EEN NEST MET KATTEN

[Inhoud]EEN NEST MET KATTENEEN NEST MET KATTENDen volgenden morgen joeg de zon alle muizenissen lachend voor zich uit! De griezelige boomen prijkten weer in bonte schoonheid; kleine vogeltjes schommelden lustig aan de orchidee-kelken en vulden de lucht met hun vroolijk gesnaper. Het eerste gevoel, waarmee de jongens ontwaakten, was dat van bevrijding.Maar vlak er op volgde een ander gevoel: dat van een leege maag! Drommels, ze moesten wat eten zien te vinden, anders vielen ze van de graat! Ze hadden gisteren vrijwel niets dan vruchten gegeten; dat smaakte wel lekker, maar een Hollandsche jongen kon er toch niet op leven! Terwijl Hajo met zijn pijl en boog tegen de duiven te velde trok, die overal huisden op den rand van het plateau, greep Harmen speer en hakmes en beloofde met een wild varken te zullen terugkeeren. Rolf ging ongewapend op ontdekking uit, en Padde en Joppie begeleidden Hajo. Er was afgesproken, dat allen zoowat over een uur terug zouden zijn.Hajo en Joppie slopen, door Padde op eenigen afstand gevolgd, door de varens. Daar de kans groot was, dat een pijl in de lianen zou blijven hangen, mocht onze jager slechts dan schieten, wanneer hij werkelijk trefkans had. Want hier groeide nergens bamboe voor nieuwe pijlen.Het eerste schot was al bar gelukkig: een duif, belangrijk grooter dan de eveneens geelgrijze „perkoetoet”, (haar roep[312]klonk meer als: tekoekoerrr.….) tuimelde neer, den pijl in de borst. Even later trof Hajo opnieuw, maar ditmaal dwarrelden er slechts wat veertjes omlaag, en de duif vloog weg. De pijlen waren te licht: een ijzeren punt zou beter hebben voldaan. Weliswaar had Hajo in zijn koker ook een vijftal pijlen met een spijker als punt, maar er was besloten deze zwaardere projectielen voor bijzondere gevallen te bewaren. Wacht, daar zag Hajo op een lagen tak weer zoo’n groote duif zitten. Hij mikte zorgvuldig en schoot het dier.Maar nu begonnen de vogels argwaan te koesteren en maakten elkaar dat in duiventaal duidelijk, zoodat Hajo niets meer onder schot kreeg. Nu, twee vette duiven was ook al heel wat; hij zou zien, er nog wat eieren bij machtig te worden. Op goed geluk klauterde hij in een boom en vond twee nesten bij mekaar; in een ervan zaten twee jongen, al heelemaal in de veeren, dus blijkbaar op het punt van uitvliegen. Toen Hajo’s bol zich vertoonde, rezen de twee soezende dikzakken (weinig jonge vogels worden door de ouden zoo lang gevoerd als jonge duiven!) met van schrik wijd opengesperde oogen overeind en wilden uit het nest opfladderen. Maar Hajo legde snel de hand op het nest en stopte de jongen in zijn broekzak. Ziezoo, nu kon hij de eieren in het andere nest wel laten liggen! Beneden gekomen, liet hij Padde zijn buit zien, en de jagers keerden tevreden huiswaarts.Rolf was ongewapend uitgegaan. Langzaam wadend door de varens, keek hij naar de duizend wonderen om hem heen, bukte zich over een goudgroenen kever, of bewonderde een groote, gevlekte orchidee, of volgde een rooden vlinder, die de verwoede aanvallen trachtte te ontduiken van een langsnavelig lilliput-vogeltje, niet half zoo groot als de vlinder, dien het naar het leven stond. Bij dat al vergat Rolf, dat hij eigenlijk een geduchten eetlust had,—de natuurvriend won het van den mensch.Eensklaps trad Rolf met een kreet van bewondering achteruit. Was het hier dan toch een tooverland? Voor zijn voeten lag op den grond een bloem, zoo groot als Rolf in zijn leven niet gedacht had, dat een bloem worden kon. Men kon er wel in slapen! Ze scheen op den wortel van een liaan te groeien,[313]die nog enkele knoppen torste, in vorm en kleur herinnerend aan een groote bloemkool. De geopende bloem was vleeschkleurig, wit bespikkeld; om een grooten nap in het midden schaarden zich vijf dikke bloembladeren. Toen Rolf zich bukte om ze beter te bezien, vloog een dichte zwerm insecten gonzend uit den nap op, en een sterke, onaangename, bedorven geur steeg hem in den neus. Lekker ruiken deed de bloem alles behalve! De insecten, die er op afkwamen, zouden ook wel aaskevertjes en mestvliegen zijn. Rolf tilde een der zware kelkbladeren op. Het was kil in de hand. Wat jammer, dat Vader Langjas er niet van meegenieten kon!Toen Rolf eindelijk op de bloem was uitgekeken, vermoedde hij, dat het wel tijd voor terugkeeren zou zijn, en nu schoot hem te binnen, dat hij toch was uitgegaan om eten te zoeken! Drommels ja, hij voelde nu, dat hij geduchten honger had. Dan nog maar even gesnuffeld! Geen honderd pas verder bleef hij al staan voor een verbazend hoogen boom met gladden stam. Wat hingen daarboven voor groote, stekelige vruchten? Langs den gladden stam omhoogklimmen was onmogelijk. Rolf liep eens rond onder het kolossale bladerendak. Een dunnere boom kruiste zijn takken met die van den reus. Rolf werkte zich in dien boom, klom handig in den anderen over en sneed met zijn zakmes drie der vruchten af. Ze ploften dof neer in de varens. Toen balanceerde Rolf naar den kleinen boom terug en daalde weer af. Hij zocht de vruchten bijeen, maar kon er nog slechts twee vinden. Nu, daar had hij ook genoeg aan. Ze waren grooter dan een menschenhoofd en met dikke, kantige stekels bezet.—Zoo belandde Rolf, in iederen arm een der zware vruchten, op de plaats, waar Hajo en Padde vol toewijding bezig waren, de duiven te plukken.„Wat heb je daar voor vruchten?” vroeg Padde.„We zullen ze eens opensnijden! Is Harmen al terug?”„Nog niet. Kijk eens, wat ik heb?” Hajo wees op zijn duiven.„Die zien er mooi uit!” zei Rolf. „Jammer, dat we ze niet kunnen braden! ’t Zal me verwonderen wat Harmen meebrengt! Hij blijft lang weg!”„Ja.…. hij zit achter grof wild aan! Zoometeen komt hij nog met een koningstijger aanzetten!”[314]„Vast!” lachte Rolf. En met een ferme kruissnede opende hij een der vruchten. Brrrr! Er kwam een allesbehalve aanlokkelijke lucht uit, een lucht, die aan uien, bedorven kaas en rotte eieren herinnerde. Padde kneep zijn neus dicht, en Hajo keek Rolf vol twijfel aan. „Hij zal bedorven zijn, Rolf.”„Onmogelijk!” zei Rolf. „De bast is heelemaal gaaf, en kijk eens hoe mooi frisch het vleesch er uitziet!—Wacht! De barbier had het eens over een vrucht, die wel leelijk ruikt, maar toch goed smaken moet. ’t Zal eendoerianzijn! Vooruit, ik wil hem eens proeven.”—De vrucht was door een geelwitte tusschenhuid in kamertjes verdeeld, en in elk daarvan lagen een paar vleezige, blanke pitten ter grootte van een eenden-ei. Met een moed, waarvoor Hajo en Padde hem in stilte bewonderden, stak Rolf zoo’n pit in den mond.„En.….??”„Lekker”, zei Rolf. „Het smaakt als noten met room! Proef ook eens?”Aarzelend, met toegeknepen neus, stak Hajo een pit in den mond en moest toegeven, dat de vrucht lang niet kwaad smaakte. Nu begonnen ze samen te peuzelen. „Neem ook eens wat, Padde!” raadde Hajo.„Dank je feestelijk”, zei Padde. En hij ging twintig pas verderop met het plukken van de duiven door,—beweerde, dat hij zelfs dáár nog omviel van den stank.Waar Harmen toch wel zoo lang bleef?Met lans en kapmes gewapend en daarbij in zijn bladerenrokje, was hij als een echte menscheneter dien kant uitgetogen waar het plateau langzaam tegen een berghelling opliep. Door lianen en stekelige rotanslingers had hij zich baan gebroken. Hij was door nauwe holletjes gekropen, over doode woudkolossen geklauterd, waarbij hij schrammen bij de vleet opliep en honderd maal wegzakte in het vermolmde hout. Een pauw fladderde voor hem op. Harmen greep naar den langen staart, greep mis, viel in de dorens, schold den pauw uit voor al wat leelijk was, raapte droefgeestig een veer op, die tusschen de struiken was blijven hangen en stak ze in zijn woeste, reeds geducht lang geworden haren. Hij kwam voor een bamboebosch te staan, hakte er met zijn kapmes op los, dat de stelen links en rechts neerzonken.[315]Bij dit werkje viel hem een slangetje op den blooten schouder. Hij slingerde het kille monstertje van zich af. Brrrrr!En tenslotte was Harmen, al hakkende, gekomen bij de gedenkwaardige plek, waarvan hij later naar waarheid verklaarde, dat hij er van verbazing lans en kapmes had laten vallen. Tusschen hooge bamboestelen lag op mos en bladeren een drietal.…. katten! Neen maar, dat had Harmen nou nóóit gedacht! De katten waren vrij groot, haast als honden; ze hadden een glanzend geel vel met zwarte dwarsstrepen; om den staart zaten zwarte ringen. Van die leuke poesjes wou Harmen er eentje meenemen, niet om te eten, alleen maar om te laten kijken! Wat speelden ze aardig! Ze lagen op de zijde en sloegen elkaar met de pootjes. Wat een dikke, zware pootjes voor zulke lieve beestjes! Met vluggen greep pakte onze vriend er een op. Kom, daarmee zou hij zijn vrienden eens verrassen!En opgewonden zocht Harmen naar den terugweg. Hij had de richting nog wel in het geheugen, maar de last, dien hij droeg, hinderde hem erg bij het kappen. In zijn linkerarm hield hij de poes, die zich niet in het geringst verzette, niks eenkennig dus, zooals die gemeene kater van Dobbes, die zijn nagels nooit kon thuishouden,—en in den gordel bungelde zijn lans als een lang slagzwaard achter hem aan. Eindelijk ontdekte hij tusschen de boomen zijn vrienden weer. „Hallo! ’k Heb wat, jongens! ’n Kat! Hou Joppie eens vast!” En voorzichtig, om zich nergens aan te verwonden, naderde Harmen tusschen het doornige struikgewas. „Alsjeblief! Daar heb je ’t beessie!”Joppie’s haren vlogen steil overeind.„Maar.…. dat is een tijger!!” riep Rolf.Harmen keek hem verbluft aan. „Goeie morrege.….!”„Een jonge koningstijger!!”Toen verbleekte Harmen. „’n Jonge.….?! Groote Griebus! Dan heb ik voor een tijgerhol gestaan! Drie lagen er in! Drie koningstijgers!” En Harmen liet zijn „poes” met een rilling op den grond vallen. Naar kattenaard kwam het dier op z’n vier pooten terecht, blies en wilde beenen maken. Maar Rolf greep het beet. „We moeten hier als de drommel vandaan, vóór de ouden komen! Padde, neem de duiven op; Harmen, jij die groote vrucht; ik draag de tijger.”[316]„Wat wou je met het mormel doen?!” vroeg Harmen ontzet.„Temmen!” zei Rolf. „Het dier is nog jong! Kom!”„Ja, dan nemen we hem mee naar Hoorn!” riep Hajo.„Of hij vreet ons over een maand alle vier op!” gromde Harmen. Hij raapte den doerian op, keek er met een wantrouwend gezicht naar. „Vooruit dan maar!”Padde nam met bevende handen de duiven op en volgde, een behoorlijken afstand bewarend tusschen zich en het geel-zwarte monster, dat Rolf in den arm had. Joppie bleef nog weer achter Padde. Zoo wilde de zonderlinge optocht het pad langs het ravijn weer verder volgen, toen.…. Hajo stootte een kreet van ontzetting uit.…. daar sprong uit de struiken, geen twintig passen van hen af.….!De jongens hoefden er niet naar te raden, wien ze voor zich hadden. Daar was hij, de wreede, trotsche keizer van het Indische woud, geheel onverwachts, terwijl de zon hoog aan den hemel stond; zijn oogen waren geen vuur; hij spuwde ook geen gif, was een dier als een ander, wendde, zelf blijkbaar verrast, zijn zwaren, stompen kop naar de jongens.…. Dezen stonden verlamd van schrik, Harmen hief onwillekeurig den doerian op, als wilde hij zich daarmee verdedigen; Hajo vatte instinctief met beide handen zijn speer; Padde staarde wezenloos, met wijd open mond.Er was een aarzeling. Het dier trok de lippen op, ontblootte zijn forsche, driekantige hoektanden, gromde. Toen richtte hij plots zijn lichtgroene rooversoogen op Rolf—waarschijnlijk op het jonge dier, dat deze in de armen hield,—sloeg driftig den dikken, ronden staart over den grond, kroop een schrede achteruit, stootte een kort, schor gebrul uit, onheilspellend als geen ander geluid, dook ineen.…! Rolf kreeg een ingeving, gaf er zonder aarzeling gehoor aan: hij slingerde met een fermen zwaai den tijger zijn jong toe.Hij had niet beter kunnen doen. De tijger greep het jonge dier met de tanden in den nek en sprong er in prachtigen, soepelen boog mee weg in het struikgewas. „Besjoer.….!” stamelde Harmen met nog lijkwitte lippen.Toen holden de knapen het pad af, zoo hard ze maar konden,[317]Harmen vooraan, beenen makend als een beroepshardlooper; Padde als laatste, telkens angstig omziend en gillend: „Niet zoo vlug! Niet zoo vlug! Ik kan jullie niet bijblijven.….!”Tijger.[318]

[Inhoud]EEN NEST MET KATTENEEN NEST MET KATTENDen volgenden morgen joeg de zon alle muizenissen lachend voor zich uit! De griezelige boomen prijkten weer in bonte schoonheid; kleine vogeltjes schommelden lustig aan de orchidee-kelken en vulden de lucht met hun vroolijk gesnaper. Het eerste gevoel, waarmee de jongens ontwaakten, was dat van bevrijding.Maar vlak er op volgde een ander gevoel: dat van een leege maag! Drommels, ze moesten wat eten zien te vinden, anders vielen ze van de graat! Ze hadden gisteren vrijwel niets dan vruchten gegeten; dat smaakte wel lekker, maar een Hollandsche jongen kon er toch niet op leven! Terwijl Hajo met zijn pijl en boog tegen de duiven te velde trok, die overal huisden op den rand van het plateau, greep Harmen speer en hakmes en beloofde met een wild varken te zullen terugkeeren. Rolf ging ongewapend op ontdekking uit, en Padde en Joppie begeleidden Hajo. Er was afgesproken, dat allen zoowat over een uur terug zouden zijn.Hajo en Joppie slopen, door Padde op eenigen afstand gevolgd, door de varens. Daar de kans groot was, dat een pijl in de lianen zou blijven hangen, mocht onze jager slechts dan schieten, wanneer hij werkelijk trefkans had. Want hier groeide nergens bamboe voor nieuwe pijlen.Het eerste schot was al bar gelukkig: een duif, belangrijk grooter dan de eveneens geelgrijze „perkoetoet”, (haar roep[312]klonk meer als: tekoekoerrr.….) tuimelde neer, den pijl in de borst. Even later trof Hajo opnieuw, maar ditmaal dwarrelden er slechts wat veertjes omlaag, en de duif vloog weg. De pijlen waren te licht: een ijzeren punt zou beter hebben voldaan. Weliswaar had Hajo in zijn koker ook een vijftal pijlen met een spijker als punt, maar er was besloten deze zwaardere projectielen voor bijzondere gevallen te bewaren. Wacht, daar zag Hajo op een lagen tak weer zoo’n groote duif zitten. Hij mikte zorgvuldig en schoot het dier.Maar nu begonnen de vogels argwaan te koesteren en maakten elkaar dat in duiventaal duidelijk, zoodat Hajo niets meer onder schot kreeg. Nu, twee vette duiven was ook al heel wat; hij zou zien, er nog wat eieren bij machtig te worden. Op goed geluk klauterde hij in een boom en vond twee nesten bij mekaar; in een ervan zaten twee jongen, al heelemaal in de veeren, dus blijkbaar op het punt van uitvliegen. Toen Hajo’s bol zich vertoonde, rezen de twee soezende dikzakken (weinig jonge vogels worden door de ouden zoo lang gevoerd als jonge duiven!) met van schrik wijd opengesperde oogen overeind en wilden uit het nest opfladderen. Maar Hajo legde snel de hand op het nest en stopte de jongen in zijn broekzak. Ziezoo, nu kon hij de eieren in het andere nest wel laten liggen! Beneden gekomen, liet hij Padde zijn buit zien, en de jagers keerden tevreden huiswaarts.Rolf was ongewapend uitgegaan. Langzaam wadend door de varens, keek hij naar de duizend wonderen om hem heen, bukte zich over een goudgroenen kever, of bewonderde een groote, gevlekte orchidee, of volgde een rooden vlinder, die de verwoede aanvallen trachtte te ontduiken van een langsnavelig lilliput-vogeltje, niet half zoo groot als de vlinder, dien het naar het leven stond. Bij dat al vergat Rolf, dat hij eigenlijk een geduchten eetlust had,—de natuurvriend won het van den mensch.Eensklaps trad Rolf met een kreet van bewondering achteruit. Was het hier dan toch een tooverland? Voor zijn voeten lag op den grond een bloem, zoo groot als Rolf in zijn leven niet gedacht had, dat een bloem worden kon. Men kon er wel in slapen! Ze scheen op den wortel van een liaan te groeien,[313]die nog enkele knoppen torste, in vorm en kleur herinnerend aan een groote bloemkool. De geopende bloem was vleeschkleurig, wit bespikkeld; om een grooten nap in het midden schaarden zich vijf dikke bloembladeren. Toen Rolf zich bukte om ze beter te bezien, vloog een dichte zwerm insecten gonzend uit den nap op, en een sterke, onaangename, bedorven geur steeg hem in den neus. Lekker ruiken deed de bloem alles behalve! De insecten, die er op afkwamen, zouden ook wel aaskevertjes en mestvliegen zijn. Rolf tilde een der zware kelkbladeren op. Het was kil in de hand. Wat jammer, dat Vader Langjas er niet van meegenieten kon!Toen Rolf eindelijk op de bloem was uitgekeken, vermoedde hij, dat het wel tijd voor terugkeeren zou zijn, en nu schoot hem te binnen, dat hij toch was uitgegaan om eten te zoeken! Drommels ja, hij voelde nu, dat hij geduchten honger had. Dan nog maar even gesnuffeld! Geen honderd pas verder bleef hij al staan voor een verbazend hoogen boom met gladden stam. Wat hingen daarboven voor groote, stekelige vruchten? Langs den gladden stam omhoogklimmen was onmogelijk. Rolf liep eens rond onder het kolossale bladerendak. Een dunnere boom kruiste zijn takken met die van den reus. Rolf werkte zich in dien boom, klom handig in den anderen over en sneed met zijn zakmes drie der vruchten af. Ze ploften dof neer in de varens. Toen balanceerde Rolf naar den kleinen boom terug en daalde weer af. Hij zocht de vruchten bijeen, maar kon er nog slechts twee vinden. Nu, daar had hij ook genoeg aan. Ze waren grooter dan een menschenhoofd en met dikke, kantige stekels bezet.—Zoo belandde Rolf, in iederen arm een der zware vruchten, op de plaats, waar Hajo en Padde vol toewijding bezig waren, de duiven te plukken.„Wat heb je daar voor vruchten?” vroeg Padde.„We zullen ze eens opensnijden! Is Harmen al terug?”„Nog niet. Kijk eens, wat ik heb?” Hajo wees op zijn duiven.„Die zien er mooi uit!” zei Rolf. „Jammer, dat we ze niet kunnen braden! ’t Zal me verwonderen wat Harmen meebrengt! Hij blijft lang weg!”„Ja.…. hij zit achter grof wild aan! Zoometeen komt hij nog met een koningstijger aanzetten!”[314]„Vast!” lachte Rolf. En met een ferme kruissnede opende hij een der vruchten. Brrrr! Er kwam een allesbehalve aanlokkelijke lucht uit, een lucht, die aan uien, bedorven kaas en rotte eieren herinnerde. Padde kneep zijn neus dicht, en Hajo keek Rolf vol twijfel aan. „Hij zal bedorven zijn, Rolf.”„Onmogelijk!” zei Rolf. „De bast is heelemaal gaaf, en kijk eens hoe mooi frisch het vleesch er uitziet!—Wacht! De barbier had het eens over een vrucht, die wel leelijk ruikt, maar toch goed smaken moet. ’t Zal eendoerianzijn! Vooruit, ik wil hem eens proeven.”—De vrucht was door een geelwitte tusschenhuid in kamertjes verdeeld, en in elk daarvan lagen een paar vleezige, blanke pitten ter grootte van een eenden-ei. Met een moed, waarvoor Hajo en Padde hem in stilte bewonderden, stak Rolf zoo’n pit in den mond.„En.….??”„Lekker”, zei Rolf. „Het smaakt als noten met room! Proef ook eens?”Aarzelend, met toegeknepen neus, stak Hajo een pit in den mond en moest toegeven, dat de vrucht lang niet kwaad smaakte. Nu begonnen ze samen te peuzelen. „Neem ook eens wat, Padde!” raadde Hajo.„Dank je feestelijk”, zei Padde. En hij ging twintig pas verderop met het plukken van de duiven door,—beweerde, dat hij zelfs dáár nog omviel van den stank.Waar Harmen toch wel zoo lang bleef?Met lans en kapmes gewapend en daarbij in zijn bladerenrokje, was hij als een echte menscheneter dien kant uitgetogen waar het plateau langzaam tegen een berghelling opliep. Door lianen en stekelige rotanslingers had hij zich baan gebroken. Hij was door nauwe holletjes gekropen, over doode woudkolossen geklauterd, waarbij hij schrammen bij de vleet opliep en honderd maal wegzakte in het vermolmde hout. Een pauw fladderde voor hem op. Harmen greep naar den langen staart, greep mis, viel in de dorens, schold den pauw uit voor al wat leelijk was, raapte droefgeestig een veer op, die tusschen de struiken was blijven hangen en stak ze in zijn woeste, reeds geducht lang geworden haren. Hij kwam voor een bamboebosch te staan, hakte er met zijn kapmes op los, dat de stelen links en rechts neerzonken.[315]Bij dit werkje viel hem een slangetje op den blooten schouder. Hij slingerde het kille monstertje van zich af. Brrrrr!En tenslotte was Harmen, al hakkende, gekomen bij de gedenkwaardige plek, waarvan hij later naar waarheid verklaarde, dat hij er van verbazing lans en kapmes had laten vallen. Tusschen hooge bamboestelen lag op mos en bladeren een drietal.…. katten! Neen maar, dat had Harmen nou nóóit gedacht! De katten waren vrij groot, haast als honden; ze hadden een glanzend geel vel met zwarte dwarsstrepen; om den staart zaten zwarte ringen. Van die leuke poesjes wou Harmen er eentje meenemen, niet om te eten, alleen maar om te laten kijken! Wat speelden ze aardig! Ze lagen op de zijde en sloegen elkaar met de pootjes. Wat een dikke, zware pootjes voor zulke lieve beestjes! Met vluggen greep pakte onze vriend er een op. Kom, daarmee zou hij zijn vrienden eens verrassen!En opgewonden zocht Harmen naar den terugweg. Hij had de richting nog wel in het geheugen, maar de last, dien hij droeg, hinderde hem erg bij het kappen. In zijn linkerarm hield hij de poes, die zich niet in het geringst verzette, niks eenkennig dus, zooals die gemeene kater van Dobbes, die zijn nagels nooit kon thuishouden,—en in den gordel bungelde zijn lans als een lang slagzwaard achter hem aan. Eindelijk ontdekte hij tusschen de boomen zijn vrienden weer. „Hallo! ’k Heb wat, jongens! ’n Kat! Hou Joppie eens vast!” En voorzichtig, om zich nergens aan te verwonden, naderde Harmen tusschen het doornige struikgewas. „Alsjeblief! Daar heb je ’t beessie!”Joppie’s haren vlogen steil overeind.„Maar.…. dat is een tijger!!” riep Rolf.Harmen keek hem verbluft aan. „Goeie morrege.….!”„Een jonge koningstijger!!”Toen verbleekte Harmen. „’n Jonge.….?! Groote Griebus! Dan heb ik voor een tijgerhol gestaan! Drie lagen er in! Drie koningstijgers!” En Harmen liet zijn „poes” met een rilling op den grond vallen. Naar kattenaard kwam het dier op z’n vier pooten terecht, blies en wilde beenen maken. Maar Rolf greep het beet. „We moeten hier als de drommel vandaan, vóór de ouden komen! Padde, neem de duiven op; Harmen, jij die groote vrucht; ik draag de tijger.”[316]„Wat wou je met het mormel doen?!” vroeg Harmen ontzet.„Temmen!” zei Rolf. „Het dier is nog jong! Kom!”„Ja, dan nemen we hem mee naar Hoorn!” riep Hajo.„Of hij vreet ons over een maand alle vier op!” gromde Harmen. Hij raapte den doerian op, keek er met een wantrouwend gezicht naar. „Vooruit dan maar!”Padde nam met bevende handen de duiven op en volgde, een behoorlijken afstand bewarend tusschen zich en het geel-zwarte monster, dat Rolf in den arm had. Joppie bleef nog weer achter Padde. Zoo wilde de zonderlinge optocht het pad langs het ravijn weer verder volgen, toen.…. Hajo stootte een kreet van ontzetting uit.…. daar sprong uit de struiken, geen twintig passen van hen af.….!De jongens hoefden er niet naar te raden, wien ze voor zich hadden. Daar was hij, de wreede, trotsche keizer van het Indische woud, geheel onverwachts, terwijl de zon hoog aan den hemel stond; zijn oogen waren geen vuur; hij spuwde ook geen gif, was een dier als een ander, wendde, zelf blijkbaar verrast, zijn zwaren, stompen kop naar de jongens.…. Dezen stonden verlamd van schrik, Harmen hief onwillekeurig den doerian op, als wilde hij zich daarmee verdedigen; Hajo vatte instinctief met beide handen zijn speer; Padde staarde wezenloos, met wijd open mond.Er was een aarzeling. Het dier trok de lippen op, ontblootte zijn forsche, driekantige hoektanden, gromde. Toen richtte hij plots zijn lichtgroene rooversoogen op Rolf—waarschijnlijk op het jonge dier, dat deze in de armen hield,—sloeg driftig den dikken, ronden staart over den grond, kroop een schrede achteruit, stootte een kort, schor gebrul uit, onheilspellend als geen ander geluid, dook ineen.…! Rolf kreeg een ingeving, gaf er zonder aarzeling gehoor aan: hij slingerde met een fermen zwaai den tijger zijn jong toe.Hij had niet beter kunnen doen. De tijger greep het jonge dier met de tanden in den nek en sprong er in prachtigen, soepelen boog mee weg in het struikgewas. „Besjoer.….!” stamelde Harmen met nog lijkwitte lippen.Toen holden de knapen het pad af, zoo hard ze maar konden,[317]Harmen vooraan, beenen makend als een beroepshardlooper; Padde als laatste, telkens angstig omziend en gillend: „Niet zoo vlug! Niet zoo vlug! Ik kan jullie niet bijblijven.….!”Tijger.[318]

[Inhoud]EEN NEST MET KATTENEEN NEST MET KATTENDen volgenden morgen joeg de zon alle muizenissen lachend voor zich uit! De griezelige boomen prijkten weer in bonte schoonheid; kleine vogeltjes schommelden lustig aan de orchidee-kelken en vulden de lucht met hun vroolijk gesnaper. Het eerste gevoel, waarmee de jongens ontwaakten, was dat van bevrijding.Maar vlak er op volgde een ander gevoel: dat van een leege maag! Drommels, ze moesten wat eten zien te vinden, anders vielen ze van de graat! Ze hadden gisteren vrijwel niets dan vruchten gegeten; dat smaakte wel lekker, maar een Hollandsche jongen kon er toch niet op leven! Terwijl Hajo met zijn pijl en boog tegen de duiven te velde trok, die overal huisden op den rand van het plateau, greep Harmen speer en hakmes en beloofde met een wild varken te zullen terugkeeren. Rolf ging ongewapend op ontdekking uit, en Padde en Joppie begeleidden Hajo. Er was afgesproken, dat allen zoowat over een uur terug zouden zijn.Hajo en Joppie slopen, door Padde op eenigen afstand gevolgd, door de varens. Daar de kans groot was, dat een pijl in de lianen zou blijven hangen, mocht onze jager slechts dan schieten, wanneer hij werkelijk trefkans had. Want hier groeide nergens bamboe voor nieuwe pijlen.Het eerste schot was al bar gelukkig: een duif, belangrijk grooter dan de eveneens geelgrijze „perkoetoet”, (haar roep[312]klonk meer als: tekoekoerrr.….) tuimelde neer, den pijl in de borst. Even later trof Hajo opnieuw, maar ditmaal dwarrelden er slechts wat veertjes omlaag, en de duif vloog weg. De pijlen waren te licht: een ijzeren punt zou beter hebben voldaan. Weliswaar had Hajo in zijn koker ook een vijftal pijlen met een spijker als punt, maar er was besloten deze zwaardere projectielen voor bijzondere gevallen te bewaren. Wacht, daar zag Hajo op een lagen tak weer zoo’n groote duif zitten. Hij mikte zorgvuldig en schoot het dier.Maar nu begonnen de vogels argwaan te koesteren en maakten elkaar dat in duiventaal duidelijk, zoodat Hajo niets meer onder schot kreeg. Nu, twee vette duiven was ook al heel wat; hij zou zien, er nog wat eieren bij machtig te worden. Op goed geluk klauterde hij in een boom en vond twee nesten bij mekaar; in een ervan zaten twee jongen, al heelemaal in de veeren, dus blijkbaar op het punt van uitvliegen. Toen Hajo’s bol zich vertoonde, rezen de twee soezende dikzakken (weinig jonge vogels worden door de ouden zoo lang gevoerd als jonge duiven!) met van schrik wijd opengesperde oogen overeind en wilden uit het nest opfladderen. Maar Hajo legde snel de hand op het nest en stopte de jongen in zijn broekzak. Ziezoo, nu kon hij de eieren in het andere nest wel laten liggen! Beneden gekomen, liet hij Padde zijn buit zien, en de jagers keerden tevreden huiswaarts.Rolf was ongewapend uitgegaan. Langzaam wadend door de varens, keek hij naar de duizend wonderen om hem heen, bukte zich over een goudgroenen kever, of bewonderde een groote, gevlekte orchidee, of volgde een rooden vlinder, die de verwoede aanvallen trachtte te ontduiken van een langsnavelig lilliput-vogeltje, niet half zoo groot als de vlinder, dien het naar het leven stond. Bij dat al vergat Rolf, dat hij eigenlijk een geduchten eetlust had,—de natuurvriend won het van den mensch.Eensklaps trad Rolf met een kreet van bewondering achteruit. Was het hier dan toch een tooverland? Voor zijn voeten lag op den grond een bloem, zoo groot als Rolf in zijn leven niet gedacht had, dat een bloem worden kon. Men kon er wel in slapen! Ze scheen op den wortel van een liaan te groeien,[313]die nog enkele knoppen torste, in vorm en kleur herinnerend aan een groote bloemkool. De geopende bloem was vleeschkleurig, wit bespikkeld; om een grooten nap in het midden schaarden zich vijf dikke bloembladeren. Toen Rolf zich bukte om ze beter te bezien, vloog een dichte zwerm insecten gonzend uit den nap op, en een sterke, onaangename, bedorven geur steeg hem in den neus. Lekker ruiken deed de bloem alles behalve! De insecten, die er op afkwamen, zouden ook wel aaskevertjes en mestvliegen zijn. Rolf tilde een der zware kelkbladeren op. Het was kil in de hand. Wat jammer, dat Vader Langjas er niet van meegenieten kon!Toen Rolf eindelijk op de bloem was uitgekeken, vermoedde hij, dat het wel tijd voor terugkeeren zou zijn, en nu schoot hem te binnen, dat hij toch was uitgegaan om eten te zoeken! Drommels ja, hij voelde nu, dat hij geduchten honger had. Dan nog maar even gesnuffeld! Geen honderd pas verder bleef hij al staan voor een verbazend hoogen boom met gladden stam. Wat hingen daarboven voor groote, stekelige vruchten? Langs den gladden stam omhoogklimmen was onmogelijk. Rolf liep eens rond onder het kolossale bladerendak. Een dunnere boom kruiste zijn takken met die van den reus. Rolf werkte zich in dien boom, klom handig in den anderen over en sneed met zijn zakmes drie der vruchten af. Ze ploften dof neer in de varens. Toen balanceerde Rolf naar den kleinen boom terug en daalde weer af. Hij zocht de vruchten bijeen, maar kon er nog slechts twee vinden. Nu, daar had hij ook genoeg aan. Ze waren grooter dan een menschenhoofd en met dikke, kantige stekels bezet.—Zoo belandde Rolf, in iederen arm een der zware vruchten, op de plaats, waar Hajo en Padde vol toewijding bezig waren, de duiven te plukken.„Wat heb je daar voor vruchten?” vroeg Padde.„We zullen ze eens opensnijden! Is Harmen al terug?”„Nog niet. Kijk eens, wat ik heb?” Hajo wees op zijn duiven.„Die zien er mooi uit!” zei Rolf. „Jammer, dat we ze niet kunnen braden! ’t Zal me verwonderen wat Harmen meebrengt! Hij blijft lang weg!”„Ja.…. hij zit achter grof wild aan! Zoometeen komt hij nog met een koningstijger aanzetten!”[314]„Vast!” lachte Rolf. En met een ferme kruissnede opende hij een der vruchten. Brrrr! Er kwam een allesbehalve aanlokkelijke lucht uit, een lucht, die aan uien, bedorven kaas en rotte eieren herinnerde. Padde kneep zijn neus dicht, en Hajo keek Rolf vol twijfel aan. „Hij zal bedorven zijn, Rolf.”„Onmogelijk!” zei Rolf. „De bast is heelemaal gaaf, en kijk eens hoe mooi frisch het vleesch er uitziet!—Wacht! De barbier had het eens over een vrucht, die wel leelijk ruikt, maar toch goed smaken moet. ’t Zal eendoerianzijn! Vooruit, ik wil hem eens proeven.”—De vrucht was door een geelwitte tusschenhuid in kamertjes verdeeld, en in elk daarvan lagen een paar vleezige, blanke pitten ter grootte van een eenden-ei. Met een moed, waarvoor Hajo en Padde hem in stilte bewonderden, stak Rolf zoo’n pit in den mond.„En.….??”„Lekker”, zei Rolf. „Het smaakt als noten met room! Proef ook eens?”Aarzelend, met toegeknepen neus, stak Hajo een pit in den mond en moest toegeven, dat de vrucht lang niet kwaad smaakte. Nu begonnen ze samen te peuzelen. „Neem ook eens wat, Padde!” raadde Hajo.„Dank je feestelijk”, zei Padde. En hij ging twintig pas verderop met het plukken van de duiven door,—beweerde, dat hij zelfs dáár nog omviel van den stank.Waar Harmen toch wel zoo lang bleef?Met lans en kapmes gewapend en daarbij in zijn bladerenrokje, was hij als een echte menscheneter dien kant uitgetogen waar het plateau langzaam tegen een berghelling opliep. Door lianen en stekelige rotanslingers had hij zich baan gebroken. Hij was door nauwe holletjes gekropen, over doode woudkolossen geklauterd, waarbij hij schrammen bij de vleet opliep en honderd maal wegzakte in het vermolmde hout. Een pauw fladderde voor hem op. Harmen greep naar den langen staart, greep mis, viel in de dorens, schold den pauw uit voor al wat leelijk was, raapte droefgeestig een veer op, die tusschen de struiken was blijven hangen en stak ze in zijn woeste, reeds geducht lang geworden haren. Hij kwam voor een bamboebosch te staan, hakte er met zijn kapmes op los, dat de stelen links en rechts neerzonken.[315]Bij dit werkje viel hem een slangetje op den blooten schouder. Hij slingerde het kille monstertje van zich af. Brrrrr!En tenslotte was Harmen, al hakkende, gekomen bij de gedenkwaardige plek, waarvan hij later naar waarheid verklaarde, dat hij er van verbazing lans en kapmes had laten vallen. Tusschen hooge bamboestelen lag op mos en bladeren een drietal.…. katten! Neen maar, dat had Harmen nou nóóit gedacht! De katten waren vrij groot, haast als honden; ze hadden een glanzend geel vel met zwarte dwarsstrepen; om den staart zaten zwarte ringen. Van die leuke poesjes wou Harmen er eentje meenemen, niet om te eten, alleen maar om te laten kijken! Wat speelden ze aardig! Ze lagen op de zijde en sloegen elkaar met de pootjes. Wat een dikke, zware pootjes voor zulke lieve beestjes! Met vluggen greep pakte onze vriend er een op. Kom, daarmee zou hij zijn vrienden eens verrassen!En opgewonden zocht Harmen naar den terugweg. Hij had de richting nog wel in het geheugen, maar de last, dien hij droeg, hinderde hem erg bij het kappen. In zijn linkerarm hield hij de poes, die zich niet in het geringst verzette, niks eenkennig dus, zooals die gemeene kater van Dobbes, die zijn nagels nooit kon thuishouden,—en in den gordel bungelde zijn lans als een lang slagzwaard achter hem aan. Eindelijk ontdekte hij tusschen de boomen zijn vrienden weer. „Hallo! ’k Heb wat, jongens! ’n Kat! Hou Joppie eens vast!” En voorzichtig, om zich nergens aan te verwonden, naderde Harmen tusschen het doornige struikgewas. „Alsjeblief! Daar heb je ’t beessie!”Joppie’s haren vlogen steil overeind.„Maar.…. dat is een tijger!!” riep Rolf.Harmen keek hem verbluft aan. „Goeie morrege.….!”„Een jonge koningstijger!!”Toen verbleekte Harmen. „’n Jonge.….?! Groote Griebus! Dan heb ik voor een tijgerhol gestaan! Drie lagen er in! Drie koningstijgers!” En Harmen liet zijn „poes” met een rilling op den grond vallen. Naar kattenaard kwam het dier op z’n vier pooten terecht, blies en wilde beenen maken. Maar Rolf greep het beet. „We moeten hier als de drommel vandaan, vóór de ouden komen! Padde, neem de duiven op; Harmen, jij die groote vrucht; ik draag de tijger.”[316]„Wat wou je met het mormel doen?!” vroeg Harmen ontzet.„Temmen!” zei Rolf. „Het dier is nog jong! Kom!”„Ja, dan nemen we hem mee naar Hoorn!” riep Hajo.„Of hij vreet ons over een maand alle vier op!” gromde Harmen. Hij raapte den doerian op, keek er met een wantrouwend gezicht naar. „Vooruit dan maar!”Padde nam met bevende handen de duiven op en volgde, een behoorlijken afstand bewarend tusschen zich en het geel-zwarte monster, dat Rolf in den arm had. Joppie bleef nog weer achter Padde. Zoo wilde de zonderlinge optocht het pad langs het ravijn weer verder volgen, toen.…. Hajo stootte een kreet van ontzetting uit.…. daar sprong uit de struiken, geen twintig passen van hen af.….!De jongens hoefden er niet naar te raden, wien ze voor zich hadden. Daar was hij, de wreede, trotsche keizer van het Indische woud, geheel onverwachts, terwijl de zon hoog aan den hemel stond; zijn oogen waren geen vuur; hij spuwde ook geen gif, was een dier als een ander, wendde, zelf blijkbaar verrast, zijn zwaren, stompen kop naar de jongens.…. Dezen stonden verlamd van schrik, Harmen hief onwillekeurig den doerian op, als wilde hij zich daarmee verdedigen; Hajo vatte instinctief met beide handen zijn speer; Padde staarde wezenloos, met wijd open mond.Er was een aarzeling. Het dier trok de lippen op, ontblootte zijn forsche, driekantige hoektanden, gromde. Toen richtte hij plots zijn lichtgroene rooversoogen op Rolf—waarschijnlijk op het jonge dier, dat deze in de armen hield,—sloeg driftig den dikken, ronden staart over den grond, kroop een schrede achteruit, stootte een kort, schor gebrul uit, onheilspellend als geen ander geluid, dook ineen.…! Rolf kreeg een ingeving, gaf er zonder aarzeling gehoor aan: hij slingerde met een fermen zwaai den tijger zijn jong toe.Hij had niet beter kunnen doen. De tijger greep het jonge dier met de tanden in den nek en sprong er in prachtigen, soepelen boog mee weg in het struikgewas. „Besjoer.….!” stamelde Harmen met nog lijkwitte lippen.Toen holden de knapen het pad af, zoo hard ze maar konden,[317]Harmen vooraan, beenen makend als een beroepshardlooper; Padde als laatste, telkens angstig omziend en gillend: „Niet zoo vlug! Niet zoo vlug! Ik kan jullie niet bijblijven.….!”Tijger.[318]

EEN NEST MET KATTENEEN NEST MET KATTEN

EEN NEST MET KATTEN

Den volgenden morgen joeg de zon alle muizenissen lachend voor zich uit! De griezelige boomen prijkten weer in bonte schoonheid; kleine vogeltjes schommelden lustig aan de orchidee-kelken en vulden de lucht met hun vroolijk gesnaper. Het eerste gevoel, waarmee de jongens ontwaakten, was dat van bevrijding.Maar vlak er op volgde een ander gevoel: dat van een leege maag! Drommels, ze moesten wat eten zien te vinden, anders vielen ze van de graat! Ze hadden gisteren vrijwel niets dan vruchten gegeten; dat smaakte wel lekker, maar een Hollandsche jongen kon er toch niet op leven! Terwijl Hajo met zijn pijl en boog tegen de duiven te velde trok, die overal huisden op den rand van het plateau, greep Harmen speer en hakmes en beloofde met een wild varken te zullen terugkeeren. Rolf ging ongewapend op ontdekking uit, en Padde en Joppie begeleidden Hajo. Er was afgesproken, dat allen zoowat over een uur terug zouden zijn.Hajo en Joppie slopen, door Padde op eenigen afstand gevolgd, door de varens. Daar de kans groot was, dat een pijl in de lianen zou blijven hangen, mocht onze jager slechts dan schieten, wanneer hij werkelijk trefkans had. Want hier groeide nergens bamboe voor nieuwe pijlen.Het eerste schot was al bar gelukkig: een duif, belangrijk grooter dan de eveneens geelgrijze „perkoetoet”, (haar roep[312]klonk meer als: tekoekoerrr.….) tuimelde neer, den pijl in de borst. Even later trof Hajo opnieuw, maar ditmaal dwarrelden er slechts wat veertjes omlaag, en de duif vloog weg. De pijlen waren te licht: een ijzeren punt zou beter hebben voldaan. Weliswaar had Hajo in zijn koker ook een vijftal pijlen met een spijker als punt, maar er was besloten deze zwaardere projectielen voor bijzondere gevallen te bewaren. Wacht, daar zag Hajo op een lagen tak weer zoo’n groote duif zitten. Hij mikte zorgvuldig en schoot het dier.Maar nu begonnen de vogels argwaan te koesteren en maakten elkaar dat in duiventaal duidelijk, zoodat Hajo niets meer onder schot kreeg. Nu, twee vette duiven was ook al heel wat; hij zou zien, er nog wat eieren bij machtig te worden. Op goed geluk klauterde hij in een boom en vond twee nesten bij mekaar; in een ervan zaten twee jongen, al heelemaal in de veeren, dus blijkbaar op het punt van uitvliegen. Toen Hajo’s bol zich vertoonde, rezen de twee soezende dikzakken (weinig jonge vogels worden door de ouden zoo lang gevoerd als jonge duiven!) met van schrik wijd opengesperde oogen overeind en wilden uit het nest opfladderen. Maar Hajo legde snel de hand op het nest en stopte de jongen in zijn broekzak. Ziezoo, nu kon hij de eieren in het andere nest wel laten liggen! Beneden gekomen, liet hij Padde zijn buit zien, en de jagers keerden tevreden huiswaarts.Rolf was ongewapend uitgegaan. Langzaam wadend door de varens, keek hij naar de duizend wonderen om hem heen, bukte zich over een goudgroenen kever, of bewonderde een groote, gevlekte orchidee, of volgde een rooden vlinder, die de verwoede aanvallen trachtte te ontduiken van een langsnavelig lilliput-vogeltje, niet half zoo groot als de vlinder, dien het naar het leven stond. Bij dat al vergat Rolf, dat hij eigenlijk een geduchten eetlust had,—de natuurvriend won het van den mensch.Eensklaps trad Rolf met een kreet van bewondering achteruit. Was het hier dan toch een tooverland? Voor zijn voeten lag op den grond een bloem, zoo groot als Rolf in zijn leven niet gedacht had, dat een bloem worden kon. Men kon er wel in slapen! Ze scheen op den wortel van een liaan te groeien,[313]die nog enkele knoppen torste, in vorm en kleur herinnerend aan een groote bloemkool. De geopende bloem was vleeschkleurig, wit bespikkeld; om een grooten nap in het midden schaarden zich vijf dikke bloembladeren. Toen Rolf zich bukte om ze beter te bezien, vloog een dichte zwerm insecten gonzend uit den nap op, en een sterke, onaangename, bedorven geur steeg hem in den neus. Lekker ruiken deed de bloem alles behalve! De insecten, die er op afkwamen, zouden ook wel aaskevertjes en mestvliegen zijn. Rolf tilde een der zware kelkbladeren op. Het was kil in de hand. Wat jammer, dat Vader Langjas er niet van meegenieten kon!Toen Rolf eindelijk op de bloem was uitgekeken, vermoedde hij, dat het wel tijd voor terugkeeren zou zijn, en nu schoot hem te binnen, dat hij toch was uitgegaan om eten te zoeken! Drommels ja, hij voelde nu, dat hij geduchten honger had. Dan nog maar even gesnuffeld! Geen honderd pas verder bleef hij al staan voor een verbazend hoogen boom met gladden stam. Wat hingen daarboven voor groote, stekelige vruchten? Langs den gladden stam omhoogklimmen was onmogelijk. Rolf liep eens rond onder het kolossale bladerendak. Een dunnere boom kruiste zijn takken met die van den reus. Rolf werkte zich in dien boom, klom handig in den anderen over en sneed met zijn zakmes drie der vruchten af. Ze ploften dof neer in de varens. Toen balanceerde Rolf naar den kleinen boom terug en daalde weer af. Hij zocht de vruchten bijeen, maar kon er nog slechts twee vinden. Nu, daar had hij ook genoeg aan. Ze waren grooter dan een menschenhoofd en met dikke, kantige stekels bezet.—Zoo belandde Rolf, in iederen arm een der zware vruchten, op de plaats, waar Hajo en Padde vol toewijding bezig waren, de duiven te plukken.„Wat heb je daar voor vruchten?” vroeg Padde.„We zullen ze eens opensnijden! Is Harmen al terug?”„Nog niet. Kijk eens, wat ik heb?” Hajo wees op zijn duiven.„Die zien er mooi uit!” zei Rolf. „Jammer, dat we ze niet kunnen braden! ’t Zal me verwonderen wat Harmen meebrengt! Hij blijft lang weg!”„Ja.…. hij zit achter grof wild aan! Zoometeen komt hij nog met een koningstijger aanzetten!”[314]„Vast!” lachte Rolf. En met een ferme kruissnede opende hij een der vruchten. Brrrr! Er kwam een allesbehalve aanlokkelijke lucht uit, een lucht, die aan uien, bedorven kaas en rotte eieren herinnerde. Padde kneep zijn neus dicht, en Hajo keek Rolf vol twijfel aan. „Hij zal bedorven zijn, Rolf.”„Onmogelijk!” zei Rolf. „De bast is heelemaal gaaf, en kijk eens hoe mooi frisch het vleesch er uitziet!—Wacht! De barbier had het eens over een vrucht, die wel leelijk ruikt, maar toch goed smaken moet. ’t Zal eendoerianzijn! Vooruit, ik wil hem eens proeven.”—De vrucht was door een geelwitte tusschenhuid in kamertjes verdeeld, en in elk daarvan lagen een paar vleezige, blanke pitten ter grootte van een eenden-ei. Met een moed, waarvoor Hajo en Padde hem in stilte bewonderden, stak Rolf zoo’n pit in den mond.„En.….??”„Lekker”, zei Rolf. „Het smaakt als noten met room! Proef ook eens?”Aarzelend, met toegeknepen neus, stak Hajo een pit in den mond en moest toegeven, dat de vrucht lang niet kwaad smaakte. Nu begonnen ze samen te peuzelen. „Neem ook eens wat, Padde!” raadde Hajo.„Dank je feestelijk”, zei Padde. En hij ging twintig pas verderop met het plukken van de duiven door,—beweerde, dat hij zelfs dáár nog omviel van den stank.Waar Harmen toch wel zoo lang bleef?Met lans en kapmes gewapend en daarbij in zijn bladerenrokje, was hij als een echte menscheneter dien kant uitgetogen waar het plateau langzaam tegen een berghelling opliep. Door lianen en stekelige rotanslingers had hij zich baan gebroken. Hij was door nauwe holletjes gekropen, over doode woudkolossen geklauterd, waarbij hij schrammen bij de vleet opliep en honderd maal wegzakte in het vermolmde hout. Een pauw fladderde voor hem op. Harmen greep naar den langen staart, greep mis, viel in de dorens, schold den pauw uit voor al wat leelijk was, raapte droefgeestig een veer op, die tusschen de struiken was blijven hangen en stak ze in zijn woeste, reeds geducht lang geworden haren. Hij kwam voor een bamboebosch te staan, hakte er met zijn kapmes op los, dat de stelen links en rechts neerzonken.[315]Bij dit werkje viel hem een slangetje op den blooten schouder. Hij slingerde het kille monstertje van zich af. Brrrrr!En tenslotte was Harmen, al hakkende, gekomen bij de gedenkwaardige plek, waarvan hij later naar waarheid verklaarde, dat hij er van verbazing lans en kapmes had laten vallen. Tusschen hooge bamboestelen lag op mos en bladeren een drietal.…. katten! Neen maar, dat had Harmen nou nóóit gedacht! De katten waren vrij groot, haast als honden; ze hadden een glanzend geel vel met zwarte dwarsstrepen; om den staart zaten zwarte ringen. Van die leuke poesjes wou Harmen er eentje meenemen, niet om te eten, alleen maar om te laten kijken! Wat speelden ze aardig! Ze lagen op de zijde en sloegen elkaar met de pootjes. Wat een dikke, zware pootjes voor zulke lieve beestjes! Met vluggen greep pakte onze vriend er een op. Kom, daarmee zou hij zijn vrienden eens verrassen!En opgewonden zocht Harmen naar den terugweg. Hij had de richting nog wel in het geheugen, maar de last, dien hij droeg, hinderde hem erg bij het kappen. In zijn linkerarm hield hij de poes, die zich niet in het geringst verzette, niks eenkennig dus, zooals die gemeene kater van Dobbes, die zijn nagels nooit kon thuishouden,—en in den gordel bungelde zijn lans als een lang slagzwaard achter hem aan. Eindelijk ontdekte hij tusschen de boomen zijn vrienden weer. „Hallo! ’k Heb wat, jongens! ’n Kat! Hou Joppie eens vast!” En voorzichtig, om zich nergens aan te verwonden, naderde Harmen tusschen het doornige struikgewas. „Alsjeblief! Daar heb je ’t beessie!”Joppie’s haren vlogen steil overeind.„Maar.…. dat is een tijger!!” riep Rolf.Harmen keek hem verbluft aan. „Goeie morrege.….!”„Een jonge koningstijger!!”Toen verbleekte Harmen. „’n Jonge.….?! Groote Griebus! Dan heb ik voor een tijgerhol gestaan! Drie lagen er in! Drie koningstijgers!” En Harmen liet zijn „poes” met een rilling op den grond vallen. Naar kattenaard kwam het dier op z’n vier pooten terecht, blies en wilde beenen maken. Maar Rolf greep het beet. „We moeten hier als de drommel vandaan, vóór de ouden komen! Padde, neem de duiven op; Harmen, jij die groote vrucht; ik draag de tijger.”[316]„Wat wou je met het mormel doen?!” vroeg Harmen ontzet.„Temmen!” zei Rolf. „Het dier is nog jong! Kom!”„Ja, dan nemen we hem mee naar Hoorn!” riep Hajo.„Of hij vreet ons over een maand alle vier op!” gromde Harmen. Hij raapte den doerian op, keek er met een wantrouwend gezicht naar. „Vooruit dan maar!”Padde nam met bevende handen de duiven op en volgde, een behoorlijken afstand bewarend tusschen zich en het geel-zwarte monster, dat Rolf in den arm had. Joppie bleef nog weer achter Padde. Zoo wilde de zonderlinge optocht het pad langs het ravijn weer verder volgen, toen.…. Hajo stootte een kreet van ontzetting uit.…. daar sprong uit de struiken, geen twintig passen van hen af.….!De jongens hoefden er niet naar te raden, wien ze voor zich hadden. Daar was hij, de wreede, trotsche keizer van het Indische woud, geheel onverwachts, terwijl de zon hoog aan den hemel stond; zijn oogen waren geen vuur; hij spuwde ook geen gif, was een dier als een ander, wendde, zelf blijkbaar verrast, zijn zwaren, stompen kop naar de jongens.…. Dezen stonden verlamd van schrik, Harmen hief onwillekeurig den doerian op, als wilde hij zich daarmee verdedigen; Hajo vatte instinctief met beide handen zijn speer; Padde staarde wezenloos, met wijd open mond.Er was een aarzeling. Het dier trok de lippen op, ontblootte zijn forsche, driekantige hoektanden, gromde. Toen richtte hij plots zijn lichtgroene rooversoogen op Rolf—waarschijnlijk op het jonge dier, dat deze in de armen hield,—sloeg driftig den dikken, ronden staart over den grond, kroop een schrede achteruit, stootte een kort, schor gebrul uit, onheilspellend als geen ander geluid, dook ineen.…! Rolf kreeg een ingeving, gaf er zonder aarzeling gehoor aan: hij slingerde met een fermen zwaai den tijger zijn jong toe.Hij had niet beter kunnen doen. De tijger greep het jonge dier met de tanden in den nek en sprong er in prachtigen, soepelen boog mee weg in het struikgewas. „Besjoer.….!” stamelde Harmen met nog lijkwitte lippen.Toen holden de knapen het pad af, zoo hard ze maar konden,[317]Harmen vooraan, beenen makend als een beroepshardlooper; Padde als laatste, telkens angstig omziend en gillend: „Niet zoo vlug! Niet zoo vlug! Ik kan jullie niet bijblijven.….!”Tijger.[318]

Den volgenden morgen joeg de zon alle muizenissen lachend voor zich uit! De griezelige boomen prijkten weer in bonte schoonheid; kleine vogeltjes schommelden lustig aan de orchidee-kelken en vulden de lucht met hun vroolijk gesnaper. Het eerste gevoel, waarmee de jongens ontwaakten, was dat van bevrijding.

Maar vlak er op volgde een ander gevoel: dat van een leege maag! Drommels, ze moesten wat eten zien te vinden, anders vielen ze van de graat! Ze hadden gisteren vrijwel niets dan vruchten gegeten; dat smaakte wel lekker, maar een Hollandsche jongen kon er toch niet op leven! Terwijl Hajo met zijn pijl en boog tegen de duiven te velde trok, die overal huisden op den rand van het plateau, greep Harmen speer en hakmes en beloofde met een wild varken te zullen terugkeeren. Rolf ging ongewapend op ontdekking uit, en Padde en Joppie begeleidden Hajo. Er was afgesproken, dat allen zoowat over een uur terug zouden zijn.

Hajo en Joppie slopen, door Padde op eenigen afstand gevolgd, door de varens. Daar de kans groot was, dat een pijl in de lianen zou blijven hangen, mocht onze jager slechts dan schieten, wanneer hij werkelijk trefkans had. Want hier groeide nergens bamboe voor nieuwe pijlen.

Het eerste schot was al bar gelukkig: een duif, belangrijk grooter dan de eveneens geelgrijze „perkoetoet”, (haar roep[312]klonk meer als: tekoekoerrr.….) tuimelde neer, den pijl in de borst. Even later trof Hajo opnieuw, maar ditmaal dwarrelden er slechts wat veertjes omlaag, en de duif vloog weg. De pijlen waren te licht: een ijzeren punt zou beter hebben voldaan. Weliswaar had Hajo in zijn koker ook een vijftal pijlen met een spijker als punt, maar er was besloten deze zwaardere projectielen voor bijzondere gevallen te bewaren. Wacht, daar zag Hajo op een lagen tak weer zoo’n groote duif zitten. Hij mikte zorgvuldig en schoot het dier.

Maar nu begonnen de vogels argwaan te koesteren en maakten elkaar dat in duiventaal duidelijk, zoodat Hajo niets meer onder schot kreeg. Nu, twee vette duiven was ook al heel wat; hij zou zien, er nog wat eieren bij machtig te worden. Op goed geluk klauterde hij in een boom en vond twee nesten bij mekaar; in een ervan zaten twee jongen, al heelemaal in de veeren, dus blijkbaar op het punt van uitvliegen. Toen Hajo’s bol zich vertoonde, rezen de twee soezende dikzakken (weinig jonge vogels worden door de ouden zoo lang gevoerd als jonge duiven!) met van schrik wijd opengesperde oogen overeind en wilden uit het nest opfladderen. Maar Hajo legde snel de hand op het nest en stopte de jongen in zijn broekzak. Ziezoo, nu kon hij de eieren in het andere nest wel laten liggen! Beneden gekomen, liet hij Padde zijn buit zien, en de jagers keerden tevreden huiswaarts.

Rolf was ongewapend uitgegaan. Langzaam wadend door de varens, keek hij naar de duizend wonderen om hem heen, bukte zich over een goudgroenen kever, of bewonderde een groote, gevlekte orchidee, of volgde een rooden vlinder, die de verwoede aanvallen trachtte te ontduiken van een langsnavelig lilliput-vogeltje, niet half zoo groot als de vlinder, dien het naar het leven stond. Bij dat al vergat Rolf, dat hij eigenlijk een geduchten eetlust had,—de natuurvriend won het van den mensch.

Eensklaps trad Rolf met een kreet van bewondering achteruit. Was het hier dan toch een tooverland? Voor zijn voeten lag op den grond een bloem, zoo groot als Rolf in zijn leven niet gedacht had, dat een bloem worden kon. Men kon er wel in slapen! Ze scheen op den wortel van een liaan te groeien,[313]die nog enkele knoppen torste, in vorm en kleur herinnerend aan een groote bloemkool. De geopende bloem was vleeschkleurig, wit bespikkeld; om een grooten nap in het midden schaarden zich vijf dikke bloembladeren. Toen Rolf zich bukte om ze beter te bezien, vloog een dichte zwerm insecten gonzend uit den nap op, en een sterke, onaangename, bedorven geur steeg hem in den neus. Lekker ruiken deed de bloem alles behalve! De insecten, die er op afkwamen, zouden ook wel aaskevertjes en mestvliegen zijn. Rolf tilde een der zware kelkbladeren op. Het was kil in de hand. Wat jammer, dat Vader Langjas er niet van meegenieten kon!

Toen Rolf eindelijk op de bloem was uitgekeken, vermoedde hij, dat het wel tijd voor terugkeeren zou zijn, en nu schoot hem te binnen, dat hij toch was uitgegaan om eten te zoeken! Drommels ja, hij voelde nu, dat hij geduchten honger had. Dan nog maar even gesnuffeld! Geen honderd pas verder bleef hij al staan voor een verbazend hoogen boom met gladden stam. Wat hingen daarboven voor groote, stekelige vruchten? Langs den gladden stam omhoogklimmen was onmogelijk. Rolf liep eens rond onder het kolossale bladerendak. Een dunnere boom kruiste zijn takken met die van den reus. Rolf werkte zich in dien boom, klom handig in den anderen over en sneed met zijn zakmes drie der vruchten af. Ze ploften dof neer in de varens. Toen balanceerde Rolf naar den kleinen boom terug en daalde weer af. Hij zocht de vruchten bijeen, maar kon er nog slechts twee vinden. Nu, daar had hij ook genoeg aan. Ze waren grooter dan een menschenhoofd en met dikke, kantige stekels bezet.—Zoo belandde Rolf, in iederen arm een der zware vruchten, op de plaats, waar Hajo en Padde vol toewijding bezig waren, de duiven te plukken.

„Wat heb je daar voor vruchten?” vroeg Padde.

„We zullen ze eens opensnijden! Is Harmen al terug?”

„Nog niet. Kijk eens, wat ik heb?” Hajo wees op zijn duiven.

„Die zien er mooi uit!” zei Rolf. „Jammer, dat we ze niet kunnen braden! ’t Zal me verwonderen wat Harmen meebrengt! Hij blijft lang weg!”

„Ja.…. hij zit achter grof wild aan! Zoometeen komt hij nog met een koningstijger aanzetten!”[314]

„Vast!” lachte Rolf. En met een ferme kruissnede opende hij een der vruchten. Brrrr! Er kwam een allesbehalve aanlokkelijke lucht uit, een lucht, die aan uien, bedorven kaas en rotte eieren herinnerde. Padde kneep zijn neus dicht, en Hajo keek Rolf vol twijfel aan. „Hij zal bedorven zijn, Rolf.”

„Onmogelijk!” zei Rolf. „De bast is heelemaal gaaf, en kijk eens hoe mooi frisch het vleesch er uitziet!—Wacht! De barbier had het eens over een vrucht, die wel leelijk ruikt, maar toch goed smaken moet. ’t Zal eendoerianzijn! Vooruit, ik wil hem eens proeven.”—De vrucht was door een geelwitte tusschenhuid in kamertjes verdeeld, en in elk daarvan lagen een paar vleezige, blanke pitten ter grootte van een eenden-ei. Met een moed, waarvoor Hajo en Padde hem in stilte bewonderden, stak Rolf zoo’n pit in den mond.

„En.….??”

„Lekker”, zei Rolf. „Het smaakt als noten met room! Proef ook eens?”

Aarzelend, met toegeknepen neus, stak Hajo een pit in den mond en moest toegeven, dat de vrucht lang niet kwaad smaakte. Nu begonnen ze samen te peuzelen. „Neem ook eens wat, Padde!” raadde Hajo.

„Dank je feestelijk”, zei Padde. En hij ging twintig pas verderop met het plukken van de duiven door,—beweerde, dat hij zelfs dáár nog omviel van den stank.

Waar Harmen toch wel zoo lang bleef?

Met lans en kapmes gewapend en daarbij in zijn bladerenrokje, was hij als een echte menscheneter dien kant uitgetogen waar het plateau langzaam tegen een berghelling opliep. Door lianen en stekelige rotanslingers had hij zich baan gebroken. Hij was door nauwe holletjes gekropen, over doode woudkolossen geklauterd, waarbij hij schrammen bij de vleet opliep en honderd maal wegzakte in het vermolmde hout. Een pauw fladderde voor hem op. Harmen greep naar den langen staart, greep mis, viel in de dorens, schold den pauw uit voor al wat leelijk was, raapte droefgeestig een veer op, die tusschen de struiken was blijven hangen en stak ze in zijn woeste, reeds geducht lang geworden haren. Hij kwam voor een bamboebosch te staan, hakte er met zijn kapmes op los, dat de stelen links en rechts neerzonken.[315]Bij dit werkje viel hem een slangetje op den blooten schouder. Hij slingerde het kille monstertje van zich af. Brrrrr!

En tenslotte was Harmen, al hakkende, gekomen bij de gedenkwaardige plek, waarvan hij later naar waarheid verklaarde, dat hij er van verbazing lans en kapmes had laten vallen. Tusschen hooge bamboestelen lag op mos en bladeren een drietal.…. katten! Neen maar, dat had Harmen nou nóóit gedacht! De katten waren vrij groot, haast als honden; ze hadden een glanzend geel vel met zwarte dwarsstrepen; om den staart zaten zwarte ringen. Van die leuke poesjes wou Harmen er eentje meenemen, niet om te eten, alleen maar om te laten kijken! Wat speelden ze aardig! Ze lagen op de zijde en sloegen elkaar met de pootjes. Wat een dikke, zware pootjes voor zulke lieve beestjes! Met vluggen greep pakte onze vriend er een op. Kom, daarmee zou hij zijn vrienden eens verrassen!

En opgewonden zocht Harmen naar den terugweg. Hij had de richting nog wel in het geheugen, maar de last, dien hij droeg, hinderde hem erg bij het kappen. In zijn linkerarm hield hij de poes, die zich niet in het geringst verzette, niks eenkennig dus, zooals die gemeene kater van Dobbes, die zijn nagels nooit kon thuishouden,—en in den gordel bungelde zijn lans als een lang slagzwaard achter hem aan. Eindelijk ontdekte hij tusschen de boomen zijn vrienden weer. „Hallo! ’k Heb wat, jongens! ’n Kat! Hou Joppie eens vast!” En voorzichtig, om zich nergens aan te verwonden, naderde Harmen tusschen het doornige struikgewas. „Alsjeblief! Daar heb je ’t beessie!”

Joppie’s haren vlogen steil overeind.

„Maar.…. dat is een tijger!!” riep Rolf.

Harmen keek hem verbluft aan. „Goeie morrege.….!”

„Een jonge koningstijger!!”

Toen verbleekte Harmen. „’n Jonge.….?! Groote Griebus! Dan heb ik voor een tijgerhol gestaan! Drie lagen er in! Drie koningstijgers!” En Harmen liet zijn „poes” met een rilling op den grond vallen. Naar kattenaard kwam het dier op z’n vier pooten terecht, blies en wilde beenen maken. Maar Rolf greep het beet. „We moeten hier als de drommel vandaan, vóór de ouden komen! Padde, neem de duiven op; Harmen, jij die groote vrucht; ik draag de tijger.”[316]

„Wat wou je met het mormel doen?!” vroeg Harmen ontzet.

„Temmen!” zei Rolf. „Het dier is nog jong! Kom!”

„Ja, dan nemen we hem mee naar Hoorn!” riep Hajo.

„Of hij vreet ons over een maand alle vier op!” gromde Harmen. Hij raapte den doerian op, keek er met een wantrouwend gezicht naar. „Vooruit dan maar!”

Padde nam met bevende handen de duiven op en volgde, een behoorlijken afstand bewarend tusschen zich en het geel-zwarte monster, dat Rolf in den arm had. Joppie bleef nog weer achter Padde. Zoo wilde de zonderlinge optocht het pad langs het ravijn weer verder volgen, toen.…. Hajo stootte een kreet van ontzetting uit.…. daar sprong uit de struiken, geen twintig passen van hen af.….!

De jongens hoefden er niet naar te raden, wien ze voor zich hadden. Daar was hij, de wreede, trotsche keizer van het Indische woud, geheel onverwachts, terwijl de zon hoog aan den hemel stond; zijn oogen waren geen vuur; hij spuwde ook geen gif, was een dier als een ander, wendde, zelf blijkbaar verrast, zijn zwaren, stompen kop naar de jongens.…. Dezen stonden verlamd van schrik, Harmen hief onwillekeurig den doerian op, als wilde hij zich daarmee verdedigen; Hajo vatte instinctief met beide handen zijn speer; Padde staarde wezenloos, met wijd open mond.

Er was een aarzeling. Het dier trok de lippen op, ontblootte zijn forsche, driekantige hoektanden, gromde. Toen richtte hij plots zijn lichtgroene rooversoogen op Rolf—waarschijnlijk op het jonge dier, dat deze in de armen hield,—sloeg driftig den dikken, ronden staart over den grond, kroop een schrede achteruit, stootte een kort, schor gebrul uit, onheilspellend als geen ander geluid, dook ineen.…! Rolf kreeg een ingeving, gaf er zonder aarzeling gehoor aan: hij slingerde met een fermen zwaai den tijger zijn jong toe.

Hij had niet beter kunnen doen. De tijger greep het jonge dier met de tanden in den nek en sprong er in prachtigen, soepelen boog mee weg in het struikgewas. „Besjoer.….!” stamelde Harmen met nog lijkwitte lippen.

Toen holden de knapen het pad af, zoo hard ze maar konden,[317]Harmen vooraan, beenen makend als een beroepshardlooper; Padde als laatste, telkens angstig omziend en gillend: „Niet zoo vlug! Niet zoo vlug! Ik kan jullie niet bijblijven.….!”

Tijger.

[318]


Back to IndexNext