[Inhoud]DE ZWERVERSDE ZWERVERSDe zon en de vogels wekten de knapen. Ze voelden zich uitgerust, en met het helder licht herwonnen ze weer hun jongens-durf.Ze namen een bad, lieten zich een half uur bakken in het mulle zand. Daarop klauterde Harmen in een klapperboom, draaide een paar jonge noten los,—dat was hun ontbijt. Hajo zocht intusschen geschikt hout voor een boog: hij wilde er zichzelf een snijden. Met Harmens veroverd kapmes hakte hij, een eindje in het bosch, een geduchten bamboesteel af, die hem zoowel den boog als de pijlen moest leveren. Zijn buit met moeite voortslepend, keerde hij terug. Allen besloten nu een boog voor zich te snijden. Hajo had er immers ook mee leeren schieten?Bij het ontbladeren van den steel merkten de jongens eens hoe scherp de lange, smalle bladeren waren: ’t was net of er fijngestampt glas op zat. Door het goed verdeelen der „knoopen” in het hout, kreeg de boogsteel een gelijke spanning; daarop versterkten onze vrienden hem door een korter stuk en snoerden er een strook bamboeschil omheen,—het sterkste touw, dat men zich denken kan. Ook de boogpees werd van hetzelfde materiaal vervaardigd. De pijlen waren eenvoudig genoeg te maken: daar de nerven van dit hout precies evenwijdig loopen, kostte het den jongens weinig moeite om uit een enkel lid bamboe een handvol mooie, lange pijlen te splijten, die slechts nog wat bijgeslepen hoefden te worden. Voor de punt werd de harde knoop in het hout genomen.[296]Terwijl Hajo, Rolf en Padde hun pijlen al over het strand lieten snorren, vervaardigde Harmen een paar pijlen voor „zwaarder wild”. Hij verheugde zich namelijk in het bezit van een paar ferme duimnagels, die hij met de punt naar buiten in dunne bamboerietjes wist te woelen.Ziezoo: pijl en boog hadden ze nu. En de speer van den poortwachter was een geducht wapen; er zaten weerhaken aan, en Rolf vermoedde, dat de punt bovendien vergiftigd zou zijn. Maar één speer was voor hen vieren niet genoeg, en zoo werden er uit een paar jonge bamboes en enkele stevige Hollandsche zakmessen nog drie samengesteld. Zoo uitgerust durfden ze het wel tegen heel Sumatra opnemen! Toen er een meeuw voorbijscheerde, snorden vier pijlen hem om het lijf, en Padde’s pijl vloog er zoo dicht langs, dat een blank veertje omlaag dwarrelde.Dit was de eerste en tevens laatste maal, dat Padde’s pijlschoten voor iemand of iets anders dan voor hemzelf en zijn drie kameraden gevaarlijk werden. „Potverdikkie!” stamelde de gewezen botteliersmaat, „ik wist zelf niet, dat ik zoo goed schieten kon!” Ook de anderen stonden paf. Maar toen bij een tweeden aanval op een meeuw Padde’s pijl dwars door Hajo’s weelderigen krullendos flitste, zakte hun bewondering wat. Harmen maakte korte metten, griste Padde den boog uit de handen, brak hem op z’n knie middendoor. „Da’s geen speelgoed voor jou!” verklaarde hij.„Kletskoek!” schreeuwde Padde woedend.„Harmen heeft gelijk”, zei Rolf. „Je bent er veel te onvoorzichtig mee.”„Wie heeft daarnet die veer d’r af geschoten?” vroeg Padde schamper.„’t Geluk is met Jan Stomkop”, verzekerde Harmen.„Kom, geen ruzie”, zei Rolf. „We moeten verder.”En de jongens stapten weer op. Joppie ongewapend voorop, de staart als een vlag omhoog gestoken, en Padde sloot de rij, met een gezicht als een oorwurm, de handen in de zakken, en de speer als een bezem onder den arm, zoodat de punt door het zand sleepte.„Kijk, Padde eens ’n zog maken!” lachte Harmen en wees[297]op het lijntje, dat de speer in het strand getrokken had, „je zou denken, dat er een admiraals-schoener voorbijgezeild was!”Padde zweeg even, dacht over een antwoord na; vond er geen.Na een paar uren begonnen honger, hitte en dorst de jongens te kwellen, en er werd rust genomen. Puffend klom Harmen in een klapperboom om weer een paar noten machtig te worden. Maar, nauwelijks boven gekomen, stiet hij een kreet van verrassing uit. „Eenkreeft!”Klapperdief.„Boven in een boom? ’t Zal een groote tor zijn”, meende Rolf.Harmen deed een veelpootig ding door de lucht vliegen. Het plofte in het zand neer en trachtte haastig een heenkomen te vinden. Maar Hajo greep het stevig achter den kop en de geweldige scharen. Het was een kreeft! En zelfs een zeer groote: het gevlekte lichaam mat haast een halve el. „Dat heb ik nog nooit gehoord: een kreeft, die in een boom klimt!” zei Rolf. „Wat zou hij er doen??”„Noten gappen!” riep Harmen van boven uit den boom.„Maar hoe krijgt ie zoo’n ding open?” vroeg Hajo. Rolf[298]raapte van den grond een half verrotte kokosnoot op.„Kijk, hier heeft de steel gezeten en daaromheen zijn de bastvezels weggerukt. Ik denk, dat het beest met zijn scharen de steel doorknaagt; soms splijt de noot dan natuurlijk al in het vallen. In elk geval schijnt de kreeft te weten, dat de harde binnenbast juist onder de steel week is, want hier, deze noot.….”—Rolf raapte een tweede op—„is op dezelfde plaats opengeboord. Kijk, met de scharen graaft hij het vleesch uit! Je moet je maar weten te behelpen!—Vinden jullie het geen mooi dier?”„En fijn in de pan!” schreeuwde Harmen van boven, terwijl hij weer een noot losdraaide.„Maar we hebben geen vuur”, zei Hajo.„We eten hem rauw, met kokosnoot!” riep Harmen. Hij liet zich zakken, kwam op de anderen toe en brak, na met zijn kapmes den kreeft van zijn geduchte scharen ontdaan te hebben, zonder veel omhaal de schaal open. „Haal jij me nou eens een stukkie pisangblad!” beval hij Padde. En toen Padde met een stuk versch pisangblad was komen aandraven (wanneer er wat te eten viel, had Padde altijd haast!) lichtte Harmen met vaardige hand het teere, witte vleesch uit de schaal, schrapte daarover een kokosnoot en begon het een en ander op te peuzelen onder luid smakken en uitroepen als: „Gommennikkie, wat fijn! Net krentemik!”„Geef mij een stukkie?” vroeg Padde.„Daar!” zei Harmen gul.„Fijn!” verzekerde Padde, zich de vingers aflikkende.„Willen jullie niet eens proeven?” wendde Harmen zich tot de anderen.Toen lieten ook dezen zich verleiden. Harmens gerecht (wat was het anders dan de bekende „palmroover” der tropen?) bleek zoo wondergoed te smaken, dat de jongens besloten goed uit te kijken, of ze niet wéér van die uitgeplukte noten onder een boom vonden liggen.Verder maar weer! Met wat kokosmelk hadden ze de kelen gesmeerd, en zoo kwam Harmen op de gedachte om wat te zingen,—dat liep lekkerder. Terwijl de zon al begon te zakken, zongen ze met z’n vieren oud-Hollandsche liedjes, die het hart goed deden. Zelfs Joppie deed mee![299]Dik was Joppie niet,—zou het ook wel nooit worden. Maar hij zorgde ook wel, dat hij niet verhongerde. Zoo nu en dan verdween hij, ijverig snuffelend, tusschen het geboomte; de knapen hoorden een kort, scherp geblaf, en wanneer ze toesnelden, zich met moeite een weg banend door de lianen, vonden ze Joppie grommend knabbelen op een rat of een muisje. Ook torren, kevers, hagedissen, wurmen, vliegen waren hem welkom, en als hij zich nu en dan in de keuze van zijn spijs vergiste, kwam het er een half uur later vanzelf weer uit.Tegen de schemering bereikten de jongens een kleine baai. Het water was er stil en doorschijnend, en onwillekeurig ploften onze vrienden neer om de zon er in te zien wegzinken. Stil zaten ze bijeen en tuurden naar de roode schijf. „Nu wordt het in Holland dag”, zei Rolf.Holland! Dat was alles, wat ze er van opvingen. De stemming der knapen werd week. In het verre ruischen der branding hoorden ze klanken, die herinnerden aan.… Ze zouden er wat voor geven om in de gezellige huiskamer, met z’n allen om tafel, weer eens mee te mogen schransen uit moeders dampende pan bieten, dan nog wat te zitten op de bank voor het huis, de voorbijgangers goeien avond te zeggen—je kende ze immers allemaal?—en dan, wanneer het donker was, de deur op de knip te schuiven, het gewicht van de klok op te trekken en, na elkaar goeien nacht gezegd te hebben, achter de bedsteegordijnen, de dekens over het hoofd, weg te duiken in den met ganzeveeren gestopten bultzak, waarin in den loop der jaren een kuil was gekomen zoo fijn, dat je hem voor geen anderen ter wereld wilde ruilen.„Weet je, wat ’t bij mij is?” vroeg Harmen. „Als ik weg ben, heb ik verlangst naar huis, en als ik thuis ben, zie ik toch maar zoo gauw mogelijk weer weg te komen. Ach ja, m’n moeder is natuurlijk ook altijd blij, als ik ’t gat weer uit ben! Nietwaar? Zoo’n eter over de vloer! M’n vader is op de lijnbaan, hè, daar zit ’m de kneep: hij verdient niet genoeg. Da’s te zeggen: wel genoeg, maar niet als ik er nou nog bijkom! De eerste twee dagen is alles best. Maar dan zegt m’n vader al gauw: „Dat je centen meebrengt, Harmen”, zegt ie, „is best. Maar als je je moeder de ooren van het hoofd vreet, gaan de centen gauw[300]weer op!” Nou, dan ga ik liever naar ’tSillevere Anker, niet waar, daar krijg je alles op krediet, en als je weer van de reis terugkomt, mag je betalen. En bedriegen doen ze je niet: alles staat op een leitje, dan kun je ’t zelf lezen. ’k Heb lezen kunnen leeren, van Joris, de binder, maar mijn vader zegt: „Van lezen, daar bederven de menschen van!”Allen zwegen; niemand had naar Harmen geluisterd. Alleen Joppie was, terwijl de anderen voor zich uittuurden, kwispelstaartend op Harmen afgekomen en tegen zijn dijen gaan liggen. Harmen nam hem in de armen, legde hem in zijn schoot. „Als ik aan ’tSillevere Ankerdenk”, ging Harmen zuchtend door, „dan moet ik meteen ook weer aan Floor denken. Die had verkeering met de dochter, een beste meid, van hou-vast en erg op netjes. Denk je, dat ze van een ander wat weten wou? Goeie morgen! Floor voor en Floor na! En nou te bedenken.….!” Er blonk een traan in Harmen’s oogen. „Ik zal haar zeggen, dat ie tenminste recht leit. Omdat ze zoo op netjes is, weet je?”Onverwachts wierp Harmen Joppie weg, sprong overeind en ademde diep op. „Vooruit! We zullen voor vannacht er eens een knus huissie maken!”Daar voelden allen wat voor. Tegen den boschzoom staken ze hun speren schuin in den grond, verbonden ze kruiselings, legden er een vijfden stok overheen, vervaardigden met behulp van een paar dwarshouten en enkele groote pisangbladeren de zijwanden, spreidden gras op den bodem uit en legden zich toen te slapen, opgetogen over hun prachtige woning.Maar een uur later hadden allen het zoo warm, dat ze stuk voor stuk de tent uitkropen.Den volgenden morgen vonden ze daar, in allerbehagelijkste houding op het zachte gras, snurkend en poeffend van zaligheid.…. Joppie.Zeemeeuw.[301]
[Inhoud]DE ZWERVERSDE ZWERVERSDe zon en de vogels wekten de knapen. Ze voelden zich uitgerust, en met het helder licht herwonnen ze weer hun jongens-durf.Ze namen een bad, lieten zich een half uur bakken in het mulle zand. Daarop klauterde Harmen in een klapperboom, draaide een paar jonge noten los,—dat was hun ontbijt. Hajo zocht intusschen geschikt hout voor een boog: hij wilde er zichzelf een snijden. Met Harmens veroverd kapmes hakte hij, een eindje in het bosch, een geduchten bamboesteel af, die hem zoowel den boog als de pijlen moest leveren. Zijn buit met moeite voortslepend, keerde hij terug. Allen besloten nu een boog voor zich te snijden. Hajo had er immers ook mee leeren schieten?Bij het ontbladeren van den steel merkten de jongens eens hoe scherp de lange, smalle bladeren waren: ’t was net of er fijngestampt glas op zat. Door het goed verdeelen der „knoopen” in het hout, kreeg de boogsteel een gelijke spanning; daarop versterkten onze vrienden hem door een korter stuk en snoerden er een strook bamboeschil omheen,—het sterkste touw, dat men zich denken kan. Ook de boogpees werd van hetzelfde materiaal vervaardigd. De pijlen waren eenvoudig genoeg te maken: daar de nerven van dit hout precies evenwijdig loopen, kostte het den jongens weinig moeite om uit een enkel lid bamboe een handvol mooie, lange pijlen te splijten, die slechts nog wat bijgeslepen hoefden te worden. Voor de punt werd de harde knoop in het hout genomen.[296]Terwijl Hajo, Rolf en Padde hun pijlen al over het strand lieten snorren, vervaardigde Harmen een paar pijlen voor „zwaarder wild”. Hij verheugde zich namelijk in het bezit van een paar ferme duimnagels, die hij met de punt naar buiten in dunne bamboerietjes wist te woelen.Ziezoo: pijl en boog hadden ze nu. En de speer van den poortwachter was een geducht wapen; er zaten weerhaken aan, en Rolf vermoedde, dat de punt bovendien vergiftigd zou zijn. Maar één speer was voor hen vieren niet genoeg, en zoo werden er uit een paar jonge bamboes en enkele stevige Hollandsche zakmessen nog drie samengesteld. Zoo uitgerust durfden ze het wel tegen heel Sumatra opnemen! Toen er een meeuw voorbijscheerde, snorden vier pijlen hem om het lijf, en Padde’s pijl vloog er zoo dicht langs, dat een blank veertje omlaag dwarrelde.Dit was de eerste en tevens laatste maal, dat Padde’s pijlschoten voor iemand of iets anders dan voor hemzelf en zijn drie kameraden gevaarlijk werden. „Potverdikkie!” stamelde de gewezen botteliersmaat, „ik wist zelf niet, dat ik zoo goed schieten kon!” Ook de anderen stonden paf. Maar toen bij een tweeden aanval op een meeuw Padde’s pijl dwars door Hajo’s weelderigen krullendos flitste, zakte hun bewondering wat. Harmen maakte korte metten, griste Padde den boog uit de handen, brak hem op z’n knie middendoor. „Da’s geen speelgoed voor jou!” verklaarde hij.„Kletskoek!” schreeuwde Padde woedend.„Harmen heeft gelijk”, zei Rolf. „Je bent er veel te onvoorzichtig mee.”„Wie heeft daarnet die veer d’r af geschoten?” vroeg Padde schamper.„’t Geluk is met Jan Stomkop”, verzekerde Harmen.„Kom, geen ruzie”, zei Rolf. „We moeten verder.”En de jongens stapten weer op. Joppie ongewapend voorop, de staart als een vlag omhoog gestoken, en Padde sloot de rij, met een gezicht als een oorwurm, de handen in de zakken, en de speer als een bezem onder den arm, zoodat de punt door het zand sleepte.„Kijk, Padde eens ’n zog maken!” lachte Harmen en wees[297]op het lijntje, dat de speer in het strand getrokken had, „je zou denken, dat er een admiraals-schoener voorbijgezeild was!”Padde zweeg even, dacht over een antwoord na; vond er geen.Na een paar uren begonnen honger, hitte en dorst de jongens te kwellen, en er werd rust genomen. Puffend klom Harmen in een klapperboom om weer een paar noten machtig te worden. Maar, nauwelijks boven gekomen, stiet hij een kreet van verrassing uit. „Eenkreeft!”Klapperdief.„Boven in een boom? ’t Zal een groote tor zijn”, meende Rolf.Harmen deed een veelpootig ding door de lucht vliegen. Het plofte in het zand neer en trachtte haastig een heenkomen te vinden. Maar Hajo greep het stevig achter den kop en de geweldige scharen. Het was een kreeft! En zelfs een zeer groote: het gevlekte lichaam mat haast een halve el. „Dat heb ik nog nooit gehoord: een kreeft, die in een boom klimt!” zei Rolf. „Wat zou hij er doen??”„Noten gappen!” riep Harmen van boven uit den boom.„Maar hoe krijgt ie zoo’n ding open?” vroeg Hajo. Rolf[298]raapte van den grond een half verrotte kokosnoot op.„Kijk, hier heeft de steel gezeten en daaromheen zijn de bastvezels weggerukt. Ik denk, dat het beest met zijn scharen de steel doorknaagt; soms splijt de noot dan natuurlijk al in het vallen. In elk geval schijnt de kreeft te weten, dat de harde binnenbast juist onder de steel week is, want hier, deze noot.….”—Rolf raapte een tweede op—„is op dezelfde plaats opengeboord. Kijk, met de scharen graaft hij het vleesch uit! Je moet je maar weten te behelpen!—Vinden jullie het geen mooi dier?”„En fijn in de pan!” schreeuwde Harmen van boven, terwijl hij weer een noot losdraaide.„Maar we hebben geen vuur”, zei Hajo.„We eten hem rauw, met kokosnoot!” riep Harmen. Hij liet zich zakken, kwam op de anderen toe en brak, na met zijn kapmes den kreeft van zijn geduchte scharen ontdaan te hebben, zonder veel omhaal de schaal open. „Haal jij me nou eens een stukkie pisangblad!” beval hij Padde. En toen Padde met een stuk versch pisangblad was komen aandraven (wanneer er wat te eten viel, had Padde altijd haast!) lichtte Harmen met vaardige hand het teere, witte vleesch uit de schaal, schrapte daarover een kokosnoot en begon het een en ander op te peuzelen onder luid smakken en uitroepen als: „Gommennikkie, wat fijn! Net krentemik!”„Geef mij een stukkie?” vroeg Padde.„Daar!” zei Harmen gul.„Fijn!” verzekerde Padde, zich de vingers aflikkende.„Willen jullie niet eens proeven?” wendde Harmen zich tot de anderen.Toen lieten ook dezen zich verleiden. Harmens gerecht (wat was het anders dan de bekende „palmroover” der tropen?) bleek zoo wondergoed te smaken, dat de jongens besloten goed uit te kijken, of ze niet wéér van die uitgeplukte noten onder een boom vonden liggen.Verder maar weer! Met wat kokosmelk hadden ze de kelen gesmeerd, en zoo kwam Harmen op de gedachte om wat te zingen,—dat liep lekkerder. Terwijl de zon al begon te zakken, zongen ze met z’n vieren oud-Hollandsche liedjes, die het hart goed deden. Zelfs Joppie deed mee![299]Dik was Joppie niet,—zou het ook wel nooit worden. Maar hij zorgde ook wel, dat hij niet verhongerde. Zoo nu en dan verdween hij, ijverig snuffelend, tusschen het geboomte; de knapen hoorden een kort, scherp geblaf, en wanneer ze toesnelden, zich met moeite een weg banend door de lianen, vonden ze Joppie grommend knabbelen op een rat of een muisje. Ook torren, kevers, hagedissen, wurmen, vliegen waren hem welkom, en als hij zich nu en dan in de keuze van zijn spijs vergiste, kwam het er een half uur later vanzelf weer uit.Tegen de schemering bereikten de jongens een kleine baai. Het water was er stil en doorschijnend, en onwillekeurig ploften onze vrienden neer om de zon er in te zien wegzinken. Stil zaten ze bijeen en tuurden naar de roode schijf. „Nu wordt het in Holland dag”, zei Rolf.Holland! Dat was alles, wat ze er van opvingen. De stemming der knapen werd week. In het verre ruischen der branding hoorden ze klanken, die herinnerden aan.… Ze zouden er wat voor geven om in de gezellige huiskamer, met z’n allen om tafel, weer eens mee te mogen schransen uit moeders dampende pan bieten, dan nog wat te zitten op de bank voor het huis, de voorbijgangers goeien avond te zeggen—je kende ze immers allemaal?—en dan, wanneer het donker was, de deur op de knip te schuiven, het gewicht van de klok op te trekken en, na elkaar goeien nacht gezegd te hebben, achter de bedsteegordijnen, de dekens over het hoofd, weg te duiken in den met ganzeveeren gestopten bultzak, waarin in den loop der jaren een kuil was gekomen zoo fijn, dat je hem voor geen anderen ter wereld wilde ruilen.„Weet je, wat ’t bij mij is?” vroeg Harmen. „Als ik weg ben, heb ik verlangst naar huis, en als ik thuis ben, zie ik toch maar zoo gauw mogelijk weer weg te komen. Ach ja, m’n moeder is natuurlijk ook altijd blij, als ik ’t gat weer uit ben! Nietwaar? Zoo’n eter over de vloer! M’n vader is op de lijnbaan, hè, daar zit ’m de kneep: hij verdient niet genoeg. Da’s te zeggen: wel genoeg, maar niet als ik er nou nog bijkom! De eerste twee dagen is alles best. Maar dan zegt m’n vader al gauw: „Dat je centen meebrengt, Harmen”, zegt ie, „is best. Maar als je je moeder de ooren van het hoofd vreet, gaan de centen gauw[300]weer op!” Nou, dan ga ik liever naar ’tSillevere Anker, niet waar, daar krijg je alles op krediet, en als je weer van de reis terugkomt, mag je betalen. En bedriegen doen ze je niet: alles staat op een leitje, dan kun je ’t zelf lezen. ’k Heb lezen kunnen leeren, van Joris, de binder, maar mijn vader zegt: „Van lezen, daar bederven de menschen van!”Allen zwegen; niemand had naar Harmen geluisterd. Alleen Joppie was, terwijl de anderen voor zich uittuurden, kwispelstaartend op Harmen afgekomen en tegen zijn dijen gaan liggen. Harmen nam hem in de armen, legde hem in zijn schoot. „Als ik aan ’tSillevere Ankerdenk”, ging Harmen zuchtend door, „dan moet ik meteen ook weer aan Floor denken. Die had verkeering met de dochter, een beste meid, van hou-vast en erg op netjes. Denk je, dat ze van een ander wat weten wou? Goeie morgen! Floor voor en Floor na! En nou te bedenken.….!” Er blonk een traan in Harmen’s oogen. „Ik zal haar zeggen, dat ie tenminste recht leit. Omdat ze zoo op netjes is, weet je?”Onverwachts wierp Harmen Joppie weg, sprong overeind en ademde diep op. „Vooruit! We zullen voor vannacht er eens een knus huissie maken!”Daar voelden allen wat voor. Tegen den boschzoom staken ze hun speren schuin in den grond, verbonden ze kruiselings, legden er een vijfden stok overheen, vervaardigden met behulp van een paar dwarshouten en enkele groote pisangbladeren de zijwanden, spreidden gras op den bodem uit en legden zich toen te slapen, opgetogen over hun prachtige woning.Maar een uur later hadden allen het zoo warm, dat ze stuk voor stuk de tent uitkropen.Den volgenden morgen vonden ze daar, in allerbehagelijkste houding op het zachte gras, snurkend en poeffend van zaligheid.…. Joppie.Zeemeeuw.[301]
[Inhoud]DE ZWERVERSDE ZWERVERSDe zon en de vogels wekten de knapen. Ze voelden zich uitgerust, en met het helder licht herwonnen ze weer hun jongens-durf.Ze namen een bad, lieten zich een half uur bakken in het mulle zand. Daarop klauterde Harmen in een klapperboom, draaide een paar jonge noten los,—dat was hun ontbijt. Hajo zocht intusschen geschikt hout voor een boog: hij wilde er zichzelf een snijden. Met Harmens veroverd kapmes hakte hij, een eindje in het bosch, een geduchten bamboesteel af, die hem zoowel den boog als de pijlen moest leveren. Zijn buit met moeite voortslepend, keerde hij terug. Allen besloten nu een boog voor zich te snijden. Hajo had er immers ook mee leeren schieten?Bij het ontbladeren van den steel merkten de jongens eens hoe scherp de lange, smalle bladeren waren: ’t was net of er fijngestampt glas op zat. Door het goed verdeelen der „knoopen” in het hout, kreeg de boogsteel een gelijke spanning; daarop versterkten onze vrienden hem door een korter stuk en snoerden er een strook bamboeschil omheen,—het sterkste touw, dat men zich denken kan. Ook de boogpees werd van hetzelfde materiaal vervaardigd. De pijlen waren eenvoudig genoeg te maken: daar de nerven van dit hout precies evenwijdig loopen, kostte het den jongens weinig moeite om uit een enkel lid bamboe een handvol mooie, lange pijlen te splijten, die slechts nog wat bijgeslepen hoefden te worden. Voor de punt werd de harde knoop in het hout genomen.[296]Terwijl Hajo, Rolf en Padde hun pijlen al over het strand lieten snorren, vervaardigde Harmen een paar pijlen voor „zwaarder wild”. Hij verheugde zich namelijk in het bezit van een paar ferme duimnagels, die hij met de punt naar buiten in dunne bamboerietjes wist te woelen.Ziezoo: pijl en boog hadden ze nu. En de speer van den poortwachter was een geducht wapen; er zaten weerhaken aan, en Rolf vermoedde, dat de punt bovendien vergiftigd zou zijn. Maar één speer was voor hen vieren niet genoeg, en zoo werden er uit een paar jonge bamboes en enkele stevige Hollandsche zakmessen nog drie samengesteld. Zoo uitgerust durfden ze het wel tegen heel Sumatra opnemen! Toen er een meeuw voorbijscheerde, snorden vier pijlen hem om het lijf, en Padde’s pijl vloog er zoo dicht langs, dat een blank veertje omlaag dwarrelde.Dit was de eerste en tevens laatste maal, dat Padde’s pijlschoten voor iemand of iets anders dan voor hemzelf en zijn drie kameraden gevaarlijk werden. „Potverdikkie!” stamelde de gewezen botteliersmaat, „ik wist zelf niet, dat ik zoo goed schieten kon!” Ook de anderen stonden paf. Maar toen bij een tweeden aanval op een meeuw Padde’s pijl dwars door Hajo’s weelderigen krullendos flitste, zakte hun bewondering wat. Harmen maakte korte metten, griste Padde den boog uit de handen, brak hem op z’n knie middendoor. „Da’s geen speelgoed voor jou!” verklaarde hij.„Kletskoek!” schreeuwde Padde woedend.„Harmen heeft gelijk”, zei Rolf. „Je bent er veel te onvoorzichtig mee.”„Wie heeft daarnet die veer d’r af geschoten?” vroeg Padde schamper.„’t Geluk is met Jan Stomkop”, verzekerde Harmen.„Kom, geen ruzie”, zei Rolf. „We moeten verder.”En de jongens stapten weer op. Joppie ongewapend voorop, de staart als een vlag omhoog gestoken, en Padde sloot de rij, met een gezicht als een oorwurm, de handen in de zakken, en de speer als een bezem onder den arm, zoodat de punt door het zand sleepte.„Kijk, Padde eens ’n zog maken!” lachte Harmen en wees[297]op het lijntje, dat de speer in het strand getrokken had, „je zou denken, dat er een admiraals-schoener voorbijgezeild was!”Padde zweeg even, dacht over een antwoord na; vond er geen.Na een paar uren begonnen honger, hitte en dorst de jongens te kwellen, en er werd rust genomen. Puffend klom Harmen in een klapperboom om weer een paar noten machtig te worden. Maar, nauwelijks boven gekomen, stiet hij een kreet van verrassing uit. „Eenkreeft!”Klapperdief.„Boven in een boom? ’t Zal een groote tor zijn”, meende Rolf.Harmen deed een veelpootig ding door de lucht vliegen. Het plofte in het zand neer en trachtte haastig een heenkomen te vinden. Maar Hajo greep het stevig achter den kop en de geweldige scharen. Het was een kreeft! En zelfs een zeer groote: het gevlekte lichaam mat haast een halve el. „Dat heb ik nog nooit gehoord: een kreeft, die in een boom klimt!” zei Rolf. „Wat zou hij er doen??”„Noten gappen!” riep Harmen van boven uit den boom.„Maar hoe krijgt ie zoo’n ding open?” vroeg Hajo. Rolf[298]raapte van den grond een half verrotte kokosnoot op.„Kijk, hier heeft de steel gezeten en daaromheen zijn de bastvezels weggerukt. Ik denk, dat het beest met zijn scharen de steel doorknaagt; soms splijt de noot dan natuurlijk al in het vallen. In elk geval schijnt de kreeft te weten, dat de harde binnenbast juist onder de steel week is, want hier, deze noot.….”—Rolf raapte een tweede op—„is op dezelfde plaats opengeboord. Kijk, met de scharen graaft hij het vleesch uit! Je moet je maar weten te behelpen!—Vinden jullie het geen mooi dier?”„En fijn in de pan!” schreeuwde Harmen van boven, terwijl hij weer een noot losdraaide.„Maar we hebben geen vuur”, zei Hajo.„We eten hem rauw, met kokosnoot!” riep Harmen. Hij liet zich zakken, kwam op de anderen toe en brak, na met zijn kapmes den kreeft van zijn geduchte scharen ontdaan te hebben, zonder veel omhaal de schaal open. „Haal jij me nou eens een stukkie pisangblad!” beval hij Padde. En toen Padde met een stuk versch pisangblad was komen aandraven (wanneer er wat te eten viel, had Padde altijd haast!) lichtte Harmen met vaardige hand het teere, witte vleesch uit de schaal, schrapte daarover een kokosnoot en begon het een en ander op te peuzelen onder luid smakken en uitroepen als: „Gommennikkie, wat fijn! Net krentemik!”„Geef mij een stukkie?” vroeg Padde.„Daar!” zei Harmen gul.„Fijn!” verzekerde Padde, zich de vingers aflikkende.„Willen jullie niet eens proeven?” wendde Harmen zich tot de anderen.Toen lieten ook dezen zich verleiden. Harmens gerecht (wat was het anders dan de bekende „palmroover” der tropen?) bleek zoo wondergoed te smaken, dat de jongens besloten goed uit te kijken, of ze niet wéér van die uitgeplukte noten onder een boom vonden liggen.Verder maar weer! Met wat kokosmelk hadden ze de kelen gesmeerd, en zoo kwam Harmen op de gedachte om wat te zingen,—dat liep lekkerder. Terwijl de zon al begon te zakken, zongen ze met z’n vieren oud-Hollandsche liedjes, die het hart goed deden. Zelfs Joppie deed mee![299]Dik was Joppie niet,—zou het ook wel nooit worden. Maar hij zorgde ook wel, dat hij niet verhongerde. Zoo nu en dan verdween hij, ijverig snuffelend, tusschen het geboomte; de knapen hoorden een kort, scherp geblaf, en wanneer ze toesnelden, zich met moeite een weg banend door de lianen, vonden ze Joppie grommend knabbelen op een rat of een muisje. Ook torren, kevers, hagedissen, wurmen, vliegen waren hem welkom, en als hij zich nu en dan in de keuze van zijn spijs vergiste, kwam het er een half uur later vanzelf weer uit.Tegen de schemering bereikten de jongens een kleine baai. Het water was er stil en doorschijnend, en onwillekeurig ploften onze vrienden neer om de zon er in te zien wegzinken. Stil zaten ze bijeen en tuurden naar de roode schijf. „Nu wordt het in Holland dag”, zei Rolf.Holland! Dat was alles, wat ze er van opvingen. De stemming der knapen werd week. In het verre ruischen der branding hoorden ze klanken, die herinnerden aan.… Ze zouden er wat voor geven om in de gezellige huiskamer, met z’n allen om tafel, weer eens mee te mogen schransen uit moeders dampende pan bieten, dan nog wat te zitten op de bank voor het huis, de voorbijgangers goeien avond te zeggen—je kende ze immers allemaal?—en dan, wanneer het donker was, de deur op de knip te schuiven, het gewicht van de klok op te trekken en, na elkaar goeien nacht gezegd te hebben, achter de bedsteegordijnen, de dekens over het hoofd, weg te duiken in den met ganzeveeren gestopten bultzak, waarin in den loop der jaren een kuil was gekomen zoo fijn, dat je hem voor geen anderen ter wereld wilde ruilen.„Weet je, wat ’t bij mij is?” vroeg Harmen. „Als ik weg ben, heb ik verlangst naar huis, en als ik thuis ben, zie ik toch maar zoo gauw mogelijk weer weg te komen. Ach ja, m’n moeder is natuurlijk ook altijd blij, als ik ’t gat weer uit ben! Nietwaar? Zoo’n eter over de vloer! M’n vader is op de lijnbaan, hè, daar zit ’m de kneep: hij verdient niet genoeg. Da’s te zeggen: wel genoeg, maar niet als ik er nou nog bijkom! De eerste twee dagen is alles best. Maar dan zegt m’n vader al gauw: „Dat je centen meebrengt, Harmen”, zegt ie, „is best. Maar als je je moeder de ooren van het hoofd vreet, gaan de centen gauw[300]weer op!” Nou, dan ga ik liever naar ’tSillevere Anker, niet waar, daar krijg je alles op krediet, en als je weer van de reis terugkomt, mag je betalen. En bedriegen doen ze je niet: alles staat op een leitje, dan kun je ’t zelf lezen. ’k Heb lezen kunnen leeren, van Joris, de binder, maar mijn vader zegt: „Van lezen, daar bederven de menschen van!”Allen zwegen; niemand had naar Harmen geluisterd. Alleen Joppie was, terwijl de anderen voor zich uittuurden, kwispelstaartend op Harmen afgekomen en tegen zijn dijen gaan liggen. Harmen nam hem in de armen, legde hem in zijn schoot. „Als ik aan ’tSillevere Ankerdenk”, ging Harmen zuchtend door, „dan moet ik meteen ook weer aan Floor denken. Die had verkeering met de dochter, een beste meid, van hou-vast en erg op netjes. Denk je, dat ze van een ander wat weten wou? Goeie morgen! Floor voor en Floor na! En nou te bedenken.….!” Er blonk een traan in Harmen’s oogen. „Ik zal haar zeggen, dat ie tenminste recht leit. Omdat ze zoo op netjes is, weet je?”Onverwachts wierp Harmen Joppie weg, sprong overeind en ademde diep op. „Vooruit! We zullen voor vannacht er eens een knus huissie maken!”Daar voelden allen wat voor. Tegen den boschzoom staken ze hun speren schuin in den grond, verbonden ze kruiselings, legden er een vijfden stok overheen, vervaardigden met behulp van een paar dwarshouten en enkele groote pisangbladeren de zijwanden, spreidden gras op den bodem uit en legden zich toen te slapen, opgetogen over hun prachtige woning.Maar een uur later hadden allen het zoo warm, dat ze stuk voor stuk de tent uitkropen.Den volgenden morgen vonden ze daar, in allerbehagelijkste houding op het zachte gras, snurkend en poeffend van zaligheid.…. Joppie.Zeemeeuw.[301]
DE ZWERVERSDE ZWERVERS
DE ZWERVERS
De zon en de vogels wekten de knapen. Ze voelden zich uitgerust, en met het helder licht herwonnen ze weer hun jongens-durf.Ze namen een bad, lieten zich een half uur bakken in het mulle zand. Daarop klauterde Harmen in een klapperboom, draaide een paar jonge noten los,—dat was hun ontbijt. Hajo zocht intusschen geschikt hout voor een boog: hij wilde er zichzelf een snijden. Met Harmens veroverd kapmes hakte hij, een eindje in het bosch, een geduchten bamboesteel af, die hem zoowel den boog als de pijlen moest leveren. Zijn buit met moeite voortslepend, keerde hij terug. Allen besloten nu een boog voor zich te snijden. Hajo had er immers ook mee leeren schieten?Bij het ontbladeren van den steel merkten de jongens eens hoe scherp de lange, smalle bladeren waren: ’t was net of er fijngestampt glas op zat. Door het goed verdeelen der „knoopen” in het hout, kreeg de boogsteel een gelijke spanning; daarop versterkten onze vrienden hem door een korter stuk en snoerden er een strook bamboeschil omheen,—het sterkste touw, dat men zich denken kan. Ook de boogpees werd van hetzelfde materiaal vervaardigd. De pijlen waren eenvoudig genoeg te maken: daar de nerven van dit hout precies evenwijdig loopen, kostte het den jongens weinig moeite om uit een enkel lid bamboe een handvol mooie, lange pijlen te splijten, die slechts nog wat bijgeslepen hoefden te worden. Voor de punt werd de harde knoop in het hout genomen.[296]Terwijl Hajo, Rolf en Padde hun pijlen al over het strand lieten snorren, vervaardigde Harmen een paar pijlen voor „zwaarder wild”. Hij verheugde zich namelijk in het bezit van een paar ferme duimnagels, die hij met de punt naar buiten in dunne bamboerietjes wist te woelen.Ziezoo: pijl en boog hadden ze nu. En de speer van den poortwachter was een geducht wapen; er zaten weerhaken aan, en Rolf vermoedde, dat de punt bovendien vergiftigd zou zijn. Maar één speer was voor hen vieren niet genoeg, en zoo werden er uit een paar jonge bamboes en enkele stevige Hollandsche zakmessen nog drie samengesteld. Zoo uitgerust durfden ze het wel tegen heel Sumatra opnemen! Toen er een meeuw voorbijscheerde, snorden vier pijlen hem om het lijf, en Padde’s pijl vloog er zoo dicht langs, dat een blank veertje omlaag dwarrelde.Dit was de eerste en tevens laatste maal, dat Padde’s pijlschoten voor iemand of iets anders dan voor hemzelf en zijn drie kameraden gevaarlijk werden. „Potverdikkie!” stamelde de gewezen botteliersmaat, „ik wist zelf niet, dat ik zoo goed schieten kon!” Ook de anderen stonden paf. Maar toen bij een tweeden aanval op een meeuw Padde’s pijl dwars door Hajo’s weelderigen krullendos flitste, zakte hun bewondering wat. Harmen maakte korte metten, griste Padde den boog uit de handen, brak hem op z’n knie middendoor. „Da’s geen speelgoed voor jou!” verklaarde hij.„Kletskoek!” schreeuwde Padde woedend.„Harmen heeft gelijk”, zei Rolf. „Je bent er veel te onvoorzichtig mee.”„Wie heeft daarnet die veer d’r af geschoten?” vroeg Padde schamper.„’t Geluk is met Jan Stomkop”, verzekerde Harmen.„Kom, geen ruzie”, zei Rolf. „We moeten verder.”En de jongens stapten weer op. Joppie ongewapend voorop, de staart als een vlag omhoog gestoken, en Padde sloot de rij, met een gezicht als een oorwurm, de handen in de zakken, en de speer als een bezem onder den arm, zoodat de punt door het zand sleepte.„Kijk, Padde eens ’n zog maken!” lachte Harmen en wees[297]op het lijntje, dat de speer in het strand getrokken had, „je zou denken, dat er een admiraals-schoener voorbijgezeild was!”Padde zweeg even, dacht over een antwoord na; vond er geen.Na een paar uren begonnen honger, hitte en dorst de jongens te kwellen, en er werd rust genomen. Puffend klom Harmen in een klapperboom om weer een paar noten machtig te worden. Maar, nauwelijks boven gekomen, stiet hij een kreet van verrassing uit. „Eenkreeft!”Klapperdief.„Boven in een boom? ’t Zal een groote tor zijn”, meende Rolf.Harmen deed een veelpootig ding door de lucht vliegen. Het plofte in het zand neer en trachtte haastig een heenkomen te vinden. Maar Hajo greep het stevig achter den kop en de geweldige scharen. Het was een kreeft! En zelfs een zeer groote: het gevlekte lichaam mat haast een halve el. „Dat heb ik nog nooit gehoord: een kreeft, die in een boom klimt!” zei Rolf. „Wat zou hij er doen??”„Noten gappen!” riep Harmen van boven uit den boom.„Maar hoe krijgt ie zoo’n ding open?” vroeg Hajo. Rolf[298]raapte van den grond een half verrotte kokosnoot op.„Kijk, hier heeft de steel gezeten en daaromheen zijn de bastvezels weggerukt. Ik denk, dat het beest met zijn scharen de steel doorknaagt; soms splijt de noot dan natuurlijk al in het vallen. In elk geval schijnt de kreeft te weten, dat de harde binnenbast juist onder de steel week is, want hier, deze noot.….”—Rolf raapte een tweede op—„is op dezelfde plaats opengeboord. Kijk, met de scharen graaft hij het vleesch uit! Je moet je maar weten te behelpen!—Vinden jullie het geen mooi dier?”„En fijn in de pan!” schreeuwde Harmen van boven, terwijl hij weer een noot losdraaide.„Maar we hebben geen vuur”, zei Hajo.„We eten hem rauw, met kokosnoot!” riep Harmen. Hij liet zich zakken, kwam op de anderen toe en brak, na met zijn kapmes den kreeft van zijn geduchte scharen ontdaan te hebben, zonder veel omhaal de schaal open. „Haal jij me nou eens een stukkie pisangblad!” beval hij Padde. En toen Padde met een stuk versch pisangblad was komen aandraven (wanneer er wat te eten viel, had Padde altijd haast!) lichtte Harmen met vaardige hand het teere, witte vleesch uit de schaal, schrapte daarover een kokosnoot en begon het een en ander op te peuzelen onder luid smakken en uitroepen als: „Gommennikkie, wat fijn! Net krentemik!”„Geef mij een stukkie?” vroeg Padde.„Daar!” zei Harmen gul.„Fijn!” verzekerde Padde, zich de vingers aflikkende.„Willen jullie niet eens proeven?” wendde Harmen zich tot de anderen.Toen lieten ook dezen zich verleiden. Harmens gerecht (wat was het anders dan de bekende „palmroover” der tropen?) bleek zoo wondergoed te smaken, dat de jongens besloten goed uit te kijken, of ze niet wéér van die uitgeplukte noten onder een boom vonden liggen.Verder maar weer! Met wat kokosmelk hadden ze de kelen gesmeerd, en zoo kwam Harmen op de gedachte om wat te zingen,—dat liep lekkerder. Terwijl de zon al begon te zakken, zongen ze met z’n vieren oud-Hollandsche liedjes, die het hart goed deden. Zelfs Joppie deed mee![299]Dik was Joppie niet,—zou het ook wel nooit worden. Maar hij zorgde ook wel, dat hij niet verhongerde. Zoo nu en dan verdween hij, ijverig snuffelend, tusschen het geboomte; de knapen hoorden een kort, scherp geblaf, en wanneer ze toesnelden, zich met moeite een weg banend door de lianen, vonden ze Joppie grommend knabbelen op een rat of een muisje. Ook torren, kevers, hagedissen, wurmen, vliegen waren hem welkom, en als hij zich nu en dan in de keuze van zijn spijs vergiste, kwam het er een half uur later vanzelf weer uit.Tegen de schemering bereikten de jongens een kleine baai. Het water was er stil en doorschijnend, en onwillekeurig ploften onze vrienden neer om de zon er in te zien wegzinken. Stil zaten ze bijeen en tuurden naar de roode schijf. „Nu wordt het in Holland dag”, zei Rolf.Holland! Dat was alles, wat ze er van opvingen. De stemming der knapen werd week. In het verre ruischen der branding hoorden ze klanken, die herinnerden aan.… Ze zouden er wat voor geven om in de gezellige huiskamer, met z’n allen om tafel, weer eens mee te mogen schransen uit moeders dampende pan bieten, dan nog wat te zitten op de bank voor het huis, de voorbijgangers goeien avond te zeggen—je kende ze immers allemaal?—en dan, wanneer het donker was, de deur op de knip te schuiven, het gewicht van de klok op te trekken en, na elkaar goeien nacht gezegd te hebben, achter de bedsteegordijnen, de dekens over het hoofd, weg te duiken in den met ganzeveeren gestopten bultzak, waarin in den loop der jaren een kuil was gekomen zoo fijn, dat je hem voor geen anderen ter wereld wilde ruilen.„Weet je, wat ’t bij mij is?” vroeg Harmen. „Als ik weg ben, heb ik verlangst naar huis, en als ik thuis ben, zie ik toch maar zoo gauw mogelijk weer weg te komen. Ach ja, m’n moeder is natuurlijk ook altijd blij, als ik ’t gat weer uit ben! Nietwaar? Zoo’n eter over de vloer! M’n vader is op de lijnbaan, hè, daar zit ’m de kneep: hij verdient niet genoeg. Da’s te zeggen: wel genoeg, maar niet als ik er nou nog bijkom! De eerste twee dagen is alles best. Maar dan zegt m’n vader al gauw: „Dat je centen meebrengt, Harmen”, zegt ie, „is best. Maar als je je moeder de ooren van het hoofd vreet, gaan de centen gauw[300]weer op!” Nou, dan ga ik liever naar ’tSillevere Anker, niet waar, daar krijg je alles op krediet, en als je weer van de reis terugkomt, mag je betalen. En bedriegen doen ze je niet: alles staat op een leitje, dan kun je ’t zelf lezen. ’k Heb lezen kunnen leeren, van Joris, de binder, maar mijn vader zegt: „Van lezen, daar bederven de menschen van!”Allen zwegen; niemand had naar Harmen geluisterd. Alleen Joppie was, terwijl de anderen voor zich uittuurden, kwispelstaartend op Harmen afgekomen en tegen zijn dijen gaan liggen. Harmen nam hem in de armen, legde hem in zijn schoot. „Als ik aan ’tSillevere Ankerdenk”, ging Harmen zuchtend door, „dan moet ik meteen ook weer aan Floor denken. Die had verkeering met de dochter, een beste meid, van hou-vast en erg op netjes. Denk je, dat ze van een ander wat weten wou? Goeie morgen! Floor voor en Floor na! En nou te bedenken.….!” Er blonk een traan in Harmen’s oogen. „Ik zal haar zeggen, dat ie tenminste recht leit. Omdat ze zoo op netjes is, weet je?”Onverwachts wierp Harmen Joppie weg, sprong overeind en ademde diep op. „Vooruit! We zullen voor vannacht er eens een knus huissie maken!”Daar voelden allen wat voor. Tegen den boschzoom staken ze hun speren schuin in den grond, verbonden ze kruiselings, legden er een vijfden stok overheen, vervaardigden met behulp van een paar dwarshouten en enkele groote pisangbladeren de zijwanden, spreidden gras op den bodem uit en legden zich toen te slapen, opgetogen over hun prachtige woning.Maar een uur later hadden allen het zoo warm, dat ze stuk voor stuk de tent uitkropen.Den volgenden morgen vonden ze daar, in allerbehagelijkste houding op het zachte gras, snurkend en poeffend van zaligheid.…. Joppie.Zeemeeuw.[301]
De zon en de vogels wekten de knapen. Ze voelden zich uitgerust, en met het helder licht herwonnen ze weer hun jongens-durf.
Ze namen een bad, lieten zich een half uur bakken in het mulle zand. Daarop klauterde Harmen in een klapperboom, draaide een paar jonge noten los,—dat was hun ontbijt. Hajo zocht intusschen geschikt hout voor een boog: hij wilde er zichzelf een snijden. Met Harmens veroverd kapmes hakte hij, een eindje in het bosch, een geduchten bamboesteel af, die hem zoowel den boog als de pijlen moest leveren. Zijn buit met moeite voortslepend, keerde hij terug. Allen besloten nu een boog voor zich te snijden. Hajo had er immers ook mee leeren schieten?
Bij het ontbladeren van den steel merkten de jongens eens hoe scherp de lange, smalle bladeren waren: ’t was net of er fijngestampt glas op zat. Door het goed verdeelen der „knoopen” in het hout, kreeg de boogsteel een gelijke spanning; daarop versterkten onze vrienden hem door een korter stuk en snoerden er een strook bamboeschil omheen,—het sterkste touw, dat men zich denken kan. Ook de boogpees werd van hetzelfde materiaal vervaardigd. De pijlen waren eenvoudig genoeg te maken: daar de nerven van dit hout precies evenwijdig loopen, kostte het den jongens weinig moeite om uit een enkel lid bamboe een handvol mooie, lange pijlen te splijten, die slechts nog wat bijgeslepen hoefden te worden. Voor de punt werd de harde knoop in het hout genomen.[296]
Terwijl Hajo, Rolf en Padde hun pijlen al over het strand lieten snorren, vervaardigde Harmen een paar pijlen voor „zwaarder wild”. Hij verheugde zich namelijk in het bezit van een paar ferme duimnagels, die hij met de punt naar buiten in dunne bamboerietjes wist te woelen.
Ziezoo: pijl en boog hadden ze nu. En de speer van den poortwachter was een geducht wapen; er zaten weerhaken aan, en Rolf vermoedde, dat de punt bovendien vergiftigd zou zijn. Maar één speer was voor hen vieren niet genoeg, en zoo werden er uit een paar jonge bamboes en enkele stevige Hollandsche zakmessen nog drie samengesteld. Zoo uitgerust durfden ze het wel tegen heel Sumatra opnemen! Toen er een meeuw voorbijscheerde, snorden vier pijlen hem om het lijf, en Padde’s pijl vloog er zoo dicht langs, dat een blank veertje omlaag dwarrelde.
Dit was de eerste en tevens laatste maal, dat Padde’s pijlschoten voor iemand of iets anders dan voor hemzelf en zijn drie kameraden gevaarlijk werden. „Potverdikkie!” stamelde de gewezen botteliersmaat, „ik wist zelf niet, dat ik zoo goed schieten kon!” Ook de anderen stonden paf. Maar toen bij een tweeden aanval op een meeuw Padde’s pijl dwars door Hajo’s weelderigen krullendos flitste, zakte hun bewondering wat. Harmen maakte korte metten, griste Padde den boog uit de handen, brak hem op z’n knie middendoor. „Da’s geen speelgoed voor jou!” verklaarde hij.
„Kletskoek!” schreeuwde Padde woedend.
„Harmen heeft gelijk”, zei Rolf. „Je bent er veel te onvoorzichtig mee.”
„Wie heeft daarnet die veer d’r af geschoten?” vroeg Padde schamper.
„’t Geluk is met Jan Stomkop”, verzekerde Harmen.
„Kom, geen ruzie”, zei Rolf. „We moeten verder.”
En de jongens stapten weer op. Joppie ongewapend voorop, de staart als een vlag omhoog gestoken, en Padde sloot de rij, met een gezicht als een oorwurm, de handen in de zakken, en de speer als een bezem onder den arm, zoodat de punt door het zand sleepte.
„Kijk, Padde eens ’n zog maken!” lachte Harmen en wees[297]op het lijntje, dat de speer in het strand getrokken had, „je zou denken, dat er een admiraals-schoener voorbijgezeild was!”
Padde zweeg even, dacht over een antwoord na; vond er geen.
Na een paar uren begonnen honger, hitte en dorst de jongens te kwellen, en er werd rust genomen. Puffend klom Harmen in een klapperboom om weer een paar noten machtig te worden. Maar, nauwelijks boven gekomen, stiet hij een kreet van verrassing uit. „Eenkreeft!”
Klapperdief.
„Boven in een boom? ’t Zal een groote tor zijn”, meende Rolf.
Harmen deed een veelpootig ding door de lucht vliegen. Het plofte in het zand neer en trachtte haastig een heenkomen te vinden. Maar Hajo greep het stevig achter den kop en de geweldige scharen. Het was een kreeft! En zelfs een zeer groote: het gevlekte lichaam mat haast een halve el. „Dat heb ik nog nooit gehoord: een kreeft, die in een boom klimt!” zei Rolf. „Wat zou hij er doen??”
„Noten gappen!” riep Harmen van boven uit den boom.
„Maar hoe krijgt ie zoo’n ding open?” vroeg Hajo. Rolf[298]raapte van den grond een half verrotte kokosnoot op.„Kijk, hier heeft de steel gezeten en daaromheen zijn de bastvezels weggerukt. Ik denk, dat het beest met zijn scharen de steel doorknaagt; soms splijt de noot dan natuurlijk al in het vallen. In elk geval schijnt de kreeft te weten, dat de harde binnenbast juist onder de steel week is, want hier, deze noot.….”—Rolf raapte een tweede op—„is op dezelfde plaats opengeboord. Kijk, met de scharen graaft hij het vleesch uit! Je moet je maar weten te behelpen!—Vinden jullie het geen mooi dier?”
„En fijn in de pan!” schreeuwde Harmen van boven, terwijl hij weer een noot losdraaide.
„Maar we hebben geen vuur”, zei Hajo.
„We eten hem rauw, met kokosnoot!” riep Harmen. Hij liet zich zakken, kwam op de anderen toe en brak, na met zijn kapmes den kreeft van zijn geduchte scharen ontdaan te hebben, zonder veel omhaal de schaal open. „Haal jij me nou eens een stukkie pisangblad!” beval hij Padde. En toen Padde met een stuk versch pisangblad was komen aandraven (wanneer er wat te eten viel, had Padde altijd haast!) lichtte Harmen met vaardige hand het teere, witte vleesch uit de schaal, schrapte daarover een kokosnoot en begon het een en ander op te peuzelen onder luid smakken en uitroepen als: „Gommennikkie, wat fijn! Net krentemik!”
„Geef mij een stukkie?” vroeg Padde.
„Daar!” zei Harmen gul.
„Fijn!” verzekerde Padde, zich de vingers aflikkende.
„Willen jullie niet eens proeven?” wendde Harmen zich tot de anderen.
Toen lieten ook dezen zich verleiden. Harmens gerecht (wat was het anders dan de bekende „palmroover” der tropen?) bleek zoo wondergoed te smaken, dat de jongens besloten goed uit te kijken, of ze niet wéér van die uitgeplukte noten onder een boom vonden liggen.
Verder maar weer! Met wat kokosmelk hadden ze de kelen gesmeerd, en zoo kwam Harmen op de gedachte om wat te zingen,—dat liep lekkerder. Terwijl de zon al begon te zakken, zongen ze met z’n vieren oud-Hollandsche liedjes, die het hart goed deden. Zelfs Joppie deed mee![299]
Dik was Joppie niet,—zou het ook wel nooit worden. Maar hij zorgde ook wel, dat hij niet verhongerde. Zoo nu en dan verdween hij, ijverig snuffelend, tusschen het geboomte; de knapen hoorden een kort, scherp geblaf, en wanneer ze toesnelden, zich met moeite een weg banend door de lianen, vonden ze Joppie grommend knabbelen op een rat of een muisje. Ook torren, kevers, hagedissen, wurmen, vliegen waren hem welkom, en als hij zich nu en dan in de keuze van zijn spijs vergiste, kwam het er een half uur later vanzelf weer uit.
Tegen de schemering bereikten de jongens een kleine baai. Het water was er stil en doorschijnend, en onwillekeurig ploften onze vrienden neer om de zon er in te zien wegzinken. Stil zaten ze bijeen en tuurden naar de roode schijf. „Nu wordt het in Holland dag”, zei Rolf.
Holland! Dat was alles, wat ze er van opvingen. De stemming der knapen werd week. In het verre ruischen der branding hoorden ze klanken, die herinnerden aan.… Ze zouden er wat voor geven om in de gezellige huiskamer, met z’n allen om tafel, weer eens mee te mogen schransen uit moeders dampende pan bieten, dan nog wat te zitten op de bank voor het huis, de voorbijgangers goeien avond te zeggen—je kende ze immers allemaal?—en dan, wanneer het donker was, de deur op de knip te schuiven, het gewicht van de klok op te trekken en, na elkaar goeien nacht gezegd te hebben, achter de bedsteegordijnen, de dekens over het hoofd, weg te duiken in den met ganzeveeren gestopten bultzak, waarin in den loop der jaren een kuil was gekomen zoo fijn, dat je hem voor geen anderen ter wereld wilde ruilen.
„Weet je, wat ’t bij mij is?” vroeg Harmen. „Als ik weg ben, heb ik verlangst naar huis, en als ik thuis ben, zie ik toch maar zoo gauw mogelijk weer weg te komen. Ach ja, m’n moeder is natuurlijk ook altijd blij, als ik ’t gat weer uit ben! Nietwaar? Zoo’n eter over de vloer! M’n vader is op de lijnbaan, hè, daar zit ’m de kneep: hij verdient niet genoeg. Da’s te zeggen: wel genoeg, maar niet als ik er nou nog bijkom! De eerste twee dagen is alles best. Maar dan zegt m’n vader al gauw: „Dat je centen meebrengt, Harmen”, zegt ie, „is best. Maar als je je moeder de ooren van het hoofd vreet, gaan de centen gauw[300]weer op!” Nou, dan ga ik liever naar ’tSillevere Anker, niet waar, daar krijg je alles op krediet, en als je weer van de reis terugkomt, mag je betalen. En bedriegen doen ze je niet: alles staat op een leitje, dan kun je ’t zelf lezen. ’k Heb lezen kunnen leeren, van Joris, de binder, maar mijn vader zegt: „Van lezen, daar bederven de menschen van!”
Allen zwegen; niemand had naar Harmen geluisterd. Alleen Joppie was, terwijl de anderen voor zich uittuurden, kwispelstaartend op Harmen afgekomen en tegen zijn dijen gaan liggen. Harmen nam hem in de armen, legde hem in zijn schoot. „Als ik aan ’tSillevere Ankerdenk”, ging Harmen zuchtend door, „dan moet ik meteen ook weer aan Floor denken. Die had verkeering met de dochter, een beste meid, van hou-vast en erg op netjes. Denk je, dat ze van een ander wat weten wou? Goeie morgen! Floor voor en Floor na! En nou te bedenken.….!” Er blonk een traan in Harmen’s oogen. „Ik zal haar zeggen, dat ie tenminste recht leit. Omdat ze zoo op netjes is, weet je?”
Onverwachts wierp Harmen Joppie weg, sprong overeind en ademde diep op. „Vooruit! We zullen voor vannacht er eens een knus huissie maken!”
Daar voelden allen wat voor. Tegen den boschzoom staken ze hun speren schuin in den grond, verbonden ze kruiselings, legden er een vijfden stok overheen, vervaardigden met behulp van een paar dwarshouten en enkele groote pisangbladeren de zijwanden, spreidden gras op den bodem uit en legden zich toen te slapen, opgetogen over hun prachtige woning.
Maar een uur later hadden allen het zoo warm, dat ze stuk voor stuk de tent uitkropen.
Den volgenden morgen vonden ze daar, in allerbehagelijkste houding op het zachte gras, snurkend en poeffend van zaligheid.…. Joppie.
Zeemeeuw.
[301]