[Inhoud]DE THUISKOMSTDE THUISKOMSTDen achtsten Maart van het jaar 1620 lichtte deNieuw-Zeelandde ankers, en den acht-en-twintigsten December van hetzelfde jaar liet zij ze na een gunstige reis weer vallen op de zandige reede van Vlissingen.Met tranen in de oogen hadden onze vrienden Rolf vaarwel gewuifd, toen een ferme Zuid-Oostenwind de zeilen bollen deed en deNieuw-Zeelandstatig voortdreef van Java’s groene kust, en met tranen in de oogen hadden ze den acht-en-twintigsten December in den vroegen morgen, rillend van kou, in den grijzen nevel de duinen van Walcheren zien schemeren. Daar stonden ze bij elkaar, den kraag van hun duffelsche hoog opgezet, de handen en de polsen in den broekzak, Hajo en Harmen en Hilke en Gerretje en Padde en honderd andere maats en zwetsten allen dooreen en woven en schreeuwden, of bliezen zich in de handen.Zie, daar lag Vlissingen met zijn roode daakjes en zijn stompen toren, waar de vlag uithing, omdat er een Oostinjevaarder, deNieuw-Zeeland, uit het verre menschenetersland was binnengeloopen, de ruimen vol peper, kruidnagelen, koffie, tabak! Nu liep alles van de werkplaats weg, de smid nog zwart van het roet, de bakker witbestoven, de timmerman met zijn schaaf in de hand, en door de kleine vensters der havenkantoren gluurden de klerken, kauwend op hun ganzeveeren. De reeder, deftig in het zwart, met witten[548]kraag en handschoenen, vergezeld door de heeren van het kantoor, nam waardig in zijn sloep plaats om zich aan boord te laten roeien.En de kwajongens? Nee, maar, de kwajongens! Alom klapperden hun klompjes over de keien; ze kropen onder karren en paarden door, de rakkers; ze baanden zich met de ellebogen een weg door de menschen en voeren in volgepropte bootjes hals-over-kop naar den Oostinjevaarder.Grinnikend hingen de maats over de balie, zagen toe, welke van de benden kleine zeeroovers met de lauweren zou gaan strijken: het eerst bij den Oostinjevaarder te zijn aangekomen, het eerst hoera! geschreeuwd te hebben, met de mutsen gezwaaid en gevraagd te hebben: „Goeie reis gehad? Gooi eens watIndischnaar beneden?” Daarvoor doken ze desnoods in het ijskoude water, de bengels, die nu, trekkend aan de riemen als dollemannen, naderbij kwamen. En daarginds, aan de kade! Zie eens, wat een volk er toeliep! En wat een vlaggen er nu fonkelden in de klare zon!Ja, jongens, ze waren weer in hun bovenste beste kikkerlandje! En al die vlaggen, al dat volk, al die opwinding was voor hen!Of ze weer terug wilden naar de Oost? Voorloopig had niemand er trek in! Nu, ja, ze kenden zichzelf wel: als ze weer een maand lang gehokt hadden, met een pijp en een kop koffie bij den haard, en zoo lang over hun reizen hadden opgesneden, dat ze zelf niet meer wisten, wat waar gebeurd en wat gelogen was, en ze in hun verhalen vastraakten, zoodat niemand hen meer geloofde; wanneer de volle zak gage, die ze meekregen, een leege zak geworden was, dan werden ze sagrijnig, dan luisterden ze naar het gezellig jammeren van den wind in de schouw, dan kregen ze verlangst naar het vooronder en hun kameraden, dan gingen ze zoo er eens naar de zee kijken, hoewel ze een maand geleden hadden gezworen, haar nooit weer terug te willen zien, omdat ze ’t zoute water nou wel zat waren, en.…. verdikkoppe! een week later hadden ze weer aangemonsterd voor Jan Oost.Maar nu de ankerpalen ratelden, zat de vreugde hun nog[549]tot boven in de keel. Straks zouden ze afmonsteren en, den zak vol blinkende daalders, op den wal staan met hun aapjes en papegaaien, die, sinds het koud was, in omwonden kooien in de kombuis hingen. Daar hongen ze lekker warm!Ook Joppie hokte in de kombuis, stelde niet het allergeringste belang in Walcheren, Vlissingen, of in iets anders, dat koud was.Op het water krioelde het al van roeibootjes vol kwajongens, die hun nek pijnigden met het naar boven kijken. „Hé, Lange!” schreeuwden ze omhoog, „spreek jij eens Maleisch? Ofkenje het niet eens?”„Papperalapoetje!” schreeuwde de „Lange” omlaag.De jongens rolden de boot haast uit van het lachen. „Nou, en wat beteekent dat nou?”„Dat zeggen ze altijd, als ze je villen!” lichtte de „Lange” toe.Nieuw gegrinnik. „Nou, als ze jou zouden villen, hadden ze een heele lap, zeg!” roept er een. „Papperalapoetje—Pas maar op je hoedje!” Alles daar beneden giert van het lachen over dezen geestigen zet.Twee uur later begon de afmonstering. Harmen kwam in de kombuis, pakte Joppie in zijn nekvel en schaarde zich in de rij wachtenden voor de kajuit.„Wat moet dat?” jammerde Joppie, bibberend over al zijn leden.„We gaan afmonsteren, Joppie”, zei Harmen.En zoo kwamen de jongens aan de beurt en schoven met z’n drieën de kajuit in; Joppie ook,—verdekt achter Harmens rug.Of de Bruinvisch tevreden was over zijn scheepsjongens? Eerst wendde hij zich tot Harmen. „Jij gaat de volgende reis weer mee!”„Ik ga niet meer varen”, zei Harmen.„Dan ken ik je beter, dan je jezelf kent”, meende de Bruinvisch.„Nou”, zei Harmen, „ik zal een bruinvisch wezen, als ik me ooit weer op zoo’n smerige Oostinjevaarder laat aanmonsteren.”Er was even stilte in de kajuit. De Bruinvisch keek met vervaarlijke[550]oogen naar Harmen’s gelaat, waarop niets dan bittere ernst te lezen stond. „Hier! Neem je gage!” bulderde de Bruinvisch.„Dankje, schipper”, zei Harmen onderdanig. Om het geld te kunnen opstrijken, moest hij Joppie loslaten. Dit wakkere dier zwikte op zijn vier pooten door, ontwaarde den opgezetten tijger en zette alle haren steil overeind.De Bruinvisch liet z’n oogen rollen. „Wat moet diehondhier in de kajuit?!”„Afmonsteren en z’n gage halen”, verklaarde Harmen. En toen kon hij zich opeens niet meer goed houden, begon te grinniken, streek haastig het geld op en liet het in zijn broekzak glijden. „Nou, dag, schipper! ’t Ga je goed!” En Harmen verliet met bekwamen spoed de kajuit. Joppie achter hem aan, den staart tusschen de pooten.De Bruinvisch hapte naar adem. „Nu jij!” wendde hij zich barsch tot Hajo. „Ik zal je brief afgeven in Amsterdam en er nog een woordje bij doen. Waar moet je heen? Naar Hoorn? Nou, dan ben je niet zoo ver af. Hier is m’n adres, zie je, dat heb ik voor je opgeschreven! En Maandag over een week kom je bij me, dan neem ik je mee naar de heeren van de Compagnie. Begrepen?”Of Hajo het begrepen had!„Hoe ga je nu naar Hoorn? Loopen?”„Ja, schipper. Maar Harmen zei.…”„Harmen?! Vraag ik je, wat Harmen zei? Je kunt tot Dordrecht met de jol gaan,—die is voor het volk, dat die kant uit moet. En verder loop je maar, dat is gezond. En laat je onderweg je geld niet afstelen: een landrot is nooit te vertrouwen! Hier is ’t. Met wat je in bewaring hebt gegeven, drie-en-zeventig gulden.—En nou jij!” Dat was tegen Padde. „Waarom schipper Bontekoe jou nog apart heeft aangemonsterd, zal me eeuwig een raadsel blijven. Weet je, wat jij bent? Een nietsnut! Een landrot!”„Nou, ik wou ook nooit varen!” zei Padde, woest. „Ik wou bij m’n oom in de brouwerij!”De Bruinvisch keek hem verbaasd aan. „En waarom ben je dan naar Oostinje gegaan?”[551]„Ik heb.…. ik heb me verslapen!”„Hè??—Nou, dat je een slaapkop bent, heb ik gemerkt. Hier is je geld. Vier-en-zestig guldens. Negen-en-dertig plus zeven-en-twintig.….”„Is zes-en-zestig en niet vier-en-zestig”, merkte Padde op. „Twee gulden te min!”„Wat?!” De Bruinvisch sloeg aan het rekenen en bevond, dat Padde gelijk had. „Hier dan!” pruttelde hij, z’n lade openend en nog twee gulden op tafel werpend. „’k Dacht net, dat m’n boeken nu eindelijk klopten.….”Even later stonden de jongens buiten. „Daar wou hij me eventjes twee guldens afvangen!” zei Padde verontwaardigd. „’k Zou er anders niks van zeggen, maar die schippers verdienen genoeg! Nietwaar, Harmen?”„Nou!” viel Harmen hem bij. „De Bruinvisch krijgt meer gage dan wij met z’n drieën, en hij heeft er niet half zooveel voor gedaan!”’s Middags voer de jol weg. Dat gaf me een afscheid tusschen de oomes! Er vloeiden tranen.…. emmers vol! Allen wisten, dat ze elkaar binnen enkele weken weer terug zouden zien. Maar ze namen afscheid voor eeuwig en wuifden, zoolang ze maar een muts konden zwaaien.De wind zat pal in het Noorden, zoodat de jol tusschen Walcheren en Zuid-Beveland geducht laveeren moest. En het was zoo ijzig koud op het water, dat allen in de holte van de boot dicht bijeen gingen zitten, ’n zeiltje over de boorden gespannen. Tegen donker meerden ze de jol aan den Zuiderdijk van Noord-Beveland, waar een boerendak opdook. Ze klauterden met stijve beenen, slapende voeten en verkleumde vingers en teenen tegen den dijk op en kropen allen bijeen op den warmen hooizolder, die hun door den boer bereidwillig werd afgestaan.„Waar komen jullie weg?” vroeg de boer, hun met een kaars voorgaand,—het laddertje op naar den zolder.„Van Batavia”, zei Padde.„Waar legt dat?”„Vlakbij, als je d’r eenmaal bent”, lichtte Harmen hem in.[552]„Kom, Joppie!” En Joppie werd voor de zooveelste maal in z’n nekvel gepakt.„Moet die hond mee op zolder??” vroeg de boer.„Waarachtig!” zei Harmen. „Die heeft al meer gezien dan vijftig boerenkaaskoppen.”„Nou, ’t is een leelijk mormel”, gromde de boer.„Zeg hem dat eens in ’t Maleisch”, zei Harmen. „Dan vliegt ie je naar de kuiten.”„Waar komen jullie weg?”„Waar komen jullie weg?”Toen waren allen boven; de boer klapte het luik dicht en trok de ladder weg, zoodat de mannen opgesloten zaten.„Hij vertrouwt ons voor geen pruim tabak!” meende een oome.„Zou hier geen kippetje te graaien zijn voor Ouwejaarsavond?” vroeg Gerretje, tastend langs de hanebalken. Daar fladderde een haan luid kakelend weg. „Wat een mormel!” schold Gerretje. „Hij heeft me gepikt!”Hè, het was lekker warm hier op zolder! Zelfs Joppie ontdooide. De mannen rolden zich in het hooi, genoten nog eens volop van het bewustzijn, weer in hun eigen lief landje te zijn. Thuis moesten ze weten, dat de jongens al weer binnen waren! Hoe zou het thuis zijn? Toch alles goed? Een kleine ongerustheid, die in hun ziel sloop, werd er weer uitgebezemd. En even later snurkten allen zoo, dat de boer en zijn vrouw verbaasd hun neuzen boven de dekens uitstaken en zich afvroegen, waarom de varkens vannacht zoo rumoerig zouden zijn. Biggen op komst.…?Al vroeg werden de janmaats weer wakker door het gekakel van een kip, die wijd en zijd verkondde, dat ze, hoewel het winter was, voor den boer toch nog een eitje had gelegd. Gerretje brak het open en dronk het leeg. „Nog warm!” Anderen morrelden aan het luik, maar het zat van onderen vast. Eindelijk kwam de boer en opende het.[553]„Ook goeie morgen!” wenschten de maats het slaapdronken hoofd met de bonte nachtmuts toe.„Wat zijn jullie vroeg!” mopperde de boer. „’t Is nog zoo koud!”„Heeft het gevroren?”„Nou! De pomp zal wel vastgevroren zijn!”„Heb je dan soms een bakkie heete koffie voor ons?”De boer gromde wat. „Kom nou maar eerst beneden!”„Die groote, witte kip heeft een ei gelegd”, zei Gerretje onder het afdalen.„Ja. Dat is een beste!” knorde de boer, tevreden. „’k Zal het straks wel halen.—Wat hebben jullie in die kooien?”„Jonge leeuwen”, lichtte Gerretje in.„Nou, jullie maakt er wat van!” grinnikte de boer.„Heb je niks te bikken, Hannes?” vroeg Harmen hem.„’k Heb nog wel een homp brood voor je”, zei de boer. „Die wou ik aan de varkens geven, omdat ie zoo hard is.”Een dik, norsch wijf.....Een dik, norsch wijf.….Even later zaten allen te kauwen op het keiharde brood.—De vrouw van den boer kwam ook, een norsch, dik wijf in nachtmuts en onderrok, en ging zonder groeten koffie zetten, blazend in het vuur, alsof ze den heelen oven wilde wegblazen en haar man en zijn gasten er bij. Op de hoffelijkheden der galante oomes zei ze geen boe of ba. De boer was in den stal gegaan.De koffie bleek slap te zijn en niet van de beste soort, maar warm was ze,—dat scheelde al veel. Er waren maar twee koppen, zoodat de janmaats ze maar lieten rondgaan.De boer kwam uit den stal terug en begon een lang verhaal over een koe op te disschen, die hij van ’t voorjaar gekocht en van het najaar weer verkocht had en waarop hij zoo’n schade had geleden. En dan had het van het voorjaar zoo weinig geregend, en hij had den heeren van het Waterschap[554]eens even de waarheid gezegd, en hij had ook een neef bij de Secretarie, en z’n wijf was zoo best, nooit ziek of zoo, en zijn zeug had dertien biggen gekregen, waarvan hij er een verdronken had, omdat dertien een ongeluksgetal was.….De oomes lieten hem zwammen, tot ze allen hun bakje koffie hadden leeggelurkt. Toen stonden ze op. „Nou, Hannes”, zei Harmen en stak den boer de hand toe. „Bedankt voor je rot-koffie, hoor!”De boer grinnikte. „Goeie reis!”„Vergeet je dat eitje niet van de zolder te halen?” riep Gerretje.„’k Zal er temet om gaan”, antwoordde de boer.En de janmaats staken weer van wal. Alles was in grijze morgennevelen gehuld. De wind zat nog even beroerd in het Noorden en blies vinnig de nevelen over het water, zoodat de maats roode oorlelletjes en neuspunten kregen. Ze staken de breede Oosterschelde over. In het midden was het zoo duivelsch koud, dat je adem bevroren op je lippen sloeg. Joppie lag rillend in Harmen’s armen; de kooien met aapjes waren in het bergplaatsje voor de proviand neergezet.—Nu zeilden de maats tusschen Duiveland en Tholen het Mastgat in, de Zijpe door, toen om Overflakkee het Volkerak door in het Hollandsch Diep.Bij de Dordtsche Kil wachtte hun een teleurstelling: het water was bevroren. Tegen loopen zagen ze niet op, maar hoe moesten ze met hun kisten aan? Ze meerden de jol voor een herberg en bespraken de zaak bij een kroes warmen, Spaanschen wijn.„Ik wil jullie m’n slee wel verkoopen”, zei de waard, een leelijke, schele kerel.„Is het ijs dan sterk genoeg?”„Daarstraks is er nog een op schaatsen uit Rotterdam gekomen”, zei de waard.„Laat kijken je slee!” In optocht volgde het heele stelletje den waard, die hun in een schuurtje een groote, groene bak-slee aanwees.„Wat moet die ouwe waschbak nog opbrengen?” vroeg Harmen.[555]„’n Daalder.”„Je bedoelt zeker, als we jou en je heele kroeg er bij koopen?”De waard haalde de schouders op. „Niemand dwingt je, die slee te koopen. Ik wil hem voor minder niet kwijt. Jullie kunt er je heele rommel in laden!”„Vooruit!” zei Hilke. „Hij is gekocht!”Harmen pruttelde nog wat. „Afijn!” zei hij. „Weet je je wat, jongens? Ik ga naar Dordt en zie in een oud roest-zaakje schaatsen op te scharrelen. Dan trekken we de slee!—Hé, afzetter, leen me je schaatsen even naar Dordt: ’k ben zóó weerom.”..... dat hij het schaatsenrijden nog niet verleerd had......…. dat hij het schaatsenrijden nog niet verleerd had.….Grommend ging de waard de schuur weer in en gaf Harmen een paar verroeste schaatsen. Harmen schoot ze, zuchtend van lol, aan, holde er mee weg en sprong op het ijs. Daar maakte hij, om te toonen, dat hij het schaatsen nog niet verleerd had, een kuitenflikker en begon toen met ver naar voren gebogen rug, de handen in de zakken, tegen den wind op te werken in de richting Dordrecht.De anderen gingen de herberg weer in, dronken nog een kroes wijn tegen de kou. Ze werden doezelig en kregen slaap. De schemering viel alweer in.„We moeten hier maffen”, meende Gerretje. „Of heeft er iemand lust, vannacht in een wak te rijden?” Hij keek rond, maar toen er geen liefhebbers voor het wak bleken te zijn, sloeg hij met den waard aan het onderhandelen over den logiesprijs. Voor acht stuiver den man met avondeten er bij en nog een „flapkanne” Spaanschen wijn werd de zaak ten slotte beklonken.Tegen donker kwam Harmen weer aanscheren, een bos schaatsen over den rug. „Daar word je lekker warm van!” riep hij, terwijl hij den dijk opkrabbelde. En met zijn schaatsen nog aan de voeten sjouwde hij de gelagkamer binnen. „’t Moet vannacht nog maar wat vriezen, jongens, want ’t ijs kraakt als de weerlicht, en ’k heb er twee zien doorzakken!”[556]Terwijl de maats de schaatsen verdeelden en de roestige ijzers wat aanzetten op den met zand bestrooiden vloer, kwam de waard met een dampende pan watergruwelen aanzetten.Dat smaakte! De maats slobberden, als hadden ze een week gevast.„Je hebt ’t hem vlug gelapt, Harmen!” prees Gerretje. „Wat heb je nou nog voor dat oud roest betaald?”„Oud roest?” vroeg Harmen beleedigd. „Als je een beetje rijden kunt, heb je er het roest in twee slagen af. ’k Heb er drie stuivers per stuk voor betaald.”„Toe maar, het kan niet op!” meende een zuinige oome.„Nou, je hoeft ze me niet weer af te koopen”, zei Harmen. „Loop jij dan maar, als je dat liever doet.”„Kom!” susten de anderen. „Als jullie deining wilt maken, maak dan deining tegen een landrot, dan doen we allemaal mee!”’s Avonds, bij de schouw nog wat gezelsend, speldden ze den boeren uit den omtrek de meest gewaagde avonturen op de mouw. Toen de boeren laat in den avond met een stuk in hun kraag huiswaarts keerden, duizelde het hun zoo van tijgers, krokodillen, reuze-slangen en menscheneters, dat er twee arm aan arm een sloot intuimelden.Gelukkig lag er keihard ijs op.Bij hanegekraai zaten de maats al in het beijzelde riet hun schaatsen aan te binden. En met een homp brood in den tintelenden knuist reden ze er op los,—een touw om het middel, waarmee ze de slee voorttrokken, die als een veertje over het ijs vloog. Padde zat er met Joppie bibberend in: voor hen had Harmen geen schaatsen meegebracht.Of het vannacht gevroren had! Het ijs was pikzwart met witte munten er in. Als een wervelwind joeg het groepje janmaats voort, en bij de eerste bocht zwaaide de slee al zoowat tegen de knoestige wilgen aan den oever. Joppie’s haren rezen te berge, en Padde, wiens groen-blauw gelaat van schrik paars werd, schreeuwde: „Heila! Kalm aan wat!”Maar de janmaats hoorden niets. Wat werden ze al lekker warm! Hoe langer hoe doller ging het.In een klein half uur hadden ze Dordrecht bereden. Ze kochten[557]een paar versche brooden, warm uit den oven, en togen kauwend verder,—nu in de richting Rotterdam. Bij den IJssel zwaaiden ze rechts om, en nog voor den middag waren ze bij Gouda.Het was een prachtige, zonnige vriesdag, en op de Gouwe krioelde het van de schaatsers.—„Hoe-oe!” schreeuwden de oomes al van verre, om zich vrij baan te maken. Hand in hand zwierden ze over de ijsvlakte, en de slee vloog al even lustig heen en weer.Ze hadden niet te klagen, dat de landrotten hun geen plaats lieten: ieder, die het stelletje ongezouten kerels met hun slee aan den gezichtseinder zag opduiken, ging bedachtzaam ter zijde en zag vroolijk naar de dolle bende en naar den dikken, angstigen, verkleumden jongen in de slee en den mageren, steilharigen hond, die het nu en dan uitjammerde van verlangst naar zijn zonnig Sumatra.Ze volgden de Gouwe, de Aar, de Drecht en kwamen aan den Amstel. Daar wuifden meisjes hun toe, en de oomes wuifden terug en schreeuwden „Hoera!” omdat de levenslust er nu eenmaal uit moest. Verduiveld, nog vóór de schemering zwierden ze met hun slee Amsterdam in!Gerretje had er nog een ouwe moei; die woonde aan den IJkant, en ze zou Gerretje en zijn makkers gráág herbergen en onthalen.Na drie uur heen en weer sjouwen was de moei gevonden. Gerretje klopte aan de lage deur. „We zullen het er van nemen, jongens”, zei hij. „Ze is wat van de knibbelige kant, maar voor mij heeft ze een zwak!”Maar de moei keek allesbehalve vriendelijk, toen ze het oude wijfjes-kopje met het witkanten knipmutsje uit het bovenraam stak en haar dierbaar familielid en zijn twintig makkers ontwaarde. „Wat moet dat daar?” vroeg ze krijschend.„Goeien avond, moei!” wenschte Gerretje haar toe. „Kun je ons voor vannacht bergen? Ik ben Gerretje, je neef. En dit zijn m’n vrinden.”De moei dacht even na. „Waar kom je vandaan?” vroeg ze toen.„Uit de Oost”, schreeuwde Harmen naar boven. „We komen regelrecht uit de Oost, moei!”[558]„Op schaatsen toch niet?!”„Ja zeker! Op schaatsen!” riep Gerretje. „Daar kunnen we je wat van vertellen, moei!”„Nou”, zei de moei na een aarzeling, „jij mag binnenkomen, omdat je m’n neef bent.”„En de anderen niet?” vroeg Gerretje weemoedig. „Denk er eens aan, moei, wat een tocht we achter de rug hebben! Geef ons ten minste een neutje; we zijn half bevroren.”„Ik heb niets in huis”, verklaarde de moei. „Maar verderop is ’tVette Varken,—daarkunnenjullie meteen slapen ook.”Maar de moei keek allesbehalve vriendelijk.....Maar de moei keek allesbehalve vriendelijk.….„Moei, wat ben je weer knibbelig”, klaagde Gerretje. „Laat mij nou er eens zoeken: ik zal nog wel ergens een kruikje vinden! Kom, je bent er zelf toch ook niet vies van?”„Ik zeg je, dat ik niets in huis heb!” zei de moei snibbig.„’t Is wèlles, ouwe tooverheks!” riep Gerretje driftig.Het raam sloeg dicht. Gerretje wilde de deur gaan bewerken, maar de maats susten hem. „Kom, Gerretje, maak je niet giftig; laat ze met haar neutje naar de weerlicht loopen!”„Heb je dáár nou een moei voor?” jammerde Gerretje droefgeestig.„Vooruit!” zei Harmen. „We gaan naar ’tVette Varken. Harremen betaalt!”Zoo toog men in optocht langs het kanaal naar de herberg, waar het onderdak vrij duur bleek te zijn. Een paar maats wilden ’s nachts doorrijden, maar de meesten hadden er geen trek[559]in, zetten hun gramschap tegen Gerrit’s knibbelige moei onder een borrel en wilden den stamgasten hier ook eens wat op de mouw spelden. Maar ze werden door de slimme Amsterdammers niet zoo grif geloofd: een was er bij, een landrot, die misschien nog nooit in een roeibootje had gezeten en toch ophakte, alsof hij z’n leven lang op Oostinje had gevaren: hij wist alles op een prik, de leelijke kikker, en liet hen nauwelijks aan ’t woord.Verdrietig, met gramschap in het hart, zochten de gebruinde maats, die me daar even door zoo’n witgesteven pennelikker uit het veld waren geslagen, hun logies op.„Er zit dooi in de lucht”, zei Hilke. „De wind is Zuid geworden.”Toen ze den volgenden morgen hun bol uit het dak venster staken, lagen er groote plassen op het ijs.„Natte voeten!” meende Gerretje. „Afijn, over een paar uur zijn we thuis!”Thuis.…! dat woord ging er in! Ze zouden er vandaag eens een gangetje inzetten!Padde keek bedenkelijk, toen hij dit plan vernam. „Als jullie nog woester rijdt dan gisteren, loopt de boel verkeerd!” meende hij.„O! Dat zit de heele weg lekker in de slee en heeft nog praats ook!” schimpten de oomes.Na de „vroegkost” met gloeiende koffie naar binnen geslurpt te hebben, rekende Harmen met den waard af. Deze bleek hen flink geplukt te hebben,—dat was zoo de gewoonte: janmaats keken toch niet op een stuiver!„Gevaarlijk spul met die nattigheid!” meende de waard, het geld opstrijkend.„Ja,jijzorgt wel, dat je droog blijft, duitendief!” viel Harmen grimmig uit.En toen ging het er in dolle vaart weer op los. Zoo fel zwierden de maats door het water, dat ze heelemaal nat werden. Er viel haast geen schaatser te ontdekken.Toen gebeurde het. Bij het omzwenken, de Zaan op, namen ze de bocht te kort; de slede botste tegen den kant, zeilde weer[560]over het ijs uit, zoodat de meest rechtsche schaatsers werden omgerukt,—sloeg toen tegen den anderen wal, juist tegen het steigertje van een molen, en lag in gruzelementen. Joppie was op den wal gesprongen; Padde liep een geweldigen buil op; de kisten lagen over het ijs verspreid.„Wat een rot-slee!” schimpte Gerretje, die ook op zijn achterwerk geslagen was en nu kwam aanstrompelen, de handen tegen zijn broek. „Heb je je pijn gedaan, Padde?”„Nou en of!” klaagde de arme jongen, nog wit van schrik.De molenaar was naar buiten gekomen.....De molenaar was naar buiten gekomen.….De molenaar was naar buiten gekomen, een wollen doek om den hals, en stond met de handen in de zakken naar het geval te kijken. „Sjonge-jonge”, filosofeerde hij, „jullie hebt zeker wat woest gereden! Moeten jullie naar Hoorn? Daar kun je op schaatsen niet komen.”„En waarom niet?” vroeg Gerretje uitdagend. „We sleepen ieder onze eigen kist, jongens!”„Dan kun je meteen je doodkist wel meesleepen”, zei de molenaar. „Verderop is het ijs vol wakken, en door het water zie je ze niet. Maar weet je wat? Nemen jullie mijn wagen!”„En dan zeker betalen, dat we scheel zien!” meende Harmen.„Hoe kom je daarbij?” vroeg de molenaar. „Jullie rijden voor niks!” En zich omwendend: „Jan! Span de wagen eens in!”„Ja, vader”, klonk het uit den molen.„Man!” stamelde Harmen in verrukking, „jij moest in een gouden lijstje!”De molenaar grinnikte. „Pak je kisten maar op en ga mee naar binnen. M’n vrouw heeft krentemik voor oud en nieuw.”„Drommels, ’t is de een-en-dertigste vandaag!” zei Hilke.„Nou, jullie kunt makkelijk thuis zijn vanavond”, meende de molenaar.[561]„Wij niet meer”, zeiden een paar maats. „Wij moeten nog door naar Enkhuizen.”„Ik kan de kar niet zoover missen”, zei de molenaar. „En morgenochtend moet ik m’n jongen ook weerom hebben; die gaat met jullie mee om de kar terug te brengen. Kan ie ergens onderdak, dat je weet?”„In ’tSillevere Anker”, zei Harmen. „Op mijn kosten.”„Nou, kom dan maar binnen. Waar komen jullie eigenlijk vandaan?”„Uit Oostinje!”„Wat je zegt! En die hond?”„Die komt van Poeloepoeloepatsji”, zei Harmen.„Dan zal hij het nu wel koud hebben”, meende de molenaar. „Kijk hem eens rillen!”En ze gingen den molen in. „Vrouw, ik breng je een stelletje Javanen mee!” riep de molenaar gul. „Kom maar gerust: ze bijten niet, behalve in je krentemik!”De vrouw, een goedlachsche, ou-bollige molenaarsgade, kwam met een dampende krentemik binnen en scheen allerminst bevreesd voor de „Javanen”.—„Lusten jullie boerenjongens op brandewijn?” vroeg ze.„Voor boerenmeisjes zijn we ook niet bang!” blufte Gerretje.„Stil jij!” schimpte Harmen. „Je bent met een menschenetersvrouw getrouwd!”„Is dat waar?” vroeg de molenarin, die juist dekrentemikaansneed.Gerretje was vuurrood geworden. „’k Zou jou je nek wel willen omdraaien!” siste hij Harmen toe.„Dat meen je niet”, zei Harmen.Gerretje zocht naar een woedend antwoord, maar juist op dit oogenblik zette de molenarin hem een dikke snede krentemik voor, en Gerretje vergat zijn woede. „Ja-ha!” grinnikte de molenaar, „zoo doet ze met mij ook: als ik nijdig ben, zet ze me wat lekkers voor de neus!” En hij trommelde tevreden op zijn rond buikje.Jongens, dekrentemiksmaakte! Ze smolt in je mond![562]Daar nog boerenjongens boven op, een stuk koek met suikerfiguren.…. De molenaar wist van uitpakken! Hij en zijn gezellig wijfje lachten maar, en de maats voelden zich wonderwel thuis.„Kom, jongens”, zei Hilke, „als we vóór donker in Hoorn willen zijn.….!”Maar hij moest een paar maal aandringen, voor de anderen opstonden.„Kijk!” zei Gerretje, aangedaan door het gastvrij onthaal, „die papegaai is voor jou! Hij kan Potverblomme! zeggen, maar als je hem pest, bijt ie.”Een stil, goed gevuld joggie....Een stil, goed gevuld joggie.…Toen voelde Harmen zich geroepen om den molenaar als herinnering een aapje te laten. Maar toen hij de kooi opende, lag het aapje stijf en koud op den bodem. Ze werden er allen even stil van.—„Snap ik niet”, zei Harmen. „Gisteren was ie nog zoo fleurig!”„Stom beest!” zei de molenaar meewarig.—Een der andere maats gaf hem toen een aapje, dat nog niet dood was. „We zullen het bij het vuur hangen”, stelde de molenaarsche voor.„Hoe dichter, hoe liever”, zei Harmen. „Dan denkt ie, dat ie in Java is.”En toen klommen onze vrienden na veel handdrukken en nieuwjaarswenschen in de kar. In het Westen trok een rosse sneeuwlucht op. „Heb je je goed ingepakt, Jan?” vroeg de molenaar.„Ja, vader”, antwoordde een blozend, stil, goed gevuld joggie met stroogele haren onder de pet, dat parmantig op den bok zat,—de teugels in de hand.„En heb je een lantaren bij je? Voor straks, als het donker is?”„Ja, vader.”„En zit er olie in?”„Ja, vader.”„En heb je je brood bij je? En je beursje?”[563]„Ja, moeder.” Bij elke bevestiging knikte het joggie—bleef droomerig voor zich uitzien.„Jan denkt toch om alles!” prees de molenaar.En de wagen zette zich in beweging. De maats wuifden om het hardst en schreeuwden hoera! De molenaar en zijn vrouw wuifden terug.Het begon zachtjes te sneeuwen; spoedig was de gastvrije molen als een schim weggebleekt in het grijs. De maats zaten in de aanvankelijk erg schokkende, maar ten slotte in de sneeuw haast geruischloos voortrollende kar dicht bijeen,—Joppie tusschen hun knieën. Nog vanavond zouden ze thuis zijn! Was het te bevatten? Padde en Hajo keken elkaar stil gelukkig aan; Harmen tuurde zwijgend naar den bodem van de kar. Eensklaps drukte hij Hajo een handvol guldens in de hand. „Doejijhet liever”, zei hij en zuchtte.„Wat?”„Dat geld aan Lijsken’s moeder geven. Ze woont aan de Markt.” En toen hij Hajo’s weifeling zag: „Toe, doe me die lol. Ga samen met je moeder.….”„Kijk me dat ventje eens mennen!” prees een maat.Gerretje knikte. „Een beste jongen. En.…. een zoete jongen!”„En die knol loopt ook met volle zeilen!”„Nou!” bevestigde Gerretje. „Laat mij er eens mennen, Janneman?”De jongen antwoordde niet, keek ook niet om, schudde alleen maar ontkennend het hoofd.„Denk je, dat ik niet met knollen kan omgaan?” vroeg Gerretje.„Met deze niet”, zei het jongetje.Gerretje werd nijdig. „Vooruit, ga van de bok af!”„Gerretje!” berispte Hilke. „De jongen stuurt best.”„Dat zeg ik ook niet! Maarikwil nou eens mennen. Vooruit, snotaap! De bok af!”De jongen schudde weer het hoofd, zonder omkijken.„Wel verduiveld!” schold Gerretje.Nu keerde de jongen zich om, hield het paard in. „Als je me verveelt, laat ik het paard staan, en dan kun je honderdmaal[564]vort! roepen; hij loopt toch alleen, alsikhet wil.”„Hou je toch koest, Gerretje”, pruttelden de anderen ook.Gerretje bromde wat, zakte op den bodem van den wagen neer, keek woedend voor zich uit.„Vort!” riep het kereltje op den bok. En het paard liep weer.De maats sloegen aan het zingen en wuifden met de mutsen, wanneer ze door een dorpje reden. De sneeuw begon steeds dichter te vallen; de wielen trokken al dieper voren in den witten weg, en zwart stonden de knotwilgen langs de nu geelbruine sloten.„We krijgen nog veel meer!” meenden de maats. Toen ze zich schor gezongen hadden, tuurden ze over de witte velden, en de wondere schoonheid van vallende sneeuw drong vaag door tot in hun varensgastenziel.Eindelijk.…. zagen ze goed?!.… daar schemerde in het Noord-Oosten.…. een bekende omtrek.…. de groote toren van Hoorn!Dol werden ze! Woest, razend van vreugde, begonnen ze in den wagen te dansen, vielen in elkaars armen. „Hoera! Hiep-hiep-hiep hoera!!Hoera!!!”En wuivend, zwaaiend, gillend en schreeuwend reden ze een kwartiertje later de Westerpoort in. „We komen uit Indië!” riepen ze den verbaasden straatgangers toe en hieven hun kooien met papegaaien en aapjes op. Zoo hadden ze in een ommezien een groot gevolg.„Halt! Daar loopt m’n broer! Krelis! Hou dan toch stil! Krelis! Hou je taai, jongens! Ik moet.…. Krelis! Krelis!” En de oome was met zijn kist en papegaai uit den wagen gesprongen, rende met groote sprongen op z’n broer toe. De anderen zagen, terwijl ze weer voortdansten, holderdebolder over de keien, hoe de broers elkaar in de armen vielen.….Op de groote markt stopte de kar; allen sprongen er uit, drukten elkaar de hand en sjouwden hun hebben en houwen door de sneeuw naar huis.Nu ze alleen waren, maakte de vreugde op hun gelaat voor een bezorgde uitdrukking plaats. Zou thuis alles goed zijn.….?![565]Daar stond Hajo’s huisje! Was het zoo klein?? Hijgend rukte Hajo de lage deur open en stortte zich naar binnen. „Moeder! Moeder!!Moedertje!!!”Daar lag hij in haar armen. In de armen van zijn moedertje. En beiden snikten en lachten en kusten elkaar en drukten elkaar aan het hart. Was zijn moedertje zoo klein en zoo tenger??Wat was ze zacht!Moeder! Moedertje van mij!„Peter! M’n jongen!”Zijn moeder nam zijn hoofd tusschen haar handen, wilde het bezien, maar begon dan weer te schreien en te lachen en overdekte het met kussen zonder een woord anders te kunnen zeggen dan: „Jongen! Mijn jongen! Ben je daar weer? Hoe is het mogelijk? Mijn Peter.….”Uit de achterkamer waren de andere kinderen gekomen, verwonderd, met hun houding niet goed raad wetend. Hajo sprong op en drukte hen aan het hart en wist niet, waar hij het eerst heen moest kijken en wie hij het eerst kussen moest. „Antje! Maartje! Wat groot zijn jullie geworden! O, wat heerlijk! En Doris! Ken je mij niet meer? Ken je Peter niet meer?” Hajo knielde voor Doris, die bedremmeld in een hoekje stond en Hajo met groote oogen aankeek.„W-waar is de olifant?” vroeg Doris stamelend.Hajo kuste hem van alle kanten. „Hij kent me nog!! Hier, hier is je olifant!” Hajo sprong op, keek in verrukking rond, viel zijn moeder weer om den hals, die hem met stralende oogen aankeek, rukte toen zijn kist open, gooide alles onderstboven. „Hier!” riep hij, terwijl de dikke tranen hem over de wangen rolden. „Hier, Antje! Een pop voor jou! Met Chineesche oogen,—is hij niet mooi? En een waaier! Voor jou, Maartje! Ruik er eens aan: hoe lekker! Moedertje, ’k word voor stuurman opgeleid! En later voor schipper! Hier! wie moet die armband hebben? En kijk eens, Doris! Hé? Wat heb ik hier? Wat heb ik hier voor jou?”—Hajo kroop op de knieën naar Doris toe, omvatte hem en hield hem een wit ivoren olifantje voor den neus. „Kijk z’n slurf eens? En z’n tanden?”[566]„En.…. en de menscheneter?” vroeg Doris, met een blijde uitdrukking op zijn rond kindergezichtje den „olifant” bekijkend.„De menscheneter? Hier is de menscheneter! Hau-auw!” En Hajo maakte een menschenetersgezicht en hapte naar Doris, die schaterend van de pret vluchtte en door Antje werd opgetild. Hajo sloot hen beiden in de armen. „Antje! Wat ben je een meid geworden!”„Dacht je, dat ik altijd zoo klein bleef?” vroeg Antje. „Jij bent ook groot geworden, zeg! Niet waar, moeder?”Moeder knikte, zonder nog te kunnen spreken. En toen Hajo zich weer in haar armen wierp, snikte ze het weer uit. „M’n jongen.…. wees niet boos, dat ik nog huil! Ik ben zoo blij, dat je terug bent! Het is alles zoo onverwachts gekomen. En.…. Heb-heb je een goeie reis gehad?”„Terug wel, moedertje! Maar deNieuw-Hoornis vergaan!”„Verg.….?!!”„Ja! Door Padde’s schuld. ’k Heb geld bij me, moedertje! Kijk eens?!!” Hij legde handen vol guldens in zijn moeders schoot. „Is het niet veel? Twee-en-zeventig gulden en zeven stuivers! Hier heb ik nog meer geld, maar dat is voor Lijsken’s moeder. Lijsken is onderweg aan de scheurbuik.….!!”En toen begon Hajo te vertellen. Bij stukken en brokken. Van den brand aan boord, den tocht met de jol, van Dolimah, den panter, Pa-Samirah, het vlot, en dat hij bij den Bruinvisch in Amsterdam moest komen.….Onder zijn opgewonden, verward vertellen viel de klopper. Padde stond aan de deur.„Padde!!!”En ook de brave dikzak werd door Hajo’s moeder omhelsd en gekust, en hij zelf snikte, alsof Hajo’s moedertje ook de zijne was.„Jongen, wat heb jij je moeder een verdriet gedaan!”„’k Heb haar vijf-en-zestig gulden en zeven stuivers meegebracht”, zei Padde. „Ze laat vragen, of jullie vanavond bij ons komen, Maartje ook.—Dag Maartje! Wat zijn jullie allemaal groot geworden! Bij mij thuis ook! ’k Heb er nog een zusje bijgekregen!”[567]„En is thuis alles goed?” vroeg Hajo.„Best. Alleen m’n vader.…. die is een half jaar geleden verdronken.”Er kwam even stilte in het vertrek. Padde haalde diep adem en kuchte. „In de sloot achter de Zuidwal”, zei hij er toen achteraan. En plots, het hoofd gebukt, en op een harden toon, die anders nooit over zijn lippen kwam: „’t Is z’n eigen schuld. Hij was weer dronken. Die.…. die.…. die dronkelap!”„Padde”, zei Hajo’s moeder zacht, „jij mag niet zoo over je vader spreken.”Padde schudde driftig het hoofd. „Wat doet ie m’n moeder te slaan? En het geld te verdrinken? En de meubels te verkoopen?”„Maar.…. maar nu is hij toch dood, Padde.”Padde worstelde met iets.Hajo’s moeder stond met droeven glimlach op, nam Padde in haar armen en kuste hem. „Zeg maar aan je moeder, dat wij komen.”En Padde ging, schreiende.„Nu, m’n jongen”, zei Hajo’s moeder, „nu moeten wij samen nog even uit. Heb je.…. heb je daar het geld van die gestorven vriend van je? We gaan geen blijde boodschap brengen, m’n jongen, maar.…. het moet.” Ze ging naar de kast, sloeg een doek om.En even later stapte Hajo met zijn moedertje aan den arm de deur uit. Dicht aaneengedrukt liepen ze door de besneeuwde straten. „Mijn jongen, wat ben je groot geworden.….” verzuchtte zijn moeder. „Ik moet heelemaal tegen je opzien!”„Maar ik ben ook al zestien, moedertje! Is de tijd niet gevlogen?”Zijn moeder glimlachte. „Niet.…. niet altijd, Peter.” Toen werd ze stil, en haar gedachten schenen afwezig. Hajo droeg het geld voor Lijsken’s moeder in een zakdoek geknoopt.Het was gaan schemeren. De lichte vensters glansden neer op de sneeuw. Uit de rossig-grijze lucht dwarrelde het maar voort.Bij de Waag zagen ze twee bekende gestalten: Harmen en Gerretje, hun kist op den nek. Gerretje droeg bovendien[568]Harmen’s waterpijp nog, en Harmen klemde onder den linkerarm zijn dierbare viool. Joppie dribbelde met opgetrokken pooten tusschen hen in.„Schip ahoy!” riep Hajo.De beide gestalten hielden stil. „Hallo, Hajo!”„Waar gaan jullie heen?” vroeg Hajo. „Zijn jullie al thuis geweest?”„Ja wel”, zei Harmen, met een aarzelen den blik op Hajo’s moeder, „maar ze zijn verhuisd! Naar Alkmaar, zeggen de buren. Tja.….! We gaan nou maar eerst naar ’tSillevere Anker!”„Dit is nou Harmen, moeder!” zei Hajo trots. „Die heeft samen met mij die panter.…. weet je wel?”Hajo’s moeder stak Harmen de hand toe. „Harmen, ik dank je voor wat je voor mijn jongen gedaan hebt! Voor alles, hoor, voor alles dank ik je!”Harmen werd verlegen. „’n Kleinigheid, juffrouw.….!—Afijn, ’t had raar kunnen afloopen! Als je nou bedenkt, die arme Floorke.….! We gaan z’n meisje in ’tSillevere Ankernou zeggen, wat er met hem aan het handje is.”„Arme meid”, zuchtte Gerretje.„Zeg dat wel”, viel Harmen hem op droefgeestigen toon bij. En met afgewenden blik sloeg Harmen op zijn zwarte vioolkist en kuchte. „Hilke is bij z’n meisje,—die was in haar nopjes!”„Nou! Ze drukten mekaar zoowat plat!” grinnikte Gerretje.„Kijk moeder, dat is nou Joppie! Die is ook mee door Sumatra geweest!”„Arm beest!” zei Hajo’s moeder, toen het dier bibberend tusschen Harmen’s beenen kroop.„Hij zal er wel aan wennen!” stelde Harmen haar gerust. „Nou, dag, juffrouw! Ajuus, Hajo!”—En het drietal spoedde zich over de verlaten marktplaats voort naar ’tSillevere Anker.….Lijsken’s moeder, een bleek, mager, klein vrouwtje met groote lijdensoogen, nam stilzwijgend de zilveren guldens[569]in ontvangst en borg ze weg in een oude, gehavende kast.„Ik was er al bang voor.….” Dat was al wat ze zei. Toen Hajo’s moeder haar kuste, schreide ze.Zoo vierden allen het Ouwe jaar nog in Hoorn. En de maats, die morgen verder moesten, naar Enkhuizen, zaten bij hun makkers aan den haard en hielpen opsnijden.Buiten viel de sneeuw altijd maar door; als een teedere moederhand legde de sneeuw zich over het stadje.…. er moesten vele schrijnende wonden worden bedekt.Vertrouwelijk, als goede raadgevers, wandelden te middernacht twaalf klokkeslagen over de sneeuw.Toen zochten de handen elkaar in diepgevoelde vreugde.Stadsgezicht.EINDE
[Inhoud]DE THUISKOMSTDE THUISKOMSTDen achtsten Maart van het jaar 1620 lichtte deNieuw-Zeelandde ankers, en den acht-en-twintigsten December van hetzelfde jaar liet zij ze na een gunstige reis weer vallen op de zandige reede van Vlissingen.Met tranen in de oogen hadden onze vrienden Rolf vaarwel gewuifd, toen een ferme Zuid-Oostenwind de zeilen bollen deed en deNieuw-Zeelandstatig voortdreef van Java’s groene kust, en met tranen in de oogen hadden ze den acht-en-twintigsten December in den vroegen morgen, rillend van kou, in den grijzen nevel de duinen van Walcheren zien schemeren. Daar stonden ze bij elkaar, den kraag van hun duffelsche hoog opgezet, de handen en de polsen in den broekzak, Hajo en Harmen en Hilke en Gerretje en Padde en honderd andere maats en zwetsten allen dooreen en woven en schreeuwden, of bliezen zich in de handen.Zie, daar lag Vlissingen met zijn roode daakjes en zijn stompen toren, waar de vlag uithing, omdat er een Oostinjevaarder, deNieuw-Zeeland, uit het verre menschenetersland was binnengeloopen, de ruimen vol peper, kruidnagelen, koffie, tabak! Nu liep alles van de werkplaats weg, de smid nog zwart van het roet, de bakker witbestoven, de timmerman met zijn schaaf in de hand, en door de kleine vensters der havenkantoren gluurden de klerken, kauwend op hun ganzeveeren. De reeder, deftig in het zwart, met witten[548]kraag en handschoenen, vergezeld door de heeren van het kantoor, nam waardig in zijn sloep plaats om zich aan boord te laten roeien.En de kwajongens? Nee, maar, de kwajongens! Alom klapperden hun klompjes over de keien; ze kropen onder karren en paarden door, de rakkers; ze baanden zich met de ellebogen een weg door de menschen en voeren in volgepropte bootjes hals-over-kop naar den Oostinjevaarder.Grinnikend hingen de maats over de balie, zagen toe, welke van de benden kleine zeeroovers met de lauweren zou gaan strijken: het eerst bij den Oostinjevaarder te zijn aangekomen, het eerst hoera! geschreeuwd te hebben, met de mutsen gezwaaid en gevraagd te hebben: „Goeie reis gehad? Gooi eens watIndischnaar beneden?” Daarvoor doken ze desnoods in het ijskoude water, de bengels, die nu, trekkend aan de riemen als dollemannen, naderbij kwamen. En daarginds, aan de kade! Zie eens, wat een volk er toeliep! En wat een vlaggen er nu fonkelden in de klare zon!Ja, jongens, ze waren weer in hun bovenste beste kikkerlandje! En al die vlaggen, al dat volk, al die opwinding was voor hen!Of ze weer terug wilden naar de Oost? Voorloopig had niemand er trek in! Nu, ja, ze kenden zichzelf wel: als ze weer een maand lang gehokt hadden, met een pijp en een kop koffie bij den haard, en zoo lang over hun reizen hadden opgesneden, dat ze zelf niet meer wisten, wat waar gebeurd en wat gelogen was, en ze in hun verhalen vastraakten, zoodat niemand hen meer geloofde; wanneer de volle zak gage, die ze meekregen, een leege zak geworden was, dan werden ze sagrijnig, dan luisterden ze naar het gezellig jammeren van den wind in de schouw, dan kregen ze verlangst naar het vooronder en hun kameraden, dan gingen ze zoo er eens naar de zee kijken, hoewel ze een maand geleden hadden gezworen, haar nooit weer terug te willen zien, omdat ze ’t zoute water nou wel zat waren, en.…. verdikkoppe! een week later hadden ze weer aangemonsterd voor Jan Oost.Maar nu de ankerpalen ratelden, zat de vreugde hun nog[549]tot boven in de keel. Straks zouden ze afmonsteren en, den zak vol blinkende daalders, op den wal staan met hun aapjes en papegaaien, die, sinds het koud was, in omwonden kooien in de kombuis hingen. Daar hongen ze lekker warm!Ook Joppie hokte in de kombuis, stelde niet het allergeringste belang in Walcheren, Vlissingen, of in iets anders, dat koud was.Op het water krioelde het al van roeibootjes vol kwajongens, die hun nek pijnigden met het naar boven kijken. „Hé, Lange!” schreeuwden ze omhoog, „spreek jij eens Maleisch? Ofkenje het niet eens?”„Papperalapoetje!” schreeuwde de „Lange” omlaag.De jongens rolden de boot haast uit van het lachen. „Nou, en wat beteekent dat nou?”„Dat zeggen ze altijd, als ze je villen!” lichtte de „Lange” toe.Nieuw gegrinnik. „Nou, als ze jou zouden villen, hadden ze een heele lap, zeg!” roept er een. „Papperalapoetje—Pas maar op je hoedje!” Alles daar beneden giert van het lachen over dezen geestigen zet.Twee uur later begon de afmonstering. Harmen kwam in de kombuis, pakte Joppie in zijn nekvel en schaarde zich in de rij wachtenden voor de kajuit.„Wat moet dat?” jammerde Joppie, bibberend over al zijn leden.„We gaan afmonsteren, Joppie”, zei Harmen.En zoo kwamen de jongens aan de beurt en schoven met z’n drieën de kajuit in; Joppie ook,—verdekt achter Harmens rug.Of de Bruinvisch tevreden was over zijn scheepsjongens? Eerst wendde hij zich tot Harmen. „Jij gaat de volgende reis weer mee!”„Ik ga niet meer varen”, zei Harmen.„Dan ken ik je beter, dan je jezelf kent”, meende de Bruinvisch.„Nou”, zei Harmen, „ik zal een bruinvisch wezen, als ik me ooit weer op zoo’n smerige Oostinjevaarder laat aanmonsteren.”Er was even stilte in de kajuit. De Bruinvisch keek met vervaarlijke[550]oogen naar Harmen’s gelaat, waarop niets dan bittere ernst te lezen stond. „Hier! Neem je gage!” bulderde de Bruinvisch.„Dankje, schipper”, zei Harmen onderdanig. Om het geld te kunnen opstrijken, moest hij Joppie loslaten. Dit wakkere dier zwikte op zijn vier pooten door, ontwaarde den opgezetten tijger en zette alle haren steil overeind.De Bruinvisch liet z’n oogen rollen. „Wat moet diehondhier in de kajuit?!”„Afmonsteren en z’n gage halen”, verklaarde Harmen. En toen kon hij zich opeens niet meer goed houden, begon te grinniken, streek haastig het geld op en liet het in zijn broekzak glijden. „Nou, dag, schipper! ’t Ga je goed!” En Harmen verliet met bekwamen spoed de kajuit. Joppie achter hem aan, den staart tusschen de pooten.De Bruinvisch hapte naar adem. „Nu jij!” wendde hij zich barsch tot Hajo. „Ik zal je brief afgeven in Amsterdam en er nog een woordje bij doen. Waar moet je heen? Naar Hoorn? Nou, dan ben je niet zoo ver af. Hier is m’n adres, zie je, dat heb ik voor je opgeschreven! En Maandag over een week kom je bij me, dan neem ik je mee naar de heeren van de Compagnie. Begrepen?”Of Hajo het begrepen had!„Hoe ga je nu naar Hoorn? Loopen?”„Ja, schipper. Maar Harmen zei.…”„Harmen?! Vraag ik je, wat Harmen zei? Je kunt tot Dordrecht met de jol gaan,—die is voor het volk, dat die kant uit moet. En verder loop je maar, dat is gezond. En laat je onderweg je geld niet afstelen: een landrot is nooit te vertrouwen! Hier is ’t. Met wat je in bewaring hebt gegeven, drie-en-zeventig gulden.—En nou jij!” Dat was tegen Padde. „Waarom schipper Bontekoe jou nog apart heeft aangemonsterd, zal me eeuwig een raadsel blijven. Weet je, wat jij bent? Een nietsnut! Een landrot!”„Nou, ik wou ook nooit varen!” zei Padde, woest. „Ik wou bij m’n oom in de brouwerij!”De Bruinvisch keek hem verbaasd aan. „En waarom ben je dan naar Oostinje gegaan?”[551]„Ik heb.…. ik heb me verslapen!”„Hè??—Nou, dat je een slaapkop bent, heb ik gemerkt. Hier is je geld. Vier-en-zestig guldens. Negen-en-dertig plus zeven-en-twintig.….”„Is zes-en-zestig en niet vier-en-zestig”, merkte Padde op. „Twee gulden te min!”„Wat?!” De Bruinvisch sloeg aan het rekenen en bevond, dat Padde gelijk had. „Hier dan!” pruttelde hij, z’n lade openend en nog twee gulden op tafel werpend. „’k Dacht net, dat m’n boeken nu eindelijk klopten.….”Even later stonden de jongens buiten. „Daar wou hij me eventjes twee guldens afvangen!” zei Padde verontwaardigd. „’k Zou er anders niks van zeggen, maar die schippers verdienen genoeg! Nietwaar, Harmen?”„Nou!” viel Harmen hem bij. „De Bruinvisch krijgt meer gage dan wij met z’n drieën, en hij heeft er niet half zooveel voor gedaan!”’s Middags voer de jol weg. Dat gaf me een afscheid tusschen de oomes! Er vloeiden tranen.…. emmers vol! Allen wisten, dat ze elkaar binnen enkele weken weer terug zouden zien. Maar ze namen afscheid voor eeuwig en wuifden, zoolang ze maar een muts konden zwaaien.De wind zat pal in het Noorden, zoodat de jol tusschen Walcheren en Zuid-Beveland geducht laveeren moest. En het was zoo ijzig koud op het water, dat allen in de holte van de boot dicht bijeen gingen zitten, ’n zeiltje over de boorden gespannen. Tegen donker meerden ze de jol aan den Zuiderdijk van Noord-Beveland, waar een boerendak opdook. Ze klauterden met stijve beenen, slapende voeten en verkleumde vingers en teenen tegen den dijk op en kropen allen bijeen op den warmen hooizolder, die hun door den boer bereidwillig werd afgestaan.„Waar komen jullie weg?” vroeg de boer, hun met een kaars voorgaand,—het laddertje op naar den zolder.„Van Batavia”, zei Padde.„Waar legt dat?”„Vlakbij, als je d’r eenmaal bent”, lichtte Harmen hem in.[552]„Kom, Joppie!” En Joppie werd voor de zooveelste maal in z’n nekvel gepakt.„Moet die hond mee op zolder??” vroeg de boer.„Waarachtig!” zei Harmen. „Die heeft al meer gezien dan vijftig boerenkaaskoppen.”„Nou, ’t is een leelijk mormel”, gromde de boer.„Zeg hem dat eens in ’t Maleisch”, zei Harmen. „Dan vliegt ie je naar de kuiten.”„Waar komen jullie weg?”„Waar komen jullie weg?”Toen waren allen boven; de boer klapte het luik dicht en trok de ladder weg, zoodat de mannen opgesloten zaten.„Hij vertrouwt ons voor geen pruim tabak!” meende een oome.„Zou hier geen kippetje te graaien zijn voor Ouwejaarsavond?” vroeg Gerretje, tastend langs de hanebalken. Daar fladderde een haan luid kakelend weg. „Wat een mormel!” schold Gerretje. „Hij heeft me gepikt!”Hè, het was lekker warm hier op zolder! Zelfs Joppie ontdooide. De mannen rolden zich in het hooi, genoten nog eens volop van het bewustzijn, weer in hun eigen lief landje te zijn. Thuis moesten ze weten, dat de jongens al weer binnen waren! Hoe zou het thuis zijn? Toch alles goed? Een kleine ongerustheid, die in hun ziel sloop, werd er weer uitgebezemd. En even later snurkten allen zoo, dat de boer en zijn vrouw verbaasd hun neuzen boven de dekens uitstaken en zich afvroegen, waarom de varkens vannacht zoo rumoerig zouden zijn. Biggen op komst.…?Al vroeg werden de janmaats weer wakker door het gekakel van een kip, die wijd en zijd verkondde, dat ze, hoewel het winter was, voor den boer toch nog een eitje had gelegd. Gerretje brak het open en dronk het leeg. „Nog warm!” Anderen morrelden aan het luik, maar het zat van onderen vast. Eindelijk kwam de boer en opende het.[553]„Ook goeie morgen!” wenschten de maats het slaapdronken hoofd met de bonte nachtmuts toe.„Wat zijn jullie vroeg!” mopperde de boer. „’t Is nog zoo koud!”„Heeft het gevroren?”„Nou! De pomp zal wel vastgevroren zijn!”„Heb je dan soms een bakkie heete koffie voor ons?”De boer gromde wat. „Kom nou maar eerst beneden!”„Die groote, witte kip heeft een ei gelegd”, zei Gerretje onder het afdalen.„Ja. Dat is een beste!” knorde de boer, tevreden. „’k Zal het straks wel halen.—Wat hebben jullie in die kooien?”„Jonge leeuwen”, lichtte Gerretje in.„Nou, jullie maakt er wat van!” grinnikte de boer.„Heb je niks te bikken, Hannes?” vroeg Harmen hem.„’k Heb nog wel een homp brood voor je”, zei de boer. „Die wou ik aan de varkens geven, omdat ie zoo hard is.”Een dik, norsch wijf.....Een dik, norsch wijf.….Even later zaten allen te kauwen op het keiharde brood.—De vrouw van den boer kwam ook, een norsch, dik wijf in nachtmuts en onderrok, en ging zonder groeten koffie zetten, blazend in het vuur, alsof ze den heelen oven wilde wegblazen en haar man en zijn gasten er bij. Op de hoffelijkheden der galante oomes zei ze geen boe of ba. De boer was in den stal gegaan.De koffie bleek slap te zijn en niet van de beste soort, maar warm was ze,—dat scheelde al veel. Er waren maar twee koppen, zoodat de janmaats ze maar lieten rondgaan.De boer kwam uit den stal terug en begon een lang verhaal over een koe op te disschen, die hij van ’t voorjaar gekocht en van het najaar weer verkocht had en waarop hij zoo’n schade had geleden. En dan had het van het voorjaar zoo weinig geregend, en hij had den heeren van het Waterschap[554]eens even de waarheid gezegd, en hij had ook een neef bij de Secretarie, en z’n wijf was zoo best, nooit ziek of zoo, en zijn zeug had dertien biggen gekregen, waarvan hij er een verdronken had, omdat dertien een ongeluksgetal was.….De oomes lieten hem zwammen, tot ze allen hun bakje koffie hadden leeggelurkt. Toen stonden ze op. „Nou, Hannes”, zei Harmen en stak den boer de hand toe. „Bedankt voor je rot-koffie, hoor!”De boer grinnikte. „Goeie reis!”„Vergeet je dat eitje niet van de zolder te halen?” riep Gerretje.„’k Zal er temet om gaan”, antwoordde de boer.En de janmaats staken weer van wal. Alles was in grijze morgennevelen gehuld. De wind zat nog even beroerd in het Noorden en blies vinnig de nevelen over het water, zoodat de maats roode oorlelletjes en neuspunten kregen. Ze staken de breede Oosterschelde over. In het midden was het zoo duivelsch koud, dat je adem bevroren op je lippen sloeg. Joppie lag rillend in Harmen’s armen; de kooien met aapjes waren in het bergplaatsje voor de proviand neergezet.—Nu zeilden de maats tusschen Duiveland en Tholen het Mastgat in, de Zijpe door, toen om Overflakkee het Volkerak door in het Hollandsch Diep.Bij de Dordtsche Kil wachtte hun een teleurstelling: het water was bevroren. Tegen loopen zagen ze niet op, maar hoe moesten ze met hun kisten aan? Ze meerden de jol voor een herberg en bespraken de zaak bij een kroes warmen, Spaanschen wijn.„Ik wil jullie m’n slee wel verkoopen”, zei de waard, een leelijke, schele kerel.„Is het ijs dan sterk genoeg?”„Daarstraks is er nog een op schaatsen uit Rotterdam gekomen”, zei de waard.„Laat kijken je slee!” In optocht volgde het heele stelletje den waard, die hun in een schuurtje een groote, groene bak-slee aanwees.„Wat moet die ouwe waschbak nog opbrengen?” vroeg Harmen.[555]„’n Daalder.”„Je bedoelt zeker, als we jou en je heele kroeg er bij koopen?”De waard haalde de schouders op. „Niemand dwingt je, die slee te koopen. Ik wil hem voor minder niet kwijt. Jullie kunt er je heele rommel in laden!”„Vooruit!” zei Hilke. „Hij is gekocht!”Harmen pruttelde nog wat. „Afijn!” zei hij. „Weet je je wat, jongens? Ik ga naar Dordt en zie in een oud roest-zaakje schaatsen op te scharrelen. Dan trekken we de slee!—Hé, afzetter, leen me je schaatsen even naar Dordt: ’k ben zóó weerom.”..... dat hij het schaatsenrijden nog niet verleerd had......…. dat hij het schaatsenrijden nog niet verleerd had.….Grommend ging de waard de schuur weer in en gaf Harmen een paar verroeste schaatsen. Harmen schoot ze, zuchtend van lol, aan, holde er mee weg en sprong op het ijs. Daar maakte hij, om te toonen, dat hij het schaatsen nog niet verleerd had, een kuitenflikker en begon toen met ver naar voren gebogen rug, de handen in de zakken, tegen den wind op te werken in de richting Dordrecht.De anderen gingen de herberg weer in, dronken nog een kroes wijn tegen de kou. Ze werden doezelig en kregen slaap. De schemering viel alweer in.„We moeten hier maffen”, meende Gerretje. „Of heeft er iemand lust, vannacht in een wak te rijden?” Hij keek rond, maar toen er geen liefhebbers voor het wak bleken te zijn, sloeg hij met den waard aan het onderhandelen over den logiesprijs. Voor acht stuiver den man met avondeten er bij en nog een „flapkanne” Spaanschen wijn werd de zaak ten slotte beklonken.Tegen donker kwam Harmen weer aanscheren, een bos schaatsen over den rug. „Daar word je lekker warm van!” riep hij, terwijl hij den dijk opkrabbelde. En met zijn schaatsen nog aan de voeten sjouwde hij de gelagkamer binnen. „’t Moet vannacht nog maar wat vriezen, jongens, want ’t ijs kraakt als de weerlicht, en ’k heb er twee zien doorzakken!”[556]Terwijl de maats de schaatsen verdeelden en de roestige ijzers wat aanzetten op den met zand bestrooiden vloer, kwam de waard met een dampende pan watergruwelen aanzetten.Dat smaakte! De maats slobberden, als hadden ze een week gevast.„Je hebt ’t hem vlug gelapt, Harmen!” prees Gerretje. „Wat heb je nou nog voor dat oud roest betaald?”„Oud roest?” vroeg Harmen beleedigd. „Als je een beetje rijden kunt, heb je er het roest in twee slagen af. ’k Heb er drie stuivers per stuk voor betaald.”„Toe maar, het kan niet op!” meende een zuinige oome.„Nou, je hoeft ze me niet weer af te koopen”, zei Harmen. „Loop jij dan maar, als je dat liever doet.”„Kom!” susten de anderen. „Als jullie deining wilt maken, maak dan deining tegen een landrot, dan doen we allemaal mee!”’s Avonds, bij de schouw nog wat gezelsend, speldden ze den boeren uit den omtrek de meest gewaagde avonturen op de mouw. Toen de boeren laat in den avond met een stuk in hun kraag huiswaarts keerden, duizelde het hun zoo van tijgers, krokodillen, reuze-slangen en menscheneters, dat er twee arm aan arm een sloot intuimelden.Gelukkig lag er keihard ijs op.Bij hanegekraai zaten de maats al in het beijzelde riet hun schaatsen aan te binden. En met een homp brood in den tintelenden knuist reden ze er op los,—een touw om het middel, waarmee ze de slee voorttrokken, die als een veertje over het ijs vloog. Padde zat er met Joppie bibberend in: voor hen had Harmen geen schaatsen meegebracht.Of het vannacht gevroren had! Het ijs was pikzwart met witte munten er in. Als een wervelwind joeg het groepje janmaats voort, en bij de eerste bocht zwaaide de slee al zoowat tegen de knoestige wilgen aan den oever. Joppie’s haren rezen te berge, en Padde, wiens groen-blauw gelaat van schrik paars werd, schreeuwde: „Heila! Kalm aan wat!”Maar de janmaats hoorden niets. Wat werden ze al lekker warm! Hoe langer hoe doller ging het.In een klein half uur hadden ze Dordrecht bereden. Ze kochten[557]een paar versche brooden, warm uit den oven, en togen kauwend verder,—nu in de richting Rotterdam. Bij den IJssel zwaaiden ze rechts om, en nog voor den middag waren ze bij Gouda.Het was een prachtige, zonnige vriesdag, en op de Gouwe krioelde het van de schaatsers.—„Hoe-oe!” schreeuwden de oomes al van verre, om zich vrij baan te maken. Hand in hand zwierden ze over de ijsvlakte, en de slee vloog al even lustig heen en weer.Ze hadden niet te klagen, dat de landrotten hun geen plaats lieten: ieder, die het stelletje ongezouten kerels met hun slee aan den gezichtseinder zag opduiken, ging bedachtzaam ter zijde en zag vroolijk naar de dolle bende en naar den dikken, angstigen, verkleumden jongen in de slee en den mageren, steilharigen hond, die het nu en dan uitjammerde van verlangst naar zijn zonnig Sumatra.Ze volgden de Gouwe, de Aar, de Drecht en kwamen aan den Amstel. Daar wuifden meisjes hun toe, en de oomes wuifden terug en schreeuwden „Hoera!” omdat de levenslust er nu eenmaal uit moest. Verduiveld, nog vóór de schemering zwierden ze met hun slee Amsterdam in!Gerretje had er nog een ouwe moei; die woonde aan den IJkant, en ze zou Gerretje en zijn makkers gráág herbergen en onthalen.Na drie uur heen en weer sjouwen was de moei gevonden. Gerretje klopte aan de lage deur. „We zullen het er van nemen, jongens”, zei hij. „Ze is wat van de knibbelige kant, maar voor mij heeft ze een zwak!”Maar de moei keek allesbehalve vriendelijk, toen ze het oude wijfjes-kopje met het witkanten knipmutsje uit het bovenraam stak en haar dierbaar familielid en zijn twintig makkers ontwaarde. „Wat moet dat daar?” vroeg ze krijschend.„Goeien avond, moei!” wenschte Gerretje haar toe. „Kun je ons voor vannacht bergen? Ik ben Gerretje, je neef. En dit zijn m’n vrinden.”De moei dacht even na. „Waar kom je vandaan?” vroeg ze toen.„Uit de Oost”, schreeuwde Harmen naar boven. „We komen regelrecht uit de Oost, moei!”[558]„Op schaatsen toch niet?!”„Ja zeker! Op schaatsen!” riep Gerretje. „Daar kunnen we je wat van vertellen, moei!”„Nou”, zei de moei na een aarzeling, „jij mag binnenkomen, omdat je m’n neef bent.”„En de anderen niet?” vroeg Gerretje weemoedig. „Denk er eens aan, moei, wat een tocht we achter de rug hebben! Geef ons ten minste een neutje; we zijn half bevroren.”„Ik heb niets in huis”, verklaarde de moei. „Maar verderop is ’tVette Varken,—daarkunnenjullie meteen slapen ook.”Maar de moei keek allesbehalve vriendelijk.....Maar de moei keek allesbehalve vriendelijk.….„Moei, wat ben je weer knibbelig”, klaagde Gerretje. „Laat mij nou er eens zoeken: ik zal nog wel ergens een kruikje vinden! Kom, je bent er zelf toch ook niet vies van?”„Ik zeg je, dat ik niets in huis heb!” zei de moei snibbig.„’t Is wèlles, ouwe tooverheks!” riep Gerretje driftig.Het raam sloeg dicht. Gerretje wilde de deur gaan bewerken, maar de maats susten hem. „Kom, Gerretje, maak je niet giftig; laat ze met haar neutje naar de weerlicht loopen!”„Heb je dáár nou een moei voor?” jammerde Gerretje droefgeestig.„Vooruit!” zei Harmen. „We gaan naar ’tVette Varken. Harremen betaalt!”Zoo toog men in optocht langs het kanaal naar de herberg, waar het onderdak vrij duur bleek te zijn. Een paar maats wilden ’s nachts doorrijden, maar de meesten hadden er geen trek[559]in, zetten hun gramschap tegen Gerrit’s knibbelige moei onder een borrel en wilden den stamgasten hier ook eens wat op de mouw spelden. Maar ze werden door de slimme Amsterdammers niet zoo grif geloofd: een was er bij, een landrot, die misschien nog nooit in een roeibootje had gezeten en toch ophakte, alsof hij z’n leven lang op Oostinje had gevaren: hij wist alles op een prik, de leelijke kikker, en liet hen nauwelijks aan ’t woord.Verdrietig, met gramschap in het hart, zochten de gebruinde maats, die me daar even door zoo’n witgesteven pennelikker uit het veld waren geslagen, hun logies op.„Er zit dooi in de lucht”, zei Hilke. „De wind is Zuid geworden.”Toen ze den volgenden morgen hun bol uit het dak venster staken, lagen er groote plassen op het ijs.„Natte voeten!” meende Gerretje. „Afijn, over een paar uur zijn we thuis!”Thuis.…! dat woord ging er in! Ze zouden er vandaag eens een gangetje inzetten!Padde keek bedenkelijk, toen hij dit plan vernam. „Als jullie nog woester rijdt dan gisteren, loopt de boel verkeerd!” meende hij.„O! Dat zit de heele weg lekker in de slee en heeft nog praats ook!” schimpten de oomes.Na de „vroegkost” met gloeiende koffie naar binnen geslurpt te hebben, rekende Harmen met den waard af. Deze bleek hen flink geplukt te hebben,—dat was zoo de gewoonte: janmaats keken toch niet op een stuiver!„Gevaarlijk spul met die nattigheid!” meende de waard, het geld opstrijkend.„Ja,jijzorgt wel, dat je droog blijft, duitendief!” viel Harmen grimmig uit.En toen ging het er in dolle vaart weer op los. Zoo fel zwierden de maats door het water, dat ze heelemaal nat werden. Er viel haast geen schaatser te ontdekken.Toen gebeurde het. Bij het omzwenken, de Zaan op, namen ze de bocht te kort; de slede botste tegen den kant, zeilde weer[560]over het ijs uit, zoodat de meest rechtsche schaatsers werden omgerukt,—sloeg toen tegen den anderen wal, juist tegen het steigertje van een molen, en lag in gruzelementen. Joppie was op den wal gesprongen; Padde liep een geweldigen buil op; de kisten lagen over het ijs verspreid.„Wat een rot-slee!” schimpte Gerretje, die ook op zijn achterwerk geslagen was en nu kwam aanstrompelen, de handen tegen zijn broek. „Heb je je pijn gedaan, Padde?”„Nou en of!” klaagde de arme jongen, nog wit van schrik.De molenaar was naar buiten gekomen.....De molenaar was naar buiten gekomen.….De molenaar was naar buiten gekomen, een wollen doek om den hals, en stond met de handen in de zakken naar het geval te kijken. „Sjonge-jonge”, filosofeerde hij, „jullie hebt zeker wat woest gereden! Moeten jullie naar Hoorn? Daar kun je op schaatsen niet komen.”„En waarom niet?” vroeg Gerretje uitdagend. „We sleepen ieder onze eigen kist, jongens!”„Dan kun je meteen je doodkist wel meesleepen”, zei de molenaar. „Verderop is het ijs vol wakken, en door het water zie je ze niet. Maar weet je wat? Nemen jullie mijn wagen!”„En dan zeker betalen, dat we scheel zien!” meende Harmen.„Hoe kom je daarbij?” vroeg de molenaar. „Jullie rijden voor niks!” En zich omwendend: „Jan! Span de wagen eens in!”„Ja, vader”, klonk het uit den molen.„Man!” stamelde Harmen in verrukking, „jij moest in een gouden lijstje!”De molenaar grinnikte. „Pak je kisten maar op en ga mee naar binnen. M’n vrouw heeft krentemik voor oud en nieuw.”„Drommels, ’t is de een-en-dertigste vandaag!” zei Hilke.„Nou, jullie kunt makkelijk thuis zijn vanavond”, meende de molenaar.[561]„Wij niet meer”, zeiden een paar maats. „Wij moeten nog door naar Enkhuizen.”„Ik kan de kar niet zoover missen”, zei de molenaar. „En morgenochtend moet ik m’n jongen ook weerom hebben; die gaat met jullie mee om de kar terug te brengen. Kan ie ergens onderdak, dat je weet?”„In ’tSillevere Anker”, zei Harmen. „Op mijn kosten.”„Nou, kom dan maar binnen. Waar komen jullie eigenlijk vandaan?”„Uit Oostinje!”„Wat je zegt! En die hond?”„Die komt van Poeloepoeloepatsji”, zei Harmen.„Dan zal hij het nu wel koud hebben”, meende de molenaar. „Kijk hem eens rillen!”En ze gingen den molen in. „Vrouw, ik breng je een stelletje Javanen mee!” riep de molenaar gul. „Kom maar gerust: ze bijten niet, behalve in je krentemik!”De vrouw, een goedlachsche, ou-bollige molenaarsgade, kwam met een dampende krentemik binnen en scheen allerminst bevreesd voor de „Javanen”.—„Lusten jullie boerenjongens op brandewijn?” vroeg ze.„Voor boerenmeisjes zijn we ook niet bang!” blufte Gerretje.„Stil jij!” schimpte Harmen. „Je bent met een menschenetersvrouw getrouwd!”„Is dat waar?” vroeg de molenarin, die juist dekrentemikaansneed.Gerretje was vuurrood geworden. „’k Zou jou je nek wel willen omdraaien!” siste hij Harmen toe.„Dat meen je niet”, zei Harmen.Gerretje zocht naar een woedend antwoord, maar juist op dit oogenblik zette de molenarin hem een dikke snede krentemik voor, en Gerretje vergat zijn woede. „Ja-ha!” grinnikte de molenaar, „zoo doet ze met mij ook: als ik nijdig ben, zet ze me wat lekkers voor de neus!” En hij trommelde tevreden op zijn rond buikje.Jongens, dekrentemiksmaakte! Ze smolt in je mond![562]Daar nog boerenjongens boven op, een stuk koek met suikerfiguren.…. De molenaar wist van uitpakken! Hij en zijn gezellig wijfje lachten maar, en de maats voelden zich wonderwel thuis.„Kom, jongens”, zei Hilke, „als we vóór donker in Hoorn willen zijn.….!”Maar hij moest een paar maal aandringen, voor de anderen opstonden.„Kijk!” zei Gerretje, aangedaan door het gastvrij onthaal, „die papegaai is voor jou! Hij kan Potverblomme! zeggen, maar als je hem pest, bijt ie.”Een stil, goed gevuld joggie....Een stil, goed gevuld joggie.…Toen voelde Harmen zich geroepen om den molenaar als herinnering een aapje te laten. Maar toen hij de kooi opende, lag het aapje stijf en koud op den bodem. Ze werden er allen even stil van.—„Snap ik niet”, zei Harmen. „Gisteren was ie nog zoo fleurig!”„Stom beest!” zei de molenaar meewarig.—Een der andere maats gaf hem toen een aapje, dat nog niet dood was. „We zullen het bij het vuur hangen”, stelde de molenaarsche voor.„Hoe dichter, hoe liever”, zei Harmen. „Dan denkt ie, dat ie in Java is.”En toen klommen onze vrienden na veel handdrukken en nieuwjaarswenschen in de kar. In het Westen trok een rosse sneeuwlucht op. „Heb je je goed ingepakt, Jan?” vroeg de molenaar.„Ja, vader”, antwoordde een blozend, stil, goed gevuld joggie met stroogele haren onder de pet, dat parmantig op den bok zat,—de teugels in de hand.„En heb je een lantaren bij je? Voor straks, als het donker is?”„Ja, vader.”„En zit er olie in?”„Ja, vader.”„En heb je je brood bij je? En je beursje?”[563]„Ja, moeder.” Bij elke bevestiging knikte het joggie—bleef droomerig voor zich uitzien.„Jan denkt toch om alles!” prees de molenaar.En de wagen zette zich in beweging. De maats wuifden om het hardst en schreeuwden hoera! De molenaar en zijn vrouw wuifden terug.Het begon zachtjes te sneeuwen; spoedig was de gastvrije molen als een schim weggebleekt in het grijs. De maats zaten in de aanvankelijk erg schokkende, maar ten slotte in de sneeuw haast geruischloos voortrollende kar dicht bijeen,—Joppie tusschen hun knieën. Nog vanavond zouden ze thuis zijn! Was het te bevatten? Padde en Hajo keken elkaar stil gelukkig aan; Harmen tuurde zwijgend naar den bodem van de kar. Eensklaps drukte hij Hajo een handvol guldens in de hand. „Doejijhet liever”, zei hij en zuchtte.„Wat?”„Dat geld aan Lijsken’s moeder geven. Ze woont aan de Markt.” En toen hij Hajo’s weifeling zag: „Toe, doe me die lol. Ga samen met je moeder.….”„Kijk me dat ventje eens mennen!” prees een maat.Gerretje knikte. „Een beste jongen. En.…. een zoete jongen!”„En die knol loopt ook met volle zeilen!”„Nou!” bevestigde Gerretje. „Laat mij er eens mennen, Janneman?”De jongen antwoordde niet, keek ook niet om, schudde alleen maar ontkennend het hoofd.„Denk je, dat ik niet met knollen kan omgaan?” vroeg Gerretje.„Met deze niet”, zei het jongetje.Gerretje werd nijdig. „Vooruit, ga van de bok af!”„Gerretje!” berispte Hilke. „De jongen stuurt best.”„Dat zeg ik ook niet! Maarikwil nou eens mennen. Vooruit, snotaap! De bok af!”De jongen schudde weer het hoofd, zonder omkijken.„Wel verduiveld!” schold Gerretje.Nu keerde de jongen zich om, hield het paard in. „Als je me verveelt, laat ik het paard staan, en dan kun je honderdmaal[564]vort! roepen; hij loopt toch alleen, alsikhet wil.”„Hou je toch koest, Gerretje”, pruttelden de anderen ook.Gerretje bromde wat, zakte op den bodem van den wagen neer, keek woedend voor zich uit.„Vort!” riep het kereltje op den bok. En het paard liep weer.De maats sloegen aan het zingen en wuifden met de mutsen, wanneer ze door een dorpje reden. De sneeuw begon steeds dichter te vallen; de wielen trokken al dieper voren in den witten weg, en zwart stonden de knotwilgen langs de nu geelbruine sloten.„We krijgen nog veel meer!” meenden de maats. Toen ze zich schor gezongen hadden, tuurden ze over de witte velden, en de wondere schoonheid van vallende sneeuw drong vaag door tot in hun varensgastenziel.Eindelijk.…. zagen ze goed?!.… daar schemerde in het Noord-Oosten.…. een bekende omtrek.…. de groote toren van Hoorn!Dol werden ze! Woest, razend van vreugde, begonnen ze in den wagen te dansen, vielen in elkaars armen. „Hoera! Hiep-hiep-hiep hoera!!Hoera!!!”En wuivend, zwaaiend, gillend en schreeuwend reden ze een kwartiertje later de Westerpoort in. „We komen uit Indië!” riepen ze den verbaasden straatgangers toe en hieven hun kooien met papegaaien en aapjes op. Zoo hadden ze in een ommezien een groot gevolg.„Halt! Daar loopt m’n broer! Krelis! Hou dan toch stil! Krelis! Hou je taai, jongens! Ik moet.…. Krelis! Krelis!” En de oome was met zijn kist en papegaai uit den wagen gesprongen, rende met groote sprongen op z’n broer toe. De anderen zagen, terwijl ze weer voortdansten, holderdebolder over de keien, hoe de broers elkaar in de armen vielen.….Op de groote markt stopte de kar; allen sprongen er uit, drukten elkaar de hand en sjouwden hun hebben en houwen door de sneeuw naar huis.Nu ze alleen waren, maakte de vreugde op hun gelaat voor een bezorgde uitdrukking plaats. Zou thuis alles goed zijn.….?![565]Daar stond Hajo’s huisje! Was het zoo klein?? Hijgend rukte Hajo de lage deur open en stortte zich naar binnen. „Moeder! Moeder!!Moedertje!!!”Daar lag hij in haar armen. In de armen van zijn moedertje. En beiden snikten en lachten en kusten elkaar en drukten elkaar aan het hart. Was zijn moedertje zoo klein en zoo tenger??Wat was ze zacht!Moeder! Moedertje van mij!„Peter! M’n jongen!”Zijn moeder nam zijn hoofd tusschen haar handen, wilde het bezien, maar begon dan weer te schreien en te lachen en overdekte het met kussen zonder een woord anders te kunnen zeggen dan: „Jongen! Mijn jongen! Ben je daar weer? Hoe is het mogelijk? Mijn Peter.….”Uit de achterkamer waren de andere kinderen gekomen, verwonderd, met hun houding niet goed raad wetend. Hajo sprong op en drukte hen aan het hart en wist niet, waar hij het eerst heen moest kijken en wie hij het eerst kussen moest. „Antje! Maartje! Wat groot zijn jullie geworden! O, wat heerlijk! En Doris! Ken je mij niet meer? Ken je Peter niet meer?” Hajo knielde voor Doris, die bedremmeld in een hoekje stond en Hajo met groote oogen aankeek.„W-waar is de olifant?” vroeg Doris stamelend.Hajo kuste hem van alle kanten. „Hij kent me nog!! Hier, hier is je olifant!” Hajo sprong op, keek in verrukking rond, viel zijn moeder weer om den hals, die hem met stralende oogen aankeek, rukte toen zijn kist open, gooide alles onderstboven. „Hier!” riep hij, terwijl de dikke tranen hem over de wangen rolden. „Hier, Antje! Een pop voor jou! Met Chineesche oogen,—is hij niet mooi? En een waaier! Voor jou, Maartje! Ruik er eens aan: hoe lekker! Moedertje, ’k word voor stuurman opgeleid! En later voor schipper! Hier! wie moet die armband hebben? En kijk eens, Doris! Hé? Wat heb ik hier? Wat heb ik hier voor jou?”—Hajo kroop op de knieën naar Doris toe, omvatte hem en hield hem een wit ivoren olifantje voor den neus. „Kijk z’n slurf eens? En z’n tanden?”[566]„En.…. en de menscheneter?” vroeg Doris, met een blijde uitdrukking op zijn rond kindergezichtje den „olifant” bekijkend.„De menscheneter? Hier is de menscheneter! Hau-auw!” En Hajo maakte een menschenetersgezicht en hapte naar Doris, die schaterend van de pret vluchtte en door Antje werd opgetild. Hajo sloot hen beiden in de armen. „Antje! Wat ben je een meid geworden!”„Dacht je, dat ik altijd zoo klein bleef?” vroeg Antje. „Jij bent ook groot geworden, zeg! Niet waar, moeder?”Moeder knikte, zonder nog te kunnen spreken. En toen Hajo zich weer in haar armen wierp, snikte ze het weer uit. „M’n jongen.…. wees niet boos, dat ik nog huil! Ik ben zoo blij, dat je terug bent! Het is alles zoo onverwachts gekomen. En.…. Heb-heb je een goeie reis gehad?”„Terug wel, moedertje! Maar deNieuw-Hoornis vergaan!”„Verg.….?!!”„Ja! Door Padde’s schuld. ’k Heb geld bij me, moedertje! Kijk eens?!!” Hij legde handen vol guldens in zijn moeders schoot. „Is het niet veel? Twee-en-zeventig gulden en zeven stuivers! Hier heb ik nog meer geld, maar dat is voor Lijsken’s moeder. Lijsken is onderweg aan de scheurbuik.….!!”En toen begon Hajo te vertellen. Bij stukken en brokken. Van den brand aan boord, den tocht met de jol, van Dolimah, den panter, Pa-Samirah, het vlot, en dat hij bij den Bruinvisch in Amsterdam moest komen.….Onder zijn opgewonden, verward vertellen viel de klopper. Padde stond aan de deur.„Padde!!!”En ook de brave dikzak werd door Hajo’s moeder omhelsd en gekust, en hij zelf snikte, alsof Hajo’s moedertje ook de zijne was.„Jongen, wat heb jij je moeder een verdriet gedaan!”„’k Heb haar vijf-en-zestig gulden en zeven stuivers meegebracht”, zei Padde. „Ze laat vragen, of jullie vanavond bij ons komen, Maartje ook.—Dag Maartje! Wat zijn jullie allemaal groot geworden! Bij mij thuis ook! ’k Heb er nog een zusje bijgekregen!”[567]„En is thuis alles goed?” vroeg Hajo.„Best. Alleen m’n vader.…. die is een half jaar geleden verdronken.”Er kwam even stilte in het vertrek. Padde haalde diep adem en kuchte. „In de sloot achter de Zuidwal”, zei hij er toen achteraan. En plots, het hoofd gebukt, en op een harden toon, die anders nooit over zijn lippen kwam: „’t Is z’n eigen schuld. Hij was weer dronken. Die.…. die.…. die dronkelap!”„Padde”, zei Hajo’s moeder zacht, „jij mag niet zoo over je vader spreken.”Padde schudde driftig het hoofd. „Wat doet ie m’n moeder te slaan? En het geld te verdrinken? En de meubels te verkoopen?”„Maar.…. maar nu is hij toch dood, Padde.”Padde worstelde met iets.Hajo’s moeder stond met droeven glimlach op, nam Padde in haar armen en kuste hem. „Zeg maar aan je moeder, dat wij komen.”En Padde ging, schreiende.„Nu, m’n jongen”, zei Hajo’s moeder, „nu moeten wij samen nog even uit. Heb je.…. heb je daar het geld van die gestorven vriend van je? We gaan geen blijde boodschap brengen, m’n jongen, maar.…. het moet.” Ze ging naar de kast, sloeg een doek om.En even later stapte Hajo met zijn moedertje aan den arm de deur uit. Dicht aaneengedrukt liepen ze door de besneeuwde straten. „Mijn jongen, wat ben je groot geworden.….” verzuchtte zijn moeder. „Ik moet heelemaal tegen je opzien!”„Maar ik ben ook al zestien, moedertje! Is de tijd niet gevlogen?”Zijn moeder glimlachte. „Niet.…. niet altijd, Peter.” Toen werd ze stil, en haar gedachten schenen afwezig. Hajo droeg het geld voor Lijsken’s moeder in een zakdoek geknoopt.Het was gaan schemeren. De lichte vensters glansden neer op de sneeuw. Uit de rossig-grijze lucht dwarrelde het maar voort.Bij de Waag zagen ze twee bekende gestalten: Harmen en Gerretje, hun kist op den nek. Gerretje droeg bovendien[568]Harmen’s waterpijp nog, en Harmen klemde onder den linkerarm zijn dierbare viool. Joppie dribbelde met opgetrokken pooten tusschen hen in.„Schip ahoy!” riep Hajo.De beide gestalten hielden stil. „Hallo, Hajo!”„Waar gaan jullie heen?” vroeg Hajo. „Zijn jullie al thuis geweest?”„Ja wel”, zei Harmen, met een aarzelen den blik op Hajo’s moeder, „maar ze zijn verhuisd! Naar Alkmaar, zeggen de buren. Tja.….! We gaan nou maar eerst naar ’tSillevere Anker!”„Dit is nou Harmen, moeder!” zei Hajo trots. „Die heeft samen met mij die panter.…. weet je wel?”Hajo’s moeder stak Harmen de hand toe. „Harmen, ik dank je voor wat je voor mijn jongen gedaan hebt! Voor alles, hoor, voor alles dank ik je!”Harmen werd verlegen. „’n Kleinigheid, juffrouw.….!—Afijn, ’t had raar kunnen afloopen! Als je nou bedenkt, die arme Floorke.….! We gaan z’n meisje in ’tSillevere Ankernou zeggen, wat er met hem aan het handje is.”„Arme meid”, zuchtte Gerretje.„Zeg dat wel”, viel Harmen hem op droefgeestigen toon bij. En met afgewenden blik sloeg Harmen op zijn zwarte vioolkist en kuchte. „Hilke is bij z’n meisje,—die was in haar nopjes!”„Nou! Ze drukten mekaar zoowat plat!” grinnikte Gerretje.„Kijk moeder, dat is nou Joppie! Die is ook mee door Sumatra geweest!”„Arm beest!” zei Hajo’s moeder, toen het dier bibberend tusschen Harmen’s beenen kroop.„Hij zal er wel aan wennen!” stelde Harmen haar gerust. „Nou, dag, juffrouw! Ajuus, Hajo!”—En het drietal spoedde zich over de verlaten marktplaats voort naar ’tSillevere Anker.….Lijsken’s moeder, een bleek, mager, klein vrouwtje met groote lijdensoogen, nam stilzwijgend de zilveren guldens[569]in ontvangst en borg ze weg in een oude, gehavende kast.„Ik was er al bang voor.….” Dat was al wat ze zei. Toen Hajo’s moeder haar kuste, schreide ze.Zoo vierden allen het Ouwe jaar nog in Hoorn. En de maats, die morgen verder moesten, naar Enkhuizen, zaten bij hun makkers aan den haard en hielpen opsnijden.Buiten viel de sneeuw altijd maar door; als een teedere moederhand legde de sneeuw zich over het stadje.…. er moesten vele schrijnende wonden worden bedekt.Vertrouwelijk, als goede raadgevers, wandelden te middernacht twaalf klokkeslagen over de sneeuw.Toen zochten de handen elkaar in diepgevoelde vreugde.Stadsgezicht.EINDE
[Inhoud]DE THUISKOMSTDE THUISKOMSTDen achtsten Maart van het jaar 1620 lichtte deNieuw-Zeelandde ankers, en den acht-en-twintigsten December van hetzelfde jaar liet zij ze na een gunstige reis weer vallen op de zandige reede van Vlissingen.Met tranen in de oogen hadden onze vrienden Rolf vaarwel gewuifd, toen een ferme Zuid-Oostenwind de zeilen bollen deed en deNieuw-Zeelandstatig voortdreef van Java’s groene kust, en met tranen in de oogen hadden ze den acht-en-twintigsten December in den vroegen morgen, rillend van kou, in den grijzen nevel de duinen van Walcheren zien schemeren. Daar stonden ze bij elkaar, den kraag van hun duffelsche hoog opgezet, de handen en de polsen in den broekzak, Hajo en Harmen en Hilke en Gerretje en Padde en honderd andere maats en zwetsten allen dooreen en woven en schreeuwden, of bliezen zich in de handen.Zie, daar lag Vlissingen met zijn roode daakjes en zijn stompen toren, waar de vlag uithing, omdat er een Oostinjevaarder, deNieuw-Zeeland, uit het verre menschenetersland was binnengeloopen, de ruimen vol peper, kruidnagelen, koffie, tabak! Nu liep alles van de werkplaats weg, de smid nog zwart van het roet, de bakker witbestoven, de timmerman met zijn schaaf in de hand, en door de kleine vensters der havenkantoren gluurden de klerken, kauwend op hun ganzeveeren. De reeder, deftig in het zwart, met witten[548]kraag en handschoenen, vergezeld door de heeren van het kantoor, nam waardig in zijn sloep plaats om zich aan boord te laten roeien.En de kwajongens? Nee, maar, de kwajongens! Alom klapperden hun klompjes over de keien; ze kropen onder karren en paarden door, de rakkers; ze baanden zich met de ellebogen een weg door de menschen en voeren in volgepropte bootjes hals-over-kop naar den Oostinjevaarder.Grinnikend hingen de maats over de balie, zagen toe, welke van de benden kleine zeeroovers met de lauweren zou gaan strijken: het eerst bij den Oostinjevaarder te zijn aangekomen, het eerst hoera! geschreeuwd te hebben, met de mutsen gezwaaid en gevraagd te hebben: „Goeie reis gehad? Gooi eens watIndischnaar beneden?” Daarvoor doken ze desnoods in het ijskoude water, de bengels, die nu, trekkend aan de riemen als dollemannen, naderbij kwamen. En daarginds, aan de kade! Zie eens, wat een volk er toeliep! En wat een vlaggen er nu fonkelden in de klare zon!Ja, jongens, ze waren weer in hun bovenste beste kikkerlandje! En al die vlaggen, al dat volk, al die opwinding was voor hen!Of ze weer terug wilden naar de Oost? Voorloopig had niemand er trek in! Nu, ja, ze kenden zichzelf wel: als ze weer een maand lang gehokt hadden, met een pijp en een kop koffie bij den haard, en zoo lang over hun reizen hadden opgesneden, dat ze zelf niet meer wisten, wat waar gebeurd en wat gelogen was, en ze in hun verhalen vastraakten, zoodat niemand hen meer geloofde; wanneer de volle zak gage, die ze meekregen, een leege zak geworden was, dan werden ze sagrijnig, dan luisterden ze naar het gezellig jammeren van den wind in de schouw, dan kregen ze verlangst naar het vooronder en hun kameraden, dan gingen ze zoo er eens naar de zee kijken, hoewel ze een maand geleden hadden gezworen, haar nooit weer terug te willen zien, omdat ze ’t zoute water nou wel zat waren, en.…. verdikkoppe! een week later hadden ze weer aangemonsterd voor Jan Oost.Maar nu de ankerpalen ratelden, zat de vreugde hun nog[549]tot boven in de keel. Straks zouden ze afmonsteren en, den zak vol blinkende daalders, op den wal staan met hun aapjes en papegaaien, die, sinds het koud was, in omwonden kooien in de kombuis hingen. Daar hongen ze lekker warm!Ook Joppie hokte in de kombuis, stelde niet het allergeringste belang in Walcheren, Vlissingen, of in iets anders, dat koud was.Op het water krioelde het al van roeibootjes vol kwajongens, die hun nek pijnigden met het naar boven kijken. „Hé, Lange!” schreeuwden ze omhoog, „spreek jij eens Maleisch? Ofkenje het niet eens?”„Papperalapoetje!” schreeuwde de „Lange” omlaag.De jongens rolden de boot haast uit van het lachen. „Nou, en wat beteekent dat nou?”„Dat zeggen ze altijd, als ze je villen!” lichtte de „Lange” toe.Nieuw gegrinnik. „Nou, als ze jou zouden villen, hadden ze een heele lap, zeg!” roept er een. „Papperalapoetje—Pas maar op je hoedje!” Alles daar beneden giert van het lachen over dezen geestigen zet.Twee uur later begon de afmonstering. Harmen kwam in de kombuis, pakte Joppie in zijn nekvel en schaarde zich in de rij wachtenden voor de kajuit.„Wat moet dat?” jammerde Joppie, bibberend over al zijn leden.„We gaan afmonsteren, Joppie”, zei Harmen.En zoo kwamen de jongens aan de beurt en schoven met z’n drieën de kajuit in; Joppie ook,—verdekt achter Harmens rug.Of de Bruinvisch tevreden was over zijn scheepsjongens? Eerst wendde hij zich tot Harmen. „Jij gaat de volgende reis weer mee!”„Ik ga niet meer varen”, zei Harmen.„Dan ken ik je beter, dan je jezelf kent”, meende de Bruinvisch.„Nou”, zei Harmen, „ik zal een bruinvisch wezen, als ik me ooit weer op zoo’n smerige Oostinjevaarder laat aanmonsteren.”Er was even stilte in de kajuit. De Bruinvisch keek met vervaarlijke[550]oogen naar Harmen’s gelaat, waarop niets dan bittere ernst te lezen stond. „Hier! Neem je gage!” bulderde de Bruinvisch.„Dankje, schipper”, zei Harmen onderdanig. Om het geld te kunnen opstrijken, moest hij Joppie loslaten. Dit wakkere dier zwikte op zijn vier pooten door, ontwaarde den opgezetten tijger en zette alle haren steil overeind.De Bruinvisch liet z’n oogen rollen. „Wat moet diehondhier in de kajuit?!”„Afmonsteren en z’n gage halen”, verklaarde Harmen. En toen kon hij zich opeens niet meer goed houden, begon te grinniken, streek haastig het geld op en liet het in zijn broekzak glijden. „Nou, dag, schipper! ’t Ga je goed!” En Harmen verliet met bekwamen spoed de kajuit. Joppie achter hem aan, den staart tusschen de pooten.De Bruinvisch hapte naar adem. „Nu jij!” wendde hij zich barsch tot Hajo. „Ik zal je brief afgeven in Amsterdam en er nog een woordje bij doen. Waar moet je heen? Naar Hoorn? Nou, dan ben je niet zoo ver af. Hier is m’n adres, zie je, dat heb ik voor je opgeschreven! En Maandag over een week kom je bij me, dan neem ik je mee naar de heeren van de Compagnie. Begrepen?”Of Hajo het begrepen had!„Hoe ga je nu naar Hoorn? Loopen?”„Ja, schipper. Maar Harmen zei.…”„Harmen?! Vraag ik je, wat Harmen zei? Je kunt tot Dordrecht met de jol gaan,—die is voor het volk, dat die kant uit moet. En verder loop je maar, dat is gezond. En laat je onderweg je geld niet afstelen: een landrot is nooit te vertrouwen! Hier is ’t. Met wat je in bewaring hebt gegeven, drie-en-zeventig gulden.—En nou jij!” Dat was tegen Padde. „Waarom schipper Bontekoe jou nog apart heeft aangemonsterd, zal me eeuwig een raadsel blijven. Weet je, wat jij bent? Een nietsnut! Een landrot!”„Nou, ik wou ook nooit varen!” zei Padde, woest. „Ik wou bij m’n oom in de brouwerij!”De Bruinvisch keek hem verbaasd aan. „En waarom ben je dan naar Oostinje gegaan?”[551]„Ik heb.…. ik heb me verslapen!”„Hè??—Nou, dat je een slaapkop bent, heb ik gemerkt. Hier is je geld. Vier-en-zestig guldens. Negen-en-dertig plus zeven-en-twintig.….”„Is zes-en-zestig en niet vier-en-zestig”, merkte Padde op. „Twee gulden te min!”„Wat?!” De Bruinvisch sloeg aan het rekenen en bevond, dat Padde gelijk had. „Hier dan!” pruttelde hij, z’n lade openend en nog twee gulden op tafel werpend. „’k Dacht net, dat m’n boeken nu eindelijk klopten.….”Even later stonden de jongens buiten. „Daar wou hij me eventjes twee guldens afvangen!” zei Padde verontwaardigd. „’k Zou er anders niks van zeggen, maar die schippers verdienen genoeg! Nietwaar, Harmen?”„Nou!” viel Harmen hem bij. „De Bruinvisch krijgt meer gage dan wij met z’n drieën, en hij heeft er niet half zooveel voor gedaan!”’s Middags voer de jol weg. Dat gaf me een afscheid tusschen de oomes! Er vloeiden tranen.…. emmers vol! Allen wisten, dat ze elkaar binnen enkele weken weer terug zouden zien. Maar ze namen afscheid voor eeuwig en wuifden, zoolang ze maar een muts konden zwaaien.De wind zat pal in het Noorden, zoodat de jol tusschen Walcheren en Zuid-Beveland geducht laveeren moest. En het was zoo ijzig koud op het water, dat allen in de holte van de boot dicht bijeen gingen zitten, ’n zeiltje over de boorden gespannen. Tegen donker meerden ze de jol aan den Zuiderdijk van Noord-Beveland, waar een boerendak opdook. Ze klauterden met stijve beenen, slapende voeten en verkleumde vingers en teenen tegen den dijk op en kropen allen bijeen op den warmen hooizolder, die hun door den boer bereidwillig werd afgestaan.„Waar komen jullie weg?” vroeg de boer, hun met een kaars voorgaand,—het laddertje op naar den zolder.„Van Batavia”, zei Padde.„Waar legt dat?”„Vlakbij, als je d’r eenmaal bent”, lichtte Harmen hem in.[552]„Kom, Joppie!” En Joppie werd voor de zooveelste maal in z’n nekvel gepakt.„Moet die hond mee op zolder??” vroeg de boer.„Waarachtig!” zei Harmen. „Die heeft al meer gezien dan vijftig boerenkaaskoppen.”„Nou, ’t is een leelijk mormel”, gromde de boer.„Zeg hem dat eens in ’t Maleisch”, zei Harmen. „Dan vliegt ie je naar de kuiten.”„Waar komen jullie weg?”„Waar komen jullie weg?”Toen waren allen boven; de boer klapte het luik dicht en trok de ladder weg, zoodat de mannen opgesloten zaten.„Hij vertrouwt ons voor geen pruim tabak!” meende een oome.„Zou hier geen kippetje te graaien zijn voor Ouwejaarsavond?” vroeg Gerretje, tastend langs de hanebalken. Daar fladderde een haan luid kakelend weg. „Wat een mormel!” schold Gerretje. „Hij heeft me gepikt!”Hè, het was lekker warm hier op zolder! Zelfs Joppie ontdooide. De mannen rolden zich in het hooi, genoten nog eens volop van het bewustzijn, weer in hun eigen lief landje te zijn. Thuis moesten ze weten, dat de jongens al weer binnen waren! Hoe zou het thuis zijn? Toch alles goed? Een kleine ongerustheid, die in hun ziel sloop, werd er weer uitgebezemd. En even later snurkten allen zoo, dat de boer en zijn vrouw verbaasd hun neuzen boven de dekens uitstaken en zich afvroegen, waarom de varkens vannacht zoo rumoerig zouden zijn. Biggen op komst.…?Al vroeg werden de janmaats weer wakker door het gekakel van een kip, die wijd en zijd verkondde, dat ze, hoewel het winter was, voor den boer toch nog een eitje had gelegd. Gerretje brak het open en dronk het leeg. „Nog warm!” Anderen morrelden aan het luik, maar het zat van onderen vast. Eindelijk kwam de boer en opende het.[553]„Ook goeie morgen!” wenschten de maats het slaapdronken hoofd met de bonte nachtmuts toe.„Wat zijn jullie vroeg!” mopperde de boer. „’t Is nog zoo koud!”„Heeft het gevroren?”„Nou! De pomp zal wel vastgevroren zijn!”„Heb je dan soms een bakkie heete koffie voor ons?”De boer gromde wat. „Kom nou maar eerst beneden!”„Die groote, witte kip heeft een ei gelegd”, zei Gerretje onder het afdalen.„Ja. Dat is een beste!” knorde de boer, tevreden. „’k Zal het straks wel halen.—Wat hebben jullie in die kooien?”„Jonge leeuwen”, lichtte Gerretje in.„Nou, jullie maakt er wat van!” grinnikte de boer.„Heb je niks te bikken, Hannes?” vroeg Harmen hem.„’k Heb nog wel een homp brood voor je”, zei de boer. „Die wou ik aan de varkens geven, omdat ie zoo hard is.”Een dik, norsch wijf.....Een dik, norsch wijf.….Even later zaten allen te kauwen op het keiharde brood.—De vrouw van den boer kwam ook, een norsch, dik wijf in nachtmuts en onderrok, en ging zonder groeten koffie zetten, blazend in het vuur, alsof ze den heelen oven wilde wegblazen en haar man en zijn gasten er bij. Op de hoffelijkheden der galante oomes zei ze geen boe of ba. De boer was in den stal gegaan.De koffie bleek slap te zijn en niet van de beste soort, maar warm was ze,—dat scheelde al veel. Er waren maar twee koppen, zoodat de janmaats ze maar lieten rondgaan.De boer kwam uit den stal terug en begon een lang verhaal over een koe op te disschen, die hij van ’t voorjaar gekocht en van het najaar weer verkocht had en waarop hij zoo’n schade had geleden. En dan had het van het voorjaar zoo weinig geregend, en hij had den heeren van het Waterschap[554]eens even de waarheid gezegd, en hij had ook een neef bij de Secretarie, en z’n wijf was zoo best, nooit ziek of zoo, en zijn zeug had dertien biggen gekregen, waarvan hij er een verdronken had, omdat dertien een ongeluksgetal was.….De oomes lieten hem zwammen, tot ze allen hun bakje koffie hadden leeggelurkt. Toen stonden ze op. „Nou, Hannes”, zei Harmen en stak den boer de hand toe. „Bedankt voor je rot-koffie, hoor!”De boer grinnikte. „Goeie reis!”„Vergeet je dat eitje niet van de zolder te halen?” riep Gerretje.„’k Zal er temet om gaan”, antwoordde de boer.En de janmaats staken weer van wal. Alles was in grijze morgennevelen gehuld. De wind zat nog even beroerd in het Noorden en blies vinnig de nevelen over het water, zoodat de maats roode oorlelletjes en neuspunten kregen. Ze staken de breede Oosterschelde over. In het midden was het zoo duivelsch koud, dat je adem bevroren op je lippen sloeg. Joppie lag rillend in Harmen’s armen; de kooien met aapjes waren in het bergplaatsje voor de proviand neergezet.—Nu zeilden de maats tusschen Duiveland en Tholen het Mastgat in, de Zijpe door, toen om Overflakkee het Volkerak door in het Hollandsch Diep.Bij de Dordtsche Kil wachtte hun een teleurstelling: het water was bevroren. Tegen loopen zagen ze niet op, maar hoe moesten ze met hun kisten aan? Ze meerden de jol voor een herberg en bespraken de zaak bij een kroes warmen, Spaanschen wijn.„Ik wil jullie m’n slee wel verkoopen”, zei de waard, een leelijke, schele kerel.„Is het ijs dan sterk genoeg?”„Daarstraks is er nog een op schaatsen uit Rotterdam gekomen”, zei de waard.„Laat kijken je slee!” In optocht volgde het heele stelletje den waard, die hun in een schuurtje een groote, groene bak-slee aanwees.„Wat moet die ouwe waschbak nog opbrengen?” vroeg Harmen.[555]„’n Daalder.”„Je bedoelt zeker, als we jou en je heele kroeg er bij koopen?”De waard haalde de schouders op. „Niemand dwingt je, die slee te koopen. Ik wil hem voor minder niet kwijt. Jullie kunt er je heele rommel in laden!”„Vooruit!” zei Hilke. „Hij is gekocht!”Harmen pruttelde nog wat. „Afijn!” zei hij. „Weet je je wat, jongens? Ik ga naar Dordt en zie in een oud roest-zaakje schaatsen op te scharrelen. Dan trekken we de slee!—Hé, afzetter, leen me je schaatsen even naar Dordt: ’k ben zóó weerom.”..... dat hij het schaatsenrijden nog niet verleerd had......…. dat hij het schaatsenrijden nog niet verleerd had.….Grommend ging de waard de schuur weer in en gaf Harmen een paar verroeste schaatsen. Harmen schoot ze, zuchtend van lol, aan, holde er mee weg en sprong op het ijs. Daar maakte hij, om te toonen, dat hij het schaatsen nog niet verleerd had, een kuitenflikker en begon toen met ver naar voren gebogen rug, de handen in de zakken, tegen den wind op te werken in de richting Dordrecht.De anderen gingen de herberg weer in, dronken nog een kroes wijn tegen de kou. Ze werden doezelig en kregen slaap. De schemering viel alweer in.„We moeten hier maffen”, meende Gerretje. „Of heeft er iemand lust, vannacht in een wak te rijden?” Hij keek rond, maar toen er geen liefhebbers voor het wak bleken te zijn, sloeg hij met den waard aan het onderhandelen over den logiesprijs. Voor acht stuiver den man met avondeten er bij en nog een „flapkanne” Spaanschen wijn werd de zaak ten slotte beklonken.Tegen donker kwam Harmen weer aanscheren, een bos schaatsen over den rug. „Daar word je lekker warm van!” riep hij, terwijl hij den dijk opkrabbelde. En met zijn schaatsen nog aan de voeten sjouwde hij de gelagkamer binnen. „’t Moet vannacht nog maar wat vriezen, jongens, want ’t ijs kraakt als de weerlicht, en ’k heb er twee zien doorzakken!”[556]Terwijl de maats de schaatsen verdeelden en de roestige ijzers wat aanzetten op den met zand bestrooiden vloer, kwam de waard met een dampende pan watergruwelen aanzetten.Dat smaakte! De maats slobberden, als hadden ze een week gevast.„Je hebt ’t hem vlug gelapt, Harmen!” prees Gerretje. „Wat heb je nou nog voor dat oud roest betaald?”„Oud roest?” vroeg Harmen beleedigd. „Als je een beetje rijden kunt, heb je er het roest in twee slagen af. ’k Heb er drie stuivers per stuk voor betaald.”„Toe maar, het kan niet op!” meende een zuinige oome.„Nou, je hoeft ze me niet weer af te koopen”, zei Harmen. „Loop jij dan maar, als je dat liever doet.”„Kom!” susten de anderen. „Als jullie deining wilt maken, maak dan deining tegen een landrot, dan doen we allemaal mee!”’s Avonds, bij de schouw nog wat gezelsend, speldden ze den boeren uit den omtrek de meest gewaagde avonturen op de mouw. Toen de boeren laat in den avond met een stuk in hun kraag huiswaarts keerden, duizelde het hun zoo van tijgers, krokodillen, reuze-slangen en menscheneters, dat er twee arm aan arm een sloot intuimelden.Gelukkig lag er keihard ijs op.Bij hanegekraai zaten de maats al in het beijzelde riet hun schaatsen aan te binden. En met een homp brood in den tintelenden knuist reden ze er op los,—een touw om het middel, waarmee ze de slee voorttrokken, die als een veertje over het ijs vloog. Padde zat er met Joppie bibberend in: voor hen had Harmen geen schaatsen meegebracht.Of het vannacht gevroren had! Het ijs was pikzwart met witte munten er in. Als een wervelwind joeg het groepje janmaats voort, en bij de eerste bocht zwaaide de slee al zoowat tegen de knoestige wilgen aan den oever. Joppie’s haren rezen te berge, en Padde, wiens groen-blauw gelaat van schrik paars werd, schreeuwde: „Heila! Kalm aan wat!”Maar de janmaats hoorden niets. Wat werden ze al lekker warm! Hoe langer hoe doller ging het.In een klein half uur hadden ze Dordrecht bereden. Ze kochten[557]een paar versche brooden, warm uit den oven, en togen kauwend verder,—nu in de richting Rotterdam. Bij den IJssel zwaaiden ze rechts om, en nog voor den middag waren ze bij Gouda.Het was een prachtige, zonnige vriesdag, en op de Gouwe krioelde het van de schaatsers.—„Hoe-oe!” schreeuwden de oomes al van verre, om zich vrij baan te maken. Hand in hand zwierden ze over de ijsvlakte, en de slee vloog al even lustig heen en weer.Ze hadden niet te klagen, dat de landrotten hun geen plaats lieten: ieder, die het stelletje ongezouten kerels met hun slee aan den gezichtseinder zag opduiken, ging bedachtzaam ter zijde en zag vroolijk naar de dolle bende en naar den dikken, angstigen, verkleumden jongen in de slee en den mageren, steilharigen hond, die het nu en dan uitjammerde van verlangst naar zijn zonnig Sumatra.Ze volgden de Gouwe, de Aar, de Drecht en kwamen aan den Amstel. Daar wuifden meisjes hun toe, en de oomes wuifden terug en schreeuwden „Hoera!” omdat de levenslust er nu eenmaal uit moest. Verduiveld, nog vóór de schemering zwierden ze met hun slee Amsterdam in!Gerretje had er nog een ouwe moei; die woonde aan den IJkant, en ze zou Gerretje en zijn makkers gráág herbergen en onthalen.Na drie uur heen en weer sjouwen was de moei gevonden. Gerretje klopte aan de lage deur. „We zullen het er van nemen, jongens”, zei hij. „Ze is wat van de knibbelige kant, maar voor mij heeft ze een zwak!”Maar de moei keek allesbehalve vriendelijk, toen ze het oude wijfjes-kopje met het witkanten knipmutsje uit het bovenraam stak en haar dierbaar familielid en zijn twintig makkers ontwaarde. „Wat moet dat daar?” vroeg ze krijschend.„Goeien avond, moei!” wenschte Gerretje haar toe. „Kun je ons voor vannacht bergen? Ik ben Gerretje, je neef. En dit zijn m’n vrinden.”De moei dacht even na. „Waar kom je vandaan?” vroeg ze toen.„Uit de Oost”, schreeuwde Harmen naar boven. „We komen regelrecht uit de Oost, moei!”[558]„Op schaatsen toch niet?!”„Ja zeker! Op schaatsen!” riep Gerretje. „Daar kunnen we je wat van vertellen, moei!”„Nou”, zei de moei na een aarzeling, „jij mag binnenkomen, omdat je m’n neef bent.”„En de anderen niet?” vroeg Gerretje weemoedig. „Denk er eens aan, moei, wat een tocht we achter de rug hebben! Geef ons ten minste een neutje; we zijn half bevroren.”„Ik heb niets in huis”, verklaarde de moei. „Maar verderop is ’tVette Varken,—daarkunnenjullie meteen slapen ook.”Maar de moei keek allesbehalve vriendelijk.....Maar de moei keek allesbehalve vriendelijk.….„Moei, wat ben je weer knibbelig”, klaagde Gerretje. „Laat mij nou er eens zoeken: ik zal nog wel ergens een kruikje vinden! Kom, je bent er zelf toch ook niet vies van?”„Ik zeg je, dat ik niets in huis heb!” zei de moei snibbig.„’t Is wèlles, ouwe tooverheks!” riep Gerretje driftig.Het raam sloeg dicht. Gerretje wilde de deur gaan bewerken, maar de maats susten hem. „Kom, Gerretje, maak je niet giftig; laat ze met haar neutje naar de weerlicht loopen!”„Heb je dáár nou een moei voor?” jammerde Gerretje droefgeestig.„Vooruit!” zei Harmen. „We gaan naar ’tVette Varken. Harremen betaalt!”Zoo toog men in optocht langs het kanaal naar de herberg, waar het onderdak vrij duur bleek te zijn. Een paar maats wilden ’s nachts doorrijden, maar de meesten hadden er geen trek[559]in, zetten hun gramschap tegen Gerrit’s knibbelige moei onder een borrel en wilden den stamgasten hier ook eens wat op de mouw spelden. Maar ze werden door de slimme Amsterdammers niet zoo grif geloofd: een was er bij, een landrot, die misschien nog nooit in een roeibootje had gezeten en toch ophakte, alsof hij z’n leven lang op Oostinje had gevaren: hij wist alles op een prik, de leelijke kikker, en liet hen nauwelijks aan ’t woord.Verdrietig, met gramschap in het hart, zochten de gebruinde maats, die me daar even door zoo’n witgesteven pennelikker uit het veld waren geslagen, hun logies op.„Er zit dooi in de lucht”, zei Hilke. „De wind is Zuid geworden.”Toen ze den volgenden morgen hun bol uit het dak venster staken, lagen er groote plassen op het ijs.„Natte voeten!” meende Gerretje. „Afijn, over een paar uur zijn we thuis!”Thuis.…! dat woord ging er in! Ze zouden er vandaag eens een gangetje inzetten!Padde keek bedenkelijk, toen hij dit plan vernam. „Als jullie nog woester rijdt dan gisteren, loopt de boel verkeerd!” meende hij.„O! Dat zit de heele weg lekker in de slee en heeft nog praats ook!” schimpten de oomes.Na de „vroegkost” met gloeiende koffie naar binnen geslurpt te hebben, rekende Harmen met den waard af. Deze bleek hen flink geplukt te hebben,—dat was zoo de gewoonte: janmaats keken toch niet op een stuiver!„Gevaarlijk spul met die nattigheid!” meende de waard, het geld opstrijkend.„Ja,jijzorgt wel, dat je droog blijft, duitendief!” viel Harmen grimmig uit.En toen ging het er in dolle vaart weer op los. Zoo fel zwierden de maats door het water, dat ze heelemaal nat werden. Er viel haast geen schaatser te ontdekken.Toen gebeurde het. Bij het omzwenken, de Zaan op, namen ze de bocht te kort; de slede botste tegen den kant, zeilde weer[560]over het ijs uit, zoodat de meest rechtsche schaatsers werden omgerukt,—sloeg toen tegen den anderen wal, juist tegen het steigertje van een molen, en lag in gruzelementen. Joppie was op den wal gesprongen; Padde liep een geweldigen buil op; de kisten lagen over het ijs verspreid.„Wat een rot-slee!” schimpte Gerretje, die ook op zijn achterwerk geslagen was en nu kwam aanstrompelen, de handen tegen zijn broek. „Heb je je pijn gedaan, Padde?”„Nou en of!” klaagde de arme jongen, nog wit van schrik.De molenaar was naar buiten gekomen.....De molenaar was naar buiten gekomen.….De molenaar was naar buiten gekomen, een wollen doek om den hals, en stond met de handen in de zakken naar het geval te kijken. „Sjonge-jonge”, filosofeerde hij, „jullie hebt zeker wat woest gereden! Moeten jullie naar Hoorn? Daar kun je op schaatsen niet komen.”„En waarom niet?” vroeg Gerretje uitdagend. „We sleepen ieder onze eigen kist, jongens!”„Dan kun je meteen je doodkist wel meesleepen”, zei de molenaar. „Verderop is het ijs vol wakken, en door het water zie je ze niet. Maar weet je wat? Nemen jullie mijn wagen!”„En dan zeker betalen, dat we scheel zien!” meende Harmen.„Hoe kom je daarbij?” vroeg de molenaar. „Jullie rijden voor niks!” En zich omwendend: „Jan! Span de wagen eens in!”„Ja, vader”, klonk het uit den molen.„Man!” stamelde Harmen in verrukking, „jij moest in een gouden lijstje!”De molenaar grinnikte. „Pak je kisten maar op en ga mee naar binnen. M’n vrouw heeft krentemik voor oud en nieuw.”„Drommels, ’t is de een-en-dertigste vandaag!” zei Hilke.„Nou, jullie kunt makkelijk thuis zijn vanavond”, meende de molenaar.[561]„Wij niet meer”, zeiden een paar maats. „Wij moeten nog door naar Enkhuizen.”„Ik kan de kar niet zoover missen”, zei de molenaar. „En morgenochtend moet ik m’n jongen ook weerom hebben; die gaat met jullie mee om de kar terug te brengen. Kan ie ergens onderdak, dat je weet?”„In ’tSillevere Anker”, zei Harmen. „Op mijn kosten.”„Nou, kom dan maar binnen. Waar komen jullie eigenlijk vandaan?”„Uit Oostinje!”„Wat je zegt! En die hond?”„Die komt van Poeloepoeloepatsji”, zei Harmen.„Dan zal hij het nu wel koud hebben”, meende de molenaar. „Kijk hem eens rillen!”En ze gingen den molen in. „Vrouw, ik breng je een stelletje Javanen mee!” riep de molenaar gul. „Kom maar gerust: ze bijten niet, behalve in je krentemik!”De vrouw, een goedlachsche, ou-bollige molenaarsgade, kwam met een dampende krentemik binnen en scheen allerminst bevreesd voor de „Javanen”.—„Lusten jullie boerenjongens op brandewijn?” vroeg ze.„Voor boerenmeisjes zijn we ook niet bang!” blufte Gerretje.„Stil jij!” schimpte Harmen. „Je bent met een menschenetersvrouw getrouwd!”„Is dat waar?” vroeg de molenarin, die juist dekrentemikaansneed.Gerretje was vuurrood geworden. „’k Zou jou je nek wel willen omdraaien!” siste hij Harmen toe.„Dat meen je niet”, zei Harmen.Gerretje zocht naar een woedend antwoord, maar juist op dit oogenblik zette de molenarin hem een dikke snede krentemik voor, en Gerretje vergat zijn woede. „Ja-ha!” grinnikte de molenaar, „zoo doet ze met mij ook: als ik nijdig ben, zet ze me wat lekkers voor de neus!” En hij trommelde tevreden op zijn rond buikje.Jongens, dekrentemiksmaakte! Ze smolt in je mond![562]Daar nog boerenjongens boven op, een stuk koek met suikerfiguren.…. De molenaar wist van uitpakken! Hij en zijn gezellig wijfje lachten maar, en de maats voelden zich wonderwel thuis.„Kom, jongens”, zei Hilke, „als we vóór donker in Hoorn willen zijn.….!”Maar hij moest een paar maal aandringen, voor de anderen opstonden.„Kijk!” zei Gerretje, aangedaan door het gastvrij onthaal, „die papegaai is voor jou! Hij kan Potverblomme! zeggen, maar als je hem pest, bijt ie.”Een stil, goed gevuld joggie....Een stil, goed gevuld joggie.…Toen voelde Harmen zich geroepen om den molenaar als herinnering een aapje te laten. Maar toen hij de kooi opende, lag het aapje stijf en koud op den bodem. Ze werden er allen even stil van.—„Snap ik niet”, zei Harmen. „Gisteren was ie nog zoo fleurig!”„Stom beest!” zei de molenaar meewarig.—Een der andere maats gaf hem toen een aapje, dat nog niet dood was. „We zullen het bij het vuur hangen”, stelde de molenaarsche voor.„Hoe dichter, hoe liever”, zei Harmen. „Dan denkt ie, dat ie in Java is.”En toen klommen onze vrienden na veel handdrukken en nieuwjaarswenschen in de kar. In het Westen trok een rosse sneeuwlucht op. „Heb je je goed ingepakt, Jan?” vroeg de molenaar.„Ja, vader”, antwoordde een blozend, stil, goed gevuld joggie met stroogele haren onder de pet, dat parmantig op den bok zat,—de teugels in de hand.„En heb je een lantaren bij je? Voor straks, als het donker is?”„Ja, vader.”„En zit er olie in?”„Ja, vader.”„En heb je je brood bij je? En je beursje?”[563]„Ja, moeder.” Bij elke bevestiging knikte het joggie—bleef droomerig voor zich uitzien.„Jan denkt toch om alles!” prees de molenaar.En de wagen zette zich in beweging. De maats wuifden om het hardst en schreeuwden hoera! De molenaar en zijn vrouw wuifden terug.Het begon zachtjes te sneeuwen; spoedig was de gastvrije molen als een schim weggebleekt in het grijs. De maats zaten in de aanvankelijk erg schokkende, maar ten slotte in de sneeuw haast geruischloos voortrollende kar dicht bijeen,—Joppie tusschen hun knieën. Nog vanavond zouden ze thuis zijn! Was het te bevatten? Padde en Hajo keken elkaar stil gelukkig aan; Harmen tuurde zwijgend naar den bodem van de kar. Eensklaps drukte hij Hajo een handvol guldens in de hand. „Doejijhet liever”, zei hij en zuchtte.„Wat?”„Dat geld aan Lijsken’s moeder geven. Ze woont aan de Markt.” En toen hij Hajo’s weifeling zag: „Toe, doe me die lol. Ga samen met je moeder.….”„Kijk me dat ventje eens mennen!” prees een maat.Gerretje knikte. „Een beste jongen. En.…. een zoete jongen!”„En die knol loopt ook met volle zeilen!”„Nou!” bevestigde Gerretje. „Laat mij er eens mennen, Janneman?”De jongen antwoordde niet, keek ook niet om, schudde alleen maar ontkennend het hoofd.„Denk je, dat ik niet met knollen kan omgaan?” vroeg Gerretje.„Met deze niet”, zei het jongetje.Gerretje werd nijdig. „Vooruit, ga van de bok af!”„Gerretje!” berispte Hilke. „De jongen stuurt best.”„Dat zeg ik ook niet! Maarikwil nou eens mennen. Vooruit, snotaap! De bok af!”De jongen schudde weer het hoofd, zonder omkijken.„Wel verduiveld!” schold Gerretje.Nu keerde de jongen zich om, hield het paard in. „Als je me verveelt, laat ik het paard staan, en dan kun je honderdmaal[564]vort! roepen; hij loopt toch alleen, alsikhet wil.”„Hou je toch koest, Gerretje”, pruttelden de anderen ook.Gerretje bromde wat, zakte op den bodem van den wagen neer, keek woedend voor zich uit.„Vort!” riep het kereltje op den bok. En het paard liep weer.De maats sloegen aan het zingen en wuifden met de mutsen, wanneer ze door een dorpje reden. De sneeuw begon steeds dichter te vallen; de wielen trokken al dieper voren in den witten weg, en zwart stonden de knotwilgen langs de nu geelbruine sloten.„We krijgen nog veel meer!” meenden de maats. Toen ze zich schor gezongen hadden, tuurden ze over de witte velden, en de wondere schoonheid van vallende sneeuw drong vaag door tot in hun varensgastenziel.Eindelijk.…. zagen ze goed?!.… daar schemerde in het Noord-Oosten.…. een bekende omtrek.…. de groote toren van Hoorn!Dol werden ze! Woest, razend van vreugde, begonnen ze in den wagen te dansen, vielen in elkaars armen. „Hoera! Hiep-hiep-hiep hoera!!Hoera!!!”En wuivend, zwaaiend, gillend en schreeuwend reden ze een kwartiertje later de Westerpoort in. „We komen uit Indië!” riepen ze den verbaasden straatgangers toe en hieven hun kooien met papegaaien en aapjes op. Zoo hadden ze in een ommezien een groot gevolg.„Halt! Daar loopt m’n broer! Krelis! Hou dan toch stil! Krelis! Hou je taai, jongens! Ik moet.…. Krelis! Krelis!” En de oome was met zijn kist en papegaai uit den wagen gesprongen, rende met groote sprongen op z’n broer toe. De anderen zagen, terwijl ze weer voortdansten, holderdebolder over de keien, hoe de broers elkaar in de armen vielen.….Op de groote markt stopte de kar; allen sprongen er uit, drukten elkaar de hand en sjouwden hun hebben en houwen door de sneeuw naar huis.Nu ze alleen waren, maakte de vreugde op hun gelaat voor een bezorgde uitdrukking plaats. Zou thuis alles goed zijn.….?![565]Daar stond Hajo’s huisje! Was het zoo klein?? Hijgend rukte Hajo de lage deur open en stortte zich naar binnen. „Moeder! Moeder!!Moedertje!!!”Daar lag hij in haar armen. In de armen van zijn moedertje. En beiden snikten en lachten en kusten elkaar en drukten elkaar aan het hart. Was zijn moedertje zoo klein en zoo tenger??Wat was ze zacht!Moeder! Moedertje van mij!„Peter! M’n jongen!”Zijn moeder nam zijn hoofd tusschen haar handen, wilde het bezien, maar begon dan weer te schreien en te lachen en overdekte het met kussen zonder een woord anders te kunnen zeggen dan: „Jongen! Mijn jongen! Ben je daar weer? Hoe is het mogelijk? Mijn Peter.….”Uit de achterkamer waren de andere kinderen gekomen, verwonderd, met hun houding niet goed raad wetend. Hajo sprong op en drukte hen aan het hart en wist niet, waar hij het eerst heen moest kijken en wie hij het eerst kussen moest. „Antje! Maartje! Wat groot zijn jullie geworden! O, wat heerlijk! En Doris! Ken je mij niet meer? Ken je Peter niet meer?” Hajo knielde voor Doris, die bedremmeld in een hoekje stond en Hajo met groote oogen aankeek.„W-waar is de olifant?” vroeg Doris stamelend.Hajo kuste hem van alle kanten. „Hij kent me nog!! Hier, hier is je olifant!” Hajo sprong op, keek in verrukking rond, viel zijn moeder weer om den hals, die hem met stralende oogen aankeek, rukte toen zijn kist open, gooide alles onderstboven. „Hier!” riep hij, terwijl de dikke tranen hem over de wangen rolden. „Hier, Antje! Een pop voor jou! Met Chineesche oogen,—is hij niet mooi? En een waaier! Voor jou, Maartje! Ruik er eens aan: hoe lekker! Moedertje, ’k word voor stuurman opgeleid! En later voor schipper! Hier! wie moet die armband hebben? En kijk eens, Doris! Hé? Wat heb ik hier? Wat heb ik hier voor jou?”—Hajo kroop op de knieën naar Doris toe, omvatte hem en hield hem een wit ivoren olifantje voor den neus. „Kijk z’n slurf eens? En z’n tanden?”[566]„En.…. en de menscheneter?” vroeg Doris, met een blijde uitdrukking op zijn rond kindergezichtje den „olifant” bekijkend.„De menscheneter? Hier is de menscheneter! Hau-auw!” En Hajo maakte een menschenetersgezicht en hapte naar Doris, die schaterend van de pret vluchtte en door Antje werd opgetild. Hajo sloot hen beiden in de armen. „Antje! Wat ben je een meid geworden!”„Dacht je, dat ik altijd zoo klein bleef?” vroeg Antje. „Jij bent ook groot geworden, zeg! Niet waar, moeder?”Moeder knikte, zonder nog te kunnen spreken. En toen Hajo zich weer in haar armen wierp, snikte ze het weer uit. „M’n jongen.…. wees niet boos, dat ik nog huil! Ik ben zoo blij, dat je terug bent! Het is alles zoo onverwachts gekomen. En.…. Heb-heb je een goeie reis gehad?”„Terug wel, moedertje! Maar deNieuw-Hoornis vergaan!”„Verg.….?!!”„Ja! Door Padde’s schuld. ’k Heb geld bij me, moedertje! Kijk eens?!!” Hij legde handen vol guldens in zijn moeders schoot. „Is het niet veel? Twee-en-zeventig gulden en zeven stuivers! Hier heb ik nog meer geld, maar dat is voor Lijsken’s moeder. Lijsken is onderweg aan de scheurbuik.….!!”En toen begon Hajo te vertellen. Bij stukken en brokken. Van den brand aan boord, den tocht met de jol, van Dolimah, den panter, Pa-Samirah, het vlot, en dat hij bij den Bruinvisch in Amsterdam moest komen.….Onder zijn opgewonden, verward vertellen viel de klopper. Padde stond aan de deur.„Padde!!!”En ook de brave dikzak werd door Hajo’s moeder omhelsd en gekust, en hij zelf snikte, alsof Hajo’s moedertje ook de zijne was.„Jongen, wat heb jij je moeder een verdriet gedaan!”„’k Heb haar vijf-en-zestig gulden en zeven stuivers meegebracht”, zei Padde. „Ze laat vragen, of jullie vanavond bij ons komen, Maartje ook.—Dag Maartje! Wat zijn jullie allemaal groot geworden! Bij mij thuis ook! ’k Heb er nog een zusje bijgekregen!”[567]„En is thuis alles goed?” vroeg Hajo.„Best. Alleen m’n vader.…. die is een half jaar geleden verdronken.”Er kwam even stilte in het vertrek. Padde haalde diep adem en kuchte. „In de sloot achter de Zuidwal”, zei hij er toen achteraan. En plots, het hoofd gebukt, en op een harden toon, die anders nooit over zijn lippen kwam: „’t Is z’n eigen schuld. Hij was weer dronken. Die.…. die.…. die dronkelap!”„Padde”, zei Hajo’s moeder zacht, „jij mag niet zoo over je vader spreken.”Padde schudde driftig het hoofd. „Wat doet ie m’n moeder te slaan? En het geld te verdrinken? En de meubels te verkoopen?”„Maar.…. maar nu is hij toch dood, Padde.”Padde worstelde met iets.Hajo’s moeder stond met droeven glimlach op, nam Padde in haar armen en kuste hem. „Zeg maar aan je moeder, dat wij komen.”En Padde ging, schreiende.„Nu, m’n jongen”, zei Hajo’s moeder, „nu moeten wij samen nog even uit. Heb je.…. heb je daar het geld van die gestorven vriend van je? We gaan geen blijde boodschap brengen, m’n jongen, maar.…. het moet.” Ze ging naar de kast, sloeg een doek om.En even later stapte Hajo met zijn moedertje aan den arm de deur uit. Dicht aaneengedrukt liepen ze door de besneeuwde straten. „Mijn jongen, wat ben je groot geworden.….” verzuchtte zijn moeder. „Ik moet heelemaal tegen je opzien!”„Maar ik ben ook al zestien, moedertje! Is de tijd niet gevlogen?”Zijn moeder glimlachte. „Niet.…. niet altijd, Peter.” Toen werd ze stil, en haar gedachten schenen afwezig. Hajo droeg het geld voor Lijsken’s moeder in een zakdoek geknoopt.Het was gaan schemeren. De lichte vensters glansden neer op de sneeuw. Uit de rossig-grijze lucht dwarrelde het maar voort.Bij de Waag zagen ze twee bekende gestalten: Harmen en Gerretje, hun kist op den nek. Gerretje droeg bovendien[568]Harmen’s waterpijp nog, en Harmen klemde onder den linkerarm zijn dierbare viool. Joppie dribbelde met opgetrokken pooten tusschen hen in.„Schip ahoy!” riep Hajo.De beide gestalten hielden stil. „Hallo, Hajo!”„Waar gaan jullie heen?” vroeg Hajo. „Zijn jullie al thuis geweest?”„Ja wel”, zei Harmen, met een aarzelen den blik op Hajo’s moeder, „maar ze zijn verhuisd! Naar Alkmaar, zeggen de buren. Tja.….! We gaan nou maar eerst naar ’tSillevere Anker!”„Dit is nou Harmen, moeder!” zei Hajo trots. „Die heeft samen met mij die panter.…. weet je wel?”Hajo’s moeder stak Harmen de hand toe. „Harmen, ik dank je voor wat je voor mijn jongen gedaan hebt! Voor alles, hoor, voor alles dank ik je!”Harmen werd verlegen. „’n Kleinigheid, juffrouw.….!—Afijn, ’t had raar kunnen afloopen! Als je nou bedenkt, die arme Floorke.….! We gaan z’n meisje in ’tSillevere Ankernou zeggen, wat er met hem aan het handje is.”„Arme meid”, zuchtte Gerretje.„Zeg dat wel”, viel Harmen hem op droefgeestigen toon bij. En met afgewenden blik sloeg Harmen op zijn zwarte vioolkist en kuchte. „Hilke is bij z’n meisje,—die was in haar nopjes!”„Nou! Ze drukten mekaar zoowat plat!” grinnikte Gerretje.„Kijk moeder, dat is nou Joppie! Die is ook mee door Sumatra geweest!”„Arm beest!” zei Hajo’s moeder, toen het dier bibberend tusschen Harmen’s beenen kroop.„Hij zal er wel aan wennen!” stelde Harmen haar gerust. „Nou, dag, juffrouw! Ajuus, Hajo!”—En het drietal spoedde zich over de verlaten marktplaats voort naar ’tSillevere Anker.….Lijsken’s moeder, een bleek, mager, klein vrouwtje met groote lijdensoogen, nam stilzwijgend de zilveren guldens[569]in ontvangst en borg ze weg in een oude, gehavende kast.„Ik was er al bang voor.….” Dat was al wat ze zei. Toen Hajo’s moeder haar kuste, schreide ze.Zoo vierden allen het Ouwe jaar nog in Hoorn. En de maats, die morgen verder moesten, naar Enkhuizen, zaten bij hun makkers aan den haard en hielpen opsnijden.Buiten viel de sneeuw altijd maar door; als een teedere moederhand legde de sneeuw zich over het stadje.…. er moesten vele schrijnende wonden worden bedekt.Vertrouwelijk, als goede raadgevers, wandelden te middernacht twaalf klokkeslagen over de sneeuw.Toen zochten de handen elkaar in diepgevoelde vreugde.Stadsgezicht.EINDE
DE THUISKOMSTDE THUISKOMST
DE THUISKOMST
Den achtsten Maart van het jaar 1620 lichtte deNieuw-Zeelandde ankers, en den acht-en-twintigsten December van hetzelfde jaar liet zij ze na een gunstige reis weer vallen op de zandige reede van Vlissingen.Met tranen in de oogen hadden onze vrienden Rolf vaarwel gewuifd, toen een ferme Zuid-Oostenwind de zeilen bollen deed en deNieuw-Zeelandstatig voortdreef van Java’s groene kust, en met tranen in de oogen hadden ze den acht-en-twintigsten December in den vroegen morgen, rillend van kou, in den grijzen nevel de duinen van Walcheren zien schemeren. Daar stonden ze bij elkaar, den kraag van hun duffelsche hoog opgezet, de handen en de polsen in den broekzak, Hajo en Harmen en Hilke en Gerretje en Padde en honderd andere maats en zwetsten allen dooreen en woven en schreeuwden, of bliezen zich in de handen.Zie, daar lag Vlissingen met zijn roode daakjes en zijn stompen toren, waar de vlag uithing, omdat er een Oostinjevaarder, deNieuw-Zeeland, uit het verre menschenetersland was binnengeloopen, de ruimen vol peper, kruidnagelen, koffie, tabak! Nu liep alles van de werkplaats weg, de smid nog zwart van het roet, de bakker witbestoven, de timmerman met zijn schaaf in de hand, en door de kleine vensters der havenkantoren gluurden de klerken, kauwend op hun ganzeveeren. De reeder, deftig in het zwart, met witten[548]kraag en handschoenen, vergezeld door de heeren van het kantoor, nam waardig in zijn sloep plaats om zich aan boord te laten roeien.En de kwajongens? Nee, maar, de kwajongens! Alom klapperden hun klompjes over de keien; ze kropen onder karren en paarden door, de rakkers; ze baanden zich met de ellebogen een weg door de menschen en voeren in volgepropte bootjes hals-over-kop naar den Oostinjevaarder.Grinnikend hingen de maats over de balie, zagen toe, welke van de benden kleine zeeroovers met de lauweren zou gaan strijken: het eerst bij den Oostinjevaarder te zijn aangekomen, het eerst hoera! geschreeuwd te hebben, met de mutsen gezwaaid en gevraagd te hebben: „Goeie reis gehad? Gooi eens watIndischnaar beneden?” Daarvoor doken ze desnoods in het ijskoude water, de bengels, die nu, trekkend aan de riemen als dollemannen, naderbij kwamen. En daarginds, aan de kade! Zie eens, wat een volk er toeliep! En wat een vlaggen er nu fonkelden in de klare zon!Ja, jongens, ze waren weer in hun bovenste beste kikkerlandje! En al die vlaggen, al dat volk, al die opwinding was voor hen!Of ze weer terug wilden naar de Oost? Voorloopig had niemand er trek in! Nu, ja, ze kenden zichzelf wel: als ze weer een maand lang gehokt hadden, met een pijp en een kop koffie bij den haard, en zoo lang over hun reizen hadden opgesneden, dat ze zelf niet meer wisten, wat waar gebeurd en wat gelogen was, en ze in hun verhalen vastraakten, zoodat niemand hen meer geloofde; wanneer de volle zak gage, die ze meekregen, een leege zak geworden was, dan werden ze sagrijnig, dan luisterden ze naar het gezellig jammeren van den wind in de schouw, dan kregen ze verlangst naar het vooronder en hun kameraden, dan gingen ze zoo er eens naar de zee kijken, hoewel ze een maand geleden hadden gezworen, haar nooit weer terug te willen zien, omdat ze ’t zoute water nou wel zat waren, en.…. verdikkoppe! een week later hadden ze weer aangemonsterd voor Jan Oost.Maar nu de ankerpalen ratelden, zat de vreugde hun nog[549]tot boven in de keel. Straks zouden ze afmonsteren en, den zak vol blinkende daalders, op den wal staan met hun aapjes en papegaaien, die, sinds het koud was, in omwonden kooien in de kombuis hingen. Daar hongen ze lekker warm!Ook Joppie hokte in de kombuis, stelde niet het allergeringste belang in Walcheren, Vlissingen, of in iets anders, dat koud was.Op het water krioelde het al van roeibootjes vol kwajongens, die hun nek pijnigden met het naar boven kijken. „Hé, Lange!” schreeuwden ze omhoog, „spreek jij eens Maleisch? Ofkenje het niet eens?”„Papperalapoetje!” schreeuwde de „Lange” omlaag.De jongens rolden de boot haast uit van het lachen. „Nou, en wat beteekent dat nou?”„Dat zeggen ze altijd, als ze je villen!” lichtte de „Lange” toe.Nieuw gegrinnik. „Nou, als ze jou zouden villen, hadden ze een heele lap, zeg!” roept er een. „Papperalapoetje—Pas maar op je hoedje!” Alles daar beneden giert van het lachen over dezen geestigen zet.Twee uur later begon de afmonstering. Harmen kwam in de kombuis, pakte Joppie in zijn nekvel en schaarde zich in de rij wachtenden voor de kajuit.„Wat moet dat?” jammerde Joppie, bibberend over al zijn leden.„We gaan afmonsteren, Joppie”, zei Harmen.En zoo kwamen de jongens aan de beurt en schoven met z’n drieën de kajuit in; Joppie ook,—verdekt achter Harmens rug.Of de Bruinvisch tevreden was over zijn scheepsjongens? Eerst wendde hij zich tot Harmen. „Jij gaat de volgende reis weer mee!”„Ik ga niet meer varen”, zei Harmen.„Dan ken ik je beter, dan je jezelf kent”, meende de Bruinvisch.„Nou”, zei Harmen, „ik zal een bruinvisch wezen, als ik me ooit weer op zoo’n smerige Oostinjevaarder laat aanmonsteren.”Er was even stilte in de kajuit. De Bruinvisch keek met vervaarlijke[550]oogen naar Harmen’s gelaat, waarop niets dan bittere ernst te lezen stond. „Hier! Neem je gage!” bulderde de Bruinvisch.„Dankje, schipper”, zei Harmen onderdanig. Om het geld te kunnen opstrijken, moest hij Joppie loslaten. Dit wakkere dier zwikte op zijn vier pooten door, ontwaarde den opgezetten tijger en zette alle haren steil overeind.De Bruinvisch liet z’n oogen rollen. „Wat moet diehondhier in de kajuit?!”„Afmonsteren en z’n gage halen”, verklaarde Harmen. En toen kon hij zich opeens niet meer goed houden, begon te grinniken, streek haastig het geld op en liet het in zijn broekzak glijden. „Nou, dag, schipper! ’t Ga je goed!” En Harmen verliet met bekwamen spoed de kajuit. Joppie achter hem aan, den staart tusschen de pooten.De Bruinvisch hapte naar adem. „Nu jij!” wendde hij zich barsch tot Hajo. „Ik zal je brief afgeven in Amsterdam en er nog een woordje bij doen. Waar moet je heen? Naar Hoorn? Nou, dan ben je niet zoo ver af. Hier is m’n adres, zie je, dat heb ik voor je opgeschreven! En Maandag over een week kom je bij me, dan neem ik je mee naar de heeren van de Compagnie. Begrepen?”Of Hajo het begrepen had!„Hoe ga je nu naar Hoorn? Loopen?”„Ja, schipper. Maar Harmen zei.…”„Harmen?! Vraag ik je, wat Harmen zei? Je kunt tot Dordrecht met de jol gaan,—die is voor het volk, dat die kant uit moet. En verder loop je maar, dat is gezond. En laat je onderweg je geld niet afstelen: een landrot is nooit te vertrouwen! Hier is ’t. Met wat je in bewaring hebt gegeven, drie-en-zeventig gulden.—En nou jij!” Dat was tegen Padde. „Waarom schipper Bontekoe jou nog apart heeft aangemonsterd, zal me eeuwig een raadsel blijven. Weet je, wat jij bent? Een nietsnut! Een landrot!”„Nou, ik wou ook nooit varen!” zei Padde, woest. „Ik wou bij m’n oom in de brouwerij!”De Bruinvisch keek hem verbaasd aan. „En waarom ben je dan naar Oostinje gegaan?”[551]„Ik heb.…. ik heb me verslapen!”„Hè??—Nou, dat je een slaapkop bent, heb ik gemerkt. Hier is je geld. Vier-en-zestig guldens. Negen-en-dertig plus zeven-en-twintig.….”„Is zes-en-zestig en niet vier-en-zestig”, merkte Padde op. „Twee gulden te min!”„Wat?!” De Bruinvisch sloeg aan het rekenen en bevond, dat Padde gelijk had. „Hier dan!” pruttelde hij, z’n lade openend en nog twee gulden op tafel werpend. „’k Dacht net, dat m’n boeken nu eindelijk klopten.….”Even later stonden de jongens buiten. „Daar wou hij me eventjes twee guldens afvangen!” zei Padde verontwaardigd. „’k Zou er anders niks van zeggen, maar die schippers verdienen genoeg! Nietwaar, Harmen?”„Nou!” viel Harmen hem bij. „De Bruinvisch krijgt meer gage dan wij met z’n drieën, en hij heeft er niet half zooveel voor gedaan!”’s Middags voer de jol weg. Dat gaf me een afscheid tusschen de oomes! Er vloeiden tranen.…. emmers vol! Allen wisten, dat ze elkaar binnen enkele weken weer terug zouden zien. Maar ze namen afscheid voor eeuwig en wuifden, zoolang ze maar een muts konden zwaaien.De wind zat pal in het Noorden, zoodat de jol tusschen Walcheren en Zuid-Beveland geducht laveeren moest. En het was zoo ijzig koud op het water, dat allen in de holte van de boot dicht bijeen gingen zitten, ’n zeiltje over de boorden gespannen. Tegen donker meerden ze de jol aan den Zuiderdijk van Noord-Beveland, waar een boerendak opdook. Ze klauterden met stijve beenen, slapende voeten en verkleumde vingers en teenen tegen den dijk op en kropen allen bijeen op den warmen hooizolder, die hun door den boer bereidwillig werd afgestaan.„Waar komen jullie weg?” vroeg de boer, hun met een kaars voorgaand,—het laddertje op naar den zolder.„Van Batavia”, zei Padde.„Waar legt dat?”„Vlakbij, als je d’r eenmaal bent”, lichtte Harmen hem in.[552]„Kom, Joppie!” En Joppie werd voor de zooveelste maal in z’n nekvel gepakt.„Moet die hond mee op zolder??” vroeg de boer.„Waarachtig!” zei Harmen. „Die heeft al meer gezien dan vijftig boerenkaaskoppen.”„Nou, ’t is een leelijk mormel”, gromde de boer.„Zeg hem dat eens in ’t Maleisch”, zei Harmen. „Dan vliegt ie je naar de kuiten.”„Waar komen jullie weg?”„Waar komen jullie weg?”Toen waren allen boven; de boer klapte het luik dicht en trok de ladder weg, zoodat de mannen opgesloten zaten.„Hij vertrouwt ons voor geen pruim tabak!” meende een oome.„Zou hier geen kippetje te graaien zijn voor Ouwejaarsavond?” vroeg Gerretje, tastend langs de hanebalken. Daar fladderde een haan luid kakelend weg. „Wat een mormel!” schold Gerretje. „Hij heeft me gepikt!”Hè, het was lekker warm hier op zolder! Zelfs Joppie ontdooide. De mannen rolden zich in het hooi, genoten nog eens volop van het bewustzijn, weer in hun eigen lief landje te zijn. Thuis moesten ze weten, dat de jongens al weer binnen waren! Hoe zou het thuis zijn? Toch alles goed? Een kleine ongerustheid, die in hun ziel sloop, werd er weer uitgebezemd. En even later snurkten allen zoo, dat de boer en zijn vrouw verbaasd hun neuzen boven de dekens uitstaken en zich afvroegen, waarom de varkens vannacht zoo rumoerig zouden zijn. Biggen op komst.…?Al vroeg werden de janmaats weer wakker door het gekakel van een kip, die wijd en zijd verkondde, dat ze, hoewel het winter was, voor den boer toch nog een eitje had gelegd. Gerretje brak het open en dronk het leeg. „Nog warm!” Anderen morrelden aan het luik, maar het zat van onderen vast. Eindelijk kwam de boer en opende het.[553]„Ook goeie morgen!” wenschten de maats het slaapdronken hoofd met de bonte nachtmuts toe.„Wat zijn jullie vroeg!” mopperde de boer. „’t Is nog zoo koud!”„Heeft het gevroren?”„Nou! De pomp zal wel vastgevroren zijn!”„Heb je dan soms een bakkie heete koffie voor ons?”De boer gromde wat. „Kom nou maar eerst beneden!”„Die groote, witte kip heeft een ei gelegd”, zei Gerretje onder het afdalen.„Ja. Dat is een beste!” knorde de boer, tevreden. „’k Zal het straks wel halen.—Wat hebben jullie in die kooien?”„Jonge leeuwen”, lichtte Gerretje in.„Nou, jullie maakt er wat van!” grinnikte de boer.„Heb je niks te bikken, Hannes?” vroeg Harmen hem.„’k Heb nog wel een homp brood voor je”, zei de boer. „Die wou ik aan de varkens geven, omdat ie zoo hard is.”Een dik, norsch wijf.....Een dik, norsch wijf.….Even later zaten allen te kauwen op het keiharde brood.—De vrouw van den boer kwam ook, een norsch, dik wijf in nachtmuts en onderrok, en ging zonder groeten koffie zetten, blazend in het vuur, alsof ze den heelen oven wilde wegblazen en haar man en zijn gasten er bij. Op de hoffelijkheden der galante oomes zei ze geen boe of ba. De boer was in den stal gegaan.De koffie bleek slap te zijn en niet van de beste soort, maar warm was ze,—dat scheelde al veel. Er waren maar twee koppen, zoodat de janmaats ze maar lieten rondgaan.De boer kwam uit den stal terug en begon een lang verhaal over een koe op te disschen, die hij van ’t voorjaar gekocht en van het najaar weer verkocht had en waarop hij zoo’n schade had geleden. En dan had het van het voorjaar zoo weinig geregend, en hij had den heeren van het Waterschap[554]eens even de waarheid gezegd, en hij had ook een neef bij de Secretarie, en z’n wijf was zoo best, nooit ziek of zoo, en zijn zeug had dertien biggen gekregen, waarvan hij er een verdronken had, omdat dertien een ongeluksgetal was.….De oomes lieten hem zwammen, tot ze allen hun bakje koffie hadden leeggelurkt. Toen stonden ze op. „Nou, Hannes”, zei Harmen en stak den boer de hand toe. „Bedankt voor je rot-koffie, hoor!”De boer grinnikte. „Goeie reis!”„Vergeet je dat eitje niet van de zolder te halen?” riep Gerretje.„’k Zal er temet om gaan”, antwoordde de boer.En de janmaats staken weer van wal. Alles was in grijze morgennevelen gehuld. De wind zat nog even beroerd in het Noorden en blies vinnig de nevelen over het water, zoodat de maats roode oorlelletjes en neuspunten kregen. Ze staken de breede Oosterschelde over. In het midden was het zoo duivelsch koud, dat je adem bevroren op je lippen sloeg. Joppie lag rillend in Harmen’s armen; de kooien met aapjes waren in het bergplaatsje voor de proviand neergezet.—Nu zeilden de maats tusschen Duiveland en Tholen het Mastgat in, de Zijpe door, toen om Overflakkee het Volkerak door in het Hollandsch Diep.Bij de Dordtsche Kil wachtte hun een teleurstelling: het water was bevroren. Tegen loopen zagen ze niet op, maar hoe moesten ze met hun kisten aan? Ze meerden de jol voor een herberg en bespraken de zaak bij een kroes warmen, Spaanschen wijn.„Ik wil jullie m’n slee wel verkoopen”, zei de waard, een leelijke, schele kerel.„Is het ijs dan sterk genoeg?”„Daarstraks is er nog een op schaatsen uit Rotterdam gekomen”, zei de waard.„Laat kijken je slee!” In optocht volgde het heele stelletje den waard, die hun in een schuurtje een groote, groene bak-slee aanwees.„Wat moet die ouwe waschbak nog opbrengen?” vroeg Harmen.[555]„’n Daalder.”„Je bedoelt zeker, als we jou en je heele kroeg er bij koopen?”De waard haalde de schouders op. „Niemand dwingt je, die slee te koopen. Ik wil hem voor minder niet kwijt. Jullie kunt er je heele rommel in laden!”„Vooruit!” zei Hilke. „Hij is gekocht!”Harmen pruttelde nog wat. „Afijn!” zei hij. „Weet je je wat, jongens? Ik ga naar Dordt en zie in een oud roest-zaakje schaatsen op te scharrelen. Dan trekken we de slee!—Hé, afzetter, leen me je schaatsen even naar Dordt: ’k ben zóó weerom.”..... dat hij het schaatsenrijden nog niet verleerd had......…. dat hij het schaatsenrijden nog niet verleerd had.….Grommend ging de waard de schuur weer in en gaf Harmen een paar verroeste schaatsen. Harmen schoot ze, zuchtend van lol, aan, holde er mee weg en sprong op het ijs. Daar maakte hij, om te toonen, dat hij het schaatsen nog niet verleerd had, een kuitenflikker en begon toen met ver naar voren gebogen rug, de handen in de zakken, tegen den wind op te werken in de richting Dordrecht.De anderen gingen de herberg weer in, dronken nog een kroes wijn tegen de kou. Ze werden doezelig en kregen slaap. De schemering viel alweer in.„We moeten hier maffen”, meende Gerretje. „Of heeft er iemand lust, vannacht in een wak te rijden?” Hij keek rond, maar toen er geen liefhebbers voor het wak bleken te zijn, sloeg hij met den waard aan het onderhandelen over den logiesprijs. Voor acht stuiver den man met avondeten er bij en nog een „flapkanne” Spaanschen wijn werd de zaak ten slotte beklonken.Tegen donker kwam Harmen weer aanscheren, een bos schaatsen over den rug. „Daar word je lekker warm van!” riep hij, terwijl hij den dijk opkrabbelde. En met zijn schaatsen nog aan de voeten sjouwde hij de gelagkamer binnen. „’t Moet vannacht nog maar wat vriezen, jongens, want ’t ijs kraakt als de weerlicht, en ’k heb er twee zien doorzakken!”[556]Terwijl de maats de schaatsen verdeelden en de roestige ijzers wat aanzetten op den met zand bestrooiden vloer, kwam de waard met een dampende pan watergruwelen aanzetten.Dat smaakte! De maats slobberden, als hadden ze een week gevast.„Je hebt ’t hem vlug gelapt, Harmen!” prees Gerretje. „Wat heb je nou nog voor dat oud roest betaald?”„Oud roest?” vroeg Harmen beleedigd. „Als je een beetje rijden kunt, heb je er het roest in twee slagen af. ’k Heb er drie stuivers per stuk voor betaald.”„Toe maar, het kan niet op!” meende een zuinige oome.„Nou, je hoeft ze me niet weer af te koopen”, zei Harmen. „Loop jij dan maar, als je dat liever doet.”„Kom!” susten de anderen. „Als jullie deining wilt maken, maak dan deining tegen een landrot, dan doen we allemaal mee!”’s Avonds, bij de schouw nog wat gezelsend, speldden ze den boeren uit den omtrek de meest gewaagde avonturen op de mouw. Toen de boeren laat in den avond met een stuk in hun kraag huiswaarts keerden, duizelde het hun zoo van tijgers, krokodillen, reuze-slangen en menscheneters, dat er twee arm aan arm een sloot intuimelden.Gelukkig lag er keihard ijs op.Bij hanegekraai zaten de maats al in het beijzelde riet hun schaatsen aan te binden. En met een homp brood in den tintelenden knuist reden ze er op los,—een touw om het middel, waarmee ze de slee voorttrokken, die als een veertje over het ijs vloog. Padde zat er met Joppie bibberend in: voor hen had Harmen geen schaatsen meegebracht.Of het vannacht gevroren had! Het ijs was pikzwart met witte munten er in. Als een wervelwind joeg het groepje janmaats voort, en bij de eerste bocht zwaaide de slee al zoowat tegen de knoestige wilgen aan den oever. Joppie’s haren rezen te berge, en Padde, wiens groen-blauw gelaat van schrik paars werd, schreeuwde: „Heila! Kalm aan wat!”Maar de janmaats hoorden niets. Wat werden ze al lekker warm! Hoe langer hoe doller ging het.In een klein half uur hadden ze Dordrecht bereden. Ze kochten[557]een paar versche brooden, warm uit den oven, en togen kauwend verder,—nu in de richting Rotterdam. Bij den IJssel zwaaiden ze rechts om, en nog voor den middag waren ze bij Gouda.Het was een prachtige, zonnige vriesdag, en op de Gouwe krioelde het van de schaatsers.—„Hoe-oe!” schreeuwden de oomes al van verre, om zich vrij baan te maken. Hand in hand zwierden ze over de ijsvlakte, en de slee vloog al even lustig heen en weer.Ze hadden niet te klagen, dat de landrotten hun geen plaats lieten: ieder, die het stelletje ongezouten kerels met hun slee aan den gezichtseinder zag opduiken, ging bedachtzaam ter zijde en zag vroolijk naar de dolle bende en naar den dikken, angstigen, verkleumden jongen in de slee en den mageren, steilharigen hond, die het nu en dan uitjammerde van verlangst naar zijn zonnig Sumatra.Ze volgden de Gouwe, de Aar, de Drecht en kwamen aan den Amstel. Daar wuifden meisjes hun toe, en de oomes wuifden terug en schreeuwden „Hoera!” omdat de levenslust er nu eenmaal uit moest. Verduiveld, nog vóór de schemering zwierden ze met hun slee Amsterdam in!Gerretje had er nog een ouwe moei; die woonde aan den IJkant, en ze zou Gerretje en zijn makkers gráág herbergen en onthalen.Na drie uur heen en weer sjouwen was de moei gevonden. Gerretje klopte aan de lage deur. „We zullen het er van nemen, jongens”, zei hij. „Ze is wat van de knibbelige kant, maar voor mij heeft ze een zwak!”Maar de moei keek allesbehalve vriendelijk, toen ze het oude wijfjes-kopje met het witkanten knipmutsje uit het bovenraam stak en haar dierbaar familielid en zijn twintig makkers ontwaarde. „Wat moet dat daar?” vroeg ze krijschend.„Goeien avond, moei!” wenschte Gerretje haar toe. „Kun je ons voor vannacht bergen? Ik ben Gerretje, je neef. En dit zijn m’n vrinden.”De moei dacht even na. „Waar kom je vandaan?” vroeg ze toen.„Uit de Oost”, schreeuwde Harmen naar boven. „We komen regelrecht uit de Oost, moei!”[558]„Op schaatsen toch niet?!”„Ja zeker! Op schaatsen!” riep Gerretje. „Daar kunnen we je wat van vertellen, moei!”„Nou”, zei de moei na een aarzeling, „jij mag binnenkomen, omdat je m’n neef bent.”„En de anderen niet?” vroeg Gerretje weemoedig. „Denk er eens aan, moei, wat een tocht we achter de rug hebben! Geef ons ten minste een neutje; we zijn half bevroren.”„Ik heb niets in huis”, verklaarde de moei. „Maar verderop is ’tVette Varken,—daarkunnenjullie meteen slapen ook.”Maar de moei keek allesbehalve vriendelijk.....Maar de moei keek allesbehalve vriendelijk.….„Moei, wat ben je weer knibbelig”, klaagde Gerretje. „Laat mij nou er eens zoeken: ik zal nog wel ergens een kruikje vinden! Kom, je bent er zelf toch ook niet vies van?”„Ik zeg je, dat ik niets in huis heb!” zei de moei snibbig.„’t Is wèlles, ouwe tooverheks!” riep Gerretje driftig.Het raam sloeg dicht. Gerretje wilde de deur gaan bewerken, maar de maats susten hem. „Kom, Gerretje, maak je niet giftig; laat ze met haar neutje naar de weerlicht loopen!”„Heb je dáár nou een moei voor?” jammerde Gerretje droefgeestig.„Vooruit!” zei Harmen. „We gaan naar ’tVette Varken. Harremen betaalt!”Zoo toog men in optocht langs het kanaal naar de herberg, waar het onderdak vrij duur bleek te zijn. Een paar maats wilden ’s nachts doorrijden, maar de meesten hadden er geen trek[559]in, zetten hun gramschap tegen Gerrit’s knibbelige moei onder een borrel en wilden den stamgasten hier ook eens wat op de mouw spelden. Maar ze werden door de slimme Amsterdammers niet zoo grif geloofd: een was er bij, een landrot, die misschien nog nooit in een roeibootje had gezeten en toch ophakte, alsof hij z’n leven lang op Oostinje had gevaren: hij wist alles op een prik, de leelijke kikker, en liet hen nauwelijks aan ’t woord.Verdrietig, met gramschap in het hart, zochten de gebruinde maats, die me daar even door zoo’n witgesteven pennelikker uit het veld waren geslagen, hun logies op.„Er zit dooi in de lucht”, zei Hilke. „De wind is Zuid geworden.”Toen ze den volgenden morgen hun bol uit het dak venster staken, lagen er groote plassen op het ijs.„Natte voeten!” meende Gerretje. „Afijn, over een paar uur zijn we thuis!”Thuis.…! dat woord ging er in! Ze zouden er vandaag eens een gangetje inzetten!Padde keek bedenkelijk, toen hij dit plan vernam. „Als jullie nog woester rijdt dan gisteren, loopt de boel verkeerd!” meende hij.„O! Dat zit de heele weg lekker in de slee en heeft nog praats ook!” schimpten de oomes.Na de „vroegkost” met gloeiende koffie naar binnen geslurpt te hebben, rekende Harmen met den waard af. Deze bleek hen flink geplukt te hebben,—dat was zoo de gewoonte: janmaats keken toch niet op een stuiver!„Gevaarlijk spul met die nattigheid!” meende de waard, het geld opstrijkend.„Ja,jijzorgt wel, dat je droog blijft, duitendief!” viel Harmen grimmig uit.En toen ging het er in dolle vaart weer op los. Zoo fel zwierden de maats door het water, dat ze heelemaal nat werden. Er viel haast geen schaatser te ontdekken.Toen gebeurde het. Bij het omzwenken, de Zaan op, namen ze de bocht te kort; de slede botste tegen den kant, zeilde weer[560]over het ijs uit, zoodat de meest rechtsche schaatsers werden omgerukt,—sloeg toen tegen den anderen wal, juist tegen het steigertje van een molen, en lag in gruzelementen. Joppie was op den wal gesprongen; Padde liep een geweldigen buil op; de kisten lagen over het ijs verspreid.„Wat een rot-slee!” schimpte Gerretje, die ook op zijn achterwerk geslagen was en nu kwam aanstrompelen, de handen tegen zijn broek. „Heb je je pijn gedaan, Padde?”„Nou en of!” klaagde de arme jongen, nog wit van schrik.De molenaar was naar buiten gekomen.....De molenaar was naar buiten gekomen.….De molenaar was naar buiten gekomen, een wollen doek om den hals, en stond met de handen in de zakken naar het geval te kijken. „Sjonge-jonge”, filosofeerde hij, „jullie hebt zeker wat woest gereden! Moeten jullie naar Hoorn? Daar kun je op schaatsen niet komen.”„En waarom niet?” vroeg Gerretje uitdagend. „We sleepen ieder onze eigen kist, jongens!”„Dan kun je meteen je doodkist wel meesleepen”, zei de molenaar. „Verderop is het ijs vol wakken, en door het water zie je ze niet. Maar weet je wat? Nemen jullie mijn wagen!”„En dan zeker betalen, dat we scheel zien!” meende Harmen.„Hoe kom je daarbij?” vroeg de molenaar. „Jullie rijden voor niks!” En zich omwendend: „Jan! Span de wagen eens in!”„Ja, vader”, klonk het uit den molen.„Man!” stamelde Harmen in verrukking, „jij moest in een gouden lijstje!”De molenaar grinnikte. „Pak je kisten maar op en ga mee naar binnen. M’n vrouw heeft krentemik voor oud en nieuw.”„Drommels, ’t is de een-en-dertigste vandaag!” zei Hilke.„Nou, jullie kunt makkelijk thuis zijn vanavond”, meende de molenaar.[561]„Wij niet meer”, zeiden een paar maats. „Wij moeten nog door naar Enkhuizen.”„Ik kan de kar niet zoover missen”, zei de molenaar. „En morgenochtend moet ik m’n jongen ook weerom hebben; die gaat met jullie mee om de kar terug te brengen. Kan ie ergens onderdak, dat je weet?”„In ’tSillevere Anker”, zei Harmen. „Op mijn kosten.”„Nou, kom dan maar binnen. Waar komen jullie eigenlijk vandaan?”„Uit Oostinje!”„Wat je zegt! En die hond?”„Die komt van Poeloepoeloepatsji”, zei Harmen.„Dan zal hij het nu wel koud hebben”, meende de molenaar. „Kijk hem eens rillen!”En ze gingen den molen in. „Vrouw, ik breng je een stelletje Javanen mee!” riep de molenaar gul. „Kom maar gerust: ze bijten niet, behalve in je krentemik!”De vrouw, een goedlachsche, ou-bollige molenaarsgade, kwam met een dampende krentemik binnen en scheen allerminst bevreesd voor de „Javanen”.—„Lusten jullie boerenjongens op brandewijn?” vroeg ze.„Voor boerenmeisjes zijn we ook niet bang!” blufte Gerretje.„Stil jij!” schimpte Harmen. „Je bent met een menschenetersvrouw getrouwd!”„Is dat waar?” vroeg de molenarin, die juist dekrentemikaansneed.Gerretje was vuurrood geworden. „’k Zou jou je nek wel willen omdraaien!” siste hij Harmen toe.„Dat meen je niet”, zei Harmen.Gerretje zocht naar een woedend antwoord, maar juist op dit oogenblik zette de molenarin hem een dikke snede krentemik voor, en Gerretje vergat zijn woede. „Ja-ha!” grinnikte de molenaar, „zoo doet ze met mij ook: als ik nijdig ben, zet ze me wat lekkers voor de neus!” En hij trommelde tevreden op zijn rond buikje.Jongens, dekrentemiksmaakte! Ze smolt in je mond![562]Daar nog boerenjongens boven op, een stuk koek met suikerfiguren.…. De molenaar wist van uitpakken! Hij en zijn gezellig wijfje lachten maar, en de maats voelden zich wonderwel thuis.„Kom, jongens”, zei Hilke, „als we vóór donker in Hoorn willen zijn.….!”Maar hij moest een paar maal aandringen, voor de anderen opstonden.„Kijk!” zei Gerretje, aangedaan door het gastvrij onthaal, „die papegaai is voor jou! Hij kan Potverblomme! zeggen, maar als je hem pest, bijt ie.”Een stil, goed gevuld joggie....Een stil, goed gevuld joggie.…Toen voelde Harmen zich geroepen om den molenaar als herinnering een aapje te laten. Maar toen hij de kooi opende, lag het aapje stijf en koud op den bodem. Ze werden er allen even stil van.—„Snap ik niet”, zei Harmen. „Gisteren was ie nog zoo fleurig!”„Stom beest!” zei de molenaar meewarig.—Een der andere maats gaf hem toen een aapje, dat nog niet dood was. „We zullen het bij het vuur hangen”, stelde de molenaarsche voor.„Hoe dichter, hoe liever”, zei Harmen. „Dan denkt ie, dat ie in Java is.”En toen klommen onze vrienden na veel handdrukken en nieuwjaarswenschen in de kar. In het Westen trok een rosse sneeuwlucht op. „Heb je je goed ingepakt, Jan?” vroeg de molenaar.„Ja, vader”, antwoordde een blozend, stil, goed gevuld joggie met stroogele haren onder de pet, dat parmantig op den bok zat,—de teugels in de hand.„En heb je een lantaren bij je? Voor straks, als het donker is?”„Ja, vader.”„En zit er olie in?”„Ja, vader.”„En heb je je brood bij je? En je beursje?”[563]„Ja, moeder.” Bij elke bevestiging knikte het joggie—bleef droomerig voor zich uitzien.„Jan denkt toch om alles!” prees de molenaar.En de wagen zette zich in beweging. De maats wuifden om het hardst en schreeuwden hoera! De molenaar en zijn vrouw wuifden terug.Het begon zachtjes te sneeuwen; spoedig was de gastvrije molen als een schim weggebleekt in het grijs. De maats zaten in de aanvankelijk erg schokkende, maar ten slotte in de sneeuw haast geruischloos voortrollende kar dicht bijeen,—Joppie tusschen hun knieën. Nog vanavond zouden ze thuis zijn! Was het te bevatten? Padde en Hajo keken elkaar stil gelukkig aan; Harmen tuurde zwijgend naar den bodem van de kar. Eensklaps drukte hij Hajo een handvol guldens in de hand. „Doejijhet liever”, zei hij en zuchtte.„Wat?”„Dat geld aan Lijsken’s moeder geven. Ze woont aan de Markt.” En toen hij Hajo’s weifeling zag: „Toe, doe me die lol. Ga samen met je moeder.….”„Kijk me dat ventje eens mennen!” prees een maat.Gerretje knikte. „Een beste jongen. En.…. een zoete jongen!”„En die knol loopt ook met volle zeilen!”„Nou!” bevestigde Gerretje. „Laat mij er eens mennen, Janneman?”De jongen antwoordde niet, keek ook niet om, schudde alleen maar ontkennend het hoofd.„Denk je, dat ik niet met knollen kan omgaan?” vroeg Gerretje.„Met deze niet”, zei het jongetje.Gerretje werd nijdig. „Vooruit, ga van de bok af!”„Gerretje!” berispte Hilke. „De jongen stuurt best.”„Dat zeg ik ook niet! Maarikwil nou eens mennen. Vooruit, snotaap! De bok af!”De jongen schudde weer het hoofd, zonder omkijken.„Wel verduiveld!” schold Gerretje.Nu keerde de jongen zich om, hield het paard in. „Als je me verveelt, laat ik het paard staan, en dan kun je honderdmaal[564]vort! roepen; hij loopt toch alleen, alsikhet wil.”„Hou je toch koest, Gerretje”, pruttelden de anderen ook.Gerretje bromde wat, zakte op den bodem van den wagen neer, keek woedend voor zich uit.„Vort!” riep het kereltje op den bok. En het paard liep weer.De maats sloegen aan het zingen en wuifden met de mutsen, wanneer ze door een dorpje reden. De sneeuw begon steeds dichter te vallen; de wielen trokken al dieper voren in den witten weg, en zwart stonden de knotwilgen langs de nu geelbruine sloten.„We krijgen nog veel meer!” meenden de maats. Toen ze zich schor gezongen hadden, tuurden ze over de witte velden, en de wondere schoonheid van vallende sneeuw drong vaag door tot in hun varensgastenziel.Eindelijk.…. zagen ze goed?!.… daar schemerde in het Noord-Oosten.…. een bekende omtrek.…. de groote toren van Hoorn!Dol werden ze! Woest, razend van vreugde, begonnen ze in den wagen te dansen, vielen in elkaars armen. „Hoera! Hiep-hiep-hiep hoera!!Hoera!!!”En wuivend, zwaaiend, gillend en schreeuwend reden ze een kwartiertje later de Westerpoort in. „We komen uit Indië!” riepen ze den verbaasden straatgangers toe en hieven hun kooien met papegaaien en aapjes op. Zoo hadden ze in een ommezien een groot gevolg.„Halt! Daar loopt m’n broer! Krelis! Hou dan toch stil! Krelis! Hou je taai, jongens! Ik moet.…. Krelis! Krelis!” En de oome was met zijn kist en papegaai uit den wagen gesprongen, rende met groote sprongen op z’n broer toe. De anderen zagen, terwijl ze weer voortdansten, holderdebolder over de keien, hoe de broers elkaar in de armen vielen.….Op de groote markt stopte de kar; allen sprongen er uit, drukten elkaar de hand en sjouwden hun hebben en houwen door de sneeuw naar huis.Nu ze alleen waren, maakte de vreugde op hun gelaat voor een bezorgde uitdrukking plaats. Zou thuis alles goed zijn.….?![565]Daar stond Hajo’s huisje! Was het zoo klein?? Hijgend rukte Hajo de lage deur open en stortte zich naar binnen. „Moeder! Moeder!!Moedertje!!!”Daar lag hij in haar armen. In de armen van zijn moedertje. En beiden snikten en lachten en kusten elkaar en drukten elkaar aan het hart. Was zijn moedertje zoo klein en zoo tenger??Wat was ze zacht!Moeder! Moedertje van mij!„Peter! M’n jongen!”Zijn moeder nam zijn hoofd tusschen haar handen, wilde het bezien, maar begon dan weer te schreien en te lachen en overdekte het met kussen zonder een woord anders te kunnen zeggen dan: „Jongen! Mijn jongen! Ben je daar weer? Hoe is het mogelijk? Mijn Peter.….”Uit de achterkamer waren de andere kinderen gekomen, verwonderd, met hun houding niet goed raad wetend. Hajo sprong op en drukte hen aan het hart en wist niet, waar hij het eerst heen moest kijken en wie hij het eerst kussen moest. „Antje! Maartje! Wat groot zijn jullie geworden! O, wat heerlijk! En Doris! Ken je mij niet meer? Ken je Peter niet meer?” Hajo knielde voor Doris, die bedremmeld in een hoekje stond en Hajo met groote oogen aankeek.„W-waar is de olifant?” vroeg Doris stamelend.Hajo kuste hem van alle kanten. „Hij kent me nog!! Hier, hier is je olifant!” Hajo sprong op, keek in verrukking rond, viel zijn moeder weer om den hals, die hem met stralende oogen aankeek, rukte toen zijn kist open, gooide alles onderstboven. „Hier!” riep hij, terwijl de dikke tranen hem over de wangen rolden. „Hier, Antje! Een pop voor jou! Met Chineesche oogen,—is hij niet mooi? En een waaier! Voor jou, Maartje! Ruik er eens aan: hoe lekker! Moedertje, ’k word voor stuurman opgeleid! En later voor schipper! Hier! wie moet die armband hebben? En kijk eens, Doris! Hé? Wat heb ik hier? Wat heb ik hier voor jou?”—Hajo kroop op de knieën naar Doris toe, omvatte hem en hield hem een wit ivoren olifantje voor den neus. „Kijk z’n slurf eens? En z’n tanden?”[566]„En.…. en de menscheneter?” vroeg Doris, met een blijde uitdrukking op zijn rond kindergezichtje den „olifant” bekijkend.„De menscheneter? Hier is de menscheneter! Hau-auw!” En Hajo maakte een menschenetersgezicht en hapte naar Doris, die schaterend van de pret vluchtte en door Antje werd opgetild. Hajo sloot hen beiden in de armen. „Antje! Wat ben je een meid geworden!”„Dacht je, dat ik altijd zoo klein bleef?” vroeg Antje. „Jij bent ook groot geworden, zeg! Niet waar, moeder?”Moeder knikte, zonder nog te kunnen spreken. En toen Hajo zich weer in haar armen wierp, snikte ze het weer uit. „M’n jongen.…. wees niet boos, dat ik nog huil! Ik ben zoo blij, dat je terug bent! Het is alles zoo onverwachts gekomen. En.…. Heb-heb je een goeie reis gehad?”„Terug wel, moedertje! Maar deNieuw-Hoornis vergaan!”„Verg.….?!!”„Ja! Door Padde’s schuld. ’k Heb geld bij me, moedertje! Kijk eens?!!” Hij legde handen vol guldens in zijn moeders schoot. „Is het niet veel? Twee-en-zeventig gulden en zeven stuivers! Hier heb ik nog meer geld, maar dat is voor Lijsken’s moeder. Lijsken is onderweg aan de scheurbuik.….!!”En toen begon Hajo te vertellen. Bij stukken en brokken. Van den brand aan boord, den tocht met de jol, van Dolimah, den panter, Pa-Samirah, het vlot, en dat hij bij den Bruinvisch in Amsterdam moest komen.….Onder zijn opgewonden, verward vertellen viel de klopper. Padde stond aan de deur.„Padde!!!”En ook de brave dikzak werd door Hajo’s moeder omhelsd en gekust, en hij zelf snikte, alsof Hajo’s moedertje ook de zijne was.„Jongen, wat heb jij je moeder een verdriet gedaan!”„’k Heb haar vijf-en-zestig gulden en zeven stuivers meegebracht”, zei Padde. „Ze laat vragen, of jullie vanavond bij ons komen, Maartje ook.—Dag Maartje! Wat zijn jullie allemaal groot geworden! Bij mij thuis ook! ’k Heb er nog een zusje bijgekregen!”[567]„En is thuis alles goed?” vroeg Hajo.„Best. Alleen m’n vader.…. die is een half jaar geleden verdronken.”Er kwam even stilte in het vertrek. Padde haalde diep adem en kuchte. „In de sloot achter de Zuidwal”, zei hij er toen achteraan. En plots, het hoofd gebukt, en op een harden toon, die anders nooit over zijn lippen kwam: „’t Is z’n eigen schuld. Hij was weer dronken. Die.…. die.…. die dronkelap!”„Padde”, zei Hajo’s moeder zacht, „jij mag niet zoo over je vader spreken.”Padde schudde driftig het hoofd. „Wat doet ie m’n moeder te slaan? En het geld te verdrinken? En de meubels te verkoopen?”„Maar.…. maar nu is hij toch dood, Padde.”Padde worstelde met iets.Hajo’s moeder stond met droeven glimlach op, nam Padde in haar armen en kuste hem. „Zeg maar aan je moeder, dat wij komen.”En Padde ging, schreiende.„Nu, m’n jongen”, zei Hajo’s moeder, „nu moeten wij samen nog even uit. Heb je.…. heb je daar het geld van die gestorven vriend van je? We gaan geen blijde boodschap brengen, m’n jongen, maar.…. het moet.” Ze ging naar de kast, sloeg een doek om.En even later stapte Hajo met zijn moedertje aan den arm de deur uit. Dicht aaneengedrukt liepen ze door de besneeuwde straten. „Mijn jongen, wat ben je groot geworden.….” verzuchtte zijn moeder. „Ik moet heelemaal tegen je opzien!”„Maar ik ben ook al zestien, moedertje! Is de tijd niet gevlogen?”Zijn moeder glimlachte. „Niet.…. niet altijd, Peter.” Toen werd ze stil, en haar gedachten schenen afwezig. Hajo droeg het geld voor Lijsken’s moeder in een zakdoek geknoopt.Het was gaan schemeren. De lichte vensters glansden neer op de sneeuw. Uit de rossig-grijze lucht dwarrelde het maar voort.Bij de Waag zagen ze twee bekende gestalten: Harmen en Gerretje, hun kist op den nek. Gerretje droeg bovendien[568]Harmen’s waterpijp nog, en Harmen klemde onder den linkerarm zijn dierbare viool. Joppie dribbelde met opgetrokken pooten tusschen hen in.„Schip ahoy!” riep Hajo.De beide gestalten hielden stil. „Hallo, Hajo!”„Waar gaan jullie heen?” vroeg Hajo. „Zijn jullie al thuis geweest?”„Ja wel”, zei Harmen, met een aarzelen den blik op Hajo’s moeder, „maar ze zijn verhuisd! Naar Alkmaar, zeggen de buren. Tja.….! We gaan nou maar eerst naar ’tSillevere Anker!”„Dit is nou Harmen, moeder!” zei Hajo trots. „Die heeft samen met mij die panter.…. weet je wel?”Hajo’s moeder stak Harmen de hand toe. „Harmen, ik dank je voor wat je voor mijn jongen gedaan hebt! Voor alles, hoor, voor alles dank ik je!”Harmen werd verlegen. „’n Kleinigheid, juffrouw.….!—Afijn, ’t had raar kunnen afloopen! Als je nou bedenkt, die arme Floorke.….! We gaan z’n meisje in ’tSillevere Ankernou zeggen, wat er met hem aan het handje is.”„Arme meid”, zuchtte Gerretje.„Zeg dat wel”, viel Harmen hem op droefgeestigen toon bij. En met afgewenden blik sloeg Harmen op zijn zwarte vioolkist en kuchte. „Hilke is bij z’n meisje,—die was in haar nopjes!”„Nou! Ze drukten mekaar zoowat plat!” grinnikte Gerretje.„Kijk moeder, dat is nou Joppie! Die is ook mee door Sumatra geweest!”„Arm beest!” zei Hajo’s moeder, toen het dier bibberend tusschen Harmen’s beenen kroop.„Hij zal er wel aan wennen!” stelde Harmen haar gerust. „Nou, dag, juffrouw! Ajuus, Hajo!”—En het drietal spoedde zich over de verlaten marktplaats voort naar ’tSillevere Anker.….Lijsken’s moeder, een bleek, mager, klein vrouwtje met groote lijdensoogen, nam stilzwijgend de zilveren guldens[569]in ontvangst en borg ze weg in een oude, gehavende kast.„Ik was er al bang voor.….” Dat was al wat ze zei. Toen Hajo’s moeder haar kuste, schreide ze.Zoo vierden allen het Ouwe jaar nog in Hoorn. En de maats, die morgen verder moesten, naar Enkhuizen, zaten bij hun makkers aan den haard en hielpen opsnijden.Buiten viel de sneeuw altijd maar door; als een teedere moederhand legde de sneeuw zich over het stadje.…. er moesten vele schrijnende wonden worden bedekt.Vertrouwelijk, als goede raadgevers, wandelden te middernacht twaalf klokkeslagen over de sneeuw.Toen zochten de handen elkaar in diepgevoelde vreugde.Stadsgezicht.EINDE
Den achtsten Maart van het jaar 1620 lichtte deNieuw-Zeelandde ankers, en den acht-en-twintigsten December van hetzelfde jaar liet zij ze na een gunstige reis weer vallen op de zandige reede van Vlissingen.
Met tranen in de oogen hadden onze vrienden Rolf vaarwel gewuifd, toen een ferme Zuid-Oostenwind de zeilen bollen deed en deNieuw-Zeelandstatig voortdreef van Java’s groene kust, en met tranen in de oogen hadden ze den acht-en-twintigsten December in den vroegen morgen, rillend van kou, in den grijzen nevel de duinen van Walcheren zien schemeren. Daar stonden ze bij elkaar, den kraag van hun duffelsche hoog opgezet, de handen en de polsen in den broekzak, Hajo en Harmen en Hilke en Gerretje en Padde en honderd andere maats en zwetsten allen dooreen en woven en schreeuwden, of bliezen zich in de handen.
Zie, daar lag Vlissingen met zijn roode daakjes en zijn stompen toren, waar de vlag uithing, omdat er een Oostinjevaarder, deNieuw-Zeeland, uit het verre menschenetersland was binnengeloopen, de ruimen vol peper, kruidnagelen, koffie, tabak! Nu liep alles van de werkplaats weg, de smid nog zwart van het roet, de bakker witbestoven, de timmerman met zijn schaaf in de hand, en door de kleine vensters der havenkantoren gluurden de klerken, kauwend op hun ganzeveeren. De reeder, deftig in het zwart, met witten[548]kraag en handschoenen, vergezeld door de heeren van het kantoor, nam waardig in zijn sloep plaats om zich aan boord te laten roeien.
En de kwajongens? Nee, maar, de kwajongens! Alom klapperden hun klompjes over de keien; ze kropen onder karren en paarden door, de rakkers; ze baanden zich met de ellebogen een weg door de menschen en voeren in volgepropte bootjes hals-over-kop naar den Oostinjevaarder.
Grinnikend hingen de maats over de balie, zagen toe, welke van de benden kleine zeeroovers met de lauweren zou gaan strijken: het eerst bij den Oostinjevaarder te zijn aangekomen, het eerst hoera! geschreeuwd te hebben, met de mutsen gezwaaid en gevraagd te hebben: „Goeie reis gehad? Gooi eens watIndischnaar beneden?” Daarvoor doken ze desnoods in het ijskoude water, de bengels, die nu, trekkend aan de riemen als dollemannen, naderbij kwamen. En daarginds, aan de kade! Zie eens, wat een volk er toeliep! En wat een vlaggen er nu fonkelden in de klare zon!
Ja, jongens, ze waren weer in hun bovenste beste kikkerlandje! En al die vlaggen, al dat volk, al die opwinding was voor hen!
Of ze weer terug wilden naar de Oost? Voorloopig had niemand er trek in! Nu, ja, ze kenden zichzelf wel: als ze weer een maand lang gehokt hadden, met een pijp en een kop koffie bij den haard, en zoo lang over hun reizen hadden opgesneden, dat ze zelf niet meer wisten, wat waar gebeurd en wat gelogen was, en ze in hun verhalen vastraakten, zoodat niemand hen meer geloofde; wanneer de volle zak gage, die ze meekregen, een leege zak geworden was, dan werden ze sagrijnig, dan luisterden ze naar het gezellig jammeren van den wind in de schouw, dan kregen ze verlangst naar het vooronder en hun kameraden, dan gingen ze zoo er eens naar de zee kijken, hoewel ze een maand geleden hadden gezworen, haar nooit weer terug te willen zien, omdat ze ’t zoute water nou wel zat waren, en.…. verdikkoppe! een week later hadden ze weer aangemonsterd voor Jan Oost.
Maar nu de ankerpalen ratelden, zat de vreugde hun nog[549]tot boven in de keel. Straks zouden ze afmonsteren en, den zak vol blinkende daalders, op den wal staan met hun aapjes en papegaaien, die, sinds het koud was, in omwonden kooien in de kombuis hingen. Daar hongen ze lekker warm!
Ook Joppie hokte in de kombuis, stelde niet het allergeringste belang in Walcheren, Vlissingen, of in iets anders, dat koud was.
Op het water krioelde het al van roeibootjes vol kwajongens, die hun nek pijnigden met het naar boven kijken. „Hé, Lange!” schreeuwden ze omhoog, „spreek jij eens Maleisch? Ofkenje het niet eens?”
„Papperalapoetje!” schreeuwde de „Lange” omlaag.
De jongens rolden de boot haast uit van het lachen. „Nou, en wat beteekent dat nou?”
„Dat zeggen ze altijd, als ze je villen!” lichtte de „Lange” toe.
Nieuw gegrinnik. „Nou, als ze jou zouden villen, hadden ze een heele lap, zeg!” roept er een. „Papperalapoetje—Pas maar op je hoedje!” Alles daar beneden giert van het lachen over dezen geestigen zet.
Twee uur later begon de afmonstering. Harmen kwam in de kombuis, pakte Joppie in zijn nekvel en schaarde zich in de rij wachtenden voor de kajuit.
„Wat moet dat?” jammerde Joppie, bibberend over al zijn leden.
„We gaan afmonsteren, Joppie”, zei Harmen.
En zoo kwamen de jongens aan de beurt en schoven met z’n drieën de kajuit in; Joppie ook,—verdekt achter Harmens rug.
Of de Bruinvisch tevreden was over zijn scheepsjongens? Eerst wendde hij zich tot Harmen. „Jij gaat de volgende reis weer mee!”
„Ik ga niet meer varen”, zei Harmen.
„Dan ken ik je beter, dan je jezelf kent”, meende de Bruinvisch.
„Nou”, zei Harmen, „ik zal een bruinvisch wezen, als ik me ooit weer op zoo’n smerige Oostinjevaarder laat aanmonsteren.”
Er was even stilte in de kajuit. De Bruinvisch keek met vervaarlijke[550]oogen naar Harmen’s gelaat, waarop niets dan bittere ernst te lezen stond. „Hier! Neem je gage!” bulderde de Bruinvisch.
„Dankje, schipper”, zei Harmen onderdanig. Om het geld te kunnen opstrijken, moest hij Joppie loslaten. Dit wakkere dier zwikte op zijn vier pooten door, ontwaarde den opgezetten tijger en zette alle haren steil overeind.
De Bruinvisch liet z’n oogen rollen. „Wat moet diehondhier in de kajuit?!”
„Afmonsteren en z’n gage halen”, verklaarde Harmen. En toen kon hij zich opeens niet meer goed houden, begon te grinniken, streek haastig het geld op en liet het in zijn broekzak glijden. „Nou, dag, schipper! ’t Ga je goed!” En Harmen verliet met bekwamen spoed de kajuit. Joppie achter hem aan, den staart tusschen de pooten.
De Bruinvisch hapte naar adem. „Nu jij!” wendde hij zich barsch tot Hajo. „Ik zal je brief afgeven in Amsterdam en er nog een woordje bij doen. Waar moet je heen? Naar Hoorn? Nou, dan ben je niet zoo ver af. Hier is m’n adres, zie je, dat heb ik voor je opgeschreven! En Maandag over een week kom je bij me, dan neem ik je mee naar de heeren van de Compagnie. Begrepen?”
Of Hajo het begrepen had!
„Hoe ga je nu naar Hoorn? Loopen?”
„Ja, schipper. Maar Harmen zei.…”
„Harmen?! Vraag ik je, wat Harmen zei? Je kunt tot Dordrecht met de jol gaan,—die is voor het volk, dat die kant uit moet. En verder loop je maar, dat is gezond. En laat je onderweg je geld niet afstelen: een landrot is nooit te vertrouwen! Hier is ’t. Met wat je in bewaring hebt gegeven, drie-en-zeventig gulden.—En nou jij!” Dat was tegen Padde. „Waarom schipper Bontekoe jou nog apart heeft aangemonsterd, zal me eeuwig een raadsel blijven. Weet je, wat jij bent? Een nietsnut! Een landrot!”
„Nou, ik wou ook nooit varen!” zei Padde, woest. „Ik wou bij m’n oom in de brouwerij!”
De Bruinvisch keek hem verbaasd aan. „En waarom ben je dan naar Oostinje gegaan?”[551]
„Ik heb.…. ik heb me verslapen!”
„Hè??—Nou, dat je een slaapkop bent, heb ik gemerkt. Hier is je geld. Vier-en-zestig guldens. Negen-en-dertig plus zeven-en-twintig.….”
„Is zes-en-zestig en niet vier-en-zestig”, merkte Padde op. „Twee gulden te min!”
„Wat?!” De Bruinvisch sloeg aan het rekenen en bevond, dat Padde gelijk had. „Hier dan!” pruttelde hij, z’n lade openend en nog twee gulden op tafel werpend. „’k Dacht net, dat m’n boeken nu eindelijk klopten.….”
Even later stonden de jongens buiten. „Daar wou hij me eventjes twee guldens afvangen!” zei Padde verontwaardigd. „’k Zou er anders niks van zeggen, maar die schippers verdienen genoeg! Nietwaar, Harmen?”
„Nou!” viel Harmen hem bij. „De Bruinvisch krijgt meer gage dan wij met z’n drieën, en hij heeft er niet half zooveel voor gedaan!”
’s Middags voer de jol weg. Dat gaf me een afscheid tusschen de oomes! Er vloeiden tranen.…. emmers vol! Allen wisten, dat ze elkaar binnen enkele weken weer terug zouden zien. Maar ze namen afscheid voor eeuwig en wuifden, zoolang ze maar een muts konden zwaaien.
De wind zat pal in het Noorden, zoodat de jol tusschen Walcheren en Zuid-Beveland geducht laveeren moest. En het was zoo ijzig koud op het water, dat allen in de holte van de boot dicht bijeen gingen zitten, ’n zeiltje over de boorden gespannen. Tegen donker meerden ze de jol aan den Zuiderdijk van Noord-Beveland, waar een boerendak opdook. Ze klauterden met stijve beenen, slapende voeten en verkleumde vingers en teenen tegen den dijk op en kropen allen bijeen op den warmen hooizolder, die hun door den boer bereidwillig werd afgestaan.
„Waar komen jullie weg?” vroeg de boer, hun met een kaars voorgaand,—het laddertje op naar den zolder.
„Van Batavia”, zei Padde.
„Waar legt dat?”
„Vlakbij, als je d’r eenmaal bent”, lichtte Harmen hem in.[552]
„Kom, Joppie!” En Joppie werd voor de zooveelste maal in z’n nekvel gepakt.
„Moet die hond mee op zolder??” vroeg de boer.
„Waarachtig!” zei Harmen. „Die heeft al meer gezien dan vijftig boerenkaaskoppen.”
„Nou, ’t is een leelijk mormel”, gromde de boer.
„Zeg hem dat eens in ’t Maleisch”, zei Harmen. „Dan vliegt ie je naar de kuiten.”
„Waar komen jullie weg?”„Waar komen jullie weg?”
„Waar komen jullie weg?”
Toen waren allen boven; de boer klapte het luik dicht en trok de ladder weg, zoodat de mannen opgesloten zaten.
„Hij vertrouwt ons voor geen pruim tabak!” meende een oome.
„Zou hier geen kippetje te graaien zijn voor Ouwejaarsavond?” vroeg Gerretje, tastend langs de hanebalken. Daar fladderde een haan luid kakelend weg. „Wat een mormel!” schold Gerretje. „Hij heeft me gepikt!”
Hè, het was lekker warm hier op zolder! Zelfs Joppie ontdooide. De mannen rolden zich in het hooi, genoten nog eens volop van het bewustzijn, weer in hun eigen lief landje te zijn. Thuis moesten ze weten, dat de jongens al weer binnen waren! Hoe zou het thuis zijn? Toch alles goed? Een kleine ongerustheid, die in hun ziel sloop, werd er weer uitgebezemd. En even later snurkten allen zoo, dat de boer en zijn vrouw verbaasd hun neuzen boven de dekens uitstaken en zich afvroegen, waarom de varkens vannacht zoo rumoerig zouden zijn. Biggen op komst.…?
Al vroeg werden de janmaats weer wakker door het gekakel van een kip, die wijd en zijd verkondde, dat ze, hoewel het winter was, voor den boer toch nog een eitje had gelegd. Gerretje brak het open en dronk het leeg. „Nog warm!” Anderen morrelden aan het luik, maar het zat van onderen vast. Eindelijk kwam de boer en opende het.[553]
„Ook goeie morgen!” wenschten de maats het slaapdronken hoofd met de bonte nachtmuts toe.
„Wat zijn jullie vroeg!” mopperde de boer. „’t Is nog zoo koud!”
„Heeft het gevroren?”
„Nou! De pomp zal wel vastgevroren zijn!”
„Heb je dan soms een bakkie heete koffie voor ons?”
De boer gromde wat. „Kom nou maar eerst beneden!”
„Die groote, witte kip heeft een ei gelegd”, zei Gerretje onder het afdalen.
„Ja. Dat is een beste!” knorde de boer, tevreden. „’k Zal het straks wel halen.—Wat hebben jullie in die kooien?”
„Jonge leeuwen”, lichtte Gerretje in.
„Nou, jullie maakt er wat van!” grinnikte de boer.
„Heb je niks te bikken, Hannes?” vroeg Harmen hem.
„’k Heb nog wel een homp brood voor je”, zei de boer. „Die wou ik aan de varkens geven, omdat ie zoo hard is.”
Een dik, norsch wijf.....Een dik, norsch wijf.….
Een dik, norsch wijf.….
Even later zaten allen te kauwen op het keiharde brood.—De vrouw van den boer kwam ook, een norsch, dik wijf in nachtmuts en onderrok, en ging zonder groeten koffie zetten, blazend in het vuur, alsof ze den heelen oven wilde wegblazen en haar man en zijn gasten er bij. Op de hoffelijkheden der galante oomes zei ze geen boe of ba. De boer was in den stal gegaan.
De koffie bleek slap te zijn en niet van de beste soort, maar warm was ze,—dat scheelde al veel. Er waren maar twee koppen, zoodat de janmaats ze maar lieten rondgaan.
De boer kwam uit den stal terug en begon een lang verhaal over een koe op te disschen, die hij van ’t voorjaar gekocht en van het najaar weer verkocht had en waarop hij zoo’n schade had geleden. En dan had het van het voorjaar zoo weinig geregend, en hij had den heeren van het Waterschap[554]eens even de waarheid gezegd, en hij had ook een neef bij de Secretarie, en z’n wijf was zoo best, nooit ziek of zoo, en zijn zeug had dertien biggen gekregen, waarvan hij er een verdronken had, omdat dertien een ongeluksgetal was.….
De oomes lieten hem zwammen, tot ze allen hun bakje koffie hadden leeggelurkt. Toen stonden ze op. „Nou, Hannes”, zei Harmen en stak den boer de hand toe. „Bedankt voor je rot-koffie, hoor!”
De boer grinnikte. „Goeie reis!”
„Vergeet je dat eitje niet van de zolder te halen?” riep Gerretje.
„’k Zal er temet om gaan”, antwoordde de boer.
En de janmaats staken weer van wal. Alles was in grijze morgennevelen gehuld. De wind zat nog even beroerd in het Noorden en blies vinnig de nevelen over het water, zoodat de maats roode oorlelletjes en neuspunten kregen. Ze staken de breede Oosterschelde over. In het midden was het zoo duivelsch koud, dat je adem bevroren op je lippen sloeg. Joppie lag rillend in Harmen’s armen; de kooien met aapjes waren in het bergplaatsje voor de proviand neergezet.—Nu zeilden de maats tusschen Duiveland en Tholen het Mastgat in, de Zijpe door, toen om Overflakkee het Volkerak door in het Hollandsch Diep.
Bij de Dordtsche Kil wachtte hun een teleurstelling: het water was bevroren. Tegen loopen zagen ze niet op, maar hoe moesten ze met hun kisten aan? Ze meerden de jol voor een herberg en bespraken de zaak bij een kroes warmen, Spaanschen wijn.
„Ik wil jullie m’n slee wel verkoopen”, zei de waard, een leelijke, schele kerel.
„Is het ijs dan sterk genoeg?”
„Daarstraks is er nog een op schaatsen uit Rotterdam gekomen”, zei de waard.
„Laat kijken je slee!” In optocht volgde het heele stelletje den waard, die hun in een schuurtje een groote, groene bak-slee aanwees.
„Wat moet die ouwe waschbak nog opbrengen?” vroeg Harmen.[555]
„’n Daalder.”
„Je bedoelt zeker, als we jou en je heele kroeg er bij koopen?”
De waard haalde de schouders op. „Niemand dwingt je, die slee te koopen. Ik wil hem voor minder niet kwijt. Jullie kunt er je heele rommel in laden!”
„Vooruit!” zei Hilke. „Hij is gekocht!”
Harmen pruttelde nog wat. „Afijn!” zei hij. „Weet je je wat, jongens? Ik ga naar Dordt en zie in een oud roest-zaakje schaatsen op te scharrelen. Dan trekken we de slee!—Hé, afzetter, leen me je schaatsen even naar Dordt: ’k ben zóó weerom.”
..... dat hij het schaatsenrijden nog niet verleerd had......…. dat hij het schaatsenrijden nog niet verleerd had.….
.…. dat hij het schaatsenrijden nog niet verleerd had.….
Grommend ging de waard de schuur weer in en gaf Harmen een paar verroeste schaatsen. Harmen schoot ze, zuchtend van lol, aan, holde er mee weg en sprong op het ijs. Daar maakte hij, om te toonen, dat hij het schaatsen nog niet verleerd had, een kuitenflikker en begon toen met ver naar voren gebogen rug, de handen in de zakken, tegen den wind op te werken in de richting Dordrecht.
De anderen gingen de herberg weer in, dronken nog een kroes wijn tegen de kou. Ze werden doezelig en kregen slaap. De schemering viel alweer in.
„We moeten hier maffen”, meende Gerretje. „Of heeft er iemand lust, vannacht in een wak te rijden?” Hij keek rond, maar toen er geen liefhebbers voor het wak bleken te zijn, sloeg hij met den waard aan het onderhandelen over den logiesprijs. Voor acht stuiver den man met avondeten er bij en nog een „flapkanne” Spaanschen wijn werd de zaak ten slotte beklonken.
Tegen donker kwam Harmen weer aanscheren, een bos schaatsen over den rug. „Daar word je lekker warm van!” riep hij, terwijl hij den dijk opkrabbelde. En met zijn schaatsen nog aan de voeten sjouwde hij de gelagkamer binnen. „’t Moet vannacht nog maar wat vriezen, jongens, want ’t ijs kraakt als de weerlicht, en ’k heb er twee zien doorzakken!”[556]
Terwijl de maats de schaatsen verdeelden en de roestige ijzers wat aanzetten op den met zand bestrooiden vloer, kwam de waard met een dampende pan watergruwelen aanzetten.
Dat smaakte! De maats slobberden, als hadden ze een week gevast.
„Je hebt ’t hem vlug gelapt, Harmen!” prees Gerretje. „Wat heb je nou nog voor dat oud roest betaald?”
„Oud roest?” vroeg Harmen beleedigd. „Als je een beetje rijden kunt, heb je er het roest in twee slagen af. ’k Heb er drie stuivers per stuk voor betaald.”
„Toe maar, het kan niet op!” meende een zuinige oome.
„Nou, je hoeft ze me niet weer af te koopen”, zei Harmen. „Loop jij dan maar, als je dat liever doet.”
„Kom!” susten de anderen. „Als jullie deining wilt maken, maak dan deining tegen een landrot, dan doen we allemaal mee!”
’s Avonds, bij de schouw nog wat gezelsend, speldden ze den boeren uit den omtrek de meest gewaagde avonturen op de mouw. Toen de boeren laat in den avond met een stuk in hun kraag huiswaarts keerden, duizelde het hun zoo van tijgers, krokodillen, reuze-slangen en menscheneters, dat er twee arm aan arm een sloot intuimelden.
Gelukkig lag er keihard ijs op.
Bij hanegekraai zaten de maats al in het beijzelde riet hun schaatsen aan te binden. En met een homp brood in den tintelenden knuist reden ze er op los,—een touw om het middel, waarmee ze de slee voorttrokken, die als een veertje over het ijs vloog. Padde zat er met Joppie bibberend in: voor hen had Harmen geen schaatsen meegebracht.
Of het vannacht gevroren had! Het ijs was pikzwart met witte munten er in. Als een wervelwind joeg het groepje janmaats voort, en bij de eerste bocht zwaaide de slee al zoowat tegen de knoestige wilgen aan den oever. Joppie’s haren rezen te berge, en Padde, wiens groen-blauw gelaat van schrik paars werd, schreeuwde: „Heila! Kalm aan wat!”
Maar de janmaats hoorden niets. Wat werden ze al lekker warm! Hoe langer hoe doller ging het.
In een klein half uur hadden ze Dordrecht bereden. Ze kochten[557]een paar versche brooden, warm uit den oven, en togen kauwend verder,—nu in de richting Rotterdam. Bij den IJssel zwaaiden ze rechts om, en nog voor den middag waren ze bij Gouda.
Het was een prachtige, zonnige vriesdag, en op de Gouwe krioelde het van de schaatsers.—„Hoe-oe!” schreeuwden de oomes al van verre, om zich vrij baan te maken. Hand in hand zwierden ze over de ijsvlakte, en de slee vloog al even lustig heen en weer.
Ze hadden niet te klagen, dat de landrotten hun geen plaats lieten: ieder, die het stelletje ongezouten kerels met hun slee aan den gezichtseinder zag opduiken, ging bedachtzaam ter zijde en zag vroolijk naar de dolle bende en naar den dikken, angstigen, verkleumden jongen in de slee en den mageren, steilharigen hond, die het nu en dan uitjammerde van verlangst naar zijn zonnig Sumatra.
Ze volgden de Gouwe, de Aar, de Drecht en kwamen aan den Amstel. Daar wuifden meisjes hun toe, en de oomes wuifden terug en schreeuwden „Hoera!” omdat de levenslust er nu eenmaal uit moest. Verduiveld, nog vóór de schemering zwierden ze met hun slee Amsterdam in!
Gerretje had er nog een ouwe moei; die woonde aan den IJkant, en ze zou Gerretje en zijn makkers gráág herbergen en onthalen.
Na drie uur heen en weer sjouwen was de moei gevonden. Gerretje klopte aan de lage deur. „We zullen het er van nemen, jongens”, zei hij. „Ze is wat van de knibbelige kant, maar voor mij heeft ze een zwak!”
Maar de moei keek allesbehalve vriendelijk, toen ze het oude wijfjes-kopje met het witkanten knipmutsje uit het bovenraam stak en haar dierbaar familielid en zijn twintig makkers ontwaarde. „Wat moet dat daar?” vroeg ze krijschend.
„Goeien avond, moei!” wenschte Gerretje haar toe. „Kun je ons voor vannacht bergen? Ik ben Gerretje, je neef. En dit zijn m’n vrinden.”
De moei dacht even na. „Waar kom je vandaan?” vroeg ze toen.
„Uit de Oost”, schreeuwde Harmen naar boven. „We komen regelrecht uit de Oost, moei!”[558]
„Op schaatsen toch niet?!”
„Ja zeker! Op schaatsen!” riep Gerretje. „Daar kunnen we je wat van vertellen, moei!”
„Nou”, zei de moei na een aarzeling, „jij mag binnenkomen, omdat je m’n neef bent.”
„En de anderen niet?” vroeg Gerretje weemoedig. „Denk er eens aan, moei, wat een tocht we achter de rug hebben! Geef ons ten minste een neutje; we zijn half bevroren.”
„Ik heb niets in huis”, verklaarde de moei. „Maar verderop is ’tVette Varken,—daarkunnenjullie meteen slapen ook.”
Maar de moei keek allesbehalve vriendelijk.....Maar de moei keek allesbehalve vriendelijk.….
Maar de moei keek allesbehalve vriendelijk.….
„Moei, wat ben je weer knibbelig”, klaagde Gerretje. „Laat mij nou er eens zoeken: ik zal nog wel ergens een kruikje vinden! Kom, je bent er zelf toch ook niet vies van?”
„Ik zeg je, dat ik niets in huis heb!” zei de moei snibbig.
„’t Is wèlles, ouwe tooverheks!” riep Gerretje driftig.
Het raam sloeg dicht. Gerretje wilde de deur gaan bewerken, maar de maats susten hem. „Kom, Gerretje, maak je niet giftig; laat ze met haar neutje naar de weerlicht loopen!”
„Heb je dáár nou een moei voor?” jammerde Gerretje droefgeestig.
„Vooruit!” zei Harmen. „We gaan naar ’tVette Varken. Harremen betaalt!”
Zoo toog men in optocht langs het kanaal naar de herberg, waar het onderdak vrij duur bleek te zijn. Een paar maats wilden ’s nachts doorrijden, maar de meesten hadden er geen trek[559]in, zetten hun gramschap tegen Gerrit’s knibbelige moei onder een borrel en wilden den stamgasten hier ook eens wat op de mouw spelden. Maar ze werden door de slimme Amsterdammers niet zoo grif geloofd: een was er bij, een landrot, die misschien nog nooit in een roeibootje had gezeten en toch ophakte, alsof hij z’n leven lang op Oostinje had gevaren: hij wist alles op een prik, de leelijke kikker, en liet hen nauwelijks aan ’t woord.
Verdrietig, met gramschap in het hart, zochten de gebruinde maats, die me daar even door zoo’n witgesteven pennelikker uit het veld waren geslagen, hun logies op.
„Er zit dooi in de lucht”, zei Hilke. „De wind is Zuid geworden.”
Toen ze den volgenden morgen hun bol uit het dak venster staken, lagen er groote plassen op het ijs.
„Natte voeten!” meende Gerretje. „Afijn, over een paar uur zijn we thuis!”
Thuis.…! dat woord ging er in! Ze zouden er vandaag eens een gangetje inzetten!
Padde keek bedenkelijk, toen hij dit plan vernam. „Als jullie nog woester rijdt dan gisteren, loopt de boel verkeerd!” meende hij.
„O! Dat zit de heele weg lekker in de slee en heeft nog praats ook!” schimpten de oomes.
Na de „vroegkost” met gloeiende koffie naar binnen geslurpt te hebben, rekende Harmen met den waard af. Deze bleek hen flink geplukt te hebben,—dat was zoo de gewoonte: janmaats keken toch niet op een stuiver!
„Gevaarlijk spul met die nattigheid!” meende de waard, het geld opstrijkend.
„Ja,jijzorgt wel, dat je droog blijft, duitendief!” viel Harmen grimmig uit.
En toen ging het er in dolle vaart weer op los. Zoo fel zwierden de maats door het water, dat ze heelemaal nat werden. Er viel haast geen schaatser te ontdekken.
Toen gebeurde het. Bij het omzwenken, de Zaan op, namen ze de bocht te kort; de slede botste tegen den kant, zeilde weer[560]over het ijs uit, zoodat de meest rechtsche schaatsers werden omgerukt,—sloeg toen tegen den anderen wal, juist tegen het steigertje van een molen, en lag in gruzelementen. Joppie was op den wal gesprongen; Padde liep een geweldigen buil op; de kisten lagen over het ijs verspreid.
„Wat een rot-slee!” schimpte Gerretje, die ook op zijn achterwerk geslagen was en nu kwam aanstrompelen, de handen tegen zijn broek. „Heb je je pijn gedaan, Padde?”
„Nou en of!” klaagde de arme jongen, nog wit van schrik.
De molenaar was naar buiten gekomen.....De molenaar was naar buiten gekomen.….
De molenaar was naar buiten gekomen.….
De molenaar was naar buiten gekomen, een wollen doek om den hals, en stond met de handen in de zakken naar het geval te kijken. „Sjonge-jonge”, filosofeerde hij, „jullie hebt zeker wat woest gereden! Moeten jullie naar Hoorn? Daar kun je op schaatsen niet komen.”
„En waarom niet?” vroeg Gerretje uitdagend. „We sleepen ieder onze eigen kist, jongens!”
„Dan kun je meteen je doodkist wel meesleepen”, zei de molenaar. „Verderop is het ijs vol wakken, en door het water zie je ze niet. Maar weet je wat? Nemen jullie mijn wagen!”
„En dan zeker betalen, dat we scheel zien!” meende Harmen.
„Hoe kom je daarbij?” vroeg de molenaar. „Jullie rijden voor niks!” En zich omwendend: „Jan! Span de wagen eens in!”
„Ja, vader”, klonk het uit den molen.
„Man!” stamelde Harmen in verrukking, „jij moest in een gouden lijstje!”
De molenaar grinnikte. „Pak je kisten maar op en ga mee naar binnen. M’n vrouw heeft krentemik voor oud en nieuw.”
„Drommels, ’t is de een-en-dertigste vandaag!” zei Hilke.
„Nou, jullie kunt makkelijk thuis zijn vanavond”, meende de molenaar.[561]
„Wij niet meer”, zeiden een paar maats. „Wij moeten nog door naar Enkhuizen.”
„Ik kan de kar niet zoover missen”, zei de molenaar. „En morgenochtend moet ik m’n jongen ook weerom hebben; die gaat met jullie mee om de kar terug te brengen. Kan ie ergens onderdak, dat je weet?”
„In ’tSillevere Anker”, zei Harmen. „Op mijn kosten.”
„Nou, kom dan maar binnen. Waar komen jullie eigenlijk vandaan?”
„Uit Oostinje!”
„Wat je zegt! En die hond?”
„Die komt van Poeloepoeloepatsji”, zei Harmen.
„Dan zal hij het nu wel koud hebben”, meende de molenaar. „Kijk hem eens rillen!”
En ze gingen den molen in. „Vrouw, ik breng je een stelletje Javanen mee!” riep de molenaar gul. „Kom maar gerust: ze bijten niet, behalve in je krentemik!”
De vrouw, een goedlachsche, ou-bollige molenaarsgade, kwam met een dampende krentemik binnen en scheen allerminst bevreesd voor de „Javanen”.—„Lusten jullie boerenjongens op brandewijn?” vroeg ze.
„Voor boerenmeisjes zijn we ook niet bang!” blufte Gerretje.
„Stil jij!” schimpte Harmen. „Je bent met een menschenetersvrouw getrouwd!”
„Is dat waar?” vroeg de molenarin, die juist dekrentemikaansneed.
Gerretje was vuurrood geworden. „’k Zou jou je nek wel willen omdraaien!” siste hij Harmen toe.
„Dat meen je niet”, zei Harmen.
Gerretje zocht naar een woedend antwoord, maar juist op dit oogenblik zette de molenarin hem een dikke snede krentemik voor, en Gerretje vergat zijn woede. „Ja-ha!” grinnikte de molenaar, „zoo doet ze met mij ook: als ik nijdig ben, zet ze me wat lekkers voor de neus!” En hij trommelde tevreden op zijn rond buikje.
Jongens, dekrentemiksmaakte! Ze smolt in je mond![562]Daar nog boerenjongens boven op, een stuk koek met suikerfiguren.…. De molenaar wist van uitpakken! Hij en zijn gezellig wijfje lachten maar, en de maats voelden zich wonderwel thuis.
„Kom, jongens”, zei Hilke, „als we vóór donker in Hoorn willen zijn.….!”
Maar hij moest een paar maal aandringen, voor de anderen opstonden.
„Kijk!” zei Gerretje, aangedaan door het gastvrij onthaal, „die papegaai is voor jou! Hij kan Potverblomme! zeggen, maar als je hem pest, bijt ie.”
Een stil, goed gevuld joggie....Een stil, goed gevuld joggie.…
Een stil, goed gevuld joggie.…
Toen voelde Harmen zich geroepen om den molenaar als herinnering een aapje te laten. Maar toen hij de kooi opende, lag het aapje stijf en koud op den bodem. Ze werden er allen even stil van.—„Snap ik niet”, zei Harmen. „Gisteren was ie nog zoo fleurig!”
„Stom beest!” zei de molenaar meewarig.—Een der andere maats gaf hem toen een aapje, dat nog niet dood was. „We zullen het bij het vuur hangen”, stelde de molenaarsche voor.
„Hoe dichter, hoe liever”, zei Harmen. „Dan denkt ie, dat ie in Java is.”
En toen klommen onze vrienden na veel handdrukken en nieuwjaarswenschen in de kar. In het Westen trok een rosse sneeuwlucht op. „Heb je je goed ingepakt, Jan?” vroeg de molenaar.
„Ja, vader”, antwoordde een blozend, stil, goed gevuld joggie met stroogele haren onder de pet, dat parmantig op den bok zat,—de teugels in de hand.
„En heb je een lantaren bij je? Voor straks, als het donker is?”
„Ja, vader.”
„En zit er olie in?”
„Ja, vader.”
„En heb je je brood bij je? En je beursje?”[563]
„Ja, moeder.” Bij elke bevestiging knikte het joggie—bleef droomerig voor zich uitzien.
„Jan denkt toch om alles!” prees de molenaar.
En de wagen zette zich in beweging. De maats wuifden om het hardst en schreeuwden hoera! De molenaar en zijn vrouw wuifden terug.
Het begon zachtjes te sneeuwen; spoedig was de gastvrije molen als een schim weggebleekt in het grijs. De maats zaten in de aanvankelijk erg schokkende, maar ten slotte in de sneeuw haast geruischloos voortrollende kar dicht bijeen,—Joppie tusschen hun knieën. Nog vanavond zouden ze thuis zijn! Was het te bevatten? Padde en Hajo keken elkaar stil gelukkig aan; Harmen tuurde zwijgend naar den bodem van de kar. Eensklaps drukte hij Hajo een handvol guldens in de hand. „Doejijhet liever”, zei hij en zuchtte.
„Wat?”
„Dat geld aan Lijsken’s moeder geven. Ze woont aan de Markt.” En toen hij Hajo’s weifeling zag: „Toe, doe me die lol. Ga samen met je moeder.….”
„Kijk me dat ventje eens mennen!” prees een maat.
Gerretje knikte. „Een beste jongen. En.…. een zoete jongen!”
„En die knol loopt ook met volle zeilen!”
„Nou!” bevestigde Gerretje. „Laat mij er eens mennen, Janneman?”
De jongen antwoordde niet, keek ook niet om, schudde alleen maar ontkennend het hoofd.
„Denk je, dat ik niet met knollen kan omgaan?” vroeg Gerretje.
„Met deze niet”, zei het jongetje.
Gerretje werd nijdig. „Vooruit, ga van de bok af!”
„Gerretje!” berispte Hilke. „De jongen stuurt best.”
„Dat zeg ik ook niet! Maarikwil nou eens mennen. Vooruit, snotaap! De bok af!”
De jongen schudde weer het hoofd, zonder omkijken.
„Wel verduiveld!” schold Gerretje.
Nu keerde de jongen zich om, hield het paard in. „Als je me verveelt, laat ik het paard staan, en dan kun je honderdmaal[564]vort! roepen; hij loopt toch alleen, alsikhet wil.”
„Hou je toch koest, Gerretje”, pruttelden de anderen ook.
Gerretje bromde wat, zakte op den bodem van den wagen neer, keek woedend voor zich uit.
„Vort!” riep het kereltje op den bok. En het paard liep weer.
De maats sloegen aan het zingen en wuifden met de mutsen, wanneer ze door een dorpje reden. De sneeuw begon steeds dichter te vallen; de wielen trokken al dieper voren in den witten weg, en zwart stonden de knotwilgen langs de nu geelbruine sloten.
„We krijgen nog veel meer!” meenden de maats. Toen ze zich schor gezongen hadden, tuurden ze over de witte velden, en de wondere schoonheid van vallende sneeuw drong vaag door tot in hun varensgastenziel.
Eindelijk.…. zagen ze goed?!.… daar schemerde in het Noord-Oosten.…. een bekende omtrek.…. de groote toren van Hoorn!
Dol werden ze! Woest, razend van vreugde, begonnen ze in den wagen te dansen, vielen in elkaars armen. „Hoera! Hiep-hiep-hiep hoera!!Hoera!!!”
En wuivend, zwaaiend, gillend en schreeuwend reden ze een kwartiertje later de Westerpoort in. „We komen uit Indië!” riepen ze den verbaasden straatgangers toe en hieven hun kooien met papegaaien en aapjes op. Zoo hadden ze in een ommezien een groot gevolg.
„Halt! Daar loopt m’n broer! Krelis! Hou dan toch stil! Krelis! Hou je taai, jongens! Ik moet.…. Krelis! Krelis!” En de oome was met zijn kist en papegaai uit den wagen gesprongen, rende met groote sprongen op z’n broer toe. De anderen zagen, terwijl ze weer voortdansten, holderdebolder over de keien, hoe de broers elkaar in de armen vielen.….
Op de groote markt stopte de kar; allen sprongen er uit, drukten elkaar de hand en sjouwden hun hebben en houwen door de sneeuw naar huis.
Nu ze alleen waren, maakte de vreugde op hun gelaat voor een bezorgde uitdrukking plaats. Zou thuis alles goed zijn.….?![565]
Daar stond Hajo’s huisje! Was het zoo klein?? Hijgend rukte Hajo de lage deur open en stortte zich naar binnen. „Moeder! Moeder!!Moedertje!!!”
Daar lag hij in haar armen. In de armen van zijn moedertje. En beiden snikten en lachten en kusten elkaar en drukten elkaar aan het hart. Was zijn moedertje zoo klein en zoo tenger??
Wat was ze zacht!
Moeder! Moedertje van mij!
„Peter! M’n jongen!”
Zijn moeder nam zijn hoofd tusschen haar handen, wilde het bezien, maar begon dan weer te schreien en te lachen en overdekte het met kussen zonder een woord anders te kunnen zeggen dan: „Jongen! Mijn jongen! Ben je daar weer? Hoe is het mogelijk? Mijn Peter.….”
Uit de achterkamer waren de andere kinderen gekomen, verwonderd, met hun houding niet goed raad wetend. Hajo sprong op en drukte hen aan het hart en wist niet, waar hij het eerst heen moest kijken en wie hij het eerst kussen moest. „Antje! Maartje! Wat groot zijn jullie geworden! O, wat heerlijk! En Doris! Ken je mij niet meer? Ken je Peter niet meer?” Hajo knielde voor Doris, die bedremmeld in een hoekje stond en Hajo met groote oogen aankeek.
„W-waar is de olifant?” vroeg Doris stamelend.
Hajo kuste hem van alle kanten. „Hij kent me nog!! Hier, hier is je olifant!” Hajo sprong op, keek in verrukking rond, viel zijn moeder weer om den hals, die hem met stralende oogen aankeek, rukte toen zijn kist open, gooide alles onderstboven. „Hier!” riep hij, terwijl de dikke tranen hem over de wangen rolden. „Hier, Antje! Een pop voor jou! Met Chineesche oogen,—is hij niet mooi? En een waaier! Voor jou, Maartje! Ruik er eens aan: hoe lekker! Moedertje, ’k word voor stuurman opgeleid! En later voor schipper! Hier! wie moet die armband hebben? En kijk eens, Doris! Hé? Wat heb ik hier? Wat heb ik hier voor jou?”—Hajo kroop op de knieën naar Doris toe, omvatte hem en hield hem een wit ivoren olifantje voor den neus. „Kijk z’n slurf eens? En z’n tanden?”[566]
„En.…. en de menscheneter?” vroeg Doris, met een blijde uitdrukking op zijn rond kindergezichtje den „olifant” bekijkend.
„De menscheneter? Hier is de menscheneter! Hau-auw!” En Hajo maakte een menschenetersgezicht en hapte naar Doris, die schaterend van de pret vluchtte en door Antje werd opgetild. Hajo sloot hen beiden in de armen. „Antje! Wat ben je een meid geworden!”
„Dacht je, dat ik altijd zoo klein bleef?” vroeg Antje. „Jij bent ook groot geworden, zeg! Niet waar, moeder?”
Moeder knikte, zonder nog te kunnen spreken. En toen Hajo zich weer in haar armen wierp, snikte ze het weer uit. „M’n jongen.…. wees niet boos, dat ik nog huil! Ik ben zoo blij, dat je terug bent! Het is alles zoo onverwachts gekomen. En.…. Heb-heb je een goeie reis gehad?”
„Terug wel, moedertje! Maar deNieuw-Hoornis vergaan!”
„Verg.….?!!”
„Ja! Door Padde’s schuld. ’k Heb geld bij me, moedertje! Kijk eens?!!” Hij legde handen vol guldens in zijn moeders schoot. „Is het niet veel? Twee-en-zeventig gulden en zeven stuivers! Hier heb ik nog meer geld, maar dat is voor Lijsken’s moeder. Lijsken is onderweg aan de scheurbuik.….!!”
En toen begon Hajo te vertellen. Bij stukken en brokken. Van den brand aan boord, den tocht met de jol, van Dolimah, den panter, Pa-Samirah, het vlot, en dat hij bij den Bruinvisch in Amsterdam moest komen.….
Onder zijn opgewonden, verward vertellen viel de klopper. Padde stond aan de deur.
„Padde!!!”
En ook de brave dikzak werd door Hajo’s moeder omhelsd en gekust, en hij zelf snikte, alsof Hajo’s moedertje ook de zijne was.
„Jongen, wat heb jij je moeder een verdriet gedaan!”
„’k Heb haar vijf-en-zestig gulden en zeven stuivers meegebracht”, zei Padde. „Ze laat vragen, of jullie vanavond bij ons komen, Maartje ook.—Dag Maartje! Wat zijn jullie allemaal groot geworden! Bij mij thuis ook! ’k Heb er nog een zusje bijgekregen!”[567]
„En is thuis alles goed?” vroeg Hajo.
„Best. Alleen m’n vader.…. die is een half jaar geleden verdronken.”
Er kwam even stilte in het vertrek. Padde haalde diep adem en kuchte. „In de sloot achter de Zuidwal”, zei hij er toen achteraan. En plots, het hoofd gebukt, en op een harden toon, die anders nooit over zijn lippen kwam: „’t Is z’n eigen schuld. Hij was weer dronken. Die.…. die.…. die dronkelap!”
„Padde”, zei Hajo’s moeder zacht, „jij mag niet zoo over je vader spreken.”
Padde schudde driftig het hoofd. „Wat doet ie m’n moeder te slaan? En het geld te verdrinken? En de meubels te verkoopen?”
„Maar.…. maar nu is hij toch dood, Padde.”
Padde worstelde met iets.
Hajo’s moeder stond met droeven glimlach op, nam Padde in haar armen en kuste hem. „Zeg maar aan je moeder, dat wij komen.”
En Padde ging, schreiende.
„Nu, m’n jongen”, zei Hajo’s moeder, „nu moeten wij samen nog even uit. Heb je.…. heb je daar het geld van die gestorven vriend van je? We gaan geen blijde boodschap brengen, m’n jongen, maar.…. het moet.” Ze ging naar de kast, sloeg een doek om.
En even later stapte Hajo met zijn moedertje aan den arm de deur uit. Dicht aaneengedrukt liepen ze door de besneeuwde straten. „Mijn jongen, wat ben je groot geworden.….” verzuchtte zijn moeder. „Ik moet heelemaal tegen je opzien!”
„Maar ik ben ook al zestien, moedertje! Is de tijd niet gevlogen?”
Zijn moeder glimlachte. „Niet.…. niet altijd, Peter.” Toen werd ze stil, en haar gedachten schenen afwezig. Hajo droeg het geld voor Lijsken’s moeder in een zakdoek geknoopt.
Het was gaan schemeren. De lichte vensters glansden neer op de sneeuw. Uit de rossig-grijze lucht dwarrelde het maar voort.
Bij de Waag zagen ze twee bekende gestalten: Harmen en Gerretje, hun kist op den nek. Gerretje droeg bovendien[568]Harmen’s waterpijp nog, en Harmen klemde onder den linkerarm zijn dierbare viool. Joppie dribbelde met opgetrokken pooten tusschen hen in.
„Schip ahoy!” riep Hajo.
De beide gestalten hielden stil. „Hallo, Hajo!”
„Waar gaan jullie heen?” vroeg Hajo. „Zijn jullie al thuis geweest?”
„Ja wel”, zei Harmen, met een aarzelen den blik op Hajo’s moeder, „maar ze zijn verhuisd! Naar Alkmaar, zeggen de buren. Tja.….! We gaan nou maar eerst naar ’tSillevere Anker!”
„Dit is nou Harmen, moeder!” zei Hajo trots. „Die heeft samen met mij die panter.…. weet je wel?”
Hajo’s moeder stak Harmen de hand toe. „Harmen, ik dank je voor wat je voor mijn jongen gedaan hebt! Voor alles, hoor, voor alles dank ik je!”
Harmen werd verlegen. „’n Kleinigheid, juffrouw.….!—Afijn, ’t had raar kunnen afloopen! Als je nou bedenkt, die arme Floorke.….! We gaan z’n meisje in ’tSillevere Ankernou zeggen, wat er met hem aan het handje is.”
„Arme meid”, zuchtte Gerretje.
„Zeg dat wel”, viel Harmen hem op droefgeestigen toon bij. En met afgewenden blik sloeg Harmen op zijn zwarte vioolkist en kuchte. „Hilke is bij z’n meisje,—die was in haar nopjes!”
„Nou! Ze drukten mekaar zoowat plat!” grinnikte Gerretje.
„Kijk moeder, dat is nou Joppie! Die is ook mee door Sumatra geweest!”
„Arm beest!” zei Hajo’s moeder, toen het dier bibberend tusschen Harmen’s beenen kroop.
„Hij zal er wel aan wennen!” stelde Harmen haar gerust. „Nou, dag, juffrouw! Ajuus, Hajo!”—En het drietal spoedde zich over de verlaten marktplaats voort naar ’tSillevere Anker.….
Lijsken’s moeder, een bleek, mager, klein vrouwtje met groote lijdensoogen, nam stilzwijgend de zilveren guldens[569]in ontvangst en borg ze weg in een oude, gehavende kast.
„Ik was er al bang voor.….” Dat was al wat ze zei. Toen Hajo’s moeder haar kuste, schreide ze.
Zoo vierden allen het Ouwe jaar nog in Hoorn. En de maats, die morgen verder moesten, naar Enkhuizen, zaten bij hun makkers aan den haard en hielpen opsnijden.
Buiten viel de sneeuw altijd maar door; als een teedere moederhand legde de sneeuw zich over het stadje.…. er moesten vele schrijnende wonden worden bedekt.
Vertrouwelijk, als goede raadgevers, wandelden te middernacht twaalf klokkeslagen over de sneeuw.
Toen zochten de handen elkaar in diepgevoelde vreugde.
Stadsgezicht.
EINDE