[Inhoud]HAAIENHAAIENZonder dat iemand iets merkte, streek een gast tusschen de schipbreukelingen neer. Eerst toen hij er was, voelde men zijn aanwezigheid. De mannen hoorden hem in hun eigen matte, schorre stem en zagen hem in elkaars fletse oogen.Wanhoopheette de gast.Wanneer een maat iets meende te ontdekken, wat land zou kunnen zijn, greep men in koortsige haast de riemen en trok ze hijgend door het water. Dan week de gast, geruischloos als hij gekomen was. Maar als even later het „land” zich weer in lucht en water oploste, kwam de indringer terug. De mannen ontweken elkaars blik, om hem maar niet te zien, en zij zwegen, om door hun stem elkander niet te verraden, dat hij er weer was. Beklemmend was het zwijgen; het snoerde de ziel toe. Als er iemand kuchte, schrokken de anderen even en spitsten het oor, of er wat volgen zou.„Wat wou je zeggen?” vroeg een oome.„Ik? Niets. Waarom?”„Wel, je kuchte, en toen dacht ik: hij wil zeker wat zeggen.”„Neen, ik hoestte zoo maar.”„Nou, ik dacht het ook alleen maar.”Dan viel het zwijgen weer in.- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Op een middag groote opschudding. Uit het Oosten kwamen meeuwen aanvliegen, wel dertig, die krijschend om de booten cirkelden en er nu en dan zoo laag overheen streken, dat[247]men ze bijkans grijpen kon. In de sloep lag een roestige degen,—daarmee ging Hilke op de plecht staan, en onder heesch gebrul wist hij er een mee vleugellam te slaan. En zoo had men er, toen het duister was, vijf weten te vangen. De vogels werden geplukt en verdeeld. Met van begeerte trillende handen namen de oomes het luttel brokske vleesch, dat hun was toegedacht. Ze kauwden er over, zoolang het maar ging, en zogen halsstarrig aan de merglooze vogelbeentjes. In de hoop, dat ze morgen de andere vogels ook nog buit zouden maken, gingen de oomes den nacht in.Maar toen het eerste licht schemerde, waren de meeuwen weg.Toch was er hoop ontkiemd. En door de eerlijke verdeeling der kleine vangst over sloep en jol was het gevoel van saamhoorigheid weer versterkt: men besloot, ondanks het gevaar, dat er aan verbonden was, de makkers uit de sloep nu toch maar in de jol op te nemen. Want de olie in de lantaren was sinds lang opgebrand en daarmee de kans om ’s nachts uiteen te geraken weer belangrijk vergroot. Men kon nu ook den mast en de zeilen van de sloep overnemen en zeilde bijgevolg met een grooten mast, een fok, een bezaan en een blind zeil. Toen tegen den avond de wind toenam, merkte men tot algemeene vreugde, dat de jol, ondanks haar zwaardere belasting, sneller voer.Vreemd, men rekende nooit met de mogelijkheid van ’s middags of ’s avonds land te krijgen. Dat werd alleen ’s morgens, bij zonsopgang verwacht. Overdag scheen het, als schoot men in het geheel niet op: er was niets, dat men naderbij zag komen of verdwijnen, en de horizon bleef altijd gelijk. Slechts de wolken trokken voorbij, maar die kwamen van achter en verdwenen weer ver vooruit, zoodat men het gevoel had van terug te blijven.Maar ’s nachts! Je hoorde het klotsende water, door den boeg op zij geworpen; voelde den wind aan het zeil trekken, en achter je zag je in de donkere watermassa de lange, lichte streep, die er op duidde, dat er voortgang in de kast zat! Wie weet, of ze nou al niet land voor den boeg hadden; wie weet, of ze morgenochtend niet vlak voor hun oogen de boomen zouden zien oprijzen.…. Was dat het ruischen der branding al niet?!Dan kwam de langverbeide ochtendklaarte.—Zee. Niets dan zee.[248]Sedert vijf dagen hadden de oomes geen druppel water meer over de lippen gehad.Achter de boot schaarde zich een afschuwwekkend gevolg. Toen een oome den eersten witten haaienbuik in het water zag flitsen, slaakte hij een kreet van schrik en walging. Een enkele maal stiet een maat met een huivering den degen in het water, en allen rilden van lol, wanneer een roode bloedschemering verraadde, dat de stoot doel had getroffen.Het vreeselijkst van al deed de dorst zich gelden. Men kauwde op sleutels en musketkogels, om het dorre verhemelte nog wat speeksel af te scheiden.Toen gebeurde weer iets, dat den moed herleven deed. Een school vliegende visschen dook, waarschijnlijk uit vrees voor de haaien, vlak voor de boot op. Maar met vieren, vijven tegelijk tuimelden ze tegen de zeilen en vielen den ijverig grabbelenden oomes ten buit. Ze werden rauw verslonden, smaakten fijner dan de fijnste zalm.En men dobberde weer verder.Den eersten December—den twaalfden dag, dat men in de booten was!—begonnen enkele maats, ondanks Bontekoe’s en Vader Langjas’ waarschuwingen, zeewater te drinken. Daar het den dorst niet leschte, zwolgen ze maar door, tot de maag haar weerzin ervoor te kennen gaf en alles weer naar buiten wierp,—tot het geluk der oomes, die anders stellig ziek zouden zijn geworden. Nu brandde hun keel meer dan ooit, en hun dorst was nog toegenomen. De tranen rolden den armen kerels over de wangen.Floorke had zich een snee in den bovenarm gegeven en zoog zich het bloed uit.Vader Langjas, uit wiens oogen alle levenskracht geweken was, stelde voor, de jol lek te stooten en zich met z’n allen te laten zinken.„En dan de haaien tot voedsel dienen?” vroeg Bontekoe.Daar had geen enkele oome trek in. En met nieuwe bezieling, vast besloten om, zoolang er nog een vonkje leven in hun uitgehongerd karkas zat, het niet als haaienvoedsel te laten dienen, keken de mannen weer uit, naar het Oosten.….De haaien waren geduldig,—verlieten de jol niet.[249]Allengs zakte de moed weer. Een paar maats begonnen te schreien,—wilden zich overboord werpen.„Wat drommel”, zei Bontekoe driftig, met schorre stem, „als die stomme dieren de moed niet opgeven, zullen wij het dan doen?”Maar bij sommigen was het laatste restje levensmoed gebroken. Het zou wel niet voor de eerste maal zijn, dat deze haaien een jol met schipbreukelingen volgden; ze zouden wel weten wat ze deden!—Met holle, koortsige oogen tuurden ze in het water, krompen ineen, wanneer daar beneden iets donkers voorbij schoot.….„Hajo”, kreunde Padde. „ik kan niet meer, Hajo! Ik wil liever dood gaan.”Hajo zocht naar bemoedigende woorden. Maar woorden, dat bleven het. Padde voelde de holheid ervan en verloor zijn laatste aasje moed, nu hij merkte, dat ook zijn vrienddewanhoop nabij was.Bontekoe ging het als Hajo. Hij moest zijn zeventig groote kinderen troosten—en zocht zelf naar troost.….Rolf zei niets, staarde uren lang naar den Oostelijken horizon. Het kwam op volhouden aan. Volhouden.Den volgenden dag regende het! In zenuwachtige haast, gepaard met driftige, ruwe uitroepen, spanden de oomes het bezaanszeil en het blinde zeil boven de boot, vulden de beide vaatjes weer, verzamelden het water verder in schoenen, leeren mutsen, en slurpten gulzig uit het zeil. Toen kropen allen weer in de holte van de jol bijeen om wat warmte te zoeken. Hun kleeren waren doorweekt, en een vochtige morgenkilte hing boven het water. De lucht was troosteloos grijs, en hoewel de maats nu weer tijdelijk van hun vreeselijksten kwelgeest bevrijd waren, staarden ze onder het zeil door met hun blauw-omrande oogen triest in den dikken regen-nevel, en het doffe zwijgen der laatste week viel weer in.Een schorre kreet.….„Land!!”Als versteend blijven allen zitten, de oogen wijd open, angst en twijfel in het gelaat. Men durft haast niet opstaan en zich overtuigen. Wie zou nu nog een teleurstelling kunnen dragen?[250]Maar de man aan het roer is zeker van zijn zaak. „Land!! Land voor den boeg!!” De tranen sidderen door zijn stem.Dan krabbelen allen met hun verstijfde ledematen overeind, steken hun koppen onder het zeil door en.….!! Daar, aan den Oostelijken gezichtseinder.….!!! Enkelen gillen hun blijdschap uit, anderen staren sprakeloos of stil schreiend naar het grijs-blauwe streepje in de grijs-blauwe verte.Met alle man zette men hijgend en vloekend de zeilen weer bij. Zoo werd langzaam-aan het streepje land grooter. Men onderscheidde bergvormen, de lichte streep der branding, daarachter groene bosschen. Sumatra kon het niet zijn: het was een eilandje, waarvan men den geheelen omtrek overzien kon. Maar Bontekoe wist, dat Westelijk van Sumatra, dicht op de kust, een rij eilanden liggen. Daar moest dit er een van zijn.Toen men het eilandje naderde, bleek de zee geducht aan te loopen.„We moeten een landingsplaats zoeken!” zei Bontekoe.„We kunnenhiertoch landen, schipper? Je zult zien, dat alles goedgaat! Nietwaar, jongens?!”„Ja-zeker!” brulde de heele schaar.Maar hier werd de schipper weer de schipper. „Zullen we nu op het laatste oogenblik alles bederven? Zeg op: wie heeft jullie naar land gevoerd? Heeft de Neus dat soms gedaan? Of jij, Floorke? Of Gerretje, of Hilke?”„Neen, schipper, dat heb jij gedaan.”„Geloof me dan ook, als ik jullie zeg, dat we hier nooit heelhuids door de branding komen. We moeten een betere plek zoeken.”Hij werd gehoorzaamd. Men voer het eiland om en vond aan de binnenzijde een kreek. Men roeide ze in, liet de dreg vallen, klom, zoo goed en kwaad de leden het nog veroorloofden, de boot uit, waadde door het ondiepe water.Schreiend kusten de arme kerels het strand.Zeemeeuw.[251]
[Inhoud]HAAIENHAAIENZonder dat iemand iets merkte, streek een gast tusschen de schipbreukelingen neer. Eerst toen hij er was, voelde men zijn aanwezigheid. De mannen hoorden hem in hun eigen matte, schorre stem en zagen hem in elkaars fletse oogen.Wanhoopheette de gast.Wanneer een maat iets meende te ontdekken, wat land zou kunnen zijn, greep men in koortsige haast de riemen en trok ze hijgend door het water. Dan week de gast, geruischloos als hij gekomen was. Maar als even later het „land” zich weer in lucht en water oploste, kwam de indringer terug. De mannen ontweken elkaars blik, om hem maar niet te zien, en zij zwegen, om door hun stem elkander niet te verraden, dat hij er weer was. Beklemmend was het zwijgen; het snoerde de ziel toe. Als er iemand kuchte, schrokken de anderen even en spitsten het oor, of er wat volgen zou.„Wat wou je zeggen?” vroeg een oome.„Ik? Niets. Waarom?”„Wel, je kuchte, en toen dacht ik: hij wil zeker wat zeggen.”„Neen, ik hoestte zoo maar.”„Nou, ik dacht het ook alleen maar.”Dan viel het zwijgen weer in.- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Op een middag groote opschudding. Uit het Oosten kwamen meeuwen aanvliegen, wel dertig, die krijschend om de booten cirkelden en er nu en dan zoo laag overheen streken, dat[247]men ze bijkans grijpen kon. In de sloep lag een roestige degen,—daarmee ging Hilke op de plecht staan, en onder heesch gebrul wist hij er een mee vleugellam te slaan. En zoo had men er, toen het duister was, vijf weten te vangen. De vogels werden geplukt en verdeeld. Met van begeerte trillende handen namen de oomes het luttel brokske vleesch, dat hun was toegedacht. Ze kauwden er over, zoolang het maar ging, en zogen halsstarrig aan de merglooze vogelbeentjes. In de hoop, dat ze morgen de andere vogels ook nog buit zouden maken, gingen de oomes den nacht in.Maar toen het eerste licht schemerde, waren de meeuwen weg.Toch was er hoop ontkiemd. En door de eerlijke verdeeling der kleine vangst over sloep en jol was het gevoel van saamhoorigheid weer versterkt: men besloot, ondanks het gevaar, dat er aan verbonden was, de makkers uit de sloep nu toch maar in de jol op te nemen. Want de olie in de lantaren was sinds lang opgebrand en daarmee de kans om ’s nachts uiteen te geraken weer belangrijk vergroot. Men kon nu ook den mast en de zeilen van de sloep overnemen en zeilde bijgevolg met een grooten mast, een fok, een bezaan en een blind zeil. Toen tegen den avond de wind toenam, merkte men tot algemeene vreugde, dat de jol, ondanks haar zwaardere belasting, sneller voer.Vreemd, men rekende nooit met de mogelijkheid van ’s middags of ’s avonds land te krijgen. Dat werd alleen ’s morgens, bij zonsopgang verwacht. Overdag scheen het, als schoot men in het geheel niet op: er was niets, dat men naderbij zag komen of verdwijnen, en de horizon bleef altijd gelijk. Slechts de wolken trokken voorbij, maar die kwamen van achter en verdwenen weer ver vooruit, zoodat men het gevoel had van terug te blijven.Maar ’s nachts! Je hoorde het klotsende water, door den boeg op zij geworpen; voelde den wind aan het zeil trekken, en achter je zag je in de donkere watermassa de lange, lichte streep, die er op duidde, dat er voortgang in de kast zat! Wie weet, of ze nou al niet land voor den boeg hadden; wie weet, of ze morgenochtend niet vlak voor hun oogen de boomen zouden zien oprijzen.…. Was dat het ruischen der branding al niet?!Dan kwam de langverbeide ochtendklaarte.—Zee. Niets dan zee.[248]Sedert vijf dagen hadden de oomes geen druppel water meer over de lippen gehad.Achter de boot schaarde zich een afschuwwekkend gevolg. Toen een oome den eersten witten haaienbuik in het water zag flitsen, slaakte hij een kreet van schrik en walging. Een enkele maal stiet een maat met een huivering den degen in het water, en allen rilden van lol, wanneer een roode bloedschemering verraadde, dat de stoot doel had getroffen.Het vreeselijkst van al deed de dorst zich gelden. Men kauwde op sleutels en musketkogels, om het dorre verhemelte nog wat speeksel af te scheiden.Toen gebeurde weer iets, dat den moed herleven deed. Een school vliegende visschen dook, waarschijnlijk uit vrees voor de haaien, vlak voor de boot op. Maar met vieren, vijven tegelijk tuimelden ze tegen de zeilen en vielen den ijverig grabbelenden oomes ten buit. Ze werden rauw verslonden, smaakten fijner dan de fijnste zalm.En men dobberde weer verder.Den eersten December—den twaalfden dag, dat men in de booten was!—begonnen enkele maats, ondanks Bontekoe’s en Vader Langjas’ waarschuwingen, zeewater te drinken. Daar het den dorst niet leschte, zwolgen ze maar door, tot de maag haar weerzin ervoor te kennen gaf en alles weer naar buiten wierp,—tot het geluk der oomes, die anders stellig ziek zouden zijn geworden. Nu brandde hun keel meer dan ooit, en hun dorst was nog toegenomen. De tranen rolden den armen kerels over de wangen.Floorke had zich een snee in den bovenarm gegeven en zoog zich het bloed uit.Vader Langjas, uit wiens oogen alle levenskracht geweken was, stelde voor, de jol lek te stooten en zich met z’n allen te laten zinken.„En dan de haaien tot voedsel dienen?” vroeg Bontekoe.Daar had geen enkele oome trek in. En met nieuwe bezieling, vast besloten om, zoolang er nog een vonkje leven in hun uitgehongerd karkas zat, het niet als haaienvoedsel te laten dienen, keken de mannen weer uit, naar het Oosten.….De haaien waren geduldig,—verlieten de jol niet.[249]Allengs zakte de moed weer. Een paar maats begonnen te schreien,—wilden zich overboord werpen.„Wat drommel”, zei Bontekoe driftig, met schorre stem, „als die stomme dieren de moed niet opgeven, zullen wij het dan doen?”Maar bij sommigen was het laatste restje levensmoed gebroken. Het zou wel niet voor de eerste maal zijn, dat deze haaien een jol met schipbreukelingen volgden; ze zouden wel weten wat ze deden!—Met holle, koortsige oogen tuurden ze in het water, krompen ineen, wanneer daar beneden iets donkers voorbij schoot.….„Hajo”, kreunde Padde. „ik kan niet meer, Hajo! Ik wil liever dood gaan.”Hajo zocht naar bemoedigende woorden. Maar woorden, dat bleven het. Padde voelde de holheid ervan en verloor zijn laatste aasje moed, nu hij merkte, dat ook zijn vrienddewanhoop nabij was.Bontekoe ging het als Hajo. Hij moest zijn zeventig groote kinderen troosten—en zocht zelf naar troost.….Rolf zei niets, staarde uren lang naar den Oostelijken horizon. Het kwam op volhouden aan. Volhouden.Den volgenden dag regende het! In zenuwachtige haast, gepaard met driftige, ruwe uitroepen, spanden de oomes het bezaanszeil en het blinde zeil boven de boot, vulden de beide vaatjes weer, verzamelden het water verder in schoenen, leeren mutsen, en slurpten gulzig uit het zeil. Toen kropen allen weer in de holte van de jol bijeen om wat warmte te zoeken. Hun kleeren waren doorweekt, en een vochtige morgenkilte hing boven het water. De lucht was troosteloos grijs, en hoewel de maats nu weer tijdelijk van hun vreeselijksten kwelgeest bevrijd waren, staarden ze onder het zeil door met hun blauw-omrande oogen triest in den dikken regen-nevel, en het doffe zwijgen der laatste week viel weer in.Een schorre kreet.….„Land!!”Als versteend blijven allen zitten, de oogen wijd open, angst en twijfel in het gelaat. Men durft haast niet opstaan en zich overtuigen. Wie zou nu nog een teleurstelling kunnen dragen?[250]Maar de man aan het roer is zeker van zijn zaak. „Land!! Land voor den boeg!!” De tranen sidderen door zijn stem.Dan krabbelen allen met hun verstijfde ledematen overeind, steken hun koppen onder het zeil door en.….!! Daar, aan den Oostelijken gezichtseinder.….!!! Enkelen gillen hun blijdschap uit, anderen staren sprakeloos of stil schreiend naar het grijs-blauwe streepje in de grijs-blauwe verte.Met alle man zette men hijgend en vloekend de zeilen weer bij. Zoo werd langzaam-aan het streepje land grooter. Men onderscheidde bergvormen, de lichte streep der branding, daarachter groene bosschen. Sumatra kon het niet zijn: het was een eilandje, waarvan men den geheelen omtrek overzien kon. Maar Bontekoe wist, dat Westelijk van Sumatra, dicht op de kust, een rij eilanden liggen. Daar moest dit er een van zijn.Toen men het eilandje naderde, bleek de zee geducht aan te loopen.„We moeten een landingsplaats zoeken!” zei Bontekoe.„We kunnenhiertoch landen, schipper? Je zult zien, dat alles goedgaat! Nietwaar, jongens?!”„Ja-zeker!” brulde de heele schaar.Maar hier werd de schipper weer de schipper. „Zullen we nu op het laatste oogenblik alles bederven? Zeg op: wie heeft jullie naar land gevoerd? Heeft de Neus dat soms gedaan? Of jij, Floorke? Of Gerretje, of Hilke?”„Neen, schipper, dat heb jij gedaan.”„Geloof me dan ook, als ik jullie zeg, dat we hier nooit heelhuids door de branding komen. We moeten een betere plek zoeken.”Hij werd gehoorzaamd. Men voer het eiland om en vond aan de binnenzijde een kreek. Men roeide ze in, liet de dreg vallen, klom, zoo goed en kwaad de leden het nog veroorloofden, de boot uit, waadde door het ondiepe water.Schreiend kusten de arme kerels het strand.Zeemeeuw.[251]
[Inhoud]HAAIENHAAIENZonder dat iemand iets merkte, streek een gast tusschen de schipbreukelingen neer. Eerst toen hij er was, voelde men zijn aanwezigheid. De mannen hoorden hem in hun eigen matte, schorre stem en zagen hem in elkaars fletse oogen.Wanhoopheette de gast.Wanneer een maat iets meende te ontdekken, wat land zou kunnen zijn, greep men in koortsige haast de riemen en trok ze hijgend door het water. Dan week de gast, geruischloos als hij gekomen was. Maar als even later het „land” zich weer in lucht en water oploste, kwam de indringer terug. De mannen ontweken elkaars blik, om hem maar niet te zien, en zij zwegen, om door hun stem elkander niet te verraden, dat hij er weer was. Beklemmend was het zwijgen; het snoerde de ziel toe. Als er iemand kuchte, schrokken de anderen even en spitsten het oor, of er wat volgen zou.„Wat wou je zeggen?” vroeg een oome.„Ik? Niets. Waarom?”„Wel, je kuchte, en toen dacht ik: hij wil zeker wat zeggen.”„Neen, ik hoestte zoo maar.”„Nou, ik dacht het ook alleen maar.”Dan viel het zwijgen weer in.- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Op een middag groote opschudding. Uit het Oosten kwamen meeuwen aanvliegen, wel dertig, die krijschend om de booten cirkelden en er nu en dan zoo laag overheen streken, dat[247]men ze bijkans grijpen kon. In de sloep lag een roestige degen,—daarmee ging Hilke op de plecht staan, en onder heesch gebrul wist hij er een mee vleugellam te slaan. En zoo had men er, toen het duister was, vijf weten te vangen. De vogels werden geplukt en verdeeld. Met van begeerte trillende handen namen de oomes het luttel brokske vleesch, dat hun was toegedacht. Ze kauwden er over, zoolang het maar ging, en zogen halsstarrig aan de merglooze vogelbeentjes. In de hoop, dat ze morgen de andere vogels ook nog buit zouden maken, gingen de oomes den nacht in.Maar toen het eerste licht schemerde, waren de meeuwen weg.Toch was er hoop ontkiemd. En door de eerlijke verdeeling der kleine vangst over sloep en jol was het gevoel van saamhoorigheid weer versterkt: men besloot, ondanks het gevaar, dat er aan verbonden was, de makkers uit de sloep nu toch maar in de jol op te nemen. Want de olie in de lantaren was sinds lang opgebrand en daarmee de kans om ’s nachts uiteen te geraken weer belangrijk vergroot. Men kon nu ook den mast en de zeilen van de sloep overnemen en zeilde bijgevolg met een grooten mast, een fok, een bezaan en een blind zeil. Toen tegen den avond de wind toenam, merkte men tot algemeene vreugde, dat de jol, ondanks haar zwaardere belasting, sneller voer.Vreemd, men rekende nooit met de mogelijkheid van ’s middags of ’s avonds land te krijgen. Dat werd alleen ’s morgens, bij zonsopgang verwacht. Overdag scheen het, als schoot men in het geheel niet op: er was niets, dat men naderbij zag komen of verdwijnen, en de horizon bleef altijd gelijk. Slechts de wolken trokken voorbij, maar die kwamen van achter en verdwenen weer ver vooruit, zoodat men het gevoel had van terug te blijven.Maar ’s nachts! Je hoorde het klotsende water, door den boeg op zij geworpen; voelde den wind aan het zeil trekken, en achter je zag je in de donkere watermassa de lange, lichte streep, die er op duidde, dat er voortgang in de kast zat! Wie weet, of ze nou al niet land voor den boeg hadden; wie weet, of ze morgenochtend niet vlak voor hun oogen de boomen zouden zien oprijzen.…. Was dat het ruischen der branding al niet?!Dan kwam de langverbeide ochtendklaarte.—Zee. Niets dan zee.[248]Sedert vijf dagen hadden de oomes geen druppel water meer over de lippen gehad.Achter de boot schaarde zich een afschuwwekkend gevolg. Toen een oome den eersten witten haaienbuik in het water zag flitsen, slaakte hij een kreet van schrik en walging. Een enkele maal stiet een maat met een huivering den degen in het water, en allen rilden van lol, wanneer een roode bloedschemering verraadde, dat de stoot doel had getroffen.Het vreeselijkst van al deed de dorst zich gelden. Men kauwde op sleutels en musketkogels, om het dorre verhemelte nog wat speeksel af te scheiden.Toen gebeurde weer iets, dat den moed herleven deed. Een school vliegende visschen dook, waarschijnlijk uit vrees voor de haaien, vlak voor de boot op. Maar met vieren, vijven tegelijk tuimelden ze tegen de zeilen en vielen den ijverig grabbelenden oomes ten buit. Ze werden rauw verslonden, smaakten fijner dan de fijnste zalm.En men dobberde weer verder.Den eersten December—den twaalfden dag, dat men in de booten was!—begonnen enkele maats, ondanks Bontekoe’s en Vader Langjas’ waarschuwingen, zeewater te drinken. Daar het den dorst niet leschte, zwolgen ze maar door, tot de maag haar weerzin ervoor te kennen gaf en alles weer naar buiten wierp,—tot het geluk der oomes, die anders stellig ziek zouden zijn geworden. Nu brandde hun keel meer dan ooit, en hun dorst was nog toegenomen. De tranen rolden den armen kerels over de wangen.Floorke had zich een snee in den bovenarm gegeven en zoog zich het bloed uit.Vader Langjas, uit wiens oogen alle levenskracht geweken was, stelde voor, de jol lek te stooten en zich met z’n allen te laten zinken.„En dan de haaien tot voedsel dienen?” vroeg Bontekoe.Daar had geen enkele oome trek in. En met nieuwe bezieling, vast besloten om, zoolang er nog een vonkje leven in hun uitgehongerd karkas zat, het niet als haaienvoedsel te laten dienen, keken de mannen weer uit, naar het Oosten.….De haaien waren geduldig,—verlieten de jol niet.[249]Allengs zakte de moed weer. Een paar maats begonnen te schreien,—wilden zich overboord werpen.„Wat drommel”, zei Bontekoe driftig, met schorre stem, „als die stomme dieren de moed niet opgeven, zullen wij het dan doen?”Maar bij sommigen was het laatste restje levensmoed gebroken. Het zou wel niet voor de eerste maal zijn, dat deze haaien een jol met schipbreukelingen volgden; ze zouden wel weten wat ze deden!—Met holle, koortsige oogen tuurden ze in het water, krompen ineen, wanneer daar beneden iets donkers voorbij schoot.….„Hajo”, kreunde Padde. „ik kan niet meer, Hajo! Ik wil liever dood gaan.”Hajo zocht naar bemoedigende woorden. Maar woorden, dat bleven het. Padde voelde de holheid ervan en verloor zijn laatste aasje moed, nu hij merkte, dat ook zijn vrienddewanhoop nabij was.Bontekoe ging het als Hajo. Hij moest zijn zeventig groote kinderen troosten—en zocht zelf naar troost.….Rolf zei niets, staarde uren lang naar den Oostelijken horizon. Het kwam op volhouden aan. Volhouden.Den volgenden dag regende het! In zenuwachtige haast, gepaard met driftige, ruwe uitroepen, spanden de oomes het bezaanszeil en het blinde zeil boven de boot, vulden de beide vaatjes weer, verzamelden het water verder in schoenen, leeren mutsen, en slurpten gulzig uit het zeil. Toen kropen allen weer in de holte van de jol bijeen om wat warmte te zoeken. Hun kleeren waren doorweekt, en een vochtige morgenkilte hing boven het water. De lucht was troosteloos grijs, en hoewel de maats nu weer tijdelijk van hun vreeselijksten kwelgeest bevrijd waren, staarden ze onder het zeil door met hun blauw-omrande oogen triest in den dikken regen-nevel, en het doffe zwijgen der laatste week viel weer in.Een schorre kreet.….„Land!!”Als versteend blijven allen zitten, de oogen wijd open, angst en twijfel in het gelaat. Men durft haast niet opstaan en zich overtuigen. Wie zou nu nog een teleurstelling kunnen dragen?[250]Maar de man aan het roer is zeker van zijn zaak. „Land!! Land voor den boeg!!” De tranen sidderen door zijn stem.Dan krabbelen allen met hun verstijfde ledematen overeind, steken hun koppen onder het zeil door en.….!! Daar, aan den Oostelijken gezichtseinder.….!!! Enkelen gillen hun blijdschap uit, anderen staren sprakeloos of stil schreiend naar het grijs-blauwe streepje in de grijs-blauwe verte.Met alle man zette men hijgend en vloekend de zeilen weer bij. Zoo werd langzaam-aan het streepje land grooter. Men onderscheidde bergvormen, de lichte streep der branding, daarachter groene bosschen. Sumatra kon het niet zijn: het was een eilandje, waarvan men den geheelen omtrek overzien kon. Maar Bontekoe wist, dat Westelijk van Sumatra, dicht op de kust, een rij eilanden liggen. Daar moest dit er een van zijn.Toen men het eilandje naderde, bleek de zee geducht aan te loopen.„We moeten een landingsplaats zoeken!” zei Bontekoe.„We kunnenhiertoch landen, schipper? Je zult zien, dat alles goedgaat! Nietwaar, jongens?!”„Ja-zeker!” brulde de heele schaar.Maar hier werd de schipper weer de schipper. „Zullen we nu op het laatste oogenblik alles bederven? Zeg op: wie heeft jullie naar land gevoerd? Heeft de Neus dat soms gedaan? Of jij, Floorke? Of Gerretje, of Hilke?”„Neen, schipper, dat heb jij gedaan.”„Geloof me dan ook, als ik jullie zeg, dat we hier nooit heelhuids door de branding komen. We moeten een betere plek zoeken.”Hij werd gehoorzaamd. Men voer het eiland om en vond aan de binnenzijde een kreek. Men roeide ze in, liet de dreg vallen, klom, zoo goed en kwaad de leden het nog veroorloofden, de boot uit, waadde door het ondiepe water.Schreiend kusten de arme kerels het strand.Zeemeeuw.[251]
HAAIENHAAIEN
HAAIEN
Zonder dat iemand iets merkte, streek een gast tusschen de schipbreukelingen neer. Eerst toen hij er was, voelde men zijn aanwezigheid. De mannen hoorden hem in hun eigen matte, schorre stem en zagen hem in elkaars fletse oogen.Wanhoopheette de gast.Wanneer een maat iets meende te ontdekken, wat land zou kunnen zijn, greep men in koortsige haast de riemen en trok ze hijgend door het water. Dan week de gast, geruischloos als hij gekomen was. Maar als even later het „land” zich weer in lucht en water oploste, kwam de indringer terug. De mannen ontweken elkaars blik, om hem maar niet te zien, en zij zwegen, om door hun stem elkander niet te verraden, dat hij er weer was. Beklemmend was het zwijgen; het snoerde de ziel toe. Als er iemand kuchte, schrokken de anderen even en spitsten het oor, of er wat volgen zou.„Wat wou je zeggen?” vroeg een oome.„Ik? Niets. Waarom?”„Wel, je kuchte, en toen dacht ik: hij wil zeker wat zeggen.”„Neen, ik hoestte zoo maar.”„Nou, ik dacht het ook alleen maar.”Dan viel het zwijgen weer in.- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Op een middag groote opschudding. Uit het Oosten kwamen meeuwen aanvliegen, wel dertig, die krijschend om de booten cirkelden en er nu en dan zoo laag overheen streken, dat[247]men ze bijkans grijpen kon. In de sloep lag een roestige degen,—daarmee ging Hilke op de plecht staan, en onder heesch gebrul wist hij er een mee vleugellam te slaan. En zoo had men er, toen het duister was, vijf weten te vangen. De vogels werden geplukt en verdeeld. Met van begeerte trillende handen namen de oomes het luttel brokske vleesch, dat hun was toegedacht. Ze kauwden er over, zoolang het maar ging, en zogen halsstarrig aan de merglooze vogelbeentjes. In de hoop, dat ze morgen de andere vogels ook nog buit zouden maken, gingen de oomes den nacht in.Maar toen het eerste licht schemerde, waren de meeuwen weg.Toch was er hoop ontkiemd. En door de eerlijke verdeeling der kleine vangst over sloep en jol was het gevoel van saamhoorigheid weer versterkt: men besloot, ondanks het gevaar, dat er aan verbonden was, de makkers uit de sloep nu toch maar in de jol op te nemen. Want de olie in de lantaren was sinds lang opgebrand en daarmee de kans om ’s nachts uiteen te geraken weer belangrijk vergroot. Men kon nu ook den mast en de zeilen van de sloep overnemen en zeilde bijgevolg met een grooten mast, een fok, een bezaan en een blind zeil. Toen tegen den avond de wind toenam, merkte men tot algemeene vreugde, dat de jol, ondanks haar zwaardere belasting, sneller voer.Vreemd, men rekende nooit met de mogelijkheid van ’s middags of ’s avonds land te krijgen. Dat werd alleen ’s morgens, bij zonsopgang verwacht. Overdag scheen het, als schoot men in het geheel niet op: er was niets, dat men naderbij zag komen of verdwijnen, en de horizon bleef altijd gelijk. Slechts de wolken trokken voorbij, maar die kwamen van achter en verdwenen weer ver vooruit, zoodat men het gevoel had van terug te blijven.Maar ’s nachts! Je hoorde het klotsende water, door den boeg op zij geworpen; voelde den wind aan het zeil trekken, en achter je zag je in de donkere watermassa de lange, lichte streep, die er op duidde, dat er voortgang in de kast zat! Wie weet, of ze nou al niet land voor den boeg hadden; wie weet, of ze morgenochtend niet vlak voor hun oogen de boomen zouden zien oprijzen.…. Was dat het ruischen der branding al niet?!Dan kwam de langverbeide ochtendklaarte.—Zee. Niets dan zee.[248]Sedert vijf dagen hadden de oomes geen druppel water meer over de lippen gehad.Achter de boot schaarde zich een afschuwwekkend gevolg. Toen een oome den eersten witten haaienbuik in het water zag flitsen, slaakte hij een kreet van schrik en walging. Een enkele maal stiet een maat met een huivering den degen in het water, en allen rilden van lol, wanneer een roode bloedschemering verraadde, dat de stoot doel had getroffen.Het vreeselijkst van al deed de dorst zich gelden. Men kauwde op sleutels en musketkogels, om het dorre verhemelte nog wat speeksel af te scheiden.Toen gebeurde weer iets, dat den moed herleven deed. Een school vliegende visschen dook, waarschijnlijk uit vrees voor de haaien, vlak voor de boot op. Maar met vieren, vijven tegelijk tuimelden ze tegen de zeilen en vielen den ijverig grabbelenden oomes ten buit. Ze werden rauw verslonden, smaakten fijner dan de fijnste zalm.En men dobberde weer verder.Den eersten December—den twaalfden dag, dat men in de booten was!—begonnen enkele maats, ondanks Bontekoe’s en Vader Langjas’ waarschuwingen, zeewater te drinken. Daar het den dorst niet leschte, zwolgen ze maar door, tot de maag haar weerzin ervoor te kennen gaf en alles weer naar buiten wierp,—tot het geluk der oomes, die anders stellig ziek zouden zijn geworden. Nu brandde hun keel meer dan ooit, en hun dorst was nog toegenomen. De tranen rolden den armen kerels over de wangen.Floorke had zich een snee in den bovenarm gegeven en zoog zich het bloed uit.Vader Langjas, uit wiens oogen alle levenskracht geweken was, stelde voor, de jol lek te stooten en zich met z’n allen te laten zinken.„En dan de haaien tot voedsel dienen?” vroeg Bontekoe.Daar had geen enkele oome trek in. En met nieuwe bezieling, vast besloten om, zoolang er nog een vonkje leven in hun uitgehongerd karkas zat, het niet als haaienvoedsel te laten dienen, keken de mannen weer uit, naar het Oosten.….De haaien waren geduldig,—verlieten de jol niet.[249]Allengs zakte de moed weer. Een paar maats begonnen te schreien,—wilden zich overboord werpen.„Wat drommel”, zei Bontekoe driftig, met schorre stem, „als die stomme dieren de moed niet opgeven, zullen wij het dan doen?”Maar bij sommigen was het laatste restje levensmoed gebroken. Het zou wel niet voor de eerste maal zijn, dat deze haaien een jol met schipbreukelingen volgden; ze zouden wel weten wat ze deden!—Met holle, koortsige oogen tuurden ze in het water, krompen ineen, wanneer daar beneden iets donkers voorbij schoot.….„Hajo”, kreunde Padde. „ik kan niet meer, Hajo! Ik wil liever dood gaan.”Hajo zocht naar bemoedigende woorden. Maar woorden, dat bleven het. Padde voelde de holheid ervan en verloor zijn laatste aasje moed, nu hij merkte, dat ook zijn vrienddewanhoop nabij was.Bontekoe ging het als Hajo. Hij moest zijn zeventig groote kinderen troosten—en zocht zelf naar troost.….Rolf zei niets, staarde uren lang naar den Oostelijken horizon. Het kwam op volhouden aan. Volhouden.Den volgenden dag regende het! In zenuwachtige haast, gepaard met driftige, ruwe uitroepen, spanden de oomes het bezaanszeil en het blinde zeil boven de boot, vulden de beide vaatjes weer, verzamelden het water verder in schoenen, leeren mutsen, en slurpten gulzig uit het zeil. Toen kropen allen weer in de holte van de jol bijeen om wat warmte te zoeken. Hun kleeren waren doorweekt, en een vochtige morgenkilte hing boven het water. De lucht was troosteloos grijs, en hoewel de maats nu weer tijdelijk van hun vreeselijksten kwelgeest bevrijd waren, staarden ze onder het zeil door met hun blauw-omrande oogen triest in den dikken regen-nevel, en het doffe zwijgen der laatste week viel weer in.Een schorre kreet.….„Land!!”Als versteend blijven allen zitten, de oogen wijd open, angst en twijfel in het gelaat. Men durft haast niet opstaan en zich overtuigen. Wie zou nu nog een teleurstelling kunnen dragen?[250]Maar de man aan het roer is zeker van zijn zaak. „Land!! Land voor den boeg!!” De tranen sidderen door zijn stem.Dan krabbelen allen met hun verstijfde ledematen overeind, steken hun koppen onder het zeil door en.….!! Daar, aan den Oostelijken gezichtseinder.….!!! Enkelen gillen hun blijdschap uit, anderen staren sprakeloos of stil schreiend naar het grijs-blauwe streepje in de grijs-blauwe verte.Met alle man zette men hijgend en vloekend de zeilen weer bij. Zoo werd langzaam-aan het streepje land grooter. Men onderscheidde bergvormen, de lichte streep der branding, daarachter groene bosschen. Sumatra kon het niet zijn: het was een eilandje, waarvan men den geheelen omtrek overzien kon. Maar Bontekoe wist, dat Westelijk van Sumatra, dicht op de kust, een rij eilanden liggen. Daar moest dit er een van zijn.Toen men het eilandje naderde, bleek de zee geducht aan te loopen.„We moeten een landingsplaats zoeken!” zei Bontekoe.„We kunnenhiertoch landen, schipper? Je zult zien, dat alles goedgaat! Nietwaar, jongens?!”„Ja-zeker!” brulde de heele schaar.Maar hier werd de schipper weer de schipper. „Zullen we nu op het laatste oogenblik alles bederven? Zeg op: wie heeft jullie naar land gevoerd? Heeft de Neus dat soms gedaan? Of jij, Floorke? Of Gerretje, of Hilke?”„Neen, schipper, dat heb jij gedaan.”„Geloof me dan ook, als ik jullie zeg, dat we hier nooit heelhuids door de branding komen. We moeten een betere plek zoeken.”Hij werd gehoorzaamd. Men voer het eiland om en vond aan de binnenzijde een kreek. Men roeide ze in, liet de dreg vallen, klom, zoo goed en kwaad de leden het nog veroorloofden, de boot uit, waadde door het ondiepe water.Schreiend kusten de arme kerels het strand.Zeemeeuw.[251]
Zonder dat iemand iets merkte, streek een gast tusschen de schipbreukelingen neer. Eerst toen hij er was, voelde men zijn aanwezigheid. De mannen hoorden hem in hun eigen matte, schorre stem en zagen hem in elkaars fletse oogen.
Wanhoopheette de gast.
Wanneer een maat iets meende te ontdekken, wat land zou kunnen zijn, greep men in koortsige haast de riemen en trok ze hijgend door het water. Dan week de gast, geruischloos als hij gekomen was. Maar als even later het „land” zich weer in lucht en water oploste, kwam de indringer terug. De mannen ontweken elkaars blik, om hem maar niet te zien, en zij zwegen, om door hun stem elkander niet te verraden, dat hij er weer was. Beklemmend was het zwijgen; het snoerde de ziel toe. Als er iemand kuchte, schrokken de anderen even en spitsten het oor, of er wat volgen zou.
„Wat wou je zeggen?” vroeg een oome.
„Ik? Niets. Waarom?”
„Wel, je kuchte, en toen dacht ik: hij wil zeker wat zeggen.”
„Neen, ik hoestte zoo maar.”
„Nou, ik dacht het ook alleen maar.”
Dan viel het zwijgen weer in.
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Op een middag groote opschudding. Uit het Oosten kwamen meeuwen aanvliegen, wel dertig, die krijschend om de booten cirkelden en er nu en dan zoo laag overheen streken, dat[247]men ze bijkans grijpen kon. In de sloep lag een roestige degen,—daarmee ging Hilke op de plecht staan, en onder heesch gebrul wist hij er een mee vleugellam te slaan. En zoo had men er, toen het duister was, vijf weten te vangen. De vogels werden geplukt en verdeeld. Met van begeerte trillende handen namen de oomes het luttel brokske vleesch, dat hun was toegedacht. Ze kauwden er over, zoolang het maar ging, en zogen halsstarrig aan de merglooze vogelbeentjes. In de hoop, dat ze morgen de andere vogels ook nog buit zouden maken, gingen de oomes den nacht in.
Maar toen het eerste licht schemerde, waren de meeuwen weg.
Toch was er hoop ontkiemd. En door de eerlijke verdeeling der kleine vangst over sloep en jol was het gevoel van saamhoorigheid weer versterkt: men besloot, ondanks het gevaar, dat er aan verbonden was, de makkers uit de sloep nu toch maar in de jol op te nemen. Want de olie in de lantaren was sinds lang opgebrand en daarmee de kans om ’s nachts uiteen te geraken weer belangrijk vergroot. Men kon nu ook den mast en de zeilen van de sloep overnemen en zeilde bijgevolg met een grooten mast, een fok, een bezaan en een blind zeil. Toen tegen den avond de wind toenam, merkte men tot algemeene vreugde, dat de jol, ondanks haar zwaardere belasting, sneller voer.
Vreemd, men rekende nooit met de mogelijkheid van ’s middags of ’s avonds land te krijgen. Dat werd alleen ’s morgens, bij zonsopgang verwacht. Overdag scheen het, als schoot men in het geheel niet op: er was niets, dat men naderbij zag komen of verdwijnen, en de horizon bleef altijd gelijk. Slechts de wolken trokken voorbij, maar die kwamen van achter en verdwenen weer ver vooruit, zoodat men het gevoel had van terug te blijven.
Maar ’s nachts! Je hoorde het klotsende water, door den boeg op zij geworpen; voelde den wind aan het zeil trekken, en achter je zag je in de donkere watermassa de lange, lichte streep, die er op duidde, dat er voortgang in de kast zat! Wie weet, of ze nou al niet land voor den boeg hadden; wie weet, of ze morgenochtend niet vlak voor hun oogen de boomen zouden zien oprijzen.…. Was dat het ruischen der branding al niet?!
Dan kwam de langverbeide ochtendklaarte.—Zee. Niets dan zee.[248]
Sedert vijf dagen hadden de oomes geen druppel water meer over de lippen gehad.
Achter de boot schaarde zich een afschuwwekkend gevolg. Toen een oome den eersten witten haaienbuik in het water zag flitsen, slaakte hij een kreet van schrik en walging. Een enkele maal stiet een maat met een huivering den degen in het water, en allen rilden van lol, wanneer een roode bloedschemering verraadde, dat de stoot doel had getroffen.
Het vreeselijkst van al deed de dorst zich gelden. Men kauwde op sleutels en musketkogels, om het dorre verhemelte nog wat speeksel af te scheiden.
Toen gebeurde weer iets, dat den moed herleven deed. Een school vliegende visschen dook, waarschijnlijk uit vrees voor de haaien, vlak voor de boot op. Maar met vieren, vijven tegelijk tuimelden ze tegen de zeilen en vielen den ijverig grabbelenden oomes ten buit. Ze werden rauw verslonden, smaakten fijner dan de fijnste zalm.
En men dobberde weer verder.
Den eersten December—den twaalfden dag, dat men in de booten was!—begonnen enkele maats, ondanks Bontekoe’s en Vader Langjas’ waarschuwingen, zeewater te drinken. Daar het den dorst niet leschte, zwolgen ze maar door, tot de maag haar weerzin ervoor te kennen gaf en alles weer naar buiten wierp,—tot het geluk der oomes, die anders stellig ziek zouden zijn geworden. Nu brandde hun keel meer dan ooit, en hun dorst was nog toegenomen. De tranen rolden den armen kerels over de wangen.
Floorke had zich een snee in den bovenarm gegeven en zoog zich het bloed uit.
Vader Langjas, uit wiens oogen alle levenskracht geweken was, stelde voor, de jol lek te stooten en zich met z’n allen te laten zinken.
„En dan de haaien tot voedsel dienen?” vroeg Bontekoe.
Daar had geen enkele oome trek in. En met nieuwe bezieling, vast besloten om, zoolang er nog een vonkje leven in hun uitgehongerd karkas zat, het niet als haaienvoedsel te laten dienen, keken de mannen weer uit, naar het Oosten.….
De haaien waren geduldig,—verlieten de jol niet.[249]
Allengs zakte de moed weer. Een paar maats begonnen te schreien,—wilden zich overboord werpen.
„Wat drommel”, zei Bontekoe driftig, met schorre stem, „als die stomme dieren de moed niet opgeven, zullen wij het dan doen?”
Maar bij sommigen was het laatste restje levensmoed gebroken. Het zou wel niet voor de eerste maal zijn, dat deze haaien een jol met schipbreukelingen volgden; ze zouden wel weten wat ze deden!—Met holle, koortsige oogen tuurden ze in het water, krompen ineen, wanneer daar beneden iets donkers voorbij schoot.….
„Hajo”, kreunde Padde. „ik kan niet meer, Hajo! Ik wil liever dood gaan.”
Hajo zocht naar bemoedigende woorden. Maar woorden, dat bleven het. Padde voelde de holheid ervan en verloor zijn laatste aasje moed, nu hij merkte, dat ook zijn vrienddewanhoop nabij was.
Bontekoe ging het als Hajo. Hij moest zijn zeventig groote kinderen troosten—en zocht zelf naar troost.….
Rolf zei niets, staarde uren lang naar den Oostelijken horizon. Het kwam op volhouden aan. Volhouden.
Den volgenden dag regende het! In zenuwachtige haast, gepaard met driftige, ruwe uitroepen, spanden de oomes het bezaanszeil en het blinde zeil boven de boot, vulden de beide vaatjes weer, verzamelden het water verder in schoenen, leeren mutsen, en slurpten gulzig uit het zeil. Toen kropen allen weer in de holte van de jol bijeen om wat warmte te zoeken. Hun kleeren waren doorweekt, en een vochtige morgenkilte hing boven het water. De lucht was troosteloos grijs, en hoewel de maats nu weer tijdelijk van hun vreeselijksten kwelgeest bevrijd waren, staarden ze onder het zeil door met hun blauw-omrande oogen triest in den dikken regen-nevel, en het doffe zwijgen der laatste week viel weer in.
Een schorre kreet.….
„Land!!”
Als versteend blijven allen zitten, de oogen wijd open, angst en twijfel in het gelaat. Men durft haast niet opstaan en zich overtuigen. Wie zou nu nog een teleurstelling kunnen dragen?[250]
Maar de man aan het roer is zeker van zijn zaak. „Land!! Land voor den boeg!!” De tranen sidderen door zijn stem.
Dan krabbelen allen met hun verstijfde ledematen overeind, steken hun koppen onder het zeil door en.….!! Daar, aan den Oostelijken gezichtseinder.….!!! Enkelen gillen hun blijdschap uit, anderen staren sprakeloos of stil schreiend naar het grijs-blauwe streepje in de grijs-blauwe verte.
Met alle man zette men hijgend en vloekend de zeilen weer bij. Zoo werd langzaam-aan het streepje land grooter. Men onderscheidde bergvormen, de lichte streep der branding, daarachter groene bosschen. Sumatra kon het niet zijn: het was een eilandje, waarvan men den geheelen omtrek overzien kon. Maar Bontekoe wist, dat Westelijk van Sumatra, dicht op de kust, een rij eilanden liggen. Daar moest dit er een van zijn.
Toen men het eilandje naderde, bleek de zee geducht aan te loopen.
„We moeten een landingsplaats zoeken!” zei Bontekoe.
„We kunnenhiertoch landen, schipper? Je zult zien, dat alles goedgaat! Nietwaar, jongens?!”
„Ja-zeker!” brulde de heele schaar.
Maar hier werd de schipper weer de schipper. „Zullen we nu op het laatste oogenblik alles bederven? Zeg op: wie heeft jullie naar land gevoerd? Heeft de Neus dat soms gedaan? Of jij, Floorke? Of Gerretje, of Hilke?”
„Neen, schipper, dat heb jij gedaan.”
„Geloof me dan ook, als ik jullie zeg, dat we hier nooit heelhuids door de branding komen. We moeten een betere plek zoeken.”
Hij werd gehoorzaamd. Men voer het eiland om en vond aan de binnenzijde een kreek. Men roeide ze in, liet de dreg vallen, klom, zoo goed en kwaad de leden het nog veroorloofden, de boot uit, waadde door het ondiepe water.
Schreiend kusten de arme kerels het strand.
Zeemeeuw.
[251]