[Inhoud]OP ZOEK NAAR DEN BOTTELIERAan de zware, eikenhouten tafel in de groote scheepskajuit van deNieuw-Hoornzaten schipper Bontekoe en koopman Rol tegenover elkaar. De eerste bestudeerde ingespannen een groote zeekaart en mat met een passer enkele afstanden. De koopman liet zijn oogen gaan over lange cijferreeksen, maakte nu en dan een aanteekening en verdiepte zich in nieuwe tabellen met cijferreeksen.Stilte in het vertrek. Stilte, die volkomen paste bij de waardige, haast plechtige stemming in dit heiligdom: de kajuit van den schipper!Plotseling hieven beide heeren het hoofd op: voor den ingang van de kajuit was een tumult ontstaan. „Laat me er door!” schreeuwde een stem. „Ik wil de schipper spreken. Laat me er door, zeg ik je!” Op hetzelfde oogenblik werd de deur opengerukt, en een jongen van geen vijf Friesche turven hoog stormde het vertrek binnen, op den voet gevolgd door den waardigen, reeds grijzenden scheepsbarbier, in de wandeling „Vader Langjas” genaamd.De vermetele binnendringer—wie was het anders dan Padde?—staarde met oogen, waarin de ontzetting lag uitgedrukt, in het strenge gelaat van Bontekoe. „Meneer.…. de tjalk is weg!”„Schipper! Die drommelsche aap van een jongen.…. hm!” gromde de barbier verontwaardigd en naar adem happend.„Ga jij je gang maar, Vader Langjas”, zei Bontekoe. „Ik zal met den jongeman wel even afrekenen.”„Ik zal gaan, schipper. Maar die drommelsche kwajongen … hm!” En grimmig sloot Vader Langjas de deur achter zich.[56]Padde viel voor den schipper op de knieën. „Schippertjelief, keer om! O, alsjeblief.….!”„Sta jij eens op,” zei Bontekoe op een toon, die weinig goeds voorspelde.Padde kroop weer overeind; zijn oogen zwommen in tranen. „Schippertje, toe.….!”„Vertel jij mij eens kort en duidelijk waarom je niet op de tjalk zit! En geen uitvluchten, alsjeblieft.”„Ik ben in slaap gevallen, schippertje! Vannacht heb ik geen oog dichtgedaan.….”„Wat drommel, was dan in de tjalk gaan slapen!”„Dat heb ik gedaan, schippertje! Maar die schommelde zoo verschrikkelijk, en toen ben ik weer aan boord gegaan. O, hemeltje, toen al die kanonnen in eens.….!”„Die kanonnen heb je dus gehoord?!”„Jawel, schipper, maar ik dorst niet naar buiten te komen, met al die kanonnen! Ik dacht.…. ik dacht, dat er Duinkerkers.….!” En Padde’s verwilderde oogen vulden zich opnieuw met angst voor die geduchte piraten.„Aap van een jongen, was toch voor den dag gekomen; dan had je nog terug gekund!”„En nou niet meer, schipper?!” Het klonk als een noodkreet.Bontekoe wist niet goed wat hij er aan had. „Hoe zit het nou eigenlijk! Sta je me hier voor ’t lapje te houden? Biecht nou maar eerlijk op hoe de vork in de steel zit. Wilde je met je vriend mee?”Padde’s oogen dreigden uit de kassen te vallen. „Mee naar Oostinje??!” stamelde hij. De arme jongen greep zich in de haren. „Ik ga toch in de bierbrouwerij van m’n oom?!—O, schippertje, schippertjelief, keer om, in ’s hemelsnaam.….!” En opnieuw zonk Padde voor Bontekoe’s voeten neer en trachtte zijn handen te grijpen.Bontekoe zag in, dat hij zich vergist had. Hij deed een paar passen door het vertrek en vroeg toen: „Jij heet Padde, hè?”„Padde Kelemeijn, schipper. Van de Appelhaven.”„Luister goed, Padde Kelemeijn. We zullen je hier aan boord een werkje verschaffen, want ledigheid is ’s duivels oorkussen.[57]En als je goed aanpakt, en we mochten toevallig een schip ontmoeten, dat weer naar Holland gaat, dan zullen we je daar op zien over te zetten.”„Wanneer zou dat zijn, schipper?”„Dat kan vandaag nog gebeuren, en ’t kan ook nog wel drie maanden duren.”„Drie maanden.….” herhaalde Padde toonloos.„Maak je geen zorgen,” troostte Bontekoe. „Je bent hier goed onderdak, en je moeder zal, als ze je behouden terugziet, veel te blij zijn om nog aan slaan te denken.”Padde sprong overeind. „M’n moeder slaat me nooit, schipper!”„Je hebt anders alle recht op een flink pak op je broek,” was Bontekoe’s meening. „Maar we zullen eens even naar een geschikte bezigheid voor je zoeken. Kun je klimmen?”„Klimmen, schipper?”„Ja. In een touw bijvoorbeeld.”„O.…. nee, schipper. In een touw niet.”„Op een ladder wel?” vroeg Bontekoe.„Op een ladder wel!” haastte Padde zich vol ijver te verklaren.Bontekoe wierp den koopman een vroolijken blik toe. „Dan zullen we een botteliersmaat uit je maken. Meteen een goede voorbereiding voor de bierbrouwerij! Vraag maar aan de maats, of ze je de bottelier even willen wijzen, en zeg hem, dat je hem helpen moet. Begrepen?”„Jawel, schipper.….”„Goed zoo. De deur is achter je.”„Jawel, schipper.….” Padde bleef staan.„Ben je nog niet weg?”„Schipper.…. schippertje.….” Padde’s oogjes knipten smeekend, „zou je nou heusch niet even terug willen zeilen?”Dat was te kras. Bontekoe maakte een beweging, die Padde aanleiding gaf, met zooveel spoed de kajuit te verlaten, dat hij buiten de deur een dikken, blozenden, vriendelijken, eenigszins scheelzienden man pardoes omver liep. „Kijk uit je oogen!” snauwde Padde.De man krabbelde sprakeloos van verwondering weer overeind.[58]En Padde vervolgde grimmig zijn weg. Een lange, schrale janmaat met rood haar en groene, glazige oogen als van een visch werd het eerst door hem aangeklampt.„Waar is de bottelier?!”De kerel keek Padde van uit de hoogte aan. „De bottelier? Drie maal ’t schip rond, de vierde hoek van ’t zeil om, en dan aan ’t vijfde touwtje trekken, dan komt ie.”„Wil je op je ziel hebben?” vroeg Padde.De vent begon te grinneken als een geit.Padde snoof en brieschte en pakte een ander bij z’n jas. „Waar is de bottelier?!”De maat, een ineengedoken, stevig kereltje met slimme oogjes, keek van zijn werk—het inleggen van een touw—op. „Wat kan ik verdienen, als ik je ’m wijs?”„Ik zal aan de schipper vertellen wat een lamme kerels jullie zijn!” verzekerde Padde.„Dat verandert,” zei de man. „Luister goed! De bottelier is vast op ’t schip: ik heb ’m vóór twee reizen nog gezien. Loop maar ’n eindje door, dan zul je ’m wel vinden. ’t Is zoo’n lange, magere, korte, dikke kerel.”Padde was alweer verder, beproefde zijn geluk bij een drietal janmaats, die over de verschansing hingen en pruimden.„De bottelier?” vroeg de grootste, die een scheef gezicht en daarin een half dicht oog bezat. „Weet je wat je vooral niet vergeten mag, als je de bottelier zoekt?”„Nou?” vroeg Padde weifelend.„Wel verduiveld, nou ben ik het zelf vergeten!” zei de vent.„Heb jij je eene oog ook vergeten?” vroeg Padde. Toen sprong hij haastig ter zijde.Padde klaagde zijn nood bij een trouwhartigen, baardigen zeerob, die aan het smeren van een ankerspil zijn zorgen wijdde. „Ja, ze zullen je wel leelijk voor de mal houden!” zei deze, terwijl hij zijn klare oogen medelijdend op den nieuwbakken botteliersmaat richtte. „Je moet rekenen: je bent een groentje, hè? Maar ik zal je den bottelier wijzen, hoor, heb maar ’n oogenblikje geduld. Die spil moet eerst even geolied worden. Help maar ’n handje, dan gaat het gauwer.”[59]„Graag!” zei Padde, blij, dat hij den trouwhartigen, vriendelijken zeerob een wederdienst kon bewijzen.„Je bent een brave jongen”, verklaarde deze. „Hier is olie. Smeer maar raak.”En Padde smeerde, tot de spil en hij zelf om het meest glommen.„Goed zoo!” prees detrouwhartigezeerob. „Je zult het gauw leeren.—Ziezoo, nou deze spil ook nog maar even.”Padde was alweer aan het werk. De lof, die de ervaren zeerob aan zijn smeer-talent had toegezwaaid, prikkelde Padde: hij smeerde nu zoo aandachtig en ijverig, dat hij niet merkte, hoe zijn kameraad er maar met de handen in de zakken bij was gaan zitten, een vroolijk wijsje tusschen de tanden floot en goedkeurend met het hoofd knikte.Toen de spil gesmeerd en Padde achter adem was, zei de trouwhartige zeerob: „Ik verzeker je, dat ik het zelf niet beter had kunnen doen. Kom, nou de spil van het plecht-anker.”Padde keek sip. „En de bottelier?” vroeg hij.„Plicht gaat voor, jongen,” verklaarde de trouwhartige zeerob. „Eerst nog even de spil van het plecht-anker!”„Maar ga je dàn heusch met me mee?” vroeg Padde.„Ja. Als ik eerst in de fok ook nog wat geklaard heb.….”„En wanneer zou dàt afgeloopen zijn?” vroeg Padde weifelend.„Dat hangt er vanaf”, zei de trouwhartige zeerob. „Als jij me helpt, zijn we in een stevig uurtje klaar. Maar anders gaat m’n heele middag er mee heen.”Padde’s oogen schoten vol tranen; hij wendde zich af en begon te snikken.„Ja.…. plicht gaat voor,” zei de trouwhartige zeerob. En hij pakte zijn pot met smeer op en begaf zich in de richting van de plecht.Padde bleef staan, de wanhoop in het hart. Hij voelde zich van de heele wereld verlaten en wenschte, dat deNieuw-Hoornvandaag nog met met man en muis zou vergaan. Hij snikte hoe langer hoe luider, en hoe meer hij snikte, des te ontzettender vond hij zijn eigen toestand.Maar onverwachts werd hij op den schouder getikt. Hij[60]wendde zich om en zag in het blozende gelaat van den schelen dikzak, dien hij, uit de kajuit komende, omver geloopen had.„Wat scheelt er aan, kereltje?” vroeg de man vriendelijk.Maar Padde had zijn vertrouwen in de menschheid verloren. „Gaat je geen spaan aan!” gromde hij. „’k Heb niks.”„Maar als je niks mankeert, waarom sta je dan te grienen?” vroeg de man.Padde haalde de schouders op. „Jij bent zeker ook gekomen, om me voor de gek te houden, hè? Ja, trek maar geen gezicht alsof je niet weet, dat ik de bottelier zoek. Jullie kunt knappen!”„De bottelier? Zoek je de bottelier? Wel, da’s merakel:ikben de bottelier!”Padde kon een kreet niet onderdrukken. „Is ’t heusch?! Hou je me niet voor de gek?”„Welneen-ik,” zei de dikkert. „Dat verzeker ik je, hoor, dat ik de bottelier ben.”Padde vloog hem om den hals. „Ik moet je helpen! De schipper heeft het gezegd!”„Wel, da’s merakel, ik had de schipper juist om een jongen voor de bottelarij.…..” De man stokte, deed een paar passen terug en staarde Padde aandachtig aan. „Wel, da’s een merakel”, fluisterde hij. „Da’s nou waarachtig ’n groot merakel. Je lijkt.…. je lijkt op m’n jongen.”„Is die hier ook op ’t schip?” vroeg Padde.De schele dikzak wilde wat zeggen, maar slikte het weer weg en schudde ontkennend het hoofd.„Waar is ie dan?” vroeg Padde.De bottelaar kuchte, legde zijn hand op Padde’s schouder en gaf toen het zonderlinge antwoord: „D’r staan.…. d’r staan nog wel twintig kruiken, die allemaal moeten worden gespoeld. Kom.…. kom jij maar mee, kereltje.”- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Ook Gerrit doorleefde dien eersten namiddag aan boord stoere oogenblikken. Terwijl hij in het schemerdonker van het vooronder in zijn kooi zat te overpeinzen, dat hij voor een doodgewone torenkraai toch een merkwaardig bewogen leven had, kwamen drie mannen binnenstappen.[61]„Alsjeblieft!” zei een van hen, een forsche kerel, die een weinig mank ging. „Daar ligt het zoodje!” En hij sleurde Hajo’s „ruilhandel” te voorschijn. „Wat zullen we er mee doen? Ze moeten gepest worden, dat staat vast: groentjes moeten gepest worden.”„Gepest worden,” bevestigde de tweede, een kerel met een door de pokken geschonden gelaat.„Hè-hè-hè!” grinnikte de derde, een ietwat gebogen manneke.„Wat we kunnen doen,” zei de manke, „is: de heele rommel zoek maken.”„Zoek maken!” riep de pokdalige.„Hi-hi-hi!” grinnikte de kleine.„Ka!” riep Gerrit.De drie mannen schrokken; de kleine verslikte zich. Toen begon de manke te lachen. „Wel verduiveld!” riep hij. „Die kraai zullen we de nek omdraaien!”„Nek omdraaien!” stelde de pokdalige voor.De manke ging naar de kooi en trachtte den bewoner ervan te grijpen. Maar Gerrit was zoo vlug als een goed opgevoede torenkraai maar zijn kan.„’n Aardig beessie”, verzekerde de manke.„Pik!” zei Gerrit en hakte met z’n snavel.„Als ik ’t mormel in m’n vingers krijg!” dreigde de kerel vloekend. En hij kreeg het in zijn vingers en sleurde zijn glanzend-zwarten gevangene naar buiten. „Zoo, maak nou je testament maar!”Maar terwijl Gerrit daarmee bezig was, klonken er buiten voetstappen. De mannen hielden zich koest.Hajo kwam het vooronder binnen, zag met een oogopslag den rommel op den grond, en merkte, dat de manke iets verborgen hield. „Wat heb je daar!” zei hij, terwijl hij zich resoluut voor den kerel plaatste.„Dat raakt je niet!”„Ka!” schreeuwde Gerrit.Het bloed steeg Hajo naar het hoofd. „Laat los die kraai! Hij is niet van jou.”„Van jou dan zeker! Laat de bootsman ’m maar niet zien!”„Laat hem los!” dreigde Hajo.[62]„Ik zal ’m voor je oogen z’n nek omdraaien,” verklaarde de manke.Toen gebeurde het. Hajo greep de kooi van den wand en smakte ze in blinde drift den kerel op het hoofd. Het kon niet mooier: de oude, vermolmde bodem begaf zich, en de kooi kwam om ’s mans nek te hangen. Hij moest den luid schreeuwenden Gerrit loslaten om zich van het koperen tralienet te verlossen. Daarbij raasde en tierde hij als een bezetene. „Ik zal je, kleine salamander!”En terwijl Gerrit met haastige sprongen, half fladderend een goed heenkomen zocht, stond Hajo met gebalde vuisten, bevend van opwinding, den aanval van den manke af te wachten.Deze liet zich niet lang onbetuigd. Nauwelijks had hij zich van de kooi bevrijd, of hij kwam schuimbekkend op den scheepsjongen af. Een verwoede worsteling, vol belangstelling gadegeslagen door de twee anderen, volgde.En juist toen Hajo, ondanks zijn weergalooze vlugheid, dreigde te bezwijken onder het ruw geweld van den veel sterkeren janmaat, kwam Folkert Berentsz. het vooronder binnen. Zien en handelen was voor den wakkeren zeeman één. De manke voelde zich stevig in het nekvel gegrepen en liet verbouwereerd zijn tegenstander los.„Donder en bliksem! Sta je hier met een scheepsjongen te vechten?!”„’n Mooie scheepsjongen!” gromde de manke, terwijl zijn losgeraakt boezeroen weer in de broek stopte en z’n pols aflikte, die geschaafd was. „’n Mooie scheepsjongen! De salamander heeft die kooi op m’n kop stukgeslagen!”De gevreesde bootsman richtte z’n oogen dreigend op Hajo.„Hij wou m’n kraai de nek omdraaien, bootsman!”„Ka!” riep Gerrit.„Je kraai?? Wat doe jij hier met een kraai?!!”„De schipper kent hem”, zei Hajo.„Kijk hier eens, bootsman!” klonk het uit den mond van den manke. „Kijk eens wat een rommeltje dat heerschap bij zich heeft!”„Donder en bliksem.….,” stotterde Berentsz.„De schipper weet er van, bootsman, en laat vragen.….”[63]„De schipper, de schipper, de schipper.….!” gromde Berentsz. „’n Mooie boel tegenwoordig! Toen ik scheepsjongen was.….!!—Jij, Boutjens, kunt in elk geval op een nacht in ’t schavuitengat rekenen!” snauwde hij den manke toe. „En jou, jongeman, zal ik in de gaten houden. En je kraai ook! Donder en bliksem!”Weg was de bootsman.Hajo zocht zijn inboedel bij mekaar, raapte de kooi op en trachtte er den bodem weer in te duwen.De drie mannen verlieten mokkend en scheldend het vooronder.Hajo ademde diep. Hij ging op de kist zitten, die baas Wouter hem had meegegeven, steunde het hoofd in de handen en staarde voor zich uit langs de lange rij kribben.Het geluk, het onmetelijke, verblindende geluk, waarvan de weerschijn daarstraks nog in zijn oogen schitterde, was vertroebeld. Vol weemoed dacht Hajo aan baas Wouter, aan zijn broertje, zijn zusjes en aan.…. „Als je ooit eens verdriet hebt, zeg dan maar gerust: Mijn moedertje denkt aan mij.….”—Moeder.…. Moedertje!Hajo sprong overeind, liep een paar passen op en neer en snelde toen naar buiten.Het was allengs duister geworden.De frissche zeelucht deed Hajo goed; met volle teugen snoof hij ze op. Hij leunde over de verschansing en keek naar het blanke schuim, dat wegscheerde langs den boeg, en naar de lichtende koppen op de donkere golven. Er was geen maan; een handvol bleeke sterren lag verdwaald over het uitspansel.Allengs kwam Hajo weer tot rust. Hij luisterde naar het zuchten van den wind, het klapperen van een losgewerkten hoek van een der fokzeilen, het gekreun der golven, die smartelijk scheurden onder den scheepsboeg, naar het eentonig gezang der roergangers:„Wie heeft er nooit dat schip gezienMet zeuven zwarte masten?Zwart zijn de zeilen; zwart is het want;Aan boord staan vreemde gasten!Hi-ho! Hi-ho! Hi-ho-ho.….![64]Een duivel zit op het galjoen;De dood staat aan het roer;In de kombuis blaast in het vuurEen zwarte duivelsmoer!Hi-ho! Hi-ho! Hi-ho-ho.….!”„Hallo!” klonk het achter Hajo. En daar stond Rolf. „Hallo, Hajo! Ik zoek je overal! Waar was je ineens gebleven?”Hajo vertelde zijn wedervaren.„We zijn met z’n beiden”, zei Rolf, toen Hajo had uitverteld. „Wie het een van ons lastig maakt, krijgt er met twee te doen!”Daar kwam Padde aansukkelen.„Hallo, Padde!” riep Rolf uit, „zien we jou ook eindelijk? De schipper zal wel ’n hartig woordje met je hebben gesproken?”„’k Ben botteliersmaat,” zuchtte Padde. „Hij wil niet meer terug. Hemeltje, wat zal m’n moeder zeggen! En dat allemaal door die ellendige kanonnen!”„Als die niet hadden geschoten, sliep je nou nog”, wierp Rolf in het midden.„Was ’t maar waar,” klaagde Padde. „Ik val om van de maf”.„Ik doe een voorstel, Padde!” zei Rolf. „We sluiten een driemanschap. We hebben dezelfde vrienden en dezelfde vijanden en helpen mekaar altijd en overal. Hand er op?”„Waarachtig!” zei Padde.En de jongens klapten de handen stevig ineen.Toen luidde met heldere slagen een klok.„De etensbel!” riep Padde.„Hoe weet je dat?”„Nou, waar zouden ze anders voor bellen dan om te eten?”„Vooruit dan maar!” zei Rolf.En zoo begaf het driemanschap, met Padde ditmaal als leider, zich arm in arm naar het vooronder, waar de kok en zijn gezellen hijgend en blazend de dampende ketels eten naar binnen torsten.Zeemeeuw.[65]
[Inhoud]OP ZOEK NAAR DEN BOTTELIERAan de zware, eikenhouten tafel in de groote scheepskajuit van deNieuw-Hoornzaten schipper Bontekoe en koopman Rol tegenover elkaar. De eerste bestudeerde ingespannen een groote zeekaart en mat met een passer enkele afstanden. De koopman liet zijn oogen gaan over lange cijferreeksen, maakte nu en dan een aanteekening en verdiepte zich in nieuwe tabellen met cijferreeksen.Stilte in het vertrek. Stilte, die volkomen paste bij de waardige, haast plechtige stemming in dit heiligdom: de kajuit van den schipper!Plotseling hieven beide heeren het hoofd op: voor den ingang van de kajuit was een tumult ontstaan. „Laat me er door!” schreeuwde een stem. „Ik wil de schipper spreken. Laat me er door, zeg ik je!” Op hetzelfde oogenblik werd de deur opengerukt, en een jongen van geen vijf Friesche turven hoog stormde het vertrek binnen, op den voet gevolgd door den waardigen, reeds grijzenden scheepsbarbier, in de wandeling „Vader Langjas” genaamd.De vermetele binnendringer—wie was het anders dan Padde?—staarde met oogen, waarin de ontzetting lag uitgedrukt, in het strenge gelaat van Bontekoe. „Meneer.…. de tjalk is weg!”„Schipper! Die drommelsche aap van een jongen.…. hm!” gromde de barbier verontwaardigd en naar adem happend.„Ga jij je gang maar, Vader Langjas”, zei Bontekoe. „Ik zal met den jongeman wel even afrekenen.”„Ik zal gaan, schipper. Maar die drommelsche kwajongen … hm!” En grimmig sloot Vader Langjas de deur achter zich.[56]Padde viel voor den schipper op de knieën. „Schippertjelief, keer om! O, alsjeblief.….!”„Sta jij eens op,” zei Bontekoe op een toon, die weinig goeds voorspelde.Padde kroop weer overeind; zijn oogen zwommen in tranen. „Schippertje, toe.….!”„Vertel jij mij eens kort en duidelijk waarom je niet op de tjalk zit! En geen uitvluchten, alsjeblieft.”„Ik ben in slaap gevallen, schippertje! Vannacht heb ik geen oog dichtgedaan.….”„Wat drommel, was dan in de tjalk gaan slapen!”„Dat heb ik gedaan, schippertje! Maar die schommelde zoo verschrikkelijk, en toen ben ik weer aan boord gegaan. O, hemeltje, toen al die kanonnen in eens.….!”„Die kanonnen heb je dus gehoord?!”„Jawel, schipper, maar ik dorst niet naar buiten te komen, met al die kanonnen! Ik dacht.…. ik dacht, dat er Duinkerkers.….!” En Padde’s verwilderde oogen vulden zich opnieuw met angst voor die geduchte piraten.„Aap van een jongen, was toch voor den dag gekomen; dan had je nog terug gekund!”„En nou niet meer, schipper?!” Het klonk als een noodkreet.Bontekoe wist niet goed wat hij er aan had. „Hoe zit het nou eigenlijk! Sta je me hier voor ’t lapje te houden? Biecht nou maar eerlijk op hoe de vork in de steel zit. Wilde je met je vriend mee?”Padde’s oogen dreigden uit de kassen te vallen. „Mee naar Oostinje??!” stamelde hij. De arme jongen greep zich in de haren. „Ik ga toch in de bierbrouwerij van m’n oom?!—O, schippertje, schippertjelief, keer om, in ’s hemelsnaam.….!” En opnieuw zonk Padde voor Bontekoe’s voeten neer en trachtte zijn handen te grijpen.Bontekoe zag in, dat hij zich vergist had. Hij deed een paar passen door het vertrek en vroeg toen: „Jij heet Padde, hè?”„Padde Kelemeijn, schipper. Van de Appelhaven.”„Luister goed, Padde Kelemeijn. We zullen je hier aan boord een werkje verschaffen, want ledigheid is ’s duivels oorkussen.[57]En als je goed aanpakt, en we mochten toevallig een schip ontmoeten, dat weer naar Holland gaat, dan zullen we je daar op zien over te zetten.”„Wanneer zou dat zijn, schipper?”„Dat kan vandaag nog gebeuren, en ’t kan ook nog wel drie maanden duren.”„Drie maanden.….” herhaalde Padde toonloos.„Maak je geen zorgen,” troostte Bontekoe. „Je bent hier goed onderdak, en je moeder zal, als ze je behouden terugziet, veel te blij zijn om nog aan slaan te denken.”Padde sprong overeind. „M’n moeder slaat me nooit, schipper!”„Je hebt anders alle recht op een flink pak op je broek,” was Bontekoe’s meening. „Maar we zullen eens even naar een geschikte bezigheid voor je zoeken. Kun je klimmen?”„Klimmen, schipper?”„Ja. In een touw bijvoorbeeld.”„O.…. nee, schipper. In een touw niet.”„Op een ladder wel?” vroeg Bontekoe.„Op een ladder wel!” haastte Padde zich vol ijver te verklaren.Bontekoe wierp den koopman een vroolijken blik toe. „Dan zullen we een botteliersmaat uit je maken. Meteen een goede voorbereiding voor de bierbrouwerij! Vraag maar aan de maats, of ze je de bottelier even willen wijzen, en zeg hem, dat je hem helpen moet. Begrepen?”„Jawel, schipper.….”„Goed zoo. De deur is achter je.”„Jawel, schipper.….” Padde bleef staan.„Ben je nog niet weg?”„Schipper.…. schippertje.….” Padde’s oogjes knipten smeekend, „zou je nou heusch niet even terug willen zeilen?”Dat was te kras. Bontekoe maakte een beweging, die Padde aanleiding gaf, met zooveel spoed de kajuit te verlaten, dat hij buiten de deur een dikken, blozenden, vriendelijken, eenigszins scheelzienden man pardoes omver liep. „Kijk uit je oogen!” snauwde Padde.De man krabbelde sprakeloos van verwondering weer overeind.[58]En Padde vervolgde grimmig zijn weg. Een lange, schrale janmaat met rood haar en groene, glazige oogen als van een visch werd het eerst door hem aangeklampt.„Waar is de bottelier?!”De kerel keek Padde van uit de hoogte aan. „De bottelier? Drie maal ’t schip rond, de vierde hoek van ’t zeil om, en dan aan ’t vijfde touwtje trekken, dan komt ie.”„Wil je op je ziel hebben?” vroeg Padde.De vent begon te grinneken als een geit.Padde snoof en brieschte en pakte een ander bij z’n jas. „Waar is de bottelier?!”De maat, een ineengedoken, stevig kereltje met slimme oogjes, keek van zijn werk—het inleggen van een touw—op. „Wat kan ik verdienen, als ik je ’m wijs?”„Ik zal aan de schipper vertellen wat een lamme kerels jullie zijn!” verzekerde Padde.„Dat verandert,” zei de man. „Luister goed! De bottelier is vast op ’t schip: ik heb ’m vóór twee reizen nog gezien. Loop maar ’n eindje door, dan zul je ’m wel vinden. ’t Is zoo’n lange, magere, korte, dikke kerel.”Padde was alweer verder, beproefde zijn geluk bij een drietal janmaats, die over de verschansing hingen en pruimden.„De bottelier?” vroeg de grootste, die een scheef gezicht en daarin een half dicht oog bezat. „Weet je wat je vooral niet vergeten mag, als je de bottelier zoekt?”„Nou?” vroeg Padde weifelend.„Wel verduiveld, nou ben ik het zelf vergeten!” zei de vent.„Heb jij je eene oog ook vergeten?” vroeg Padde. Toen sprong hij haastig ter zijde.Padde klaagde zijn nood bij een trouwhartigen, baardigen zeerob, die aan het smeren van een ankerspil zijn zorgen wijdde. „Ja, ze zullen je wel leelijk voor de mal houden!” zei deze, terwijl hij zijn klare oogen medelijdend op den nieuwbakken botteliersmaat richtte. „Je moet rekenen: je bent een groentje, hè? Maar ik zal je den bottelier wijzen, hoor, heb maar ’n oogenblikje geduld. Die spil moet eerst even geolied worden. Help maar ’n handje, dan gaat het gauwer.”[59]„Graag!” zei Padde, blij, dat hij den trouwhartigen, vriendelijken zeerob een wederdienst kon bewijzen.„Je bent een brave jongen”, verklaarde deze. „Hier is olie. Smeer maar raak.”En Padde smeerde, tot de spil en hij zelf om het meest glommen.„Goed zoo!” prees detrouwhartigezeerob. „Je zult het gauw leeren.—Ziezoo, nou deze spil ook nog maar even.”Padde was alweer aan het werk. De lof, die de ervaren zeerob aan zijn smeer-talent had toegezwaaid, prikkelde Padde: hij smeerde nu zoo aandachtig en ijverig, dat hij niet merkte, hoe zijn kameraad er maar met de handen in de zakken bij was gaan zitten, een vroolijk wijsje tusschen de tanden floot en goedkeurend met het hoofd knikte.Toen de spil gesmeerd en Padde achter adem was, zei de trouwhartige zeerob: „Ik verzeker je, dat ik het zelf niet beter had kunnen doen. Kom, nou de spil van het plecht-anker.”Padde keek sip. „En de bottelier?” vroeg hij.„Plicht gaat voor, jongen,” verklaarde de trouwhartige zeerob. „Eerst nog even de spil van het plecht-anker!”„Maar ga je dàn heusch met me mee?” vroeg Padde.„Ja. Als ik eerst in de fok ook nog wat geklaard heb.….”„En wanneer zou dàt afgeloopen zijn?” vroeg Padde weifelend.„Dat hangt er vanaf”, zei de trouwhartige zeerob. „Als jij me helpt, zijn we in een stevig uurtje klaar. Maar anders gaat m’n heele middag er mee heen.”Padde’s oogen schoten vol tranen; hij wendde zich af en begon te snikken.„Ja.…. plicht gaat voor,” zei de trouwhartige zeerob. En hij pakte zijn pot met smeer op en begaf zich in de richting van de plecht.Padde bleef staan, de wanhoop in het hart. Hij voelde zich van de heele wereld verlaten en wenschte, dat deNieuw-Hoornvandaag nog met met man en muis zou vergaan. Hij snikte hoe langer hoe luider, en hoe meer hij snikte, des te ontzettender vond hij zijn eigen toestand.Maar onverwachts werd hij op den schouder getikt. Hij[60]wendde zich om en zag in het blozende gelaat van den schelen dikzak, dien hij, uit de kajuit komende, omver geloopen had.„Wat scheelt er aan, kereltje?” vroeg de man vriendelijk.Maar Padde had zijn vertrouwen in de menschheid verloren. „Gaat je geen spaan aan!” gromde hij. „’k Heb niks.”„Maar als je niks mankeert, waarom sta je dan te grienen?” vroeg de man.Padde haalde de schouders op. „Jij bent zeker ook gekomen, om me voor de gek te houden, hè? Ja, trek maar geen gezicht alsof je niet weet, dat ik de bottelier zoek. Jullie kunt knappen!”„De bottelier? Zoek je de bottelier? Wel, da’s merakel:ikben de bottelier!”Padde kon een kreet niet onderdrukken. „Is ’t heusch?! Hou je me niet voor de gek?”„Welneen-ik,” zei de dikkert. „Dat verzeker ik je, hoor, dat ik de bottelier ben.”Padde vloog hem om den hals. „Ik moet je helpen! De schipper heeft het gezegd!”„Wel, da’s merakel, ik had de schipper juist om een jongen voor de bottelarij.…..” De man stokte, deed een paar passen terug en staarde Padde aandachtig aan. „Wel, da’s een merakel”, fluisterde hij. „Da’s nou waarachtig ’n groot merakel. Je lijkt.…. je lijkt op m’n jongen.”„Is die hier ook op ’t schip?” vroeg Padde.De schele dikzak wilde wat zeggen, maar slikte het weer weg en schudde ontkennend het hoofd.„Waar is ie dan?” vroeg Padde.De bottelaar kuchte, legde zijn hand op Padde’s schouder en gaf toen het zonderlinge antwoord: „D’r staan.…. d’r staan nog wel twintig kruiken, die allemaal moeten worden gespoeld. Kom.…. kom jij maar mee, kereltje.”- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Ook Gerrit doorleefde dien eersten namiddag aan boord stoere oogenblikken. Terwijl hij in het schemerdonker van het vooronder in zijn kooi zat te overpeinzen, dat hij voor een doodgewone torenkraai toch een merkwaardig bewogen leven had, kwamen drie mannen binnenstappen.[61]„Alsjeblieft!” zei een van hen, een forsche kerel, die een weinig mank ging. „Daar ligt het zoodje!” En hij sleurde Hajo’s „ruilhandel” te voorschijn. „Wat zullen we er mee doen? Ze moeten gepest worden, dat staat vast: groentjes moeten gepest worden.”„Gepest worden,” bevestigde de tweede, een kerel met een door de pokken geschonden gelaat.„Hè-hè-hè!” grinnikte de derde, een ietwat gebogen manneke.„Wat we kunnen doen,” zei de manke, „is: de heele rommel zoek maken.”„Zoek maken!” riep de pokdalige.„Hi-hi-hi!” grinnikte de kleine.„Ka!” riep Gerrit.De drie mannen schrokken; de kleine verslikte zich. Toen begon de manke te lachen. „Wel verduiveld!” riep hij. „Die kraai zullen we de nek omdraaien!”„Nek omdraaien!” stelde de pokdalige voor.De manke ging naar de kooi en trachtte den bewoner ervan te grijpen. Maar Gerrit was zoo vlug als een goed opgevoede torenkraai maar zijn kan.„’n Aardig beessie”, verzekerde de manke.„Pik!” zei Gerrit en hakte met z’n snavel.„Als ik ’t mormel in m’n vingers krijg!” dreigde de kerel vloekend. En hij kreeg het in zijn vingers en sleurde zijn glanzend-zwarten gevangene naar buiten. „Zoo, maak nou je testament maar!”Maar terwijl Gerrit daarmee bezig was, klonken er buiten voetstappen. De mannen hielden zich koest.Hajo kwam het vooronder binnen, zag met een oogopslag den rommel op den grond, en merkte, dat de manke iets verborgen hield. „Wat heb je daar!” zei hij, terwijl hij zich resoluut voor den kerel plaatste.„Dat raakt je niet!”„Ka!” schreeuwde Gerrit.Het bloed steeg Hajo naar het hoofd. „Laat los die kraai! Hij is niet van jou.”„Van jou dan zeker! Laat de bootsman ’m maar niet zien!”„Laat hem los!” dreigde Hajo.[62]„Ik zal ’m voor je oogen z’n nek omdraaien,” verklaarde de manke.Toen gebeurde het. Hajo greep de kooi van den wand en smakte ze in blinde drift den kerel op het hoofd. Het kon niet mooier: de oude, vermolmde bodem begaf zich, en de kooi kwam om ’s mans nek te hangen. Hij moest den luid schreeuwenden Gerrit loslaten om zich van het koperen tralienet te verlossen. Daarbij raasde en tierde hij als een bezetene. „Ik zal je, kleine salamander!”En terwijl Gerrit met haastige sprongen, half fladderend een goed heenkomen zocht, stond Hajo met gebalde vuisten, bevend van opwinding, den aanval van den manke af te wachten.Deze liet zich niet lang onbetuigd. Nauwelijks had hij zich van de kooi bevrijd, of hij kwam schuimbekkend op den scheepsjongen af. Een verwoede worsteling, vol belangstelling gadegeslagen door de twee anderen, volgde.En juist toen Hajo, ondanks zijn weergalooze vlugheid, dreigde te bezwijken onder het ruw geweld van den veel sterkeren janmaat, kwam Folkert Berentsz. het vooronder binnen. Zien en handelen was voor den wakkeren zeeman één. De manke voelde zich stevig in het nekvel gegrepen en liet verbouwereerd zijn tegenstander los.„Donder en bliksem! Sta je hier met een scheepsjongen te vechten?!”„’n Mooie scheepsjongen!” gromde de manke, terwijl zijn losgeraakt boezeroen weer in de broek stopte en z’n pols aflikte, die geschaafd was. „’n Mooie scheepsjongen! De salamander heeft die kooi op m’n kop stukgeslagen!”De gevreesde bootsman richtte z’n oogen dreigend op Hajo.„Hij wou m’n kraai de nek omdraaien, bootsman!”„Ka!” riep Gerrit.„Je kraai?? Wat doe jij hier met een kraai?!!”„De schipper kent hem”, zei Hajo.„Kijk hier eens, bootsman!” klonk het uit den mond van den manke. „Kijk eens wat een rommeltje dat heerschap bij zich heeft!”„Donder en bliksem.….,” stotterde Berentsz.„De schipper weet er van, bootsman, en laat vragen.….”[63]„De schipper, de schipper, de schipper.….!” gromde Berentsz. „’n Mooie boel tegenwoordig! Toen ik scheepsjongen was.….!!—Jij, Boutjens, kunt in elk geval op een nacht in ’t schavuitengat rekenen!” snauwde hij den manke toe. „En jou, jongeman, zal ik in de gaten houden. En je kraai ook! Donder en bliksem!”Weg was de bootsman.Hajo zocht zijn inboedel bij mekaar, raapte de kooi op en trachtte er den bodem weer in te duwen.De drie mannen verlieten mokkend en scheldend het vooronder.Hajo ademde diep. Hij ging op de kist zitten, die baas Wouter hem had meegegeven, steunde het hoofd in de handen en staarde voor zich uit langs de lange rij kribben.Het geluk, het onmetelijke, verblindende geluk, waarvan de weerschijn daarstraks nog in zijn oogen schitterde, was vertroebeld. Vol weemoed dacht Hajo aan baas Wouter, aan zijn broertje, zijn zusjes en aan.…. „Als je ooit eens verdriet hebt, zeg dan maar gerust: Mijn moedertje denkt aan mij.….”—Moeder.…. Moedertje!Hajo sprong overeind, liep een paar passen op en neer en snelde toen naar buiten.Het was allengs duister geworden.De frissche zeelucht deed Hajo goed; met volle teugen snoof hij ze op. Hij leunde over de verschansing en keek naar het blanke schuim, dat wegscheerde langs den boeg, en naar de lichtende koppen op de donkere golven. Er was geen maan; een handvol bleeke sterren lag verdwaald over het uitspansel.Allengs kwam Hajo weer tot rust. Hij luisterde naar het zuchten van den wind, het klapperen van een losgewerkten hoek van een der fokzeilen, het gekreun der golven, die smartelijk scheurden onder den scheepsboeg, naar het eentonig gezang der roergangers:„Wie heeft er nooit dat schip gezienMet zeuven zwarte masten?Zwart zijn de zeilen; zwart is het want;Aan boord staan vreemde gasten!Hi-ho! Hi-ho! Hi-ho-ho.….![64]Een duivel zit op het galjoen;De dood staat aan het roer;In de kombuis blaast in het vuurEen zwarte duivelsmoer!Hi-ho! Hi-ho! Hi-ho-ho.….!”„Hallo!” klonk het achter Hajo. En daar stond Rolf. „Hallo, Hajo! Ik zoek je overal! Waar was je ineens gebleven?”Hajo vertelde zijn wedervaren.„We zijn met z’n beiden”, zei Rolf, toen Hajo had uitverteld. „Wie het een van ons lastig maakt, krijgt er met twee te doen!”Daar kwam Padde aansukkelen.„Hallo, Padde!” riep Rolf uit, „zien we jou ook eindelijk? De schipper zal wel ’n hartig woordje met je hebben gesproken?”„’k Ben botteliersmaat,” zuchtte Padde. „Hij wil niet meer terug. Hemeltje, wat zal m’n moeder zeggen! En dat allemaal door die ellendige kanonnen!”„Als die niet hadden geschoten, sliep je nou nog”, wierp Rolf in het midden.„Was ’t maar waar,” klaagde Padde. „Ik val om van de maf”.„Ik doe een voorstel, Padde!” zei Rolf. „We sluiten een driemanschap. We hebben dezelfde vrienden en dezelfde vijanden en helpen mekaar altijd en overal. Hand er op?”„Waarachtig!” zei Padde.En de jongens klapten de handen stevig ineen.Toen luidde met heldere slagen een klok.„De etensbel!” riep Padde.„Hoe weet je dat?”„Nou, waar zouden ze anders voor bellen dan om te eten?”„Vooruit dan maar!” zei Rolf.En zoo begaf het driemanschap, met Padde ditmaal als leider, zich arm in arm naar het vooronder, waar de kok en zijn gezellen hijgend en blazend de dampende ketels eten naar binnen torsten.Zeemeeuw.[65]
[Inhoud]OP ZOEK NAAR DEN BOTTELIERAan de zware, eikenhouten tafel in de groote scheepskajuit van deNieuw-Hoornzaten schipper Bontekoe en koopman Rol tegenover elkaar. De eerste bestudeerde ingespannen een groote zeekaart en mat met een passer enkele afstanden. De koopman liet zijn oogen gaan over lange cijferreeksen, maakte nu en dan een aanteekening en verdiepte zich in nieuwe tabellen met cijferreeksen.Stilte in het vertrek. Stilte, die volkomen paste bij de waardige, haast plechtige stemming in dit heiligdom: de kajuit van den schipper!Plotseling hieven beide heeren het hoofd op: voor den ingang van de kajuit was een tumult ontstaan. „Laat me er door!” schreeuwde een stem. „Ik wil de schipper spreken. Laat me er door, zeg ik je!” Op hetzelfde oogenblik werd de deur opengerukt, en een jongen van geen vijf Friesche turven hoog stormde het vertrek binnen, op den voet gevolgd door den waardigen, reeds grijzenden scheepsbarbier, in de wandeling „Vader Langjas” genaamd.De vermetele binnendringer—wie was het anders dan Padde?—staarde met oogen, waarin de ontzetting lag uitgedrukt, in het strenge gelaat van Bontekoe. „Meneer.…. de tjalk is weg!”„Schipper! Die drommelsche aap van een jongen.…. hm!” gromde de barbier verontwaardigd en naar adem happend.„Ga jij je gang maar, Vader Langjas”, zei Bontekoe. „Ik zal met den jongeman wel even afrekenen.”„Ik zal gaan, schipper. Maar die drommelsche kwajongen … hm!” En grimmig sloot Vader Langjas de deur achter zich.[56]Padde viel voor den schipper op de knieën. „Schippertjelief, keer om! O, alsjeblief.….!”„Sta jij eens op,” zei Bontekoe op een toon, die weinig goeds voorspelde.Padde kroop weer overeind; zijn oogen zwommen in tranen. „Schippertje, toe.….!”„Vertel jij mij eens kort en duidelijk waarom je niet op de tjalk zit! En geen uitvluchten, alsjeblieft.”„Ik ben in slaap gevallen, schippertje! Vannacht heb ik geen oog dichtgedaan.….”„Wat drommel, was dan in de tjalk gaan slapen!”„Dat heb ik gedaan, schippertje! Maar die schommelde zoo verschrikkelijk, en toen ben ik weer aan boord gegaan. O, hemeltje, toen al die kanonnen in eens.….!”„Die kanonnen heb je dus gehoord?!”„Jawel, schipper, maar ik dorst niet naar buiten te komen, met al die kanonnen! Ik dacht.…. ik dacht, dat er Duinkerkers.….!” En Padde’s verwilderde oogen vulden zich opnieuw met angst voor die geduchte piraten.„Aap van een jongen, was toch voor den dag gekomen; dan had je nog terug gekund!”„En nou niet meer, schipper?!” Het klonk als een noodkreet.Bontekoe wist niet goed wat hij er aan had. „Hoe zit het nou eigenlijk! Sta je me hier voor ’t lapje te houden? Biecht nou maar eerlijk op hoe de vork in de steel zit. Wilde je met je vriend mee?”Padde’s oogen dreigden uit de kassen te vallen. „Mee naar Oostinje??!” stamelde hij. De arme jongen greep zich in de haren. „Ik ga toch in de bierbrouwerij van m’n oom?!—O, schippertje, schippertjelief, keer om, in ’s hemelsnaam.….!” En opnieuw zonk Padde voor Bontekoe’s voeten neer en trachtte zijn handen te grijpen.Bontekoe zag in, dat hij zich vergist had. Hij deed een paar passen door het vertrek en vroeg toen: „Jij heet Padde, hè?”„Padde Kelemeijn, schipper. Van de Appelhaven.”„Luister goed, Padde Kelemeijn. We zullen je hier aan boord een werkje verschaffen, want ledigheid is ’s duivels oorkussen.[57]En als je goed aanpakt, en we mochten toevallig een schip ontmoeten, dat weer naar Holland gaat, dan zullen we je daar op zien over te zetten.”„Wanneer zou dat zijn, schipper?”„Dat kan vandaag nog gebeuren, en ’t kan ook nog wel drie maanden duren.”„Drie maanden.….” herhaalde Padde toonloos.„Maak je geen zorgen,” troostte Bontekoe. „Je bent hier goed onderdak, en je moeder zal, als ze je behouden terugziet, veel te blij zijn om nog aan slaan te denken.”Padde sprong overeind. „M’n moeder slaat me nooit, schipper!”„Je hebt anders alle recht op een flink pak op je broek,” was Bontekoe’s meening. „Maar we zullen eens even naar een geschikte bezigheid voor je zoeken. Kun je klimmen?”„Klimmen, schipper?”„Ja. In een touw bijvoorbeeld.”„O.…. nee, schipper. In een touw niet.”„Op een ladder wel?” vroeg Bontekoe.„Op een ladder wel!” haastte Padde zich vol ijver te verklaren.Bontekoe wierp den koopman een vroolijken blik toe. „Dan zullen we een botteliersmaat uit je maken. Meteen een goede voorbereiding voor de bierbrouwerij! Vraag maar aan de maats, of ze je de bottelier even willen wijzen, en zeg hem, dat je hem helpen moet. Begrepen?”„Jawel, schipper.….”„Goed zoo. De deur is achter je.”„Jawel, schipper.….” Padde bleef staan.„Ben je nog niet weg?”„Schipper.…. schippertje.….” Padde’s oogjes knipten smeekend, „zou je nou heusch niet even terug willen zeilen?”Dat was te kras. Bontekoe maakte een beweging, die Padde aanleiding gaf, met zooveel spoed de kajuit te verlaten, dat hij buiten de deur een dikken, blozenden, vriendelijken, eenigszins scheelzienden man pardoes omver liep. „Kijk uit je oogen!” snauwde Padde.De man krabbelde sprakeloos van verwondering weer overeind.[58]En Padde vervolgde grimmig zijn weg. Een lange, schrale janmaat met rood haar en groene, glazige oogen als van een visch werd het eerst door hem aangeklampt.„Waar is de bottelier?!”De kerel keek Padde van uit de hoogte aan. „De bottelier? Drie maal ’t schip rond, de vierde hoek van ’t zeil om, en dan aan ’t vijfde touwtje trekken, dan komt ie.”„Wil je op je ziel hebben?” vroeg Padde.De vent begon te grinneken als een geit.Padde snoof en brieschte en pakte een ander bij z’n jas. „Waar is de bottelier?!”De maat, een ineengedoken, stevig kereltje met slimme oogjes, keek van zijn werk—het inleggen van een touw—op. „Wat kan ik verdienen, als ik je ’m wijs?”„Ik zal aan de schipper vertellen wat een lamme kerels jullie zijn!” verzekerde Padde.„Dat verandert,” zei de man. „Luister goed! De bottelier is vast op ’t schip: ik heb ’m vóór twee reizen nog gezien. Loop maar ’n eindje door, dan zul je ’m wel vinden. ’t Is zoo’n lange, magere, korte, dikke kerel.”Padde was alweer verder, beproefde zijn geluk bij een drietal janmaats, die over de verschansing hingen en pruimden.„De bottelier?” vroeg de grootste, die een scheef gezicht en daarin een half dicht oog bezat. „Weet je wat je vooral niet vergeten mag, als je de bottelier zoekt?”„Nou?” vroeg Padde weifelend.„Wel verduiveld, nou ben ik het zelf vergeten!” zei de vent.„Heb jij je eene oog ook vergeten?” vroeg Padde. Toen sprong hij haastig ter zijde.Padde klaagde zijn nood bij een trouwhartigen, baardigen zeerob, die aan het smeren van een ankerspil zijn zorgen wijdde. „Ja, ze zullen je wel leelijk voor de mal houden!” zei deze, terwijl hij zijn klare oogen medelijdend op den nieuwbakken botteliersmaat richtte. „Je moet rekenen: je bent een groentje, hè? Maar ik zal je den bottelier wijzen, hoor, heb maar ’n oogenblikje geduld. Die spil moet eerst even geolied worden. Help maar ’n handje, dan gaat het gauwer.”[59]„Graag!” zei Padde, blij, dat hij den trouwhartigen, vriendelijken zeerob een wederdienst kon bewijzen.„Je bent een brave jongen”, verklaarde deze. „Hier is olie. Smeer maar raak.”En Padde smeerde, tot de spil en hij zelf om het meest glommen.„Goed zoo!” prees detrouwhartigezeerob. „Je zult het gauw leeren.—Ziezoo, nou deze spil ook nog maar even.”Padde was alweer aan het werk. De lof, die de ervaren zeerob aan zijn smeer-talent had toegezwaaid, prikkelde Padde: hij smeerde nu zoo aandachtig en ijverig, dat hij niet merkte, hoe zijn kameraad er maar met de handen in de zakken bij was gaan zitten, een vroolijk wijsje tusschen de tanden floot en goedkeurend met het hoofd knikte.Toen de spil gesmeerd en Padde achter adem was, zei de trouwhartige zeerob: „Ik verzeker je, dat ik het zelf niet beter had kunnen doen. Kom, nou de spil van het plecht-anker.”Padde keek sip. „En de bottelier?” vroeg hij.„Plicht gaat voor, jongen,” verklaarde de trouwhartige zeerob. „Eerst nog even de spil van het plecht-anker!”„Maar ga je dàn heusch met me mee?” vroeg Padde.„Ja. Als ik eerst in de fok ook nog wat geklaard heb.….”„En wanneer zou dàt afgeloopen zijn?” vroeg Padde weifelend.„Dat hangt er vanaf”, zei de trouwhartige zeerob. „Als jij me helpt, zijn we in een stevig uurtje klaar. Maar anders gaat m’n heele middag er mee heen.”Padde’s oogen schoten vol tranen; hij wendde zich af en begon te snikken.„Ja.…. plicht gaat voor,” zei de trouwhartige zeerob. En hij pakte zijn pot met smeer op en begaf zich in de richting van de plecht.Padde bleef staan, de wanhoop in het hart. Hij voelde zich van de heele wereld verlaten en wenschte, dat deNieuw-Hoornvandaag nog met met man en muis zou vergaan. Hij snikte hoe langer hoe luider, en hoe meer hij snikte, des te ontzettender vond hij zijn eigen toestand.Maar onverwachts werd hij op den schouder getikt. Hij[60]wendde zich om en zag in het blozende gelaat van den schelen dikzak, dien hij, uit de kajuit komende, omver geloopen had.„Wat scheelt er aan, kereltje?” vroeg de man vriendelijk.Maar Padde had zijn vertrouwen in de menschheid verloren. „Gaat je geen spaan aan!” gromde hij. „’k Heb niks.”„Maar als je niks mankeert, waarom sta je dan te grienen?” vroeg de man.Padde haalde de schouders op. „Jij bent zeker ook gekomen, om me voor de gek te houden, hè? Ja, trek maar geen gezicht alsof je niet weet, dat ik de bottelier zoek. Jullie kunt knappen!”„De bottelier? Zoek je de bottelier? Wel, da’s merakel:ikben de bottelier!”Padde kon een kreet niet onderdrukken. „Is ’t heusch?! Hou je me niet voor de gek?”„Welneen-ik,” zei de dikkert. „Dat verzeker ik je, hoor, dat ik de bottelier ben.”Padde vloog hem om den hals. „Ik moet je helpen! De schipper heeft het gezegd!”„Wel, da’s merakel, ik had de schipper juist om een jongen voor de bottelarij.…..” De man stokte, deed een paar passen terug en staarde Padde aandachtig aan. „Wel, da’s een merakel”, fluisterde hij. „Da’s nou waarachtig ’n groot merakel. Je lijkt.…. je lijkt op m’n jongen.”„Is die hier ook op ’t schip?” vroeg Padde.De schele dikzak wilde wat zeggen, maar slikte het weer weg en schudde ontkennend het hoofd.„Waar is ie dan?” vroeg Padde.De bottelaar kuchte, legde zijn hand op Padde’s schouder en gaf toen het zonderlinge antwoord: „D’r staan.…. d’r staan nog wel twintig kruiken, die allemaal moeten worden gespoeld. Kom.…. kom jij maar mee, kereltje.”- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Ook Gerrit doorleefde dien eersten namiddag aan boord stoere oogenblikken. Terwijl hij in het schemerdonker van het vooronder in zijn kooi zat te overpeinzen, dat hij voor een doodgewone torenkraai toch een merkwaardig bewogen leven had, kwamen drie mannen binnenstappen.[61]„Alsjeblieft!” zei een van hen, een forsche kerel, die een weinig mank ging. „Daar ligt het zoodje!” En hij sleurde Hajo’s „ruilhandel” te voorschijn. „Wat zullen we er mee doen? Ze moeten gepest worden, dat staat vast: groentjes moeten gepest worden.”„Gepest worden,” bevestigde de tweede, een kerel met een door de pokken geschonden gelaat.„Hè-hè-hè!” grinnikte de derde, een ietwat gebogen manneke.„Wat we kunnen doen,” zei de manke, „is: de heele rommel zoek maken.”„Zoek maken!” riep de pokdalige.„Hi-hi-hi!” grinnikte de kleine.„Ka!” riep Gerrit.De drie mannen schrokken; de kleine verslikte zich. Toen begon de manke te lachen. „Wel verduiveld!” riep hij. „Die kraai zullen we de nek omdraaien!”„Nek omdraaien!” stelde de pokdalige voor.De manke ging naar de kooi en trachtte den bewoner ervan te grijpen. Maar Gerrit was zoo vlug als een goed opgevoede torenkraai maar zijn kan.„’n Aardig beessie”, verzekerde de manke.„Pik!” zei Gerrit en hakte met z’n snavel.„Als ik ’t mormel in m’n vingers krijg!” dreigde de kerel vloekend. En hij kreeg het in zijn vingers en sleurde zijn glanzend-zwarten gevangene naar buiten. „Zoo, maak nou je testament maar!”Maar terwijl Gerrit daarmee bezig was, klonken er buiten voetstappen. De mannen hielden zich koest.Hajo kwam het vooronder binnen, zag met een oogopslag den rommel op den grond, en merkte, dat de manke iets verborgen hield. „Wat heb je daar!” zei hij, terwijl hij zich resoluut voor den kerel plaatste.„Dat raakt je niet!”„Ka!” schreeuwde Gerrit.Het bloed steeg Hajo naar het hoofd. „Laat los die kraai! Hij is niet van jou.”„Van jou dan zeker! Laat de bootsman ’m maar niet zien!”„Laat hem los!” dreigde Hajo.[62]„Ik zal ’m voor je oogen z’n nek omdraaien,” verklaarde de manke.Toen gebeurde het. Hajo greep de kooi van den wand en smakte ze in blinde drift den kerel op het hoofd. Het kon niet mooier: de oude, vermolmde bodem begaf zich, en de kooi kwam om ’s mans nek te hangen. Hij moest den luid schreeuwenden Gerrit loslaten om zich van het koperen tralienet te verlossen. Daarbij raasde en tierde hij als een bezetene. „Ik zal je, kleine salamander!”En terwijl Gerrit met haastige sprongen, half fladderend een goed heenkomen zocht, stond Hajo met gebalde vuisten, bevend van opwinding, den aanval van den manke af te wachten.Deze liet zich niet lang onbetuigd. Nauwelijks had hij zich van de kooi bevrijd, of hij kwam schuimbekkend op den scheepsjongen af. Een verwoede worsteling, vol belangstelling gadegeslagen door de twee anderen, volgde.En juist toen Hajo, ondanks zijn weergalooze vlugheid, dreigde te bezwijken onder het ruw geweld van den veel sterkeren janmaat, kwam Folkert Berentsz. het vooronder binnen. Zien en handelen was voor den wakkeren zeeman één. De manke voelde zich stevig in het nekvel gegrepen en liet verbouwereerd zijn tegenstander los.„Donder en bliksem! Sta je hier met een scheepsjongen te vechten?!”„’n Mooie scheepsjongen!” gromde de manke, terwijl zijn losgeraakt boezeroen weer in de broek stopte en z’n pols aflikte, die geschaafd was. „’n Mooie scheepsjongen! De salamander heeft die kooi op m’n kop stukgeslagen!”De gevreesde bootsman richtte z’n oogen dreigend op Hajo.„Hij wou m’n kraai de nek omdraaien, bootsman!”„Ka!” riep Gerrit.„Je kraai?? Wat doe jij hier met een kraai?!!”„De schipper kent hem”, zei Hajo.„Kijk hier eens, bootsman!” klonk het uit den mond van den manke. „Kijk eens wat een rommeltje dat heerschap bij zich heeft!”„Donder en bliksem.….,” stotterde Berentsz.„De schipper weet er van, bootsman, en laat vragen.….”[63]„De schipper, de schipper, de schipper.….!” gromde Berentsz. „’n Mooie boel tegenwoordig! Toen ik scheepsjongen was.….!!—Jij, Boutjens, kunt in elk geval op een nacht in ’t schavuitengat rekenen!” snauwde hij den manke toe. „En jou, jongeman, zal ik in de gaten houden. En je kraai ook! Donder en bliksem!”Weg was de bootsman.Hajo zocht zijn inboedel bij mekaar, raapte de kooi op en trachtte er den bodem weer in te duwen.De drie mannen verlieten mokkend en scheldend het vooronder.Hajo ademde diep. Hij ging op de kist zitten, die baas Wouter hem had meegegeven, steunde het hoofd in de handen en staarde voor zich uit langs de lange rij kribben.Het geluk, het onmetelijke, verblindende geluk, waarvan de weerschijn daarstraks nog in zijn oogen schitterde, was vertroebeld. Vol weemoed dacht Hajo aan baas Wouter, aan zijn broertje, zijn zusjes en aan.…. „Als je ooit eens verdriet hebt, zeg dan maar gerust: Mijn moedertje denkt aan mij.….”—Moeder.…. Moedertje!Hajo sprong overeind, liep een paar passen op en neer en snelde toen naar buiten.Het was allengs duister geworden.De frissche zeelucht deed Hajo goed; met volle teugen snoof hij ze op. Hij leunde over de verschansing en keek naar het blanke schuim, dat wegscheerde langs den boeg, en naar de lichtende koppen op de donkere golven. Er was geen maan; een handvol bleeke sterren lag verdwaald over het uitspansel.Allengs kwam Hajo weer tot rust. Hij luisterde naar het zuchten van den wind, het klapperen van een losgewerkten hoek van een der fokzeilen, het gekreun der golven, die smartelijk scheurden onder den scheepsboeg, naar het eentonig gezang der roergangers:„Wie heeft er nooit dat schip gezienMet zeuven zwarte masten?Zwart zijn de zeilen; zwart is het want;Aan boord staan vreemde gasten!Hi-ho! Hi-ho! Hi-ho-ho.….![64]Een duivel zit op het galjoen;De dood staat aan het roer;In de kombuis blaast in het vuurEen zwarte duivelsmoer!Hi-ho! Hi-ho! Hi-ho-ho.….!”„Hallo!” klonk het achter Hajo. En daar stond Rolf. „Hallo, Hajo! Ik zoek je overal! Waar was je ineens gebleven?”Hajo vertelde zijn wedervaren.„We zijn met z’n beiden”, zei Rolf, toen Hajo had uitverteld. „Wie het een van ons lastig maakt, krijgt er met twee te doen!”Daar kwam Padde aansukkelen.„Hallo, Padde!” riep Rolf uit, „zien we jou ook eindelijk? De schipper zal wel ’n hartig woordje met je hebben gesproken?”„’k Ben botteliersmaat,” zuchtte Padde. „Hij wil niet meer terug. Hemeltje, wat zal m’n moeder zeggen! En dat allemaal door die ellendige kanonnen!”„Als die niet hadden geschoten, sliep je nou nog”, wierp Rolf in het midden.„Was ’t maar waar,” klaagde Padde. „Ik val om van de maf”.„Ik doe een voorstel, Padde!” zei Rolf. „We sluiten een driemanschap. We hebben dezelfde vrienden en dezelfde vijanden en helpen mekaar altijd en overal. Hand er op?”„Waarachtig!” zei Padde.En de jongens klapten de handen stevig ineen.Toen luidde met heldere slagen een klok.„De etensbel!” riep Padde.„Hoe weet je dat?”„Nou, waar zouden ze anders voor bellen dan om te eten?”„Vooruit dan maar!” zei Rolf.En zoo begaf het driemanschap, met Padde ditmaal als leider, zich arm in arm naar het vooronder, waar de kok en zijn gezellen hijgend en blazend de dampende ketels eten naar binnen torsten.Zeemeeuw.[65]
OP ZOEK NAAR DEN BOTTELIER
Aan de zware, eikenhouten tafel in de groote scheepskajuit van deNieuw-Hoornzaten schipper Bontekoe en koopman Rol tegenover elkaar. De eerste bestudeerde ingespannen een groote zeekaart en mat met een passer enkele afstanden. De koopman liet zijn oogen gaan over lange cijferreeksen, maakte nu en dan een aanteekening en verdiepte zich in nieuwe tabellen met cijferreeksen.Stilte in het vertrek. Stilte, die volkomen paste bij de waardige, haast plechtige stemming in dit heiligdom: de kajuit van den schipper!Plotseling hieven beide heeren het hoofd op: voor den ingang van de kajuit was een tumult ontstaan. „Laat me er door!” schreeuwde een stem. „Ik wil de schipper spreken. Laat me er door, zeg ik je!” Op hetzelfde oogenblik werd de deur opengerukt, en een jongen van geen vijf Friesche turven hoog stormde het vertrek binnen, op den voet gevolgd door den waardigen, reeds grijzenden scheepsbarbier, in de wandeling „Vader Langjas” genaamd.De vermetele binnendringer—wie was het anders dan Padde?—staarde met oogen, waarin de ontzetting lag uitgedrukt, in het strenge gelaat van Bontekoe. „Meneer.…. de tjalk is weg!”„Schipper! Die drommelsche aap van een jongen.…. hm!” gromde de barbier verontwaardigd en naar adem happend.„Ga jij je gang maar, Vader Langjas”, zei Bontekoe. „Ik zal met den jongeman wel even afrekenen.”„Ik zal gaan, schipper. Maar die drommelsche kwajongen … hm!” En grimmig sloot Vader Langjas de deur achter zich.[56]Padde viel voor den schipper op de knieën. „Schippertjelief, keer om! O, alsjeblief.….!”„Sta jij eens op,” zei Bontekoe op een toon, die weinig goeds voorspelde.Padde kroop weer overeind; zijn oogen zwommen in tranen. „Schippertje, toe.….!”„Vertel jij mij eens kort en duidelijk waarom je niet op de tjalk zit! En geen uitvluchten, alsjeblieft.”„Ik ben in slaap gevallen, schippertje! Vannacht heb ik geen oog dichtgedaan.….”„Wat drommel, was dan in de tjalk gaan slapen!”„Dat heb ik gedaan, schippertje! Maar die schommelde zoo verschrikkelijk, en toen ben ik weer aan boord gegaan. O, hemeltje, toen al die kanonnen in eens.….!”„Die kanonnen heb je dus gehoord?!”„Jawel, schipper, maar ik dorst niet naar buiten te komen, met al die kanonnen! Ik dacht.…. ik dacht, dat er Duinkerkers.….!” En Padde’s verwilderde oogen vulden zich opnieuw met angst voor die geduchte piraten.„Aap van een jongen, was toch voor den dag gekomen; dan had je nog terug gekund!”„En nou niet meer, schipper?!” Het klonk als een noodkreet.Bontekoe wist niet goed wat hij er aan had. „Hoe zit het nou eigenlijk! Sta je me hier voor ’t lapje te houden? Biecht nou maar eerlijk op hoe de vork in de steel zit. Wilde je met je vriend mee?”Padde’s oogen dreigden uit de kassen te vallen. „Mee naar Oostinje??!” stamelde hij. De arme jongen greep zich in de haren. „Ik ga toch in de bierbrouwerij van m’n oom?!—O, schippertje, schippertjelief, keer om, in ’s hemelsnaam.….!” En opnieuw zonk Padde voor Bontekoe’s voeten neer en trachtte zijn handen te grijpen.Bontekoe zag in, dat hij zich vergist had. Hij deed een paar passen door het vertrek en vroeg toen: „Jij heet Padde, hè?”„Padde Kelemeijn, schipper. Van de Appelhaven.”„Luister goed, Padde Kelemeijn. We zullen je hier aan boord een werkje verschaffen, want ledigheid is ’s duivels oorkussen.[57]En als je goed aanpakt, en we mochten toevallig een schip ontmoeten, dat weer naar Holland gaat, dan zullen we je daar op zien over te zetten.”„Wanneer zou dat zijn, schipper?”„Dat kan vandaag nog gebeuren, en ’t kan ook nog wel drie maanden duren.”„Drie maanden.….” herhaalde Padde toonloos.„Maak je geen zorgen,” troostte Bontekoe. „Je bent hier goed onderdak, en je moeder zal, als ze je behouden terugziet, veel te blij zijn om nog aan slaan te denken.”Padde sprong overeind. „M’n moeder slaat me nooit, schipper!”„Je hebt anders alle recht op een flink pak op je broek,” was Bontekoe’s meening. „Maar we zullen eens even naar een geschikte bezigheid voor je zoeken. Kun je klimmen?”„Klimmen, schipper?”„Ja. In een touw bijvoorbeeld.”„O.…. nee, schipper. In een touw niet.”„Op een ladder wel?” vroeg Bontekoe.„Op een ladder wel!” haastte Padde zich vol ijver te verklaren.Bontekoe wierp den koopman een vroolijken blik toe. „Dan zullen we een botteliersmaat uit je maken. Meteen een goede voorbereiding voor de bierbrouwerij! Vraag maar aan de maats, of ze je de bottelier even willen wijzen, en zeg hem, dat je hem helpen moet. Begrepen?”„Jawel, schipper.….”„Goed zoo. De deur is achter je.”„Jawel, schipper.….” Padde bleef staan.„Ben je nog niet weg?”„Schipper.…. schippertje.….” Padde’s oogjes knipten smeekend, „zou je nou heusch niet even terug willen zeilen?”Dat was te kras. Bontekoe maakte een beweging, die Padde aanleiding gaf, met zooveel spoed de kajuit te verlaten, dat hij buiten de deur een dikken, blozenden, vriendelijken, eenigszins scheelzienden man pardoes omver liep. „Kijk uit je oogen!” snauwde Padde.De man krabbelde sprakeloos van verwondering weer overeind.[58]En Padde vervolgde grimmig zijn weg. Een lange, schrale janmaat met rood haar en groene, glazige oogen als van een visch werd het eerst door hem aangeklampt.„Waar is de bottelier?!”De kerel keek Padde van uit de hoogte aan. „De bottelier? Drie maal ’t schip rond, de vierde hoek van ’t zeil om, en dan aan ’t vijfde touwtje trekken, dan komt ie.”„Wil je op je ziel hebben?” vroeg Padde.De vent begon te grinneken als een geit.Padde snoof en brieschte en pakte een ander bij z’n jas. „Waar is de bottelier?!”De maat, een ineengedoken, stevig kereltje met slimme oogjes, keek van zijn werk—het inleggen van een touw—op. „Wat kan ik verdienen, als ik je ’m wijs?”„Ik zal aan de schipper vertellen wat een lamme kerels jullie zijn!” verzekerde Padde.„Dat verandert,” zei de man. „Luister goed! De bottelier is vast op ’t schip: ik heb ’m vóór twee reizen nog gezien. Loop maar ’n eindje door, dan zul je ’m wel vinden. ’t Is zoo’n lange, magere, korte, dikke kerel.”Padde was alweer verder, beproefde zijn geluk bij een drietal janmaats, die over de verschansing hingen en pruimden.„De bottelier?” vroeg de grootste, die een scheef gezicht en daarin een half dicht oog bezat. „Weet je wat je vooral niet vergeten mag, als je de bottelier zoekt?”„Nou?” vroeg Padde weifelend.„Wel verduiveld, nou ben ik het zelf vergeten!” zei de vent.„Heb jij je eene oog ook vergeten?” vroeg Padde. Toen sprong hij haastig ter zijde.Padde klaagde zijn nood bij een trouwhartigen, baardigen zeerob, die aan het smeren van een ankerspil zijn zorgen wijdde. „Ja, ze zullen je wel leelijk voor de mal houden!” zei deze, terwijl hij zijn klare oogen medelijdend op den nieuwbakken botteliersmaat richtte. „Je moet rekenen: je bent een groentje, hè? Maar ik zal je den bottelier wijzen, hoor, heb maar ’n oogenblikje geduld. Die spil moet eerst even geolied worden. Help maar ’n handje, dan gaat het gauwer.”[59]„Graag!” zei Padde, blij, dat hij den trouwhartigen, vriendelijken zeerob een wederdienst kon bewijzen.„Je bent een brave jongen”, verklaarde deze. „Hier is olie. Smeer maar raak.”En Padde smeerde, tot de spil en hij zelf om het meest glommen.„Goed zoo!” prees detrouwhartigezeerob. „Je zult het gauw leeren.—Ziezoo, nou deze spil ook nog maar even.”Padde was alweer aan het werk. De lof, die de ervaren zeerob aan zijn smeer-talent had toegezwaaid, prikkelde Padde: hij smeerde nu zoo aandachtig en ijverig, dat hij niet merkte, hoe zijn kameraad er maar met de handen in de zakken bij was gaan zitten, een vroolijk wijsje tusschen de tanden floot en goedkeurend met het hoofd knikte.Toen de spil gesmeerd en Padde achter adem was, zei de trouwhartige zeerob: „Ik verzeker je, dat ik het zelf niet beter had kunnen doen. Kom, nou de spil van het plecht-anker.”Padde keek sip. „En de bottelier?” vroeg hij.„Plicht gaat voor, jongen,” verklaarde de trouwhartige zeerob. „Eerst nog even de spil van het plecht-anker!”„Maar ga je dàn heusch met me mee?” vroeg Padde.„Ja. Als ik eerst in de fok ook nog wat geklaard heb.….”„En wanneer zou dàt afgeloopen zijn?” vroeg Padde weifelend.„Dat hangt er vanaf”, zei de trouwhartige zeerob. „Als jij me helpt, zijn we in een stevig uurtje klaar. Maar anders gaat m’n heele middag er mee heen.”Padde’s oogen schoten vol tranen; hij wendde zich af en begon te snikken.„Ja.…. plicht gaat voor,” zei de trouwhartige zeerob. En hij pakte zijn pot met smeer op en begaf zich in de richting van de plecht.Padde bleef staan, de wanhoop in het hart. Hij voelde zich van de heele wereld verlaten en wenschte, dat deNieuw-Hoornvandaag nog met met man en muis zou vergaan. Hij snikte hoe langer hoe luider, en hoe meer hij snikte, des te ontzettender vond hij zijn eigen toestand.Maar onverwachts werd hij op den schouder getikt. Hij[60]wendde zich om en zag in het blozende gelaat van den schelen dikzak, dien hij, uit de kajuit komende, omver geloopen had.„Wat scheelt er aan, kereltje?” vroeg de man vriendelijk.Maar Padde had zijn vertrouwen in de menschheid verloren. „Gaat je geen spaan aan!” gromde hij. „’k Heb niks.”„Maar als je niks mankeert, waarom sta je dan te grienen?” vroeg de man.Padde haalde de schouders op. „Jij bent zeker ook gekomen, om me voor de gek te houden, hè? Ja, trek maar geen gezicht alsof je niet weet, dat ik de bottelier zoek. Jullie kunt knappen!”„De bottelier? Zoek je de bottelier? Wel, da’s merakel:ikben de bottelier!”Padde kon een kreet niet onderdrukken. „Is ’t heusch?! Hou je me niet voor de gek?”„Welneen-ik,” zei de dikkert. „Dat verzeker ik je, hoor, dat ik de bottelier ben.”Padde vloog hem om den hals. „Ik moet je helpen! De schipper heeft het gezegd!”„Wel, da’s merakel, ik had de schipper juist om een jongen voor de bottelarij.…..” De man stokte, deed een paar passen terug en staarde Padde aandachtig aan. „Wel, da’s een merakel”, fluisterde hij. „Da’s nou waarachtig ’n groot merakel. Je lijkt.…. je lijkt op m’n jongen.”„Is die hier ook op ’t schip?” vroeg Padde.De schele dikzak wilde wat zeggen, maar slikte het weer weg en schudde ontkennend het hoofd.„Waar is ie dan?” vroeg Padde.De bottelaar kuchte, legde zijn hand op Padde’s schouder en gaf toen het zonderlinge antwoord: „D’r staan.…. d’r staan nog wel twintig kruiken, die allemaal moeten worden gespoeld. Kom.…. kom jij maar mee, kereltje.”- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Ook Gerrit doorleefde dien eersten namiddag aan boord stoere oogenblikken. Terwijl hij in het schemerdonker van het vooronder in zijn kooi zat te overpeinzen, dat hij voor een doodgewone torenkraai toch een merkwaardig bewogen leven had, kwamen drie mannen binnenstappen.[61]„Alsjeblieft!” zei een van hen, een forsche kerel, die een weinig mank ging. „Daar ligt het zoodje!” En hij sleurde Hajo’s „ruilhandel” te voorschijn. „Wat zullen we er mee doen? Ze moeten gepest worden, dat staat vast: groentjes moeten gepest worden.”„Gepest worden,” bevestigde de tweede, een kerel met een door de pokken geschonden gelaat.„Hè-hè-hè!” grinnikte de derde, een ietwat gebogen manneke.„Wat we kunnen doen,” zei de manke, „is: de heele rommel zoek maken.”„Zoek maken!” riep de pokdalige.„Hi-hi-hi!” grinnikte de kleine.„Ka!” riep Gerrit.De drie mannen schrokken; de kleine verslikte zich. Toen begon de manke te lachen. „Wel verduiveld!” riep hij. „Die kraai zullen we de nek omdraaien!”„Nek omdraaien!” stelde de pokdalige voor.De manke ging naar de kooi en trachtte den bewoner ervan te grijpen. Maar Gerrit was zoo vlug als een goed opgevoede torenkraai maar zijn kan.„’n Aardig beessie”, verzekerde de manke.„Pik!” zei Gerrit en hakte met z’n snavel.„Als ik ’t mormel in m’n vingers krijg!” dreigde de kerel vloekend. En hij kreeg het in zijn vingers en sleurde zijn glanzend-zwarten gevangene naar buiten. „Zoo, maak nou je testament maar!”Maar terwijl Gerrit daarmee bezig was, klonken er buiten voetstappen. De mannen hielden zich koest.Hajo kwam het vooronder binnen, zag met een oogopslag den rommel op den grond, en merkte, dat de manke iets verborgen hield. „Wat heb je daar!” zei hij, terwijl hij zich resoluut voor den kerel plaatste.„Dat raakt je niet!”„Ka!” schreeuwde Gerrit.Het bloed steeg Hajo naar het hoofd. „Laat los die kraai! Hij is niet van jou.”„Van jou dan zeker! Laat de bootsman ’m maar niet zien!”„Laat hem los!” dreigde Hajo.[62]„Ik zal ’m voor je oogen z’n nek omdraaien,” verklaarde de manke.Toen gebeurde het. Hajo greep de kooi van den wand en smakte ze in blinde drift den kerel op het hoofd. Het kon niet mooier: de oude, vermolmde bodem begaf zich, en de kooi kwam om ’s mans nek te hangen. Hij moest den luid schreeuwenden Gerrit loslaten om zich van het koperen tralienet te verlossen. Daarbij raasde en tierde hij als een bezetene. „Ik zal je, kleine salamander!”En terwijl Gerrit met haastige sprongen, half fladderend een goed heenkomen zocht, stond Hajo met gebalde vuisten, bevend van opwinding, den aanval van den manke af te wachten.Deze liet zich niet lang onbetuigd. Nauwelijks had hij zich van de kooi bevrijd, of hij kwam schuimbekkend op den scheepsjongen af. Een verwoede worsteling, vol belangstelling gadegeslagen door de twee anderen, volgde.En juist toen Hajo, ondanks zijn weergalooze vlugheid, dreigde te bezwijken onder het ruw geweld van den veel sterkeren janmaat, kwam Folkert Berentsz. het vooronder binnen. Zien en handelen was voor den wakkeren zeeman één. De manke voelde zich stevig in het nekvel gegrepen en liet verbouwereerd zijn tegenstander los.„Donder en bliksem! Sta je hier met een scheepsjongen te vechten?!”„’n Mooie scheepsjongen!” gromde de manke, terwijl zijn losgeraakt boezeroen weer in de broek stopte en z’n pols aflikte, die geschaafd was. „’n Mooie scheepsjongen! De salamander heeft die kooi op m’n kop stukgeslagen!”De gevreesde bootsman richtte z’n oogen dreigend op Hajo.„Hij wou m’n kraai de nek omdraaien, bootsman!”„Ka!” riep Gerrit.„Je kraai?? Wat doe jij hier met een kraai?!!”„De schipper kent hem”, zei Hajo.„Kijk hier eens, bootsman!” klonk het uit den mond van den manke. „Kijk eens wat een rommeltje dat heerschap bij zich heeft!”„Donder en bliksem.….,” stotterde Berentsz.„De schipper weet er van, bootsman, en laat vragen.….”[63]„De schipper, de schipper, de schipper.….!” gromde Berentsz. „’n Mooie boel tegenwoordig! Toen ik scheepsjongen was.….!!—Jij, Boutjens, kunt in elk geval op een nacht in ’t schavuitengat rekenen!” snauwde hij den manke toe. „En jou, jongeman, zal ik in de gaten houden. En je kraai ook! Donder en bliksem!”Weg was de bootsman.Hajo zocht zijn inboedel bij mekaar, raapte de kooi op en trachtte er den bodem weer in te duwen.De drie mannen verlieten mokkend en scheldend het vooronder.Hajo ademde diep. Hij ging op de kist zitten, die baas Wouter hem had meegegeven, steunde het hoofd in de handen en staarde voor zich uit langs de lange rij kribben.Het geluk, het onmetelijke, verblindende geluk, waarvan de weerschijn daarstraks nog in zijn oogen schitterde, was vertroebeld. Vol weemoed dacht Hajo aan baas Wouter, aan zijn broertje, zijn zusjes en aan.…. „Als je ooit eens verdriet hebt, zeg dan maar gerust: Mijn moedertje denkt aan mij.….”—Moeder.…. Moedertje!Hajo sprong overeind, liep een paar passen op en neer en snelde toen naar buiten.Het was allengs duister geworden.De frissche zeelucht deed Hajo goed; met volle teugen snoof hij ze op. Hij leunde over de verschansing en keek naar het blanke schuim, dat wegscheerde langs den boeg, en naar de lichtende koppen op de donkere golven. Er was geen maan; een handvol bleeke sterren lag verdwaald over het uitspansel.Allengs kwam Hajo weer tot rust. Hij luisterde naar het zuchten van den wind, het klapperen van een losgewerkten hoek van een der fokzeilen, het gekreun der golven, die smartelijk scheurden onder den scheepsboeg, naar het eentonig gezang der roergangers:„Wie heeft er nooit dat schip gezienMet zeuven zwarte masten?Zwart zijn de zeilen; zwart is het want;Aan boord staan vreemde gasten!Hi-ho! Hi-ho! Hi-ho-ho.….![64]Een duivel zit op het galjoen;De dood staat aan het roer;In de kombuis blaast in het vuurEen zwarte duivelsmoer!Hi-ho! Hi-ho! Hi-ho-ho.….!”„Hallo!” klonk het achter Hajo. En daar stond Rolf. „Hallo, Hajo! Ik zoek je overal! Waar was je ineens gebleven?”Hajo vertelde zijn wedervaren.„We zijn met z’n beiden”, zei Rolf, toen Hajo had uitverteld. „Wie het een van ons lastig maakt, krijgt er met twee te doen!”Daar kwam Padde aansukkelen.„Hallo, Padde!” riep Rolf uit, „zien we jou ook eindelijk? De schipper zal wel ’n hartig woordje met je hebben gesproken?”„’k Ben botteliersmaat,” zuchtte Padde. „Hij wil niet meer terug. Hemeltje, wat zal m’n moeder zeggen! En dat allemaal door die ellendige kanonnen!”„Als die niet hadden geschoten, sliep je nou nog”, wierp Rolf in het midden.„Was ’t maar waar,” klaagde Padde. „Ik val om van de maf”.„Ik doe een voorstel, Padde!” zei Rolf. „We sluiten een driemanschap. We hebben dezelfde vrienden en dezelfde vijanden en helpen mekaar altijd en overal. Hand er op?”„Waarachtig!” zei Padde.En de jongens klapten de handen stevig ineen.Toen luidde met heldere slagen een klok.„De etensbel!” riep Padde.„Hoe weet je dat?”„Nou, waar zouden ze anders voor bellen dan om te eten?”„Vooruit dan maar!” zei Rolf.En zoo begaf het driemanschap, met Padde ditmaal als leider, zich arm in arm naar het vooronder, waar de kok en zijn gezellen hijgend en blazend de dampende ketels eten naar binnen torsten.Zeemeeuw.[65]
Aan de zware, eikenhouten tafel in de groote scheepskajuit van deNieuw-Hoornzaten schipper Bontekoe en koopman Rol tegenover elkaar. De eerste bestudeerde ingespannen een groote zeekaart en mat met een passer enkele afstanden. De koopman liet zijn oogen gaan over lange cijferreeksen, maakte nu en dan een aanteekening en verdiepte zich in nieuwe tabellen met cijferreeksen.
Stilte in het vertrek. Stilte, die volkomen paste bij de waardige, haast plechtige stemming in dit heiligdom: de kajuit van den schipper!
Plotseling hieven beide heeren het hoofd op: voor den ingang van de kajuit was een tumult ontstaan. „Laat me er door!” schreeuwde een stem. „Ik wil de schipper spreken. Laat me er door, zeg ik je!” Op hetzelfde oogenblik werd de deur opengerukt, en een jongen van geen vijf Friesche turven hoog stormde het vertrek binnen, op den voet gevolgd door den waardigen, reeds grijzenden scheepsbarbier, in de wandeling „Vader Langjas” genaamd.
De vermetele binnendringer—wie was het anders dan Padde?—staarde met oogen, waarin de ontzetting lag uitgedrukt, in het strenge gelaat van Bontekoe. „Meneer.…. de tjalk is weg!”
„Schipper! Die drommelsche aap van een jongen.…. hm!” gromde de barbier verontwaardigd en naar adem happend.
„Ga jij je gang maar, Vader Langjas”, zei Bontekoe. „Ik zal met den jongeman wel even afrekenen.”
„Ik zal gaan, schipper. Maar die drommelsche kwajongen … hm!” En grimmig sloot Vader Langjas de deur achter zich.[56]
Padde viel voor den schipper op de knieën. „Schippertjelief, keer om! O, alsjeblief.….!”
„Sta jij eens op,” zei Bontekoe op een toon, die weinig goeds voorspelde.
Padde kroop weer overeind; zijn oogen zwommen in tranen. „Schippertje, toe.….!”
„Vertel jij mij eens kort en duidelijk waarom je niet op de tjalk zit! En geen uitvluchten, alsjeblieft.”
„Ik ben in slaap gevallen, schippertje! Vannacht heb ik geen oog dichtgedaan.….”
„Wat drommel, was dan in de tjalk gaan slapen!”
„Dat heb ik gedaan, schippertje! Maar die schommelde zoo verschrikkelijk, en toen ben ik weer aan boord gegaan. O, hemeltje, toen al die kanonnen in eens.….!”
„Die kanonnen heb je dus gehoord?!”
„Jawel, schipper, maar ik dorst niet naar buiten te komen, met al die kanonnen! Ik dacht.…. ik dacht, dat er Duinkerkers.….!” En Padde’s verwilderde oogen vulden zich opnieuw met angst voor die geduchte piraten.
„Aap van een jongen, was toch voor den dag gekomen; dan had je nog terug gekund!”
„En nou niet meer, schipper?!” Het klonk als een noodkreet.
Bontekoe wist niet goed wat hij er aan had. „Hoe zit het nou eigenlijk! Sta je me hier voor ’t lapje te houden? Biecht nou maar eerlijk op hoe de vork in de steel zit. Wilde je met je vriend mee?”
Padde’s oogen dreigden uit de kassen te vallen. „Mee naar Oostinje??!” stamelde hij. De arme jongen greep zich in de haren. „Ik ga toch in de bierbrouwerij van m’n oom?!—O, schippertje, schippertjelief, keer om, in ’s hemelsnaam.….!” En opnieuw zonk Padde voor Bontekoe’s voeten neer en trachtte zijn handen te grijpen.
Bontekoe zag in, dat hij zich vergist had. Hij deed een paar passen door het vertrek en vroeg toen: „Jij heet Padde, hè?”
„Padde Kelemeijn, schipper. Van de Appelhaven.”
„Luister goed, Padde Kelemeijn. We zullen je hier aan boord een werkje verschaffen, want ledigheid is ’s duivels oorkussen.[57]En als je goed aanpakt, en we mochten toevallig een schip ontmoeten, dat weer naar Holland gaat, dan zullen we je daar op zien over te zetten.”
„Wanneer zou dat zijn, schipper?”
„Dat kan vandaag nog gebeuren, en ’t kan ook nog wel drie maanden duren.”
„Drie maanden.….” herhaalde Padde toonloos.
„Maak je geen zorgen,” troostte Bontekoe. „Je bent hier goed onderdak, en je moeder zal, als ze je behouden terugziet, veel te blij zijn om nog aan slaan te denken.”
Padde sprong overeind. „M’n moeder slaat me nooit, schipper!”
„Je hebt anders alle recht op een flink pak op je broek,” was Bontekoe’s meening. „Maar we zullen eens even naar een geschikte bezigheid voor je zoeken. Kun je klimmen?”
„Klimmen, schipper?”
„Ja. In een touw bijvoorbeeld.”
„O.…. nee, schipper. In een touw niet.”
„Op een ladder wel?” vroeg Bontekoe.
„Op een ladder wel!” haastte Padde zich vol ijver te verklaren.
Bontekoe wierp den koopman een vroolijken blik toe. „Dan zullen we een botteliersmaat uit je maken. Meteen een goede voorbereiding voor de bierbrouwerij! Vraag maar aan de maats, of ze je de bottelier even willen wijzen, en zeg hem, dat je hem helpen moet. Begrepen?”
„Jawel, schipper.….”
„Goed zoo. De deur is achter je.”
„Jawel, schipper.….” Padde bleef staan.
„Ben je nog niet weg?”
„Schipper.…. schippertje.….” Padde’s oogjes knipten smeekend, „zou je nou heusch niet even terug willen zeilen?”
Dat was te kras. Bontekoe maakte een beweging, die Padde aanleiding gaf, met zooveel spoed de kajuit te verlaten, dat hij buiten de deur een dikken, blozenden, vriendelijken, eenigszins scheelzienden man pardoes omver liep. „Kijk uit je oogen!” snauwde Padde.
De man krabbelde sprakeloos van verwondering weer overeind.[58]
En Padde vervolgde grimmig zijn weg. Een lange, schrale janmaat met rood haar en groene, glazige oogen als van een visch werd het eerst door hem aangeklampt.
„Waar is de bottelier?!”
De kerel keek Padde van uit de hoogte aan. „De bottelier? Drie maal ’t schip rond, de vierde hoek van ’t zeil om, en dan aan ’t vijfde touwtje trekken, dan komt ie.”
„Wil je op je ziel hebben?” vroeg Padde.
De vent begon te grinneken als een geit.
Padde snoof en brieschte en pakte een ander bij z’n jas. „Waar is de bottelier?!”
De maat, een ineengedoken, stevig kereltje met slimme oogjes, keek van zijn werk—het inleggen van een touw—op. „Wat kan ik verdienen, als ik je ’m wijs?”
„Ik zal aan de schipper vertellen wat een lamme kerels jullie zijn!” verzekerde Padde.
„Dat verandert,” zei de man. „Luister goed! De bottelier is vast op ’t schip: ik heb ’m vóór twee reizen nog gezien. Loop maar ’n eindje door, dan zul je ’m wel vinden. ’t Is zoo’n lange, magere, korte, dikke kerel.”
Padde was alweer verder, beproefde zijn geluk bij een drietal janmaats, die over de verschansing hingen en pruimden.
„De bottelier?” vroeg de grootste, die een scheef gezicht en daarin een half dicht oog bezat. „Weet je wat je vooral niet vergeten mag, als je de bottelier zoekt?”
„Nou?” vroeg Padde weifelend.
„Wel verduiveld, nou ben ik het zelf vergeten!” zei de vent.
„Heb jij je eene oog ook vergeten?” vroeg Padde. Toen sprong hij haastig ter zijde.
Padde klaagde zijn nood bij een trouwhartigen, baardigen zeerob, die aan het smeren van een ankerspil zijn zorgen wijdde. „Ja, ze zullen je wel leelijk voor de mal houden!” zei deze, terwijl hij zijn klare oogen medelijdend op den nieuwbakken botteliersmaat richtte. „Je moet rekenen: je bent een groentje, hè? Maar ik zal je den bottelier wijzen, hoor, heb maar ’n oogenblikje geduld. Die spil moet eerst even geolied worden. Help maar ’n handje, dan gaat het gauwer.”[59]
„Graag!” zei Padde, blij, dat hij den trouwhartigen, vriendelijken zeerob een wederdienst kon bewijzen.
„Je bent een brave jongen”, verklaarde deze. „Hier is olie. Smeer maar raak.”
En Padde smeerde, tot de spil en hij zelf om het meest glommen.
„Goed zoo!” prees detrouwhartigezeerob. „Je zult het gauw leeren.—Ziezoo, nou deze spil ook nog maar even.”
Padde was alweer aan het werk. De lof, die de ervaren zeerob aan zijn smeer-talent had toegezwaaid, prikkelde Padde: hij smeerde nu zoo aandachtig en ijverig, dat hij niet merkte, hoe zijn kameraad er maar met de handen in de zakken bij was gaan zitten, een vroolijk wijsje tusschen de tanden floot en goedkeurend met het hoofd knikte.
Toen de spil gesmeerd en Padde achter adem was, zei de trouwhartige zeerob: „Ik verzeker je, dat ik het zelf niet beter had kunnen doen. Kom, nou de spil van het plecht-anker.”
Padde keek sip. „En de bottelier?” vroeg hij.
„Plicht gaat voor, jongen,” verklaarde de trouwhartige zeerob. „Eerst nog even de spil van het plecht-anker!”
„Maar ga je dàn heusch met me mee?” vroeg Padde.
„Ja. Als ik eerst in de fok ook nog wat geklaard heb.….”
„En wanneer zou dàt afgeloopen zijn?” vroeg Padde weifelend.
„Dat hangt er vanaf”, zei de trouwhartige zeerob. „Als jij me helpt, zijn we in een stevig uurtje klaar. Maar anders gaat m’n heele middag er mee heen.”
Padde’s oogen schoten vol tranen; hij wendde zich af en begon te snikken.
„Ja.…. plicht gaat voor,” zei de trouwhartige zeerob. En hij pakte zijn pot met smeer op en begaf zich in de richting van de plecht.
Padde bleef staan, de wanhoop in het hart. Hij voelde zich van de heele wereld verlaten en wenschte, dat deNieuw-Hoornvandaag nog met met man en muis zou vergaan. Hij snikte hoe langer hoe luider, en hoe meer hij snikte, des te ontzettender vond hij zijn eigen toestand.
Maar onverwachts werd hij op den schouder getikt. Hij[60]wendde zich om en zag in het blozende gelaat van den schelen dikzak, dien hij, uit de kajuit komende, omver geloopen had.
„Wat scheelt er aan, kereltje?” vroeg de man vriendelijk.
Maar Padde had zijn vertrouwen in de menschheid verloren. „Gaat je geen spaan aan!” gromde hij. „’k Heb niks.”
„Maar als je niks mankeert, waarom sta je dan te grienen?” vroeg de man.
Padde haalde de schouders op. „Jij bent zeker ook gekomen, om me voor de gek te houden, hè? Ja, trek maar geen gezicht alsof je niet weet, dat ik de bottelier zoek. Jullie kunt knappen!”
„De bottelier? Zoek je de bottelier? Wel, da’s merakel:ikben de bottelier!”
Padde kon een kreet niet onderdrukken. „Is ’t heusch?! Hou je me niet voor de gek?”
„Welneen-ik,” zei de dikkert. „Dat verzeker ik je, hoor, dat ik de bottelier ben.”
Padde vloog hem om den hals. „Ik moet je helpen! De schipper heeft het gezegd!”
„Wel, da’s merakel, ik had de schipper juist om een jongen voor de bottelarij.…..” De man stokte, deed een paar passen terug en staarde Padde aandachtig aan. „Wel, da’s een merakel”, fluisterde hij. „Da’s nou waarachtig ’n groot merakel. Je lijkt.…. je lijkt op m’n jongen.”
„Is die hier ook op ’t schip?” vroeg Padde.
De schele dikzak wilde wat zeggen, maar slikte het weer weg en schudde ontkennend het hoofd.
„Waar is ie dan?” vroeg Padde.
De bottelaar kuchte, legde zijn hand op Padde’s schouder en gaf toen het zonderlinge antwoord: „D’r staan.…. d’r staan nog wel twintig kruiken, die allemaal moeten worden gespoeld. Kom.…. kom jij maar mee, kereltje.”
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Ook Gerrit doorleefde dien eersten namiddag aan boord stoere oogenblikken. Terwijl hij in het schemerdonker van het vooronder in zijn kooi zat te overpeinzen, dat hij voor een doodgewone torenkraai toch een merkwaardig bewogen leven had, kwamen drie mannen binnenstappen.[61]
„Alsjeblieft!” zei een van hen, een forsche kerel, die een weinig mank ging. „Daar ligt het zoodje!” En hij sleurde Hajo’s „ruilhandel” te voorschijn. „Wat zullen we er mee doen? Ze moeten gepest worden, dat staat vast: groentjes moeten gepest worden.”
„Gepest worden,” bevestigde de tweede, een kerel met een door de pokken geschonden gelaat.
„Hè-hè-hè!” grinnikte de derde, een ietwat gebogen manneke.
„Wat we kunnen doen,” zei de manke, „is: de heele rommel zoek maken.”
„Zoek maken!” riep de pokdalige.
„Hi-hi-hi!” grinnikte de kleine.
„Ka!” riep Gerrit.
De drie mannen schrokken; de kleine verslikte zich. Toen begon de manke te lachen. „Wel verduiveld!” riep hij. „Die kraai zullen we de nek omdraaien!”
„Nek omdraaien!” stelde de pokdalige voor.
De manke ging naar de kooi en trachtte den bewoner ervan te grijpen. Maar Gerrit was zoo vlug als een goed opgevoede torenkraai maar zijn kan.
„’n Aardig beessie”, verzekerde de manke.
„Pik!” zei Gerrit en hakte met z’n snavel.
„Als ik ’t mormel in m’n vingers krijg!” dreigde de kerel vloekend. En hij kreeg het in zijn vingers en sleurde zijn glanzend-zwarten gevangene naar buiten. „Zoo, maak nou je testament maar!”
Maar terwijl Gerrit daarmee bezig was, klonken er buiten voetstappen. De mannen hielden zich koest.
Hajo kwam het vooronder binnen, zag met een oogopslag den rommel op den grond, en merkte, dat de manke iets verborgen hield. „Wat heb je daar!” zei hij, terwijl hij zich resoluut voor den kerel plaatste.
„Dat raakt je niet!”
„Ka!” schreeuwde Gerrit.
Het bloed steeg Hajo naar het hoofd. „Laat los die kraai! Hij is niet van jou.”
„Van jou dan zeker! Laat de bootsman ’m maar niet zien!”
„Laat hem los!” dreigde Hajo.[62]
„Ik zal ’m voor je oogen z’n nek omdraaien,” verklaarde de manke.
Toen gebeurde het. Hajo greep de kooi van den wand en smakte ze in blinde drift den kerel op het hoofd. Het kon niet mooier: de oude, vermolmde bodem begaf zich, en de kooi kwam om ’s mans nek te hangen. Hij moest den luid schreeuwenden Gerrit loslaten om zich van het koperen tralienet te verlossen. Daarbij raasde en tierde hij als een bezetene. „Ik zal je, kleine salamander!”
En terwijl Gerrit met haastige sprongen, half fladderend een goed heenkomen zocht, stond Hajo met gebalde vuisten, bevend van opwinding, den aanval van den manke af te wachten.
Deze liet zich niet lang onbetuigd. Nauwelijks had hij zich van de kooi bevrijd, of hij kwam schuimbekkend op den scheepsjongen af. Een verwoede worsteling, vol belangstelling gadegeslagen door de twee anderen, volgde.
En juist toen Hajo, ondanks zijn weergalooze vlugheid, dreigde te bezwijken onder het ruw geweld van den veel sterkeren janmaat, kwam Folkert Berentsz. het vooronder binnen. Zien en handelen was voor den wakkeren zeeman één. De manke voelde zich stevig in het nekvel gegrepen en liet verbouwereerd zijn tegenstander los.
„Donder en bliksem! Sta je hier met een scheepsjongen te vechten?!”
„’n Mooie scheepsjongen!” gromde de manke, terwijl zijn losgeraakt boezeroen weer in de broek stopte en z’n pols aflikte, die geschaafd was. „’n Mooie scheepsjongen! De salamander heeft die kooi op m’n kop stukgeslagen!”
De gevreesde bootsman richtte z’n oogen dreigend op Hajo.
„Hij wou m’n kraai de nek omdraaien, bootsman!”
„Ka!” riep Gerrit.
„Je kraai?? Wat doe jij hier met een kraai?!!”
„De schipper kent hem”, zei Hajo.
„Kijk hier eens, bootsman!” klonk het uit den mond van den manke. „Kijk eens wat een rommeltje dat heerschap bij zich heeft!”
„Donder en bliksem.….,” stotterde Berentsz.
„De schipper weet er van, bootsman, en laat vragen.….”[63]
„De schipper, de schipper, de schipper.….!” gromde Berentsz. „’n Mooie boel tegenwoordig! Toen ik scheepsjongen was.….!!—Jij, Boutjens, kunt in elk geval op een nacht in ’t schavuitengat rekenen!” snauwde hij den manke toe. „En jou, jongeman, zal ik in de gaten houden. En je kraai ook! Donder en bliksem!”
Weg was de bootsman.
Hajo zocht zijn inboedel bij mekaar, raapte de kooi op en trachtte er den bodem weer in te duwen.
De drie mannen verlieten mokkend en scheldend het vooronder.
Hajo ademde diep. Hij ging op de kist zitten, die baas Wouter hem had meegegeven, steunde het hoofd in de handen en staarde voor zich uit langs de lange rij kribben.
Het geluk, het onmetelijke, verblindende geluk, waarvan de weerschijn daarstraks nog in zijn oogen schitterde, was vertroebeld. Vol weemoed dacht Hajo aan baas Wouter, aan zijn broertje, zijn zusjes en aan.…. „Als je ooit eens verdriet hebt, zeg dan maar gerust: Mijn moedertje denkt aan mij.….”—Moeder.…. Moedertje!
Hajo sprong overeind, liep een paar passen op en neer en snelde toen naar buiten.
Het was allengs duister geworden.
De frissche zeelucht deed Hajo goed; met volle teugen snoof hij ze op. Hij leunde over de verschansing en keek naar het blanke schuim, dat wegscheerde langs den boeg, en naar de lichtende koppen op de donkere golven. Er was geen maan; een handvol bleeke sterren lag verdwaald over het uitspansel.
Allengs kwam Hajo weer tot rust. Hij luisterde naar het zuchten van den wind, het klapperen van een losgewerkten hoek van een der fokzeilen, het gekreun der golven, die smartelijk scheurden onder den scheepsboeg, naar het eentonig gezang der roergangers:
„Wie heeft er nooit dat schip gezienMet zeuven zwarte masten?Zwart zijn de zeilen; zwart is het want;Aan boord staan vreemde gasten!Hi-ho! Hi-ho! Hi-ho-ho.….![64]Een duivel zit op het galjoen;De dood staat aan het roer;In de kombuis blaast in het vuurEen zwarte duivelsmoer!Hi-ho! Hi-ho! Hi-ho-ho.….!”
„Wie heeft er nooit dat schip gezienMet zeuven zwarte masten?Zwart zijn de zeilen; zwart is het want;Aan boord staan vreemde gasten!Hi-ho! Hi-ho! Hi-ho-ho.….!
„Wie heeft er nooit dat schip gezien
Met zeuven zwarte masten?
Zwart zijn de zeilen; zwart is het want;
Aan boord staan vreemde gasten!
Hi-ho! Hi-ho! Hi-ho-ho.….!
[64]
Een duivel zit op het galjoen;De dood staat aan het roer;In de kombuis blaast in het vuurEen zwarte duivelsmoer!Hi-ho! Hi-ho! Hi-ho-ho.….!”
Een duivel zit op het galjoen;
De dood staat aan het roer;
In de kombuis blaast in het vuur
Een zwarte duivelsmoer!
Hi-ho! Hi-ho! Hi-ho-ho.….!”
„Hallo!” klonk het achter Hajo. En daar stond Rolf. „Hallo, Hajo! Ik zoek je overal! Waar was je ineens gebleven?”
Hajo vertelde zijn wedervaren.
„We zijn met z’n beiden”, zei Rolf, toen Hajo had uitverteld. „Wie het een van ons lastig maakt, krijgt er met twee te doen!”
Daar kwam Padde aansukkelen.
„Hallo, Padde!” riep Rolf uit, „zien we jou ook eindelijk? De schipper zal wel ’n hartig woordje met je hebben gesproken?”
„’k Ben botteliersmaat,” zuchtte Padde. „Hij wil niet meer terug. Hemeltje, wat zal m’n moeder zeggen! En dat allemaal door die ellendige kanonnen!”
„Als die niet hadden geschoten, sliep je nou nog”, wierp Rolf in het midden.
„Was ’t maar waar,” klaagde Padde. „Ik val om van de maf”.
„Ik doe een voorstel, Padde!” zei Rolf. „We sluiten een driemanschap. We hebben dezelfde vrienden en dezelfde vijanden en helpen mekaar altijd en overal. Hand er op?”
„Waarachtig!” zei Padde.
En de jongens klapten de handen stevig ineen.
Toen luidde met heldere slagen een klok.
„De etensbel!” riep Padde.
„Hoe weet je dat?”
„Nou, waar zouden ze anders voor bellen dan om te eten?”
„Vooruit dan maar!” zei Rolf.
En zoo begaf het driemanschap, met Padde ditmaal als leider, zich arm in arm naar het vooronder, waar de kok en zijn gezellen hijgend en blazend de dampende ketels eten naar binnen torsten.
Zeemeeuw.
[65]