[Inhoud]PADDE HEEFT BEETPADDE HEEFT BEETOf de maats den volgenden morgen uit hun kooi konden komen! De zon zat nog half in ’t water, toen er al een stelletje oomes in baaien onderbroeken over de verschansing hing. Als je goed keek, zag je op de rotsen een bokje springen. Het was eb; er lag een flinke lap strand bloot, en in de waterkuilen kon Harmen zonder mistkijker, maar wel met een weinig verbeeldingskracht, kreeften en garnalen zien zwemmen. Padde liep het al om den mond: garnalen was zijn lievelingskostje!’s Avonds zouden ze weer weggaan; dus moesten overdag de handen uit de mouw! Ze zouden vandaag die ouwe kast van eenNieuw-Hoorneens opknappen, dat geen schoonmoeder er kwaad van kon zeggen! Na de vroeg-kost werd de jol neergelaten, die ververschingen moest opdoen en wat visch zien machtig te worden.„Wie er mee wou?”Allemaal wel!„Ja, maar het eiland is Spaansch!”„Laat de Spekken maar komen!”„Er mag niet gevochten worden.”„En als zullie beginnen?”„Dan sla je er ook op. Nogal glad”, zei Donder-en-bliksem.Er werd geloot, wie mee zou gaan. Hajo wist met z’n Vreugde geen raad, toen Rolf en hij beiden een lang strootje trokken.[132]Met dertig andere varensgasten daalden ze de touwladder af. Vóór in de jol lagen musketten en vischtuig.„Zul je ’t niet vergeten, Klaas?”„Wàt, Hein?”„Je neus weerom te brengen!”„Denk om de garnalen!” schreeuwde Padde.„Kannibalen?”De spanen plasten in het water. Een-twee; een-twee.„Jongens”, zei Berentsz., die bij het roer zat, „we halen vóór de branding het net door het water. Als we een flink zoodje visch vangen, gaan we niet aan land. De Spekken zullen ons al lang in de kijker hebben.”„Ik heb net zin in een robbertje, bootsman!”„Dan maak je maar ’n robbertje met de groote mast!” raadde Berentsz. aan.Op het strand doken boomen met slank-gebogen stammen en waaiervormige kruinen uit den lichten morgennevel op: palmen!„Javaansche bloemkolen, Hajo!” zei Floorke, die al drie reizen naar Indië had gemaakt.Hajo keek wantrouwend de anderen aan. Maar alle oomes roeiden zwijgend verder en knikten ernstig. Toen zei Hajo: „Ik hield het voor knolraap, maar dat kan ook wel komen, omdat Floorke er met z’n hoofd voor zat.”Grinnikend haalden de oomes het net te voorschijn en wierpen het achter uit. Al roeiende trok men het achter de boot aan.„Zou er al wat in zitten? ’t Is net of ’t zwaarder roeit!”„Haal maar eens op!” zei Berentsz.Alles kroop naar achteren. De boeg schoot de lucht in.„Trekkèèèè!”In eens spalkten de oomes de oogen open. Er zat een grootezeeschildpadin het net.„Wat ’n raar beessie!”„Haal hem binnen en leg hem op z’n rug! Nou, pak hem maar gerust: je zult hem niet bezeeren.”„Zou-d-ie niet bijten?”„Bijten? We zullen vanmiddag in hèm bijten! En er een fijn soepje van koken! Hoepla!”[133]De schildpad lag op den rug, bewoog hulpeloos haar dikke zwempooten.„Ik zou hem wel voor m’n moei mee willen nemen! Krijg ik hem, bootsman?”„Als de soep klaar is. Gooi het net maar weer uit, jongens!—Heila! Wat is dat!”Van de strandzijde klonk een scherpe knal, en aan bakboord plonsde iets in het water.„De Spekken!! Ze smijten met boonen!”Aller oogen richtten zich naar het strand, waar zich een groepje mannen verzameld had. „Geef mij eens ’n musket! Ik schiet op honderd el een vlieg z’n voorpoot af!”Weer een knal en een plons.„Aan de riemen! Ze schieten ons nog door de kleeren! En ’k zit krap in m’n stopgaren!”„Wacht even, ik ben nog aan ’t laden!” pruttelde de scherpschutter. Het laden van een musket was een werkje, dat tijd, ervaring en overleg vroeg.Weer een schot. Een kogel floot den mannen over het hoofd.Toen was de oome, die op honderd ellen een vlieg verminken kon, gereed. Grimmig legde hij aan.—Een donderslag; de schutter vloog door den schok bijkans met musket en al de jol uit.Maar van het strand klonk een luide gil. Een der Spanjaarden liet zijn wapen vallen en stortte achterover in het zand. De anderen zochten een haastig heenkomen achter een boschje.„Schei uit met die grapjes, Klaas! En pak de riemen op: we zitten vlak voor de branding!”Een schot van den wal; de jol trilde even, en uit den bodem spoot een fonteintje op. „Au! M’n poot! Au! Au!”„Stop het lek!” Het werd met touwpluisel gestopt.De jammerende maat nam zijn voet in de handen. „Ze hebben m’n teen kapot geschoten!”„Met Sinterklaas krijg je ’n nieuwe!” troostte Berentsz. „Roeien, jongens! Een-twee; een-twee.….”Spoedig was men buiten schot.„Willen we hier het net weer eens uitgooien, bootsman?”„Vooruit maar”, zei Berentsz. „Waar is het?”Algemeen gegluur onder de banken. „Het net is weg!”[134]Floorke begon te ginnegappen.„Heb jij het weggestopt, beroerde kerel?”„’t Hangt nog achter de boot!” zei Floorke. „D’r zal nou wel visch zat in zitten!”Een der Spanjaarden stortte achterover in het zand.....Een der Spanjaarden stortte achterover in het zand.….Dat had de opwinding ’m gedaan. Ieder was vergeten, dat het net in het water hing. Het werd ingehaald. Groote vreugde, toen het vol glanzende, spartelende visch bleek te zitten.Maar de gewonde maat deelde niet in de blijdschap. Hij had z’n hemd uitgetrokken en was met Rolfs hulp aan het verbinden van zijn voet geslagen.[135]De anderen letten er nauwelijks op. Het waren ruwe klanten, die varensgasten uit de zeventiende eeuw.- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Aan boord was zoo gehamerd en gezaagd, dat niemand het schieten had gehoord.In het ruim lagen nog stengen; ze werden door de achterpoorten aan dek geheschen. Een spier van veertien palm werd overlangs doorgezaagd, en die beide helften woelde men, met nog twee andere stengen, om de mastbreuk. Nu kon men de steng, die voorloopig den mast versterkt had, weer hijschen en het grootzeil voeren. Het was een lust er naar te kijken! De mast leek wel een zware pijler uit de Sint-Anthonis. Nu mocht de storm weer blazen.Men was juist aan het taliën van het want, toen de boot terugkwam. De vangst overtrof alle verwachtingen. Bolle liet de gekieuwde waterbewoners lustig knappen in de pan; de meeningen over zijn schildpadsoep liepen zeer uiteen, maar de meesten smulden er in. Verdikke, men kon merken, dat er dien dag gewerkt was: er werden me wat bruine boonen achter de kiezen gedouwd! De gewonde maat, die nu door Vader Langjas naar alle regelen der kunst verbonden was, deed in eetlust voor niemand onder, en Padde trachtte in een berg schelvisch zijn teleurstelling over de garnalen te vergeten.- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Een uur na het eten klonk tusschendeks een angstig geschreeuw: „Hulp! Hulp!!”Alles stormde naar beneden. Daar vond men Padde half uit een geschutpoort hangen. Een kabel, die om een pin geslagen was, liep strak gespannen naar buiten; in het water werd er woedend aan gerukt. En Padde trok aan dezen kant.„Ik.…. pf! ik heb beet! Help ’ns ’n handje! Ik kan ’m alleen.…. pf! niet binnen krijgen!”De maats stonden paf. „Binnen krijgen! Als het touw niet om die pin zat, had ie jou al lang buiten gekregen!”Twee mannen sloegen hun knuisten om het touw. „Trekken! Hoy-hay! Hoy-hay!” Nog een paar oomes staken hun armen[136]uit de geschutpoort. Er kwam beweging in den kabel: men won. Het touw werd van de pin bevrijd en alles trok mee.„Zou ’t een zeevarken wezen?”„Trekkèèèèè.….”Een glimmend zwarte monsterkop schemerde in het water, dat, door machtige staartklappen opgezweept, alle kanten uitgolfde.„’nHaai!!!”Nu werden plots de trekken der oomes stroef en hard. Nu was het geen spelletje meer!„Hoe krijgen we ’m binnen? Wacht! Ik zal ’m van het dek een harpoen in z’n bast gooien,—dan halen we hem over het hek!”„Gauw dan!” Een dozijn oomes stormde naar het dek.„Wat zou-d-ie wegen? Drie honderd pond? Hou vast, mannen!”Toen schoten de trekkende oomes achteruit, rolden in een kluwen van armen en beenen dooreen.Beneden in het waterplonsdehet. En met een hartgrondige verwensching keken de oomes naar een gebroken stuk touw, dat ze in de hand hielden.Padde zuchtte. „Daar heb ik nou de heele dag voor zitten koekeloeren! Waar bemoei jullie je ook mee? Als je mij stiekum m’n gang had laten gaan.….”Toen moesten de oomes weer lachen.- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -De arme jongen zocht troost bij den bottelier. Deze was aan het tappen; Padde stak een kaars aan en daalde in den kelder af.„Voorzichtig-aan, m’n jongen!” waarschuwde de Schele, toen Padde zijn kaars op een brandewijnvaatje plaatste. „Je zou brand maken!”„Brand?” vroeg Padde. „Dat goedje kan toch niet branden? ’t Is toch nat?”„Nat is het. Maar waarom zouden ze het brandewijn noemen, als ’t niet branden wou?”„Kom, Schele”, zei Padde, „laten we nou maar naar boven gaan, anders vertel je me zoometeen nog, dat de zee in brand vliegt, als er een z’n pijp buiten boord uitklopt!”[137]De Schele begon te grinniken. Maar toen ze samen het keldergat uitkropen, ontsnapte een zware zucht aan zijn boezem. „Merakel! Gertje kon net zulke grapjes maken.….”- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Dien avond koos deNieuw-Hoornweer zee. De koers werd recht op deevennachtslijngesteld.Onze vrienden hingen over de verschansing en tuurden naar het land, dat langzaam wegzonk. De lucht en het water waren goud van de ondergaande zon, de berg en de rotsen diepblauw.Hajo voelde zich beklemd. In zijn ziel trilde de smartkreet na, dien de gevallen Spanjaard had uitgestooten. Hajo vond, dat de vorm van het eiland aan een graf deed denken.Als een witte lijkkrans lag de branding er omheen.Zeemeeuw.[138]
[Inhoud]PADDE HEEFT BEETPADDE HEEFT BEETOf de maats den volgenden morgen uit hun kooi konden komen! De zon zat nog half in ’t water, toen er al een stelletje oomes in baaien onderbroeken over de verschansing hing. Als je goed keek, zag je op de rotsen een bokje springen. Het was eb; er lag een flinke lap strand bloot, en in de waterkuilen kon Harmen zonder mistkijker, maar wel met een weinig verbeeldingskracht, kreeften en garnalen zien zwemmen. Padde liep het al om den mond: garnalen was zijn lievelingskostje!’s Avonds zouden ze weer weggaan; dus moesten overdag de handen uit de mouw! Ze zouden vandaag die ouwe kast van eenNieuw-Hoorneens opknappen, dat geen schoonmoeder er kwaad van kon zeggen! Na de vroeg-kost werd de jol neergelaten, die ververschingen moest opdoen en wat visch zien machtig te worden.„Wie er mee wou?”Allemaal wel!„Ja, maar het eiland is Spaansch!”„Laat de Spekken maar komen!”„Er mag niet gevochten worden.”„En als zullie beginnen?”„Dan sla je er ook op. Nogal glad”, zei Donder-en-bliksem.Er werd geloot, wie mee zou gaan. Hajo wist met z’n Vreugde geen raad, toen Rolf en hij beiden een lang strootje trokken.[132]Met dertig andere varensgasten daalden ze de touwladder af. Vóór in de jol lagen musketten en vischtuig.„Zul je ’t niet vergeten, Klaas?”„Wàt, Hein?”„Je neus weerom te brengen!”„Denk om de garnalen!” schreeuwde Padde.„Kannibalen?”De spanen plasten in het water. Een-twee; een-twee.„Jongens”, zei Berentsz., die bij het roer zat, „we halen vóór de branding het net door het water. Als we een flink zoodje visch vangen, gaan we niet aan land. De Spekken zullen ons al lang in de kijker hebben.”„Ik heb net zin in een robbertje, bootsman!”„Dan maak je maar ’n robbertje met de groote mast!” raadde Berentsz. aan.Op het strand doken boomen met slank-gebogen stammen en waaiervormige kruinen uit den lichten morgennevel op: palmen!„Javaansche bloemkolen, Hajo!” zei Floorke, die al drie reizen naar Indië had gemaakt.Hajo keek wantrouwend de anderen aan. Maar alle oomes roeiden zwijgend verder en knikten ernstig. Toen zei Hajo: „Ik hield het voor knolraap, maar dat kan ook wel komen, omdat Floorke er met z’n hoofd voor zat.”Grinnikend haalden de oomes het net te voorschijn en wierpen het achter uit. Al roeiende trok men het achter de boot aan.„Zou er al wat in zitten? ’t Is net of ’t zwaarder roeit!”„Haal maar eens op!” zei Berentsz.Alles kroop naar achteren. De boeg schoot de lucht in.„Trekkèèèè!”In eens spalkten de oomes de oogen open. Er zat een grootezeeschildpadin het net.„Wat ’n raar beessie!”„Haal hem binnen en leg hem op z’n rug! Nou, pak hem maar gerust: je zult hem niet bezeeren.”„Zou-d-ie niet bijten?”„Bijten? We zullen vanmiddag in hèm bijten! En er een fijn soepje van koken! Hoepla!”[133]De schildpad lag op den rug, bewoog hulpeloos haar dikke zwempooten.„Ik zou hem wel voor m’n moei mee willen nemen! Krijg ik hem, bootsman?”„Als de soep klaar is. Gooi het net maar weer uit, jongens!—Heila! Wat is dat!”Van de strandzijde klonk een scherpe knal, en aan bakboord plonsde iets in het water.„De Spekken!! Ze smijten met boonen!”Aller oogen richtten zich naar het strand, waar zich een groepje mannen verzameld had. „Geef mij eens ’n musket! Ik schiet op honderd el een vlieg z’n voorpoot af!”Weer een knal en een plons.„Aan de riemen! Ze schieten ons nog door de kleeren! En ’k zit krap in m’n stopgaren!”„Wacht even, ik ben nog aan ’t laden!” pruttelde de scherpschutter. Het laden van een musket was een werkje, dat tijd, ervaring en overleg vroeg.Weer een schot. Een kogel floot den mannen over het hoofd.Toen was de oome, die op honderd ellen een vlieg verminken kon, gereed. Grimmig legde hij aan.—Een donderslag; de schutter vloog door den schok bijkans met musket en al de jol uit.Maar van het strand klonk een luide gil. Een der Spanjaarden liet zijn wapen vallen en stortte achterover in het zand. De anderen zochten een haastig heenkomen achter een boschje.„Schei uit met die grapjes, Klaas! En pak de riemen op: we zitten vlak voor de branding!”Een schot van den wal; de jol trilde even, en uit den bodem spoot een fonteintje op. „Au! M’n poot! Au! Au!”„Stop het lek!” Het werd met touwpluisel gestopt.De jammerende maat nam zijn voet in de handen. „Ze hebben m’n teen kapot geschoten!”„Met Sinterklaas krijg je ’n nieuwe!” troostte Berentsz. „Roeien, jongens! Een-twee; een-twee.….”Spoedig was men buiten schot.„Willen we hier het net weer eens uitgooien, bootsman?”„Vooruit maar”, zei Berentsz. „Waar is het?”Algemeen gegluur onder de banken. „Het net is weg!”[134]Floorke begon te ginnegappen.„Heb jij het weggestopt, beroerde kerel?”„’t Hangt nog achter de boot!” zei Floorke. „D’r zal nou wel visch zat in zitten!”Een der Spanjaarden stortte achterover in het zand.....Een der Spanjaarden stortte achterover in het zand.….Dat had de opwinding ’m gedaan. Ieder was vergeten, dat het net in het water hing. Het werd ingehaald. Groote vreugde, toen het vol glanzende, spartelende visch bleek te zitten.Maar de gewonde maat deelde niet in de blijdschap. Hij had z’n hemd uitgetrokken en was met Rolfs hulp aan het verbinden van zijn voet geslagen.[135]De anderen letten er nauwelijks op. Het waren ruwe klanten, die varensgasten uit de zeventiende eeuw.- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Aan boord was zoo gehamerd en gezaagd, dat niemand het schieten had gehoord.In het ruim lagen nog stengen; ze werden door de achterpoorten aan dek geheschen. Een spier van veertien palm werd overlangs doorgezaagd, en die beide helften woelde men, met nog twee andere stengen, om de mastbreuk. Nu kon men de steng, die voorloopig den mast versterkt had, weer hijschen en het grootzeil voeren. Het was een lust er naar te kijken! De mast leek wel een zware pijler uit de Sint-Anthonis. Nu mocht de storm weer blazen.Men was juist aan het taliën van het want, toen de boot terugkwam. De vangst overtrof alle verwachtingen. Bolle liet de gekieuwde waterbewoners lustig knappen in de pan; de meeningen over zijn schildpadsoep liepen zeer uiteen, maar de meesten smulden er in. Verdikke, men kon merken, dat er dien dag gewerkt was: er werden me wat bruine boonen achter de kiezen gedouwd! De gewonde maat, die nu door Vader Langjas naar alle regelen der kunst verbonden was, deed in eetlust voor niemand onder, en Padde trachtte in een berg schelvisch zijn teleurstelling over de garnalen te vergeten.- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Een uur na het eten klonk tusschendeks een angstig geschreeuw: „Hulp! Hulp!!”Alles stormde naar beneden. Daar vond men Padde half uit een geschutpoort hangen. Een kabel, die om een pin geslagen was, liep strak gespannen naar buiten; in het water werd er woedend aan gerukt. En Padde trok aan dezen kant.„Ik.…. pf! ik heb beet! Help ’ns ’n handje! Ik kan ’m alleen.…. pf! niet binnen krijgen!”De maats stonden paf. „Binnen krijgen! Als het touw niet om die pin zat, had ie jou al lang buiten gekregen!”Twee mannen sloegen hun knuisten om het touw. „Trekken! Hoy-hay! Hoy-hay!” Nog een paar oomes staken hun armen[136]uit de geschutpoort. Er kwam beweging in den kabel: men won. Het touw werd van de pin bevrijd en alles trok mee.„Zou ’t een zeevarken wezen?”„Trekkèèèèè.….”Een glimmend zwarte monsterkop schemerde in het water, dat, door machtige staartklappen opgezweept, alle kanten uitgolfde.„’nHaai!!!”Nu werden plots de trekken der oomes stroef en hard. Nu was het geen spelletje meer!„Hoe krijgen we ’m binnen? Wacht! Ik zal ’m van het dek een harpoen in z’n bast gooien,—dan halen we hem over het hek!”„Gauw dan!” Een dozijn oomes stormde naar het dek.„Wat zou-d-ie wegen? Drie honderd pond? Hou vast, mannen!”Toen schoten de trekkende oomes achteruit, rolden in een kluwen van armen en beenen dooreen.Beneden in het waterplonsdehet. En met een hartgrondige verwensching keken de oomes naar een gebroken stuk touw, dat ze in de hand hielden.Padde zuchtte. „Daar heb ik nou de heele dag voor zitten koekeloeren! Waar bemoei jullie je ook mee? Als je mij stiekum m’n gang had laten gaan.….”Toen moesten de oomes weer lachen.- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -De arme jongen zocht troost bij den bottelier. Deze was aan het tappen; Padde stak een kaars aan en daalde in den kelder af.„Voorzichtig-aan, m’n jongen!” waarschuwde de Schele, toen Padde zijn kaars op een brandewijnvaatje plaatste. „Je zou brand maken!”„Brand?” vroeg Padde. „Dat goedje kan toch niet branden? ’t Is toch nat?”„Nat is het. Maar waarom zouden ze het brandewijn noemen, als ’t niet branden wou?”„Kom, Schele”, zei Padde, „laten we nou maar naar boven gaan, anders vertel je me zoometeen nog, dat de zee in brand vliegt, als er een z’n pijp buiten boord uitklopt!”[137]De Schele begon te grinniken. Maar toen ze samen het keldergat uitkropen, ontsnapte een zware zucht aan zijn boezem. „Merakel! Gertje kon net zulke grapjes maken.….”- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Dien avond koos deNieuw-Hoornweer zee. De koers werd recht op deevennachtslijngesteld.Onze vrienden hingen over de verschansing en tuurden naar het land, dat langzaam wegzonk. De lucht en het water waren goud van de ondergaande zon, de berg en de rotsen diepblauw.Hajo voelde zich beklemd. In zijn ziel trilde de smartkreet na, dien de gevallen Spanjaard had uitgestooten. Hajo vond, dat de vorm van het eiland aan een graf deed denken.Als een witte lijkkrans lag de branding er omheen.Zeemeeuw.[138]
[Inhoud]PADDE HEEFT BEETPADDE HEEFT BEETOf de maats den volgenden morgen uit hun kooi konden komen! De zon zat nog half in ’t water, toen er al een stelletje oomes in baaien onderbroeken over de verschansing hing. Als je goed keek, zag je op de rotsen een bokje springen. Het was eb; er lag een flinke lap strand bloot, en in de waterkuilen kon Harmen zonder mistkijker, maar wel met een weinig verbeeldingskracht, kreeften en garnalen zien zwemmen. Padde liep het al om den mond: garnalen was zijn lievelingskostje!’s Avonds zouden ze weer weggaan; dus moesten overdag de handen uit de mouw! Ze zouden vandaag die ouwe kast van eenNieuw-Hoorneens opknappen, dat geen schoonmoeder er kwaad van kon zeggen! Na de vroeg-kost werd de jol neergelaten, die ververschingen moest opdoen en wat visch zien machtig te worden.„Wie er mee wou?”Allemaal wel!„Ja, maar het eiland is Spaansch!”„Laat de Spekken maar komen!”„Er mag niet gevochten worden.”„En als zullie beginnen?”„Dan sla je er ook op. Nogal glad”, zei Donder-en-bliksem.Er werd geloot, wie mee zou gaan. Hajo wist met z’n Vreugde geen raad, toen Rolf en hij beiden een lang strootje trokken.[132]Met dertig andere varensgasten daalden ze de touwladder af. Vóór in de jol lagen musketten en vischtuig.„Zul je ’t niet vergeten, Klaas?”„Wàt, Hein?”„Je neus weerom te brengen!”„Denk om de garnalen!” schreeuwde Padde.„Kannibalen?”De spanen plasten in het water. Een-twee; een-twee.„Jongens”, zei Berentsz., die bij het roer zat, „we halen vóór de branding het net door het water. Als we een flink zoodje visch vangen, gaan we niet aan land. De Spekken zullen ons al lang in de kijker hebben.”„Ik heb net zin in een robbertje, bootsman!”„Dan maak je maar ’n robbertje met de groote mast!” raadde Berentsz. aan.Op het strand doken boomen met slank-gebogen stammen en waaiervormige kruinen uit den lichten morgennevel op: palmen!„Javaansche bloemkolen, Hajo!” zei Floorke, die al drie reizen naar Indië had gemaakt.Hajo keek wantrouwend de anderen aan. Maar alle oomes roeiden zwijgend verder en knikten ernstig. Toen zei Hajo: „Ik hield het voor knolraap, maar dat kan ook wel komen, omdat Floorke er met z’n hoofd voor zat.”Grinnikend haalden de oomes het net te voorschijn en wierpen het achter uit. Al roeiende trok men het achter de boot aan.„Zou er al wat in zitten? ’t Is net of ’t zwaarder roeit!”„Haal maar eens op!” zei Berentsz.Alles kroop naar achteren. De boeg schoot de lucht in.„Trekkèèèè!”In eens spalkten de oomes de oogen open. Er zat een grootezeeschildpadin het net.„Wat ’n raar beessie!”„Haal hem binnen en leg hem op z’n rug! Nou, pak hem maar gerust: je zult hem niet bezeeren.”„Zou-d-ie niet bijten?”„Bijten? We zullen vanmiddag in hèm bijten! En er een fijn soepje van koken! Hoepla!”[133]De schildpad lag op den rug, bewoog hulpeloos haar dikke zwempooten.„Ik zou hem wel voor m’n moei mee willen nemen! Krijg ik hem, bootsman?”„Als de soep klaar is. Gooi het net maar weer uit, jongens!—Heila! Wat is dat!”Van de strandzijde klonk een scherpe knal, en aan bakboord plonsde iets in het water.„De Spekken!! Ze smijten met boonen!”Aller oogen richtten zich naar het strand, waar zich een groepje mannen verzameld had. „Geef mij eens ’n musket! Ik schiet op honderd el een vlieg z’n voorpoot af!”Weer een knal en een plons.„Aan de riemen! Ze schieten ons nog door de kleeren! En ’k zit krap in m’n stopgaren!”„Wacht even, ik ben nog aan ’t laden!” pruttelde de scherpschutter. Het laden van een musket was een werkje, dat tijd, ervaring en overleg vroeg.Weer een schot. Een kogel floot den mannen over het hoofd.Toen was de oome, die op honderd ellen een vlieg verminken kon, gereed. Grimmig legde hij aan.—Een donderslag; de schutter vloog door den schok bijkans met musket en al de jol uit.Maar van het strand klonk een luide gil. Een der Spanjaarden liet zijn wapen vallen en stortte achterover in het zand. De anderen zochten een haastig heenkomen achter een boschje.„Schei uit met die grapjes, Klaas! En pak de riemen op: we zitten vlak voor de branding!”Een schot van den wal; de jol trilde even, en uit den bodem spoot een fonteintje op. „Au! M’n poot! Au! Au!”„Stop het lek!” Het werd met touwpluisel gestopt.De jammerende maat nam zijn voet in de handen. „Ze hebben m’n teen kapot geschoten!”„Met Sinterklaas krijg je ’n nieuwe!” troostte Berentsz. „Roeien, jongens! Een-twee; een-twee.….”Spoedig was men buiten schot.„Willen we hier het net weer eens uitgooien, bootsman?”„Vooruit maar”, zei Berentsz. „Waar is het?”Algemeen gegluur onder de banken. „Het net is weg!”[134]Floorke begon te ginnegappen.„Heb jij het weggestopt, beroerde kerel?”„’t Hangt nog achter de boot!” zei Floorke. „D’r zal nou wel visch zat in zitten!”Een der Spanjaarden stortte achterover in het zand.....Een der Spanjaarden stortte achterover in het zand.….Dat had de opwinding ’m gedaan. Ieder was vergeten, dat het net in het water hing. Het werd ingehaald. Groote vreugde, toen het vol glanzende, spartelende visch bleek te zitten.Maar de gewonde maat deelde niet in de blijdschap. Hij had z’n hemd uitgetrokken en was met Rolfs hulp aan het verbinden van zijn voet geslagen.[135]De anderen letten er nauwelijks op. Het waren ruwe klanten, die varensgasten uit de zeventiende eeuw.- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Aan boord was zoo gehamerd en gezaagd, dat niemand het schieten had gehoord.In het ruim lagen nog stengen; ze werden door de achterpoorten aan dek geheschen. Een spier van veertien palm werd overlangs doorgezaagd, en die beide helften woelde men, met nog twee andere stengen, om de mastbreuk. Nu kon men de steng, die voorloopig den mast versterkt had, weer hijschen en het grootzeil voeren. Het was een lust er naar te kijken! De mast leek wel een zware pijler uit de Sint-Anthonis. Nu mocht de storm weer blazen.Men was juist aan het taliën van het want, toen de boot terugkwam. De vangst overtrof alle verwachtingen. Bolle liet de gekieuwde waterbewoners lustig knappen in de pan; de meeningen over zijn schildpadsoep liepen zeer uiteen, maar de meesten smulden er in. Verdikke, men kon merken, dat er dien dag gewerkt was: er werden me wat bruine boonen achter de kiezen gedouwd! De gewonde maat, die nu door Vader Langjas naar alle regelen der kunst verbonden was, deed in eetlust voor niemand onder, en Padde trachtte in een berg schelvisch zijn teleurstelling over de garnalen te vergeten.- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Een uur na het eten klonk tusschendeks een angstig geschreeuw: „Hulp! Hulp!!”Alles stormde naar beneden. Daar vond men Padde half uit een geschutpoort hangen. Een kabel, die om een pin geslagen was, liep strak gespannen naar buiten; in het water werd er woedend aan gerukt. En Padde trok aan dezen kant.„Ik.…. pf! ik heb beet! Help ’ns ’n handje! Ik kan ’m alleen.…. pf! niet binnen krijgen!”De maats stonden paf. „Binnen krijgen! Als het touw niet om die pin zat, had ie jou al lang buiten gekregen!”Twee mannen sloegen hun knuisten om het touw. „Trekken! Hoy-hay! Hoy-hay!” Nog een paar oomes staken hun armen[136]uit de geschutpoort. Er kwam beweging in den kabel: men won. Het touw werd van de pin bevrijd en alles trok mee.„Zou ’t een zeevarken wezen?”„Trekkèèèèè.….”Een glimmend zwarte monsterkop schemerde in het water, dat, door machtige staartklappen opgezweept, alle kanten uitgolfde.„’nHaai!!!”Nu werden plots de trekken der oomes stroef en hard. Nu was het geen spelletje meer!„Hoe krijgen we ’m binnen? Wacht! Ik zal ’m van het dek een harpoen in z’n bast gooien,—dan halen we hem over het hek!”„Gauw dan!” Een dozijn oomes stormde naar het dek.„Wat zou-d-ie wegen? Drie honderd pond? Hou vast, mannen!”Toen schoten de trekkende oomes achteruit, rolden in een kluwen van armen en beenen dooreen.Beneden in het waterplonsdehet. En met een hartgrondige verwensching keken de oomes naar een gebroken stuk touw, dat ze in de hand hielden.Padde zuchtte. „Daar heb ik nou de heele dag voor zitten koekeloeren! Waar bemoei jullie je ook mee? Als je mij stiekum m’n gang had laten gaan.….”Toen moesten de oomes weer lachen.- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -De arme jongen zocht troost bij den bottelier. Deze was aan het tappen; Padde stak een kaars aan en daalde in den kelder af.„Voorzichtig-aan, m’n jongen!” waarschuwde de Schele, toen Padde zijn kaars op een brandewijnvaatje plaatste. „Je zou brand maken!”„Brand?” vroeg Padde. „Dat goedje kan toch niet branden? ’t Is toch nat?”„Nat is het. Maar waarom zouden ze het brandewijn noemen, als ’t niet branden wou?”„Kom, Schele”, zei Padde, „laten we nou maar naar boven gaan, anders vertel je me zoometeen nog, dat de zee in brand vliegt, als er een z’n pijp buiten boord uitklopt!”[137]De Schele begon te grinniken. Maar toen ze samen het keldergat uitkropen, ontsnapte een zware zucht aan zijn boezem. „Merakel! Gertje kon net zulke grapjes maken.….”- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Dien avond koos deNieuw-Hoornweer zee. De koers werd recht op deevennachtslijngesteld.Onze vrienden hingen over de verschansing en tuurden naar het land, dat langzaam wegzonk. De lucht en het water waren goud van de ondergaande zon, de berg en de rotsen diepblauw.Hajo voelde zich beklemd. In zijn ziel trilde de smartkreet na, dien de gevallen Spanjaard had uitgestooten. Hajo vond, dat de vorm van het eiland aan een graf deed denken.Als een witte lijkkrans lag de branding er omheen.Zeemeeuw.[138]
PADDE HEEFT BEETPADDE HEEFT BEET
PADDE HEEFT BEET
Of de maats den volgenden morgen uit hun kooi konden komen! De zon zat nog half in ’t water, toen er al een stelletje oomes in baaien onderbroeken over de verschansing hing. Als je goed keek, zag je op de rotsen een bokje springen. Het was eb; er lag een flinke lap strand bloot, en in de waterkuilen kon Harmen zonder mistkijker, maar wel met een weinig verbeeldingskracht, kreeften en garnalen zien zwemmen. Padde liep het al om den mond: garnalen was zijn lievelingskostje!’s Avonds zouden ze weer weggaan; dus moesten overdag de handen uit de mouw! Ze zouden vandaag die ouwe kast van eenNieuw-Hoorneens opknappen, dat geen schoonmoeder er kwaad van kon zeggen! Na de vroeg-kost werd de jol neergelaten, die ververschingen moest opdoen en wat visch zien machtig te worden.„Wie er mee wou?”Allemaal wel!„Ja, maar het eiland is Spaansch!”„Laat de Spekken maar komen!”„Er mag niet gevochten worden.”„En als zullie beginnen?”„Dan sla je er ook op. Nogal glad”, zei Donder-en-bliksem.Er werd geloot, wie mee zou gaan. Hajo wist met z’n Vreugde geen raad, toen Rolf en hij beiden een lang strootje trokken.[132]Met dertig andere varensgasten daalden ze de touwladder af. Vóór in de jol lagen musketten en vischtuig.„Zul je ’t niet vergeten, Klaas?”„Wàt, Hein?”„Je neus weerom te brengen!”„Denk om de garnalen!” schreeuwde Padde.„Kannibalen?”De spanen plasten in het water. Een-twee; een-twee.„Jongens”, zei Berentsz., die bij het roer zat, „we halen vóór de branding het net door het water. Als we een flink zoodje visch vangen, gaan we niet aan land. De Spekken zullen ons al lang in de kijker hebben.”„Ik heb net zin in een robbertje, bootsman!”„Dan maak je maar ’n robbertje met de groote mast!” raadde Berentsz. aan.Op het strand doken boomen met slank-gebogen stammen en waaiervormige kruinen uit den lichten morgennevel op: palmen!„Javaansche bloemkolen, Hajo!” zei Floorke, die al drie reizen naar Indië had gemaakt.Hajo keek wantrouwend de anderen aan. Maar alle oomes roeiden zwijgend verder en knikten ernstig. Toen zei Hajo: „Ik hield het voor knolraap, maar dat kan ook wel komen, omdat Floorke er met z’n hoofd voor zat.”Grinnikend haalden de oomes het net te voorschijn en wierpen het achter uit. Al roeiende trok men het achter de boot aan.„Zou er al wat in zitten? ’t Is net of ’t zwaarder roeit!”„Haal maar eens op!” zei Berentsz.Alles kroop naar achteren. De boeg schoot de lucht in.„Trekkèèèè!”In eens spalkten de oomes de oogen open. Er zat een grootezeeschildpadin het net.„Wat ’n raar beessie!”„Haal hem binnen en leg hem op z’n rug! Nou, pak hem maar gerust: je zult hem niet bezeeren.”„Zou-d-ie niet bijten?”„Bijten? We zullen vanmiddag in hèm bijten! En er een fijn soepje van koken! Hoepla!”[133]De schildpad lag op den rug, bewoog hulpeloos haar dikke zwempooten.„Ik zou hem wel voor m’n moei mee willen nemen! Krijg ik hem, bootsman?”„Als de soep klaar is. Gooi het net maar weer uit, jongens!—Heila! Wat is dat!”Van de strandzijde klonk een scherpe knal, en aan bakboord plonsde iets in het water.„De Spekken!! Ze smijten met boonen!”Aller oogen richtten zich naar het strand, waar zich een groepje mannen verzameld had. „Geef mij eens ’n musket! Ik schiet op honderd el een vlieg z’n voorpoot af!”Weer een knal en een plons.„Aan de riemen! Ze schieten ons nog door de kleeren! En ’k zit krap in m’n stopgaren!”„Wacht even, ik ben nog aan ’t laden!” pruttelde de scherpschutter. Het laden van een musket was een werkje, dat tijd, ervaring en overleg vroeg.Weer een schot. Een kogel floot den mannen over het hoofd.Toen was de oome, die op honderd ellen een vlieg verminken kon, gereed. Grimmig legde hij aan.—Een donderslag; de schutter vloog door den schok bijkans met musket en al de jol uit.Maar van het strand klonk een luide gil. Een der Spanjaarden liet zijn wapen vallen en stortte achterover in het zand. De anderen zochten een haastig heenkomen achter een boschje.„Schei uit met die grapjes, Klaas! En pak de riemen op: we zitten vlak voor de branding!”Een schot van den wal; de jol trilde even, en uit den bodem spoot een fonteintje op. „Au! M’n poot! Au! Au!”„Stop het lek!” Het werd met touwpluisel gestopt.De jammerende maat nam zijn voet in de handen. „Ze hebben m’n teen kapot geschoten!”„Met Sinterklaas krijg je ’n nieuwe!” troostte Berentsz. „Roeien, jongens! Een-twee; een-twee.….”Spoedig was men buiten schot.„Willen we hier het net weer eens uitgooien, bootsman?”„Vooruit maar”, zei Berentsz. „Waar is het?”Algemeen gegluur onder de banken. „Het net is weg!”[134]Floorke begon te ginnegappen.„Heb jij het weggestopt, beroerde kerel?”„’t Hangt nog achter de boot!” zei Floorke. „D’r zal nou wel visch zat in zitten!”Een der Spanjaarden stortte achterover in het zand.....Een der Spanjaarden stortte achterover in het zand.….Dat had de opwinding ’m gedaan. Ieder was vergeten, dat het net in het water hing. Het werd ingehaald. Groote vreugde, toen het vol glanzende, spartelende visch bleek te zitten.Maar de gewonde maat deelde niet in de blijdschap. Hij had z’n hemd uitgetrokken en was met Rolfs hulp aan het verbinden van zijn voet geslagen.[135]De anderen letten er nauwelijks op. Het waren ruwe klanten, die varensgasten uit de zeventiende eeuw.- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Aan boord was zoo gehamerd en gezaagd, dat niemand het schieten had gehoord.In het ruim lagen nog stengen; ze werden door de achterpoorten aan dek geheschen. Een spier van veertien palm werd overlangs doorgezaagd, en die beide helften woelde men, met nog twee andere stengen, om de mastbreuk. Nu kon men de steng, die voorloopig den mast versterkt had, weer hijschen en het grootzeil voeren. Het was een lust er naar te kijken! De mast leek wel een zware pijler uit de Sint-Anthonis. Nu mocht de storm weer blazen.Men was juist aan het taliën van het want, toen de boot terugkwam. De vangst overtrof alle verwachtingen. Bolle liet de gekieuwde waterbewoners lustig knappen in de pan; de meeningen over zijn schildpadsoep liepen zeer uiteen, maar de meesten smulden er in. Verdikke, men kon merken, dat er dien dag gewerkt was: er werden me wat bruine boonen achter de kiezen gedouwd! De gewonde maat, die nu door Vader Langjas naar alle regelen der kunst verbonden was, deed in eetlust voor niemand onder, en Padde trachtte in een berg schelvisch zijn teleurstelling over de garnalen te vergeten.- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Een uur na het eten klonk tusschendeks een angstig geschreeuw: „Hulp! Hulp!!”Alles stormde naar beneden. Daar vond men Padde half uit een geschutpoort hangen. Een kabel, die om een pin geslagen was, liep strak gespannen naar buiten; in het water werd er woedend aan gerukt. En Padde trok aan dezen kant.„Ik.…. pf! ik heb beet! Help ’ns ’n handje! Ik kan ’m alleen.…. pf! niet binnen krijgen!”De maats stonden paf. „Binnen krijgen! Als het touw niet om die pin zat, had ie jou al lang buiten gekregen!”Twee mannen sloegen hun knuisten om het touw. „Trekken! Hoy-hay! Hoy-hay!” Nog een paar oomes staken hun armen[136]uit de geschutpoort. Er kwam beweging in den kabel: men won. Het touw werd van de pin bevrijd en alles trok mee.„Zou ’t een zeevarken wezen?”„Trekkèèèèè.….”Een glimmend zwarte monsterkop schemerde in het water, dat, door machtige staartklappen opgezweept, alle kanten uitgolfde.„’nHaai!!!”Nu werden plots de trekken der oomes stroef en hard. Nu was het geen spelletje meer!„Hoe krijgen we ’m binnen? Wacht! Ik zal ’m van het dek een harpoen in z’n bast gooien,—dan halen we hem over het hek!”„Gauw dan!” Een dozijn oomes stormde naar het dek.„Wat zou-d-ie wegen? Drie honderd pond? Hou vast, mannen!”Toen schoten de trekkende oomes achteruit, rolden in een kluwen van armen en beenen dooreen.Beneden in het waterplonsdehet. En met een hartgrondige verwensching keken de oomes naar een gebroken stuk touw, dat ze in de hand hielden.Padde zuchtte. „Daar heb ik nou de heele dag voor zitten koekeloeren! Waar bemoei jullie je ook mee? Als je mij stiekum m’n gang had laten gaan.….”Toen moesten de oomes weer lachen.- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -De arme jongen zocht troost bij den bottelier. Deze was aan het tappen; Padde stak een kaars aan en daalde in den kelder af.„Voorzichtig-aan, m’n jongen!” waarschuwde de Schele, toen Padde zijn kaars op een brandewijnvaatje plaatste. „Je zou brand maken!”„Brand?” vroeg Padde. „Dat goedje kan toch niet branden? ’t Is toch nat?”„Nat is het. Maar waarom zouden ze het brandewijn noemen, als ’t niet branden wou?”„Kom, Schele”, zei Padde, „laten we nou maar naar boven gaan, anders vertel je me zoometeen nog, dat de zee in brand vliegt, als er een z’n pijp buiten boord uitklopt!”[137]De Schele begon te grinniken. Maar toen ze samen het keldergat uitkropen, ontsnapte een zware zucht aan zijn boezem. „Merakel! Gertje kon net zulke grapjes maken.….”- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -Dien avond koos deNieuw-Hoornweer zee. De koers werd recht op deevennachtslijngesteld.Onze vrienden hingen over de verschansing en tuurden naar het land, dat langzaam wegzonk. De lucht en het water waren goud van de ondergaande zon, de berg en de rotsen diepblauw.Hajo voelde zich beklemd. In zijn ziel trilde de smartkreet na, dien de gevallen Spanjaard had uitgestooten. Hajo vond, dat de vorm van het eiland aan een graf deed denken.Als een witte lijkkrans lag de branding er omheen.Zeemeeuw.[138]
Of de maats den volgenden morgen uit hun kooi konden komen! De zon zat nog half in ’t water, toen er al een stelletje oomes in baaien onderbroeken over de verschansing hing. Als je goed keek, zag je op de rotsen een bokje springen. Het was eb; er lag een flinke lap strand bloot, en in de waterkuilen kon Harmen zonder mistkijker, maar wel met een weinig verbeeldingskracht, kreeften en garnalen zien zwemmen. Padde liep het al om den mond: garnalen was zijn lievelingskostje!
’s Avonds zouden ze weer weggaan; dus moesten overdag de handen uit de mouw! Ze zouden vandaag die ouwe kast van eenNieuw-Hoorneens opknappen, dat geen schoonmoeder er kwaad van kon zeggen! Na de vroeg-kost werd de jol neergelaten, die ververschingen moest opdoen en wat visch zien machtig te worden.
„Wie er mee wou?”
Allemaal wel!
„Ja, maar het eiland is Spaansch!”
„Laat de Spekken maar komen!”
„Er mag niet gevochten worden.”
„En als zullie beginnen?”
„Dan sla je er ook op. Nogal glad”, zei Donder-en-bliksem.
Er werd geloot, wie mee zou gaan. Hajo wist met z’n Vreugde geen raad, toen Rolf en hij beiden een lang strootje trokken.[132]
Met dertig andere varensgasten daalden ze de touwladder af. Vóór in de jol lagen musketten en vischtuig.
„Zul je ’t niet vergeten, Klaas?”
„Wàt, Hein?”
„Je neus weerom te brengen!”
„Denk om de garnalen!” schreeuwde Padde.
„Kannibalen?”
De spanen plasten in het water. Een-twee; een-twee.
„Jongens”, zei Berentsz., die bij het roer zat, „we halen vóór de branding het net door het water. Als we een flink zoodje visch vangen, gaan we niet aan land. De Spekken zullen ons al lang in de kijker hebben.”
„Ik heb net zin in een robbertje, bootsman!”
„Dan maak je maar ’n robbertje met de groote mast!” raadde Berentsz. aan.
Op het strand doken boomen met slank-gebogen stammen en waaiervormige kruinen uit den lichten morgennevel op: palmen!
„Javaansche bloemkolen, Hajo!” zei Floorke, die al drie reizen naar Indië had gemaakt.
Hajo keek wantrouwend de anderen aan. Maar alle oomes roeiden zwijgend verder en knikten ernstig. Toen zei Hajo: „Ik hield het voor knolraap, maar dat kan ook wel komen, omdat Floorke er met z’n hoofd voor zat.”
Grinnikend haalden de oomes het net te voorschijn en wierpen het achter uit. Al roeiende trok men het achter de boot aan.
„Zou er al wat in zitten? ’t Is net of ’t zwaarder roeit!”
„Haal maar eens op!” zei Berentsz.
Alles kroop naar achteren. De boeg schoot de lucht in.
„Trekkèèèè!”
In eens spalkten de oomes de oogen open. Er zat een grootezeeschildpadin het net.
„Wat ’n raar beessie!”
„Haal hem binnen en leg hem op z’n rug! Nou, pak hem maar gerust: je zult hem niet bezeeren.”
„Zou-d-ie niet bijten?”
„Bijten? We zullen vanmiddag in hèm bijten! En er een fijn soepje van koken! Hoepla!”[133]
De schildpad lag op den rug, bewoog hulpeloos haar dikke zwempooten.
„Ik zou hem wel voor m’n moei mee willen nemen! Krijg ik hem, bootsman?”
„Als de soep klaar is. Gooi het net maar weer uit, jongens!—Heila! Wat is dat!”
Van de strandzijde klonk een scherpe knal, en aan bakboord plonsde iets in het water.
„De Spekken!! Ze smijten met boonen!”
Aller oogen richtten zich naar het strand, waar zich een groepje mannen verzameld had. „Geef mij eens ’n musket! Ik schiet op honderd el een vlieg z’n voorpoot af!”
Weer een knal en een plons.
„Aan de riemen! Ze schieten ons nog door de kleeren! En ’k zit krap in m’n stopgaren!”
„Wacht even, ik ben nog aan ’t laden!” pruttelde de scherpschutter. Het laden van een musket was een werkje, dat tijd, ervaring en overleg vroeg.
Weer een schot. Een kogel floot den mannen over het hoofd.
Toen was de oome, die op honderd ellen een vlieg verminken kon, gereed. Grimmig legde hij aan.—Een donderslag; de schutter vloog door den schok bijkans met musket en al de jol uit.
Maar van het strand klonk een luide gil. Een der Spanjaarden liet zijn wapen vallen en stortte achterover in het zand. De anderen zochten een haastig heenkomen achter een boschje.
„Schei uit met die grapjes, Klaas! En pak de riemen op: we zitten vlak voor de branding!”
Een schot van den wal; de jol trilde even, en uit den bodem spoot een fonteintje op. „Au! M’n poot! Au! Au!”
„Stop het lek!” Het werd met touwpluisel gestopt.
De jammerende maat nam zijn voet in de handen. „Ze hebben m’n teen kapot geschoten!”
„Met Sinterklaas krijg je ’n nieuwe!” troostte Berentsz. „Roeien, jongens! Een-twee; een-twee.….”
Spoedig was men buiten schot.
„Willen we hier het net weer eens uitgooien, bootsman?”
„Vooruit maar”, zei Berentsz. „Waar is het?”
Algemeen gegluur onder de banken. „Het net is weg!”[134]
Floorke begon te ginnegappen.
„Heb jij het weggestopt, beroerde kerel?”
„’t Hangt nog achter de boot!” zei Floorke. „D’r zal nou wel visch zat in zitten!”
Een der Spanjaarden stortte achterover in het zand.....Een der Spanjaarden stortte achterover in het zand.….
Een der Spanjaarden stortte achterover in het zand.….
Dat had de opwinding ’m gedaan. Ieder was vergeten, dat het net in het water hing. Het werd ingehaald. Groote vreugde, toen het vol glanzende, spartelende visch bleek te zitten.
Maar de gewonde maat deelde niet in de blijdschap. Hij had z’n hemd uitgetrokken en was met Rolfs hulp aan het verbinden van zijn voet geslagen.[135]
De anderen letten er nauwelijks op. Het waren ruwe klanten, die varensgasten uit de zeventiende eeuw.
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Aan boord was zoo gehamerd en gezaagd, dat niemand het schieten had gehoord.
In het ruim lagen nog stengen; ze werden door de achterpoorten aan dek geheschen. Een spier van veertien palm werd overlangs doorgezaagd, en die beide helften woelde men, met nog twee andere stengen, om de mastbreuk. Nu kon men de steng, die voorloopig den mast versterkt had, weer hijschen en het grootzeil voeren. Het was een lust er naar te kijken! De mast leek wel een zware pijler uit de Sint-Anthonis. Nu mocht de storm weer blazen.
Men was juist aan het taliën van het want, toen de boot terugkwam. De vangst overtrof alle verwachtingen. Bolle liet de gekieuwde waterbewoners lustig knappen in de pan; de meeningen over zijn schildpadsoep liepen zeer uiteen, maar de meesten smulden er in. Verdikke, men kon merken, dat er dien dag gewerkt was: er werden me wat bruine boonen achter de kiezen gedouwd! De gewonde maat, die nu door Vader Langjas naar alle regelen der kunst verbonden was, deed in eetlust voor niemand onder, en Padde trachtte in een berg schelvisch zijn teleurstelling over de garnalen te vergeten.
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Een uur na het eten klonk tusschendeks een angstig geschreeuw: „Hulp! Hulp!!”
Alles stormde naar beneden. Daar vond men Padde half uit een geschutpoort hangen. Een kabel, die om een pin geslagen was, liep strak gespannen naar buiten; in het water werd er woedend aan gerukt. En Padde trok aan dezen kant.
„Ik.…. pf! ik heb beet! Help ’ns ’n handje! Ik kan ’m alleen.…. pf! niet binnen krijgen!”
De maats stonden paf. „Binnen krijgen! Als het touw niet om die pin zat, had ie jou al lang buiten gekregen!”
Twee mannen sloegen hun knuisten om het touw. „Trekken! Hoy-hay! Hoy-hay!” Nog een paar oomes staken hun armen[136]uit de geschutpoort. Er kwam beweging in den kabel: men won. Het touw werd van de pin bevrijd en alles trok mee.
„Zou ’t een zeevarken wezen?”
„Trekkèèèèè.….”
Een glimmend zwarte monsterkop schemerde in het water, dat, door machtige staartklappen opgezweept, alle kanten uitgolfde.
„’nHaai!!!”
Nu werden plots de trekken der oomes stroef en hard. Nu was het geen spelletje meer!
„Hoe krijgen we ’m binnen? Wacht! Ik zal ’m van het dek een harpoen in z’n bast gooien,—dan halen we hem over het hek!”
„Gauw dan!” Een dozijn oomes stormde naar het dek.
„Wat zou-d-ie wegen? Drie honderd pond? Hou vast, mannen!”
Toen schoten de trekkende oomes achteruit, rolden in een kluwen van armen en beenen dooreen.
Beneden in het waterplonsdehet. En met een hartgrondige verwensching keken de oomes naar een gebroken stuk touw, dat ze in de hand hielden.
Padde zuchtte. „Daar heb ik nou de heele dag voor zitten koekeloeren! Waar bemoei jullie je ook mee? Als je mij stiekum m’n gang had laten gaan.….”
Toen moesten de oomes weer lachen.
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
De arme jongen zocht troost bij den bottelier. Deze was aan het tappen; Padde stak een kaars aan en daalde in den kelder af.
„Voorzichtig-aan, m’n jongen!” waarschuwde de Schele, toen Padde zijn kaars op een brandewijnvaatje plaatste. „Je zou brand maken!”
„Brand?” vroeg Padde. „Dat goedje kan toch niet branden? ’t Is toch nat?”
„Nat is het. Maar waarom zouden ze het brandewijn noemen, als ’t niet branden wou?”
„Kom, Schele”, zei Padde, „laten we nou maar naar boven gaan, anders vertel je me zoometeen nog, dat de zee in brand vliegt, als er een z’n pijp buiten boord uitklopt!”[137]
De Schele begon te grinniken. Maar toen ze samen het keldergat uitkropen, ontsnapte een zware zucht aan zijn boezem. „Merakel! Gertje kon net zulke grapjes maken.….”
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Dien avond koos deNieuw-Hoornweer zee. De koers werd recht op deevennachtslijngesteld.
Onze vrienden hingen over de verschansing en tuurden naar het land, dat langzaam wegzonk. De lucht en het water waren goud van de ondergaande zon, de berg en de rotsen diepblauw.
Hajo voelde zich beklemd. In zijn ziel trilde de smartkreet na, dien de gevallen Spanjaard had uitgestooten. Hajo vond, dat de vorm van het eiland aan een graf deed denken.
Als een witte lijkkrans lag de branding er omheen.
Zeemeeuw.
[138]