.….” Harmen slikte, „ik heb nog nooit in zoo’n Maleisch sloepie gezeten, schipper!”„Maar als ik jou ook nog meeneem, zullen ze daarginds denken, dat ik met een jol vol kinderen ben aangekomen!”[268]Harmen verbleekte. „Kinderen, schipper.….?! ’k Word met Maart zestien!”„Uitgerukt!” klonk het antwoord, dat echter lachend gegeven werd.Verbluft trok Harmen zich terug. Maar Rolf, die het gesprek op eenigen afstand gevolgd had, gaf hem een ribbestoot. „Je mag mee!” fluisterde Rolf.Harmen keek hem weifelend aan. „Nou.…. voor mijn part, zeg! Als de prauw er is, spring ik er in. Maar als de schipper me de beenen stukslaat, komen de kosten voor jou!”Daar kwam een prauw de rivierbocht omscheren, handig zwenkend tusschen de steenen. Voor- en achterin zat een Maleier met een spaan in de handen. Ze meerden de prauw, en Bontekoe nam er met zijn drie flinke geleiders in plaats. Harmen keek met een scheel oogje naar den schipper,—gereed om er zoo noodig vlug als de weerlicht nog uit te wippen. Maar Bontekoe scheen hem niet op te merken. Juist hadden de twee Maleiers hun prauw van den wal afgestooten, toen Padde buiten adem kwam aanhollen.„Wat moet dat?!” riep Padde. „Waar gaat dat naar toe?”Hajo schaamde zich een weinig over Padde’s optreden, dat al van bar weinig eerbied voor des schippers tegenwoordigheid getuigde. Maar hij wilde zijn vriend het antwoord toch niet schuldig blijven. „Inkoopen doen voor de kombuis, Padde!”„Ik ga mee”, zei Padde. „Leg maar even an.”„Waarachtig niet”, klonk het uit Bontekoe’s mond. „Je gaatnietmee!”„Ik gawelmee”, verklaarde Padde.Bontekoe zette groote oogen op.„Zwem maar achter de prauw aan!” grinnikte Harmen. Weinig vermoedde hij, dat zijn raad tot gevolg zou hebben.… Pats! daar sprong Padde pardoes het water in en ploeterde naar de prauw. Samen met Hajo en Rolf heesch Bontekoe den roekeloozen botteliersmaat binnen boord. „Blikslagersche jongen!” mopperde de schipper, „wil jij je door een kaaiman laten verslinden?!”„Ik wil met m’n vrind mee”, hijgde Padde.Bontekoe wist niet zoo gauw wat te zeggen. En Padde scheen er ook weinig belang in te stellen. Hij zette zich op den bodem[269]van het vaartuigje neer en wrong nijdig zijn muts buiten boord uit.„Vooruit! Roei op!” beval Bontekoe den Maleischen roeiers. Onmiddellijk sloegen de Maleiers de spanen in het water: of ze het begrepen, al was het bevel ook in zuiver Hollandsch gesteld!Aanvankelijk werd er gezwegen. Bontekoe keek met een half oogje naar Padde, die, zonder de anderen met een blik te verwaardigen, grimmig met het uitwringen van zijn kleeren doorging.De inlanders werkten de prauw de bocht om; Hajo en Harmen bewonderden in stilte de vaardigheid, waarmee ze de gevaarlijke punten wisten te omsturen. Enkele korte roepen waren den roeiers voldoende verstandhouding.Een drukkende hitte lag nu reeds op het water. Hoe zou het vanmiddag wel worden?Allengs verbreedde de rivierbedding zich; de boomen stonden ook niet meer vlak aan het water, maar waren er van gescheiden door een veld grijze bergsteenen. De lichte palmen aan den oever maakten plaats voor donkere loofboomen, hooger dan een kerk. Wonderlijk speelden daarboven de zonnestralen op de roerlooze bladeren en op de bonte bloemen der slingerplanten.Groote, bruine apen volgden de prauw; aan loshangende lianen slingerden zij zich van den eenen boom in den anderen. Een oud apen-mannetje bewoog zich met groote sprongen over het steenen bed aan den oever, siste, nam een aanvallende houding aan, wierp met keitjes naar de prauw zonder zich te laten afschrikken door de verwenschingen, die de beide inlanders hem naar het hoofd slingerden. Kleurige vogels fladderden van tak op tak, streken in prachtigen val neer, een langen staart achter zich aan. Wanneer er een over een zonneplek gleed, schitterde een helle vlam, kort, terstond weer doovend.Men kwam langs enkele huisjes, half achter de boomen verborgen. Een paar vrouwen waren met het wasschen van kleeren bezig. Zij hadden een rok („sarong,” zei Rolf) boven de borst dichtgeknoopt en sloegen het waschgoed op een grooten steen. Naakte kindertjes met dikke rijstbuikjes zaten elkaar in het water na en plasten, dat het een aard had. De meisjes hadden het haar in een knoedeltje opgebonden, de jongens waren kaalgeschoren, op een gitzwarten lok, vóór op hun ovaal bolletje, na.[270]Groote verbazing onder de kleinen, toen de prauw naderde! Een paar kereltjes kozen het hazenpad; anderen bleven met open mond staan, de oogen zoo wijd als de zee.De vrouwen merkten de prauw nu ook op. Ze staakten het werk en uitten in een kreet haar verwondering: „Tjobah.….!” Het feit, dat er twee inlanders, die ze kenden, in de prauw zaten, scheen haar gerust te stellen. En toen het vaartuigje voorbijgleed, overstelpten ze de roeiers met vragen. Dezen gaven geen antwoord. „Diam! Mond houden!” morde de achterste slechts. De kinderen wilden de prauw volgen, maar de vrouwen riepen de bengels terug.Verderop stonden de boomen weer vlak aan het water, de rivier geheel overwelvend. Hier werd het heerlijk koel. In het groene schemerlicht daarboven slingerden de apen zich aan loshangende lianen heen en weer en schudden krijschend de takken.Er kwamen weer huisjes met kinderen, geiten, kippen en honden er onder, er op, er in, er omheen. Daarna kokostuinen met bamboezen omheiningen. De jongens waren paf over de rapheid, waarmee een knaapje daarginds zich in een der boomen werkte: hijlieptegen den stam op!Bij een primitief huisje, waaronder een paar booten lagen, legden de Maleiers ten slotte aan. En Bontekoe sprong met zijn gevolg aan wal. De inlanders als gidsen voorop, sloegen ze een kronkelpaadje in, met aan beide zijden dichte, groene bamboebosschen. Toen voerde de weg over een dijkje tusschen twee vijvers door, waarin visschen heen en weer schoten. Kikkersplonsdenbij vieren, vijven tegelijk van het aarden walletje het water in,enaan de overzijde stond een grijze reiger te visschen. De inlanders wierpen een steen naar het dier, waarop het in een boom streek, vast besloten zijn maaltijd voort te zetten, zoodra die lastige menschen hun hielen hadden gelicht.Weer een bocht om, en men was bij het dorp. Het lag er alleraardigst, omzoomd door een strook gras, waarop een paar buffels, vervaarlijke kolossen met zware horens, vreedzaam graasden, en een aantal kleine bruine dreumesen speelden. Toen ze de vreemden zagen, verborgen ze zich ijlings achter de buffels, loerden met groote oogen tusschen de pooten door. Om het dorp bevond zich een aarden, met bloemen overdekte wal,[271]waarop een schutting van dikke, gespitste bamboestokken was geplaatst. Het pad voerde naar een doorgang, waarvoor een man gehurkt te soezen zat. Een speer stond achter hem.waarvoor een man gehurkt te soezen zat.....waarvoor een man gehurkt te soezen zat.….De Maleiers riepen hem bij zijn naam. Hij schrikte op,krabbelde schuw overeind, vol wantrouwen de vreemdelingen aanziend, en sloeg tweemaal op een houten blok, dat naast hem hing. Intusschen wenkte de voorste Maleier Bontekoe en de zijnen, om hem verder te volgen. Ze kwamen nu op een soort voorplein van gestampte aarde, waarop ’t krioelde van pluimvee.Rechts achter de poort waren, in de schaduw van een groepje pisang- en papajaboomen, een viertal jonge meisjes met het stampen van rijst in de weer. Het mooie, glanzend-zwarte haar lag sierlijk, in een kleine wrong, achter in den hals, en er staken een paar fleurige bloempjes in. Het bovenlijf was onbedekt, maar om het middel droegen ze een kleurig kleedje, dat tot over de knieën reikte. Terwijl ze[272]aanhoudend werk hadden om de diefachtige kippen weg te jagen, die een graantje kwamen pikken, stampten ze, neuriënd, met lange stokken in houten kommen, waarvan er vier naast elkaar waren gehouwen in een scheepvormig stuk hout, dat op den grond stond. Toen de meisjes onze vrienden zagen, slaakten ze een lichten kreet.„Tabeh!” zei Harmen vriendelijk.„Tabeh, toean.….” stamelde een der meisjes. En een paar kwieke haantjes vielen op de onbehoede rijst aan.Aan de andere zijde van het plein lag het eigenlijke dorp. En terwijl de blanke bezoekers het pleintje overstaken, kwamen uit enkele woningen al inlanders aanzetten: dat zou de slag op het houten blok wel hebben uitgewerkt. Op eenigen afstand bleven ze staan.Harmen groette naar alle kanten. Maar op zijn vriendelijkste „tabeh” kreeg hij slechts een onverstaanbaar gemompel terug. Alle huizen waren op hooge, sterke palen gebouwd. Sommige hadden een balkon en drie, vier tralievensters. En hoe kunstig waren de bamboezen wanden gevlochten! Daar zaten allerlei figuren in! En dan dat kleurige snijwerk onder de spitse daken! Onder de meeste huizen hing in rotankoorden een prauw, en er was geen enkele woning, waarbij aan den zijkant niet een paal met een kooi was aangebracht, waarin een kleine, grijze duif koekeloerde. Alom scharrelde pluimvee rond. Een paar jonge haantjes oefenden zich in het kraaien en mengden hun schorre, onzekere stemmen met het zelfingenomen gekakel van hennen, die luid verkondigden, dat ze daareven een ei hadden gelegd. Het was alweer juist hetzelfde als in het Sante-Mariesch dorpje: tusschen deuren- en vensterspleten gluurden angstige gezichten van vrouwen en meisjes, en ook hier krioelde het van kleine, naakte dreumesen, die, op de komst der vreemdelingen, hals over kop de vlucht namen.Zoo, met een schare Maleiers op de hielen, belandden ze bij een huis, dat het grootste en fraaiste van alle was en dus wel het dorpshoofd zou toebehooren. Hun leider verzocht hen een oogenblik te wachten: de bewoner van het huis zou zich dadelijk vertoonen.Harmen zette zijn verbroederingspogingen voort. Hij bleef[273]maar knikken en „tabeh!” roepen. En ten slotte scheen hij veld te winnen. Enkele inlanders riepen den anderen wat toe; daarop werd er gemeesmuild. „Aha!” dacht Harmen, „ik schiet op!” En onverwachts maakte hij een prachtige luchtbuiteling. In het maken van een dergelijke toer was Harmen rijp voor het paardespel, en ook ditmaal miste ze haar uitwerking niet. Eerst een oogenblik van verbaasd zwijgen, toen algemeen gelach. Er waren op den achtergrond nu ook vrouwen en meiskes opgedoken, wier vroolijkheid aanstekelijk werkte. Juist maakte Harmen nog eens dezelfde buiteling, maar nu achterstevoren, toen in de veranda van het groote huis een Inlander verscheen, fraai gekleed in langen lendenrok, jasje en hoofddoek. In een breeden, goudbestikten buikgordel stak achter den rug een eigenaardig gevormd steekwapen met sierlijke greep.Op zijn verschijnen heerschte oogenblikkelijk stilte onder de verzamelde inlanders, en terwijl hij, nog verbaasd naar Harmen ziend, die verlegen zijn broek optrok, langzaam en plechtig de trap van het bordes afdaalde om de vreemdelingen te begroeten, gingen allen eerbiedig achteruit en hurkten op eenigen afstand neer, de handen in den schoot. Bontekoe en de jongens voelden, dat ze hier bij een ander volk terecht waren gekomen dan bij de zwartjes op Sante-Marie! Ze besloten in beleefdheid niet onder te doen: Bontekoe maakte een buiging, een voorbeeld, dat door onze Hoornsche vrienden kranig werd nagevolgd, op Padde na, die met zijn houding geen raad wist en daarom maar kuchte en met de mouw zijn neus schoonveegde.Hierop boog het dorpshoofd ook een weinig, heette den vreemdelingen welkom in bewoordingen, die meer begrepen dan verstaan werden, en verzocht den vreemdelingen, zijn gast te willen zijn. Rolf, die het best Maleisch sprak, dankte het dorpshoofd voor zijn vriendelijk aanbod. Hierop begaf hun gastheer zich weer naar boven, met hoffelijk gebaar Bontekoe en de zijnen noodend hem te volgen. Zoo deden zij. Roerloos bleven buiten de inlanders gehurkt toezien.Op het bordes hadden enkele vrouwen en meisjes tegen den wand plaats genomen. Het dorpshoofd gaf een wenk, waarop ze oprezen en zes matjes op den vloer spreidden. Vriendelijk[274]noodigde hij zijn gasten, plaats te nemen. Bontekoe en de jongens gaven er gehoor aan en zetten zich met opgetrokken knieën op de matjes neer. De Inlander was ook gaan zitten, kruiste de beenen onder het lichaam. Een nieuwe wenk, en de meisjes zetten een koperen schaal neer, waarop enkele aardige, met grillige figuren besneden kommetjes stonden. In een ervan lag een noot, in een ander een krans van groene bladeren, in een derde witte kalk, in een vierde weer wat anders.…. De jongens keken er met groote oogen naar. Wat moesten ze daarmee beginnen?De Inlander legde enkele bladeren tot een matje ineen, nam iets uit de verschillende kommetjes, vouwde de bladeren dicht, stak die toen in den mond en maakte tot zijn gasten een uitnoodigend gebaar.„Nadoen!” zei Bontekoe tot zijn dapperen.„Moet je ’t slikken?” vroeg Hajo weifelend.„Ik slik het niet”, zei Harmen; „ik ga liever gewóón dood.”„Je moet het kauwen”, zei Bontekoe. „Het is een betelpruim.”En zoo goed en kwaad als het ging, maakten de schipper en de jongens hun pruim terecht en staken haar daarna dapper in den mond, op Padde na, die maar weer z’n neus schoonwreef. Het goedje smaakte bitter.Al dien tijd heerschte er zwijgen. Bontekoe raadde Rolf door een wenk, dien de beleefde inlander gebaarde niet te merken, met spreken te wachten, tot hun gastheer het woord genomen had. Eindelijk was het zoover. Het dorpshoofd wenkte de meisjes om de schalen weg te nemen en wendde zich tot Bontekoe: „Mag ik u vragen, heer, van waar gij komt?”Rolf vertelde zoo goed en kwaad als het ging hun wedervaren, en dat ze hier op Sumatra geland waren om wat eten in te koopen voor de verdere reis.Het dorpshoofd antwoordde, dat hij zelf hun tot zijn spijt niets te koop kon bieden, maar dat er in het dorp stellig wel menschen zouden zijn, die etenswaren konden leveren. Daarop verklaarde hij, dat hij het zich een groote eer zou rekenen, indien zijn gasten zoometeen bij den maaltijd zouden willen aanzitten en verder den nacht bij hem doorbrengen.[275]Het slapen moest Rolf afslaan, omdat, zooals hij zei, de haast om bij hun makkers in Bantem te komen hen verhinderde hier lang te vertoeven. Maar den maaltijd zouden zij gaarne aanvaarden.Daarna wendde Rolf zich tot zijn oom en bracht het gesprek over.Harmen was nadenkelijk geworden. „Ik vertrouw hem voor geen pruim tabak”, zei hij plots. „Wat ik je brom: ’t is een blinde klip! Hij kijkt me te geniepig! ’k Zal Louwtje Laurenszoon heeten, als er geen gif in het eten zit!”Rolf keek Harmen aarzelend aan.„Een gast is hier in Indië heilig!” zei Bontekoe. Maar ook hij voelde Harmen’s wantrouwen mee. Er zat in al die hoffelijke manieren iets beklemmends,—een rond zeeman wist niet goed, wat ie er aan had. En tegelijk met een zweem van argwaan kwam in hem een gevoel van spijt op, dat hij, in plaats van de vier jongens, niet een dozijn onbehouwen maats had meegenomen.….Hajo vond hun gastheer een buitengewoon vriendelijk man. Je moest niet achter alles wat zoeken!En Padde kon zijn oogen maar niet afwenden van het meisje, dat hem daarstraks de betelschaal had gereikt. Het kopje vormde een prachtig ovaal; de oortjes, lipjes, het neusje waren fijner dan Padde ze ooit gezien had; de sierlijk gebogen, smalle wenkbrauwen, de donkere, glanzende oogen, half versluierd achter de lange wimpers, de prachtige haarval, waarin een zilveren gesp en een paar sneeuwwitte bloempjes waren gestoken, het fijne halsje, dat zoo wonderlijk mooi in de schouderlijn overging; de tengere armen, handjes en vingertjes, het zonderlinge, kleurige kleedje, de ranke enkels, elk met een zilveren band! Padde vergat de heele wereld. Net een plaatje! vond hij.Maar het meisje had ook voor den braven botteliersmaat belangstelling. Nu en dan wierp ze hem van onder haar lange wimpers een schuwen blik toe.Dan werd Padde rood als een kool en keek vlug een anderen kant uit.De gastheer stelde voor, het dorp eens te bezien; intusschen kon men hier het eten opdienen. Gretig nam Rolf het voorstel[276]aan, blij, eindelijk van de zittende houding en het betelkauwen verlost te zijn. Nauwelijks waren ze het trapje afgedaald, of onze vrienden maakten van de gelegenheid gebruik, zich van hun betelpruim te ontdoen.De kring hurkende inlanders opende zich terstond in de richting, waarheen het dorpshoofd zijn gasten geleidde. Kindertjes liepen in een drafje toe en gluurden van ter zijde de „witte” menschen aan, zich eerst weer schuchter terugtrekkend, wanneer een van de vreemde gasten een blik op hen liet vallen.„Stampt men in uw land de rijst, zooals wij het hier doen?” vroeg het dorpshoofd, toen ze een plek naderden waar weer vier meisjes met dat werk bezig waren, doch nu verlegen ophielden.„In ons land groeit geen rijst”, antwoordde Rolf.Het dorpshoofd keek vol verbazing zijn gasten aan. „Tjobah.….!” En ook onder de omstaande inlanders werd gemurmeld.„Mogen we het stampen eens zien?” vroeg Rolf vroolijk.„Wel zeker!” haastte zich het wellevende dorpshoofd te verklaren. En hij wenkte de meisjes nader te komen en hun arbeid voort te zetten. Schuchter, met neergeslagen oogen, voldeden ze aan het verzoek.Zij stelden zich aan beide zijden van het stampblok op, namen den houten stok en begonnen op een kort en zacht uitgesproken bevel van een van hen te stampen. Al spoedig merkten Bontekoe en de zijnen op, dat er in een bepaalde maat gestampt werd. De leidster zei weer een woord, en nu wisselden plotseling alle vier de maat. Als vanzelf begonnen de deerntjes te neuriën, eerst heel zacht, toen wat vrijer uit, en bij elke maatwisseling zetten ze ook terstond een ander wijsje in. En alles rondom was zoo vredig; de lucht hing vol zoeten bloemengeur, de zon was zoo koesterend.….„Alleraardigst!” riep Bontekoe uit.Het was, als verstonden de ijverige stampsters hem, want ze bloosden onder den lof; de jongste giechelde even, waarop ook de anderen haar vroolijkheid een oogenblik botvierden. Een oude vrouw, die gehurkt bij het blok was gaan zitten, berispte ze met krijschende stem; de meiskes wierpen elkaar en[277]ook den omstanders een oogje toe en kozen ditmaal een bijzonder vroolijke maat,—ondanks het kijven der oude, die thans met een mandje, dat veel van een omgekeerden hoed had en met ongepelde rijst was gevuld, bij het stampblok neerhurkte. Met vluggen greep griste ze tusschen twee stooten door met haar magere, gerimpelde hand de rijst uit de kommen, wierp ze in een leeg mandje en gooide daarna de kommen weer vol ongepelde rijst.Terwijl de meisjes met stampen doorgingen, leidde het dorpshoofd zijn gasten weer verder.Rolf vroeg naar den naam der grijze duiven in de kooien. „Boeroeng perkoetoet”, luidde het antwoord. Onze vrienden verbaasden zich over de juiste klanknabootsing: ze hoorden nu duidelijk in den roep van den vogel het woord: perkoetoet!Ze hielden stil bij een ouden man, die met het versieren van een deur bezig was. Niets dan een kort mesje was zijn werktuig: daarmee—en met eindeloos geduld!—had hij vogels, visschen en boomen in fraaie lijnen uit het hout getooverd. De oude houtsnijder glimlachte vol bescheiden vreugde, toen de vreemdelingen zijn werk bewonderden.„Kan ik ook”, zei Harmen. „Heb jullie mijn tabaksdoos aleensgezien?”Een strenge blik van den schipper hield hem ervan terug, dit zeldzame kunstwerk, waarop twee aaneengesmede harten prijkten, voor den dag te halen.Na den rondgang door het dorp te hebben gemaakt, kwam men weer bij de woning van het dorpshoofd, waar intusschen het eten was opgediend. Een groote mat lag op den vloer, en daarop prijkte een keur van gerechten, alle in stukken pisangblad gewikkeld. Men zette zich op matjes rond den „disch”. Er was rijst met scherpsmakende vischjes, gekruide kip, allerlei vruchten, waarbij vooral een groene vrucht met heerlijk sappig, oranje vleesch en een groote pit onze vrienden in verrukking bracht. Het eten was zoo gepeperd, dat men er de tranen van in de oogen kreeg. „Toch lekker”, vonden de jongens. Alleen Harmen was zijn wantrouwen nog niet geheel kwijt, aarzelde bij elk nieuw gerecht, dat men hem aanbood.„Smaakt het jou niet?” vroeg Bontekoe.[278]„Als ik maar zeker wist, dat er geen gif inzat, zou je me eens zien eten, schipper!” verklaarde Harmen.Zijn makkers lachten. „We hebben anders nog geen meelij met je! Als je dat allemaal opeet.….!”De soep werd tot hun verbazing over de rijst geschept! Dan waren er allerhande koekjes en geconfijte vruchten, en na het eten werd er gegiste palmwijn rondgediend.Daarna stonden onze vrienden op om nu eens ernstig op zoek te gaan naar proviand voor de jol! Ze hadden verrukkelijk gegeten en bedankten het dorpshoofd voor zijn gastvrijheid. En nu Harmen geen buikkrampen of iets dergelijks voelde, week ook bij hem, als bij de anderen, het laatste restje wantrouwen.Rolf vroeg den inlanders, die nog steeds in grooten kring voor het huis zaten, of niemand van hen iets te koop kon bieden.„Kippen!” riep er een. „Twee geiten!” luidde het uit een anderen hoek. „Rijst! Rijst en kippen!”Kippen bleken in overvloed te koop te zijn. Bontekoe kocht wat rijst en pluimvee op en liet het naar de jol zenden. Daarna volgde men den inlander, die twee geiten te koop had. Maar ter plaatse gekomen, bleken de „geiten” nog geen maand oud te zijn. En het dochtertje van den man huilde zoo, toen zij merkte wat haar vader met de lustige speelkameraadjes van plan was, en zijn vrouw kijfde hem zoo de huid vol, dat hij maar van zijn plan tot verkoop afzag.Op dat oogenblik kwam zijn buurman zeggen, dat hij een buffel te koop had. Dat zou zoden aan den dijk zetten! En onze vrienden volgden den man, die hen het dorp uitleidde. Daar graasde zijn buffel, een mooi, jong beest met een paar geduchte horens.Rolf opende de onderhandelingen. Men werd het eens op vijf-en-een-halve real van achten. Maar hoe nu den stier naar de jol te krijgen? „Als we het die nikker laten doen, zien we het beest nooit!” meende Harmen.„We zullen het zelf doen”, zei Rolf. En den Maleier vroeg hij: „Is er een weg naar het strand?”„Zeker, heer, langs de rivier loopt een weg.”„Wel”, zei Harmen, „ga jij dan met de kano terug, schipper,[279]dan slaan wij het mormel een touwtje om z’n hals en brengen het netjes naar de jol.”Dat scheen ook Bontekoe het beste. „Nu, gaan jullie je gang dan maar. Tot over een paar uur dus!”„Jawel, schipper!”Bontekoe ging naar de woning van het dorpshoofd.„Nou”, zei Harmen den inlander, „haal jij nou er eens als de weerlicht een stukkie talie!”De man raapte een stuk rotan van den grond op.„Best, kassie maar aan saja”, zei Harmen. „Dan zal ik hem dat lusje even om z’n hals leggen!” Harmen, die al eens vaker een koe bij de horens had gepakt, stapte op den grazenden kolos af.Maar deze sprong haastig een paar passen terug en keek dreigend onzen vriend aan, die van zijn kant een en al innemendheid was en als een verleidelijk lokaas den strik voor zich uithield. „Kom dan?” vroeg Harmen vriendelijk, „kom dan, ouwe jongen?” Maar de buffel kwam niet,—zoodat Harmen tot list overging. Hij maakte van den rotan een lasso en wierp dien, na alleronschuldigst nog een paar duim genaderd te zijn, den buffel om de horens.Het dier sprong achteruit, sleurde Harmen mee. Maar deze hield vast. Toen een korte aarzeling, en het beest boog snuivend den zwaren nek en stormde met gevelde horens op den onversaagden koksmaat af. In dit hachelijk oogenblik maakte Harmen den sprong, waaraan hij het te danken had, dat hij vijftig jaar later aan zijn kleinkinderen het buffelavontuur nog in geuren en kleuren kon voorschilderen. Terwijl hij er eigenlijk nog over na dacht, hoe hij zich het best uit de voeten kon maken, hadden zijn armen en beenen het werk al verricht: hij greep, den doodsangst in de oogen, met zijn gespierde knuisten de horens beet, zette geweldig af en.…. sprong haasje-over!„Tjobah.….!” stamelde de inlander. De anderen voelden een koude rilling door de leden gaan. De buffel stoof door tot aan de omheining van het dorp; daar bleef het dier staan, de horens gebogen voor een nieuwen aanval.„Vooruit!” riep Rolf den inlander driftig toe. „Tangkep!”De man keek schuw op. „Oah toean, ’nga brani, toean.….”„Wat zeg je? Durf je niet? ’t Is toch jouw stier?”[280]„Mijn stier, heer? Ik heb hem u toch verkocht? Dan is hij toch niet meer van mij?”„Wat zeit ie?” vroeg Harmen.„Hij heeft ons een koopje geleverd! Hoe krijgen we het beest in ’s hemelsnaam mee?”„Wachten, tot ’t donker is”, meende Harmen. „Dan draai ik ’m stiekum een touwtje om z’n pooten. En dan slapen we vannacht bij deradjah!”„Onmogelijk! Dan is het nog beter, zonder buffel terug te gaan.”„De schipper zal ons zien aankomen!” smaalde Harmen. „En hij zal nòg eens jongens meenemen! Neen, hij heeft gezeid, dat we hem de stier moeten brengen, nou, dan moeten we hem de stier ook brengen. Over een uur is het al donker.—En dan krijgen we je wel, hè, dikkop?”—Dat laatste ging tegen den stier.Rolf weifelde. „Vooruit dan maar!” zei hij ten slotte. Hij had per slot van rekening ook niet veel lust om zonder den stier in het kamp terug te keeren. De schipper zou zich wel ongerust maken, maar morgen helderde zich immers alles op.En de knapen togen naar het dorpshoofd, dat hen weer allervriendelijkst ontving en hun een klein huisje aanbood, hetwelk naast het zijne stond en voor de herberging van gasten diende. Hij liet de knapen een oogenblik alleen, keerde vriendelijk glimlachend terug en zei, dat alles voor hen werd gereedgemaakt. Opnieuw liet hij palmwijn brengen, verzekerde, dat hij het zich een eer rekende, de zonen van een schipper der Compagnie te herbergen. En toen een inlander hurkend kwam mededeelen, dat het nachtleger voor de gasten gereed was, vroeg hij hun, of ze lust gevoelden even met den dienaar mee te gaan, ten einde hun onderdak voor dezen nacht in oogenschouw te nemen. Zoo volgden de jongens, vroolijk koutend en verrukt over den palmwijn en hun hartelijken gastheer, den inlander naar het huisje.Ze klommen, Harmen vooraan, een laddertje op, dat naar de kamer voerde, traden met gebukt hoofd de lage deur binnen en kwamen zoo in een donkere ruimte. Padde kroop als laatste naar binnen.[281]„Sakkerju”, zei Harmen, „’t is donker; we hadden wel een dievenlantarentje mee mogen brengen!”Op dat oogenblik werden ze beetgegrepen, ondanks hun woedend verzet gekneveld—en in het duister alleen gelaten.Kokospalmen.[282]
[Inhoud]DE DESSAH INDE DESSAH INNa het eten, dat zelfs Padde’s verwachtingen nog verre overtrof, overlegden de schipbreukelingen, hoe ze nog aan wat meer proviand voor de reis zouden komen. Van een zoo vreedzame bevolking zou wel alles zijn los te krijgen wat men voorloopig noodig had. De inlanders zeiden, dat een uur varens de rivier op een dorp lag; daar besloot Bontekoe zich eens heen te te laten roeien.Hij liet zijn neef bij zich roepen. „Rolf, jij mag mee, als mijn tolk. De inlanders zullen ons straks zelf met een prauw de rivier oproeien.”„Wat leuk, oom! Mag Hajo mee?”Bontekoe keek zijn neef glimlachend aan. „Jullie houdt mekaar altijd bij de broek, geloof ik! Heb je Jan, dan heb je Piet! Nou, vooruit dan maar.”Stralend pakte Rolf zijn biezen.Tien tellen later stond Harmen bij den schipper.„Wat heb je op je lever?”„Ik.….” Harmen slikte, „ik heb nog nooit in zoo’n Maleisch sloepie gezeten, schipper!”„Maar als ik jou ook nog meeneem, zullen ze daarginds denken, dat ik met een jol vol kinderen ben aangekomen!”[268]Harmen verbleekte. „Kinderen, schipper.….?! ’k Word met Maart zestien!”„Uitgerukt!” klonk het antwoord, dat echter lachend gegeven werd.Verbluft trok Harmen zich terug. Maar Rolf, die het gesprek op eenigen afstand gevolgd had, gaf hem een ribbestoot. „Je mag mee!” fluisterde Rolf.Harmen keek hem weifelend aan. „Nou.…. voor mijn part, zeg! Als de prauw er is, spring ik er in. Maar als de schipper me de beenen stukslaat, komen de kosten voor jou!”Daar kwam een prauw de rivierbocht omscheren, handig zwenkend tusschen de steenen. Voor- en achterin zat een Maleier met een spaan in de handen. Ze meerden de prauw, en Bontekoe nam er met zijn drie flinke geleiders in plaats. Harmen keek met een scheel oogje naar den schipper,—gereed om er zoo noodig vlug als de weerlicht nog uit te wippen. Maar Bontekoe scheen hem niet op te merken. Juist hadden de twee Maleiers hun prauw van den wal afgestooten, toen Padde buiten adem kwam aanhollen.„Wat moet dat?!” riep Padde. „Waar gaat dat naar toe?”Hajo schaamde zich een weinig over Padde’s optreden, dat al van bar weinig eerbied voor des schippers tegenwoordigheid getuigde. Maar hij wilde zijn vriend het antwoord toch niet schuldig blijven. „Inkoopen doen voor de kombuis, Padde!”„Ik ga mee”, zei Padde. „Leg maar even an.”„Waarachtig niet”, klonk het uit Bontekoe’s mond. „Je gaatnietmee!”„Ik gawelmee”, verklaarde Padde.Bontekoe zette groote oogen op.„Zwem maar achter de prauw aan!” grinnikte Harmen. Weinig vermoedde hij, dat zijn raad tot gevolg zou hebben.… Pats! daar sprong Padde pardoes het water in en ploeterde naar de prauw. Samen met Hajo en Rolf heesch Bontekoe den roekeloozen botteliersmaat binnen boord. „Blikslagersche jongen!” mopperde de schipper, „wil jij je door een kaaiman laten verslinden?!”„Ik wil met m’n vrind mee”, hijgde Padde.Bontekoe wist niet zoo gauw wat te zeggen. En Padde scheen er ook weinig belang in te stellen. Hij zette zich op den bodem[269]van het vaartuigje neer en wrong nijdig zijn muts buiten boord uit.„Vooruit! Roei op!” beval Bontekoe den Maleischen roeiers. Onmiddellijk sloegen de Maleiers de spanen in het water: of ze het begrepen, al was het bevel ook in zuiver Hollandsch gesteld!Aanvankelijk werd er gezwegen. Bontekoe keek met een half oogje naar Padde, die, zonder de anderen met een blik te verwaardigen, grimmig met het uitwringen van zijn kleeren doorging.De inlanders werkten de prauw de bocht om; Hajo en Harmen bewonderden in stilte de vaardigheid, waarmee ze de gevaarlijke punten wisten te omsturen. Enkele korte roepen waren den roeiers voldoende verstandhouding.Een drukkende hitte lag nu reeds op het water. Hoe zou het vanmiddag wel worden?Allengs verbreedde de rivierbedding zich; de boomen stonden ook niet meer vlak aan het water, maar waren er van gescheiden door een veld grijze bergsteenen. De lichte palmen aan den oever maakten plaats voor donkere loofboomen, hooger dan een kerk. Wonderlijk speelden daarboven de zonnestralen op de roerlooze bladeren en op de bonte bloemen der slingerplanten.Groote, bruine apen volgden de prauw; aan loshangende lianen slingerden zij zich van den eenen boom in den anderen. Een oud apen-mannetje bewoog zich met groote sprongen over het steenen bed aan den oever, siste, nam een aanvallende houding aan, wierp met keitjes naar de prauw zonder zich te laten afschrikken door de verwenschingen, die de beide inlanders hem naar het hoofd slingerden. Kleurige vogels fladderden van tak op tak, streken in prachtigen val neer, een langen staart achter zich aan. Wanneer er een over een zonneplek gleed, schitterde een helle vlam, kort, terstond weer doovend.Men kwam langs enkele huisjes, half achter de boomen verborgen. Een paar vrouwen waren met het wasschen van kleeren bezig. Zij hadden een rok („sarong,” zei Rolf) boven de borst dichtgeknoopt en sloegen het waschgoed op een grooten steen. Naakte kindertjes met dikke rijstbuikjes zaten elkaar in het water na en plasten, dat het een aard had. De meisjes hadden het haar in een knoedeltje opgebonden, de jongens waren kaalgeschoren, op een gitzwarten lok, vóór op hun ovaal bolletje, na.[270]Groote verbazing onder de kleinen, toen de prauw naderde! Een paar kereltjes kozen het hazenpad; anderen bleven met open mond staan, de oogen zoo wijd als de zee.De vrouwen merkten de prauw nu ook op. Ze staakten het werk en uitten in een kreet haar verwondering: „Tjobah.….!” Het feit, dat er twee inlanders, die ze kenden, in de prauw zaten, scheen haar gerust te stellen. En toen het vaartuigje voorbijgleed, overstelpten ze de roeiers met vragen. Dezen gaven geen antwoord. „Diam! Mond houden!” morde de achterste slechts. De kinderen wilden de prauw volgen, maar de vrouwen riepen de bengels terug.Verderop stonden de boomen weer vlak aan het water, de rivier geheel overwelvend. Hier werd het heerlijk koel. In het groene schemerlicht daarboven slingerden de apen zich aan loshangende lianen heen en weer en schudden krijschend de takken.Er kwamen weer huisjes met kinderen, geiten, kippen en honden er onder, er op, er in, er omheen. Daarna kokostuinen met bamboezen omheiningen. De jongens waren paf over de rapheid, waarmee een knaapje daarginds zich in een der boomen werkte: hijlieptegen den stam op!Bij een primitief huisje, waaronder een paar booten lagen, legden de Maleiers ten slotte aan. En Bontekoe sprong met zijn gevolg aan wal. De inlanders als gidsen voorop, sloegen ze een kronkelpaadje in, met aan beide zijden dichte, groene bamboebosschen. Toen voerde de weg over een dijkje tusschen twee vijvers door, waarin visschen heen en weer schoten. Kikkersplonsdenbij vieren, vijven tegelijk van het aarden walletje het water in,enaan de overzijde stond een grijze reiger te visschen. De inlanders wierpen een steen naar het dier, waarop het in een boom streek, vast besloten zijn maaltijd voort te zetten, zoodra die lastige menschen hun hielen hadden gelicht.Weer een bocht om, en men was bij het dorp. Het lag er alleraardigst, omzoomd door een strook gras, waarop een paar buffels, vervaarlijke kolossen met zware horens, vreedzaam graasden, en een aantal kleine bruine dreumesen speelden. Toen ze de vreemden zagen, verborgen ze zich ijlings achter de buffels, loerden met groote oogen tusschen de pooten door. Om het dorp bevond zich een aarden, met bloemen overdekte wal,[271]waarop een schutting van dikke, gespitste bamboestokken was geplaatst. Het pad voerde naar een doorgang, waarvoor een man gehurkt te soezen zat. Een speer stond achter hem.waarvoor een man gehurkt te soezen zat.....waarvoor een man gehurkt te soezen zat.….De Maleiers riepen hem bij zijn naam. Hij schrikte op,krabbelde schuw overeind, vol wantrouwen de vreemdelingen aanziend, en sloeg tweemaal op een houten blok, dat naast hem hing. Intusschen wenkte de voorste Maleier Bontekoe en de zijnen, om hem verder te volgen. Ze kwamen nu op een soort voorplein van gestampte aarde, waarop ’t krioelde van pluimvee.Rechts achter de poort waren, in de schaduw van een groepje pisang- en papajaboomen, een viertal jonge meisjes met het stampen van rijst in de weer. Het mooie, glanzend-zwarte haar lag sierlijk, in een kleine wrong, achter in den hals, en er staken een paar fleurige bloempjes in. Het bovenlijf was onbedekt, maar om het middel droegen ze een kleurig kleedje, dat tot over de knieën reikte. Terwijl ze[272]aanhoudend werk hadden om de diefachtige kippen weg te jagen, die een graantje kwamen pikken, stampten ze, neuriënd, met lange stokken in houten kommen, waarvan er vier naast elkaar waren gehouwen in een scheepvormig stuk hout, dat op den grond stond. Toen de meisjes onze vrienden zagen, slaakten ze een lichten kreet.„Tabeh!” zei Harmen vriendelijk.„Tabeh, toean.….” stamelde een der meisjes. En een paar kwieke haantjes vielen op de onbehoede rijst aan.Aan de andere zijde van het plein lag het eigenlijke dorp. En terwijl de blanke bezoekers het pleintje overstaken, kwamen uit enkele woningen al inlanders aanzetten: dat zou de slag op het houten blok wel hebben uitgewerkt. Op eenigen afstand bleven ze staan.Harmen groette naar alle kanten. Maar op zijn vriendelijkste „tabeh” kreeg hij slechts een onverstaanbaar gemompel terug. Alle huizen waren op hooge, sterke palen gebouwd. Sommige hadden een balkon en drie, vier tralievensters. En hoe kunstig waren de bamboezen wanden gevlochten! Daar zaten allerlei figuren in! En dan dat kleurige snijwerk onder de spitse daken! Onder de meeste huizen hing in rotankoorden een prauw, en er was geen enkele woning, waarbij aan den zijkant niet een paal met een kooi was aangebracht, waarin een kleine, grijze duif koekeloerde. Alom scharrelde pluimvee rond. Een paar jonge haantjes oefenden zich in het kraaien en mengden hun schorre, onzekere stemmen met het zelfingenomen gekakel van hennen, die luid verkondigden, dat ze daareven een ei hadden gelegd. Het was alweer juist hetzelfde als in het Sante-Mariesch dorpje: tusschen deuren- en vensterspleten gluurden angstige gezichten van vrouwen en meisjes, en ook hier krioelde het van kleine, naakte dreumesen, die, op de komst der vreemdelingen, hals over kop de vlucht namen.Zoo, met een schare Maleiers op de hielen, belandden ze bij een huis, dat het grootste en fraaiste van alle was en dus wel het dorpshoofd zou toebehooren. Hun leider verzocht hen een oogenblik te wachten: de bewoner van het huis zou zich dadelijk vertoonen.Harmen zette zijn verbroederingspogingen voort. Hij bleef[273]maar knikken en „tabeh!” roepen. En ten slotte scheen hij veld te winnen. Enkele inlanders riepen den anderen wat toe; daarop werd er gemeesmuild. „Aha!” dacht Harmen, „ik schiet op!” En onverwachts maakte hij een prachtige luchtbuiteling. In het maken van een dergelijke toer was Harmen rijp voor het paardespel, en ook ditmaal miste ze haar uitwerking niet. Eerst een oogenblik van verbaasd zwijgen, toen algemeen gelach. Er waren op den achtergrond nu ook vrouwen en meiskes opgedoken, wier vroolijkheid aanstekelijk werkte. Juist maakte Harmen nog eens dezelfde buiteling, maar nu achterstevoren, toen in de veranda van het groote huis een Inlander verscheen, fraai gekleed in langen lendenrok, jasje en hoofddoek. In een breeden, goudbestikten buikgordel stak achter den rug een eigenaardig gevormd steekwapen met sierlijke greep.Op zijn verschijnen heerschte oogenblikkelijk stilte onder de verzamelde inlanders, en terwijl hij, nog verbaasd naar Harmen ziend, die verlegen zijn broek optrok, langzaam en plechtig de trap van het bordes afdaalde om de vreemdelingen te begroeten, gingen allen eerbiedig achteruit en hurkten op eenigen afstand neer, de handen in den schoot. Bontekoe en de jongens voelden, dat ze hier bij een ander volk terecht waren gekomen dan bij de zwartjes op Sante-Marie! Ze besloten in beleefdheid niet onder te doen: Bontekoe maakte een buiging, een voorbeeld, dat door onze Hoornsche vrienden kranig werd nagevolgd, op Padde na, die met zijn houding geen raad wist en daarom maar kuchte en met de mouw zijn neus schoonveegde.Hierop boog het dorpshoofd ook een weinig, heette den vreemdelingen welkom in bewoordingen, die meer begrepen dan verstaan werden, en verzocht den vreemdelingen, zijn gast te willen zijn. Rolf, die het best Maleisch sprak, dankte het dorpshoofd voor zijn vriendelijk aanbod. Hierop begaf hun gastheer zich weer naar boven, met hoffelijk gebaar Bontekoe en de zijnen noodend hem te volgen. Zoo deden zij. Roerloos bleven buiten de inlanders gehurkt toezien.Op het bordes hadden enkele vrouwen en meisjes tegen den wand plaats genomen. Het dorpshoofd gaf een wenk, waarop ze oprezen en zes matjes op den vloer spreidden. Vriendelijk[274]noodigde hij zijn gasten, plaats te nemen. Bontekoe en de jongens gaven er gehoor aan en zetten zich met opgetrokken knieën op de matjes neer. De Inlander was ook gaan zitten, kruiste de beenen onder het lichaam. Een nieuwe wenk, en de meisjes zetten een koperen schaal neer, waarop enkele aardige, met grillige figuren besneden kommetjes stonden. In een ervan lag een noot, in een ander een krans van groene bladeren, in een derde witte kalk, in een vierde weer wat anders.…. De jongens keken er met groote oogen naar. Wat moesten ze daarmee beginnen?De Inlander legde enkele bladeren tot een matje ineen, nam iets uit de verschillende kommetjes, vouwde de bladeren dicht, stak die toen in den mond en maakte tot zijn gasten een uitnoodigend gebaar.„Nadoen!” zei Bontekoe tot zijn dapperen.„Moet je ’t slikken?” vroeg Hajo weifelend.„Ik slik het niet”, zei Harmen; „ik ga liever gewóón dood.”„Je moet het kauwen”, zei Bontekoe. „Het is een betelpruim.”En zoo goed en kwaad als het ging, maakten de schipper en de jongens hun pruim terecht en staken haar daarna dapper in den mond, op Padde na, die maar weer z’n neus schoonwreef. Het goedje smaakte bitter.Al dien tijd heerschte er zwijgen. Bontekoe raadde Rolf door een wenk, dien de beleefde inlander gebaarde niet te merken, met spreken te wachten, tot hun gastheer het woord genomen had. Eindelijk was het zoover. Het dorpshoofd wenkte de meisjes om de schalen weg te nemen en wendde zich tot Bontekoe: „Mag ik u vragen, heer, van waar gij komt?”Rolf vertelde zoo goed en kwaad als het ging hun wedervaren, en dat ze hier op Sumatra geland waren om wat eten in te koopen voor de verdere reis.Het dorpshoofd antwoordde, dat hij zelf hun tot zijn spijt niets te koop kon bieden, maar dat er in het dorp stellig wel menschen zouden zijn, die etenswaren konden leveren. Daarop verklaarde hij, dat hij het zich een groote eer zou rekenen, indien zijn gasten zoometeen bij den maaltijd zouden willen aanzitten en verder den nacht bij hem doorbrengen.[275]Het slapen moest Rolf afslaan, omdat, zooals hij zei, de haast om bij hun makkers in Bantem te komen hen verhinderde hier lang te vertoeven. Maar den maaltijd zouden zij gaarne aanvaarden.Daarna wendde Rolf zich tot zijn oom en bracht het gesprek over.Harmen was nadenkelijk geworden. „Ik vertrouw hem voor geen pruim tabak”, zei hij plots. „Wat ik je brom: ’t is een blinde klip! Hij kijkt me te geniepig! ’k Zal Louwtje Laurenszoon heeten, als er geen gif in het eten zit!”Rolf keek Harmen aarzelend aan.„Een gast is hier in Indië heilig!” zei Bontekoe. Maar ook hij voelde Harmen’s wantrouwen mee. Er zat in al die hoffelijke manieren iets beklemmends,—een rond zeeman wist niet goed, wat ie er aan had. En tegelijk met een zweem van argwaan kwam in hem een gevoel van spijt op, dat hij, in plaats van de vier jongens, niet een dozijn onbehouwen maats had meegenomen.….Hajo vond hun gastheer een buitengewoon vriendelijk man. Je moest niet achter alles wat zoeken!En Padde kon zijn oogen maar niet afwenden van het meisje, dat hem daarstraks de betelschaal had gereikt. Het kopje vormde een prachtig ovaal; de oortjes, lipjes, het neusje waren fijner dan Padde ze ooit gezien had; de sierlijk gebogen, smalle wenkbrauwen, de donkere, glanzende oogen, half versluierd achter de lange wimpers, de prachtige haarval, waarin een zilveren gesp en een paar sneeuwwitte bloempjes waren gestoken, het fijne halsje, dat zoo wonderlijk mooi in de schouderlijn overging; de tengere armen, handjes en vingertjes, het zonderlinge, kleurige kleedje, de ranke enkels, elk met een zilveren band! Padde vergat de heele wereld. Net een plaatje! vond hij.Maar het meisje had ook voor den braven botteliersmaat belangstelling. Nu en dan wierp ze hem van onder haar lange wimpers een schuwen blik toe.Dan werd Padde rood als een kool en keek vlug een anderen kant uit.De gastheer stelde voor, het dorp eens te bezien; intusschen kon men hier het eten opdienen. Gretig nam Rolf het voorstel[276]aan, blij, eindelijk van de zittende houding en het betelkauwen verlost te zijn. Nauwelijks waren ze het trapje afgedaald, of onze vrienden maakten van de gelegenheid gebruik, zich van hun betelpruim te ontdoen.De kring hurkende inlanders opende zich terstond in de richting, waarheen het dorpshoofd zijn gasten geleidde. Kindertjes liepen in een drafje toe en gluurden van ter zijde de „witte” menschen aan, zich eerst weer schuchter terugtrekkend, wanneer een van de vreemde gasten een blik op hen liet vallen.„Stampt men in uw land de rijst, zooals wij het hier doen?” vroeg het dorpshoofd, toen ze een plek naderden waar weer vier meisjes met dat werk bezig waren, doch nu verlegen ophielden.„In ons land groeit geen rijst”, antwoordde Rolf.Het dorpshoofd keek vol verbazing zijn gasten aan. „Tjobah.….!” En ook onder de omstaande inlanders werd gemurmeld.„Mogen we het stampen eens zien?” vroeg Rolf vroolijk.„Wel zeker!” haastte zich het wellevende dorpshoofd te verklaren. En hij wenkte de meisjes nader te komen en hun arbeid voort te zetten. Schuchter, met neergeslagen oogen, voldeden ze aan het verzoek.Zij stelden zich aan beide zijden van het stampblok op, namen den houten stok en begonnen op een kort en zacht uitgesproken bevel van een van hen te stampen. Al spoedig merkten Bontekoe en de zijnen op, dat er in een bepaalde maat gestampt werd. De leidster zei weer een woord, en nu wisselden plotseling alle vier de maat. Als vanzelf begonnen de deerntjes te neuriën, eerst heel zacht, toen wat vrijer uit, en bij elke maatwisseling zetten ze ook terstond een ander wijsje in. En alles rondom was zoo vredig; de lucht hing vol zoeten bloemengeur, de zon was zoo koesterend.….„Alleraardigst!” riep Bontekoe uit.Het was, als verstonden de ijverige stampsters hem, want ze bloosden onder den lof; de jongste giechelde even, waarop ook de anderen haar vroolijkheid een oogenblik botvierden. Een oude vrouw, die gehurkt bij het blok was gaan zitten, berispte ze met krijschende stem; de meiskes wierpen elkaar en[277]ook den omstanders een oogje toe en kozen ditmaal een bijzonder vroolijke maat,—ondanks het kijven der oude, die thans met een mandje, dat veel van een omgekeerden hoed had en met ongepelde rijst was gevuld, bij het stampblok neerhurkte. Met vluggen greep griste ze tusschen twee stooten door met haar magere, gerimpelde hand de rijst uit de kommen, wierp ze in een leeg mandje en gooide daarna de kommen weer vol ongepelde rijst.Terwijl de meisjes met stampen doorgingen, leidde het dorpshoofd zijn gasten weer verder.Rolf vroeg naar den naam der grijze duiven in de kooien. „Boeroeng perkoetoet”, luidde het antwoord. Onze vrienden verbaasden zich over de juiste klanknabootsing: ze hoorden nu duidelijk in den roep van den vogel het woord: perkoetoet!Ze hielden stil bij een ouden man, die met het versieren van een deur bezig was. Niets dan een kort mesje was zijn werktuig: daarmee—en met eindeloos geduld!—had hij vogels, visschen en boomen in fraaie lijnen uit het hout getooverd. De oude houtsnijder glimlachte vol bescheiden vreugde, toen de vreemdelingen zijn werk bewonderden.„Kan ik ook”, zei Harmen. „Heb jullie mijn tabaksdoos aleensgezien?”Een strenge blik van den schipper hield hem ervan terug, dit zeldzame kunstwerk, waarop twee aaneengesmede harten prijkten, voor den dag te halen.Na den rondgang door het dorp te hebben gemaakt, kwam men weer bij de woning van het dorpshoofd, waar intusschen het eten was opgediend. Een groote mat lag op den vloer, en daarop prijkte een keur van gerechten, alle in stukken pisangblad gewikkeld. Men zette zich op matjes rond den „disch”. Er was rijst met scherpsmakende vischjes, gekruide kip, allerlei vruchten, waarbij vooral een groene vrucht met heerlijk sappig, oranje vleesch en een groote pit onze vrienden in verrukking bracht. Het eten was zoo gepeperd, dat men er de tranen van in de oogen kreeg. „Toch lekker”, vonden de jongens. Alleen Harmen was zijn wantrouwen nog niet geheel kwijt, aarzelde bij elk nieuw gerecht, dat men hem aanbood.„Smaakt het jou niet?” vroeg Bontekoe.[278]„Als ik maar zeker wist, dat er geen gif inzat, zou je me eens zien eten, schipper!” verklaarde Harmen.Zijn makkers lachten. „We hebben anders nog geen meelij met je! Als je dat allemaal opeet.….!”De soep werd tot hun verbazing over de rijst geschept! Dan waren er allerhande koekjes en geconfijte vruchten, en na het eten werd er gegiste palmwijn rondgediend.Daarna stonden onze vrienden op om nu eens ernstig op zoek te gaan naar proviand voor de jol! Ze hadden verrukkelijk gegeten en bedankten het dorpshoofd voor zijn gastvrijheid. En nu Harmen geen buikkrampen of iets dergelijks voelde, week ook bij hem, als bij de anderen, het laatste restje wantrouwen.Rolf vroeg den inlanders, die nog steeds in grooten kring voor het huis zaten, of niemand van hen iets te koop kon bieden.„Kippen!” riep er een. „Twee geiten!” luidde het uit een anderen hoek. „Rijst! Rijst en kippen!”Kippen bleken in overvloed te koop te zijn. Bontekoe kocht wat rijst en pluimvee op en liet het naar de jol zenden. Daarna volgde men den inlander, die twee geiten te koop had. Maar ter plaatse gekomen, bleken de „geiten” nog geen maand oud te zijn. En het dochtertje van den man huilde zoo, toen zij merkte wat haar vader met de lustige speelkameraadjes van plan was, en zijn vrouw kijfde hem zoo de huid vol, dat hij maar van zijn plan tot verkoop afzag.Op dat oogenblik kwam zijn buurman zeggen, dat hij een buffel te koop had. Dat zou zoden aan den dijk zetten! En onze vrienden volgden den man, die hen het dorp uitleidde. Daar graasde zijn buffel, een mooi, jong beest met een paar geduchte horens.Rolf opende de onderhandelingen. Men werd het eens op vijf-en-een-halve real van achten. Maar hoe nu den stier naar de jol te krijgen? „Als we het die nikker laten doen, zien we het beest nooit!” meende Harmen.„We zullen het zelf doen”, zei Rolf. En den Maleier vroeg hij: „Is er een weg naar het strand?”„Zeker, heer, langs de rivier loopt een weg.”„Wel”, zei Harmen, „ga jij dan met de kano terug, schipper,[279]dan slaan wij het mormel een touwtje om z’n hals en brengen het netjes naar de jol.”Dat scheen ook Bontekoe het beste. „Nu, gaan jullie je gang dan maar. Tot over een paar uur dus!”„Jawel, schipper!”Bontekoe ging naar de woning van het dorpshoofd.„Nou”, zei Harmen den inlander, „haal jij nou er eens als de weerlicht een stukkie talie!”De man raapte een stuk rotan van den grond op.„Best, kassie maar aan saja”, zei Harmen. „Dan zal ik hem dat lusje even om z’n hals leggen!” Harmen, die al eens vaker een koe bij de horens had gepakt, stapte op den grazenden kolos af.Maar deze sprong haastig een paar passen terug en keek dreigend onzen vriend aan, die van zijn kant een en al innemendheid was en als een verleidelijk lokaas den strik voor zich uithield. „Kom dan?” vroeg Harmen vriendelijk, „kom dan, ouwe jongen?” Maar de buffel kwam niet,—zoodat Harmen tot list overging. Hij maakte van den rotan een lasso en wierp dien, na alleronschuldigst nog een paar duim genaderd te zijn, den buffel om de horens.Het dier sprong achteruit, sleurde Harmen mee. Maar deze hield vast. Toen een korte aarzeling, en het beest boog snuivend den zwaren nek en stormde met gevelde horens op den onversaagden koksmaat af. In dit hachelijk oogenblik maakte Harmen den sprong, waaraan hij het te danken had, dat hij vijftig jaar later aan zijn kleinkinderen het buffelavontuur nog in geuren en kleuren kon voorschilderen. Terwijl hij er eigenlijk nog over na dacht, hoe hij zich het best uit de voeten kon maken, hadden zijn armen en beenen het werk al verricht: hij greep, den doodsangst in de oogen, met zijn gespierde knuisten de horens beet, zette geweldig af en.…. sprong haasje-over!„Tjobah.….!” stamelde de inlander. De anderen voelden een koude rilling door de leden gaan. De buffel stoof door tot aan de omheining van het dorp; daar bleef het dier staan, de horens gebogen voor een nieuwen aanval.„Vooruit!” riep Rolf den inlander driftig toe. „Tangkep!”De man keek schuw op. „Oah toean, ’nga brani, toean.….”„Wat zeg je? Durf je niet? ’t Is toch jouw stier?”[280]„Mijn stier, heer? Ik heb hem u toch verkocht? Dan is hij toch niet meer van mij?”„Wat zeit ie?” vroeg Harmen.„Hij heeft ons een koopje geleverd! Hoe krijgen we het beest in ’s hemelsnaam mee?”„Wachten, tot ’t donker is”, meende Harmen. „Dan draai ik ’m stiekum een touwtje om z’n pooten. En dan slapen we vannacht bij deradjah!”„Onmogelijk! Dan is het nog beter, zonder buffel terug te gaan.”„De schipper zal ons zien aankomen!” smaalde Harmen. „En hij zal nòg eens jongens meenemen! Neen, hij heeft gezeid, dat we hem de stier moeten brengen, nou, dan moeten we hem de stier ook brengen. Over een uur is het al donker.—En dan krijgen we je wel, hè, dikkop?”—Dat laatste ging tegen den stier.Rolf weifelde. „Vooruit dan maar!” zei hij ten slotte. Hij had per slot van rekening ook niet veel lust om zonder den stier in het kamp terug te keeren. De schipper zou zich wel ongerust maken, maar morgen helderde zich immers alles op.En de knapen togen naar het dorpshoofd, dat hen weer allervriendelijkst ontving en hun een klein huisje aanbood, hetwelk naast het zijne stond en voor de herberging van gasten diende. Hij liet de knapen een oogenblik alleen, keerde vriendelijk glimlachend terug en zei, dat alles voor hen werd gereedgemaakt. Opnieuw liet hij palmwijn brengen, verzekerde, dat hij het zich een eer rekende, de zonen van een schipper der Compagnie te herbergen. En toen een inlander hurkend kwam mededeelen, dat het nachtleger voor de gasten gereed was, vroeg hij hun, of ze lust gevoelden even met den dienaar mee te gaan, ten einde hun onderdak voor dezen nacht in oogenschouw te nemen. Zoo volgden de jongens, vroolijk koutend en verrukt over den palmwijn en hun hartelijken gastheer, den inlander naar het huisje.Ze klommen, Harmen vooraan, een laddertje op, dat naar de kamer voerde, traden met gebukt hoofd de lage deur binnen en kwamen zoo in een donkere ruimte. Padde kroop als laatste naar binnen.[281]„Sakkerju”, zei Harmen, „’t is donker; we hadden wel een dievenlantarentje mee mogen brengen!”Op dat oogenblik werden ze beetgegrepen, ondanks hun woedend verzet gekneveld—en in het duister alleen gelaten.Kokospalmen.[282]
DE DESSAH INDE DESSAH IN
DE DESSAH IN
Na het eten, dat zelfs Padde’s verwachtingen nog verre overtrof, overlegden de schipbreukelingen, hoe ze nog aan wat meer proviand voor de reis zouden komen. Van een zoo vreedzame bevolking zou wel alles zijn los te krijgen wat men voorloopig noodig had. De inlanders zeiden, dat een uur varens de rivier op een dorp lag; daar besloot Bontekoe zich eens heen te te laten roeien.Hij liet zijn neef bij zich roepen. „Rolf, jij mag mee, als mijn tolk. De inlanders zullen ons straks zelf met een prauw de rivier oproeien.”„Wat leuk, oom! Mag Hajo mee?”Bontekoe keek zijn neef glimlachend aan. „Jullie houdt mekaar altijd bij de broek, geloof ik! Heb je Jan, dan heb je Piet! Nou, vooruit dan maar.”Stralend pakte Rolf zijn biezen.Tien tellen later stond Harmen bij den schipper.„Wat heb je op je lever?”„Ik.….” Harmen slikte, „ik heb nog nooit in zoo’n Maleisch sloepie gezeten, schipper!”„Maar als ik jou ook nog meeneem, zullen ze daarginds denken, dat ik met een jol vol kinderen ben aangekomen!”[268]Harmen verbleekte. „Kinderen, schipper.….?! ’k Word met Maart zestien!”„Uitgerukt!” klonk het antwoord, dat echter lachend gegeven werd.Verbluft trok Harmen zich terug. Maar Rolf, die het gesprek op eenigen afstand gevolgd had, gaf hem een ribbestoot. „Je mag mee!” fluisterde Rolf.Harmen keek hem weifelend aan. „Nou.…. voor mijn part, zeg! Als de prauw er is, spring ik er in. Maar als de schipper me de beenen stukslaat, komen de kosten voor jou!”Daar kwam een prauw de rivierbocht omscheren, handig zwenkend tusschen de steenen. Voor- en achterin zat een Maleier met een spaan in de handen. Ze meerden de prauw, en Bontekoe nam er met zijn drie flinke geleiders in plaats. Harmen keek met een scheel oogje naar den schipper,—gereed om er zoo noodig vlug als de weerlicht nog uit te wippen. Maar Bontekoe scheen hem niet op te merken. Juist hadden de twee Maleiers hun prauw van den wal afgestooten, toen Padde buiten adem kwam aanhollen.„Wat moet dat?!” riep Padde. „Waar gaat dat naar toe?”Hajo schaamde zich een weinig over Padde’s optreden, dat al van bar weinig eerbied voor des schippers tegenwoordigheid getuigde. Maar hij wilde zijn vriend het antwoord toch niet schuldig blijven. „Inkoopen doen voor de kombuis, Padde!”„Ik ga mee”, zei Padde. „Leg maar even an.”„Waarachtig niet”, klonk het uit Bontekoe’s mond. „Je gaatnietmee!”„Ik gawelmee”, verklaarde Padde.Bontekoe zette groote oogen op.„Zwem maar achter de prauw aan!” grinnikte Harmen. Weinig vermoedde hij, dat zijn raad tot gevolg zou hebben.… Pats! daar sprong Padde pardoes het water in en ploeterde naar de prauw. Samen met Hajo en Rolf heesch Bontekoe den roekeloozen botteliersmaat binnen boord. „Blikslagersche jongen!” mopperde de schipper, „wil jij je door een kaaiman laten verslinden?!”„Ik wil met m’n vrind mee”, hijgde Padde.Bontekoe wist niet zoo gauw wat te zeggen. En Padde scheen er ook weinig belang in te stellen. Hij zette zich op den bodem[269]van het vaartuigje neer en wrong nijdig zijn muts buiten boord uit.„Vooruit! Roei op!” beval Bontekoe den Maleischen roeiers. Onmiddellijk sloegen de Maleiers de spanen in het water: of ze het begrepen, al was het bevel ook in zuiver Hollandsch gesteld!Aanvankelijk werd er gezwegen. Bontekoe keek met een half oogje naar Padde, die, zonder de anderen met een blik te verwaardigen, grimmig met het uitwringen van zijn kleeren doorging.De inlanders werkten de prauw de bocht om; Hajo en Harmen bewonderden in stilte de vaardigheid, waarmee ze de gevaarlijke punten wisten te omsturen. Enkele korte roepen waren den roeiers voldoende verstandhouding.Een drukkende hitte lag nu reeds op het water. Hoe zou het vanmiddag wel worden?Allengs verbreedde de rivierbedding zich; de boomen stonden ook niet meer vlak aan het water, maar waren er van gescheiden door een veld grijze bergsteenen. De lichte palmen aan den oever maakten plaats voor donkere loofboomen, hooger dan een kerk. Wonderlijk speelden daarboven de zonnestralen op de roerlooze bladeren en op de bonte bloemen der slingerplanten.Groote, bruine apen volgden de prauw; aan loshangende lianen slingerden zij zich van den eenen boom in den anderen. Een oud apen-mannetje bewoog zich met groote sprongen over het steenen bed aan den oever, siste, nam een aanvallende houding aan, wierp met keitjes naar de prauw zonder zich te laten afschrikken door de verwenschingen, die de beide inlanders hem naar het hoofd slingerden. Kleurige vogels fladderden van tak op tak, streken in prachtigen val neer, een langen staart achter zich aan. Wanneer er een over een zonneplek gleed, schitterde een helle vlam, kort, terstond weer doovend.Men kwam langs enkele huisjes, half achter de boomen verborgen. Een paar vrouwen waren met het wasschen van kleeren bezig. Zij hadden een rok („sarong,” zei Rolf) boven de borst dichtgeknoopt en sloegen het waschgoed op een grooten steen. Naakte kindertjes met dikke rijstbuikjes zaten elkaar in het water na en plasten, dat het een aard had. De meisjes hadden het haar in een knoedeltje opgebonden, de jongens waren kaalgeschoren, op een gitzwarten lok, vóór op hun ovaal bolletje, na.[270]Groote verbazing onder de kleinen, toen de prauw naderde! Een paar kereltjes kozen het hazenpad; anderen bleven met open mond staan, de oogen zoo wijd als de zee.De vrouwen merkten de prauw nu ook op. Ze staakten het werk en uitten in een kreet haar verwondering: „Tjobah.….!” Het feit, dat er twee inlanders, die ze kenden, in de prauw zaten, scheen haar gerust te stellen. En toen het vaartuigje voorbijgleed, overstelpten ze de roeiers met vragen. Dezen gaven geen antwoord. „Diam! Mond houden!” morde de achterste slechts. De kinderen wilden de prauw volgen, maar de vrouwen riepen de bengels terug.Verderop stonden de boomen weer vlak aan het water, de rivier geheel overwelvend. Hier werd het heerlijk koel. In het groene schemerlicht daarboven slingerden de apen zich aan loshangende lianen heen en weer en schudden krijschend de takken.Er kwamen weer huisjes met kinderen, geiten, kippen en honden er onder, er op, er in, er omheen. Daarna kokostuinen met bamboezen omheiningen. De jongens waren paf over de rapheid, waarmee een knaapje daarginds zich in een der boomen werkte: hijlieptegen den stam op!Bij een primitief huisje, waaronder een paar booten lagen, legden de Maleiers ten slotte aan. En Bontekoe sprong met zijn gevolg aan wal. De inlanders als gidsen voorop, sloegen ze een kronkelpaadje in, met aan beide zijden dichte, groene bamboebosschen. Toen voerde de weg over een dijkje tusschen twee vijvers door, waarin visschen heen en weer schoten. Kikkersplonsdenbij vieren, vijven tegelijk van het aarden walletje het water in,enaan de overzijde stond een grijze reiger te visschen. De inlanders wierpen een steen naar het dier, waarop het in een boom streek, vast besloten zijn maaltijd voort te zetten, zoodra die lastige menschen hun hielen hadden gelicht.Weer een bocht om, en men was bij het dorp. Het lag er alleraardigst, omzoomd door een strook gras, waarop een paar buffels, vervaarlijke kolossen met zware horens, vreedzaam graasden, en een aantal kleine bruine dreumesen speelden. Toen ze de vreemden zagen, verborgen ze zich ijlings achter de buffels, loerden met groote oogen tusschen de pooten door. Om het dorp bevond zich een aarden, met bloemen overdekte wal,[271]waarop een schutting van dikke, gespitste bamboestokken was geplaatst. Het pad voerde naar een doorgang, waarvoor een man gehurkt te soezen zat. Een speer stond achter hem.waarvoor een man gehurkt te soezen zat.....waarvoor een man gehurkt te soezen zat.….De Maleiers riepen hem bij zijn naam. Hij schrikte op,krabbelde schuw overeind, vol wantrouwen de vreemdelingen aanziend, en sloeg tweemaal op een houten blok, dat naast hem hing. Intusschen wenkte de voorste Maleier Bontekoe en de zijnen, om hem verder te volgen. Ze kwamen nu op een soort voorplein van gestampte aarde, waarop ’t krioelde van pluimvee.Rechts achter de poort waren, in de schaduw van een groepje pisang- en papajaboomen, een viertal jonge meisjes met het stampen van rijst in de weer. Het mooie, glanzend-zwarte haar lag sierlijk, in een kleine wrong, achter in den hals, en er staken een paar fleurige bloempjes in. Het bovenlijf was onbedekt, maar om het middel droegen ze een kleurig kleedje, dat tot over de knieën reikte. Terwijl ze[272]aanhoudend werk hadden om de diefachtige kippen weg te jagen, die een graantje kwamen pikken, stampten ze, neuriënd, met lange stokken in houten kommen, waarvan er vier naast elkaar waren gehouwen in een scheepvormig stuk hout, dat op den grond stond. Toen de meisjes onze vrienden zagen, slaakten ze een lichten kreet.„Tabeh!” zei Harmen vriendelijk.„Tabeh, toean.….” stamelde een der meisjes. En een paar kwieke haantjes vielen op de onbehoede rijst aan.Aan de andere zijde van het plein lag het eigenlijke dorp. En terwijl de blanke bezoekers het pleintje overstaken, kwamen uit enkele woningen al inlanders aanzetten: dat zou de slag op het houten blok wel hebben uitgewerkt. Op eenigen afstand bleven ze staan.Harmen groette naar alle kanten. Maar op zijn vriendelijkste „tabeh” kreeg hij slechts een onverstaanbaar gemompel terug. Alle huizen waren op hooge, sterke palen gebouwd. Sommige hadden een balkon en drie, vier tralievensters. En hoe kunstig waren de bamboezen wanden gevlochten! Daar zaten allerlei figuren in! En dan dat kleurige snijwerk onder de spitse daken! Onder de meeste huizen hing in rotankoorden een prauw, en er was geen enkele woning, waarbij aan den zijkant niet een paal met een kooi was aangebracht, waarin een kleine, grijze duif koekeloerde. Alom scharrelde pluimvee rond. Een paar jonge haantjes oefenden zich in het kraaien en mengden hun schorre, onzekere stemmen met het zelfingenomen gekakel van hennen, die luid verkondigden, dat ze daareven een ei hadden gelegd. Het was alweer juist hetzelfde als in het Sante-Mariesch dorpje: tusschen deuren- en vensterspleten gluurden angstige gezichten van vrouwen en meisjes, en ook hier krioelde het van kleine, naakte dreumesen, die, op de komst der vreemdelingen, hals over kop de vlucht namen.Zoo, met een schare Maleiers op de hielen, belandden ze bij een huis, dat het grootste en fraaiste van alle was en dus wel het dorpshoofd zou toebehooren. Hun leider verzocht hen een oogenblik te wachten: de bewoner van het huis zou zich dadelijk vertoonen.Harmen zette zijn verbroederingspogingen voort. Hij bleef[273]maar knikken en „tabeh!” roepen. En ten slotte scheen hij veld te winnen. Enkele inlanders riepen den anderen wat toe; daarop werd er gemeesmuild. „Aha!” dacht Harmen, „ik schiet op!” En onverwachts maakte hij een prachtige luchtbuiteling. In het maken van een dergelijke toer was Harmen rijp voor het paardespel, en ook ditmaal miste ze haar uitwerking niet. Eerst een oogenblik van verbaasd zwijgen, toen algemeen gelach. Er waren op den achtergrond nu ook vrouwen en meiskes opgedoken, wier vroolijkheid aanstekelijk werkte. Juist maakte Harmen nog eens dezelfde buiteling, maar nu achterstevoren, toen in de veranda van het groote huis een Inlander verscheen, fraai gekleed in langen lendenrok, jasje en hoofddoek. In een breeden, goudbestikten buikgordel stak achter den rug een eigenaardig gevormd steekwapen met sierlijke greep.Op zijn verschijnen heerschte oogenblikkelijk stilte onder de verzamelde inlanders, en terwijl hij, nog verbaasd naar Harmen ziend, die verlegen zijn broek optrok, langzaam en plechtig de trap van het bordes afdaalde om de vreemdelingen te begroeten, gingen allen eerbiedig achteruit en hurkten op eenigen afstand neer, de handen in den schoot. Bontekoe en de jongens voelden, dat ze hier bij een ander volk terecht waren gekomen dan bij de zwartjes op Sante-Marie! Ze besloten in beleefdheid niet onder te doen: Bontekoe maakte een buiging, een voorbeeld, dat door onze Hoornsche vrienden kranig werd nagevolgd, op Padde na, die met zijn houding geen raad wist en daarom maar kuchte en met de mouw zijn neus schoonveegde.Hierop boog het dorpshoofd ook een weinig, heette den vreemdelingen welkom in bewoordingen, die meer begrepen dan verstaan werden, en verzocht den vreemdelingen, zijn gast te willen zijn. Rolf, die het best Maleisch sprak, dankte het dorpshoofd voor zijn vriendelijk aanbod. Hierop begaf hun gastheer zich weer naar boven, met hoffelijk gebaar Bontekoe en de zijnen noodend hem te volgen. Zoo deden zij. Roerloos bleven buiten de inlanders gehurkt toezien.Op het bordes hadden enkele vrouwen en meisjes tegen den wand plaats genomen. Het dorpshoofd gaf een wenk, waarop ze oprezen en zes matjes op den vloer spreidden. Vriendelijk[274]noodigde hij zijn gasten, plaats te nemen. Bontekoe en de jongens gaven er gehoor aan en zetten zich met opgetrokken knieën op de matjes neer. De Inlander was ook gaan zitten, kruiste de beenen onder het lichaam. Een nieuwe wenk, en de meisjes zetten een koperen schaal neer, waarop enkele aardige, met grillige figuren besneden kommetjes stonden. In een ervan lag een noot, in een ander een krans van groene bladeren, in een derde witte kalk, in een vierde weer wat anders.…. De jongens keken er met groote oogen naar. Wat moesten ze daarmee beginnen?De Inlander legde enkele bladeren tot een matje ineen, nam iets uit de verschillende kommetjes, vouwde de bladeren dicht, stak die toen in den mond en maakte tot zijn gasten een uitnoodigend gebaar.„Nadoen!” zei Bontekoe tot zijn dapperen.„Moet je ’t slikken?” vroeg Hajo weifelend.„Ik slik het niet”, zei Harmen; „ik ga liever gewóón dood.”„Je moet het kauwen”, zei Bontekoe. „Het is een betelpruim.”En zoo goed en kwaad als het ging, maakten de schipper en de jongens hun pruim terecht en staken haar daarna dapper in den mond, op Padde na, die maar weer z’n neus schoonwreef. Het goedje smaakte bitter.Al dien tijd heerschte er zwijgen. Bontekoe raadde Rolf door een wenk, dien de beleefde inlander gebaarde niet te merken, met spreken te wachten, tot hun gastheer het woord genomen had. Eindelijk was het zoover. Het dorpshoofd wenkte de meisjes om de schalen weg te nemen en wendde zich tot Bontekoe: „Mag ik u vragen, heer, van waar gij komt?”Rolf vertelde zoo goed en kwaad als het ging hun wedervaren, en dat ze hier op Sumatra geland waren om wat eten in te koopen voor de verdere reis.Het dorpshoofd antwoordde, dat hij zelf hun tot zijn spijt niets te koop kon bieden, maar dat er in het dorp stellig wel menschen zouden zijn, die etenswaren konden leveren. Daarop verklaarde hij, dat hij het zich een groote eer zou rekenen, indien zijn gasten zoometeen bij den maaltijd zouden willen aanzitten en verder den nacht bij hem doorbrengen.[275]Het slapen moest Rolf afslaan, omdat, zooals hij zei, de haast om bij hun makkers in Bantem te komen hen verhinderde hier lang te vertoeven. Maar den maaltijd zouden zij gaarne aanvaarden.Daarna wendde Rolf zich tot zijn oom en bracht het gesprek over.Harmen was nadenkelijk geworden. „Ik vertrouw hem voor geen pruim tabak”, zei hij plots. „Wat ik je brom: ’t is een blinde klip! Hij kijkt me te geniepig! ’k Zal Louwtje Laurenszoon heeten, als er geen gif in het eten zit!”Rolf keek Harmen aarzelend aan.„Een gast is hier in Indië heilig!” zei Bontekoe. Maar ook hij voelde Harmen’s wantrouwen mee. Er zat in al die hoffelijke manieren iets beklemmends,—een rond zeeman wist niet goed, wat ie er aan had. En tegelijk met een zweem van argwaan kwam in hem een gevoel van spijt op, dat hij, in plaats van de vier jongens, niet een dozijn onbehouwen maats had meegenomen.….Hajo vond hun gastheer een buitengewoon vriendelijk man. Je moest niet achter alles wat zoeken!En Padde kon zijn oogen maar niet afwenden van het meisje, dat hem daarstraks de betelschaal had gereikt. Het kopje vormde een prachtig ovaal; de oortjes, lipjes, het neusje waren fijner dan Padde ze ooit gezien had; de sierlijk gebogen, smalle wenkbrauwen, de donkere, glanzende oogen, half versluierd achter de lange wimpers, de prachtige haarval, waarin een zilveren gesp en een paar sneeuwwitte bloempjes waren gestoken, het fijne halsje, dat zoo wonderlijk mooi in de schouderlijn overging; de tengere armen, handjes en vingertjes, het zonderlinge, kleurige kleedje, de ranke enkels, elk met een zilveren band! Padde vergat de heele wereld. Net een plaatje! vond hij.Maar het meisje had ook voor den braven botteliersmaat belangstelling. Nu en dan wierp ze hem van onder haar lange wimpers een schuwen blik toe.Dan werd Padde rood als een kool en keek vlug een anderen kant uit.De gastheer stelde voor, het dorp eens te bezien; intusschen kon men hier het eten opdienen. Gretig nam Rolf het voorstel[276]aan, blij, eindelijk van de zittende houding en het betelkauwen verlost te zijn. Nauwelijks waren ze het trapje afgedaald, of onze vrienden maakten van de gelegenheid gebruik, zich van hun betelpruim te ontdoen.De kring hurkende inlanders opende zich terstond in de richting, waarheen het dorpshoofd zijn gasten geleidde. Kindertjes liepen in een drafje toe en gluurden van ter zijde de „witte” menschen aan, zich eerst weer schuchter terugtrekkend, wanneer een van de vreemde gasten een blik op hen liet vallen.„Stampt men in uw land de rijst, zooals wij het hier doen?” vroeg het dorpshoofd, toen ze een plek naderden waar weer vier meisjes met dat werk bezig waren, doch nu verlegen ophielden.„In ons land groeit geen rijst”, antwoordde Rolf.Het dorpshoofd keek vol verbazing zijn gasten aan. „Tjobah.….!” En ook onder de omstaande inlanders werd gemurmeld.„Mogen we het stampen eens zien?” vroeg Rolf vroolijk.„Wel zeker!” haastte zich het wellevende dorpshoofd te verklaren. En hij wenkte de meisjes nader te komen en hun arbeid voort te zetten. Schuchter, met neergeslagen oogen, voldeden ze aan het verzoek.Zij stelden zich aan beide zijden van het stampblok op, namen den houten stok en begonnen op een kort en zacht uitgesproken bevel van een van hen te stampen. Al spoedig merkten Bontekoe en de zijnen op, dat er in een bepaalde maat gestampt werd. De leidster zei weer een woord, en nu wisselden plotseling alle vier de maat. Als vanzelf begonnen de deerntjes te neuriën, eerst heel zacht, toen wat vrijer uit, en bij elke maatwisseling zetten ze ook terstond een ander wijsje in. En alles rondom was zoo vredig; de lucht hing vol zoeten bloemengeur, de zon was zoo koesterend.….„Alleraardigst!” riep Bontekoe uit.Het was, als verstonden de ijverige stampsters hem, want ze bloosden onder den lof; de jongste giechelde even, waarop ook de anderen haar vroolijkheid een oogenblik botvierden. Een oude vrouw, die gehurkt bij het blok was gaan zitten, berispte ze met krijschende stem; de meiskes wierpen elkaar en[277]ook den omstanders een oogje toe en kozen ditmaal een bijzonder vroolijke maat,—ondanks het kijven der oude, die thans met een mandje, dat veel van een omgekeerden hoed had en met ongepelde rijst was gevuld, bij het stampblok neerhurkte. Met vluggen greep griste ze tusschen twee stooten door met haar magere, gerimpelde hand de rijst uit de kommen, wierp ze in een leeg mandje en gooide daarna de kommen weer vol ongepelde rijst.Terwijl de meisjes met stampen doorgingen, leidde het dorpshoofd zijn gasten weer verder.Rolf vroeg naar den naam der grijze duiven in de kooien. „Boeroeng perkoetoet”, luidde het antwoord. Onze vrienden verbaasden zich over de juiste klanknabootsing: ze hoorden nu duidelijk in den roep van den vogel het woord: perkoetoet!Ze hielden stil bij een ouden man, die met het versieren van een deur bezig was. Niets dan een kort mesje was zijn werktuig: daarmee—en met eindeloos geduld!—had hij vogels, visschen en boomen in fraaie lijnen uit het hout getooverd. De oude houtsnijder glimlachte vol bescheiden vreugde, toen de vreemdelingen zijn werk bewonderden.„Kan ik ook”, zei Harmen. „Heb jullie mijn tabaksdoos aleensgezien?”Een strenge blik van den schipper hield hem ervan terug, dit zeldzame kunstwerk, waarop twee aaneengesmede harten prijkten, voor den dag te halen.Na den rondgang door het dorp te hebben gemaakt, kwam men weer bij de woning van het dorpshoofd, waar intusschen het eten was opgediend. Een groote mat lag op den vloer, en daarop prijkte een keur van gerechten, alle in stukken pisangblad gewikkeld. Men zette zich op matjes rond den „disch”. Er was rijst met scherpsmakende vischjes, gekruide kip, allerlei vruchten, waarbij vooral een groene vrucht met heerlijk sappig, oranje vleesch en een groote pit onze vrienden in verrukking bracht. Het eten was zoo gepeperd, dat men er de tranen van in de oogen kreeg. „Toch lekker”, vonden de jongens. Alleen Harmen was zijn wantrouwen nog niet geheel kwijt, aarzelde bij elk nieuw gerecht, dat men hem aanbood.„Smaakt het jou niet?” vroeg Bontekoe.[278]„Als ik maar zeker wist, dat er geen gif inzat, zou je me eens zien eten, schipper!” verklaarde Harmen.Zijn makkers lachten. „We hebben anders nog geen meelij met je! Als je dat allemaal opeet.….!”De soep werd tot hun verbazing over de rijst geschept! Dan waren er allerhande koekjes en geconfijte vruchten, en na het eten werd er gegiste palmwijn rondgediend.Daarna stonden onze vrienden op om nu eens ernstig op zoek te gaan naar proviand voor de jol! Ze hadden verrukkelijk gegeten en bedankten het dorpshoofd voor zijn gastvrijheid. En nu Harmen geen buikkrampen of iets dergelijks voelde, week ook bij hem, als bij de anderen, het laatste restje wantrouwen.Rolf vroeg den inlanders, die nog steeds in grooten kring voor het huis zaten, of niemand van hen iets te koop kon bieden.„Kippen!” riep er een. „Twee geiten!” luidde het uit een anderen hoek. „Rijst! Rijst en kippen!”Kippen bleken in overvloed te koop te zijn. Bontekoe kocht wat rijst en pluimvee op en liet het naar de jol zenden. Daarna volgde men den inlander, die twee geiten te koop had. Maar ter plaatse gekomen, bleken de „geiten” nog geen maand oud te zijn. En het dochtertje van den man huilde zoo, toen zij merkte wat haar vader met de lustige speelkameraadjes van plan was, en zijn vrouw kijfde hem zoo de huid vol, dat hij maar van zijn plan tot verkoop afzag.Op dat oogenblik kwam zijn buurman zeggen, dat hij een buffel te koop had. Dat zou zoden aan den dijk zetten! En onze vrienden volgden den man, die hen het dorp uitleidde. Daar graasde zijn buffel, een mooi, jong beest met een paar geduchte horens.Rolf opende de onderhandelingen. Men werd het eens op vijf-en-een-halve real van achten. Maar hoe nu den stier naar de jol te krijgen? „Als we het die nikker laten doen, zien we het beest nooit!” meende Harmen.„We zullen het zelf doen”, zei Rolf. En den Maleier vroeg hij: „Is er een weg naar het strand?”„Zeker, heer, langs de rivier loopt een weg.”„Wel”, zei Harmen, „ga jij dan met de kano terug, schipper,[279]dan slaan wij het mormel een touwtje om z’n hals en brengen het netjes naar de jol.”Dat scheen ook Bontekoe het beste. „Nu, gaan jullie je gang dan maar. Tot over een paar uur dus!”„Jawel, schipper!”Bontekoe ging naar de woning van het dorpshoofd.„Nou”, zei Harmen den inlander, „haal jij nou er eens als de weerlicht een stukkie talie!”De man raapte een stuk rotan van den grond op.„Best, kassie maar aan saja”, zei Harmen. „Dan zal ik hem dat lusje even om z’n hals leggen!” Harmen, die al eens vaker een koe bij de horens had gepakt, stapte op den grazenden kolos af.Maar deze sprong haastig een paar passen terug en keek dreigend onzen vriend aan, die van zijn kant een en al innemendheid was en als een verleidelijk lokaas den strik voor zich uithield. „Kom dan?” vroeg Harmen vriendelijk, „kom dan, ouwe jongen?” Maar de buffel kwam niet,—zoodat Harmen tot list overging. Hij maakte van den rotan een lasso en wierp dien, na alleronschuldigst nog een paar duim genaderd te zijn, den buffel om de horens.Het dier sprong achteruit, sleurde Harmen mee. Maar deze hield vast. Toen een korte aarzeling, en het beest boog snuivend den zwaren nek en stormde met gevelde horens op den onversaagden koksmaat af. In dit hachelijk oogenblik maakte Harmen den sprong, waaraan hij het te danken had, dat hij vijftig jaar later aan zijn kleinkinderen het buffelavontuur nog in geuren en kleuren kon voorschilderen. Terwijl hij er eigenlijk nog over na dacht, hoe hij zich het best uit de voeten kon maken, hadden zijn armen en beenen het werk al verricht: hij greep, den doodsangst in de oogen, met zijn gespierde knuisten de horens beet, zette geweldig af en.…. sprong haasje-over!„Tjobah.….!” stamelde de inlander. De anderen voelden een koude rilling door de leden gaan. De buffel stoof door tot aan de omheining van het dorp; daar bleef het dier staan, de horens gebogen voor een nieuwen aanval.„Vooruit!” riep Rolf den inlander driftig toe. „Tangkep!”De man keek schuw op. „Oah toean, ’nga brani, toean.….”„Wat zeg je? Durf je niet? ’t Is toch jouw stier?”[280]„Mijn stier, heer? Ik heb hem u toch verkocht? Dan is hij toch niet meer van mij?”„Wat zeit ie?” vroeg Harmen.„Hij heeft ons een koopje geleverd! Hoe krijgen we het beest in ’s hemelsnaam mee?”„Wachten, tot ’t donker is”, meende Harmen. „Dan draai ik ’m stiekum een touwtje om z’n pooten. En dan slapen we vannacht bij deradjah!”„Onmogelijk! Dan is het nog beter, zonder buffel terug te gaan.”„De schipper zal ons zien aankomen!” smaalde Harmen. „En hij zal nòg eens jongens meenemen! Neen, hij heeft gezeid, dat we hem de stier moeten brengen, nou, dan moeten we hem de stier ook brengen. Over een uur is het al donker.—En dan krijgen we je wel, hè, dikkop?”—Dat laatste ging tegen den stier.Rolf weifelde. „Vooruit dan maar!” zei hij ten slotte. Hij had per slot van rekening ook niet veel lust om zonder den stier in het kamp terug te keeren. De schipper zou zich wel ongerust maken, maar morgen helderde zich immers alles op.En de knapen togen naar het dorpshoofd, dat hen weer allervriendelijkst ontving en hun een klein huisje aanbood, hetwelk naast het zijne stond en voor de herberging van gasten diende. Hij liet de knapen een oogenblik alleen, keerde vriendelijk glimlachend terug en zei, dat alles voor hen werd gereedgemaakt. Opnieuw liet hij palmwijn brengen, verzekerde, dat hij het zich een eer rekende, de zonen van een schipper der Compagnie te herbergen. En toen een inlander hurkend kwam mededeelen, dat het nachtleger voor de gasten gereed was, vroeg hij hun, of ze lust gevoelden even met den dienaar mee te gaan, ten einde hun onderdak voor dezen nacht in oogenschouw te nemen. Zoo volgden de jongens, vroolijk koutend en verrukt over den palmwijn en hun hartelijken gastheer, den inlander naar het huisje.Ze klommen, Harmen vooraan, een laddertje op, dat naar de kamer voerde, traden met gebukt hoofd de lage deur binnen en kwamen zoo in een donkere ruimte. Padde kroop als laatste naar binnen.[281]„Sakkerju”, zei Harmen, „’t is donker; we hadden wel een dievenlantarentje mee mogen brengen!”Op dat oogenblik werden ze beetgegrepen, ondanks hun woedend verzet gekneveld—en in het duister alleen gelaten.Kokospalmen.[282]
Na het eten, dat zelfs Padde’s verwachtingen nog verre overtrof, overlegden de schipbreukelingen, hoe ze nog aan wat meer proviand voor de reis zouden komen. Van een zoo vreedzame bevolking zou wel alles zijn los te krijgen wat men voorloopig noodig had. De inlanders zeiden, dat een uur varens de rivier op een dorp lag; daar besloot Bontekoe zich eens heen te te laten roeien.
Hij liet zijn neef bij zich roepen. „Rolf, jij mag mee, als mijn tolk. De inlanders zullen ons straks zelf met een prauw de rivier oproeien.”
„Wat leuk, oom! Mag Hajo mee?”
Bontekoe keek zijn neef glimlachend aan. „Jullie houdt mekaar altijd bij de broek, geloof ik! Heb je Jan, dan heb je Piet! Nou, vooruit dan maar.”
Stralend pakte Rolf zijn biezen.
Tien tellen later stond Harmen bij den schipper.
„Wat heb je op je lever?”
„Ik.….” Harmen slikte, „ik heb nog nooit in zoo’n Maleisch sloepie gezeten, schipper!”
„Maar als ik jou ook nog meeneem, zullen ze daarginds denken, dat ik met een jol vol kinderen ben aangekomen!”[268]
Harmen verbleekte. „Kinderen, schipper.….?! ’k Word met Maart zestien!”
„Uitgerukt!” klonk het antwoord, dat echter lachend gegeven werd.
Verbluft trok Harmen zich terug. Maar Rolf, die het gesprek op eenigen afstand gevolgd had, gaf hem een ribbestoot. „Je mag mee!” fluisterde Rolf.
Harmen keek hem weifelend aan. „Nou.…. voor mijn part, zeg! Als de prauw er is, spring ik er in. Maar als de schipper me de beenen stukslaat, komen de kosten voor jou!”
Daar kwam een prauw de rivierbocht omscheren, handig zwenkend tusschen de steenen. Voor- en achterin zat een Maleier met een spaan in de handen. Ze meerden de prauw, en Bontekoe nam er met zijn drie flinke geleiders in plaats. Harmen keek met een scheel oogje naar den schipper,—gereed om er zoo noodig vlug als de weerlicht nog uit te wippen. Maar Bontekoe scheen hem niet op te merken. Juist hadden de twee Maleiers hun prauw van den wal afgestooten, toen Padde buiten adem kwam aanhollen.
„Wat moet dat?!” riep Padde. „Waar gaat dat naar toe?”
Hajo schaamde zich een weinig over Padde’s optreden, dat al van bar weinig eerbied voor des schippers tegenwoordigheid getuigde. Maar hij wilde zijn vriend het antwoord toch niet schuldig blijven. „Inkoopen doen voor de kombuis, Padde!”
„Ik ga mee”, zei Padde. „Leg maar even an.”
„Waarachtig niet”, klonk het uit Bontekoe’s mond. „Je gaatnietmee!”
„Ik gawelmee”, verklaarde Padde.
Bontekoe zette groote oogen op.
„Zwem maar achter de prauw aan!” grinnikte Harmen. Weinig vermoedde hij, dat zijn raad tot gevolg zou hebben.… Pats! daar sprong Padde pardoes het water in en ploeterde naar de prauw. Samen met Hajo en Rolf heesch Bontekoe den roekeloozen botteliersmaat binnen boord. „Blikslagersche jongen!” mopperde de schipper, „wil jij je door een kaaiman laten verslinden?!”
„Ik wil met m’n vrind mee”, hijgde Padde.
Bontekoe wist niet zoo gauw wat te zeggen. En Padde scheen er ook weinig belang in te stellen. Hij zette zich op den bodem[269]van het vaartuigje neer en wrong nijdig zijn muts buiten boord uit.
„Vooruit! Roei op!” beval Bontekoe den Maleischen roeiers. Onmiddellijk sloegen de Maleiers de spanen in het water: of ze het begrepen, al was het bevel ook in zuiver Hollandsch gesteld!
Aanvankelijk werd er gezwegen. Bontekoe keek met een half oogje naar Padde, die, zonder de anderen met een blik te verwaardigen, grimmig met het uitwringen van zijn kleeren doorging.
De inlanders werkten de prauw de bocht om; Hajo en Harmen bewonderden in stilte de vaardigheid, waarmee ze de gevaarlijke punten wisten te omsturen. Enkele korte roepen waren den roeiers voldoende verstandhouding.
Een drukkende hitte lag nu reeds op het water. Hoe zou het vanmiddag wel worden?
Allengs verbreedde de rivierbedding zich; de boomen stonden ook niet meer vlak aan het water, maar waren er van gescheiden door een veld grijze bergsteenen. De lichte palmen aan den oever maakten plaats voor donkere loofboomen, hooger dan een kerk. Wonderlijk speelden daarboven de zonnestralen op de roerlooze bladeren en op de bonte bloemen der slingerplanten.
Groote, bruine apen volgden de prauw; aan loshangende lianen slingerden zij zich van den eenen boom in den anderen. Een oud apen-mannetje bewoog zich met groote sprongen over het steenen bed aan den oever, siste, nam een aanvallende houding aan, wierp met keitjes naar de prauw zonder zich te laten afschrikken door de verwenschingen, die de beide inlanders hem naar het hoofd slingerden. Kleurige vogels fladderden van tak op tak, streken in prachtigen val neer, een langen staart achter zich aan. Wanneer er een over een zonneplek gleed, schitterde een helle vlam, kort, terstond weer doovend.
Men kwam langs enkele huisjes, half achter de boomen verborgen. Een paar vrouwen waren met het wasschen van kleeren bezig. Zij hadden een rok („sarong,” zei Rolf) boven de borst dichtgeknoopt en sloegen het waschgoed op een grooten steen. Naakte kindertjes met dikke rijstbuikjes zaten elkaar in het water na en plasten, dat het een aard had. De meisjes hadden het haar in een knoedeltje opgebonden, de jongens waren kaalgeschoren, op een gitzwarten lok, vóór op hun ovaal bolletje, na.[270]
Groote verbazing onder de kleinen, toen de prauw naderde! Een paar kereltjes kozen het hazenpad; anderen bleven met open mond staan, de oogen zoo wijd als de zee.
De vrouwen merkten de prauw nu ook op. Ze staakten het werk en uitten in een kreet haar verwondering: „Tjobah.….!” Het feit, dat er twee inlanders, die ze kenden, in de prauw zaten, scheen haar gerust te stellen. En toen het vaartuigje voorbijgleed, overstelpten ze de roeiers met vragen. Dezen gaven geen antwoord. „Diam! Mond houden!” morde de achterste slechts. De kinderen wilden de prauw volgen, maar de vrouwen riepen de bengels terug.
Verderop stonden de boomen weer vlak aan het water, de rivier geheel overwelvend. Hier werd het heerlijk koel. In het groene schemerlicht daarboven slingerden de apen zich aan loshangende lianen heen en weer en schudden krijschend de takken.
Er kwamen weer huisjes met kinderen, geiten, kippen en honden er onder, er op, er in, er omheen. Daarna kokostuinen met bamboezen omheiningen. De jongens waren paf over de rapheid, waarmee een knaapje daarginds zich in een der boomen werkte: hijlieptegen den stam op!
Bij een primitief huisje, waaronder een paar booten lagen, legden de Maleiers ten slotte aan. En Bontekoe sprong met zijn gevolg aan wal. De inlanders als gidsen voorop, sloegen ze een kronkelpaadje in, met aan beide zijden dichte, groene bamboebosschen. Toen voerde de weg over een dijkje tusschen twee vijvers door, waarin visschen heen en weer schoten. Kikkersplonsdenbij vieren, vijven tegelijk van het aarden walletje het water in,enaan de overzijde stond een grijze reiger te visschen. De inlanders wierpen een steen naar het dier, waarop het in een boom streek, vast besloten zijn maaltijd voort te zetten, zoodra die lastige menschen hun hielen hadden gelicht.
Weer een bocht om, en men was bij het dorp. Het lag er alleraardigst, omzoomd door een strook gras, waarop een paar buffels, vervaarlijke kolossen met zware horens, vreedzaam graasden, en een aantal kleine bruine dreumesen speelden. Toen ze de vreemden zagen, verborgen ze zich ijlings achter de buffels, loerden met groote oogen tusschen de pooten door. Om het dorp bevond zich een aarden, met bloemen overdekte wal,[271]waarop een schutting van dikke, gespitste bamboestokken was geplaatst. Het pad voerde naar een doorgang, waarvoor een man gehurkt te soezen zat. Een speer stond achter hem.
waarvoor een man gehurkt te soezen zat.....waarvoor een man gehurkt te soezen zat.….
waarvoor een man gehurkt te soezen zat.….
De Maleiers riepen hem bij zijn naam. Hij schrikte op,krabbelde schuw overeind, vol wantrouwen de vreemdelingen aanziend, en sloeg tweemaal op een houten blok, dat naast hem hing. Intusschen wenkte de voorste Maleier Bontekoe en de zijnen, om hem verder te volgen. Ze kwamen nu op een soort voorplein van gestampte aarde, waarop ’t krioelde van pluimvee.
Rechts achter de poort waren, in de schaduw van een groepje pisang- en papajaboomen, een viertal jonge meisjes met het stampen van rijst in de weer. Het mooie, glanzend-zwarte haar lag sierlijk, in een kleine wrong, achter in den hals, en er staken een paar fleurige bloempjes in. Het bovenlijf was onbedekt, maar om het middel droegen ze een kleurig kleedje, dat tot over de knieën reikte. Terwijl ze[272]aanhoudend werk hadden om de diefachtige kippen weg te jagen, die een graantje kwamen pikken, stampten ze, neuriënd, met lange stokken in houten kommen, waarvan er vier naast elkaar waren gehouwen in een scheepvormig stuk hout, dat op den grond stond. Toen de meisjes onze vrienden zagen, slaakten ze een lichten kreet.
„Tabeh!” zei Harmen vriendelijk.
„Tabeh, toean.….” stamelde een der meisjes. En een paar kwieke haantjes vielen op de onbehoede rijst aan.
Aan de andere zijde van het plein lag het eigenlijke dorp. En terwijl de blanke bezoekers het pleintje overstaken, kwamen uit enkele woningen al inlanders aanzetten: dat zou de slag op het houten blok wel hebben uitgewerkt. Op eenigen afstand bleven ze staan.
Harmen groette naar alle kanten. Maar op zijn vriendelijkste „tabeh” kreeg hij slechts een onverstaanbaar gemompel terug. Alle huizen waren op hooge, sterke palen gebouwd. Sommige hadden een balkon en drie, vier tralievensters. En hoe kunstig waren de bamboezen wanden gevlochten! Daar zaten allerlei figuren in! En dan dat kleurige snijwerk onder de spitse daken! Onder de meeste huizen hing in rotankoorden een prauw, en er was geen enkele woning, waarbij aan den zijkant niet een paal met een kooi was aangebracht, waarin een kleine, grijze duif koekeloerde. Alom scharrelde pluimvee rond. Een paar jonge haantjes oefenden zich in het kraaien en mengden hun schorre, onzekere stemmen met het zelfingenomen gekakel van hennen, die luid verkondigden, dat ze daareven een ei hadden gelegd. Het was alweer juist hetzelfde als in het Sante-Mariesch dorpje: tusschen deuren- en vensterspleten gluurden angstige gezichten van vrouwen en meisjes, en ook hier krioelde het van kleine, naakte dreumesen, die, op de komst der vreemdelingen, hals over kop de vlucht namen.
Zoo, met een schare Maleiers op de hielen, belandden ze bij een huis, dat het grootste en fraaiste van alle was en dus wel het dorpshoofd zou toebehooren. Hun leider verzocht hen een oogenblik te wachten: de bewoner van het huis zou zich dadelijk vertoonen.
Harmen zette zijn verbroederingspogingen voort. Hij bleef[273]maar knikken en „tabeh!” roepen. En ten slotte scheen hij veld te winnen. Enkele inlanders riepen den anderen wat toe; daarop werd er gemeesmuild. „Aha!” dacht Harmen, „ik schiet op!” En onverwachts maakte hij een prachtige luchtbuiteling. In het maken van een dergelijke toer was Harmen rijp voor het paardespel, en ook ditmaal miste ze haar uitwerking niet. Eerst een oogenblik van verbaasd zwijgen, toen algemeen gelach. Er waren op den achtergrond nu ook vrouwen en meiskes opgedoken, wier vroolijkheid aanstekelijk werkte. Juist maakte Harmen nog eens dezelfde buiteling, maar nu achterstevoren, toen in de veranda van het groote huis een Inlander verscheen, fraai gekleed in langen lendenrok, jasje en hoofddoek. In een breeden, goudbestikten buikgordel stak achter den rug een eigenaardig gevormd steekwapen met sierlijke greep.
Op zijn verschijnen heerschte oogenblikkelijk stilte onder de verzamelde inlanders, en terwijl hij, nog verbaasd naar Harmen ziend, die verlegen zijn broek optrok, langzaam en plechtig de trap van het bordes afdaalde om de vreemdelingen te begroeten, gingen allen eerbiedig achteruit en hurkten op eenigen afstand neer, de handen in den schoot. Bontekoe en de jongens voelden, dat ze hier bij een ander volk terecht waren gekomen dan bij de zwartjes op Sante-Marie! Ze besloten in beleefdheid niet onder te doen: Bontekoe maakte een buiging, een voorbeeld, dat door onze Hoornsche vrienden kranig werd nagevolgd, op Padde na, die met zijn houding geen raad wist en daarom maar kuchte en met de mouw zijn neus schoonveegde.
Hierop boog het dorpshoofd ook een weinig, heette den vreemdelingen welkom in bewoordingen, die meer begrepen dan verstaan werden, en verzocht den vreemdelingen, zijn gast te willen zijn. Rolf, die het best Maleisch sprak, dankte het dorpshoofd voor zijn vriendelijk aanbod. Hierop begaf hun gastheer zich weer naar boven, met hoffelijk gebaar Bontekoe en de zijnen noodend hem te volgen. Zoo deden zij. Roerloos bleven buiten de inlanders gehurkt toezien.
Op het bordes hadden enkele vrouwen en meisjes tegen den wand plaats genomen. Het dorpshoofd gaf een wenk, waarop ze oprezen en zes matjes op den vloer spreidden. Vriendelijk[274]noodigde hij zijn gasten, plaats te nemen. Bontekoe en de jongens gaven er gehoor aan en zetten zich met opgetrokken knieën op de matjes neer. De Inlander was ook gaan zitten, kruiste de beenen onder het lichaam. Een nieuwe wenk, en de meisjes zetten een koperen schaal neer, waarop enkele aardige, met grillige figuren besneden kommetjes stonden. In een ervan lag een noot, in een ander een krans van groene bladeren, in een derde witte kalk, in een vierde weer wat anders.…. De jongens keken er met groote oogen naar. Wat moesten ze daarmee beginnen?
De Inlander legde enkele bladeren tot een matje ineen, nam iets uit de verschillende kommetjes, vouwde de bladeren dicht, stak die toen in den mond en maakte tot zijn gasten een uitnoodigend gebaar.
„Nadoen!” zei Bontekoe tot zijn dapperen.
„Moet je ’t slikken?” vroeg Hajo weifelend.
„Ik slik het niet”, zei Harmen; „ik ga liever gewóón dood.”
„Je moet het kauwen”, zei Bontekoe. „Het is een betelpruim.”
En zoo goed en kwaad als het ging, maakten de schipper en de jongens hun pruim terecht en staken haar daarna dapper in den mond, op Padde na, die maar weer z’n neus schoonwreef. Het goedje smaakte bitter.
Al dien tijd heerschte er zwijgen. Bontekoe raadde Rolf door een wenk, dien de beleefde inlander gebaarde niet te merken, met spreken te wachten, tot hun gastheer het woord genomen had. Eindelijk was het zoover. Het dorpshoofd wenkte de meisjes om de schalen weg te nemen en wendde zich tot Bontekoe: „Mag ik u vragen, heer, van waar gij komt?”
Rolf vertelde zoo goed en kwaad als het ging hun wedervaren, en dat ze hier op Sumatra geland waren om wat eten in te koopen voor de verdere reis.
Het dorpshoofd antwoordde, dat hij zelf hun tot zijn spijt niets te koop kon bieden, maar dat er in het dorp stellig wel menschen zouden zijn, die etenswaren konden leveren. Daarop verklaarde hij, dat hij het zich een groote eer zou rekenen, indien zijn gasten zoometeen bij den maaltijd zouden willen aanzitten en verder den nacht bij hem doorbrengen.[275]
Het slapen moest Rolf afslaan, omdat, zooals hij zei, de haast om bij hun makkers in Bantem te komen hen verhinderde hier lang te vertoeven. Maar den maaltijd zouden zij gaarne aanvaarden.
Daarna wendde Rolf zich tot zijn oom en bracht het gesprek over.
Harmen was nadenkelijk geworden. „Ik vertrouw hem voor geen pruim tabak”, zei hij plots. „Wat ik je brom: ’t is een blinde klip! Hij kijkt me te geniepig! ’k Zal Louwtje Laurenszoon heeten, als er geen gif in het eten zit!”
Rolf keek Harmen aarzelend aan.
„Een gast is hier in Indië heilig!” zei Bontekoe. Maar ook hij voelde Harmen’s wantrouwen mee. Er zat in al die hoffelijke manieren iets beklemmends,—een rond zeeman wist niet goed, wat ie er aan had. En tegelijk met een zweem van argwaan kwam in hem een gevoel van spijt op, dat hij, in plaats van de vier jongens, niet een dozijn onbehouwen maats had meegenomen.….
Hajo vond hun gastheer een buitengewoon vriendelijk man. Je moest niet achter alles wat zoeken!
En Padde kon zijn oogen maar niet afwenden van het meisje, dat hem daarstraks de betelschaal had gereikt. Het kopje vormde een prachtig ovaal; de oortjes, lipjes, het neusje waren fijner dan Padde ze ooit gezien had; de sierlijk gebogen, smalle wenkbrauwen, de donkere, glanzende oogen, half versluierd achter de lange wimpers, de prachtige haarval, waarin een zilveren gesp en een paar sneeuwwitte bloempjes waren gestoken, het fijne halsje, dat zoo wonderlijk mooi in de schouderlijn overging; de tengere armen, handjes en vingertjes, het zonderlinge, kleurige kleedje, de ranke enkels, elk met een zilveren band! Padde vergat de heele wereld. Net een plaatje! vond hij.
Maar het meisje had ook voor den braven botteliersmaat belangstelling. Nu en dan wierp ze hem van onder haar lange wimpers een schuwen blik toe.
Dan werd Padde rood als een kool en keek vlug een anderen kant uit.
De gastheer stelde voor, het dorp eens te bezien; intusschen kon men hier het eten opdienen. Gretig nam Rolf het voorstel[276]aan, blij, eindelijk van de zittende houding en het betelkauwen verlost te zijn. Nauwelijks waren ze het trapje afgedaald, of onze vrienden maakten van de gelegenheid gebruik, zich van hun betelpruim te ontdoen.
De kring hurkende inlanders opende zich terstond in de richting, waarheen het dorpshoofd zijn gasten geleidde. Kindertjes liepen in een drafje toe en gluurden van ter zijde de „witte” menschen aan, zich eerst weer schuchter terugtrekkend, wanneer een van de vreemde gasten een blik op hen liet vallen.
„Stampt men in uw land de rijst, zooals wij het hier doen?” vroeg het dorpshoofd, toen ze een plek naderden waar weer vier meisjes met dat werk bezig waren, doch nu verlegen ophielden.
„In ons land groeit geen rijst”, antwoordde Rolf.
Het dorpshoofd keek vol verbazing zijn gasten aan. „Tjobah.….!” En ook onder de omstaande inlanders werd gemurmeld.
„Mogen we het stampen eens zien?” vroeg Rolf vroolijk.
„Wel zeker!” haastte zich het wellevende dorpshoofd te verklaren. En hij wenkte de meisjes nader te komen en hun arbeid voort te zetten. Schuchter, met neergeslagen oogen, voldeden ze aan het verzoek.
Zij stelden zich aan beide zijden van het stampblok op, namen den houten stok en begonnen op een kort en zacht uitgesproken bevel van een van hen te stampen. Al spoedig merkten Bontekoe en de zijnen op, dat er in een bepaalde maat gestampt werd. De leidster zei weer een woord, en nu wisselden plotseling alle vier de maat. Als vanzelf begonnen de deerntjes te neuriën, eerst heel zacht, toen wat vrijer uit, en bij elke maatwisseling zetten ze ook terstond een ander wijsje in. En alles rondom was zoo vredig; de lucht hing vol zoeten bloemengeur, de zon was zoo koesterend.….
„Alleraardigst!” riep Bontekoe uit.
Het was, als verstonden de ijverige stampsters hem, want ze bloosden onder den lof; de jongste giechelde even, waarop ook de anderen haar vroolijkheid een oogenblik botvierden. Een oude vrouw, die gehurkt bij het blok was gaan zitten, berispte ze met krijschende stem; de meiskes wierpen elkaar en[277]ook den omstanders een oogje toe en kozen ditmaal een bijzonder vroolijke maat,—ondanks het kijven der oude, die thans met een mandje, dat veel van een omgekeerden hoed had en met ongepelde rijst was gevuld, bij het stampblok neerhurkte. Met vluggen greep griste ze tusschen twee stooten door met haar magere, gerimpelde hand de rijst uit de kommen, wierp ze in een leeg mandje en gooide daarna de kommen weer vol ongepelde rijst.
Terwijl de meisjes met stampen doorgingen, leidde het dorpshoofd zijn gasten weer verder.
Rolf vroeg naar den naam der grijze duiven in de kooien. „Boeroeng perkoetoet”, luidde het antwoord. Onze vrienden verbaasden zich over de juiste klanknabootsing: ze hoorden nu duidelijk in den roep van den vogel het woord: perkoetoet!
Ze hielden stil bij een ouden man, die met het versieren van een deur bezig was. Niets dan een kort mesje was zijn werktuig: daarmee—en met eindeloos geduld!—had hij vogels, visschen en boomen in fraaie lijnen uit het hout getooverd. De oude houtsnijder glimlachte vol bescheiden vreugde, toen de vreemdelingen zijn werk bewonderden.
„Kan ik ook”, zei Harmen. „Heb jullie mijn tabaksdoos aleensgezien?”
Een strenge blik van den schipper hield hem ervan terug, dit zeldzame kunstwerk, waarop twee aaneengesmede harten prijkten, voor den dag te halen.
Na den rondgang door het dorp te hebben gemaakt, kwam men weer bij de woning van het dorpshoofd, waar intusschen het eten was opgediend. Een groote mat lag op den vloer, en daarop prijkte een keur van gerechten, alle in stukken pisangblad gewikkeld. Men zette zich op matjes rond den „disch”. Er was rijst met scherpsmakende vischjes, gekruide kip, allerlei vruchten, waarbij vooral een groene vrucht met heerlijk sappig, oranje vleesch en een groote pit onze vrienden in verrukking bracht. Het eten was zoo gepeperd, dat men er de tranen van in de oogen kreeg. „Toch lekker”, vonden de jongens. Alleen Harmen was zijn wantrouwen nog niet geheel kwijt, aarzelde bij elk nieuw gerecht, dat men hem aanbood.
„Smaakt het jou niet?” vroeg Bontekoe.[278]
„Als ik maar zeker wist, dat er geen gif inzat, zou je me eens zien eten, schipper!” verklaarde Harmen.
Zijn makkers lachten. „We hebben anders nog geen meelij met je! Als je dat allemaal opeet.….!”
De soep werd tot hun verbazing over de rijst geschept! Dan waren er allerhande koekjes en geconfijte vruchten, en na het eten werd er gegiste palmwijn rondgediend.
Daarna stonden onze vrienden op om nu eens ernstig op zoek te gaan naar proviand voor de jol! Ze hadden verrukkelijk gegeten en bedankten het dorpshoofd voor zijn gastvrijheid. En nu Harmen geen buikkrampen of iets dergelijks voelde, week ook bij hem, als bij de anderen, het laatste restje wantrouwen.
Rolf vroeg den inlanders, die nog steeds in grooten kring voor het huis zaten, of niemand van hen iets te koop kon bieden.
„Kippen!” riep er een. „Twee geiten!” luidde het uit een anderen hoek. „Rijst! Rijst en kippen!”
Kippen bleken in overvloed te koop te zijn. Bontekoe kocht wat rijst en pluimvee op en liet het naar de jol zenden. Daarna volgde men den inlander, die twee geiten te koop had. Maar ter plaatse gekomen, bleken de „geiten” nog geen maand oud te zijn. En het dochtertje van den man huilde zoo, toen zij merkte wat haar vader met de lustige speelkameraadjes van plan was, en zijn vrouw kijfde hem zoo de huid vol, dat hij maar van zijn plan tot verkoop afzag.
Op dat oogenblik kwam zijn buurman zeggen, dat hij een buffel te koop had. Dat zou zoden aan den dijk zetten! En onze vrienden volgden den man, die hen het dorp uitleidde. Daar graasde zijn buffel, een mooi, jong beest met een paar geduchte horens.
Rolf opende de onderhandelingen. Men werd het eens op vijf-en-een-halve real van achten. Maar hoe nu den stier naar de jol te krijgen? „Als we het die nikker laten doen, zien we het beest nooit!” meende Harmen.
„We zullen het zelf doen”, zei Rolf. En den Maleier vroeg hij: „Is er een weg naar het strand?”
„Zeker, heer, langs de rivier loopt een weg.”
„Wel”, zei Harmen, „ga jij dan met de kano terug, schipper,[279]dan slaan wij het mormel een touwtje om z’n hals en brengen het netjes naar de jol.”
Dat scheen ook Bontekoe het beste. „Nu, gaan jullie je gang dan maar. Tot over een paar uur dus!”
„Jawel, schipper!”
Bontekoe ging naar de woning van het dorpshoofd.
„Nou”, zei Harmen den inlander, „haal jij nou er eens als de weerlicht een stukkie talie!”
De man raapte een stuk rotan van den grond op.
„Best, kassie maar aan saja”, zei Harmen. „Dan zal ik hem dat lusje even om z’n hals leggen!” Harmen, die al eens vaker een koe bij de horens had gepakt, stapte op den grazenden kolos af.
Maar deze sprong haastig een paar passen terug en keek dreigend onzen vriend aan, die van zijn kant een en al innemendheid was en als een verleidelijk lokaas den strik voor zich uithield. „Kom dan?” vroeg Harmen vriendelijk, „kom dan, ouwe jongen?” Maar de buffel kwam niet,—zoodat Harmen tot list overging. Hij maakte van den rotan een lasso en wierp dien, na alleronschuldigst nog een paar duim genaderd te zijn, den buffel om de horens.
Het dier sprong achteruit, sleurde Harmen mee. Maar deze hield vast. Toen een korte aarzeling, en het beest boog snuivend den zwaren nek en stormde met gevelde horens op den onversaagden koksmaat af. In dit hachelijk oogenblik maakte Harmen den sprong, waaraan hij het te danken had, dat hij vijftig jaar later aan zijn kleinkinderen het buffelavontuur nog in geuren en kleuren kon voorschilderen. Terwijl hij er eigenlijk nog over na dacht, hoe hij zich het best uit de voeten kon maken, hadden zijn armen en beenen het werk al verricht: hij greep, den doodsangst in de oogen, met zijn gespierde knuisten de horens beet, zette geweldig af en.…. sprong haasje-over!
„Tjobah.….!” stamelde de inlander. De anderen voelden een koude rilling door de leden gaan. De buffel stoof door tot aan de omheining van het dorp; daar bleef het dier staan, de horens gebogen voor een nieuwen aanval.
„Vooruit!” riep Rolf den inlander driftig toe. „Tangkep!”
De man keek schuw op. „Oah toean, ’nga brani, toean.….”
„Wat zeg je? Durf je niet? ’t Is toch jouw stier?”[280]
„Mijn stier, heer? Ik heb hem u toch verkocht? Dan is hij toch niet meer van mij?”
„Wat zeit ie?” vroeg Harmen.
„Hij heeft ons een koopje geleverd! Hoe krijgen we het beest in ’s hemelsnaam mee?”
„Wachten, tot ’t donker is”, meende Harmen. „Dan draai ik ’m stiekum een touwtje om z’n pooten. En dan slapen we vannacht bij deradjah!”
„Onmogelijk! Dan is het nog beter, zonder buffel terug te gaan.”
„De schipper zal ons zien aankomen!” smaalde Harmen. „En hij zal nòg eens jongens meenemen! Neen, hij heeft gezeid, dat we hem de stier moeten brengen, nou, dan moeten we hem de stier ook brengen. Over een uur is het al donker.—En dan krijgen we je wel, hè, dikkop?”—Dat laatste ging tegen den stier.
Rolf weifelde. „Vooruit dan maar!” zei hij ten slotte. Hij had per slot van rekening ook niet veel lust om zonder den stier in het kamp terug te keeren. De schipper zou zich wel ongerust maken, maar morgen helderde zich immers alles op.
En de knapen togen naar het dorpshoofd, dat hen weer allervriendelijkst ontving en hun een klein huisje aanbood, hetwelk naast het zijne stond en voor de herberging van gasten diende. Hij liet de knapen een oogenblik alleen, keerde vriendelijk glimlachend terug en zei, dat alles voor hen werd gereedgemaakt. Opnieuw liet hij palmwijn brengen, verzekerde, dat hij het zich een eer rekende, de zonen van een schipper der Compagnie te herbergen. En toen een inlander hurkend kwam mededeelen, dat het nachtleger voor de gasten gereed was, vroeg hij hun, of ze lust gevoelden even met den dienaar mee te gaan, ten einde hun onderdak voor dezen nacht in oogenschouw te nemen. Zoo volgden de jongens, vroolijk koutend en verrukt over den palmwijn en hun hartelijken gastheer, den inlander naar het huisje.
Ze klommen, Harmen vooraan, een laddertje op, dat naar de kamer voerde, traden met gebukt hoofd de lage deur binnen en kwamen zoo in een donkere ruimte. Padde kroop als laatste naar binnen.[281]
„Sakkerju”, zei Harmen, „’t is donker; we hadden wel een dievenlantarentje mee mogen brengen!”
Op dat oogenblik werden ze beetgegrepen, ondanks hun woedend verzet gekneveld—en in het duister alleen gelaten.
Kokospalmen.
[282]