HOOFDSTUK IX.

En nu — kunt ge lezen, wat er geschreven staat op het menschelijk aangezicht? Kunt gij uit de trekken en plooien van het gelaat de gedachten ontcijferen, die woelen en worstelen in het hart van den mensch?

Bezie toch eens het gelaat van dien man daar vóór u; op die verhevenheid; sprekende tot het volk.

Maar bezie het met aandacht; bestudeer het, want anders ziet geniets.

Ontembare geestkracht, grenzenlooze onverschrokkenheid, bewonderenswaardige zelf beheersching, onwrikbare volharding en zeldzame scherpzinnigheid, het spreekt uit dit stevig, breed, schijnbaar hard gelaat.

Onbuigzaam, dat is hij, waar het de vrijheid geldt van zijn volk; onbuigzaam als Cromwell, de koning der rondkoppen. Doch daarbij scherpzinnig en schrander als wijlen de oude kluizenaar te Friedrichsruhe.

Neen, zelijmenhem niet, dezen zoon der wildernis!

Hij kent de grepen en knepen der staatsmanskunst, en met vossensluwheid weet hij het looze, verraderlijke net te ontkomen.

Tegenover de meest geslepen staatslui van Europa heeft hij gezeten, de eenvoudige man, die slechts met moeite kan schrijven, en hij keek hen in de kaarten. Doch zijn effen gelaat verraadde het niet; slechts een fijn, schier onmerkbaar lachje speelde dan om zijn lippen.

Doch thans is dat fijn, ironisch lachje niet zichtbaar, en een wolke van ontroering gaat over zijn gelaat.

Hij behoort tot die schaar van helden, die God op Zijn tijd verwekt, wanneer Hij een vertrapt volk door den nacht van het lijden wil heenleiden tot het morgenrood der vrijheid en der zegepraal.

Doch die helden voelen de volle zwaarte der verantwoordelijkheid, die op hun schouders wordt gelegd, en Paul Kruger voelt ze ook.

Van daar die wolke van ontroering over zijn mannelijk gelaat.

Hij zal dat kleine, zwakke, aemechtige Boerenvolk uitleiden uit de kluisters der Engelsche gevangenschap, en het brengen als een andere Mozes in het Kanäan der vrijheid. En dit moedige hart, dat nooit heeft gebeefd, deinst terug bij het gezicht der rookende bloedplassen, waar de tocht doorheen zal gaan.

Doch hij sterkt zich in zijn God.

Daar ligt het geheim van zijn kracht.

Scheur dat Godsvertrouwen uit zijn ziel, en ge snijdt de lokken af van dezen Afrikaanschen Simson.

Diep buigt hij voor zijn God in het stof, en daarom zal hij den vrijen nek voor Engeland niet buigen — nooit en nimmer!

De kommandant-generaal Piet Joubert, die straks de Boeren zal aanvoeren in den heldenstrijd voor vrijheid en recht, heeft gezegd: "Engeland is machtig, maar God is almachtig" — Paul Kruger zegt er Amen op.

En hoor nu het sobere, maar van mannelijke kracht doortintelde woord, waarmede hij te Paardekraal den buitengewonen Volksraad op Maandag 13 December 1880 opent, en — den oorlog inluidt:

"Edel Achtbare Voorzitter en Leden van den Volksraad!

Ik sta hier voor uw aangezicht, geroepen door het Volk. In die stem van het Volk heb ik gehoord de stem van God, den Koning der Volken, en ik gehoorzaam. Ik heb niet gedacht aan mijn eigen bekwaamheid, maar ik doe, wat mijn hand vindt om te doen...

Hier sta ik, ik kan niet anders, God helpe mij!

Het is niet noodig, een lange toespraak te houden. Uwe werkzaamheden zijn noodig, om de regeering spoedig in staat te stellen, het land volgens de Grondwet te besturen, en daartoe uit te voeren den wensch van het Volk, zooals die in de besluiten van 15 December 1879 zijn uitgesproken.

Ik heb in zoover gedaan, wat de wet van mij verwacht, maar nu is het oogenblik gekomen voor den Edel Achtbaren Volksraad, om verdere voorziening te maken voor het Bestuur des lands. Ik heb de eer u voor te stellen, dit Bestuur voorloopig op te dragen aan een Driemanschap.

Ik wil u herinneren, dat de zaak van het land, hoewel zeer ernstig, toch volkomen wettig is. Het Volk heeft nooit den weg der wet verlaten, heeft na de annexatie geprotesteerd, zich lijdelijk verzet, en zou misschien nog andere vreedzame middelen hebben verkozen, ware het niet, dat de Engelsche autoriteit in Pretoria dit onmogelijk had gemaakt. Het recht der volken is aan onze zijde, en hoe zwak wij zijn, onze God is een rechtvaardig God! Mijne Heeren! De Heere zegene uwe werkzaamheden en bescherme ons Vaderland!"

Zóó sprak Paul Kruger.

Klonk het slot niet als een gebed?

Het antwoord van den Volksraad bij monde van zijnen voorzitter Bodensteijn was van deze aanspraak de heldere, vastberaden weerklank.

Het luidde als volgt:

"Hoog Edele Heer en Heeren!Wij hebben de aanspraak van Z. H. Ed. den Vice President met een warm gevoel van dankbaarheid vernomenomdat Z. H. Ed. den moed heeft gehad, in dit moeilijk oogenblik, in naam van het Volk, de wet in handen te nemen. Nooit zal het Volk der Zuid-Afrikaansche Republiek vergeten, dat Gij — toen de nood op het hoogst was gestegen — onder het gevaar eener vijandelijke macht, hebt gezegd: "Hier sta ik, ik kan niet anders, God helpe mij!"Evenmin zal het volk het werk van het Comité vergeten, dat gedurende de laatste vier jaren onzer onderdrukking werkzaam en waakzaam was voor de belangen van ons Volk. En wij zijn hier met u — en met ons Volk — bereid, om ons leven — tot den laatsten man — te offeren voor de onafhankelijkheid van ons dierbaar Vaderland..."

"Hoog Edele Heer en Heeren!

Wij hebben de aanspraak van Z. H. Ed. den Vice President met een warm gevoel van dankbaarheid vernomenomdat Z. H. Ed. den moed heeft gehad, in dit moeilijk oogenblik, in naam van het Volk, de wet in handen te nemen. Nooit zal het Volk der Zuid-Afrikaansche Republiek vergeten, dat Gij — toen de nood op het hoogst was gestegen — onder het gevaar eener vijandelijke macht, hebt gezegd: "Hier sta ik, ik kan niet anders, God helpe mij!"

Evenmin zal het volk het werk van het Comité vergeten, dat gedurende de laatste vier jaren onzer onderdrukking werkzaam en waakzaam was voor de belangen van ons Volk. En wij zijn hier met u — en met ons Volk — bereid, om ons leven — tot den laatsten man — te offeren voor de onafhankelijkheid van ons dierbaar Vaderland..."

Zoo sprak de Voorzitter.

De schildleeuw van het kleine, maar dappere Boerenvolk had zijn ijzeren kluisters gebroken.

1) Met deze "beginsellooze schurken" waren Paul Kruger, Piet Joubert en M. Pretorius in de eerste plaats bedoeld.2) De Zoeloe's waren destijds in oorlog met de Engelschen. In dien oorlog sneuvelde de zoon van Napoleon III, exkeizer van Frankrijk. De oorlog eindigde met de onderwerping der Zoeloe's.

Op zijn vluggen moorkop gezeten, jaagt een eenzaam ruiter over de onafzienbare, golvende grasvelden der Transvaal. Gisteren 15 December, is hij met zijn kameraden van Paardekraal vertrokken, en van nacht heeft hij met hen bij een kennis gelogeerd. Maar het ongeduld pakte hem, en toen de anderen nog sliepen, heeft hij, Jan Kloppers, zijn klepper gezadeld.

Hij liet een boodschap achter, dat hij niet langer kon wachten, en vóór het schemeren van den dageraad zette hij den tocht alleen voort.

De morgenwind streelt zijn wangen, en vrolijk hinnikt de moorkop. De ruiter heeft hem den teugel los over den nek geworpen, en regeert hem door een druk van zijn knieën.

Over zijn schouder hangt de keurige tweelooper, en over de borst de bandelier met de scherpe patronen.

"Toe, Moorkop," zegt hij in zijn alleenspraak, "toe, vooruit... Jij moogt mee in den oorlog, hoor — met jouw baas!Dat spreekt van zelf... Wat zullen wij op die Roodbaatjes1)schieten... Vader gaat ook mee — natuurlijk! En wat zal kaptein Raaff op zijn blekken schotel slaan..."

Hij lacht van plezier, doch de snelle Moorkop rept zich, en suizend gaat het over de golvende vlakte.

"Herman Hoogerhuis gaat ook mee — natuurlijk. Een flinke kerel, die Herman, maar 't schieten moet hij nog leeren. Enfin, dat leert men van zelf, als men op de Roodbaatjes mikt... 't Is anders toch maar een naar ding, zoo op je evenmensch te schieten — 't is verschrikkelijk! Maar wat is er aan te doen? Doodschieten doe ik ze toch...

En Kees Botter gaat ook mee — natuurlijk. Hij heeft het al gezegd. Nu, hij zou ook geen goeie Afrikaander zijn, als hij niet meeging. 't Spijt me, dat ik verleden week zoo 'n standje met hem heb gehad, maar dat moet vergeten zijn. Hij is sedert dien tijd meer dan vriendelijk — het is een beste kerel...

Maar jij, kleine Arie, jij kunt niet mee, hoor! Daar is geen kwestie van. Gij zijt nog geen dertien jaar — kinderen kunnen we bij 't vechten niet gebruiken. 't Is werkelijk geen kinderspel — 't zal bloed kosten...

Ja, 't is toch een ernstig ding, zoo'n oorlog! Daar komt zoo 'n bom voor je voeten neerploffen en slaat je in gruizelementen...

Dan ben je zoo maar in de groote, vreeselijke eeuwigheid, Jan...

Vader is niet bang om te sterven, maar ik wel, dat is waar. Doch voor de Engelschen ben ik niet bang; dat is ook waar. Wij strijden voor een rechtvaardige zaak, en we winnen 't zeker. Onze dappere Paul Kruger zeide: "Slechts over onze lijken krijgen zij onze vlag," maar zoo'n vaart zal 't niet loopen. We gaan achter de klippen liggen, en zullen ze schieten als boschduiven...

't Is echter miserabel, dat we geen kanonnen hebben, maar daar is nu heelemaal niks aan te doen.

Nu we geen kanonnen hebben, zullen we 't zonder kanonnen doen, hé Moorkop?", zeide hij, en hij sloeg den klepper op den blinkenden hals.

Hij zette zich vaster in het zadel, en greep den lossen teugel. Hij scheen den blanken loop der Engelsche kanonnen reeds te zien, wijd in de verte.

"Vooruit, Moorkop," riep hij, "vooruit, wij zullen ze schieten als boschduiven, hoera!"

Dirk Kloppers zat met eenige vrienden juist aan de koffietafel, toen Jan, van het hoofd tot de voeten met een zware laag stof bedekt, naar binnen stoof.

De Boeren sprongen bij zijn verschijning overeind, en met strakke gezichten staarden zij op den pas gekomene.

"Welke tijding brengt ge?" vraagde Dirk Kloppers, "oorlog of onderwerping?"

"Oorlog en vrijheid!" zeide de jonge man met gloeiende wangen. "De Republiek is door het volk in haar rechten hersteld, en van het gouvernementskantoor te Heidelberg wappert van daag onze vierkleur."

"God zij geloofd," riepen de Boeren, maar de grijze Voortrekker zeide: "Was er eensgezindheid onder ons volk?"

"Die vijfduizend Boeren te Paardekraal voelden zich als één volk van broeders. Nooit, nooit heeft er grootere eendracht geheerscht."

Toen riep ook de grijze Voortrekker, maar krachtiger nog dan de anderen: "God zij geloofd — Hij heeft onze gebeden verhoord!"

"Laat er nu komen wat er wil — wij zijn sterk door onze eendracht," liet hij er op volgen.

Er heerschte een oogenblik zwijgen. Ieder was met zijn eigen gedachten vervuld.

Jan ontdeed zich van geweer en bandelier, trok het wambuis uit en zette zich aan tafel.

Zijn zorgende moeder kwam reeds aandragen met brood en vleesch en schonk hem een dampende kop koffie in.

Peinzend staarde de vader door de kleine ruiten naar buiten; naar de schemerende heuvelen in de verte.

"En vandaag wordt onze vlag geheschen te Heidelberg," zeide hij meer tot zichzelven dan tot de anderen, "van daag, den 16denDecember. Dat is de Dingaansdag; de dag, waarop ik 42 jaar geleden bij de Bloedrivier medestreed tegen het Kaffergeweld. 't Is dezelfde datum; 't is een beschikking des Heeren. Toen, den 16denDecember 1838, werd ons volksbestaan gered tegenover de Zoeloe's, en heden, den 16denDecember 1880, wordt ze gehandhaafd tegenover Engeland."

Hij liep op en neer, met snellen, veerkrachtigen tred; hij scheen vijf en twintig jaren jonger. Zijn blauwe oogenbegonnen te schitteren, en bleven hangen aan den blanken loop van zijn Henri-Martini-geweer, daar tegen den muur.

Zijn vrouw raadde zijn gedachten.

"Wanneer trek je in den oorlog?" zeide zij.

"Overmorgen," antwoordde hij; "is je dat te vroeg, Anneke?"

"Neen," zeide zij bedaard; "ik dacht het wel."

"Maar het kan een bloedige oorlog worden," zeide hij nadenkelijk.

"Dat weet ik," antwoordde zij.

"En als wij Boeren sneuvelen in den strijd, Anneke?"

"Dan," — zeide zij, "dan — zeg Dirk, hoe heette de Haarlemsche ook nog, die de vrouwen aanvoerde in den strijd tegen de Spanjoolen?"

"Kenau Simon Hasselaar," antwoordde hij.

"Goed," zeide zij, "dan volgen wij vrouwen het voetspoor van Kenau Simon Hasselaar. Sterven moeten wij toch — dan is het beter in den strijd voor vrijheid en recht op het ruime veld, onder het moordende lood van den vijand, dan als slaven in onze bedstee."

Zij zeide dit op kalmen, bedaarden toon, maar het oog van den grijzen voortrekker rustte met welgevallen op zijn vrouw.

"Zoolang onze vrouwen door zulke gedachten zijn bezield," zeide hij, "is onze republiek onoverwinnelijk."

"En jullie trekt natuurlijk ook met het kommando op?" ging hij voort, zich tot de andere aanwezigen wendend.

"Ja," riepen ze, "hoe eerder hoe liever."

Slechts één man stemde met dat geroep niet in, en schudde treurig het hoofd.

"Ik kan niet meegaan," zeide hij, en hij hief zijn beide tot stompen geschroeide handen omhoog.

"Ik weet het," antwoordde Kloppers. "Sinds ge door die noodlottige buskruitontploffing zijt getroffen, kunt ge geen wapens meer hanteeren. Maar uw zonen kunnen uw plaats innemen, Neef Piet."

"Dat zullen ze!" antwoordde de verminkte. "Alle zeven! En zij zullen hun man staan; daar sta ik borg voor!"

"Dat weten we," riepen de Boeren.

Eenige uren later kwamen de leeuwenjager, Herman Hoogerhuis en Kees Botter aan.

"Nu zullen we de Roodbaatjes raken, Oom," zeide Kees Botter.

"Ja, jongen, met Gods hulp hopen we dat te doen," antwoordde de aangesprokene.

"En ik ga ook mee, Kloppers," riep Herman Hoogerhuis op moedigen toon.

"Kom," zeide de Voortrekkervroolijk, terwijl hij den Hollander hartelijk de hand schudde, "dat doet me goed. Dat is het oud-Hollandsche bloed, dat zich niet kan verloochenen. Wij zijn loten uit één stam, Herman."

"En het gaat tegen den ouden, gemeenschappelijken vijand," antwoordde de Hollander.

Nu trad de jonge Arie in den kring.

Hij kwam zoo pas van het veld, van de kudde, en zijn zuster, de blinde Lena, had hem het groote nieuws reeds medegedeeld.

Maar het nieuws had hem opgewonden, en zich tot den ouden Kloppers wendend, zeide hij met smeekende stem: "Mag ik ook mee, Grootvader?"

"Waarheen, jongen?" vraagde deze.

"Wel in den oorlog, Grootvader."

"Neen, mijn jongen," zeide Kloppers, en hij schudde zijn grijze lokken, "gij blijft bij je grootmoeder en zuster."

"Waarom, Grootvader?"

"Omdat ge nog een kind zijt," hernam Kloppers op ernstiger toon.

"Ikbengeen kind meer," zeide de jongen met een gekwetst gevoel van eigenwaarde.

"Ja wel Arie, gijzijtnog een kind," hernam de oude Kloppers op beslisten maar vriendelijken toon.

"Ik ben ruim dertien jaar; dat vergeet ge, Grootvader."

De Jonge Arie zeide dit vol ijver, in groote opwinding, maar zijn grootvader was niet van zijn stuk te brengen.

"Later," zeide hij, "later! Dan moogt ge mee!"

En hij lachte, terwijl hij dit zeide.

Maar zijn kleinzoon lachte niet.

"Neen,nietlater," zeide de jongen hartstochtelijk, "nietlater! Laat menumeegaan!"

En hoe onvermurwbaarder het hart van den ouden Kloppers scheen, te dringender werd de jongen in zijn vragen.

Hij bad, hij smeekte — hij wierp zich aan de voeten van den grijzen Voortrekker.

"Sta op," zeide de Voortrekker, zelf geschokt.

"Neen," zeide hij, "ik sta niet op, tenzij ik mee mag in den oorlog."

Al de hartstochtelijkheid, die diep verscholen ligt in het hart van den Afrikaanschen Boer, kwam bij dit Transvaalsche kind tot een plotselinge, heftige uitbarsting.

"Sta op," zeide de Voortrekker nog eens, "dat kan ik niet aanzien. Ge zegt, dat ge geen kind meer zijt? Wel aan, ik zal je op de proef stellen.

Het paard, waarmee ge in den oorlog zult trekken, en het geweer, waarmee ge in den oorlog zult schieten, moet ge eerst op den Engelschman veroveren — dan moogt ge mee in den oorlog."

"Goed," zeide de jongen, overeind rijzend en de heete tranen uit de oogen wisschend, "die voorwaarde is niet al te zwaar."

1) Engelschen.

"Oom Jan, waar is Kees gebleven, Kees Botter?" vraagde de blinde Lena.

"Kees?" zeide Jan Kloppers, "Kees? Waarom vraag je dat?"

"Ik hoor zijn stem niet, Oom Jan."

"Wel, hij is zoo even de deur uitgegaan."

"In welke richting?" vraagde Lena.

"In welke richting? Jij wordt een nieuwsgierig nest, Leentje," schertste Jan; "daar heb jij niks mee te maken."

Maar zij tastte naar zijn handen en greep ze.

"Toe, zeg het mij," zeide ze dringend.

"Ik weet het niet," antwoordde hij, "maar maak je maar niet ongerust; Kees zal niet zoo gauw verongelukken."

"'t Is te hopen," zeide ze op een eigen toon, maar nog dringender dan zooeven smeekte zij: "Ga even kijken!"

"Is de zaak van zoo'n gewicht?" vraagde hij verwonderd.

"Dat weet ik niet," zeide ze, "maar laat Kees in geen geval iets merken."

Jan ging nu naar buiten, en terugkomend zeide hij: "Kees wandelt naar het bosch, doch wat hij in dat bosch heeft te maken, dat begrijp ik niet."

"En ik evenmin," antwoordde het blinde kind.

Doch meer zeide ze niet.

Kees Botter was intusschen nog al gauw terug.

"Wat had je daar toch in dat bosch te maken?" vraagde Jan. "Wie?" zeide Kees.

"Wel jij!" zeide Jan.

"O, ik heb daar op wild geloerd," zeide Kees.

"En ge gingt zonder geweer?" zeide Jan.

"Wie zegt dat?" vraagde Kees.

"Wel ik —," zeide Jan; "ik heb je nagekeken."

"O ja, 't is waar ook," antwoordde Kees; "ik had in de haast het geweer vergeten."

"Zóó!" zeide Jan, maar Lena, die dit gesprek woord voor woord had gehoord, dacht er het hare van.

"Twee maal," zeide ze tot zichzelve, "heeft hij van daag de bij ons op bezoek zijnde buren er aan herinnerd, dat het reeds laat was; drie maal heeft hij aan Grootvader gevraagd, wanneer en hoe laat hij naar het oorlogsterrein denkt te vertrekken, en vier maal heeft hij naar den koers gevraagd, dien Grootvader denkt in te slaan.

En wat heeft hij in 't bosch te maken? Het ligt in de richting van het Engelsche kamp — misschien heeft hij op een afgesproken plaats een brief neergelegd — ik denk er het mijne van."

In drukke beslommeringen was de dag ten einde gespoed. Het was reeds laat, toen men zich ter ruste zou begeven, doch Kees Botter zou nog even een luchtje gaan scheppen. Hij vond het zoo benauwd in huis.

Toen hij buiten de deur was, naderde Lena in heftige gemoedsbeweging Jan Kloppers, haren Oom.

"Ik ga nog even naar het bosch," fluisterde ze. "Blijf ik te lang weg, dan kunt ge mij in die richting zoeken."

Maar de jonge Boer keek haar aan met verbaasden blik; al te raadselachtig klonken haar woorden.

"Ik begrijp je niet," zeide hij, en hij staarde haar in haar lief gelaat, dat thans wit was als de kelk van een lelie.

"En ikkanhet je thans niet uitleggen," zeide ze.

"En ikwilhet weten," zeide hij.

Besluiteloos stond zij vóór hem.

"Laat me door," zeide ze, dringender dan zooeven. "Er hangt zooveel, er hangt misschien alles van af."

Hare stem beefde van innerlijken angst, doch met klimmende verbazing nam Jan Kloppers haar op."Hoe meer er van afhangt, hoe minder ik zin heb, je alleen te laten gaan. Als jou een ongeluk overkwam, zou ik het mij nooit vergeven, dat ik je in den nacht alleen, onvergezeld had laten gaan."

Radeloos wrong het blinde meisje haar handen.

"Zeg het mij," drong hij, "waarom je gaat. Ik zal het niet vertellen."

Er was geen andere uitweg; zij moest.

"Nu dan," zeide ze, "ik zal je mijn geheimen toevertrouwen," en in korte, haastige, afgebroken woorden, met horten en stooten, deelde zij haar gedachten en vermoedens mee.

Maar reeds voor zij was uitgesproken, helderde het gelaat van den jongen Boer op.

Hij schaterlachte.

"Als 't anders niet is," zeide hij, "dan zal 't wel losloopen. Kees Botter een verrader — hoe kom je er aan! Maar ga maar — nu ben ik gerust. Ten minste als je het pad kunt vinden."

"Ik heb het al zoo dikwijls geloopen," zeide ze.

"Ja," zeide hij, "dat is waar."

"En als ik te lang weg blijf, zal je me dan gaan zoeken?"

"Natuurlijk zal ik dat doen," zeide Jan Kloppers.

"Maar 't zal niet noodig zijn," liet hij er op volgen.

Het was volle maan; Lena wist het. En om zich niet te verraden, kroop zij meer dan zij ging het voetpad uit.

Nu en dan tastte zij naar het gras, aan weerszijden van het pad, om op het rechte spoor te blijven.

Nu ving haar scherp gehoor het geluid op van een zich verwijderenden voetstap.

Dat moest Kees Botter zijn.

Hij was het ook.

Lena strekte zich uit op het voetpad, om niet ontdekt te worden. Zoo kroop zij voorwaarts.

Drie keeren hield het geluid van den voetstap op. Telken keer bleef Botter behoedzaam, luisterend staan, maar geen onraad bespeurend, ging hij dan weer door.

Eindelijk was het bosch bereikt.

Lena hoorde het aan het ruischen van het loover, en zij voelde het aan de verdorde bladeren op den grond.

Daar knakte het in hare onmiddellijke nabijheid tusschen het struikgewas.

Argwanend keerde Botter zich om, en hij begaf zich inde richting der blinde. Zij kon het duidelijk hooren aan het naderen van zijn stap.

Zij drukte zich tegen de struiken aan, maar zij legde de hand op de borst, uit vreeze, dat het bonzen van haar hart haar zou verraden.

Rakelings ging de jonge Afrikaander langs haar heen.

Maar hij zag haar niet, want het licht der maan werd juist onderschept door een donkere nachtwolk, en de duisternis werd nog verzwaard door het gebladerte, dat zich welfde boven het voetpad.

"Een springbok is hier voorbij gekomen," zeide hij gerustgesteld.

Dat was inderdaad het geval; een springbok had zich door het struikgewas een uitweg gebaand.

Met versnelde passen spoedde Botter zich nu voorwaarts, en spoedig had hij het open terrein bereikt.

Met het grootste ongeduld zaten de twee ons wel bekende Engelsche militairen hem op te wachten.

"'t Is ellendig, dat jij altijd zoolang op je laat wachten," zeide de officier op gemelijken toon "men zou hier van verveling dood gaan."

Maar Kees Botter scheen deze opmerking niet eens te hooren.

"Ik heb zeer belangrijke berichten, Majoor!" zeide hij op vroolijken toon.

"Dat de Boeren van daag hun vaatdoek te Heidelberg zullen hijschen?" antwoordde de officier; "dat wist ik van morgen reeds..."

"Ik moet zeggen, dat u vlug van nieuws wordt bediend Majoor!"

"Vlugger dan door jou — dat is zeker."

"U behoeft niet dadelijk grof te worden," zeide de prikkelbare Afrikaander. "Kent u ook het veldtochtsplan der Boeren?"

De officier schudde het hoofd.

"Dan zal ik het u vertellen," zeide Botter.

"Ik ben van daag van de groote volksvergadering te Paardekraal terug gekomen met den zoon van mijn ouden baas, en ik weet het precies. De hoofdmacht der Boeren zal de passen van het Drakengebergte bezetten, om aan generaal Colley, die uit Natal komt oprukken, den doortocht te beletten."

"Zij zullen 't niet lang volhouden," zeide de officier.

"En de rest van de Boeren zal de Engelsche garnizoenen in de Transvaal gaan besluiten."

"Dusonskamp ook?" vraagde de officier.

"Natuurlijk — wat anders, Majoor?"

"Sapperloot, dat wordt mooi," riep de officier, en hij sloeg zich op de knie; "dat wordt mooi, sergeant. Met zevenklappers jaag ik de Boeren de breede veertien op — wat zullen ze hollen!"

"U stelt het zich al te gemakkelijk voor," zeide de Afrikaander; "de Boeren loopen niet zoo hard als u denkt."

"Goed, wij zullen zien," zeide de officier; "en verder?"

"Ik trek met het Boeren-kommando mee naar de passen van het Drakengebergte, als u 't goed keurt."

"Ik keur het goed," zeide de officier, "want daar zal de beslissing moeten vallen."

"Die natuurlijk niet twijfelachtig is," liet hij er op volgen.

"En ik houd," zeide Botter, "de Engelsche autoriteit op de hoogte van de bewegingen en de plannen der Boeren — maar hoor ik daar niet een verdacht geritsel?"

"'t Was maar een vluchtende haas," zeide de oude sergeant.

"Ik vind uw voorstel uitstekend," zeide de officier op tevreden toon.

"En heeft u lust, dan kan u overmorgen vroeg nog zoo ongeveer een dertig- of veertigtal Boeren inrekenen Majoor!"

"Werkelijk, Botter?"

"Werkelijk, Majoor. Zij komen mijn ouden baas afhalen, en trekken met hem naar het oorlogsterrein."

"Kom, dat wordt prachtig," riep de Majoor. "Dat geeft nog wat variatie in dit vervelende nest, dat Transvaal heet. Want ik ben liever aan den Nijl of aan den Indus, en gij sergeant?"

"Ik ook," antwoordde de sergeant, en hij draaide aan zijn grijze snor.

Dit was trouwens zoo wat de eenige bezigheid, die hij bij deze samenkomsten uitvoerde.

"En hoe moeten we 't aanleggen, Botter, om die dertig of veertig dappere Boeren te knippen?"

"Dat zal ik u zeggen, Majoor," antwoordde Botter. Hij beschreef zeer nauwkeurig den weg, dien de Boeren zouden nemen, "en," voegde hij er aan toe, "u legt zich met een paar honderd man in hinderlaag, en de overrompeling is volkomen."

Maar de officier riep met de grootste minachting: "Mettwee honderd man — ben je nu stapelgek, vent? Honderd man zijn meer dan genoeg."

"Ik zeg u, Majoor, neem er twee honderd," zeide Botter op bedaarden toon.

"Dat zeg ik ook," zeide de sergeant, die heimelijk vreesde, van de partij te moeten zijn; "dat zeg ik ook; de ruimte schaadt niet."

"Ik zal er honderdvijftig nemen," antwoordde de officier; "maar ook geen één meer."

"De Boeren zijn tegenwoordig met een wilden, oproerigen geest bezield," meende Botter.

"Ik zal er hem uitranselen," zeide de officier; "hier, met deze karwarts — wil je rooken; Botter?"

"Als 't u blieft, Majoor!"

De officier, die zelf ook opstak, reikte den Afrikaander een sigaar aan.

"U zult wel zoo vriendelijk willen zijn," zeide deze, "er voor te zorgen, dat ik overmorgen bij de overrompeling niet bij ongeluk word doodgeschoten."

"Nou, dat zou erg jammer zijn," lachte de officier — "hier heb je vuur!"

"Dat zou 't ook," zeide Botter — "ten minste voor de Engelsche belangen. Maar wij zullen nu eens over den deze praten," en hij maakte een ondubbelzinnig gebaar met duim en wijsvinger.

"Hoe denkt u daarover, Majoor — maar 't is net, alsof ik daar in de struiken iets verdachts hoorde; ik vertrouw het niet."

"Och kom," zeide de officier.

"Ik zeg u — ik vertrouw het niet," herhaalde de wantrouwige Afrikaander.

Hij nam een stuk papier uit zijn zak, vouwde het op en stak het aan met een lucifer.

Met deze flambouw gewapend, speurde hij den omtrek af, en daar — in de verte —

"Daar ligt een boomstam of een mensch," zeide hij; "datwil ik weten."

Lena begreep, dat ze was ontdekt. En al had ze thans de helderste oogen van de wereld gehad, die hadden haar niet meer kunnen redden.

Botter's scherpe blik had haar onmiddelijk herkend.

"Sta op," riep hij met harde, ruwe stem, "wat doe je hier?"

Van den eersten schrik bekomen en geen uitweg ziende, stond zij nu vastberaden op.

"Wat doe jij hier?" herhaalde de Afrikaander.

"Daar hebjijniet mee te maken," antwoordde zij op kordaten toon.

"Speel jij denspion?" vraagde hij.

"Speeljijsoms den spion?" was haar antwoord.

"Heb jij gehoord, wat we hebben besproken?" vraagde hij.

"En als ik het heb gehoord, wat zou dat dan?" was haar wedervraag.

"Als je 't hebt gehoord — kom mee," zeide hij, en hij sleurde haar met brutaal geweld naar de open plek, waar de beide Engelschen waren.

"Jij hebt het gehoord — je hebtallesgehoord; spreek het eens tegen," riep hij op groven toon. "Maar je zult stipte geheimhouding zweren; jezult. Versta je me? Ik zal jedwingen," zeide hij met een vloek.

Hij haalde een geladen revolver van onder het vest te voorschijn; Lena hoorde het knakken van den haan.

Al het bloed was uit haar gezicht geweken, maar zij klemde de tanden op elkaar en zeide geen woord.

"Zul je den mond opendoen, verklikster?" zeide de Afrikaander, terwijl hij haar zoo gevoelig in den arm kneep, dat zij een zachten kreet van pijn niet kon onderdrukken.

Doch nu kwam de officier tusschenbeide; deze marteling stuitte hem tegen de borst.

"Kom eens hier, meisje," zeide hij, "wie heeft je gestuurd?"

"Niemand heeft mij gestuurd," antwoordde zij.

"En heb je ons gesprek afgeluisterd?" vraagde hij.

"Daar antwoord ik niet op," zeide zij.

"Zoo," zeide hij, blijkbaar geprikkeld en op scherperen toon: "weet je ook, tot wien je spreekt?"

"Neen," zeide ze bedaard, "dat weet ik niet."

"Kijk mij dan eens goed aan," ging hij voort, terwijl hij den mantel terugsloeg, en de blinkende knoopen der roode uniform zichtbaar werden.

"Ik kan u niet zien, mijnheer," zeide het meisje.

"Me dunkt, de maan schijnt toch helder genoeg," hernam de officier.

"Ik ben blind, Mijnheer."

"Zóó," zeide de majoor op langzamen, verbaasden toon, "zóó — dat is iets anders," maar Kees Botter, zich weerin het gesprek mengend, riep op wilden, hartstochtelijken toon: "Zul je zweren? Ik schiet je dood, als je niet zweert. Hier, voel dezen revolver eens!"

Hij greep haar hand en drukte ze met geweld tegen den loop. Die hand was zoo koud als ijs.

Maar de officier zeide onwillig: "Waarom dat gemartel? Wij nemen haar eenvoudig mee naar ons kamp; dan kan ze geen kwaad stichten."

"Neen," riep de Afrikaander; "zijzalzweren."

Zijn voor niets, zelfs voor geen moord terugdeinzende aard kwam boven. Zijn oogen waren als met bloed doorloopen, en ze fonkelden als van een roofdier.

Hij duwde den loop van den revolver hard tegen het voorhoofd van het blinde kind.

"Wil je zweren?" siste hij tusschen de tanden door.

"Wat moet zij zweren?" riep een forsche, vreemde stem.

Verrast keken de mannen op; het was de stem van Jan Kloppers.

Het lang uitblijven der blinde Lena had hem toch ongerust gemaakt. Hij had het geweer over den schouder geworpen, en was met den jongen Arie op pad getrokken.

Thans verschenen beiden op het open terrein.

"Wat moet zij zweren?" vraagde Jan nog eens, en de Engelsche militairen met een wantrouwenden blik opnemend, wendde hij zich tot Lena.

"Ik moet zweren," zeide zij, "dat ik Kees Botter niet zal verraden, die zelf zijn eigen volk verraadt."

"Spreek duidelijker," riep Kloppers, onder den indruk dezer vreeselijke betichting met gedempte stem, "ik begrijp je niet."

"Ik klaag hem, Kees Botter," zeide Lena, "voor God en menschen aan, dat hij een spion is van de Engelsche regeering. Zoo pas heeft hij al de geheimen, die hij van ons volk wist, aan de Engelschen hier verklapt."

"Zóó," zeide Jan Kloppers, "zóó!"

Hij was als verpletterd door deze verschrikkelijke tijding. Maar dat ze waar was, bevestigden de twee roode jassen, daar vóór hem, en plotseling brak zijn toorn los als een vernielende bergstroom.

"Zóó," zeide hij tot Botter, "ben jij zoo diep gezonken? Ben jij een verrader geworden? Het genadebrood heb je gegeten bij mijn vader, en isdatde dank?"

Zijn stem was schor van hartstocht; hij was zich zelve niet.

Met éénen vreeselijken vuistslag sloeg hij den verrader tegen den grond, en rukte hem den geladen revolver uit de hand.

Dit was veel sneller toegegaan, dan ik het hier neer kan schrijven, en Arie het wapen reikend, zeide hij: "Houd dien verrader in toom en jaag hem bij de geringste beweging een kogel door den kop."

"En waarmee kan ik de Engelsche heeren dienen?" ging hij voort, zich tot den officier wendend, die inmiddels de hand op zijn schouder had gelegd.

"Ik wil u even vragen," zeide de officier met gebiedende stem, "of gij op de laatste vergadering te Paardekraal zijt geweest?"

"Ja," antwoordde Kloppers, "als het je plezier kan doen om dat te weten, dan zal ik het je zeggen. Ik ben er geweest."

"Dan hebt ge tegen het uitdrukkelijk bevel onzer geëerbiedigde koningin gehandeld, en moet ik je als rebel arresteeren," zeide de officier op strengen toon.

"Wanneer arresteeren, Mijnheer?"

"Op staanden voet," zeide de officier.

"Op staanden voet?" zeide de jonge Boer.

Er kwam een spotlach op zijn gelaat, en hij schudde zich als een jonge leeuw, die door de vrije wildernis trekt.

"Arie," ging hij voort, op Kees Botter wijzend, "houd dat ondier in de gaten," en zich tot den officier wendend, zeide hij: "Hier, Mijnheer, keten me nu!"

Hij rekte zich uit tot zijn volle lengte, en ging vlak vóór den officier staan.

Hij was zeker een halve voet langer dan de Engelschman.

"Sla me nu de Engelsche boeien om de handen," sprak hij tartend.

"Sergeant," beval de officier, "pak aan!"

De geroepene was niet erg op zijn gemak, maar hij kwam toch naderbij en haalde de handboeien uit den zak.

De jonge Boer kruiste de armen over de borst.

"Moet die ouwe stakkert mij de boeien aanleggen?" spotte hij. "Het manneke is al blij genoeg, dat hij op zijn beenen kan staan."

"Hier!" riep de majoor op bevelenden toon, en meteen greep hij den Boer in de borst. Maar deze sprong achteruit, en rukte het geweer van den schouder.

"Pas op!" riep hij met dreigende gebaren — maar nògmaals kwam er in het tooneel een onverwachte verandering. Alsof hij uit den grond was opgekomen, zoo plotseling verscheen de oude Dirk Kloppers op het open terrein.

Het licht der maan bescheen zijn grijze lokken, en vorschend gingen zijn blauwe oogen over de merkwaardige groep.

"Wat beteekenen die vreemde uniformen hier, Jan?" vraagde hij.

"Dat beteekent," zeide de aangesprokene, op Kees Botter wijzend, die nog steeds door den revolver in Arie's hand werd in bedwang gehouden, "dat die ellendeling daar, dien gij steeds als uw eigen kind hebt behandeld, van de goede zaak een verrader is geworden, en aan de Engelsche militairen hier al de geheimen verklapt, die hij weet."

"En wat hebt ge op die zware beschuldiging te antwoorden?" vraagde de oude Kloppers, zich tot Botter wendend.

Hij vraagde dit op langzamen, onnatuurlijk kalmen toon. Maar onder die kalmte kookte het, en onder die zware wenkbrauwen begon het onheilspellend te flikkeren.

Botter had die vraag verwacht, en nu het loochenen niet kon helpen, werd hij brutaal. En op zijn brutaalsten toon antwoordde hij: "Nu ja, ikhebde geheimen verklapt; in het belang der Boeren zelf. Ze zijn verloren, als ze tegen de Engelschen moeten vechten, en hoe sneller de oorlog afloopt, hoe minder Boerenbloed er zal vergoten worden. Ik ben nu in een scheeve positie, maar later zult ge mij nog komen bedanken!"

"Dat denk ik ook," zeide Jan met een schamperen lach.

Botter was intusschen overeind gerezen, en Arie keek zijn grootvader aan.

"Zal ik —" zeide de jongen, "zal ik?"

Maar de oude Kloppers schudde het hoofd. Hij drukte den loop van den revolver zwijgend naar beneden.

Er volgde een korte pauze, en de Engelsche majoor wachtte met klimmende verbazing de ontknooping.

Nòg bewaarde de oude Kloppers zijn kalmte, maar zijn zoon had er een voorgevoel van, dat er iets verschrikkelijks gebeuren zou.

"Hebt ge nog iets meer te zeggen, Kees Botter?" vraagde de oude Transvaler.

"Neen," zeide de aangesprokene zoo onverschillig mogelijk, "voorloopig niet."

Maar toen hij den grijzen Voortrekker in de oogen keek,toen ging er toch een rilling door zijn leden. Hij verzamelde echter nog eens al zijn moed bij elkaar, en zeide, met een volkomen mislukte poging, om een grap te uiten: "Me dunkt, ik kan me nu wel verwijderen — 't is hier nog al tochtig in de avondlucht."

"En waar wil je heen?" vraagde Kloppers.

"Naarjouhuis niet, ouwe," zeide de verrader op zijn brutalen toon van zoo even.

"Grootvader, wees voorzichtig," smeekte het blinde meisje; "hij is tot alles in staat. Zoo even dreigde hij me dood te schieten."

"En waarom wou hij je doodschieten, Lena?"

"Omdat hij bang was, dat ik zijn verraad zou verklappen."

"Zoo," zeide de Voortrekker, "nu weet ik genoeg."

"Maar die Engelsche officier wilde het niet hebben."

"Goed," zeide Kloppers, "daar zal ik nota van nemen."

Nu wendde hij zich weer tot Botter.

"Hier!" riep hij op gedempten toon, "tegen den grond!"

"Blijf van mij af," antwoordde de verrader ruw, maar in 't volgende oogenblik had de Voortrekker hem reeds gegrepen.

"Dat kan ik niet dulden," riep thans de majoor, die tot nog toe lijdelijk toeschouwer was geweest.

Hij wilde de worstelenden scheiden, maar Jan legde op het hoofd van den Engelschman aan en riep: "Raak mijn vader niet aan, of ik schiet je neer."

Doch reeds had de Voortrekker den verrader met zijn reuzenkracht tegen den grond gedrukt.

Besluiteloos stond de majoor er naast, en in zijn nabijheid, met den vinger aan den trekker van het geweer, stond de jonge Jan.

Botter echter tastte naar zijn mes en vond het. Doch den ouden Kloppers was deze beweging niet ontgaan; den arm van zijn tegenpartij grijpend, ontworstelde hij hem het wapen, en wierp het wijd het bosch in.

"Arie," zeide hij, "haal mij een scherpen doorntak."

Arie haalde er één: zoo hard als staal. De grijze Voortrekker vatte hem stevig in zijn sterke vuist.

"Nu ga ik met je afrekenen," zeide hij, terwijl hij den verrader de knie op de borst zette. Zijn stem was kalm, maar zij was vreeselijk in haar kalmte.

"Ik klaag je aan, Kees Botter, dat gij de gastvrijheid hebt geschonden, dat gij een blind meisje met den dood hebt bedreigd, en dat gij uw vaderland hebt verraden. Omuws vaders wil, die een oprechte Afrikaander was, zal ik u niet aan onze wettige regeering overleveren, die u zeker tot den kogel zou veroordeelen, maar teekenen zal ik u, opdat vriend en vijand wete, wie Kees Botter is."

"Ditis voor denschenderder gastvrijheid," ging hij voort met bliksemend oog en vreeselijke stem, terwijl de roede met de harde, scherpe doornen door de lucht suisde, "enditis voor denbeulvan blinde kinderen, enditvoor denverradervan zijn volk."

Drie keeren, kruiselings, gingen de slagen over het gelaat van den verrader. Hij gilde van pijn, van schaamte en woede; het bloed gulste van zijn gelaat.

"En ga nu uit mijn oogen, ellendeling, en bid God, dat Hij uw zonden moge vergeven," riep de Voortrekker.

Met één ruk had hij hem overeind, en slingerde hem wijd weg, zooals men een giftige adder wijd wegslingert...


Back to IndexNext