HARMEN EN PADDE OP DE VISCHVANGST

[Inhoud]HARMEN EN PADDE OP DE VISCHVANGSTHARMEN EN PADDE OP DE VISCHVANGSTToen de jongens ontwaakten, was het droog. En niet alleen dat. Een stralend blauwe hemel stond als een koepel boven hun hoofd, en midden daarin hing een kostbare gouden luchter: de zon.Opwekkende geuren wasemde de grond. De natte, glimmende boomen, de zwartgeregende takken straalden weer felgroene plekken uit, en de lucht was vol vogelgerucht en bonte wiekglanzen.Zie! daar kwam het stroompje de kloof uitdansen, holderdebolder over de steenen, dat het water hoog opstoof, tintelend in alle kleuren nu de zon er op scheen. De ingang der grot was feestelijk getooid met bloemen en varens en zag er zoo lokkend geheimzinnig uit, dat je haast lust zou krijgen er weer in te gaan. Brrr!Terwijl Dolimah met Padde bleef zitten, keken de anderen eens naar iets als een pad uit, waarlangs ze hun weg zouden kunnen vervolgen. Maar alles was met dicht struikgewas begroeid, en daar tusschen in stonden als grimmige kampvechters de boomen te worstelen om licht en leven. Hoe er door te komen?Harmen dacht voorloopig alleen maar aan zijn maag, vond enkele eetbare vruchten en keerde daarmee terstond terug om een vuurtje te maken waarin hij de vruchten kon poffen.[421]Na veel moeite wist hij uit een paar splinters een vlammetje te tooveren. „Hajo!” riep hij, „zou je voor de kombuis niet eens een paar vette duiven kunnen proviandeeren? Ze zitten hier zat; je moet ze maar fluiten!”Hajo kwam juist met Rolf aanloopen. „Ik heb nu geen tijd!” riep hij opgewonden. „Rolf weet er wat op om naar zee te komen. We laten ons de rivier afzakken! Met een vlot!”Harmen vergat de duiven, sperde aangenaam verrast zijn mond open. „Daar heb je me voor!” bekende hij. En zonder talmen ging hij met zijn makkers aan het werk.Ze kapten eerst een twintigtal stevige bamboes, die ze op een lengte van vijftien voet terugbrachten, daarna nog evenveel stelen van tien voet en maakten daaruit den onderbouw. Gelukkig tierde er welig rotan,—waar was dat in het woud eigenlijkniethet geval? De jongens ontdeden de buigzame, taaie stengels van de doornen en gebruikten ze om de dwarse bamboes stevig over de andere te snoeren.Dolimah was komen kijken. „Bekin apah?” vroeg ze. „Wat wordt hier gedaan?”„We maken een vlot om de rivier mee af te zakken!”Dolimah keek peinzend toe, terwijl de jongens hijgend over het vlot-geraamte kropen en trokken en zwoegden, dat het zweet hun onder de haren wegdroop. „De rivier gaat naar zee”, zei ze na eenig zwijgen. „Alle rivieren gaan naar zee.”„Nu, dat willen we immers ook!” meende Rolf.„En dan?” vroeg Dolimah zacht. „Als u bij de zee is aangekomen.….?”„Dan varen we naar Bantem! We zullen wel ergens een boot vinden.”Dolimah zei niets meer, ging zwijgend bij Padde zitten.Na een paar uur was het geraamte voor het vlot gereed. Drie vaardige scheepsjongens, die drie knoopen sloegen in den tijd, dat een landrot nog nadacht hoe hij beginnen zou! Harmen liep de knoopen nog even af, alsof ie de bootsman zelf was. „Als de boel gaat wrikken, is de schuit geen pruim meer waard!” verzekerde hij vol vakkennis.„Nu moeten we eens aan een bovenbedekking gaan denken”,[422]zei Rolf. „Als we er eens half gespleten bamboetjes overheen bonden?”„Je kan er voor mijn part net op binden, wat je maar wilt”, verzekerde Harmen. „Al wou je er acht dozijn ouderlingen op binden, met de neuzen naar boven en de bijbel in de hand. MaarHarremenzal eerst eens zien of er niks te bikken valt!”„We kunnen wat gaan visschen!” meende Padde vanaf zijn helling.Padde was soms toch snuggerder dan je dacht. Vooral in het oplossen van etensproblemen.„Zou hier in het water visch zitten?” vroeg Hajo.„In het water eerder as op de boomen”, verzekerde Harmen. „Je kunt eens een lijntje uitgooien, hè? En als ’t niet wil bijten, spuug je maar eens in het water, dan komen ze. Ga daar maar in dat kreekje liggen, Padde. Daar lig je goed.”„Hoe kom ik aan een simmetje?” vroeg Padde.„Had ik m’n broek nog maar”, zuchtte Harmen. „Daar zaten haakjes zat in; ik kon m’n hand niet in m’n zak steken, of er bleven er een paar aan m’n vingers hangen. ’k Heb altoos graag mogen visschen.”„Een bamboezen haakje is ook hard genoeg”, meende Rolf.„En ik heb nog wat pikdraad in m’n zak!” zei Hajo.„Hier d’r mee!” beval Padde, die kwam aansukkelen en al weer vrij aardig ter been scheen te zijn. Visschen was altijd zijn lievelingswerkje geweest. „Ziezoo. Gaan jullie maar door met het vlot, dan zal ik voor een lekker maaltje visch zorgen.”„Laat mij eerst ’t goede plekkie zoeken”, zei Harmen. „Anders vang je nog niks.”„Ik weet de goeie plekkies ook wel te vinden!” verzekerde Padde.„Ja, om te maffen”, schimpte Harmen. „Kom mee!”Terwijl Padde en Harmen ter vischvangst togen, Padde zich mopperend verwerend tegen Harmen’s bazigheid, halveerden Hajo en Rolf dunne bamboetjes en legden die met den bollen kant naar boven over het vlotgeraamte. Met dunne, gespleten rotanstengels werden ze vastgesnoerd.Het werkje vroeg veel tijd. Na een paar uren was pas de helft van het vlot bekleed. „Kom”, zei Rolf, „de zon gaat al[423]onder! Laten we eens gaan kijken, wat de visscherij heeft opgeleverd!”„Padde kan het goed”, verzekerde Hajo. „Hij kwam altijd met de meeste visch thuis.”„Nou, m’n maag kriebelt al!” zei Rolf. En beide vrienden begaven zich naar de kreek waar Harmen en Padde zwijgend naar een bamboedobbertje zaten te koekeloeren. Padde was kletsnat.„Wil ’t wat bijten?” vroeg Hajo.Eerst geen antwoord. Toen pruttelde Padde: „Als Harmen zijn vingers maar thuis hield!”„Wil je ’t water weer invliegen?” vroeg Harmen.Padde zweeg, woest.Toen de beide visschers naar de kreek waren getogen, had Harmen eerst een hengelstok gesneden, er een fijn „simmetje” aan gemaakt, met aan het bamboehaakje een vette dauwpier, die ze uit den grond hadden geklopt. „Ziezoo, nou nog een goed plekkie! Daar onder die boom lig je goed: onder een boom lig je altijd goed”, zei Harmen.„Ikwil visschen”, verklaarde Padde. „Ik ben op de gedachte gekomen!”„Zien, dat je er weer afkomt”, raadde Harmen. „Jij kunt met je knipoogen immers geeneens zien, of je tuk hebt?”„Misschien beter dan jij!” schimpte Padde verontwaardigd. „’k Ben al eens met vijftien vette palingen thuis gekomen!”„Dan had je zeker een fuikje gelicht”, meende Harmen. „Nou, hou je gemak maar, baron, we zullen hier eens netjes gaan liggen. Niet te diep en tegen de kant,—daar zitten ze.”Er werd eenigen tijd gezwegen. Beide jongens tuurden naar den dobber, Padde stug, jaloersch dat Harmen den hengel hield; Harmen vol rustig vertrouwen, dat hij wel gauw „tuk” zou krijgen.Maar er kwam geen tuk. De dobber tolde wat rond, dreef langzaam tegen het riet. Harmen trok hem weer wat van den kant, wierp een handjevol zand en kiezel in het water. „Daar komen ze op af”, lichtte hij toe.„Of ze zwemmen er voor weg”, zei Padde.[424]„’k Wou, dat jij ook maar wegzwom!” verzekerde Harmen.Zwijgen. Beide jongens tuurden naar den dobber, die weer langzaam tegen den kant dreef.„Spuug eens in het water?” vroeg Harmen. „Om ze te lokken?”Padde spuwde een bijzonder verlokkende witte vlok op het water.„Spuug nog eens?”„’k Heb geen spuug meer”, zei Padde, onwillig om bij te dragen tot Harmen’s succes.„Wat een vent!” smaalde Harmen. Hij schraapte zijn keel en spuwde vijfmaal achtereen in verschillende richtingen over het water, dat de visschen zelf waarschijnlijk niet wisten naar welken kant zij zich gelokt voelden. „Weet je wáár visch zit?” vroeg Harmen.„Jawel”, zei Padde, „daarginds, waar de kreek in het riviertje loopt.”„Neen. Bij Lubbes, achter ’t dijkje, bij de molen van Stoppel.”„Zal ik niet weten!” zei Padde. „Wurmen zijn er ook zat. Laatst was ik m’n bussie verloren, en toen moest ik daar versche wurmen zoeken. Zooveel als je maar lustte, hoor!”„Je bussie verloren?” vroeg Harmen na eenig turend zwijgen, (de jongens spraken met groote pauzen en staakten het gesprek zoodra er eenige beweging in den dobber scheen te willen komen) „je bussie verloren? Bewaar jij je wurremen in een bussie?”„En jij dan?” vroeg Padde.Pauze. Zwijgen. Turen.„In m’n mond natuurlijk”, zei Harmen. „Dan blijven ze lekker versch.—Weet je wat me laatst overkomen is?”„Nou?”Lange pauze.„Toen is me zoo’n mormel in m’n strot gekro.….”Pauze.„In m’n strot gekro.….”Lange pauze.„In m’n strot gekropen, de sallemander! Van schrik slikte[425]ik de anderen ook nog in. ’k Had juist een reuze-tuk, anders had ik ’t natuurlijk wel gemorken.—Laatst gooi ik in. Wip! schiet er een bleitje op, een klein pest-dingetje. Maar meteen, dat ik ’m opsla, hap! zit er een snoek boven op. Ik laat vieren.….”„Harmen! Je hebt tuk.….!” fluisterde Padde.Het dobbertje wipte even omhoog. Bleef weer stil liggen. Twee paar oogen blikten star op het houten schijfje daar in het water.„Zal ik niet merken, als ik tuk heb!” smaalde Harmen na een diepen zucht. „Nou, die snoek zat er dus bovenop, hè? Ik liet ’m vieren.….”Maar Harmen’s snoek verhaal had geen geluk: weer scharrelde het dobbertje heen en weer en deed Harmen verstommen.„Haal op!” gilde Padde met onderdrukt geluid.Harmen schudde het hoofd zonder een oogenblik zijn blik van den dobber af te wenden. „Hij zuigt ommers pas!”„Haal op!” raasde Padde. „Hij vreet je heele haak schoon!”„’t Is geen vreten”, verklaarde Harmen, koppig. „’t Is zuigen.”Lang zwijgen. Nu en dan roerde zich het dobbertje onmerkbaar. De oogen deden pijn van het staren. Harmen had zijn snoek al zoover gevierd, minstens tot China of Japan, dat hem tenslotte de lust verging, het lang-dradige verhaal nog verder te vieren en hij den snoek dus maar zwemmen liet.—Het dobbertje roerde zich thans in het geheel niet meer en lag weer tegen het riet.„Wat een sagrijn was dat!” zei Harmen. „Zuigen maar, anders kon ie niks.”„Wedden, dat ie je haak heeft schoongevreten?” stelde Padde voor.Harmen aarzelde nog even, haalde toen met een verwensching een „schoonen” haak op.„Zie je nou wel?” vroeg Padde zegevierend. „Ik zag het wel, dat ie ’m schepte! Als je hem had opgehaald, toen ik het je zei, hadden we hem gehad.”„Vooruit, vang jij ’m dan!” smaalde Harmen en reikte Padde den hengelstok.[426]Padde zweeg, wurmde een pier aan den haak. „Ik ga daarginder liggen!” verklaarde Padde. „Waar jij lag, is ’t een rotplekkie.”„Jij zoekt zeker weer naar ’t zeeziekvrije plekkie?” vroeg Harmen hoonend.Zwijgen. De knapen waren op Padde’s uitverkoren plekje aangeland. Met overleg peilde Padde de diepte van het water, ging toen een handbreedte boven den grond „liggen”. De jongens wachtten eenigen tijd. In den dobber viel nog geen beweging te bespeuren.„Op dat rotplekkie van mij had ik tenminste tuk”, merkte Harmen op.„Ik heb liever heelemaal geen tuk als zoo’n smerige tuk als jij hadt!” verklaarde Padde.„Wat mankeerde er dan aan die tuk van mij?” vroeg Harmen beleedigd.„Nou, je hebt toch zelf gezien, dat ie alleen maar zoog?”„Wel allemachies!” stamelde Harmen. „En daarnet zei je.….”„’t Kan dáárom al geen goeie tuk geweest zijn”, zei Padde, „omdat je veel te hoog lag. Die tuk van jou was zeker een katterige visch, die naar boven ging om lucht te scheppen. Daarom beet ie ook zoo slecht!”„Toch wou je, dat je hem had, die katterige zuigvisch!” zei Harmen.Zwijgen. Turen.Eindelijk.…. daar roert zich iets! Harmen grijpt, starend naar het dobbertje, den hengel beet.„Laat jelos?!” dreigt Padde.„Ssst! Ik help je alleen maar wat.”„Je zei, dat ik alleen mocht visschen!”„Nou goed dan, we visschen allebei alleen!” En Harmen rukte Padde den hengel uit de handen. „Nou heb je je zin, gouwe pil! Visch nou maar alleen.”Pats! Die had Harmen te pakken. Zijn wang zwol er van op. „Die is voor jou!” verklaarde Padde ten overvloede.Harmens oogen rolden. Hij kon vanwege den tuk zijn hengel niet loslaten, en daaruit maakte Padde wel wat voorbarig op,[427]dat Harmen den mep in dank aanvaard had en slechts zweeg omdat tranen van aandoening hem de keel snoerden. Padde’s eigen gemoed was gelucht en daarmede zijn boosheid geweken. „’t Is een groote!” fluisterde hij Harmen vertrouwelijk toe. „Haal niet te vroeg op: ik zie aan je tuk, dat het een groote is!”Harmen zweeg, staarde naar den dobber als naar een doodsvijand.Floep! daar schoot het dingske onder. Harmen sloeg op, trok een grooten visch te voorschijn, maar halverwege wist de schrandere waterbewoner zich nog juist van het haakje te bevrijden, plaste op echte visschenmanier weer terug in zijn element, en de jongens hadden het nakijken.„Veel te woest opgehaald!” stelde Padde vast. „Je hadt.….”Padde kwam weer boven....Padde kwam weer boven.…Het was Harmen’s eigen schuld, dat hij niet meer vernam wat hij had moeten doen om den visch aan den wal te lokken. Want nog vóór Padde had uitgesproken, wierp Harmen den hengel neer, sprong op Padde toe, hief hem half boven het hoofd en slingerde den armen, zich in het geheel van geen schuld bewusten jongen achter den visch aan. Ellen hoog spatte het water op; Padde ging kopje-onder, kwam weer boven, keek verward tusschen zijn lange haren door, die voor zijn gelaat hingen, en krabbelde toen naar den oever, waar hij in grimmig zwijgen vergeefs naar een kleedingstuk zocht om uit te wringen.Ditmaal was het Harmen, die zijn gemoed gelucht voelde. „Ja, Padde, als jij in het water gaat spartelen en alle visschen de stuipen op het lijf jaagt, moeten we een ander plekkie zoeken!” verweet hij vriendelijk, terwijl hij een verschen dauwpier een bamboezen ruggegraat schonk. „’k Had ’m anders op een haartje, zeg! Zou het een karper zijn geweest?”[428]Padde kookte inwendig nog. Bij gebrek aan beter was hij zijn haar gaan uitwringen, dat daarna in Vesuvius-vorm op zijn hoofd bleef staan. „’t Was geen karper!” snauwde hij. „’t Was een doodgewone rot-blei.”„Nou, jij kunt het weten!” zei Harmen. „Jij hebt hem vandichtbijgezien, hè?” En Harmen begon te grinniken. „Kijk, zoo heb ik met Lange Lijs nou ook gedaan, toen ie me dat snoekje afkaapte. Maar die trof het niet zoo goed als jij: ’t was midden in de winter, weet je, en dan heb ik liever soep als slootwater in m’n maag. Wasch jij je ’s winters? Ik alleen als als ik vuil ben. Je krijgt er rimmetiek van!”Harmen liep een eindje de kreek om. Padde aarzelde even, wilde teruggaan naar de anderen, maar zijn visschershart maakte hem zwak: hij keerde om en ging triest en zwijgend bij Harmen zitten.Zoo troffen Hajo en Rolf hen. En zij schenen het geluk mee te brengen: de dobber schoot weg; Harmen haalde op, en aan den haak spartelde een groote, karperachtige visch.„Voorzichtig inhalen!” raadde Padde, in hooge mate opgewonden. En zoo kwam de visch onder algemeene hoede op het droge!Een half uur later siste en knapte hij in de vlammen. Want toen Harmen wat te braden had, won de kok het van den visscher, en Padde kon op zijn eentje rustig doorhengelen.„Nou”, zei Harmen, „nou kunnen we gaan bikken! Vet zullen we er niet van worden, maar als de maag maar weet, dat we ’m niet vergeten, is ie al half tevreden, de slobber.”„Misschien vangt Padde er nog wat bij”, meende Hajo.„Laat ie maar oppassen”, zei Harmen, bezorgd. „Straks valt ie ’t water nog in!”Maar even later kwam Padde met twee zware visschen aanzetten.„Die heb je zeker met je knipoogjes beduveld!” zei Harmen, pakte de visschen aan en woog ze in de hand. „Samen wel acht pond!” verzekerde hij. En de schubben stoven al in het rond, plakten hem op de polsen, in het haar, op de wangen, in de wenkbrauwen, totdat Harmen tenslotte zelf veel van een visch had.[429]„Ze smaken fijn!” verklaarde hij, toen de visschen even later „op tafel” kwamen. „Ze smaken net als.…. fijne, dure visch, als.….”„Als zalm, bedoel je?” vroeg Rolf.„Dat ken. De schipper en de heeren hebben het gegeten, toen we uitzeilden.”Rolf keek hem glimlachend aan. „Zeg, Harmen, hoe weetjijnou hoe die visschen smaakten? Op dat afscheidsdiner was jij toch niet gevraagd?”„Nou, als je het nou weten wilt”, zei Harmen, „deze vischsmaakt, zooals die van de schipperrook!”Allen lachten. Harmen grinnikte er boven uit.Kok.[430]

[Inhoud]HARMEN EN PADDE OP DE VISCHVANGSTHARMEN EN PADDE OP DE VISCHVANGSTToen de jongens ontwaakten, was het droog. En niet alleen dat. Een stralend blauwe hemel stond als een koepel boven hun hoofd, en midden daarin hing een kostbare gouden luchter: de zon.Opwekkende geuren wasemde de grond. De natte, glimmende boomen, de zwartgeregende takken straalden weer felgroene plekken uit, en de lucht was vol vogelgerucht en bonte wiekglanzen.Zie! daar kwam het stroompje de kloof uitdansen, holderdebolder over de steenen, dat het water hoog opstoof, tintelend in alle kleuren nu de zon er op scheen. De ingang der grot was feestelijk getooid met bloemen en varens en zag er zoo lokkend geheimzinnig uit, dat je haast lust zou krijgen er weer in te gaan. Brrr!Terwijl Dolimah met Padde bleef zitten, keken de anderen eens naar iets als een pad uit, waarlangs ze hun weg zouden kunnen vervolgen. Maar alles was met dicht struikgewas begroeid, en daar tusschen in stonden als grimmige kampvechters de boomen te worstelen om licht en leven. Hoe er door te komen?Harmen dacht voorloopig alleen maar aan zijn maag, vond enkele eetbare vruchten en keerde daarmee terstond terug om een vuurtje te maken waarin hij de vruchten kon poffen.[421]Na veel moeite wist hij uit een paar splinters een vlammetje te tooveren. „Hajo!” riep hij, „zou je voor de kombuis niet eens een paar vette duiven kunnen proviandeeren? Ze zitten hier zat; je moet ze maar fluiten!”Hajo kwam juist met Rolf aanloopen. „Ik heb nu geen tijd!” riep hij opgewonden. „Rolf weet er wat op om naar zee te komen. We laten ons de rivier afzakken! Met een vlot!”Harmen vergat de duiven, sperde aangenaam verrast zijn mond open. „Daar heb je me voor!” bekende hij. En zonder talmen ging hij met zijn makkers aan het werk.Ze kapten eerst een twintigtal stevige bamboes, die ze op een lengte van vijftien voet terugbrachten, daarna nog evenveel stelen van tien voet en maakten daaruit den onderbouw. Gelukkig tierde er welig rotan,—waar was dat in het woud eigenlijkniethet geval? De jongens ontdeden de buigzame, taaie stengels van de doornen en gebruikten ze om de dwarse bamboes stevig over de andere te snoeren.Dolimah was komen kijken. „Bekin apah?” vroeg ze. „Wat wordt hier gedaan?”„We maken een vlot om de rivier mee af te zakken!”Dolimah keek peinzend toe, terwijl de jongens hijgend over het vlot-geraamte kropen en trokken en zwoegden, dat het zweet hun onder de haren wegdroop. „De rivier gaat naar zee”, zei ze na eenig zwijgen. „Alle rivieren gaan naar zee.”„Nu, dat willen we immers ook!” meende Rolf.„En dan?” vroeg Dolimah zacht. „Als u bij de zee is aangekomen.….?”„Dan varen we naar Bantem! We zullen wel ergens een boot vinden.”Dolimah zei niets meer, ging zwijgend bij Padde zitten.Na een paar uur was het geraamte voor het vlot gereed. Drie vaardige scheepsjongens, die drie knoopen sloegen in den tijd, dat een landrot nog nadacht hoe hij beginnen zou! Harmen liep de knoopen nog even af, alsof ie de bootsman zelf was. „Als de boel gaat wrikken, is de schuit geen pruim meer waard!” verzekerde hij vol vakkennis.„Nu moeten we eens aan een bovenbedekking gaan denken”,[422]zei Rolf. „Als we er eens half gespleten bamboetjes overheen bonden?”„Je kan er voor mijn part net op binden, wat je maar wilt”, verzekerde Harmen. „Al wou je er acht dozijn ouderlingen op binden, met de neuzen naar boven en de bijbel in de hand. MaarHarremenzal eerst eens zien of er niks te bikken valt!”„We kunnen wat gaan visschen!” meende Padde vanaf zijn helling.Padde was soms toch snuggerder dan je dacht. Vooral in het oplossen van etensproblemen.„Zou hier in het water visch zitten?” vroeg Hajo.„In het water eerder as op de boomen”, verzekerde Harmen. „Je kunt eens een lijntje uitgooien, hè? En als ’t niet wil bijten, spuug je maar eens in het water, dan komen ze. Ga daar maar in dat kreekje liggen, Padde. Daar lig je goed.”„Hoe kom ik aan een simmetje?” vroeg Padde.„Had ik m’n broek nog maar”, zuchtte Harmen. „Daar zaten haakjes zat in; ik kon m’n hand niet in m’n zak steken, of er bleven er een paar aan m’n vingers hangen. ’k Heb altoos graag mogen visschen.”„Een bamboezen haakje is ook hard genoeg”, meende Rolf.„En ik heb nog wat pikdraad in m’n zak!” zei Hajo.„Hier d’r mee!” beval Padde, die kwam aansukkelen en al weer vrij aardig ter been scheen te zijn. Visschen was altijd zijn lievelingswerkje geweest. „Ziezoo. Gaan jullie maar door met het vlot, dan zal ik voor een lekker maaltje visch zorgen.”„Laat mij eerst ’t goede plekkie zoeken”, zei Harmen. „Anders vang je nog niks.”„Ik weet de goeie plekkies ook wel te vinden!” verzekerde Padde.„Ja, om te maffen”, schimpte Harmen. „Kom mee!”Terwijl Padde en Harmen ter vischvangst togen, Padde zich mopperend verwerend tegen Harmen’s bazigheid, halveerden Hajo en Rolf dunne bamboetjes en legden die met den bollen kant naar boven over het vlotgeraamte. Met dunne, gespleten rotanstengels werden ze vastgesnoerd.Het werkje vroeg veel tijd. Na een paar uren was pas de helft van het vlot bekleed. „Kom”, zei Rolf, „de zon gaat al[423]onder! Laten we eens gaan kijken, wat de visscherij heeft opgeleverd!”„Padde kan het goed”, verzekerde Hajo. „Hij kwam altijd met de meeste visch thuis.”„Nou, m’n maag kriebelt al!” zei Rolf. En beide vrienden begaven zich naar de kreek waar Harmen en Padde zwijgend naar een bamboedobbertje zaten te koekeloeren. Padde was kletsnat.„Wil ’t wat bijten?” vroeg Hajo.Eerst geen antwoord. Toen pruttelde Padde: „Als Harmen zijn vingers maar thuis hield!”„Wil je ’t water weer invliegen?” vroeg Harmen.Padde zweeg, woest.Toen de beide visschers naar de kreek waren getogen, had Harmen eerst een hengelstok gesneden, er een fijn „simmetje” aan gemaakt, met aan het bamboehaakje een vette dauwpier, die ze uit den grond hadden geklopt. „Ziezoo, nou nog een goed plekkie! Daar onder die boom lig je goed: onder een boom lig je altijd goed”, zei Harmen.„Ikwil visschen”, verklaarde Padde. „Ik ben op de gedachte gekomen!”„Zien, dat je er weer afkomt”, raadde Harmen. „Jij kunt met je knipoogen immers geeneens zien, of je tuk hebt?”„Misschien beter dan jij!” schimpte Padde verontwaardigd. „’k Ben al eens met vijftien vette palingen thuis gekomen!”„Dan had je zeker een fuikje gelicht”, meende Harmen. „Nou, hou je gemak maar, baron, we zullen hier eens netjes gaan liggen. Niet te diep en tegen de kant,—daar zitten ze.”Er werd eenigen tijd gezwegen. Beide jongens tuurden naar den dobber, Padde stug, jaloersch dat Harmen den hengel hield; Harmen vol rustig vertrouwen, dat hij wel gauw „tuk” zou krijgen.Maar er kwam geen tuk. De dobber tolde wat rond, dreef langzaam tegen het riet. Harmen trok hem weer wat van den kant, wierp een handjevol zand en kiezel in het water. „Daar komen ze op af”, lichtte hij toe.„Of ze zwemmen er voor weg”, zei Padde.[424]„’k Wou, dat jij ook maar wegzwom!” verzekerde Harmen.Zwijgen. Beide jongens tuurden naar den dobber, die weer langzaam tegen den kant dreef.„Spuug eens in het water?” vroeg Harmen. „Om ze te lokken?”Padde spuwde een bijzonder verlokkende witte vlok op het water.„Spuug nog eens?”„’k Heb geen spuug meer”, zei Padde, onwillig om bij te dragen tot Harmen’s succes.„Wat een vent!” smaalde Harmen. Hij schraapte zijn keel en spuwde vijfmaal achtereen in verschillende richtingen over het water, dat de visschen zelf waarschijnlijk niet wisten naar welken kant zij zich gelokt voelden. „Weet je wáár visch zit?” vroeg Harmen.„Jawel”, zei Padde, „daarginds, waar de kreek in het riviertje loopt.”„Neen. Bij Lubbes, achter ’t dijkje, bij de molen van Stoppel.”„Zal ik niet weten!” zei Padde. „Wurmen zijn er ook zat. Laatst was ik m’n bussie verloren, en toen moest ik daar versche wurmen zoeken. Zooveel als je maar lustte, hoor!”„Je bussie verloren?” vroeg Harmen na eenig turend zwijgen, (de jongens spraken met groote pauzen en staakten het gesprek zoodra er eenige beweging in den dobber scheen te willen komen) „je bussie verloren? Bewaar jij je wurremen in een bussie?”„En jij dan?” vroeg Padde.Pauze. Zwijgen. Turen.„In m’n mond natuurlijk”, zei Harmen. „Dan blijven ze lekker versch.—Weet je wat me laatst overkomen is?”„Nou?”Lange pauze.„Toen is me zoo’n mormel in m’n strot gekro.….”Pauze.„In m’n strot gekro.….”Lange pauze.„In m’n strot gekropen, de sallemander! Van schrik slikte[425]ik de anderen ook nog in. ’k Had juist een reuze-tuk, anders had ik ’t natuurlijk wel gemorken.—Laatst gooi ik in. Wip! schiet er een bleitje op, een klein pest-dingetje. Maar meteen, dat ik ’m opsla, hap! zit er een snoek boven op. Ik laat vieren.….”„Harmen! Je hebt tuk.….!” fluisterde Padde.Het dobbertje wipte even omhoog. Bleef weer stil liggen. Twee paar oogen blikten star op het houten schijfje daar in het water.„Zal ik niet merken, als ik tuk heb!” smaalde Harmen na een diepen zucht. „Nou, die snoek zat er dus bovenop, hè? Ik liet ’m vieren.….”Maar Harmen’s snoek verhaal had geen geluk: weer scharrelde het dobbertje heen en weer en deed Harmen verstommen.„Haal op!” gilde Padde met onderdrukt geluid.Harmen schudde het hoofd zonder een oogenblik zijn blik van den dobber af te wenden. „Hij zuigt ommers pas!”„Haal op!” raasde Padde. „Hij vreet je heele haak schoon!”„’t Is geen vreten”, verklaarde Harmen, koppig. „’t Is zuigen.”Lang zwijgen. Nu en dan roerde zich het dobbertje onmerkbaar. De oogen deden pijn van het staren. Harmen had zijn snoek al zoover gevierd, minstens tot China of Japan, dat hem tenslotte de lust verging, het lang-dradige verhaal nog verder te vieren en hij den snoek dus maar zwemmen liet.—Het dobbertje roerde zich thans in het geheel niet meer en lag weer tegen het riet.„Wat een sagrijn was dat!” zei Harmen. „Zuigen maar, anders kon ie niks.”„Wedden, dat ie je haak heeft schoongevreten?” stelde Padde voor.Harmen aarzelde nog even, haalde toen met een verwensching een „schoonen” haak op.„Zie je nou wel?” vroeg Padde zegevierend. „Ik zag het wel, dat ie ’m schepte! Als je hem had opgehaald, toen ik het je zei, hadden we hem gehad.”„Vooruit, vang jij ’m dan!” smaalde Harmen en reikte Padde den hengelstok.[426]Padde zweeg, wurmde een pier aan den haak. „Ik ga daarginder liggen!” verklaarde Padde. „Waar jij lag, is ’t een rotplekkie.”„Jij zoekt zeker weer naar ’t zeeziekvrije plekkie?” vroeg Harmen hoonend.Zwijgen. De knapen waren op Padde’s uitverkoren plekje aangeland. Met overleg peilde Padde de diepte van het water, ging toen een handbreedte boven den grond „liggen”. De jongens wachtten eenigen tijd. In den dobber viel nog geen beweging te bespeuren.„Op dat rotplekkie van mij had ik tenminste tuk”, merkte Harmen op.„Ik heb liever heelemaal geen tuk als zoo’n smerige tuk als jij hadt!” verklaarde Padde.„Wat mankeerde er dan aan die tuk van mij?” vroeg Harmen beleedigd.„Nou, je hebt toch zelf gezien, dat ie alleen maar zoog?”„Wel allemachies!” stamelde Harmen. „En daarnet zei je.….”„’t Kan dáárom al geen goeie tuk geweest zijn”, zei Padde, „omdat je veel te hoog lag. Die tuk van jou was zeker een katterige visch, die naar boven ging om lucht te scheppen. Daarom beet ie ook zoo slecht!”„Toch wou je, dat je hem had, die katterige zuigvisch!” zei Harmen.Zwijgen. Turen.Eindelijk.…. daar roert zich iets! Harmen grijpt, starend naar het dobbertje, den hengel beet.„Laat jelos?!” dreigt Padde.„Ssst! Ik help je alleen maar wat.”„Je zei, dat ik alleen mocht visschen!”„Nou goed dan, we visschen allebei alleen!” En Harmen rukte Padde den hengel uit de handen. „Nou heb je je zin, gouwe pil! Visch nou maar alleen.”Pats! Die had Harmen te pakken. Zijn wang zwol er van op. „Die is voor jou!” verklaarde Padde ten overvloede.Harmens oogen rolden. Hij kon vanwege den tuk zijn hengel niet loslaten, en daaruit maakte Padde wel wat voorbarig op,[427]dat Harmen den mep in dank aanvaard had en slechts zweeg omdat tranen van aandoening hem de keel snoerden. Padde’s eigen gemoed was gelucht en daarmede zijn boosheid geweken. „’t Is een groote!” fluisterde hij Harmen vertrouwelijk toe. „Haal niet te vroeg op: ik zie aan je tuk, dat het een groote is!”Harmen zweeg, staarde naar den dobber als naar een doodsvijand.Floep! daar schoot het dingske onder. Harmen sloeg op, trok een grooten visch te voorschijn, maar halverwege wist de schrandere waterbewoner zich nog juist van het haakje te bevrijden, plaste op echte visschenmanier weer terug in zijn element, en de jongens hadden het nakijken.„Veel te woest opgehaald!” stelde Padde vast. „Je hadt.….”Padde kwam weer boven....Padde kwam weer boven.…Het was Harmen’s eigen schuld, dat hij niet meer vernam wat hij had moeten doen om den visch aan den wal te lokken. Want nog vóór Padde had uitgesproken, wierp Harmen den hengel neer, sprong op Padde toe, hief hem half boven het hoofd en slingerde den armen, zich in het geheel van geen schuld bewusten jongen achter den visch aan. Ellen hoog spatte het water op; Padde ging kopje-onder, kwam weer boven, keek verward tusschen zijn lange haren door, die voor zijn gelaat hingen, en krabbelde toen naar den oever, waar hij in grimmig zwijgen vergeefs naar een kleedingstuk zocht om uit te wringen.Ditmaal was het Harmen, die zijn gemoed gelucht voelde. „Ja, Padde, als jij in het water gaat spartelen en alle visschen de stuipen op het lijf jaagt, moeten we een ander plekkie zoeken!” verweet hij vriendelijk, terwijl hij een verschen dauwpier een bamboezen ruggegraat schonk. „’k Had ’m anders op een haartje, zeg! Zou het een karper zijn geweest?”[428]Padde kookte inwendig nog. Bij gebrek aan beter was hij zijn haar gaan uitwringen, dat daarna in Vesuvius-vorm op zijn hoofd bleef staan. „’t Was geen karper!” snauwde hij. „’t Was een doodgewone rot-blei.”„Nou, jij kunt het weten!” zei Harmen. „Jij hebt hem vandichtbijgezien, hè?” En Harmen begon te grinniken. „Kijk, zoo heb ik met Lange Lijs nou ook gedaan, toen ie me dat snoekje afkaapte. Maar die trof het niet zoo goed als jij: ’t was midden in de winter, weet je, en dan heb ik liever soep als slootwater in m’n maag. Wasch jij je ’s winters? Ik alleen als als ik vuil ben. Je krijgt er rimmetiek van!”Harmen liep een eindje de kreek om. Padde aarzelde even, wilde teruggaan naar de anderen, maar zijn visschershart maakte hem zwak: hij keerde om en ging triest en zwijgend bij Harmen zitten.Zoo troffen Hajo en Rolf hen. En zij schenen het geluk mee te brengen: de dobber schoot weg; Harmen haalde op, en aan den haak spartelde een groote, karperachtige visch.„Voorzichtig inhalen!” raadde Padde, in hooge mate opgewonden. En zoo kwam de visch onder algemeene hoede op het droge!Een half uur later siste en knapte hij in de vlammen. Want toen Harmen wat te braden had, won de kok het van den visscher, en Padde kon op zijn eentje rustig doorhengelen.„Nou”, zei Harmen, „nou kunnen we gaan bikken! Vet zullen we er niet van worden, maar als de maag maar weet, dat we ’m niet vergeten, is ie al half tevreden, de slobber.”„Misschien vangt Padde er nog wat bij”, meende Hajo.„Laat ie maar oppassen”, zei Harmen, bezorgd. „Straks valt ie ’t water nog in!”Maar even later kwam Padde met twee zware visschen aanzetten.„Die heb je zeker met je knipoogjes beduveld!” zei Harmen, pakte de visschen aan en woog ze in de hand. „Samen wel acht pond!” verzekerde hij. En de schubben stoven al in het rond, plakten hem op de polsen, in het haar, op de wangen, in de wenkbrauwen, totdat Harmen tenslotte zelf veel van een visch had.[429]„Ze smaken fijn!” verklaarde hij, toen de visschen even later „op tafel” kwamen. „Ze smaken net als.…. fijne, dure visch, als.….”„Als zalm, bedoel je?” vroeg Rolf.„Dat ken. De schipper en de heeren hebben het gegeten, toen we uitzeilden.”Rolf keek hem glimlachend aan. „Zeg, Harmen, hoe weetjijnou hoe die visschen smaakten? Op dat afscheidsdiner was jij toch niet gevraagd?”„Nou, als je het nou weten wilt”, zei Harmen, „deze vischsmaakt, zooals die van de schipperrook!”Allen lachten. Harmen grinnikte er boven uit.Kok.[430]

[Inhoud]HARMEN EN PADDE OP DE VISCHVANGSTHARMEN EN PADDE OP DE VISCHVANGSTToen de jongens ontwaakten, was het droog. En niet alleen dat. Een stralend blauwe hemel stond als een koepel boven hun hoofd, en midden daarin hing een kostbare gouden luchter: de zon.Opwekkende geuren wasemde de grond. De natte, glimmende boomen, de zwartgeregende takken straalden weer felgroene plekken uit, en de lucht was vol vogelgerucht en bonte wiekglanzen.Zie! daar kwam het stroompje de kloof uitdansen, holderdebolder over de steenen, dat het water hoog opstoof, tintelend in alle kleuren nu de zon er op scheen. De ingang der grot was feestelijk getooid met bloemen en varens en zag er zoo lokkend geheimzinnig uit, dat je haast lust zou krijgen er weer in te gaan. Brrr!Terwijl Dolimah met Padde bleef zitten, keken de anderen eens naar iets als een pad uit, waarlangs ze hun weg zouden kunnen vervolgen. Maar alles was met dicht struikgewas begroeid, en daar tusschen in stonden als grimmige kampvechters de boomen te worstelen om licht en leven. Hoe er door te komen?Harmen dacht voorloopig alleen maar aan zijn maag, vond enkele eetbare vruchten en keerde daarmee terstond terug om een vuurtje te maken waarin hij de vruchten kon poffen.[421]Na veel moeite wist hij uit een paar splinters een vlammetje te tooveren. „Hajo!” riep hij, „zou je voor de kombuis niet eens een paar vette duiven kunnen proviandeeren? Ze zitten hier zat; je moet ze maar fluiten!”Hajo kwam juist met Rolf aanloopen. „Ik heb nu geen tijd!” riep hij opgewonden. „Rolf weet er wat op om naar zee te komen. We laten ons de rivier afzakken! Met een vlot!”Harmen vergat de duiven, sperde aangenaam verrast zijn mond open. „Daar heb je me voor!” bekende hij. En zonder talmen ging hij met zijn makkers aan het werk.Ze kapten eerst een twintigtal stevige bamboes, die ze op een lengte van vijftien voet terugbrachten, daarna nog evenveel stelen van tien voet en maakten daaruit den onderbouw. Gelukkig tierde er welig rotan,—waar was dat in het woud eigenlijkniethet geval? De jongens ontdeden de buigzame, taaie stengels van de doornen en gebruikten ze om de dwarse bamboes stevig over de andere te snoeren.Dolimah was komen kijken. „Bekin apah?” vroeg ze. „Wat wordt hier gedaan?”„We maken een vlot om de rivier mee af te zakken!”Dolimah keek peinzend toe, terwijl de jongens hijgend over het vlot-geraamte kropen en trokken en zwoegden, dat het zweet hun onder de haren wegdroop. „De rivier gaat naar zee”, zei ze na eenig zwijgen. „Alle rivieren gaan naar zee.”„Nu, dat willen we immers ook!” meende Rolf.„En dan?” vroeg Dolimah zacht. „Als u bij de zee is aangekomen.….?”„Dan varen we naar Bantem! We zullen wel ergens een boot vinden.”Dolimah zei niets meer, ging zwijgend bij Padde zitten.Na een paar uur was het geraamte voor het vlot gereed. Drie vaardige scheepsjongens, die drie knoopen sloegen in den tijd, dat een landrot nog nadacht hoe hij beginnen zou! Harmen liep de knoopen nog even af, alsof ie de bootsman zelf was. „Als de boel gaat wrikken, is de schuit geen pruim meer waard!” verzekerde hij vol vakkennis.„Nu moeten we eens aan een bovenbedekking gaan denken”,[422]zei Rolf. „Als we er eens half gespleten bamboetjes overheen bonden?”„Je kan er voor mijn part net op binden, wat je maar wilt”, verzekerde Harmen. „Al wou je er acht dozijn ouderlingen op binden, met de neuzen naar boven en de bijbel in de hand. MaarHarremenzal eerst eens zien of er niks te bikken valt!”„We kunnen wat gaan visschen!” meende Padde vanaf zijn helling.Padde was soms toch snuggerder dan je dacht. Vooral in het oplossen van etensproblemen.„Zou hier in het water visch zitten?” vroeg Hajo.„In het water eerder as op de boomen”, verzekerde Harmen. „Je kunt eens een lijntje uitgooien, hè? En als ’t niet wil bijten, spuug je maar eens in het water, dan komen ze. Ga daar maar in dat kreekje liggen, Padde. Daar lig je goed.”„Hoe kom ik aan een simmetje?” vroeg Padde.„Had ik m’n broek nog maar”, zuchtte Harmen. „Daar zaten haakjes zat in; ik kon m’n hand niet in m’n zak steken, of er bleven er een paar aan m’n vingers hangen. ’k Heb altoos graag mogen visschen.”„Een bamboezen haakje is ook hard genoeg”, meende Rolf.„En ik heb nog wat pikdraad in m’n zak!” zei Hajo.„Hier d’r mee!” beval Padde, die kwam aansukkelen en al weer vrij aardig ter been scheen te zijn. Visschen was altijd zijn lievelingswerkje geweest. „Ziezoo. Gaan jullie maar door met het vlot, dan zal ik voor een lekker maaltje visch zorgen.”„Laat mij eerst ’t goede plekkie zoeken”, zei Harmen. „Anders vang je nog niks.”„Ik weet de goeie plekkies ook wel te vinden!” verzekerde Padde.„Ja, om te maffen”, schimpte Harmen. „Kom mee!”Terwijl Padde en Harmen ter vischvangst togen, Padde zich mopperend verwerend tegen Harmen’s bazigheid, halveerden Hajo en Rolf dunne bamboetjes en legden die met den bollen kant naar boven over het vlotgeraamte. Met dunne, gespleten rotanstengels werden ze vastgesnoerd.Het werkje vroeg veel tijd. Na een paar uren was pas de helft van het vlot bekleed. „Kom”, zei Rolf, „de zon gaat al[423]onder! Laten we eens gaan kijken, wat de visscherij heeft opgeleverd!”„Padde kan het goed”, verzekerde Hajo. „Hij kwam altijd met de meeste visch thuis.”„Nou, m’n maag kriebelt al!” zei Rolf. En beide vrienden begaven zich naar de kreek waar Harmen en Padde zwijgend naar een bamboedobbertje zaten te koekeloeren. Padde was kletsnat.„Wil ’t wat bijten?” vroeg Hajo.Eerst geen antwoord. Toen pruttelde Padde: „Als Harmen zijn vingers maar thuis hield!”„Wil je ’t water weer invliegen?” vroeg Harmen.Padde zweeg, woest.Toen de beide visschers naar de kreek waren getogen, had Harmen eerst een hengelstok gesneden, er een fijn „simmetje” aan gemaakt, met aan het bamboehaakje een vette dauwpier, die ze uit den grond hadden geklopt. „Ziezoo, nou nog een goed plekkie! Daar onder die boom lig je goed: onder een boom lig je altijd goed”, zei Harmen.„Ikwil visschen”, verklaarde Padde. „Ik ben op de gedachte gekomen!”„Zien, dat je er weer afkomt”, raadde Harmen. „Jij kunt met je knipoogen immers geeneens zien, of je tuk hebt?”„Misschien beter dan jij!” schimpte Padde verontwaardigd. „’k Ben al eens met vijftien vette palingen thuis gekomen!”„Dan had je zeker een fuikje gelicht”, meende Harmen. „Nou, hou je gemak maar, baron, we zullen hier eens netjes gaan liggen. Niet te diep en tegen de kant,—daar zitten ze.”Er werd eenigen tijd gezwegen. Beide jongens tuurden naar den dobber, Padde stug, jaloersch dat Harmen den hengel hield; Harmen vol rustig vertrouwen, dat hij wel gauw „tuk” zou krijgen.Maar er kwam geen tuk. De dobber tolde wat rond, dreef langzaam tegen het riet. Harmen trok hem weer wat van den kant, wierp een handjevol zand en kiezel in het water. „Daar komen ze op af”, lichtte hij toe.„Of ze zwemmen er voor weg”, zei Padde.[424]„’k Wou, dat jij ook maar wegzwom!” verzekerde Harmen.Zwijgen. Beide jongens tuurden naar den dobber, die weer langzaam tegen den kant dreef.„Spuug eens in het water?” vroeg Harmen. „Om ze te lokken?”Padde spuwde een bijzonder verlokkende witte vlok op het water.„Spuug nog eens?”„’k Heb geen spuug meer”, zei Padde, onwillig om bij te dragen tot Harmen’s succes.„Wat een vent!” smaalde Harmen. Hij schraapte zijn keel en spuwde vijfmaal achtereen in verschillende richtingen over het water, dat de visschen zelf waarschijnlijk niet wisten naar welken kant zij zich gelokt voelden. „Weet je wáár visch zit?” vroeg Harmen.„Jawel”, zei Padde, „daarginds, waar de kreek in het riviertje loopt.”„Neen. Bij Lubbes, achter ’t dijkje, bij de molen van Stoppel.”„Zal ik niet weten!” zei Padde. „Wurmen zijn er ook zat. Laatst was ik m’n bussie verloren, en toen moest ik daar versche wurmen zoeken. Zooveel als je maar lustte, hoor!”„Je bussie verloren?” vroeg Harmen na eenig turend zwijgen, (de jongens spraken met groote pauzen en staakten het gesprek zoodra er eenige beweging in den dobber scheen te willen komen) „je bussie verloren? Bewaar jij je wurremen in een bussie?”„En jij dan?” vroeg Padde.Pauze. Zwijgen. Turen.„In m’n mond natuurlijk”, zei Harmen. „Dan blijven ze lekker versch.—Weet je wat me laatst overkomen is?”„Nou?”Lange pauze.„Toen is me zoo’n mormel in m’n strot gekro.….”Pauze.„In m’n strot gekro.….”Lange pauze.„In m’n strot gekropen, de sallemander! Van schrik slikte[425]ik de anderen ook nog in. ’k Had juist een reuze-tuk, anders had ik ’t natuurlijk wel gemorken.—Laatst gooi ik in. Wip! schiet er een bleitje op, een klein pest-dingetje. Maar meteen, dat ik ’m opsla, hap! zit er een snoek boven op. Ik laat vieren.….”„Harmen! Je hebt tuk.….!” fluisterde Padde.Het dobbertje wipte even omhoog. Bleef weer stil liggen. Twee paar oogen blikten star op het houten schijfje daar in het water.„Zal ik niet merken, als ik tuk heb!” smaalde Harmen na een diepen zucht. „Nou, die snoek zat er dus bovenop, hè? Ik liet ’m vieren.….”Maar Harmen’s snoek verhaal had geen geluk: weer scharrelde het dobbertje heen en weer en deed Harmen verstommen.„Haal op!” gilde Padde met onderdrukt geluid.Harmen schudde het hoofd zonder een oogenblik zijn blik van den dobber af te wenden. „Hij zuigt ommers pas!”„Haal op!” raasde Padde. „Hij vreet je heele haak schoon!”„’t Is geen vreten”, verklaarde Harmen, koppig. „’t Is zuigen.”Lang zwijgen. Nu en dan roerde zich het dobbertje onmerkbaar. De oogen deden pijn van het staren. Harmen had zijn snoek al zoover gevierd, minstens tot China of Japan, dat hem tenslotte de lust verging, het lang-dradige verhaal nog verder te vieren en hij den snoek dus maar zwemmen liet.—Het dobbertje roerde zich thans in het geheel niet meer en lag weer tegen het riet.„Wat een sagrijn was dat!” zei Harmen. „Zuigen maar, anders kon ie niks.”„Wedden, dat ie je haak heeft schoongevreten?” stelde Padde voor.Harmen aarzelde nog even, haalde toen met een verwensching een „schoonen” haak op.„Zie je nou wel?” vroeg Padde zegevierend. „Ik zag het wel, dat ie ’m schepte! Als je hem had opgehaald, toen ik het je zei, hadden we hem gehad.”„Vooruit, vang jij ’m dan!” smaalde Harmen en reikte Padde den hengelstok.[426]Padde zweeg, wurmde een pier aan den haak. „Ik ga daarginder liggen!” verklaarde Padde. „Waar jij lag, is ’t een rotplekkie.”„Jij zoekt zeker weer naar ’t zeeziekvrije plekkie?” vroeg Harmen hoonend.Zwijgen. De knapen waren op Padde’s uitverkoren plekje aangeland. Met overleg peilde Padde de diepte van het water, ging toen een handbreedte boven den grond „liggen”. De jongens wachtten eenigen tijd. In den dobber viel nog geen beweging te bespeuren.„Op dat rotplekkie van mij had ik tenminste tuk”, merkte Harmen op.„Ik heb liever heelemaal geen tuk als zoo’n smerige tuk als jij hadt!” verklaarde Padde.„Wat mankeerde er dan aan die tuk van mij?” vroeg Harmen beleedigd.„Nou, je hebt toch zelf gezien, dat ie alleen maar zoog?”„Wel allemachies!” stamelde Harmen. „En daarnet zei je.….”„’t Kan dáárom al geen goeie tuk geweest zijn”, zei Padde, „omdat je veel te hoog lag. Die tuk van jou was zeker een katterige visch, die naar boven ging om lucht te scheppen. Daarom beet ie ook zoo slecht!”„Toch wou je, dat je hem had, die katterige zuigvisch!” zei Harmen.Zwijgen. Turen.Eindelijk.…. daar roert zich iets! Harmen grijpt, starend naar het dobbertje, den hengel beet.„Laat jelos?!” dreigt Padde.„Ssst! Ik help je alleen maar wat.”„Je zei, dat ik alleen mocht visschen!”„Nou goed dan, we visschen allebei alleen!” En Harmen rukte Padde den hengel uit de handen. „Nou heb je je zin, gouwe pil! Visch nou maar alleen.”Pats! Die had Harmen te pakken. Zijn wang zwol er van op. „Die is voor jou!” verklaarde Padde ten overvloede.Harmens oogen rolden. Hij kon vanwege den tuk zijn hengel niet loslaten, en daaruit maakte Padde wel wat voorbarig op,[427]dat Harmen den mep in dank aanvaard had en slechts zweeg omdat tranen van aandoening hem de keel snoerden. Padde’s eigen gemoed was gelucht en daarmede zijn boosheid geweken. „’t Is een groote!” fluisterde hij Harmen vertrouwelijk toe. „Haal niet te vroeg op: ik zie aan je tuk, dat het een groote is!”Harmen zweeg, staarde naar den dobber als naar een doodsvijand.Floep! daar schoot het dingske onder. Harmen sloeg op, trok een grooten visch te voorschijn, maar halverwege wist de schrandere waterbewoner zich nog juist van het haakje te bevrijden, plaste op echte visschenmanier weer terug in zijn element, en de jongens hadden het nakijken.„Veel te woest opgehaald!” stelde Padde vast. „Je hadt.….”Padde kwam weer boven....Padde kwam weer boven.…Het was Harmen’s eigen schuld, dat hij niet meer vernam wat hij had moeten doen om den visch aan den wal te lokken. Want nog vóór Padde had uitgesproken, wierp Harmen den hengel neer, sprong op Padde toe, hief hem half boven het hoofd en slingerde den armen, zich in het geheel van geen schuld bewusten jongen achter den visch aan. Ellen hoog spatte het water op; Padde ging kopje-onder, kwam weer boven, keek verward tusschen zijn lange haren door, die voor zijn gelaat hingen, en krabbelde toen naar den oever, waar hij in grimmig zwijgen vergeefs naar een kleedingstuk zocht om uit te wringen.Ditmaal was het Harmen, die zijn gemoed gelucht voelde. „Ja, Padde, als jij in het water gaat spartelen en alle visschen de stuipen op het lijf jaagt, moeten we een ander plekkie zoeken!” verweet hij vriendelijk, terwijl hij een verschen dauwpier een bamboezen ruggegraat schonk. „’k Had ’m anders op een haartje, zeg! Zou het een karper zijn geweest?”[428]Padde kookte inwendig nog. Bij gebrek aan beter was hij zijn haar gaan uitwringen, dat daarna in Vesuvius-vorm op zijn hoofd bleef staan. „’t Was geen karper!” snauwde hij. „’t Was een doodgewone rot-blei.”„Nou, jij kunt het weten!” zei Harmen. „Jij hebt hem vandichtbijgezien, hè?” En Harmen begon te grinniken. „Kijk, zoo heb ik met Lange Lijs nou ook gedaan, toen ie me dat snoekje afkaapte. Maar die trof het niet zoo goed als jij: ’t was midden in de winter, weet je, en dan heb ik liever soep als slootwater in m’n maag. Wasch jij je ’s winters? Ik alleen als als ik vuil ben. Je krijgt er rimmetiek van!”Harmen liep een eindje de kreek om. Padde aarzelde even, wilde teruggaan naar de anderen, maar zijn visschershart maakte hem zwak: hij keerde om en ging triest en zwijgend bij Harmen zitten.Zoo troffen Hajo en Rolf hen. En zij schenen het geluk mee te brengen: de dobber schoot weg; Harmen haalde op, en aan den haak spartelde een groote, karperachtige visch.„Voorzichtig inhalen!” raadde Padde, in hooge mate opgewonden. En zoo kwam de visch onder algemeene hoede op het droge!Een half uur later siste en knapte hij in de vlammen. Want toen Harmen wat te braden had, won de kok het van den visscher, en Padde kon op zijn eentje rustig doorhengelen.„Nou”, zei Harmen, „nou kunnen we gaan bikken! Vet zullen we er niet van worden, maar als de maag maar weet, dat we ’m niet vergeten, is ie al half tevreden, de slobber.”„Misschien vangt Padde er nog wat bij”, meende Hajo.„Laat ie maar oppassen”, zei Harmen, bezorgd. „Straks valt ie ’t water nog in!”Maar even later kwam Padde met twee zware visschen aanzetten.„Die heb je zeker met je knipoogjes beduveld!” zei Harmen, pakte de visschen aan en woog ze in de hand. „Samen wel acht pond!” verzekerde hij. En de schubben stoven al in het rond, plakten hem op de polsen, in het haar, op de wangen, in de wenkbrauwen, totdat Harmen tenslotte zelf veel van een visch had.[429]„Ze smaken fijn!” verklaarde hij, toen de visschen even later „op tafel” kwamen. „Ze smaken net als.…. fijne, dure visch, als.….”„Als zalm, bedoel je?” vroeg Rolf.„Dat ken. De schipper en de heeren hebben het gegeten, toen we uitzeilden.”Rolf keek hem glimlachend aan. „Zeg, Harmen, hoe weetjijnou hoe die visschen smaakten? Op dat afscheidsdiner was jij toch niet gevraagd?”„Nou, als je het nou weten wilt”, zei Harmen, „deze vischsmaakt, zooals die van de schipperrook!”Allen lachten. Harmen grinnikte er boven uit.Kok.[430]

HARMEN EN PADDE OP DE VISCHVANGSTHARMEN EN PADDE OP DE VISCHVANGST

HARMEN EN PADDE OP DE VISCHVANGST

Toen de jongens ontwaakten, was het droog. En niet alleen dat. Een stralend blauwe hemel stond als een koepel boven hun hoofd, en midden daarin hing een kostbare gouden luchter: de zon.Opwekkende geuren wasemde de grond. De natte, glimmende boomen, de zwartgeregende takken straalden weer felgroene plekken uit, en de lucht was vol vogelgerucht en bonte wiekglanzen.Zie! daar kwam het stroompje de kloof uitdansen, holderdebolder over de steenen, dat het water hoog opstoof, tintelend in alle kleuren nu de zon er op scheen. De ingang der grot was feestelijk getooid met bloemen en varens en zag er zoo lokkend geheimzinnig uit, dat je haast lust zou krijgen er weer in te gaan. Brrr!Terwijl Dolimah met Padde bleef zitten, keken de anderen eens naar iets als een pad uit, waarlangs ze hun weg zouden kunnen vervolgen. Maar alles was met dicht struikgewas begroeid, en daar tusschen in stonden als grimmige kampvechters de boomen te worstelen om licht en leven. Hoe er door te komen?Harmen dacht voorloopig alleen maar aan zijn maag, vond enkele eetbare vruchten en keerde daarmee terstond terug om een vuurtje te maken waarin hij de vruchten kon poffen.[421]Na veel moeite wist hij uit een paar splinters een vlammetje te tooveren. „Hajo!” riep hij, „zou je voor de kombuis niet eens een paar vette duiven kunnen proviandeeren? Ze zitten hier zat; je moet ze maar fluiten!”Hajo kwam juist met Rolf aanloopen. „Ik heb nu geen tijd!” riep hij opgewonden. „Rolf weet er wat op om naar zee te komen. We laten ons de rivier afzakken! Met een vlot!”Harmen vergat de duiven, sperde aangenaam verrast zijn mond open. „Daar heb je me voor!” bekende hij. En zonder talmen ging hij met zijn makkers aan het werk.Ze kapten eerst een twintigtal stevige bamboes, die ze op een lengte van vijftien voet terugbrachten, daarna nog evenveel stelen van tien voet en maakten daaruit den onderbouw. Gelukkig tierde er welig rotan,—waar was dat in het woud eigenlijkniethet geval? De jongens ontdeden de buigzame, taaie stengels van de doornen en gebruikten ze om de dwarse bamboes stevig over de andere te snoeren.Dolimah was komen kijken. „Bekin apah?” vroeg ze. „Wat wordt hier gedaan?”„We maken een vlot om de rivier mee af te zakken!”Dolimah keek peinzend toe, terwijl de jongens hijgend over het vlot-geraamte kropen en trokken en zwoegden, dat het zweet hun onder de haren wegdroop. „De rivier gaat naar zee”, zei ze na eenig zwijgen. „Alle rivieren gaan naar zee.”„Nu, dat willen we immers ook!” meende Rolf.„En dan?” vroeg Dolimah zacht. „Als u bij de zee is aangekomen.….?”„Dan varen we naar Bantem! We zullen wel ergens een boot vinden.”Dolimah zei niets meer, ging zwijgend bij Padde zitten.Na een paar uur was het geraamte voor het vlot gereed. Drie vaardige scheepsjongens, die drie knoopen sloegen in den tijd, dat een landrot nog nadacht hoe hij beginnen zou! Harmen liep de knoopen nog even af, alsof ie de bootsman zelf was. „Als de boel gaat wrikken, is de schuit geen pruim meer waard!” verzekerde hij vol vakkennis.„Nu moeten we eens aan een bovenbedekking gaan denken”,[422]zei Rolf. „Als we er eens half gespleten bamboetjes overheen bonden?”„Je kan er voor mijn part net op binden, wat je maar wilt”, verzekerde Harmen. „Al wou je er acht dozijn ouderlingen op binden, met de neuzen naar boven en de bijbel in de hand. MaarHarremenzal eerst eens zien of er niks te bikken valt!”„We kunnen wat gaan visschen!” meende Padde vanaf zijn helling.Padde was soms toch snuggerder dan je dacht. Vooral in het oplossen van etensproblemen.„Zou hier in het water visch zitten?” vroeg Hajo.„In het water eerder as op de boomen”, verzekerde Harmen. „Je kunt eens een lijntje uitgooien, hè? En als ’t niet wil bijten, spuug je maar eens in het water, dan komen ze. Ga daar maar in dat kreekje liggen, Padde. Daar lig je goed.”„Hoe kom ik aan een simmetje?” vroeg Padde.„Had ik m’n broek nog maar”, zuchtte Harmen. „Daar zaten haakjes zat in; ik kon m’n hand niet in m’n zak steken, of er bleven er een paar aan m’n vingers hangen. ’k Heb altoos graag mogen visschen.”„Een bamboezen haakje is ook hard genoeg”, meende Rolf.„En ik heb nog wat pikdraad in m’n zak!” zei Hajo.„Hier d’r mee!” beval Padde, die kwam aansukkelen en al weer vrij aardig ter been scheen te zijn. Visschen was altijd zijn lievelingswerkje geweest. „Ziezoo. Gaan jullie maar door met het vlot, dan zal ik voor een lekker maaltje visch zorgen.”„Laat mij eerst ’t goede plekkie zoeken”, zei Harmen. „Anders vang je nog niks.”„Ik weet de goeie plekkies ook wel te vinden!” verzekerde Padde.„Ja, om te maffen”, schimpte Harmen. „Kom mee!”Terwijl Padde en Harmen ter vischvangst togen, Padde zich mopperend verwerend tegen Harmen’s bazigheid, halveerden Hajo en Rolf dunne bamboetjes en legden die met den bollen kant naar boven over het vlotgeraamte. Met dunne, gespleten rotanstengels werden ze vastgesnoerd.Het werkje vroeg veel tijd. Na een paar uren was pas de helft van het vlot bekleed. „Kom”, zei Rolf, „de zon gaat al[423]onder! Laten we eens gaan kijken, wat de visscherij heeft opgeleverd!”„Padde kan het goed”, verzekerde Hajo. „Hij kwam altijd met de meeste visch thuis.”„Nou, m’n maag kriebelt al!” zei Rolf. En beide vrienden begaven zich naar de kreek waar Harmen en Padde zwijgend naar een bamboedobbertje zaten te koekeloeren. Padde was kletsnat.„Wil ’t wat bijten?” vroeg Hajo.Eerst geen antwoord. Toen pruttelde Padde: „Als Harmen zijn vingers maar thuis hield!”„Wil je ’t water weer invliegen?” vroeg Harmen.Padde zweeg, woest.Toen de beide visschers naar de kreek waren getogen, had Harmen eerst een hengelstok gesneden, er een fijn „simmetje” aan gemaakt, met aan het bamboehaakje een vette dauwpier, die ze uit den grond hadden geklopt. „Ziezoo, nou nog een goed plekkie! Daar onder die boom lig je goed: onder een boom lig je altijd goed”, zei Harmen.„Ikwil visschen”, verklaarde Padde. „Ik ben op de gedachte gekomen!”„Zien, dat je er weer afkomt”, raadde Harmen. „Jij kunt met je knipoogen immers geeneens zien, of je tuk hebt?”„Misschien beter dan jij!” schimpte Padde verontwaardigd. „’k Ben al eens met vijftien vette palingen thuis gekomen!”„Dan had je zeker een fuikje gelicht”, meende Harmen. „Nou, hou je gemak maar, baron, we zullen hier eens netjes gaan liggen. Niet te diep en tegen de kant,—daar zitten ze.”Er werd eenigen tijd gezwegen. Beide jongens tuurden naar den dobber, Padde stug, jaloersch dat Harmen den hengel hield; Harmen vol rustig vertrouwen, dat hij wel gauw „tuk” zou krijgen.Maar er kwam geen tuk. De dobber tolde wat rond, dreef langzaam tegen het riet. Harmen trok hem weer wat van den kant, wierp een handjevol zand en kiezel in het water. „Daar komen ze op af”, lichtte hij toe.„Of ze zwemmen er voor weg”, zei Padde.[424]„’k Wou, dat jij ook maar wegzwom!” verzekerde Harmen.Zwijgen. Beide jongens tuurden naar den dobber, die weer langzaam tegen den kant dreef.„Spuug eens in het water?” vroeg Harmen. „Om ze te lokken?”Padde spuwde een bijzonder verlokkende witte vlok op het water.„Spuug nog eens?”„’k Heb geen spuug meer”, zei Padde, onwillig om bij te dragen tot Harmen’s succes.„Wat een vent!” smaalde Harmen. Hij schraapte zijn keel en spuwde vijfmaal achtereen in verschillende richtingen over het water, dat de visschen zelf waarschijnlijk niet wisten naar welken kant zij zich gelokt voelden. „Weet je wáár visch zit?” vroeg Harmen.„Jawel”, zei Padde, „daarginds, waar de kreek in het riviertje loopt.”„Neen. Bij Lubbes, achter ’t dijkje, bij de molen van Stoppel.”„Zal ik niet weten!” zei Padde. „Wurmen zijn er ook zat. Laatst was ik m’n bussie verloren, en toen moest ik daar versche wurmen zoeken. Zooveel als je maar lustte, hoor!”„Je bussie verloren?” vroeg Harmen na eenig turend zwijgen, (de jongens spraken met groote pauzen en staakten het gesprek zoodra er eenige beweging in den dobber scheen te willen komen) „je bussie verloren? Bewaar jij je wurremen in een bussie?”„En jij dan?” vroeg Padde.Pauze. Zwijgen. Turen.„In m’n mond natuurlijk”, zei Harmen. „Dan blijven ze lekker versch.—Weet je wat me laatst overkomen is?”„Nou?”Lange pauze.„Toen is me zoo’n mormel in m’n strot gekro.….”Pauze.„In m’n strot gekro.….”Lange pauze.„In m’n strot gekropen, de sallemander! Van schrik slikte[425]ik de anderen ook nog in. ’k Had juist een reuze-tuk, anders had ik ’t natuurlijk wel gemorken.—Laatst gooi ik in. Wip! schiet er een bleitje op, een klein pest-dingetje. Maar meteen, dat ik ’m opsla, hap! zit er een snoek boven op. Ik laat vieren.….”„Harmen! Je hebt tuk.….!” fluisterde Padde.Het dobbertje wipte even omhoog. Bleef weer stil liggen. Twee paar oogen blikten star op het houten schijfje daar in het water.„Zal ik niet merken, als ik tuk heb!” smaalde Harmen na een diepen zucht. „Nou, die snoek zat er dus bovenop, hè? Ik liet ’m vieren.….”Maar Harmen’s snoek verhaal had geen geluk: weer scharrelde het dobbertje heen en weer en deed Harmen verstommen.„Haal op!” gilde Padde met onderdrukt geluid.Harmen schudde het hoofd zonder een oogenblik zijn blik van den dobber af te wenden. „Hij zuigt ommers pas!”„Haal op!” raasde Padde. „Hij vreet je heele haak schoon!”„’t Is geen vreten”, verklaarde Harmen, koppig. „’t Is zuigen.”Lang zwijgen. Nu en dan roerde zich het dobbertje onmerkbaar. De oogen deden pijn van het staren. Harmen had zijn snoek al zoover gevierd, minstens tot China of Japan, dat hem tenslotte de lust verging, het lang-dradige verhaal nog verder te vieren en hij den snoek dus maar zwemmen liet.—Het dobbertje roerde zich thans in het geheel niet meer en lag weer tegen het riet.„Wat een sagrijn was dat!” zei Harmen. „Zuigen maar, anders kon ie niks.”„Wedden, dat ie je haak heeft schoongevreten?” stelde Padde voor.Harmen aarzelde nog even, haalde toen met een verwensching een „schoonen” haak op.„Zie je nou wel?” vroeg Padde zegevierend. „Ik zag het wel, dat ie ’m schepte! Als je hem had opgehaald, toen ik het je zei, hadden we hem gehad.”„Vooruit, vang jij ’m dan!” smaalde Harmen en reikte Padde den hengelstok.[426]Padde zweeg, wurmde een pier aan den haak. „Ik ga daarginder liggen!” verklaarde Padde. „Waar jij lag, is ’t een rotplekkie.”„Jij zoekt zeker weer naar ’t zeeziekvrije plekkie?” vroeg Harmen hoonend.Zwijgen. De knapen waren op Padde’s uitverkoren plekje aangeland. Met overleg peilde Padde de diepte van het water, ging toen een handbreedte boven den grond „liggen”. De jongens wachtten eenigen tijd. In den dobber viel nog geen beweging te bespeuren.„Op dat rotplekkie van mij had ik tenminste tuk”, merkte Harmen op.„Ik heb liever heelemaal geen tuk als zoo’n smerige tuk als jij hadt!” verklaarde Padde.„Wat mankeerde er dan aan die tuk van mij?” vroeg Harmen beleedigd.„Nou, je hebt toch zelf gezien, dat ie alleen maar zoog?”„Wel allemachies!” stamelde Harmen. „En daarnet zei je.….”„’t Kan dáárom al geen goeie tuk geweest zijn”, zei Padde, „omdat je veel te hoog lag. Die tuk van jou was zeker een katterige visch, die naar boven ging om lucht te scheppen. Daarom beet ie ook zoo slecht!”„Toch wou je, dat je hem had, die katterige zuigvisch!” zei Harmen.Zwijgen. Turen.Eindelijk.…. daar roert zich iets! Harmen grijpt, starend naar het dobbertje, den hengel beet.„Laat jelos?!” dreigt Padde.„Ssst! Ik help je alleen maar wat.”„Je zei, dat ik alleen mocht visschen!”„Nou goed dan, we visschen allebei alleen!” En Harmen rukte Padde den hengel uit de handen. „Nou heb je je zin, gouwe pil! Visch nou maar alleen.”Pats! Die had Harmen te pakken. Zijn wang zwol er van op. „Die is voor jou!” verklaarde Padde ten overvloede.Harmens oogen rolden. Hij kon vanwege den tuk zijn hengel niet loslaten, en daaruit maakte Padde wel wat voorbarig op,[427]dat Harmen den mep in dank aanvaard had en slechts zweeg omdat tranen van aandoening hem de keel snoerden. Padde’s eigen gemoed was gelucht en daarmede zijn boosheid geweken. „’t Is een groote!” fluisterde hij Harmen vertrouwelijk toe. „Haal niet te vroeg op: ik zie aan je tuk, dat het een groote is!”Harmen zweeg, staarde naar den dobber als naar een doodsvijand.Floep! daar schoot het dingske onder. Harmen sloeg op, trok een grooten visch te voorschijn, maar halverwege wist de schrandere waterbewoner zich nog juist van het haakje te bevrijden, plaste op echte visschenmanier weer terug in zijn element, en de jongens hadden het nakijken.„Veel te woest opgehaald!” stelde Padde vast. „Je hadt.….”Padde kwam weer boven....Padde kwam weer boven.…Het was Harmen’s eigen schuld, dat hij niet meer vernam wat hij had moeten doen om den visch aan den wal te lokken. Want nog vóór Padde had uitgesproken, wierp Harmen den hengel neer, sprong op Padde toe, hief hem half boven het hoofd en slingerde den armen, zich in het geheel van geen schuld bewusten jongen achter den visch aan. Ellen hoog spatte het water op; Padde ging kopje-onder, kwam weer boven, keek verward tusschen zijn lange haren door, die voor zijn gelaat hingen, en krabbelde toen naar den oever, waar hij in grimmig zwijgen vergeefs naar een kleedingstuk zocht om uit te wringen.Ditmaal was het Harmen, die zijn gemoed gelucht voelde. „Ja, Padde, als jij in het water gaat spartelen en alle visschen de stuipen op het lijf jaagt, moeten we een ander plekkie zoeken!” verweet hij vriendelijk, terwijl hij een verschen dauwpier een bamboezen ruggegraat schonk. „’k Had ’m anders op een haartje, zeg! Zou het een karper zijn geweest?”[428]Padde kookte inwendig nog. Bij gebrek aan beter was hij zijn haar gaan uitwringen, dat daarna in Vesuvius-vorm op zijn hoofd bleef staan. „’t Was geen karper!” snauwde hij. „’t Was een doodgewone rot-blei.”„Nou, jij kunt het weten!” zei Harmen. „Jij hebt hem vandichtbijgezien, hè?” En Harmen begon te grinniken. „Kijk, zoo heb ik met Lange Lijs nou ook gedaan, toen ie me dat snoekje afkaapte. Maar die trof het niet zoo goed als jij: ’t was midden in de winter, weet je, en dan heb ik liever soep als slootwater in m’n maag. Wasch jij je ’s winters? Ik alleen als als ik vuil ben. Je krijgt er rimmetiek van!”Harmen liep een eindje de kreek om. Padde aarzelde even, wilde teruggaan naar de anderen, maar zijn visschershart maakte hem zwak: hij keerde om en ging triest en zwijgend bij Harmen zitten.Zoo troffen Hajo en Rolf hen. En zij schenen het geluk mee te brengen: de dobber schoot weg; Harmen haalde op, en aan den haak spartelde een groote, karperachtige visch.„Voorzichtig inhalen!” raadde Padde, in hooge mate opgewonden. En zoo kwam de visch onder algemeene hoede op het droge!Een half uur later siste en knapte hij in de vlammen. Want toen Harmen wat te braden had, won de kok het van den visscher, en Padde kon op zijn eentje rustig doorhengelen.„Nou”, zei Harmen, „nou kunnen we gaan bikken! Vet zullen we er niet van worden, maar als de maag maar weet, dat we ’m niet vergeten, is ie al half tevreden, de slobber.”„Misschien vangt Padde er nog wat bij”, meende Hajo.„Laat ie maar oppassen”, zei Harmen, bezorgd. „Straks valt ie ’t water nog in!”Maar even later kwam Padde met twee zware visschen aanzetten.„Die heb je zeker met je knipoogjes beduveld!” zei Harmen, pakte de visschen aan en woog ze in de hand. „Samen wel acht pond!” verzekerde hij. En de schubben stoven al in het rond, plakten hem op de polsen, in het haar, op de wangen, in de wenkbrauwen, totdat Harmen tenslotte zelf veel van een visch had.[429]„Ze smaken fijn!” verklaarde hij, toen de visschen even later „op tafel” kwamen. „Ze smaken net als.…. fijne, dure visch, als.….”„Als zalm, bedoel je?” vroeg Rolf.„Dat ken. De schipper en de heeren hebben het gegeten, toen we uitzeilden.”Rolf keek hem glimlachend aan. „Zeg, Harmen, hoe weetjijnou hoe die visschen smaakten? Op dat afscheidsdiner was jij toch niet gevraagd?”„Nou, als je het nou weten wilt”, zei Harmen, „deze vischsmaakt, zooals die van de schipperrook!”Allen lachten. Harmen grinnikte er boven uit.Kok.[430]

Toen de jongens ontwaakten, was het droog. En niet alleen dat. Een stralend blauwe hemel stond als een koepel boven hun hoofd, en midden daarin hing een kostbare gouden luchter: de zon.

Opwekkende geuren wasemde de grond. De natte, glimmende boomen, de zwartgeregende takken straalden weer felgroene plekken uit, en de lucht was vol vogelgerucht en bonte wiekglanzen.

Zie! daar kwam het stroompje de kloof uitdansen, holderdebolder over de steenen, dat het water hoog opstoof, tintelend in alle kleuren nu de zon er op scheen. De ingang der grot was feestelijk getooid met bloemen en varens en zag er zoo lokkend geheimzinnig uit, dat je haast lust zou krijgen er weer in te gaan. Brrr!

Terwijl Dolimah met Padde bleef zitten, keken de anderen eens naar iets als een pad uit, waarlangs ze hun weg zouden kunnen vervolgen. Maar alles was met dicht struikgewas begroeid, en daar tusschen in stonden als grimmige kampvechters de boomen te worstelen om licht en leven. Hoe er door te komen?

Harmen dacht voorloopig alleen maar aan zijn maag, vond enkele eetbare vruchten en keerde daarmee terstond terug om een vuurtje te maken waarin hij de vruchten kon poffen.[421]Na veel moeite wist hij uit een paar splinters een vlammetje te tooveren. „Hajo!” riep hij, „zou je voor de kombuis niet eens een paar vette duiven kunnen proviandeeren? Ze zitten hier zat; je moet ze maar fluiten!”

Hajo kwam juist met Rolf aanloopen. „Ik heb nu geen tijd!” riep hij opgewonden. „Rolf weet er wat op om naar zee te komen. We laten ons de rivier afzakken! Met een vlot!”

Harmen vergat de duiven, sperde aangenaam verrast zijn mond open. „Daar heb je me voor!” bekende hij. En zonder talmen ging hij met zijn makkers aan het werk.

Ze kapten eerst een twintigtal stevige bamboes, die ze op een lengte van vijftien voet terugbrachten, daarna nog evenveel stelen van tien voet en maakten daaruit den onderbouw. Gelukkig tierde er welig rotan,—waar was dat in het woud eigenlijkniethet geval? De jongens ontdeden de buigzame, taaie stengels van de doornen en gebruikten ze om de dwarse bamboes stevig over de andere te snoeren.

Dolimah was komen kijken. „Bekin apah?” vroeg ze. „Wat wordt hier gedaan?”

„We maken een vlot om de rivier mee af te zakken!”

Dolimah keek peinzend toe, terwijl de jongens hijgend over het vlot-geraamte kropen en trokken en zwoegden, dat het zweet hun onder de haren wegdroop. „De rivier gaat naar zee”, zei ze na eenig zwijgen. „Alle rivieren gaan naar zee.”

„Nu, dat willen we immers ook!” meende Rolf.

„En dan?” vroeg Dolimah zacht. „Als u bij de zee is aangekomen.….?”

„Dan varen we naar Bantem! We zullen wel ergens een boot vinden.”

Dolimah zei niets meer, ging zwijgend bij Padde zitten.

Na een paar uur was het geraamte voor het vlot gereed. Drie vaardige scheepsjongens, die drie knoopen sloegen in den tijd, dat een landrot nog nadacht hoe hij beginnen zou! Harmen liep de knoopen nog even af, alsof ie de bootsman zelf was. „Als de boel gaat wrikken, is de schuit geen pruim meer waard!” verzekerde hij vol vakkennis.

„Nu moeten we eens aan een bovenbedekking gaan denken”,[422]zei Rolf. „Als we er eens half gespleten bamboetjes overheen bonden?”

„Je kan er voor mijn part net op binden, wat je maar wilt”, verzekerde Harmen. „Al wou je er acht dozijn ouderlingen op binden, met de neuzen naar boven en de bijbel in de hand. MaarHarremenzal eerst eens zien of er niks te bikken valt!”

„We kunnen wat gaan visschen!” meende Padde vanaf zijn helling.

Padde was soms toch snuggerder dan je dacht. Vooral in het oplossen van etensproblemen.

„Zou hier in het water visch zitten?” vroeg Hajo.

„In het water eerder as op de boomen”, verzekerde Harmen. „Je kunt eens een lijntje uitgooien, hè? En als ’t niet wil bijten, spuug je maar eens in het water, dan komen ze. Ga daar maar in dat kreekje liggen, Padde. Daar lig je goed.”

„Hoe kom ik aan een simmetje?” vroeg Padde.

„Had ik m’n broek nog maar”, zuchtte Harmen. „Daar zaten haakjes zat in; ik kon m’n hand niet in m’n zak steken, of er bleven er een paar aan m’n vingers hangen. ’k Heb altoos graag mogen visschen.”

„Een bamboezen haakje is ook hard genoeg”, meende Rolf.

„En ik heb nog wat pikdraad in m’n zak!” zei Hajo.

„Hier d’r mee!” beval Padde, die kwam aansukkelen en al weer vrij aardig ter been scheen te zijn. Visschen was altijd zijn lievelingswerkje geweest. „Ziezoo. Gaan jullie maar door met het vlot, dan zal ik voor een lekker maaltje visch zorgen.”

„Laat mij eerst ’t goede plekkie zoeken”, zei Harmen. „Anders vang je nog niks.”

„Ik weet de goeie plekkies ook wel te vinden!” verzekerde Padde.

„Ja, om te maffen”, schimpte Harmen. „Kom mee!”

Terwijl Padde en Harmen ter vischvangst togen, Padde zich mopperend verwerend tegen Harmen’s bazigheid, halveerden Hajo en Rolf dunne bamboetjes en legden die met den bollen kant naar boven over het vlotgeraamte. Met dunne, gespleten rotanstengels werden ze vastgesnoerd.

Het werkje vroeg veel tijd. Na een paar uren was pas de helft van het vlot bekleed. „Kom”, zei Rolf, „de zon gaat al[423]onder! Laten we eens gaan kijken, wat de visscherij heeft opgeleverd!”

„Padde kan het goed”, verzekerde Hajo. „Hij kwam altijd met de meeste visch thuis.”

„Nou, m’n maag kriebelt al!” zei Rolf. En beide vrienden begaven zich naar de kreek waar Harmen en Padde zwijgend naar een bamboedobbertje zaten te koekeloeren. Padde was kletsnat.

„Wil ’t wat bijten?” vroeg Hajo.

Eerst geen antwoord. Toen pruttelde Padde: „Als Harmen zijn vingers maar thuis hield!”

„Wil je ’t water weer invliegen?” vroeg Harmen.

Padde zweeg, woest.

Toen de beide visschers naar de kreek waren getogen, had Harmen eerst een hengelstok gesneden, er een fijn „simmetje” aan gemaakt, met aan het bamboehaakje een vette dauwpier, die ze uit den grond hadden geklopt. „Ziezoo, nou nog een goed plekkie! Daar onder die boom lig je goed: onder een boom lig je altijd goed”, zei Harmen.

„Ikwil visschen”, verklaarde Padde. „Ik ben op de gedachte gekomen!”

„Zien, dat je er weer afkomt”, raadde Harmen. „Jij kunt met je knipoogen immers geeneens zien, of je tuk hebt?”

„Misschien beter dan jij!” schimpte Padde verontwaardigd. „’k Ben al eens met vijftien vette palingen thuis gekomen!”

„Dan had je zeker een fuikje gelicht”, meende Harmen. „Nou, hou je gemak maar, baron, we zullen hier eens netjes gaan liggen. Niet te diep en tegen de kant,—daar zitten ze.”

Er werd eenigen tijd gezwegen. Beide jongens tuurden naar den dobber, Padde stug, jaloersch dat Harmen den hengel hield; Harmen vol rustig vertrouwen, dat hij wel gauw „tuk” zou krijgen.

Maar er kwam geen tuk. De dobber tolde wat rond, dreef langzaam tegen het riet. Harmen trok hem weer wat van den kant, wierp een handjevol zand en kiezel in het water. „Daar komen ze op af”, lichtte hij toe.

„Of ze zwemmen er voor weg”, zei Padde.[424]

„’k Wou, dat jij ook maar wegzwom!” verzekerde Harmen.

Zwijgen. Beide jongens tuurden naar den dobber, die weer langzaam tegen den kant dreef.

„Spuug eens in het water?” vroeg Harmen. „Om ze te lokken?”

Padde spuwde een bijzonder verlokkende witte vlok op het water.

„Spuug nog eens?”

„’k Heb geen spuug meer”, zei Padde, onwillig om bij te dragen tot Harmen’s succes.

„Wat een vent!” smaalde Harmen. Hij schraapte zijn keel en spuwde vijfmaal achtereen in verschillende richtingen over het water, dat de visschen zelf waarschijnlijk niet wisten naar welken kant zij zich gelokt voelden. „Weet je wáár visch zit?” vroeg Harmen.

„Jawel”, zei Padde, „daarginds, waar de kreek in het riviertje loopt.”

„Neen. Bij Lubbes, achter ’t dijkje, bij de molen van Stoppel.”

„Zal ik niet weten!” zei Padde. „Wurmen zijn er ook zat. Laatst was ik m’n bussie verloren, en toen moest ik daar versche wurmen zoeken. Zooveel als je maar lustte, hoor!”

„Je bussie verloren?” vroeg Harmen na eenig turend zwijgen, (de jongens spraken met groote pauzen en staakten het gesprek zoodra er eenige beweging in den dobber scheen te willen komen) „je bussie verloren? Bewaar jij je wurremen in een bussie?”

„En jij dan?” vroeg Padde.

Pauze. Zwijgen. Turen.

„In m’n mond natuurlijk”, zei Harmen. „Dan blijven ze lekker versch.—Weet je wat me laatst overkomen is?”

„Nou?”

Lange pauze.

„Toen is me zoo’n mormel in m’n strot gekro.….”

Pauze.

„In m’n strot gekro.….”

Lange pauze.

„In m’n strot gekropen, de sallemander! Van schrik slikte[425]ik de anderen ook nog in. ’k Had juist een reuze-tuk, anders had ik ’t natuurlijk wel gemorken.—Laatst gooi ik in. Wip! schiet er een bleitje op, een klein pest-dingetje. Maar meteen, dat ik ’m opsla, hap! zit er een snoek boven op. Ik laat vieren.….”

„Harmen! Je hebt tuk.….!” fluisterde Padde.

Het dobbertje wipte even omhoog. Bleef weer stil liggen. Twee paar oogen blikten star op het houten schijfje daar in het water.

„Zal ik niet merken, als ik tuk heb!” smaalde Harmen na een diepen zucht. „Nou, die snoek zat er dus bovenop, hè? Ik liet ’m vieren.….”

Maar Harmen’s snoek verhaal had geen geluk: weer scharrelde het dobbertje heen en weer en deed Harmen verstommen.

„Haal op!” gilde Padde met onderdrukt geluid.

Harmen schudde het hoofd zonder een oogenblik zijn blik van den dobber af te wenden. „Hij zuigt ommers pas!”

„Haal op!” raasde Padde. „Hij vreet je heele haak schoon!”

„’t Is geen vreten”, verklaarde Harmen, koppig. „’t Is zuigen.”

Lang zwijgen. Nu en dan roerde zich het dobbertje onmerkbaar. De oogen deden pijn van het staren. Harmen had zijn snoek al zoover gevierd, minstens tot China of Japan, dat hem tenslotte de lust verging, het lang-dradige verhaal nog verder te vieren en hij den snoek dus maar zwemmen liet.—Het dobbertje roerde zich thans in het geheel niet meer en lag weer tegen het riet.

„Wat een sagrijn was dat!” zei Harmen. „Zuigen maar, anders kon ie niks.”

„Wedden, dat ie je haak heeft schoongevreten?” stelde Padde voor.

Harmen aarzelde nog even, haalde toen met een verwensching een „schoonen” haak op.

„Zie je nou wel?” vroeg Padde zegevierend. „Ik zag het wel, dat ie ’m schepte! Als je hem had opgehaald, toen ik het je zei, hadden we hem gehad.”

„Vooruit, vang jij ’m dan!” smaalde Harmen en reikte Padde den hengelstok.[426]

Padde zweeg, wurmde een pier aan den haak. „Ik ga daarginder liggen!” verklaarde Padde. „Waar jij lag, is ’t een rotplekkie.”

„Jij zoekt zeker weer naar ’t zeeziekvrije plekkie?” vroeg Harmen hoonend.

Zwijgen. De knapen waren op Padde’s uitverkoren plekje aangeland. Met overleg peilde Padde de diepte van het water, ging toen een handbreedte boven den grond „liggen”. De jongens wachtten eenigen tijd. In den dobber viel nog geen beweging te bespeuren.

„Op dat rotplekkie van mij had ik tenminste tuk”, merkte Harmen op.

„Ik heb liever heelemaal geen tuk als zoo’n smerige tuk als jij hadt!” verklaarde Padde.

„Wat mankeerde er dan aan die tuk van mij?” vroeg Harmen beleedigd.

„Nou, je hebt toch zelf gezien, dat ie alleen maar zoog?”

„Wel allemachies!” stamelde Harmen. „En daarnet zei je.….”

„’t Kan dáárom al geen goeie tuk geweest zijn”, zei Padde, „omdat je veel te hoog lag. Die tuk van jou was zeker een katterige visch, die naar boven ging om lucht te scheppen. Daarom beet ie ook zoo slecht!”

„Toch wou je, dat je hem had, die katterige zuigvisch!” zei Harmen.

Zwijgen. Turen.

Eindelijk.…. daar roert zich iets! Harmen grijpt, starend naar het dobbertje, den hengel beet.

„Laat jelos?!” dreigt Padde.

„Ssst! Ik help je alleen maar wat.”

„Je zei, dat ik alleen mocht visschen!”

„Nou goed dan, we visschen allebei alleen!” En Harmen rukte Padde den hengel uit de handen. „Nou heb je je zin, gouwe pil! Visch nou maar alleen.”

Pats! Die had Harmen te pakken. Zijn wang zwol er van op. „Die is voor jou!” verklaarde Padde ten overvloede.

Harmens oogen rolden. Hij kon vanwege den tuk zijn hengel niet loslaten, en daaruit maakte Padde wel wat voorbarig op,[427]dat Harmen den mep in dank aanvaard had en slechts zweeg omdat tranen van aandoening hem de keel snoerden. Padde’s eigen gemoed was gelucht en daarmede zijn boosheid geweken. „’t Is een groote!” fluisterde hij Harmen vertrouwelijk toe. „Haal niet te vroeg op: ik zie aan je tuk, dat het een groote is!”

Harmen zweeg, staarde naar den dobber als naar een doodsvijand.

Floep! daar schoot het dingske onder. Harmen sloeg op, trok een grooten visch te voorschijn, maar halverwege wist de schrandere waterbewoner zich nog juist van het haakje te bevrijden, plaste op echte visschenmanier weer terug in zijn element, en de jongens hadden het nakijken.

„Veel te woest opgehaald!” stelde Padde vast. „Je hadt.….”

Padde kwam weer boven....Padde kwam weer boven.…

Padde kwam weer boven.…

Het was Harmen’s eigen schuld, dat hij niet meer vernam wat hij had moeten doen om den visch aan den wal te lokken. Want nog vóór Padde had uitgesproken, wierp Harmen den hengel neer, sprong op Padde toe, hief hem half boven het hoofd en slingerde den armen, zich in het geheel van geen schuld bewusten jongen achter den visch aan. Ellen hoog spatte het water op; Padde ging kopje-onder, kwam weer boven, keek verward tusschen zijn lange haren door, die voor zijn gelaat hingen, en krabbelde toen naar den oever, waar hij in grimmig zwijgen vergeefs naar een kleedingstuk zocht om uit te wringen.

Ditmaal was het Harmen, die zijn gemoed gelucht voelde. „Ja, Padde, als jij in het water gaat spartelen en alle visschen de stuipen op het lijf jaagt, moeten we een ander plekkie zoeken!” verweet hij vriendelijk, terwijl hij een verschen dauwpier een bamboezen ruggegraat schonk. „’k Had ’m anders op een haartje, zeg! Zou het een karper zijn geweest?”[428]

Padde kookte inwendig nog. Bij gebrek aan beter was hij zijn haar gaan uitwringen, dat daarna in Vesuvius-vorm op zijn hoofd bleef staan. „’t Was geen karper!” snauwde hij. „’t Was een doodgewone rot-blei.”

„Nou, jij kunt het weten!” zei Harmen. „Jij hebt hem vandichtbijgezien, hè?” En Harmen begon te grinniken. „Kijk, zoo heb ik met Lange Lijs nou ook gedaan, toen ie me dat snoekje afkaapte. Maar die trof het niet zoo goed als jij: ’t was midden in de winter, weet je, en dan heb ik liever soep als slootwater in m’n maag. Wasch jij je ’s winters? Ik alleen als als ik vuil ben. Je krijgt er rimmetiek van!”

Harmen liep een eindje de kreek om. Padde aarzelde even, wilde teruggaan naar de anderen, maar zijn visschershart maakte hem zwak: hij keerde om en ging triest en zwijgend bij Harmen zitten.

Zoo troffen Hajo en Rolf hen. En zij schenen het geluk mee te brengen: de dobber schoot weg; Harmen haalde op, en aan den haak spartelde een groote, karperachtige visch.

„Voorzichtig inhalen!” raadde Padde, in hooge mate opgewonden. En zoo kwam de visch onder algemeene hoede op het droge!

Een half uur later siste en knapte hij in de vlammen. Want toen Harmen wat te braden had, won de kok het van den visscher, en Padde kon op zijn eentje rustig doorhengelen.

„Nou”, zei Harmen, „nou kunnen we gaan bikken! Vet zullen we er niet van worden, maar als de maag maar weet, dat we ’m niet vergeten, is ie al half tevreden, de slobber.”

„Misschien vangt Padde er nog wat bij”, meende Hajo.

„Laat ie maar oppassen”, zei Harmen, bezorgd. „Straks valt ie ’t water nog in!”

Maar even later kwam Padde met twee zware visschen aanzetten.

„Die heb je zeker met je knipoogjes beduveld!” zei Harmen, pakte de visschen aan en woog ze in de hand. „Samen wel acht pond!” verzekerde hij. En de schubben stoven al in het rond, plakten hem op de polsen, in het haar, op de wangen, in de wenkbrauwen, totdat Harmen tenslotte zelf veel van een visch had.[429]

„Ze smaken fijn!” verklaarde hij, toen de visschen even later „op tafel” kwamen. „Ze smaken net als.…. fijne, dure visch, als.….”

„Als zalm, bedoel je?” vroeg Rolf.

„Dat ken. De schipper en de heeren hebben het gegeten, toen we uitzeilden.”

Rolf keek hem glimlachend aan. „Zeg, Harmen, hoe weetjijnou hoe die visschen smaakten? Op dat afscheidsdiner was jij toch niet gevraagd?”

„Nou, als je het nou weten wilt”, zei Harmen, „deze vischsmaakt, zooals die van de schipperrook!”

Allen lachten. Harmen grinnikte er boven uit.

Kok.

[430]


Back to IndexNext