SALEIMAN EN ZIJN FLUIT

[Inhoud]SALEIMAN EN ZIJN FLUITZeemeeuw.De jongens werden door een soort vuur-koorts bevangen: ze sleepten zooveel hout bijeen, als moest er een brandstapel worden opgericht. En toen in den ingang het vuur hoog oplaaide, gingen ze dieper in het hol gezelsen. Hè, hoe veilig voelde je je achter dien wand van vuur! Ook Padde werd door de behagelijke warmte verkwikt. Hijgend lag hij te staren naar de spookachtige schimmen tegen den achterwand van het hol.Dolimah keek droomend in de vlammen. Toen opeens begon ze weer te vertellen, en de jongens luisterden er naar zooals ze naar muziek zouden hebben geluisterd. „Behalve in de bergen, was er vroeger op de aarde geen vuur. De menschen wisten niet, hoe het op te wekken en kenden er de macht niet van. Nu was er eens een arme man, die zoo vroom leefde, dat de geesten medelijden met hem kregen. Hij sliep altijd op de steenen en offerde zijn laatste bete. Nu zeiden de geesten tot hem: „Omdat je zoo vroom bent geweest, zullen we je tot den rijksten van alle menschen maken. Wij zullen je hetvuurgeven.”—„Het vuur?” vroeg de vrome man verbaasd, „wat is dat?”—„Dat zul je wel zien”, antwoordden de geesten. „Je hebt niets anders te doen dan twee stukjes bamboe tegen elkaar te tikken—en er deze tooverspreuk bij te zeggen.” En de geesten noemden de tooverspreuk.—Nu, toen de man twee bamboetjes tegen elkaar getikt had en de spreuk had gezegd, vlogen de stokjes in brand. „Nu zie je wat vuur is”, zeiden de geesten. „Wend het ten goede aan: bereid er je eten mee en steek het aan wanneer de duisternis invalt,—dan vluchten[373]de kwade gedachten.”—Verheugd keek de vrome man naar de vlam, die uit het hout opsloeg. „Hoe warm is hij! En hoe vroolijk! Kom, ik wil dit aan alle menschen laten zien!” En hij ijlde naar zijn kampong. Maar onderweg kwam hij zijn buurman tegen. Die was rijk en wilde hem, den arme, nauwelijks zien.—„Goeden dag, Dajik!” wenschte de vrome man hem toe. Maar de rijke antwoordde niet en ging zonder groeten voorbij.—Dat verbitterde den arme. En nu kwam hij op een booze gedachte. „Als deze bamboe branden wil”,—zoo dacht hij, „dan zal het huis van mijn rijken, trotschen buurman ook wel willen branden! Ik zal de vlam onder het atapen-dak houden.” En hij ijlde naar het groote, mooie huis van Dajik. Daar aangekomen, tikte hij haastig de bamboetjes tegen elkaar,.…. maar ditmaal kwam er geen vuur.….! „Dat is waar ook”, dacht hij, „ik moet eerst de spreuk zeggen! Hoe luidt ze nog maar weer? Bismillah.…. Was het niet: Bismillah.…. en dan?” Hoe hij ook dacht, hij kon niet weer op de juiste woorden komen. „Dat is de straf voor mijn booze gedachten!” zei hij tot zichzelf. „Nu hebben de geesten mij de spreuk weer afgenomen, en ik ben even arm als voorheen.—Maar Dajik zal óók weten wat armoede beduidt! Ikwilvuur maken!” En hij begon het hout te wrijven, te wrijven.….! „Het wordt al warm!” dacht hij na een poos, „het vuur is stellig niet ver meer weg! Nu is het hout al zoo heet, dat ik het nauwelijks nog kan vasthouden. Hu! dat is werken! Ik ben nu al zoo moe, alsof ik den heelen dag gespit heb in mijn kleinen akker. Wacht.…. daar is het vuur!”—Toen vloog een vonk uit de bamboe op zijn sarong; de sarong vatte vuur.….! En de man verbrandde.….—Maar de rijke had uit zijn venster gezien hoe de arme het vuur verkregen had. En hij beval zijn dienaar bamboe te wrijven tot er een vlam uitsloeg. Zoo leerden de menschen het geheim kennen. Maar de spreuk kent niemand.….”Dolimah had uitverteld.Het werd stil in het hol, nu Dolimah’s zoetvloeiend stemmetje verstierf. Harmen gooide nog flink wat hout op het vuur; het knapte en knetterde geducht; de vlammen lekten tot den bovenwand van het hol. Daarbinnen smoorde je van de warmte.[374]„Toch lekker!” vonden de jongens. En weer wat hoopvoller, sliepen ze in.Den volgenden dag regende het bij vlagen. Maar de lucht bleef nog zoo grijs als een rattevel. Al vroeg in den morgen verscheen Saleiman met zijn vleermuisooren boven aan het laddertje.„Ben je daar al, Saleiman? Kom maar hier!” noodigde Dolimah uit.Saleiman toonde zijn schatten. Het waren: een gescheurde steenen pot, een klomp gekookte rijst in een pisangblad gevouwen, wat kruiden en een paar bananen.„Wat lief van je, Saleiman!” prees Dolimah hem. „Kom je morgen weer terug?”„Eh-eh”, beloofde Saleiman.„Heb je daar een soeling (inlandsche fluit uit bamboe) bij je?”Saleiman knikte.„Kun je er ook op spelen?”Instemmende hoofdknik van Saleiman.„Fluit er dan eens op?”Saleiman aarzelt, peutert in zijn neus.„Durf je niet?”Saleiman kleurt, wendt zich af en kijkt naar de lucht.„Durf je vanavond voor me te spelen, als het donker is?”„Eh-eh”, klinkt het uit Saleimans mond. En Saleiman gaat het laddertje weer op, de sarong netjes tusschen de beenen. Daar steekt zijn bol boven het plateau uit,—een bos rommelig haar op een schraal halsje. Ter zijde twee flap-ooren. Ze zijn doorzichtig.Harmen en Hajo begaven zich dien morgen vol verwachting naar hun strikken, en de teleurstelling was groot, toen er niets bleek te zijn ingeloopen.Toen ze in het hol terugkeerden, vonden ze Dolimah bezig te braden. Ze had uit vastgestampte aarde een fornuisje gemaakt, dat door het vuurtje daarbinnen allengs tot steen gebakken werd; daarop had ze den steenen pot geplaatst, waarmee[375]Saleiman den grondslag voor het huisraad der zwervers had gelegd. Zoo kookte ze een soort soepje van allerlei kruiden, gooide er de rijst in, die nu groen-geel van kleur werd, sneed er een paar schijfjes banaan in en zette Padde het heele zaakje voor zijn neus.Maar de arme jongen kon er niets van binnenkrijgen.„Padde dan toch!” zei Hajo. „’t Ruikt zoo fijn! Jij doet maar niets dan drinken en je moet toch ook wat eten!”Padde greep Hajo’s hand. „Hajo.….!” En hij begon krampachtig te snikken. „Ik weet het wel: jullie wilt verder, en je moet om mij hier blijven.… ’k Wou, dat ik maar dood ging, Hajo,—dan konden jullie.…. dan konden jullie.….” De tranen versmoorden Padde’s stem. „Jullie zijn allemaal zooveel sterker dan ik, jullie hebt meer fut; ik ben lastig voor jullie; ik ben jou ook altijd tot last geweest.….”„Wat een onzin, Padde!” gromde Hajo, wien de tranen nu ook in de keel schoten. „Jij bent niemand tot last enmijvast en zeker niet! Hoe vaak zijn we samen geen appelen gaan rapen in ’t Sinte Klarens? En denk je, dat ik maar half zoo’n lol zou hebben gehad, als jij niet bij me was geweest?”Padde kuste Hajo’s hand. „Hajo! Ja, dat is het hem ook: in dit land, in dit vreeselijke land hoor ik niet thuis. In Hoorn, daar moet ik wezen! Daar kan ik misschien nog wat verdienen voor m’n moeder en m’n zusjes en broertjes. Als m’n oom me nog wil hebben voor de bierbrouwerij.…. ’k Had ook zoo gehoopt wat geld mee naar huis te brengen, en nou is alles de lucht in.….”„Welneen, Padde!” zei Hajo. „Op de terugweg verdienen we wel weer geld, dan komen we toch niet platzak thuis. Als we maar eerst in Bantem zijn! Als Dolimah zoo aan het vertellen is, is het net, of we hier nooit weg zullen komen; dan wordt alles zoo groot, en je voelt je-zelf zoo klein en zoo vreemd in dit land.…. Maar wij, Padde, wij verlaten mekaar niet, hoor! Samen uit, samen thuis!”„Hajo”, snikte Padde, „zooals jij is er maar één! Dat heb ik altijd gezegd, als die lamzakken wat op je aan te merken hadden. Lange Leen heb ik op z’n gezicht getimmerd!”„Nou, heb je nou weer wat moed?”[376]„Ja, hoor!” zei Padde. „Wij komen er wel weer, hè?”„Wees daar maar gerust op!”Tegen de schemering kwam Saleiman weer. Ditmaal had hij nog meer weten te kapen: een paar eieren, nog een steenen potje, drie gedroogde visschen en achtmaïskolven.„Doe het niet weer, Saleiman”, zei Dolimah. „Ik wil niet, dat ze het merken en je een dief noemen.”Saleiman keek beschaamd een anderen kant uit.„Heb je je soeling weer bij je?”„Eh-eh.”„Speel dan wat voor mij, wil je?”Saleiman knikte, hurkte omzichtig neer en haalde zijn fluit voor den dag. Het was een hol stuk bamboe met gaatjes er in gebrand; het mondstuk was gevormd door een der schotjes uit de bamboe, waarin een smalle spleet was gesneden. Saleiman keek schuchter om naar de jongens, die verbaasd wachtten op wat komen ging.„Ja, speel maar, Saleiman”, zei Rolf vriendelijk, de anderen manend te gaan zitten. Saleiman aarzelde nog even, snoof, keek in de grijze lucht en zette toen gewichtig, vol ernst de fluit aan zijn vooruitgestoken lippen.Daar kwam, als een verre roep van een nachtvogel, een langgerekte, nasale toon uit het instrument. Op den toon volgde een iets hoogere, even langgerekt en droefgeestig. Toen zonk de fluit weer even terug op den eersten toon, ging weer omhoog, liep met een weeken stap over den tweeden heen en zong den derden geheimzinnig uit, met een korten zucht na. Toen weer de diepte in, lang en klagend. En zoo geleidelijk weer omhoog met statige passen. In eens.…. tiereliet! tiereliet! tiereliet! heel in de hoogte en verschrikkelijk valsch. Toch weer niet valsch.…. kan een vogel valsch zingen, ook al schettert hij nog zoo hoog? Saleimans gezicht stond ernstig. Als bleeke stralen tooverde hij nu teedere roepen uit den nevel en.…. hoor! een wijsje, zacht wiegend, vleiend.…. een wijsje, maar toch zou geen der jongens het kunnen nafluiten. Zoo vlug liepen de tonen achter elkaar aan, dat je er geen van grijpen kon,—ze deden ook zoo nevelig aan en verstomden meteen[377]weer. Toen een lange, droeve triller, een oolijk loopje omlaag en weer een doffe, eindelooze toon, waarin een trilling sidderde als een lichtveeg op een nachtelijk meer.…. Saleiman hield op.„Was dat de maan?” vroeg Dolimah.„Eh-eh.” Saleiman keek peinzend in de regenlucht, waar zich allengs de nacht ging spinnen.„Kun je het beekje ook nafluiten?”„Eh-eh.”„En de krokodil? En de slang? Doe de slang eens na?”De kleine kunstenaar dacht even, bracht toen de fluit weer aan de lippen.Hoor! Daar komt de slang! Den platten kop opgericht, lispelend met de tong! Langzaam, met onverwachte, listige wendingen schuifelen de noten voort; Saleiman beweegt in de maat zijn mager ruggetje heen en weer.—De slang houdt stil. Lispelt even met het fijne, ingesneden tongetje, gaat nog een eindje voort, wendt een paar maal spiedend den kop, kronkelt dan langzaam ineen.….„Daarmee kun je de slangen lokken, niet waar, Saleiman?” vraagt Dolimah.„Eh-eh.”„Maak nu het vuur eens?”Saleiman richt zijn oogen in het vuur, brengt de fluit aan zijn lippen en.…. hoor! daar dansen de vlammetjes al. Een windvlaag strijkt als een moede vogel in het ravijn neer, roert zich nog een weinig, doet de vlammen wat hooger oplaaien. De fluit volgt. Nu is het weer stil; de vlammen worden kalm. De fluit volgt.—En dan gaat Saleiman fantaseeren. Hij houdt zijn oogen star in het vuur gericht; zij puilen naar voren, en het oogwit blinkt uit het bruine gelaat op, dat van inspanning donkerder wordt. Saleiman toovert een woesten brand. Roode vlammen komen diep van onderen op, laaien omhoog, worden hel-geel en eindigen in een lange, kronkelende punt. Hoei.….! Hoei.….! Hoei.….!—Eindelijk houdt Saleiman op, hijgt, een triumfantelijken glimlach om de lippen. Dan, plots, slikt hij iets weg, kijkt schuchter naar zijn fluit.„Nu de twee vogels!” zegt Dolimah. „Ken je de twee vogels ook?”[378]„Eh-eh.”Hoor! daar zingt de eene vogel al! Omlaag, omhoog, een kristalheldere triller, een lange, lokkende roep.…. Er gaat een betoovering uit van dit magere, leelijke joggie met zijn flap-ooren en zijn litteekens.—Nu de andere vogel! Ojé, die wil den eersten nadoen.…. maar het lukt niet! Hij krabbelt van de eene noot naar de andere, zwelt van eigenliefde als de triller hem zoowat gelukt, maakt er nog een fraai haaltje aan. Dan de lokroep aan het slot: schor en onzeker.Dolimah lacht. „Je kunt het goed, hoor! Wie heeft het je geleerd?”Saleiman zwijgt, kijkt naar boven en snuift.„Speel nu eens het allermooiste wat je kent, Saleiman?” vraagt Dolimah.Saleiman ziet Dolimah schuchter, aarzelend aan. Dan brengt hij de fluit aan de lippen, sluit de oogen. In zachten, droeven toon zet hij in; moeizaam slepen de tonen zich voort. Dan even een pauze, en plots klimmen de noten omhoog als om naar iets uit te zien. En nu volgt een teere, zoetemelodie, met zachte, lichte schreden voortgaand, hooger, steeds hooger, tot in de wolken van Saleiman’s verbeeldingskracht. Saleiman houdt van dit wijsje, hij laat het weer vallen en dan weer klimmen, zooals om den wijnstok zich de ranken winden vol teere bloesem.…. Dan plots stokt het wijsje in een schrillen toon, alsof een ruwe knaap het afsloeg. Saleiman laat de fluit zinken, haalt diep adem, brengt ze dan weer aan de lippen en zet weer in de droeve wijze van daarstraks in. Steeds weeker en zachter, tot eindelijk de laatste toon versterft.…. Dan opent Saleiman de oogen en staart den hemel in.Dolimah vraagt zacht: „Wat was dat, Saleiman?”Saleiman zwijgt.—Een groote traan welt in zijn oogen op.„Nu, hoe heet het wijsje?” dringt Dolimah aan. „Heet het.….Saleiman?”Saleiman krabbelt haastig overeind.„Moet je weg?”Saleiman knikt met afgewend gelaat. Dan scharrelt hij uit zijn sarong een doosje op en schuift het open. Op den bodem[379]zit een vuurvliegje gekleefd. Dat zal Saleiman onderweg tegen de booze geesten beveiligen.De jongens zien den kleinen flap-oor nu met gansch andere oogen vertrekken. Als hij zijn sarong omslaat om het laddertje te bestijgen, ritselt een slang tusschen de struiken omlaag, de helling van het ravijn af. „Eh, gagit!” roept Saleiman ontzet en vliegt met zijn soeling en dievenlantarentje omhoog.Harmen heeft een diepen zucht geslaakt. „Had ik m’n fiool maar, dan speelden we samen eens een moppie!” Maar geen der anderen loopt erg warm op dien wensch. Gelukkig merkt Harmen het niet.Joppie ligt in Padde’s armen te snurken. Hij wou daarstraks met de fluit instemmen, kreeg daarvoor van Harmen een schop, zocht, als gewoonlijk, in den slaap vergetelheid en vond ze ook.„Zullen wij nog wat bikken voor we gaan slapen?” vraagt Harmen. „Door die fluit heb ik alles vergeten: ik had de maïs willen poffen.”Niemand heeft eetlust.De jongens gooien flink wat hout op het vuur—en gaan slapen.Man die fluit speelt.[380]

[Inhoud]SALEIMAN EN ZIJN FLUITZeemeeuw.De jongens werden door een soort vuur-koorts bevangen: ze sleepten zooveel hout bijeen, als moest er een brandstapel worden opgericht. En toen in den ingang het vuur hoog oplaaide, gingen ze dieper in het hol gezelsen. Hè, hoe veilig voelde je je achter dien wand van vuur! Ook Padde werd door de behagelijke warmte verkwikt. Hijgend lag hij te staren naar de spookachtige schimmen tegen den achterwand van het hol.Dolimah keek droomend in de vlammen. Toen opeens begon ze weer te vertellen, en de jongens luisterden er naar zooals ze naar muziek zouden hebben geluisterd. „Behalve in de bergen, was er vroeger op de aarde geen vuur. De menschen wisten niet, hoe het op te wekken en kenden er de macht niet van. Nu was er eens een arme man, die zoo vroom leefde, dat de geesten medelijden met hem kregen. Hij sliep altijd op de steenen en offerde zijn laatste bete. Nu zeiden de geesten tot hem: „Omdat je zoo vroom bent geweest, zullen we je tot den rijksten van alle menschen maken. Wij zullen je hetvuurgeven.”—„Het vuur?” vroeg de vrome man verbaasd, „wat is dat?”—„Dat zul je wel zien”, antwoordden de geesten. „Je hebt niets anders te doen dan twee stukjes bamboe tegen elkaar te tikken—en er deze tooverspreuk bij te zeggen.” En de geesten noemden de tooverspreuk.—Nu, toen de man twee bamboetjes tegen elkaar getikt had en de spreuk had gezegd, vlogen de stokjes in brand. „Nu zie je wat vuur is”, zeiden de geesten. „Wend het ten goede aan: bereid er je eten mee en steek het aan wanneer de duisternis invalt,—dan vluchten[373]de kwade gedachten.”—Verheugd keek de vrome man naar de vlam, die uit het hout opsloeg. „Hoe warm is hij! En hoe vroolijk! Kom, ik wil dit aan alle menschen laten zien!” En hij ijlde naar zijn kampong. Maar onderweg kwam hij zijn buurman tegen. Die was rijk en wilde hem, den arme, nauwelijks zien.—„Goeden dag, Dajik!” wenschte de vrome man hem toe. Maar de rijke antwoordde niet en ging zonder groeten voorbij.—Dat verbitterde den arme. En nu kwam hij op een booze gedachte. „Als deze bamboe branden wil”,—zoo dacht hij, „dan zal het huis van mijn rijken, trotschen buurman ook wel willen branden! Ik zal de vlam onder het atapen-dak houden.” En hij ijlde naar het groote, mooie huis van Dajik. Daar aangekomen, tikte hij haastig de bamboetjes tegen elkaar,.…. maar ditmaal kwam er geen vuur.….! „Dat is waar ook”, dacht hij, „ik moet eerst de spreuk zeggen! Hoe luidt ze nog maar weer? Bismillah.…. Was het niet: Bismillah.…. en dan?” Hoe hij ook dacht, hij kon niet weer op de juiste woorden komen. „Dat is de straf voor mijn booze gedachten!” zei hij tot zichzelf. „Nu hebben de geesten mij de spreuk weer afgenomen, en ik ben even arm als voorheen.—Maar Dajik zal óók weten wat armoede beduidt! Ikwilvuur maken!” En hij begon het hout te wrijven, te wrijven.….! „Het wordt al warm!” dacht hij na een poos, „het vuur is stellig niet ver meer weg! Nu is het hout al zoo heet, dat ik het nauwelijks nog kan vasthouden. Hu! dat is werken! Ik ben nu al zoo moe, alsof ik den heelen dag gespit heb in mijn kleinen akker. Wacht.…. daar is het vuur!”—Toen vloog een vonk uit de bamboe op zijn sarong; de sarong vatte vuur.….! En de man verbrandde.….—Maar de rijke had uit zijn venster gezien hoe de arme het vuur verkregen had. En hij beval zijn dienaar bamboe te wrijven tot er een vlam uitsloeg. Zoo leerden de menschen het geheim kennen. Maar de spreuk kent niemand.….”Dolimah had uitverteld.Het werd stil in het hol, nu Dolimah’s zoetvloeiend stemmetje verstierf. Harmen gooide nog flink wat hout op het vuur; het knapte en knetterde geducht; de vlammen lekten tot den bovenwand van het hol. Daarbinnen smoorde je van de warmte.[374]„Toch lekker!” vonden de jongens. En weer wat hoopvoller, sliepen ze in.Den volgenden dag regende het bij vlagen. Maar de lucht bleef nog zoo grijs als een rattevel. Al vroeg in den morgen verscheen Saleiman met zijn vleermuisooren boven aan het laddertje.„Ben je daar al, Saleiman? Kom maar hier!” noodigde Dolimah uit.Saleiman toonde zijn schatten. Het waren: een gescheurde steenen pot, een klomp gekookte rijst in een pisangblad gevouwen, wat kruiden en een paar bananen.„Wat lief van je, Saleiman!” prees Dolimah hem. „Kom je morgen weer terug?”„Eh-eh”, beloofde Saleiman.„Heb je daar een soeling (inlandsche fluit uit bamboe) bij je?”Saleiman knikte.„Kun je er ook op spelen?”Instemmende hoofdknik van Saleiman.„Fluit er dan eens op?”Saleiman aarzelt, peutert in zijn neus.„Durf je niet?”Saleiman kleurt, wendt zich af en kijkt naar de lucht.„Durf je vanavond voor me te spelen, als het donker is?”„Eh-eh”, klinkt het uit Saleimans mond. En Saleiman gaat het laddertje weer op, de sarong netjes tusschen de beenen. Daar steekt zijn bol boven het plateau uit,—een bos rommelig haar op een schraal halsje. Ter zijde twee flap-ooren. Ze zijn doorzichtig.Harmen en Hajo begaven zich dien morgen vol verwachting naar hun strikken, en de teleurstelling was groot, toen er niets bleek te zijn ingeloopen.Toen ze in het hol terugkeerden, vonden ze Dolimah bezig te braden. Ze had uit vastgestampte aarde een fornuisje gemaakt, dat door het vuurtje daarbinnen allengs tot steen gebakken werd; daarop had ze den steenen pot geplaatst, waarmee[375]Saleiman den grondslag voor het huisraad der zwervers had gelegd. Zoo kookte ze een soort soepje van allerlei kruiden, gooide er de rijst in, die nu groen-geel van kleur werd, sneed er een paar schijfjes banaan in en zette Padde het heele zaakje voor zijn neus.Maar de arme jongen kon er niets van binnenkrijgen.„Padde dan toch!” zei Hajo. „’t Ruikt zoo fijn! Jij doet maar niets dan drinken en je moet toch ook wat eten!”Padde greep Hajo’s hand. „Hajo.….!” En hij begon krampachtig te snikken. „Ik weet het wel: jullie wilt verder, en je moet om mij hier blijven.… ’k Wou, dat ik maar dood ging, Hajo,—dan konden jullie.…. dan konden jullie.….” De tranen versmoorden Padde’s stem. „Jullie zijn allemaal zooveel sterker dan ik, jullie hebt meer fut; ik ben lastig voor jullie; ik ben jou ook altijd tot last geweest.….”„Wat een onzin, Padde!” gromde Hajo, wien de tranen nu ook in de keel schoten. „Jij bent niemand tot last enmijvast en zeker niet! Hoe vaak zijn we samen geen appelen gaan rapen in ’t Sinte Klarens? En denk je, dat ik maar half zoo’n lol zou hebben gehad, als jij niet bij me was geweest?”Padde kuste Hajo’s hand. „Hajo! Ja, dat is het hem ook: in dit land, in dit vreeselijke land hoor ik niet thuis. In Hoorn, daar moet ik wezen! Daar kan ik misschien nog wat verdienen voor m’n moeder en m’n zusjes en broertjes. Als m’n oom me nog wil hebben voor de bierbrouwerij.…. ’k Had ook zoo gehoopt wat geld mee naar huis te brengen, en nou is alles de lucht in.….”„Welneen, Padde!” zei Hajo. „Op de terugweg verdienen we wel weer geld, dan komen we toch niet platzak thuis. Als we maar eerst in Bantem zijn! Als Dolimah zoo aan het vertellen is, is het net, of we hier nooit weg zullen komen; dan wordt alles zoo groot, en je voelt je-zelf zoo klein en zoo vreemd in dit land.…. Maar wij, Padde, wij verlaten mekaar niet, hoor! Samen uit, samen thuis!”„Hajo”, snikte Padde, „zooals jij is er maar één! Dat heb ik altijd gezegd, als die lamzakken wat op je aan te merken hadden. Lange Leen heb ik op z’n gezicht getimmerd!”„Nou, heb je nou weer wat moed?”[376]„Ja, hoor!” zei Padde. „Wij komen er wel weer, hè?”„Wees daar maar gerust op!”Tegen de schemering kwam Saleiman weer. Ditmaal had hij nog meer weten te kapen: een paar eieren, nog een steenen potje, drie gedroogde visschen en achtmaïskolven.„Doe het niet weer, Saleiman”, zei Dolimah. „Ik wil niet, dat ze het merken en je een dief noemen.”Saleiman keek beschaamd een anderen kant uit.„Heb je je soeling weer bij je?”„Eh-eh.”„Speel dan wat voor mij, wil je?”Saleiman knikte, hurkte omzichtig neer en haalde zijn fluit voor den dag. Het was een hol stuk bamboe met gaatjes er in gebrand; het mondstuk was gevormd door een der schotjes uit de bamboe, waarin een smalle spleet was gesneden. Saleiman keek schuchter om naar de jongens, die verbaasd wachtten op wat komen ging.„Ja, speel maar, Saleiman”, zei Rolf vriendelijk, de anderen manend te gaan zitten. Saleiman aarzelde nog even, snoof, keek in de grijze lucht en zette toen gewichtig, vol ernst de fluit aan zijn vooruitgestoken lippen.Daar kwam, als een verre roep van een nachtvogel, een langgerekte, nasale toon uit het instrument. Op den toon volgde een iets hoogere, even langgerekt en droefgeestig. Toen zonk de fluit weer even terug op den eersten toon, ging weer omhoog, liep met een weeken stap over den tweeden heen en zong den derden geheimzinnig uit, met een korten zucht na. Toen weer de diepte in, lang en klagend. En zoo geleidelijk weer omhoog met statige passen. In eens.…. tiereliet! tiereliet! tiereliet! heel in de hoogte en verschrikkelijk valsch. Toch weer niet valsch.…. kan een vogel valsch zingen, ook al schettert hij nog zoo hoog? Saleimans gezicht stond ernstig. Als bleeke stralen tooverde hij nu teedere roepen uit den nevel en.…. hoor! een wijsje, zacht wiegend, vleiend.…. een wijsje, maar toch zou geen der jongens het kunnen nafluiten. Zoo vlug liepen de tonen achter elkaar aan, dat je er geen van grijpen kon,—ze deden ook zoo nevelig aan en verstomden meteen[377]weer. Toen een lange, droeve triller, een oolijk loopje omlaag en weer een doffe, eindelooze toon, waarin een trilling sidderde als een lichtveeg op een nachtelijk meer.…. Saleiman hield op.„Was dat de maan?” vroeg Dolimah.„Eh-eh.” Saleiman keek peinzend in de regenlucht, waar zich allengs de nacht ging spinnen.„Kun je het beekje ook nafluiten?”„Eh-eh.”„En de krokodil? En de slang? Doe de slang eens na?”De kleine kunstenaar dacht even, bracht toen de fluit weer aan de lippen.Hoor! Daar komt de slang! Den platten kop opgericht, lispelend met de tong! Langzaam, met onverwachte, listige wendingen schuifelen de noten voort; Saleiman beweegt in de maat zijn mager ruggetje heen en weer.—De slang houdt stil. Lispelt even met het fijne, ingesneden tongetje, gaat nog een eindje voort, wendt een paar maal spiedend den kop, kronkelt dan langzaam ineen.….„Daarmee kun je de slangen lokken, niet waar, Saleiman?” vraagt Dolimah.„Eh-eh.”„Maak nu het vuur eens?”Saleiman richt zijn oogen in het vuur, brengt de fluit aan zijn lippen en.…. hoor! daar dansen de vlammetjes al. Een windvlaag strijkt als een moede vogel in het ravijn neer, roert zich nog een weinig, doet de vlammen wat hooger oplaaien. De fluit volgt. Nu is het weer stil; de vlammen worden kalm. De fluit volgt.—En dan gaat Saleiman fantaseeren. Hij houdt zijn oogen star in het vuur gericht; zij puilen naar voren, en het oogwit blinkt uit het bruine gelaat op, dat van inspanning donkerder wordt. Saleiman toovert een woesten brand. Roode vlammen komen diep van onderen op, laaien omhoog, worden hel-geel en eindigen in een lange, kronkelende punt. Hoei.….! Hoei.….! Hoei.….!—Eindelijk houdt Saleiman op, hijgt, een triumfantelijken glimlach om de lippen. Dan, plots, slikt hij iets weg, kijkt schuchter naar zijn fluit.„Nu de twee vogels!” zegt Dolimah. „Ken je de twee vogels ook?”[378]„Eh-eh.”Hoor! daar zingt de eene vogel al! Omlaag, omhoog, een kristalheldere triller, een lange, lokkende roep.…. Er gaat een betoovering uit van dit magere, leelijke joggie met zijn flap-ooren en zijn litteekens.—Nu de andere vogel! Ojé, die wil den eersten nadoen.…. maar het lukt niet! Hij krabbelt van de eene noot naar de andere, zwelt van eigenliefde als de triller hem zoowat gelukt, maakt er nog een fraai haaltje aan. Dan de lokroep aan het slot: schor en onzeker.Dolimah lacht. „Je kunt het goed, hoor! Wie heeft het je geleerd?”Saleiman zwijgt, kijkt naar boven en snuift.„Speel nu eens het allermooiste wat je kent, Saleiman?” vraagt Dolimah.Saleiman ziet Dolimah schuchter, aarzelend aan. Dan brengt hij de fluit aan de lippen, sluit de oogen. In zachten, droeven toon zet hij in; moeizaam slepen de tonen zich voort. Dan even een pauze, en plots klimmen de noten omhoog als om naar iets uit te zien. En nu volgt een teere, zoetemelodie, met zachte, lichte schreden voortgaand, hooger, steeds hooger, tot in de wolken van Saleiman’s verbeeldingskracht. Saleiman houdt van dit wijsje, hij laat het weer vallen en dan weer klimmen, zooals om den wijnstok zich de ranken winden vol teere bloesem.…. Dan plots stokt het wijsje in een schrillen toon, alsof een ruwe knaap het afsloeg. Saleiman laat de fluit zinken, haalt diep adem, brengt ze dan weer aan de lippen en zet weer in de droeve wijze van daarstraks in. Steeds weeker en zachter, tot eindelijk de laatste toon versterft.…. Dan opent Saleiman de oogen en staart den hemel in.Dolimah vraagt zacht: „Wat was dat, Saleiman?”Saleiman zwijgt.—Een groote traan welt in zijn oogen op.„Nu, hoe heet het wijsje?” dringt Dolimah aan. „Heet het.….Saleiman?”Saleiman krabbelt haastig overeind.„Moet je weg?”Saleiman knikt met afgewend gelaat. Dan scharrelt hij uit zijn sarong een doosje op en schuift het open. Op den bodem[379]zit een vuurvliegje gekleefd. Dat zal Saleiman onderweg tegen de booze geesten beveiligen.De jongens zien den kleinen flap-oor nu met gansch andere oogen vertrekken. Als hij zijn sarong omslaat om het laddertje te bestijgen, ritselt een slang tusschen de struiken omlaag, de helling van het ravijn af. „Eh, gagit!” roept Saleiman ontzet en vliegt met zijn soeling en dievenlantarentje omhoog.Harmen heeft een diepen zucht geslaakt. „Had ik m’n fiool maar, dan speelden we samen eens een moppie!” Maar geen der anderen loopt erg warm op dien wensch. Gelukkig merkt Harmen het niet.Joppie ligt in Padde’s armen te snurken. Hij wou daarstraks met de fluit instemmen, kreeg daarvoor van Harmen een schop, zocht, als gewoonlijk, in den slaap vergetelheid en vond ze ook.„Zullen wij nog wat bikken voor we gaan slapen?” vraagt Harmen. „Door die fluit heb ik alles vergeten: ik had de maïs willen poffen.”Niemand heeft eetlust.De jongens gooien flink wat hout op het vuur—en gaan slapen.Man die fluit speelt.[380]

[Inhoud]SALEIMAN EN ZIJN FLUITZeemeeuw.De jongens werden door een soort vuur-koorts bevangen: ze sleepten zooveel hout bijeen, als moest er een brandstapel worden opgericht. En toen in den ingang het vuur hoog oplaaide, gingen ze dieper in het hol gezelsen. Hè, hoe veilig voelde je je achter dien wand van vuur! Ook Padde werd door de behagelijke warmte verkwikt. Hijgend lag hij te staren naar de spookachtige schimmen tegen den achterwand van het hol.Dolimah keek droomend in de vlammen. Toen opeens begon ze weer te vertellen, en de jongens luisterden er naar zooals ze naar muziek zouden hebben geluisterd. „Behalve in de bergen, was er vroeger op de aarde geen vuur. De menschen wisten niet, hoe het op te wekken en kenden er de macht niet van. Nu was er eens een arme man, die zoo vroom leefde, dat de geesten medelijden met hem kregen. Hij sliep altijd op de steenen en offerde zijn laatste bete. Nu zeiden de geesten tot hem: „Omdat je zoo vroom bent geweest, zullen we je tot den rijksten van alle menschen maken. Wij zullen je hetvuurgeven.”—„Het vuur?” vroeg de vrome man verbaasd, „wat is dat?”—„Dat zul je wel zien”, antwoordden de geesten. „Je hebt niets anders te doen dan twee stukjes bamboe tegen elkaar te tikken—en er deze tooverspreuk bij te zeggen.” En de geesten noemden de tooverspreuk.—Nu, toen de man twee bamboetjes tegen elkaar getikt had en de spreuk had gezegd, vlogen de stokjes in brand. „Nu zie je wat vuur is”, zeiden de geesten. „Wend het ten goede aan: bereid er je eten mee en steek het aan wanneer de duisternis invalt,—dan vluchten[373]de kwade gedachten.”—Verheugd keek de vrome man naar de vlam, die uit het hout opsloeg. „Hoe warm is hij! En hoe vroolijk! Kom, ik wil dit aan alle menschen laten zien!” En hij ijlde naar zijn kampong. Maar onderweg kwam hij zijn buurman tegen. Die was rijk en wilde hem, den arme, nauwelijks zien.—„Goeden dag, Dajik!” wenschte de vrome man hem toe. Maar de rijke antwoordde niet en ging zonder groeten voorbij.—Dat verbitterde den arme. En nu kwam hij op een booze gedachte. „Als deze bamboe branden wil”,—zoo dacht hij, „dan zal het huis van mijn rijken, trotschen buurman ook wel willen branden! Ik zal de vlam onder het atapen-dak houden.” En hij ijlde naar het groote, mooie huis van Dajik. Daar aangekomen, tikte hij haastig de bamboetjes tegen elkaar,.…. maar ditmaal kwam er geen vuur.….! „Dat is waar ook”, dacht hij, „ik moet eerst de spreuk zeggen! Hoe luidt ze nog maar weer? Bismillah.…. Was het niet: Bismillah.…. en dan?” Hoe hij ook dacht, hij kon niet weer op de juiste woorden komen. „Dat is de straf voor mijn booze gedachten!” zei hij tot zichzelf. „Nu hebben de geesten mij de spreuk weer afgenomen, en ik ben even arm als voorheen.—Maar Dajik zal óók weten wat armoede beduidt! Ikwilvuur maken!” En hij begon het hout te wrijven, te wrijven.….! „Het wordt al warm!” dacht hij na een poos, „het vuur is stellig niet ver meer weg! Nu is het hout al zoo heet, dat ik het nauwelijks nog kan vasthouden. Hu! dat is werken! Ik ben nu al zoo moe, alsof ik den heelen dag gespit heb in mijn kleinen akker. Wacht.…. daar is het vuur!”—Toen vloog een vonk uit de bamboe op zijn sarong; de sarong vatte vuur.….! En de man verbrandde.….—Maar de rijke had uit zijn venster gezien hoe de arme het vuur verkregen had. En hij beval zijn dienaar bamboe te wrijven tot er een vlam uitsloeg. Zoo leerden de menschen het geheim kennen. Maar de spreuk kent niemand.….”Dolimah had uitverteld.Het werd stil in het hol, nu Dolimah’s zoetvloeiend stemmetje verstierf. Harmen gooide nog flink wat hout op het vuur; het knapte en knetterde geducht; de vlammen lekten tot den bovenwand van het hol. Daarbinnen smoorde je van de warmte.[374]„Toch lekker!” vonden de jongens. En weer wat hoopvoller, sliepen ze in.Den volgenden dag regende het bij vlagen. Maar de lucht bleef nog zoo grijs als een rattevel. Al vroeg in den morgen verscheen Saleiman met zijn vleermuisooren boven aan het laddertje.„Ben je daar al, Saleiman? Kom maar hier!” noodigde Dolimah uit.Saleiman toonde zijn schatten. Het waren: een gescheurde steenen pot, een klomp gekookte rijst in een pisangblad gevouwen, wat kruiden en een paar bananen.„Wat lief van je, Saleiman!” prees Dolimah hem. „Kom je morgen weer terug?”„Eh-eh”, beloofde Saleiman.„Heb je daar een soeling (inlandsche fluit uit bamboe) bij je?”Saleiman knikte.„Kun je er ook op spelen?”Instemmende hoofdknik van Saleiman.„Fluit er dan eens op?”Saleiman aarzelt, peutert in zijn neus.„Durf je niet?”Saleiman kleurt, wendt zich af en kijkt naar de lucht.„Durf je vanavond voor me te spelen, als het donker is?”„Eh-eh”, klinkt het uit Saleimans mond. En Saleiman gaat het laddertje weer op, de sarong netjes tusschen de beenen. Daar steekt zijn bol boven het plateau uit,—een bos rommelig haar op een schraal halsje. Ter zijde twee flap-ooren. Ze zijn doorzichtig.Harmen en Hajo begaven zich dien morgen vol verwachting naar hun strikken, en de teleurstelling was groot, toen er niets bleek te zijn ingeloopen.Toen ze in het hol terugkeerden, vonden ze Dolimah bezig te braden. Ze had uit vastgestampte aarde een fornuisje gemaakt, dat door het vuurtje daarbinnen allengs tot steen gebakken werd; daarop had ze den steenen pot geplaatst, waarmee[375]Saleiman den grondslag voor het huisraad der zwervers had gelegd. Zoo kookte ze een soort soepje van allerlei kruiden, gooide er de rijst in, die nu groen-geel van kleur werd, sneed er een paar schijfjes banaan in en zette Padde het heele zaakje voor zijn neus.Maar de arme jongen kon er niets van binnenkrijgen.„Padde dan toch!” zei Hajo. „’t Ruikt zoo fijn! Jij doet maar niets dan drinken en je moet toch ook wat eten!”Padde greep Hajo’s hand. „Hajo.….!” En hij begon krampachtig te snikken. „Ik weet het wel: jullie wilt verder, en je moet om mij hier blijven.… ’k Wou, dat ik maar dood ging, Hajo,—dan konden jullie.…. dan konden jullie.….” De tranen versmoorden Padde’s stem. „Jullie zijn allemaal zooveel sterker dan ik, jullie hebt meer fut; ik ben lastig voor jullie; ik ben jou ook altijd tot last geweest.….”„Wat een onzin, Padde!” gromde Hajo, wien de tranen nu ook in de keel schoten. „Jij bent niemand tot last enmijvast en zeker niet! Hoe vaak zijn we samen geen appelen gaan rapen in ’t Sinte Klarens? En denk je, dat ik maar half zoo’n lol zou hebben gehad, als jij niet bij me was geweest?”Padde kuste Hajo’s hand. „Hajo! Ja, dat is het hem ook: in dit land, in dit vreeselijke land hoor ik niet thuis. In Hoorn, daar moet ik wezen! Daar kan ik misschien nog wat verdienen voor m’n moeder en m’n zusjes en broertjes. Als m’n oom me nog wil hebben voor de bierbrouwerij.…. ’k Had ook zoo gehoopt wat geld mee naar huis te brengen, en nou is alles de lucht in.….”„Welneen, Padde!” zei Hajo. „Op de terugweg verdienen we wel weer geld, dan komen we toch niet platzak thuis. Als we maar eerst in Bantem zijn! Als Dolimah zoo aan het vertellen is, is het net, of we hier nooit weg zullen komen; dan wordt alles zoo groot, en je voelt je-zelf zoo klein en zoo vreemd in dit land.…. Maar wij, Padde, wij verlaten mekaar niet, hoor! Samen uit, samen thuis!”„Hajo”, snikte Padde, „zooals jij is er maar één! Dat heb ik altijd gezegd, als die lamzakken wat op je aan te merken hadden. Lange Leen heb ik op z’n gezicht getimmerd!”„Nou, heb je nou weer wat moed?”[376]„Ja, hoor!” zei Padde. „Wij komen er wel weer, hè?”„Wees daar maar gerust op!”Tegen de schemering kwam Saleiman weer. Ditmaal had hij nog meer weten te kapen: een paar eieren, nog een steenen potje, drie gedroogde visschen en achtmaïskolven.„Doe het niet weer, Saleiman”, zei Dolimah. „Ik wil niet, dat ze het merken en je een dief noemen.”Saleiman keek beschaamd een anderen kant uit.„Heb je je soeling weer bij je?”„Eh-eh.”„Speel dan wat voor mij, wil je?”Saleiman knikte, hurkte omzichtig neer en haalde zijn fluit voor den dag. Het was een hol stuk bamboe met gaatjes er in gebrand; het mondstuk was gevormd door een der schotjes uit de bamboe, waarin een smalle spleet was gesneden. Saleiman keek schuchter om naar de jongens, die verbaasd wachtten op wat komen ging.„Ja, speel maar, Saleiman”, zei Rolf vriendelijk, de anderen manend te gaan zitten. Saleiman aarzelde nog even, snoof, keek in de grijze lucht en zette toen gewichtig, vol ernst de fluit aan zijn vooruitgestoken lippen.Daar kwam, als een verre roep van een nachtvogel, een langgerekte, nasale toon uit het instrument. Op den toon volgde een iets hoogere, even langgerekt en droefgeestig. Toen zonk de fluit weer even terug op den eersten toon, ging weer omhoog, liep met een weeken stap over den tweeden heen en zong den derden geheimzinnig uit, met een korten zucht na. Toen weer de diepte in, lang en klagend. En zoo geleidelijk weer omhoog met statige passen. In eens.…. tiereliet! tiereliet! tiereliet! heel in de hoogte en verschrikkelijk valsch. Toch weer niet valsch.…. kan een vogel valsch zingen, ook al schettert hij nog zoo hoog? Saleimans gezicht stond ernstig. Als bleeke stralen tooverde hij nu teedere roepen uit den nevel en.…. hoor! een wijsje, zacht wiegend, vleiend.…. een wijsje, maar toch zou geen der jongens het kunnen nafluiten. Zoo vlug liepen de tonen achter elkaar aan, dat je er geen van grijpen kon,—ze deden ook zoo nevelig aan en verstomden meteen[377]weer. Toen een lange, droeve triller, een oolijk loopje omlaag en weer een doffe, eindelooze toon, waarin een trilling sidderde als een lichtveeg op een nachtelijk meer.…. Saleiman hield op.„Was dat de maan?” vroeg Dolimah.„Eh-eh.” Saleiman keek peinzend in de regenlucht, waar zich allengs de nacht ging spinnen.„Kun je het beekje ook nafluiten?”„Eh-eh.”„En de krokodil? En de slang? Doe de slang eens na?”De kleine kunstenaar dacht even, bracht toen de fluit weer aan de lippen.Hoor! Daar komt de slang! Den platten kop opgericht, lispelend met de tong! Langzaam, met onverwachte, listige wendingen schuifelen de noten voort; Saleiman beweegt in de maat zijn mager ruggetje heen en weer.—De slang houdt stil. Lispelt even met het fijne, ingesneden tongetje, gaat nog een eindje voort, wendt een paar maal spiedend den kop, kronkelt dan langzaam ineen.….„Daarmee kun je de slangen lokken, niet waar, Saleiman?” vraagt Dolimah.„Eh-eh.”„Maak nu het vuur eens?”Saleiman richt zijn oogen in het vuur, brengt de fluit aan zijn lippen en.…. hoor! daar dansen de vlammetjes al. Een windvlaag strijkt als een moede vogel in het ravijn neer, roert zich nog een weinig, doet de vlammen wat hooger oplaaien. De fluit volgt. Nu is het weer stil; de vlammen worden kalm. De fluit volgt.—En dan gaat Saleiman fantaseeren. Hij houdt zijn oogen star in het vuur gericht; zij puilen naar voren, en het oogwit blinkt uit het bruine gelaat op, dat van inspanning donkerder wordt. Saleiman toovert een woesten brand. Roode vlammen komen diep van onderen op, laaien omhoog, worden hel-geel en eindigen in een lange, kronkelende punt. Hoei.….! Hoei.….! Hoei.….!—Eindelijk houdt Saleiman op, hijgt, een triumfantelijken glimlach om de lippen. Dan, plots, slikt hij iets weg, kijkt schuchter naar zijn fluit.„Nu de twee vogels!” zegt Dolimah. „Ken je de twee vogels ook?”[378]„Eh-eh.”Hoor! daar zingt de eene vogel al! Omlaag, omhoog, een kristalheldere triller, een lange, lokkende roep.…. Er gaat een betoovering uit van dit magere, leelijke joggie met zijn flap-ooren en zijn litteekens.—Nu de andere vogel! Ojé, die wil den eersten nadoen.…. maar het lukt niet! Hij krabbelt van de eene noot naar de andere, zwelt van eigenliefde als de triller hem zoowat gelukt, maakt er nog een fraai haaltje aan. Dan de lokroep aan het slot: schor en onzeker.Dolimah lacht. „Je kunt het goed, hoor! Wie heeft het je geleerd?”Saleiman zwijgt, kijkt naar boven en snuift.„Speel nu eens het allermooiste wat je kent, Saleiman?” vraagt Dolimah.Saleiman ziet Dolimah schuchter, aarzelend aan. Dan brengt hij de fluit aan de lippen, sluit de oogen. In zachten, droeven toon zet hij in; moeizaam slepen de tonen zich voort. Dan even een pauze, en plots klimmen de noten omhoog als om naar iets uit te zien. En nu volgt een teere, zoetemelodie, met zachte, lichte schreden voortgaand, hooger, steeds hooger, tot in de wolken van Saleiman’s verbeeldingskracht. Saleiman houdt van dit wijsje, hij laat het weer vallen en dan weer klimmen, zooals om den wijnstok zich de ranken winden vol teere bloesem.…. Dan plots stokt het wijsje in een schrillen toon, alsof een ruwe knaap het afsloeg. Saleiman laat de fluit zinken, haalt diep adem, brengt ze dan weer aan de lippen en zet weer in de droeve wijze van daarstraks in. Steeds weeker en zachter, tot eindelijk de laatste toon versterft.…. Dan opent Saleiman de oogen en staart den hemel in.Dolimah vraagt zacht: „Wat was dat, Saleiman?”Saleiman zwijgt.—Een groote traan welt in zijn oogen op.„Nu, hoe heet het wijsje?” dringt Dolimah aan. „Heet het.….Saleiman?”Saleiman krabbelt haastig overeind.„Moet je weg?”Saleiman knikt met afgewend gelaat. Dan scharrelt hij uit zijn sarong een doosje op en schuift het open. Op den bodem[379]zit een vuurvliegje gekleefd. Dat zal Saleiman onderweg tegen de booze geesten beveiligen.De jongens zien den kleinen flap-oor nu met gansch andere oogen vertrekken. Als hij zijn sarong omslaat om het laddertje te bestijgen, ritselt een slang tusschen de struiken omlaag, de helling van het ravijn af. „Eh, gagit!” roept Saleiman ontzet en vliegt met zijn soeling en dievenlantarentje omhoog.Harmen heeft een diepen zucht geslaakt. „Had ik m’n fiool maar, dan speelden we samen eens een moppie!” Maar geen der anderen loopt erg warm op dien wensch. Gelukkig merkt Harmen het niet.Joppie ligt in Padde’s armen te snurken. Hij wou daarstraks met de fluit instemmen, kreeg daarvoor van Harmen een schop, zocht, als gewoonlijk, in den slaap vergetelheid en vond ze ook.„Zullen wij nog wat bikken voor we gaan slapen?” vraagt Harmen. „Door die fluit heb ik alles vergeten: ik had de maïs willen poffen.”Niemand heeft eetlust.De jongens gooien flink wat hout op het vuur—en gaan slapen.Man die fluit speelt.[380]

SALEIMAN EN ZIJN FLUIT

Zeemeeuw.De jongens werden door een soort vuur-koorts bevangen: ze sleepten zooveel hout bijeen, als moest er een brandstapel worden opgericht. En toen in den ingang het vuur hoog oplaaide, gingen ze dieper in het hol gezelsen. Hè, hoe veilig voelde je je achter dien wand van vuur! Ook Padde werd door de behagelijke warmte verkwikt. Hijgend lag hij te staren naar de spookachtige schimmen tegen den achterwand van het hol.Dolimah keek droomend in de vlammen. Toen opeens begon ze weer te vertellen, en de jongens luisterden er naar zooals ze naar muziek zouden hebben geluisterd. „Behalve in de bergen, was er vroeger op de aarde geen vuur. De menschen wisten niet, hoe het op te wekken en kenden er de macht niet van. Nu was er eens een arme man, die zoo vroom leefde, dat de geesten medelijden met hem kregen. Hij sliep altijd op de steenen en offerde zijn laatste bete. Nu zeiden de geesten tot hem: „Omdat je zoo vroom bent geweest, zullen we je tot den rijksten van alle menschen maken. Wij zullen je hetvuurgeven.”—„Het vuur?” vroeg de vrome man verbaasd, „wat is dat?”—„Dat zul je wel zien”, antwoordden de geesten. „Je hebt niets anders te doen dan twee stukjes bamboe tegen elkaar te tikken—en er deze tooverspreuk bij te zeggen.” En de geesten noemden de tooverspreuk.—Nu, toen de man twee bamboetjes tegen elkaar getikt had en de spreuk had gezegd, vlogen de stokjes in brand. „Nu zie je wat vuur is”, zeiden de geesten. „Wend het ten goede aan: bereid er je eten mee en steek het aan wanneer de duisternis invalt,—dan vluchten[373]de kwade gedachten.”—Verheugd keek de vrome man naar de vlam, die uit het hout opsloeg. „Hoe warm is hij! En hoe vroolijk! Kom, ik wil dit aan alle menschen laten zien!” En hij ijlde naar zijn kampong. Maar onderweg kwam hij zijn buurman tegen. Die was rijk en wilde hem, den arme, nauwelijks zien.—„Goeden dag, Dajik!” wenschte de vrome man hem toe. Maar de rijke antwoordde niet en ging zonder groeten voorbij.—Dat verbitterde den arme. En nu kwam hij op een booze gedachte. „Als deze bamboe branden wil”,—zoo dacht hij, „dan zal het huis van mijn rijken, trotschen buurman ook wel willen branden! Ik zal de vlam onder het atapen-dak houden.” En hij ijlde naar het groote, mooie huis van Dajik. Daar aangekomen, tikte hij haastig de bamboetjes tegen elkaar,.…. maar ditmaal kwam er geen vuur.….! „Dat is waar ook”, dacht hij, „ik moet eerst de spreuk zeggen! Hoe luidt ze nog maar weer? Bismillah.…. Was het niet: Bismillah.…. en dan?” Hoe hij ook dacht, hij kon niet weer op de juiste woorden komen. „Dat is de straf voor mijn booze gedachten!” zei hij tot zichzelf. „Nu hebben de geesten mij de spreuk weer afgenomen, en ik ben even arm als voorheen.—Maar Dajik zal óók weten wat armoede beduidt! Ikwilvuur maken!” En hij begon het hout te wrijven, te wrijven.….! „Het wordt al warm!” dacht hij na een poos, „het vuur is stellig niet ver meer weg! Nu is het hout al zoo heet, dat ik het nauwelijks nog kan vasthouden. Hu! dat is werken! Ik ben nu al zoo moe, alsof ik den heelen dag gespit heb in mijn kleinen akker. Wacht.…. daar is het vuur!”—Toen vloog een vonk uit de bamboe op zijn sarong; de sarong vatte vuur.….! En de man verbrandde.….—Maar de rijke had uit zijn venster gezien hoe de arme het vuur verkregen had. En hij beval zijn dienaar bamboe te wrijven tot er een vlam uitsloeg. Zoo leerden de menschen het geheim kennen. Maar de spreuk kent niemand.….”Dolimah had uitverteld.Het werd stil in het hol, nu Dolimah’s zoetvloeiend stemmetje verstierf. Harmen gooide nog flink wat hout op het vuur; het knapte en knetterde geducht; de vlammen lekten tot den bovenwand van het hol. Daarbinnen smoorde je van de warmte.[374]„Toch lekker!” vonden de jongens. En weer wat hoopvoller, sliepen ze in.Den volgenden dag regende het bij vlagen. Maar de lucht bleef nog zoo grijs als een rattevel. Al vroeg in den morgen verscheen Saleiman met zijn vleermuisooren boven aan het laddertje.„Ben je daar al, Saleiman? Kom maar hier!” noodigde Dolimah uit.Saleiman toonde zijn schatten. Het waren: een gescheurde steenen pot, een klomp gekookte rijst in een pisangblad gevouwen, wat kruiden en een paar bananen.„Wat lief van je, Saleiman!” prees Dolimah hem. „Kom je morgen weer terug?”„Eh-eh”, beloofde Saleiman.„Heb je daar een soeling (inlandsche fluit uit bamboe) bij je?”Saleiman knikte.„Kun je er ook op spelen?”Instemmende hoofdknik van Saleiman.„Fluit er dan eens op?”Saleiman aarzelt, peutert in zijn neus.„Durf je niet?”Saleiman kleurt, wendt zich af en kijkt naar de lucht.„Durf je vanavond voor me te spelen, als het donker is?”„Eh-eh”, klinkt het uit Saleimans mond. En Saleiman gaat het laddertje weer op, de sarong netjes tusschen de beenen. Daar steekt zijn bol boven het plateau uit,—een bos rommelig haar op een schraal halsje. Ter zijde twee flap-ooren. Ze zijn doorzichtig.Harmen en Hajo begaven zich dien morgen vol verwachting naar hun strikken, en de teleurstelling was groot, toen er niets bleek te zijn ingeloopen.Toen ze in het hol terugkeerden, vonden ze Dolimah bezig te braden. Ze had uit vastgestampte aarde een fornuisje gemaakt, dat door het vuurtje daarbinnen allengs tot steen gebakken werd; daarop had ze den steenen pot geplaatst, waarmee[375]Saleiman den grondslag voor het huisraad der zwervers had gelegd. Zoo kookte ze een soort soepje van allerlei kruiden, gooide er de rijst in, die nu groen-geel van kleur werd, sneed er een paar schijfjes banaan in en zette Padde het heele zaakje voor zijn neus.Maar de arme jongen kon er niets van binnenkrijgen.„Padde dan toch!” zei Hajo. „’t Ruikt zoo fijn! Jij doet maar niets dan drinken en je moet toch ook wat eten!”Padde greep Hajo’s hand. „Hajo.….!” En hij begon krampachtig te snikken. „Ik weet het wel: jullie wilt verder, en je moet om mij hier blijven.… ’k Wou, dat ik maar dood ging, Hajo,—dan konden jullie.…. dan konden jullie.….” De tranen versmoorden Padde’s stem. „Jullie zijn allemaal zooveel sterker dan ik, jullie hebt meer fut; ik ben lastig voor jullie; ik ben jou ook altijd tot last geweest.….”„Wat een onzin, Padde!” gromde Hajo, wien de tranen nu ook in de keel schoten. „Jij bent niemand tot last enmijvast en zeker niet! Hoe vaak zijn we samen geen appelen gaan rapen in ’t Sinte Klarens? En denk je, dat ik maar half zoo’n lol zou hebben gehad, als jij niet bij me was geweest?”Padde kuste Hajo’s hand. „Hajo! Ja, dat is het hem ook: in dit land, in dit vreeselijke land hoor ik niet thuis. In Hoorn, daar moet ik wezen! Daar kan ik misschien nog wat verdienen voor m’n moeder en m’n zusjes en broertjes. Als m’n oom me nog wil hebben voor de bierbrouwerij.…. ’k Had ook zoo gehoopt wat geld mee naar huis te brengen, en nou is alles de lucht in.….”„Welneen, Padde!” zei Hajo. „Op de terugweg verdienen we wel weer geld, dan komen we toch niet platzak thuis. Als we maar eerst in Bantem zijn! Als Dolimah zoo aan het vertellen is, is het net, of we hier nooit weg zullen komen; dan wordt alles zoo groot, en je voelt je-zelf zoo klein en zoo vreemd in dit land.…. Maar wij, Padde, wij verlaten mekaar niet, hoor! Samen uit, samen thuis!”„Hajo”, snikte Padde, „zooals jij is er maar één! Dat heb ik altijd gezegd, als die lamzakken wat op je aan te merken hadden. Lange Leen heb ik op z’n gezicht getimmerd!”„Nou, heb je nou weer wat moed?”[376]„Ja, hoor!” zei Padde. „Wij komen er wel weer, hè?”„Wees daar maar gerust op!”Tegen de schemering kwam Saleiman weer. Ditmaal had hij nog meer weten te kapen: een paar eieren, nog een steenen potje, drie gedroogde visschen en achtmaïskolven.„Doe het niet weer, Saleiman”, zei Dolimah. „Ik wil niet, dat ze het merken en je een dief noemen.”Saleiman keek beschaamd een anderen kant uit.„Heb je je soeling weer bij je?”„Eh-eh.”„Speel dan wat voor mij, wil je?”Saleiman knikte, hurkte omzichtig neer en haalde zijn fluit voor den dag. Het was een hol stuk bamboe met gaatjes er in gebrand; het mondstuk was gevormd door een der schotjes uit de bamboe, waarin een smalle spleet was gesneden. Saleiman keek schuchter om naar de jongens, die verbaasd wachtten op wat komen ging.„Ja, speel maar, Saleiman”, zei Rolf vriendelijk, de anderen manend te gaan zitten. Saleiman aarzelde nog even, snoof, keek in de grijze lucht en zette toen gewichtig, vol ernst de fluit aan zijn vooruitgestoken lippen.Daar kwam, als een verre roep van een nachtvogel, een langgerekte, nasale toon uit het instrument. Op den toon volgde een iets hoogere, even langgerekt en droefgeestig. Toen zonk de fluit weer even terug op den eersten toon, ging weer omhoog, liep met een weeken stap over den tweeden heen en zong den derden geheimzinnig uit, met een korten zucht na. Toen weer de diepte in, lang en klagend. En zoo geleidelijk weer omhoog met statige passen. In eens.…. tiereliet! tiereliet! tiereliet! heel in de hoogte en verschrikkelijk valsch. Toch weer niet valsch.…. kan een vogel valsch zingen, ook al schettert hij nog zoo hoog? Saleimans gezicht stond ernstig. Als bleeke stralen tooverde hij nu teedere roepen uit den nevel en.…. hoor! een wijsje, zacht wiegend, vleiend.…. een wijsje, maar toch zou geen der jongens het kunnen nafluiten. Zoo vlug liepen de tonen achter elkaar aan, dat je er geen van grijpen kon,—ze deden ook zoo nevelig aan en verstomden meteen[377]weer. Toen een lange, droeve triller, een oolijk loopje omlaag en weer een doffe, eindelooze toon, waarin een trilling sidderde als een lichtveeg op een nachtelijk meer.…. Saleiman hield op.„Was dat de maan?” vroeg Dolimah.„Eh-eh.” Saleiman keek peinzend in de regenlucht, waar zich allengs de nacht ging spinnen.„Kun je het beekje ook nafluiten?”„Eh-eh.”„En de krokodil? En de slang? Doe de slang eens na?”De kleine kunstenaar dacht even, bracht toen de fluit weer aan de lippen.Hoor! Daar komt de slang! Den platten kop opgericht, lispelend met de tong! Langzaam, met onverwachte, listige wendingen schuifelen de noten voort; Saleiman beweegt in de maat zijn mager ruggetje heen en weer.—De slang houdt stil. Lispelt even met het fijne, ingesneden tongetje, gaat nog een eindje voort, wendt een paar maal spiedend den kop, kronkelt dan langzaam ineen.….„Daarmee kun je de slangen lokken, niet waar, Saleiman?” vraagt Dolimah.„Eh-eh.”„Maak nu het vuur eens?”Saleiman richt zijn oogen in het vuur, brengt de fluit aan zijn lippen en.…. hoor! daar dansen de vlammetjes al. Een windvlaag strijkt als een moede vogel in het ravijn neer, roert zich nog een weinig, doet de vlammen wat hooger oplaaien. De fluit volgt. Nu is het weer stil; de vlammen worden kalm. De fluit volgt.—En dan gaat Saleiman fantaseeren. Hij houdt zijn oogen star in het vuur gericht; zij puilen naar voren, en het oogwit blinkt uit het bruine gelaat op, dat van inspanning donkerder wordt. Saleiman toovert een woesten brand. Roode vlammen komen diep van onderen op, laaien omhoog, worden hel-geel en eindigen in een lange, kronkelende punt. Hoei.….! Hoei.….! Hoei.….!—Eindelijk houdt Saleiman op, hijgt, een triumfantelijken glimlach om de lippen. Dan, plots, slikt hij iets weg, kijkt schuchter naar zijn fluit.„Nu de twee vogels!” zegt Dolimah. „Ken je de twee vogels ook?”[378]„Eh-eh.”Hoor! daar zingt de eene vogel al! Omlaag, omhoog, een kristalheldere triller, een lange, lokkende roep.…. Er gaat een betoovering uit van dit magere, leelijke joggie met zijn flap-ooren en zijn litteekens.—Nu de andere vogel! Ojé, die wil den eersten nadoen.…. maar het lukt niet! Hij krabbelt van de eene noot naar de andere, zwelt van eigenliefde als de triller hem zoowat gelukt, maakt er nog een fraai haaltje aan. Dan de lokroep aan het slot: schor en onzeker.Dolimah lacht. „Je kunt het goed, hoor! Wie heeft het je geleerd?”Saleiman zwijgt, kijkt naar boven en snuift.„Speel nu eens het allermooiste wat je kent, Saleiman?” vraagt Dolimah.Saleiman ziet Dolimah schuchter, aarzelend aan. Dan brengt hij de fluit aan de lippen, sluit de oogen. In zachten, droeven toon zet hij in; moeizaam slepen de tonen zich voort. Dan even een pauze, en plots klimmen de noten omhoog als om naar iets uit te zien. En nu volgt een teere, zoetemelodie, met zachte, lichte schreden voortgaand, hooger, steeds hooger, tot in de wolken van Saleiman’s verbeeldingskracht. Saleiman houdt van dit wijsje, hij laat het weer vallen en dan weer klimmen, zooals om den wijnstok zich de ranken winden vol teere bloesem.…. Dan plots stokt het wijsje in een schrillen toon, alsof een ruwe knaap het afsloeg. Saleiman laat de fluit zinken, haalt diep adem, brengt ze dan weer aan de lippen en zet weer in de droeve wijze van daarstraks in. Steeds weeker en zachter, tot eindelijk de laatste toon versterft.…. Dan opent Saleiman de oogen en staart den hemel in.Dolimah vraagt zacht: „Wat was dat, Saleiman?”Saleiman zwijgt.—Een groote traan welt in zijn oogen op.„Nu, hoe heet het wijsje?” dringt Dolimah aan. „Heet het.….Saleiman?”Saleiman krabbelt haastig overeind.„Moet je weg?”Saleiman knikt met afgewend gelaat. Dan scharrelt hij uit zijn sarong een doosje op en schuift het open. Op den bodem[379]zit een vuurvliegje gekleefd. Dat zal Saleiman onderweg tegen de booze geesten beveiligen.De jongens zien den kleinen flap-oor nu met gansch andere oogen vertrekken. Als hij zijn sarong omslaat om het laddertje te bestijgen, ritselt een slang tusschen de struiken omlaag, de helling van het ravijn af. „Eh, gagit!” roept Saleiman ontzet en vliegt met zijn soeling en dievenlantarentje omhoog.Harmen heeft een diepen zucht geslaakt. „Had ik m’n fiool maar, dan speelden we samen eens een moppie!” Maar geen der anderen loopt erg warm op dien wensch. Gelukkig merkt Harmen het niet.Joppie ligt in Padde’s armen te snurken. Hij wou daarstraks met de fluit instemmen, kreeg daarvoor van Harmen een schop, zocht, als gewoonlijk, in den slaap vergetelheid en vond ze ook.„Zullen wij nog wat bikken voor we gaan slapen?” vraagt Harmen. „Door die fluit heb ik alles vergeten: ik had de maïs willen poffen.”Niemand heeft eetlust.De jongens gooien flink wat hout op het vuur—en gaan slapen.Man die fluit speelt.[380]

Zeemeeuw.

De jongens werden door een soort vuur-koorts bevangen: ze sleepten zooveel hout bijeen, als moest er een brandstapel worden opgericht. En toen in den ingang het vuur hoog oplaaide, gingen ze dieper in het hol gezelsen. Hè, hoe veilig voelde je je achter dien wand van vuur! Ook Padde werd door de behagelijke warmte verkwikt. Hijgend lag hij te staren naar de spookachtige schimmen tegen den achterwand van het hol.

Dolimah keek droomend in de vlammen. Toen opeens begon ze weer te vertellen, en de jongens luisterden er naar zooals ze naar muziek zouden hebben geluisterd. „Behalve in de bergen, was er vroeger op de aarde geen vuur. De menschen wisten niet, hoe het op te wekken en kenden er de macht niet van. Nu was er eens een arme man, die zoo vroom leefde, dat de geesten medelijden met hem kregen. Hij sliep altijd op de steenen en offerde zijn laatste bete. Nu zeiden de geesten tot hem: „Omdat je zoo vroom bent geweest, zullen we je tot den rijksten van alle menschen maken. Wij zullen je hetvuurgeven.”—„Het vuur?” vroeg de vrome man verbaasd, „wat is dat?”—„Dat zul je wel zien”, antwoordden de geesten. „Je hebt niets anders te doen dan twee stukjes bamboe tegen elkaar te tikken—en er deze tooverspreuk bij te zeggen.” En de geesten noemden de tooverspreuk.—Nu, toen de man twee bamboetjes tegen elkaar getikt had en de spreuk had gezegd, vlogen de stokjes in brand. „Nu zie je wat vuur is”, zeiden de geesten. „Wend het ten goede aan: bereid er je eten mee en steek het aan wanneer de duisternis invalt,—dan vluchten[373]de kwade gedachten.”—Verheugd keek de vrome man naar de vlam, die uit het hout opsloeg. „Hoe warm is hij! En hoe vroolijk! Kom, ik wil dit aan alle menschen laten zien!” En hij ijlde naar zijn kampong. Maar onderweg kwam hij zijn buurman tegen. Die was rijk en wilde hem, den arme, nauwelijks zien.—„Goeden dag, Dajik!” wenschte de vrome man hem toe. Maar de rijke antwoordde niet en ging zonder groeten voorbij.—Dat verbitterde den arme. En nu kwam hij op een booze gedachte. „Als deze bamboe branden wil”,—zoo dacht hij, „dan zal het huis van mijn rijken, trotschen buurman ook wel willen branden! Ik zal de vlam onder het atapen-dak houden.” En hij ijlde naar het groote, mooie huis van Dajik. Daar aangekomen, tikte hij haastig de bamboetjes tegen elkaar,.…. maar ditmaal kwam er geen vuur.….! „Dat is waar ook”, dacht hij, „ik moet eerst de spreuk zeggen! Hoe luidt ze nog maar weer? Bismillah.…. Was het niet: Bismillah.…. en dan?” Hoe hij ook dacht, hij kon niet weer op de juiste woorden komen. „Dat is de straf voor mijn booze gedachten!” zei hij tot zichzelf. „Nu hebben de geesten mij de spreuk weer afgenomen, en ik ben even arm als voorheen.—Maar Dajik zal óók weten wat armoede beduidt! Ikwilvuur maken!” En hij begon het hout te wrijven, te wrijven.….! „Het wordt al warm!” dacht hij na een poos, „het vuur is stellig niet ver meer weg! Nu is het hout al zoo heet, dat ik het nauwelijks nog kan vasthouden. Hu! dat is werken! Ik ben nu al zoo moe, alsof ik den heelen dag gespit heb in mijn kleinen akker. Wacht.…. daar is het vuur!”—Toen vloog een vonk uit de bamboe op zijn sarong; de sarong vatte vuur.….! En de man verbrandde.….—Maar de rijke had uit zijn venster gezien hoe de arme het vuur verkregen had. En hij beval zijn dienaar bamboe te wrijven tot er een vlam uitsloeg. Zoo leerden de menschen het geheim kennen. Maar de spreuk kent niemand.….”

Dolimah had uitverteld.

Het werd stil in het hol, nu Dolimah’s zoetvloeiend stemmetje verstierf. Harmen gooide nog flink wat hout op het vuur; het knapte en knetterde geducht; de vlammen lekten tot den bovenwand van het hol. Daarbinnen smoorde je van de warmte.[374]

„Toch lekker!” vonden de jongens. En weer wat hoopvoller, sliepen ze in.

Den volgenden dag regende het bij vlagen. Maar de lucht bleef nog zoo grijs als een rattevel. Al vroeg in den morgen verscheen Saleiman met zijn vleermuisooren boven aan het laddertje.

„Ben je daar al, Saleiman? Kom maar hier!” noodigde Dolimah uit.

Saleiman toonde zijn schatten. Het waren: een gescheurde steenen pot, een klomp gekookte rijst in een pisangblad gevouwen, wat kruiden en een paar bananen.

„Wat lief van je, Saleiman!” prees Dolimah hem. „Kom je morgen weer terug?”

„Eh-eh”, beloofde Saleiman.

„Heb je daar een soeling (inlandsche fluit uit bamboe) bij je?”

Saleiman knikte.

„Kun je er ook op spelen?”

Instemmende hoofdknik van Saleiman.

„Fluit er dan eens op?”

Saleiman aarzelt, peutert in zijn neus.

„Durf je niet?”

Saleiman kleurt, wendt zich af en kijkt naar de lucht.

„Durf je vanavond voor me te spelen, als het donker is?”

„Eh-eh”, klinkt het uit Saleimans mond. En Saleiman gaat het laddertje weer op, de sarong netjes tusschen de beenen. Daar steekt zijn bol boven het plateau uit,—een bos rommelig haar op een schraal halsje. Ter zijde twee flap-ooren. Ze zijn doorzichtig.

Harmen en Hajo begaven zich dien morgen vol verwachting naar hun strikken, en de teleurstelling was groot, toen er niets bleek te zijn ingeloopen.

Toen ze in het hol terugkeerden, vonden ze Dolimah bezig te braden. Ze had uit vastgestampte aarde een fornuisje gemaakt, dat door het vuurtje daarbinnen allengs tot steen gebakken werd; daarop had ze den steenen pot geplaatst, waarmee[375]Saleiman den grondslag voor het huisraad der zwervers had gelegd. Zoo kookte ze een soort soepje van allerlei kruiden, gooide er de rijst in, die nu groen-geel van kleur werd, sneed er een paar schijfjes banaan in en zette Padde het heele zaakje voor zijn neus.

Maar de arme jongen kon er niets van binnenkrijgen.

„Padde dan toch!” zei Hajo. „’t Ruikt zoo fijn! Jij doet maar niets dan drinken en je moet toch ook wat eten!”

Padde greep Hajo’s hand. „Hajo.….!” En hij begon krampachtig te snikken. „Ik weet het wel: jullie wilt verder, en je moet om mij hier blijven.… ’k Wou, dat ik maar dood ging, Hajo,—dan konden jullie.…. dan konden jullie.….” De tranen versmoorden Padde’s stem. „Jullie zijn allemaal zooveel sterker dan ik, jullie hebt meer fut; ik ben lastig voor jullie; ik ben jou ook altijd tot last geweest.….”

„Wat een onzin, Padde!” gromde Hajo, wien de tranen nu ook in de keel schoten. „Jij bent niemand tot last enmijvast en zeker niet! Hoe vaak zijn we samen geen appelen gaan rapen in ’t Sinte Klarens? En denk je, dat ik maar half zoo’n lol zou hebben gehad, als jij niet bij me was geweest?”

Padde kuste Hajo’s hand. „Hajo! Ja, dat is het hem ook: in dit land, in dit vreeselijke land hoor ik niet thuis. In Hoorn, daar moet ik wezen! Daar kan ik misschien nog wat verdienen voor m’n moeder en m’n zusjes en broertjes. Als m’n oom me nog wil hebben voor de bierbrouwerij.…. ’k Had ook zoo gehoopt wat geld mee naar huis te brengen, en nou is alles de lucht in.….”

„Welneen, Padde!” zei Hajo. „Op de terugweg verdienen we wel weer geld, dan komen we toch niet platzak thuis. Als we maar eerst in Bantem zijn! Als Dolimah zoo aan het vertellen is, is het net, of we hier nooit weg zullen komen; dan wordt alles zoo groot, en je voelt je-zelf zoo klein en zoo vreemd in dit land.…. Maar wij, Padde, wij verlaten mekaar niet, hoor! Samen uit, samen thuis!”

„Hajo”, snikte Padde, „zooals jij is er maar één! Dat heb ik altijd gezegd, als die lamzakken wat op je aan te merken hadden. Lange Leen heb ik op z’n gezicht getimmerd!”

„Nou, heb je nou weer wat moed?”[376]

„Ja, hoor!” zei Padde. „Wij komen er wel weer, hè?”

„Wees daar maar gerust op!”

Tegen de schemering kwam Saleiman weer. Ditmaal had hij nog meer weten te kapen: een paar eieren, nog een steenen potje, drie gedroogde visschen en achtmaïskolven.

„Doe het niet weer, Saleiman”, zei Dolimah. „Ik wil niet, dat ze het merken en je een dief noemen.”

Saleiman keek beschaamd een anderen kant uit.

„Heb je je soeling weer bij je?”

„Eh-eh.”

„Speel dan wat voor mij, wil je?”

Saleiman knikte, hurkte omzichtig neer en haalde zijn fluit voor den dag. Het was een hol stuk bamboe met gaatjes er in gebrand; het mondstuk was gevormd door een der schotjes uit de bamboe, waarin een smalle spleet was gesneden. Saleiman keek schuchter om naar de jongens, die verbaasd wachtten op wat komen ging.

„Ja, speel maar, Saleiman”, zei Rolf vriendelijk, de anderen manend te gaan zitten. Saleiman aarzelde nog even, snoof, keek in de grijze lucht en zette toen gewichtig, vol ernst de fluit aan zijn vooruitgestoken lippen.

Daar kwam, als een verre roep van een nachtvogel, een langgerekte, nasale toon uit het instrument. Op den toon volgde een iets hoogere, even langgerekt en droefgeestig. Toen zonk de fluit weer even terug op den eersten toon, ging weer omhoog, liep met een weeken stap over den tweeden heen en zong den derden geheimzinnig uit, met een korten zucht na. Toen weer de diepte in, lang en klagend. En zoo geleidelijk weer omhoog met statige passen. In eens.…. tiereliet! tiereliet! tiereliet! heel in de hoogte en verschrikkelijk valsch. Toch weer niet valsch.…. kan een vogel valsch zingen, ook al schettert hij nog zoo hoog? Saleimans gezicht stond ernstig. Als bleeke stralen tooverde hij nu teedere roepen uit den nevel en.…. hoor! een wijsje, zacht wiegend, vleiend.…. een wijsje, maar toch zou geen der jongens het kunnen nafluiten. Zoo vlug liepen de tonen achter elkaar aan, dat je er geen van grijpen kon,—ze deden ook zoo nevelig aan en verstomden meteen[377]weer. Toen een lange, droeve triller, een oolijk loopje omlaag en weer een doffe, eindelooze toon, waarin een trilling sidderde als een lichtveeg op een nachtelijk meer.…. Saleiman hield op.

„Was dat de maan?” vroeg Dolimah.

„Eh-eh.” Saleiman keek peinzend in de regenlucht, waar zich allengs de nacht ging spinnen.

„Kun je het beekje ook nafluiten?”

„Eh-eh.”

„En de krokodil? En de slang? Doe de slang eens na?”

De kleine kunstenaar dacht even, bracht toen de fluit weer aan de lippen.

Hoor! Daar komt de slang! Den platten kop opgericht, lispelend met de tong! Langzaam, met onverwachte, listige wendingen schuifelen de noten voort; Saleiman beweegt in de maat zijn mager ruggetje heen en weer.—De slang houdt stil. Lispelt even met het fijne, ingesneden tongetje, gaat nog een eindje voort, wendt een paar maal spiedend den kop, kronkelt dan langzaam ineen.….

„Daarmee kun je de slangen lokken, niet waar, Saleiman?” vraagt Dolimah.

„Eh-eh.”

„Maak nu het vuur eens?”

Saleiman richt zijn oogen in het vuur, brengt de fluit aan zijn lippen en.…. hoor! daar dansen de vlammetjes al. Een windvlaag strijkt als een moede vogel in het ravijn neer, roert zich nog een weinig, doet de vlammen wat hooger oplaaien. De fluit volgt. Nu is het weer stil; de vlammen worden kalm. De fluit volgt.—En dan gaat Saleiman fantaseeren. Hij houdt zijn oogen star in het vuur gericht; zij puilen naar voren, en het oogwit blinkt uit het bruine gelaat op, dat van inspanning donkerder wordt. Saleiman toovert een woesten brand. Roode vlammen komen diep van onderen op, laaien omhoog, worden hel-geel en eindigen in een lange, kronkelende punt. Hoei.….! Hoei.….! Hoei.….!—Eindelijk houdt Saleiman op, hijgt, een triumfantelijken glimlach om de lippen. Dan, plots, slikt hij iets weg, kijkt schuchter naar zijn fluit.

„Nu de twee vogels!” zegt Dolimah. „Ken je de twee vogels ook?”[378]

„Eh-eh.”

Hoor! daar zingt de eene vogel al! Omlaag, omhoog, een kristalheldere triller, een lange, lokkende roep.…. Er gaat een betoovering uit van dit magere, leelijke joggie met zijn flap-ooren en zijn litteekens.—Nu de andere vogel! Ojé, die wil den eersten nadoen.…. maar het lukt niet! Hij krabbelt van de eene noot naar de andere, zwelt van eigenliefde als de triller hem zoowat gelukt, maakt er nog een fraai haaltje aan. Dan de lokroep aan het slot: schor en onzeker.

Dolimah lacht. „Je kunt het goed, hoor! Wie heeft het je geleerd?”

Saleiman zwijgt, kijkt naar boven en snuift.

„Speel nu eens het allermooiste wat je kent, Saleiman?” vraagt Dolimah.

Saleiman ziet Dolimah schuchter, aarzelend aan. Dan brengt hij de fluit aan de lippen, sluit de oogen. In zachten, droeven toon zet hij in; moeizaam slepen de tonen zich voort. Dan even een pauze, en plots klimmen de noten omhoog als om naar iets uit te zien. En nu volgt een teere, zoetemelodie, met zachte, lichte schreden voortgaand, hooger, steeds hooger, tot in de wolken van Saleiman’s verbeeldingskracht. Saleiman houdt van dit wijsje, hij laat het weer vallen en dan weer klimmen, zooals om den wijnstok zich de ranken winden vol teere bloesem.…. Dan plots stokt het wijsje in een schrillen toon, alsof een ruwe knaap het afsloeg. Saleiman laat de fluit zinken, haalt diep adem, brengt ze dan weer aan de lippen en zet weer in de droeve wijze van daarstraks in. Steeds weeker en zachter, tot eindelijk de laatste toon versterft.…. Dan opent Saleiman de oogen en staart den hemel in.

Dolimah vraagt zacht: „Wat was dat, Saleiman?”

Saleiman zwijgt.—Een groote traan welt in zijn oogen op.

„Nu, hoe heet het wijsje?” dringt Dolimah aan. „Heet het.….Saleiman?”

Saleiman krabbelt haastig overeind.

„Moet je weg?”

Saleiman knikt met afgewend gelaat. Dan scharrelt hij uit zijn sarong een doosje op en schuift het open. Op den bodem[379]zit een vuurvliegje gekleefd. Dat zal Saleiman onderweg tegen de booze geesten beveiligen.

De jongens zien den kleinen flap-oor nu met gansch andere oogen vertrekken. Als hij zijn sarong omslaat om het laddertje te bestijgen, ritselt een slang tusschen de struiken omlaag, de helling van het ravijn af. „Eh, gagit!” roept Saleiman ontzet en vliegt met zijn soeling en dievenlantarentje omhoog.

Harmen heeft een diepen zucht geslaakt. „Had ik m’n fiool maar, dan speelden we samen eens een moppie!” Maar geen der anderen loopt erg warm op dien wensch. Gelukkig merkt Harmen het niet.

Joppie ligt in Padde’s armen te snurken. Hij wou daarstraks met de fluit instemmen, kreeg daarvoor van Harmen een schop, zocht, als gewoonlijk, in den slaap vergetelheid en vond ze ook.

„Zullen wij nog wat bikken voor we gaan slapen?” vraagt Harmen. „Door die fluit heb ik alles vergeten: ik had de maïs willen poffen.”

Niemand heeft eetlust.

De jongens gooien flink wat hout op het vuur—en gaan slapen.

Man die fluit speelt.

[380]


Back to IndexNext