[Inhoud]RUILHANDELRUILHANDELPadde verklaarde ronduit, dat hij het hier een beestachtig land vond en per slot van rekening nog meer van de zee hield. Voor zijn part voeren ze op staanden voet verder.Maar Padde moest zijn varensdrang nog drie volle weken geweld aan doen. Men teerde het schip van binnen en van buiten, zette alle poorten open en besprengde de planken vloer met azijn,—alles om een gezonde, frissche lucht in deNieuw-Hoornte krijgen. Terwijl een groot deel der bemanning zich zingend met dit werkje bezighield, waren anderen aan het drogen van visch, die ze aan lange lijnen in de zon hingen; verder had men de handen vol met het inleggen van ganzen in azijn en met het aan boord hijschen van levende schildpadden, waarvoor op het dek een groote bak zeewater werd geplaatst. Als voedsel voor deze dieren verzamelde men talrijke bollen zeegras, welke op het strand voor het grijpen lagen.1Harmen, Hajo en Rolf maakten zich verdienstelijk door een groot hok te timmeren voor de gekortwiekte ganzen en duiven, die nu nog overal het dek bevuilden.Gerrit keek aanvankelijk sprakeloos, ontzet en met van verbazing schuin gelegden kop naar het kale gedrocht, dat zijn[201]meester hem tot gezelschap had beschoren. Waarschijnlijk om eens te onderzoeken van wat voor stof zijn nieuwe kameraad vervaardigd was, begon hij er mee, hem een stevigen pik toe te deelen. Maar dat kwam hem duur te staan: tot straf hield Hajo hem even onder water,—iets waaraan Gerrit geweldig het land had. Hij beschouwde den indringer als den schuldige aan deze onderdompeling, draaide hem vol minachting den staart toe en plukte zich met een overkropt gemoed de natte veeren terecht, toen hij zag, dat Hajo het naakte monster allerlei lekkere brokjes voorhield.Dankbaar was het beestje niet: het vertikte ’t, den snavel te openen. En Hajo zag er ook geen kans toe: het resultaat na lang wikken was, dat onze vriend een fermen beet opliep.„Als hij maar eerst honger krijgt!” troostte Hajo zich zelf. „Morgen zal hij wel anders praten!” Hij stopte beide vogels in de koperen kooi, ten einde ze aan elkaar te doen wennen. Doch daar Hajo vreesde, dat er aan de vriendschap een al te duidelijke wederzijdsche uiteenzetting vooraf zou kunnen gaan, schoof hij een plankje tusschen de toekomstige levensgezellen. Gerrit, verwend door het vrije leven van den laatsten tijd, stak den kop tusschen de veeren telkens wanneer zijn meester naderde. En de jonge roodstaart blikte met wezenlooze oogen rond en hield den bek zoo stevig dicht, als verdacht hij er Hajo van, hem vergift te willen toedienen.„Je moet slim zijn”, raadde Harmen. „Kietel hem eens onder z’n buik, en als ie dan woest wordt en z’n bek open doet om te bijten, douw je er gauw een pisang in!”„’t Helpt toch niets!” zuchtte Hajo. „Als hij morgen nog niet vreet, breng ik hem terug. Ik had anders al een naam voor hem. Ik wou hem Joppie noemen. Net als.…. weet je wel?”Harmen knikte. „Of ik ’t weet.….!”In den namiddag begon het diertje zacht te kreunen,—zoo om het half uur een droevig geluidje. Hajo kon het niet aanhooren en besloot z’n „papegaai” den volgenden morgen weer terug te brengen. Maar.…. ook Gerrit was er door getroffen! Toen Joppie voor de eerste maal kreunde, haalde Gerrit beduusd zijn halfverslapen kop uit de veeren en luisterde minuten lang. Toen stak hij zijn kop weer weg en wilde zijn dommeling[202]voortzetten. Even later herhaalde zich het spelletje. Nog eens. Gerrit raakte overstuur, sprong wat in zijn kooi rond en wilde een slokje water nemen om zich moed in te drinken, toen Joppie opnieuw kreunde. Gerrit verslikte zich in zijn lafenis, begon aan een lange overpeinzing. Als Gerrit aan het peinzen sloeg, viel hij gewoonlijk spoedig in slaap, maar ditmaal kwam hij, al peinzende, tot een besluit. Hij wette zijn snavel, draaide den hals een weinig los, zette zich schrap en gaf een fermen mep tegen het plankje. Verdikke, dat zat stevig vast! Nog maar eens! Daar vloog een splintert je weg. Gerrit begon schik in de zaak te krijgen. Hij hakte, wette zijn snavel weer eens, hakte onvermoeid. En eindelijk.…. Ka! riep Gerrit. De jongens, die al in hun tent lagen, hoorden het.„Gerrit krijgt het op z’n zemelen”, meende Padde.Maar Hajo ging eens kijken. Vlak er op kwam hij al weer terug, opgewonden, met een stralend gelaat. „Kom eens gauw! Gerritvoerthem!”De knapen kropen naar buiten en geloofden hun oogen niet. Gerrit stak door een gat, dat op geheimzinnige wijze in het planken schotje gekomen was, zijn zwarten snavel en reikte Joppie een stukje banaan. „Hap!” zei Joppie en liet het door zijn keelgat schieten. Hajo stond te springen van plezier. „Dàt is me nog er eens een kraai!”„We kunnen nu het plankje wel wegnemen”, meende Rolf.Maar hier was Hajo op bekend terrein. „Daarmee zouden we alles weer bederven!” riep hij uit. „Gerrit denkt natuurlijk, dat Joppie een jonge kraai is! Het is juist goed, dat hij hem niet zien kan!”„Dan zal hij wel raar opkijken, als je op ’n goeien dag het schot wegneemt, als Joppie zich zelf bedienen kan en dan natuurlijk ook al flink in z’n papegaaienveeren steekt!” lachte Rolf.„Gommenikkie nou!” grinnikte Padde.Zoo groeide Joppie, door Gerrit met teedere zorgen omringd, tot een wolk van een papegaai op. Joppie scheen ook van zijn kant belangstelling te koesteren voor zijn trouwen verzorger: hij gluurde door het gat en begon er aan te knagen.[203]En op een goeden morgen vonden de jongens ze als twee ouwe vrienden naast elkaar op Gerrits stokje, net bruid en bruidegom: Joppie in fleurig grijs en rood, verliefd zijn kop draaiend, Gerrit ernstig, bedaard in zijn stemmig zwart. Toen zette Hajo de kooi open.Kraai en papegaai.Met een vreugdekreet wipte Gerrit naar buiten. Joppie volgde hem op den voet, plofte met veel vleugelmisbaar en geschreeuw op den grond. Maar Gerrit, wiens gekorte vleugels al lang waren aangegroeid, gaf vliegles, en Joppie bleek een goed leerling, al zou hij nooit zoo bevallig en vol zwier weten neer te strijken als een Hollandsche torenkraai. Zag je Joppie, dan zag je Gerrit; zag je Gerrit, dan zag je Joppie. Ze deelden al wat eetbaar was: bananen, bessen.…. Alleen voor wurmen toonde Joppie een innigen afkeer: zelfs de fijnste en vetste blauwkop, dien Gerrit offreerde, was niet in staat hem te doen toehappen. Gerrit spalkte van verbazing den snavel open, schudde zijn wijzen bol en nam den wurm alleen voor zijn rekening.Eindelijk kwam de dag van vertrek. De watervaten werden binnen boord gehaald, de zeilen weer aan de kale ra’s geslagen. Een tamboer ging aan land en trommelde van heinde en ver het volk bijeen. De zieken waren genezen—op zeven na, die met bedroefde gezichten aan boord kwamen.Tegen vier uur in den middag ratelden de ankerspillen. Langzaam zeilde deNieuw-Hoornde baai uit, aandachtig nagekeken door een rozerood eskadron flamingo’s.Men hoopte morgen, nog voor zonsopgang, Mauritius te bezeilen.De wind was gunstig.Maar den volgenden morgen wachtte een teleurstelling: men had den koers niet zuiver genomen; het eiland lag boven den wind, en men kon er naar kijken, maar aankomen niet. Wat nu te doen? Bontekoe durfde de groote, onafgebroken reis door den Indischen Oceaan niet aan, zoolang niet al het volk gezond was. Er werd besloten, den koers te richten naar het eilandje[204]Sante Marie, dat vlak bij Madagascar, tegenover de groote Antongil-baai ligt. De zeilen werden omgehaald; vol spanning zag men de toekomst tegemoet.Het weer bleef gunstig; de zee lichtte ’s nachts, alsof ze louter vuur was, en overdag was de hemel zoo lokkend blauw, dat de bruinvisschen, om er ook wat van te zien, ellen hoog uit het water opsprongen.Na een kleine week zeilens kreeg men Sante Marie in het zicht. Men voer Westelijk het eiland om; het schietlood wees zes tot zeven en acht vadem. Zoo helder was het water, dat men den bodem zien kon. Tegen den middag werd een geschikte ligplaats gevonden aan de binnenzijde van het eiland, op twaalf tot dertien vadem goeden ankergrond. En nauwelijks had men de zeilen ingebonden, toen van de vlakke kust drie prauwtjes naderden vol bruine lichamen! De maats beijverden zich uit hun kisten spiegeltjes en kralen, lepels, messen met koperen heft en allerlei andere snuisterijen op te diepen. Toen snelden ze weer het dek op, de zakken vol ruilmateriaal.Intusschen waren de prauwtjes vlak bijgekomen. Er steeg een heidensch kabaal uit op; ieder der roeiers scheen zich admiraal over de geheele vloot te voelen en deelde naar alle zijden bevelen uit, die niemand opvolgde. De roeiers zaten met het gelaat naar den voorsteven en, in plaats van twee riemen, hadden ze in hun bruine knuisten slechts één aan weerszijden afgeplatte spaan, die ze beurtelings links en rechts door het water trokken.Floorke luchtte z’n „vloeiend” Maleisch weer. „Heila!” riep hij, „hebben jullie eten?Makan? Nassi? Klappa? Pisang?”„Koeklekoe!” schreeuwden de inboorlingen en hielden manden met kippen omhoog.„Zie je wel, dat ze me verstaan?” zei Floorke, terwijl hij zegevierend omkeek.Bontekoe was uit de kajuit gekomen en keek glimlachend naar de luidruchtige bruintjes. „Gooi maar eens een touw uit, jongens, en haal zoo’n sinjeur naar boven.”Een touw vloog over de verschansing. Als snoeken schoten de prauwtjes er op af. En toen werd er om gevochten, wie het eerst naar boven zou gaan. Ten slotte wist een der bruintjes zich,[205]na twee schreeuwende makkers in het zilte nat te hebben ondergedompeld, vast te grijpen, en werd toen ook maar meteen door de oomes naar boven getrokken, want voorloopig bedankte men er voor, het heele schip vol van die gasten te hebben.Het was een prachtig gebouwde kerel, die op het dek sprong. Geheel naakt, op een kleedje om het middel na, zwart, gekroesd haar, een matte, olijfkleurige huid, de borst en schouders getatoeëerd. Hij keek een oogenblik met grenzeloos verbaasde oogen rond en begon toen te lachen. Floorke diepte een spiegeltje op en hield het den bruinen gast voor den neus. De lach verstomde om ’s mans gelaat; hij gluurde achter het spiegeltje, toen weer er in, vond het daarop raadzaam wat uit de buurt te gaan en bespiedde wantrouwend Floorke’s grijnzend bakkes. „Kun je krijgen!” zei Floorke. „Maar dan moet je onsmakangeven!” En Floorke maakte heftige kauwbewegingen. Toen kwam Padde met Truitje’s rinkelbel aanzetten en tooverde daarmee weer een glimlach op het bruine gelaat. De mond viel van bewondering open; een rij tanden van het zuiverste ivoor vertoonde zich, gevat in rozerood tandvleesch, en de zwarte, glinsterende oogen wierpen begeerige blikken op de mooi opgepoetste rinkelbel. „Kun je krijgen!” zei Padde, naar Floorke’s voorbeeld. „Maar dan moet ikmakanhebben!” En ook Padde sloeg aan het kauwen.De man boog zich over de verschansing tot zijn makkers over, wier gedachtenwisseling allengs tot een werkelijk heidensch tumult was aangegroeid. Toen ze zijn bol zagen verschijnen, zwegen allen als met een tooverslag, want niemand wilde een woord missen van wat hun in deze zaak meer ervaren kameraad hun zou mededeelen. Hij had heel wat op z’n lever. De klanken rolden als een waterval uit zijn mond; hij schreeuwde, alsof zijn heele stam potdoof was en praatte bovendien nog met armen, beenen en vingers. Toen hij zijn redevoeringgeëindigdhad, diende men hem met dezelfde breedsprakigheid van antwoord. Daarop werden mandjes en korven omhooggeheven, begeleid door een gebulk, dat aan het loeien van een koe deed denken. Van den wal naderden nieuwe prauwtjes, beladen met meloenen, appelen en rijst. Zoo snel werden ze door het water gejaagd, dat het schuim wel een el hoog langs den boeg opscheerde.[206]De oomes lieten een lijntje neer. Hun gast op het dek lichtte een en ander luidruchtig en breedvoerig toe, en na lang redekavelen werd een mand met enkele eetwaren—waaronder een vastgebonden, schreeuwende, witte haan—aan het lijntje gebonden. Men haalde de lijn in, maar de bewoner van Sante Marie nam onmiddellijk een beschermende houding over de mand aan en maakte een gebaar, dat aan duidelijkheid niets te wenschen overliet: eerst betalen!en viel als een rijpe kokosnoot omlaag....en viel als een rijpe kokosnoot omlaag.…„Hier zijn al vaker blanken geweest!” merkte Bontekoe glimlachend op. „Kom, nu zullen we eens gaan loven en bieden!” En hij liet Hilke een paar tinnen lepels halen. Die vielen in den smaak! Zonder lang talmen bood onze bruine vriend in ruil voor de lepels de geheele mand aan.„We zullen straks aan land gaan en eens zien, wat we daar vinden”, zei Bontekoe. Toen begaf hij zich met den koopman en den opperstuurman naar de kajuit. De maats kenden hun ouwe; ze wisten wel, waarom hij hen thans alleen liet: Bontekoe gunde zijn jongens wel een ongestoord pretje; hij wist, dat allen er naar hunkerden om aan het handeldrijven te slaan. En de heeren hadden hun hielen dan ook nog niet gelicht, of de oomes trachtten hun koperen knoppen, schroeven, oude tinnen deksels, opgepoetste duiten en kralen aan den man te brengen. Al gauw zag je den een met een mand kippen wegsjouwen, den ander de armen vol meloenen.….Toen de eerste kooplust, die zijn oorzaak eerder vond in de verveling der laatste dagen dan in werkelijke behoefte, gebluscht was, besloten de oomes tot een pretje. Ze wierpen het touw, waarlangs hun bezoeker naar boven was geklauterd, weer over de verschansing, wachtten, tot er zich een half dozijn zwartjes had ingewerkt, en trokken het toen buiten het bereik der anderen,—een daad, die de achtergeblevenen met oprechte verontwaardiging vervulde. Een, die juist nog het slipje grijpen kon, viel door den ruk van het onverwachts optrekken als een rijpe kokosnoot omlaag, boven op de hoofden van zijn makkers.De anderen waren als aapjes naar boven geklauterd. Ze grinnikten; hun bewegelijke tong stokte een oogenblik; ze wisselden een enkel woord, stootten mekaar aan en schenen alles wat[207]ze zagen, vrij bespottelijk te vinden. En toen hun het eerst aan boord gekomen makker de rinkelbel, waarvan hij intusschen de gelukkige bezitter was geworden, deed rammelen, lieten allen hun mond openvallen, luisterden met glanzende oogen en maakten bewegingen, als wilden ze gaan dansen. De bootsman liet den Schele een groote schaal Spaanschen wijn brengen en voor hen neerzetten. Dat zouden ze wel lusten!Maar de zwartjes waren wantrouwend. Er werden heel wat woorden aan gewijd, vóór er een bij de schaal neerknielde, haar voorzichtig betastte en daarop zijn lippen in het vocht doopte. Hij keek blij-verwonderd weer op, smakte met de tong en stak toen onvervaard weer zijn mond, ja, zijn neus er bij, in den zoeten drank. Dat was het teeken voor de anderen. Ze sprongen aan alle kanten om de schaal, duwden elkaar op zij, knorrend als varkens voor een trog, smakkend en slurpend.„Je reinste zwijnetroep!” meenden de maats, en enkelen schonken grinnikend bij, toen de schaal leeg werd. Geen der zwartjes wilde daarbij op zij gaan,—bevreesd zijn goede plaats te zullen verliezen. En de schenkende oomes hadden werk om tusschen de gekroesde bollen een gaatje te vinden, waardoor ze den wijn konden gieten.Eindelijk hield de bootsman het voor welletjes. De drinkebroers likten het laatste druppeltje uit de schaal, keken elkaar met blinkende oogen aan en begonnen toen te lachen, te lachen, dat de[208]tranen hun over de wangen biggelden! Ja, ze moesten zich aan elkaar vastklemmen om van al het lachen niet op het dek te ploffen. Hun vroolijkheid werkte aanstekelijk: slechts weinige oomes bleven zuur kijken over het verkwisten van den wijn. En toen de mannen, wier wijsheid in de kan lag, elkaar om het middel pakten en schreeuwend, duimknippend rondhosten, moesten de oomes zich den buik vasthouden.Tegen de schemering ging men met beide booten aan land. Op het vlakke strand wachtte een groep van wel honderd inboorlingen met runderen en schapen en manden met kippen, fazanten, boschhoenderen, duiven, kleurige vruchten.….Een levendige handel begon. Floorke ruilde zijn knipmes in tegen vijftig kippen, waarvoor hij wel een hokkie zou timmeren, een mooi hokkie, dat onder z’n kooi kon staan. En elken dag zou hij eitjes en kip eten. Bolle kocht voor een spiegeltje en een duveltje-in-een-doosje een zware melkkoe voor de kombuis. Ook Harmen deed geen slechten koop: hij ruilde een paar koperen knoopen tegen een mand fijne meloenen en twee dozijn fazanten.DeNieuw-Hoornbeloofde een tweede arke Noachs te zullen worden.De barbier kocht voor een opgepoetst brillemontuur den ganschen medicijn voorraad en de bezweringswerktuigen van een toovenaar op, die met den glasloozen bril op zijn bruinen neus stellig niet aan ontzag bij zijn stamgenooten inboette en overtuigd was met behulp van dit geleerd uitziende brilgeraamte alle ziekten en kwade geesten te zullen verdrijven. Rolf nam een der inboorlingen, die zijn waren reeds aan den man gebracht had, ter zijde en wees vragend op het kleedje, dat deze om het middel droeg.„Lamba”, zeide man aarzelend.„Lamba”, zei Rolf hem na, haalde een leitje uit zijn zak en schreef het woord op. Toen ontdeed onze jonge vriend zich van zijn gordelriem en legde dien voor den inboorling neer. Deze bekeek vol aandacht den blinkenden gesp van den riem, bond toen na eenige aarzeling het vezeltouw los, dat zijn lamba ophield, en stond het kleedingstuk aan Rolf af. Met een vragend[209]gezicht nam de inlander den riem aan, wreef den gesp tegen de bruine wangen en stelde daarop vergeefsche pogingen in het werk om zich den riem om het middel te bevestigen. Rolf hielp hem een handje, deed het hem zoo vaak voor, tot hij zichzelf bedienen kon. Uit dankbaarheid knoopte het zwartje Rolf den lamba om, en de oomes schudden van den lach.Ook Hajo deed dien middag een zeer voordeeligen ruil. Hij zette Truitje’s schaartje om in een grooten, sterken boog met een mooi besneden, gevulden pijlenkoker. De nieuwe eigenaar van het schaartje knipte wat hij maar knippen kon: zijn nagels, zijn haren, zijn wenkbrauwen.…. En ook Hajo verheugde zich in zijn koop. Hij plaatste op het strand een schijf: een op een stok geprikten meloen, en deed enkele dagen lang niets anders dan schieten. De bewoners van Sante Marie vielen bijkans om van verbazing, dat een witte man zoo slecht met pijl en boog omging. Maar Hajo zette door, gunde zich nauwelijks tijd tot eten. En den derden dag zat schot op schot. Toen ging hij als een echte inboorling met pijl en boog op jacht en kwam met drie boschhoentjes terug, die dubbel zoo lekker smaakten als gewone gekochte, tamme kippen,—al waren die misschien wat minder taai.Padde bejammerde in lange weeklachten zijn koffiemolen, die voor Texel door het zilte nat was opgeslokt. Padde zou er thans, naar zijn overtuiging, wonderen mee hebben verricht.Alles bij elkaar scheen het eiland echter niet zoo heel veel op te leveren, wat niet te verwonderen was, want na een smalle strandzone klom de bodem steil, in enge terrassen omhoog en ging spoedig in een kaal, onvruchtbaar bergplateau over.Enkele minuten gaans het land in lag te midden van kokosboomen een dorpje. De uit bamboe gevlochten wanden der lage, met bladeren afgedekte hutten hadden maar één doorgang. Bij nadere beschouwing bleek alles even smerig te zijn; de grond onder en rond de huizen was één mestvaalt. In de modder speelden poedelnaakte peuters vertrouwelijk met honden en aapjes. Maar toen de oomes binnen de palmen-omheining traden, ontstond er in die kleine, vreedzame wereld een ware paniek. De aapjes zochten ijlings hun heil in de boomen; de honden sloten zich aaneen en keften woedend tegen de oomes,[210]daarbij echter een afstand bewarend, die een duidelijk licht wierp op hun aangeboren voorzichtigheid; de kinderen vluchtten de huizen in. En een, die nog wat klein was om zich zelfstandig uit de voeten te maken, bleef met verschrikte oogen, een modderkluit in beide bruine knuistjes, zitten en zette een keel op, alsof heel Sante Marie in gevaar was. Een der vluchtende kereltjes kwam haastig terug, tilde, met een schuwen blik naar de oomes, zijn hulpeloos kameraadje van den grond en verdween er mee, zoo vlug zijn beenen hem dragen konden.Geen enkele vrouw liet zich zien; de deuren werden haastig gesloten,—slechts hier en daar gluurden verschrikte gezichten.„Jammer!” zei Floorke. „Ik had ook de vrouwen wel graag eens gezien.”„Heb dan nog even geduld”, zei Harmen, „ik ben temet weer terug!” En hij maakte beenen in de richting van de booten. De maats begrepen nog wel niet wat Harmen in zijn schild voerde, maar in elk geval besloten ze even te wachten. Harmen was zoo’n rare! Je wist nooit, waarmee hij nog op de proppen kwam.Daar kwam Harmen terug.…. met z’n fiedel! En nu herhaalde zich de geschiedenis van den Hamelschen rattenvanger. Nauwelijks trippelden de eerste klanken de lucht in, of hier en daar opende zich voorzichtig, heel voorzichtig een deur, en een donker meisjeskopje gluurde naar den fiedelaar. De zwartjes, die rond de oomes stonden, konden hun beenen niet stilhouden; ze begonnen om den muzikant heen te dansen, knipten met duim en vingers, of klapten, heupenwiegelend, in de handen. Daar kwamen de vrouwen en meisjes, al even primitief gekleed als de mannen, schoorvoetend naar buiten. En achter moeders rok, juist als alle andere kinderen op de wereld, de poedelnaaktedreumesenmet hun slanke ruggetjes en kogelronde buikjes; ze sperden den mond zoo ver open, dat men er een vuist in stoppen kon.Harmen fiedelde! „Beginnen jullie vast te dansen!” riep hij den oomes toe, „dan doen de meissies het vanzelf!”De oomes dansten. Ze sloegen de handen ineen, maakten samen met de grinnikende inboorlingen een kring rond de groep vrouwen en meisjes, die ingesloten waren, vóór ze het wisten,[211]en toen hosten de janmaats zoo wat rond, met groote sprongen. Bij Harmens melodie zongen ze:„Zeg, nonnetjes, wilt ge gaan dansen?Wij zullen u geven een ei!”Daar trachtte een meisje te ontvluchten. Maar ze had een gevaarlijke plaats gekozen! Toen ze onder Floorke en Gerretje’s armen door wilde hollen, pakten de beide jongens van stavast haar bij de hand, en ze moest mee dansen, of ze wilde of niet! De andere meisjes hadden schik en trachtten nu ook te vluchten. Verdikkoppe, nou had Floorke, die geluksvogel, aan z’n andere hand óók al ’n meissie! Harmen werd het te machtig: hij duwde Hajo de viool in de handen en rustte niet, vóór ook hij aan beide zijden een aardig meisje had en meedanste op de wijsjes, die Hajo nu aan het instrument ontlokte.Padde stond ter zijde, zonder te vermoeden, dat er juist een samenzwering tegen hem op touw werd gezet: de Neus en Gerretje, die elkaar bij de hand hielden, lieten plotseling los, en Padde stond midden in den kring. Beschaamd wilde hij zich een uitweg banen, maar nu greep Harmen hem beet, en zoo danste Padde tegen wil en dank mee, tusschen Harmen en een allerliefst Sante Mariesch meisje.….Tropisch dorp onder klapperboomen.[212]1Indien de maats wat beter met het zonderlinge leven der zee-schildpadden bekend waren geweest, zouden ze geweten hebben, dat die eigenaardige ronde bollen gras door de schildpadden zelf vervaardigd worden en vergaard. Schildpadjagers van beroep zoeken die „opslagplaatsen” en wachten daar, tot de gepantserde kolossen het strand komen opkruipen.↑
[Inhoud]RUILHANDELRUILHANDELPadde verklaarde ronduit, dat hij het hier een beestachtig land vond en per slot van rekening nog meer van de zee hield. Voor zijn part voeren ze op staanden voet verder.Maar Padde moest zijn varensdrang nog drie volle weken geweld aan doen. Men teerde het schip van binnen en van buiten, zette alle poorten open en besprengde de planken vloer met azijn,—alles om een gezonde, frissche lucht in deNieuw-Hoornte krijgen. Terwijl een groot deel der bemanning zich zingend met dit werkje bezighield, waren anderen aan het drogen van visch, die ze aan lange lijnen in de zon hingen; verder had men de handen vol met het inleggen van ganzen in azijn en met het aan boord hijschen van levende schildpadden, waarvoor op het dek een groote bak zeewater werd geplaatst. Als voedsel voor deze dieren verzamelde men talrijke bollen zeegras, welke op het strand voor het grijpen lagen.1Harmen, Hajo en Rolf maakten zich verdienstelijk door een groot hok te timmeren voor de gekortwiekte ganzen en duiven, die nu nog overal het dek bevuilden.Gerrit keek aanvankelijk sprakeloos, ontzet en met van verbazing schuin gelegden kop naar het kale gedrocht, dat zijn[201]meester hem tot gezelschap had beschoren. Waarschijnlijk om eens te onderzoeken van wat voor stof zijn nieuwe kameraad vervaardigd was, begon hij er mee, hem een stevigen pik toe te deelen. Maar dat kwam hem duur te staan: tot straf hield Hajo hem even onder water,—iets waaraan Gerrit geweldig het land had. Hij beschouwde den indringer als den schuldige aan deze onderdompeling, draaide hem vol minachting den staart toe en plukte zich met een overkropt gemoed de natte veeren terecht, toen hij zag, dat Hajo het naakte monster allerlei lekkere brokjes voorhield.Dankbaar was het beestje niet: het vertikte ’t, den snavel te openen. En Hajo zag er ook geen kans toe: het resultaat na lang wikken was, dat onze vriend een fermen beet opliep.„Als hij maar eerst honger krijgt!” troostte Hajo zich zelf. „Morgen zal hij wel anders praten!” Hij stopte beide vogels in de koperen kooi, ten einde ze aan elkaar te doen wennen. Doch daar Hajo vreesde, dat er aan de vriendschap een al te duidelijke wederzijdsche uiteenzetting vooraf zou kunnen gaan, schoof hij een plankje tusschen de toekomstige levensgezellen. Gerrit, verwend door het vrije leven van den laatsten tijd, stak den kop tusschen de veeren telkens wanneer zijn meester naderde. En de jonge roodstaart blikte met wezenlooze oogen rond en hield den bek zoo stevig dicht, als verdacht hij er Hajo van, hem vergift te willen toedienen.„Je moet slim zijn”, raadde Harmen. „Kietel hem eens onder z’n buik, en als ie dan woest wordt en z’n bek open doet om te bijten, douw je er gauw een pisang in!”„’t Helpt toch niets!” zuchtte Hajo. „Als hij morgen nog niet vreet, breng ik hem terug. Ik had anders al een naam voor hem. Ik wou hem Joppie noemen. Net als.…. weet je wel?”Harmen knikte. „Of ik ’t weet.….!”In den namiddag begon het diertje zacht te kreunen,—zoo om het half uur een droevig geluidje. Hajo kon het niet aanhooren en besloot z’n „papegaai” den volgenden morgen weer terug te brengen. Maar.…. ook Gerrit was er door getroffen! Toen Joppie voor de eerste maal kreunde, haalde Gerrit beduusd zijn halfverslapen kop uit de veeren en luisterde minuten lang. Toen stak hij zijn kop weer weg en wilde zijn dommeling[202]voortzetten. Even later herhaalde zich het spelletje. Nog eens. Gerrit raakte overstuur, sprong wat in zijn kooi rond en wilde een slokje water nemen om zich moed in te drinken, toen Joppie opnieuw kreunde. Gerrit verslikte zich in zijn lafenis, begon aan een lange overpeinzing. Als Gerrit aan het peinzen sloeg, viel hij gewoonlijk spoedig in slaap, maar ditmaal kwam hij, al peinzende, tot een besluit. Hij wette zijn snavel, draaide den hals een weinig los, zette zich schrap en gaf een fermen mep tegen het plankje. Verdikke, dat zat stevig vast! Nog maar eens! Daar vloog een splintert je weg. Gerrit begon schik in de zaak te krijgen. Hij hakte, wette zijn snavel weer eens, hakte onvermoeid. En eindelijk.…. Ka! riep Gerrit. De jongens, die al in hun tent lagen, hoorden het.„Gerrit krijgt het op z’n zemelen”, meende Padde.Maar Hajo ging eens kijken. Vlak er op kwam hij al weer terug, opgewonden, met een stralend gelaat. „Kom eens gauw! Gerritvoerthem!”De knapen kropen naar buiten en geloofden hun oogen niet. Gerrit stak door een gat, dat op geheimzinnige wijze in het planken schotje gekomen was, zijn zwarten snavel en reikte Joppie een stukje banaan. „Hap!” zei Joppie en liet het door zijn keelgat schieten. Hajo stond te springen van plezier. „Dàt is me nog er eens een kraai!”„We kunnen nu het plankje wel wegnemen”, meende Rolf.Maar hier was Hajo op bekend terrein. „Daarmee zouden we alles weer bederven!” riep hij uit. „Gerrit denkt natuurlijk, dat Joppie een jonge kraai is! Het is juist goed, dat hij hem niet zien kan!”„Dan zal hij wel raar opkijken, als je op ’n goeien dag het schot wegneemt, als Joppie zich zelf bedienen kan en dan natuurlijk ook al flink in z’n papegaaienveeren steekt!” lachte Rolf.„Gommenikkie nou!” grinnikte Padde.Zoo groeide Joppie, door Gerrit met teedere zorgen omringd, tot een wolk van een papegaai op. Joppie scheen ook van zijn kant belangstelling te koesteren voor zijn trouwen verzorger: hij gluurde door het gat en begon er aan te knagen.[203]En op een goeden morgen vonden de jongens ze als twee ouwe vrienden naast elkaar op Gerrits stokje, net bruid en bruidegom: Joppie in fleurig grijs en rood, verliefd zijn kop draaiend, Gerrit ernstig, bedaard in zijn stemmig zwart. Toen zette Hajo de kooi open.Kraai en papegaai.Met een vreugdekreet wipte Gerrit naar buiten. Joppie volgde hem op den voet, plofte met veel vleugelmisbaar en geschreeuw op den grond. Maar Gerrit, wiens gekorte vleugels al lang waren aangegroeid, gaf vliegles, en Joppie bleek een goed leerling, al zou hij nooit zoo bevallig en vol zwier weten neer te strijken als een Hollandsche torenkraai. Zag je Joppie, dan zag je Gerrit; zag je Gerrit, dan zag je Joppie. Ze deelden al wat eetbaar was: bananen, bessen.…. Alleen voor wurmen toonde Joppie een innigen afkeer: zelfs de fijnste en vetste blauwkop, dien Gerrit offreerde, was niet in staat hem te doen toehappen. Gerrit spalkte van verbazing den snavel open, schudde zijn wijzen bol en nam den wurm alleen voor zijn rekening.Eindelijk kwam de dag van vertrek. De watervaten werden binnen boord gehaald, de zeilen weer aan de kale ra’s geslagen. Een tamboer ging aan land en trommelde van heinde en ver het volk bijeen. De zieken waren genezen—op zeven na, die met bedroefde gezichten aan boord kwamen.Tegen vier uur in den middag ratelden de ankerspillen. Langzaam zeilde deNieuw-Hoornde baai uit, aandachtig nagekeken door een rozerood eskadron flamingo’s.Men hoopte morgen, nog voor zonsopgang, Mauritius te bezeilen.De wind was gunstig.Maar den volgenden morgen wachtte een teleurstelling: men had den koers niet zuiver genomen; het eiland lag boven den wind, en men kon er naar kijken, maar aankomen niet. Wat nu te doen? Bontekoe durfde de groote, onafgebroken reis door den Indischen Oceaan niet aan, zoolang niet al het volk gezond was. Er werd besloten, den koers te richten naar het eilandje[204]Sante Marie, dat vlak bij Madagascar, tegenover de groote Antongil-baai ligt. De zeilen werden omgehaald; vol spanning zag men de toekomst tegemoet.Het weer bleef gunstig; de zee lichtte ’s nachts, alsof ze louter vuur was, en overdag was de hemel zoo lokkend blauw, dat de bruinvisschen, om er ook wat van te zien, ellen hoog uit het water opsprongen.Na een kleine week zeilens kreeg men Sante Marie in het zicht. Men voer Westelijk het eiland om; het schietlood wees zes tot zeven en acht vadem. Zoo helder was het water, dat men den bodem zien kon. Tegen den middag werd een geschikte ligplaats gevonden aan de binnenzijde van het eiland, op twaalf tot dertien vadem goeden ankergrond. En nauwelijks had men de zeilen ingebonden, toen van de vlakke kust drie prauwtjes naderden vol bruine lichamen! De maats beijverden zich uit hun kisten spiegeltjes en kralen, lepels, messen met koperen heft en allerlei andere snuisterijen op te diepen. Toen snelden ze weer het dek op, de zakken vol ruilmateriaal.Intusschen waren de prauwtjes vlak bijgekomen. Er steeg een heidensch kabaal uit op; ieder der roeiers scheen zich admiraal over de geheele vloot te voelen en deelde naar alle zijden bevelen uit, die niemand opvolgde. De roeiers zaten met het gelaat naar den voorsteven en, in plaats van twee riemen, hadden ze in hun bruine knuisten slechts één aan weerszijden afgeplatte spaan, die ze beurtelings links en rechts door het water trokken.Floorke luchtte z’n „vloeiend” Maleisch weer. „Heila!” riep hij, „hebben jullie eten?Makan? Nassi? Klappa? Pisang?”„Koeklekoe!” schreeuwden de inboorlingen en hielden manden met kippen omhoog.„Zie je wel, dat ze me verstaan?” zei Floorke, terwijl hij zegevierend omkeek.Bontekoe was uit de kajuit gekomen en keek glimlachend naar de luidruchtige bruintjes. „Gooi maar eens een touw uit, jongens, en haal zoo’n sinjeur naar boven.”Een touw vloog over de verschansing. Als snoeken schoten de prauwtjes er op af. En toen werd er om gevochten, wie het eerst naar boven zou gaan. Ten slotte wist een der bruintjes zich,[205]na twee schreeuwende makkers in het zilte nat te hebben ondergedompeld, vast te grijpen, en werd toen ook maar meteen door de oomes naar boven getrokken, want voorloopig bedankte men er voor, het heele schip vol van die gasten te hebben.Het was een prachtig gebouwde kerel, die op het dek sprong. Geheel naakt, op een kleedje om het middel na, zwart, gekroesd haar, een matte, olijfkleurige huid, de borst en schouders getatoeëerd. Hij keek een oogenblik met grenzeloos verbaasde oogen rond en begon toen te lachen. Floorke diepte een spiegeltje op en hield het den bruinen gast voor den neus. De lach verstomde om ’s mans gelaat; hij gluurde achter het spiegeltje, toen weer er in, vond het daarop raadzaam wat uit de buurt te gaan en bespiedde wantrouwend Floorke’s grijnzend bakkes. „Kun je krijgen!” zei Floorke. „Maar dan moet je onsmakangeven!” En Floorke maakte heftige kauwbewegingen. Toen kwam Padde met Truitje’s rinkelbel aanzetten en tooverde daarmee weer een glimlach op het bruine gelaat. De mond viel van bewondering open; een rij tanden van het zuiverste ivoor vertoonde zich, gevat in rozerood tandvleesch, en de zwarte, glinsterende oogen wierpen begeerige blikken op de mooi opgepoetste rinkelbel. „Kun je krijgen!” zei Padde, naar Floorke’s voorbeeld. „Maar dan moet ikmakanhebben!” En ook Padde sloeg aan het kauwen.De man boog zich over de verschansing tot zijn makkers over, wier gedachtenwisseling allengs tot een werkelijk heidensch tumult was aangegroeid. Toen ze zijn bol zagen verschijnen, zwegen allen als met een tooverslag, want niemand wilde een woord missen van wat hun in deze zaak meer ervaren kameraad hun zou mededeelen. Hij had heel wat op z’n lever. De klanken rolden als een waterval uit zijn mond; hij schreeuwde, alsof zijn heele stam potdoof was en praatte bovendien nog met armen, beenen en vingers. Toen hij zijn redevoeringgeëindigdhad, diende men hem met dezelfde breedsprakigheid van antwoord. Daarop werden mandjes en korven omhooggeheven, begeleid door een gebulk, dat aan het loeien van een koe deed denken. Van den wal naderden nieuwe prauwtjes, beladen met meloenen, appelen en rijst. Zoo snel werden ze door het water gejaagd, dat het schuim wel een el hoog langs den boeg opscheerde.[206]De oomes lieten een lijntje neer. Hun gast op het dek lichtte een en ander luidruchtig en breedvoerig toe, en na lang redekavelen werd een mand met enkele eetwaren—waaronder een vastgebonden, schreeuwende, witte haan—aan het lijntje gebonden. Men haalde de lijn in, maar de bewoner van Sante Marie nam onmiddellijk een beschermende houding over de mand aan en maakte een gebaar, dat aan duidelijkheid niets te wenschen overliet: eerst betalen!en viel als een rijpe kokosnoot omlaag....en viel als een rijpe kokosnoot omlaag.…„Hier zijn al vaker blanken geweest!” merkte Bontekoe glimlachend op. „Kom, nu zullen we eens gaan loven en bieden!” En hij liet Hilke een paar tinnen lepels halen. Die vielen in den smaak! Zonder lang talmen bood onze bruine vriend in ruil voor de lepels de geheele mand aan.„We zullen straks aan land gaan en eens zien, wat we daar vinden”, zei Bontekoe. Toen begaf hij zich met den koopman en den opperstuurman naar de kajuit. De maats kenden hun ouwe; ze wisten wel, waarom hij hen thans alleen liet: Bontekoe gunde zijn jongens wel een ongestoord pretje; hij wist, dat allen er naar hunkerden om aan het handeldrijven te slaan. En de heeren hadden hun hielen dan ook nog niet gelicht, of de oomes trachtten hun koperen knoppen, schroeven, oude tinnen deksels, opgepoetste duiten en kralen aan den man te brengen. Al gauw zag je den een met een mand kippen wegsjouwen, den ander de armen vol meloenen.….Toen de eerste kooplust, die zijn oorzaak eerder vond in de verveling der laatste dagen dan in werkelijke behoefte, gebluscht was, besloten de oomes tot een pretje. Ze wierpen het touw, waarlangs hun bezoeker naar boven was geklauterd, weer over de verschansing, wachtten, tot er zich een half dozijn zwartjes had ingewerkt, en trokken het toen buiten het bereik der anderen,—een daad, die de achtergeblevenen met oprechte verontwaardiging vervulde. Een, die juist nog het slipje grijpen kon, viel door den ruk van het onverwachts optrekken als een rijpe kokosnoot omlaag, boven op de hoofden van zijn makkers.De anderen waren als aapjes naar boven geklauterd. Ze grinnikten; hun bewegelijke tong stokte een oogenblik; ze wisselden een enkel woord, stootten mekaar aan en schenen alles wat[207]ze zagen, vrij bespottelijk te vinden. En toen hun het eerst aan boord gekomen makker de rinkelbel, waarvan hij intusschen de gelukkige bezitter was geworden, deed rammelen, lieten allen hun mond openvallen, luisterden met glanzende oogen en maakten bewegingen, als wilden ze gaan dansen. De bootsman liet den Schele een groote schaal Spaanschen wijn brengen en voor hen neerzetten. Dat zouden ze wel lusten!Maar de zwartjes waren wantrouwend. Er werden heel wat woorden aan gewijd, vóór er een bij de schaal neerknielde, haar voorzichtig betastte en daarop zijn lippen in het vocht doopte. Hij keek blij-verwonderd weer op, smakte met de tong en stak toen onvervaard weer zijn mond, ja, zijn neus er bij, in den zoeten drank. Dat was het teeken voor de anderen. Ze sprongen aan alle kanten om de schaal, duwden elkaar op zij, knorrend als varkens voor een trog, smakkend en slurpend.„Je reinste zwijnetroep!” meenden de maats, en enkelen schonken grinnikend bij, toen de schaal leeg werd. Geen der zwartjes wilde daarbij op zij gaan,—bevreesd zijn goede plaats te zullen verliezen. En de schenkende oomes hadden werk om tusschen de gekroesde bollen een gaatje te vinden, waardoor ze den wijn konden gieten.Eindelijk hield de bootsman het voor welletjes. De drinkebroers likten het laatste druppeltje uit de schaal, keken elkaar met blinkende oogen aan en begonnen toen te lachen, te lachen, dat de[208]tranen hun over de wangen biggelden! Ja, ze moesten zich aan elkaar vastklemmen om van al het lachen niet op het dek te ploffen. Hun vroolijkheid werkte aanstekelijk: slechts weinige oomes bleven zuur kijken over het verkwisten van den wijn. En toen de mannen, wier wijsheid in de kan lag, elkaar om het middel pakten en schreeuwend, duimknippend rondhosten, moesten de oomes zich den buik vasthouden.Tegen de schemering ging men met beide booten aan land. Op het vlakke strand wachtte een groep van wel honderd inboorlingen met runderen en schapen en manden met kippen, fazanten, boschhoenderen, duiven, kleurige vruchten.….Een levendige handel begon. Floorke ruilde zijn knipmes in tegen vijftig kippen, waarvoor hij wel een hokkie zou timmeren, een mooi hokkie, dat onder z’n kooi kon staan. En elken dag zou hij eitjes en kip eten. Bolle kocht voor een spiegeltje en een duveltje-in-een-doosje een zware melkkoe voor de kombuis. Ook Harmen deed geen slechten koop: hij ruilde een paar koperen knoopen tegen een mand fijne meloenen en twee dozijn fazanten.DeNieuw-Hoornbeloofde een tweede arke Noachs te zullen worden.De barbier kocht voor een opgepoetst brillemontuur den ganschen medicijn voorraad en de bezweringswerktuigen van een toovenaar op, die met den glasloozen bril op zijn bruinen neus stellig niet aan ontzag bij zijn stamgenooten inboette en overtuigd was met behulp van dit geleerd uitziende brilgeraamte alle ziekten en kwade geesten te zullen verdrijven. Rolf nam een der inboorlingen, die zijn waren reeds aan den man gebracht had, ter zijde en wees vragend op het kleedje, dat deze om het middel droeg.„Lamba”, zeide man aarzelend.„Lamba”, zei Rolf hem na, haalde een leitje uit zijn zak en schreef het woord op. Toen ontdeed onze jonge vriend zich van zijn gordelriem en legde dien voor den inboorling neer. Deze bekeek vol aandacht den blinkenden gesp van den riem, bond toen na eenige aarzeling het vezeltouw los, dat zijn lamba ophield, en stond het kleedingstuk aan Rolf af. Met een vragend[209]gezicht nam de inlander den riem aan, wreef den gesp tegen de bruine wangen en stelde daarop vergeefsche pogingen in het werk om zich den riem om het middel te bevestigen. Rolf hielp hem een handje, deed het hem zoo vaak voor, tot hij zichzelf bedienen kon. Uit dankbaarheid knoopte het zwartje Rolf den lamba om, en de oomes schudden van den lach.Ook Hajo deed dien middag een zeer voordeeligen ruil. Hij zette Truitje’s schaartje om in een grooten, sterken boog met een mooi besneden, gevulden pijlenkoker. De nieuwe eigenaar van het schaartje knipte wat hij maar knippen kon: zijn nagels, zijn haren, zijn wenkbrauwen.…. En ook Hajo verheugde zich in zijn koop. Hij plaatste op het strand een schijf: een op een stok geprikten meloen, en deed enkele dagen lang niets anders dan schieten. De bewoners van Sante Marie vielen bijkans om van verbazing, dat een witte man zoo slecht met pijl en boog omging. Maar Hajo zette door, gunde zich nauwelijks tijd tot eten. En den derden dag zat schot op schot. Toen ging hij als een echte inboorling met pijl en boog op jacht en kwam met drie boschhoentjes terug, die dubbel zoo lekker smaakten als gewone gekochte, tamme kippen,—al waren die misschien wat minder taai.Padde bejammerde in lange weeklachten zijn koffiemolen, die voor Texel door het zilte nat was opgeslokt. Padde zou er thans, naar zijn overtuiging, wonderen mee hebben verricht.Alles bij elkaar scheen het eiland echter niet zoo heel veel op te leveren, wat niet te verwonderen was, want na een smalle strandzone klom de bodem steil, in enge terrassen omhoog en ging spoedig in een kaal, onvruchtbaar bergplateau over.Enkele minuten gaans het land in lag te midden van kokosboomen een dorpje. De uit bamboe gevlochten wanden der lage, met bladeren afgedekte hutten hadden maar één doorgang. Bij nadere beschouwing bleek alles even smerig te zijn; de grond onder en rond de huizen was één mestvaalt. In de modder speelden poedelnaakte peuters vertrouwelijk met honden en aapjes. Maar toen de oomes binnen de palmen-omheining traden, ontstond er in die kleine, vreedzame wereld een ware paniek. De aapjes zochten ijlings hun heil in de boomen; de honden sloten zich aaneen en keften woedend tegen de oomes,[210]daarbij echter een afstand bewarend, die een duidelijk licht wierp op hun aangeboren voorzichtigheid; de kinderen vluchtten de huizen in. En een, die nog wat klein was om zich zelfstandig uit de voeten te maken, bleef met verschrikte oogen, een modderkluit in beide bruine knuistjes, zitten en zette een keel op, alsof heel Sante Marie in gevaar was. Een der vluchtende kereltjes kwam haastig terug, tilde, met een schuwen blik naar de oomes, zijn hulpeloos kameraadje van den grond en verdween er mee, zoo vlug zijn beenen hem dragen konden.Geen enkele vrouw liet zich zien; de deuren werden haastig gesloten,—slechts hier en daar gluurden verschrikte gezichten.„Jammer!” zei Floorke. „Ik had ook de vrouwen wel graag eens gezien.”„Heb dan nog even geduld”, zei Harmen, „ik ben temet weer terug!” En hij maakte beenen in de richting van de booten. De maats begrepen nog wel niet wat Harmen in zijn schild voerde, maar in elk geval besloten ze even te wachten. Harmen was zoo’n rare! Je wist nooit, waarmee hij nog op de proppen kwam.Daar kwam Harmen terug.…. met z’n fiedel! En nu herhaalde zich de geschiedenis van den Hamelschen rattenvanger. Nauwelijks trippelden de eerste klanken de lucht in, of hier en daar opende zich voorzichtig, heel voorzichtig een deur, en een donker meisjeskopje gluurde naar den fiedelaar. De zwartjes, die rond de oomes stonden, konden hun beenen niet stilhouden; ze begonnen om den muzikant heen te dansen, knipten met duim en vingers, of klapten, heupenwiegelend, in de handen. Daar kwamen de vrouwen en meisjes, al even primitief gekleed als de mannen, schoorvoetend naar buiten. En achter moeders rok, juist als alle andere kinderen op de wereld, de poedelnaaktedreumesenmet hun slanke ruggetjes en kogelronde buikjes; ze sperden den mond zoo ver open, dat men er een vuist in stoppen kon.Harmen fiedelde! „Beginnen jullie vast te dansen!” riep hij den oomes toe, „dan doen de meissies het vanzelf!”De oomes dansten. Ze sloegen de handen ineen, maakten samen met de grinnikende inboorlingen een kring rond de groep vrouwen en meisjes, die ingesloten waren, vóór ze het wisten,[211]en toen hosten de janmaats zoo wat rond, met groote sprongen. Bij Harmens melodie zongen ze:„Zeg, nonnetjes, wilt ge gaan dansen?Wij zullen u geven een ei!”Daar trachtte een meisje te ontvluchten. Maar ze had een gevaarlijke plaats gekozen! Toen ze onder Floorke en Gerretje’s armen door wilde hollen, pakten de beide jongens van stavast haar bij de hand, en ze moest mee dansen, of ze wilde of niet! De andere meisjes hadden schik en trachtten nu ook te vluchten. Verdikkoppe, nou had Floorke, die geluksvogel, aan z’n andere hand óók al ’n meissie! Harmen werd het te machtig: hij duwde Hajo de viool in de handen en rustte niet, vóór ook hij aan beide zijden een aardig meisje had en meedanste op de wijsjes, die Hajo nu aan het instrument ontlokte.Padde stond ter zijde, zonder te vermoeden, dat er juist een samenzwering tegen hem op touw werd gezet: de Neus en Gerretje, die elkaar bij de hand hielden, lieten plotseling los, en Padde stond midden in den kring. Beschaamd wilde hij zich een uitweg banen, maar nu greep Harmen hem beet, en zoo danste Padde tegen wil en dank mee, tusschen Harmen en een allerliefst Sante Mariesch meisje.….Tropisch dorp onder klapperboomen.[212]1Indien de maats wat beter met het zonderlinge leven der zee-schildpadden bekend waren geweest, zouden ze geweten hebben, dat die eigenaardige ronde bollen gras door de schildpadden zelf vervaardigd worden en vergaard. Schildpadjagers van beroep zoeken die „opslagplaatsen” en wachten daar, tot de gepantserde kolossen het strand komen opkruipen.↑
[Inhoud]RUILHANDELRUILHANDELPadde verklaarde ronduit, dat hij het hier een beestachtig land vond en per slot van rekening nog meer van de zee hield. Voor zijn part voeren ze op staanden voet verder.Maar Padde moest zijn varensdrang nog drie volle weken geweld aan doen. Men teerde het schip van binnen en van buiten, zette alle poorten open en besprengde de planken vloer met azijn,—alles om een gezonde, frissche lucht in deNieuw-Hoornte krijgen. Terwijl een groot deel der bemanning zich zingend met dit werkje bezighield, waren anderen aan het drogen van visch, die ze aan lange lijnen in de zon hingen; verder had men de handen vol met het inleggen van ganzen in azijn en met het aan boord hijschen van levende schildpadden, waarvoor op het dek een groote bak zeewater werd geplaatst. Als voedsel voor deze dieren verzamelde men talrijke bollen zeegras, welke op het strand voor het grijpen lagen.1Harmen, Hajo en Rolf maakten zich verdienstelijk door een groot hok te timmeren voor de gekortwiekte ganzen en duiven, die nu nog overal het dek bevuilden.Gerrit keek aanvankelijk sprakeloos, ontzet en met van verbazing schuin gelegden kop naar het kale gedrocht, dat zijn[201]meester hem tot gezelschap had beschoren. Waarschijnlijk om eens te onderzoeken van wat voor stof zijn nieuwe kameraad vervaardigd was, begon hij er mee, hem een stevigen pik toe te deelen. Maar dat kwam hem duur te staan: tot straf hield Hajo hem even onder water,—iets waaraan Gerrit geweldig het land had. Hij beschouwde den indringer als den schuldige aan deze onderdompeling, draaide hem vol minachting den staart toe en plukte zich met een overkropt gemoed de natte veeren terecht, toen hij zag, dat Hajo het naakte monster allerlei lekkere brokjes voorhield.Dankbaar was het beestje niet: het vertikte ’t, den snavel te openen. En Hajo zag er ook geen kans toe: het resultaat na lang wikken was, dat onze vriend een fermen beet opliep.„Als hij maar eerst honger krijgt!” troostte Hajo zich zelf. „Morgen zal hij wel anders praten!” Hij stopte beide vogels in de koperen kooi, ten einde ze aan elkaar te doen wennen. Doch daar Hajo vreesde, dat er aan de vriendschap een al te duidelijke wederzijdsche uiteenzetting vooraf zou kunnen gaan, schoof hij een plankje tusschen de toekomstige levensgezellen. Gerrit, verwend door het vrije leven van den laatsten tijd, stak den kop tusschen de veeren telkens wanneer zijn meester naderde. En de jonge roodstaart blikte met wezenlooze oogen rond en hield den bek zoo stevig dicht, als verdacht hij er Hajo van, hem vergift te willen toedienen.„Je moet slim zijn”, raadde Harmen. „Kietel hem eens onder z’n buik, en als ie dan woest wordt en z’n bek open doet om te bijten, douw je er gauw een pisang in!”„’t Helpt toch niets!” zuchtte Hajo. „Als hij morgen nog niet vreet, breng ik hem terug. Ik had anders al een naam voor hem. Ik wou hem Joppie noemen. Net als.…. weet je wel?”Harmen knikte. „Of ik ’t weet.….!”In den namiddag begon het diertje zacht te kreunen,—zoo om het half uur een droevig geluidje. Hajo kon het niet aanhooren en besloot z’n „papegaai” den volgenden morgen weer terug te brengen. Maar.…. ook Gerrit was er door getroffen! Toen Joppie voor de eerste maal kreunde, haalde Gerrit beduusd zijn halfverslapen kop uit de veeren en luisterde minuten lang. Toen stak hij zijn kop weer weg en wilde zijn dommeling[202]voortzetten. Even later herhaalde zich het spelletje. Nog eens. Gerrit raakte overstuur, sprong wat in zijn kooi rond en wilde een slokje water nemen om zich moed in te drinken, toen Joppie opnieuw kreunde. Gerrit verslikte zich in zijn lafenis, begon aan een lange overpeinzing. Als Gerrit aan het peinzen sloeg, viel hij gewoonlijk spoedig in slaap, maar ditmaal kwam hij, al peinzende, tot een besluit. Hij wette zijn snavel, draaide den hals een weinig los, zette zich schrap en gaf een fermen mep tegen het plankje. Verdikke, dat zat stevig vast! Nog maar eens! Daar vloog een splintert je weg. Gerrit begon schik in de zaak te krijgen. Hij hakte, wette zijn snavel weer eens, hakte onvermoeid. En eindelijk.…. Ka! riep Gerrit. De jongens, die al in hun tent lagen, hoorden het.„Gerrit krijgt het op z’n zemelen”, meende Padde.Maar Hajo ging eens kijken. Vlak er op kwam hij al weer terug, opgewonden, met een stralend gelaat. „Kom eens gauw! Gerritvoerthem!”De knapen kropen naar buiten en geloofden hun oogen niet. Gerrit stak door een gat, dat op geheimzinnige wijze in het planken schotje gekomen was, zijn zwarten snavel en reikte Joppie een stukje banaan. „Hap!” zei Joppie en liet het door zijn keelgat schieten. Hajo stond te springen van plezier. „Dàt is me nog er eens een kraai!”„We kunnen nu het plankje wel wegnemen”, meende Rolf.Maar hier was Hajo op bekend terrein. „Daarmee zouden we alles weer bederven!” riep hij uit. „Gerrit denkt natuurlijk, dat Joppie een jonge kraai is! Het is juist goed, dat hij hem niet zien kan!”„Dan zal hij wel raar opkijken, als je op ’n goeien dag het schot wegneemt, als Joppie zich zelf bedienen kan en dan natuurlijk ook al flink in z’n papegaaienveeren steekt!” lachte Rolf.„Gommenikkie nou!” grinnikte Padde.Zoo groeide Joppie, door Gerrit met teedere zorgen omringd, tot een wolk van een papegaai op. Joppie scheen ook van zijn kant belangstelling te koesteren voor zijn trouwen verzorger: hij gluurde door het gat en begon er aan te knagen.[203]En op een goeden morgen vonden de jongens ze als twee ouwe vrienden naast elkaar op Gerrits stokje, net bruid en bruidegom: Joppie in fleurig grijs en rood, verliefd zijn kop draaiend, Gerrit ernstig, bedaard in zijn stemmig zwart. Toen zette Hajo de kooi open.Kraai en papegaai.Met een vreugdekreet wipte Gerrit naar buiten. Joppie volgde hem op den voet, plofte met veel vleugelmisbaar en geschreeuw op den grond. Maar Gerrit, wiens gekorte vleugels al lang waren aangegroeid, gaf vliegles, en Joppie bleek een goed leerling, al zou hij nooit zoo bevallig en vol zwier weten neer te strijken als een Hollandsche torenkraai. Zag je Joppie, dan zag je Gerrit; zag je Gerrit, dan zag je Joppie. Ze deelden al wat eetbaar was: bananen, bessen.…. Alleen voor wurmen toonde Joppie een innigen afkeer: zelfs de fijnste en vetste blauwkop, dien Gerrit offreerde, was niet in staat hem te doen toehappen. Gerrit spalkte van verbazing den snavel open, schudde zijn wijzen bol en nam den wurm alleen voor zijn rekening.Eindelijk kwam de dag van vertrek. De watervaten werden binnen boord gehaald, de zeilen weer aan de kale ra’s geslagen. Een tamboer ging aan land en trommelde van heinde en ver het volk bijeen. De zieken waren genezen—op zeven na, die met bedroefde gezichten aan boord kwamen.Tegen vier uur in den middag ratelden de ankerspillen. Langzaam zeilde deNieuw-Hoornde baai uit, aandachtig nagekeken door een rozerood eskadron flamingo’s.Men hoopte morgen, nog voor zonsopgang, Mauritius te bezeilen.De wind was gunstig.Maar den volgenden morgen wachtte een teleurstelling: men had den koers niet zuiver genomen; het eiland lag boven den wind, en men kon er naar kijken, maar aankomen niet. Wat nu te doen? Bontekoe durfde de groote, onafgebroken reis door den Indischen Oceaan niet aan, zoolang niet al het volk gezond was. Er werd besloten, den koers te richten naar het eilandje[204]Sante Marie, dat vlak bij Madagascar, tegenover de groote Antongil-baai ligt. De zeilen werden omgehaald; vol spanning zag men de toekomst tegemoet.Het weer bleef gunstig; de zee lichtte ’s nachts, alsof ze louter vuur was, en overdag was de hemel zoo lokkend blauw, dat de bruinvisschen, om er ook wat van te zien, ellen hoog uit het water opsprongen.Na een kleine week zeilens kreeg men Sante Marie in het zicht. Men voer Westelijk het eiland om; het schietlood wees zes tot zeven en acht vadem. Zoo helder was het water, dat men den bodem zien kon. Tegen den middag werd een geschikte ligplaats gevonden aan de binnenzijde van het eiland, op twaalf tot dertien vadem goeden ankergrond. En nauwelijks had men de zeilen ingebonden, toen van de vlakke kust drie prauwtjes naderden vol bruine lichamen! De maats beijverden zich uit hun kisten spiegeltjes en kralen, lepels, messen met koperen heft en allerlei andere snuisterijen op te diepen. Toen snelden ze weer het dek op, de zakken vol ruilmateriaal.Intusschen waren de prauwtjes vlak bijgekomen. Er steeg een heidensch kabaal uit op; ieder der roeiers scheen zich admiraal over de geheele vloot te voelen en deelde naar alle zijden bevelen uit, die niemand opvolgde. De roeiers zaten met het gelaat naar den voorsteven en, in plaats van twee riemen, hadden ze in hun bruine knuisten slechts één aan weerszijden afgeplatte spaan, die ze beurtelings links en rechts door het water trokken.Floorke luchtte z’n „vloeiend” Maleisch weer. „Heila!” riep hij, „hebben jullie eten?Makan? Nassi? Klappa? Pisang?”„Koeklekoe!” schreeuwden de inboorlingen en hielden manden met kippen omhoog.„Zie je wel, dat ze me verstaan?” zei Floorke, terwijl hij zegevierend omkeek.Bontekoe was uit de kajuit gekomen en keek glimlachend naar de luidruchtige bruintjes. „Gooi maar eens een touw uit, jongens, en haal zoo’n sinjeur naar boven.”Een touw vloog over de verschansing. Als snoeken schoten de prauwtjes er op af. En toen werd er om gevochten, wie het eerst naar boven zou gaan. Ten slotte wist een der bruintjes zich,[205]na twee schreeuwende makkers in het zilte nat te hebben ondergedompeld, vast te grijpen, en werd toen ook maar meteen door de oomes naar boven getrokken, want voorloopig bedankte men er voor, het heele schip vol van die gasten te hebben.Het was een prachtig gebouwde kerel, die op het dek sprong. Geheel naakt, op een kleedje om het middel na, zwart, gekroesd haar, een matte, olijfkleurige huid, de borst en schouders getatoeëerd. Hij keek een oogenblik met grenzeloos verbaasde oogen rond en begon toen te lachen. Floorke diepte een spiegeltje op en hield het den bruinen gast voor den neus. De lach verstomde om ’s mans gelaat; hij gluurde achter het spiegeltje, toen weer er in, vond het daarop raadzaam wat uit de buurt te gaan en bespiedde wantrouwend Floorke’s grijnzend bakkes. „Kun je krijgen!” zei Floorke. „Maar dan moet je onsmakangeven!” En Floorke maakte heftige kauwbewegingen. Toen kwam Padde met Truitje’s rinkelbel aanzetten en tooverde daarmee weer een glimlach op het bruine gelaat. De mond viel van bewondering open; een rij tanden van het zuiverste ivoor vertoonde zich, gevat in rozerood tandvleesch, en de zwarte, glinsterende oogen wierpen begeerige blikken op de mooi opgepoetste rinkelbel. „Kun je krijgen!” zei Padde, naar Floorke’s voorbeeld. „Maar dan moet ikmakanhebben!” En ook Padde sloeg aan het kauwen.De man boog zich over de verschansing tot zijn makkers over, wier gedachtenwisseling allengs tot een werkelijk heidensch tumult was aangegroeid. Toen ze zijn bol zagen verschijnen, zwegen allen als met een tooverslag, want niemand wilde een woord missen van wat hun in deze zaak meer ervaren kameraad hun zou mededeelen. Hij had heel wat op z’n lever. De klanken rolden als een waterval uit zijn mond; hij schreeuwde, alsof zijn heele stam potdoof was en praatte bovendien nog met armen, beenen en vingers. Toen hij zijn redevoeringgeëindigdhad, diende men hem met dezelfde breedsprakigheid van antwoord. Daarop werden mandjes en korven omhooggeheven, begeleid door een gebulk, dat aan het loeien van een koe deed denken. Van den wal naderden nieuwe prauwtjes, beladen met meloenen, appelen en rijst. Zoo snel werden ze door het water gejaagd, dat het schuim wel een el hoog langs den boeg opscheerde.[206]De oomes lieten een lijntje neer. Hun gast op het dek lichtte een en ander luidruchtig en breedvoerig toe, en na lang redekavelen werd een mand met enkele eetwaren—waaronder een vastgebonden, schreeuwende, witte haan—aan het lijntje gebonden. Men haalde de lijn in, maar de bewoner van Sante Marie nam onmiddellijk een beschermende houding over de mand aan en maakte een gebaar, dat aan duidelijkheid niets te wenschen overliet: eerst betalen!en viel als een rijpe kokosnoot omlaag....en viel als een rijpe kokosnoot omlaag.…„Hier zijn al vaker blanken geweest!” merkte Bontekoe glimlachend op. „Kom, nu zullen we eens gaan loven en bieden!” En hij liet Hilke een paar tinnen lepels halen. Die vielen in den smaak! Zonder lang talmen bood onze bruine vriend in ruil voor de lepels de geheele mand aan.„We zullen straks aan land gaan en eens zien, wat we daar vinden”, zei Bontekoe. Toen begaf hij zich met den koopman en den opperstuurman naar de kajuit. De maats kenden hun ouwe; ze wisten wel, waarom hij hen thans alleen liet: Bontekoe gunde zijn jongens wel een ongestoord pretje; hij wist, dat allen er naar hunkerden om aan het handeldrijven te slaan. En de heeren hadden hun hielen dan ook nog niet gelicht, of de oomes trachtten hun koperen knoppen, schroeven, oude tinnen deksels, opgepoetste duiten en kralen aan den man te brengen. Al gauw zag je den een met een mand kippen wegsjouwen, den ander de armen vol meloenen.….Toen de eerste kooplust, die zijn oorzaak eerder vond in de verveling der laatste dagen dan in werkelijke behoefte, gebluscht was, besloten de oomes tot een pretje. Ze wierpen het touw, waarlangs hun bezoeker naar boven was geklauterd, weer over de verschansing, wachtten, tot er zich een half dozijn zwartjes had ingewerkt, en trokken het toen buiten het bereik der anderen,—een daad, die de achtergeblevenen met oprechte verontwaardiging vervulde. Een, die juist nog het slipje grijpen kon, viel door den ruk van het onverwachts optrekken als een rijpe kokosnoot omlaag, boven op de hoofden van zijn makkers.De anderen waren als aapjes naar boven geklauterd. Ze grinnikten; hun bewegelijke tong stokte een oogenblik; ze wisselden een enkel woord, stootten mekaar aan en schenen alles wat[207]ze zagen, vrij bespottelijk te vinden. En toen hun het eerst aan boord gekomen makker de rinkelbel, waarvan hij intusschen de gelukkige bezitter was geworden, deed rammelen, lieten allen hun mond openvallen, luisterden met glanzende oogen en maakten bewegingen, als wilden ze gaan dansen. De bootsman liet den Schele een groote schaal Spaanschen wijn brengen en voor hen neerzetten. Dat zouden ze wel lusten!Maar de zwartjes waren wantrouwend. Er werden heel wat woorden aan gewijd, vóór er een bij de schaal neerknielde, haar voorzichtig betastte en daarop zijn lippen in het vocht doopte. Hij keek blij-verwonderd weer op, smakte met de tong en stak toen onvervaard weer zijn mond, ja, zijn neus er bij, in den zoeten drank. Dat was het teeken voor de anderen. Ze sprongen aan alle kanten om de schaal, duwden elkaar op zij, knorrend als varkens voor een trog, smakkend en slurpend.„Je reinste zwijnetroep!” meenden de maats, en enkelen schonken grinnikend bij, toen de schaal leeg werd. Geen der zwartjes wilde daarbij op zij gaan,—bevreesd zijn goede plaats te zullen verliezen. En de schenkende oomes hadden werk om tusschen de gekroesde bollen een gaatje te vinden, waardoor ze den wijn konden gieten.Eindelijk hield de bootsman het voor welletjes. De drinkebroers likten het laatste druppeltje uit de schaal, keken elkaar met blinkende oogen aan en begonnen toen te lachen, te lachen, dat de[208]tranen hun over de wangen biggelden! Ja, ze moesten zich aan elkaar vastklemmen om van al het lachen niet op het dek te ploffen. Hun vroolijkheid werkte aanstekelijk: slechts weinige oomes bleven zuur kijken over het verkwisten van den wijn. En toen de mannen, wier wijsheid in de kan lag, elkaar om het middel pakten en schreeuwend, duimknippend rondhosten, moesten de oomes zich den buik vasthouden.Tegen de schemering ging men met beide booten aan land. Op het vlakke strand wachtte een groep van wel honderd inboorlingen met runderen en schapen en manden met kippen, fazanten, boschhoenderen, duiven, kleurige vruchten.….Een levendige handel begon. Floorke ruilde zijn knipmes in tegen vijftig kippen, waarvoor hij wel een hokkie zou timmeren, een mooi hokkie, dat onder z’n kooi kon staan. En elken dag zou hij eitjes en kip eten. Bolle kocht voor een spiegeltje en een duveltje-in-een-doosje een zware melkkoe voor de kombuis. Ook Harmen deed geen slechten koop: hij ruilde een paar koperen knoopen tegen een mand fijne meloenen en twee dozijn fazanten.DeNieuw-Hoornbeloofde een tweede arke Noachs te zullen worden.De barbier kocht voor een opgepoetst brillemontuur den ganschen medicijn voorraad en de bezweringswerktuigen van een toovenaar op, die met den glasloozen bril op zijn bruinen neus stellig niet aan ontzag bij zijn stamgenooten inboette en overtuigd was met behulp van dit geleerd uitziende brilgeraamte alle ziekten en kwade geesten te zullen verdrijven. Rolf nam een der inboorlingen, die zijn waren reeds aan den man gebracht had, ter zijde en wees vragend op het kleedje, dat deze om het middel droeg.„Lamba”, zeide man aarzelend.„Lamba”, zei Rolf hem na, haalde een leitje uit zijn zak en schreef het woord op. Toen ontdeed onze jonge vriend zich van zijn gordelriem en legde dien voor den inboorling neer. Deze bekeek vol aandacht den blinkenden gesp van den riem, bond toen na eenige aarzeling het vezeltouw los, dat zijn lamba ophield, en stond het kleedingstuk aan Rolf af. Met een vragend[209]gezicht nam de inlander den riem aan, wreef den gesp tegen de bruine wangen en stelde daarop vergeefsche pogingen in het werk om zich den riem om het middel te bevestigen. Rolf hielp hem een handje, deed het hem zoo vaak voor, tot hij zichzelf bedienen kon. Uit dankbaarheid knoopte het zwartje Rolf den lamba om, en de oomes schudden van den lach.Ook Hajo deed dien middag een zeer voordeeligen ruil. Hij zette Truitje’s schaartje om in een grooten, sterken boog met een mooi besneden, gevulden pijlenkoker. De nieuwe eigenaar van het schaartje knipte wat hij maar knippen kon: zijn nagels, zijn haren, zijn wenkbrauwen.…. En ook Hajo verheugde zich in zijn koop. Hij plaatste op het strand een schijf: een op een stok geprikten meloen, en deed enkele dagen lang niets anders dan schieten. De bewoners van Sante Marie vielen bijkans om van verbazing, dat een witte man zoo slecht met pijl en boog omging. Maar Hajo zette door, gunde zich nauwelijks tijd tot eten. En den derden dag zat schot op schot. Toen ging hij als een echte inboorling met pijl en boog op jacht en kwam met drie boschhoentjes terug, die dubbel zoo lekker smaakten als gewone gekochte, tamme kippen,—al waren die misschien wat minder taai.Padde bejammerde in lange weeklachten zijn koffiemolen, die voor Texel door het zilte nat was opgeslokt. Padde zou er thans, naar zijn overtuiging, wonderen mee hebben verricht.Alles bij elkaar scheen het eiland echter niet zoo heel veel op te leveren, wat niet te verwonderen was, want na een smalle strandzone klom de bodem steil, in enge terrassen omhoog en ging spoedig in een kaal, onvruchtbaar bergplateau over.Enkele minuten gaans het land in lag te midden van kokosboomen een dorpje. De uit bamboe gevlochten wanden der lage, met bladeren afgedekte hutten hadden maar één doorgang. Bij nadere beschouwing bleek alles even smerig te zijn; de grond onder en rond de huizen was één mestvaalt. In de modder speelden poedelnaakte peuters vertrouwelijk met honden en aapjes. Maar toen de oomes binnen de palmen-omheining traden, ontstond er in die kleine, vreedzame wereld een ware paniek. De aapjes zochten ijlings hun heil in de boomen; de honden sloten zich aaneen en keften woedend tegen de oomes,[210]daarbij echter een afstand bewarend, die een duidelijk licht wierp op hun aangeboren voorzichtigheid; de kinderen vluchtten de huizen in. En een, die nog wat klein was om zich zelfstandig uit de voeten te maken, bleef met verschrikte oogen, een modderkluit in beide bruine knuistjes, zitten en zette een keel op, alsof heel Sante Marie in gevaar was. Een der vluchtende kereltjes kwam haastig terug, tilde, met een schuwen blik naar de oomes, zijn hulpeloos kameraadje van den grond en verdween er mee, zoo vlug zijn beenen hem dragen konden.Geen enkele vrouw liet zich zien; de deuren werden haastig gesloten,—slechts hier en daar gluurden verschrikte gezichten.„Jammer!” zei Floorke. „Ik had ook de vrouwen wel graag eens gezien.”„Heb dan nog even geduld”, zei Harmen, „ik ben temet weer terug!” En hij maakte beenen in de richting van de booten. De maats begrepen nog wel niet wat Harmen in zijn schild voerde, maar in elk geval besloten ze even te wachten. Harmen was zoo’n rare! Je wist nooit, waarmee hij nog op de proppen kwam.Daar kwam Harmen terug.…. met z’n fiedel! En nu herhaalde zich de geschiedenis van den Hamelschen rattenvanger. Nauwelijks trippelden de eerste klanken de lucht in, of hier en daar opende zich voorzichtig, heel voorzichtig een deur, en een donker meisjeskopje gluurde naar den fiedelaar. De zwartjes, die rond de oomes stonden, konden hun beenen niet stilhouden; ze begonnen om den muzikant heen te dansen, knipten met duim en vingers, of klapten, heupenwiegelend, in de handen. Daar kwamen de vrouwen en meisjes, al even primitief gekleed als de mannen, schoorvoetend naar buiten. En achter moeders rok, juist als alle andere kinderen op de wereld, de poedelnaaktedreumesenmet hun slanke ruggetjes en kogelronde buikjes; ze sperden den mond zoo ver open, dat men er een vuist in stoppen kon.Harmen fiedelde! „Beginnen jullie vast te dansen!” riep hij den oomes toe, „dan doen de meissies het vanzelf!”De oomes dansten. Ze sloegen de handen ineen, maakten samen met de grinnikende inboorlingen een kring rond de groep vrouwen en meisjes, die ingesloten waren, vóór ze het wisten,[211]en toen hosten de janmaats zoo wat rond, met groote sprongen. Bij Harmens melodie zongen ze:„Zeg, nonnetjes, wilt ge gaan dansen?Wij zullen u geven een ei!”Daar trachtte een meisje te ontvluchten. Maar ze had een gevaarlijke plaats gekozen! Toen ze onder Floorke en Gerretje’s armen door wilde hollen, pakten de beide jongens van stavast haar bij de hand, en ze moest mee dansen, of ze wilde of niet! De andere meisjes hadden schik en trachtten nu ook te vluchten. Verdikkoppe, nou had Floorke, die geluksvogel, aan z’n andere hand óók al ’n meissie! Harmen werd het te machtig: hij duwde Hajo de viool in de handen en rustte niet, vóór ook hij aan beide zijden een aardig meisje had en meedanste op de wijsjes, die Hajo nu aan het instrument ontlokte.Padde stond ter zijde, zonder te vermoeden, dat er juist een samenzwering tegen hem op touw werd gezet: de Neus en Gerretje, die elkaar bij de hand hielden, lieten plotseling los, en Padde stond midden in den kring. Beschaamd wilde hij zich een uitweg banen, maar nu greep Harmen hem beet, en zoo danste Padde tegen wil en dank mee, tusschen Harmen en een allerliefst Sante Mariesch meisje.….Tropisch dorp onder klapperboomen.[212]1Indien de maats wat beter met het zonderlinge leven der zee-schildpadden bekend waren geweest, zouden ze geweten hebben, dat die eigenaardige ronde bollen gras door de schildpadden zelf vervaardigd worden en vergaard. Schildpadjagers van beroep zoeken die „opslagplaatsen” en wachten daar, tot de gepantserde kolossen het strand komen opkruipen.↑
RUILHANDELRUILHANDEL
RUILHANDEL
Padde verklaarde ronduit, dat hij het hier een beestachtig land vond en per slot van rekening nog meer van de zee hield. Voor zijn part voeren ze op staanden voet verder.Maar Padde moest zijn varensdrang nog drie volle weken geweld aan doen. Men teerde het schip van binnen en van buiten, zette alle poorten open en besprengde de planken vloer met azijn,—alles om een gezonde, frissche lucht in deNieuw-Hoornte krijgen. Terwijl een groot deel der bemanning zich zingend met dit werkje bezighield, waren anderen aan het drogen van visch, die ze aan lange lijnen in de zon hingen; verder had men de handen vol met het inleggen van ganzen in azijn en met het aan boord hijschen van levende schildpadden, waarvoor op het dek een groote bak zeewater werd geplaatst. Als voedsel voor deze dieren verzamelde men talrijke bollen zeegras, welke op het strand voor het grijpen lagen.1Harmen, Hajo en Rolf maakten zich verdienstelijk door een groot hok te timmeren voor de gekortwiekte ganzen en duiven, die nu nog overal het dek bevuilden.Gerrit keek aanvankelijk sprakeloos, ontzet en met van verbazing schuin gelegden kop naar het kale gedrocht, dat zijn[201]meester hem tot gezelschap had beschoren. Waarschijnlijk om eens te onderzoeken van wat voor stof zijn nieuwe kameraad vervaardigd was, begon hij er mee, hem een stevigen pik toe te deelen. Maar dat kwam hem duur te staan: tot straf hield Hajo hem even onder water,—iets waaraan Gerrit geweldig het land had. Hij beschouwde den indringer als den schuldige aan deze onderdompeling, draaide hem vol minachting den staart toe en plukte zich met een overkropt gemoed de natte veeren terecht, toen hij zag, dat Hajo het naakte monster allerlei lekkere brokjes voorhield.Dankbaar was het beestje niet: het vertikte ’t, den snavel te openen. En Hajo zag er ook geen kans toe: het resultaat na lang wikken was, dat onze vriend een fermen beet opliep.„Als hij maar eerst honger krijgt!” troostte Hajo zich zelf. „Morgen zal hij wel anders praten!” Hij stopte beide vogels in de koperen kooi, ten einde ze aan elkaar te doen wennen. Doch daar Hajo vreesde, dat er aan de vriendschap een al te duidelijke wederzijdsche uiteenzetting vooraf zou kunnen gaan, schoof hij een plankje tusschen de toekomstige levensgezellen. Gerrit, verwend door het vrije leven van den laatsten tijd, stak den kop tusschen de veeren telkens wanneer zijn meester naderde. En de jonge roodstaart blikte met wezenlooze oogen rond en hield den bek zoo stevig dicht, als verdacht hij er Hajo van, hem vergift te willen toedienen.„Je moet slim zijn”, raadde Harmen. „Kietel hem eens onder z’n buik, en als ie dan woest wordt en z’n bek open doet om te bijten, douw je er gauw een pisang in!”„’t Helpt toch niets!” zuchtte Hajo. „Als hij morgen nog niet vreet, breng ik hem terug. Ik had anders al een naam voor hem. Ik wou hem Joppie noemen. Net als.…. weet je wel?”Harmen knikte. „Of ik ’t weet.….!”In den namiddag begon het diertje zacht te kreunen,—zoo om het half uur een droevig geluidje. Hajo kon het niet aanhooren en besloot z’n „papegaai” den volgenden morgen weer terug te brengen. Maar.…. ook Gerrit was er door getroffen! Toen Joppie voor de eerste maal kreunde, haalde Gerrit beduusd zijn halfverslapen kop uit de veeren en luisterde minuten lang. Toen stak hij zijn kop weer weg en wilde zijn dommeling[202]voortzetten. Even later herhaalde zich het spelletje. Nog eens. Gerrit raakte overstuur, sprong wat in zijn kooi rond en wilde een slokje water nemen om zich moed in te drinken, toen Joppie opnieuw kreunde. Gerrit verslikte zich in zijn lafenis, begon aan een lange overpeinzing. Als Gerrit aan het peinzen sloeg, viel hij gewoonlijk spoedig in slaap, maar ditmaal kwam hij, al peinzende, tot een besluit. Hij wette zijn snavel, draaide den hals een weinig los, zette zich schrap en gaf een fermen mep tegen het plankje. Verdikke, dat zat stevig vast! Nog maar eens! Daar vloog een splintert je weg. Gerrit begon schik in de zaak te krijgen. Hij hakte, wette zijn snavel weer eens, hakte onvermoeid. En eindelijk.…. Ka! riep Gerrit. De jongens, die al in hun tent lagen, hoorden het.„Gerrit krijgt het op z’n zemelen”, meende Padde.Maar Hajo ging eens kijken. Vlak er op kwam hij al weer terug, opgewonden, met een stralend gelaat. „Kom eens gauw! Gerritvoerthem!”De knapen kropen naar buiten en geloofden hun oogen niet. Gerrit stak door een gat, dat op geheimzinnige wijze in het planken schotje gekomen was, zijn zwarten snavel en reikte Joppie een stukje banaan. „Hap!” zei Joppie en liet het door zijn keelgat schieten. Hajo stond te springen van plezier. „Dàt is me nog er eens een kraai!”„We kunnen nu het plankje wel wegnemen”, meende Rolf.Maar hier was Hajo op bekend terrein. „Daarmee zouden we alles weer bederven!” riep hij uit. „Gerrit denkt natuurlijk, dat Joppie een jonge kraai is! Het is juist goed, dat hij hem niet zien kan!”„Dan zal hij wel raar opkijken, als je op ’n goeien dag het schot wegneemt, als Joppie zich zelf bedienen kan en dan natuurlijk ook al flink in z’n papegaaienveeren steekt!” lachte Rolf.„Gommenikkie nou!” grinnikte Padde.Zoo groeide Joppie, door Gerrit met teedere zorgen omringd, tot een wolk van een papegaai op. Joppie scheen ook van zijn kant belangstelling te koesteren voor zijn trouwen verzorger: hij gluurde door het gat en begon er aan te knagen.[203]En op een goeden morgen vonden de jongens ze als twee ouwe vrienden naast elkaar op Gerrits stokje, net bruid en bruidegom: Joppie in fleurig grijs en rood, verliefd zijn kop draaiend, Gerrit ernstig, bedaard in zijn stemmig zwart. Toen zette Hajo de kooi open.Kraai en papegaai.Met een vreugdekreet wipte Gerrit naar buiten. Joppie volgde hem op den voet, plofte met veel vleugelmisbaar en geschreeuw op den grond. Maar Gerrit, wiens gekorte vleugels al lang waren aangegroeid, gaf vliegles, en Joppie bleek een goed leerling, al zou hij nooit zoo bevallig en vol zwier weten neer te strijken als een Hollandsche torenkraai. Zag je Joppie, dan zag je Gerrit; zag je Gerrit, dan zag je Joppie. Ze deelden al wat eetbaar was: bananen, bessen.…. Alleen voor wurmen toonde Joppie een innigen afkeer: zelfs de fijnste en vetste blauwkop, dien Gerrit offreerde, was niet in staat hem te doen toehappen. Gerrit spalkte van verbazing den snavel open, schudde zijn wijzen bol en nam den wurm alleen voor zijn rekening.Eindelijk kwam de dag van vertrek. De watervaten werden binnen boord gehaald, de zeilen weer aan de kale ra’s geslagen. Een tamboer ging aan land en trommelde van heinde en ver het volk bijeen. De zieken waren genezen—op zeven na, die met bedroefde gezichten aan boord kwamen.Tegen vier uur in den middag ratelden de ankerspillen. Langzaam zeilde deNieuw-Hoornde baai uit, aandachtig nagekeken door een rozerood eskadron flamingo’s.Men hoopte morgen, nog voor zonsopgang, Mauritius te bezeilen.De wind was gunstig.Maar den volgenden morgen wachtte een teleurstelling: men had den koers niet zuiver genomen; het eiland lag boven den wind, en men kon er naar kijken, maar aankomen niet. Wat nu te doen? Bontekoe durfde de groote, onafgebroken reis door den Indischen Oceaan niet aan, zoolang niet al het volk gezond was. Er werd besloten, den koers te richten naar het eilandje[204]Sante Marie, dat vlak bij Madagascar, tegenover de groote Antongil-baai ligt. De zeilen werden omgehaald; vol spanning zag men de toekomst tegemoet.Het weer bleef gunstig; de zee lichtte ’s nachts, alsof ze louter vuur was, en overdag was de hemel zoo lokkend blauw, dat de bruinvisschen, om er ook wat van te zien, ellen hoog uit het water opsprongen.Na een kleine week zeilens kreeg men Sante Marie in het zicht. Men voer Westelijk het eiland om; het schietlood wees zes tot zeven en acht vadem. Zoo helder was het water, dat men den bodem zien kon. Tegen den middag werd een geschikte ligplaats gevonden aan de binnenzijde van het eiland, op twaalf tot dertien vadem goeden ankergrond. En nauwelijks had men de zeilen ingebonden, toen van de vlakke kust drie prauwtjes naderden vol bruine lichamen! De maats beijverden zich uit hun kisten spiegeltjes en kralen, lepels, messen met koperen heft en allerlei andere snuisterijen op te diepen. Toen snelden ze weer het dek op, de zakken vol ruilmateriaal.Intusschen waren de prauwtjes vlak bijgekomen. Er steeg een heidensch kabaal uit op; ieder der roeiers scheen zich admiraal over de geheele vloot te voelen en deelde naar alle zijden bevelen uit, die niemand opvolgde. De roeiers zaten met het gelaat naar den voorsteven en, in plaats van twee riemen, hadden ze in hun bruine knuisten slechts één aan weerszijden afgeplatte spaan, die ze beurtelings links en rechts door het water trokken.Floorke luchtte z’n „vloeiend” Maleisch weer. „Heila!” riep hij, „hebben jullie eten?Makan? Nassi? Klappa? Pisang?”„Koeklekoe!” schreeuwden de inboorlingen en hielden manden met kippen omhoog.„Zie je wel, dat ze me verstaan?” zei Floorke, terwijl hij zegevierend omkeek.Bontekoe was uit de kajuit gekomen en keek glimlachend naar de luidruchtige bruintjes. „Gooi maar eens een touw uit, jongens, en haal zoo’n sinjeur naar boven.”Een touw vloog over de verschansing. Als snoeken schoten de prauwtjes er op af. En toen werd er om gevochten, wie het eerst naar boven zou gaan. Ten slotte wist een der bruintjes zich,[205]na twee schreeuwende makkers in het zilte nat te hebben ondergedompeld, vast te grijpen, en werd toen ook maar meteen door de oomes naar boven getrokken, want voorloopig bedankte men er voor, het heele schip vol van die gasten te hebben.Het was een prachtig gebouwde kerel, die op het dek sprong. Geheel naakt, op een kleedje om het middel na, zwart, gekroesd haar, een matte, olijfkleurige huid, de borst en schouders getatoeëerd. Hij keek een oogenblik met grenzeloos verbaasde oogen rond en begon toen te lachen. Floorke diepte een spiegeltje op en hield het den bruinen gast voor den neus. De lach verstomde om ’s mans gelaat; hij gluurde achter het spiegeltje, toen weer er in, vond het daarop raadzaam wat uit de buurt te gaan en bespiedde wantrouwend Floorke’s grijnzend bakkes. „Kun je krijgen!” zei Floorke. „Maar dan moet je onsmakangeven!” En Floorke maakte heftige kauwbewegingen. Toen kwam Padde met Truitje’s rinkelbel aanzetten en tooverde daarmee weer een glimlach op het bruine gelaat. De mond viel van bewondering open; een rij tanden van het zuiverste ivoor vertoonde zich, gevat in rozerood tandvleesch, en de zwarte, glinsterende oogen wierpen begeerige blikken op de mooi opgepoetste rinkelbel. „Kun je krijgen!” zei Padde, naar Floorke’s voorbeeld. „Maar dan moet ikmakanhebben!” En ook Padde sloeg aan het kauwen.De man boog zich over de verschansing tot zijn makkers over, wier gedachtenwisseling allengs tot een werkelijk heidensch tumult was aangegroeid. Toen ze zijn bol zagen verschijnen, zwegen allen als met een tooverslag, want niemand wilde een woord missen van wat hun in deze zaak meer ervaren kameraad hun zou mededeelen. Hij had heel wat op z’n lever. De klanken rolden als een waterval uit zijn mond; hij schreeuwde, alsof zijn heele stam potdoof was en praatte bovendien nog met armen, beenen en vingers. Toen hij zijn redevoeringgeëindigdhad, diende men hem met dezelfde breedsprakigheid van antwoord. Daarop werden mandjes en korven omhooggeheven, begeleid door een gebulk, dat aan het loeien van een koe deed denken. Van den wal naderden nieuwe prauwtjes, beladen met meloenen, appelen en rijst. Zoo snel werden ze door het water gejaagd, dat het schuim wel een el hoog langs den boeg opscheerde.[206]De oomes lieten een lijntje neer. Hun gast op het dek lichtte een en ander luidruchtig en breedvoerig toe, en na lang redekavelen werd een mand met enkele eetwaren—waaronder een vastgebonden, schreeuwende, witte haan—aan het lijntje gebonden. Men haalde de lijn in, maar de bewoner van Sante Marie nam onmiddellijk een beschermende houding over de mand aan en maakte een gebaar, dat aan duidelijkheid niets te wenschen overliet: eerst betalen!en viel als een rijpe kokosnoot omlaag....en viel als een rijpe kokosnoot omlaag.…„Hier zijn al vaker blanken geweest!” merkte Bontekoe glimlachend op. „Kom, nu zullen we eens gaan loven en bieden!” En hij liet Hilke een paar tinnen lepels halen. Die vielen in den smaak! Zonder lang talmen bood onze bruine vriend in ruil voor de lepels de geheele mand aan.„We zullen straks aan land gaan en eens zien, wat we daar vinden”, zei Bontekoe. Toen begaf hij zich met den koopman en den opperstuurman naar de kajuit. De maats kenden hun ouwe; ze wisten wel, waarom hij hen thans alleen liet: Bontekoe gunde zijn jongens wel een ongestoord pretje; hij wist, dat allen er naar hunkerden om aan het handeldrijven te slaan. En de heeren hadden hun hielen dan ook nog niet gelicht, of de oomes trachtten hun koperen knoppen, schroeven, oude tinnen deksels, opgepoetste duiten en kralen aan den man te brengen. Al gauw zag je den een met een mand kippen wegsjouwen, den ander de armen vol meloenen.….Toen de eerste kooplust, die zijn oorzaak eerder vond in de verveling der laatste dagen dan in werkelijke behoefte, gebluscht was, besloten de oomes tot een pretje. Ze wierpen het touw, waarlangs hun bezoeker naar boven was geklauterd, weer over de verschansing, wachtten, tot er zich een half dozijn zwartjes had ingewerkt, en trokken het toen buiten het bereik der anderen,—een daad, die de achtergeblevenen met oprechte verontwaardiging vervulde. Een, die juist nog het slipje grijpen kon, viel door den ruk van het onverwachts optrekken als een rijpe kokosnoot omlaag, boven op de hoofden van zijn makkers.De anderen waren als aapjes naar boven geklauterd. Ze grinnikten; hun bewegelijke tong stokte een oogenblik; ze wisselden een enkel woord, stootten mekaar aan en schenen alles wat[207]ze zagen, vrij bespottelijk te vinden. En toen hun het eerst aan boord gekomen makker de rinkelbel, waarvan hij intusschen de gelukkige bezitter was geworden, deed rammelen, lieten allen hun mond openvallen, luisterden met glanzende oogen en maakten bewegingen, als wilden ze gaan dansen. De bootsman liet den Schele een groote schaal Spaanschen wijn brengen en voor hen neerzetten. Dat zouden ze wel lusten!Maar de zwartjes waren wantrouwend. Er werden heel wat woorden aan gewijd, vóór er een bij de schaal neerknielde, haar voorzichtig betastte en daarop zijn lippen in het vocht doopte. Hij keek blij-verwonderd weer op, smakte met de tong en stak toen onvervaard weer zijn mond, ja, zijn neus er bij, in den zoeten drank. Dat was het teeken voor de anderen. Ze sprongen aan alle kanten om de schaal, duwden elkaar op zij, knorrend als varkens voor een trog, smakkend en slurpend.„Je reinste zwijnetroep!” meenden de maats, en enkelen schonken grinnikend bij, toen de schaal leeg werd. Geen der zwartjes wilde daarbij op zij gaan,—bevreesd zijn goede plaats te zullen verliezen. En de schenkende oomes hadden werk om tusschen de gekroesde bollen een gaatje te vinden, waardoor ze den wijn konden gieten.Eindelijk hield de bootsman het voor welletjes. De drinkebroers likten het laatste druppeltje uit de schaal, keken elkaar met blinkende oogen aan en begonnen toen te lachen, te lachen, dat de[208]tranen hun over de wangen biggelden! Ja, ze moesten zich aan elkaar vastklemmen om van al het lachen niet op het dek te ploffen. Hun vroolijkheid werkte aanstekelijk: slechts weinige oomes bleven zuur kijken over het verkwisten van den wijn. En toen de mannen, wier wijsheid in de kan lag, elkaar om het middel pakten en schreeuwend, duimknippend rondhosten, moesten de oomes zich den buik vasthouden.Tegen de schemering ging men met beide booten aan land. Op het vlakke strand wachtte een groep van wel honderd inboorlingen met runderen en schapen en manden met kippen, fazanten, boschhoenderen, duiven, kleurige vruchten.….Een levendige handel begon. Floorke ruilde zijn knipmes in tegen vijftig kippen, waarvoor hij wel een hokkie zou timmeren, een mooi hokkie, dat onder z’n kooi kon staan. En elken dag zou hij eitjes en kip eten. Bolle kocht voor een spiegeltje en een duveltje-in-een-doosje een zware melkkoe voor de kombuis. Ook Harmen deed geen slechten koop: hij ruilde een paar koperen knoopen tegen een mand fijne meloenen en twee dozijn fazanten.DeNieuw-Hoornbeloofde een tweede arke Noachs te zullen worden.De barbier kocht voor een opgepoetst brillemontuur den ganschen medicijn voorraad en de bezweringswerktuigen van een toovenaar op, die met den glasloozen bril op zijn bruinen neus stellig niet aan ontzag bij zijn stamgenooten inboette en overtuigd was met behulp van dit geleerd uitziende brilgeraamte alle ziekten en kwade geesten te zullen verdrijven. Rolf nam een der inboorlingen, die zijn waren reeds aan den man gebracht had, ter zijde en wees vragend op het kleedje, dat deze om het middel droeg.„Lamba”, zeide man aarzelend.„Lamba”, zei Rolf hem na, haalde een leitje uit zijn zak en schreef het woord op. Toen ontdeed onze jonge vriend zich van zijn gordelriem en legde dien voor den inboorling neer. Deze bekeek vol aandacht den blinkenden gesp van den riem, bond toen na eenige aarzeling het vezeltouw los, dat zijn lamba ophield, en stond het kleedingstuk aan Rolf af. Met een vragend[209]gezicht nam de inlander den riem aan, wreef den gesp tegen de bruine wangen en stelde daarop vergeefsche pogingen in het werk om zich den riem om het middel te bevestigen. Rolf hielp hem een handje, deed het hem zoo vaak voor, tot hij zichzelf bedienen kon. Uit dankbaarheid knoopte het zwartje Rolf den lamba om, en de oomes schudden van den lach.Ook Hajo deed dien middag een zeer voordeeligen ruil. Hij zette Truitje’s schaartje om in een grooten, sterken boog met een mooi besneden, gevulden pijlenkoker. De nieuwe eigenaar van het schaartje knipte wat hij maar knippen kon: zijn nagels, zijn haren, zijn wenkbrauwen.…. En ook Hajo verheugde zich in zijn koop. Hij plaatste op het strand een schijf: een op een stok geprikten meloen, en deed enkele dagen lang niets anders dan schieten. De bewoners van Sante Marie vielen bijkans om van verbazing, dat een witte man zoo slecht met pijl en boog omging. Maar Hajo zette door, gunde zich nauwelijks tijd tot eten. En den derden dag zat schot op schot. Toen ging hij als een echte inboorling met pijl en boog op jacht en kwam met drie boschhoentjes terug, die dubbel zoo lekker smaakten als gewone gekochte, tamme kippen,—al waren die misschien wat minder taai.Padde bejammerde in lange weeklachten zijn koffiemolen, die voor Texel door het zilte nat was opgeslokt. Padde zou er thans, naar zijn overtuiging, wonderen mee hebben verricht.Alles bij elkaar scheen het eiland echter niet zoo heel veel op te leveren, wat niet te verwonderen was, want na een smalle strandzone klom de bodem steil, in enge terrassen omhoog en ging spoedig in een kaal, onvruchtbaar bergplateau over.Enkele minuten gaans het land in lag te midden van kokosboomen een dorpje. De uit bamboe gevlochten wanden der lage, met bladeren afgedekte hutten hadden maar één doorgang. Bij nadere beschouwing bleek alles even smerig te zijn; de grond onder en rond de huizen was één mestvaalt. In de modder speelden poedelnaakte peuters vertrouwelijk met honden en aapjes. Maar toen de oomes binnen de palmen-omheining traden, ontstond er in die kleine, vreedzame wereld een ware paniek. De aapjes zochten ijlings hun heil in de boomen; de honden sloten zich aaneen en keften woedend tegen de oomes,[210]daarbij echter een afstand bewarend, die een duidelijk licht wierp op hun aangeboren voorzichtigheid; de kinderen vluchtten de huizen in. En een, die nog wat klein was om zich zelfstandig uit de voeten te maken, bleef met verschrikte oogen, een modderkluit in beide bruine knuistjes, zitten en zette een keel op, alsof heel Sante Marie in gevaar was. Een der vluchtende kereltjes kwam haastig terug, tilde, met een schuwen blik naar de oomes, zijn hulpeloos kameraadje van den grond en verdween er mee, zoo vlug zijn beenen hem dragen konden.Geen enkele vrouw liet zich zien; de deuren werden haastig gesloten,—slechts hier en daar gluurden verschrikte gezichten.„Jammer!” zei Floorke. „Ik had ook de vrouwen wel graag eens gezien.”„Heb dan nog even geduld”, zei Harmen, „ik ben temet weer terug!” En hij maakte beenen in de richting van de booten. De maats begrepen nog wel niet wat Harmen in zijn schild voerde, maar in elk geval besloten ze even te wachten. Harmen was zoo’n rare! Je wist nooit, waarmee hij nog op de proppen kwam.Daar kwam Harmen terug.…. met z’n fiedel! En nu herhaalde zich de geschiedenis van den Hamelschen rattenvanger. Nauwelijks trippelden de eerste klanken de lucht in, of hier en daar opende zich voorzichtig, heel voorzichtig een deur, en een donker meisjeskopje gluurde naar den fiedelaar. De zwartjes, die rond de oomes stonden, konden hun beenen niet stilhouden; ze begonnen om den muzikant heen te dansen, knipten met duim en vingers, of klapten, heupenwiegelend, in de handen. Daar kwamen de vrouwen en meisjes, al even primitief gekleed als de mannen, schoorvoetend naar buiten. En achter moeders rok, juist als alle andere kinderen op de wereld, de poedelnaaktedreumesenmet hun slanke ruggetjes en kogelronde buikjes; ze sperden den mond zoo ver open, dat men er een vuist in stoppen kon.Harmen fiedelde! „Beginnen jullie vast te dansen!” riep hij den oomes toe, „dan doen de meissies het vanzelf!”De oomes dansten. Ze sloegen de handen ineen, maakten samen met de grinnikende inboorlingen een kring rond de groep vrouwen en meisjes, die ingesloten waren, vóór ze het wisten,[211]en toen hosten de janmaats zoo wat rond, met groote sprongen. Bij Harmens melodie zongen ze:„Zeg, nonnetjes, wilt ge gaan dansen?Wij zullen u geven een ei!”Daar trachtte een meisje te ontvluchten. Maar ze had een gevaarlijke plaats gekozen! Toen ze onder Floorke en Gerretje’s armen door wilde hollen, pakten de beide jongens van stavast haar bij de hand, en ze moest mee dansen, of ze wilde of niet! De andere meisjes hadden schik en trachtten nu ook te vluchten. Verdikkoppe, nou had Floorke, die geluksvogel, aan z’n andere hand óók al ’n meissie! Harmen werd het te machtig: hij duwde Hajo de viool in de handen en rustte niet, vóór ook hij aan beide zijden een aardig meisje had en meedanste op de wijsjes, die Hajo nu aan het instrument ontlokte.Padde stond ter zijde, zonder te vermoeden, dat er juist een samenzwering tegen hem op touw werd gezet: de Neus en Gerretje, die elkaar bij de hand hielden, lieten plotseling los, en Padde stond midden in den kring. Beschaamd wilde hij zich een uitweg banen, maar nu greep Harmen hem beet, en zoo danste Padde tegen wil en dank mee, tusschen Harmen en een allerliefst Sante Mariesch meisje.….Tropisch dorp onder klapperboomen.[212]
Padde verklaarde ronduit, dat hij het hier een beestachtig land vond en per slot van rekening nog meer van de zee hield. Voor zijn part voeren ze op staanden voet verder.
Maar Padde moest zijn varensdrang nog drie volle weken geweld aan doen. Men teerde het schip van binnen en van buiten, zette alle poorten open en besprengde de planken vloer met azijn,—alles om een gezonde, frissche lucht in deNieuw-Hoornte krijgen. Terwijl een groot deel der bemanning zich zingend met dit werkje bezighield, waren anderen aan het drogen van visch, die ze aan lange lijnen in de zon hingen; verder had men de handen vol met het inleggen van ganzen in azijn en met het aan boord hijschen van levende schildpadden, waarvoor op het dek een groote bak zeewater werd geplaatst. Als voedsel voor deze dieren verzamelde men talrijke bollen zeegras, welke op het strand voor het grijpen lagen.1
Harmen, Hajo en Rolf maakten zich verdienstelijk door een groot hok te timmeren voor de gekortwiekte ganzen en duiven, die nu nog overal het dek bevuilden.
Gerrit keek aanvankelijk sprakeloos, ontzet en met van verbazing schuin gelegden kop naar het kale gedrocht, dat zijn[201]meester hem tot gezelschap had beschoren. Waarschijnlijk om eens te onderzoeken van wat voor stof zijn nieuwe kameraad vervaardigd was, begon hij er mee, hem een stevigen pik toe te deelen. Maar dat kwam hem duur te staan: tot straf hield Hajo hem even onder water,—iets waaraan Gerrit geweldig het land had. Hij beschouwde den indringer als den schuldige aan deze onderdompeling, draaide hem vol minachting den staart toe en plukte zich met een overkropt gemoed de natte veeren terecht, toen hij zag, dat Hajo het naakte monster allerlei lekkere brokjes voorhield.
Dankbaar was het beestje niet: het vertikte ’t, den snavel te openen. En Hajo zag er ook geen kans toe: het resultaat na lang wikken was, dat onze vriend een fermen beet opliep.
„Als hij maar eerst honger krijgt!” troostte Hajo zich zelf. „Morgen zal hij wel anders praten!” Hij stopte beide vogels in de koperen kooi, ten einde ze aan elkaar te doen wennen. Doch daar Hajo vreesde, dat er aan de vriendschap een al te duidelijke wederzijdsche uiteenzetting vooraf zou kunnen gaan, schoof hij een plankje tusschen de toekomstige levensgezellen. Gerrit, verwend door het vrije leven van den laatsten tijd, stak den kop tusschen de veeren telkens wanneer zijn meester naderde. En de jonge roodstaart blikte met wezenlooze oogen rond en hield den bek zoo stevig dicht, als verdacht hij er Hajo van, hem vergift te willen toedienen.
„Je moet slim zijn”, raadde Harmen. „Kietel hem eens onder z’n buik, en als ie dan woest wordt en z’n bek open doet om te bijten, douw je er gauw een pisang in!”
„’t Helpt toch niets!” zuchtte Hajo. „Als hij morgen nog niet vreet, breng ik hem terug. Ik had anders al een naam voor hem. Ik wou hem Joppie noemen. Net als.…. weet je wel?”
Harmen knikte. „Of ik ’t weet.….!”
In den namiddag begon het diertje zacht te kreunen,—zoo om het half uur een droevig geluidje. Hajo kon het niet aanhooren en besloot z’n „papegaai” den volgenden morgen weer terug te brengen. Maar.…. ook Gerrit was er door getroffen! Toen Joppie voor de eerste maal kreunde, haalde Gerrit beduusd zijn halfverslapen kop uit de veeren en luisterde minuten lang. Toen stak hij zijn kop weer weg en wilde zijn dommeling[202]voortzetten. Even later herhaalde zich het spelletje. Nog eens. Gerrit raakte overstuur, sprong wat in zijn kooi rond en wilde een slokje water nemen om zich moed in te drinken, toen Joppie opnieuw kreunde. Gerrit verslikte zich in zijn lafenis, begon aan een lange overpeinzing. Als Gerrit aan het peinzen sloeg, viel hij gewoonlijk spoedig in slaap, maar ditmaal kwam hij, al peinzende, tot een besluit. Hij wette zijn snavel, draaide den hals een weinig los, zette zich schrap en gaf een fermen mep tegen het plankje. Verdikke, dat zat stevig vast! Nog maar eens! Daar vloog een splintert je weg. Gerrit begon schik in de zaak te krijgen. Hij hakte, wette zijn snavel weer eens, hakte onvermoeid. En eindelijk.…. Ka! riep Gerrit. De jongens, die al in hun tent lagen, hoorden het.
„Gerrit krijgt het op z’n zemelen”, meende Padde.
Maar Hajo ging eens kijken. Vlak er op kwam hij al weer terug, opgewonden, met een stralend gelaat. „Kom eens gauw! Gerritvoerthem!”
De knapen kropen naar buiten en geloofden hun oogen niet. Gerrit stak door een gat, dat op geheimzinnige wijze in het planken schotje gekomen was, zijn zwarten snavel en reikte Joppie een stukje banaan. „Hap!” zei Joppie en liet het door zijn keelgat schieten. Hajo stond te springen van plezier. „Dàt is me nog er eens een kraai!”
„We kunnen nu het plankje wel wegnemen”, meende Rolf.
Maar hier was Hajo op bekend terrein. „Daarmee zouden we alles weer bederven!” riep hij uit. „Gerrit denkt natuurlijk, dat Joppie een jonge kraai is! Het is juist goed, dat hij hem niet zien kan!”
„Dan zal hij wel raar opkijken, als je op ’n goeien dag het schot wegneemt, als Joppie zich zelf bedienen kan en dan natuurlijk ook al flink in z’n papegaaienveeren steekt!” lachte Rolf.
„Gommenikkie nou!” grinnikte Padde.
Zoo groeide Joppie, door Gerrit met teedere zorgen omringd, tot een wolk van een papegaai op. Joppie scheen ook van zijn kant belangstelling te koesteren voor zijn trouwen verzorger: hij gluurde door het gat en begon er aan te knagen.[203]En op een goeden morgen vonden de jongens ze als twee ouwe vrienden naast elkaar op Gerrits stokje, net bruid en bruidegom: Joppie in fleurig grijs en rood, verliefd zijn kop draaiend, Gerrit ernstig, bedaard in zijn stemmig zwart. Toen zette Hajo de kooi open.
Kraai en papegaai.
Met een vreugdekreet wipte Gerrit naar buiten. Joppie volgde hem op den voet, plofte met veel vleugelmisbaar en geschreeuw op den grond. Maar Gerrit, wiens gekorte vleugels al lang waren aangegroeid, gaf vliegles, en Joppie bleek een goed leerling, al zou hij nooit zoo bevallig en vol zwier weten neer te strijken als een Hollandsche torenkraai. Zag je Joppie, dan zag je Gerrit; zag je Gerrit, dan zag je Joppie. Ze deelden al wat eetbaar was: bananen, bessen.…. Alleen voor wurmen toonde Joppie een innigen afkeer: zelfs de fijnste en vetste blauwkop, dien Gerrit offreerde, was niet in staat hem te doen toehappen. Gerrit spalkte van verbazing den snavel open, schudde zijn wijzen bol en nam den wurm alleen voor zijn rekening.
Eindelijk kwam de dag van vertrek. De watervaten werden binnen boord gehaald, de zeilen weer aan de kale ra’s geslagen. Een tamboer ging aan land en trommelde van heinde en ver het volk bijeen. De zieken waren genezen—op zeven na, die met bedroefde gezichten aan boord kwamen.
Tegen vier uur in den middag ratelden de ankerspillen. Langzaam zeilde deNieuw-Hoornde baai uit, aandachtig nagekeken door een rozerood eskadron flamingo’s.
Men hoopte morgen, nog voor zonsopgang, Mauritius te bezeilen.
De wind was gunstig.
Maar den volgenden morgen wachtte een teleurstelling: men had den koers niet zuiver genomen; het eiland lag boven den wind, en men kon er naar kijken, maar aankomen niet. Wat nu te doen? Bontekoe durfde de groote, onafgebroken reis door den Indischen Oceaan niet aan, zoolang niet al het volk gezond was. Er werd besloten, den koers te richten naar het eilandje[204]Sante Marie, dat vlak bij Madagascar, tegenover de groote Antongil-baai ligt. De zeilen werden omgehaald; vol spanning zag men de toekomst tegemoet.
Het weer bleef gunstig; de zee lichtte ’s nachts, alsof ze louter vuur was, en overdag was de hemel zoo lokkend blauw, dat de bruinvisschen, om er ook wat van te zien, ellen hoog uit het water opsprongen.
Na een kleine week zeilens kreeg men Sante Marie in het zicht. Men voer Westelijk het eiland om; het schietlood wees zes tot zeven en acht vadem. Zoo helder was het water, dat men den bodem zien kon. Tegen den middag werd een geschikte ligplaats gevonden aan de binnenzijde van het eiland, op twaalf tot dertien vadem goeden ankergrond. En nauwelijks had men de zeilen ingebonden, toen van de vlakke kust drie prauwtjes naderden vol bruine lichamen! De maats beijverden zich uit hun kisten spiegeltjes en kralen, lepels, messen met koperen heft en allerlei andere snuisterijen op te diepen. Toen snelden ze weer het dek op, de zakken vol ruilmateriaal.
Intusschen waren de prauwtjes vlak bijgekomen. Er steeg een heidensch kabaal uit op; ieder der roeiers scheen zich admiraal over de geheele vloot te voelen en deelde naar alle zijden bevelen uit, die niemand opvolgde. De roeiers zaten met het gelaat naar den voorsteven en, in plaats van twee riemen, hadden ze in hun bruine knuisten slechts één aan weerszijden afgeplatte spaan, die ze beurtelings links en rechts door het water trokken.
Floorke luchtte z’n „vloeiend” Maleisch weer. „Heila!” riep hij, „hebben jullie eten?Makan? Nassi? Klappa? Pisang?”
„Koeklekoe!” schreeuwden de inboorlingen en hielden manden met kippen omhoog.
„Zie je wel, dat ze me verstaan?” zei Floorke, terwijl hij zegevierend omkeek.
Bontekoe was uit de kajuit gekomen en keek glimlachend naar de luidruchtige bruintjes. „Gooi maar eens een touw uit, jongens, en haal zoo’n sinjeur naar boven.”
Een touw vloog over de verschansing. Als snoeken schoten de prauwtjes er op af. En toen werd er om gevochten, wie het eerst naar boven zou gaan. Ten slotte wist een der bruintjes zich,[205]na twee schreeuwende makkers in het zilte nat te hebben ondergedompeld, vast te grijpen, en werd toen ook maar meteen door de oomes naar boven getrokken, want voorloopig bedankte men er voor, het heele schip vol van die gasten te hebben.
Het was een prachtig gebouwde kerel, die op het dek sprong. Geheel naakt, op een kleedje om het middel na, zwart, gekroesd haar, een matte, olijfkleurige huid, de borst en schouders getatoeëerd. Hij keek een oogenblik met grenzeloos verbaasde oogen rond en begon toen te lachen. Floorke diepte een spiegeltje op en hield het den bruinen gast voor den neus. De lach verstomde om ’s mans gelaat; hij gluurde achter het spiegeltje, toen weer er in, vond het daarop raadzaam wat uit de buurt te gaan en bespiedde wantrouwend Floorke’s grijnzend bakkes. „Kun je krijgen!” zei Floorke. „Maar dan moet je onsmakangeven!” En Floorke maakte heftige kauwbewegingen. Toen kwam Padde met Truitje’s rinkelbel aanzetten en tooverde daarmee weer een glimlach op het bruine gelaat. De mond viel van bewondering open; een rij tanden van het zuiverste ivoor vertoonde zich, gevat in rozerood tandvleesch, en de zwarte, glinsterende oogen wierpen begeerige blikken op de mooi opgepoetste rinkelbel. „Kun je krijgen!” zei Padde, naar Floorke’s voorbeeld. „Maar dan moet ikmakanhebben!” En ook Padde sloeg aan het kauwen.
De man boog zich over de verschansing tot zijn makkers over, wier gedachtenwisseling allengs tot een werkelijk heidensch tumult was aangegroeid. Toen ze zijn bol zagen verschijnen, zwegen allen als met een tooverslag, want niemand wilde een woord missen van wat hun in deze zaak meer ervaren kameraad hun zou mededeelen. Hij had heel wat op z’n lever. De klanken rolden als een waterval uit zijn mond; hij schreeuwde, alsof zijn heele stam potdoof was en praatte bovendien nog met armen, beenen en vingers. Toen hij zijn redevoeringgeëindigdhad, diende men hem met dezelfde breedsprakigheid van antwoord. Daarop werden mandjes en korven omhooggeheven, begeleid door een gebulk, dat aan het loeien van een koe deed denken. Van den wal naderden nieuwe prauwtjes, beladen met meloenen, appelen en rijst. Zoo snel werden ze door het water gejaagd, dat het schuim wel een el hoog langs den boeg opscheerde.[206]
De oomes lieten een lijntje neer. Hun gast op het dek lichtte een en ander luidruchtig en breedvoerig toe, en na lang redekavelen werd een mand met enkele eetwaren—waaronder een vastgebonden, schreeuwende, witte haan—aan het lijntje gebonden. Men haalde de lijn in, maar de bewoner van Sante Marie nam onmiddellijk een beschermende houding over de mand aan en maakte een gebaar, dat aan duidelijkheid niets te wenschen overliet: eerst betalen!
en viel als een rijpe kokosnoot omlaag....en viel als een rijpe kokosnoot omlaag.…
en viel als een rijpe kokosnoot omlaag.…
„Hier zijn al vaker blanken geweest!” merkte Bontekoe glimlachend op. „Kom, nu zullen we eens gaan loven en bieden!” En hij liet Hilke een paar tinnen lepels halen. Die vielen in den smaak! Zonder lang talmen bood onze bruine vriend in ruil voor de lepels de geheele mand aan.
„We zullen straks aan land gaan en eens zien, wat we daar vinden”, zei Bontekoe. Toen begaf hij zich met den koopman en den opperstuurman naar de kajuit. De maats kenden hun ouwe; ze wisten wel, waarom hij hen thans alleen liet: Bontekoe gunde zijn jongens wel een ongestoord pretje; hij wist, dat allen er naar hunkerden om aan het handeldrijven te slaan. En de heeren hadden hun hielen dan ook nog niet gelicht, of de oomes trachtten hun koperen knoppen, schroeven, oude tinnen deksels, opgepoetste duiten en kralen aan den man te brengen. Al gauw zag je den een met een mand kippen wegsjouwen, den ander de armen vol meloenen.….
Toen de eerste kooplust, die zijn oorzaak eerder vond in de verveling der laatste dagen dan in werkelijke behoefte, gebluscht was, besloten de oomes tot een pretje. Ze wierpen het touw, waarlangs hun bezoeker naar boven was geklauterd, weer over de verschansing, wachtten, tot er zich een half dozijn zwartjes had ingewerkt, en trokken het toen buiten het bereik der anderen,—een daad, die de achtergeblevenen met oprechte verontwaardiging vervulde. Een, die juist nog het slipje grijpen kon, viel door den ruk van het onverwachts optrekken als een rijpe kokosnoot omlaag, boven op de hoofden van zijn makkers.
De anderen waren als aapjes naar boven geklauterd. Ze grinnikten; hun bewegelijke tong stokte een oogenblik; ze wisselden een enkel woord, stootten mekaar aan en schenen alles wat[207]ze zagen, vrij bespottelijk te vinden. En toen hun het eerst aan boord gekomen makker de rinkelbel, waarvan hij intusschen de gelukkige bezitter was geworden, deed rammelen, lieten allen hun mond openvallen, luisterden met glanzende oogen en maakten bewegingen, als wilden ze gaan dansen. De bootsman liet den Schele een groote schaal Spaanschen wijn brengen en voor hen neerzetten. Dat zouden ze wel lusten!
Maar de zwartjes waren wantrouwend. Er werden heel wat woorden aan gewijd, vóór er een bij de schaal neerknielde, haar voorzichtig betastte en daarop zijn lippen in het vocht doopte. Hij keek blij-verwonderd weer op, smakte met de tong en stak toen onvervaard weer zijn mond, ja, zijn neus er bij, in den zoeten drank. Dat was het teeken voor de anderen. Ze sprongen aan alle kanten om de schaal, duwden elkaar op zij, knorrend als varkens voor een trog, smakkend en slurpend.
„Je reinste zwijnetroep!” meenden de maats, en enkelen schonken grinnikend bij, toen de schaal leeg werd. Geen der zwartjes wilde daarbij op zij gaan,—bevreesd zijn goede plaats te zullen verliezen. En de schenkende oomes hadden werk om tusschen de gekroesde bollen een gaatje te vinden, waardoor ze den wijn konden gieten.
Eindelijk hield de bootsman het voor welletjes. De drinkebroers likten het laatste druppeltje uit de schaal, keken elkaar met blinkende oogen aan en begonnen toen te lachen, te lachen, dat de[208]tranen hun over de wangen biggelden! Ja, ze moesten zich aan elkaar vastklemmen om van al het lachen niet op het dek te ploffen. Hun vroolijkheid werkte aanstekelijk: slechts weinige oomes bleven zuur kijken over het verkwisten van den wijn. En toen de mannen, wier wijsheid in de kan lag, elkaar om het middel pakten en schreeuwend, duimknippend rondhosten, moesten de oomes zich den buik vasthouden.
Tegen de schemering ging men met beide booten aan land. Op het vlakke strand wachtte een groep van wel honderd inboorlingen met runderen en schapen en manden met kippen, fazanten, boschhoenderen, duiven, kleurige vruchten.….
Een levendige handel begon. Floorke ruilde zijn knipmes in tegen vijftig kippen, waarvoor hij wel een hokkie zou timmeren, een mooi hokkie, dat onder z’n kooi kon staan. En elken dag zou hij eitjes en kip eten. Bolle kocht voor een spiegeltje en een duveltje-in-een-doosje een zware melkkoe voor de kombuis. Ook Harmen deed geen slechten koop: hij ruilde een paar koperen knoopen tegen een mand fijne meloenen en twee dozijn fazanten.
DeNieuw-Hoornbeloofde een tweede arke Noachs te zullen worden.
De barbier kocht voor een opgepoetst brillemontuur den ganschen medicijn voorraad en de bezweringswerktuigen van een toovenaar op, die met den glasloozen bril op zijn bruinen neus stellig niet aan ontzag bij zijn stamgenooten inboette en overtuigd was met behulp van dit geleerd uitziende brilgeraamte alle ziekten en kwade geesten te zullen verdrijven. Rolf nam een der inboorlingen, die zijn waren reeds aan den man gebracht had, ter zijde en wees vragend op het kleedje, dat deze om het middel droeg.
„Lamba”, zeide man aarzelend.
„Lamba”, zei Rolf hem na, haalde een leitje uit zijn zak en schreef het woord op. Toen ontdeed onze jonge vriend zich van zijn gordelriem en legde dien voor den inboorling neer. Deze bekeek vol aandacht den blinkenden gesp van den riem, bond toen na eenige aarzeling het vezeltouw los, dat zijn lamba ophield, en stond het kleedingstuk aan Rolf af. Met een vragend[209]gezicht nam de inlander den riem aan, wreef den gesp tegen de bruine wangen en stelde daarop vergeefsche pogingen in het werk om zich den riem om het middel te bevestigen. Rolf hielp hem een handje, deed het hem zoo vaak voor, tot hij zichzelf bedienen kon. Uit dankbaarheid knoopte het zwartje Rolf den lamba om, en de oomes schudden van den lach.
Ook Hajo deed dien middag een zeer voordeeligen ruil. Hij zette Truitje’s schaartje om in een grooten, sterken boog met een mooi besneden, gevulden pijlenkoker. De nieuwe eigenaar van het schaartje knipte wat hij maar knippen kon: zijn nagels, zijn haren, zijn wenkbrauwen.…. En ook Hajo verheugde zich in zijn koop. Hij plaatste op het strand een schijf: een op een stok geprikten meloen, en deed enkele dagen lang niets anders dan schieten. De bewoners van Sante Marie vielen bijkans om van verbazing, dat een witte man zoo slecht met pijl en boog omging. Maar Hajo zette door, gunde zich nauwelijks tijd tot eten. En den derden dag zat schot op schot. Toen ging hij als een echte inboorling met pijl en boog op jacht en kwam met drie boschhoentjes terug, die dubbel zoo lekker smaakten als gewone gekochte, tamme kippen,—al waren die misschien wat minder taai.
Padde bejammerde in lange weeklachten zijn koffiemolen, die voor Texel door het zilte nat was opgeslokt. Padde zou er thans, naar zijn overtuiging, wonderen mee hebben verricht.
Alles bij elkaar scheen het eiland echter niet zoo heel veel op te leveren, wat niet te verwonderen was, want na een smalle strandzone klom de bodem steil, in enge terrassen omhoog en ging spoedig in een kaal, onvruchtbaar bergplateau over.
Enkele minuten gaans het land in lag te midden van kokosboomen een dorpje. De uit bamboe gevlochten wanden der lage, met bladeren afgedekte hutten hadden maar één doorgang. Bij nadere beschouwing bleek alles even smerig te zijn; de grond onder en rond de huizen was één mestvaalt. In de modder speelden poedelnaakte peuters vertrouwelijk met honden en aapjes. Maar toen de oomes binnen de palmen-omheining traden, ontstond er in die kleine, vreedzame wereld een ware paniek. De aapjes zochten ijlings hun heil in de boomen; de honden sloten zich aaneen en keften woedend tegen de oomes,[210]daarbij echter een afstand bewarend, die een duidelijk licht wierp op hun aangeboren voorzichtigheid; de kinderen vluchtten de huizen in. En een, die nog wat klein was om zich zelfstandig uit de voeten te maken, bleef met verschrikte oogen, een modderkluit in beide bruine knuistjes, zitten en zette een keel op, alsof heel Sante Marie in gevaar was. Een der vluchtende kereltjes kwam haastig terug, tilde, met een schuwen blik naar de oomes, zijn hulpeloos kameraadje van den grond en verdween er mee, zoo vlug zijn beenen hem dragen konden.
Geen enkele vrouw liet zich zien; de deuren werden haastig gesloten,—slechts hier en daar gluurden verschrikte gezichten.
„Jammer!” zei Floorke. „Ik had ook de vrouwen wel graag eens gezien.”
„Heb dan nog even geduld”, zei Harmen, „ik ben temet weer terug!” En hij maakte beenen in de richting van de booten. De maats begrepen nog wel niet wat Harmen in zijn schild voerde, maar in elk geval besloten ze even te wachten. Harmen was zoo’n rare! Je wist nooit, waarmee hij nog op de proppen kwam.
Daar kwam Harmen terug.…. met z’n fiedel! En nu herhaalde zich de geschiedenis van den Hamelschen rattenvanger. Nauwelijks trippelden de eerste klanken de lucht in, of hier en daar opende zich voorzichtig, heel voorzichtig een deur, en een donker meisjeskopje gluurde naar den fiedelaar. De zwartjes, die rond de oomes stonden, konden hun beenen niet stilhouden; ze begonnen om den muzikant heen te dansen, knipten met duim en vingers, of klapten, heupenwiegelend, in de handen. Daar kwamen de vrouwen en meisjes, al even primitief gekleed als de mannen, schoorvoetend naar buiten. En achter moeders rok, juist als alle andere kinderen op de wereld, de poedelnaaktedreumesenmet hun slanke ruggetjes en kogelronde buikjes; ze sperden den mond zoo ver open, dat men er een vuist in stoppen kon.
Harmen fiedelde! „Beginnen jullie vast te dansen!” riep hij den oomes toe, „dan doen de meissies het vanzelf!”
De oomes dansten. Ze sloegen de handen ineen, maakten samen met de grinnikende inboorlingen een kring rond de groep vrouwen en meisjes, die ingesloten waren, vóór ze het wisten,[211]en toen hosten de janmaats zoo wat rond, met groote sprongen. Bij Harmens melodie zongen ze:
„Zeg, nonnetjes, wilt ge gaan dansen?Wij zullen u geven een ei!”
„Zeg, nonnetjes, wilt ge gaan dansen?
Wij zullen u geven een ei!”
Daar trachtte een meisje te ontvluchten. Maar ze had een gevaarlijke plaats gekozen! Toen ze onder Floorke en Gerretje’s armen door wilde hollen, pakten de beide jongens van stavast haar bij de hand, en ze moest mee dansen, of ze wilde of niet! De andere meisjes hadden schik en trachtten nu ook te vluchten. Verdikkoppe, nou had Floorke, die geluksvogel, aan z’n andere hand óók al ’n meissie! Harmen werd het te machtig: hij duwde Hajo de viool in de handen en rustte niet, vóór ook hij aan beide zijden een aardig meisje had en meedanste op de wijsjes, die Hajo nu aan het instrument ontlokte.
Padde stond ter zijde, zonder te vermoeden, dat er juist een samenzwering tegen hem op touw werd gezet: de Neus en Gerretje, die elkaar bij de hand hielden, lieten plotseling los, en Padde stond midden in den kring. Beschaamd wilde hij zich een uitweg banen, maar nu greep Harmen hem beet, en zoo danste Padde tegen wil en dank mee, tusschen Harmen en een allerliefst Sante Mariesch meisje.….
Tropisch dorp onder klapperboomen.
[212]
1Indien de maats wat beter met het zonderlinge leven der zee-schildpadden bekend waren geweest, zouden ze geweten hebben, dat die eigenaardige ronde bollen gras door de schildpadden zelf vervaardigd worden en vergaard. Schildpadjagers van beroep zoeken die „opslagplaatsen” en wachten daar, tot de gepantserde kolossen het strand komen opkruipen.↑
1Indien de maats wat beter met het zonderlinge leven der zee-schildpadden bekend waren geweest, zouden ze geweten hebben, dat die eigenaardige ronde bollen gras door de schildpadden zelf vervaardigd worden en vergaard. Schildpadjagers van beroep zoeken die „opslagplaatsen” en wachten daar, tot de gepantserde kolossen het strand komen opkruipen.↑
1Indien de maats wat beter met het zonderlinge leven der zee-schildpadden bekend waren geweest, zouden ze geweten hebben, dat die eigenaardige ronde bollen gras door de schildpadden zelf vervaardigd worden en vergaard. Schildpadjagers van beroep zoeken die „opslagplaatsen” en wachten daar, tot de gepantserde kolossen het strand komen opkruipen.↑
1Indien de maats wat beter met het zonderlinge leven der zee-schildpadden bekend waren geweest, zouden ze geweten hebben, dat die eigenaardige ronde bollen gras door de schildpadden zelf vervaardigd worden en vergaard. Schildpadjagers van beroep zoeken die „opslagplaatsen” en wachten daar, tot de gepantserde kolossen het strand komen opkruipen.↑