Ik heb meer dan veertig jaren in Noord-Carolina gewoond, ben met het stelsel gemeenzaam bekend, en kan naauwelijks aan zijne uitwerkselen denken, zonder tranen te storten. Het veroorzaakt mij eene grievende smart, aan mijne eigene arme slaven te denken, voor welke ik reeds jaren lang gepoogd heb een vrij verblijf te zoeken. Het treft mij met even zoo veel verbazing als afschuw, te hooren, dat lieden uit het Noorden zoo ligt over de slavernij denken. Hadden zij er zoo veel van gezien en ondervonden als ik, zij zouden er zoo niet over spreken, ten ware zij ongevoelig mogten zijn voor de diepste ellende en vernedering der menschheid, en dood voor de Godsdienst en menschlievendheid des Evangelies. Doch vele hunner doen juist wat de onbarmhartigste tirannen van het Zuiden het meest verlangen. Deze dwingelanden zouden hen volstrekt niet als advocaten of verdedigers der slavernij begeeren op eeneongeschiktewijze. Dit zou eene slechte staatkunde met het Noorden zijn. Het verwondert mij dat Gerrit Smith de slavernij zoo veel beter verstaan zou, dan de meeste lieden uit het Noorden. Hoewaar was zijne opmerking bij zekere gelegenheid, dat het Zuiden in zijne vuist lacht, bij het denkbeeld, welkedupes, met betrekking tot het ware karakter der slavernij, zij onder de bevolking van het Noorden maken! Wel maakte Mr. Smith de opmerking, dat het systeem, in zijn grondbeginsel logisch voortgezet, even zoo goed den blanken arbeidsman tot slaaf zou maken, als den Afrikaan. Maar,zoo het niet door het Noorden ondersteund wierd, zou het bloedige stelsel op eenmaal instorten; en van alle pogingen van openbare ligchamen in het Noorden om de slavernij staande te houden, is die van de „Connecticut General Association” de beste. Ik heb in dat soort nooit iets beters bewerkt gezien, dan hare besluiten van Junij 1836. Voorzeker zou het Zuiden nooit iets doelmatigers hebben kunnen wenschen; maar onder alle noordelijke periodieke bladen, komt aan denNew-York Observerde voorkeur toe, als een krachtige steun der slavernij. Ik twijfel bijna of dat blad niet meer doet dan al het overige te zamen, om het verschrikkelijke stelsel in leven te houden; het is juist de hulp, die het Zuiden verlangt. Zijne mishandeling der abolitionisten is muziek in zuidelijke ooren, die als een toovermiddel werkt; maar niets evenaart zijn gerevel over de „Godsdienstige voorregten en het onderwijs” der slaven in het Zuiden, en niets kon (voor de zaak van vrijheid en Godsdienst) valscher en honender zijn, dan de indruk, dien het nopens dat onderwerp maakt. Ik zeg, wat ik weet, wanneer ik over deze zaak spreek. Ik ben met den Godsdienstigen toestand der slaven van nabij bekend geweest, dewijl het mijne vaste gewoonte was, de leerredenen te hooren, die tot hen gehouden werden; en ik verklaar plegtig, dat ik, gedurende de veertig jaren van mijn verblijf en opmerking in deze streken, geene enkele dier leerredenen hoorde, die niet met de verpligtingen en pligten der slaven jegens hunne meesters was opgevuld. Inderdaad, nooit hoorde ik eene leerrede tot slaven, waarin de gehoorzaamheid der slaven aan hunne meesters niet tot de grond- en hoofdwet van de Godsdienst gemaakt werd. Ieder opregt en verstandig mensch moge beslissen, of zulk eene prediking, wat het Godsdienstige betreft, niet erger is, dan in het geheel geene.Nog eens: het is wonderbaarlijk hoe de ligtgeloovigheidvan het Noorden voor misleiding bloot staat met betrekking tot dezachte behandelingder slaven. Ik voor mij kan de schijnbare tegenstrijdigheden ophelderen, bij schrijvers te vinden, die het Zuiden bezocht of daar vertoefd hebben. De „meerderheid der slaven-houders, zeggen sommige, „behandelen hunne slaven met zachtheid.” Dit moge in sommige Staten en districten waarheid zijn, wanneer men alle kwestiën van behandeling, uitgezonderd zulke, die hetligchaambetreffen, ter zijde stelt. En toch zal, in een district waar de „meerderheid der slaven-houders” goedaardig is, de meerderheid derslavenin dat district met wreedheid behandeld worden. In vele zulke gevallen is dit de waarheid, dat, terwijl daar dertig menschen kunnen zijn, die ieder maar één slaaf hebben als huisbediende, éénenkelman in hunne buurt honderd slaven, alle veld-arbeiders, kan hebben, die, slecht gevoed, bovenmatig werken moeten, en op de wreedste wijze gegeeseld worden. Dit is het, wat ik dikwijls heb bijgewoond. Om een voorbeeld te geven van den vreeselijken invloed der slavernij op den meester, zal ik een Presbyteriaansch ouderling aanhalen, die voor een der beste menschen in dien omtrek gehouden werd—een zeer goedaardig meester. Ik werd bij zijn sterfbed geroepen om zijn testament te schrijven. Hij had eene huis-slavin, waar hij veel werk van scheen te maken. Nadat al de overige beschikkingen gemaakt waren, hield de ouderling eene poos op, als in twijfel staande, wat hij met „Su” doen zoude. Ik was in de aangename verwachting, dat hij den mond zou openen tot het woord „vrijheid;” maar wie schetst mijne verbazing, toen ik den meester hoorde uitroepen: „Wat zal ik met „Su” aanvangen? Ik ben bevreesd, dat zij nooit onder een meester zal geraken, die streng genoeg voor haar is.” Zal ik zeggen, dat beide, de stervende ouderling en zijne „Su,” ledematen van dezelfde kerk waren, en dat de laatste nog onlangs de zinnebeelden van de stervende liefde eens Zaligmakers uit handen van den eersten ontvangen had!Al dit temporiseren en toegeven heeft verschooning gevonden onder den dekmantel van broederlijke liefde. Welk eene verschooning voor ons, noordelijke vrije lieden! Denken wij, dat het slavernij-systeem zulk eene gelukkige, begeerlijke zaakvoor onze broeders en zusters in het Zuiden is? Kunnen wij op onze algemeene scholen, onze nette, welvarende steden en dorpen, onze deftige, verstandige, hunne waarde gevoelende pachters en handwerkslieden, telgen van den vrijen arbeid, den blik vestigen, en de slavernij als een zegen voor onze zuidelijke broeders beschouwen? Dat systeem, dat de geheele lagere klasse der blanken tot bedelaars maakt, dat als een vloek op den grond zelven drukt, dat, zoo als de kever, de rups en de sprinkhaan, alles verteert, wat het vóór zich vindt—dat algemeene scholen onmogelijk maakt, zoo als bijkans ook de prediking des Evangelies—dit systeem zou een zegen zijn! Zou de broederlijke liefde van ons eischen het Zuiden in de ondersteuning er van te helpen?Beschouwen wij eens den invloed der opvoeding, waaronder zulke kinderen als Eva en Henry daar moeten opgroeijen! Wij spreken van wat menige zuidelijke moeder gevoelt, van wat het hart van menigen zuidelijken vader bedroeft. Er is over den invloed der slavernij op de familie van den slaaf gesproken. Er zijn er, die, zoo zij wilden, van haren invloed op de familie van den meester zouden kunnen spreken, maar die daar altoos het stilzwijgen over bewaren. Het doet het harte wee, geslachten bij geslachten van beminnelijke, edelaardige kinderen aan zulke invloeden te zien blootgesteld. Welk een land zou het Zuiden niet zijn, zoo het zich onder dezen vloek ontwikkelen konde! Zoo het zuidelijk karakter, zelfs onder al deze nadeelen, zooveel edels behoudt, en zooveel, dat zelfs tot in zijne gebreken schittert, wat zou het dan niet onder vrije instellingen zijn?Wie zijn de echte, de trouwe, de edele beminnaars van het Zuiden? Zij, die het met al deze gebreken en bezwaren liefhebben, of zij, die de oogen vestigen op het schitterend ideaal van wat het zou kunnen zijn, en die zeggen, dat deze gebreken het niet van nature aankleven? Is het ware liefde jegens een vriend, het geraaskal zijner koortsige ijlhoofdigheid voor een echt staal van zijnen geest aan te nemen? Is het ware liefde, zijne ziekelijke misvorming een staal van zijne gezondheid te noemen? Is het geene betere liefde, te zeggen: „Deze vloek is geen deel van onzen broeder; hij onteert hem; hij doet hem onregt; hij doet hem voor het oog van alle natiën in een valsch daglicht verschijnen. Wij beminnen zijn beterdeel, en willen met zijnen verrader geene gemeenschap hebben. Zoo handelt de ware, regtschapene, Christelijke liefde.”Maar welligt zal men zeggen: „De onderneming der abolitie werd in een verkeerden geest, door roekelooze, bemoeizieke, onbeschaamde geestdrijvers begonnen?” Welnu, veronderstelt dat dit zoo ware, hoe kwam het zoo? Zoo de Kerk van Christus haarop de regte wijzehad aangevangen, dan zouden deze zoogenaamde geestdrijvers haar nietverkeerdhebben aangevat. Als, onder eene doodelijke pestziekte, de regte geneesheeren geene artsenijen voorschrijven, dan zal iedereen—mannen, vrouwen en kinderen—ze voorschrijven, omdat er iets moet gedaan worden. Zoo de Presbyteriaansche Kerk, in 1818, den maatregel van de Kwakers gevolgd had, zou er nooit eenige geestdrijverij hebben plaats gehad. De Kwakers hebben alles door broederlijke liefde gedaan. Zij hebben de ketenen van den Mammon in het vuur eener Goddelijke liefde doen smelten. Toen Christus, na al de krachtige daden, die Hij verrigt had, Jerusalem binnentrok, hieuw de menigte palmtakken af, en juichte: Hosanna! terwijl al de zoogenaamde betere klassen onverschillig of vijandig waren. Er was een alleronwelvoegelijkst geweld. Tot zelfs de kinderen deelden in de geestdrift, en riepen hunne Hosanna’s in den tempel. Dit was in strijd met alle kerkelijke regelen. Het was een hoogst ongepaste staat van zaken. De opperpriesters en schriftgeleerden zeiden tot Jezus: „Meester, bestraf uwe discipelen.” Maar zijn zachtmoedig oog bliksemde, terwijl Hij antwoordde: „Ik zegge u, dat zoo deze zwegen, de steenen haast roepen zouden.”Neem eens, dat er in de straten van Boston een brand uitbarstte, en dat zij, aan wie de sleutels der brandspuit-bewaarplaats en het bevel over de spuitgasten is toevertrouwd, in een afgelegen gedeelte der stad vergaderd zijn, om over het algemeene welzijn te beraadslagen. De kreet van „brand!” bereikt hen, maar zij houden dien voor een valsch alarm. De brand is er daarom niettemin. Hij slaat voort, en woedt, en knettert, en kraakt, tot dat ieder in de buurt ziet, dat er iets gedaan moet worden. Eenige weinige stoute aanvoerders breken de deuren der brandspuithuizen open, halen de spuiten er uit, en beginnen, geregeld of ongeregeld, in het vuur te spuiten. Maar de brand wint gestadig veld. Boden vliegen met hijgenden spoed de vergaderzaal dier beraadslagers binnen, en berispen henin de weinig uitgezochte bewoordingen van schrik en angst, over hunne werkeloosheid.„Mijn hemel!” zegt een deftig lid der Vergadering, „welk eene afschuwelijke taal durven die menschen gebruiken!”„Zij verraden een zeer slechten geest,” merkt een ander op; „wij kunnen ons in zulk een staat van zaken onmogelijk met hen vereenigen.”Hier spoeden de ijverigste leden van de Vergadering naar buiten, om te zien of de zaak inderdaad zoo is; en binnen weinige minuten komen zij terug, zoo mogelijk nog ernstiger dan de overigen.„O! er is brand!—een ontzettende, vreeselijke brand! De stad staat in vlammen,—mannen, vrouwen, kinderen, alles verbrandt en vergaat! Komt naar buiten, naar buiten! Zoo waarachtig als de Heere leeft, er is maar ééne schrede tusschen ons en den dood!”„Ik ga niet naar buiten; ieder die het doet, wordt krankzinnig,” zegt er een.„Ik heb opgemerkt,” zegt een ander, „dat, zoodra iemand naar buiten gaat, om te zien, hij even zoo opgewonden geraakt;—ik wil niet gaan zien.”Maar onder dit spreken is de woedende brand tot in hunne buurt zelve doorgedrongen. De roode weêrschijn kleurt hunne vensters. En nu, geheel wakker gemaakt, staan zij op, en beginnen uit te zien.„Wel, erisbrand, dat lijdt geen twijfel,” zegt er een.„Er moet iets gedaan worden,” zegt een ander.„Ja,” zegt een derde; „zoo ik mij maar niet onder zulk een janhageltroep mengen moest, zou ik meê helpen.”„Op mijn woord,” zegt een vierde, „er zijnvrouwenonder de menigte, die emmers water aandragen! Ziedaar, eene vrouw klimt op een ladder, om die kinderen te redden. Welk eene onwelvoegelijkheid! Zoo zij fatsoenlijk met de zaak te werk gingen, zouden wij hen bijstaan.”En nu komen uit Charlestown de brandspuiten en bluschcompagniën aanrukken.„Welk eene onbeschaamdheid van Charlestown,” zeggen deze mannen, „om die dingen hier naar toe te sturen, even alsof wij onzen eigen brand niet blusschen konden! Er is ten hunnent even zoo goed brand, als bij ons.”En nu razen en woeden de vlammen, en slaan van weêrskanten der straat in elkander. Zij tasten de torens aan, en schitteren met helschen gloed door de kerkvensters.„Om ’s Heeren wille,DOET IETS!” is de kreet. „Rukt die huizen omver! Laat dat geheele blok pakhuizen met buskruid in de lucht vliegen!Ietsom te stuiten!”„Zie nu eens aan, welke ultra-radicale maatregelen zij willen te werk stellen,” zegt iemand van die toeschouwers.Brave lieden, die in het heetste van den brand gevlogen zijn, komen er uit, en vallen dood op de straat neder.„Het zijn onhandelbareenthousiasten. Zij hebben in vermetele driestheid hun leven weggeworpen,” zegt een ander.Zoo, o Kerk van Christus, brandt dat verschrikkelijke vuur! Altoos brandt, brandt, brandt het over kerk en altaar; brandt het over markt en raadhuis; verteert het de vrijheid, verteert het de Godsdienst! Geeneaardschehanden hebben dat vuur ontstoken. Uit zijne breede vlammen en wolken van zwavelachtigen rook, staart het oog van dienVIJANDu aan, die een moordenaar was van den beginne. Het is een vuur, datBRANDT TOT IN DE ONDERSTE HEL.Kerk van Christus, erwaseens een uur, dat gij dien brand zoudt hebben kunnen dempen. Nu—staat gij daar als een verslagene sterke; als een sterke, die niet helpen kan. Maar de hope Israëls is niet dood. Zijn redder in den nood leeft nog.Als iedere Kerk in ons land met rouwfloers behangen ware; als ieder Christen zich in rouwgewaad hulde; als „de priester weenen zoude tusschen het voorhof en den altaar,” en zeggen: „Spaar uw volk, o Heere, en geef uw erfdeel den Heidenen niet over!”—dan zou dit alles geen te groote rouw zijn voor zulk een tijd als deze.O, Kerk van Jezus! laat het u ter harte gaan, wat in uw midden gezegd is. Welk eene ketterij hebt gij in uwen boezem toegelaten!UwGod de verdediger der slavernij!—uwGod de beschermer der slavenwet! Gij hebt toegelaten, dat men den naam uws Gods lasterde. Gij hebt valsch getuigenis toegelaten tegen uwen Verlosser en Heiligmaker. De Heilige Drieëenheid in den hemel is in uw midden snood gelasterd geworden; en die God, wiens Troon geducht is in geregtigheid, is tot hoofd en leidsman der onderdrukking gemaakt.Dit is eene zonde jegens elken Christen op de gansche aarde.Waarom beminnen en aanbidden wij boven alle dingen onzen God? Waarom zeggen wij tot Hem, uit de diepte onzer ziele: „Wien heb ik nevens U in den hemel; nevens U lust mij ook niets op aarde?” Is dit eene loondienst?—Is het eene slaafsche en kruipende eerbetooning, omdat Hij groot en rijk en magtig is, en wij niet andersdurven? Zijne oogen zijn als vuurvlammen; Hij leest in het binnenste der ziel, en wil zulk eene vereering niet aannemen. Uit den grond onzer harten aanbidden en beminnen wij Hem, omdat Hij heilig, regtvaardig en goed is, en den schuldigen niet onschuldig houdt. Wij beminnen Hem, omdat Hij de Vader der weezen, de Regter der weduwen is; omdat Hij de gevallenen doet opstaan en de nedergebogenen verheft. Wij beminnen Jezus Christus, omdat Hij hetonbevlekte Lam, de gansch beminnelijke is. Wij beminnen den Heiligen Trooster, omdat Hij komt om de wereld te overtuigen van zonde, van geregtigheid en van oordeel. O, heilige Kerk, algemeen, door alle landen en natiën! O, gij groote wolke van getuigen, uit alle volkeren, talen en tongen!—in vele leeringen onderscheiden, maar vereenigd in den jubel: het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de lof, de eer, de aanbidding, want Hij heeft ons van alle ongeregtigheid verlost!—ontwaakt!—staat op!—zwijgt niet! Getuigt tegen deze ketterij der latere tijden, die, zoo het mogelijk ware, zelfs de uitverkorenen verleiden zoude. Uw God, uwe eere is gelasterd. Antwoordt met de stem van vele wateren en van magtige donderslagen! Antwoordt met de hemelsche schare, die niemand tellen kan, die dag en nacht uitroept: Heilig, heilig, heilig!regtvaardigenwaarachtigzijn uwe wegen, Gij Koning der heiligen!
Ik heb meer dan veertig jaren in Noord-Carolina gewoond, ben met het stelsel gemeenzaam bekend, en kan naauwelijks aan zijne uitwerkselen denken, zonder tranen te storten. Het veroorzaakt mij eene grievende smart, aan mijne eigene arme slaven te denken, voor welke ik reeds jaren lang gepoogd heb een vrij verblijf te zoeken. Het treft mij met even zoo veel verbazing als afschuw, te hooren, dat lieden uit het Noorden zoo ligt over de slavernij denken. Hadden zij er zoo veel van gezien en ondervonden als ik, zij zouden er zoo niet over spreken, ten ware zij ongevoelig mogten zijn voor de diepste ellende en vernedering der menschheid, en dood voor de Godsdienst en menschlievendheid des Evangelies. Doch vele hunner doen juist wat de onbarmhartigste tirannen van het Zuiden het meest verlangen. Deze dwingelanden zouden hen volstrekt niet als advocaten of verdedigers der slavernij begeeren op eeneongeschiktewijze. Dit zou eene slechte staatkunde met het Noorden zijn. Het verwondert mij dat Gerrit Smith de slavernij zoo veel beter verstaan zou, dan de meeste lieden uit het Noorden. Hoewaar was zijne opmerking bij zekere gelegenheid, dat het Zuiden in zijne vuist lacht, bij het denkbeeld, welkedupes, met betrekking tot het ware karakter der slavernij, zij onder de bevolking van het Noorden maken! Wel maakte Mr. Smith de opmerking, dat het systeem, in zijn grondbeginsel logisch voortgezet, even zoo goed den blanken arbeidsman tot slaaf zou maken, als den Afrikaan. Maar,zoo het niet door het Noorden ondersteund wierd, zou het bloedige stelsel op eenmaal instorten; en van alle pogingen van openbare ligchamen in het Noorden om de slavernij staande te houden, is die van de „Connecticut General Association” de beste. Ik heb in dat soort nooit iets beters bewerkt gezien, dan hare besluiten van Junij 1836. Voorzeker zou het Zuiden nooit iets doelmatigers hebben kunnen wenschen; maar onder alle noordelijke periodieke bladen, komt aan denNew-York Observerde voorkeur toe, als een krachtige steun der slavernij. Ik twijfel bijna of dat blad niet meer doet dan al het overige te zamen, om het verschrikkelijke stelsel in leven te houden; het is juist de hulp, die het Zuiden verlangt. Zijne mishandeling der abolitionisten is muziek in zuidelijke ooren, die als een toovermiddel werkt; maar niets evenaart zijn gerevel over de „Godsdienstige voorregten en het onderwijs” der slaven in het Zuiden, en niets kon (voor de zaak van vrijheid en Godsdienst) valscher en honender zijn, dan de indruk, dien het nopens dat onderwerp maakt. Ik zeg, wat ik weet, wanneer ik over deze zaak spreek. Ik ben met den Godsdienstigen toestand der slaven van nabij bekend geweest, dewijl het mijne vaste gewoonte was, de leerredenen te hooren, die tot hen gehouden werden; en ik verklaar plegtig, dat ik, gedurende de veertig jaren van mijn verblijf en opmerking in deze streken, geene enkele dier leerredenen hoorde, die niet met de verpligtingen en pligten der slaven jegens hunne meesters was opgevuld. Inderdaad, nooit hoorde ik eene leerrede tot slaven, waarin de gehoorzaamheid der slaven aan hunne meesters niet tot de grond- en hoofdwet van de Godsdienst gemaakt werd. Ieder opregt en verstandig mensch moge beslissen, of zulk eene prediking, wat het Godsdienstige betreft, niet erger is, dan in het geheel geene.Nog eens: het is wonderbaarlijk hoe de ligtgeloovigheidvan het Noorden voor misleiding bloot staat met betrekking tot dezachte behandelingder slaven. Ik voor mij kan de schijnbare tegenstrijdigheden ophelderen, bij schrijvers te vinden, die het Zuiden bezocht of daar vertoefd hebben. De „meerderheid der slaven-houders, zeggen sommige, „behandelen hunne slaven met zachtheid.” Dit moge in sommige Staten en districten waarheid zijn, wanneer men alle kwestiën van behandeling, uitgezonderd zulke, die hetligchaambetreffen, ter zijde stelt. En toch zal, in een district waar de „meerderheid der slaven-houders” goedaardig is, de meerderheid derslavenin dat district met wreedheid behandeld worden. In vele zulke gevallen is dit de waarheid, dat, terwijl daar dertig menschen kunnen zijn, die ieder maar één slaaf hebben als huisbediende, éénenkelman in hunne buurt honderd slaven, alle veld-arbeiders, kan hebben, die, slecht gevoed, bovenmatig werken moeten, en op de wreedste wijze gegeeseld worden. Dit is het, wat ik dikwijls heb bijgewoond. Om een voorbeeld te geven van den vreeselijken invloed der slavernij op den meester, zal ik een Presbyteriaansch ouderling aanhalen, die voor een der beste menschen in dien omtrek gehouden werd—een zeer goedaardig meester. Ik werd bij zijn sterfbed geroepen om zijn testament te schrijven. Hij had eene huis-slavin, waar hij veel werk van scheen te maken. Nadat al de overige beschikkingen gemaakt waren, hield de ouderling eene poos op, als in twijfel staande, wat hij met „Su” doen zoude. Ik was in de aangename verwachting, dat hij den mond zou openen tot het woord „vrijheid;” maar wie schetst mijne verbazing, toen ik den meester hoorde uitroepen: „Wat zal ik met „Su” aanvangen? Ik ben bevreesd, dat zij nooit onder een meester zal geraken, die streng genoeg voor haar is.” Zal ik zeggen, dat beide, de stervende ouderling en zijne „Su,” ledematen van dezelfde kerk waren, en dat de laatste nog onlangs de zinnebeelden van de stervende liefde eens Zaligmakers uit handen van den eersten ontvangen had!Al dit temporiseren en toegeven heeft verschooning gevonden onder den dekmantel van broederlijke liefde. Welk eene verschooning voor ons, noordelijke vrije lieden! Denken wij, dat het slavernij-systeem zulk eene gelukkige, begeerlijke zaakvoor onze broeders en zusters in het Zuiden is? Kunnen wij op onze algemeene scholen, onze nette, welvarende steden en dorpen, onze deftige, verstandige, hunne waarde gevoelende pachters en handwerkslieden, telgen van den vrijen arbeid, den blik vestigen, en de slavernij als een zegen voor onze zuidelijke broeders beschouwen? Dat systeem, dat de geheele lagere klasse der blanken tot bedelaars maakt, dat als een vloek op den grond zelven drukt, dat, zoo als de kever, de rups en de sprinkhaan, alles verteert, wat het vóór zich vindt—dat algemeene scholen onmogelijk maakt, zoo als bijkans ook de prediking des Evangelies—dit systeem zou een zegen zijn! Zou de broederlijke liefde van ons eischen het Zuiden in de ondersteuning er van te helpen?Beschouwen wij eens den invloed der opvoeding, waaronder zulke kinderen als Eva en Henry daar moeten opgroeijen! Wij spreken van wat menige zuidelijke moeder gevoelt, van wat het hart van menigen zuidelijken vader bedroeft. Er is over den invloed der slavernij op de familie van den slaaf gesproken. Er zijn er, die, zoo zij wilden, van haren invloed op de familie van den meester zouden kunnen spreken, maar die daar altoos het stilzwijgen over bewaren. Het doet het harte wee, geslachten bij geslachten van beminnelijke, edelaardige kinderen aan zulke invloeden te zien blootgesteld. Welk een land zou het Zuiden niet zijn, zoo het zich onder dezen vloek ontwikkelen konde! Zoo het zuidelijk karakter, zelfs onder al deze nadeelen, zooveel edels behoudt, en zooveel, dat zelfs tot in zijne gebreken schittert, wat zou het dan niet onder vrije instellingen zijn?Wie zijn de echte, de trouwe, de edele beminnaars van het Zuiden? Zij, die het met al deze gebreken en bezwaren liefhebben, of zij, die de oogen vestigen op het schitterend ideaal van wat het zou kunnen zijn, en die zeggen, dat deze gebreken het niet van nature aankleven? Is het ware liefde jegens een vriend, het geraaskal zijner koortsige ijlhoofdigheid voor een echt staal van zijnen geest aan te nemen? Is het ware liefde, zijne ziekelijke misvorming een staal van zijne gezondheid te noemen? Is het geene betere liefde, te zeggen: „Deze vloek is geen deel van onzen broeder; hij onteert hem; hij doet hem onregt; hij doet hem voor het oog van alle natiën in een valsch daglicht verschijnen. Wij beminnen zijn beterdeel, en willen met zijnen verrader geene gemeenschap hebben. Zoo handelt de ware, regtschapene, Christelijke liefde.”Maar welligt zal men zeggen: „De onderneming der abolitie werd in een verkeerden geest, door roekelooze, bemoeizieke, onbeschaamde geestdrijvers begonnen?” Welnu, veronderstelt dat dit zoo ware, hoe kwam het zoo? Zoo de Kerk van Christus haarop de regte wijzehad aangevangen, dan zouden deze zoogenaamde geestdrijvers haar nietverkeerdhebben aangevat. Als, onder eene doodelijke pestziekte, de regte geneesheeren geene artsenijen voorschrijven, dan zal iedereen—mannen, vrouwen en kinderen—ze voorschrijven, omdat er iets moet gedaan worden. Zoo de Presbyteriaansche Kerk, in 1818, den maatregel van de Kwakers gevolgd had, zou er nooit eenige geestdrijverij hebben plaats gehad. De Kwakers hebben alles door broederlijke liefde gedaan. Zij hebben de ketenen van den Mammon in het vuur eener Goddelijke liefde doen smelten. Toen Christus, na al de krachtige daden, die Hij verrigt had, Jerusalem binnentrok, hieuw de menigte palmtakken af, en juichte: Hosanna! terwijl al de zoogenaamde betere klassen onverschillig of vijandig waren. Er was een alleronwelvoegelijkst geweld. Tot zelfs de kinderen deelden in de geestdrift, en riepen hunne Hosanna’s in den tempel. Dit was in strijd met alle kerkelijke regelen. Het was een hoogst ongepaste staat van zaken. De opperpriesters en schriftgeleerden zeiden tot Jezus: „Meester, bestraf uwe discipelen.” Maar zijn zachtmoedig oog bliksemde, terwijl Hij antwoordde: „Ik zegge u, dat zoo deze zwegen, de steenen haast roepen zouden.”Neem eens, dat er in de straten van Boston een brand uitbarstte, en dat zij, aan wie de sleutels der brandspuit-bewaarplaats en het bevel over de spuitgasten is toevertrouwd, in een afgelegen gedeelte der stad vergaderd zijn, om over het algemeene welzijn te beraadslagen. De kreet van „brand!” bereikt hen, maar zij houden dien voor een valsch alarm. De brand is er daarom niettemin. Hij slaat voort, en woedt, en knettert, en kraakt, tot dat ieder in de buurt ziet, dat er iets gedaan moet worden. Eenige weinige stoute aanvoerders breken de deuren der brandspuithuizen open, halen de spuiten er uit, en beginnen, geregeld of ongeregeld, in het vuur te spuiten. Maar de brand wint gestadig veld. Boden vliegen met hijgenden spoed de vergaderzaal dier beraadslagers binnen, en berispen henin de weinig uitgezochte bewoordingen van schrik en angst, over hunne werkeloosheid.„Mijn hemel!” zegt een deftig lid der Vergadering, „welk eene afschuwelijke taal durven die menschen gebruiken!”„Zij verraden een zeer slechten geest,” merkt een ander op; „wij kunnen ons in zulk een staat van zaken onmogelijk met hen vereenigen.”Hier spoeden de ijverigste leden van de Vergadering naar buiten, om te zien of de zaak inderdaad zoo is; en binnen weinige minuten komen zij terug, zoo mogelijk nog ernstiger dan de overigen.„O! er is brand!—een ontzettende, vreeselijke brand! De stad staat in vlammen,—mannen, vrouwen, kinderen, alles verbrandt en vergaat! Komt naar buiten, naar buiten! Zoo waarachtig als de Heere leeft, er is maar ééne schrede tusschen ons en den dood!”„Ik ga niet naar buiten; ieder die het doet, wordt krankzinnig,” zegt er een.„Ik heb opgemerkt,” zegt een ander, „dat, zoodra iemand naar buiten gaat, om te zien, hij even zoo opgewonden geraakt;—ik wil niet gaan zien.”Maar onder dit spreken is de woedende brand tot in hunne buurt zelve doorgedrongen. De roode weêrschijn kleurt hunne vensters. En nu, geheel wakker gemaakt, staan zij op, en beginnen uit te zien.„Wel, erisbrand, dat lijdt geen twijfel,” zegt er een.„Er moet iets gedaan worden,” zegt een ander.„Ja,” zegt een derde; „zoo ik mij maar niet onder zulk een janhageltroep mengen moest, zou ik meê helpen.”„Op mijn woord,” zegt een vierde, „er zijnvrouwenonder de menigte, die emmers water aandragen! Ziedaar, eene vrouw klimt op een ladder, om die kinderen te redden. Welk eene onwelvoegelijkheid! Zoo zij fatsoenlijk met de zaak te werk gingen, zouden wij hen bijstaan.”En nu komen uit Charlestown de brandspuiten en bluschcompagniën aanrukken.„Welk eene onbeschaamdheid van Charlestown,” zeggen deze mannen, „om die dingen hier naar toe te sturen, even alsof wij onzen eigen brand niet blusschen konden! Er is ten hunnent even zoo goed brand, als bij ons.”En nu razen en woeden de vlammen, en slaan van weêrskanten der straat in elkander. Zij tasten de torens aan, en schitteren met helschen gloed door de kerkvensters.„Om ’s Heeren wille,DOET IETS!” is de kreet. „Rukt die huizen omver! Laat dat geheele blok pakhuizen met buskruid in de lucht vliegen!Ietsom te stuiten!”„Zie nu eens aan, welke ultra-radicale maatregelen zij willen te werk stellen,” zegt iemand van die toeschouwers.Brave lieden, die in het heetste van den brand gevlogen zijn, komen er uit, en vallen dood op de straat neder.„Het zijn onhandelbareenthousiasten. Zij hebben in vermetele driestheid hun leven weggeworpen,” zegt een ander.Zoo, o Kerk van Christus, brandt dat verschrikkelijke vuur! Altoos brandt, brandt, brandt het over kerk en altaar; brandt het over markt en raadhuis; verteert het de vrijheid, verteert het de Godsdienst! Geeneaardschehanden hebben dat vuur ontstoken. Uit zijne breede vlammen en wolken van zwavelachtigen rook, staart het oog van dienVIJANDu aan, die een moordenaar was van den beginne. Het is een vuur, datBRANDT TOT IN DE ONDERSTE HEL.Kerk van Christus, erwaseens een uur, dat gij dien brand zoudt hebben kunnen dempen. Nu—staat gij daar als een verslagene sterke; als een sterke, die niet helpen kan. Maar de hope Israëls is niet dood. Zijn redder in den nood leeft nog.Als iedere Kerk in ons land met rouwfloers behangen ware; als ieder Christen zich in rouwgewaad hulde; als „de priester weenen zoude tusschen het voorhof en den altaar,” en zeggen: „Spaar uw volk, o Heere, en geef uw erfdeel den Heidenen niet over!”—dan zou dit alles geen te groote rouw zijn voor zulk een tijd als deze.O, Kerk van Jezus! laat het u ter harte gaan, wat in uw midden gezegd is. Welk eene ketterij hebt gij in uwen boezem toegelaten!UwGod de verdediger der slavernij!—uwGod de beschermer der slavenwet! Gij hebt toegelaten, dat men den naam uws Gods lasterde. Gij hebt valsch getuigenis toegelaten tegen uwen Verlosser en Heiligmaker. De Heilige Drieëenheid in den hemel is in uw midden snood gelasterd geworden; en die God, wiens Troon geducht is in geregtigheid, is tot hoofd en leidsman der onderdrukking gemaakt.Dit is eene zonde jegens elken Christen op de gansche aarde.Waarom beminnen en aanbidden wij boven alle dingen onzen God? Waarom zeggen wij tot Hem, uit de diepte onzer ziele: „Wien heb ik nevens U in den hemel; nevens U lust mij ook niets op aarde?” Is dit eene loondienst?—Is het eene slaafsche en kruipende eerbetooning, omdat Hij groot en rijk en magtig is, en wij niet andersdurven? Zijne oogen zijn als vuurvlammen; Hij leest in het binnenste der ziel, en wil zulk eene vereering niet aannemen. Uit den grond onzer harten aanbidden en beminnen wij Hem, omdat Hij heilig, regtvaardig en goed is, en den schuldigen niet onschuldig houdt. Wij beminnen Hem, omdat Hij de Vader der weezen, de Regter der weduwen is; omdat Hij de gevallenen doet opstaan en de nedergebogenen verheft. Wij beminnen Jezus Christus, omdat Hij hetonbevlekte Lam, de gansch beminnelijke is. Wij beminnen den Heiligen Trooster, omdat Hij komt om de wereld te overtuigen van zonde, van geregtigheid en van oordeel. O, heilige Kerk, algemeen, door alle landen en natiën! O, gij groote wolke van getuigen, uit alle volkeren, talen en tongen!—in vele leeringen onderscheiden, maar vereenigd in den jubel: het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de lof, de eer, de aanbidding, want Hij heeft ons van alle ongeregtigheid verlost!—ontwaakt!—staat op!—zwijgt niet! Getuigt tegen deze ketterij der latere tijden, die, zoo het mogelijk ware, zelfs de uitverkorenen verleiden zoude. Uw God, uwe eere is gelasterd. Antwoordt met de stem van vele wateren en van magtige donderslagen! Antwoordt met de hemelsche schare, die niemand tellen kan, die dag en nacht uitroept: Heilig, heilig, heilig!regtvaardigenwaarachtigzijn uwe wegen, Gij Koning der heiligen!
Ik heb meer dan veertig jaren in Noord-Carolina gewoond, ben met het stelsel gemeenzaam bekend, en kan naauwelijks aan zijne uitwerkselen denken, zonder tranen te storten. Het veroorzaakt mij eene grievende smart, aan mijne eigene arme slaven te denken, voor welke ik reeds jaren lang gepoogd heb een vrij verblijf te zoeken. Het treft mij met even zoo veel verbazing als afschuw, te hooren, dat lieden uit het Noorden zoo ligt over de slavernij denken. Hadden zij er zoo veel van gezien en ondervonden als ik, zij zouden er zoo niet over spreken, ten ware zij ongevoelig mogten zijn voor de diepste ellende en vernedering der menschheid, en dood voor de Godsdienst en menschlievendheid des Evangelies. Doch vele hunner doen juist wat de onbarmhartigste tirannen van het Zuiden het meest verlangen. Deze dwingelanden zouden hen volstrekt niet als advocaten of verdedigers der slavernij begeeren op eeneongeschiktewijze. Dit zou eene slechte staatkunde met het Noorden zijn. Het verwondert mij dat Gerrit Smith de slavernij zoo veel beter verstaan zou, dan de meeste lieden uit het Noorden. Hoewaar was zijne opmerking bij zekere gelegenheid, dat het Zuiden in zijne vuist lacht, bij het denkbeeld, welkedupes, met betrekking tot het ware karakter der slavernij, zij onder de bevolking van het Noorden maken! Wel maakte Mr. Smith de opmerking, dat het systeem, in zijn grondbeginsel logisch voortgezet, even zoo goed den blanken arbeidsman tot slaaf zou maken, als den Afrikaan. Maar,zoo het niet door het Noorden ondersteund wierd, zou het bloedige stelsel op eenmaal instorten; en van alle pogingen van openbare ligchamen in het Noorden om de slavernij staande te houden, is die van de „Connecticut General Association” de beste. Ik heb in dat soort nooit iets beters bewerkt gezien, dan hare besluiten van Junij 1836. Voorzeker zou het Zuiden nooit iets doelmatigers hebben kunnen wenschen; maar onder alle noordelijke periodieke bladen, komt aan denNew-York Observerde voorkeur toe, als een krachtige steun der slavernij. Ik twijfel bijna of dat blad niet meer doet dan al het overige te zamen, om het verschrikkelijke stelsel in leven te houden; het is juist de hulp, die het Zuiden verlangt. Zijne mishandeling der abolitionisten is muziek in zuidelijke ooren, die als een toovermiddel werkt; maar niets evenaart zijn gerevel over de „Godsdienstige voorregten en het onderwijs” der slaven in het Zuiden, en niets kon (voor de zaak van vrijheid en Godsdienst) valscher en honender zijn, dan de indruk, dien het nopens dat onderwerp maakt. Ik zeg, wat ik weet, wanneer ik over deze zaak spreek. Ik ben met den Godsdienstigen toestand der slaven van nabij bekend geweest, dewijl het mijne vaste gewoonte was, de leerredenen te hooren, die tot hen gehouden werden; en ik verklaar plegtig, dat ik, gedurende de veertig jaren van mijn verblijf en opmerking in deze streken, geene enkele dier leerredenen hoorde, die niet met de verpligtingen en pligten der slaven jegens hunne meesters was opgevuld. Inderdaad, nooit hoorde ik eene leerrede tot slaven, waarin de gehoorzaamheid der slaven aan hunne meesters niet tot de grond- en hoofdwet van de Godsdienst gemaakt werd. Ieder opregt en verstandig mensch moge beslissen, of zulk eene prediking, wat het Godsdienstige betreft, niet erger is, dan in het geheel geene.Nog eens: het is wonderbaarlijk hoe de ligtgeloovigheidvan het Noorden voor misleiding bloot staat met betrekking tot dezachte behandelingder slaven. Ik voor mij kan de schijnbare tegenstrijdigheden ophelderen, bij schrijvers te vinden, die het Zuiden bezocht of daar vertoefd hebben. De „meerderheid der slaven-houders, zeggen sommige, „behandelen hunne slaven met zachtheid.” Dit moge in sommige Staten en districten waarheid zijn, wanneer men alle kwestiën van behandeling, uitgezonderd zulke, die hetligchaambetreffen, ter zijde stelt. En toch zal, in een district waar de „meerderheid der slaven-houders” goedaardig is, de meerderheid derslavenin dat district met wreedheid behandeld worden. In vele zulke gevallen is dit de waarheid, dat, terwijl daar dertig menschen kunnen zijn, die ieder maar één slaaf hebben als huisbediende, éénenkelman in hunne buurt honderd slaven, alle veld-arbeiders, kan hebben, die, slecht gevoed, bovenmatig werken moeten, en op de wreedste wijze gegeeseld worden. Dit is het, wat ik dikwijls heb bijgewoond. Om een voorbeeld te geven van den vreeselijken invloed der slavernij op den meester, zal ik een Presbyteriaansch ouderling aanhalen, die voor een der beste menschen in dien omtrek gehouden werd—een zeer goedaardig meester. Ik werd bij zijn sterfbed geroepen om zijn testament te schrijven. Hij had eene huis-slavin, waar hij veel werk van scheen te maken. Nadat al de overige beschikkingen gemaakt waren, hield de ouderling eene poos op, als in twijfel staande, wat hij met „Su” doen zoude. Ik was in de aangename verwachting, dat hij den mond zou openen tot het woord „vrijheid;” maar wie schetst mijne verbazing, toen ik den meester hoorde uitroepen: „Wat zal ik met „Su” aanvangen? Ik ben bevreesd, dat zij nooit onder een meester zal geraken, die streng genoeg voor haar is.” Zal ik zeggen, dat beide, de stervende ouderling en zijne „Su,” ledematen van dezelfde kerk waren, en dat de laatste nog onlangs de zinnebeelden van de stervende liefde eens Zaligmakers uit handen van den eersten ontvangen had!Al dit temporiseren en toegeven heeft verschooning gevonden onder den dekmantel van broederlijke liefde. Welk eene verschooning voor ons, noordelijke vrije lieden! Denken wij, dat het slavernij-systeem zulk eene gelukkige, begeerlijke zaakvoor onze broeders en zusters in het Zuiden is? Kunnen wij op onze algemeene scholen, onze nette, welvarende steden en dorpen, onze deftige, verstandige, hunne waarde gevoelende pachters en handwerkslieden, telgen van den vrijen arbeid, den blik vestigen, en de slavernij als een zegen voor onze zuidelijke broeders beschouwen? Dat systeem, dat de geheele lagere klasse der blanken tot bedelaars maakt, dat als een vloek op den grond zelven drukt, dat, zoo als de kever, de rups en de sprinkhaan, alles verteert, wat het vóór zich vindt—dat algemeene scholen onmogelijk maakt, zoo als bijkans ook de prediking des Evangelies—dit systeem zou een zegen zijn! Zou de broederlijke liefde van ons eischen het Zuiden in de ondersteuning er van te helpen?Beschouwen wij eens den invloed der opvoeding, waaronder zulke kinderen als Eva en Henry daar moeten opgroeijen! Wij spreken van wat menige zuidelijke moeder gevoelt, van wat het hart van menigen zuidelijken vader bedroeft. Er is over den invloed der slavernij op de familie van den slaaf gesproken. Er zijn er, die, zoo zij wilden, van haren invloed op de familie van den meester zouden kunnen spreken, maar die daar altoos het stilzwijgen over bewaren. Het doet het harte wee, geslachten bij geslachten van beminnelijke, edelaardige kinderen aan zulke invloeden te zien blootgesteld. Welk een land zou het Zuiden niet zijn, zoo het zich onder dezen vloek ontwikkelen konde! Zoo het zuidelijk karakter, zelfs onder al deze nadeelen, zooveel edels behoudt, en zooveel, dat zelfs tot in zijne gebreken schittert, wat zou het dan niet onder vrije instellingen zijn?Wie zijn de echte, de trouwe, de edele beminnaars van het Zuiden? Zij, die het met al deze gebreken en bezwaren liefhebben, of zij, die de oogen vestigen op het schitterend ideaal van wat het zou kunnen zijn, en die zeggen, dat deze gebreken het niet van nature aankleven? Is het ware liefde jegens een vriend, het geraaskal zijner koortsige ijlhoofdigheid voor een echt staal van zijnen geest aan te nemen? Is het ware liefde, zijne ziekelijke misvorming een staal van zijne gezondheid te noemen? Is het geene betere liefde, te zeggen: „Deze vloek is geen deel van onzen broeder; hij onteert hem; hij doet hem onregt; hij doet hem voor het oog van alle natiën in een valsch daglicht verschijnen. Wij beminnen zijn beterdeel, en willen met zijnen verrader geene gemeenschap hebben. Zoo handelt de ware, regtschapene, Christelijke liefde.”Maar welligt zal men zeggen: „De onderneming der abolitie werd in een verkeerden geest, door roekelooze, bemoeizieke, onbeschaamde geestdrijvers begonnen?” Welnu, veronderstelt dat dit zoo ware, hoe kwam het zoo? Zoo de Kerk van Christus haarop de regte wijzehad aangevangen, dan zouden deze zoogenaamde geestdrijvers haar nietverkeerdhebben aangevat. Als, onder eene doodelijke pestziekte, de regte geneesheeren geene artsenijen voorschrijven, dan zal iedereen—mannen, vrouwen en kinderen—ze voorschrijven, omdat er iets moet gedaan worden. Zoo de Presbyteriaansche Kerk, in 1818, den maatregel van de Kwakers gevolgd had, zou er nooit eenige geestdrijverij hebben plaats gehad. De Kwakers hebben alles door broederlijke liefde gedaan. Zij hebben de ketenen van den Mammon in het vuur eener Goddelijke liefde doen smelten. Toen Christus, na al de krachtige daden, die Hij verrigt had, Jerusalem binnentrok, hieuw de menigte palmtakken af, en juichte: Hosanna! terwijl al de zoogenaamde betere klassen onverschillig of vijandig waren. Er was een alleronwelvoegelijkst geweld. Tot zelfs de kinderen deelden in de geestdrift, en riepen hunne Hosanna’s in den tempel. Dit was in strijd met alle kerkelijke regelen. Het was een hoogst ongepaste staat van zaken. De opperpriesters en schriftgeleerden zeiden tot Jezus: „Meester, bestraf uwe discipelen.” Maar zijn zachtmoedig oog bliksemde, terwijl Hij antwoordde: „Ik zegge u, dat zoo deze zwegen, de steenen haast roepen zouden.”Neem eens, dat er in de straten van Boston een brand uitbarstte, en dat zij, aan wie de sleutels der brandspuit-bewaarplaats en het bevel over de spuitgasten is toevertrouwd, in een afgelegen gedeelte der stad vergaderd zijn, om over het algemeene welzijn te beraadslagen. De kreet van „brand!” bereikt hen, maar zij houden dien voor een valsch alarm. De brand is er daarom niettemin. Hij slaat voort, en woedt, en knettert, en kraakt, tot dat ieder in de buurt ziet, dat er iets gedaan moet worden. Eenige weinige stoute aanvoerders breken de deuren der brandspuithuizen open, halen de spuiten er uit, en beginnen, geregeld of ongeregeld, in het vuur te spuiten. Maar de brand wint gestadig veld. Boden vliegen met hijgenden spoed de vergaderzaal dier beraadslagers binnen, en berispen henin de weinig uitgezochte bewoordingen van schrik en angst, over hunne werkeloosheid.„Mijn hemel!” zegt een deftig lid der Vergadering, „welk eene afschuwelijke taal durven die menschen gebruiken!”„Zij verraden een zeer slechten geest,” merkt een ander op; „wij kunnen ons in zulk een staat van zaken onmogelijk met hen vereenigen.”Hier spoeden de ijverigste leden van de Vergadering naar buiten, om te zien of de zaak inderdaad zoo is; en binnen weinige minuten komen zij terug, zoo mogelijk nog ernstiger dan de overigen.„O! er is brand!—een ontzettende, vreeselijke brand! De stad staat in vlammen,—mannen, vrouwen, kinderen, alles verbrandt en vergaat! Komt naar buiten, naar buiten! Zoo waarachtig als de Heere leeft, er is maar ééne schrede tusschen ons en den dood!”„Ik ga niet naar buiten; ieder die het doet, wordt krankzinnig,” zegt er een.„Ik heb opgemerkt,” zegt een ander, „dat, zoodra iemand naar buiten gaat, om te zien, hij even zoo opgewonden geraakt;—ik wil niet gaan zien.”Maar onder dit spreken is de woedende brand tot in hunne buurt zelve doorgedrongen. De roode weêrschijn kleurt hunne vensters. En nu, geheel wakker gemaakt, staan zij op, en beginnen uit te zien.„Wel, erisbrand, dat lijdt geen twijfel,” zegt er een.„Er moet iets gedaan worden,” zegt een ander.„Ja,” zegt een derde; „zoo ik mij maar niet onder zulk een janhageltroep mengen moest, zou ik meê helpen.”„Op mijn woord,” zegt een vierde, „er zijnvrouwenonder de menigte, die emmers water aandragen! Ziedaar, eene vrouw klimt op een ladder, om die kinderen te redden. Welk eene onwelvoegelijkheid! Zoo zij fatsoenlijk met de zaak te werk gingen, zouden wij hen bijstaan.”En nu komen uit Charlestown de brandspuiten en bluschcompagniën aanrukken.„Welk eene onbeschaamdheid van Charlestown,” zeggen deze mannen, „om die dingen hier naar toe te sturen, even alsof wij onzen eigen brand niet blusschen konden! Er is ten hunnent even zoo goed brand, als bij ons.”En nu razen en woeden de vlammen, en slaan van weêrskanten der straat in elkander. Zij tasten de torens aan, en schitteren met helschen gloed door de kerkvensters.„Om ’s Heeren wille,DOET IETS!” is de kreet. „Rukt die huizen omver! Laat dat geheele blok pakhuizen met buskruid in de lucht vliegen!Ietsom te stuiten!”„Zie nu eens aan, welke ultra-radicale maatregelen zij willen te werk stellen,” zegt iemand van die toeschouwers.Brave lieden, die in het heetste van den brand gevlogen zijn, komen er uit, en vallen dood op de straat neder.„Het zijn onhandelbareenthousiasten. Zij hebben in vermetele driestheid hun leven weggeworpen,” zegt een ander.Zoo, o Kerk van Christus, brandt dat verschrikkelijke vuur! Altoos brandt, brandt, brandt het over kerk en altaar; brandt het over markt en raadhuis; verteert het de vrijheid, verteert het de Godsdienst! Geeneaardschehanden hebben dat vuur ontstoken. Uit zijne breede vlammen en wolken van zwavelachtigen rook, staart het oog van dienVIJANDu aan, die een moordenaar was van den beginne. Het is een vuur, datBRANDT TOT IN DE ONDERSTE HEL.Kerk van Christus, erwaseens een uur, dat gij dien brand zoudt hebben kunnen dempen. Nu—staat gij daar als een verslagene sterke; als een sterke, die niet helpen kan. Maar de hope Israëls is niet dood. Zijn redder in den nood leeft nog.Als iedere Kerk in ons land met rouwfloers behangen ware; als ieder Christen zich in rouwgewaad hulde; als „de priester weenen zoude tusschen het voorhof en den altaar,” en zeggen: „Spaar uw volk, o Heere, en geef uw erfdeel den Heidenen niet over!”—dan zou dit alles geen te groote rouw zijn voor zulk een tijd als deze.O, Kerk van Jezus! laat het u ter harte gaan, wat in uw midden gezegd is. Welk eene ketterij hebt gij in uwen boezem toegelaten!UwGod de verdediger der slavernij!—uwGod de beschermer der slavenwet! Gij hebt toegelaten, dat men den naam uws Gods lasterde. Gij hebt valsch getuigenis toegelaten tegen uwen Verlosser en Heiligmaker. De Heilige Drieëenheid in den hemel is in uw midden snood gelasterd geworden; en die God, wiens Troon geducht is in geregtigheid, is tot hoofd en leidsman der onderdrukking gemaakt.Dit is eene zonde jegens elken Christen op de gansche aarde.Waarom beminnen en aanbidden wij boven alle dingen onzen God? Waarom zeggen wij tot Hem, uit de diepte onzer ziele: „Wien heb ik nevens U in den hemel; nevens U lust mij ook niets op aarde?” Is dit eene loondienst?—Is het eene slaafsche en kruipende eerbetooning, omdat Hij groot en rijk en magtig is, en wij niet andersdurven? Zijne oogen zijn als vuurvlammen; Hij leest in het binnenste der ziel, en wil zulk eene vereering niet aannemen. Uit den grond onzer harten aanbidden en beminnen wij Hem, omdat Hij heilig, regtvaardig en goed is, en den schuldigen niet onschuldig houdt. Wij beminnen Hem, omdat Hij de Vader der weezen, de Regter der weduwen is; omdat Hij de gevallenen doet opstaan en de nedergebogenen verheft. Wij beminnen Jezus Christus, omdat Hij hetonbevlekte Lam, de gansch beminnelijke is. Wij beminnen den Heiligen Trooster, omdat Hij komt om de wereld te overtuigen van zonde, van geregtigheid en van oordeel. O, heilige Kerk, algemeen, door alle landen en natiën! O, gij groote wolke van getuigen, uit alle volkeren, talen en tongen!—in vele leeringen onderscheiden, maar vereenigd in den jubel: het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de lof, de eer, de aanbidding, want Hij heeft ons van alle ongeregtigheid verlost!—ontwaakt!—staat op!—zwijgt niet! Getuigt tegen deze ketterij der latere tijden, die, zoo het mogelijk ware, zelfs de uitverkorenen verleiden zoude. Uw God, uwe eere is gelasterd. Antwoordt met de stem van vele wateren en van magtige donderslagen! Antwoordt met de hemelsche schare, die niemand tellen kan, die dag en nacht uitroept: Heilig, heilig, heilig!regtvaardigenwaarachtigzijn uwe wegen, Gij Koning der heiligen!
Ik heb meer dan veertig jaren in Noord-Carolina gewoond, ben met het stelsel gemeenzaam bekend, en kan naauwelijks aan zijne uitwerkselen denken, zonder tranen te storten. Het veroorzaakt mij eene grievende smart, aan mijne eigene arme slaven te denken, voor welke ik reeds jaren lang gepoogd heb een vrij verblijf te zoeken. Het treft mij met even zoo veel verbazing als afschuw, te hooren, dat lieden uit het Noorden zoo ligt over de slavernij denken. Hadden zij er zoo veel van gezien en ondervonden als ik, zij zouden er zoo niet over spreken, ten ware zij ongevoelig mogten zijn voor de diepste ellende en vernedering der menschheid, en dood voor de Godsdienst en menschlievendheid des Evangelies. Doch vele hunner doen juist wat de onbarmhartigste tirannen van het Zuiden het meest verlangen. Deze dwingelanden zouden hen volstrekt niet als advocaten of verdedigers der slavernij begeeren op eeneongeschiktewijze. Dit zou eene slechte staatkunde met het Noorden zijn. Het verwondert mij dat Gerrit Smith de slavernij zoo veel beter verstaan zou, dan de meeste lieden uit het Noorden. Hoewaar was zijne opmerking bij zekere gelegenheid, dat het Zuiden in zijne vuist lacht, bij het denkbeeld, welkedupes, met betrekking tot het ware karakter der slavernij, zij onder de bevolking van het Noorden maken! Wel maakte Mr. Smith de opmerking, dat het systeem, in zijn grondbeginsel logisch voortgezet, even zoo goed den blanken arbeidsman tot slaaf zou maken, als den Afrikaan. Maar,zoo het niet door het Noorden ondersteund wierd, zou het bloedige stelsel op eenmaal instorten; en van alle pogingen van openbare ligchamen in het Noorden om de slavernij staande te houden, is die van de „Connecticut General Association” de beste. Ik heb in dat soort nooit iets beters bewerkt gezien, dan hare besluiten van Junij 1836. Voorzeker zou het Zuiden nooit iets doelmatigers hebben kunnen wenschen; maar onder alle noordelijke periodieke bladen, komt aan denNew-York Observerde voorkeur toe, als een krachtige steun der slavernij. Ik twijfel bijna of dat blad niet meer doet dan al het overige te zamen, om het verschrikkelijke stelsel in leven te houden; het is juist de hulp, die het Zuiden verlangt. Zijne mishandeling der abolitionisten is muziek in zuidelijke ooren, die als een toovermiddel werkt; maar niets evenaart zijn gerevel over de „Godsdienstige voorregten en het onderwijs” der slaven in het Zuiden, en niets kon (voor de zaak van vrijheid en Godsdienst) valscher en honender zijn, dan de indruk, dien het nopens dat onderwerp maakt. Ik zeg, wat ik weet, wanneer ik over deze zaak spreek. Ik ben met den Godsdienstigen toestand der slaven van nabij bekend geweest, dewijl het mijne vaste gewoonte was, de leerredenen te hooren, die tot hen gehouden werden; en ik verklaar plegtig, dat ik, gedurende de veertig jaren van mijn verblijf en opmerking in deze streken, geene enkele dier leerredenen hoorde, die niet met de verpligtingen en pligten der slaven jegens hunne meesters was opgevuld. Inderdaad, nooit hoorde ik eene leerrede tot slaven, waarin de gehoorzaamheid der slaven aan hunne meesters niet tot de grond- en hoofdwet van de Godsdienst gemaakt werd. Ieder opregt en verstandig mensch moge beslissen, of zulk eene prediking, wat het Godsdienstige betreft, niet erger is, dan in het geheel geene.Nog eens: het is wonderbaarlijk hoe de ligtgeloovigheidvan het Noorden voor misleiding bloot staat met betrekking tot dezachte behandelingder slaven. Ik voor mij kan de schijnbare tegenstrijdigheden ophelderen, bij schrijvers te vinden, die het Zuiden bezocht of daar vertoefd hebben. De „meerderheid der slaven-houders, zeggen sommige, „behandelen hunne slaven met zachtheid.” Dit moge in sommige Staten en districten waarheid zijn, wanneer men alle kwestiën van behandeling, uitgezonderd zulke, die hetligchaambetreffen, ter zijde stelt. En toch zal, in een district waar de „meerderheid der slaven-houders” goedaardig is, de meerderheid derslavenin dat district met wreedheid behandeld worden. In vele zulke gevallen is dit de waarheid, dat, terwijl daar dertig menschen kunnen zijn, die ieder maar één slaaf hebben als huisbediende, éénenkelman in hunne buurt honderd slaven, alle veld-arbeiders, kan hebben, die, slecht gevoed, bovenmatig werken moeten, en op de wreedste wijze gegeeseld worden. Dit is het, wat ik dikwijls heb bijgewoond. Om een voorbeeld te geven van den vreeselijken invloed der slavernij op den meester, zal ik een Presbyteriaansch ouderling aanhalen, die voor een der beste menschen in dien omtrek gehouden werd—een zeer goedaardig meester. Ik werd bij zijn sterfbed geroepen om zijn testament te schrijven. Hij had eene huis-slavin, waar hij veel werk van scheen te maken. Nadat al de overige beschikkingen gemaakt waren, hield de ouderling eene poos op, als in twijfel staande, wat hij met „Su” doen zoude. Ik was in de aangename verwachting, dat hij den mond zou openen tot het woord „vrijheid;” maar wie schetst mijne verbazing, toen ik den meester hoorde uitroepen: „Wat zal ik met „Su” aanvangen? Ik ben bevreesd, dat zij nooit onder een meester zal geraken, die streng genoeg voor haar is.” Zal ik zeggen, dat beide, de stervende ouderling en zijne „Su,” ledematen van dezelfde kerk waren, en dat de laatste nog onlangs de zinnebeelden van de stervende liefde eens Zaligmakers uit handen van den eersten ontvangen had!Al dit temporiseren en toegeven heeft verschooning gevonden onder den dekmantel van broederlijke liefde. Welk eene verschooning voor ons, noordelijke vrije lieden! Denken wij, dat het slavernij-systeem zulk eene gelukkige, begeerlijke zaakvoor onze broeders en zusters in het Zuiden is? Kunnen wij op onze algemeene scholen, onze nette, welvarende steden en dorpen, onze deftige, verstandige, hunne waarde gevoelende pachters en handwerkslieden, telgen van den vrijen arbeid, den blik vestigen, en de slavernij als een zegen voor onze zuidelijke broeders beschouwen? Dat systeem, dat de geheele lagere klasse der blanken tot bedelaars maakt, dat als een vloek op den grond zelven drukt, dat, zoo als de kever, de rups en de sprinkhaan, alles verteert, wat het vóór zich vindt—dat algemeene scholen onmogelijk maakt, zoo als bijkans ook de prediking des Evangelies—dit systeem zou een zegen zijn! Zou de broederlijke liefde van ons eischen het Zuiden in de ondersteuning er van te helpen?Beschouwen wij eens den invloed der opvoeding, waaronder zulke kinderen als Eva en Henry daar moeten opgroeijen! Wij spreken van wat menige zuidelijke moeder gevoelt, van wat het hart van menigen zuidelijken vader bedroeft. Er is over den invloed der slavernij op de familie van den slaaf gesproken. Er zijn er, die, zoo zij wilden, van haren invloed op de familie van den meester zouden kunnen spreken, maar die daar altoos het stilzwijgen over bewaren. Het doet het harte wee, geslachten bij geslachten van beminnelijke, edelaardige kinderen aan zulke invloeden te zien blootgesteld. Welk een land zou het Zuiden niet zijn, zoo het zich onder dezen vloek ontwikkelen konde! Zoo het zuidelijk karakter, zelfs onder al deze nadeelen, zooveel edels behoudt, en zooveel, dat zelfs tot in zijne gebreken schittert, wat zou het dan niet onder vrije instellingen zijn?Wie zijn de echte, de trouwe, de edele beminnaars van het Zuiden? Zij, die het met al deze gebreken en bezwaren liefhebben, of zij, die de oogen vestigen op het schitterend ideaal van wat het zou kunnen zijn, en die zeggen, dat deze gebreken het niet van nature aankleven? Is het ware liefde jegens een vriend, het geraaskal zijner koortsige ijlhoofdigheid voor een echt staal van zijnen geest aan te nemen? Is het ware liefde, zijne ziekelijke misvorming een staal van zijne gezondheid te noemen? Is het geene betere liefde, te zeggen: „Deze vloek is geen deel van onzen broeder; hij onteert hem; hij doet hem onregt; hij doet hem voor het oog van alle natiën in een valsch daglicht verschijnen. Wij beminnen zijn beterdeel, en willen met zijnen verrader geene gemeenschap hebben. Zoo handelt de ware, regtschapene, Christelijke liefde.”Maar welligt zal men zeggen: „De onderneming der abolitie werd in een verkeerden geest, door roekelooze, bemoeizieke, onbeschaamde geestdrijvers begonnen?” Welnu, veronderstelt dat dit zoo ware, hoe kwam het zoo? Zoo de Kerk van Christus haarop de regte wijzehad aangevangen, dan zouden deze zoogenaamde geestdrijvers haar nietverkeerdhebben aangevat. Als, onder eene doodelijke pestziekte, de regte geneesheeren geene artsenijen voorschrijven, dan zal iedereen—mannen, vrouwen en kinderen—ze voorschrijven, omdat er iets moet gedaan worden. Zoo de Presbyteriaansche Kerk, in 1818, den maatregel van de Kwakers gevolgd had, zou er nooit eenige geestdrijverij hebben plaats gehad. De Kwakers hebben alles door broederlijke liefde gedaan. Zij hebben de ketenen van den Mammon in het vuur eener Goddelijke liefde doen smelten. Toen Christus, na al de krachtige daden, die Hij verrigt had, Jerusalem binnentrok, hieuw de menigte palmtakken af, en juichte: Hosanna! terwijl al de zoogenaamde betere klassen onverschillig of vijandig waren. Er was een alleronwelvoegelijkst geweld. Tot zelfs de kinderen deelden in de geestdrift, en riepen hunne Hosanna’s in den tempel. Dit was in strijd met alle kerkelijke regelen. Het was een hoogst ongepaste staat van zaken. De opperpriesters en schriftgeleerden zeiden tot Jezus: „Meester, bestraf uwe discipelen.” Maar zijn zachtmoedig oog bliksemde, terwijl Hij antwoordde: „Ik zegge u, dat zoo deze zwegen, de steenen haast roepen zouden.”Neem eens, dat er in de straten van Boston een brand uitbarstte, en dat zij, aan wie de sleutels der brandspuit-bewaarplaats en het bevel over de spuitgasten is toevertrouwd, in een afgelegen gedeelte der stad vergaderd zijn, om over het algemeene welzijn te beraadslagen. De kreet van „brand!” bereikt hen, maar zij houden dien voor een valsch alarm. De brand is er daarom niettemin. Hij slaat voort, en woedt, en knettert, en kraakt, tot dat ieder in de buurt ziet, dat er iets gedaan moet worden. Eenige weinige stoute aanvoerders breken de deuren der brandspuithuizen open, halen de spuiten er uit, en beginnen, geregeld of ongeregeld, in het vuur te spuiten. Maar de brand wint gestadig veld. Boden vliegen met hijgenden spoed de vergaderzaal dier beraadslagers binnen, en berispen henin de weinig uitgezochte bewoordingen van schrik en angst, over hunne werkeloosheid.„Mijn hemel!” zegt een deftig lid der Vergadering, „welk eene afschuwelijke taal durven die menschen gebruiken!”„Zij verraden een zeer slechten geest,” merkt een ander op; „wij kunnen ons in zulk een staat van zaken onmogelijk met hen vereenigen.”Hier spoeden de ijverigste leden van de Vergadering naar buiten, om te zien of de zaak inderdaad zoo is; en binnen weinige minuten komen zij terug, zoo mogelijk nog ernstiger dan de overigen.„O! er is brand!—een ontzettende, vreeselijke brand! De stad staat in vlammen,—mannen, vrouwen, kinderen, alles verbrandt en vergaat! Komt naar buiten, naar buiten! Zoo waarachtig als de Heere leeft, er is maar ééne schrede tusschen ons en den dood!”„Ik ga niet naar buiten; ieder die het doet, wordt krankzinnig,” zegt er een.„Ik heb opgemerkt,” zegt een ander, „dat, zoodra iemand naar buiten gaat, om te zien, hij even zoo opgewonden geraakt;—ik wil niet gaan zien.”Maar onder dit spreken is de woedende brand tot in hunne buurt zelve doorgedrongen. De roode weêrschijn kleurt hunne vensters. En nu, geheel wakker gemaakt, staan zij op, en beginnen uit te zien.„Wel, erisbrand, dat lijdt geen twijfel,” zegt er een.„Er moet iets gedaan worden,” zegt een ander.„Ja,” zegt een derde; „zoo ik mij maar niet onder zulk een janhageltroep mengen moest, zou ik meê helpen.”„Op mijn woord,” zegt een vierde, „er zijnvrouwenonder de menigte, die emmers water aandragen! Ziedaar, eene vrouw klimt op een ladder, om die kinderen te redden. Welk eene onwelvoegelijkheid! Zoo zij fatsoenlijk met de zaak te werk gingen, zouden wij hen bijstaan.”En nu komen uit Charlestown de brandspuiten en bluschcompagniën aanrukken.„Welk eene onbeschaamdheid van Charlestown,” zeggen deze mannen, „om die dingen hier naar toe te sturen, even alsof wij onzen eigen brand niet blusschen konden! Er is ten hunnent even zoo goed brand, als bij ons.”En nu razen en woeden de vlammen, en slaan van weêrskanten der straat in elkander. Zij tasten de torens aan, en schitteren met helschen gloed door de kerkvensters.„Om ’s Heeren wille,DOET IETS!” is de kreet. „Rukt die huizen omver! Laat dat geheele blok pakhuizen met buskruid in de lucht vliegen!Ietsom te stuiten!”„Zie nu eens aan, welke ultra-radicale maatregelen zij willen te werk stellen,” zegt iemand van die toeschouwers.Brave lieden, die in het heetste van den brand gevlogen zijn, komen er uit, en vallen dood op de straat neder.„Het zijn onhandelbareenthousiasten. Zij hebben in vermetele driestheid hun leven weggeworpen,” zegt een ander.Zoo, o Kerk van Christus, brandt dat verschrikkelijke vuur! Altoos brandt, brandt, brandt het over kerk en altaar; brandt het over markt en raadhuis; verteert het de vrijheid, verteert het de Godsdienst! Geeneaardschehanden hebben dat vuur ontstoken. Uit zijne breede vlammen en wolken van zwavelachtigen rook, staart het oog van dienVIJANDu aan, die een moordenaar was van den beginne. Het is een vuur, datBRANDT TOT IN DE ONDERSTE HEL.Kerk van Christus, erwaseens een uur, dat gij dien brand zoudt hebben kunnen dempen. Nu—staat gij daar als een verslagene sterke; als een sterke, die niet helpen kan. Maar de hope Israëls is niet dood. Zijn redder in den nood leeft nog.Als iedere Kerk in ons land met rouwfloers behangen ware; als ieder Christen zich in rouwgewaad hulde; als „de priester weenen zoude tusschen het voorhof en den altaar,” en zeggen: „Spaar uw volk, o Heere, en geef uw erfdeel den Heidenen niet over!”—dan zou dit alles geen te groote rouw zijn voor zulk een tijd als deze.O, Kerk van Jezus! laat het u ter harte gaan, wat in uw midden gezegd is. Welk eene ketterij hebt gij in uwen boezem toegelaten!UwGod de verdediger der slavernij!—uwGod de beschermer der slavenwet! Gij hebt toegelaten, dat men den naam uws Gods lasterde. Gij hebt valsch getuigenis toegelaten tegen uwen Verlosser en Heiligmaker. De Heilige Drieëenheid in den hemel is in uw midden snood gelasterd geworden; en die God, wiens Troon geducht is in geregtigheid, is tot hoofd en leidsman der onderdrukking gemaakt.Dit is eene zonde jegens elken Christen op de gansche aarde.Waarom beminnen en aanbidden wij boven alle dingen onzen God? Waarom zeggen wij tot Hem, uit de diepte onzer ziele: „Wien heb ik nevens U in den hemel; nevens U lust mij ook niets op aarde?” Is dit eene loondienst?—Is het eene slaafsche en kruipende eerbetooning, omdat Hij groot en rijk en magtig is, en wij niet andersdurven? Zijne oogen zijn als vuurvlammen; Hij leest in het binnenste der ziel, en wil zulk eene vereering niet aannemen. Uit den grond onzer harten aanbidden en beminnen wij Hem, omdat Hij heilig, regtvaardig en goed is, en den schuldigen niet onschuldig houdt. Wij beminnen Hem, omdat Hij de Vader der weezen, de Regter der weduwen is; omdat Hij de gevallenen doet opstaan en de nedergebogenen verheft. Wij beminnen Jezus Christus, omdat Hij hetonbevlekte Lam, de gansch beminnelijke is. Wij beminnen den Heiligen Trooster, omdat Hij komt om de wereld te overtuigen van zonde, van geregtigheid en van oordeel. O, heilige Kerk, algemeen, door alle landen en natiën! O, gij groote wolke van getuigen, uit alle volkeren, talen en tongen!—in vele leeringen onderscheiden, maar vereenigd in den jubel: het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de lof, de eer, de aanbidding, want Hij heeft ons van alle ongeregtigheid verlost!—ontwaakt!—staat op!—zwijgt niet! Getuigt tegen deze ketterij der latere tijden, die, zoo het mogelijk ware, zelfs de uitverkorenen verleiden zoude. Uw God, uwe eere is gelasterd. Antwoordt met de stem van vele wateren en van magtige donderslagen! Antwoordt met de hemelsche schare, die niemand tellen kan, die dag en nacht uitroept: Heilig, heilig, heilig!regtvaardigenwaarachtigzijn uwe wegen, Gij Koning der heiligen!
Ik heb meer dan veertig jaren in Noord-Carolina gewoond, ben met het stelsel gemeenzaam bekend, en kan naauwelijks aan zijne uitwerkselen denken, zonder tranen te storten. Het veroorzaakt mij eene grievende smart, aan mijne eigene arme slaven te denken, voor welke ik reeds jaren lang gepoogd heb een vrij verblijf te zoeken. Het treft mij met even zoo veel verbazing als afschuw, te hooren, dat lieden uit het Noorden zoo ligt over de slavernij denken. Hadden zij er zoo veel van gezien en ondervonden als ik, zij zouden er zoo niet over spreken, ten ware zij ongevoelig mogten zijn voor de diepste ellende en vernedering der menschheid, en dood voor de Godsdienst en menschlievendheid des Evangelies. Doch vele hunner doen juist wat de onbarmhartigste tirannen van het Zuiden het meest verlangen. Deze dwingelanden zouden hen volstrekt niet als advocaten of verdedigers der slavernij begeeren op eeneongeschiktewijze. Dit zou eene slechte staatkunde met het Noorden zijn. Het verwondert mij dat Gerrit Smith de slavernij zoo veel beter verstaan zou, dan de meeste lieden uit het Noorden. Hoewaar was zijne opmerking bij zekere gelegenheid, dat het Zuiden in zijne vuist lacht, bij het denkbeeld, welkedupes, met betrekking tot het ware karakter der slavernij, zij onder de bevolking van het Noorden maken! Wel maakte Mr. Smith de opmerking, dat het systeem, in zijn grondbeginsel logisch voortgezet, even zoo goed den blanken arbeidsman tot slaaf zou maken, als den Afrikaan. Maar,zoo het niet door het Noorden ondersteund wierd, zou het bloedige stelsel op eenmaal instorten; en van alle pogingen van openbare ligchamen in het Noorden om de slavernij staande te houden, is die van de „Connecticut General Association” de beste. Ik heb in dat soort nooit iets beters bewerkt gezien, dan hare besluiten van Junij 1836. Voorzeker zou het Zuiden nooit iets doelmatigers hebben kunnen wenschen; maar onder alle noordelijke periodieke bladen, komt aan denNew-York Observerde voorkeur toe, als een krachtige steun der slavernij. Ik twijfel bijna of dat blad niet meer doet dan al het overige te zamen, om het verschrikkelijke stelsel in leven te houden; het is juist de hulp, die het Zuiden verlangt. Zijne mishandeling der abolitionisten is muziek in zuidelijke ooren, die als een toovermiddel werkt; maar niets evenaart zijn gerevel over de „Godsdienstige voorregten en het onderwijs” der slaven in het Zuiden, en niets kon (voor de zaak van vrijheid en Godsdienst) valscher en honender zijn, dan de indruk, dien het nopens dat onderwerp maakt. Ik zeg, wat ik weet, wanneer ik over deze zaak spreek. Ik ben met den Godsdienstigen toestand der slaven van nabij bekend geweest, dewijl het mijne vaste gewoonte was, de leerredenen te hooren, die tot hen gehouden werden; en ik verklaar plegtig, dat ik, gedurende de veertig jaren van mijn verblijf en opmerking in deze streken, geene enkele dier leerredenen hoorde, die niet met de verpligtingen en pligten der slaven jegens hunne meesters was opgevuld. Inderdaad, nooit hoorde ik eene leerrede tot slaven, waarin de gehoorzaamheid der slaven aan hunne meesters niet tot de grond- en hoofdwet van de Godsdienst gemaakt werd. Ieder opregt en verstandig mensch moge beslissen, of zulk eene prediking, wat het Godsdienstige betreft, niet erger is, dan in het geheel geene.Nog eens: het is wonderbaarlijk hoe de ligtgeloovigheidvan het Noorden voor misleiding bloot staat met betrekking tot dezachte behandelingder slaven. Ik voor mij kan de schijnbare tegenstrijdigheden ophelderen, bij schrijvers te vinden, die het Zuiden bezocht of daar vertoefd hebben. De „meerderheid der slaven-houders, zeggen sommige, „behandelen hunne slaven met zachtheid.” Dit moge in sommige Staten en districten waarheid zijn, wanneer men alle kwestiën van behandeling, uitgezonderd zulke, die hetligchaambetreffen, ter zijde stelt. En toch zal, in een district waar de „meerderheid der slaven-houders” goedaardig is, de meerderheid derslavenin dat district met wreedheid behandeld worden. In vele zulke gevallen is dit de waarheid, dat, terwijl daar dertig menschen kunnen zijn, die ieder maar één slaaf hebben als huisbediende, éénenkelman in hunne buurt honderd slaven, alle veld-arbeiders, kan hebben, die, slecht gevoed, bovenmatig werken moeten, en op de wreedste wijze gegeeseld worden. Dit is het, wat ik dikwijls heb bijgewoond. Om een voorbeeld te geven van den vreeselijken invloed der slavernij op den meester, zal ik een Presbyteriaansch ouderling aanhalen, die voor een der beste menschen in dien omtrek gehouden werd—een zeer goedaardig meester. Ik werd bij zijn sterfbed geroepen om zijn testament te schrijven. Hij had eene huis-slavin, waar hij veel werk van scheen te maken. Nadat al de overige beschikkingen gemaakt waren, hield de ouderling eene poos op, als in twijfel staande, wat hij met „Su” doen zoude. Ik was in de aangename verwachting, dat hij den mond zou openen tot het woord „vrijheid;” maar wie schetst mijne verbazing, toen ik den meester hoorde uitroepen: „Wat zal ik met „Su” aanvangen? Ik ben bevreesd, dat zij nooit onder een meester zal geraken, die streng genoeg voor haar is.” Zal ik zeggen, dat beide, de stervende ouderling en zijne „Su,” ledematen van dezelfde kerk waren, en dat de laatste nog onlangs de zinnebeelden van de stervende liefde eens Zaligmakers uit handen van den eersten ontvangen had!
Ik heb meer dan veertig jaren in Noord-Carolina gewoond, ben met het stelsel gemeenzaam bekend, en kan naauwelijks aan zijne uitwerkselen denken, zonder tranen te storten. Het veroorzaakt mij eene grievende smart, aan mijne eigene arme slaven te denken, voor welke ik reeds jaren lang gepoogd heb een vrij verblijf te zoeken. Het treft mij met even zoo veel verbazing als afschuw, te hooren, dat lieden uit het Noorden zoo ligt over de slavernij denken. Hadden zij er zoo veel van gezien en ondervonden als ik, zij zouden er zoo niet over spreken, ten ware zij ongevoelig mogten zijn voor de diepste ellende en vernedering der menschheid, en dood voor de Godsdienst en menschlievendheid des Evangelies. Doch vele hunner doen juist wat de onbarmhartigste tirannen van het Zuiden het meest verlangen. Deze dwingelanden zouden hen volstrekt niet als advocaten of verdedigers der slavernij begeeren op eeneongeschiktewijze. Dit zou eene slechte staatkunde met het Noorden zijn. Het verwondert mij dat Gerrit Smith de slavernij zoo veel beter verstaan zou, dan de meeste lieden uit het Noorden. Hoewaar was zijne opmerking bij zekere gelegenheid, dat het Zuiden in zijne vuist lacht, bij het denkbeeld, welkedupes, met betrekking tot het ware karakter der slavernij, zij onder de bevolking van het Noorden maken! Wel maakte Mr. Smith de opmerking, dat het systeem, in zijn grondbeginsel logisch voortgezet, even zoo goed den blanken arbeidsman tot slaaf zou maken, als den Afrikaan. Maar,zoo het niet door het Noorden ondersteund wierd, zou het bloedige stelsel op eenmaal instorten; en van alle pogingen van openbare ligchamen in het Noorden om de slavernij staande te houden, is die van de „Connecticut General Association” de beste. Ik heb in dat soort nooit iets beters bewerkt gezien, dan hare besluiten van Junij 1836. Voorzeker zou het Zuiden nooit iets doelmatigers hebben kunnen wenschen; maar onder alle noordelijke periodieke bladen, komt aan denNew-York Observerde voorkeur toe, als een krachtige steun der slavernij. Ik twijfel bijna of dat blad niet meer doet dan al het overige te zamen, om het verschrikkelijke stelsel in leven te houden; het is juist de hulp, die het Zuiden verlangt. Zijne mishandeling der abolitionisten is muziek in zuidelijke ooren, die als een toovermiddel werkt; maar niets evenaart zijn gerevel over de „Godsdienstige voorregten en het onderwijs” der slaven in het Zuiden, en niets kon (voor de zaak van vrijheid en Godsdienst) valscher en honender zijn, dan de indruk, dien het nopens dat onderwerp maakt. Ik zeg, wat ik weet, wanneer ik over deze zaak spreek. Ik ben met den Godsdienstigen toestand der slaven van nabij bekend geweest, dewijl het mijne vaste gewoonte was, de leerredenen te hooren, die tot hen gehouden werden; en ik verklaar plegtig, dat ik, gedurende de veertig jaren van mijn verblijf en opmerking in deze streken, geene enkele dier leerredenen hoorde, die niet met de verpligtingen en pligten der slaven jegens hunne meesters was opgevuld. Inderdaad, nooit hoorde ik eene leerrede tot slaven, waarin de gehoorzaamheid der slaven aan hunne meesters niet tot de grond- en hoofdwet van de Godsdienst gemaakt werd. Ieder opregt en verstandig mensch moge beslissen, of zulk eene prediking, wat het Godsdienstige betreft, niet erger is, dan in het geheel geene.
Nog eens: het is wonderbaarlijk hoe de ligtgeloovigheidvan het Noorden voor misleiding bloot staat met betrekking tot dezachte behandelingder slaven. Ik voor mij kan de schijnbare tegenstrijdigheden ophelderen, bij schrijvers te vinden, die het Zuiden bezocht of daar vertoefd hebben. De „meerderheid der slaven-houders, zeggen sommige, „behandelen hunne slaven met zachtheid.” Dit moge in sommige Staten en districten waarheid zijn, wanneer men alle kwestiën van behandeling, uitgezonderd zulke, die hetligchaambetreffen, ter zijde stelt. En toch zal, in een district waar de „meerderheid der slaven-houders” goedaardig is, de meerderheid derslavenin dat district met wreedheid behandeld worden. In vele zulke gevallen is dit de waarheid, dat, terwijl daar dertig menschen kunnen zijn, die ieder maar één slaaf hebben als huisbediende, éénenkelman in hunne buurt honderd slaven, alle veld-arbeiders, kan hebben, die, slecht gevoed, bovenmatig werken moeten, en op de wreedste wijze gegeeseld worden. Dit is het, wat ik dikwijls heb bijgewoond. Om een voorbeeld te geven van den vreeselijken invloed der slavernij op den meester, zal ik een Presbyteriaansch ouderling aanhalen, die voor een der beste menschen in dien omtrek gehouden werd—een zeer goedaardig meester. Ik werd bij zijn sterfbed geroepen om zijn testament te schrijven. Hij had eene huis-slavin, waar hij veel werk van scheen te maken. Nadat al de overige beschikkingen gemaakt waren, hield de ouderling eene poos op, als in twijfel staande, wat hij met „Su” doen zoude. Ik was in de aangename verwachting, dat hij den mond zou openen tot het woord „vrijheid;” maar wie schetst mijne verbazing, toen ik den meester hoorde uitroepen: „Wat zal ik met „Su” aanvangen? Ik ben bevreesd, dat zij nooit onder een meester zal geraken, die streng genoeg voor haar is.” Zal ik zeggen, dat beide, de stervende ouderling en zijne „Su,” ledematen van dezelfde kerk waren, en dat de laatste nog onlangs de zinnebeelden van de stervende liefde eens Zaligmakers uit handen van den eersten ontvangen had!
Al dit temporiseren en toegeven heeft verschooning gevonden onder den dekmantel van broederlijke liefde. Welk eene verschooning voor ons, noordelijke vrije lieden! Denken wij, dat het slavernij-systeem zulk eene gelukkige, begeerlijke zaakvoor onze broeders en zusters in het Zuiden is? Kunnen wij op onze algemeene scholen, onze nette, welvarende steden en dorpen, onze deftige, verstandige, hunne waarde gevoelende pachters en handwerkslieden, telgen van den vrijen arbeid, den blik vestigen, en de slavernij als een zegen voor onze zuidelijke broeders beschouwen? Dat systeem, dat de geheele lagere klasse der blanken tot bedelaars maakt, dat als een vloek op den grond zelven drukt, dat, zoo als de kever, de rups en de sprinkhaan, alles verteert, wat het vóór zich vindt—dat algemeene scholen onmogelijk maakt, zoo als bijkans ook de prediking des Evangelies—dit systeem zou een zegen zijn! Zou de broederlijke liefde van ons eischen het Zuiden in de ondersteuning er van te helpen?
Beschouwen wij eens den invloed der opvoeding, waaronder zulke kinderen als Eva en Henry daar moeten opgroeijen! Wij spreken van wat menige zuidelijke moeder gevoelt, van wat het hart van menigen zuidelijken vader bedroeft. Er is over den invloed der slavernij op de familie van den slaaf gesproken. Er zijn er, die, zoo zij wilden, van haren invloed op de familie van den meester zouden kunnen spreken, maar die daar altoos het stilzwijgen over bewaren. Het doet het harte wee, geslachten bij geslachten van beminnelijke, edelaardige kinderen aan zulke invloeden te zien blootgesteld. Welk een land zou het Zuiden niet zijn, zoo het zich onder dezen vloek ontwikkelen konde! Zoo het zuidelijk karakter, zelfs onder al deze nadeelen, zooveel edels behoudt, en zooveel, dat zelfs tot in zijne gebreken schittert, wat zou het dan niet onder vrije instellingen zijn?
Wie zijn de echte, de trouwe, de edele beminnaars van het Zuiden? Zij, die het met al deze gebreken en bezwaren liefhebben, of zij, die de oogen vestigen op het schitterend ideaal van wat het zou kunnen zijn, en die zeggen, dat deze gebreken het niet van nature aankleven? Is het ware liefde jegens een vriend, het geraaskal zijner koortsige ijlhoofdigheid voor een echt staal van zijnen geest aan te nemen? Is het ware liefde, zijne ziekelijke misvorming een staal van zijne gezondheid te noemen? Is het geene betere liefde, te zeggen: „Deze vloek is geen deel van onzen broeder; hij onteert hem; hij doet hem onregt; hij doet hem voor het oog van alle natiën in een valsch daglicht verschijnen. Wij beminnen zijn beterdeel, en willen met zijnen verrader geene gemeenschap hebben. Zoo handelt de ware, regtschapene, Christelijke liefde.”
Maar welligt zal men zeggen: „De onderneming der abolitie werd in een verkeerden geest, door roekelooze, bemoeizieke, onbeschaamde geestdrijvers begonnen?” Welnu, veronderstelt dat dit zoo ware, hoe kwam het zoo? Zoo de Kerk van Christus haarop de regte wijzehad aangevangen, dan zouden deze zoogenaamde geestdrijvers haar nietverkeerdhebben aangevat. Als, onder eene doodelijke pestziekte, de regte geneesheeren geene artsenijen voorschrijven, dan zal iedereen—mannen, vrouwen en kinderen—ze voorschrijven, omdat er iets moet gedaan worden. Zoo de Presbyteriaansche Kerk, in 1818, den maatregel van de Kwakers gevolgd had, zou er nooit eenige geestdrijverij hebben plaats gehad. De Kwakers hebben alles door broederlijke liefde gedaan. Zij hebben de ketenen van den Mammon in het vuur eener Goddelijke liefde doen smelten. Toen Christus, na al de krachtige daden, die Hij verrigt had, Jerusalem binnentrok, hieuw de menigte palmtakken af, en juichte: Hosanna! terwijl al de zoogenaamde betere klassen onverschillig of vijandig waren. Er was een alleronwelvoegelijkst geweld. Tot zelfs de kinderen deelden in de geestdrift, en riepen hunne Hosanna’s in den tempel. Dit was in strijd met alle kerkelijke regelen. Het was een hoogst ongepaste staat van zaken. De opperpriesters en schriftgeleerden zeiden tot Jezus: „Meester, bestraf uwe discipelen.” Maar zijn zachtmoedig oog bliksemde, terwijl Hij antwoordde: „Ik zegge u, dat zoo deze zwegen, de steenen haast roepen zouden.”
Neem eens, dat er in de straten van Boston een brand uitbarstte, en dat zij, aan wie de sleutels der brandspuit-bewaarplaats en het bevel over de spuitgasten is toevertrouwd, in een afgelegen gedeelte der stad vergaderd zijn, om over het algemeene welzijn te beraadslagen. De kreet van „brand!” bereikt hen, maar zij houden dien voor een valsch alarm. De brand is er daarom niettemin. Hij slaat voort, en woedt, en knettert, en kraakt, tot dat ieder in de buurt ziet, dat er iets gedaan moet worden. Eenige weinige stoute aanvoerders breken de deuren der brandspuithuizen open, halen de spuiten er uit, en beginnen, geregeld of ongeregeld, in het vuur te spuiten. Maar de brand wint gestadig veld. Boden vliegen met hijgenden spoed de vergaderzaal dier beraadslagers binnen, en berispen henin de weinig uitgezochte bewoordingen van schrik en angst, over hunne werkeloosheid.
„Mijn hemel!” zegt een deftig lid der Vergadering, „welk eene afschuwelijke taal durven die menschen gebruiken!”
„Zij verraden een zeer slechten geest,” merkt een ander op; „wij kunnen ons in zulk een staat van zaken onmogelijk met hen vereenigen.”
Hier spoeden de ijverigste leden van de Vergadering naar buiten, om te zien of de zaak inderdaad zoo is; en binnen weinige minuten komen zij terug, zoo mogelijk nog ernstiger dan de overigen.
„O! er is brand!—een ontzettende, vreeselijke brand! De stad staat in vlammen,—mannen, vrouwen, kinderen, alles verbrandt en vergaat! Komt naar buiten, naar buiten! Zoo waarachtig als de Heere leeft, er is maar ééne schrede tusschen ons en den dood!”
„Ik ga niet naar buiten; ieder die het doet, wordt krankzinnig,” zegt er een.
„Ik heb opgemerkt,” zegt een ander, „dat, zoodra iemand naar buiten gaat, om te zien, hij even zoo opgewonden geraakt;—ik wil niet gaan zien.”
Maar onder dit spreken is de woedende brand tot in hunne buurt zelve doorgedrongen. De roode weêrschijn kleurt hunne vensters. En nu, geheel wakker gemaakt, staan zij op, en beginnen uit te zien.
„Wel, erisbrand, dat lijdt geen twijfel,” zegt er een.
„Er moet iets gedaan worden,” zegt een ander.
„Ja,” zegt een derde; „zoo ik mij maar niet onder zulk een janhageltroep mengen moest, zou ik meê helpen.”
„Op mijn woord,” zegt een vierde, „er zijnvrouwenonder de menigte, die emmers water aandragen! Ziedaar, eene vrouw klimt op een ladder, om die kinderen te redden. Welk eene onwelvoegelijkheid! Zoo zij fatsoenlijk met de zaak te werk gingen, zouden wij hen bijstaan.”
En nu komen uit Charlestown de brandspuiten en bluschcompagniën aanrukken.
„Welk eene onbeschaamdheid van Charlestown,” zeggen deze mannen, „om die dingen hier naar toe te sturen, even alsof wij onzen eigen brand niet blusschen konden! Er is ten hunnent even zoo goed brand, als bij ons.”
En nu razen en woeden de vlammen, en slaan van weêrskanten der straat in elkander. Zij tasten de torens aan, en schitteren met helschen gloed door de kerkvensters.
„Om ’s Heeren wille,DOET IETS!” is de kreet. „Rukt die huizen omver! Laat dat geheele blok pakhuizen met buskruid in de lucht vliegen!Ietsom te stuiten!”
„Zie nu eens aan, welke ultra-radicale maatregelen zij willen te werk stellen,” zegt iemand van die toeschouwers.
Brave lieden, die in het heetste van den brand gevlogen zijn, komen er uit, en vallen dood op de straat neder.
„Het zijn onhandelbareenthousiasten. Zij hebben in vermetele driestheid hun leven weggeworpen,” zegt een ander.
Zoo, o Kerk van Christus, brandt dat verschrikkelijke vuur! Altoos brandt, brandt, brandt het over kerk en altaar; brandt het over markt en raadhuis; verteert het de vrijheid, verteert het de Godsdienst! Geeneaardschehanden hebben dat vuur ontstoken. Uit zijne breede vlammen en wolken van zwavelachtigen rook, staart het oog van dienVIJANDu aan, die een moordenaar was van den beginne. Het is een vuur, datBRANDT TOT IN DE ONDERSTE HEL.
Kerk van Christus, erwaseens een uur, dat gij dien brand zoudt hebben kunnen dempen. Nu—staat gij daar als een verslagene sterke; als een sterke, die niet helpen kan. Maar de hope Israëls is niet dood. Zijn redder in den nood leeft nog.
Als iedere Kerk in ons land met rouwfloers behangen ware; als ieder Christen zich in rouwgewaad hulde; als „de priester weenen zoude tusschen het voorhof en den altaar,” en zeggen: „Spaar uw volk, o Heere, en geef uw erfdeel den Heidenen niet over!”—dan zou dit alles geen te groote rouw zijn voor zulk een tijd als deze.
O, Kerk van Jezus! laat het u ter harte gaan, wat in uw midden gezegd is. Welk eene ketterij hebt gij in uwen boezem toegelaten!UwGod de verdediger der slavernij!—uwGod de beschermer der slavenwet! Gij hebt toegelaten, dat men den naam uws Gods lasterde. Gij hebt valsch getuigenis toegelaten tegen uwen Verlosser en Heiligmaker. De Heilige Drieëenheid in den hemel is in uw midden snood gelasterd geworden; en die God, wiens Troon geducht is in geregtigheid, is tot hoofd en leidsman der onderdrukking gemaakt.
Dit is eene zonde jegens elken Christen op de gansche aarde.
Waarom beminnen en aanbidden wij boven alle dingen onzen God? Waarom zeggen wij tot Hem, uit de diepte onzer ziele: „Wien heb ik nevens U in den hemel; nevens U lust mij ook niets op aarde?” Is dit eene loondienst?—Is het eene slaafsche en kruipende eerbetooning, omdat Hij groot en rijk en magtig is, en wij niet andersdurven? Zijne oogen zijn als vuurvlammen; Hij leest in het binnenste der ziel, en wil zulk eene vereering niet aannemen. Uit den grond onzer harten aanbidden en beminnen wij Hem, omdat Hij heilig, regtvaardig en goed is, en den schuldigen niet onschuldig houdt. Wij beminnen Hem, omdat Hij de Vader der weezen, de Regter der weduwen is; omdat Hij de gevallenen doet opstaan en de nedergebogenen verheft. Wij beminnen Jezus Christus, omdat Hij hetonbevlekte Lam, de gansch beminnelijke is. Wij beminnen den Heiligen Trooster, omdat Hij komt om de wereld te overtuigen van zonde, van geregtigheid en van oordeel. O, heilige Kerk, algemeen, door alle landen en natiën! O, gij groote wolke van getuigen, uit alle volkeren, talen en tongen!—in vele leeringen onderscheiden, maar vereenigd in den jubel: het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de lof, de eer, de aanbidding, want Hij heeft ons van alle ongeregtigheid verlost!—ontwaakt!—staat op!—zwijgt niet! Getuigt tegen deze ketterij der latere tijden, die, zoo het mogelijk ware, zelfs de uitverkorenen verleiden zoude. Uw God, uwe eere is gelasterd. Antwoordt met de stem van vele wateren en van magtige donderslagen! Antwoordt met de hemelsche schare, die niemand tellen kan, die dag en nacht uitroept: Heilig, heilig, heilig!regtvaardigenwaarachtigzijn uwe wegen, Gij Koning der heiligen!