Hoofdstuk III.Souther tegen De Republiek—het non plus ultra van menschlievendheid in de wet.„En toch ondanks zulke wetten en uitspraken doet mevrouw Stowe enz.—Courier and Enquirer.”Het proces van Souther tegen de Republiek is door denCourier and Enquireraangehaald als een zeer gunstig staaltje der wettelijke beslissingen onder de vigerende slavenwetten, met de volgende opmerking:„En toch, ondanks zulke wetten en uitspraken, doet mevrouw Stowe eene lange reeks van mishandelingen jegens de zwarten veronderstellen, door haar voorbeeldeloozen held Tom, in Louisiana, letterlijk te laten doodgeeselen door zijn meester Legree; en zulke feiten, die de wet als misdadig erkent en als zoodanig straft, beschrijft zij gedurig met de meest afschrikwekkende kleuren, om de instelling der slavernij te doen kennen!”Door die woorden werd schrijfster dezes in den waan gebragt, dat dit proces op eene wijze was gevoerd geworden, die zoo veel eer deed aan het menschelijk gevoel, dat men de regtspleging omtrent de slaven van een gunstiger standpunt zou gaan beschouwen. Daarom deed zij de moeite zich het verslag van dat proces te verschaffen, met het oogmerk het openbaar te maken als tegenstelling van de vele wreedheden, die men bij de studie van dit gedeelte van het onderwerp ontmoet. Een regterlijk ambtenaar heeft het gecopieerd uitGrattan’s Reports, en zij laathet hier volgen. Indien het den lezer verbaast, het kan bij hem niet meer verbazing opwekken dan bij de schrijfster zelve.„Souther tegen de Republiek, 7 Grattan 673, 1851.„Het dooden van een slaaf door zijn meester en eigenaar, ten gevolge van zweepslagen op diens last en met overdreven gestrengheid gegeven, is moord, al mogt ook het oogmerk van den meester en eigenaar niet geweest zijn den slaaf te dooden.”„Simeon Souther werd in de zitting van October 1850 bij den omgaanden regter in Hanover county aangeklaagd wegens moord op zijn eigen slaaf gepleegd. De acte van beschuldiging bevatte 15 punten, waarin de verschillende wijzen van kastijding en pijniging, waardoor de moord zou gepleegd zijn, op zich zelf of gepaard gaande waren aangegeven. Het vijftiende punt omvatte ze allen: en, daar de regtbank verklaarde dat die beschuldiging bewezen was, zal men uit de opgave der feiten in dat punt vervat, kunnen zien wat den beschuldigde werd ten laste gelegd, en waardoor het bewijs geleverd werd.In dat vijftiende punt van beschuldiging werd gezegd, dat op den 1sten September 1849, de beschuldigde zijn slaaf Sam met koorden om zijne polsen, hals, midden, beenen en enkels aan een boom bond. Dat de beschuldigde den aldus gebonden slaaf eerst met roeden geeselde. Dat hij hem daarna met een lat slagen en stooten toebragt, en twee van zijne slaven, een man en eene vrouw, beval den verslagene met de lat te slaan. Dat, terwijl de verslagene aldus aan een boom gebonden was, de beschuldigde hem sloeg, stompte, schopte en trapte op verschillende plaatsen van zijn hoofd, aangezigt en ligchaam; dat hij zijn ligchaam brandde .... dat hij hem toen waschte met warm water, waarin Cayene peper was afgetrokken; en dat hij zijne twee slaven voornoemd dwong hem met hetzelfde mengsel van water en Cayene peper te wasschen. Dat, na het knevelen, geeselen, beuken, slaan, stooten, stompen, schoppen, trappen, verwonden, kneuzen, verminken, branden, wasschen en pijnigen, vermeld, de beschuldigde den verslagene losmaakte van den boom, zoodanig, dat hij met kracht op den grond viel; dat hij hem intusschen sloeg, stompte en trapte op zijn hoofd, slapen en verschillende deelen van zijnligchaam. Dat de beschuldigde toen den verslagene naar eene werkplaats in zijn huis deed brengen, waar hij een zijner slaven beval om, in zijn bijzijn, de voeten van den verslagene in de stokken te sluiten, zijne beenen aan een stuk hout vast te maken, en een touw om zijn hals te slaan, waarmede hij aan de post van de deur werd vastgemaakt, en op die wijze den verslagene te worgen en te doen stikken. En dat, terwijl de verslagene dus op deze wijze was vastgemaakt, de beschuldigde hem sloeg, stompte, trapte en beukte op zijn hoofd, zijn aangezigt, borst, buik, zijden, rug en verdere deelen van het ligchaam; en dat hij nogmaals zijn slaven beval het ligchaam van den verslagene te branden. In dit punt der aanklagt wordt ook de beschuldiging neergelegd dat onder en door deze verschillende straffen en pijnigingen de slaaf Sam gestorven is. Het bleek dat de beschuldigde met het straffen van den verslagene des morgens aanving, en dat het den ganschen dag duurde; en dat de verslagene stierf in het bijzijn van den beschuldigde, een van zijne slaven en een der getuigen, terwijl de marteling nog steeds werd voortgezet.Het vonnis van het hof werd bij monde van den regter Field uitgesproken.Souther werd beschuldigd en schuldigverklaard aan moord zonder voorbedachten rade, door de omgaande regtbank van Hanover county, in hare zitting van April jl., en werd veroordeeld tot vijf jaren confinement, welk tijdvak door de jury was vastgesteld. De moord bestond in het dooden van een negerslaaf, genaamd Sam, het eigendom van den beschuldigde, door wreed en overdreven geeselen en pijnigen, hem aangedaan door Souther, bijgestaan door twee zijner slaven op den eersten September 1851. De beschuldigde verzocht herziening van zijn vonnis, op grond, dat de misdaad indien zij aanwezig was, niet meer was dan manslag. Het verzoek om de zaak op nieuw in behandeling te brengen werd afgewezen, en de redenen, welke geacht werden een nieuw onderzoek noodig te maken, onvoldoende bevonden. Die redenen waren: Dat de slaaf Sam, die in de acte van beschuldiging genoemd wordt, de slaaf en het eigendom van den beschuldigde was. Dat met het doel den slaaf te straffenvoor dronkenschap en den omgang dien hij erkende, met Henry en Stone, twee der getuigen ten laste, hij hem vastbond en kastijdde in tegenwoordigheid van gezegde getuigen; dat hij hem eerst slechts luttel geslagen had met takken van perzik- of appelboomen, maar daarna op de wijze in de acte omschreven, nadat hij gezegde getuigen had doen roepen, die de strafoefening bijwoonden even als verscheidene andere slaven van den beschuldigde; en dat de slaaf in kwestie stierf onder de uitoefening van gezegde straf, in tegenwoordigheid van een zijner slaven en van een der getuigen ten laste. Maar er was geen bewijs dat het oogmerk van den beschuldigde was den slaaf te dooden, tenzij dit oogmerk moest worden afgeleid uit de wijze en den duur der strafoefening. Integendeel was het bewezen, dat de beschuldigde herhaaldelijk verklaard had, terwijl de slaaf de straf onderging, te gelooven dat deze slechts voorgaf te lijden maar inderdaad niet leed. De regter verklaarde daarop dat de slaaf gestraft werd op de wijze als in de acte van beschuldiging werd vermeld. Die acte van beschuldiging bevat vijftien punten en loopt over eene zeer wreede en baldadige geeseling en marteling.1Men mag aannemen dat in de jaarboeken der criminele regtspleging geene afschuwelijke en verregaande wreede daad vermeld wordt als die, waarvan in het proces van Souther gesproken wordt; en toch is met ernst en nadruk door zijn advocaat beweerd, dat hier slechts sprake kon zijn van manslag.Die advokaat heeft verder aangevoerd, dat iemand niet aangeklaagd en vervolgd kan worden wegens hardvochtige geeseling van zijn eigen slaaf. Dat de wet den meester veroorlooftzijn slaaf te kastijden, en dat, indien deze kastijding den dood ten gevolge heeft, dit gelijk te stellen is met den moord door iemand in het volvoeren eener wettige daad gepleegd, en slechts manslag kan geacht worden. Door dit Hof is, in het proces tegen Turner, beslist, dat de eigenaar van een slaaf voor het baldadig, wreed en hardvochtig slaan van zijn eigen slaaf, niet aangeklaagd kan worden; maar daaruit volgt in geenen deele, dat, wanneer zulk baldadig, wreed en hardvochtig slaan den dood ten gevolge heeft, hoewel dit niet werd beoogd, die mishandelingen als geoorloofd door de wet moeten beschouwd worden, en de misdaad als manslag moeten doen qualificeren, wanneer de slagen alleen zijn toegebragt met het doel den slaaf te kastijden.Het is wel de strekking der wet, met het oog op de betrekking tusschen heer en slaaf, en om tegenstand en ongehoorzaamheid bij dezen te voorkomen, den meester te vrijwaren tegen alle vervolging voor zulk eene daad, al is dan ook het geeselen en de straf baldadig, wreed en hardvochtig; maar bij zulk eene overdrevene strafoefening, alleen om te straffen, handelt de eigenaar van den slaaf voor zijn eigen risico; en indien de dood het gevolg is van zulk eene kastijding, kan de betrekking van den meester tot den slaaf geen grond tot verschooning of eene verzachtende omstandigheid geacht worden. De beginselen van het gemeene regt, die ten aanzien van den moord gelden, zijn hier zonder wijziging of uitzondering van toepassing; en op grond van die beginselen is de daad van den beschuldigde, in de onderwerpelijke zaak, moord.... De daad van den beschuldigde is geen manslag maar moord met voorbedachten rade.Wij voelen ons gedrongen eenige opmerkingen omtrent dat proces hier te laten volgen.Die marteling duurde, naar het schijnt, twaalf uren. Zij had plaats in de county Hanover van den staat Virginia. Twee blanken waren van nabij van de geheele toedragt getuigen, en deden, voor zoover ons blijkt, geene poging om de lieden uit den omtrek er bij te roepen en die gruweldaad te doen ophouden. Welk eene opvoeding, welke zienswijze doet dit in deze menschen onderstellen!De zaak werd voor den regter gebragt. Ons gevoel wordthevig geschokt bij het lezen der acte van beschuldiging, die men niet gaarne ten tweeden male zou doorloopen. Men zou ligtelijk meenen, dat zij aller gemoederen in beweging bragt, dat de bewoners der county allen als één man zouden zijn opgestaan, om den wreedaard uit te werpen even als Paulus den adder afschudde. Het blijkt integendeel, dat niemand partij vatte; dat de regters met eene koelbloedigheid de feiten onderzochten, en weder onderzochten zoo als men slechts in de annalen der inquisitie aantreft; dat met nadruk en ernst door beschaafde en kundige Amerikanen werd beweerd, dat die reeks van gruwelen niet het feit van moord daarstelden! en, in de koude en duidelijke taal, in de regtspleging gebruikelijk, dat „de misdaad,indien zij aanwezig was, slechts manslag was,” en dat eene Amerikaansche jury het „moord zonder voorbedachten rade” noemde. Bij ieder, die de acte van beschuldiging leest, zal gewis de wensch opkomen, dat, indien men in Virginia dit „doodslag zonder voorbedachten rade” noemt, een moord met voorbedachten rade de voorkeur verdient. Had Souther plotseling zijn slaaf een kogel door het hoofd gejaagd, in tegenwoordigheid van blanke getuigen, dan zouditmoord met voorbedachten rade geweest zijn; maar nu hij hem liever twaalf uur lang doodmartelt, onder voorgeven hem tekastijden, nu, zegt de beschuldiging, dat er slechts doodslag zonder voorbedachten rade gepleegd is; „omdat,” zoo als het verzoek om op nieuw de zaak in behandeling te nemen, met bewonderenswaardige ongevoeligheid zegt: „het niet is bewezen, dat het oogmerk was van den gevangene den slaaf te dooden, tenzij dit oogmerk mogt worden afgeleid uit de wijze en den duur der strafoefening.”In het vonnis is eene overhelling merkbaar tot het denkbeeld dat twaalf uren doorgebragt met het slaan, trappen, stompen, branden en verminken van een menschelijk wezen, wel eenigzins moet beschouwd worden als eene overschrijding van de grenzen eener geoorloofde kastijding. Maar die gewaagde meening wordt met omzigtigheid uitgedrukt en met eene zekere aarzeling, en wordt opgewogen door de omstandigheid, die eveneens in die merkwaardige acte wordt aangevoerd, dat de beschuldigde, gedurende de strafoefening, herhaaldelijk verklaarde te gelooven dat de slaaf slechts voorgaf te lijden, maar inderdaad niet leed. Het schijnt dat deze omstandigheid door de regters werd aangemerkt als een zeer aannemelijk bewijs voorde zuiverheid van Southers oogmerken, en het zeer waarschijnlijk maakte, dat hij slechts eenekastijdingop het oog had.Ook schijnt het dat Souther, wel verre van de publieke opinie tegen zich te hebben, er velen vond, die, met hem van oordeel waren, dat vijf jaren confinement eene onbillijke en te strenge straf was voor zijn misdaad; van daar zijn verzoek om op nieuw de zaak te doen behandelen en het appel bij het Hoog Geregtshof; van daar ook de vorm van het proces: „Souther tegen den Staat.” Souther achtte zich blijkbaar verongelijkt, en het is als zoodanig, dat hij voor het Hoog Geregtshof verscheen.Tot dusverre levert het proces geene reden op om van de menschlievendheid der regtspleging te gewagen. De wijze, waarop tot hiertoe de zaak behandeld is, herinnert min of meer aan de regtsgedingen, die men in de geschiedenis der inquisitie vindt, over het geoorloofde om kinderen beneden de dertien jaren vuur aan de voeten te leggen, ten einde hun eene bekentenis, die tot bewijs vereischt wordt, te ontlokken.Beschouwen wij thans de uitspraak van het Hoog Geregtshof, die de schrijver van het artikel in denCourier and Enquirerzoo bijzonder zacht en menschlievend noemt. De regter Field is van oordeel, dat het eene zeer wreede daad geldt, en in zooverre schijnt hij van zienswijze te verschillen met den regter, de jury en den advokaat, door wie de zaak in eerste instantie is behandeld. Verder twijfelt hij, of in de jaarboeken der regtspleging wel eene tweede zoo barbaarsche daad voorkomt, welke twijfel misschien zeer gegrond is; en hij neemt aan, dat het dooden van een slaaf door marteling, onder voorwendsel van kastijding, moord is met voorbedachten rade; ook hierin zal iedereen hem moeten gelijk geven; het eenige, waarover men zich verwonderen moet is, dat het ooit noodig was dat iemand in regten zulk eene stelling moest opperen. Maar, even onbetwistbaar als de regter Ruffin, neemt hij het treurige beginsel in de slavenwetgeving aan, dat de wet niet tusschen beiden kan treden, wanneer de meester zijn slaaf eene marteling doet ondergaan, die den dood niet ten gevolge heeft. Zoo het vonnis iets uitmaakt, dan is het dit beginsel. De conclusie der regtspraak toch luidt:„Het hof heeft beslist, in het proces tegen Turner, dat de eigenaar van een slaaf, voor het baldadig, wreed en hardvochtig slaan van zijn eigen slaaf, niet kan vervolgd worden ....„Het is de strekking der wet, met het oog op de betrekking tusschen heer en slaaf en om tegenstand en ongehoorzaamheid bij dezen te voorkomen, den meester te vrijwaren tegen alle vervolging voor zulk eene daad, al is dan ook het geeselen en de straf wreed en hardvochtig ....”De zeer natuurlijke gevolgtrekking, uit die conclusie af te leiden, is deze: Wanneer het slagtoffer van die marteling, die twaalf uren duurde, slechts een weinig sterker gestel hadde bezeten, en er niet onder bezweken ware, zou er geen wet in Virginia zijn, krachtens welke Souther kon veroordeeld worden.Indien dit niet het overtuigendste bewijs is voor de waarheid van St. Clare’s woorden, dat hij, die het verste gaat en het ergste doet, nog maar de magt gebruikt die de wet hem geeft, „dan weten wij niet waardoor anders die te staven. Wat ishet ergste?” een onmiddellijke dood of eene langdurige marteling? Die uitspraak geeft in zoo vele woorden elken meester het regt om eene marteling zoo lang hij wil voort te zetten, maar ontneemt hem slechts de magt om haar door den dood, die dan eene weldaad zou zijn, te doen ophouden. En dit is nu de regterlijke uitspraak die deCourier and Enquirerals eene overtuigende proeve van de menschlievendheid der regtspleging aanvoert.Het is te hopen voor den uitgever, dat hij nooit dat proces in zijn geheel heeft gelezen; indien hij dat gedaan hadde, zou hij het niet hebben aangehaald. Ieder die het knekelhuis binnen treedt dier regtspleging, met de hoop een bewijs op te doen voor de menschlievendheid van het slaven-stelsel—wij zeggen het den Joodschen dichter na—Hij weet niet dat de dood daar heerscht,En dat zijne gasten zijn in de diepten der hel.De uitslag van dit regtsgeding was, dat aan Souther eenvoudig demeeningvan het Geregtshof werd medegedeeld, dat hij in plaats van vijf jaren gevangenisstraf, verdiende gehangen te worden; maar de zaak mogt niet ten tweede male in behandeling genomen worden, en daar wij uit alles mogen opmaken, dat Souther niet zeer fijn van gevoel was, is het niet waarschijnlijk, dat hij om die meening zich zwaar bekommerde. Hij zal wel begrepen hebben, dat hem niets anders overschoot, dan zijne vijfjarige gevangenis zoo goed mogelijk door te brengen. En wanneer hij weder in vrijheid komt, is er geene wet inVirginia die hem verbiedt zooveel negers te koopen als hij goedvindt, en met elk hunner hetzelfde te doen, wat hij met Sam gedaan heeft, indien hij zich slechts de wetenschap ten nutte maakt, die hij uit zijn proces heeft kunnen opdoen, en zorgt met de marteling op te houden vóór de dood er een einde aan maakt, iets waarvoor men zich, zoo als uit de geschiedenis der inquisitie blijkt, met tamelijk veel zekerheid kan hoeden. Waarschijnlijk zal hij ook in het vervolg zoo dwaas niet zijn de tegenwoordigheid van twee blanke getuigen te verlangen, al waren zij dan ook zoo belangstellend en beleefd om den ganschen dag de gruweldaad aan te zien zonder eenige poging te doen om haar te beletten.De slavernij, zoo als zij volgens de Amerikaansche wetten bestaat, is evenmin vatbaar om door beginsels van menschlievendheid geregeld te worden, als het stelsel van marteling bij de inquisitie. Elke daad van menschlievendheid van eenigen eigenaar is eene onlogische afwijking van het stelsel der wet, en de rede waarom de Amerikaansche slavenwet veel hardvochtiger is dan eenige andere, die ooit op de wereld bestaan heeft, is daarin gelegen dat de Anglo-Saksische volksstam beredeneerder en koelbloediger is, en een hardnekkiger moed bezit om de gevolgen te trotseren van elk beginsel, dat hij heeft aangenomen, om een onregtvaardig beginsel toe te passen met mathematische naauwgezetheid, tot in zijne meest onregtvaardige uitvloeisels. De regtspraken, in Amerika gewezen, bewijzen niets zoo zeer als die strenge en onwrikbare naauwgezetheid in het logisch toepassen van eene wetsbepaling. En niet zelden leest men vonnissen, die—niet omdat de regters onbarmhartig of partijdig, maar omdat zij logisch en getrouw zijn—met ijskoude koelbloedigheid zijn uitgesproken, en die men zou meenen, dat de aarde zouden doen sidderen en de zon verduisteren.Het karakter der Franschen en Spanjaarden is meer levendig, hartstogtelijk en poëtisch dan logisch; van daar dat, ofschoon er meer gevallen zich mogen voordoen van barbaarschheid van een enkel persoon, zoo als men verwachten kan bij een vurig en hartstogtelijk volk, in hunne slavenwet meer gevoel van menschelijkheid heerscht. De wet van Louisiana bevat meerdere waarlijk menschlievende bepalingen, indien er slechts maatregelen waren genomen om haar kracht bij te zetten, dan eenige andere wet in eenigen Staat der Unie.Er is, gelooven wij, geene slavenwet ter wereld, die zulk eene volledige verzameling aanbiedt van kristallisaties van elken traan en elken droppel bloed, die aan de menschheid kan worden afgeperst, en die met zoo veel zorg, met zoo veel smaak en kennis is gerangschikt, als de slavenwet van Noord-Amerika. Zij is een kabinet van heelkundige instrumenten, om het hart van den mensch levend te ontleden;—elk werktuig is van het beste metaal met zorg vervaardigd en gepolijst, en voorzien met den naam der zenuwen of aderen of spieren, waarvoor het bestemd is. De werktuigen van den ontleedkundige zijn van vergankelijk staal en hout en strekken slechts voor vergankelijke en aan bederf onderhevige stoffen; maar dit zijn werktuigen van beter gehalte, bestemd voor eene zedelijke ontleding en strekken om op de naauwkeurigste en kunstigste wijze de onsterfelijke ziel te verminken, en den mensch zorgvuldig en trapsgewijze van zijn verheven standpunt, waarop zijn vrije wil hem plaatst, als maatschappelijk, godsdienstig, voor zijne daden verantwoordelijk wezen, af te werpen en hem tot redeloos of bloot stoffelijk voorwerp te maken.1De regter Fields omschrijft op de volgende wijze de straf:De neger werd aan een boom gebonden en met boomtakken gegeeseld. Toen Souther het slaan moede was, riep hij een zijner negerslaven en deed Sam met eene lat beuken. Ook beval hij eene negerin hem bij te staan. Na dat slaan en geeselen brandde hij het ligchaam van den slaaf....Toendeed hij hem wasschen met warm water, waarin Cayene peper afgetrokken was. Daarna werd de neger vastgebonden aan eene plank en aan de deurpost met koorden, die zijn keel digtknepen, terwijl Souther hem sloeg en trapte. Op deze wijze duurde de strafoefening voort tot de neger den geest gaf.
Hoofdstuk III.Souther tegen De Republiek—het non plus ultra van menschlievendheid in de wet.„En toch ondanks zulke wetten en uitspraken doet mevrouw Stowe enz.—Courier and Enquirer.”Het proces van Souther tegen de Republiek is door denCourier and Enquireraangehaald als een zeer gunstig staaltje der wettelijke beslissingen onder de vigerende slavenwetten, met de volgende opmerking:„En toch, ondanks zulke wetten en uitspraken, doet mevrouw Stowe eene lange reeks van mishandelingen jegens de zwarten veronderstellen, door haar voorbeeldeloozen held Tom, in Louisiana, letterlijk te laten doodgeeselen door zijn meester Legree; en zulke feiten, die de wet als misdadig erkent en als zoodanig straft, beschrijft zij gedurig met de meest afschrikwekkende kleuren, om de instelling der slavernij te doen kennen!”Door die woorden werd schrijfster dezes in den waan gebragt, dat dit proces op eene wijze was gevoerd geworden, die zoo veel eer deed aan het menschelijk gevoel, dat men de regtspleging omtrent de slaven van een gunstiger standpunt zou gaan beschouwen. Daarom deed zij de moeite zich het verslag van dat proces te verschaffen, met het oogmerk het openbaar te maken als tegenstelling van de vele wreedheden, die men bij de studie van dit gedeelte van het onderwerp ontmoet. Een regterlijk ambtenaar heeft het gecopieerd uitGrattan’s Reports, en zij laathet hier volgen. Indien het den lezer verbaast, het kan bij hem niet meer verbazing opwekken dan bij de schrijfster zelve.„Souther tegen de Republiek, 7 Grattan 673, 1851.„Het dooden van een slaaf door zijn meester en eigenaar, ten gevolge van zweepslagen op diens last en met overdreven gestrengheid gegeven, is moord, al mogt ook het oogmerk van den meester en eigenaar niet geweest zijn den slaaf te dooden.”„Simeon Souther werd in de zitting van October 1850 bij den omgaanden regter in Hanover county aangeklaagd wegens moord op zijn eigen slaaf gepleegd. De acte van beschuldiging bevatte 15 punten, waarin de verschillende wijzen van kastijding en pijniging, waardoor de moord zou gepleegd zijn, op zich zelf of gepaard gaande waren aangegeven. Het vijftiende punt omvatte ze allen: en, daar de regtbank verklaarde dat die beschuldiging bewezen was, zal men uit de opgave der feiten in dat punt vervat, kunnen zien wat den beschuldigde werd ten laste gelegd, en waardoor het bewijs geleverd werd.In dat vijftiende punt van beschuldiging werd gezegd, dat op den 1sten September 1849, de beschuldigde zijn slaaf Sam met koorden om zijne polsen, hals, midden, beenen en enkels aan een boom bond. Dat de beschuldigde den aldus gebonden slaaf eerst met roeden geeselde. Dat hij hem daarna met een lat slagen en stooten toebragt, en twee van zijne slaven, een man en eene vrouw, beval den verslagene met de lat te slaan. Dat, terwijl de verslagene aldus aan een boom gebonden was, de beschuldigde hem sloeg, stompte, schopte en trapte op verschillende plaatsen van zijn hoofd, aangezigt en ligchaam; dat hij zijn ligchaam brandde .... dat hij hem toen waschte met warm water, waarin Cayene peper was afgetrokken; en dat hij zijne twee slaven voornoemd dwong hem met hetzelfde mengsel van water en Cayene peper te wasschen. Dat, na het knevelen, geeselen, beuken, slaan, stooten, stompen, schoppen, trappen, verwonden, kneuzen, verminken, branden, wasschen en pijnigen, vermeld, de beschuldigde den verslagene losmaakte van den boom, zoodanig, dat hij met kracht op den grond viel; dat hij hem intusschen sloeg, stompte en trapte op zijn hoofd, slapen en verschillende deelen van zijnligchaam. Dat de beschuldigde toen den verslagene naar eene werkplaats in zijn huis deed brengen, waar hij een zijner slaven beval om, in zijn bijzijn, de voeten van den verslagene in de stokken te sluiten, zijne beenen aan een stuk hout vast te maken, en een touw om zijn hals te slaan, waarmede hij aan de post van de deur werd vastgemaakt, en op die wijze den verslagene te worgen en te doen stikken. En dat, terwijl de verslagene dus op deze wijze was vastgemaakt, de beschuldigde hem sloeg, stompte, trapte en beukte op zijn hoofd, zijn aangezigt, borst, buik, zijden, rug en verdere deelen van het ligchaam; en dat hij nogmaals zijn slaven beval het ligchaam van den verslagene te branden. In dit punt der aanklagt wordt ook de beschuldiging neergelegd dat onder en door deze verschillende straffen en pijnigingen de slaaf Sam gestorven is. Het bleek dat de beschuldigde met het straffen van den verslagene des morgens aanving, en dat het den ganschen dag duurde; en dat de verslagene stierf in het bijzijn van den beschuldigde, een van zijne slaven en een der getuigen, terwijl de marteling nog steeds werd voortgezet.Het vonnis van het hof werd bij monde van den regter Field uitgesproken.Souther werd beschuldigd en schuldigverklaard aan moord zonder voorbedachten rade, door de omgaande regtbank van Hanover county, in hare zitting van April jl., en werd veroordeeld tot vijf jaren confinement, welk tijdvak door de jury was vastgesteld. De moord bestond in het dooden van een negerslaaf, genaamd Sam, het eigendom van den beschuldigde, door wreed en overdreven geeselen en pijnigen, hem aangedaan door Souther, bijgestaan door twee zijner slaven op den eersten September 1851. De beschuldigde verzocht herziening van zijn vonnis, op grond, dat de misdaad indien zij aanwezig was, niet meer was dan manslag. Het verzoek om de zaak op nieuw in behandeling te brengen werd afgewezen, en de redenen, welke geacht werden een nieuw onderzoek noodig te maken, onvoldoende bevonden. Die redenen waren: Dat de slaaf Sam, die in de acte van beschuldiging genoemd wordt, de slaaf en het eigendom van den beschuldigde was. Dat met het doel den slaaf te straffenvoor dronkenschap en den omgang dien hij erkende, met Henry en Stone, twee der getuigen ten laste, hij hem vastbond en kastijdde in tegenwoordigheid van gezegde getuigen; dat hij hem eerst slechts luttel geslagen had met takken van perzik- of appelboomen, maar daarna op de wijze in de acte omschreven, nadat hij gezegde getuigen had doen roepen, die de strafoefening bijwoonden even als verscheidene andere slaven van den beschuldigde; en dat de slaaf in kwestie stierf onder de uitoefening van gezegde straf, in tegenwoordigheid van een zijner slaven en van een der getuigen ten laste. Maar er was geen bewijs dat het oogmerk van den beschuldigde was den slaaf te dooden, tenzij dit oogmerk moest worden afgeleid uit de wijze en den duur der strafoefening. Integendeel was het bewezen, dat de beschuldigde herhaaldelijk verklaard had, terwijl de slaaf de straf onderging, te gelooven dat deze slechts voorgaf te lijden maar inderdaad niet leed. De regter verklaarde daarop dat de slaaf gestraft werd op de wijze als in de acte van beschuldiging werd vermeld. Die acte van beschuldiging bevat vijftien punten en loopt over eene zeer wreede en baldadige geeseling en marteling.1Men mag aannemen dat in de jaarboeken der criminele regtspleging geene afschuwelijke en verregaande wreede daad vermeld wordt als die, waarvan in het proces van Souther gesproken wordt; en toch is met ernst en nadruk door zijn advocaat beweerd, dat hier slechts sprake kon zijn van manslag.Die advokaat heeft verder aangevoerd, dat iemand niet aangeklaagd en vervolgd kan worden wegens hardvochtige geeseling van zijn eigen slaaf. Dat de wet den meester veroorlooftzijn slaaf te kastijden, en dat, indien deze kastijding den dood ten gevolge heeft, dit gelijk te stellen is met den moord door iemand in het volvoeren eener wettige daad gepleegd, en slechts manslag kan geacht worden. Door dit Hof is, in het proces tegen Turner, beslist, dat de eigenaar van een slaaf voor het baldadig, wreed en hardvochtig slaan van zijn eigen slaaf, niet aangeklaagd kan worden; maar daaruit volgt in geenen deele, dat, wanneer zulk baldadig, wreed en hardvochtig slaan den dood ten gevolge heeft, hoewel dit niet werd beoogd, die mishandelingen als geoorloofd door de wet moeten beschouwd worden, en de misdaad als manslag moeten doen qualificeren, wanneer de slagen alleen zijn toegebragt met het doel den slaaf te kastijden.Het is wel de strekking der wet, met het oog op de betrekking tusschen heer en slaaf, en om tegenstand en ongehoorzaamheid bij dezen te voorkomen, den meester te vrijwaren tegen alle vervolging voor zulk eene daad, al is dan ook het geeselen en de straf baldadig, wreed en hardvochtig; maar bij zulk eene overdrevene strafoefening, alleen om te straffen, handelt de eigenaar van den slaaf voor zijn eigen risico; en indien de dood het gevolg is van zulk eene kastijding, kan de betrekking van den meester tot den slaaf geen grond tot verschooning of eene verzachtende omstandigheid geacht worden. De beginselen van het gemeene regt, die ten aanzien van den moord gelden, zijn hier zonder wijziging of uitzondering van toepassing; en op grond van die beginselen is de daad van den beschuldigde, in de onderwerpelijke zaak, moord.... De daad van den beschuldigde is geen manslag maar moord met voorbedachten rade.Wij voelen ons gedrongen eenige opmerkingen omtrent dat proces hier te laten volgen.Die marteling duurde, naar het schijnt, twaalf uren. Zij had plaats in de county Hanover van den staat Virginia. Twee blanken waren van nabij van de geheele toedragt getuigen, en deden, voor zoover ons blijkt, geene poging om de lieden uit den omtrek er bij te roepen en die gruweldaad te doen ophouden. Welk eene opvoeding, welke zienswijze doet dit in deze menschen onderstellen!De zaak werd voor den regter gebragt. Ons gevoel wordthevig geschokt bij het lezen der acte van beschuldiging, die men niet gaarne ten tweeden male zou doorloopen. Men zou ligtelijk meenen, dat zij aller gemoederen in beweging bragt, dat de bewoners der county allen als één man zouden zijn opgestaan, om den wreedaard uit te werpen even als Paulus den adder afschudde. Het blijkt integendeel, dat niemand partij vatte; dat de regters met eene koelbloedigheid de feiten onderzochten, en weder onderzochten zoo als men slechts in de annalen der inquisitie aantreft; dat met nadruk en ernst door beschaafde en kundige Amerikanen werd beweerd, dat die reeks van gruwelen niet het feit van moord daarstelden! en, in de koude en duidelijke taal, in de regtspleging gebruikelijk, dat „de misdaad,indien zij aanwezig was, slechts manslag was,” en dat eene Amerikaansche jury het „moord zonder voorbedachten rade” noemde. Bij ieder, die de acte van beschuldiging leest, zal gewis de wensch opkomen, dat, indien men in Virginia dit „doodslag zonder voorbedachten rade” noemt, een moord met voorbedachten rade de voorkeur verdient. Had Souther plotseling zijn slaaf een kogel door het hoofd gejaagd, in tegenwoordigheid van blanke getuigen, dan zouditmoord met voorbedachten rade geweest zijn; maar nu hij hem liever twaalf uur lang doodmartelt, onder voorgeven hem tekastijden, nu, zegt de beschuldiging, dat er slechts doodslag zonder voorbedachten rade gepleegd is; „omdat,” zoo als het verzoek om op nieuw de zaak in behandeling te nemen, met bewonderenswaardige ongevoeligheid zegt: „het niet is bewezen, dat het oogmerk was van den gevangene den slaaf te dooden, tenzij dit oogmerk mogt worden afgeleid uit de wijze en den duur der strafoefening.”In het vonnis is eene overhelling merkbaar tot het denkbeeld dat twaalf uren doorgebragt met het slaan, trappen, stompen, branden en verminken van een menschelijk wezen, wel eenigzins moet beschouwd worden als eene overschrijding van de grenzen eener geoorloofde kastijding. Maar die gewaagde meening wordt met omzigtigheid uitgedrukt en met eene zekere aarzeling, en wordt opgewogen door de omstandigheid, die eveneens in die merkwaardige acte wordt aangevoerd, dat de beschuldigde, gedurende de strafoefening, herhaaldelijk verklaarde te gelooven dat de slaaf slechts voorgaf te lijden, maar inderdaad niet leed. Het schijnt dat deze omstandigheid door de regters werd aangemerkt als een zeer aannemelijk bewijs voorde zuiverheid van Southers oogmerken, en het zeer waarschijnlijk maakte, dat hij slechts eenekastijdingop het oog had.Ook schijnt het dat Souther, wel verre van de publieke opinie tegen zich te hebben, er velen vond, die, met hem van oordeel waren, dat vijf jaren confinement eene onbillijke en te strenge straf was voor zijn misdaad; van daar zijn verzoek om op nieuw de zaak te doen behandelen en het appel bij het Hoog Geregtshof; van daar ook de vorm van het proces: „Souther tegen den Staat.” Souther achtte zich blijkbaar verongelijkt, en het is als zoodanig, dat hij voor het Hoog Geregtshof verscheen.Tot dusverre levert het proces geene reden op om van de menschlievendheid der regtspleging te gewagen. De wijze, waarop tot hiertoe de zaak behandeld is, herinnert min of meer aan de regtsgedingen, die men in de geschiedenis der inquisitie vindt, over het geoorloofde om kinderen beneden de dertien jaren vuur aan de voeten te leggen, ten einde hun eene bekentenis, die tot bewijs vereischt wordt, te ontlokken.Beschouwen wij thans de uitspraak van het Hoog Geregtshof, die de schrijver van het artikel in denCourier and Enquirerzoo bijzonder zacht en menschlievend noemt. De regter Field is van oordeel, dat het eene zeer wreede daad geldt, en in zooverre schijnt hij van zienswijze te verschillen met den regter, de jury en den advokaat, door wie de zaak in eerste instantie is behandeld. Verder twijfelt hij, of in de jaarboeken der regtspleging wel eene tweede zoo barbaarsche daad voorkomt, welke twijfel misschien zeer gegrond is; en hij neemt aan, dat het dooden van een slaaf door marteling, onder voorwendsel van kastijding, moord is met voorbedachten rade; ook hierin zal iedereen hem moeten gelijk geven; het eenige, waarover men zich verwonderen moet is, dat het ooit noodig was dat iemand in regten zulk eene stelling moest opperen. Maar, even onbetwistbaar als de regter Ruffin, neemt hij het treurige beginsel in de slavenwetgeving aan, dat de wet niet tusschen beiden kan treden, wanneer de meester zijn slaaf eene marteling doet ondergaan, die den dood niet ten gevolge heeft. Zoo het vonnis iets uitmaakt, dan is het dit beginsel. De conclusie der regtspraak toch luidt:„Het hof heeft beslist, in het proces tegen Turner, dat de eigenaar van een slaaf, voor het baldadig, wreed en hardvochtig slaan van zijn eigen slaaf, niet kan vervolgd worden ....„Het is de strekking der wet, met het oog op de betrekking tusschen heer en slaaf en om tegenstand en ongehoorzaamheid bij dezen te voorkomen, den meester te vrijwaren tegen alle vervolging voor zulk eene daad, al is dan ook het geeselen en de straf wreed en hardvochtig ....”De zeer natuurlijke gevolgtrekking, uit die conclusie af te leiden, is deze: Wanneer het slagtoffer van die marteling, die twaalf uren duurde, slechts een weinig sterker gestel hadde bezeten, en er niet onder bezweken ware, zou er geen wet in Virginia zijn, krachtens welke Souther kon veroordeeld worden.Indien dit niet het overtuigendste bewijs is voor de waarheid van St. Clare’s woorden, dat hij, die het verste gaat en het ergste doet, nog maar de magt gebruikt die de wet hem geeft, „dan weten wij niet waardoor anders die te staven. Wat ishet ergste?” een onmiddellijke dood of eene langdurige marteling? Die uitspraak geeft in zoo vele woorden elken meester het regt om eene marteling zoo lang hij wil voort te zetten, maar ontneemt hem slechts de magt om haar door den dood, die dan eene weldaad zou zijn, te doen ophouden. En dit is nu de regterlijke uitspraak die deCourier and Enquirerals eene overtuigende proeve van de menschlievendheid der regtspleging aanvoert.Het is te hopen voor den uitgever, dat hij nooit dat proces in zijn geheel heeft gelezen; indien hij dat gedaan hadde, zou hij het niet hebben aangehaald. Ieder die het knekelhuis binnen treedt dier regtspleging, met de hoop een bewijs op te doen voor de menschlievendheid van het slaven-stelsel—wij zeggen het den Joodschen dichter na—Hij weet niet dat de dood daar heerscht,En dat zijne gasten zijn in de diepten der hel.De uitslag van dit regtsgeding was, dat aan Souther eenvoudig demeeningvan het Geregtshof werd medegedeeld, dat hij in plaats van vijf jaren gevangenisstraf, verdiende gehangen te worden; maar de zaak mogt niet ten tweede male in behandeling genomen worden, en daar wij uit alles mogen opmaken, dat Souther niet zeer fijn van gevoel was, is het niet waarschijnlijk, dat hij om die meening zich zwaar bekommerde. Hij zal wel begrepen hebben, dat hem niets anders overschoot, dan zijne vijfjarige gevangenis zoo goed mogelijk door te brengen. En wanneer hij weder in vrijheid komt, is er geene wet inVirginia die hem verbiedt zooveel negers te koopen als hij goedvindt, en met elk hunner hetzelfde te doen, wat hij met Sam gedaan heeft, indien hij zich slechts de wetenschap ten nutte maakt, die hij uit zijn proces heeft kunnen opdoen, en zorgt met de marteling op te houden vóór de dood er een einde aan maakt, iets waarvoor men zich, zoo als uit de geschiedenis der inquisitie blijkt, met tamelijk veel zekerheid kan hoeden. Waarschijnlijk zal hij ook in het vervolg zoo dwaas niet zijn de tegenwoordigheid van twee blanke getuigen te verlangen, al waren zij dan ook zoo belangstellend en beleefd om den ganschen dag de gruweldaad aan te zien zonder eenige poging te doen om haar te beletten.De slavernij, zoo als zij volgens de Amerikaansche wetten bestaat, is evenmin vatbaar om door beginsels van menschlievendheid geregeld te worden, als het stelsel van marteling bij de inquisitie. Elke daad van menschlievendheid van eenigen eigenaar is eene onlogische afwijking van het stelsel der wet, en de rede waarom de Amerikaansche slavenwet veel hardvochtiger is dan eenige andere, die ooit op de wereld bestaan heeft, is daarin gelegen dat de Anglo-Saksische volksstam beredeneerder en koelbloediger is, en een hardnekkiger moed bezit om de gevolgen te trotseren van elk beginsel, dat hij heeft aangenomen, om een onregtvaardig beginsel toe te passen met mathematische naauwgezetheid, tot in zijne meest onregtvaardige uitvloeisels. De regtspraken, in Amerika gewezen, bewijzen niets zoo zeer als die strenge en onwrikbare naauwgezetheid in het logisch toepassen van eene wetsbepaling. En niet zelden leest men vonnissen, die—niet omdat de regters onbarmhartig of partijdig, maar omdat zij logisch en getrouw zijn—met ijskoude koelbloedigheid zijn uitgesproken, en die men zou meenen, dat de aarde zouden doen sidderen en de zon verduisteren.Het karakter der Franschen en Spanjaarden is meer levendig, hartstogtelijk en poëtisch dan logisch; van daar dat, ofschoon er meer gevallen zich mogen voordoen van barbaarschheid van een enkel persoon, zoo als men verwachten kan bij een vurig en hartstogtelijk volk, in hunne slavenwet meer gevoel van menschelijkheid heerscht. De wet van Louisiana bevat meerdere waarlijk menschlievende bepalingen, indien er slechts maatregelen waren genomen om haar kracht bij te zetten, dan eenige andere wet in eenigen Staat der Unie.Er is, gelooven wij, geene slavenwet ter wereld, die zulk eene volledige verzameling aanbiedt van kristallisaties van elken traan en elken droppel bloed, die aan de menschheid kan worden afgeperst, en die met zoo veel zorg, met zoo veel smaak en kennis is gerangschikt, als de slavenwet van Noord-Amerika. Zij is een kabinet van heelkundige instrumenten, om het hart van den mensch levend te ontleden;—elk werktuig is van het beste metaal met zorg vervaardigd en gepolijst, en voorzien met den naam der zenuwen of aderen of spieren, waarvoor het bestemd is. De werktuigen van den ontleedkundige zijn van vergankelijk staal en hout en strekken slechts voor vergankelijke en aan bederf onderhevige stoffen; maar dit zijn werktuigen van beter gehalte, bestemd voor eene zedelijke ontleding en strekken om op de naauwkeurigste en kunstigste wijze de onsterfelijke ziel te verminken, en den mensch zorgvuldig en trapsgewijze van zijn verheven standpunt, waarop zijn vrije wil hem plaatst, als maatschappelijk, godsdienstig, voor zijne daden verantwoordelijk wezen, af te werpen en hem tot redeloos of bloot stoffelijk voorwerp te maken.1De regter Fields omschrijft op de volgende wijze de straf:De neger werd aan een boom gebonden en met boomtakken gegeeseld. Toen Souther het slaan moede was, riep hij een zijner negerslaven en deed Sam met eene lat beuken. Ook beval hij eene negerin hem bij te staan. Na dat slaan en geeselen brandde hij het ligchaam van den slaaf....Toendeed hij hem wasschen met warm water, waarin Cayene peper afgetrokken was. Daarna werd de neger vastgebonden aan eene plank en aan de deurpost met koorden, die zijn keel digtknepen, terwijl Souther hem sloeg en trapte. Op deze wijze duurde de strafoefening voort tot de neger den geest gaf.
Hoofdstuk III.Souther tegen De Republiek—het non plus ultra van menschlievendheid in de wet.„En toch ondanks zulke wetten en uitspraken doet mevrouw Stowe enz.—Courier and Enquirer.”Het proces van Souther tegen de Republiek is door denCourier and Enquireraangehaald als een zeer gunstig staaltje der wettelijke beslissingen onder de vigerende slavenwetten, met de volgende opmerking:„En toch, ondanks zulke wetten en uitspraken, doet mevrouw Stowe eene lange reeks van mishandelingen jegens de zwarten veronderstellen, door haar voorbeeldeloozen held Tom, in Louisiana, letterlijk te laten doodgeeselen door zijn meester Legree; en zulke feiten, die de wet als misdadig erkent en als zoodanig straft, beschrijft zij gedurig met de meest afschrikwekkende kleuren, om de instelling der slavernij te doen kennen!”Door die woorden werd schrijfster dezes in den waan gebragt, dat dit proces op eene wijze was gevoerd geworden, die zoo veel eer deed aan het menschelijk gevoel, dat men de regtspleging omtrent de slaven van een gunstiger standpunt zou gaan beschouwen. Daarom deed zij de moeite zich het verslag van dat proces te verschaffen, met het oogmerk het openbaar te maken als tegenstelling van de vele wreedheden, die men bij de studie van dit gedeelte van het onderwerp ontmoet. Een regterlijk ambtenaar heeft het gecopieerd uitGrattan’s Reports, en zij laathet hier volgen. Indien het den lezer verbaast, het kan bij hem niet meer verbazing opwekken dan bij de schrijfster zelve.„Souther tegen de Republiek, 7 Grattan 673, 1851.„Het dooden van een slaaf door zijn meester en eigenaar, ten gevolge van zweepslagen op diens last en met overdreven gestrengheid gegeven, is moord, al mogt ook het oogmerk van den meester en eigenaar niet geweest zijn den slaaf te dooden.”„Simeon Souther werd in de zitting van October 1850 bij den omgaanden regter in Hanover county aangeklaagd wegens moord op zijn eigen slaaf gepleegd. De acte van beschuldiging bevatte 15 punten, waarin de verschillende wijzen van kastijding en pijniging, waardoor de moord zou gepleegd zijn, op zich zelf of gepaard gaande waren aangegeven. Het vijftiende punt omvatte ze allen: en, daar de regtbank verklaarde dat die beschuldiging bewezen was, zal men uit de opgave der feiten in dat punt vervat, kunnen zien wat den beschuldigde werd ten laste gelegd, en waardoor het bewijs geleverd werd.In dat vijftiende punt van beschuldiging werd gezegd, dat op den 1sten September 1849, de beschuldigde zijn slaaf Sam met koorden om zijne polsen, hals, midden, beenen en enkels aan een boom bond. Dat de beschuldigde den aldus gebonden slaaf eerst met roeden geeselde. Dat hij hem daarna met een lat slagen en stooten toebragt, en twee van zijne slaven, een man en eene vrouw, beval den verslagene met de lat te slaan. Dat, terwijl de verslagene aldus aan een boom gebonden was, de beschuldigde hem sloeg, stompte, schopte en trapte op verschillende plaatsen van zijn hoofd, aangezigt en ligchaam; dat hij zijn ligchaam brandde .... dat hij hem toen waschte met warm water, waarin Cayene peper was afgetrokken; en dat hij zijne twee slaven voornoemd dwong hem met hetzelfde mengsel van water en Cayene peper te wasschen. Dat, na het knevelen, geeselen, beuken, slaan, stooten, stompen, schoppen, trappen, verwonden, kneuzen, verminken, branden, wasschen en pijnigen, vermeld, de beschuldigde den verslagene losmaakte van den boom, zoodanig, dat hij met kracht op den grond viel; dat hij hem intusschen sloeg, stompte en trapte op zijn hoofd, slapen en verschillende deelen van zijnligchaam. Dat de beschuldigde toen den verslagene naar eene werkplaats in zijn huis deed brengen, waar hij een zijner slaven beval om, in zijn bijzijn, de voeten van den verslagene in de stokken te sluiten, zijne beenen aan een stuk hout vast te maken, en een touw om zijn hals te slaan, waarmede hij aan de post van de deur werd vastgemaakt, en op die wijze den verslagene te worgen en te doen stikken. En dat, terwijl de verslagene dus op deze wijze was vastgemaakt, de beschuldigde hem sloeg, stompte, trapte en beukte op zijn hoofd, zijn aangezigt, borst, buik, zijden, rug en verdere deelen van het ligchaam; en dat hij nogmaals zijn slaven beval het ligchaam van den verslagene te branden. In dit punt der aanklagt wordt ook de beschuldiging neergelegd dat onder en door deze verschillende straffen en pijnigingen de slaaf Sam gestorven is. Het bleek dat de beschuldigde met het straffen van den verslagene des morgens aanving, en dat het den ganschen dag duurde; en dat de verslagene stierf in het bijzijn van den beschuldigde, een van zijne slaven en een der getuigen, terwijl de marteling nog steeds werd voortgezet.Het vonnis van het hof werd bij monde van den regter Field uitgesproken.Souther werd beschuldigd en schuldigverklaard aan moord zonder voorbedachten rade, door de omgaande regtbank van Hanover county, in hare zitting van April jl., en werd veroordeeld tot vijf jaren confinement, welk tijdvak door de jury was vastgesteld. De moord bestond in het dooden van een negerslaaf, genaamd Sam, het eigendom van den beschuldigde, door wreed en overdreven geeselen en pijnigen, hem aangedaan door Souther, bijgestaan door twee zijner slaven op den eersten September 1851. De beschuldigde verzocht herziening van zijn vonnis, op grond, dat de misdaad indien zij aanwezig was, niet meer was dan manslag. Het verzoek om de zaak op nieuw in behandeling te brengen werd afgewezen, en de redenen, welke geacht werden een nieuw onderzoek noodig te maken, onvoldoende bevonden. Die redenen waren: Dat de slaaf Sam, die in de acte van beschuldiging genoemd wordt, de slaaf en het eigendom van den beschuldigde was. Dat met het doel den slaaf te straffenvoor dronkenschap en den omgang dien hij erkende, met Henry en Stone, twee der getuigen ten laste, hij hem vastbond en kastijdde in tegenwoordigheid van gezegde getuigen; dat hij hem eerst slechts luttel geslagen had met takken van perzik- of appelboomen, maar daarna op de wijze in de acte omschreven, nadat hij gezegde getuigen had doen roepen, die de strafoefening bijwoonden even als verscheidene andere slaven van den beschuldigde; en dat de slaaf in kwestie stierf onder de uitoefening van gezegde straf, in tegenwoordigheid van een zijner slaven en van een der getuigen ten laste. Maar er was geen bewijs dat het oogmerk van den beschuldigde was den slaaf te dooden, tenzij dit oogmerk moest worden afgeleid uit de wijze en den duur der strafoefening. Integendeel was het bewezen, dat de beschuldigde herhaaldelijk verklaard had, terwijl de slaaf de straf onderging, te gelooven dat deze slechts voorgaf te lijden maar inderdaad niet leed. De regter verklaarde daarop dat de slaaf gestraft werd op de wijze als in de acte van beschuldiging werd vermeld. Die acte van beschuldiging bevat vijftien punten en loopt over eene zeer wreede en baldadige geeseling en marteling.1Men mag aannemen dat in de jaarboeken der criminele regtspleging geene afschuwelijke en verregaande wreede daad vermeld wordt als die, waarvan in het proces van Souther gesproken wordt; en toch is met ernst en nadruk door zijn advocaat beweerd, dat hier slechts sprake kon zijn van manslag.Die advokaat heeft verder aangevoerd, dat iemand niet aangeklaagd en vervolgd kan worden wegens hardvochtige geeseling van zijn eigen slaaf. Dat de wet den meester veroorlooftzijn slaaf te kastijden, en dat, indien deze kastijding den dood ten gevolge heeft, dit gelijk te stellen is met den moord door iemand in het volvoeren eener wettige daad gepleegd, en slechts manslag kan geacht worden. Door dit Hof is, in het proces tegen Turner, beslist, dat de eigenaar van een slaaf voor het baldadig, wreed en hardvochtig slaan van zijn eigen slaaf, niet aangeklaagd kan worden; maar daaruit volgt in geenen deele, dat, wanneer zulk baldadig, wreed en hardvochtig slaan den dood ten gevolge heeft, hoewel dit niet werd beoogd, die mishandelingen als geoorloofd door de wet moeten beschouwd worden, en de misdaad als manslag moeten doen qualificeren, wanneer de slagen alleen zijn toegebragt met het doel den slaaf te kastijden.Het is wel de strekking der wet, met het oog op de betrekking tusschen heer en slaaf, en om tegenstand en ongehoorzaamheid bij dezen te voorkomen, den meester te vrijwaren tegen alle vervolging voor zulk eene daad, al is dan ook het geeselen en de straf baldadig, wreed en hardvochtig; maar bij zulk eene overdrevene strafoefening, alleen om te straffen, handelt de eigenaar van den slaaf voor zijn eigen risico; en indien de dood het gevolg is van zulk eene kastijding, kan de betrekking van den meester tot den slaaf geen grond tot verschooning of eene verzachtende omstandigheid geacht worden. De beginselen van het gemeene regt, die ten aanzien van den moord gelden, zijn hier zonder wijziging of uitzondering van toepassing; en op grond van die beginselen is de daad van den beschuldigde, in de onderwerpelijke zaak, moord.... De daad van den beschuldigde is geen manslag maar moord met voorbedachten rade.Wij voelen ons gedrongen eenige opmerkingen omtrent dat proces hier te laten volgen.Die marteling duurde, naar het schijnt, twaalf uren. Zij had plaats in de county Hanover van den staat Virginia. Twee blanken waren van nabij van de geheele toedragt getuigen, en deden, voor zoover ons blijkt, geene poging om de lieden uit den omtrek er bij te roepen en die gruweldaad te doen ophouden. Welk eene opvoeding, welke zienswijze doet dit in deze menschen onderstellen!De zaak werd voor den regter gebragt. Ons gevoel wordthevig geschokt bij het lezen der acte van beschuldiging, die men niet gaarne ten tweeden male zou doorloopen. Men zou ligtelijk meenen, dat zij aller gemoederen in beweging bragt, dat de bewoners der county allen als één man zouden zijn opgestaan, om den wreedaard uit te werpen even als Paulus den adder afschudde. Het blijkt integendeel, dat niemand partij vatte; dat de regters met eene koelbloedigheid de feiten onderzochten, en weder onderzochten zoo als men slechts in de annalen der inquisitie aantreft; dat met nadruk en ernst door beschaafde en kundige Amerikanen werd beweerd, dat die reeks van gruwelen niet het feit van moord daarstelden! en, in de koude en duidelijke taal, in de regtspleging gebruikelijk, dat „de misdaad,indien zij aanwezig was, slechts manslag was,” en dat eene Amerikaansche jury het „moord zonder voorbedachten rade” noemde. Bij ieder, die de acte van beschuldiging leest, zal gewis de wensch opkomen, dat, indien men in Virginia dit „doodslag zonder voorbedachten rade” noemt, een moord met voorbedachten rade de voorkeur verdient. Had Souther plotseling zijn slaaf een kogel door het hoofd gejaagd, in tegenwoordigheid van blanke getuigen, dan zouditmoord met voorbedachten rade geweest zijn; maar nu hij hem liever twaalf uur lang doodmartelt, onder voorgeven hem tekastijden, nu, zegt de beschuldiging, dat er slechts doodslag zonder voorbedachten rade gepleegd is; „omdat,” zoo als het verzoek om op nieuw de zaak in behandeling te nemen, met bewonderenswaardige ongevoeligheid zegt: „het niet is bewezen, dat het oogmerk was van den gevangene den slaaf te dooden, tenzij dit oogmerk mogt worden afgeleid uit de wijze en den duur der strafoefening.”In het vonnis is eene overhelling merkbaar tot het denkbeeld dat twaalf uren doorgebragt met het slaan, trappen, stompen, branden en verminken van een menschelijk wezen, wel eenigzins moet beschouwd worden als eene overschrijding van de grenzen eener geoorloofde kastijding. Maar die gewaagde meening wordt met omzigtigheid uitgedrukt en met eene zekere aarzeling, en wordt opgewogen door de omstandigheid, die eveneens in die merkwaardige acte wordt aangevoerd, dat de beschuldigde, gedurende de strafoefening, herhaaldelijk verklaarde te gelooven dat de slaaf slechts voorgaf te lijden, maar inderdaad niet leed. Het schijnt dat deze omstandigheid door de regters werd aangemerkt als een zeer aannemelijk bewijs voorde zuiverheid van Southers oogmerken, en het zeer waarschijnlijk maakte, dat hij slechts eenekastijdingop het oog had.Ook schijnt het dat Souther, wel verre van de publieke opinie tegen zich te hebben, er velen vond, die, met hem van oordeel waren, dat vijf jaren confinement eene onbillijke en te strenge straf was voor zijn misdaad; van daar zijn verzoek om op nieuw de zaak te doen behandelen en het appel bij het Hoog Geregtshof; van daar ook de vorm van het proces: „Souther tegen den Staat.” Souther achtte zich blijkbaar verongelijkt, en het is als zoodanig, dat hij voor het Hoog Geregtshof verscheen.Tot dusverre levert het proces geene reden op om van de menschlievendheid der regtspleging te gewagen. De wijze, waarop tot hiertoe de zaak behandeld is, herinnert min of meer aan de regtsgedingen, die men in de geschiedenis der inquisitie vindt, over het geoorloofde om kinderen beneden de dertien jaren vuur aan de voeten te leggen, ten einde hun eene bekentenis, die tot bewijs vereischt wordt, te ontlokken.Beschouwen wij thans de uitspraak van het Hoog Geregtshof, die de schrijver van het artikel in denCourier and Enquirerzoo bijzonder zacht en menschlievend noemt. De regter Field is van oordeel, dat het eene zeer wreede daad geldt, en in zooverre schijnt hij van zienswijze te verschillen met den regter, de jury en den advokaat, door wie de zaak in eerste instantie is behandeld. Verder twijfelt hij, of in de jaarboeken der regtspleging wel eene tweede zoo barbaarsche daad voorkomt, welke twijfel misschien zeer gegrond is; en hij neemt aan, dat het dooden van een slaaf door marteling, onder voorwendsel van kastijding, moord is met voorbedachten rade; ook hierin zal iedereen hem moeten gelijk geven; het eenige, waarover men zich verwonderen moet is, dat het ooit noodig was dat iemand in regten zulk eene stelling moest opperen. Maar, even onbetwistbaar als de regter Ruffin, neemt hij het treurige beginsel in de slavenwetgeving aan, dat de wet niet tusschen beiden kan treden, wanneer de meester zijn slaaf eene marteling doet ondergaan, die den dood niet ten gevolge heeft. Zoo het vonnis iets uitmaakt, dan is het dit beginsel. De conclusie der regtspraak toch luidt:„Het hof heeft beslist, in het proces tegen Turner, dat de eigenaar van een slaaf, voor het baldadig, wreed en hardvochtig slaan van zijn eigen slaaf, niet kan vervolgd worden ....„Het is de strekking der wet, met het oog op de betrekking tusschen heer en slaaf en om tegenstand en ongehoorzaamheid bij dezen te voorkomen, den meester te vrijwaren tegen alle vervolging voor zulk eene daad, al is dan ook het geeselen en de straf wreed en hardvochtig ....”De zeer natuurlijke gevolgtrekking, uit die conclusie af te leiden, is deze: Wanneer het slagtoffer van die marteling, die twaalf uren duurde, slechts een weinig sterker gestel hadde bezeten, en er niet onder bezweken ware, zou er geen wet in Virginia zijn, krachtens welke Souther kon veroordeeld worden.Indien dit niet het overtuigendste bewijs is voor de waarheid van St. Clare’s woorden, dat hij, die het verste gaat en het ergste doet, nog maar de magt gebruikt die de wet hem geeft, „dan weten wij niet waardoor anders die te staven. Wat ishet ergste?” een onmiddellijke dood of eene langdurige marteling? Die uitspraak geeft in zoo vele woorden elken meester het regt om eene marteling zoo lang hij wil voort te zetten, maar ontneemt hem slechts de magt om haar door den dood, die dan eene weldaad zou zijn, te doen ophouden. En dit is nu de regterlijke uitspraak die deCourier and Enquirerals eene overtuigende proeve van de menschlievendheid der regtspleging aanvoert.Het is te hopen voor den uitgever, dat hij nooit dat proces in zijn geheel heeft gelezen; indien hij dat gedaan hadde, zou hij het niet hebben aangehaald. Ieder die het knekelhuis binnen treedt dier regtspleging, met de hoop een bewijs op te doen voor de menschlievendheid van het slaven-stelsel—wij zeggen het den Joodschen dichter na—Hij weet niet dat de dood daar heerscht,En dat zijne gasten zijn in de diepten der hel.De uitslag van dit regtsgeding was, dat aan Souther eenvoudig demeeningvan het Geregtshof werd medegedeeld, dat hij in plaats van vijf jaren gevangenisstraf, verdiende gehangen te worden; maar de zaak mogt niet ten tweede male in behandeling genomen worden, en daar wij uit alles mogen opmaken, dat Souther niet zeer fijn van gevoel was, is het niet waarschijnlijk, dat hij om die meening zich zwaar bekommerde. Hij zal wel begrepen hebben, dat hem niets anders overschoot, dan zijne vijfjarige gevangenis zoo goed mogelijk door te brengen. En wanneer hij weder in vrijheid komt, is er geene wet inVirginia die hem verbiedt zooveel negers te koopen als hij goedvindt, en met elk hunner hetzelfde te doen, wat hij met Sam gedaan heeft, indien hij zich slechts de wetenschap ten nutte maakt, die hij uit zijn proces heeft kunnen opdoen, en zorgt met de marteling op te houden vóór de dood er een einde aan maakt, iets waarvoor men zich, zoo als uit de geschiedenis der inquisitie blijkt, met tamelijk veel zekerheid kan hoeden. Waarschijnlijk zal hij ook in het vervolg zoo dwaas niet zijn de tegenwoordigheid van twee blanke getuigen te verlangen, al waren zij dan ook zoo belangstellend en beleefd om den ganschen dag de gruweldaad aan te zien zonder eenige poging te doen om haar te beletten.De slavernij, zoo als zij volgens de Amerikaansche wetten bestaat, is evenmin vatbaar om door beginsels van menschlievendheid geregeld te worden, als het stelsel van marteling bij de inquisitie. Elke daad van menschlievendheid van eenigen eigenaar is eene onlogische afwijking van het stelsel der wet, en de rede waarom de Amerikaansche slavenwet veel hardvochtiger is dan eenige andere, die ooit op de wereld bestaan heeft, is daarin gelegen dat de Anglo-Saksische volksstam beredeneerder en koelbloediger is, en een hardnekkiger moed bezit om de gevolgen te trotseren van elk beginsel, dat hij heeft aangenomen, om een onregtvaardig beginsel toe te passen met mathematische naauwgezetheid, tot in zijne meest onregtvaardige uitvloeisels. De regtspraken, in Amerika gewezen, bewijzen niets zoo zeer als die strenge en onwrikbare naauwgezetheid in het logisch toepassen van eene wetsbepaling. En niet zelden leest men vonnissen, die—niet omdat de regters onbarmhartig of partijdig, maar omdat zij logisch en getrouw zijn—met ijskoude koelbloedigheid zijn uitgesproken, en die men zou meenen, dat de aarde zouden doen sidderen en de zon verduisteren.Het karakter der Franschen en Spanjaarden is meer levendig, hartstogtelijk en poëtisch dan logisch; van daar dat, ofschoon er meer gevallen zich mogen voordoen van barbaarschheid van een enkel persoon, zoo als men verwachten kan bij een vurig en hartstogtelijk volk, in hunne slavenwet meer gevoel van menschelijkheid heerscht. De wet van Louisiana bevat meerdere waarlijk menschlievende bepalingen, indien er slechts maatregelen waren genomen om haar kracht bij te zetten, dan eenige andere wet in eenigen Staat der Unie.Er is, gelooven wij, geene slavenwet ter wereld, die zulk eene volledige verzameling aanbiedt van kristallisaties van elken traan en elken droppel bloed, die aan de menschheid kan worden afgeperst, en die met zoo veel zorg, met zoo veel smaak en kennis is gerangschikt, als de slavenwet van Noord-Amerika. Zij is een kabinet van heelkundige instrumenten, om het hart van den mensch levend te ontleden;—elk werktuig is van het beste metaal met zorg vervaardigd en gepolijst, en voorzien met den naam der zenuwen of aderen of spieren, waarvoor het bestemd is. De werktuigen van den ontleedkundige zijn van vergankelijk staal en hout en strekken slechts voor vergankelijke en aan bederf onderhevige stoffen; maar dit zijn werktuigen van beter gehalte, bestemd voor eene zedelijke ontleding en strekken om op de naauwkeurigste en kunstigste wijze de onsterfelijke ziel te verminken, en den mensch zorgvuldig en trapsgewijze van zijn verheven standpunt, waarop zijn vrije wil hem plaatst, als maatschappelijk, godsdienstig, voor zijne daden verantwoordelijk wezen, af te werpen en hem tot redeloos of bloot stoffelijk voorwerp te maken.1De regter Fields omschrijft op de volgende wijze de straf:De neger werd aan een boom gebonden en met boomtakken gegeeseld. Toen Souther het slaan moede was, riep hij een zijner negerslaven en deed Sam met eene lat beuken. Ook beval hij eene negerin hem bij te staan. Na dat slaan en geeselen brandde hij het ligchaam van den slaaf....Toendeed hij hem wasschen met warm water, waarin Cayene peper afgetrokken was. Daarna werd de neger vastgebonden aan eene plank en aan de deurpost met koorden, die zijn keel digtknepen, terwijl Souther hem sloeg en trapte. Op deze wijze duurde de strafoefening voort tot de neger den geest gaf.
Hoofdstuk III.Souther tegen De Republiek—het non plus ultra van menschlievendheid in de wet.„En toch ondanks zulke wetten en uitspraken doet mevrouw Stowe enz.—Courier and Enquirer.”
„En toch ondanks zulke wetten en uitspraken doet mevrouw Stowe enz.—Courier and Enquirer.”
„En toch ondanks zulke wetten en uitspraken doet mevrouw Stowe enz.—Courier and Enquirer.”
Het proces van Souther tegen de Republiek is door denCourier and Enquireraangehaald als een zeer gunstig staaltje der wettelijke beslissingen onder de vigerende slavenwetten, met de volgende opmerking:„En toch, ondanks zulke wetten en uitspraken, doet mevrouw Stowe eene lange reeks van mishandelingen jegens de zwarten veronderstellen, door haar voorbeeldeloozen held Tom, in Louisiana, letterlijk te laten doodgeeselen door zijn meester Legree; en zulke feiten, die de wet als misdadig erkent en als zoodanig straft, beschrijft zij gedurig met de meest afschrikwekkende kleuren, om de instelling der slavernij te doen kennen!”Door die woorden werd schrijfster dezes in den waan gebragt, dat dit proces op eene wijze was gevoerd geworden, die zoo veel eer deed aan het menschelijk gevoel, dat men de regtspleging omtrent de slaven van een gunstiger standpunt zou gaan beschouwen. Daarom deed zij de moeite zich het verslag van dat proces te verschaffen, met het oogmerk het openbaar te maken als tegenstelling van de vele wreedheden, die men bij de studie van dit gedeelte van het onderwerp ontmoet. Een regterlijk ambtenaar heeft het gecopieerd uitGrattan’s Reports, en zij laathet hier volgen. Indien het den lezer verbaast, het kan bij hem niet meer verbazing opwekken dan bij de schrijfster zelve.„Souther tegen de Republiek, 7 Grattan 673, 1851.„Het dooden van een slaaf door zijn meester en eigenaar, ten gevolge van zweepslagen op diens last en met overdreven gestrengheid gegeven, is moord, al mogt ook het oogmerk van den meester en eigenaar niet geweest zijn den slaaf te dooden.”„Simeon Souther werd in de zitting van October 1850 bij den omgaanden regter in Hanover county aangeklaagd wegens moord op zijn eigen slaaf gepleegd. De acte van beschuldiging bevatte 15 punten, waarin de verschillende wijzen van kastijding en pijniging, waardoor de moord zou gepleegd zijn, op zich zelf of gepaard gaande waren aangegeven. Het vijftiende punt omvatte ze allen: en, daar de regtbank verklaarde dat die beschuldiging bewezen was, zal men uit de opgave der feiten in dat punt vervat, kunnen zien wat den beschuldigde werd ten laste gelegd, en waardoor het bewijs geleverd werd.In dat vijftiende punt van beschuldiging werd gezegd, dat op den 1sten September 1849, de beschuldigde zijn slaaf Sam met koorden om zijne polsen, hals, midden, beenen en enkels aan een boom bond. Dat de beschuldigde den aldus gebonden slaaf eerst met roeden geeselde. Dat hij hem daarna met een lat slagen en stooten toebragt, en twee van zijne slaven, een man en eene vrouw, beval den verslagene met de lat te slaan. Dat, terwijl de verslagene aldus aan een boom gebonden was, de beschuldigde hem sloeg, stompte, schopte en trapte op verschillende plaatsen van zijn hoofd, aangezigt en ligchaam; dat hij zijn ligchaam brandde .... dat hij hem toen waschte met warm water, waarin Cayene peper was afgetrokken; en dat hij zijne twee slaven voornoemd dwong hem met hetzelfde mengsel van water en Cayene peper te wasschen. Dat, na het knevelen, geeselen, beuken, slaan, stooten, stompen, schoppen, trappen, verwonden, kneuzen, verminken, branden, wasschen en pijnigen, vermeld, de beschuldigde den verslagene losmaakte van den boom, zoodanig, dat hij met kracht op den grond viel; dat hij hem intusschen sloeg, stompte en trapte op zijn hoofd, slapen en verschillende deelen van zijnligchaam. Dat de beschuldigde toen den verslagene naar eene werkplaats in zijn huis deed brengen, waar hij een zijner slaven beval om, in zijn bijzijn, de voeten van den verslagene in de stokken te sluiten, zijne beenen aan een stuk hout vast te maken, en een touw om zijn hals te slaan, waarmede hij aan de post van de deur werd vastgemaakt, en op die wijze den verslagene te worgen en te doen stikken. En dat, terwijl de verslagene dus op deze wijze was vastgemaakt, de beschuldigde hem sloeg, stompte, trapte en beukte op zijn hoofd, zijn aangezigt, borst, buik, zijden, rug en verdere deelen van het ligchaam; en dat hij nogmaals zijn slaven beval het ligchaam van den verslagene te branden. In dit punt der aanklagt wordt ook de beschuldiging neergelegd dat onder en door deze verschillende straffen en pijnigingen de slaaf Sam gestorven is. Het bleek dat de beschuldigde met het straffen van den verslagene des morgens aanving, en dat het den ganschen dag duurde; en dat de verslagene stierf in het bijzijn van den beschuldigde, een van zijne slaven en een der getuigen, terwijl de marteling nog steeds werd voortgezet.Het vonnis van het hof werd bij monde van den regter Field uitgesproken.Souther werd beschuldigd en schuldigverklaard aan moord zonder voorbedachten rade, door de omgaande regtbank van Hanover county, in hare zitting van April jl., en werd veroordeeld tot vijf jaren confinement, welk tijdvak door de jury was vastgesteld. De moord bestond in het dooden van een negerslaaf, genaamd Sam, het eigendom van den beschuldigde, door wreed en overdreven geeselen en pijnigen, hem aangedaan door Souther, bijgestaan door twee zijner slaven op den eersten September 1851. De beschuldigde verzocht herziening van zijn vonnis, op grond, dat de misdaad indien zij aanwezig was, niet meer was dan manslag. Het verzoek om de zaak op nieuw in behandeling te brengen werd afgewezen, en de redenen, welke geacht werden een nieuw onderzoek noodig te maken, onvoldoende bevonden. Die redenen waren: Dat de slaaf Sam, die in de acte van beschuldiging genoemd wordt, de slaaf en het eigendom van den beschuldigde was. Dat met het doel den slaaf te straffenvoor dronkenschap en den omgang dien hij erkende, met Henry en Stone, twee der getuigen ten laste, hij hem vastbond en kastijdde in tegenwoordigheid van gezegde getuigen; dat hij hem eerst slechts luttel geslagen had met takken van perzik- of appelboomen, maar daarna op de wijze in de acte omschreven, nadat hij gezegde getuigen had doen roepen, die de strafoefening bijwoonden even als verscheidene andere slaven van den beschuldigde; en dat de slaaf in kwestie stierf onder de uitoefening van gezegde straf, in tegenwoordigheid van een zijner slaven en van een der getuigen ten laste. Maar er was geen bewijs dat het oogmerk van den beschuldigde was den slaaf te dooden, tenzij dit oogmerk moest worden afgeleid uit de wijze en den duur der strafoefening. Integendeel was het bewezen, dat de beschuldigde herhaaldelijk verklaard had, terwijl de slaaf de straf onderging, te gelooven dat deze slechts voorgaf te lijden maar inderdaad niet leed. De regter verklaarde daarop dat de slaaf gestraft werd op de wijze als in de acte van beschuldiging werd vermeld. Die acte van beschuldiging bevat vijftien punten en loopt over eene zeer wreede en baldadige geeseling en marteling.1Men mag aannemen dat in de jaarboeken der criminele regtspleging geene afschuwelijke en verregaande wreede daad vermeld wordt als die, waarvan in het proces van Souther gesproken wordt; en toch is met ernst en nadruk door zijn advocaat beweerd, dat hier slechts sprake kon zijn van manslag.Die advokaat heeft verder aangevoerd, dat iemand niet aangeklaagd en vervolgd kan worden wegens hardvochtige geeseling van zijn eigen slaaf. Dat de wet den meester veroorlooftzijn slaaf te kastijden, en dat, indien deze kastijding den dood ten gevolge heeft, dit gelijk te stellen is met den moord door iemand in het volvoeren eener wettige daad gepleegd, en slechts manslag kan geacht worden. Door dit Hof is, in het proces tegen Turner, beslist, dat de eigenaar van een slaaf voor het baldadig, wreed en hardvochtig slaan van zijn eigen slaaf, niet aangeklaagd kan worden; maar daaruit volgt in geenen deele, dat, wanneer zulk baldadig, wreed en hardvochtig slaan den dood ten gevolge heeft, hoewel dit niet werd beoogd, die mishandelingen als geoorloofd door de wet moeten beschouwd worden, en de misdaad als manslag moeten doen qualificeren, wanneer de slagen alleen zijn toegebragt met het doel den slaaf te kastijden.Het is wel de strekking der wet, met het oog op de betrekking tusschen heer en slaaf, en om tegenstand en ongehoorzaamheid bij dezen te voorkomen, den meester te vrijwaren tegen alle vervolging voor zulk eene daad, al is dan ook het geeselen en de straf baldadig, wreed en hardvochtig; maar bij zulk eene overdrevene strafoefening, alleen om te straffen, handelt de eigenaar van den slaaf voor zijn eigen risico; en indien de dood het gevolg is van zulk eene kastijding, kan de betrekking van den meester tot den slaaf geen grond tot verschooning of eene verzachtende omstandigheid geacht worden. De beginselen van het gemeene regt, die ten aanzien van den moord gelden, zijn hier zonder wijziging of uitzondering van toepassing; en op grond van die beginselen is de daad van den beschuldigde, in de onderwerpelijke zaak, moord.... De daad van den beschuldigde is geen manslag maar moord met voorbedachten rade.Wij voelen ons gedrongen eenige opmerkingen omtrent dat proces hier te laten volgen.Die marteling duurde, naar het schijnt, twaalf uren. Zij had plaats in de county Hanover van den staat Virginia. Twee blanken waren van nabij van de geheele toedragt getuigen, en deden, voor zoover ons blijkt, geene poging om de lieden uit den omtrek er bij te roepen en die gruweldaad te doen ophouden. Welk eene opvoeding, welke zienswijze doet dit in deze menschen onderstellen!De zaak werd voor den regter gebragt. Ons gevoel wordthevig geschokt bij het lezen der acte van beschuldiging, die men niet gaarne ten tweeden male zou doorloopen. Men zou ligtelijk meenen, dat zij aller gemoederen in beweging bragt, dat de bewoners der county allen als één man zouden zijn opgestaan, om den wreedaard uit te werpen even als Paulus den adder afschudde. Het blijkt integendeel, dat niemand partij vatte; dat de regters met eene koelbloedigheid de feiten onderzochten, en weder onderzochten zoo als men slechts in de annalen der inquisitie aantreft; dat met nadruk en ernst door beschaafde en kundige Amerikanen werd beweerd, dat die reeks van gruwelen niet het feit van moord daarstelden! en, in de koude en duidelijke taal, in de regtspleging gebruikelijk, dat „de misdaad,indien zij aanwezig was, slechts manslag was,” en dat eene Amerikaansche jury het „moord zonder voorbedachten rade” noemde. Bij ieder, die de acte van beschuldiging leest, zal gewis de wensch opkomen, dat, indien men in Virginia dit „doodslag zonder voorbedachten rade” noemt, een moord met voorbedachten rade de voorkeur verdient. Had Souther plotseling zijn slaaf een kogel door het hoofd gejaagd, in tegenwoordigheid van blanke getuigen, dan zouditmoord met voorbedachten rade geweest zijn; maar nu hij hem liever twaalf uur lang doodmartelt, onder voorgeven hem tekastijden, nu, zegt de beschuldiging, dat er slechts doodslag zonder voorbedachten rade gepleegd is; „omdat,” zoo als het verzoek om op nieuw de zaak in behandeling te nemen, met bewonderenswaardige ongevoeligheid zegt: „het niet is bewezen, dat het oogmerk was van den gevangene den slaaf te dooden, tenzij dit oogmerk mogt worden afgeleid uit de wijze en den duur der strafoefening.”In het vonnis is eene overhelling merkbaar tot het denkbeeld dat twaalf uren doorgebragt met het slaan, trappen, stompen, branden en verminken van een menschelijk wezen, wel eenigzins moet beschouwd worden als eene overschrijding van de grenzen eener geoorloofde kastijding. Maar die gewaagde meening wordt met omzigtigheid uitgedrukt en met eene zekere aarzeling, en wordt opgewogen door de omstandigheid, die eveneens in die merkwaardige acte wordt aangevoerd, dat de beschuldigde, gedurende de strafoefening, herhaaldelijk verklaarde te gelooven dat de slaaf slechts voorgaf te lijden, maar inderdaad niet leed. Het schijnt dat deze omstandigheid door de regters werd aangemerkt als een zeer aannemelijk bewijs voorde zuiverheid van Southers oogmerken, en het zeer waarschijnlijk maakte, dat hij slechts eenekastijdingop het oog had.Ook schijnt het dat Souther, wel verre van de publieke opinie tegen zich te hebben, er velen vond, die, met hem van oordeel waren, dat vijf jaren confinement eene onbillijke en te strenge straf was voor zijn misdaad; van daar zijn verzoek om op nieuw de zaak te doen behandelen en het appel bij het Hoog Geregtshof; van daar ook de vorm van het proces: „Souther tegen den Staat.” Souther achtte zich blijkbaar verongelijkt, en het is als zoodanig, dat hij voor het Hoog Geregtshof verscheen.Tot dusverre levert het proces geene reden op om van de menschlievendheid der regtspleging te gewagen. De wijze, waarop tot hiertoe de zaak behandeld is, herinnert min of meer aan de regtsgedingen, die men in de geschiedenis der inquisitie vindt, over het geoorloofde om kinderen beneden de dertien jaren vuur aan de voeten te leggen, ten einde hun eene bekentenis, die tot bewijs vereischt wordt, te ontlokken.Beschouwen wij thans de uitspraak van het Hoog Geregtshof, die de schrijver van het artikel in denCourier and Enquirerzoo bijzonder zacht en menschlievend noemt. De regter Field is van oordeel, dat het eene zeer wreede daad geldt, en in zooverre schijnt hij van zienswijze te verschillen met den regter, de jury en den advokaat, door wie de zaak in eerste instantie is behandeld. Verder twijfelt hij, of in de jaarboeken der regtspleging wel eene tweede zoo barbaarsche daad voorkomt, welke twijfel misschien zeer gegrond is; en hij neemt aan, dat het dooden van een slaaf door marteling, onder voorwendsel van kastijding, moord is met voorbedachten rade; ook hierin zal iedereen hem moeten gelijk geven; het eenige, waarover men zich verwonderen moet is, dat het ooit noodig was dat iemand in regten zulk eene stelling moest opperen. Maar, even onbetwistbaar als de regter Ruffin, neemt hij het treurige beginsel in de slavenwetgeving aan, dat de wet niet tusschen beiden kan treden, wanneer de meester zijn slaaf eene marteling doet ondergaan, die den dood niet ten gevolge heeft. Zoo het vonnis iets uitmaakt, dan is het dit beginsel. De conclusie der regtspraak toch luidt:„Het hof heeft beslist, in het proces tegen Turner, dat de eigenaar van een slaaf, voor het baldadig, wreed en hardvochtig slaan van zijn eigen slaaf, niet kan vervolgd worden ....„Het is de strekking der wet, met het oog op de betrekking tusschen heer en slaaf en om tegenstand en ongehoorzaamheid bij dezen te voorkomen, den meester te vrijwaren tegen alle vervolging voor zulk eene daad, al is dan ook het geeselen en de straf wreed en hardvochtig ....”De zeer natuurlijke gevolgtrekking, uit die conclusie af te leiden, is deze: Wanneer het slagtoffer van die marteling, die twaalf uren duurde, slechts een weinig sterker gestel hadde bezeten, en er niet onder bezweken ware, zou er geen wet in Virginia zijn, krachtens welke Souther kon veroordeeld worden.Indien dit niet het overtuigendste bewijs is voor de waarheid van St. Clare’s woorden, dat hij, die het verste gaat en het ergste doet, nog maar de magt gebruikt die de wet hem geeft, „dan weten wij niet waardoor anders die te staven. Wat ishet ergste?” een onmiddellijke dood of eene langdurige marteling? Die uitspraak geeft in zoo vele woorden elken meester het regt om eene marteling zoo lang hij wil voort te zetten, maar ontneemt hem slechts de magt om haar door den dood, die dan eene weldaad zou zijn, te doen ophouden. En dit is nu de regterlijke uitspraak die deCourier and Enquirerals eene overtuigende proeve van de menschlievendheid der regtspleging aanvoert.Het is te hopen voor den uitgever, dat hij nooit dat proces in zijn geheel heeft gelezen; indien hij dat gedaan hadde, zou hij het niet hebben aangehaald. Ieder die het knekelhuis binnen treedt dier regtspleging, met de hoop een bewijs op te doen voor de menschlievendheid van het slaven-stelsel—wij zeggen het den Joodschen dichter na—Hij weet niet dat de dood daar heerscht,En dat zijne gasten zijn in de diepten der hel.De uitslag van dit regtsgeding was, dat aan Souther eenvoudig demeeningvan het Geregtshof werd medegedeeld, dat hij in plaats van vijf jaren gevangenisstraf, verdiende gehangen te worden; maar de zaak mogt niet ten tweede male in behandeling genomen worden, en daar wij uit alles mogen opmaken, dat Souther niet zeer fijn van gevoel was, is het niet waarschijnlijk, dat hij om die meening zich zwaar bekommerde. Hij zal wel begrepen hebben, dat hem niets anders overschoot, dan zijne vijfjarige gevangenis zoo goed mogelijk door te brengen. En wanneer hij weder in vrijheid komt, is er geene wet inVirginia die hem verbiedt zooveel negers te koopen als hij goedvindt, en met elk hunner hetzelfde te doen, wat hij met Sam gedaan heeft, indien hij zich slechts de wetenschap ten nutte maakt, die hij uit zijn proces heeft kunnen opdoen, en zorgt met de marteling op te houden vóór de dood er een einde aan maakt, iets waarvoor men zich, zoo als uit de geschiedenis der inquisitie blijkt, met tamelijk veel zekerheid kan hoeden. Waarschijnlijk zal hij ook in het vervolg zoo dwaas niet zijn de tegenwoordigheid van twee blanke getuigen te verlangen, al waren zij dan ook zoo belangstellend en beleefd om den ganschen dag de gruweldaad aan te zien zonder eenige poging te doen om haar te beletten.De slavernij, zoo als zij volgens de Amerikaansche wetten bestaat, is evenmin vatbaar om door beginsels van menschlievendheid geregeld te worden, als het stelsel van marteling bij de inquisitie. Elke daad van menschlievendheid van eenigen eigenaar is eene onlogische afwijking van het stelsel der wet, en de rede waarom de Amerikaansche slavenwet veel hardvochtiger is dan eenige andere, die ooit op de wereld bestaan heeft, is daarin gelegen dat de Anglo-Saksische volksstam beredeneerder en koelbloediger is, en een hardnekkiger moed bezit om de gevolgen te trotseren van elk beginsel, dat hij heeft aangenomen, om een onregtvaardig beginsel toe te passen met mathematische naauwgezetheid, tot in zijne meest onregtvaardige uitvloeisels. De regtspraken, in Amerika gewezen, bewijzen niets zoo zeer als die strenge en onwrikbare naauwgezetheid in het logisch toepassen van eene wetsbepaling. En niet zelden leest men vonnissen, die—niet omdat de regters onbarmhartig of partijdig, maar omdat zij logisch en getrouw zijn—met ijskoude koelbloedigheid zijn uitgesproken, en die men zou meenen, dat de aarde zouden doen sidderen en de zon verduisteren.Het karakter der Franschen en Spanjaarden is meer levendig, hartstogtelijk en poëtisch dan logisch; van daar dat, ofschoon er meer gevallen zich mogen voordoen van barbaarschheid van een enkel persoon, zoo als men verwachten kan bij een vurig en hartstogtelijk volk, in hunne slavenwet meer gevoel van menschelijkheid heerscht. De wet van Louisiana bevat meerdere waarlijk menschlievende bepalingen, indien er slechts maatregelen waren genomen om haar kracht bij te zetten, dan eenige andere wet in eenigen Staat der Unie.Er is, gelooven wij, geene slavenwet ter wereld, die zulk eene volledige verzameling aanbiedt van kristallisaties van elken traan en elken droppel bloed, die aan de menschheid kan worden afgeperst, en die met zoo veel zorg, met zoo veel smaak en kennis is gerangschikt, als de slavenwet van Noord-Amerika. Zij is een kabinet van heelkundige instrumenten, om het hart van den mensch levend te ontleden;—elk werktuig is van het beste metaal met zorg vervaardigd en gepolijst, en voorzien met den naam der zenuwen of aderen of spieren, waarvoor het bestemd is. De werktuigen van den ontleedkundige zijn van vergankelijk staal en hout en strekken slechts voor vergankelijke en aan bederf onderhevige stoffen; maar dit zijn werktuigen van beter gehalte, bestemd voor eene zedelijke ontleding en strekken om op de naauwkeurigste en kunstigste wijze de onsterfelijke ziel te verminken, en den mensch zorgvuldig en trapsgewijze van zijn verheven standpunt, waarop zijn vrije wil hem plaatst, als maatschappelijk, godsdienstig, voor zijne daden verantwoordelijk wezen, af te werpen en hem tot redeloos of bloot stoffelijk voorwerp te maken.
Het proces van Souther tegen de Republiek is door denCourier and Enquireraangehaald als een zeer gunstig staaltje der wettelijke beslissingen onder de vigerende slavenwetten, met de volgende opmerking:
„En toch, ondanks zulke wetten en uitspraken, doet mevrouw Stowe eene lange reeks van mishandelingen jegens de zwarten veronderstellen, door haar voorbeeldeloozen held Tom, in Louisiana, letterlijk te laten doodgeeselen door zijn meester Legree; en zulke feiten, die de wet als misdadig erkent en als zoodanig straft, beschrijft zij gedurig met de meest afschrikwekkende kleuren, om de instelling der slavernij te doen kennen!”
„En toch, ondanks zulke wetten en uitspraken, doet mevrouw Stowe eene lange reeks van mishandelingen jegens de zwarten veronderstellen, door haar voorbeeldeloozen held Tom, in Louisiana, letterlijk te laten doodgeeselen door zijn meester Legree; en zulke feiten, die de wet als misdadig erkent en als zoodanig straft, beschrijft zij gedurig met de meest afschrikwekkende kleuren, om de instelling der slavernij te doen kennen!”
Door die woorden werd schrijfster dezes in den waan gebragt, dat dit proces op eene wijze was gevoerd geworden, die zoo veel eer deed aan het menschelijk gevoel, dat men de regtspleging omtrent de slaven van een gunstiger standpunt zou gaan beschouwen. Daarom deed zij de moeite zich het verslag van dat proces te verschaffen, met het oogmerk het openbaar te maken als tegenstelling van de vele wreedheden, die men bij de studie van dit gedeelte van het onderwerp ontmoet. Een regterlijk ambtenaar heeft het gecopieerd uitGrattan’s Reports, en zij laathet hier volgen. Indien het den lezer verbaast, het kan bij hem niet meer verbazing opwekken dan bij de schrijfster zelve.
„Souther tegen de Republiek, 7 Grattan 673, 1851.„Het dooden van een slaaf door zijn meester en eigenaar, ten gevolge van zweepslagen op diens last en met overdreven gestrengheid gegeven, is moord, al mogt ook het oogmerk van den meester en eigenaar niet geweest zijn den slaaf te dooden.”„Simeon Souther werd in de zitting van October 1850 bij den omgaanden regter in Hanover county aangeklaagd wegens moord op zijn eigen slaaf gepleegd. De acte van beschuldiging bevatte 15 punten, waarin de verschillende wijzen van kastijding en pijniging, waardoor de moord zou gepleegd zijn, op zich zelf of gepaard gaande waren aangegeven. Het vijftiende punt omvatte ze allen: en, daar de regtbank verklaarde dat die beschuldiging bewezen was, zal men uit de opgave der feiten in dat punt vervat, kunnen zien wat den beschuldigde werd ten laste gelegd, en waardoor het bewijs geleverd werd.In dat vijftiende punt van beschuldiging werd gezegd, dat op den 1sten September 1849, de beschuldigde zijn slaaf Sam met koorden om zijne polsen, hals, midden, beenen en enkels aan een boom bond. Dat de beschuldigde den aldus gebonden slaaf eerst met roeden geeselde. Dat hij hem daarna met een lat slagen en stooten toebragt, en twee van zijne slaven, een man en eene vrouw, beval den verslagene met de lat te slaan. Dat, terwijl de verslagene aldus aan een boom gebonden was, de beschuldigde hem sloeg, stompte, schopte en trapte op verschillende plaatsen van zijn hoofd, aangezigt en ligchaam; dat hij zijn ligchaam brandde .... dat hij hem toen waschte met warm water, waarin Cayene peper was afgetrokken; en dat hij zijne twee slaven voornoemd dwong hem met hetzelfde mengsel van water en Cayene peper te wasschen. Dat, na het knevelen, geeselen, beuken, slaan, stooten, stompen, schoppen, trappen, verwonden, kneuzen, verminken, branden, wasschen en pijnigen, vermeld, de beschuldigde den verslagene losmaakte van den boom, zoodanig, dat hij met kracht op den grond viel; dat hij hem intusschen sloeg, stompte en trapte op zijn hoofd, slapen en verschillende deelen van zijnligchaam. Dat de beschuldigde toen den verslagene naar eene werkplaats in zijn huis deed brengen, waar hij een zijner slaven beval om, in zijn bijzijn, de voeten van den verslagene in de stokken te sluiten, zijne beenen aan een stuk hout vast te maken, en een touw om zijn hals te slaan, waarmede hij aan de post van de deur werd vastgemaakt, en op die wijze den verslagene te worgen en te doen stikken. En dat, terwijl de verslagene dus op deze wijze was vastgemaakt, de beschuldigde hem sloeg, stompte, trapte en beukte op zijn hoofd, zijn aangezigt, borst, buik, zijden, rug en verdere deelen van het ligchaam; en dat hij nogmaals zijn slaven beval het ligchaam van den verslagene te branden. In dit punt der aanklagt wordt ook de beschuldiging neergelegd dat onder en door deze verschillende straffen en pijnigingen de slaaf Sam gestorven is. Het bleek dat de beschuldigde met het straffen van den verslagene des morgens aanving, en dat het den ganschen dag duurde; en dat de verslagene stierf in het bijzijn van den beschuldigde, een van zijne slaven en een der getuigen, terwijl de marteling nog steeds werd voortgezet.
„Souther tegen de Republiek, 7 Grattan 673, 1851.
„Het dooden van een slaaf door zijn meester en eigenaar, ten gevolge van zweepslagen op diens last en met overdreven gestrengheid gegeven, is moord, al mogt ook het oogmerk van den meester en eigenaar niet geweest zijn den slaaf te dooden.”
„Simeon Souther werd in de zitting van October 1850 bij den omgaanden regter in Hanover county aangeklaagd wegens moord op zijn eigen slaaf gepleegd. De acte van beschuldiging bevatte 15 punten, waarin de verschillende wijzen van kastijding en pijniging, waardoor de moord zou gepleegd zijn, op zich zelf of gepaard gaande waren aangegeven. Het vijftiende punt omvatte ze allen: en, daar de regtbank verklaarde dat die beschuldiging bewezen was, zal men uit de opgave der feiten in dat punt vervat, kunnen zien wat den beschuldigde werd ten laste gelegd, en waardoor het bewijs geleverd werd.
In dat vijftiende punt van beschuldiging werd gezegd, dat op den 1sten September 1849, de beschuldigde zijn slaaf Sam met koorden om zijne polsen, hals, midden, beenen en enkels aan een boom bond. Dat de beschuldigde den aldus gebonden slaaf eerst met roeden geeselde. Dat hij hem daarna met een lat slagen en stooten toebragt, en twee van zijne slaven, een man en eene vrouw, beval den verslagene met de lat te slaan. Dat, terwijl de verslagene aldus aan een boom gebonden was, de beschuldigde hem sloeg, stompte, schopte en trapte op verschillende plaatsen van zijn hoofd, aangezigt en ligchaam; dat hij zijn ligchaam brandde .... dat hij hem toen waschte met warm water, waarin Cayene peper was afgetrokken; en dat hij zijne twee slaven voornoemd dwong hem met hetzelfde mengsel van water en Cayene peper te wasschen. Dat, na het knevelen, geeselen, beuken, slaan, stooten, stompen, schoppen, trappen, verwonden, kneuzen, verminken, branden, wasschen en pijnigen, vermeld, de beschuldigde den verslagene losmaakte van den boom, zoodanig, dat hij met kracht op den grond viel; dat hij hem intusschen sloeg, stompte en trapte op zijn hoofd, slapen en verschillende deelen van zijnligchaam. Dat de beschuldigde toen den verslagene naar eene werkplaats in zijn huis deed brengen, waar hij een zijner slaven beval om, in zijn bijzijn, de voeten van den verslagene in de stokken te sluiten, zijne beenen aan een stuk hout vast te maken, en een touw om zijn hals te slaan, waarmede hij aan de post van de deur werd vastgemaakt, en op die wijze den verslagene te worgen en te doen stikken. En dat, terwijl de verslagene dus op deze wijze was vastgemaakt, de beschuldigde hem sloeg, stompte, trapte en beukte op zijn hoofd, zijn aangezigt, borst, buik, zijden, rug en verdere deelen van het ligchaam; en dat hij nogmaals zijn slaven beval het ligchaam van den verslagene te branden. In dit punt der aanklagt wordt ook de beschuldiging neergelegd dat onder en door deze verschillende straffen en pijnigingen de slaaf Sam gestorven is. Het bleek dat de beschuldigde met het straffen van den verslagene des morgens aanving, en dat het den ganschen dag duurde; en dat de verslagene stierf in het bijzijn van den beschuldigde, een van zijne slaven en een der getuigen, terwijl de marteling nog steeds werd voortgezet.
Het vonnis van het hof werd bij monde van den regter Field uitgesproken.
Souther werd beschuldigd en schuldigverklaard aan moord zonder voorbedachten rade, door de omgaande regtbank van Hanover county, in hare zitting van April jl., en werd veroordeeld tot vijf jaren confinement, welk tijdvak door de jury was vastgesteld. De moord bestond in het dooden van een negerslaaf, genaamd Sam, het eigendom van den beschuldigde, door wreed en overdreven geeselen en pijnigen, hem aangedaan door Souther, bijgestaan door twee zijner slaven op den eersten September 1851. De beschuldigde verzocht herziening van zijn vonnis, op grond, dat de misdaad indien zij aanwezig was, niet meer was dan manslag. Het verzoek om de zaak op nieuw in behandeling te brengen werd afgewezen, en de redenen, welke geacht werden een nieuw onderzoek noodig te maken, onvoldoende bevonden. Die redenen waren: Dat de slaaf Sam, die in de acte van beschuldiging genoemd wordt, de slaaf en het eigendom van den beschuldigde was. Dat met het doel den slaaf te straffenvoor dronkenschap en den omgang dien hij erkende, met Henry en Stone, twee der getuigen ten laste, hij hem vastbond en kastijdde in tegenwoordigheid van gezegde getuigen; dat hij hem eerst slechts luttel geslagen had met takken van perzik- of appelboomen, maar daarna op de wijze in de acte omschreven, nadat hij gezegde getuigen had doen roepen, die de strafoefening bijwoonden even als verscheidene andere slaven van den beschuldigde; en dat de slaaf in kwestie stierf onder de uitoefening van gezegde straf, in tegenwoordigheid van een zijner slaven en van een der getuigen ten laste. Maar er was geen bewijs dat het oogmerk van den beschuldigde was den slaaf te dooden, tenzij dit oogmerk moest worden afgeleid uit de wijze en den duur der strafoefening. Integendeel was het bewezen, dat de beschuldigde herhaaldelijk verklaard had, terwijl de slaaf de straf onderging, te gelooven dat deze slechts voorgaf te lijden maar inderdaad niet leed. De regter verklaarde daarop dat de slaaf gestraft werd op de wijze als in de acte van beschuldiging werd vermeld. Die acte van beschuldiging bevat vijftien punten en loopt over eene zeer wreede en baldadige geeseling en marteling.1Men mag aannemen dat in de jaarboeken der criminele regtspleging geene afschuwelijke en verregaande wreede daad vermeld wordt als die, waarvan in het proces van Souther gesproken wordt; en toch is met ernst en nadruk door zijn advocaat beweerd, dat hier slechts sprake kon zijn van manslag.Die advokaat heeft verder aangevoerd, dat iemand niet aangeklaagd en vervolgd kan worden wegens hardvochtige geeseling van zijn eigen slaaf. Dat de wet den meester veroorlooftzijn slaaf te kastijden, en dat, indien deze kastijding den dood ten gevolge heeft, dit gelijk te stellen is met den moord door iemand in het volvoeren eener wettige daad gepleegd, en slechts manslag kan geacht worden. Door dit Hof is, in het proces tegen Turner, beslist, dat de eigenaar van een slaaf voor het baldadig, wreed en hardvochtig slaan van zijn eigen slaaf, niet aangeklaagd kan worden; maar daaruit volgt in geenen deele, dat, wanneer zulk baldadig, wreed en hardvochtig slaan den dood ten gevolge heeft, hoewel dit niet werd beoogd, die mishandelingen als geoorloofd door de wet moeten beschouwd worden, en de misdaad als manslag moeten doen qualificeren, wanneer de slagen alleen zijn toegebragt met het doel den slaaf te kastijden.Het is wel de strekking der wet, met het oog op de betrekking tusschen heer en slaaf, en om tegenstand en ongehoorzaamheid bij dezen te voorkomen, den meester te vrijwaren tegen alle vervolging voor zulk eene daad, al is dan ook het geeselen en de straf baldadig, wreed en hardvochtig; maar bij zulk eene overdrevene strafoefening, alleen om te straffen, handelt de eigenaar van den slaaf voor zijn eigen risico; en indien de dood het gevolg is van zulk eene kastijding, kan de betrekking van den meester tot den slaaf geen grond tot verschooning of eene verzachtende omstandigheid geacht worden. De beginselen van het gemeene regt, die ten aanzien van den moord gelden, zijn hier zonder wijziging of uitzondering van toepassing; en op grond van die beginselen is de daad van den beschuldigde, in de onderwerpelijke zaak, moord.... De daad van den beschuldigde is geen manslag maar moord met voorbedachten rade.
Souther werd beschuldigd en schuldigverklaard aan moord zonder voorbedachten rade, door de omgaande regtbank van Hanover county, in hare zitting van April jl., en werd veroordeeld tot vijf jaren confinement, welk tijdvak door de jury was vastgesteld. De moord bestond in het dooden van een negerslaaf, genaamd Sam, het eigendom van den beschuldigde, door wreed en overdreven geeselen en pijnigen, hem aangedaan door Souther, bijgestaan door twee zijner slaven op den eersten September 1851. De beschuldigde verzocht herziening van zijn vonnis, op grond, dat de misdaad indien zij aanwezig was, niet meer was dan manslag. Het verzoek om de zaak op nieuw in behandeling te brengen werd afgewezen, en de redenen, welke geacht werden een nieuw onderzoek noodig te maken, onvoldoende bevonden. Die redenen waren: Dat de slaaf Sam, die in de acte van beschuldiging genoemd wordt, de slaaf en het eigendom van den beschuldigde was. Dat met het doel den slaaf te straffenvoor dronkenschap en den omgang dien hij erkende, met Henry en Stone, twee der getuigen ten laste, hij hem vastbond en kastijdde in tegenwoordigheid van gezegde getuigen; dat hij hem eerst slechts luttel geslagen had met takken van perzik- of appelboomen, maar daarna op de wijze in de acte omschreven, nadat hij gezegde getuigen had doen roepen, die de strafoefening bijwoonden even als verscheidene andere slaven van den beschuldigde; en dat de slaaf in kwestie stierf onder de uitoefening van gezegde straf, in tegenwoordigheid van een zijner slaven en van een der getuigen ten laste. Maar er was geen bewijs dat het oogmerk van den beschuldigde was den slaaf te dooden, tenzij dit oogmerk moest worden afgeleid uit de wijze en den duur der strafoefening. Integendeel was het bewezen, dat de beschuldigde herhaaldelijk verklaard had, terwijl de slaaf de straf onderging, te gelooven dat deze slechts voorgaf te lijden maar inderdaad niet leed. De regter verklaarde daarop dat de slaaf gestraft werd op de wijze als in de acte van beschuldiging werd vermeld. Die acte van beschuldiging bevat vijftien punten en loopt over eene zeer wreede en baldadige geeseling en marteling.1
Men mag aannemen dat in de jaarboeken der criminele regtspleging geene afschuwelijke en verregaande wreede daad vermeld wordt als die, waarvan in het proces van Souther gesproken wordt; en toch is met ernst en nadruk door zijn advocaat beweerd, dat hier slechts sprake kon zijn van manslag.
Die advokaat heeft verder aangevoerd, dat iemand niet aangeklaagd en vervolgd kan worden wegens hardvochtige geeseling van zijn eigen slaaf. Dat de wet den meester veroorlooftzijn slaaf te kastijden, en dat, indien deze kastijding den dood ten gevolge heeft, dit gelijk te stellen is met den moord door iemand in het volvoeren eener wettige daad gepleegd, en slechts manslag kan geacht worden. Door dit Hof is, in het proces tegen Turner, beslist, dat de eigenaar van een slaaf voor het baldadig, wreed en hardvochtig slaan van zijn eigen slaaf, niet aangeklaagd kan worden; maar daaruit volgt in geenen deele, dat, wanneer zulk baldadig, wreed en hardvochtig slaan den dood ten gevolge heeft, hoewel dit niet werd beoogd, die mishandelingen als geoorloofd door de wet moeten beschouwd worden, en de misdaad als manslag moeten doen qualificeren, wanneer de slagen alleen zijn toegebragt met het doel den slaaf te kastijden.Het is wel de strekking der wet, met het oog op de betrekking tusschen heer en slaaf, en om tegenstand en ongehoorzaamheid bij dezen te voorkomen, den meester te vrijwaren tegen alle vervolging voor zulk eene daad, al is dan ook het geeselen en de straf baldadig, wreed en hardvochtig; maar bij zulk eene overdrevene strafoefening, alleen om te straffen, handelt de eigenaar van den slaaf voor zijn eigen risico; en indien de dood het gevolg is van zulk eene kastijding, kan de betrekking van den meester tot den slaaf geen grond tot verschooning of eene verzachtende omstandigheid geacht worden. De beginselen van het gemeene regt, die ten aanzien van den moord gelden, zijn hier zonder wijziging of uitzondering van toepassing; en op grond van die beginselen is de daad van den beschuldigde, in de onderwerpelijke zaak, moord.... De daad van den beschuldigde is geen manslag maar moord met voorbedachten rade.
Wij voelen ons gedrongen eenige opmerkingen omtrent dat proces hier te laten volgen.
Die marteling duurde, naar het schijnt, twaalf uren. Zij had plaats in de county Hanover van den staat Virginia. Twee blanken waren van nabij van de geheele toedragt getuigen, en deden, voor zoover ons blijkt, geene poging om de lieden uit den omtrek er bij te roepen en die gruweldaad te doen ophouden. Welk eene opvoeding, welke zienswijze doet dit in deze menschen onderstellen!
De zaak werd voor den regter gebragt. Ons gevoel wordthevig geschokt bij het lezen der acte van beschuldiging, die men niet gaarne ten tweeden male zou doorloopen. Men zou ligtelijk meenen, dat zij aller gemoederen in beweging bragt, dat de bewoners der county allen als één man zouden zijn opgestaan, om den wreedaard uit te werpen even als Paulus den adder afschudde. Het blijkt integendeel, dat niemand partij vatte; dat de regters met eene koelbloedigheid de feiten onderzochten, en weder onderzochten zoo als men slechts in de annalen der inquisitie aantreft; dat met nadruk en ernst door beschaafde en kundige Amerikanen werd beweerd, dat die reeks van gruwelen niet het feit van moord daarstelden! en, in de koude en duidelijke taal, in de regtspleging gebruikelijk, dat „de misdaad,indien zij aanwezig was, slechts manslag was,” en dat eene Amerikaansche jury het „moord zonder voorbedachten rade” noemde. Bij ieder, die de acte van beschuldiging leest, zal gewis de wensch opkomen, dat, indien men in Virginia dit „doodslag zonder voorbedachten rade” noemt, een moord met voorbedachten rade de voorkeur verdient. Had Souther plotseling zijn slaaf een kogel door het hoofd gejaagd, in tegenwoordigheid van blanke getuigen, dan zouditmoord met voorbedachten rade geweest zijn; maar nu hij hem liever twaalf uur lang doodmartelt, onder voorgeven hem tekastijden, nu, zegt de beschuldiging, dat er slechts doodslag zonder voorbedachten rade gepleegd is; „omdat,” zoo als het verzoek om op nieuw de zaak in behandeling te nemen, met bewonderenswaardige ongevoeligheid zegt: „het niet is bewezen, dat het oogmerk was van den gevangene den slaaf te dooden, tenzij dit oogmerk mogt worden afgeleid uit de wijze en den duur der strafoefening.”
In het vonnis is eene overhelling merkbaar tot het denkbeeld dat twaalf uren doorgebragt met het slaan, trappen, stompen, branden en verminken van een menschelijk wezen, wel eenigzins moet beschouwd worden als eene overschrijding van de grenzen eener geoorloofde kastijding. Maar die gewaagde meening wordt met omzigtigheid uitgedrukt en met eene zekere aarzeling, en wordt opgewogen door de omstandigheid, die eveneens in die merkwaardige acte wordt aangevoerd, dat de beschuldigde, gedurende de strafoefening, herhaaldelijk verklaarde te gelooven dat de slaaf slechts voorgaf te lijden, maar inderdaad niet leed. Het schijnt dat deze omstandigheid door de regters werd aangemerkt als een zeer aannemelijk bewijs voorde zuiverheid van Southers oogmerken, en het zeer waarschijnlijk maakte, dat hij slechts eenekastijdingop het oog had.
Ook schijnt het dat Souther, wel verre van de publieke opinie tegen zich te hebben, er velen vond, die, met hem van oordeel waren, dat vijf jaren confinement eene onbillijke en te strenge straf was voor zijn misdaad; van daar zijn verzoek om op nieuw de zaak te doen behandelen en het appel bij het Hoog Geregtshof; van daar ook de vorm van het proces: „Souther tegen den Staat.” Souther achtte zich blijkbaar verongelijkt, en het is als zoodanig, dat hij voor het Hoog Geregtshof verscheen.
Tot dusverre levert het proces geene reden op om van de menschlievendheid der regtspleging te gewagen. De wijze, waarop tot hiertoe de zaak behandeld is, herinnert min of meer aan de regtsgedingen, die men in de geschiedenis der inquisitie vindt, over het geoorloofde om kinderen beneden de dertien jaren vuur aan de voeten te leggen, ten einde hun eene bekentenis, die tot bewijs vereischt wordt, te ontlokken.
Beschouwen wij thans de uitspraak van het Hoog Geregtshof, die de schrijver van het artikel in denCourier and Enquirerzoo bijzonder zacht en menschlievend noemt. De regter Field is van oordeel, dat het eene zeer wreede daad geldt, en in zooverre schijnt hij van zienswijze te verschillen met den regter, de jury en den advokaat, door wie de zaak in eerste instantie is behandeld. Verder twijfelt hij, of in de jaarboeken der regtspleging wel eene tweede zoo barbaarsche daad voorkomt, welke twijfel misschien zeer gegrond is; en hij neemt aan, dat het dooden van een slaaf door marteling, onder voorwendsel van kastijding, moord is met voorbedachten rade; ook hierin zal iedereen hem moeten gelijk geven; het eenige, waarover men zich verwonderen moet is, dat het ooit noodig was dat iemand in regten zulk eene stelling moest opperen. Maar, even onbetwistbaar als de regter Ruffin, neemt hij het treurige beginsel in de slavenwetgeving aan, dat de wet niet tusschen beiden kan treden, wanneer de meester zijn slaaf eene marteling doet ondergaan, die den dood niet ten gevolge heeft. Zoo het vonnis iets uitmaakt, dan is het dit beginsel. De conclusie der regtspraak toch luidt:
„Het hof heeft beslist, in het proces tegen Turner, dat de eigenaar van een slaaf, voor het baldadig, wreed en hardvochtig slaan van zijn eigen slaaf, niet kan vervolgd worden ....„Het is de strekking der wet, met het oog op de betrekking tusschen heer en slaaf en om tegenstand en ongehoorzaamheid bij dezen te voorkomen, den meester te vrijwaren tegen alle vervolging voor zulk eene daad, al is dan ook het geeselen en de straf wreed en hardvochtig ....”
„Het hof heeft beslist, in het proces tegen Turner, dat de eigenaar van een slaaf, voor het baldadig, wreed en hardvochtig slaan van zijn eigen slaaf, niet kan vervolgd worden ....
„Het is de strekking der wet, met het oog op de betrekking tusschen heer en slaaf en om tegenstand en ongehoorzaamheid bij dezen te voorkomen, den meester te vrijwaren tegen alle vervolging voor zulk eene daad, al is dan ook het geeselen en de straf wreed en hardvochtig ....”
De zeer natuurlijke gevolgtrekking, uit die conclusie af te leiden, is deze: Wanneer het slagtoffer van die marteling, die twaalf uren duurde, slechts een weinig sterker gestel hadde bezeten, en er niet onder bezweken ware, zou er geen wet in Virginia zijn, krachtens welke Souther kon veroordeeld worden.
Indien dit niet het overtuigendste bewijs is voor de waarheid van St. Clare’s woorden, dat hij, die het verste gaat en het ergste doet, nog maar de magt gebruikt die de wet hem geeft, „dan weten wij niet waardoor anders die te staven. Wat ishet ergste?” een onmiddellijke dood of eene langdurige marteling? Die uitspraak geeft in zoo vele woorden elken meester het regt om eene marteling zoo lang hij wil voort te zetten, maar ontneemt hem slechts de magt om haar door den dood, die dan eene weldaad zou zijn, te doen ophouden. En dit is nu de regterlijke uitspraak die deCourier and Enquirerals eene overtuigende proeve van de menschlievendheid der regtspleging aanvoert.
Het is te hopen voor den uitgever, dat hij nooit dat proces in zijn geheel heeft gelezen; indien hij dat gedaan hadde, zou hij het niet hebben aangehaald. Ieder die het knekelhuis binnen treedt dier regtspleging, met de hoop een bewijs op te doen voor de menschlievendheid van het slaven-stelsel—wij zeggen het den Joodschen dichter na—
Hij weet niet dat de dood daar heerscht,En dat zijne gasten zijn in de diepten der hel.
Hij weet niet dat de dood daar heerscht,
En dat zijne gasten zijn in de diepten der hel.
De uitslag van dit regtsgeding was, dat aan Souther eenvoudig demeeningvan het Geregtshof werd medegedeeld, dat hij in plaats van vijf jaren gevangenisstraf, verdiende gehangen te worden; maar de zaak mogt niet ten tweede male in behandeling genomen worden, en daar wij uit alles mogen opmaken, dat Souther niet zeer fijn van gevoel was, is het niet waarschijnlijk, dat hij om die meening zich zwaar bekommerde. Hij zal wel begrepen hebben, dat hem niets anders overschoot, dan zijne vijfjarige gevangenis zoo goed mogelijk door te brengen. En wanneer hij weder in vrijheid komt, is er geene wet inVirginia die hem verbiedt zooveel negers te koopen als hij goedvindt, en met elk hunner hetzelfde te doen, wat hij met Sam gedaan heeft, indien hij zich slechts de wetenschap ten nutte maakt, die hij uit zijn proces heeft kunnen opdoen, en zorgt met de marteling op te houden vóór de dood er een einde aan maakt, iets waarvoor men zich, zoo als uit de geschiedenis der inquisitie blijkt, met tamelijk veel zekerheid kan hoeden. Waarschijnlijk zal hij ook in het vervolg zoo dwaas niet zijn de tegenwoordigheid van twee blanke getuigen te verlangen, al waren zij dan ook zoo belangstellend en beleefd om den ganschen dag de gruweldaad aan te zien zonder eenige poging te doen om haar te beletten.
De slavernij, zoo als zij volgens de Amerikaansche wetten bestaat, is evenmin vatbaar om door beginsels van menschlievendheid geregeld te worden, als het stelsel van marteling bij de inquisitie. Elke daad van menschlievendheid van eenigen eigenaar is eene onlogische afwijking van het stelsel der wet, en de rede waarom de Amerikaansche slavenwet veel hardvochtiger is dan eenige andere, die ooit op de wereld bestaan heeft, is daarin gelegen dat de Anglo-Saksische volksstam beredeneerder en koelbloediger is, en een hardnekkiger moed bezit om de gevolgen te trotseren van elk beginsel, dat hij heeft aangenomen, om een onregtvaardig beginsel toe te passen met mathematische naauwgezetheid, tot in zijne meest onregtvaardige uitvloeisels. De regtspraken, in Amerika gewezen, bewijzen niets zoo zeer als die strenge en onwrikbare naauwgezetheid in het logisch toepassen van eene wetsbepaling. En niet zelden leest men vonnissen, die—niet omdat de regters onbarmhartig of partijdig, maar omdat zij logisch en getrouw zijn—met ijskoude koelbloedigheid zijn uitgesproken, en die men zou meenen, dat de aarde zouden doen sidderen en de zon verduisteren.
Het karakter der Franschen en Spanjaarden is meer levendig, hartstogtelijk en poëtisch dan logisch; van daar dat, ofschoon er meer gevallen zich mogen voordoen van barbaarschheid van een enkel persoon, zoo als men verwachten kan bij een vurig en hartstogtelijk volk, in hunne slavenwet meer gevoel van menschelijkheid heerscht. De wet van Louisiana bevat meerdere waarlijk menschlievende bepalingen, indien er slechts maatregelen waren genomen om haar kracht bij te zetten, dan eenige andere wet in eenigen Staat der Unie.
Er is, gelooven wij, geene slavenwet ter wereld, die zulk eene volledige verzameling aanbiedt van kristallisaties van elken traan en elken droppel bloed, die aan de menschheid kan worden afgeperst, en die met zoo veel zorg, met zoo veel smaak en kennis is gerangschikt, als de slavenwet van Noord-Amerika. Zij is een kabinet van heelkundige instrumenten, om het hart van den mensch levend te ontleden;—elk werktuig is van het beste metaal met zorg vervaardigd en gepolijst, en voorzien met den naam der zenuwen of aderen of spieren, waarvoor het bestemd is. De werktuigen van den ontleedkundige zijn van vergankelijk staal en hout en strekken slechts voor vergankelijke en aan bederf onderhevige stoffen; maar dit zijn werktuigen van beter gehalte, bestemd voor eene zedelijke ontleding en strekken om op de naauwkeurigste en kunstigste wijze de onsterfelijke ziel te verminken, en den mensch zorgvuldig en trapsgewijze van zijn verheven standpunt, waarop zijn vrije wil hem plaatst, als maatschappelijk, godsdienstig, voor zijne daden verantwoordelijk wezen, af te werpen en hem tot redeloos of bloot stoffelijk voorwerp te maken.
1De regter Fields omschrijft op de volgende wijze de straf:De neger werd aan een boom gebonden en met boomtakken gegeeseld. Toen Souther het slaan moede was, riep hij een zijner negerslaven en deed Sam met eene lat beuken. Ook beval hij eene negerin hem bij te staan. Na dat slaan en geeselen brandde hij het ligchaam van den slaaf....Toendeed hij hem wasschen met warm water, waarin Cayene peper afgetrokken was. Daarna werd de neger vastgebonden aan eene plank en aan de deurpost met koorden, die zijn keel digtknepen, terwijl Souther hem sloeg en trapte. Op deze wijze duurde de strafoefening voort tot de neger den geest gaf.
1De regter Fields omschrijft op de volgende wijze de straf:
De neger werd aan een boom gebonden en met boomtakken gegeeseld. Toen Souther het slaan moede was, riep hij een zijner negerslaven en deed Sam met eene lat beuken. Ook beval hij eene negerin hem bij te staan. Na dat slaan en geeselen brandde hij het ligchaam van den slaaf....Toendeed hij hem wasschen met warm water, waarin Cayene peper afgetrokken was. Daarna werd de neger vastgebonden aan eene plank en aan de deurpost met koorden, die zijn keel digtknepen, terwijl Souther hem sloeg en trapte. Op deze wijze duurde de strafoefening voort tot de neger den geest gaf.