HARMEN KAAPT EEN ZEILTJE

[Inhoud]HARMEN KAAPT EEN ZEILTJEHARMEN KAAPT EEN ZEILTJE„Waarmee zullen we beginnen?” vroeg Rolf. „Kom, laten we eerst nog een stelletje dikke bamboes onder het vlot door steken. Ze passen net mooi in de gleuven van de andere bamboes! Straks snoeren we de heele zaak stevig vast!”Het vlot rees merkbaar, toen er nog weer een stuk of tien lange, zware bamboes onder waren geschoven. De jongens snoerden er rotankoorden omheen, rukten ze danig vast,—dat werkje hadden ze aan boord van deNieuw-Hoorngeleerd.Ten slotte was het vlot wel een voet boven het wateroppervlak gestegen.„Nu is het voldoende”, meende Rolf. „Als we storm krijgen, worden we er tòch afgeslagen, en het vlot is sterk genoeg om een stevig golfje te verdragen. Laten we eens kijken hoe we de mast in het dek woelen. ’t Lijkt me het beste, hem beneden in een lus te wringen, die we naar vier zijden vast slaan. Maar dat doen we beter op zee! We zullen hem nu maar op het vlot binden en wachten, of Harmen werkelijk slaagt met z’n zeiltje”.„’k Ben er niets bang voor”, zei Hajo. „Maar als hij het heele dorp er bij op de hielen heeft, zou het me ook niets verwonderen!”„In elk geval zouden we nu dadelijk kunnen vluchten”, meende Rolf. „Ga je mee aan land? Padde slaapt,—hoor je hem snurken?”[462]Harmen volgde het pad langs den oever. Hij bevond zich aan den kant van het dorp, hoefde dus gelukkig niet over te zwemmen. Toen hij de vroegere ligplaats van het vlot voorbij was, moest hij zich een weg door het geboomte banen,—in den zwarten nacht een griezelig werkje, waarbij Harmen’s bloed sneller klopte en het klamme zweet hem op de polsen stond.Eindelijk kwam hij bij een weggetje, volgde het, en een half uurtje later zag hij tusschen de boomen het dorp. Aan den oever lagen prauwen, wel twintig bij mekaar, de zeilen om den mast gesjord. Hoe te naderen? Alles was haast open terrein: de kampong lag dicht aan den oever.Harmen keek eens naar de lucht. Die was donker, maar tusschen de wolken waren lichte plekken waar de maan telkens doorscheen. Daar,—nu was het weer even licht! Wacht, zoometeen zou die zware wolk voorbij drijven; daar zou Harmen partij van trekken. En toen de wolk, waar Harmen op oogde, voor de maan schoof, kroop Harmen vlug als een rat naar de naastbijzijnde prauw.Hijgend bleef hij zitten. Ziezoo: hier achter dat „sloepie” was hij veilig!Welk zeil zou hij nemen? Daarginds lag er een los; die was makkelijk te kapen. Vlug sloop hij er heen, trok het zeil naar zich toe, neusde het af. „Hm!” knorde Harmen. „Berentsz. moest het niet in z’n vingers krijgen. Afijn, we zullen het er maar mee doen.” En Harmen wilde zich met zijn buit uit de voeten maken.—Verdikke! Daar kwam zoo’n sloeber aanzetten! Wat kwam ie doen? Hij had een mes in z’n gordel zitten. Harremen ook.De Inlander, die naderde, een lantaren in de hand, kwam recht op Harmen af. Maar dichterbij gekomen, boog hij iets naar rechts af, zoodat Harmen kon blijven zitten. Glurend langs den mast van het vaartuigje, waarachter hij zich verborgen hield, zag onze vriend, dat de Inlander aan een der prauwtjes wat morrelde en zijn lantaren op den grond zette.„Van die lantaren ben ik niet vies”, bekende Harmen zichzelf. „Die kunnen we gebruiken! Weet je wat Harremen doet? Hij kruipt er naar toe, blaast ’t licht uit, en is er meteen van tusschen. Met ’n zeil en ’n lantaren!”—En terwijl de Inlander,[463]die ter vischvangst scheen te willen gaan, den mast opzette en zijn net nazag, sloop Harmen naar de lantaren. Hè, daar was die lamme maan weer! Even wachten maar. Dat die nou ook juist moest gaan schijnen, als Harmen.…. kwam er nou nooit een wolk voor? Ah! Eindelijk!Harmen sloop nader tot hij bij de lantaren was, en toen de Inlander zich afwendde, blies Harmen ze uit. Maar als de drommel trok hij zijn hoofd weer terug: de Inlander had gemerkt, dat de lantaren was uitgegaan, bukte zich en hief ze grommend op. Toen hoorde Harmen, die geheel in de schaduw teruggekropen was, vuur slaan en zag het lichtschijnsel van de lantaren weer. Harmen deed zichzelf bittere verwijten, dat hij niet ineens met de lantaren was weggehold vóór de Inlander zich weer had omgewend. „Nou, ergens is het goed voor geweest”, troostte Harmen zichzelf, „ik weet nu, dat ie een tondeldoos heeft, die kan Harremen óók gebruiken. Weet je wat? Ik gooi m’n zeiltje over hem heen,—dan heb ik hem!” En met meer haast dan voorzichtigheid sloop Harmen naar z’n zeiltje.De Inlander hief het hoofd op, luisterde even, nam zijn lantaren en liep op het geruisch af, dat hij vernomen had. Floep! Harmen zat onder z’n zeil weggescholen. De Inlander zag hem niet, keerde weer terug, zette de lantaren op den voorsteven van zijn prauwtje en begon het lichte vaartuigje in het water te duwen.„Wacht, daar zal ik je bij helpen!” fluisterde Harmen. Hij richtte zich op en sloop, het zeil voor zich uithoudend, geruischloos achter den Maleier aan, die uit alle macht duwde en niets merkte van het dreigend spook, dat in den duisteren nacht achter hem stond.De voorsteven van het prauwtje schoof het water in. Nu ging het duwen sneller: de Inlander schoot plots vooruit. En in dezelfde seconde wierp Harmen zich als een groote vleermuis op zijn rug, zoodat de prauw van den wal werd gestooten en de Maleier voorover in het water sloeg, Harmen bovenop hem. „Dat moest ik hebben!” hijgde Harmen. „Onder water kan ie niet schreeuwen.”Wip! Harmen zwaaide zich om, drukte, zelf half in het[464]water zittend, de knieën forsch op de naar voren uitgestrekte armen van zijn slachtoffer. Zijn eerste werk was, den man het mes uit den gordel te rukken en het op het zand te werpen. Toen zwaaide hij zich weer om, trok het zeil als een zak om ’s mans hoofd, werkte toen diens handen op den rug, omknelde ze met ijzeren greep, duwde zijn rechtervuist in den mond van den overvallene om hem het schreeuwen te beletten—en liet toen zijn gevangene opstaan, waarvan de man een dankbaar gebruik maakte.Toen, op het strand, ontstond een nieuwe worsteling, waarbij Harmen het niet gemakkelijk had, daar hij den man niet alleen in bedwang moest houden, maar hem bovendien het schreeuwen moest beletten. Het zag er een oogenblik leelijk voor onzen vriend uit: de Inlander beet hem als een razend dier in de hand, dat Harmen zelf wel schreeuwen kon van pijn. Verduiveld, zou een Hollandsche janmaat zich door zoo’n nikker.….?! In stomme woede drukte Harmen den Maleier achterover, bevrijdde zijn hand door den man met de andere vuist een paar geduchte slagen toe te dienen. Daarop stopte hij hem een groote prop zeildoek in den mond. „Daar lig je nou!” zei Harmen bitter en zijn bloedenden pols aflikkend. „Bijten, hè, dat kun je? ’k Had je daarnet onder het water moeten houden, dan had je zoo’n praats niet gehad!”Harmen trok zijn slachtoffer naar een prauw, snoerde hem met een touw, dat in het bootje lag, polsen en enkels vast, zoodat de Inlander zich niet van de prop bevrijden kon. Toen rolde hij hem geheel in de schaduw van een prauw en raapte ’s mans mes op.„Ze hebben niks gemerkt”, stelde Harmen vast. „Nou wou ik maar, dat de slaapkop zijn bootje niet zoover had weggeduwd.—Wacht! daar ligt het ommers!” Het prauwtje was een eindje verder weer aan den kant gestooten. De Maleier worstelde nog om los te komen, trachtte te schreeuwen.„Stil maar, ik weet wel wat je zeggen wil”, troostte Harmen, sloop op handen en voeten naar de prauw met de lantaren op den steven, kroop er in, stootte van den wal en wierp het zeil uit. „Nou! Nou vaar ik als een radjah!” Harmen grinnikte,[465]keek met welbehagen naar den vroolijken lichtschijn van de lantaren, voorop. „Ze zullen opkijken!”Een briesje deed het zeil bollen, en licht en bevallig gleed het vaartuigje, gestuurd door Harmens vaardige hand, over het water.Zeilende prauw.Een half uur later zwenkte Harmen de kreek binnen, meerde zijn prauw, sprong aan den wal. „Sta op, jongens!”„Harmen.…?! Volgen ze je?”„Niet dat ik weet. Maar we doen toch goed, onze biezen te pakken. ’k Heb een heele prauw gekaapt!”„Een prauw? Doen we dan niet beter, met die prauw in zee te gaan?” vroeg Padde.„Ja, goeie morrege!” zei Harmen verachtelijk. „Eén golf, en de heele boel slaat om!”„Ja, ik geloof ook, dat het vlot wèl zoo stevig ligt!” meende Rolf. „En we moeten ook niet meer stelen dan noodig is. Kom mee, jongens, aan ’t werk!”Het zeil werd losgemaakt en op het vlot gegooid. Drinkwater was al aan boord; de kokosnoten, de wapens, het vischtuig en de halfgedroogde visch volgden. En gezamelijk duwden de jongens van wal.Ineens stokte Harmen, keek verschrikt naar den oever. „M’n zethaakjes, jongens!” stamelde hij. En uit alle macht werkte hij het vlot weer terug.„Maak dan voort!”Die raad was overbodig; Harmen holde met groote sprongen naar de plaats waar hij de zethaken had uitgelegd. „’k Heb er al een!” gilde Harmen. „Gommenikkie, wat een vet mormel! Kijk hem eens kronkelen! En hier! Zit er ook een an!En aan m’n derde haak.…. zit er ook een!! Jongens, weblijvenhier nog tot morgenvroeg! Eerder zoeken ze ons toch niet! En dan heb ik er nog drie bij! Ik hou zoo razend van paling!”[466]„Kom je, of kom je niet?”„Neen! Ik komniet!”„Stoot af, Hajo”, beval Rolf. En zelf gaf hij het vlot een fermen zet.„Wacht!” schreeuwde Harmen, kwam toesnellen en belandde met een geweldigen sprong aan boord. En tegen Rolf voer hij uit: „Je weet, dat je in Bantem nog een pak slaag bij me te goed hebt, niet waar?”„Wie breng je mee?” vroeg Rolf.„Mezelf!” zei Harmen. Nijdig pakte hij een boom op en werkte mee om het vlot naar het midden van de rivier te krijgen.De maan brak weer door. Zachtkens gleed het vlot voort. En zoo kwam het op de plaats waar de boomen aan den oever zich openvouwden en aan beide zijden het zeestrand blonk.„Jongens, nu de branding door! Padde, ga op het zeil zitten en hou Joppie vast. Harmen, zorg jij voor de waterkokers en de rest, dan zullen Hajo en ik.….”Het vlot werd hoog opgetild, smakte neer, dompelend in het schuim; een andere zeeduivel zette er zijn rug onder; de bamboes kraakten; het water vloog over de hoofden der jongens. Maar ze hielden zich schrap; Rolf en Hajo duwden uit alle macht af in den ondiepen bodem, en plots schoot het vlot smeuïg de branding weer uit, lag stil op de kalme deining.„Een beste kast!” prees Harmen. „Zullen we hem doopen?”„Hij is al gedoopt!” lachte Rolf.„Maar een naam moet hij toch hebben”, meende Hajo. „Dolimahis een mooie naam!”De jongens knikten zwijgend. Dolimah.….! Ze keken om naar het land, dat ze nu gingen verlaten. Het strand, de bosschen, de bergen in de verte, alles baadde in het maanlicht.En nu de jongens die groene bosschen, die bergen vaarwel zeiden, voelden ze, dat ze daarmee ook voorgoed Dolimah verlieten, en het was hun of er een stuk van hen werd afgerukt. In hun verbeelding zagen ze Dolimah met Saleiman haar dorpje weer zoeken; Saleiman geheimzinnig bespelend zijn betooverde bamboefluit; Dolimah zwijgend, angstig denkend aan wat haar thuis wachtte. En tusschen de struiken gluurde het[467]kantjil met zijn vreesachtige oogen, de olifant, het stekelvarken, booze en goede geesten. En allen lieten haar eerbiedig voorbijgaan, alsof een prinsesje passeerde.….Een prinsesje, dat was Dolimah voor hen geweest. Een beschermheilige en een kleine, wakkere raadgeefster.Het vlot wasDolimahgedoopt. Zou het hen dan niet veilig naar Bantem brengen? Waterduivels, booze stormgeesten, weet het allen: dit vlot is deDolimah!Zachtkens dansend op de stille golven, dreef deDolimahvoort in de zilveren oneindigheid van maan, sterren, wolken, zee en hemel.Zeemeeuw.[468]

[Inhoud]HARMEN KAAPT EEN ZEILTJEHARMEN KAAPT EEN ZEILTJE„Waarmee zullen we beginnen?” vroeg Rolf. „Kom, laten we eerst nog een stelletje dikke bamboes onder het vlot door steken. Ze passen net mooi in de gleuven van de andere bamboes! Straks snoeren we de heele zaak stevig vast!”Het vlot rees merkbaar, toen er nog weer een stuk of tien lange, zware bamboes onder waren geschoven. De jongens snoerden er rotankoorden omheen, rukten ze danig vast,—dat werkje hadden ze aan boord van deNieuw-Hoorngeleerd.Ten slotte was het vlot wel een voet boven het wateroppervlak gestegen.„Nu is het voldoende”, meende Rolf. „Als we storm krijgen, worden we er tòch afgeslagen, en het vlot is sterk genoeg om een stevig golfje te verdragen. Laten we eens kijken hoe we de mast in het dek woelen. ’t Lijkt me het beste, hem beneden in een lus te wringen, die we naar vier zijden vast slaan. Maar dat doen we beter op zee! We zullen hem nu maar op het vlot binden en wachten, of Harmen werkelijk slaagt met z’n zeiltje”.„’k Ben er niets bang voor”, zei Hajo. „Maar als hij het heele dorp er bij op de hielen heeft, zou het me ook niets verwonderen!”„In elk geval zouden we nu dadelijk kunnen vluchten”, meende Rolf. „Ga je mee aan land? Padde slaapt,—hoor je hem snurken?”[462]Harmen volgde het pad langs den oever. Hij bevond zich aan den kant van het dorp, hoefde dus gelukkig niet over te zwemmen. Toen hij de vroegere ligplaats van het vlot voorbij was, moest hij zich een weg door het geboomte banen,—in den zwarten nacht een griezelig werkje, waarbij Harmen’s bloed sneller klopte en het klamme zweet hem op de polsen stond.Eindelijk kwam hij bij een weggetje, volgde het, en een half uurtje later zag hij tusschen de boomen het dorp. Aan den oever lagen prauwen, wel twintig bij mekaar, de zeilen om den mast gesjord. Hoe te naderen? Alles was haast open terrein: de kampong lag dicht aan den oever.Harmen keek eens naar de lucht. Die was donker, maar tusschen de wolken waren lichte plekken waar de maan telkens doorscheen. Daar,—nu was het weer even licht! Wacht, zoometeen zou die zware wolk voorbij drijven; daar zou Harmen partij van trekken. En toen de wolk, waar Harmen op oogde, voor de maan schoof, kroop Harmen vlug als een rat naar de naastbijzijnde prauw.Hijgend bleef hij zitten. Ziezoo: hier achter dat „sloepie” was hij veilig!Welk zeil zou hij nemen? Daarginds lag er een los; die was makkelijk te kapen. Vlug sloop hij er heen, trok het zeil naar zich toe, neusde het af. „Hm!” knorde Harmen. „Berentsz. moest het niet in z’n vingers krijgen. Afijn, we zullen het er maar mee doen.” En Harmen wilde zich met zijn buit uit de voeten maken.—Verdikke! Daar kwam zoo’n sloeber aanzetten! Wat kwam ie doen? Hij had een mes in z’n gordel zitten. Harremen ook.De Inlander, die naderde, een lantaren in de hand, kwam recht op Harmen af. Maar dichterbij gekomen, boog hij iets naar rechts af, zoodat Harmen kon blijven zitten. Glurend langs den mast van het vaartuigje, waarachter hij zich verborgen hield, zag onze vriend, dat de Inlander aan een der prauwtjes wat morrelde en zijn lantaren op den grond zette.„Van die lantaren ben ik niet vies”, bekende Harmen zichzelf. „Die kunnen we gebruiken! Weet je wat Harremen doet? Hij kruipt er naar toe, blaast ’t licht uit, en is er meteen van tusschen. Met ’n zeil en ’n lantaren!”—En terwijl de Inlander,[463]die ter vischvangst scheen te willen gaan, den mast opzette en zijn net nazag, sloop Harmen naar de lantaren. Hè, daar was die lamme maan weer! Even wachten maar. Dat die nou ook juist moest gaan schijnen, als Harmen.…. kwam er nou nooit een wolk voor? Ah! Eindelijk!Harmen sloop nader tot hij bij de lantaren was, en toen de Inlander zich afwendde, blies Harmen ze uit. Maar als de drommel trok hij zijn hoofd weer terug: de Inlander had gemerkt, dat de lantaren was uitgegaan, bukte zich en hief ze grommend op. Toen hoorde Harmen, die geheel in de schaduw teruggekropen was, vuur slaan en zag het lichtschijnsel van de lantaren weer. Harmen deed zichzelf bittere verwijten, dat hij niet ineens met de lantaren was weggehold vóór de Inlander zich weer had omgewend. „Nou, ergens is het goed voor geweest”, troostte Harmen zichzelf, „ik weet nu, dat ie een tondeldoos heeft, die kan Harremen óók gebruiken. Weet je wat? Ik gooi m’n zeiltje over hem heen,—dan heb ik hem!” En met meer haast dan voorzichtigheid sloop Harmen naar z’n zeiltje.De Inlander hief het hoofd op, luisterde even, nam zijn lantaren en liep op het geruisch af, dat hij vernomen had. Floep! Harmen zat onder z’n zeil weggescholen. De Inlander zag hem niet, keerde weer terug, zette de lantaren op den voorsteven van zijn prauwtje en begon het lichte vaartuigje in het water te duwen.„Wacht, daar zal ik je bij helpen!” fluisterde Harmen. Hij richtte zich op en sloop, het zeil voor zich uithoudend, geruischloos achter den Maleier aan, die uit alle macht duwde en niets merkte van het dreigend spook, dat in den duisteren nacht achter hem stond.De voorsteven van het prauwtje schoof het water in. Nu ging het duwen sneller: de Inlander schoot plots vooruit. En in dezelfde seconde wierp Harmen zich als een groote vleermuis op zijn rug, zoodat de prauw van den wal werd gestooten en de Maleier voorover in het water sloeg, Harmen bovenop hem. „Dat moest ik hebben!” hijgde Harmen. „Onder water kan ie niet schreeuwen.”Wip! Harmen zwaaide zich om, drukte, zelf half in het[464]water zittend, de knieën forsch op de naar voren uitgestrekte armen van zijn slachtoffer. Zijn eerste werk was, den man het mes uit den gordel te rukken en het op het zand te werpen. Toen zwaaide hij zich weer om, trok het zeil als een zak om ’s mans hoofd, werkte toen diens handen op den rug, omknelde ze met ijzeren greep, duwde zijn rechtervuist in den mond van den overvallene om hem het schreeuwen te beletten—en liet toen zijn gevangene opstaan, waarvan de man een dankbaar gebruik maakte.Toen, op het strand, ontstond een nieuwe worsteling, waarbij Harmen het niet gemakkelijk had, daar hij den man niet alleen in bedwang moest houden, maar hem bovendien het schreeuwen moest beletten. Het zag er een oogenblik leelijk voor onzen vriend uit: de Inlander beet hem als een razend dier in de hand, dat Harmen zelf wel schreeuwen kon van pijn. Verduiveld, zou een Hollandsche janmaat zich door zoo’n nikker.….?! In stomme woede drukte Harmen den Maleier achterover, bevrijdde zijn hand door den man met de andere vuist een paar geduchte slagen toe te dienen. Daarop stopte hij hem een groote prop zeildoek in den mond. „Daar lig je nou!” zei Harmen bitter en zijn bloedenden pols aflikkend. „Bijten, hè, dat kun je? ’k Had je daarnet onder het water moeten houden, dan had je zoo’n praats niet gehad!”Harmen trok zijn slachtoffer naar een prauw, snoerde hem met een touw, dat in het bootje lag, polsen en enkels vast, zoodat de Inlander zich niet van de prop bevrijden kon. Toen rolde hij hem geheel in de schaduw van een prauw en raapte ’s mans mes op.„Ze hebben niks gemerkt”, stelde Harmen vast. „Nou wou ik maar, dat de slaapkop zijn bootje niet zoover had weggeduwd.—Wacht! daar ligt het ommers!” Het prauwtje was een eindje verder weer aan den kant gestooten. De Maleier worstelde nog om los te komen, trachtte te schreeuwen.„Stil maar, ik weet wel wat je zeggen wil”, troostte Harmen, sloop op handen en voeten naar de prauw met de lantaren op den steven, kroop er in, stootte van den wal en wierp het zeil uit. „Nou! Nou vaar ik als een radjah!” Harmen grinnikte,[465]keek met welbehagen naar den vroolijken lichtschijn van de lantaren, voorop. „Ze zullen opkijken!”Een briesje deed het zeil bollen, en licht en bevallig gleed het vaartuigje, gestuurd door Harmens vaardige hand, over het water.Zeilende prauw.Een half uur later zwenkte Harmen de kreek binnen, meerde zijn prauw, sprong aan den wal. „Sta op, jongens!”„Harmen.…?! Volgen ze je?”„Niet dat ik weet. Maar we doen toch goed, onze biezen te pakken. ’k Heb een heele prauw gekaapt!”„Een prauw? Doen we dan niet beter, met die prauw in zee te gaan?” vroeg Padde.„Ja, goeie morrege!” zei Harmen verachtelijk. „Eén golf, en de heele boel slaat om!”„Ja, ik geloof ook, dat het vlot wèl zoo stevig ligt!” meende Rolf. „En we moeten ook niet meer stelen dan noodig is. Kom mee, jongens, aan ’t werk!”Het zeil werd losgemaakt en op het vlot gegooid. Drinkwater was al aan boord; de kokosnoten, de wapens, het vischtuig en de halfgedroogde visch volgden. En gezamelijk duwden de jongens van wal.Ineens stokte Harmen, keek verschrikt naar den oever. „M’n zethaakjes, jongens!” stamelde hij. En uit alle macht werkte hij het vlot weer terug.„Maak dan voort!”Die raad was overbodig; Harmen holde met groote sprongen naar de plaats waar hij de zethaken had uitgelegd. „’k Heb er al een!” gilde Harmen. „Gommenikkie, wat een vet mormel! Kijk hem eens kronkelen! En hier! Zit er ook een an!En aan m’n derde haak.…. zit er ook een!! Jongens, weblijvenhier nog tot morgenvroeg! Eerder zoeken ze ons toch niet! En dan heb ik er nog drie bij! Ik hou zoo razend van paling!”[466]„Kom je, of kom je niet?”„Neen! Ik komniet!”„Stoot af, Hajo”, beval Rolf. En zelf gaf hij het vlot een fermen zet.„Wacht!” schreeuwde Harmen, kwam toesnellen en belandde met een geweldigen sprong aan boord. En tegen Rolf voer hij uit: „Je weet, dat je in Bantem nog een pak slaag bij me te goed hebt, niet waar?”„Wie breng je mee?” vroeg Rolf.„Mezelf!” zei Harmen. Nijdig pakte hij een boom op en werkte mee om het vlot naar het midden van de rivier te krijgen.De maan brak weer door. Zachtkens gleed het vlot voort. En zoo kwam het op de plaats waar de boomen aan den oever zich openvouwden en aan beide zijden het zeestrand blonk.„Jongens, nu de branding door! Padde, ga op het zeil zitten en hou Joppie vast. Harmen, zorg jij voor de waterkokers en de rest, dan zullen Hajo en ik.….”Het vlot werd hoog opgetild, smakte neer, dompelend in het schuim; een andere zeeduivel zette er zijn rug onder; de bamboes kraakten; het water vloog over de hoofden der jongens. Maar ze hielden zich schrap; Rolf en Hajo duwden uit alle macht af in den ondiepen bodem, en plots schoot het vlot smeuïg de branding weer uit, lag stil op de kalme deining.„Een beste kast!” prees Harmen. „Zullen we hem doopen?”„Hij is al gedoopt!” lachte Rolf.„Maar een naam moet hij toch hebben”, meende Hajo. „Dolimahis een mooie naam!”De jongens knikten zwijgend. Dolimah.….! Ze keken om naar het land, dat ze nu gingen verlaten. Het strand, de bosschen, de bergen in de verte, alles baadde in het maanlicht.En nu de jongens die groene bosschen, die bergen vaarwel zeiden, voelden ze, dat ze daarmee ook voorgoed Dolimah verlieten, en het was hun of er een stuk van hen werd afgerukt. In hun verbeelding zagen ze Dolimah met Saleiman haar dorpje weer zoeken; Saleiman geheimzinnig bespelend zijn betooverde bamboefluit; Dolimah zwijgend, angstig denkend aan wat haar thuis wachtte. En tusschen de struiken gluurde het[467]kantjil met zijn vreesachtige oogen, de olifant, het stekelvarken, booze en goede geesten. En allen lieten haar eerbiedig voorbijgaan, alsof een prinsesje passeerde.….Een prinsesje, dat was Dolimah voor hen geweest. Een beschermheilige en een kleine, wakkere raadgeefster.Het vlot wasDolimahgedoopt. Zou het hen dan niet veilig naar Bantem brengen? Waterduivels, booze stormgeesten, weet het allen: dit vlot is deDolimah!Zachtkens dansend op de stille golven, dreef deDolimahvoort in de zilveren oneindigheid van maan, sterren, wolken, zee en hemel.Zeemeeuw.[468]

[Inhoud]HARMEN KAAPT EEN ZEILTJEHARMEN KAAPT EEN ZEILTJE„Waarmee zullen we beginnen?” vroeg Rolf. „Kom, laten we eerst nog een stelletje dikke bamboes onder het vlot door steken. Ze passen net mooi in de gleuven van de andere bamboes! Straks snoeren we de heele zaak stevig vast!”Het vlot rees merkbaar, toen er nog weer een stuk of tien lange, zware bamboes onder waren geschoven. De jongens snoerden er rotankoorden omheen, rukten ze danig vast,—dat werkje hadden ze aan boord van deNieuw-Hoorngeleerd.Ten slotte was het vlot wel een voet boven het wateroppervlak gestegen.„Nu is het voldoende”, meende Rolf. „Als we storm krijgen, worden we er tòch afgeslagen, en het vlot is sterk genoeg om een stevig golfje te verdragen. Laten we eens kijken hoe we de mast in het dek woelen. ’t Lijkt me het beste, hem beneden in een lus te wringen, die we naar vier zijden vast slaan. Maar dat doen we beter op zee! We zullen hem nu maar op het vlot binden en wachten, of Harmen werkelijk slaagt met z’n zeiltje”.„’k Ben er niets bang voor”, zei Hajo. „Maar als hij het heele dorp er bij op de hielen heeft, zou het me ook niets verwonderen!”„In elk geval zouden we nu dadelijk kunnen vluchten”, meende Rolf. „Ga je mee aan land? Padde slaapt,—hoor je hem snurken?”[462]Harmen volgde het pad langs den oever. Hij bevond zich aan den kant van het dorp, hoefde dus gelukkig niet over te zwemmen. Toen hij de vroegere ligplaats van het vlot voorbij was, moest hij zich een weg door het geboomte banen,—in den zwarten nacht een griezelig werkje, waarbij Harmen’s bloed sneller klopte en het klamme zweet hem op de polsen stond.Eindelijk kwam hij bij een weggetje, volgde het, en een half uurtje later zag hij tusschen de boomen het dorp. Aan den oever lagen prauwen, wel twintig bij mekaar, de zeilen om den mast gesjord. Hoe te naderen? Alles was haast open terrein: de kampong lag dicht aan den oever.Harmen keek eens naar de lucht. Die was donker, maar tusschen de wolken waren lichte plekken waar de maan telkens doorscheen. Daar,—nu was het weer even licht! Wacht, zoometeen zou die zware wolk voorbij drijven; daar zou Harmen partij van trekken. En toen de wolk, waar Harmen op oogde, voor de maan schoof, kroop Harmen vlug als een rat naar de naastbijzijnde prauw.Hijgend bleef hij zitten. Ziezoo: hier achter dat „sloepie” was hij veilig!Welk zeil zou hij nemen? Daarginds lag er een los; die was makkelijk te kapen. Vlug sloop hij er heen, trok het zeil naar zich toe, neusde het af. „Hm!” knorde Harmen. „Berentsz. moest het niet in z’n vingers krijgen. Afijn, we zullen het er maar mee doen.” En Harmen wilde zich met zijn buit uit de voeten maken.—Verdikke! Daar kwam zoo’n sloeber aanzetten! Wat kwam ie doen? Hij had een mes in z’n gordel zitten. Harremen ook.De Inlander, die naderde, een lantaren in de hand, kwam recht op Harmen af. Maar dichterbij gekomen, boog hij iets naar rechts af, zoodat Harmen kon blijven zitten. Glurend langs den mast van het vaartuigje, waarachter hij zich verborgen hield, zag onze vriend, dat de Inlander aan een der prauwtjes wat morrelde en zijn lantaren op den grond zette.„Van die lantaren ben ik niet vies”, bekende Harmen zichzelf. „Die kunnen we gebruiken! Weet je wat Harremen doet? Hij kruipt er naar toe, blaast ’t licht uit, en is er meteen van tusschen. Met ’n zeil en ’n lantaren!”—En terwijl de Inlander,[463]die ter vischvangst scheen te willen gaan, den mast opzette en zijn net nazag, sloop Harmen naar de lantaren. Hè, daar was die lamme maan weer! Even wachten maar. Dat die nou ook juist moest gaan schijnen, als Harmen.…. kwam er nou nooit een wolk voor? Ah! Eindelijk!Harmen sloop nader tot hij bij de lantaren was, en toen de Inlander zich afwendde, blies Harmen ze uit. Maar als de drommel trok hij zijn hoofd weer terug: de Inlander had gemerkt, dat de lantaren was uitgegaan, bukte zich en hief ze grommend op. Toen hoorde Harmen, die geheel in de schaduw teruggekropen was, vuur slaan en zag het lichtschijnsel van de lantaren weer. Harmen deed zichzelf bittere verwijten, dat hij niet ineens met de lantaren was weggehold vóór de Inlander zich weer had omgewend. „Nou, ergens is het goed voor geweest”, troostte Harmen zichzelf, „ik weet nu, dat ie een tondeldoos heeft, die kan Harremen óók gebruiken. Weet je wat? Ik gooi m’n zeiltje over hem heen,—dan heb ik hem!” En met meer haast dan voorzichtigheid sloop Harmen naar z’n zeiltje.De Inlander hief het hoofd op, luisterde even, nam zijn lantaren en liep op het geruisch af, dat hij vernomen had. Floep! Harmen zat onder z’n zeil weggescholen. De Inlander zag hem niet, keerde weer terug, zette de lantaren op den voorsteven van zijn prauwtje en begon het lichte vaartuigje in het water te duwen.„Wacht, daar zal ik je bij helpen!” fluisterde Harmen. Hij richtte zich op en sloop, het zeil voor zich uithoudend, geruischloos achter den Maleier aan, die uit alle macht duwde en niets merkte van het dreigend spook, dat in den duisteren nacht achter hem stond.De voorsteven van het prauwtje schoof het water in. Nu ging het duwen sneller: de Inlander schoot plots vooruit. En in dezelfde seconde wierp Harmen zich als een groote vleermuis op zijn rug, zoodat de prauw van den wal werd gestooten en de Maleier voorover in het water sloeg, Harmen bovenop hem. „Dat moest ik hebben!” hijgde Harmen. „Onder water kan ie niet schreeuwen.”Wip! Harmen zwaaide zich om, drukte, zelf half in het[464]water zittend, de knieën forsch op de naar voren uitgestrekte armen van zijn slachtoffer. Zijn eerste werk was, den man het mes uit den gordel te rukken en het op het zand te werpen. Toen zwaaide hij zich weer om, trok het zeil als een zak om ’s mans hoofd, werkte toen diens handen op den rug, omknelde ze met ijzeren greep, duwde zijn rechtervuist in den mond van den overvallene om hem het schreeuwen te beletten—en liet toen zijn gevangene opstaan, waarvan de man een dankbaar gebruik maakte.Toen, op het strand, ontstond een nieuwe worsteling, waarbij Harmen het niet gemakkelijk had, daar hij den man niet alleen in bedwang moest houden, maar hem bovendien het schreeuwen moest beletten. Het zag er een oogenblik leelijk voor onzen vriend uit: de Inlander beet hem als een razend dier in de hand, dat Harmen zelf wel schreeuwen kon van pijn. Verduiveld, zou een Hollandsche janmaat zich door zoo’n nikker.….?! In stomme woede drukte Harmen den Maleier achterover, bevrijdde zijn hand door den man met de andere vuist een paar geduchte slagen toe te dienen. Daarop stopte hij hem een groote prop zeildoek in den mond. „Daar lig je nou!” zei Harmen bitter en zijn bloedenden pols aflikkend. „Bijten, hè, dat kun je? ’k Had je daarnet onder het water moeten houden, dan had je zoo’n praats niet gehad!”Harmen trok zijn slachtoffer naar een prauw, snoerde hem met een touw, dat in het bootje lag, polsen en enkels vast, zoodat de Inlander zich niet van de prop bevrijden kon. Toen rolde hij hem geheel in de schaduw van een prauw en raapte ’s mans mes op.„Ze hebben niks gemerkt”, stelde Harmen vast. „Nou wou ik maar, dat de slaapkop zijn bootje niet zoover had weggeduwd.—Wacht! daar ligt het ommers!” Het prauwtje was een eindje verder weer aan den kant gestooten. De Maleier worstelde nog om los te komen, trachtte te schreeuwen.„Stil maar, ik weet wel wat je zeggen wil”, troostte Harmen, sloop op handen en voeten naar de prauw met de lantaren op den steven, kroop er in, stootte van den wal en wierp het zeil uit. „Nou! Nou vaar ik als een radjah!” Harmen grinnikte,[465]keek met welbehagen naar den vroolijken lichtschijn van de lantaren, voorop. „Ze zullen opkijken!”Een briesje deed het zeil bollen, en licht en bevallig gleed het vaartuigje, gestuurd door Harmens vaardige hand, over het water.Zeilende prauw.Een half uur later zwenkte Harmen de kreek binnen, meerde zijn prauw, sprong aan den wal. „Sta op, jongens!”„Harmen.…?! Volgen ze je?”„Niet dat ik weet. Maar we doen toch goed, onze biezen te pakken. ’k Heb een heele prauw gekaapt!”„Een prauw? Doen we dan niet beter, met die prauw in zee te gaan?” vroeg Padde.„Ja, goeie morrege!” zei Harmen verachtelijk. „Eén golf, en de heele boel slaat om!”„Ja, ik geloof ook, dat het vlot wèl zoo stevig ligt!” meende Rolf. „En we moeten ook niet meer stelen dan noodig is. Kom mee, jongens, aan ’t werk!”Het zeil werd losgemaakt en op het vlot gegooid. Drinkwater was al aan boord; de kokosnoten, de wapens, het vischtuig en de halfgedroogde visch volgden. En gezamelijk duwden de jongens van wal.Ineens stokte Harmen, keek verschrikt naar den oever. „M’n zethaakjes, jongens!” stamelde hij. En uit alle macht werkte hij het vlot weer terug.„Maak dan voort!”Die raad was overbodig; Harmen holde met groote sprongen naar de plaats waar hij de zethaken had uitgelegd. „’k Heb er al een!” gilde Harmen. „Gommenikkie, wat een vet mormel! Kijk hem eens kronkelen! En hier! Zit er ook een an!En aan m’n derde haak.…. zit er ook een!! Jongens, weblijvenhier nog tot morgenvroeg! Eerder zoeken ze ons toch niet! En dan heb ik er nog drie bij! Ik hou zoo razend van paling!”[466]„Kom je, of kom je niet?”„Neen! Ik komniet!”„Stoot af, Hajo”, beval Rolf. En zelf gaf hij het vlot een fermen zet.„Wacht!” schreeuwde Harmen, kwam toesnellen en belandde met een geweldigen sprong aan boord. En tegen Rolf voer hij uit: „Je weet, dat je in Bantem nog een pak slaag bij me te goed hebt, niet waar?”„Wie breng je mee?” vroeg Rolf.„Mezelf!” zei Harmen. Nijdig pakte hij een boom op en werkte mee om het vlot naar het midden van de rivier te krijgen.De maan brak weer door. Zachtkens gleed het vlot voort. En zoo kwam het op de plaats waar de boomen aan den oever zich openvouwden en aan beide zijden het zeestrand blonk.„Jongens, nu de branding door! Padde, ga op het zeil zitten en hou Joppie vast. Harmen, zorg jij voor de waterkokers en de rest, dan zullen Hajo en ik.….”Het vlot werd hoog opgetild, smakte neer, dompelend in het schuim; een andere zeeduivel zette er zijn rug onder; de bamboes kraakten; het water vloog over de hoofden der jongens. Maar ze hielden zich schrap; Rolf en Hajo duwden uit alle macht af in den ondiepen bodem, en plots schoot het vlot smeuïg de branding weer uit, lag stil op de kalme deining.„Een beste kast!” prees Harmen. „Zullen we hem doopen?”„Hij is al gedoopt!” lachte Rolf.„Maar een naam moet hij toch hebben”, meende Hajo. „Dolimahis een mooie naam!”De jongens knikten zwijgend. Dolimah.….! Ze keken om naar het land, dat ze nu gingen verlaten. Het strand, de bosschen, de bergen in de verte, alles baadde in het maanlicht.En nu de jongens die groene bosschen, die bergen vaarwel zeiden, voelden ze, dat ze daarmee ook voorgoed Dolimah verlieten, en het was hun of er een stuk van hen werd afgerukt. In hun verbeelding zagen ze Dolimah met Saleiman haar dorpje weer zoeken; Saleiman geheimzinnig bespelend zijn betooverde bamboefluit; Dolimah zwijgend, angstig denkend aan wat haar thuis wachtte. En tusschen de struiken gluurde het[467]kantjil met zijn vreesachtige oogen, de olifant, het stekelvarken, booze en goede geesten. En allen lieten haar eerbiedig voorbijgaan, alsof een prinsesje passeerde.….Een prinsesje, dat was Dolimah voor hen geweest. Een beschermheilige en een kleine, wakkere raadgeefster.Het vlot wasDolimahgedoopt. Zou het hen dan niet veilig naar Bantem brengen? Waterduivels, booze stormgeesten, weet het allen: dit vlot is deDolimah!Zachtkens dansend op de stille golven, dreef deDolimahvoort in de zilveren oneindigheid van maan, sterren, wolken, zee en hemel.Zeemeeuw.[468]

HARMEN KAAPT EEN ZEILTJEHARMEN KAAPT EEN ZEILTJE

HARMEN KAAPT EEN ZEILTJE

„Waarmee zullen we beginnen?” vroeg Rolf. „Kom, laten we eerst nog een stelletje dikke bamboes onder het vlot door steken. Ze passen net mooi in de gleuven van de andere bamboes! Straks snoeren we de heele zaak stevig vast!”Het vlot rees merkbaar, toen er nog weer een stuk of tien lange, zware bamboes onder waren geschoven. De jongens snoerden er rotankoorden omheen, rukten ze danig vast,—dat werkje hadden ze aan boord van deNieuw-Hoorngeleerd.Ten slotte was het vlot wel een voet boven het wateroppervlak gestegen.„Nu is het voldoende”, meende Rolf. „Als we storm krijgen, worden we er tòch afgeslagen, en het vlot is sterk genoeg om een stevig golfje te verdragen. Laten we eens kijken hoe we de mast in het dek woelen. ’t Lijkt me het beste, hem beneden in een lus te wringen, die we naar vier zijden vast slaan. Maar dat doen we beter op zee! We zullen hem nu maar op het vlot binden en wachten, of Harmen werkelijk slaagt met z’n zeiltje”.„’k Ben er niets bang voor”, zei Hajo. „Maar als hij het heele dorp er bij op de hielen heeft, zou het me ook niets verwonderen!”„In elk geval zouden we nu dadelijk kunnen vluchten”, meende Rolf. „Ga je mee aan land? Padde slaapt,—hoor je hem snurken?”[462]Harmen volgde het pad langs den oever. Hij bevond zich aan den kant van het dorp, hoefde dus gelukkig niet over te zwemmen. Toen hij de vroegere ligplaats van het vlot voorbij was, moest hij zich een weg door het geboomte banen,—in den zwarten nacht een griezelig werkje, waarbij Harmen’s bloed sneller klopte en het klamme zweet hem op de polsen stond.Eindelijk kwam hij bij een weggetje, volgde het, en een half uurtje later zag hij tusschen de boomen het dorp. Aan den oever lagen prauwen, wel twintig bij mekaar, de zeilen om den mast gesjord. Hoe te naderen? Alles was haast open terrein: de kampong lag dicht aan den oever.Harmen keek eens naar de lucht. Die was donker, maar tusschen de wolken waren lichte plekken waar de maan telkens doorscheen. Daar,—nu was het weer even licht! Wacht, zoometeen zou die zware wolk voorbij drijven; daar zou Harmen partij van trekken. En toen de wolk, waar Harmen op oogde, voor de maan schoof, kroop Harmen vlug als een rat naar de naastbijzijnde prauw.Hijgend bleef hij zitten. Ziezoo: hier achter dat „sloepie” was hij veilig!Welk zeil zou hij nemen? Daarginds lag er een los; die was makkelijk te kapen. Vlug sloop hij er heen, trok het zeil naar zich toe, neusde het af. „Hm!” knorde Harmen. „Berentsz. moest het niet in z’n vingers krijgen. Afijn, we zullen het er maar mee doen.” En Harmen wilde zich met zijn buit uit de voeten maken.—Verdikke! Daar kwam zoo’n sloeber aanzetten! Wat kwam ie doen? Hij had een mes in z’n gordel zitten. Harremen ook.De Inlander, die naderde, een lantaren in de hand, kwam recht op Harmen af. Maar dichterbij gekomen, boog hij iets naar rechts af, zoodat Harmen kon blijven zitten. Glurend langs den mast van het vaartuigje, waarachter hij zich verborgen hield, zag onze vriend, dat de Inlander aan een der prauwtjes wat morrelde en zijn lantaren op den grond zette.„Van die lantaren ben ik niet vies”, bekende Harmen zichzelf. „Die kunnen we gebruiken! Weet je wat Harremen doet? Hij kruipt er naar toe, blaast ’t licht uit, en is er meteen van tusschen. Met ’n zeil en ’n lantaren!”—En terwijl de Inlander,[463]die ter vischvangst scheen te willen gaan, den mast opzette en zijn net nazag, sloop Harmen naar de lantaren. Hè, daar was die lamme maan weer! Even wachten maar. Dat die nou ook juist moest gaan schijnen, als Harmen.…. kwam er nou nooit een wolk voor? Ah! Eindelijk!Harmen sloop nader tot hij bij de lantaren was, en toen de Inlander zich afwendde, blies Harmen ze uit. Maar als de drommel trok hij zijn hoofd weer terug: de Inlander had gemerkt, dat de lantaren was uitgegaan, bukte zich en hief ze grommend op. Toen hoorde Harmen, die geheel in de schaduw teruggekropen was, vuur slaan en zag het lichtschijnsel van de lantaren weer. Harmen deed zichzelf bittere verwijten, dat hij niet ineens met de lantaren was weggehold vóór de Inlander zich weer had omgewend. „Nou, ergens is het goed voor geweest”, troostte Harmen zichzelf, „ik weet nu, dat ie een tondeldoos heeft, die kan Harremen óók gebruiken. Weet je wat? Ik gooi m’n zeiltje over hem heen,—dan heb ik hem!” En met meer haast dan voorzichtigheid sloop Harmen naar z’n zeiltje.De Inlander hief het hoofd op, luisterde even, nam zijn lantaren en liep op het geruisch af, dat hij vernomen had. Floep! Harmen zat onder z’n zeil weggescholen. De Inlander zag hem niet, keerde weer terug, zette de lantaren op den voorsteven van zijn prauwtje en begon het lichte vaartuigje in het water te duwen.„Wacht, daar zal ik je bij helpen!” fluisterde Harmen. Hij richtte zich op en sloop, het zeil voor zich uithoudend, geruischloos achter den Maleier aan, die uit alle macht duwde en niets merkte van het dreigend spook, dat in den duisteren nacht achter hem stond.De voorsteven van het prauwtje schoof het water in. Nu ging het duwen sneller: de Inlander schoot plots vooruit. En in dezelfde seconde wierp Harmen zich als een groote vleermuis op zijn rug, zoodat de prauw van den wal werd gestooten en de Maleier voorover in het water sloeg, Harmen bovenop hem. „Dat moest ik hebben!” hijgde Harmen. „Onder water kan ie niet schreeuwen.”Wip! Harmen zwaaide zich om, drukte, zelf half in het[464]water zittend, de knieën forsch op de naar voren uitgestrekte armen van zijn slachtoffer. Zijn eerste werk was, den man het mes uit den gordel te rukken en het op het zand te werpen. Toen zwaaide hij zich weer om, trok het zeil als een zak om ’s mans hoofd, werkte toen diens handen op den rug, omknelde ze met ijzeren greep, duwde zijn rechtervuist in den mond van den overvallene om hem het schreeuwen te beletten—en liet toen zijn gevangene opstaan, waarvan de man een dankbaar gebruik maakte.Toen, op het strand, ontstond een nieuwe worsteling, waarbij Harmen het niet gemakkelijk had, daar hij den man niet alleen in bedwang moest houden, maar hem bovendien het schreeuwen moest beletten. Het zag er een oogenblik leelijk voor onzen vriend uit: de Inlander beet hem als een razend dier in de hand, dat Harmen zelf wel schreeuwen kon van pijn. Verduiveld, zou een Hollandsche janmaat zich door zoo’n nikker.….?! In stomme woede drukte Harmen den Maleier achterover, bevrijdde zijn hand door den man met de andere vuist een paar geduchte slagen toe te dienen. Daarop stopte hij hem een groote prop zeildoek in den mond. „Daar lig je nou!” zei Harmen bitter en zijn bloedenden pols aflikkend. „Bijten, hè, dat kun je? ’k Had je daarnet onder het water moeten houden, dan had je zoo’n praats niet gehad!”Harmen trok zijn slachtoffer naar een prauw, snoerde hem met een touw, dat in het bootje lag, polsen en enkels vast, zoodat de Inlander zich niet van de prop bevrijden kon. Toen rolde hij hem geheel in de schaduw van een prauw en raapte ’s mans mes op.„Ze hebben niks gemerkt”, stelde Harmen vast. „Nou wou ik maar, dat de slaapkop zijn bootje niet zoover had weggeduwd.—Wacht! daar ligt het ommers!” Het prauwtje was een eindje verder weer aan den kant gestooten. De Maleier worstelde nog om los te komen, trachtte te schreeuwen.„Stil maar, ik weet wel wat je zeggen wil”, troostte Harmen, sloop op handen en voeten naar de prauw met de lantaren op den steven, kroop er in, stootte van den wal en wierp het zeil uit. „Nou! Nou vaar ik als een radjah!” Harmen grinnikte,[465]keek met welbehagen naar den vroolijken lichtschijn van de lantaren, voorop. „Ze zullen opkijken!”Een briesje deed het zeil bollen, en licht en bevallig gleed het vaartuigje, gestuurd door Harmens vaardige hand, over het water.Zeilende prauw.Een half uur later zwenkte Harmen de kreek binnen, meerde zijn prauw, sprong aan den wal. „Sta op, jongens!”„Harmen.…?! Volgen ze je?”„Niet dat ik weet. Maar we doen toch goed, onze biezen te pakken. ’k Heb een heele prauw gekaapt!”„Een prauw? Doen we dan niet beter, met die prauw in zee te gaan?” vroeg Padde.„Ja, goeie morrege!” zei Harmen verachtelijk. „Eén golf, en de heele boel slaat om!”„Ja, ik geloof ook, dat het vlot wèl zoo stevig ligt!” meende Rolf. „En we moeten ook niet meer stelen dan noodig is. Kom mee, jongens, aan ’t werk!”Het zeil werd losgemaakt en op het vlot gegooid. Drinkwater was al aan boord; de kokosnoten, de wapens, het vischtuig en de halfgedroogde visch volgden. En gezamelijk duwden de jongens van wal.Ineens stokte Harmen, keek verschrikt naar den oever. „M’n zethaakjes, jongens!” stamelde hij. En uit alle macht werkte hij het vlot weer terug.„Maak dan voort!”Die raad was overbodig; Harmen holde met groote sprongen naar de plaats waar hij de zethaken had uitgelegd. „’k Heb er al een!” gilde Harmen. „Gommenikkie, wat een vet mormel! Kijk hem eens kronkelen! En hier! Zit er ook een an!En aan m’n derde haak.…. zit er ook een!! Jongens, weblijvenhier nog tot morgenvroeg! Eerder zoeken ze ons toch niet! En dan heb ik er nog drie bij! Ik hou zoo razend van paling!”[466]„Kom je, of kom je niet?”„Neen! Ik komniet!”„Stoot af, Hajo”, beval Rolf. En zelf gaf hij het vlot een fermen zet.„Wacht!” schreeuwde Harmen, kwam toesnellen en belandde met een geweldigen sprong aan boord. En tegen Rolf voer hij uit: „Je weet, dat je in Bantem nog een pak slaag bij me te goed hebt, niet waar?”„Wie breng je mee?” vroeg Rolf.„Mezelf!” zei Harmen. Nijdig pakte hij een boom op en werkte mee om het vlot naar het midden van de rivier te krijgen.De maan brak weer door. Zachtkens gleed het vlot voort. En zoo kwam het op de plaats waar de boomen aan den oever zich openvouwden en aan beide zijden het zeestrand blonk.„Jongens, nu de branding door! Padde, ga op het zeil zitten en hou Joppie vast. Harmen, zorg jij voor de waterkokers en de rest, dan zullen Hajo en ik.….”Het vlot werd hoog opgetild, smakte neer, dompelend in het schuim; een andere zeeduivel zette er zijn rug onder; de bamboes kraakten; het water vloog over de hoofden der jongens. Maar ze hielden zich schrap; Rolf en Hajo duwden uit alle macht af in den ondiepen bodem, en plots schoot het vlot smeuïg de branding weer uit, lag stil op de kalme deining.„Een beste kast!” prees Harmen. „Zullen we hem doopen?”„Hij is al gedoopt!” lachte Rolf.„Maar een naam moet hij toch hebben”, meende Hajo. „Dolimahis een mooie naam!”De jongens knikten zwijgend. Dolimah.….! Ze keken om naar het land, dat ze nu gingen verlaten. Het strand, de bosschen, de bergen in de verte, alles baadde in het maanlicht.En nu de jongens die groene bosschen, die bergen vaarwel zeiden, voelden ze, dat ze daarmee ook voorgoed Dolimah verlieten, en het was hun of er een stuk van hen werd afgerukt. In hun verbeelding zagen ze Dolimah met Saleiman haar dorpje weer zoeken; Saleiman geheimzinnig bespelend zijn betooverde bamboefluit; Dolimah zwijgend, angstig denkend aan wat haar thuis wachtte. En tusschen de struiken gluurde het[467]kantjil met zijn vreesachtige oogen, de olifant, het stekelvarken, booze en goede geesten. En allen lieten haar eerbiedig voorbijgaan, alsof een prinsesje passeerde.….Een prinsesje, dat was Dolimah voor hen geweest. Een beschermheilige en een kleine, wakkere raadgeefster.Het vlot wasDolimahgedoopt. Zou het hen dan niet veilig naar Bantem brengen? Waterduivels, booze stormgeesten, weet het allen: dit vlot is deDolimah!Zachtkens dansend op de stille golven, dreef deDolimahvoort in de zilveren oneindigheid van maan, sterren, wolken, zee en hemel.Zeemeeuw.[468]

„Waarmee zullen we beginnen?” vroeg Rolf. „Kom, laten we eerst nog een stelletje dikke bamboes onder het vlot door steken. Ze passen net mooi in de gleuven van de andere bamboes! Straks snoeren we de heele zaak stevig vast!”

Het vlot rees merkbaar, toen er nog weer een stuk of tien lange, zware bamboes onder waren geschoven. De jongens snoerden er rotankoorden omheen, rukten ze danig vast,—dat werkje hadden ze aan boord van deNieuw-Hoorngeleerd.

Ten slotte was het vlot wel een voet boven het wateroppervlak gestegen.

„Nu is het voldoende”, meende Rolf. „Als we storm krijgen, worden we er tòch afgeslagen, en het vlot is sterk genoeg om een stevig golfje te verdragen. Laten we eens kijken hoe we de mast in het dek woelen. ’t Lijkt me het beste, hem beneden in een lus te wringen, die we naar vier zijden vast slaan. Maar dat doen we beter op zee! We zullen hem nu maar op het vlot binden en wachten, of Harmen werkelijk slaagt met z’n zeiltje”.

„’k Ben er niets bang voor”, zei Hajo. „Maar als hij het heele dorp er bij op de hielen heeft, zou het me ook niets verwonderen!”

„In elk geval zouden we nu dadelijk kunnen vluchten”, meende Rolf. „Ga je mee aan land? Padde slaapt,—hoor je hem snurken?”[462]

Harmen volgde het pad langs den oever. Hij bevond zich aan den kant van het dorp, hoefde dus gelukkig niet over te zwemmen. Toen hij de vroegere ligplaats van het vlot voorbij was, moest hij zich een weg door het geboomte banen,—in den zwarten nacht een griezelig werkje, waarbij Harmen’s bloed sneller klopte en het klamme zweet hem op de polsen stond.

Eindelijk kwam hij bij een weggetje, volgde het, en een half uurtje later zag hij tusschen de boomen het dorp. Aan den oever lagen prauwen, wel twintig bij mekaar, de zeilen om den mast gesjord. Hoe te naderen? Alles was haast open terrein: de kampong lag dicht aan den oever.

Harmen keek eens naar de lucht. Die was donker, maar tusschen de wolken waren lichte plekken waar de maan telkens doorscheen. Daar,—nu was het weer even licht! Wacht, zoometeen zou die zware wolk voorbij drijven; daar zou Harmen partij van trekken. En toen de wolk, waar Harmen op oogde, voor de maan schoof, kroop Harmen vlug als een rat naar de naastbijzijnde prauw.

Hijgend bleef hij zitten. Ziezoo: hier achter dat „sloepie” was hij veilig!

Welk zeil zou hij nemen? Daarginds lag er een los; die was makkelijk te kapen. Vlug sloop hij er heen, trok het zeil naar zich toe, neusde het af. „Hm!” knorde Harmen. „Berentsz. moest het niet in z’n vingers krijgen. Afijn, we zullen het er maar mee doen.” En Harmen wilde zich met zijn buit uit de voeten maken.—Verdikke! Daar kwam zoo’n sloeber aanzetten! Wat kwam ie doen? Hij had een mes in z’n gordel zitten. Harremen ook.

De Inlander, die naderde, een lantaren in de hand, kwam recht op Harmen af. Maar dichterbij gekomen, boog hij iets naar rechts af, zoodat Harmen kon blijven zitten. Glurend langs den mast van het vaartuigje, waarachter hij zich verborgen hield, zag onze vriend, dat de Inlander aan een der prauwtjes wat morrelde en zijn lantaren op den grond zette.

„Van die lantaren ben ik niet vies”, bekende Harmen zichzelf. „Die kunnen we gebruiken! Weet je wat Harremen doet? Hij kruipt er naar toe, blaast ’t licht uit, en is er meteen van tusschen. Met ’n zeil en ’n lantaren!”—En terwijl de Inlander,[463]die ter vischvangst scheen te willen gaan, den mast opzette en zijn net nazag, sloop Harmen naar de lantaren. Hè, daar was die lamme maan weer! Even wachten maar. Dat die nou ook juist moest gaan schijnen, als Harmen.…. kwam er nou nooit een wolk voor? Ah! Eindelijk!

Harmen sloop nader tot hij bij de lantaren was, en toen de Inlander zich afwendde, blies Harmen ze uit. Maar als de drommel trok hij zijn hoofd weer terug: de Inlander had gemerkt, dat de lantaren was uitgegaan, bukte zich en hief ze grommend op. Toen hoorde Harmen, die geheel in de schaduw teruggekropen was, vuur slaan en zag het lichtschijnsel van de lantaren weer. Harmen deed zichzelf bittere verwijten, dat hij niet ineens met de lantaren was weggehold vóór de Inlander zich weer had omgewend. „Nou, ergens is het goed voor geweest”, troostte Harmen zichzelf, „ik weet nu, dat ie een tondeldoos heeft, die kan Harremen óók gebruiken. Weet je wat? Ik gooi m’n zeiltje over hem heen,—dan heb ik hem!” En met meer haast dan voorzichtigheid sloop Harmen naar z’n zeiltje.

De Inlander hief het hoofd op, luisterde even, nam zijn lantaren en liep op het geruisch af, dat hij vernomen had. Floep! Harmen zat onder z’n zeil weggescholen. De Inlander zag hem niet, keerde weer terug, zette de lantaren op den voorsteven van zijn prauwtje en begon het lichte vaartuigje in het water te duwen.

„Wacht, daar zal ik je bij helpen!” fluisterde Harmen. Hij richtte zich op en sloop, het zeil voor zich uithoudend, geruischloos achter den Maleier aan, die uit alle macht duwde en niets merkte van het dreigend spook, dat in den duisteren nacht achter hem stond.

De voorsteven van het prauwtje schoof het water in. Nu ging het duwen sneller: de Inlander schoot plots vooruit. En in dezelfde seconde wierp Harmen zich als een groote vleermuis op zijn rug, zoodat de prauw van den wal werd gestooten en de Maleier voorover in het water sloeg, Harmen bovenop hem. „Dat moest ik hebben!” hijgde Harmen. „Onder water kan ie niet schreeuwen.”

Wip! Harmen zwaaide zich om, drukte, zelf half in het[464]water zittend, de knieën forsch op de naar voren uitgestrekte armen van zijn slachtoffer. Zijn eerste werk was, den man het mes uit den gordel te rukken en het op het zand te werpen. Toen zwaaide hij zich weer om, trok het zeil als een zak om ’s mans hoofd, werkte toen diens handen op den rug, omknelde ze met ijzeren greep, duwde zijn rechtervuist in den mond van den overvallene om hem het schreeuwen te beletten—en liet toen zijn gevangene opstaan, waarvan de man een dankbaar gebruik maakte.

Toen, op het strand, ontstond een nieuwe worsteling, waarbij Harmen het niet gemakkelijk had, daar hij den man niet alleen in bedwang moest houden, maar hem bovendien het schreeuwen moest beletten. Het zag er een oogenblik leelijk voor onzen vriend uit: de Inlander beet hem als een razend dier in de hand, dat Harmen zelf wel schreeuwen kon van pijn. Verduiveld, zou een Hollandsche janmaat zich door zoo’n nikker.….?! In stomme woede drukte Harmen den Maleier achterover, bevrijdde zijn hand door den man met de andere vuist een paar geduchte slagen toe te dienen. Daarop stopte hij hem een groote prop zeildoek in den mond. „Daar lig je nou!” zei Harmen bitter en zijn bloedenden pols aflikkend. „Bijten, hè, dat kun je? ’k Had je daarnet onder het water moeten houden, dan had je zoo’n praats niet gehad!”

Harmen trok zijn slachtoffer naar een prauw, snoerde hem met een touw, dat in het bootje lag, polsen en enkels vast, zoodat de Inlander zich niet van de prop bevrijden kon. Toen rolde hij hem geheel in de schaduw van een prauw en raapte ’s mans mes op.

„Ze hebben niks gemerkt”, stelde Harmen vast. „Nou wou ik maar, dat de slaapkop zijn bootje niet zoover had weggeduwd.—Wacht! daar ligt het ommers!” Het prauwtje was een eindje verder weer aan den kant gestooten. De Maleier worstelde nog om los te komen, trachtte te schreeuwen.

„Stil maar, ik weet wel wat je zeggen wil”, troostte Harmen, sloop op handen en voeten naar de prauw met de lantaren op den steven, kroop er in, stootte van den wal en wierp het zeil uit. „Nou! Nou vaar ik als een radjah!” Harmen grinnikte,[465]keek met welbehagen naar den vroolijken lichtschijn van de lantaren, voorop. „Ze zullen opkijken!”

Een briesje deed het zeil bollen, en licht en bevallig gleed het vaartuigje, gestuurd door Harmens vaardige hand, over het water.

Zeilende prauw.

Een half uur later zwenkte Harmen de kreek binnen, meerde zijn prauw, sprong aan den wal. „Sta op, jongens!”

„Harmen.…?! Volgen ze je?”

„Niet dat ik weet. Maar we doen toch goed, onze biezen te pakken. ’k Heb een heele prauw gekaapt!”

„Een prauw? Doen we dan niet beter, met die prauw in zee te gaan?” vroeg Padde.

„Ja, goeie morrege!” zei Harmen verachtelijk. „Eén golf, en de heele boel slaat om!”

„Ja, ik geloof ook, dat het vlot wèl zoo stevig ligt!” meende Rolf. „En we moeten ook niet meer stelen dan noodig is. Kom mee, jongens, aan ’t werk!”

Het zeil werd losgemaakt en op het vlot gegooid. Drinkwater was al aan boord; de kokosnoten, de wapens, het vischtuig en de halfgedroogde visch volgden. En gezamelijk duwden de jongens van wal.

Ineens stokte Harmen, keek verschrikt naar den oever. „M’n zethaakjes, jongens!” stamelde hij. En uit alle macht werkte hij het vlot weer terug.

„Maak dan voort!”

Die raad was overbodig; Harmen holde met groote sprongen naar de plaats waar hij de zethaken had uitgelegd. „’k Heb er al een!” gilde Harmen. „Gommenikkie, wat een vet mormel! Kijk hem eens kronkelen! En hier! Zit er ook een an!En aan m’n derde haak.…. zit er ook een!! Jongens, weblijvenhier nog tot morgenvroeg! Eerder zoeken ze ons toch niet! En dan heb ik er nog drie bij! Ik hou zoo razend van paling!”[466]

„Kom je, of kom je niet?”

„Neen! Ik komniet!”

„Stoot af, Hajo”, beval Rolf. En zelf gaf hij het vlot een fermen zet.

„Wacht!” schreeuwde Harmen, kwam toesnellen en belandde met een geweldigen sprong aan boord. En tegen Rolf voer hij uit: „Je weet, dat je in Bantem nog een pak slaag bij me te goed hebt, niet waar?”

„Wie breng je mee?” vroeg Rolf.

„Mezelf!” zei Harmen. Nijdig pakte hij een boom op en werkte mee om het vlot naar het midden van de rivier te krijgen.

De maan brak weer door. Zachtkens gleed het vlot voort. En zoo kwam het op de plaats waar de boomen aan den oever zich openvouwden en aan beide zijden het zeestrand blonk.

„Jongens, nu de branding door! Padde, ga op het zeil zitten en hou Joppie vast. Harmen, zorg jij voor de waterkokers en de rest, dan zullen Hajo en ik.….”

Het vlot werd hoog opgetild, smakte neer, dompelend in het schuim; een andere zeeduivel zette er zijn rug onder; de bamboes kraakten; het water vloog over de hoofden der jongens. Maar ze hielden zich schrap; Rolf en Hajo duwden uit alle macht af in den ondiepen bodem, en plots schoot het vlot smeuïg de branding weer uit, lag stil op de kalme deining.

„Een beste kast!” prees Harmen. „Zullen we hem doopen?”

„Hij is al gedoopt!” lachte Rolf.

„Maar een naam moet hij toch hebben”, meende Hajo. „Dolimahis een mooie naam!”

De jongens knikten zwijgend. Dolimah.….! Ze keken om naar het land, dat ze nu gingen verlaten. Het strand, de bosschen, de bergen in de verte, alles baadde in het maanlicht.

En nu de jongens die groene bosschen, die bergen vaarwel zeiden, voelden ze, dat ze daarmee ook voorgoed Dolimah verlieten, en het was hun of er een stuk van hen werd afgerukt. In hun verbeelding zagen ze Dolimah met Saleiman haar dorpje weer zoeken; Saleiman geheimzinnig bespelend zijn betooverde bamboefluit; Dolimah zwijgend, angstig denkend aan wat haar thuis wachtte. En tusschen de struiken gluurde het[467]kantjil met zijn vreesachtige oogen, de olifant, het stekelvarken, booze en goede geesten. En allen lieten haar eerbiedig voorbijgaan, alsof een prinsesje passeerde.….

Een prinsesje, dat was Dolimah voor hen geweest. Een beschermheilige en een kleine, wakkere raadgeefster.

Het vlot wasDolimahgedoopt. Zou het hen dan niet veilig naar Bantem brengen? Waterduivels, booze stormgeesten, weet het allen: dit vlot is deDolimah!

Zachtkens dansend op de stille golven, dreef deDolimahvoort in de zilveren oneindigheid van maan, sterren, wolken, zee en hemel.

Zeemeeuw.

[468]


Back to IndexNext