DE GEVREESDE VIJAND

[Inhoud]DE GEVREESDE VIJANDIn enkele dagen tijds steeg het aantal zieken tot vijftien. Het was daar in het vooronder een gekreun en gekerm, dat niemand er ’s nachts van slapen kon. En elken dag kwamen er zieken bij. Vader Langjas greep zich met de handen in het haar, verzon allerlei drankjes, die verlichting zouden kunnen schenken. Soms hielp het ook wel wat, vooral dank zij de troostrijke voorspiegelingen, waarmee het uitreiken gepaard ging. Maar van werkelijke genezing kon natuurlijk geen sprake zijn, zoolang de oorzaak van de ziekte niet was weggenomen: gebrek aan versch voedsel.Lijsken Cocs was er het ergst aan toe. Zijn licht-blauwe, nu flets geworden oogen lagen diep, heel diep in de kassen; zijn spits neusje werd met den dag spitser, en het zweet parelde in zijn stroo-blonde haren. „’k Ga d’r an”, zuchtte hij. „Eerst m’n vader, toen Joppie.…. wij kunnen in onze familie niet tegen de scheurbuik, weet je?” Lijsken zweeg, verraadde door een smartelijk vertrekken van den mond, dat hij pijn leed.„Heb je pijn?” vroeg Harmen, die bij Lijsken’s kooi zat.Lijsken schudde ontkennend het hoofd. En met schorre stem zei hij, op zorgelijken toon: „’t Is lam voor m’n moeder, dat ik d’r an ga! Want ik had ’r van deze reis ’n mooie cent kunnen thuis brengen.…”Den volgenden dag hing de vlag halfstoks. Lijsken’s tengere jongenslichaam werd in een zak genaaid en, onder het zingen van een psalm, plechtig aan de golven toevertrouwd. De kanonnen wenschten den kleinen, blonden koksmaat goede reis naar het oord, waar hij geen pijn meer voelen zou.Bontekoe betaalde aan Harmen van Kniphuyzen de volle gage van zijn overleden vriend uit. Harmen kende Lijsken’s moeder[156]en zou het haar geven. Grienend borg Harmen het geld in een zakje.De gedruktheid nam met den dag toe. Er waren nu reeds acht-en-twintig zieken. En dubbel zooveel anderen klaagden over moeheid in de beenen. Velen liepen rond met blauwe kringen onder de oogen, vale gezichten en kleurlooze lippen. Toen er op een dag vijf tegelijk in hun kooi moesten blijven, durfde Bontekoe niet verder zeilen. En tot groote vreugde der zieken in het vooronder werd de steven gewend naar Madagascar, waar men hoopte te kunnen ververschen. Diede Doedesz., die zich ook al lam voelde, klom niettemin om het uur in het kraaiennest om met zijn beproefde oogen naar land uit te zien. Den vierden morgen na het wenden van den steven, rezen achter den gezichtseinder bergen op.„Land! Land voor de boeg!!” Groote opgewondenheid. De zorgen woeien zoo maar de poorten uit.In den namiddag naderde men het land; het zag er aanlokkelijk uit. De bergen waren met wouden begroeid, en het geheel maakte den indruk van vruchtbaar te zijn. Maar nu de moeilijkheid: hoe te landen? Zoo ver het oog reikte, was nergens een baai of inham, geschikt om deNieuw-Hoornte bergen. Toch zette men de boot uit. Terwijl deNieuw-Hoornvoor de kust op en neer zeilde, voer de schipper met dertig stevige maats en evenveel geladen musketten weg.Maar toen men met de boot wilde landen, bleek de branding te sterk te zijn. Terwijl men nog beraadslaagde, wat nu te doen, kwamen op het strand naakte, bruine kerels aanloopen, die in luide kreten hun verrassing uitten en toen staan bleven, de hand boven de wenkbrauwen, om beter te kunnen zien.Floorke bood aan, naar land te zwemmen. Hij knoopte z’n broek stevig vast, snoof zoo er eens en sprong het water in. Als een haai schoot hij door de golven. Tweemaal sloeg de branding hem terug; de derde maal zette Floorke zijn tanden op mekaar en wist er zich doorheen te worstelen. Zijn broek boette hij er bij in: even naakt als de zwartjes plofte hij aan land neer. „Heila!” riep Floorke hijgend den verbaasden inboorlingen toe, die tusschen zich en dit witte, roodharige monster een behoorlijken afstand schenen te willen bewaren. „Toenggoe[157]er eens even! Zou je bij geval kunnen zeggen, waar dekapalvoor anker kan gaan? Jullie verstaan toch Maleidsch?”De monden der inboorlingen sperden zich wijd open. Mooi gebouwde kerels waren het: groot, zwart als houtskool, wollig, dicht haar en van boven tot onder getatoeëerd met sterren en bloemenmotieven. Een kwam er met groote, elastische schreden op Floorke af, legde hem zijn zwarte hand op den schouder en wees naar het Zuiden. Hij zei iets, waar Floorke geen spier van verstond, wees toen op deNieuw-Hoornen toen weer naar het Zuiden.„’k Heb je al in de gaten, kameraad!” zei Floorke verheugd. „In ’t Zuiden landen, hè? Hebben jullie ook wat te bikken? Makan?” En Floorke maakte een beweging van kauwen en den mond volproppen. Het resultaat was, dat de zwartjes allen begonnen te lachen.„Lach, als je gekielhaald wordt!” gromde Floorke. Hij liep het water weer in, stortte zich in de branding.„En?” vroegen z’n makkers, terwijl ze hem in de boot heschen.„In ’t Zuiden.…. pf! kunnen we landen.…. pf! En m’n broek.…. pff! ben ik kwijt.”„Kon je de menschen verstaan, Floorke?”„Best, schipper. Ik versta alle talen.”„En hoe zagen ze er uit?”„Zwart als ’n laars, schipper, en besneje als de ebbenhouten kast van m’n moei!” Floorke’s oogen richtten zich groot, met sprakelooze verontwaardiging naar het strand. „Wel sakkerloot! Daar loopt er een metmijnbroek aan!” En Floorke wilde pardoes weer overboord springen.Maar de maats hielden hem tegen. En Bontekoe zei lachend: „Ik zal je geld voor een nieuwe broek geven, Floorke.”„Zoo’n beste broek!” zuchtte Floorke.Naar het Zuiden! Men voer dicht langs de kust, dagen lang, zonder een baai te ontdekken. De stemming in het vooronder zakte weer geducht. De oomes verloren het vertrouwen in Floorke’s talenkennis; Floorke zelf schold op de „nikkers”,[158]die hem zijn broek en zijn eer geroofd hadden. Het aantal zieken klom tot boven de veertig.Padde kreeg het druk met het verplegen van den Schele, die zich ook niet voelde, zooals het wezen moest. Onze drie jonge vrienden zelf waren nog gezond.Op een morgen was het land uit het gezicht verdwenen. Men zeilde Zuidwaarts tot op negen-en-twintig graden, maar toen zich nog steeds geen land, laat staan Floorke’s ankerplaats vertoonde, wendde men den steven weer en voer in Noord-Oostelijke richting tot op zeventien graden. Van daaruit werd de koers gesteld op de zeestraat tusschen Mauritius en Réunion, ten einde een van die beide eilanden aan te doen.In die dagen had men den tweeden doode: Boutjens. De maats hadden zich ook tijdens zijn laatste dagen weinig om hem bekommerd; het was Hajo geweest, die hem elken morgen de warme koffie bracht en ’s nachts, wanneer hij Boutjens hoorde kreunen, was opgestaan om een kroes water voor hem te halen. Aanvankelijk keerde Boutjens zich grommend af, wanneer Hajo naderde, en hij dronk pas, wanneer hij wist, dat de jongen hem niet meer bespieden kon. Maar den avond vóór zijn dood tastte hij met zijn vermagerde vingers naar Hajo’s handen en vroeg met zwakke, schorre stem: „Waarom.…. waarom doe je dat?”„Omdat je hier niet één vriend hebt, die je verpleegt”, zei Hajo.„Dan is het goed”, zuchtte Boutjens. „Ik dacht, dat je.…!” En Boutjens begon te huilen. „’k Heb zoo’n pijn, al dagenlang, en ze laten me maar schreeuwen. Van morgen is de barbier bij me geweest en hij heeft me over God en over de Hemel gesproken;—nou weet ik, dat ’t met me gedaan is. Onder in m’n kist.…. ik bedoel natuurlijk m’n scheepskist.….” Boutjens stokte even „Als ik van m’n kist praat, zie ik ’n doodkist voor me, maar daar grijp je op zee natuurlijk naast! Onder in m’n scheepskist ligt een plank. Die kun je optillen; daar heeft niemand verdacht op, zie je? Nou, onder die plank liggen dertien zilveren guldens. Die geef ik jou; niemand anders mag er met z’n vingers aankomen. Pas vooral op, dat Schieltjens Blauw het niet in de gaten krijgt, want da’s een schurk.”[159]Boutjens kreunde en zweeg eenigen tijd, hijgend van vermoeidheid. Langzaam-aan werd zijn adem weer rustiger; hij sloot de oogen en murmelde: „Wie z’n zonden berouwt.…. is geen schurk.”Toen men hem den volgenden morgen overboord liet glijden, zag men onder water den witten buik van een grooten haai glinsteren; met een ruk werd Boutjens’ lichaam in de diepte gesleurd. Een kreet van afschuw steeg op uit de groep mannen, die juist hun psalm beëindigd hadden.Toen den volgenden dag Zwarte Gijs, de brave smid, op dezelfde droevige wijze van zijn talrijke kameraden afscheid nam, schoten drie haaien toe. Hun instinct leidde hen op den goeden weg.….Zwarte Gijs liet in Enkhuizen twee dochtertjes na. In overleg met den schipper besloot Hajo het geld, dat hij van Boutjens had geërfd, voor de arme meisjes ter zijde te leggen.Ook de volgende dag vroeg zijn offer. Ditmaal deed men alles in stilte, om de zieken in het vooronder niet onnoodig te herinneren aan.…. wat hun misschien allen te wachten stond.Na twee dagen kreeg men het Oost-einde van Réunion in het zicht, liet het schip dicht langs den wal loopen en peilde. Eerst op veertig vadem diepte raakte het lood grond: de kust was dus zeer steil. Niettemin besloot Bontekoe het anker te laten vallen.Met bonzend hart vernamen de zieken in het vooronder het klapperen van de ankerspillen en daarna den zwaren plons in het water. Eindelijk!! Ze kwamen uit hun kooien het dek op kruipen en smeekten den schipper, aan land te worden gezet.Bontekoe keek weifelend naar z’n arme kerels. Op deze steile kust kon deNieuw-Hoornlicht afdrijven, en dan zou men van de helft van het volk gescheiden zijn. „Moed, mannen!” zei hij daarom. „We zullen de boot eens aan land sturen, om te zien, of er wat te halen valt!”Terwijl de gezonde maats met het uitzetten van de jol bezig waren, besprak Bontekoe in de kajuit met den koopman het verzoek van de zieken. Rol verzette zich met hand en tand tegen het aan land brengen van de zieken op een plaats, waar geen ankergrond was. En ofschoon Bontekoe gebaarde, het niet[160]met hem eens te zijn, moest hij zichzelf bekennen, dat Rol gelijk had.Een kwartier later voer Bontekoe met twintig maats aan wal. Ze trokken de boot een eindje het strand op, om te voorkomen, dat de opkomende vloed haar zou wegsleuren, en begonnen hun onderzoekingstocht. Zelfs de hooggespannen verwachtingen van Floorke, die reeds van verre allerlei heerlijkheden meende te ontdekken, werden nog overtroffen. Vijftig ellen het strand op stonden verspreide boomgroepen, in welker schaduw zij honderden en nog eens honderden groote schildpadden vonden. Het bosch achter de boomgroepen weergalmde van vogelgekrijsch. Opgewonden baanden de mannen zich een weg door ellenhooge varens, kwamen toen op een zonnige open plek met hoog gras, dat aan een zijde geheel was platgetreden. In de verte klonk gestamp van hoeven; het scheen een kudde runderen te zijn, die zich uit de voeten maakte. De maats liepen in de schaduw van hooge boomen de open plek rond, gluurden overal tusschen de stammen door, het loof in, waar schreeuwende parkieten lustig om twijgjes duikelden. Hoenders vlogen met veel gedruisch voor de voeten der oomes op en scharrelden tusschen wilde ananas-planten met lak-roode hart-bladeren kakelend in het struikgewas weg. Groote, blauw-grijze houtduiven gluurden door de takken omlaag en drukten in een zacht: roekoe.….! verwondering uit over de onbekende twee-voeters daar beneden. Het kostte den maats weinig moeite de argelooze dieren met stokken vleugellam te slaan. Met ananassen, schildpadden en duiven voor de kombuis keerde de jol naar het schip terug.De zieken lagen op het dek te wachten. Toen ze zagen, wat hun makkers van het land meebrachten, smeekten ze Bontekoe opnieuw met gevouwen handen, hen toch aan wal te willen zetten. Bontekoe beraadslaagde met den koopman, of hij het wagen mocht.Rol schudde het hoofd. „Als vertegenwoordiger van de heeren bewindhebbers moet ik me ten stelligste verzetten tegen een waaghalzerij, waarbij het slagen van de heele reis op het spel wordt gezet!” verzekerde hij.Bontekoe luisterde met nauw verholen drift. „Als vader van[161]mijn maats kan ik er niet toe komen, de arme kerels voor de haaien te gooien!” zei hij toen. „En als de heeren bewindhebbers zich dat niet kunnen voorstellen, moeten ze zelf maar eens als schipper een reisje naar de Oost maken!”Rolf boog het hoofd. „Ik wensch vast te stellen, datikme verzet heb.”„Wil je ’t op schrift hebben?” vroeg Bontekoe schamper. En hij ging naar de zieke oomes. „Jongens, help mekaar maar in de jol; ik zal je aan land laten zetten.”„Leve de schipper! Hoy! Hoera!! Leve de ouwe!!”Of de kerels gauw in de boot waren! Bontekoe liet hun een zeil meegeven, om daarvan een tent op te slaan, verder twee gezonde koksmaats, olie, azijn, potten om in te koken, wapens en gerei. De schipper stapte zelf met een dozijn roeiers in de jol om hen weg te brengen. Hij wilde de vreugde der arme kerels mee beleven.Ze wisten van blijdschap geen raad. De tranen stonden hun in de oogen, toen ze in het zachte gras bijeenkropen. „We voelen ons al weer half gezond, schippertje!”De andere maats begonnen een nieuwen onderzoekingstocht, nu in een andere richting. Men ving een kleine tweehonderd houtduiven, reeg de vette dieren aan lange stokken en braadde ze voor zieken en gezonden. Een feestelijke aanblik: al die knappende vuurtjes in de schemering. Voorloopig, zoolang men niet wist, wat dit eiland herbergde, werd voor alle zekerheid een wacht uitgezet.Aan boord zat men ook niet stil. Enkele schildpadden, door de maats meegenomen van hun eerste landing, werden gekookt met gedroogde pruimen, die nog in het ruim lagen. Dat smaakte! De oomes aten, tot ze zat waren, smookten een pijpke, keken naar de sterren en vonden de wereld nog zoo onherbergzaam niet.Drie uren na zonsondergang keerde de schipper met zijn gezonde mannen terug. Bontekoe beval de boot niet in te halen: hij wilde er dien zelfden nacht een eind de kust mee afvaren, om voor het schip een ankerplaats te zoeken.Rolf klampte zijn oom aan. „Mogen we mee, oom? Hajo en ik?”[162]„Deden jullie niet beter, naar kooi te gaan?”„Wij slapen toch niet, oom, zoolang deNieuw-Hoornnog geen kooi heeft!”„Nou, vooruit dan maar!” zei Bontekoe glimlachend.„Mag ik u bedanken, oom?”Bontekoe liet een welwillenden blik over zijn neef gaan. „Wat heb je gedurende de reis zooal uitgevoerd? Geluierd?”„Jawel, oom!”„Dacht ik al. De barbier zal wel opgesneden hebben. Hoeveel woorden Maleisch ken je?”„Tjoemah sedikit sadjah, toewan. Tetapi saban hari saja adjar.”„Mm.—Wijs me op deze sterrenkaart de Tweelingen eens aan?”„Dat is Castor, oom, en dat is Pollux.”„Wijs ze me nou eens aan den hemel?”„Kan ik niet, oom.”„En waarom niet, domoor?”„Omdat we hier alleen de Zuidelijke sterrenhemel zien, oom.”„Goed. Maar waarom noemen ze ze de Tweelingen?”„Weet ik niet, oom. U wel?”„Neen, aap van een jongen, ik ook niet.”Rolf trok een zedig gelaat. „Kan ik gaan, oom?”„Ja, kras maar op!”Hajo sprong drie el in de lucht, toen Rolf hem vertelde, dat hij mee mocht. „En de schipper gaat ook mee, zeg je?!”„Ja zeker.”„O, Rolf! Rolf!!” Hajo maakte een rondedans, waarop een Zoeloe jaloersch zou zijn.Hajo maakte een rondedans, waarop een Zoeloe jaloersch zou zijn.[163]

[Inhoud]DE GEVREESDE VIJANDIn enkele dagen tijds steeg het aantal zieken tot vijftien. Het was daar in het vooronder een gekreun en gekerm, dat niemand er ’s nachts van slapen kon. En elken dag kwamen er zieken bij. Vader Langjas greep zich met de handen in het haar, verzon allerlei drankjes, die verlichting zouden kunnen schenken. Soms hielp het ook wel wat, vooral dank zij de troostrijke voorspiegelingen, waarmee het uitreiken gepaard ging. Maar van werkelijke genezing kon natuurlijk geen sprake zijn, zoolang de oorzaak van de ziekte niet was weggenomen: gebrek aan versch voedsel.Lijsken Cocs was er het ergst aan toe. Zijn licht-blauwe, nu flets geworden oogen lagen diep, heel diep in de kassen; zijn spits neusje werd met den dag spitser, en het zweet parelde in zijn stroo-blonde haren. „’k Ga d’r an”, zuchtte hij. „Eerst m’n vader, toen Joppie.…. wij kunnen in onze familie niet tegen de scheurbuik, weet je?” Lijsken zweeg, verraadde door een smartelijk vertrekken van den mond, dat hij pijn leed.„Heb je pijn?” vroeg Harmen, die bij Lijsken’s kooi zat.Lijsken schudde ontkennend het hoofd. En met schorre stem zei hij, op zorgelijken toon: „’t Is lam voor m’n moeder, dat ik d’r an ga! Want ik had ’r van deze reis ’n mooie cent kunnen thuis brengen.…”Den volgenden dag hing de vlag halfstoks. Lijsken’s tengere jongenslichaam werd in een zak genaaid en, onder het zingen van een psalm, plechtig aan de golven toevertrouwd. De kanonnen wenschten den kleinen, blonden koksmaat goede reis naar het oord, waar hij geen pijn meer voelen zou.Bontekoe betaalde aan Harmen van Kniphuyzen de volle gage van zijn overleden vriend uit. Harmen kende Lijsken’s moeder[156]en zou het haar geven. Grienend borg Harmen het geld in een zakje.De gedruktheid nam met den dag toe. Er waren nu reeds acht-en-twintig zieken. En dubbel zooveel anderen klaagden over moeheid in de beenen. Velen liepen rond met blauwe kringen onder de oogen, vale gezichten en kleurlooze lippen. Toen er op een dag vijf tegelijk in hun kooi moesten blijven, durfde Bontekoe niet verder zeilen. En tot groote vreugde der zieken in het vooronder werd de steven gewend naar Madagascar, waar men hoopte te kunnen ververschen. Diede Doedesz., die zich ook al lam voelde, klom niettemin om het uur in het kraaiennest om met zijn beproefde oogen naar land uit te zien. Den vierden morgen na het wenden van den steven, rezen achter den gezichtseinder bergen op.„Land! Land voor de boeg!!” Groote opgewondenheid. De zorgen woeien zoo maar de poorten uit.In den namiddag naderde men het land; het zag er aanlokkelijk uit. De bergen waren met wouden begroeid, en het geheel maakte den indruk van vruchtbaar te zijn. Maar nu de moeilijkheid: hoe te landen? Zoo ver het oog reikte, was nergens een baai of inham, geschikt om deNieuw-Hoornte bergen. Toch zette men de boot uit. Terwijl deNieuw-Hoornvoor de kust op en neer zeilde, voer de schipper met dertig stevige maats en evenveel geladen musketten weg.Maar toen men met de boot wilde landen, bleek de branding te sterk te zijn. Terwijl men nog beraadslaagde, wat nu te doen, kwamen op het strand naakte, bruine kerels aanloopen, die in luide kreten hun verrassing uitten en toen staan bleven, de hand boven de wenkbrauwen, om beter te kunnen zien.Floorke bood aan, naar land te zwemmen. Hij knoopte z’n broek stevig vast, snoof zoo er eens en sprong het water in. Als een haai schoot hij door de golven. Tweemaal sloeg de branding hem terug; de derde maal zette Floorke zijn tanden op mekaar en wist er zich doorheen te worstelen. Zijn broek boette hij er bij in: even naakt als de zwartjes plofte hij aan land neer. „Heila!” riep Floorke hijgend den verbaasden inboorlingen toe, die tusschen zich en dit witte, roodharige monster een behoorlijken afstand schenen te willen bewaren. „Toenggoe[157]er eens even! Zou je bij geval kunnen zeggen, waar dekapalvoor anker kan gaan? Jullie verstaan toch Maleidsch?”De monden der inboorlingen sperden zich wijd open. Mooi gebouwde kerels waren het: groot, zwart als houtskool, wollig, dicht haar en van boven tot onder getatoeëerd met sterren en bloemenmotieven. Een kwam er met groote, elastische schreden op Floorke af, legde hem zijn zwarte hand op den schouder en wees naar het Zuiden. Hij zei iets, waar Floorke geen spier van verstond, wees toen op deNieuw-Hoornen toen weer naar het Zuiden.„’k Heb je al in de gaten, kameraad!” zei Floorke verheugd. „In ’t Zuiden landen, hè? Hebben jullie ook wat te bikken? Makan?” En Floorke maakte een beweging van kauwen en den mond volproppen. Het resultaat was, dat de zwartjes allen begonnen te lachen.„Lach, als je gekielhaald wordt!” gromde Floorke. Hij liep het water weer in, stortte zich in de branding.„En?” vroegen z’n makkers, terwijl ze hem in de boot heschen.„In ’t Zuiden.…. pf! kunnen we landen.…. pf! En m’n broek.…. pff! ben ik kwijt.”„Kon je de menschen verstaan, Floorke?”„Best, schipper. Ik versta alle talen.”„En hoe zagen ze er uit?”„Zwart als ’n laars, schipper, en besneje als de ebbenhouten kast van m’n moei!” Floorke’s oogen richtten zich groot, met sprakelooze verontwaardiging naar het strand. „Wel sakkerloot! Daar loopt er een metmijnbroek aan!” En Floorke wilde pardoes weer overboord springen.Maar de maats hielden hem tegen. En Bontekoe zei lachend: „Ik zal je geld voor een nieuwe broek geven, Floorke.”„Zoo’n beste broek!” zuchtte Floorke.Naar het Zuiden! Men voer dicht langs de kust, dagen lang, zonder een baai te ontdekken. De stemming in het vooronder zakte weer geducht. De oomes verloren het vertrouwen in Floorke’s talenkennis; Floorke zelf schold op de „nikkers”,[158]die hem zijn broek en zijn eer geroofd hadden. Het aantal zieken klom tot boven de veertig.Padde kreeg het druk met het verplegen van den Schele, die zich ook niet voelde, zooals het wezen moest. Onze drie jonge vrienden zelf waren nog gezond.Op een morgen was het land uit het gezicht verdwenen. Men zeilde Zuidwaarts tot op negen-en-twintig graden, maar toen zich nog steeds geen land, laat staan Floorke’s ankerplaats vertoonde, wendde men den steven weer en voer in Noord-Oostelijke richting tot op zeventien graden. Van daaruit werd de koers gesteld op de zeestraat tusschen Mauritius en Réunion, ten einde een van die beide eilanden aan te doen.In die dagen had men den tweeden doode: Boutjens. De maats hadden zich ook tijdens zijn laatste dagen weinig om hem bekommerd; het was Hajo geweest, die hem elken morgen de warme koffie bracht en ’s nachts, wanneer hij Boutjens hoorde kreunen, was opgestaan om een kroes water voor hem te halen. Aanvankelijk keerde Boutjens zich grommend af, wanneer Hajo naderde, en hij dronk pas, wanneer hij wist, dat de jongen hem niet meer bespieden kon. Maar den avond vóór zijn dood tastte hij met zijn vermagerde vingers naar Hajo’s handen en vroeg met zwakke, schorre stem: „Waarom.…. waarom doe je dat?”„Omdat je hier niet één vriend hebt, die je verpleegt”, zei Hajo.„Dan is het goed”, zuchtte Boutjens. „Ik dacht, dat je.…!” En Boutjens begon te huilen. „’k Heb zoo’n pijn, al dagenlang, en ze laten me maar schreeuwen. Van morgen is de barbier bij me geweest en hij heeft me over God en over de Hemel gesproken;—nou weet ik, dat ’t met me gedaan is. Onder in m’n kist.…. ik bedoel natuurlijk m’n scheepskist.….” Boutjens stokte even „Als ik van m’n kist praat, zie ik ’n doodkist voor me, maar daar grijp je op zee natuurlijk naast! Onder in m’n scheepskist ligt een plank. Die kun je optillen; daar heeft niemand verdacht op, zie je? Nou, onder die plank liggen dertien zilveren guldens. Die geef ik jou; niemand anders mag er met z’n vingers aankomen. Pas vooral op, dat Schieltjens Blauw het niet in de gaten krijgt, want da’s een schurk.”[159]Boutjens kreunde en zweeg eenigen tijd, hijgend van vermoeidheid. Langzaam-aan werd zijn adem weer rustiger; hij sloot de oogen en murmelde: „Wie z’n zonden berouwt.…. is geen schurk.”Toen men hem den volgenden morgen overboord liet glijden, zag men onder water den witten buik van een grooten haai glinsteren; met een ruk werd Boutjens’ lichaam in de diepte gesleurd. Een kreet van afschuw steeg op uit de groep mannen, die juist hun psalm beëindigd hadden.Toen den volgenden dag Zwarte Gijs, de brave smid, op dezelfde droevige wijze van zijn talrijke kameraden afscheid nam, schoten drie haaien toe. Hun instinct leidde hen op den goeden weg.….Zwarte Gijs liet in Enkhuizen twee dochtertjes na. In overleg met den schipper besloot Hajo het geld, dat hij van Boutjens had geërfd, voor de arme meisjes ter zijde te leggen.Ook de volgende dag vroeg zijn offer. Ditmaal deed men alles in stilte, om de zieken in het vooronder niet onnoodig te herinneren aan.…. wat hun misschien allen te wachten stond.Na twee dagen kreeg men het Oost-einde van Réunion in het zicht, liet het schip dicht langs den wal loopen en peilde. Eerst op veertig vadem diepte raakte het lood grond: de kust was dus zeer steil. Niettemin besloot Bontekoe het anker te laten vallen.Met bonzend hart vernamen de zieken in het vooronder het klapperen van de ankerspillen en daarna den zwaren plons in het water. Eindelijk!! Ze kwamen uit hun kooien het dek op kruipen en smeekten den schipper, aan land te worden gezet.Bontekoe keek weifelend naar z’n arme kerels. Op deze steile kust kon deNieuw-Hoornlicht afdrijven, en dan zou men van de helft van het volk gescheiden zijn. „Moed, mannen!” zei hij daarom. „We zullen de boot eens aan land sturen, om te zien, of er wat te halen valt!”Terwijl de gezonde maats met het uitzetten van de jol bezig waren, besprak Bontekoe in de kajuit met den koopman het verzoek van de zieken. Rol verzette zich met hand en tand tegen het aan land brengen van de zieken op een plaats, waar geen ankergrond was. En ofschoon Bontekoe gebaarde, het niet[160]met hem eens te zijn, moest hij zichzelf bekennen, dat Rol gelijk had.Een kwartier later voer Bontekoe met twintig maats aan wal. Ze trokken de boot een eindje het strand op, om te voorkomen, dat de opkomende vloed haar zou wegsleuren, en begonnen hun onderzoekingstocht. Zelfs de hooggespannen verwachtingen van Floorke, die reeds van verre allerlei heerlijkheden meende te ontdekken, werden nog overtroffen. Vijftig ellen het strand op stonden verspreide boomgroepen, in welker schaduw zij honderden en nog eens honderden groote schildpadden vonden. Het bosch achter de boomgroepen weergalmde van vogelgekrijsch. Opgewonden baanden de mannen zich een weg door ellenhooge varens, kwamen toen op een zonnige open plek met hoog gras, dat aan een zijde geheel was platgetreden. In de verte klonk gestamp van hoeven; het scheen een kudde runderen te zijn, die zich uit de voeten maakte. De maats liepen in de schaduw van hooge boomen de open plek rond, gluurden overal tusschen de stammen door, het loof in, waar schreeuwende parkieten lustig om twijgjes duikelden. Hoenders vlogen met veel gedruisch voor de voeten der oomes op en scharrelden tusschen wilde ananas-planten met lak-roode hart-bladeren kakelend in het struikgewas weg. Groote, blauw-grijze houtduiven gluurden door de takken omlaag en drukten in een zacht: roekoe.….! verwondering uit over de onbekende twee-voeters daar beneden. Het kostte den maats weinig moeite de argelooze dieren met stokken vleugellam te slaan. Met ananassen, schildpadden en duiven voor de kombuis keerde de jol naar het schip terug.De zieken lagen op het dek te wachten. Toen ze zagen, wat hun makkers van het land meebrachten, smeekten ze Bontekoe opnieuw met gevouwen handen, hen toch aan wal te willen zetten. Bontekoe beraadslaagde met den koopman, of hij het wagen mocht.Rol schudde het hoofd. „Als vertegenwoordiger van de heeren bewindhebbers moet ik me ten stelligste verzetten tegen een waaghalzerij, waarbij het slagen van de heele reis op het spel wordt gezet!” verzekerde hij.Bontekoe luisterde met nauw verholen drift. „Als vader van[161]mijn maats kan ik er niet toe komen, de arme kerels voor de haaien te gooien!” zei hij toen. „En als de heeren bewindhebbers zich dat niet kunnen voorstellen, moeten ze zelf maar eens als schipper een reisje naar de Oost maken!”Rolf boog het hoofd. „Ik wensch vast te stellen, datikme verzet heb.”„Wil je ’t op schrift hebben?” vroeg Bontekoe schamper. En hij ging naar de zieke oomes. „Jongens, help mekaar maar in de jol; ik zal je aan land laten zetten.”„Leve de schipper! Hoy! Hoera!! Leve de ouwe!!”Of de kerels gauw in de boot waren! Bontekoe liet hun een zeil meegeven, om daarvan een tent op te slaan, verder twee gezonde koksmaats, olie, azijn, potten om in te koken, wapens en gerei. De schipper stapte zelf met een dozijn roeiers in de jol om hen weg te brengen. Hij wilde de vreugde der arme kerels mee beleven.Ze wisten van blijdschap geen raad. De tranen stonden hun in de oogen, toen ze in het zachte gras bijeenkropen. „We voelen ons al weer half gezond, schippertje!”De andere maats begonnen een nieuwen onderzoekingstocht, nu in een andere richting. Men ving een kleine tweehonderd houtduiven, reeg de vette dieren aan lange stokken en braadde ze voor zieken en gezonden. Een feestelijke aanblik: al die knappende vuurtjes in de schemering. Voorloopig, zoolang men niet wist, wat dit eiland herbergde, werd voor alle zekerheid een wacht uitgezet.Aan boord zat men ook niet stil. Enkele schildpadden, door de maats meegenomen van hun eerste landing, werden gekookt met gedroogde pruimen, die nog in het ruim lagen. Dat smaakte! De oomes aten, tot ze zat waren, smookten een pijpke, keken naar de sterren en vonden de wereld nog zoo onherbergzaam niet.Drie uren na zonsondergang keerde de schipper met zijn gezonde mannen terug. Bontekoe beval de boot niet in te halen: hij wilde er dien zelfden nacht een eind de kust mee afvaren, om voor het schip een ankerplaats te zoeken.Rolf klampte zijn oom aan. „Mogen we mee, oom? Hajo en ik?”[162]„Deden jullie niet beter, naar kooi te gaan?”„Wij slapen toch niet, oom, zoolang deNieuw-Hoornnog geen kooi heeft!”„Nou, vooruit dan maar!” zei Bontekoe glimlachend.„Mag ik u bedanken, oom?”Bontekoe liet een welwillenden blik over zijn neef gaan. „Wat heb je gedurende de reis zooal uitgevoerd? Geluierd?”„Jawel, oom!”„Dacht ik al. De barbier zal wel opgesneden hebben. Hoeveel woorden Maleisch ken je?”„Tjoemah sedikit sadjah, toewan. Tetapi saban hari saja adjar.”„Mm.—Wijs me op deze sterrenkaart de Tweelingen eens aan?”„Dat is Castor, oom, en dat is Pollux.”„Wijs ze me nou eens aan den hemel?”„Kan ik niet, oom.”„En waarom niet, domoor?”„Omdat we hier alleen de Zuidelijke sterrenhemel zien, oom.”„Goed. Maar waarom noemen ze ze de Tweelingen?”„Weet ik niet, oom. U wel?”„Neen, aap van een jongen, ik ook niet.”Rolf trok een zedig gelaat. „Kan ik gaan, oom?”„Ja, kras maar op!”Hajo sprong drie el in de lucht, toen Rolf hem vertelde, dat hij mee mocht. „En de schipper gaat ook mee, zeg je?!”„Ja zeker.”„O, Rolf! Rolf!!” Hajo maakte een rondedans, waarop een Zoeloe jaloersch zou zijn.Hajo maakte een rondedans, waarop een Zoeloe jaloersch zou zijn.[163]

[Inhoud]DE GEVREESDE VIJANDIn enkele dagen tijds steeg het aantal zieken tot vijftien. Het was daar in het vooronder een gekreun en gekerm, dat niemand er ’s nachts van slapen kon. En elken dag kwamen er zieken bij. Vader Langjas greep zich met de handen in het haar, verzon allerlei drankjes, die verlichting zouden kunnen schenken. Soms hielp het ook wel wat, vooral dank zij de troostrijke voorspiegelingen, waarmee het uitreiken gepaard ging. Maar van werkelijke genezing kon natuurlijk geen sprake zijn, zoolang de oorzaak van de ziekte niet was weggenomen: gebrek aan versch voedsel.Lijsken Cocs was er het ergst aan toe. Zijn licht-blauwe, nu flets geworden oogen lagen diep, heel diep in de kassen; zijn spits neusje werd met den dag spitser, en het zweet parelde in zijn stroo-blonde haren. „’k Ga d’r an”, zuchtte hij. „Eerst m’n vader, toen Joppie.…. wij kunnen in onze familie niet tegen de scheurbuik, weet je?” Lijsken zweeg, verraadde door een smartelijk vertrekken van den mond, dat hij pijn leed.„Heb je pijn?” vroeg Harmen, die bij Lijsken’s kooi zat.Lijsken schudde ontkennend het hoofd. En met schorre stem zei hij, op zorgelijken toon: „’t Is lam voor m’n moeder, dat ik d’r an ga! Want ik had ’r van deze reis ’n mooie cent kunnen thuis brengen.…”Den volgenden dag hing de vlag halfstoks. Lijsken’s tengere jongenslichaam werd in een zak genaaid en, onder het zingen van een psalm, plechtig aan de golven toevertrouwd. De kanonnen wenschten den kleinen, blonden koksmaat goede reis naar het oord, waar hij geen pijn meer voelen zou.Bontekoe betaalde aan Harmen van Kniphuyzen de volle gage van zijn overleden vriend uit. Harmen kende Lijsken’s moeder[156]en zou het haar geven. Grienend borg Harmen het geld in een zakje.De gedruktheid nam met den dag toe. Er waren nu reeds acht-en-twintig zieken. En dubbel zooveel anderen klaagden over moeheid in de beenen. Velen liepen rond met blauwe kringen onder de oogen, vale gezichten en kleurlooze lippen. Toen er op een dag vijf tegelijk in hun kooi moesten blijven, durfde Bontekoe niet verder zeilen. En tot groote vreugde der zieken in het vooronder werd de steven gewend naar Madagascar, waar men hoopte te kunnen ververschen. Diede Doedesz., die zich ook al lam voelde, klom niettemin om het uur in het kraaiennest om met zijn beproefde oogen naar land uit te zien. Den vierden morgen na het wenden van den steven, rezen achter den gezichtseinder bergen op.„Land! Land voor de boeg!!” Groote opgewondenheid. De zorgen woeien zoo maar de poorten uit.In den namiddag naderde men het land; het zag er aanlokkelijk uit. De bergen waren met wouden begroeid, en het geheel maakte den indruk van vruchtbaar te zijn. Maar nu de moeilijkheid: hoe te landen? Zoo ver het oog reikte, was nergens een baai of inham, geschikt om deNieuw-Hoornte bergen. Toch zette men de boot uit. Terwijl deNieuw-Hoornvoor de kust op en neer zeilde, voer de schipper met dertig stevige maats en evenveel geladen musketten weg.Maar toen men met de boot wilde landen, bleek de branding te sterk te zijn. Terwijl men nog beraadslaagde, wat nu te doen, kwamen op het strand naakte, bruine kerels aanloopen, die in luide kreten hun verrassing uitten en toen staan bleven, de hand boven de wenkbrauwen, om beter te kunnen zien.Floorke bood aan, naar land te zwemmen. Hij knoopte z’n broek stevig vast, snoof zoo er eens en sprong het water in. Als een haai schoot hij door de golven. Tweemaal sloeg de branding hem terug; de derde maal zette Floorke zijn tanden op mekaar en wist er zich doorheen te worstelen. Zijn broek boette hij er bij in: even naakt als de zwartjes plofte hij aan land neer. „Heila!” riep Floorke hijgend den verbaasden inboorlingen toe, die tusschen zich en dit witte, roodharige monster een behoorlijken afstand schenen te willen bewaren. „Toenggoe[157]er eens even! Zou je bij geval kunnen zeggen, waar dekapalvoor anker kan gaan? Jullie verstaan toch Maleidsch?”De monden der inboorlingen sperden zich wijd open. Mooi gebouwde kerels waren het: groot, zwart als houtskool, wollig, dicht haar en van boven tot onder getatoeëerd met sterren en bloemenmotieven. Een kwam er met groote, elastische schreden op Floorke af, legde hem zijn zwarte hand op den schouder en wees naar het Zuiden. Hij zei iets, waar Floorke geen spier van verstond, wees toen op deNieuw-Hoornen toen weer naar het Zuiden.„’k Heb je al in de gaten, kameraad!” zei Floorke verheugd. „In ’t Zuiden landen, hè? Hebben jullie ook wat te bikken? Makan?” En Floorke maakte een beweging van kauwen en den mond volproppen. Het resultaat was, dat de zwartjes allen begonnen te lachen.„Lach, als je gekielhaald wordt!” gromde Floorke. Hij liep het water weer in, stortte zich in de branding.„En?” vroegen z’n makkers, terwijl ze hem in de boot heschen.„In ’t Zuiden.…. pf! kunnen we landen.…. pf! En m’n broek.…. pff! ben ik kwijt.”„Kon je de menschen verstaan, Floorke?”„Best, schipper. Ik versta alle talen.”„En hoe zagen ze er uit?”„Zwart als ’n laars, schipper, en besneje als de ebbenhouten kast van m’n moei!” Floorke’s oogen richtten zich groot, met sprakelooze verontwaardiging naar het strand. „Wel sakkerloot! Daar loopt er een metmijnbroek aan!” En Floorke wilde pardoes weer overboord springen.Maar de maats hielden hem tegen. En Bontekoe zei lachend: „Ik zal je geld voor een nieuwe broek geven, Floorke.”„Zoo’n beste broek!” zuchtte Floorke.Naar het Zuiden! Men voer dicht langs de kust, dagen lang, zonder een baai te ontdekken. De stemming in het vooronder zakte weer geducht. De oomes verloren het vertrouwen in Floorke’s talenkennis; Floorke zelf schold op de „nikkers”,[158]die hem zijn broek en zijn eer geroofd hadden. Het aantal zieken klom tot boven de veertig.Padde kreeg het druk met het verplegen van den Schele, die zich ook niet voelde, zooals het wezen moest. Onze drie jonge vrienden zelf waren nog gezond.Op een morgen was het land uit het gezicht verdwenen. Men zeilde Zuidwaarts tot op negen-en-twintig graden, maar toen zich nog steeds geen land, laat staan Floorke’s ankerplaats vertoonde, wendde men den steven weer en voer in Noord-Oostelijke richting tot op zeventien graden. Van daaruit werd de koers gesteld op de zeestraat tusschen Mauritius en Réunion, ten einde een van die beide eilanden aan te doen.In die dagen had men den tweeden doode: Boutjens. De maats hadden zich ook tijdens zijn laatste dagen weinig om hem bekommerd; het was Hajo geweest, die hem elken morgen de warme koffie bracht en ’s nachts, wanneer hij Boutjens hoorde kreunen, was opgestaan om een kroes water voor hem te halen. Aanvankelijk keerde Boutjens zich grommend af, wanneer Hajo naderde, en hij dronk pas, wanneer hij wist, dat de jongen hem niet meer bespieden kon. Maar den avond vóór zijn dood tastte hij met zijn vermagerde vingers naar Hajo’s handen en vroeg met zwakke, schorre stem: „Waarom.…. waarom doe je dat?”„Omdat je hier niet één vriend hebt, die je verpleegt”, zei Hajo.„Dan is het goed”, zuchtte Boutjens. „Ik dacht, dat je.…!” En Boutjens begon te huilen. „’k Heb zoo’n pijn, al dagenlang, en ze laten me maar schreeuwen. Van morgen is de barbier bij me geweest en hij heeft me over God en over de Hemel gesproken;—nou weet ik, dat ’t met me gedaan is. Onder in m’n kist.…. ik bedoel natuurlijk m’n scheepskist.….” Boutjens stokte even „Als ik van m’n kist praat, zie ik ’n doodkist voor me, maar daar grijp je op zee natuurlijk naast! Onder in m’n scheepskist ligt een plank. Die kun je optillen; daar heeft niemand verdacht op, zie je? Nou, onder die plank liggen dertien zilveren guldens. Die geef ik jou; niemand anders mag er met z’n vingers aankomen. Pas vooral op, dat Schieltjens Blauw het niet in de gaten krijgt, want da’s een schurk.”[159]Boutjens kreunde en zweeg eenigen tijd, hijgend van vermoeidheid. Langzaam-aan werd zijn adem weer rustiger; hij sloot de oogen en murmelde: „Wie z’n zonden berouwt.…. is geen schurk.”Toen men hem den volgenden morgen overboord liet glijden, zag men onder water den witten buik van een grooten haai glinsteren; met een ruk werd Boutjens’ lichaam in de diepte gesleurd. Een kreet van afschuw steeg op uit de groep mannen, die juist hun psalm beëindigd hadden.Toen den volgenden dag Zwarte Gijs, de brave smid, op dezelfde droevige wijze van zijn talrijke kameraden afscheid nam, schoten drie haaien toe. Hun instinct leidde hen op den goeden weg.….Zwarte Gijs liet in Enkhuizen twee dochtertjes na. In overleg met den schipper besloot Hajo het geld, dat hij van Boutjens had geërfd, voor de arme meisjes ter zijde te leggen.Ook de volgende dag vroeg zijn offer. Ditmaal deed men alles in stilte, om de zieken in het vooronder niet onnoodig te herinneren aan.…. wat hun misschien allen te wachten stond.Na twee dagen kreeg men het Oost-einde van Réunion in het zicht, liet het schip dicht langs den wal loopen en peilde. Eerst op veertig vadem diepte raakte het lood grond: de kust was dus zeer steil. Niettemin besloot Bontekoe het anker te laten vallen.Met bonzend hart vernamen de zieken in het vooronder het klapperen van de ankerspillen en daarna den zwaren plons in het water. Eindelijk!! Ze kwamen uit hun kooien het dek op kruipen en smeekten den schipper, aan land te worden gezet.Bontekoe keek weifelend naar z’n arme kerels. Op deze steile kust kon deNieuw-Hoornlicht afdrijven, en dan zou men van de helft van het volk gescheiden zijn. „Moed, mannen!” zei hij daarom. „We zullen de boot eens aan land sturen, om te zien, of er wat te halen valt!”Terwijl de gezonde maats met het uitzetten van de jol bezig waren, besprak Bontekoe in de kajuit met den koopman het verzoek van de zieken. Rol verzette zich met hand en tand tegen het aan land brengen van de zieken op een plaats, waar geen ankergrond was. En ofschoon Bontekoe gebaarde, het niet[160]met hem eens te zijn, moest hij zichzelf bekennen, dat Rol gelijk had.Een kwartier later voer Bontekoe met twintig maats aan wal. Ze trokken de boot een eindje het strand op, om te voorkomen, dat de opkomende vloed haar zou wegsleuren, en begonnen hun onderzoekingstocht. Zelfs de hooggespannen verwachtingen van Floorke, die reeds van verre allerlei heerlijkheden meende te ontdekken, werden nog overtroffen. Vijftig ellen het strand op stonden verspreide boomgroepen, in welker schaduw zij honderden en nog eens honderden groote schildpadden vonden. Het bosch achter de boomgroepen weergalmde van vogelgekrijsch. Opgewonden baanden de mannen zich een weg door ellenhooge varens, kwamen toen op een zonnige open plek met hoog gras, dat aan een zijde geheel was platgetreden. In de verte klonk gestamp van hoeven; het scheen een kudde runderen te zijn, die zich uit de voeten maakte. De maats liepen in de schaduw van hooge boomen de open plek rond, gluurden overal tusschen de stammen door, het loof in, waar schreeuwende parkieten lustig om twijgjes duikelden. Hoenders vlogen met veel gedruisch voor de voeten der oomes op en scharrelden tusschen wilde ananas-planten met lak-roode hart-bladeren kakelend in het struikgewas weg. Groote, blauw-grijze houtduiven gluurden door de takken omlaag en drukten in een zacht: roekoe.….! verwondering uit over de onbekende twee-voeters daar beneden. Het kostte den maats weinig moeite de argelooze dieren met stokken vleugellam te slaan. Met ananassen, schildpadden en duiven voor de kombuis keerde de jol naar het schip terug.De zieken lagen op het dek te wachten. Toen ze zagen, wat hun makkers van het land meebrachten, smeekten ze Bontekoe opnieuw met gevouwen handen, hen toch aan wal te willen zetten. Bontekoe beraadslaagde met den koopman, of hij het wagen mocht.Rol schudde het hoofd. „Als vertegenwoordiger van de heeren bewindhebbers moet ik me ten stelligste verzetten tegen een waaghalzerij, waarbij het slagen van de heele reis op het spel wordt gezet!” verzekerde hij.Bontekoe luisterde met nauw verholen drift. „Als vader van[161]mijn maats kan ik er niet toe komen, de arme kerels voor de haaien te gooien!” zei hij toen. „En als de heeren bewindhebbers zich dat niet kunnen voorstellen, moeten ze zelf maar eens als schipper een reisje naar de Oost maken!”Rolf boog het hoofd. „Ik wensch vast te stellen, datikme verzet heb.”„Wil je ’t op schrift hebben?” vroeg Bontekoe schamper. En hij ging naar de zieke oomes. „Jongens, help mekaar maar in de jol; ik zal je aan land laten zetten.”„Leve de schipper! Hoy! Hoera!! Leve de ouwe!!”Of de kerels gauw in de boot waren! Bontekoe liet hun een zeil meegeven, om daarvan een tent op te slaan, verder twee gezonde koksmaats, olie, azijn, potten om in te koken, wapens en gerei. De schipper stapte zelf met een dozijn roeiers in de jol om hen weg te brengen. Hij wilde de vreugde der arme kerels mee beleven.Ze wisten van blijdschap geen raad. De tranen stonden hun in de oogen, toen ze in het zachte gras bijeenkropen. „We voelen ons al weer half gezond, schippertje!”De andere maats begonnen een nieuwen onderzoekingstocht, nu in een andere richting. Men ving een kleine tweehonderd houtduiven, reeg de vette dieren aan lange stokken en braadde ze voor zieken en gezonden. Een feestelijke aanblik: al die knappende vuurtjes in de schemering. Voorloopig, zoolang men niet wist, wat dit eiland herbergde, werd voor alle zekerheid een wacht uitgezet.Aan boord zat men ook niet stil. Enkele schildpadden, door de maats meegenomen van hun eerste landing, werden gekookt met gedroogde pruimen, die nog in het ruim lagen. Dat smaakte! De oomes aten, tot ze zat waren, smookten een pijpke, keken naar de sterren en vonden de wereld nog zoo onherbergzaam niet.Drie uren na zonsondergang keerde de schipper met zijn gezonde mannen terug. Bontekoe beval de boot niet in te halen: hij wilde er dien zelfden nacht een eind de kust mee afvaren, om voor het schip een ankerplaats te zoeken.Rolf klampte zijn oom aan. „Mogen we mee, oom? Hajo en ik?”[162]„Deden jullie niet beter, naar kooi te gaan?”„Wij slapen toch niet, oom, zoolang deNieuw-Hoornnog geen kooi heeft!”„Nou, vooruit dan maar!” zei Bontekoe glimlachend.„Mag ik u bedanken, oom?”Bontekoe liet een welwillenden blik over zijn neef gaan. „Wat heb je gedurende de reis zooal uitgevoerd? Geluierd?”„Jawel, oom!”„Dacht ik al. De barbier zal wel opgesneden hebben. Hoeveel woorden Maleisch ken je?”„Tjoemah sedikit sadjah, toewan. Tetapi saban hari saja adjar.”„Mm.—Wijs me op deze sterrenkaart de Tweelingen eens aan?”„Dat is Castor, oom, en dat is Pollux.”„Wijs ze me nou eens aan den hemel?”„Kan ik niet, oom.”„En waarom niet, domoor?”„Omdat we hier alleen de Zuidelijke sterrenhemel zien, oom.”„Goed. Maar waarom noemen ze ze de Tweelingen?”„Weet ik niet, oom. U wel?”„Neen, aap van een jongen, ik ook niet.”Rolf trok een zedig gelaat. „Kan ik gaan, oom?”„Ja, kras maar op!”Hajo sprong drie el in de lucht, toen Rolf hem vertelde, dat hij mee mocht. „En de schipper gaat ook mee, zeg je?!”„Ja zeker.”„O, Rolf! Rolf!!” Hajo maakte een rondedans, waarop een Zoeloe jaloersch zou zijn.Hajo maakte een rondedans, waarop een Zoeloe jaloersch zou zijn.[163]

DE GEVREESDE VIJAND

In enkele dagen tijds steeg het aantal zieken tot vijftien. Het was daar in het vooronder een gekreun en gekerm, dat niemand er ’s nachts van slapen kon. En elken dag kwamen er zieken bij. Vader Langjas greep zich met de handen in het haar, verzon allerlei drankjes, die verlichting zouden kunnen schenken. Soms hielp het ook wel wat, vooral dank zij de troostrijke voorspiegelingen, waarmee het uitreiken gepaard ging. Maar van werkelijke genezing kon natuurlijk geen sprake zijn, zoolang de oorzaak van de ziekte niet was weggenomen: gebrek aan versch voedsel.Lijsken Cocs was er het ergst aan toe. Zijn licht-blauwe, nu flets geworden oogen lagen diep, heel diep in de kassen; zijn spits neusje werd met den dag spitser, en het zweet parelde in zijn stroo-blonde haren. „’k Ga d’r an”, zuchtte hij. „Eerst m’n vader, toen Joppie.…. wij kunnen in onze familie niet tegen de scheurbuik, weet je?” Lijsken zweeg, verraadde door een smartelijk vertrekken van den mond, dat hij pijn leed.„Heb je pijn?” vroeg Harmen, die bij Lijsken’s kooi zat.Lijsken schudde ontkennend het hoofd. En met schorre stem zei hij, op zorgelijken toon: „’t Is lam voor m’n moeder, dat ik d’r an ga! Want ik had ’r van deze reis ’n mooie cent kunnen thuis brengen.…”Den volgenden dag hing de vlag halfstoks. Lijsken’s tengere jongenslichaam werd in een zak genaaid en, onder het zingen van een psalm, plechtig aan de golven toevertrouwd. De kanonnen wenschten den kleinen, blonden koksmaat goede reis naar het oord, waar hij geen pijn meer voelen zou.Bontekoe betaalde aan Harmen van Kniphuyzen de volle gage van zijn overleden vriend uit. Harmen kende Lijsken’s moeder[156]en zou het haar geven. Grienend borg Harmen het geld in een zakje.De gedruktheid nam met den dag toe. Er waren nu reeds acht-en-twintig zieken. En dubbel zooveel anderen klaagden over moeheid in de beenen. Velen liepen rond met blauwe kringen onder de oogen, vale gezichten en kleurlooze lippen. Toen er op een dag vijf tegelijk in hun kooi moesten blijven, durfde Bontekoe niet verder zeilen. En tot groote vreugde der zieken in het vooronder werd de steven gewend naar Madagascar, waar men hoopte te kunnen ververschen. Diede Doedesz., die zich ook al lam voelde, klom niettemin om het uur in het kraaiennest om met zijn beproefde oogen naar land uit te zien. Den vierden morgen na het wenden van den steven, rezen achter den gezichtseinder bergen op.„Land! Land voor de boeg!!” Groote opgewondenheid. De zorgen woeien zoo maar de poorten uit.In den namiddag naderde men het land; het zag er aanlokkelijk uit. De bergen waren met wouden begroeid, en het geheel maakte den indruk van vruchtbaar te zijn. Maar nu de moeilijkheid: hoe te landen? Zoo ver het oog reikte, was nergens een baai of inham, geschikt om deNieuw-Hoornte bergen. Toch zette men de boot uit. Terwijl deNieuw-Hoornvoor de kust op en neer zeilde, voer de schipper met dertig stevige maats en evenveel geladen musketten weg.Maar toen men met de boot wilde landen, bleek de branding te sterk te zijn. Terwijl men nog beraadslaagde, wat nu te doen, kwamen op het strand naakte, bruine kerels aanloopen, die in luide kreten hun verrassing uitten en toen staan bleven, de hand boven de wenkbrauwen, om beter te kunnen zien.Floorke bood aan, naar land te zwemmen. Hij knoopte z’n broek stevig vast, snoof zoo er eens en sprong het water in. Als een haai schoot hij door de golven. Tweemaal sloeg de branding hem terug; de derde maal zette Floorke zijn tanden op mekaar en wist er zich doorheen te worstelen. Zijn broek boette hij er bij in: even naakt als de zwartjes plofte hij aan land neer. „Heila!” riep Floorke hijgend den verbaasden inboorlingen toe, die tusschen zich en dit witte, roodharige monster een behoorlijken afstand schenen te willen bewaren. „Toenggoe[157]er eens even! Zou je bij geval kunnen zeggen, waar dekapalvoor anker kan gaan? Jullie verstaan toch Maleidsch?”De monden der inboorlingen sperden zich wijd open. Mooi gebouwde kerels waren het: groot, zwart als houtskool, wollig, dicht haar en van boven tot onder getatoeëerd met sterren en bloemenmotieven. Een kwam er met groote, elastische schreden op Floorke af, legde hem zijn zwarte hand op den schouder en wees naar het Zuiden. Hij zei iets, waar Floorke geen spier van verstond, wees toen op deNieuw-Hoornen toen weer naar het Zuiden.„’k Heb je al in de gaten, kameraad!” zei Floorke verheugd. „In ’t Zuiden landen, hè? Hebben jullie ook wat te bikken? Makan?” En Floorke maakte een beweging van kauwen en den mond volproppen. Het resultaat was, dat de zwartjes allen begonnen te lachen.„Lach, als je gekielhaald wordt!” gromde Floorke. Hij liep het water weer in, stortte zich in de branding.„En?” vroegen z’n makkers, terwijl ze hem in de boot heschen.„In ’t Zuiden.…. pf! kunnen we landen.…. pf! En m’n broek.…. pff! ben ik kwijt.”„Kon je de menschen verstaan, Floorke?”„Best, schipper. Ik versta alle talen.”„En hoe zagen ze er uit?”„Zwart als ’n laars, schipper, en besneje als de ebbenhouten kast van m’n moei!” Floorke’s oogen richtten zich groot, met sprakelooze verontwaardiging naar het strand. „Wel sakkerloot! Daar loopt er een metmijnbroek aan!” En Floorke wilde pardoes weer overboord springen.Maar de maats hielden hem tegen. En Bontekoe zei lachend: „Ik zal je geld voor een nieuwe broek geven, Floorke.”„Zoo’n beste broek!” zuchtte Floorke.Naar het Zuiden! Men voer dicht langs de kust, dagen lang, zonder een baai te ontdekken. De stemming in het vooronder zakte weer geducht. De oomes verloren het vertrouwen in Floorke’s talenkennis; Floorke zelf schold op de „nikkers”,[158]die hem zijn broek en zijn eer geroofd hadden. Het aantal zieken klom tot boven de veertig.Padde kreeg het druk met het verplegen van den Schele, die zich ook niet voelde, zooals het wezen moest. Onze drie jonge vrienden zelf waren nog gezond.Op een morgen was het land uit het gezicht verdwenen. Men zeilde Zuidwaarts tot op negen-en-twintig graden, maar toen zich nog steeds geen land, laat staan Floorke’s ankerplaats vertoonde, wendde men den steven weer en voer in Noord-Oostelijke richting tot op zeventien graden. Van daaruit werd de koers gesteld op de zeestraat tusschen Mauritius en Réunion, ten einde een van die beide eilanden aan te doen.In die dagen had men den tweeden doode: Boutjens. De maats hadden zich ook tijdens zijn laatste dagen weinig om hem bekommerd; het was Hajo geweest, die hem elken morgen de warme koffie bracht en ’s nachts, wanneer hij Boutjens hoorde kreunen, was opgestaan om een kroes water voor hem te halen. Aanvankelijk keerde Boutjens zich grommend af, wanneer Hajo naderde, en hij dronk pas, wanneer hij wist, dat de jongen hem niet meer bespieden kon. Maar den avond vóór zijn dood tastte hij met zijn vermagerde vingers naar Hajo’s handen en vroeg met zwakke, schorre stem: „Waarom.…. waarom doe je dat?”„Omdat je hier niet één vriend hebt, die je verpleegt”, zei Hajo.„Dan is het goed”, zuchtte Boutjens. „Ik dacht, dat je.…!” En Boutjens begon te huilen. „’k Heb zoo’n pijn, al dagenlang, en ze laten me maar schreeuwen. Van morgen is de barbier bij me geweest en hij heeft me over God en over de Hemel gesproken;—nou weet ik, dat ’t met me gedaan is. Onder in m’n kist.…. ik bedoel natuurlijk m’n scheepskist.….” Boutjens stokte even „Als ik van m’n kist praat, zie ik ’n doodkist voor me, maar daar grijp je op zee natuurlijk naast! Onder in m’n scheepskist ligt een plank. Die kun je optillen; daar heeft niemand verdacht op, zie je? Nou, onder die plank liggen dertien zilveren guldens. Die geef ik jou; niemand anders mag er met z’n vingers aankomen. Pas vooral op, dat Schieltjens Blauw het niet in de gaten krijgt, want da’s een schurk.”[159]Boutjens kreunde en zweeg eenigen tijd, hijgend van vermoeidheid. Langzaam-aan werd zijn adem weer rustiger; hij sloot de oogen en murmelde: „Wie z’n zonden berouwt.…. is geen schurk.”Toen men hem den volgenden morgen overboord liet glijden, zag men onder water den witten buik van een grooten haai glinsteren; met een ruk werd Boutjens’ lichaam in de diepte gesleurd. Een kreet van afschuw steeg op uit de groep mannen, die juist hun psalm beëindigd hadden.Toen den volgenden dag Zwarte Gijs, de brave smid, op dezelfde droevige wijze van zijn talrijke kameraden afscheid nam, schoten drie haaien toe. Hun instinct leidde hen op den goeden weg.….Zwarte Gijs liet in Enkhuizen twee dochtertjes na. In overleg met den schipper besloot Hajo het geld, dat hij van Boutjens had geërfd, voor de arme meisjes ter zijde te leggen.Ook de volgende dag vroeg zijn offer. Ditmaal deed men alles in stilte, om de zieken in het vooronder niet onnoodig te herinneren aan.…. wat hun misschien allen te wachten stond.Na twee dagen kreeg men het Oost-einde van Réunion in het zicht, liet het schip dicht langs den wal loopen en peilde. Eerst op veertig vadem diepte raakte het lood grond: de kust was dus zeer steil. Niettemin besloot Bontekoe het anker te laten vallen.Met bonzend hart vernamen de zieken in het vooronder het klapperen van de ankerspillen en daarna den zwaren plons in het water. Eindelijk!! Ze kwamen uit hun kooien het dek op kruipen en smeekten den schipper, aan land te worden gezet.Bontekoe keek weifelend naar z’n arme kerels. Op deze steile kust kon deNieuw-Hoornlicht afdrijven, en dan zou men van de helft van het volk gescheiden zijn. „Moed, mannen!” zei hij daarom. „We zullen de boot eens aan land sturen, om te zien, of er wat te halen valt!”Terwijl de gezonde maats met het uitzetten van de jol bezig waren, besprak Bontekoe in de kajuit met den koopman het verzoek van de zieken. Rol verzette zich met hand en tand tegen het aan land brengen van de zieken op een plaats, waar geen ankergrond was. En ofschoon Bontekoe gebaarde, het niet[160]met hem eens te zijn, moest hij zichzelf bekennen, dat Rol gelijk had.Een kwartier later voer Bontekoe met twintig maats aan wal. Ze trokken de boot een eindje het strand op, om te voorkomen, dat de opkomende vloed haar zou wegsleuren, en begonnen hun onderzoekingstocht. Zelfs de hooggespannen verwachtingen van Floorke, die reeds van verre allerlei heerlijkheden meende te ontdekken, werden nog overtroffen. Vijftig ellen het strand op stonden verspreide boomgroepen, in welker schaduw zij honderden en nog eens honderden groote schildpadden vonden. Het bosch achter de boomgroepen weergalmde van vogelgekrijsch. Opgewonden baanden de mannen zich een weg door ellenhooge varens, kwamen toen op een zonnige open plek met hoog gras, dat aan een zijde geheel was platgetreden. In de verte klonk gestamp van hoeven; het scheen een kudde runderen te zijn, die zich uit de voeten maakte. De maats liepen in de schaduw van hooge boomen de open plek rond, gluurden overal tusschen de stammen door, het loof in, waar schreeuwende parkieten lustig om twijgjes duikelden. Hoenders vlogen met veel gedruisch voor de voeten der oomes op en scharrelden tusschen wilde ananas-planten met lak-roode hart-bladeren kakelend in het struikgewas weg. Groote, blauw-grijze houtduiven gluurden door de takken omlaag en drukten in een zacht: roekoe.….! verwondering uit over de onbekende twee-voeters daar beneden. Het kostte den maats weinig moeite de argelooze dieren met stokken vleugellam te slaan. Met ananassen, schildpadden en duiven voor de kombuis keerde de jol naar het schip terug.De zieken lagen op het dek te wachten. Toen ze zagen, wat hun makkers van het land meebrachten, smeekten ze Bontekoe opnieuw met gevouwen handen, hen toch aan wal te willen zetten. Bontekoe beraadslaagde met den koopman, of hij het wagen mocht.Rol schudde het hoofd. „Als vertegenwoordiger van de heeren bewindhebbers moet ik me ten stelligste verzetten tegen een waaghalzerij, waarbij het slagen van de heele reis op het spel wordt gezet!” verzekerde hij.Bontekoe luisterde met nauw verholen drift. „Als vader van[161]mijn maats kan ik er niet toe komen, de arme kerels voor de haaien te gooien!” zei hij toen. „En als de heeren bewindhebbers zich dat niet kunnen voorstellen, moeten ze zelf maar eens als schipper een reisje naar de Oost maken!”Rolf boog het hoofd. „Ik wensch vast te stellen, datikme verzet heb.”„Wil je ’t op schrift hebben?” vroeg Bontekoe schamper. En hij ging naar de zieke oomes. „Jongens, help mekaar maar in de jol; ik zal je aan land laten zetten.”„Leve de schipper! Hoy! Hoera!! Leve de ouwe!!”Of de kerels gauw in de boot waren! Bontekoe liet hun een zeil meegeven, om daarvan een tent op te slaan, verder twee gezonde koksmaats, olie, azijn, potten om in te koken, wapens en gerei. De schipper stapte zelf met een dozijn roeiers in de jol om hen weg te brengen. Hij wilde de vreugde der arme kerels mee beleven.Ze wisten van blijdschap geen raad. De tranen stonden hun in de oogen, toen ze in het zachte gras bijeenkropen. „We voelen ons al weer half gezond, schippertje!”De andere maats begonnen een nieuwen onderzoekingstocht, nu in een andere richting. Men ving een kleine tweehonderd houtduiven, reeg de vette dieren aan lange stokken en braadde ze voor zieken en gezonden. Een feestelijke aanblik: al die knappende vuurtjes in de schemering. Voorloopig, zoolang men niet wist, wat dit eiland herbergde, werd voor alle zekerheid een wacht uitgezet.Aan boord zat men ook niet stil. Enkele schildpadden, door de maats meegenomen van hun eerste landing, werden gekookt met gedroogde pruimen, die nog in het ruim lagen. Dat smaakte! De oomes aten, tot ze zat waren, smookten een pijpke, keken naar de sterren en vonden de wereld nog zoo onherbergzaam niet.Drie uren na zonsondergang keerde de schipper met zijn gezonde mannen terug. Bontekoe beval de boot niet in te halen: hij wilde er dien zelfden nacht een eind de kust mee afvaren, om voor het schip een ankerplaats te zoeken.Rolf klampte zijn oom aan. „Mogen we mee, oom? Hajo en ik?”[162]„Deden jullie niet beter, naar kooi te gaan?”„Wij slapen toch niet, oom, zoolang deNieuw-Hoornnog geen kooi heeft!”„Nou, vooruit dan maar!” zei Bontekoe glimlachend.„Mag ik u bedanken, oom?”Bontekoe liet een welwillenden blik over zijn neef gaan. „Wat heb je gedurende de reis zooal uitgevoerd? Geluierd?”„Jawel, oom!”„Dacht ik al. De barbier zal wel opgesneden hebben. Hoeveel woorden Maleisch ken je?”„Tjoemah sedikit sadjah, toewan. Tetapi saban hari saja adjar.”„Mm.—Wijs me op deze sterrenkaart de Tweelingen eens aan?”„Dat is Castor, oom, en dat is Pollux.”„Wijs ze me nou eens aan den hemel?”„Kan ik niet, oom.”„En waarom niet, domoor?”„Omdat we hier alleen de Zuidelijke sterrenhemel zien, oom.”„Goed. Maar waarom noemen ze ze de Tweelingen?”„Weet ik niet, oom. U wel?”„Neen, aap van een jongen, ik ook niet.”Rolf trok een zedig gelaat. „Kan ik gaan, oom?”„Ja, kras maar op!”Hajo sprong drie el in de lucht, toen Rolf hem vertelde, dat hij mee mocht. „En de schipper gaat ook mee, zeg je?!”„Ja zeker.”„O, Rolf! Rolf!!” Hajo maakte een rondedans, waarop een Zoeloe jaloersch zou zijn.Hajo maakte een rondedans, waarop een Zoeloe jaloersch zou zijn.[163]

In enkele dagen tijds steeg het aantal zieken tot vijftien. Het was daar in het vooronder een gekreun en gekerm, dat niemand er ’s nachts van slapen kon. En elken dag kwamen er zieken bij. Vader Langjas greep zich met de handen in het haar, verzon allerlei drankjes, die verlichting zouden kunnen schenken. Soms hielp het ook wel wat, vooral dank zij de troostrijke voorspiegelingen, waarmee het uitreiken gepaard ging. Maar van werkelijke genezing kon natuurlijk geen sprake zijn, zoolang de oorzaak van de ziekte niet was weggenomen: gebrek aan versch voedsel.

Lijsken Cocs was er het ergst aan toe. Zijn licht-blauwe, nu flets geworden oogen lagen diep, heel diep in de kassen; zijn spits neusje werd met den dag spitser, en het zweet parelde in zijn stroo-blonde haren. „’k Ga d’r an”, zuchtte hij. „Eerst m’n vader, toen Joppie.…. wij kunnen in onze familie niet tegen de scheurbuik, weet je?” Lijsken zweeg, verraadde door een smartelijk vertrekken van den mond, dat hij pijn leed.

„Heb je pijn?” vroeg Harmen, die bij Lijsken’s kooi zat.

Lijsken schudde ontkennend het hoofd. En met schorre stem zei hij, op zorgelijken toon: „’t Is lam voor m’n moeder, dat ik d’r an ga! Want ik had ’r van deze reis ’n mooie cent kunnen thuis brengen.…”

Den volgenden dag hing de vlag halfstoks. Lijsken’s tengere jongenslichaam werd in een zak genaaid en, onder het zingen van een psalm, plechtig aan de golven toevertrouwd. De kanonnen wenschten den kleinen, blonden koksmaat goede reis naar het oord, waar hij geen pijn meer voelen zou.

Bontekoe betaalde aan Harmen van Kniphuyzen de volle gage van zijn overleden vriend uit. Harmen kende Lijsken’s moeder[156]en zou het haar geven. Grienend borg Harmen het geld in een zakje.

De gedruktheid nam met den dag toe. Er waren nu reeds acht-en-twintig zieken. En dubbel zooveel anderen klaagden over moeheid in de beenen. Velen liepen rond met blauwe kringen onder de oogen, vale gezichten en kleurlooze lippen. Toen er op een dag vijf tegelijk in hun kooi moesten blijven, durfde Bontekoe niet verder zeilen. En tot groote vreugde der zieken in het vooronder werd de steven gewend naar Madagascar, waar men hoopte te kunnen ververschen. Diede Doedesz., die zich ook al lam voelde, klom niettemin om het uur in het kraaiennest om met zijn beproefde oogen naar land uit te zien. Den vierden morgen na het wenden van den steven, rezen achter den gezichtseinder bergen op.

„Land! Land voor de boeg!!” Groote opgewondenheid. De zorgen woeien zoo maar de poorten uit.

In den namiddag naderde men het land; het zag er aanlokkelijk uit. De bergen waren met wouden begroeid, en het geheel maakte den indruk van vruchtbaar te zijn. Maar nu de moeilijkheid: hoe te landen? Zoo ver het oog reikte, was nergens een baai of inham, geschikt om deNieuw-Hoornte bergen. Toch zette men de boot uit. Terwijl deNieuw-Hoornvoor de kust op en neer zeilde, voer de schipper met dertig stevige maats en evenveel geladen musketten weg.

Maar toen men met de boot wilde landen, bleek de branding te sterk te zijn. Terwijl men nog beraadslaagde, wat nu te doen, kwamen op het strand naakte, bruine kerels aanloopen, die in luide kreten hun verrassing uitten en toen staan bleven, de hand boven de wenkbrauwen, om beter te kunnen zien.

Floorke bood aan, naar land te zwemmen. Hij knoopte z’n broek stevig vast, snoof zoo er eens en sprong het water in. Als een haai schoot hij door de golven. Tweemaal sloeg de branding hem terug; de derde maal zette Floorke zijn tanden op mekaar en wist er zich doorheen te worstelen. Zijn broek boette hij er bij in: even naakt als de zwartjes plofte hij aan land neer. „Heila!” riep Floorke hijgend den verbaasden inboorlingen toe, die tusschen zich en dit witte, roodharige monster een behoorlijken afstand schenen te willen bewaren. „Toenggoe[157]er eens even! Zou je bij geval kunnen zeggen, waar dekapalvoor anker kan gaan? Jullie verstaan toch Maleidsch?”

De monden der inboorlingen sperden zich wijd open. Mooi gebouwde kerels waren het: groot, zwart als houtskool, wollig, dicht haar en van boven tot onder getatoeëerd met sterren en bloemenmotieven. Een kwam er met groote, elastische schreden op Floorke af, legde hem zijn zwarte hand op den schouder en wees naar het Zuiden. Hij zei iets, waar Floorke geen spier van verstond, wees toen op deNieuw-Hoornen toen weer naar het Zuiden.

„’k Heb je al in de gaten, kameraad!” zei Floorke verheugd. „In ’t Zuiden landen, hè? Hebben jullie ook wat te bikken? Makan?” En Floorke maakte een beweging van kauwen en den mond volproppen. Het resultaat was, dat de zwartjes allen begonnen te lachen.

„Lach, als je gekielhaald wordt!” gromde Floorke. Hij liep het water weer in, stortte zich in de branding.

„En?” vroegen z’n makkers, terwijl ze hem in de boot heschen.

„In ’t Zuiden.…. pf! kunnen we landen.…. pf! En m’n broek.…. pff! ben ik kwijt.”

„Kon je de menschen verstaan, Floorke?”

„Best, schipper. Ik versta alle talen.”

„En hoe zagen ze er uit?”

„Zwart als ’n laars, schipper, en besneje als de ebbenhouten kast van m’n moei!” Floorke’s oogen richtten zich groot, met sprakelooze verontwaardiging naar het strand. „Wel sakkerloot! Daar loopt er een metmijnbroek aan!” En Floorke wilde pardoes weer overboord springen.

Maar de maats hielden hem tegen. En Bontekoe zei lachend: „Ik zal je geld voor een nieuwe broek geven, Floorke.”

„Zoo’n beste broek!” zuchtte Floorke.

Naar het Zuiden! Men voer dicht langs de kust, dagen lang, zonder een baai te ontdekken. De stemming in het vooronder zakte weer geducht. De oomes verloren het vertrouwen in Floorke’s talenkennis; Floorke zelf schold op de „nikkers”,[158]die hem zijn broek en zijn eer geroofd hadden. Het aantal zieken klom tot boven de veertig.

Padde kreeg het druk met het verplegen van den Schele, die zich ook niet voelde, zooals het wezen moest. Onze drie jonge vrienden zelf waren nog gezond.

Op een morgen was het land uit het gezicht verdwenen. Men zeilde Zuidwaarts tot op negen-en-twintig graden, maar toen zich nog steeds geen land, laat staan Floorke’s ankerplaats vertoonde, wendde men den steven weer en voer in Noord-Oostelijke richting tot op zeventien graden. Van daaruit werd de koers gesteld op de zeestraat tusschen Mauritius en Réunion, ten einde een van die beide eilanden aan te doen.

In die dagen had men den tweeden doode: Boutjens. De maats hadden zich ook tijdens zijn laatste dagen weinig om hem bekommerd; het was Hajo geweest, die hem elken morgen de warme koffie bracht en ’s nachts, wanneer hij Boutjens hoorde kreunen, was opgestaan om een kroes water voor hem te halen. Aanvankelijk keerde Boutjens zich grommend af, wanneer Hajo naderde, en hij dronk pas, wanneer hij wist, dat de jongen hem niet meer bespieden kon. Maar den avond vóór zijn dood tastte hij met zijn vermagerde vingers naar Hajo’s handen en vroeg met zwakke, schorre stem: „Waarom.…. waarom doe je dat?”

„Omdat je hier niet één vriend hebt, die je verpleegt”, zei Hajo.

„Dan is het goed”, zuchtte Boutjens. „Ik dacht, dat je.…!” En Boutjens begon te huilen. „’k Heb zoo’n pijn, al dagenlang, en ze laten me maar schreeuwen. Van morgen is de barbier bij me geweest en hij heeft me over God en over de Hemel gesproken;—nou weet ik, dat ’t met me gedaan is. Onder in m’n kist.…. ik bedoel natuurlijk m’n scheepskist.….” Boutjens stokte even „Als ik van m’n kist praat, zie ik ’n doodkist voor me, maar daar grijp je op zee natuurlijk naast! Onder in m’n scheepskist ligt een plank. Die kun je optillen; daar heeft niemand verdacht op, zie je? Nou, onder die plank liggen dertien zilveren guldens. Die geef ik jou; niemand anders mag er met z’n vingers aankomen. Pas vooral op, dat Schieltjens Blauw het niet in de gaten krijgt, want da’s een schurk.”[159]

Boutjens kreunde en zweeg eenigen tijd, hijgend van vermoeidheid. Langzaam-aan werd zijn adem weer rustiger; hij sloot de oogen en murmelde: „Wie z’n zonden berouwt.…. is geen schurk.”

Toen men hem den volgenden morgen overboord liet glijden, zag men onder water den witten buik van een grooten haai glinsteren; met een ruk werd Boutjens’ lichaam in de diepte gesleurd. Een kreet van afschuw steeg op uit de groep mannen, die juist hun psalm beëindigd hadden.

Toen den volgenden dag Zwarte Gijs, de brave smid, op dezelfde droevige wijze van zijn talrijke kameraden afscheid nam, schoten drie haaien toe. Hun instinct leidde hen op den goeden weg.….

Zwarte Gijs liet in Enkhuizen twee dochtertjes na. In overleg met den schipper besloot Hajo het geld, dat hij van Boutjens had geërfd, voor de arme meisjes ter zijde te leggen.

Ook de volgende dag vroeg zijn offer. Ditmaal deed men alles in stilte, om de zieken in het vooronder niet onnoodig te herinneren aan.…. wat hun misschien allen te wachten stond.

Na twee dagen kreeg men het Oost-einde van Réunion in het zicht, liet het schip dicht langs den wal loopen en peilde. Eerst op veertig vadem diepte raakte het lood grond: de kust was dus zeer steil. Niettemin besloot Bontekoe het anker te laten vallen.

Met bonzend hart vernamen de zieken in het vooronder het klapperen van de ankerspillen en daarna den zwaren plons in het water. Eindelijk!! Ze kwamen uit hun kooien het dek op kruipen en smeekten den schipper, aan land te worden gezet.

Bontekoe keek weifelend naar z’n arme kerels. Op deze steile kust kon deNieuw-Hoornlicht afdrijven, en dan zou men van de helft van het volk gescheiden zijn. „Moed, mannen!” zei hij daarom. „We zullen de boot eens aan land sturen, om te zien, of er wat te halen valt!”

Terwijl de gezonde maats met het uitzetten van de jol bezig waren, besprak Bontekoe in de kajuit met den koopman het verzoek van de zieken. Rol verzette zich met hand en tand tegen het aan land brengen van de zieken op een plaats, waar geen ankergrond was. En ofschoon Bontekoe gebaarde, het niet[160]met hem eens te zijn, moest hij zichzelf bekennen, dat Rol gelijk had.

Een kwartier later voer Bontekoe met twintig maats aan wal. Ze trokken de boot een eindje het strand op, om te voorkomen, dat de opkomende vloed haar zou wegsleuren, en begonnen hun onderzoekingstocht. Zelfs de hooggespannen verwachtingen van Floorke, die reeds van verre allerlei heerlijkheden meende te ontdekken, werden nog overtroffen. Vijftig ellen het strand op stonden verspreide boomgroepen, in welker schaduw zij honderden en nog eens honderden groote schildpadden vonden. Het bosch achter de boomgroepen weergalmde van vogelgekrijsch. Opgewonden baanden de mannen zich een weg door ellenhooge varens, kwamen toen op een zonnige open plek met hoog gras, dat aan een zijde geheel was platgetreden. In de verte klonk gestamp van hoeven; het scheen een kudde runderen te zijn, die zich uit de voeten maakte. De maats liepen in de schaduw van hooge boomen de open plek rond, gluurden overal tusschen de stammen door, het loof in, waar schreeuwende parkieten lustig om twijgjes duikelden. Hoenders vlogen met veel gedruisch voor de voeten der oomes op en scharrelden tusschen wilde ananas-planten met lak-roode hart-bladeren kakelend in het struikgewas weg. Groote, blauw-grijze houtduiven gluurden door de takken omlaag en drukten in een zacht: roekoe.….! verwondering uit over de onbekende twee-voeters daar beneden. Het kostte den maats weinig moeite de argelooze dieren met stokken vleugellam te slaan. Met ananassen, schildpadden en duiven voor de kombuis keerde de jol naar het schip terug.

De zieken lagen op het dek te wachten. Toen ze zagen, wat hun makkers van het land meebrachten, smeekten ze Bontekoe opnieuw met gevouwen handen, hen toch aan wal te willen zetten. Bontekoe beraadslaagde met den koopman, of hij het wagen mocht.

Rol schudde het hoofd. „Als vertegenwoordiger van de heeren bewindhebbers moet ik me ten stelligste verzetten tegen een waaghalzerij, waarbij het slagen van de heele reis op het spel wordt gezet!” verzekerde hij.

Bontekoe luisterde met nauw verholen drift. „Als vader van[161]mijn maats kan ik er niet toe komen, de arme kerels voor de haaien te gooien!” zei hij toen. „En als de heeren bewindhebbers zich dat niet kunnen voorstellen, moeten ze zelf maar eens als schipper een reisje naar de Oost maken!”

Rolf boog het hoofd. „Ik wensch vast te stellen, datikme verzet heb.”

„Wil je ’t op schrift hebben?” vroeg Bontekoe schamper. En hij ging naar de zieke oomes. „Jongens, help mekaar maar in de jol; ik zal je aan land laten zetten.”

„Leve de schipper! Hoy! Hoera!! Leve de ouwe!!”

Of de kerels gauw in de boot waren! Bontekoe liet hun een zeil meegeven, om daarvan een tent op te slaan, verder twee gezonde koksmaats, olie, azijn, potten om in te koken, wapens en gerei. De schipper stapte zelf met een dozijn roeiers in de jol om hen weg te brengen. Hij wilde de vreugde der arme kerels mee beleven.

Ze wisten van blijdschap geen raad. De tranen stonden hun in de oogen, toen ze in het zachte gras bijeenkropen. „We voelen ons al weer half gezond, schippertje!”

De andere maats begonnen een nieuwen onderzoekingstocht, nu in een andere richting. Men ving een kleine tweehonderd houtduiven, reeg de vette dieren aan lange stokken en braadde ze voor zieken en gezonden. Een feestelijke aanblik: al die knappende vuurtjes in de schemering. Voorloopig, zoolang men niet wist, wat dit eiland herbergde, werd voor alle zekerheid een wacht uitgezet.

Aan boord zat men ook niet stil. Enkele schildpadden, door de maats meegenomen van hun eerste landing, werden gekookt met gedroogde pruimen, die nog in het ruim lagen. Dat smaakte! De oomes aten, tot ze zat waren, smookten een pijpke, keken naar de sterren en vonden de wereld nog zoo onherbergzaam niet.

Drie uren na zonsondergang keerde de schipper met zijn gezonde mannen terug. Bontekoe beval de boot niet in te halen: hij wilde er dien zelfden nacht een eind de kust mee afvaren, om voor het schip een ankerplaats te zoeken.

Rolf klampte zijn oom aan. „Mogen we mee, oom? Hajo en ik?”[162]

„Deden jullie niet beter, naar kooi te gaan?”

„Wij slapen toch niet, oom, zoolang deNieuw-Hoornnog geen kooi heeft!”

„Nou, vooruit dan maar!” zei Bontekoe glimlachend.

„Mag ik u bedanken, oom?”

Bontekoe liet een welwillenden blik over zijn neef gaan. „Wat heb je gedurende de reis zooal uitgevoerd? Geluierd?”

„Jawel, oom!”

„Dacht ik al. De barbier zal wel opgesneden hebben. Hoeveel woorden Maleisch ken je?”

„Tjoemah sedikit sadjah, toewan. Tetapi saban hari saja adjar.”

„Mm.—Wijs me op deze sterrenkaart de Tweelingen eens aan?”

„Dat is Castor, oom, en dat is Pollux.”

„Wijs ze me nou eens aan den hemel?”

„Kan ik niet, oom.”

„En waarom niet, domoor?”

„Omdat we hier alleen de Zuidelijke sterrenhemel zien, oom.”

„Goed. Maar waarom noemen ze ze de Tweelingen?”

„Weet ik niet, oom. U wel?”

„Neen, aap van een jongen, ik ook niet.”

Rolf trok een zedig gelaat. „Kan ik gaan, oom?”

„Ja, kras maar op!”

Hajo sprong drie el in de lucht, toen Rolf hem vertelde, dat hij mee mocht. „En de schipper gaat ook mee, zeg je?!”

„Ja zeker.”

„O, Rolf! Rolf!!” Hajo maakte een rondedans, waarop een Zoeloe jaloersch zou zijn.

Hajo maakte een rondedans, waarop een Zoeloe jaloersch zou zijn.

[163]


Back to IndexNext