DOLIMAH

[Inhoud]DOLIMAHDolimah.Hier loopt het pad weer het bosch in. Grillige schaduwen liggen over den grond. Honderdmaal struikelt Harmen, die vooraan loopt, over zware wortels. Hush.…. wat springt daar voor een dier weg?!Voort! Voort! Hajo kan ten slotte niet meer, zinkt tegen de struiken. De tranen vloeien over zijn wangen. „Padde.….! Waar is Padde.….?”„Stil eens!” zegt Harmen. „Hoor jullie wat?!”Hajo bergt het gelaat in de armen om zijn hartstochtelijk snikken te smoren.„We moeten hier weg! Kom, Hajo,” dringt Rolf aan. „Hier is alles nog zoo open.” En hij steunt Hajo, die kreunend opstaat.Zoo strompelen de jongens voort, tot ze bij een plaats komen, waar de bodem zacht is en varens groeien. Voorzichtig, zorg dragend geen varen-stelen te knakken en zoodoende een spoor na te laten, waden ze er door. Als ze ver van den weg af zijn, zinken ze neer, hooren nauwelijks het driftig zingen der muskieten. Harmen valt meteen in slaap. Hajo snikt nog urenlang.De sterren verdwijnen al. De maan verbleekt. De krekels zwijgen.- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Met een schrikbeeld voor oogen werd Hajo het eerst van de drie weer wakker. „Padde! Waar is Padde!”De zon stond al hoog, glinsterde in de boomkruinen, daarboven. Alom schetterden de vogels. „Rolf.….! Word wakker! We moeten Padde zoeken!”„Ja.….” stamelde Rolf en richtte zich op.[332]Ook Harmen werd wakker, rekte zich, geeuwde, krabde aan enkele roode muskietenbeten.„Waar zullen we zoeken?” vroeg Rolf na een oogenblik zwijgen.Hajo zocht naar een antwoord, maar vond er geen. Met tranen in de oogen blikte hij in het groen, rondom. Harmen wentelde zich op zijn buik, plukte een grashalmpje, kauwde er op en zuchtte. „Je kunt net zoo goed naar m’n viool gaan zoeken, die met deNieuw-Hoornkopje onder is gegaan!”„Paddemoetgevonden worden”, zei Hajo met gesmoorde stem.„Ja.….” viel Rolf hem bij. „Natuurlijk moet hij gevonden worden. Dat spreekt vanzelf.”Zwijgen. Drukkend zwijgen. Hajo barstte plots weer in krampachtig snikken uit.Harmen sprong overeind, spuwde het grashalmpje uit, dat hij half had binnengekauwd, streek over zijn zitvlak en zei: „’k Ga eens op de weg kijken. Zien, of de sloebers ons gevolgd hebben.”Langzaam, het hoofd omlaag, waadde hij tusschen de varens door.Even later kwam Harmen met groote sprongen weer aanhollen; hij moest even naar lucht happen, vóór hij uit zijn woorden kwam: „Daarginder zit ie! Met Joppie en een zwart meisje! En vuur heeft hij ook!”De anderen sprongen overeind. „En.…. en waarom is hij niet met je meegekomen??”„Hij heeftmijniet gezien!”„Ben je dan niet naar hem toegegaan?”„’k Zal daar in m’n bloote billen voor den dag komen!” schimpte Harmen verontwaardigd. En haastig schoot hij zijn „rokje” aan.„Kom mee!” zei Rolf. En de jongens ijlden achter Harmen aan. „Zie je daar die rook?” vroeg Harmen. „Bij die kokosboom? Daar zit ie met ’t zwarte meisje en z’n vuurtje, de smakker!”„Padde! Hallo, Padde!” riepen de jongens.„Wauw!” Daar kwam Joppie hen al te gemoet snellen, sprong gillend van vreugde tegen hen op.[333]Maar Padde scheen over het weerzien allerminst verbaasd. „Zoo!” zei hij, trad in het kostuum waarin hij geboren was eenigszins schuchter naar voren, kuchte en vroeg: „Heb jullie mijn schortje soms?”„Hier!” zei Hajo. „Maar vertel op: hoe.….”Met een zucht schoot Padde zijn rokje aan. „Ziezoo!—Ja, ’t is dat meisje, weet je wel, van bij deradjah! Ze is ons nageloopen. Nietwaar?” wendde hij zich tot het meisje, dat met neergeslagen oogen tegen de struiken stond. „Jij wou met ons mee? Sama saja?—Ik kwam haar achterop! Vannacht, toen ik wegliep om.….” Padde huiverde.„Dus jij hebt hem doodgestoken?”„Is ie d-dood?” vroeg Padde stamelend. „Ik kon er niets aan doen. Hij kwam op me af.….!”De jongens zwegen, en Padde veegde met den onderarm over zijn neus.„Apa moenamah nja?Hoe heet je?” wendde Rolf zich tot het meisje.„Dolimah, toean.….” luidde het zachte antwoord.„’t Is dat lieve meisje, dat ons dat smerige goedje gaf, dat we kauwen moesten!” zei Padde. „Weet je ’t nog, Harmen?”„Nou!” zei Harmen. „’k Wist niet, wat ik liever had!”„Ze kon me dadelijk weer”, vervolgde Padde. „Nou, en toen heeft ze een vuurtje gemaakt, lekker! Moet je eens kijken, hoe ze dat doet! Met een paar houtjes! En wrijven maar! ’k Heb geslapen; ’k ben net weer wakker.”„En heb je er geen oogenblik over gedacht, waar.….wijbleven?” vroeg Rolf.„Nou, ik wist toch, dat jullie wel zouden komen!” meende Padde luchthartig. „Ik dacht: ze zullen wel zoeken.”Rolf knikte. „Zoo.” Toen wendde hij zich weer tot het meisje: „Dolimah, vertel me eens waarom je je dessah verlaten hebt.….?”„Ik was zoo bang! Loentar heeft gezien, dat ik ’s nachts ben opgestaan.…. Loentar verklapt altijd alles.”„Wie is Loentar?”„Loentar is mijn broertje. Ik heb nog twee broertjes: Dajik en Oeng. Karidien is al groot. Hij is bijna een man en zoo[334]sterk.….! En mijn zusters: Sitoe en Roeknini en Kartina zijn al getrouwd.”„En.….” Rolf aarzelde even, „wilde je nu met ons meegaan?”„Ik durf niet terug”, fluisterde het meisje.„Kun je in een andere kampong geen tehuis vinden?”Dolimah schudde het hoofd. „Ze zouden vragen wie ik ben, en me weer terugbrengen.….!”„En waar heb je in die dagen van geleefd?”„Ik heb niet gegeten. Ik was zoo bang. Ik heb geloopen, geloopen.….” Het meisje scheen plots ietwat duizelig te worden, streek met de hand over de oogen.„Wat heeft ze?” vroeg Harmen verschrikt.„Ze heeft al dien tijd niets gegeten!”„Groote griebus!” Harmen keek rond, dacht toen aan den kokosboom vlak bij hem en klom als een aap naar boven. „Hajo!” schreeuwde hij van uit de hoogte. „Schiet als de weerlicht een paar duiven!” Maar Hajo had de pees van zijn boog al gespannen. „Wat ik onder schot krijg, is er bij!”Rolf gooide bladeren bijeen tot een zacht leger. „Ga hier wat zitten”, zei hij tot het meisje, dat verlegen werd onder al die zorgen. „Je zult moe zijn.”Dolimah aarzelde. Maar toen Rolf haar naar de rustbank leidde, zonk ze met gesloten oogen zwijgend op de zachte bladeren neer.„Ziezoo!” zei Padde, die, om ook wat te doen, geheel overbodig in het vuur porde. En hij wees naar Harmen, die boven in den boom ijverig noten zat los te draaien. „Zie je? Hij haaltmakan!”Daar kwam Harmen weer omlaagzakken, laadde de armen vol noten. „Da’s dat! Waar blijft Hajo met zijn duiven? Als die kampong niet zoo open en bloot lag, zou ik wat rijst voor haar gappen. En dan nam ik meteen voor mezelf wat beters mee als dat smerige rokkie, dat ik nou aanheb. ’t Lijkt wel, of ik moet optreden in ’t paardenspul!” Hij nam zijn kapmes op en spleet met een paar ferme slagen een noot open. „Alsjeblieft, lieve, kleine Dalo.…. Dola.…. hoe heet je?”„Dolimah”, zei het meisje na een verlegen aarzeling. Ze nam[335]met haar fijne vingertjes het stuk kokos aan, dat Harmen offreerde, zette haar blanke tandjes in het blanke vruchtvleesch.„Wat een dot, hè?” zuchtte Harmen. „Hier, kleine snoes, Harremen is dol op je,—neem dit er nog bij.”„Geef op!” snauwde Padde, jaloersch. „Denk je, dat ze dat zóó kan eten? Dat moet eerst in stukjes!” Hij beproefde het met de handen te breken, werd rood van inspanning.…. vergeefs.„Nou moet jij het met je smerige vingers eerst pikzwart maken!” schold Harmen, die anders toch zoo nauw niet keek. „Hier d’r mee, papjoggie!” En Harmen zette er zijn pootige vingers in. Knap! „Een schip in brand laten vliegen, dat kan ie, maar een nootje knappen, daar moet ie Harremen eerst bij roepen!”„Kletskoek!” schreeuwde Padde, en de tranen schoten hem in de oogen.Harmen grinnikte, kapte juist met een geweldige mep weer een kokosnoot in tweeën en loerde met een schuin oogje, of het meisje wel oplette, hoe mooi hij dat deed. Maar Dolimah liet juist een schuwen blik vol medelijden op Padde vallen, in wiens oogen zij een traan zag glanzen. Padde merkte het, veegde snel die sporen van on-mannelijke zwakte weg, snoof en keek een anderen kant uit.Daar kwam Hajo opgewonden uit de struiken. „Alsjeblieft!” riep hij en hield een kakelend boschhoen omhoog.„Geef hier!” beval Harmen. En het bevoelend, prees hij: „’n Mooi beest! Vet aan de borst!”„Ik trapte er haast bovenop!” zei Hajo.„’t Stomme dier!”zuchtteHarmen. En terwijl hij het den hals omdraaide, beval hij Padde, hout voor het vuur te zoeken, en Hajo droeg hij op, een puntigen stok te snijden om het er aan te braden. „Zoo, ben je dood, beessie? Hij zegt niks meer, dan zal ’t wel zoo wezen.” En meteen stoven de veeren ook al in ’t rond. In een ommezien was de mooie, gespikkelde, mollig bepluimde kip een kaal, geel monster geworden. Met verrassende vaardigheid sneed de vroegere koksmaat het open, spietste het „schoongemaakte” boschhoen, gooide de houtjes op het vuur wat op mekaar en zag even later met glinsterende[336]oogen toe, hoe het boutje bruin werd, en het vet sissend in de vlammen droop. „Deze mag jij opeten, hè, Dolimaatje?” zei hij.„Daar heeft ze genoeg aan”, meende Rolf.„Oh! Wou jij d’r soms ook wat van!” schimpte Harmen. „Zie liever, dat je wat schiet!”„Dat is een goede gedachte”, zei Rolf opgeruimd. „Ga je mee, Hajo?” En de beide knapen vatten hun boog op en verdwenen tusschen de boomen. Joppie sprong om hen heen.„Het liefst heb ik boschkippen!” schreeuwde Harmen hun nog na.„Je hebt maar voor het kiezen!” zei Rolf.„Nou, een paar duiven vind ik ook goed! Als ze maar vet zijn.”Langzaam wandelde onze vrienden tusschen de boomen voort. „Leuk, hè?” zei Hajo.Rolf schrikte op. „Leuk?”„Dat dat meisje meegaat! Ik vind alles nu in eens veel prettiger!—Wat zullen de anderen opkijken, als we met haar in Bantem komen! En later in Hoorn!”Rolf liep peinzend naar den grond te kijken. „Ik geloof, Hajo”, zei hij tenslotte, „dat we haar moeten aanraden, toch maar naar huis terug te gaan.”„Waarom??” vroeg Hajo verschrikt.Rolf zweeg, en Hajo liet zijn lip hangen.Zonder iets onder schot te hebben gekregen, belandden onze vrienden weer in het kamp.„Platzak?” hoonde Harmen. „Nou, dan kunnen we met z’n vieren de kip afknabbelen: die is toch al pikzwart gebrand.”„De kip? Heeft Dolimah er niets van gegeten??”„Ze kan naar de pomp loopen!” zei Harmen grimmig. „’k Had een fijn boutje gebraden! Je wordt bedankt—zegt dat juffie—knabbel die rommel zelf maar op:ikzet er geen tand in.—Best—zei ik,—als jou dat niet fijn genoeg is, juffie, zal Harremen ’t wel.….” Harmen’s stem werd verdacht heesch „zal Harremen het wel voor je opkluiven.—En nou is ie pikzwart. Nou lustik’m ook niet meer.”Het meisje scheen te begrijpen waarover gesproken werd.[337]„Ik mag het niet eten, heer,” wendde zij zich aarzelend tot Rolf. Deze keek haar even verbaasd aan. Toen begreep hij. „Ik denk, dat haar geloof het verbiedt”, zei hij tot zijn vrienden.„Zit ’m dáár de kneep!” verzuchtte Harmen. „Ze had het hier toch gerust kunnen doen! Geen mensch, die het ziet!” Hij sneed het aangebrande hoen in stukken. „Hier, Hajo, daar heb jij een poot. En voor jou, Padde, alsjeblieft, een stuk van de borst en een vleugeltje toe, en voor jou, pennelikker, neem aan, ’k ben je knechtje niet! ook een vleugel en een stuk borst. Zoo, dan schiet er voor Harremen nog een poot over en de bil, en voor Joppie—gris ’t niet uit m’n vingers, mormel!—hier, voor jou de ribbekast, dan kun je kluiven! Of lust jij ook alleen wat je mag eten van je geloof? Hè, sallemander, jij denkt: spek is spek, en hap! in m’n bek! niet waar?”Zoo dacht Joppie er werkelijk over. Grommend en grauwend begon hij er aan te knagen, dat de beentjes knapten als vischgraten.„Kijk hem eens smullen, de gannef!” zei Harmen, die zelf glom tot achter zijn ooren.„Zeg, Rolf, vraag nou eens aan Dolimah, wat ze dan wèl mag eten?”„Ik mag wel kip eten”, antwoordde het meisje op Rolfs vraag. „Maar alleen, als ze met het mes geslacht is.”„Wat een fratsen”, verklaarde Harmen, toen Rolf hem vertaalde, wat Dolimah gezegd had. „Zou je toch nog geen stukje nemen, hè, Dolimaatje, hè?” En Harmen offreerde haar vol verleiding het pootje, dat hij nog in de vetbesmeerde hand hield.Het meisje schudde glimlachend het hoofd. „Ik heb geen honger meer.….”En toen moest er eens aan opbreken worden gedacht! Harmen schopte morrend het vuur uiteen. „We moesten het op den rug kunnen meenemen! Vraag haar eens, hoe ze het gemaakt heeft?”„Heb jij dat vuurtje gemaakt, Dolimah?” vroeg Rolf.Het meisje knikte bevestigend, glimlachte verlegen. „Als u het noodig hebt, dan zal ik het wel voor u maken.”„Ja.….!” Rolfs gelaat nam een weifelende uitdrukking aan. „Is het werkelijk niet beter, dat je naar je dorp teruggaat?”[338]vroeg hij zacht, na een korte aarzeling. En haastig voegde hij er aan toe: „Wijvinden het erg leuk, als je met ons meegaat! Maar we zijn bang, datjijer later spijt van hebt.”Dolimah boog zwijgend het hoofdje. „Ik durf niet terug”, fluisterde ze in weer opkomenden angst. „Ik durf niet.….”Rolf maakte een beslist gebaar. „Dan ga je met ons mee!—Ben je nog moe?”„Neen”, zei het meisje verheugd, „ik ben niet moe!”„Ik zou weleens willen weten wat Rolf allemaal met haar afsmoest!” gromde Padde, alweer jaloersch.„Laat hem kletsen, Padde!” troostte Harmen. „Hij wil leftrappen met z’n Maleidsch!”„We hebben afgesproken, dat ze met ons meegaat!” zei Rolf vroolijk. „Kom, jongens, pak de rommel dan maar weer op. Als we de richting goed houden,moetenwe in Bantem komen!”Opgewekt gingen ze verder, voelden zich nu heel andere kerels! Er was nu iets, dat hun steun, hun bescherming noodig had; ze moesten nu toonen, dat zemannenwaren!Drommels, Dolimah had het slechter kunnen treffen! Waren allen niet bereid, voor haar hun leven op het spel te zetten?Harmen ging voorop, keek telkens even om naar de kleine Dolimah en wierp haar een blik toe van: „Vertrouw maar gerust op mij: alles komt in orde!”Joppie liep parmantig, den staart in de lucht, nog weer voor Harmen uit, snuffelde uit plichtsbesef hier en daar, lichtte even het pootje op om een boom voor omvallen te behoeden en sjouwde weer voort na een blik naar achteren te hebben geworpen, die ook al scheen te zeggen: „Volg mij maar gerust! Als ik wat verdachts ruik, zal ik jullie wel waarschuwen!”Dolimah, met kleine, zachte, snelle schreden tusschen hen inloopend, werd steeds vertrouwelijker, wees hun onderweg allerlei. „Zie, dit is deganjong! Daar kun je de wortels van eten. Maar ze moeten eerst geklopt en gezeefd worden! Ik zal van het meel wel eens koekjes maken, als ik maar iets heb om ze in te bakken! En dit isdjamboe! Die zijn heerlijk. Proef maar eens!” En met haar rappe vingertjes plukte ze een glazige,[339]doorschijnende vrucht af en reikte die aan Padde.—Deze keek er naar. Maar zonder veel omhaal griste Harmen ze hem uit de vingers en zette er de tanden in. „Fijn!” riep hij uit.Ze gingen weer verder. „Kijk”, zei het meisje na een half uurtje en wees op een klimplant met lange trossen groene bloemen, „daar staatgadoeng! Daar kun je de knol van eten.” Hajo rukte aan de plant, en inderdaad: er bleek een knol aan te zitten. „Nou, zij weet het!” prees Harmen opgetogen. „Met haar bij ons, zullen we niet verhongeren!”„Als de oogst mislukt is, eten we niets anders dangadoeng”, zei het meisje.Zoo drentelde ze babbelend tusschen de jongens in, die vandaag maar voortliepen zonder zelf te merken, dat ze liepen. Maar Dolimah scheen moe te worden. „Nou, dan gaan we zitten!” zei Harmen, die anders nooit aan rusten dacht vóór hem de tong uit den mond hing. „Daarginds is een lichte plek, daar zit ’t fijn!” En hij baande met zijn stoere lichaam den anderen een weg door de struiken.Flits! daar schemerde iets roodbruins door de takken; met luchtige sprongen, als veerde de grond, danste een dwerghertje de open plek over, draaide even het kopje met de groote, glanzende oogen en stoof toen op zijn tengere pootjes weg.„Een kantjil!” zei het meisje opgetogen. „Het is het zwakste, maar ook het slimste van alle dieren! Weet u, dat het kantjil door zijn slimheid zelfs eens een grooten olifant op de vlucht heeft gejaagd?”„Hoe heeft hij dat klaargespeeld?” vroeg Rolf lachend.„Dat zal ik vertellen”, zei het meisje,enterwijl de jongens zich neerwierpen en soezend luisterden naar Dolimah’s zangerig stemmetje, begon ze: „In een bosch leefden de dieren vreedzaam bijeen tot er opeens een olifant kwam, die dadelijk begon de boomen om te schoppen. Daar schrokken de andere dieren leelijk van! Er was nog nooit een olifant in het bosch geweest, en ze vergaderden er over, hoe ze hem weer weg zouden krijgen. „Ikzal hem wegjagen!” zei de tijger. Nu, die praalt altijd. De olifant ving hem op zijn witte slagtanden, die rood waren, toen de tijger machteloos ter aarde viel. Nu durfde geen der dieren hem meer aan. „Ikzal hem wegjagen!” beloofde[340]het kantjil. Toen lachten alle dieren hem uit. „Als hijjouziet aankomen, loopt hij van angst al weg!” Maar het kantjil zei tot het stekelvarken: „Geef me een van je pennen!” „Wat wil je er dan mee doen?” vroeg het stekelvarken. „Hij wil er den olifant mee op de vlucht jagen!” lachten de anderen. Nu begon het stekelvarken te schudden van het lachen. „Trek me er dan maar een uit het lijf!” proestte hij. Terwijl de anderen lachten, en het stekelvarken even knorde van pijn, trok het kantjil het stekelvarken de langste en dikste pen uit, die het maar vinden kon. En daarmee huppelde het naar het bosch, waar de olifant huisde. „Wil jij weleens gauw maken, dat je wegkomt!” zei het kantjil. De olifant was juist bezig een paar boomen te ontwortelen. „Wat piept daar?” vroeg hij. „Een muisje?”—„Oh, ben je nog half blind ook!” zei het kantjil. „Dan mag je je zeker wel uit de voeten maken, vóór hetkantjilkomt!”—„Wie is dat: het kantjil?” vroeg de olifant, terwijl hij kalm een nieuwen boom begon kaal te eten. „Een beest, dat wel tweemaal zoo groot en zoo sterk is als jij!” zei het kantjil. „Dat is niet waar”, zei de olifant, „ik ben de grootste en sterkste van alle dieren.”—„Dat zou je wel willen!” zei het kantjil weer. „Als hetkantjilkomt, schudden de bergen, en als het in zee gaat om te baden, loopt het heele bosch onder water.” Van verbazing ging de olifant tegen een waringin-boom zitten, die met de wortels in de lucht omviel. „Je wilt me zeker wat wijsmaken!” knorde de olifant. „Wàt? Geloof je me niet?” vroeg het kantjil. „Neen, ik geloof je niet”, antwoordde de olifant. „Dan zal ik je eens wat laten zien!” zei het kantjil. En het hield den olifant de pen van het stekelvarken voor den neus. „Alsjeblieft! Zoo dik zijn z’n haren!” Nu zei de olifant niets meer; hij beefde over al zijn leden, stak de slurf in de lucht, liep trompettend weg, zoo hard hij maar kon, en is nooit meer teruggekomen in het bosch, waar dat verschrikkelijk groote en sterkekantjilhuisde!”Dolimah zweeg. „Ziet u wel, hoe slim het kantjil is?” vroeg ze.Hajo had het verhaal maar half kunnen verstaan. Maar onder Dolimah’s vertellen scheen het hem, alsof de natuur hem vertrouwder werd. Wonderlijk mooi klonk dat zangerige stemmetje,[341]het leek hem wel, alsof het kantjil zelf hem dat verhaaltje van slimheid en goedige domheid in het oor had gefluisterd. Hoe mooi was Indië, als je het zóó kende.….„Wat vertelde ze?” Vroeg Harmen, op een djamboe zuigend en wezenloos voor zich uitkijkend.Geen der jongens kon zoo spoedig de rechte woorden vinden om Harmens vraag te beantwoorden. En Harmen vroeg ook niet ten tweeden male, stak peinzend een nieuwe vrucht in den mond.De vogels in de boomen waren verstomd. Padde was in slaap gevallen en vulde met zijn zacht gesnurk de stilte.Zwaar drukte de middaghitte.Rennende olifant.[342]

[Inhoud]DOLIMAHDolimah.Hier loopt het pad weer het bosch in. Grillige schaduwen liggen over den grond. Honderdmaal struikelt Harmen, die vooraan loopt, over zware wortels. Hush.…. wat springt daar voor een dier weg?!Voort! Voort! Hajo kan ten slotte niet meer, zinkt tegen de struiken. De tranen vloeien over zijn wangen. „Padde.….! Waar is Padde.….?”„Stil eens!” zegt Harmen. „Hoor jullie wat?!”Hajo bergt het gelaat in de armen om zijn hartstochtelijk snikken te smoren.„We moeten hier weg! Kom, Hajo,” dringt Rolf aan. „Hier is alles nog zoo open.” En hij steunt Hajo, die kreunend opstaat.Zoo strompelen de jongens voort, tot ze bij een plaats komen, waar de bodem zacht is en varens groeien. Voorzichtig, zorg dragend geen varen-stelen te knakken en zoodoende een spoor na te laten, waden ze er door. Als ze ver van den weg af zijn, zinken ze neer, hooren nauwelijks het driftig zingen der muskieten. Harmen valt meteen in slaap. Hajo snikt nog urenlang.De sterren verdwijnen al. De maan verbleekt. De krekels zwijgen.- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Met een schrikbeeld voor oogen werd Hajo het eerst van de drie weer wakker. „Padde! Waar is Padde!”De zon stond al hoog, glinsterde in de boomkruinen, daarboven. Alom schetterden de vogels. „Rolf.….! Word wakker! We moeten Padde zoeken!”„Ja.….” stamelde Rolf en richtte zich op.[332]Ook Harmen werd wakker, rekte zich, geeuwde, krabde aan enkele roode muskietenbeten.„Waar zullen we zoeken?” vroeg Rolf na een oogenblik zwijgen.Hajo zocht naar een antwoord, maar vond er geen. Met tranen in de oogen blikte hij in het groen, rondom. Harmen wentelde zich op zijn buik, plukte een grashalmpje, kauwde er op en zuchtte. „Je kunt net zoo goed naar m’n viool gaan zoeken, die met deNieuw-Hoornkopje onder is gegaan!”„Paddemoetgevonden worden”, zei Hajo met gesmoorde stem.„Ja.….” viel Rolf hem bij. „Natuurlijk moet hij gevonden worden. Dat spreekt vanzelf.”Zwijgen. Drukkend zwijgen. Hajo barstte plots weer in krampachtig snikken uit.Harmen sprong overeind, spuwde het grashalmpje uit, dat hij half had binnengekauwd, streek over zijn zitvlak en zei: „’k Ga eens op de weg kijken. Zien, of de sloebers ons gevolgd hebben.”Langzaam, het hoofd omlaag, waadde hij tusschen de varens door.Even later kwam Harmen met groote sprongen weer aanhollen; hij moest even naar lucht happen, vóór hij uit zijn woorden kwam: „Daarginder zit ie! Met Joppie en een zwart meisje! En vuur heeft hij ook!”De anderen sprongen overeind. „En.…. en waarom is hij niet met je meegekomen??”„Hij heeftmijniet gezien!”„Ben je dan niet naar hem toegegaan?”„’k Zal daar in m’n bloote billen voor den dag komen!” schimpte Harmen verontwaardigd. En haastig schoot hij zijn „rokje” aan.„Kom mee!” zei Rolf. En de jongens ijlden achter Harmen aan. „Zie je daar die rook?” vroeg Harmen. „Bij die kokosboom? Daar zit ie met ’t zwarte meisje en z’n vuurtje, de smakker!”„Padde! Hallo, Padde!” riepen de jongens.„Wauw!” Daar kwam Joppie hen al te gemoet snellen, sprong gillend van vreugde tegen hen op.[333]Maar Padde scheen over het weerzien allerminst verbaasd. „Zoo!” zei hij, trad in het kostuum waarin hij geboren was eenigszins schuchter naar voren, kuchte en vroeg: „Heb jullie mijn schortje soms?”„Hier!” zei Hajo. „Maar vertel op: hoe.….”Met een zucht schoot Padde zijn rokje aan. „Ziezoo!—Ja, ’t is dat meisje, weet je wel, van bij deradjah! Ze is ons nageloopen. Nietwaar?” wendde hij zich tot het meisje, dat met neergeslagen oogen tegen de struiken stond. „Jij wou met ons mee? Sama saja?—Ik kwam haar achterop! Vannacht, toen ik wegliep om.….” Padde huiverde.„Dus jij hebt hem doodgestoken?”„Is ie d-dood?” vroeg Padde stamelend. „Ik kon er niets aan doen. Hij kwam op me af.….!”De jongens zwegen, en Padde veegde met den onderarm over zijn neus.„Apa moenamah nja?Hoe heet je?” wendde Rolf zich tot het meisje.„Dolimah, toean.….” luidde het zachte antwoord.„’t Is dat lieve meisje, dat ons dat smerige goedje gaf, dat we kauwen moesten!” zei Padde. „Weet je ’t nog, Harmen?”„Nou!” zei Harmen. „’k Wist niet, wat ik liever had!”„Ze kon me dadelijk weer”, vervolgde Padde. „Nou, en toen heeft ze een vuurtje gemaakt, lekker! Moet je eens kijken, hoe ze dat doet! Met een paar houtjes! En wrijven maar! ’k Heb geslapen; ’k ben net weer wakker.”„En heb je er geen oogenblik over gedacht, waar.….wijbleven?” vroeg Rolf.„Nou, ik wist toch, dat jullie wel zouden komen!” meende Padde luchthartig. „Ik dacht: ze zullen wel zoeken.”Rolf knikte. „Zoo.” Toen wendde hij zich weer tot het meisje: „Dolimah, vertel me eens waarom je je dessah verlaten hebt.….?”„Ik was zoo bang! Loentar heeft gezien, dat ik ’s nachts ben opgestaan.…. Loentar verklapt altijd alles.”„Wie is Loentar?”„Loentar is mijn broertje. Ik heb nog twee broertjes: Dajik en Oeng. Karidien is al groot. Hij is bijna een man en zoo[334]sterk.….! En mijn zusters: Sitoe en Roeknini en Kartina zijn al getrouwd.”„En.….” Rolf aarzelde even, „wilde je nu met ons meegaan?”„Ik durf niet terug”, fluisterde het meisje.„Kun je in een andere kampong geen tehuis vinden?”Dolimah schudde het hoofd. „Ze zouden vragen wie ik ben, en me weer terugbrengen.….!”„En waar heb je in die dagen van geleefd?”„Ik heb niet gegeten. Ik was zoo bang. Ik heb geloopen, geloopen.….” Het meisje scheen plots ietwat duizelig te worden, streek met de hand over de oogen.„Wat heeft ze?” vroeg Harmen verschrikt.„Ze heeft al dien tijd niets gegeten!”„Groote griebus!” Harmen keek rond, dacht toen aan den kokosboom vlak bij hem en klom als een aap naar boven. „Hajo!” schreeuwde hij van uit de hoogte. „Schiet als de weerlicht een paar duiven!” Maar Hajo had de pees van zijn boog al gespannen. „Wat ik onder schot krijg, is er bij!”Rolf gooide bladeren bijeen tot een zacht leger. „Ga hier wat zitten”, zei hij tot het meisje, dat verlegen werd onder al die zorgen. „Je zult moe zijn.”Dolimah aarzelde. Maar toen Rolf haar naar de rustbank leidde, zonk ze met gesloten oogen zwijgend op de zachte bladeren neer.„Ziezoo!” zei Padde, die, om ook wat te doen, geheel overbodig in het vuur porde. En hij wees naar Harmen, die boven in den boom ijverig noten zat los te draaien. „Zie je? Hij haaltmakan!”Daar kwam Harmen weer omlaagzakken, laadde de armen vol noten. „Da’s dat! Waar blijft Hajo met zijn duiven? Als die kampong niet zoo open en bloot lag, zou ik wat rijst voor haar gappen. En dan nam ik meteen voor mezelf wat beters mee als dat smerige rokkie, dat ik nou aanheb. ’t Lijkt wel, of ik moet optreden in ’t paardenspul!” Hij nam zijn kapmes op en spleet met een paar ferme slagen een noot open. „Alsjeblieft, lieve, kleine Dalo.…. Dola.…. hoe heet je?”„Dolimah”, zei het meisje na een verlegen aarzeling. Ze nam[335]met haar fijne vingertjes het stuk kokos aan, dat Harmen offreerde, zette haar blanke tandjes in het blanke vruchtvleesch.„Wat een dot, hè?” zuchtte Harmen. „Hier, kleine snoes, Harremen is dol op je,—neem dit er nog bij.”„Geef op!” snauwde Padde, jaloersch. „Denk je, dat ze dat zóó kan eten? Dat moet eerst in stukjes!” Hij beproefde het met de handen te breken, werd rood van inspanning.…. vergeefs.„Nou moet jij het met je smerige vingers eerst pikzwart maken!” schold Harmen, die anders toch zoo nauw niet keek. „Hier d’r mee, papjoggie!” En Harmen zette er zijn pootige vingers in. Knap! „Een schip in brand laten vliegen, dat kan ie, maar een nootje knappen, daar moet ie Harremen eerst bij roepen!”„Kletskoek!” schreeuwde Padde, en de tranen schoten hem in de oogen.Harmen grinnikte, kapte juist met een geweldige mep weer een kokosnoot in tweeën en loerde met een schuin oogje, of het meisje wel oplette, hoe mooi hij dat deed. Maar Dolimah liet juist een schuwen blik vol medelijden op Padde vallen, in wiens oogen zij een traan zag glanzen. Padde merkte het, veegde snel die sporen van on-mannelijke zwakte weg, snoof en keek een anderen kant uit.Daar kwam Hajo opgewonden uit de struiken. „Alsjeblieft!” riep hij en hield een kakelend boschhoen omhoog.„Geef hier!” beval Harmen. En het bevoelend, prees hij: „’n Mooi beest! Vet aan de borst!”„Ik trapte er haast bovenop!” zei Hajo.„’t Stomme dier!”zuchtteHarmen. En terwijl hij het den hals omdraaide, beval hij Padde, hout voor het vuur te zoeken, en Hajo droeg hij op, een puntigen stok te snijden om het er aan te braden. „Zoo, ben je dood, beessie? Hij zegt niks meer, dan zal ’t wel zoo wezen.” En meteen stoven de veeren ook al in ’t rond. In een ommezien was de mooie, gespikkelde, mollig bepluimde kip een kaal, geel monster geworden. Met verrassende vaardigheid sneed de vroegere koksmaat het open, spietste het „schoongemaakte” boschhoen, gooide de houtjes op het vuur wat op mekaar en zag even later met glinsterende[336]oogen toe, hoe het boutje bruin werd, en het vet sissend in de vlammen droop. „Deze mag jij opeten, hè, Dolimaatje?” zei hij.„Daar heeft ze genoeg aan”, meende Rolf.„Oh! Wou jij d’r soms ook wat van!” schimpte Harmen. „Zie liever, dat je wat schiet!”„Dat is een goede gedachte”, zei Rolf opgeruimd. „Ga je mee, Hajo?” En de beide knapen vatten hun boog op en verdwenen tusschen de boomen. Joppie sprong om hen heen.„Het liefst heb ik boschkippen!” schreeuwde Harmen hun nog na.„Je hebt maar voor het kiezen!” zei Rolf.„Nou, een paar duiven vind ik ook goed! Als ze maar vet zijn.”Langzaam wandelde onze vrienden tusschen de boomen voort. „Leuk, hè?” zei Hajo.Rolf schrikte op. „Leuk?”„Dat dat meisje meegaat! Ik vind alles nu in eens veel prettiger!—Wat zullen de anderen opkijken, als we met haar in Bantem komen! En later in Hoorn!”Rolf liep peinzend naar den grond te kijken. „Ik geloof, Hajo”, zei hij tenslotte, „dat we haar moeten aanraden, toch maar naar huis terug te gaan.”„Waarom??” vroeg Hajo verschrikt.Rolf zweeg, en Hajo liet zijn lip hangen.Zonder iets onder schot te hebben gekregen, belandden onze vrienden weer in het kamp.„Platzak?” hoonde Harmen. „Nou, dan kunnen we met z’n vieren de kip afknabbelen: die is toch al pikzwart gebrand.”„De kip? Heeft Dolimah er niets van gegeten??”„Ze kan naar de pomp loopen!” zei Harmen grimmig. „’k Had een fijn boutje gebraden! Je wordt bedankt—zegt dat juffie—knabbel die rommel zelf maar op:ikzet er geen tand in.—Best—zei ik,—als jou dat niet fijn genoeg is, juffie, zal Harremen ’t wel.….” Harmen’s stem werd verdacht heesch „zal Harremen het wel voor je opkluiven.—En nou is ie pikzwart. Nou lustik’m ook niet meer.”Het meisje scheen te begrijpen waarover gesproken werd.[337]„Ik mag het niet eten, heer,” wendde zij zich aarzelend tot Rolf. Deze keek haar even verbaasd aan. Toen begreep hij. „Ik denk, dat haar geloof het verbiedt”, zei hij tot zijn vrienden.„Zit ’m dáár de kneep!” verzuchtte Harmen. „Ze had het hier toch gerust kunnen doen! Geen mensch, die het ziet!” Hij sneed het aangebrande hoen in stukken. „Hier, Hajo, daar heb jij een poot. En voor jou, Padde, alsjeblieft, een stuk van de borst en een vleugeltje toe, en voor jou, pennelikker, neem aan, ’k ben je knechtje niet! ook een vleugel en een stuk borst. Zoo, dan schiet er voor Harremen nog een poot over en de bil, en voor Joppie—gris ’t niet uit m’n vingers, mormel!—hier, voor jou de ribbekast, dan kun je kluiven! Of lust jij ook alleen wat je mag eten van je geloof? Hè, sallemander, jij denkt: spek is spek, en hap! in m’n bek! niet waar?”Zoo dacht Joppie er werkelijk over. Grommend en grauwend begon hij er aan te knagen, dat de beentjes knapten als vischgraten.„Kijk hem eens smullen, de gannef!” zei Harmen, die zelf glom tot achter zijn ooren.„Zeg, Rolf, vraag nou eens aan Dolimah, wat ze dan wèl mag eten?”„Ik mag wel kip eten”, antwoordde het meisje op Rolfs vraag. „Maar alleen, als ze met het mes geslacht is.”„Wat een fratsen”, verklaarde Harmen, toen Rolf hem vertaalde, wat Dolimah gezegd had. „Zou je toch nog geen stukje nemen, hè, Dolimaatje, hè?” En Harmen offreerde haar vol verleiding het pootje, dat hij nog in de vetbesmeerde hand hield.Het meisje schudde glimlachend het hoofd. „Ik heb geen honger meer.….”En toen moest er eens aan opbreken worden gedacht! Harmen schopte morrend het vuur uiteen. „We moesten het op den rug kunnen meenemen! Vraag haar eens, hoe ze het gemaakt heeft?”„Heb jij dat vuurtje gemaakt, Dolimah?” vroeg Rolf.Het meisje knikte bevestigend, glimlachte verlegen. „Als u het noodig hebt, dan zal ik het wel voor u maken.”„Ja.….!” Rolfs gelaat nam een weifelende uitdrukking aan. „Is het werkelijk niet beter, dat je naar je dorp teruggaat?”[338]vroeg hij zacht, na een korte aarzeling. En haastig voegde hij er aan toe: „Wijvinden het erg leuk, als je met ons meegaat! Maar we zijn bang, datjijer later spijt van hebt.”Dolimah boog zwijgend het hoofdje. „Ik durf niet terug”, fluisterde ze in weer opkomenden angst. „Ik durf niet.….”Rolf maakte een beslist gebaar. „Dan ga je met ons mee!—Ben je nog moe?”„Neen”, zei het meisje verheugd, „ik ben niet moe!”„Ik zou weleens willen weten wat Rolf allemaal met haar afsmoest!” gromde Padde, alweer jaloersch.„Laat hem kletsen, Padde!” troostte Harmen. „Hij wil leftrappen met z’n Maleidsch!”„We hebben afgesproken, dat ze met ons meegaat!” zei Rolf vroolijk. „Kom, jongens, pak de rommel dan maar weer op. Als we de richting goed houden,moetenwe in Bantem komen!”Opgewekt gingen ze verder, voelden zich nu heel andere kerels! Er was nu iets, dat hun steun, hun bescherming noodig had; ze moesten nu toonen, dat zemannenwaren!Drommels, Dolimah had het slechter kunnen treffen! Waren allen niet bereid, voor haar hun leven op het spel te zetten?Harmen ging voorop, keek telkens even om naar de kleine Dolimah en wierp haar een blik toe van: „Vertrouw maar gerust op mij: alles komt in orde!”Joppie liep parmantig, den staart in de lucht, nog weer voor Harmen uit, snuffelde uit plichtsbesef hier en daar, lichtte even het pootje op om een boom voor omvallen te behoeden en sjouwde weer voort na een blik naar achteren te hebben geworpen, die ook al scheen te zeggen: „Volg mij maar gerust! Als ik wat verdachts ruik, zal ik jullie wel waarschuwen!”Dolimah, met kleine, zachte, snelle schreden tusschen hen inloopend, werd steeds vertrouwelijker, wees hun onderweg allerlei. „Zie, dit is deganjong! Daar kun je de wortels van eten. Maar ze moeten eerst geklopt en gezeefd worden! Ik zal van het meel wel eens koekjes maken, als ik maar iets heb om ze in te bakken! En dit isdjamboe! Die zijn heerlijk. Proef maar eens!” En met haar rappe vingertjes plukte ze een glazige,[339]doorschijnende vrucht af en reikte die aan Padde.—Deze keek er naar. Maar zonder veel omhaal griste Harmen ze hem uit de vingers en zette er de tanden in. „Fijn!” riep hij uit.Ze gingen weer verder. „Kijk”, zei het meisje na een half uurtje en wees op een klimplant met lange trossen groene bloemen, „daar staatgadoeng! Daar kun je de knol van eten.” Hajo rukte aan de plant, en inderdaad: er bleek een knol aan te zitten. „Nou, zij weet het!” prees Harmen opgetogen. „Met haar bij ons, zullen we niet verhongeren!”„Als de oogst mislukt is, eten we niets anders dangadoeng”, zei het meisje.Zoo drentelde ze babbelend tusschen de jongens in, die vandaag maar voortliepen zonder zelf te merken, dat ze liepen. Maar Dolimah scheen moe te worden. „Nou, dan gaan we zitten!” zei Harmen, die anders nooit aan rusten dacht vóór hem de tong uit den mond hing. „Daarginds is een lichte plek, daar zit ’t fijn!” En hij baande met zijn stoere lichaam den anderen een weg door de struiken.Flits! daar schemerde iets roodbruins door de takken; met luchtige sprongen, als veerde de grond, danste een dwerghertje de open plek over, draaide even het kopje met de groote, glanzende oogen en stoof toen op zijn tengere pootjes weg.„Een kantjil!” zei het meisje opgetogen. „Het is het zwakste, maar ook het slimste van alle dieren! Weet u, dat het kantjil door zijn slimheid zelfs eens een grooten olifant op de vlucht heeft gejaagd?”„Hoe heeft hij dat klaargespeeld?” vroeg Rolf lachend.„Dat zal ik vertellen”, zei het meisje,enterwijl de jongens zich neerwierpen en soezend luisterden naar Dolimah’s zangerig stemmetje, begon ze: „In een bosch leefden de dieren vreedzaam bijeen tot er opeens een olifant kwam, die dadelijk begon de boomen om te schoppen. Daar schrokken de andere dieren leelijk van! Er was nog nooit een olifant in het bosch geweest, en ze vergaderden er over, hoe ze hem weer weg zouden krijgen. „Ikzal hem wegjagen!” zei de tijger. Nu, die praalt altijd. De olifant ving hem op zijn witte slagtanden, die rood waren, toen de tijger machteloos ter aarde viel. Nu durfde geen der dieren hem meer aan. „Ikzal hem wegjagen!” beloofde[340]het kantjil. Toen lachten alle dieren hem uit. „Als hijjouziet aankomen, loopt hij van angst al weg!” Maar het kantjil zei tot het stekelvarken: „Geef me een van je pennen!” „Wat wil je er dan mee doen?” vroeg het stekelvarken. „Hij wil er den olifant mee op de vlucht jagen!” lachten de anderen. Nu begon het stekelvarken te schudden van het lachen. „Trek me er dan maar een uit het lijf!” proestte hij. Terwijl de anderen lachten, en het stekelvarken even knorde van pijn, trok het kantjil het stekelvarken de langste en dikste pen uit, die het maar vinden kon. En daarmee huppelde het naar het bosch, waar de olifant huisde. „Wil jij weleens gauw maken, dat je wegkomt!” zei het kantjil. De olifant was juist bezig een paar boomen te ontwortelen. „Wat piept daar?” vroeg hij. „Een muisje?”—„Oh, ben je nog half blind ook!” zei het kantjil. „Dan mag je je zeker wel uit de voeten maken, vóór hetkantjilkomt!”—„Wie is dat: het kantjil?” vroeg de olifant, terwijl hij kalm een nieuwen boom begon kaal te eten. „Een beest, dat wel tweemaal zoo groot en zoo sterk is als jij!” zei het kantjil. „Dat is niet waar”, zei de olifant, „ik ben de grootste en sterkste van alle dieren.”—„Dat zou je wel willen!” zei het kantjil weer. „Als hetkantjilkomt, schudden de bergen, en als het in zee gaat om te baden, loopt het heele bosch onder water.” Van verbazing ging de olifant tegen een waringin-boom zitten, die met de wortels in de lucht omviel. „Je wilt me zeker wat wijsmaken!” knorde de olifant. „Wàt? Geloof je me niet?” vroeg het kantjil. „Neen, ik geloof je niet”, antwoordde de olifant. „Dan zal ik je eens wat laten zien!” zei het kantjil. En het hield den olifant de pen van het stekelvarken voor den neus. „Alsjeblieft! Zoo dik zijn z’n haren!” Nu zei de olifant niets meer; hij beefde over al zijn leden, stak de slurf in de lucht, liep trompettend weg, zoo hard hij maar kon, en is nooit meer teruggekomen in het bosch, waar dat verschrikkelijk groote en sterkekantjilhuisde!”Dolimah zweeg. „Ziet u wel, hoe slim het kantjil is?” vroeg ze.Hajo had het verhaal maar half kunnen verstaan. Maar onder Dolimah’s vertellen scheen het hem, alsof de natuur hem vertrouwder werd. Wonderlijk mooi klonk dat zangerige stemmetje,[341]het leek hem wel, alsof het kantjil zelf hem dat verhaaltje van slimheid en goedige domheid in het oor had gefluisterd. Hoe mooi was Indië, als je het zóó kende.….„Wat vertelde ze?” Vroeg Harmen, op een djamboe zuigend en wezenloos voor zich uitkijkend.Geen der jongens kon zoo spoedig de rechte woorden vinden om Harmens vraag te beantwoorden. En Harmen vroeg ook niet ten tweeden male, stak peinzend een nieuwe vrucht in den mond.De vogels in de boomen waren verstomd. Padde was in slaap gevallen en vulde met zijn zacht gesnurk de stilte.Zwaar drukte de middaghitte.Rennende olifant.[342]

[Inhoud]DOLIMAHDolimah.Hier loopt het pad weer het bosch in. Grillige schaduwen liggen over den grond. Honderdmaal struikelt Harmen, die vooraan loopt, over zware wortels. Hush.…. wat springt daar voor een dier weg?!Voort! Voort! Hajo kan ten slotte niet meer, zinkt tegen de struiken. De tranen vloeien over zijn wangen. „Padde.….! Waar is Padde.….?”„Stil eens!” zegt Harmen. „Hoor jullie wat?!”Hajo bergt het gelaat in de armen om zijn hartstochtelijk snikken te smoren.„We moeten hier weg! Kom, Hajo,” dringt Rolf aan. „Hier is alles nog zoo open.” En hij steunt Hajo, die kreunend opstaat.Zoo strompelen de jongens voort, tot ze bij een plaats komen, waar de bodem zacht is en varens groeien. Voorzichtig, zorg dragend geen varen-stelen te knakken en zoodoende een spoor na te laten, waden ze er door. Als ze ver van den weg af zijn, zinken ze neer, hooren nauwelijks het driftig zingen der muskieten. Harmen valt meteen in slaap. Hajo snikt nog urenlang.De sterren verdwijnen al. De maan verbleekt. De krekels zwijgen.- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Met een schrikbeeld voor oogen werd Hajo het eerst van de drie weer wakker. „Padde! Waar is Padde!”De zon stond al hoog, glinsterde in de boomkruinen, daarboven. Alom schetterden de vogels. „Rolf.….! Word wakker! We moeten Padde zoeken!”„Ja.….” stamelde Rolf en richtte zich op.[332]Ook Harmen werd wakker, rekte zich, geeuwde, krabde aan enkele roode muskietenbeten.„Waar zullen we zoeken?” vroeg Rolf na een oogenblik zwijgen.Hajo zocht naar een antwoord, maar vond er geen. Met tranen in de oogen blikte hij in het groen, rondom. Harmen wentelde zich op zijn buik, plukte een grashalmpje, kauwde er op en zuchtte. „Je kunt net zoo goed naar m’n viool gaan zoeken, die met deNieuw-Hoornkopje onder is gegaan!”„Paddemoetgevonden worden”, zei Hajo met gesmoorde stem.„Ja.….” viel Rolf hem bij. „Natuurlijk moet hij gevonden worden. Dat spreekt vanzelf.”Zwijgen. Drukkend zwijgen. Hajo barstte plots weer in krampachtig snikken uit.Harmen sprong overeind, spuwde het grashalmpje uit, dat hij half had binnengekauwd, streek over zijn zitvlak en zei: „’k Ga eens op de weg kijken. Zien, of de sloebers ons gevolgd hebben.”Langzaam, het hoofd omlaag, waadde hij tusschen de varens door.Even later kwam Harmen met groote sprongen weer aanhollen; hij moest even naar lucht happen, vóór hij uit zijn woorden kwam: „Daarginder zit ie! Met Joppie en een zwart meisje! En vuur heeft hij ook!”De anderen sprongen overeind. „En.…. en waarom is hij niet met je meegekomen??”„Hij heeftmijniet gezien!”„Ben je dan niet naar hem toegegaan?”„’k Zal daar in m’n bloote billen voor den dag komen!” schimpte Harmen verontwaardigd. En haastig schoot hij zijn „rokje” aan.„Kom mee!” zei Rolf. En de jongens ijlden achter Harmen aan. „Zie je daar die rook?” vroeg Harmen. „Bij die kokosboom? Daar zit ie met ’t zwarte meisje en z’n vuurtje, de smakker!”„Padde! Hallo, Padde!” riepen de jongens.„Wauw!” Daar kwam Joppie hen al te gemoet snellen, sprong gillend van vreugde tegen hen op.[333]Maar Padde scheen over het weerzien allerminst verbaasd. „Zoo!” zei hij, trad in het kostuum waarin hij geboren was eenigszins schuchter naar voren, kuchte en vroeg: „Heb jullie mijn schortje soms?”„Hier!” zei Hajo. „Maar vertel op: hoe.….”Met een zucht schoot Padde zijn rokje aan. „Ziezoo!—Ja, ’t is dat meisje, weet je wel, van bij deradjah! Ze is ons nageloopen. Nietwaar?” wendde hij zich tot het meisje, dat met neergeslagen oogen tegen de struiken stond. „Jij wou met ons mee? Sama saja?—Ik kwam haar achterop! Vannacht, toen ik wegliep om.….” Padde huiverde.„Dus jij hebt hem doodgestoken?”„Is ie d-dood?” vroeg Padde stamelend. „Ik kon er niets aan doen. Hij kwam op me af.….!”De jongens zwegen, en Padde veegde met den onderarm over zijn neus.„Apa moenamah nja?Hoe heet je?” wendde Rolf zich tot het meisje.„Dolimah, toean.….” luidde het zachte antwoord.„’t Is dat lieve meisje, dat ons dat smerige goedje gaf, dat we kauwen moesten!” zei Padde. „Weet je ’t nog, Harmen?”„Nou!” zei Harmen. „’k Wist niet, wat ik liever had!”„Ze kon me dadelijk weer”, vervolgde Padde. „Nou, en toen heeft ze een vuurtje gemaakt, lekker! Moet je eens kijken, hoe ze dat doet! Met een paar houtjes! En wrijven maar! ’k Heb geslapen; ’k ben net weer wakker.”„En heb je er geen oogenblik over gedacht, waar.….wijbleven?” vroeg Rolf.„Nou, ik wist toch, dat jullie wel zouden komen!” meende Padde luchthartig. „Ik dacht: ze zullen wel zoeken.”Rolf knikte. „Zoo.” Toen wendde hij zich weer tot het meisje: „Dolimah, vertel me eens waarom je je dessah verlaten hebt.….?”„Ik was zoo bang! Loentar heeft gezien, dat ik ’s nachts ben opgestaan.…. Loentar verklapt altijd alles.”„Wie is Loentar?”„Loentar is mijn broertje. Ik heb nog twee broertjes: Dajik en Oeng. Karidien is al groot. Hij is bijna een man en zoo[334]sterk.….! En mijn zusters: Sitoe en Roeknini en Kartina zijn al getrouwd.”„En.….” Rolf aarzelde even, „wilde je nu met ons meegaan?”„Ik durf niet terug”, fluisterde het meisje.„Kun je in een andere kampong geen tehuis vinden?”Dolimah schudde het hoofd. „Ze zouden vragen wie ik ben, en me weer terugbrengen.….!”„En waar heb je in die dagen van geleefd?”„Ik heb niet gegeten. Ik was zoo bang. Ik heb geloopen, geloopen.….” Het meisje scheen plots ietwat duizelig te worden, streek met de hand over de oogen.„Wat heeft ze?” vroeg Harmen verschrikt.„Ze heeft al dien tijd niets gegeten!”„Groote griebus!” Harmen keek rond, dacht toen aan den kokosboom vlak bij hem en klom als een aap naar boven. „Hajo!” schreeuwde hij van uit de hoogte. „Schiet als de weerlicht een paar duiven!” Maar Hajo had de pees van zijn boog al gespannen. „Wat ik onder schot krijg, is er bij!”Rolf gooide bladeren bijeen tot een zacht leger. „Ga hier wat zitten”, zei hij tot het meisje, dat verlegen werd onder al die zorgen. „Je zult moe zijn.”Dolimah aarzelde. Maar toen Rolf haar naar de rustbank leidde, zonk ze met gesloten oogen zwijgend op de zachte bladeren neer.„Ziezoo!” zei Padde, die, om ook wat te doen, geheel overbodig in het vuur porde. En hij wees naar Harmen, die boven in den boom ijverig noten zat los te draaien. „Zie je? Hij haaltmakan!”Daar kwam Harmen weer omlaagzakken, laadde de armen vol noten. „Da’s dat! Waar blijft Hajo met zijn duiven? Als die kampong niet zoo open en bloot lag, zou ik wat rijst voor haar gappen. En dan nam ik meteen voor mezelf wat beters mee als dat smerige rokkie, dat ik nou aanheb. ’t Lijkt wel, of ik moet optreden in ’t paardenspul!” Hij nam zijn kapmes op en spleet met een paar ferme slagen een noot open. „Alsjeblieft, lieve, kleine Dalo.…. Dola.…. hoe heet je?”„Dolimah”, zei het meisje na een verlegen aarzeling. Ze nam[335]met haar fijne vingertjes het stuk kokos aan, dat Harmen offreerde, zette haar blanke tandjes in het blanke vruchtvleesch.„Wat een dot, hè?” zuchtte Harmen. „Hier, kleine snoes, Harremen is dol op je,—neem dit er nog bij.”„Geef op!” snauwde Padde, jaloersch. „Denk je, dat ze dat zóó kan eten? Dat moet eerst in stukjes!” Hij beproefde het met de handen te breken, werd rood van inspanning.…. vergeefs.„Nou moet jij het met je smerige vingers eerst pikzwart maken!” schold Harmen, die anders toch zoo nauw niet keek. „Hier d’r mee, papjoggie!” En Harmen zette er zijn pootige vingers in. Knap! „Een schip in brand laten vliegen, dat kan ie, maar een nootje knappen, daar moet ie Harremen eerst bij roepen!”„Kletskoek!” schreeuwde Padde, en de tranen schoten hem in de oogen.Harmen grinnikte, kapte juist met een geweldige mep weer een kokosnoot in tweeën en loerde met een schuin oogje, of het meisje wel oplette, hoe mooi hij dat deed. Maar Dolimah liet juist een schuwen blik vol medelijden op Padde vallen, in wiens oogen zij een traan zag glanzen. Padde merkte het, veegde snel die sporen van on-mannelijke zwakte weg, snoof en keek een anderen kant uit.Daar kwam Hajo opgewonden uit de struiken. „Alsjeblieft!” riep hij en hield een kakelend boschhoen omhoog.„Geef hier!” beval Harmen. En het bevoelend, prees hij: „’n Mooi beest! Vet aan de borst!”„Ik trapte er haast bovenop!” zei Hajo.„’t Stomme dier!”zuchtteHarmen. En terwijl hij het den hals omdraaide, beval hij Padde, hout voor het vuur te zoeken, en Hajo droeg hij op, een puntigen stok te snijden om het er aan te braden. „Zoo, ben je dood, beessie? Hij zegt niks meer, dan zal ’t wel zoo wezen.” En meteen stoven de veeren ook al in ’t rond. In een ommezien was de mooie, gespikkelde, mollig bepluimde kip een kaal, geel monster geworden. Met verrassende vaardigheid sneed de vroegere koksmaat het open, spietste het „schoongemaakte” boschhoen, gooide de houtjes op het vuur wat op mekaar en zag even later met glinsterende[336]oogen toe, hoe het boutje bruin werd, en het vet sissend in de vlammen droop. „Deze mag jij opeten, hè, Dolimaatje?” zei hij.„Daar heeft ze genoeg aan”, meende Rolf.„Oh! Wou jij d’r soms ook wat van!” schimpte Harmen. „Zie liever, dat je wat schiet!”„Dat is een goede gedachte”, zei Rolf opgeruimd. „Ga je mee, Hajo?” En de beide knapen vatten hun boog op en verdwenen tusschen de boomen. Joppie sprong om hen heen.„Het liefst heb ik boschkippen!” schreeuwde Harmen hun nog na.„Je hebt maar voor het kiezen!” zei Rolf.„Nou, een paar duiven vind ik ook goed! Als ze maar vet zijn.”Langzaam wandelde onze vrienden tusschen de boomen voort. „Leuk, hè?” zei Hajo.Rolf schrikte op. „Leuk?”„Dat dat meisje meegaat! Ik vind alles nu in eens veel prettiger!—Wat zullen de anderen opkijken, als we met haar in Bantem komen! En later in Hoorn!”Rolf liep peinzend naar den grond te kijken. „Ik geloof, Hajo”, zei hij tenslotte, „dat we haar moeten aanraden, toch maar naar huis terug te gaan.”„Waarom??” vroeg Hajo verschrikt.Rolf zweeg, en Hajo liet zijn lip hangen.Zonder iets onder schot te hebben gekregen, belandden onze vrienden weer in het kamp.„Platzak?” hoonde Harmen. „Nou, dan kunnen we met z’n vieren de kip afknabbelen: die is toch al pikzwart gebrand.”„De kip? Heeft Dolimah er niets van gegeten??”„Ze kan naar de pomp loopen!” zei Harmen grimmig. „’k Had een fijn boutje gebraden! Je wordt bedankt—zegt dat juffie—knabbel die rommel zelf maar op:ikzet er geen tand in.—Best—zei ik,—als jou dat niet fijn genoeg is, juffie, zal Harremen ’t wel.….” Harmen’s stem werd verdacht heesch „zal Harremen het wel voor je opkluiven.—En nou is ie pikzwart. Nou lustik’m ook niet meer.”Het meisje scheen te begrijpen waarover gesproken werd.[337]„Ik mag het niet eten, heer,” wendde zij zich aarzelend tot Rolf. Deze keek haar even verbaasd aan. Toen begreep hij. „Ik denk, dat haar geloof het verbiedt”, zei hij tot zijn vrienden.„Zit ’m dáár de kneep!” verzuchtte Harmen. „Ze had het hier toch gerust kunnen doen! Geen mensch, die het ziet!” Hij sneed het aangebrande hoen in stukken. „Hier, Hajo, daar heb jij een poot. En voor jou, Padde, alsjeblieft, een stuk van de borst en een vleugeltje toe, en voor jou, pennelikker, neem aan, ’k ben je knechtje niet! ook een vleugel en een stuk borst. Zoo, dan schiet er voor Harremen nog een poot over en de bil, en voor Joppie—gris ’t niet uit m’n vingers, mormel!—hier, voor jou de ribbekast, dan kun je kluiven! Of lust jij ook alleen wat je mag eten van je geloof? Hè, sallemander, jij denkt: spek is spek, en hap! in m’n bek! niet waar?”Zoo dacht Joppie er werkelijk over. Grommend en grauwend begon hij er aan te knagen, dat de beentjes knapten als vischgraten.„Kijk hem eens smullen, de gannef!” zei Harmen, die zelf glom tot achter zijn ooren.„Zeg, Rolf, vraag nou eens aan Dolimah, wat ze dan wèl mag eten?”„Ik mag wel kip eten”, antwoordde het meisje op Rolfs vraag. „Maar alleen, als ze met het mes geslacht is.”„Wat een fratsen”, verklaarde Harmen, toen Rolf hem vertaalde, wat Dolimah gezegd had. „Zou je toch nog geen stukje nemen, hè, Dolimaatje, hè?” En Harmen offreerde haar vol verleiding het pootje, dat hij nog in de vetbesmeerde hand hield.Het meisje schudde glimlachend het hoofd. „Ik heb geen honger meer.….”En toen moest er eens aan opbreken worden gedacht! Harmen schopte morrend het vuur uiteen. „We moesten het op den rug kunnen meenemen! Vraag haar eens, hoe ze het gemaakt heeft?”„Heb jij dat vuurtje gemaakt, Dolimah?” vroeg Rolf.Het meisje knikte bevestigend, glimlachte verlegen. „Als u het noodig hebt, dan zal ik het wel voor u maken.”„Ja.….!” Rolfs gelaat nam een weifelende uitdrukking aan. „Is het werkelijk niet beter, dat je naar je dorp teruggaat?”[338]vroeg hij zacht, na een korte aarzeling. En haastig voegde hij er aan toe: „Wijvinden het erg leuk, als je met ons meegaat! Maar we zijn bang, datjijer later spijt van hebt.”Dolimah boog zwijgend het hoofdje. „Ik durf niet terug”, fluisterde ze in weer opkomenden angst. „Ik durf niet.….”Rolf maakte een beslist gebaar. „Dan ga je met ons mee!—Ben je nog moe?”„Neen”, zei het meisje verheugd, „ik ben niet moe!”„Ik zou weleens willen weten wat Rolf allemaal met haar afsmoest!” gromde Padde, alweer jaloersch.„Laat hem kletsen, Padde!” troostte Harmen. „Hij wil leftrappen met z’n Maleidsch!”„We hebben afgesproken, dat ze met ons meegaat!” zei Rolf vroolijk. „Kom, jongens, pak de rommel dan maar weer op. Als we de richting goed houden,moetenwe in Bantem komen!”Opgewekt gingen ze verder, voelden zich nu heel andere kerels! Er was nu iets, dat hun steun, hun bescherming noodig had; ze moesten nu toonen, dat zemannenwaren!Drommels, Dolimah had het slechter kunnen treffen! Waren allen niet bereid, voor haar hun leven op het spel te zetten?Harmen ging voorop, keek telkens even om naar de kleine Dolimah en wierp haar een blik toe van: „Vertrouw maar gerust op mij: alles komt in orde!”Joppie liep parmantig, den staart in de lucht, nog weer voor Harmen uit, snuffelde uit plichtsbesef hier en daar, lichtte even het pootje op om een boom voor omvallen te behoeden en sjouwde weer voort na een blik naar achteren te hebben geworpen, die ook al scheen te zeggen: „Volg mij maar gerust! Als ik wat verdachts ruik, zal ik jullie wel waarschuwen!”Dolimah, met kleine, zachte, snelle schreden tusschen hen inloopend, werd steeds vertrouwelijker, wees hun onderweg allerlei. „Zie, dit is deganjong! Daar kun je de wortels van eten. Maar ze moeten eerst geklopt en gezeefd worden! Ik zal van het meel wel eens koekjes maken, als ik maar iets heb om ze in te bakken! En dit isdjamboe! Die zijn heerlijk. Proef maar eens!” En met haar rappe vingertjes plukte ze een glazige,[339]doorschijnende vrucht af en reikte die aan Padde.—Deze keek er naar. Maar zonder veel omhaal griste Harmen ze hem uit de vingers en zette er de tanden in. „Fijn!” riep hij uit.Ze gingen weer verder. „Kijk”, zei het meisje na een half uurtje en wees op een klimplant met lange trossen groene bloemen, „daar staatgadoeng! Daar kun je de knol van eten.” Hajo rukte aan de plant, en inderdaad: er bleek een knol aan te zitten. „Nou, zij weet het!” prees Harmen opgetogen. „Met haar bij ons, zullen we niet verhongeren!”„Als de oogst mislukt is, eten we niets anders dangadoeng”, zei het meisje.Zoo drentelde ze babbelend tusschen de jongens in, die vandaag maar voortliepen zonder zelf te merken, dat ze liepen. Maar Dolimah scheen moe te worden. „Nou, dan gaan we zitten!” zei Harmen, die anders nooit aan rusten dacht vóór hem de tong uit den mond hing. „Daarginds is een lichte plek, daar zit ’t fijn!” En hij baande met zijn stoere lichaam den anderen een weg door de struiken.Flits! daar schemerde iets roodbruins door de takken; met luchtige sprongen, als veerde de grond, danste een dwerghertje de open plek over, draaide even het kopje met de groote, glanzende oogen en stoof toen op zijn tengere pootjes weg.„Een kantjil!” zei het meisje opgetogen. „Het is het zwakste, maar ook het slimste van alle dieren! Weet u, dat het kantjil door zijn slimheid zelfs eens een grooten olifant op de vlucht heeft gejaagd?”„Hoe heeft hij dat klaargespeeld?” vroeg Rolf lachend.„Dat zal ik vertellen”, zei het meisje,enterwijl de jongens zich neerwierpen en soezend luisterden naar Dolimah’s zangerig stemmetje, begon ze: „In een bosch leefden de dieren vreedzaam bijeen tot er opeens een olifant kwam, die dadelijk begon de boomen om te schoppen. Daar schrokken de andere dieren leelijk van! Er was nog nooit een olifant in het bosch geweest, en ze vergaderden er over, hoe ze hem weer weg zouden krijgen. „Ikzal hem wegjagen!” zei de tijger. Nu, die praalt altijd. De olifant ving hem op zijn witte slagtanden, die rood waren, toen de tijger machteloos ter aarde viel. Nu durfde geen der dieren hem meer aan. „Ikzal hem wegjagen!” beloofde[340]het kantjil. Toen lachten alle dieren hem uit. „Als hijjouziet aankomen, loopt hij van angst al weg!” Maar het kantjil zei tot het stekelvarken: „Geef me een van je pennen!” „Wat wil je er dan mee doen?” vroeg het stekelvarken. „Hij wil er den olifant mee op de vlucht jagen!” lachten de anderen. Nu begon het stekelvarken te schudden van het lachen. „Trek me er dan maar een uit het lijf!” proestte hij. Terwijl de anderen lachten, en het stekelvarken even knorde van pijn, trok het kantjil het stekelvarken de langste en dikste pen uit, die het maar vinden kon. En daarmee huppelde het naar het bosch, waar de olifant huisde. „Wil jij weleens gauw maken, dat je wegkomt!” zei het kantjil. De olifant was juist bezig een paar boomen te ontwortelen. „Wat piept daar?” vroeg hij. „Een muisje?”—„Oh, ben je nog half blind ook!” zei het kantjil. „Dan mag je je zeker wel uit de voeten maken, vóór hetkantjilkomt!”—„Wie is dat: het kantjil?” vroeg de olifant, terwijl hij kalm een nieuwen boom begon kaal te eten. „Een beest, dat wel tweemaal zoo groot en zoo sterk is als jij!” zei het kantjil. „Dat is niet waar”, zei de olifant, „ik ben de grootste en sterkste van alle dieren.”—„Dat zou je wel willen!” zei het kantjil weer. „Als hetkantjilkomt, schudden de bergen, en als het in zee gaat om te baden, loopt het heele bosch onder water.” Van verbazing ging de olifant tegen een waringin-boom zitten, die met de wortels in de lucht omviel. „Je wilt me zeker wat wijsmaken!” knorde de olifant. „Wàt? Geloof je me niet?” vroeg het kantjil. „Neen, ik geloof je niet”, antwoordde de olifant. „Dan zal ik je eens wat laten zien!” zei het kantjil. En het hield den olifant de pen van het stekelvarken voor den neus. „Alsjeblieft! Zoo dik zijn z’n haren!” Nu zei de olifant niets meer; hij beefde over al zijn leden, stak de slurf in de lucht, liep trompettend weg, zoo hard hij maar kon, en is nooit meer teruggekomen in het bosch, waar dat verschrikkelijk groote en sterkekantjilhuisde!”Dolimah zweeg. „Ziet u wel, hoe slim het kantjil is?” vroeg ze.Hajo had het verhaal maar half kunnen verstaan. Maar onder Dolimah’s vertellen scheen het hem, alsof de natuur hem vertrouwder werd. Wonderlijk mooi klonk dat zangerige stemmetje,[341]het leek hem wel, alsof het kantjil zelf hem dat verhaaltje van slimheid en goedige domheid in het oor had gefluisterd. Hoe mooi was Indië, als je het zóó kende.….„Wat vertelde ze?” Vroeg Harmen, op een djamboe zuigend en wezenloos voor zich uitkijkend.Geen der jongens kon zoo spoedig de rechte woorden vinden om Harmens vraag te beantwoorden. En Harmen vroeg ook niet ten tweeden male, stak peinzend een nieuwe vrucht in den mond.De vogels in de boomen waren verstomd. Padde was in slaap gevallen en vulde met zijn zacht gesnurk de stilte.Zwaar drukte de middaghitte.Rennende olifant.[342]

DOLIMAH

Dolimah.Hier loopt het pad weer het bosch in. Grillige schaduwen liggen over den grond. Honderdmaal struikelt Harmen, die vooraan loopt, over zware wortels. Hush.…. wat springt daar voor een dier weg?!Voort! Voort! Hajo kan ten slotte niet meer, zinkt tegen de struiken. De tranen vloeien over zijn wangen. „Padde.….! Waar is Padde.….?”„Stil eens!” zegt Harmen. „Hoor jullie wat?!”Hajo bergt het gelaat in de armen om zijn hartstochtelijk snikken te smoren.„We moeten hier weg! Kom, Hajo,” dringt Rolf aan. „Hier is alles nog zoo open.” En hij steunt Hajo, die kreunend opstaat.Zoo strompelen de jongens voort, tot ze bij een plaats komen, waar de bodem zacht is en varens groeien. Voorzichtig, zorg dragend geen varen-stelen te knakken en zoodoende een spoor na te laten, waden ze er door. Als ze ver van den weg af zijn, zinken ze neer, hooren nauwelijks het driftig zingen der muskieten. Harmen valt meteen in slaap. Hajo snikt nog urenlang.De sterren verdwijnen al. De maan verbleekt. De krekels zwijgen.- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Met een schrikbeeld voor oogen werd Hajo het eerst van de drie weer wakker. „Padde! Waar is Padde!”De zon stond al hoog, glinsterde in de boomkruinen, daarboven. Alom schetterden de vogels. „Rolf.….! Word wakker! We moeten Padde zoeken!”„Ja.….” stamelde Rolf en richtte zich op.[332]Ook Harmen werd wakker, rekte zich, geeuwde, krabde aan enkele roode muskietenbeten.„Waar zullen we zoeken?” vroeg Rolf na een oogenblik zwijgen.Hajo zocht naar een antwoord, maar vond er geen. Met tranen in de oogen blikte hij in het groen, rondom. Harmen wentelde zich op zijn buik, plukte een grashalmpje, kauwde er op en zuchtte. „Je kunt net zoo goed naar m’n viool gaan zoeken, die met deNieuw-Hoornkopje onder is gegaan!”„Paddemoetgevonden worden”, zei Hajo met gesmoorde stem.„Ja.….” viel Rolf hem bij. „Natuurlijk moet hij gevonden worden. Dat spreekt vanzelf.”Zwijgen. Drukkend zwijgen. Hajo barstte plots weer in krampachtig snikken uit.Harmen sprong overeind, spuwde het grashalmpje uit, dat hij half had binnengekauwd, streek over zijn zitvlak en zei: „’k Ga eens op de weg kijken. Zien, of de sloebers ons gevolgd hebben.”Langzaam, het hoofd omlaag, waadde hij tusschen de varens door.Even later kwam Harmen met groote sprongen weer aanhollen; hij moest even naar lucht happen, vóór hij uit zijn woorden kwam: „Daarginder zit ie! Met Joppie en een zwart meisje! En vuur heeft hij ook!”De anderen sprongen overeind. „En.…. en waarom is hij niet met je meegekomen??”„Hij heeftmijniet gezien!”„Ben je dan niet naar hem toegegaan?”„’k Zal daar in m’n bloote billen voor den dag komen!” schimpte Harmen verontwaardigd. En haastig schoot hij zijn „rokje” aan.„Kom mee!” zei Rolf. En de jongens ijlden achter Harmen aan. „Zie je daar die rook?” vroeg Harmen. „Bij die kokosboom? Daar zit ie met ’t zwarte meisje en z’n vuurtje, de smakker!”„Padde! Hallo, Padde!” riepen de jongens.„Wauw!” Daar kwam Joppie hen al te gemoet snellen, sprong gillend van vreugde tegen hen op.[333]Maar Padde scheen over het weerzien allerminst verbaasd. „Zoo!” zei hij, trad in het kostuum waarin hij geboren was eenigszins schuchter naar voren, kuchte en vroeg: „Heb jullie mijn schortje soms?”„Hier!” zei Hajo. „Maar vertel op: hoe.….”Met een zucht schoot Padde zijn rokje aan. „Ziezoo!—Ja, ’t is dat meisje, weet je wel, van bij deradjah! Ze is ons nageloopen. Nietwaar?” wendde hij zich tot het meisje, dat met neergeslagen oogen tegen de struiken stond. „Jij wou met ons mee? Sama saja?—Ik kwam haar achterop! Vannacht, toen ik wegliep om.….” Padde huiverde.„Dus jij hebt hem doodgestoken?”„Is ie d-dood?” vroeg Padde stamelend. „Ik kon er niets aan doen. Hij kwam op me af.….!”De jongens zwegen, en Padde veegde met den onderarm over zijn neus.„Apa moenamah nja?Hoe heet je?” wendde Rolf zich tot het meisje.„Dolimah, toean.….” luidde het zachte antwoord.„’t Is dat lieve meisje, dat ons dat smerige goedje gaf, dat we kauwen moesten!” zei Padde. „Weet je ’t nog, Harmen?”„Nou!” zei Harmen. „’k Wist niet, wat ik liever had!”„Ze kon me dadelijk weer”, vervolgde Padde. „Nou, en toen heeft ze een vuurtje gemaakt, lekker! Moet je eens kijken, hoe ze dat doet! Met een paar houtjes! En wrijven maar! ’k Heb geslapen; ’k ben net weer wakker.”„En heb je er geen oogenblik over gedacht, waar.….wijbleven?” vroeg Rolf.„Nou, ik wist toch, dat jullie wel zouden komen!” meende Padde luchthartig. „Ik dacht: ze zullen wel zoeken.”Rolf knikte. „Zoo.” Toen wendde hij zich weer tot het meisje: „Dolimah, vertel me eens waarom je je dessah verlaten hebt.….?”„Ik was zoo bang! Loentar heeft gezien, dat ik ’s nachts ben opgestaan.…. Loentar verklapt altijd alles.”„Wie is Loentar?”„Loentar is mijn broertje. Ik heb nog twee broertjes: Dajik en Oeng. Karidien is al groot. Hij is bijna een man en zoo[334]sterk.….! En mijn zusters: Sitoe en Roeknini en Kartina zijn al getrouwd.”„En.….” Rolf aarzelde even, „wilde je nu met ons meegaan?”„Ik durf niet terug”, fluisterde het meisje.„Kun je in een andere kampong geen tehuis vinden?”Dolimah schudde het hoofd. „Ze zouden vragen wie ik ben, en me weer terugbrengen.….!”„En waar heb je in die dagen van geleefd?”„Ik heb niet gegeten. Ik was zoo bang. Ik heb geloopen, geloopen.….” Het meisje scheen plots ietwat duizelig te worden, streek met de hand over de oogen.„Wat heeft ze?” vroeg Harmen verschrikt.„Ze heeft al dien tijd niets gegeten!”„Groote griebus!” Harmen keek rond, dacht toen aan den kokosboom vlak bij hem en klom als een aap naar boven. „Hajo!” schreeuwde hij van uit de hoogte. „Schiet als de weerlicht een paar duiven!” Maar Hajo had de pees van zijn boog al gespannen. „Wat ik onder schot krijg, is er bij!”Rolf gooide bladeren bijeen tot een zacht leger. „Ga hier wat zitten”, zei hij tot het meisje, dat verlegen werd onder al die zorgen. „Je zult moe zijn.”Dolimah aarzelde. Maar toen Rolf haar naar de rustbank leidde, zonk ze met gesloten oogen zwijgend op de zachte bladeren neer.„Ziezoo!” zei Padde, die, om ook wat te doen, geheel overbodig in het vuur porde. En hij wees naar Harmen, die boven in den boom ijverig noten zat los te draaien. „Zie je? Hij haaltmakan!”Daar kwam Harmen weer omlaagzakken, laadde de armen vol noten. „Da’s dat! Waar blijft Hajo met zijn duiven? Als die kampong niet zoo open en bloot lag, zou ik wat rijst voor haar gappen. En dan nam ik meteen voor mezelf wat beters mee als dat smerige rokkie, dat ik nou aanheb. ’t Lijkt wel, of ik moet optreden in ’t paardenspul!” Hij nam zijn kapmes op en spleet met een paar ferme slagen een noot open. „Alsjeblieft, lieve, kleine Dalo.…. Dola.…. hoe heet je?”„Dolimah”, zei het meisje na een verlegen aarzeling. Ze nam[335]met haar fijne vingertjes het stuk kokos aan, dat Harmen offreerde, zette haar blanke tandjes in het blanke vruchtvleesch.„Wat een dot, hè?” zuchtte Harmen. „Hier, kleine snoes, Harremen is dol op je,—neem dit er nog bij.”„Geef op!” snauwde Padde, jaloersch. „Denk je, dat ze dat zóó kan eten? Dat moet eerst in stukjes!” Hij beproefde het met de handen te breken, werd rood van inspanning.…. vergeefs.„Nou moet jij het met je smerige vingers eerst pikzwart maken!” schold Harmen, die anders toch zoo nauw niet keek. „Hier d’r mee, papjoggie!” En Harmen zette er zijn pootige vingers in. Knap! „Een schip in brand laten vliegen, dat kan ie, maar een nootje knappen, daar moet ie Harremen eerst bij roepen!”„Kletskoek!” schreeuwde Padde, en de tranen schoten hem in de oogen.Harmen grinnikte, kapte juist met een geweldige mep weer een kokosnoot in tweeën en loerde met een schuin oogje, of het meisje wel oplette, hoe mooi hij dat deed. Maar Dolimah liet juist een schuwen blik vol medelijden op Padde vallen, in wiens oogen zij een traan zag glanzen. Padde merkte het, veegde snel die sporen van on-mannelijke zwakte weg, snoof en keek een anderen kant uit.Daar kwam Hajo opgewonden uit de struiken. „Alsjeblieft!” riep hij en hield een kakelend boschhoen omhoog.„Geef hier!” beval Harmen. En het bevoelend, prees hij: „’n Mooi beest! Vet aan de borst!”„Ik trapte er haast bovenop!” zei Hajo.„’t Stomme dier!”zuchtteHarmen. En terwijl hij het den hals omdraaide, beval hij Padde, hout voor het vuur te zoeken, en Hajo droeg hij op, een puntigen stok te snijden om het er aan te braden. „Zoo, ben je dood, beessie? Hij zegt niks meer, dan zal ’t wel zoo wezen.” En meteen stoven de veeren ook al in ’t rond. In een ommezien was de mooie, gespikkelde, mollig bepluimde kip een kaal, geel monster geworden. Met verrassende vaardigheid sneed de vroegere koksmaat het open, spietste het „schoongemaakte” boschhoen, gooide de houtjes op het vuur wat op mekaar en zag even later met glinsterende[336]oogen toe, hoe het boutje bruin werd, en het vet sissend in de vlammen droop. „Deze mag jij opeten, hè, Dolimaatje?” zei hij.„Daar heeft ze genoeg aan”, meende Rolf.„Oh! Wou jij d’r soms ook wat van!” schimpte Harmen. „Zie liever, dat je wat schiet!”„Dat is een goede gedachte”, zei Rolf opgeruimd. „Ga je mee, Hajo?” En de beide knapen vatten hun boog op en verdwenen tusschen de boomen. Joppie sprong om hen heen.„Het liefst heb ik boschkippen!” schreeuwde Harmen hun nog na.„Je hebt maar voor het kiezen!” zei Rolf.„Nou, een paar duiven vind ik ook goed! Als ze maar vet zijn.”Langzaam wandelde onze vrienden tusschen de boomen voort. „Leuk, hè?” zei Hajo.Rolf schrikte op. „Leuk?”„Dat dat meisje meegaat! Ik vind alles nu in eens veel prettiger!—Wat zullen de anderen opkijken, als we met haar in Bantem komen! En later in Hoorn!”Rolf liep peinzend naar den grond te kijken. „Ik geloof, Hajo”, zei hij tenslotte, „dat we haar moeten aanraden, toch maar naar huis terug te gaan.”„Waarom??” vroeg Hajo verschrikt.Rolf zweeg, en Hajo liet zijn lip hangen.Zonder iets onder schot te hebben gekregen, belandden onze vrienden weer in het kamp.„Platzak?” hoonde Harmen. „Nou, dan kunnen we met z’n vieren de kip afknabbelen: die is toch al pikzwart gebrand.”„De kip? Heeft Dolimah er niets van gegeten??”„Ze kan naar de pomp loopen!” zei Harmen grimmig. „’k Had een fijn boutje gebraden! Je wordt bedankt—zegt dat juffie—knabbel die rommel zelf maar op:ikzet er geen tand in.—Best—zei ik,—als jou dat niet fijn genoeg is, juffie, zal Harremen ’t wel.….” Harmen’s stem werd verdacht heesch „zal Harremen het wel voor je opkluiven.—En nou is ie pikzwart. Nou lustik’m ook niet meer.”Het meisje scheen te begrijpen waarover gesproken werd.[337]„Ik mag het niet eten, heer,” wendde zij zich aarzelend tot Rolf. Deze keek haar even verbaasd aan. Toen begreep hij. „Ik denk, dat haar geloof het verbiedt”, zei hij tot zijn vrienden.„Zit ’m dáár de kneep!” verzuchtte Harmen. „Ze had het hier toch gerust kunnen doen! Geen mensch, die het ziet!” Hij sneed het aangebrande hoen in stukken. „Hier, Hajo, daar heb jij een poot. En voor jou, Padde, alsjeblieft, een stuk van de borst en een vleugeltje toe, en voor jou, pennelikker, neem aan, ’k ben je knechtje niet! ook een vleugel en een stuk borst. Zoo, dan schiet er voor Harremen nog een poot over en de bil, en voor Joppie—gris ’t niet uit m’n vingers, mormel!—hier, voor jou de ribbekast, dan kun je kluiven! Of lust jij ook alleen wat je mag eten van je geloof? Hè, sallemander, jij denkt: spek is spek, en hap! in m’n bek! niet waar?”Zoo dacht Joppie er werkelijk over. Grommend en grauwend begon hij er aan te knagen, dat de beentjes knapten als vischgraten.„Kijk hem eens smullen, de gannef!” zei Harmen, die zelf glom tot achter zijn ooren.„Zeg, Rolf, vraag nou eens aan Dolimah, wat ze dan wèl mag eten?”„Ik mag wel kip eten”, antwoordde het meisje op Rolfs vraag. „Maar alleen, als ze met het mes geslacht is.”„Wat een fratsen”, verklaarde Harmen, toen Rolf hem vertaalde, wat Dolimah gezegd had. „Zou je toch nog geen stukje nemen, hè, Dolimaatje, hè?” En Harmen offreerde haar vol verleiding het pootje, dat hij nog in de vetbesmeerde hand hield.Het meisje schudde glimlachend het hoofd. „Ik heb geen honger meer.….”En toen moest er eens aan opbreken worden gedacht! Harmen schopte morrend het vuur uiteen. „We moesten het op den rug kunnen meenemen! Vraag haar eens, hoe ze het gemaakt heeft?”„Heb jij dat vuurtje gemaakt, Dolimah?” vroeg Rolf.Het meisje knikte bevestigend, glimlachte verlegen. „Als u het noodig hebt, dan zal ik het wel voor u maken.”„Ja.….!” Rolfs gelaat nam een weifelende uitdrukking aan. „Is het werkelijk niet beter, dat je naar je dorp teruggaat?”[338]vroeg hij zacht, na een korte aarzeling. En haastig voegde hij er aan toe: „Wijvinden het erg leuk, als je met ons meegaat! Maar we zijn bang, datjijer later spijt van hebt.”Dolimah boog zwijgend het hoofdje. „Ik durf niet terug”, fluisterde ze in weer opkomenden angst. „Ik durf niet.….”Rolf maakte een beslist gebaar. „Dan ga je met ons mee!—Ben je nog moe?”„Neen”, zei het meisje verheugd, „ik ben niet moe!”„Ik zou weleens willen weten wat Rolf allemaal met haar afsmoest!” gromde Padde, alweer jaloersch.„Laat hem kletsen, Padde!” troostte Harmen. „Hij wil leftrappen met z’n Maleidsch!”„We hebben afgesproken, dat ze met ons meegaat!” zei Rolf vroolijk. „Kom, jongens, pak de rommel dan maar weer op. Als we de richting goed houden,moetenwe in Bantem komen!”Opgewekt gingen ze verder, voelden zich nu heel andere kerels! Er was nu iets, dat hun steun, hun bescherming noodig had; ze moesten nu toonen, dat zemannenwaren!Drommels, Dolimah had het slechter kunnen treffen! Waren allen niet bereid, voor haar hun leven op het spel te zetten?Harmen ging voorop, keek telkens even om naar de kleine Dolimah en wierp haar een blik toe van: „Vertrouw maar gerust op mij: alles komt in orde!”Joppie liep parmantig, den staart in de lucht, nog weer voor Harmen uit, snuffelde uit plichtsbesef hier en daar, lichtte even het pootje op om een boom voor omvallen te behoeden en sjouwde weer voort na een blik naar achteren te hebben geworpen, die ook al scheen te zeggen: „Volg mij maar gerust! Als ik wat verdachts ruik, zal ik jullie wel waarschuwen!”Dolimah, met kleine, zachte, snelle schreden tusschen hen inloopend, werd steeds vertrouwelijker, wees hun onderweg allerlei. „Zie, dit is deganjong! Daar kun je de wortels van eten. Maar ze moeten eerst geklopt en gezeefd worden! Ik zal van het meel wel eens koekjes maken, als ik maar iets heb om ze in te bakken! En dit isdjamboe! Die zijn heerlijk. Proef maar eens!” En met haar rappe vingertjes plukte ze een glazige,[339]doorschijnende vrucht af en reikte die aan Padde.—Deze keek er naar. Maar zonder veel omhaal griste Harmen ze hem uit de vingers en zette er de tanden in. „Fijn!” riep hij uit.Ze gingen weer verder. „Kijk”, zei het meisje na een half uurtje en wees op een klimplant met lange trossen groene bloemen, „daar staatgadoeng! Daar kun je de knol van eten.” Hajo rukte aan de plant, en inderdaad: er bleek een knol aan te zitten. „Nou, zij weet het!” prees Harmen opgetogen. „Met haar bij ons, zullen we niet verhongeren!”„Als de oogst mislukt is, eten we niets anders dangadoeng”, zei het meisje.Zoo drentelde ze babbelend tusschen de jongens in, die vandaag maar voortliepen zonder zelf te merken, dat ze liepen. Maar Dolimah scheen moe te worden. „Nou, dan gaan we zitten!” zei Harmen, die anders nooit aan rusten dacht vóór hem de tong uit den mond hing. „Daarginds is een lichte plek, daar zit ’t fijn!” En hij baande met zijn stoere lichaam den anderen een weg door de struiken.Flits! daar schemerde iets roodbruins door de takken; met luchtige sprongen, als veerde de grond, danste een dwerghertje de open plek over, draaide even het kopje met de groote, glanzende oogen en stoof toen op zijn tengere pootjes weg.„Een kantjil!” zei het meisje opgetogen. „Het is het zwakste, maar ook het slimste van alle dieren! Weet u, dat het kantjil door zijn slimheid zelfs eens een grooten olifant op de vlucht heeft gejaagd?”„Hoe heeft hij dat klaargespeeld?” vroeg Rolf lachend.„Dat zal ik vertellen”, zei het meisje,enterwijl de jongens zich neerwierpen en soezend luisterden naar Dolimah’s zangerig stemmetje, begon ze: „In een bosch leefden de dieren vreedzaam bijeen tot er opeens een olifant kwam, die dadelijk begon de boomen om te schoppen. Daar schrokken de andere dieren leelijk van! Er was nog nooit een olifant in het bosch geweest, en ze vergaderden er over, hoe ze hem weer weg zouden krijgen. „Ikzal hem wegjagen!” zei de tijger. Nu, die praalt altijd. De olifant ving hem op zijn witte slagtanden, die rood waren, toen de tijger machteloos ter aarde viel. Nu durfde geen der dieren hem meer aan. „Ikzal hem wegjagen!” beloofde[340]het kantjil. Toen lachten alle dieren hem uit. „Als hijjouziet aankomen, loopt hij van angst al weg!” Maar het kantjil zei tot het stekelvarken: „Geef me een van je pennen!” „Wat wil je er dan mee doen?” vroeg het stekelvarken. „Hij wil er den olifant mee op de vlucht jagen!” lachten de anderen. Nu begon het stekelvarken te schudden van het lachen. „Trek me er dan maar een uit het lijf!” proestte hij. Terwijl de anderen lachten, en het stekelvarken even knorde van pijn, trok het kantjil het stekelvarken de langste en dikste pen uit, die het maar vinden kon. En daarmee huppelde het naar het bosch, waar de olifant huisde. „Wil jij weleens gauw maken, dat je wegkomt!” zei het kantjil. De olifant was juist bezig een paar boomen te ontwortelen. „Wat piept daar?” vroeg hij. „Een muisje?”—„Oh, ben je nog half blind ook!” zei het kantjil. „Dan mag je je zeker wel uit de voeten maken, vóór hetkantjilkomt!”—„Wie is dat: het kantjil?” vroeg de olifant, terwijl hij kalm een nieuwen boom begon kaal te eten. „Een beest, dat wel tweemaal zoo groot en zoo sterk is als jij!” zei het kantjil. „Dat is niet waar”, zei de olifant, „ik ben de grootste en sterkste van alle dieren.”—„Dat zou je wel willen!” zei het kantjil weer. „Als hetkantjilkomt, schudden de bergen, en als het in zee gaat om te baden, loopt het heele bosch onder water.” Van verbazing ging de olifant tegen een waringin-boom zitten, die met de wortels in de lucht omviel. „Je wilt me zeker wat wijsmaken!” knorde de olifant. „Wàt? Geloof je me niet?” vroeg het kantjil. „Neen, ik geloof je niet”, antwoordde de olifant. „Dan zal ik je eens wat laten zien!” zei het kantjil. En het hield den olifant de pen van het stekelvarken voor den neus. „Alsjeblieft! Zoo dik zijn z’n haren!” Nu zei de olifant niets meer; hij beefde over al zijn leden, stak de slurf in de lucht, liep trompettend weg, zoo hard hij maar kon, en is nooit meer teruggekomen in het bosch, waar dat verschrikkelijk groote en sterkekantjilhuisde!”Dolimah zweeg. „Ziet u wel, hoe slim het kantjil is?” vroeg ze.Hajo had het verhaal maar half kunnen verstaan. Maar onder Dolimah’s vertellen scheen het hem, alsof de natuur hem vertrouwder werd. Wonderlijk mooi klonk dat zangerige stemmetje,[341]het leek hem wel, alsof het kantjil zelf hem dat verhaaltje van slimheid en goedige domheid in het oor had gefluisterd. Hoe mooi was Indië, als je het zóó kende.….„Wat vertelde ze?” Vroeg Harmen, op een djamboe zuigend en wezenloos voor zich uitkijkend.Geen der jongens kon zoo spoedig de rechte woorden vinden om Harmens vraag te beantwoorden. En Harmen vroeg ook niet ten tweeden male, stak peinzend een nieuwe vrucht in den mond.De vogels in de boomen waren verstomd. Padde was in slaap gevallen en vulde met zijn zacht gesnurk de stilte.Zwaar drukte de middaghitte.Rennende olifant.[342]

Dolimah.

Hier loopt het pad weer het bosch in. Grillige schaduwen liggen over den grond. Honderdmaal struikelt Harmen, die vooraan loopt, over zware wortels. Hush.…. wat springt daar voor een dier weg?!

Voort! Voort! Hajo kan ten slotte niet meer, zinkt tegen de struiken. De tranen vloeien over zijn wangen. „Padde.….! Waar is Padde.….?”

„Stil eens!” zegt Harmen. „Hoor jullie wat?!”

Hajo bergt het gelaat in de armen om zijn hartstochtelijk snikken te smoren.

„We moeten hier weg! Kom, Hajo,” dringt Rolf aan. „Hier is alles nog zoo open.” En hij steunt Hajo, die kreunend opstaat.

Zoo strompelen de jongens voort, tot ze bij een plaats komen, waar de bodem zacht is en varens groeien. Voorzichtig, zorg dragend geen varen-stelen te knakken en zoodoende een spoor na te laten, waden ze er door. Als ze ver van den weg af zijn, zinken ze neer, hooren nauwelijks het driftig zingen der muskieten. Harmen valt meteen in slaap. Hajo snikt nog urenlang.

De sterren verdwijnen al. De maan verbleekt. De krekels zwijgen.

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Met een schrikbeeld voor oogen werd Hajo het eerst van de drie weer wakker. „Padde! Waar is Padde!”

De zon stond al hoog, glinsterde in de boomkruinen, daarboven. Alom schetterden de vogels. „Rolf.….! Word wakker! We moeten Padde zoeken!”

„Ja.….” stamelde Rolf en richtte zich op.[332]

Ook Harmen werd wakker, rekte zich, geeuwde, krabde aan enkele roode muskietenbeten.

„Waar zullen we zoeken?” vroeg Rolf na een oogenblik zwijgen.

Hajo zocht naar een antwoord, maar vond er geen. Met tranen in de oogen blikte hij in het groen, rondom. Harmen wentelde zich op zijn buik, plukte een grashalmpje, kauwde er op en zuchtte. „Je kunt net zoo goed naar m’n viool gaan zoeken, die met deNieuw-Hoornkopje onder is gegaan!”

„Paddemoetgevonden worden”, zei Hajo met gesmoorde stem.

„Ja.….” viel Rolf hem bij. „Natuurlijk moet hij gevonden worden. Dat spreekt vanzelf.”

Zwijgen. Drukkend zwijgen. Hajo barstte plots weer in krampachtig snikken uit.

Harmen sprong overeind, spuwde het grashalmpje uit, dat hij half had binnengekauwd, streek over zijn zitvlak en zei: „’k Ga eens op de weg kijken. Zien, of de sloebers ons gevolgd hebben.”

Langzaam, het hoofd omlaag, waadde hij tusschen de varens door.

Even later kwam Harmen met groote sprongen weer aanhollen; hij moest even naar lucht happen, vóór hij uit zijn woorden kwam: „Daarginder zit ie! Met Joppie en een zwart meisje! En vuur heeft hij ook!”

De anderen sprongen overeind. „En.…. en waarom is hij niet met je meegekomen??”

„Hij heeftmijniet gezien!”

„Ben je dan niet naar hem toegegaan?”

„’k Zal daar in m’n bloote billen voor den dag komen!” schimpte Harmen verontwaardigd. En haastig schoot hij zijn „rokje” aan.

„Kom mee!” zei Rolf. En de jongens ijlden achter Harmen aan. „Zie je daar die rook?” vroeg Harmen. „Bij die kokosboom? Daar zit ie met ’t zwarte meisje en z’n vuurtje, de smakker!”

„Padde! Hallo, Padde!” riepen de jongens.

„Wauw!” Daar kwam Joppie hen al te gemoet snellen, sprong gillend van vreugde tegen hen op.[333]

Maar Padde scheen over het weerzien allerminst verbaasd. „Zoo!” zei hij, trad in het kostuum waarin hij geboren was eenigszins schuchter naar voren, kuchte en vroeg: „Heb jullie mijn schortje soms?”

„Hier!” zei Hajo. „Maar vertel op: hoe.….”

Met een zucht schoot Padde zijn rokje aan. „Ziezoo!—Ja, ’t is dat meisje, weet je wel, van bij deradjah! Ze is ons nageloopen. Nietwaar?” wendde hij zich tot het meisje, dat met neergeslagen oogen tegen de struiken stond. „Jij wou met ons mee? Sama saja?—Ik kwam haar achterop! Vannacht, toen ik wegliep om.….” Padde huiverde.

„Dus jij hebt hem doodgestoken?”

„Is ie d-dood?” vroeg Padde stamelend. „Ik kon er niets aan doen. Hij kwam op me af.….!”

De jongens zwegen, en Padde veegde met den onderarm over zijn neus.

„Apa moenamah nja?Hoe heet je?” wendde Rolf zich tot het meisje.

„Dolimah, toean.….” luidde het zachte antwoord.

„’t Is dat lieve meisje, dat ons dat smerige goedje gaf, dat we kauwen moesten!” zei Padde. „Weet je ’t nog, Harmen?”

„Nou!” zei Harmen. „’k Wist niet, wat ik liever had!”

„Ze kon me dadelijk weer”, vervolgde Padde. „Nou, en toen heeft ze een vuurtje gemaakt, lekker! Moet je eens kijken, hoe ze dat doet! Met een paar houtjes! En wrijven maar! ’k Heb geslapen; ’k ben net weer wakker.”

„En heb je er geen oogenblik over gedacht, waar.….wijbleven?” vroeg Rolf.

„Nou, ik wist toch, dat jullie wel zouden komen!” meende Padde luchthartig. „Ik dacht: ze zullen wel zoeken.”

Rolf knikte. „Zoo.” Toen wendde hij zich weer tot het meisje: „Dolimah, vertel me eens waarom je je dessah verlaten hebt.….?”

„Ik was zoo bang! Loentar heeft gezien, dat ik ’s nachts ben opgestaan.…. Loentar verklapt altijd alles.”

„Wie is Loentar?”

„Loentar is mijn broertje. Ik heb nog twee broertjes: Dajik en Oeng. Karidien is al groot. Hij is bijna een man en zoo[334]sterk.….! En mijn zusters: Sitoe en Roeknini en Kartina zijn al getrouwd.”

„En.….” Rolf aarzelde even, „wilde je nu met ons meegaan?”

„Ik durf niet terug”, fluisterde het meisje.

„Kun je in een andere kampong geen tehuis vinden?”

Dolimah schudde het hoofd. „Ze zouden vragen wie ik ben, en me weer terugbrengen.….!”

„En waar heb je in die dagen van geleefd?”

„Ik heb niet gegeten. Ik was zoo bang. Ik heb geloopen, geloopen.….” Het meisje scheen plots ietwat duizelig te worden, streek met de hand over de oogen.

„Wat heeft ze?” vroeg Harmen verschrikt.

„Ze heeft al dien tijd niets gegeten!”

„Groote griebus!” Harmen keek rond, dacht toen aan den kokosboom vlak bij hem en klom als een aap naar boven. „Hajo!” schreeuwde hij van uit de hoogte. „Schiet als de weerlicht een paar duiven!” Maar Hajo had de pees van zijn boog al gespannen. „Wat ik onder schot krijg, is er bij!”

Rolf gooide bladeren bijeen tot een zacht leger. „Ga hier wat zitten”, zei hij tot het meisje, dat verlegen werd onder al die zorgen. „Je zult moe zijn.”

Dolimah aarzelde. Maar toen Rolf haar naar de rustbank leidde, zonk ze met gesloten oogen zwijgend op de zachte bladeren neer.

„Ziezoo!” zei Padde, die, om ook wat te doen, geheel overbodig in het vuur porde. En hij wees naar Harmen, die boven in den boom ijverig noten zat los te draaien. „Zie je? Hij haaltmakan!”

Daar kwam Harmen weer omlaagzakken, laadde de armen vol noten. „Da’s dat! Waar blijft Hajo met zijn duiven? Als die kampong niet zoo open en bloot lag, zou ik wat rijst voor haar gappen. En dan nam ik meteen voor mezelf wat beters mee als dat smerige rokkie, dat ik nou aanheb. ’t Lijkt wel, of ik moet optreden in ’t paardenspul!” Hij nam zijn kapmes op en spleet met een paar ferme slagen een noot open. „Alsjeblieft, lieve, kleine Dalo.…. Dola.…. hoe heet je?”

„Dolimah”, zei het meisje na een verlegen aarzeling. Ze nam[335]met haar fijne vingertjes het stuk kokos aan, dat Harmen offreerde, zette haar blanke tandjes in het blanke vruchtvleesch.

„Wat een dot, hè?” zuchtte Harmen. „Hier, kleine snoes, Harremen is dol op je,—neem dit er nog bij.”

„Geef op!” snauwde Padde, jaloersch. „Denk je, dat ze dat zóó kan eten? Dat moet eerst in stukjes!” Hij beproefde het met de handen te breken, werd rood van inspanning.…. vergeefs.

„Nou moet jij het met je smerige vingers eerst pikzwart maken!” schold Harmen, die anders toch zoo nauw niet keek. „Hier d’r mee, papjoggie!” En Harmen zette er zijn pootige vingers in. Knap! „Een schip in brand laten vliegen, dat kan ie, maar een nootje knappen, daar moet ie Harremen eerst bij roepen!”

„Kletskoek!” schreeuwde Padde, en de tranen schoten hem in de oogen.

Harmen grinnikte, kapte juist met een geweldige mep weer een kokosnoot in tweeën en loerde met een schuin oogje, of het meisje wel oplette, hoe mooi hij dat deed. Maar Dolimah liet juist een schuwen blik vol medelijden op Padde vallen, in wiens oogen zij een traan zag glanzen. Padde merkte het, veegde snel die sporen van on-mannelijke zwakte weg, snoof en keek een anderen kant uit.

Daar kwam Hajo opgewonden uit de struiken. „Alsjeblieft!” riep hij en hield een kakelend boschhoen omhoog.

„Geef hier!” beval Harmen. En het bevoelend, prees hij: „’n Mooi beest! Vet aan de borst!”

„Ik trapte er haast bovenop!” zei Hajo.

„’t Stomme dier!”zuchtteHarmen. En terwijl hij het den hals omdraaide, beval hij Padde, hout voor het vuur te zoeken, en Hajo droeg hij op, een puntigen stok te snijden om het er aan te braden. „Zoo, ben je dood, beessie? Hij zegt niks meer, dan zal ’t wel zoo wezen.” En meteen stoven de veeren ook al in ’t rond. In een ommezien was de mooie, gespikkelde, mollig bepluimde kip een kaal, geel monster geworden. Met verrassende vaardigheid sneed de vroegere koksmaat het open, spietste het „schoongemaakte” boschhoen, gooide de houtjes op het vuur wat op mekaar en zag even later met glinsterende[336]oogen toe, hoe het boutje bruin werd, en het vet sissend in de vlammen droop. „Deze mag jij opeten, hè, Dolimaatje?” zei hij.

„Daar heeft ze genoeg aan”, meende Rolf.

„Oh! Wou jij d’r soms ook wat van!” schimpte Harmen. „Zie liever, dat je wat schiet!”

„Dat is een goede gedachte”, zei Rolf opgeruimd. „Ga je mee, Hajo?” En de beide knapen vatten hun boog op en verdwenen tusschen de boomen. Joppie sprong om hen heen.

„Het liefst heb ik boschkippen!” schreeuwde Harmen hun nog na.

„Je hebt maar voor het kiezen!” zei Rolf.

„Nou, een paar duiven vind ik ook goed! Als ze maar vet zijn.”

Langzaam wandelde onze vrienden tusschen de boomen voort. „Leuk, hè?” zei Hajo.

Rolf schrikte op. „Leuk?”

„Dat dat meisje meegaat! Ik vind alles nu in eens veel prettiger!—Wat zullen de anderen opkijken, als we met haar in Bantem komen! En later in Hoorn!”

Rolf liep peinzend naar den grond te kijken. „Ik geloof, Hajo”, zei hij tenslotte, „dat we haar moeten aanraden, toch maar naar huis terug te gaan.”

„Waarom??” vroeg Hajo verschrikt.

Rolf zweeg, en Hajo liet zijn lip hangen.

Zonder iets onder schot te hebben gekregen, belandden onze vrienden weer in het kamp.

„Platzak?” hoonde Harmen. „Nou, dan kunnen we met z’n vieren de kip afknabbelen: die is toch al pikzwart gebrand.”

„De kip? Heeft Dolimah er niets van gegeten??”

„Ze kan naar de pomp loopen!” zei Harmen grimmig. „’k Had een fijn boutje gebraden! Je wordt bedankt—zegt dat juffie—knabbel die rommel zelf maar op:ikzet er geen tand in.—Best—zei ik,—als jou dat niet fijn genoeg is, juffie, zal Harremen ’t wel.….” Harmen’s stem werd verdacht heesch „zal Harremen het wel voor je opkluiven.—En nou is ie pikzwart. Nou lustik’m ook niet meer.”

Het meisje scheen te begrijpen waarover gesproken werd.[337]

„Ik mag het niet eten, heer,” wendde zij zich aarzelend tot Rolf. Deze keek haar even verbaasd aan. Toen begreep hij. „Ik denk, dat haar geloof het verbiedt”, zei hij tot zijn vrienden.

„Zit ’m dáár de kneep!” verzuchtte Harmen. „Ze had het hier toch gerust kunnen doen! Geen mensch, die het ziet!” Hij sneed het aangebrande hoen in stukken. „Hier, Hajo, daar heb jij een poot. En voor jou, Padde, alsjeblieft, een stuk van de borst en een vleugeltje toe, en voor jou, pennelikker, neem aan, ’k ben je knechtje niet! ook een vleugel en een stuk borst. Zoo, dan schiet er voor Harremen nog een poot over en de bil, en voor Joppie—gris ’t niet uit m’n vingers, mormel!—hier, voor jou de ribbekast, dan kun je kluiven! Of lust jij ook alleen wat je mag eten van je geloof? Hè, sallemander, jij denkt: spek is spek, en hap! in m’n bek! niet waar?”

Zoo dacht Joppie er werkelijk over. Grommend en grauwend begon hij er aan te knagen, dat de beentjes knapten als vischgraten.

„Kijk hem eens smullen, de gannef!” zei Harmen, die zelf glom tot achter zijn ooren.„Zeg, Rolf, vraag nou eens aan Dolimah, wat ze dan wèl mag eten?”

„Ik mag wel kip eten”, antwoordde het meisje op Rolfs vraag. „Maar alleen, als ze met het mes geslacht is.”

„Wat een fratsen”, verklaarde Harmen, toen Rolf hem vertaalde, wat Dolimah gezegd had. „Zou je toch nog geen stukje nemen, hè, Dolimaatje, hè?” En Harmen offreerde haar vol verleiding het pootje, dat hij nog in de vetbesmeerde hand hield.

Het meisje schudde glimlachend het hoofd. „Ik heb geen honger meer.….”

En toen moest er eens aan opbreken worden gedacht! Harmen schopte morrend het vuur uiteen. „We moesten het op den rug kunnen meenemen! Vraag haar eens, hoe ze het gemaakt heeft?”

„Heb jij dat vuurtje gemaakt, Dolimah?” vroeg Rolf.

Het meisje knikte bevestigend, glimlachte verlegen. „Als u het noodig hebt, dan zal ik het wel voor u maken.”

„Ja.….!” Rolfs gelaat nam een weifelende uitdrukking aan. „Is het werkelijk niet beter, dat je naar je dorp teruggaat?”[338]vroeg hij zacht, na een korte aarzeling. En haastig voegde hij er aan toe: „Wijvinden het erg leuk, als je met ons meegaat! Maar we zijn bang, datjijer later spijt van hebt.”

Dolimah boog zwijgend het hoofdje. „Ik durf niet terug”, fluisterde ze in weer opkomenden angst. „Ik durf niet.….”

Rolf maakte een beslist gebaar. „Dan ga je met ons mee!—Ben je nog moe?”

„Neen”, zei het meisje verheugd, „ik ben niet moe!”

„Ik zou weleens willen weten wat Rolf allemaal met haar afsmoest!” gromde Padde, alweer jaloersch.

„Laat hem kletsen, Padde!” troostte Harmen. „Hij wil leftrappen met z’n Maleidsch!”

„We hebben afgesproken, dat ze met ons meegaat!” zei Rolf vroolijk. „Kom, jongens, pak de rommel dan maar weer op. Als we de richting goed houden,moetenwe in Bantem komen!”

Opgewekt gingen ze verder, voelden zich nu heel andere kerels! Er was nu iets, dat hun steun, hun bescherming noodig had; ze moesten nu toonen, dat zemannenwaren!

Drommels, Dolimah had het slechter kunnen treffen! Waren allen niet bereid, voor haar hun leven op het spel te zetten?

Harmen ging voorop, keek telkens even om naar de kleine Dolimah en wierp haar een blik toe van: „Vertrouw maar gerust op mij: alles komt in orde!”

Joppie liep parmantig, den staart in de lucht, nog weer voor Harmen uit, snuffelde uit plichtsbesef hier en daar, lichtte even het pootje op om een boom voor omvallen te behoeden en sjouwde weer voort na een blik naar achteren te hebben geworpen, die ook al scheen te zeggen: „Volg mij maar gerust! Als ik wat verdachts ruik, zal ik jullie wel waarschuwen!”

Dolimah, met kleine, zachte, snelle schreden tusschen hen inloopend, werd steeds vertrouwelijker, wees hun onderweg allerlei. „Zie, dit is deganjong! Daar kun je de wortels van eten. Maar ze moeten eerst geklopt en gezeefd worden! Ik zal van het meel wel eens koekjes maken, als ik maar iets heb om ze in te bakken! En dit isdjamboe! Die zijn heerlijk. Proef maar eens!” En met haar rappe vingertjes plukte ze een glazige,[339]doorschijnende vrucht af en reikte die aan Padde.—Deze keek er naar. Maar zonder veel omhaal griste Harmen ze hem uit de vingers en zette er de tanden in. „Fijn!” riep hij uit.

Ze gingen weer verder. „Kijk”, zei het meisje na een half uurtje en wees op een klimplant met lange trossen groene bloemen, „daar staatgadoeng! Daar kun je de knol van eten.” Hajo rukte aan de plant, en inderdaad: er bleek een knol aan te zitten. „Nou, zij weet het!” prees Harmen opgetogen. „Met haar bij ons, zullen we niet verhongeren!”

„Als de oogst mislukt is, eten we niets anders dangadoeng”, zei het meisje.

Zoo drentelde ze babbelend tusschen de jongens in, die vandaag maar voortliepen zonder zelf te merken, dat ze liepen. Maar Dolimah scheen moe te worden. „Nou, dan gaan we zitten!” zei Harmen, die anders nooit aan rusten dacht vóór hem de tong uit den mond hing. „Daarginds is een lichte plek, daar zit ’t fijn!” En hij baande met zijn stoere lichaam den anderen een weg door de struiken.

Flits! daar schemerde iets roodbruins door de takken; met luchtige sprongen, als veerde de grond, danste een dwerghertje de open plek over, draaide even het kopje met de groote, glanzende oogen en stoof toen op zijn tengere pootjes weg.

„Een kantjil!” zei het meisje opgetogen. „Het is het zwakste, maar ook het slimste van alle dieren! Weet u, dat het kantjil door zijn slimheid zelfs eens een grooten olifant op de vlucht heeft gejaagd?”

„Hoe heeft hij dat klaargespeeld?” vroeg Rolf lachend.

„Dat zal ik vertellen”, zei het meisje,enterwijl de jongens zich neerwierpen en soezend luisterden naar Dolimah’s zangerig stemmetje, begon ze: „In een bosch leefden de dieren vreedzaam bijeen tot er opeens een olifant kwam, die dadelijk begon de boomen om te schoppen. Daar schrokken de andere dieren leelijk van! Er was nog nooit een olifant in het bosch geweest, en ze vergaderden er over, hoe ze hem weer weg zouden krijgen. „Ikzal hem wegjagen!” zei de tijger. Nu, die praalt altijd. De olifant ving hem op zijn witte slagtanden, die rood waren, toen de tijger machteloos ter aarde viel. Nu durfde geen der dieren hem meer aan. „Ikzal hem wegjagen!” beloofde[340]het kantjil. Toen lachten alle dieren hem uit. „Als hijjouziet aankomen, loopt hij van angst al weg!” Maar het kantjil zei tot het stekelvarken: „Geef me een van je pennen!” „Wat wil je er dan mee doen?” vroeg het stekelvarken. „Hij wil er den olifant mee op de vlucht jagen!” lachten de anderen. Nu begon het stekelvarken te schudden van het lachen. „Trek me er dan maar een uit het lijf!” proestte hij. Terwijl de anderen lachten, en het stekelvarken even knorde van pijn, trok het kantjil het stekelvarken de langste en dikste pen uit, die het maar vinden kon. En daarmee huppelde het naar het bosch, waar de olifant huisde. „Wil jij weleens gauw maken, dat je wegkomt!” zei het kantjil. De olifant was juist bezig een paar boomen te ontwortelen. „Wat piept daar?” vroeg hij. „Een muisje?”—„Oh, ben je nog half blind ook!” zei het kantjil. „Dan mag je je zeker wel uit de voeten maken, vóór hetkantjilkomt!”—„Wie is dat: het kantjil?” vroeg de olifant, terwijl hij kalm een nieuwen boom begon kaal te eten. „Een beest, dat wel tweemaal zoo groot en zoo sterk is als jij!” zei het kantjil. „Dat is niet waar”, zei de olifant, „ik ben de grootste en sterkste van alle dieren.”—„Dat zou je wel willen!” zei het kantjil weer. „Als hetkantjilkomt, schudden de bergen, en als het in zee gaat om te baden, loopt het heele bosch onder water.” Van verbazing ging de olifant tegen een waringin-boom zitten, die met de wortels in de lucht omviel. „Je wilt me zeker wat wijsmaken!” knorde de olifant. „Wàt? Geloof je me niet?” vroeg het kantjil. „Neen, ik geloof je niet”, antwoordde de olifant. „Dan zal ik je eens wat laten zien!” zei het kantjil. En het hield den olifant de pen van het stekelvarken voor den neus. „Alsjeblieft! Zoo dik zijn z’n haren!” Nu zei de olifant niets meer; hij beefde over al zijn leden, stak de slurf in de lucht, liep trompettend weg, zoo hard hij maar kon, en is nooit meer teruggekomen in het bosch, waar dat verschrikkelijk groote en sterkekantjilhuisde!”

Dolimah zweeg. „Ziet u wel, hoe slim het kantjil is?” vroeg ze.

Hajo had het verhaal maar half kunnen verstaan. Maar onder Dolimah’s vertellen scheen het hem, alsof de natuur hem vertrouwder werd. Wonderlijk mooi klonk dat zangerige stemmetje,[341]het leek hem wel, alsof het kantjil zelf hem dat verhaaltje van slimheid en goedige domheid in het oor had gefluisterd. Hoe mooi was Indië, als je het zóó kende.….

„Wat vertelde ze?” Vroeg Harmen, op een djamboe zuigend en wezenloos voor zich uitkijkend.

Geen der jongens kon zoo spoedig de rechte woorden vinden om Harmens vraag te beantwoorden. En Harmen vroeg ook niet ten tweeden male, stak peinzend een nieuwe vrucht in den mond.

De vogels in de boomen waren verstomd. Padde was in slaap gevallen en vulde met zijn zacht gesnurk de stilte.

Zwaar drukte de middaghitte.

Rennende olifant.

[342]


Back to IndexNext