Hoofdstuk III.

Hoofdstuk III.Martelaarschap.Tijdens de Methodistische en Presbyteriaansche Kerken de tegen de slavernij gerigte besluiten namen, die wij hebben opgeteekend, zou de kerk het slavernij-systeem met betrekkelijk geringe moeite hebben kunnen ten onder brengen. Dit was de ondervinding der Kwakers, die er toenmaals de proef van namen, en in die proef slaagden. De maatregel dien zij volgden, was de eenvoudigst mogelijke. Zij verdeelden hunne Kerk in ringen of districten, en benoemden geregelde commissiën, wier taak het was van huis tot huis te gaan, en de regelen der Kerk op elken slavenhouder, een voor een, toe te passen. Dit werd in zulk een geest van eenvoudigheid en broederlijke liefde bewerkstelligd, dat slechts weinigen aan die stem geen gehoor gaven. Zij gaven zich rustig over, gehoorzaam aan de inspraak van hun geweten en den invloed hunner broederen. Deze handelwijze, hoe zacht ook, oefende dezelfde kracht uit, als de kalme zomerzon, die, door weinige uren geduldig schijnens, den ijsberg doet smelten, waarop al de winterstormen hunne krachten te vergeefs verspild hadden. O, mogten al de andere gezindheden dien zoo gelukkigen maatregel bedacht en gevolgd hebben! Maar de dag is voorbij, dat dit gedrochtelijke kwaad door zachte middelen van overreding zoo gemakkelijk te overwinnen was.Toen de Kwakers hunne poging in het werk stelden, was deze Leviathan in het riet en de biezen van Amerika jong en kaal, en had zijne krachten nog niet leeren kennen. Toen zou men hem „met een angel hebben kunnen trekken;” toen zou men „een verbond met hem hebben kunnen aangaan, en hem tot een eeuwigen slaaf maken;” maar nu is de Leviathan volwassen. „Ziet, zijne hope zal feilen; niemand is zoo koen, dat hij hem opwekken zoude; hij zal voor zijn gezigte nedergeslagen worden. Zeer uitnemende zijn zijne sterke schilden; elk een gesloten als een naauwdrukkend zegel. Het eene is zoo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tusschen komen.De stukken zijns vleesches kleven te zamen; elk een is vast in hem, het wordt niet bewogen. Zijn hart is vast, gelijk een steen, ja vast gelijk een deel des ondersten molensteens. Raakt hem iemand met den zwaarde, dat zal niet bestaan. Hij acht het ijzer als stroo en het staal voor verrot hout. De pijl zal hem niet doen vlieden: de slingersteenen worden hem in stoppelen veranderd. Hij belacht de drilling der lans. Op aarde is niets met hem te vergelijken: hij is een Koning over alle jonge hoogmoedige dieren.”1Er zijn er, die zich nog altoos aan de herschenschim vasthouden, dat, op de eene of andere wijze, zonder eenige bijzonder sterke poging of tegenstand, door eene zachte, inschikkelijke, redenerende handelwijze, de Leviathan bekeerd, gedoopt, en tot Christen gemaakt zal worden. Laten zij het beproeven. Zulk eene manier heeft men al sedert lang als niets beteekenend leeren beschouwen. Maar zoodra Leviathan begint te zien, dat het hun ernst wordt, zullen zij de gevolgen er van ondervinden. De beraadslagingen van alle Synoden in de Vereenigde Staten, die bewijzen, dat hij een kwaad isper se, zullen hem niet wekken. Hij beschouwt ze veeleer als vermakelijke domheden. Ook zullen geene besluiten, dat men hem „met leedwezen beschouwt,” hem bijzonder verontrusten, even zoo weinig als de uitgedrukte verwachting, dat hij omstreeks de vestiging van het duizendjarige Rijk wel sterven zal. Ondanks al de vermaningen van Synode en „Conferentiën,” heeft Leviathan zelve maar een zeer gering gevoelen van zijne Christelijkheid, en eene soort van indruk, dat hem de algemeene Christus-regering op aarde wel wat ongemakkelijk zal vallen; doch hij bekommert zich nog niet veel om het vooruitzigt van op een zoo ver verwijderd tijdstip den geest te moeten geven.Maar laat iemand, uit het Noorden of uit het Zuiden, het zwaard des Geestes nemen, en er hem mede tusschen de schilden slaan, dan zal hij ondervinden welk eene soort van strijd Christianus met Apollyon had. Laat niemand, uit het Noorden of uit het Zuiden, wiens goede naam, of welvaart, of rijkdom, hem te dierbaar zijn om ze er aan op te offeren, dien krijgbeginnen! Laat niemand hem ondernemen, die niet bereid is, zijn goeden naam, ja des noods zijn leven, te haten. Om deze redenen zullen wij hier het voorbeeld van een martelaar aanvoeren, die voor deze zaak gestorven is; want men heeft naar waarheid gezegd, „dat het bloed der martelaren het zaad der Kerk is.”De Eerwaarde Elijah P. Lovejoy was de zoon eener vrouw uit Maine, een inboorling van dien Staat, die dor en bar in alle andere dingen, vruchtbaar is in edele gevoelens en heldhaftige daden. Van zijne jongelingsjaren zeggen wij niets; waarschijnlijk waren deze zoo als die van andere jonge lieden uit Maine. Wij vatten zijne geschiedenis op, waar wij hem als geestelijke in St. Louis vinden, en als uitgever van een Godsdienstig nieuwsblad. Al beleed hij ook niet ronduit een abolitionist te zijn, zoo liet hij zich evenwel openlijk en bepaald tegen de slavernij uit. Dit verwekte grooten haat en lokte gewelddadigheden uit. Kort daarna werd, in de straten van St. Louis, door eene zamenrotting, uit de aanzienlijkste lieden van die plaats bestaande, een neger, die de tot zijne gevangenneming uitgezondene beambten gewond had, levendig verbrand. Dit tooneel eener langzame marteling duurde tot dat de euveldaad volbragt was, terwijl men de gillende smeekingen van het slagtoffer om een spoedigen dood in den wind sloeg. In zijn last aan de jury beweerde de regter Lawless, dat er geene wettige straf op dit misdrijf viel toe te passen, omdat het, het bedrijf eener woedende menigte zijnde, boven de wet was. In rondborstige taal gaf Elijah Lovejoy zijn afschuw van de bemiddeling en van de beslissing te kennen. Om die reden werd zijne werkplaats door het gepeupel omver gehaald en vernield. Toen hij zich in St. Charles bevond, werd het huis door een hoop van zulke lieden, als de slavernij alleen daartoe kon aanhitsen, aangevallen, met oogmerk, om hem het leven te benemen. Zijne tot krankzinnigheid toe opgewondene vrouw hield de wacht aan zijne deur, tegen mannen strijdende, die met knodsen en dolkmessen gewapend waren, en zwoeren, dat zij zijn hartebloed wilden. De uiterste wanhoop eener vrouw en de hulp van vrienden, dreven den eersten aanval terug; maar toen de troep terugkeerde, wist hij te ontsnappen. Lovejoy kwam te Alton, in den Staat van Illinois, en begon daar zijn nieuwspapier uit te geven. Demenigte volgde hem. Zijne pers werd tot tweemaal toe vernield, en dagelijks werd hij met den dood gedreigd.Eer zijne pers ten derden male vernield werd, verscheen in zijn nieuwspapier eene oproeping tot eene bijeenkomst der vijanden van de slavernij en vrienden des vrijen onderzoeks in Illinois, ten einde onder de bestaande crisis geschikte maatregelen te beramen en uit te voeren. Deze oproeping werd door omstreeks twee honderd en vijftig personen uit verschillende gedeelten van den Staat onderteekend, waaronder ook de Eerwaarde E. Beecher, destijds Voorzitter van het „Illinois College.” Zij bragt een groot aantal menschen bijeen. Toen de beraadslagingen begonnen, drongen ook de volksleiders zich onder hen; er ontstond eene groote gisting, en ten slotte werd de bijeenkomst door de kwalijk gezinden overschreeuwd en uit elkander gedreven. Toen werd besloten een anti-slavernij-genootschap op te rigten, en eene verklaring van gevoelens, benevens een adres aan het volk van den Staat, in het licht te zenden. Er werden bedreigingen gedaan, dat, zoo Mr. Lovejoy met het drukken van zijn blad voortging, het gepeupel zijne drukpers zou vernielen. In dezen staat van spanning sprak Mr. Beecher, op verzoek van het genootschap, twee leerredenen uit, die de gevoelens en voorgenomene handelwijze er van in het licht stelden. Zij werden achtervolgens openbaar gemaakt, terwijl het volgende uittreksel den lezer een denkbeeld zal geven van hetgeen zij waren.1. Wij zullen trachten onze medeburgers te overreden om zich boven alle eigenbatige, geldzuchtige, staatkundige en plaatselijke belangen te verheffen; en, uit een diep gevoel van Gods tegenwoordigheid, alleen de eeuwige en onveranderlijke grondbeginselen van waarheid in het oog te houden, die door geene menschelijke wetten of volksgevoelens veranderd of vernietigd kunnen worden.2. Wij zullen trachten het geschil voor te stellen als een geschil tusschen deze gemeente en God; als een onderwerp dat Hem diep ter harte gaat, en waaromtrent groote en gewigtige pligten jegens Hem en onze medeburgers op ons rusten.3. Wij zullen trachten, zoo veel in ons vermogen is, de hevigheid van den strijd der partijen te verzachten, alle onheiligedrift te vermijden, en wederkeerig vertrouwen en welwillendheid aan te kweeken, zoowel als innige belangstelling in de welvaart van alle gedeelten onzer natie, en eene sterke begeerte om hare Unie te bewaren en haar hoogsten bloei te bevorderen.Ons gansche vertrouwen rust op waarheid en liefde, en op de invloeden des Heiligen Geestes. Wij begeeren niemand door eene onderdrukkende magt van het algemeen gevoelen te noodzaken om tegen zijn geweten of overtuiging te handelen; maar een iegelijk tot onbevooroordeeld nadenken en onpartijdig onderzoek in de vreeze Gods op te wekken, is alles wat wij verlangen.En, om dit doel te bereiken, zullen wij ons van dezelfde middelen bedienen als die gebezigd worden om den openbaren geest nopens alle andere groote zedelijke onderwerpen te verlichten en te verheffen:—persoonlijken invloed, openbare adressen, den kansel en de drukpers.4. Wij zullen trachten een nieuw en grondig onderzoek der grondbeginselen van menschelijk regt, en van het verband van alle regtvaardige wetgeving daarmede, te bevorderen; terwijl wij onze beginselen zullen afleiden uit de natuur van den menschelijken geest, uit de betrekkingen van den mensch tot God, en uit den geopenbaarden wil van den Schepper.5. Wij zullen vervolgens trachten de slavenwetten van ons land bij het licht dier beginselen te toetsen, en te bewijzen dat zij uit haren aard zondig zijn, en dat zij zoowel met den wil van God als met al de belangen van den meester, den slaaf, en de geheele maatschappij in strijd zijn.6. Wij zullen wijders trachten aan te toonen op welke wijze gemeenten, waar zulke wetten bestaan, zich te gelijk, in volmaakte veiligheid en vrede, van de schuld zoowel als van de gevaren van het systeem zullen kunnen bevrijden.7. En, zoo lang de gemeenten in haar geheel niet mogten te overreden zijn om hare pligten te betrachten, zullen wij pogingen aanwenden om de individuëele slavenhouders in zulke gemeenten hunne verpligtingen voor te houden en op het hart te drukken.Tegen doeleinden, in dezen geest en op die wijze voorgesteld,zou men denken dat redelijkerwijze niets ware in te brengen. De eenige zwarigheid die zij medebragten was deze, dat zij, hoe kalm en minzaam ook, bleken ernstig gemeend te zijn; en op eenmaal werd Leviathan volkomen wakker.De eerste praktikale vraag was: Zal de derde drukpers verdedigd worden, of zal men ook deze laten vernielen?Er was eene vreeselijke spanning en eene groote volksbeweging. De schroomvallige, voorzigtige, rustlievende meerderheid, die in alle steden te vinden is, die zich om geen triomf van eenig beginsel bekommert, zoo zij slecht haar eigen belang kan bevorderen, was kleinmoedig en weifelachtig, en moedigde alzoo de kwalijkgezinden aan. Alle drangredenen werden te hulp geroepen om Mr. Beecher en Mr. Lovejoy van hunne pogingen om de drukpers te herstellen, te doen afzien. Den eerstgenoemde zeide men dat er in Missouri eene premie op zijn hoofd gezet was—eene fatsoenlijke manier van overtuigen in de slavenhoudende gedeelten van dit land. Mr. Lovejoy had men al sinds zoo langen tijd, dag en nacht, gedreigd te zullen vermoorden, dat het argument bij hem al wat afgesleten geraakt was. Aan Mr. Beecher zeide men, dat de belangen van het collegie, welks voorzitter hij was, zouden worden opgeofferd, en dat, zoo hij al verkoos zijne eigene veiligheid te wagen, hij geen regt had om die belangen in de waagschaal te stellen. Maar Mr. Beecher en Mr. Lovejoy gevoelden beide, dat het hier het hoofdbeginsel, dat der vrije inrigtingen gold, hetwelk te dier tijd, over het geheele land, door opoffering van het regt van vrije beraadslaging aan de kreten van het gepeupel, ernstig bedreigd werd; en dat zulk een antecedent tot zeer ver uitziende en zeer gevaarlijke gevolgtrekkingen zou kunnen leiden.In eene openbare bijeenkomst rigtte Mr. Beecher eene toespraak tot de burgers over het regt tot handhaving van het vrije onderzoek, en van ieders regt tot vrije uiting zijner gemoedelijke overtuiging. Hij las hun eenige dier welsprekende zinsneden voor, waarin Dr. Channing, onder gelijksoortige omstandigheden, die zelfde regten te Boston had verdedigd.Hij las hen uittreksels voor uit buitenlandsche nieuwspapieren, waaruit bleek, hoe het Amerikaansch karakter in vreemde landen miskend werd door den invloed der Lynch-wet en de gewelddadigheden der menigte. Hij verdedigde het regt vanMr. Lovejoy, om zijne gemoedelijke overtuiging door de drukpers openbaar te maken; en eindelijk las hij uittreksels uit eenige zuidelijke dagbladen voor, waarin de handelwijze van den grooten hoop strengelijk veroordeeld, en het regt van Mr. Lovejoy om zijne gevoelens te openbaren, verdedigd werd. Ten slotte stelde hij het nemen der volgende besluiten voor:Dat de vrije mededeeling van gevoelens een der onschatbaarste regten van den mensch is; en dat ieder burger over alle onderwerpen vrijelijk spreken, schrijven of drukken mag, behoudens zijne verantwoordelijkheid voor het misbruik dier vrijheid.Dat de handhaving dezer beginselen onafhankelijk behoort te zijn van alle inschikkelijkheid jegens personen of gevoelens.Dat zij inzonderheid behooren gehandhaafd te worden ten aanzien vanimpopulairegevoelens, dewijl geene andere de bescherming der wet behoeven.Dat wij alleen op deze gronden, en zonder aanzien van staatkundige en zedelijke verschillen, gezind zijn de drukpers en eigendommen des uitgevers van denAlton Observerte beschermen, en hem in zijn regt te ondersteunen om openbaar te maken wat hem goeddunkt, hem alleen verantwoordelijk stellende jegens de wetten des lands.Deze besluiten, aldus voorgesteld, zouden in eene laatste bijeenkomst der burgers, die den volgenden dag moest plaats hebben, in overweging genomen worden.Die bijeenkomst had plaats. Hun eerste stap was, Mr. Beecher en allen, die geene burgers van dat district waren, van het regt van beraadslaging over het aan te bieden rapport uit te sluiten. De commissie rapporteerde dan, dat zij de bestaande spanning ten hoogste betreurde; dat zij nogtans de sterke overtuiging koesterde, dat de burgers zich van alle onwettige daden zouden onthouden; dat de eischen des tijds gematigde en verzoenende maatregelen wenschelijk maakten; en dat men, alhoewel niet gezind om de vrije mededeeling in het algemeen te belemmeren, het met dat al noodig voor de openbare rust hield, dat Mr. Lovejoy geen openbaar nieuwsblad in die stad uitgaf; zonder daarmede in het allerminst iets nadeeligs voor het karakter of de bedoelingen van Mr. Lovejoy te willenzeggen. Alles wat de Vergadering voor dit oogenblik verlangde, waste hooren of Mr. Lovejoy gezind was zich aan haar verlangen te onderwerpen.Een lid der Commissie stond op, en betuigde zijne sympathie voor Mr. Lovejoy, dien hij voorstelde als iemand, die onder rampspoeden gebukt ging, terwijl hij hoopte, dat men indachtig zoude zijn, dat hij vrouw en kinderen te verzorgen had, en vertrouwde dat men hem zoo weinig schande zou willen aandoen als mogelijk was; doch dat hij, en zijne geheele partij met hem, de noodzakelijkheid zouden inzien van in eene schikking te treden, en Alton te verlaten. Wat daarop volgde, wordt hier met de woorden van Mr. Beecher verhaald, die in de Vergadering tegenwoordig was.Toen broeder Lovejoy opstond om op de bovengemelde redevoering te antwoorden, lette ik met belangstelling, om niet te zeggen met angst, op zijn gelaat. Met eene kalme, rustige houding naderde hij het gestoelte van den Voorzitter, en sprak in den toon van een diep, teeder, en naauwelijks wederhouden gevoel, het volgende:„Ik gevoel, mijnheer de Voorzitter, dat dit het plegtigste oogenblik in mijn leven is. Ik vertrouw eenigermate de verantwoordelijkheid te gevoelen, die er in dit oogenblik op mij rust jegens deze mijne medeburgers, jegens de Kerk, waarvan ik een dienaar ben, jegens mijn vaderland en jegens God. En laat ik, eer ik voortga, u mogen verzoeken, om niets van hetgeen ik zeggen zal, als oneerbiedigheid jegens deze Vergadering te beschouwen. Ik koester geen zoodanig gevoelen, dat zij verre. En zoo ik niet altoos overeenkomstig hare wenschen spreek of handel, dan is het, omdat ik dit gewetenshalve niet doen kan.„Het is noodig dat ik de geheele zaak, zoo als ik haar begrijp, voor deze Vergadering bloot leg. Ik sta hier niet om over de zaak te redetwisten, zoo als zij door het rapport van de Commissie is voorgesteld. Het eenige, wat mij verwondert, is, dat de achtenswaardigegentleman, de Voorzitter van die Commissie, wiens karakter ik zeer hoogacht, hoewel de eer niet hebbende van hem persoonlijk te kennen,—het eenige wat mij, zeg ik, verwondert, is, hoe diegentlemaner toe heeft kunnen besluiten om zulk een rapport in te leveren.„Mijnheer de Voorzitter, ik stem niet toe dat het de taak dezer Vergadering is, te beslissen of ik al dan niet een openbaar nieuwspapier in deze stad zal uitgeven. De heeren zijn, zoo als de regtsgeleerden zeggen, van een verkeerd punt uitgegaan. Ik heb hetregtom het te doen. Ik weet, dat ik het regt heb om mijne gevoelens vrijelijk uit te spreken en openbaar te maken, alleen onderworpen aan de wetten des lands voor het misbruik van dat regt. Dat regt is mij door mijn Schepper gegeven, en is mij door de grondwet der Vereenigde Staten en van dezen Staat, plegtig gewaarborgd. Wat ik van u wensch te weten, is, of gij mij wilt beschermen in de uitoefening van dat regt, dan wel of ik, zoo als tot nog toe, voor persoonlijke beleedigingen en aanrandingen zal moeten blootstaan. Er wordt van deze besluiten en van de daarbij voorgestelde maatregelen gesproken als van eene schikking—eene schikking tusschen twee partijen. Dit is niet zoo, mijnheer de Voorzitter. Er is hier slechts ééne partij. Het is eenvoudig de vraag of de wet zal gehandhaafd worden, dan of het gepeupel de vrijheid zal hebben om haar, zoo als het thans doet, met voeten te blijven treden, door de regten van een onschuldig mensch ongestraft te schenden.„Mijnheer de Voorzitter, wat valt hier van mijne zijde te schikken? Hen te vergeven, die mij zoo grootelijks beleedigd hebben; voor hun tijdelijk en eeuwig welzijn te bidden; het heil van stad en staat te blijven wenschen, ondanks al het leed en den smaad, die ik er in ondergaan heb;—zoo men dit alles onder de bedoelde schikking verstaat, dan ben ik van harte genegen haar te maken. Mijne regten zijn schandelijk en baldadig gehoond; dit weet ik, gevoel ik, en kan het nimmer vergeten. Maar hen te vergeven, die dit gedaan hebben, dat kan ik en doe ik.„Maar zoo men door eene schikking verstaat, dat ik zal ophouden datgene te doen wat mijn pligt van mij vordert, dan kan ik haar niet maken. En de reden daarvoor is, dat ik God meer vrees dan de menschen. Geloof niet dat ik mij ligtvaardig tegen het algemeene gevoelen zou willen aankanten. De goede meening mijner medemenschen is mij dierbaar, en om hunne gunst te verkrijgen zou ik veel opofferen, alleen geene grondbeginselen. Wanneer mij gevergd wordt dezete laten varen, dan wordt mij meer gevergd dan ik geven mag. Men heeft het feit aangevoerd dat ik, eenige dagen geleden, heb aangeboden de uitgave van denObserveraan anderen over te laten. Dat is waar. Ik deed zulks, omdat sommigen dachten of zeiden dat dat blad in andere handen betere bescherming zou vinden. Mijn aanbod werd nogtans van de hand gewezen, en sedert hebben wij berigten van de vrienden en begunstigers van het blad in alle gedeelten van den Staat ontvangen. Allen hadden maar één gevoelen, en dit was, dat het blad door niemand anders dan mij kon worden staande gehouden. Het is derhalve eene zeer verschillende vraag, of ik vrijwillig, of op verzoek van vrienden, mijn post zal overgeven, dan wel of ik dien op den eisch van het gepeupel verlaten zal. Tot het eerste ben ik ten allen tijde bereid, wanneer de omstandigheden zulks vorderen, dewijl ik mijne persoonlijke wenschen of belangen nooit in strijd wil brengen met de zaak van dien Meester, wiens dienaar ik ben. Maar het laatste, wees daarvan verzekerd, zal ikNOOITdoen. God—zoo zeggen alle mijne broederen, en zoo denk ook ik—heeft mij in den weg Zijner Voorzienigheid de verantwoordelijkheid opgelegd van mijnen grond hier te verdedigen; en, mijnheer de Voorzitter, ik ben er toe besloten, dit te doen. Uit Maine, uitMassachusetts, uit Connecticut, uit New-York, uitPennsylvanië,—ja, uit Kentucky, uit Mississippi, uit Missouri—komt eene stem tot mij, die mij in naam van alles, wat in den hemel of op aarde dierbaar is, toeroept, om standvastig te blijven; en, met Gods hulp,ZAL IK STANDVASTIG BLIJVEN. Ik weet, dat ik alleen sta, en dat uwer vele zijn. Mijne kracht zou tegen u allen weinig kunnen baten. Gij kunt mij verpletteren zoo gij wilt: maar ik zal op mijn post sterven, want ik kan noch wil hem verlaten.„Waarom zou ik uit Alton vlugten? Is dit geen vrije Staat? Toen ik te St. Louis door het gepeupel werd aangevallen, kwam ik herwaarts, als naar de woonplaats van wet en vrijheid. Het gepeupel heeft mij ook hier vervolgd, en waarom zou ik op nieuw vlugten? Waar kan ik veilig zijn, zoo het hier niet is? Heb ik geen regt om de bescherming der wetten in te roepen? Wat zou ik elders meer kunnen hebben? Sir, mijne vlugt zelve zou het gepeupel nog des te stouter maken, om mij overal te vervolgen,waar ik henen ging. Neen, Sir, er is geen middel, om aan het gepeupel te ontsnappen, dan het spoor van mijnen pligt te verlaten; en dat zal ik, met Gods hulp, nimmer doen.„Het is hier gezegd geworden, dat mijne hand tegen allen is, en de hand van allen tegen mij. Het laatste gedeelte van dat zeggen is eene maar al te smartelijke waarheid. Ik vind inderdaad bijkans elke hand tegenmijopgeheven; maar tegen wien in deze plaats is mijne hand opgeheven geweest? Ik beroep mij op allen hier aanwezig: wien uwer heb ik beleedigd? Wiens karakter heb ik belasterd? Wiens familie heb ik overlast aangedaan? Met wiens zaken heb ik mij bemoeid? Zoo daar iemand is, dat hij opsta en tegen mij getuige.—Niemand antwoordt.„En zeggen uwe besluiten zelve niet, dat gij tegen mijn bijzonder of persoonlijk karakter niets weet in te brengen? En kan iemand gelooven, dat, zoo daar iets tegen in te brengen ware, het niet geschieden zoude? Zoo ik mij in eenig opzet tegen de wet vergrepen heb, ben ik in deze gemeente niet zoo bemind, dat het bezwaarlijk vallen zou mij te overtuigen. Gij hebt geregtshoven, regters en jurys; zij vinden niets tegen mij. En nu komt gij bijeen met het doel, om een man, wiens onschuld algemeen bekend is, te verbannen, om geene andere oorzaak, dan dat hij denken en spreken durft, zoo als God en zijn geweten hem ingeven. Zal zulk eene handelwijze den toets van uw vaderland, van uwe nakomelingschap, en, bovenal, van den oordeelsdag kunnen doorstaan? Want bedenkt, dat de Regter, die op dien dag zal vonnissen, geen aannemer des persoons is. Ik smeek u, staat stil en overweegt! De tegenwoordige spanning zal weldra voorbij zijn; de stem des gewetens zal zich eindelijk doen hooren. En wanneer gij, op een of ander tijdstip van onbevooroordeeld nadenken, zelfs nog in deze wereld, u de tooneelen van dit uur te binnen brengt, dan zult gij genoodzaakt zijn te zeggen: „Hij sprak de waarheid; hij sprak de waarheid!”„Maar men heeft u tot zachtmoedigheid en medelijden vermaand, en om den rampspoed mijner uitbanning niet noodeloos met schande te verzwaren. Sir, ik verwerp zulk een medelijden. Gij kunt mij niet schandvlekken. Oneer, valschheid en laster hebben hun vermogen reeds uitgeput. Mijne schouders hebben den last gedragen, tot dat zij eraan gewoon zijn geworden. Gij kunt mij ophangen, zoo als het gepeupel de lieden uit Vicksburg ophing! Gij kunt mij aan een staak verbranden, zoo als het Mac Intosh te St. Louis deed, of gij kunt mij van lid tot lid van elkander scheuren, of mij in den Mississippi werpen, zoo als gij dikwijls gedreigd hebt, maar gij kunt mij niet schandvlekken. Ik, en ik alleen, kan mij schandvlekken; en de onuitwischbaarste schande zou zijn, in een tijd als deze, mijn Meester te verloochenen door Zijne zaak te verlaten. Hij stierf voor mij, en ik zou ten hoogste onwaardig zijn Zijn naam te dragen, wanneer ik weigerde, om, des noods, voor Hem te sterven!„Verder heeft men u gezegd, dat ik een huisgezin heb, dat op mijne zorg steunt, en dit heeft men als eene reden doen gelden, dat ik zoo zachtzinnig mogelijk wierde uitgebannen. Het is waar, mijnheer de Voorzitter, ik ben echtgenoot en vader; en dit is een der bitterste inmengsels in den lijdensbeker, dien ik geroepen word, om te drinken. Ik ben er toe gebragt, om de wijsheid van den raad des Apostels te gevoelen: „Het is beter niet te trouwen.” Ik weet, Sir, dat ik in dezen strijd niet alleen mijn eigen leven, maar ook dat van anderen waag. Ik geloof niet, dat mijne vrouw ooit weder van den schok zal bekomen der verschrikkelijke tooneelen, die zij te St. Charles heeft doorgestaan. En wat gebeurde nog onlangs, toen ik mij naar huis begaf? De vrees voor het gepeupel, dat rondom de woning bijeen schoolde, had haar naar de vliering gedreven; en naauwelijks was ik in huis, of mijne vensters werden door de steenworpen van het graauw verbrijzeld, en zij zoo verschrikt, dat het haar dien geheelen nacht onmogelijk was te slapen of te rusten. Ik word gejaagd als een veldhoen op de bergen; ik word als een uitvaagsel in uwe Staten vervolgd, en de beschermende magt der wetten tegen gewelddadigheid, die zelfs door den snoodsten misdadiger mag worden ingeroepen, roep ik te vergeefs in.„Denk echter niet, dat ik ongelukkig ben. Denk niet, dat mijne gedane keuze mij berouwt. Terwijl alles rondom mij oproer en geweld is, is het vrede in mijn binnenste. Een goedkeurend geweten en de beloonende glimlach van God is eene volkomene vergoeding voor alles, wat ik verliet, en voor alles, wat ik onderga. Ja, Sir, ik geniet een vrede,dien niets kan verstoren. Ik slaap zacht en ongestoord, alleen dan uitgezonderd, wanneer de steenworpen van het graauw mij doen ontwaken.„Neen, Sir, ik ben niet ongelukkig. Ik heb de kosten berekend, en ben volkomen bereid, om al het mijne in de dienst van God op te offeren. Ja, Sir, ik gevoel het gansche gewigt van het door mij aangeboden offer, terwijl ik mij hier verbind, om dezen strijd tot het uiterste vol te houden. (Vergeef deze tranen—zij vloeijen onwillekeurig, en niet om mij-zelven, maar om anderen). Maar ik word geroepen, om vader en moeder, en vrouw en kinderen, om Jezus wille te verzaken; en als Zijn verklaarde belijder ben ik daartoe gereed. Naar het mij toeschijnt is thans de tijd daar, om die verbindtenis na te komen, Sir, ik durf niet uit Alton wegvlugten. Zoo ik het beproefde, zou ik ondervinden, dat de Engel des Heeren, met zijn vlammend zwaard, mij overal vervolgde, waar ik henen ging. Omdat ik God vrees, vrees ik niemand van allen, die zich in deze stad tegen mij stellen. Neen, Sir, de strijd is hier begonnen, en moet hier voleindigd worden. Voor God en voor u allen verbind ik mij hier, om hem voort te zetten, zoo het noodig is, tot den dood toe. Zoo ik val, dan zal mijn graf in Alton gedolven worden.”Lovejoy was welgemaakt van persoon, hoogst beschaafd in stem en manieren; en het pathos van deze laatste verklaring, met den edelsten eenvoud uitgesproken, roerde alle aanwezigen, en bragt een diep stilzwijgen te weeg. Het was een dier oogenblikken, waarin de gevoelens van een auditorium in de balans trillen, en één korrel ze naar deze of gene zijde kan doen overslaan. Zoo er in dat oogenblik een voorstel gedaan ware, om hem bijstand te verleenen, zou het zijn doorgegaan. De betoovering werd vernietigd door een anderen dienaar des Evangelies, die opstond en eene homilie uitsprak over de noodzakelijkheid eener schikking, terwijl hij Mr. Lovejoy aanbeval op het voorbeeld van Paulus te zien, die in eene mand uit een venster te Damascus was nedergelaten; alsof Alton eene heidensche stad onder eene despotische regering geweest ware! Nu de begoocheling eenmaal verbroken was, werd de Vergadering woelig en driftig, terwijl het alle mogelijke beschuldigingen op de abolitionisten regende. De Vergadering nam dedoor de commissie voorgestelde besluiten aan, en weigerde hare hulp tot handhaving der wet tegen wettelooze gewelddadigheid; en het gepeupel begreep zeer goed, dat men het zou laten begaan, ook wanneer het alles deed, wat het wilde. Daar het nu gebleken was, dat Mr. Lovejoy niet wijken zoude, was de ontwikkeling van de crisis der zaak te voorzien, wanneer zijne drukpers aan wal zou worden gebragt.Gedurende de volgende drie dagen scheen er eene soort van reactie te komen. Men had een der invloedrijkste leiders van de menigte hooren zeggen, dat het vernielen van drukpersen nergens toe diende, en dat er geld genoeg in het Oosten was, om er zich nieuwe te bezorgen, en dat men de dweepers even zoo goed kon laten loopen.Dit gaf de besluitelooze stedelijke autoriteiten eenigen moed, en de vrienden van de drukpers meenden, dat, zoo zij haar eenmaal aan wal, en veilig in het pakhuis van de heeren Godfrey en Gilman konden krijgen, de crisis ongemerkt zou voorbijgaan. Zij zonden derhalve eene expresse aan den kapitein om de landing der boot uit te stellen tot drie uren in den morgen, en na een vervelend wachten gingen de aanvoerders van het gepeupel naar huis; de pers kwam veilig aan land, en ieder dacht dat de onrust gelukkig voorbij was. Onder dien indruk verliet Mr. Beecher Alton, en keerde huiswaarts.Wij zullen eenige uittreksels mededeelen uit het verhaal van Mr. Beecher, zijne laatste ontmoeting met Mr. Lovejoy in dien nacht vermeldende, waarin de pers aan land gekomen en geborgen was.Kort na het bepaalde uur voor de landing der boot, stond Mr. Lovejoy op, en verzocht mij met hem te gaan zien wat de uitslag was. De maan was ondergegaan en het was nog donker, doch de dag begon aan te breken; en hier en ginds scheen een licht door het venster van de eene of andere ziekenkamer, of van iemand die zeer vroeg was opgestaan. De straten waren ledig en stil, en het geluid onzer voetstappen kaatste van de wanden terug die wij voorbij gingen. Weinig vermoedde hij op dat uur den strijd waarvan de volgende nacht getuige zou zijn; dat deze zelfde straten de kreten zouden weergalmen van een razend gepeupel, en met zijn hartebloed geverfd zouden worden.Wij vonden de boot aan wal, en de pers in het pakhuis, terwijl men bezig was met haar naar de derde verdieping te hijschen. Wij verheugden ons allen dat er geene volksbeweging had plaats gehad, en de pers in veiligheid was; en allen meenden nu, dat het gevaar voorbij was. Wij waren verzekerd, dat het pakhuis door zoo weinige menschen als wij persoonlijk in volksoploopen hadden bezig gezien, niet stormenderhand kon overweldigd worden; en al wilde de meerderheid der burgers de pers dan ook al niet helpen verdedigen, zoo vreesden wij toch niet, dat zij in een aanval op haar zouden mededoen. Die meening was zoo sterk, dat men zeer weinige menschen genoegzaam achtte, om de pers voortaan te bewaken; en men kwam overeen, dat het gezelschap in sectiën van zes man zou verdeeld worden, om bij toerbeurten des nachts de wacht te houden. Daar zij den ganschen nacht niet geslapen hadden, boden Mr. Lovejoy en ik ons aan, om ons tot aan den morgen met de bewaking der pers te belasten; en zij gingen huiswaarts.Weldra begon de morgen aan te lichten; en dien morgen zal ik nooit vergeten. Wie, die ooit aan de oevers van den magtigen stroom gestaan heeft, die toenmaals voorbij mij heenrolde, kan de verhevene aandoeningen vergeten, die zijn hart deden kloppen, terwijl hij in zijne verbeelding de kanalen van gemeenschap trok, door hem en zijne takken door de onbegrensde gewesten dezer westelijke wereld geopend? Ik dacht aan toekomstige eeuwen, en aan de ontelbare millioenen, die aan dezen trotschen stroom zouden wonen; en dat niets dan de waarheid hen zou vrij maken. Nimmer gevoelde ik zoo zeer de waarde van het regt, waarvoor wij streden, om die waarheid onbelemmerd te onderzoeken en onbevreesd te verkondigen. O, hoe verheven is de zedelijke magt! Door haar is het, dat God het heelal bestuurt. Door haar zal Hij de natiën bevrijden.Ik begaf mij naar het dak en beklom het hoogste punt van den muur. De naderende dag begon den hemel en de rivier te bepurperen, en de bedrijvige woeligheid van den ambachtsman begon zich reeds te laten hooren. Met vreugde staarde ik op de tooneelen beneden mij. Ik gevoelde, dat er zonder bloedstorting een veldslag voor God en de waarheid gewonnen was, en dat Alton van eeuwige schande bevrijdwas. En toen de langs hoe meer naderende dag den geheelen omtrek begon te verlichten, toen dacht ik aan die veel heilrijker zon, die thans aan de wereldkim begon te rijzen, en haar weldra in stroomen van schitterend licht zou doen baden.Ook broeder Lovejoy was gelukkig. Hij was niet in verrukking; hij was rustig en bedaard, doch zijn gelaat drukte het gevoel zijner ziel uit. Het was eene kalme en rustige vreugde, want Hij vertrouwde van God, dat de strijd gewonnen was, en dat de banier eener ontboeide drukpers over dien trotschen stroom golven zoude.IJdele hoop! Hoe spoedig zou zij in het graf eens martelaars begraven worden! IJdel, zeide ik? Neen: zij is niet ijdel. Hij spreekt nog, al is hij gestorven; en eene vereenigde wereld kan zijne stem nooit tot zwijgen brengen.Het einde van het treurspel is spoedig verhaald. Eene vrijwillige compagnie, waartoe Lovejoy behoorde, vormde zich onder denmayor, tot bescherming der wet. Den volgenden avond, om tien uren, bestormde het gepeupel het gebouw. Het pakhuis bestond uit twee steenen gebouwen in één blok, met deuren en vensters aan beide einden, maar zonder vensters aan de zijden. Het dak was van hout. Gilman opende de eind-deur van de derde verdieping, en vroeg wat men verlangde. Zij eischten de pers. Hij weigerde haar over te leveren, en verzocht hen ernstig, zich zonder gewelddadigheden te verwijderen, met de verzekering dat, nadien het eigendom aan hunne bewaring was toevertrouwd, zij het met gevaar van hun leven zouden verdedigen. Na eenige vruchtelooze pogingen, schreeuwde het gepeupel, dat men het dak zou in brand steken. Mr. Lovejoy begaf zich met eenige anderen naar buiten, om het voor dien aanval te beveiligen, en werd door iemand uit den hoop voorbedachtelijk ter neder geschoten. Na deze verwonding behield hij nog naauwelijks kracht genoeg, om naar het pakhuis terug te keeren, klom ééne verdieping op, viel, en blies den adem uit.Die binnen waren, beproefden nu te capituleren, doch dit werd al vloekende door het graauw geweigerd, dat het pakhuis dreigde te verbranden, en hen neder te schieten, zoo zij er uit kwamen. Ten laatste werd het gebouw werkelijk inbrand gestoken, en zij vlugtten naar buiten, terwijl het gepeupel op hen vuurde. Zoo eindigde het Altonsche treurspel.Toen de edele moeder van Lovejoy zijn dood vernam, zeide zij: „Het is wel. Liever had ik, dat hij zóó stierf, dan dat hij zijne beginselen verzaakte!” Zoo lang het zulke moeders bezit, is Amerika nog niet verloren. Was zij niet gezegend, die zulk een zoon op dusdanige wijze kon afstaan? Wie was die vrouw, welke God voor de gezegendste onder de vrouwen verklaarde? Was zij het niet, die haren dierbaarste zag kruisigen? Zoo geheel anders ziet God, dan de menschen!1Deze zoo schoone dichterlijke beschrijving van den „Leviathan” is getrokken uit het 40steen 41stehoofdstuk van Job.Vertaler.

Hoofdstuk III.Martelaarschap.Tijdens de Methodistische en Presbyteriaansche Kerken de tegen de slavernij gerigte besluiten namen, die wij hebben opgeteekend, zou de kerk het slavernij-systeem met betrekkelijk geringe moeite hebben kunnen ten onder brengen. Dit was de ondervinding der Kwakers, die er toenmaals de proef van namen, en in die proef slaagden. De maatregel dien zij volgden, was de eenvoudigst mogelijke. Zij verdeelden hunne Kerk in ringen of districten, en benoemden geregelde commissiën, wier taak het was van huis tot huis te gaan, en de regelen der Kerk op elken slavenhouder, een voor een, toe te passen. Dit werd in zulk een geest van eenvoudigheid en broederlijke liefde bewerkstelligd, dat slechts weinigen aan die stem geen gehoor gaven. Zij gaven zich rustig over, gehoorzaam aan de inspraak van hun geweten en den invloed hunner broederen. Deze handelwijze, hoe zacht ook, oefende dezelfde kracht uit, als de kalme zomerzon, die, door weinige uren geduldig schijnens, den ijsberg doet smelten, waarop al de winterstormen hunne krachten te vergeefs verspild hadden. O, mogten al de andere gezindheden dien zoo gelukkigen maatregel bedacht en gevolgd hebben! Maar de dag is voorbij, dat dit gedrochtelijke kwaad door zachte middelen van overreding zoo gemakkelijk te overwinnen was.Toen de Kwakers hunne poging in het werk stelden, was deze Leviathan in het riet en de biezen van Amerika jong en kaal, en had zijne krachten nog niet leeren kennen. Toen zou men hem „met een angel hebben kunnen trekken;” toen zou men „een verbond met hem hebben kunnen aangaan, en hem tot een eeuwigen slaaf maken;” maar nu is de Leviathan volwassen. „Ziet, zijne hope zal feilen; niemand is zoo koen, dat hij hem opwekken zoude; hij zal voor zijn gezigte nedergeslagen worden. Zeer uitnemende zijn zijne sterke schilden; elk een gesloten als een naauwdrukkend zegel. Het eene is zoo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tusschen komen.De stukken zijns vleesches kleven te zamen; elk een is vast in hem, het wordt niet bewogen. Zijn hart is vast, gelijk een steen, ja vast gelijk een deel des ondersten molensteens. Raakt hem iemand met den zwaarde, dat zal niet bestaan. Hij acht het ijzer als stroo en het staal voor verrot hout. De pijl zal hem niet doen vlieden: de slingersteenen worden hem in stoppelen veranderd. Hij belacht de drilling der lans. Op aarde is niets met hem te vergelijken: hij is een Koning over alle jonge hoogmoedige dieren.”1Er zijn er, die zich nog altoos aan de herschenschim vasthouden, dat, op de eene of andere wijze, zonder eenige bijzonder sterke poging of tegenstand, door eene zachte, inschikkelijke, redenerende handelwijze, de Leviathan bekeerd, gedoopt, en tot Christen gemaakt zal worden. Laten zij het beproeven. Zulk eene manier heeft men al sedert lang als niets beteekenend leeren beschouwen. Maar zoodra Leviathan begint te zien, dat het hun ernst wordt, zullen zij de gevolgen er van ondervinden. De beraadslagingen van alle Synoden in de Vereenigde Staten, die bewijzen, dat hij een kwaad isper se, zullen hem niet wekken. Hij beschouwt ze veeleer als vermakelijke domheden. Ook zullen geene besluiten, dat men hem „met leedwezen beschouwt,” hem bijzonder verontrusten, even zoo weinig als de uitgedrukte verwachting, dat hij omstreeks de vestiging van het duizendjarige Rijk wel sterven zal. Ondanks al de vermaningen van Synode en „Conferentiën,” heeft Leviathan zelve maar een zeer gering gevoelen van zijne Christelijkheid, en eene soort van indruk, dat hem de algemeene Christus-regering op aarde wel wat ongemakkelijk zal vallen; doch hij bekommert zich nog niet veel om het vooruitzigt van op een zoo ver verwijderd tijdstip den geest te moeten geven.Maar laat iemand, uit het Noorden of uit het Zuiden, het zwaard des Geestes nemen, en er hem mede tusschen de schilden slaan, dan zal hij ondervinden welk eene soort van strijd Christianus met Apollyon had. Laat niemand, uit het Noorden of uit het Zuiden, wiens goede naam, of welvaart, of rijkdom, hem te dierbaar zijn om ze er aan op te offeren, dien krijgbeginnen! Laat niemand hem ondernemen, die niet bereid is, zijn goeden naam, ja des noods zijn leven, te haten. Om deze redenen zullen wij hier het voorbeeld van een martelaar aanvoeren, die voor deze zaak gestorven is; want men heeft naar waarheid gezegd, „dat het bloed der martelaren het zaad der Kerk is.”De Eerwaarde Elijah P. Lovejoy was de zoon eener vrouw uit Maine, een inboorling van dien Staat, die dor en bar in alle andere dingen, vruchtbaar is in edele gevoelens en heldhaftige daden. Van zijne jongelingsjaren zeggen wij niets; waarschijnlijk waren deze zoo als die van andere jonge lieden uit Maine. Wij vatten zijne geschiedenis op, waar wij hem als geestelijke in St. Louis vinden, en als uitgever van een Godsdienstig nieuwsblad. Al beleed hij ook niet ronduit een abolitionist te zijn, zoo liet hij zich evenwel openlijk en bepaald tegen de slavernij uit. Dit verwekte grooten haat en lokte gewelddadigheden uit. Kort daarna werd, in de straten van St. Louis, door eene zamenrotting, uit de aanzienlijkste lieden van die plaats bestaande, een neger, die de tot zijne gevangenneming uitgezondene beambten gewond had, levendig verbrand. Dit tooneel eener langzame marteling duurde tot dat de euveldaad volbragt was, terwijl men de gillende smeekingen van het slagtoffer om een spoedigen dood in den wind sloeg. In zijn last aan de jury beweerde de regter Lawless, dat er geene wettige straf op dit misdrijf viel toe te passen, omdat het, het bedrijf eener woedende menigte zijnde, boven de wet was. In rondborstige taal gaf Elijah Lovejoy zijn afschuw van de bemiddeling en van de beslissing te kennen. Om die reden werd zijne werkplaats door het gepeupel omver gehaald en vernield. Toen hij zich in St. Charles bevond, werd het huis door een hoop van zulke lieden, als de slavernij alleen daartoe kon aanhitsen, aangevallen, met oogmerk, om hem het leven te benemen. Zijne tot krankzinnigheid toe opgewondene vrouw hield de wacht aan zijne deur, tegen mannen strijdende, die met knodsen en dolkmessen gewapend waren, en zwoeren, dat zij zijn hartebloed wilden. De uiterste wanhoop eener vrouw en de hulp van vrienden, dreven den eersten aanval terug; maar toen de troep terugkeerde, wist hij te ontsnappen. Lovejoy kwam te Alton, in den Staat van Illinois, en begon daar zijn nieuwspapier uit te geven. Demenigte volgde hem. Zijne pers werd tot tweemaal toe vernield, en dagelijks werd hij met den dood gedreigd.Eer zijne pers ten derden male vernield werd, verscheen in zijn nieuwspapier eene oproeping tot eene bijeenkomst der vijanden van de slavernij en vrienden des vrijen onderzoeks in Illinois, ten einde onder de bestaande crisis geschikte maatregelen te beramen en uit te voeren. Deze oproeping werd door omstreeks twee honderd en vijftig personen uit verschillende gedeelten van den Staat onderteekend, waaronder ook de Eerwaarde E. Beecher, destijds Voorzitter van het „Illinois College.” Zij bragt een groot aantal menschen bijeen. Toen de beraadslagingen begonnen, drongen ook de volksleiders zich onder hen; er ontstond eene groote gisting, en ten slotte werd de bijeenkomst door de kwalijk gezinden overschreeuwd en uit elkander gedreven. Toen werd besloten een anti-slavernij-genootschap op te rigten, en eene verklaring van gevoelens, benevens een adres aan het volk van den Staat, in het licht te zenden. Er werden bedreigingen gedaan, dat, zoo Mr. Lovejoy met het drukken van zijn blad voortging, het gepeupel zijne drukpers zou vernielen. In dezen staat van spanning sprak Mr. Beecher, op verzoek van het genootschap, twee leerredenen uit, die de gevoelens en voorgenomene handelwijze er van in het licht stelden. Zij werden achtervolgens openbaar gemaakt, terwijl het volgende uittreksel den lezer een denkbeeld zal geven van hetgeen zij waren.1. Wij zullen trachten onze medeburgers te overreden om zich boven alle eigenbatige, geldzuchtige, staatkundige en plaatselijke belangen te verheffen; en, uit een diep gevoel van Gods tegenwoordigheid, alleen de eeuwige en onveranderlijke grondbeginselen van waarheid in het oog te houden, die door geene menschelijke wetten of volksgevoelens veranderd of vernietigd kunnen worden.2. Wij zullen trachten het geschil voor te stellen als een geschil tusschen deze gemeente en God; als een onderwerp dat Hem diep ter harte gaat, en waaromtrent groote en gewigtige pligten jegens Hem en onze medeburgers op ons rusten.3. Wij zullen trachten, zoo veel in ons vermogen is, de hevigheid van den strijd der partijen te verzachten, alle onheiligedrift te vermijden, en wederkeerig vertrouwen en welwillendheid aan te kweeken, zoowel als innige belangstelling in de welvaart van alle gedeelten onzer natie, en eene sterke begeerte om hare Unie te bewaren en haar hoogsten bloei te bevorderen.Ons gansche vertrouwen rust op waarheid en liefde, en op de invloeden des Heiligen Geestes. Wij begeeren niemand door eene onderdrukkende magt van het algemeen gevoelen te noodzaken om tegen zijn geweten of overtuiging te handelen; maar een iegelijk tot onbevooroordeeld nadenken en onpartijdig onderzoek in de vreeze Gods op te wekken, is alles wat wij verlangen.En, om dit doel te bereiken, zullen wij ons van dezelfde middelen bedienen als die gebezigd worden om den openbaren geest nopens alle andere groote zedelijke onderwerpen te verlichten en te verheffen:—persoonlijken invloed, openbare adressen, den kansel en de drukpers.4. Wij zullen trachten een nieuw en grondig onderzoek der grondbeginselen van menschelijk regt, en van het verband van alle regtvaardige wetgeving daarmede, te bevorderen; terwijl wij onze beginselen zullen afleiden uit de natuur van den menschelijken geest, uit de betrekkingen van den mensch tot God, en uit den geopenbaarden wil van den Schepper.5. Wij zullen vervolgens trachten de slavenwetten van ons land bij het licht dier beginselen te toetsen, en te bewijzen dat zij uit haren aard zondig zijn, en dat zij zoowel met den wil van God als met al de belangen van den meester, den slaaf, en de geheele maatschappij in strijd zijn.6. Wij zullen wijders trachten aan te toonen op welke wijze gemeenten, waar zulke wetten bestaan, zich te gelijk, in volmaakte veiligheid en vrede, van de schuld zoowel als van de gevaren van het systeem zullen kunnen bevrijden.7. En, zoo lang de gemeenten in haar geheel niet mogten te overreden zijn om hare pligten te betrachten, zullen wij pogingen aanwenden om de individuëele slavenhouders in zulke gemeenten hunne verpligtingen voor te houden en op het hart te drukken.Tegen doeleinden, in dezen geest en op die wijze voorgesteld,zou men denken dat redelijkerwijze niets ware in te brengen. De eenige zwarigheid die zij medebragten was deze, dat zij, hoe kalm en minzaam ook, bleken ernstig gemeend te zijn; en op eenmaal werd Leviathan volkomen wakker.De eerste praktikale vraag was: Zal de derde drukpers verdedigd worden, of zal men ook deze laten vernielen?Er was eene vreeselijke spanning en eene groote volksbeweging. De schroomvallige, voorzigtige, rustlievende meerderheid, die in alle steden te vinden is, die zich om geen triomf van eenig beginsel bekommert, zoo zij slecht haar eigen belang kan bevorderen, was kleinmoedig en weifelachtig, en moedigde alzoo de kwalijkgezinden aan. Alle drangredenen werden te hulp geroepen om Mr. Beecher en Mr. Lovejoy van hunne pogingen om de drukpers te herstellen, te doen afzien. Den eerstgenoemde zeide men dat er in Missouri eene premie op zijn hoofd gezet was—eene fatsoenlijke manier van overtuigen in de slavenhoudende gedeelten van dit land. Mr. Lovejoy had men al sinds zoo langen tijd, dag en nacht, gedreigd te zullen vermoorden, dat het argument bij hem al wat afgesleten geraakt was. Aan Mr. Beecher zeide men, dat de belangen van het collegie, welks voorzitter hij was, zouden worden opgeofferd, en dat, zoo hij al verkoos zijne eigene veiligheid te wagen, hij geen regt had om die belangen in de waagschaal te stellen. Maar Mr. Beecher en Mr. Lovejoy gevoelden beide, dat het hier het hoofdbeginsel, dat der vrije inrigtingen gold, hetwelk te dier tijd, over het geheele land, door opoffering van het regt van vrije beraadslaging aan de kreten van het gepeupel, ernstig bedreigd werd; en dat zulk een antecedent tot zeer ver uitziende en zeer gevaarlijke gevolgtrekkingen zou kunnen leiden.In eene openbare bijeenkomst rigtte Mr. Beecher eene toespraak tot de burgers over het regt tot handhaving van het vrije onderzoek, en van ieders regt tot vrije uiting zijner gemoedelijke overtuiging. Hij las hun eenige dier welsprekende zinsneden voor, waarin Dr. Channing, onder gelijksoortige omstandigheden, die zelfde regten te Boston had verdedigd.Hij las hen uittreksels voor uit buitenlandsche nieuwspapieren, waaruit bleek, hoe het Amerikaansch karakter in vreemde landen miskend werd door den invloed der Lynch-wet en de gewelddadigheden der menigte. Hij verdedigde het regt vanMr. Lovejoy, om zijne gemoedelijke overtuiging door de drukpers openbaar te maken; en eindelijk las hij uittreksels uit eenige zuidelijke dagbladen voor, waarin de handelwijze van den grooten hoop strengelijk veroordeeld, en het regt van Mr. Lovejoy om zijne gevoelens te openbaren, verdedigd werd. Ten slotte stelde hij het nemen der volgende besluiten voor:Dat de vrije mededeeling van gevoelens een der onschatbaarste regten van den mensch is; en dat ieder burger over alle onderwerpen vrijelijk spreken, schrijven of drukken mag, behoudens zijne verantwoordelijkheid voor het misbruik dier vrijheid.Dat de handhaving dezer beginselen onafhankelijk behoort te zijn van alle inschikkelijkheid jegens personen of gevoelens.Dat zij inzonderheid behooren gehandhaafd te worden ten aanzien vanimpopulairegevoelens, dewijl geene andere de bescherming der wet behoeven.Dat wij alleen op deze gronden, en zonder aanzien van staatkundige en zedelijke verschillen, gezind zijn de drukpers en eigendommen des uitgevers van denAlton Observerte beschermen, en hem in zijn regt te ondersteunen om openbaar te maken wat hem goeddunkt, hem alleen verantwoordelijk stellende jegens de wetten des lands.Deze besluiten, aldus voorgesteld, zouden in eene laatste bijeenkomst der burgers, die den volgenden dag moest plaats hebben, in overweging genomen worden.Die bijeenkomst had plaats. Hun eerste stap was, Mr. Beecher en allen, die geene burgers van dat district waren, van het regt van beraadslaging over het aan te bieden rapport uit te sluiten. De commissie rapporteerde dan, dat zij de bestaande spanning ten hoogste betreurde; dat zij nogtans de sterke overtuiging koesterde, dat de burgers zich van alle onwettige daden zouden onthouden; dat de eischen des tijds gematigde en verzoenende maatregelen wenschelijk maakten; en dat men, alhoewel niet gezind om de vrije mededeeling in het algemeen te belemmeren, het met dat al noodig voor de openbare rust hield, dat Mr. Lovejoy geen openbaar nieuwsblad in die stad uitgaf; zonder daarmede in het allerminst iets nadeeligs voor het karakter of de bedoelingen van Mr. Lovejoy te willenzeggen. Alles wat de Vergadering voor dit oogenblik verlangde, waste hooren of Mr. Lovejoy gezind was zich aan haar verlangen te onderwerpen.Een lid der Commissie stond op, en betuigde zijne sympathie voor Mr. Lovejoy, dien hij voorstelde als iemand, die onder rampspoeden gebukt ging, terwijl hij hoopte, dat men indachtig zoude zijn, dat hij vrouw en kinderen te verzorgen had, en vertrouwde dat men hem zoo weinig schande zou willen aandoen als mogelijk was; doch dat hij, en zijne geheele partij met hem, de noodzakelijkheid zouden inzien van in eene schikking te treden, en Alton te verlaten. Wat daarop volgde, wordt hier met de woorden van Mr. Beecher verhaald, die in de Vergadering tegenwoordig was.Toen broeder Lovejoy opstond om op de bovengemelde redevoering te antwoorden, lette ik met belangstelling, om niet te zeggen met angst, op zijn gelaat. Met eene kalme, rustige houding naderde hij het gestoelte van den Voorzitter, en sprak in den toon van een diep, teeder, en naauwelijks wederhouden gevoel, het volgende:„Ik gevoel, mijnheer de Voorzitter, dat dit het plegtigste oogenblik in mijn leven is. Ik vertrouw eenigermate de verantwoordelijkheid te gevoelen, die er in dit oogenblik op mij rust jegens deze mijne medeburgers, jegens de Kerk, waarvan ik een dienaar ben, jegens mijn vaderland en jegens God. En laat ik, eer ik voortga, u mogen verzoeken, om niets van hetgeen ik zeggen zal, als oneerbiedigheid jegens deze Vergadering te beschouwen. Ik koester geen zoodanig gevoelen, dat zij verre. En zoo ik niet altoos overeenkomstig hare wenschen spreek of handel, dan is het, omdat ik dit gewetenshalve niet doen kan.„Het is noodig dat ik de geheele zaak, zoo als ik haar begrijp, voor deze Vergadering bloot leg. Ik sta hier niet om over de zaak te redetwisten, zoo als zij door het rapport van de Commissie is voorgesteld. Het eenige, wat mij verwondert, is, dat de achtenswaardigegentleman, de Voorzitter van die Commissie, wiens karakter ik zeer hoogacht, hoewel de eer niet hebbende van hem persoonlijk te kennen,—het eenige wat mij, zeg ik, verwondert, is, hoe diegentlemaner toe heeft kunnen besluiten om zulk een rapport in te leveren.„Mijnheer de Voorzitter, ik stem niet toe dat het de taak dezer Vergadering is, te beslissen of ik al dan niet een openbaar nieuwspapier in deze stad zal uitgeven. De heeren zijn, zoo als de regtsgeleerden zeggen, van een verkeerd punt uitgegaan. Ik heb hetregtom het te doen. Ik weet, dat ik het regt heb om mijne gevoelens vrijelijk uit te spreken en openbaar te maken, alleen onderworpen aan de wetten des lands voor het misbruik van dat regt. Dat regt is mij door mijn Schepper gegeven, en is mij door de grondwet der Vereenigde Staten en van dezen Staat, plegtig gewaarborgd. Wat ik van u wensch te weten, is, of gij mij wilt beschermen in de uitoefening van dat regt, dan wel of ik, zoo als tot nog toe, voor persoonlijke beleedigingen en aanrandingen zal moeten blootstaan. Er wordt van deze besluiten en van de daarbij voorgestelde maatregelen gesproken als van eene schikking—eene schikking tusschen twee partijen. Dit is niet zoo, mijnheer de Voorzitter. Er is hier slechts ééne partij. Het is eenvoudig de vraag of de wet zal gehandhaafd worden, dan of het gepeupel de vrijheid zal hebben om haar, zoo als het thans doet, met voeten te blijven treden, door de regten van een onschuldig mensch ongestraft te schenden.„Mijnheer de Voorzitter, wat valt hier van mijne zijde te schikken? Hen te vergeven, die mij zoo grootelijks beleedigd hebben; voor hun tijdelijk en eeuwig welzijn te bidden; het heil van stad en staat te blijven wenschen, ondanks al het leed en den smaad, die ik er in ondergaan heb;—zoo men dit alles onder de bedoelde schikking verstaat, dan ben ik van harte genegen haar te maken. Mijne regten zijn schandelijk en baldadig gehoond; dit weet ik, gevoel ik, en kan het nimmer vergeten. Maar hen te vergeven, die dit gedaan hebben, dat kan ik en doe ik.„Maar zoo men door eene schikking verstaat, dat ik zal ophouden datgene te doen wat mijn pligt van mij vordert, dan kan ik haar niet maken. En de reden daarvoor is, dat ik God meer vrees dan de menschen. Geloof niet dat ik mij ligtvaardig tegen het algemeene gevoelen zou willen aankanten. De goede meening mijner medemenschen is mij dierbaar, en om hunne gunst te verkrijgen zou ik veel opofferen, alleen geene grondbeginselen. Wanneer mij gevergd wordt dezete laten varen, dan wordt mij meer gevergd dan ik geven mag. Men heeft het feit aangevoerd dat ik, eenige dagen geleden, heb aangeboden de uitgave van denObserveraan anderen over te laten. Dat is waar. Ik deed zulks, omdat sommigen dachten of zeiden dat dat blad in andere handen betere bescherming zou vinden. Mijn aanbod werd nogtans van de hand gewezen, en sedert hebben wij berigten van de vrienden en begunstigers van het blad in alle gedeelten van den Staat ontvangen. Allen hadden maar één gevoelen, en dit was, dat het blad door niemand anders dan mij kon worden staande gehouden. Het is derhalve eene zeer verschillende vraag, of ik vrijwillig, of op verzoek van vrienden, mijn post zal overgeven, dan wel of ik dien op den eisch van het gepeupel verlaten zal. Tot het eerste ben ik ten allen tijde bereid, wanneer de omstandigheden zulks vorderen, dewijl ik mijne persoonlijke wenschen of belangen nooit in strijd wil brengen met de zaak van dien Meester, wiens dienaar ik ben. Maar het laatste, wees daarvan verzekerd, zal ikNOOITdoen. God—zoo zeggen alle mijne broederen, en zoo denk ook ik—heeft mij in den weg Zijner Voorzienigheid de verantwoordelijkheid opgelegd van mijnen grond hier te verdedigen; en, mijnheer de Voorzitter, ik ben er toe besloten, dit te doen. Uit Maine, uitMassachusetts, uit Connecticut, uit New-York, uitPennsylvanië,—ja, uit Kentucky, uit Mississippi, uit Missouri—komt eene stem tot mij, die mij in naam van alles, wat in den hemel of op aarde dierbaar is, toeroept, om standvastig te blijven; en, met Gods hulp,ZAL IK STANDVASTIG BLIJVEN. Ik weet, dat ik alleen sta, en dat uwer vele zijn. Mijne kracht zou tegen u allen weinig kunnen baten. Gij kunt mij verpletteren zoo gij wilt: maar ik zal op mijn post sterven, want ik kan noch wil hem verlaten.„Waarom zou ik uit Alton vlugten? Is dit geen vrije Staat? Toen ik te St. Louis door het gepeupel werd aangevallen, kwam ik herwaarts, als naar de woonplaats van wet en vrijheid. Het gepeupel heeft mij ook hier vervolgd, en waarom zou ik op nieuw vlugten? Waar kan ik veilig zijn, zoo het hier niet is? Heb ik geen regt om de bescherming der wetten in te roepen? Wat zou ik elders meer kunnen hebben? Sir, mijne vlugt zelve zou het gepeupel nog des te stouter maken, om mij overal te vervolgen,waar ik henen ging. Neen, Sir, er is geen middel, om aan het gepeupel te ontsnappen, dan het spoor van mijnen pligt te verlaten; en dat zal ik, met Gods hulp, nimmer doen.„Het is hier gezegd geworden, dat mijne hand tegen allen is, en de hand van allen tegen mij. Het laatste gedeelte van dat zeggen is eene maar al te smartelijke waarheid. Ik vind inderdaad bijkans elke hand tegenmijopgeheven; maar tegen wien in deze plaats is mijne hand opgeheven geweest? Ik beroep mij op allen hier aanwezig: wien uwer heb ik beleedigd? Wiens karakter heb ik belasterd? Wiens familie heb ik overlast aangedaan? Met wiens zaken heb ik mij bemoeid? Zoo daar iemand is, dat hij opsta en tegen mij getuige.—Niemand antwoordt.„En zeggen uwe besluiten zelve niet, dat gij tegen mijn bijzonder of persoonlijk karakter niets weet in te brengen? En kan iemand gelooven, dat, zoo daar iets tegen in te brengen ware, het niet geschieden zoude? Zoo ik mij in eenig opzet tegen de wet vergrepen heb, ben ik in deze gemeente niet zoo bemind, dat het bezwaarlijk vallen zou mij te overtuigen. Gij hebt geregtshoven, regters en jurys; zij vinden niets tegen mij. En nu komt gij bijeen met het doel, om een man, wiens onschuld algemeen bekend is, te verbannen, om geene andere oorzaak, dan dat hij denken en spreken durft, zoo als God en zijn geweten hem ingeven. Zal zulk eene handelwijze den toets van uw vaderland, van uwe nakomelingschap, en, bovenal, van den oordeelsdag kunnen doorstaan? Want bedenkt, dat de Regter, die op dien dag zal vonnissen, geen aannemer des persoons is. Ik smeek u, staat stil en overweegt! De tegenwoordige spanning zal weldra voorbij zijn; de stem des gewetens zal zich eindelijk doen hooren. En wanneer gij, op een of ander tijdstip van onbevooroordeeld nadenken, zelfs nog in deze wereld, u de tooneelen van dit uur te binnen brengt, dan zult gij genoodzaakt zijn te zeggen: „Hij sprak de waarheid; hij sprak de waarheid!”„Maar men heeft u tot zachtmoedigheid en medelijden vermaand, en om den rampspoed mijner uitbanning niet noodeloos met schande te verzwaren. Sir, ik verwerp zulk een medelijden. Gij kunt mij niet schandvlekken. Oneer, valschheid en laster hebben hun vermogen reeds uitgeput. Mijne schouders hebben den last gedragen, tot dat zij eraan gewoon zijn geworden. Gij kunt mij ophangen, zoo als het gepeupel de lieden uit Vicksburg ophing! Gij kunt mij aan een staak verbranden, zoo als het Mac Intosh te St. Louis deed, of gij kunt mij van lid tot lid van elkander scheuren, of mij in den Mississippi werpen, zoo als gij dikwijls gedreigd hebt, maar gij kunt mij niet schandvlekken. Ik, en ik alleen, kan mij schandvlekken; en de onuitwischbaarste schande zou zijn, in een tijd als deze, mijn Meester te verloochenen door Zijne zaak te verlaten. Hij stierf voor mij, en ik zou ten hoogste onwaardig zijn Zijn naam te dragen, wanneer ik weigerde, om, des noods, voor Hem te sterven!„Verder heeft men u gezegd, dat ik een huisgezin heb, dat op mijne zorg steunt, en dit heeft men als eene reden doen gelden, dat ik zoo zachtzinnig mogelijk wierde uitgebannen. Het is waar, mijnheer de Voorzitter, ik ben echtgenoot en vader; en dit is een der bitterste inmengsels in den lijdensbeker, dien ik geroepen word, om te drinken. Ik ben er toe gebragt, om de wijsheid van den raad des Apostels te gevoelen: „Het is beter niet te trouwen.” Ik weet, Sir, dat ik in dezen strijd niet alleen mijn eigen leven, maar ook dat van anderen waag. Ik geloof niet, dat mijne vrouw ooit weder van den schok zal bekomen der verschrikkelijke tooneelen, die zij te St. Charles heeft doorgestaan. En wat gebeurde nog onlangs, toen ik mij naar huis begaf? De vrees voor het gepeupel, dat rondom de woning bijeen schoolde, had haar naar de vliering gedreven; en naauwelijks was ik in huis, of mijne vensters werden door de steenworpen van het graauw verbrijzeld, en zij zoo verschrikt, dat het haar dien geheelen nacht onmogelijk was te slapen of te rusten. Ik word gejaagd als een veldhoen op de bergen; ik word als een uitvaagsel in uwe Staten vervolgd, en de beschermende magt der wetten tegen gewelddadigheid, die zelfs door den snoodsten misdadiger mag worden ingeroepen, roep ik te vergeefs in.„Denk echter niet, dat ik ongelukkig ben. Denk niet, dat mijne gedane keuze mij berouwt. Terwijl alles rondom mij oproer en geweld is, is het vrede in mijn binnenste. Een goedkeurend geweten en de beloonende glimlach van God is eene volkomene vergoeding voor alles, wat ik verliet, en voor alles, wat ik onderga. Ja, Sir, ik geniet een vrede,dien niets kan verstoren. Ik slaap zacht en ongestoord, alleen dan uitgezonderd, wanneer de steenworpen van het graauw mij doen ontwaken.„Neen, Sir, ik ben niet ongelukkig. Ik heb de kosten berekend, en ben volkomen bereid, om al het mijne in de dienst van God op te offeren. Ja, Sir, ik gevoel het gansche gewigt van het door mij aangeboden offer, terwijl ik mij hier verbind, om dezen strijd tot het uiterste vol te houden. (Vergeef deze tranen—zij vloeijen onwillekeurig, en niet om mij-zelven, maar om anderen). Maar ik word geroepen, om vader en moeder, en vrouw en kinderen, om Jezus wille te verzaken; en als Zijn verklaarde belijder ben ik daartoe gereed. Naar het mij toeschijnt is thans de tijd daar, om die verbindtenis na te komen, Sir, ik durf niet uit Alton wegvlugten. Zoo ik het beproefde, zou ik ondervinden, dat de Engel des Heeren, met zijn vlammend zwaard, mij overal vervolgde, waar ik henen ging. Omdat ik God vrees, vrees ik niemand van allen, die zich in deze stad tegen mij stellen. Neen, Sir, de strijd is hier begonnen, en moet hier voleindigd worden. Voor God en voor u allen verbind ik mij hier, om hem voort te zetten, zoo het noodig is, tot den dood toe. Zoo ik val, dan zal mijn graf in Alton gedolven worden.”Lovejoy was welgemaakt van persoon, hoogst beschaafd in stem en manieren; en het pathos van deze laatste verklaring, met den edelsten eenvoud uitgesproken, roerde alle aanwezigen, en bragt een diep stilzwijgen te weeg. Het was een dier oogenblikken, waarin de gevoelens van een auditorium in de balans trillen, en één korrel ze naar deze of gene zijde kan doen overslaan. Zoo er in dat oogenblik een voorstel gedaan ware, om hem bijstand te verleenen, zou het zijn doorgegaan. De betoovering werd vernietigd door een anderen dienaar des Evangelies, die opstond en eene homilie uitsprak over de noodzakelijkheid eener schikking, terwijl hij Mr. Lovejoy aanbeval op het voorbeeld van Paulus te zien, die in eene mand uit een venster te Damascus was nedergelaten; alsof Alton eene heidensche stad onder eene despotische regering geweest ware! Nu de begoocheling eenmaal verbroken was, werd de Vergadering woelig en driftig, terwijl het alle mogelijke beschuldigingen op de abolitionisten regende. De Vergadering nam dedoor de commissie voorgestelde besluiten aan, en weigerde hare hulp tot handhaving der wet tegen wettelooze gewelddadigheid; en het gepeupel begreep zeer goed, dat men het zou laten begaan, ook wanneer het alles deed, wat het wilde. Daar het nu gebleken was, dat Mr. Lovejoy niet wijken zoude, was de ontwikkeling van de crisis der zaak te voorzien, wanneer zijne drukpers aan wal zou worden gebragt.Gedurende de volgende drie dagen scheen er eene soort van reactie te komen. Men had een der invloedrijkste leiders van de menigte hooren zeggen, dat het vernielen van drukpersen nergens toe diende, en dat er geld genoeg in het Oosten was, om er zich nieuwe te bezorgen, en dat men de dweepers even zoo goed kon laten loopen.Dit gaf de besluitelooze stedelijke autoriteiten eenigen moed, en de vrienden van de drukpers meenden, dat, zoo zij haar eenmaal aan wal, en veilig in het pakhuis van de heeren Godfrey en Gilman konden krijgen, de crisis ongemerkt zou voorbijgaan. Zij zonden derhalve eene expresse aan den kapitein om de landing der boot uit te stellen tot drie uren in den morgen, en na een vervelend wachten gingen de aanvoerders van het gepeupel naar huis; de pers kwam veilig aan land, en ieder dacht dat de onrust gelukkig voorbij was. Onder dien indruk verliet Mr. Beecher Alton, en keerde huiswaarts.Wij zullen eenige uittreksels mededeelen uit het verhaal van Mr. Beecher, zijne laatste ontmoeting met Mr. Lovejoy in dien nacht vermeldende, waarin de pers aan land gekomen en geborgen was.Kort na het bepaalde uur voor de landing der boot, stond Mr. Lovejoy op, en verzocht mij met hem te gaan zien wat de uitslag was. De maan was ondergegaan en het was nog donker, doch de dag begon aan te breken; en hier en ginds scheen een licht door het venster van de eene of andere ziekenkamer, of van iemand die zeer vroeg was opgestaan. De straten waren ledig en stil, en het geluid onzer voetstappen kaatste van de wanden terug die wij voorbij gingen. Weinig vermoedde hij op dat uur den strijd waarvan de volgende nacht getuige zou zijn; dat deze zelfde straten de kreten zouden weergalmen van een razend gepeupel, en met zijn hartebloed geverfd zouden worden.Wij vonden de boot aan wal, en de pers in het pakhuis, terwijl men bezig was met haar naar de derde verdieping te hijschen. Wij verheugden ons allen dat er geene volksbeweging had plaats gehad, en de pers in veiligheid was; en allen meenden nu, dat het gevaar voorbij was. Wij waren verzekerd, dat het pakhuis door zoo weinige menschen als wij persoonlijk in volksoploopen hadden bezig gezien, niet stormenderhand kon overweldigd worden; en al wilde de meerderheid der burgers de pers dan ook al niet helpen verdedigen, zoo vreesden wij toch niet, dat zij in een aanval op haar zouden mededoen. Die meening was zoo sterk, dat men zeer weinige menschen genoegzaam achtte, om de pers voortaan te bewaken; en men kwam overeen, dat het gezelschap in sectiën van zes man zou verdeeld worden, om bij toerbeurten des nachts de wacht te houden. Daar zij den ganschen nacht niet geslapen hadden, boden Mr. Lovejoy en ik ons aan, om ons tot aan den morgen met de bewaking der pers te belasten; en zij gingen huiswaarts.Weldra begon de morgen aan te lichten; en dien morgen zal ik nooit vergeten. Wie, die ooit aan de oevers van den magtigen stroom gestaan heeft, die toenmaals voorbij mij heenrolde, kan de verhevene aandoeningen vergeten, die zijn hart deden kloppen, terwijl hij in zijne verbeelding de kanalen van gemeenschap trok, door hem en zijne takken door de onbegrensde gewesten dezer westelijke wereld geopend? Ik dacht aan toekomstige eeuwen, en aan de ontelbare millioenen, die aan dezen trotschen stroom zouden wonen; en dat niets dan de waarheid hen zou vrij maken. Nimmer gevoelde ik zoo zeer de waarde van het regt, waarvoor wij streden, om die waarheid onbelemmerd te onderzoeken en onbevreesd te verkondigen. O, hoe verheven is de zedelijke magt! Door haar is het, dat God het heelal bestuurt. Door haar zal Hij de natiën bevrijden.Ik begaf mij naar het dak en beklom het hoogste punt van den muur. De naderende dag begon den hemel en de rivier te bepurperen, en de bedrijvige woeligheid van den ambachtsman begon zich reeds te laten hooren. Met vreugde staarde ik op de tooneelen beneden mij. Ik gevoelde, dat er zonder bloedstorting een veldslag voor God en de waarheid gewonnen was, en dat Alton van eeuwige schande bevrijdwas. En toen de langs hoe meer naderende dag den geheelen omtrek begon te verlichten, toen dacht ik aan die veel heilrijker zon, die thans aan de wereldkim begon te rijzen, en haar weldra in stroomen van schitterend licht zou doen baden.Ook broeder Lovejoy was gelukkig. Hij was niet in verrukking; hij was rustig en bedaard, doch zijn gelaat drukte het gevoel zijner ziel uit. Het was eene kalme en rustige vreugde, want Hij vertrouwde van God, dat de strijd gewonnen was, en dat de banier eener ontboeide drukpers over dien trotschen stroom golven zoude.IJdele hoop! Hoe spoedig zou zij in het graf eens martelaars begraven worden! IJdel, zeide ik? Neen: zij is niet ijdel. Hij spreekt nog, al is hij gestorven; en eene vereenigde wereld kan zijne stem nooit tot zwijgen brengen.Het einde van het treurspel is spoedig verhaald. Eene vrijwillige compagnie, waartoe Lovejoy behoorde, vormde zich onder denmayor, tot bescherming der wet. Den volgenden avond, om tien uren, bestormde het gepeupel het gebouw. Het pakhuis bestond uit twee steenen gebouwen in één blok, met deuren en vensters aan beide einden, maar zonder vensters aan de zijden. Het dak was van hout. Gilman opende de eind-deur van de derde verdieping, en vroeg wat men verlangde. Zij eischten de pers. Hij weigerde haar over te leveren, en verzocht hen ernstig, zich zonder gewelddadigheden te verwijderen, met de verzekering dat, nadien het eigendom aan hunne bewaring was toevertrouwd, zij het met gevaar van hun leven zouden verdedigen. Na eenige vruchtelooze pogingen, schreeuwde het gepeupel, dat men het dak zou in brand steken. Mr. Lovejoy begaf zich met eenige anderen naar buiten, om het voor dien aanval te beveiligen, en werd door iemand uit den hoop voorbedachtelijk ter neder geschoten. Na deze verwonding behield hij nog naauwelijks kracht genoeg, om naar het pakhuis terug te keeren, klom ééne verdieping op, viel, en blies den adem uit.Die binnen waren, beproefden nu te capituleren, doch dit werd al vloekende door het graauw geweigerd, dat het pakhuis dreigde te verbranden, en hen neder te schieten, zoo zij er uit kwamen. Ten laatste werd het gebouw werkelijk inbrand gestoken, en zij vlugtten naar buiten, terwijl het gepeupel op hen vuurde. Zoo eindigde het Altonsche treurspel.Toen de edele moeder van Lovejoy zijn dood vernam, zeide zij: „Het is wel. Liever had ik, dat hij zóó stierf, dan dat hij zijne beginselen verzaakte!” Zoo lang het zulke moeders bezit, is Amerika nog niet verloren. Was zij niet gezegend, die zulk een zoon op dusdanige wijze kon afstaan? Wie was die vrouw, welke God voor de gezegendste onder de vrouwen verklaarde? Was zij het niet, die haren dierbaarste zag kruisigen? Zoo geheel anders ziet God, dan de menschen!1Deze zoo schoone dichterlijke beschrijving van den „Leviathan” is getrokken uit het 40steen 41stehoofdstuk van Job.Vertaler.

Hoofdstuk III.Martelaarschap.Tijdens de Methodistische en Presbyteriaansche Kerken de tegen de slavernij gerigte besluiten namen, die wij hebben opgeteekend, zou de kerk het slavernij-systeem met betrekkelijk geringe moeite hebben kunnen ten onder brengen. Dit was de ondervinding der Kwakers, die er toenmaals de proef van namen, en in die proef slaagden. De maatregel dien zij volgden, was de eenvoudigst mogelijke. Zij verdeelden hunne Kerk in ringen of districten, en benoemden geregelde commissiën, wier taak het was van huis tot huis te gaan, en de regelen der Kerk op elken slavenhouder, een voor een, toe te passen. Dit werd in zulk een geest van eenvoudigheid en broederlijke liefde bewerkstelligd, dat slechts weinigen aan die stem geen gehoor gaven. Zij gaven zich rustig over, gehoorzaam aan de inspraak van hun geweten en den invloed hunner broederen. Deze handelwijze, hoe zacht ook, oefende dezelfde kracht uit, als de kalme zomerzon, die, door weinige uren geduldig schijnens, den ijsberg doet smelten, waarop al de winterstormen hunne krachten te vergeefs verspild hadden. O, mogten al de andere gezindheden dien zoo gelukkigen maatregel bedacht en gevolgd hebben! Maar de dag is voorbij, dat dit gedrochtelijke kwaad door zachte middelen van overreding zoo gemakkelijk te overwinnen was.Toen de Kwakers hunne poging in het werk stelden, was deze Leviathan in het riet en de biezen van Amerika jong en kaal, en had zijne krachten nog niet leeren kennen. Toen zou men hem „met een angel hebben kunnen trekken;” toen zou men „een verbond met hem hebben kunnen aangaan, en hem tot een eeuwigen slaaf maken;” maar nu is de Leviathan volwassen. „Ziet, zijne hope zal feilen; niemand is zoo koen, dat hij hem opwekken zoude; hij zal voor zijn gezigte nedergeslagen worden. Zeer uitnemende zijn zijne sterke schilden; elk een gesloten als een naauwdrukkend zegel. Het eene is zoo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tusschen komen.De stukken zijns vleesches kleven te zamen; elk een is vast in hem, het wordt niet bewogen. Zijn hart is vast, gelijk een steen, ja vast gelijk een deel des ondersten molensteens. Raakt hem iemand met den zwaarde, dat zal niet bestaan. Hij acht het ijzer als stroo en het staal voor verrot hout. De pijl zal hem niet doen vlieden: de slingersteenen worden hem in stoppelen veranderd. Hij belacht de drilling der lans. Op aarde is niets met hem te vergelijken: hij is een Koning over alle jonge hoogmoedige dieren.”1Er zijn er, die zich nog altoos aan de herschenschim vasthouden, dat, op de eene of andere wijze, zonder eenige bijzonder sterke poging of tegenstand, door eene zachte, inschikkelijke, redenerende handelwijze, de Leviathan bekeerd, gedoopt, en tot Christen gemaakt zal worden. Laten zij het beproeven. Zulk eene manier heeft men al sedert lang als niets beteekenend leeren beschouwen. Maar zoodra Leviathan begint te zien, dat het hun ernst wordt, zullen zij de gevolgen er van ondervinden. De beraadslagingen van alle Synoden in de Vereenigde Staten, die bewijzen, dat hij een kwaad isper se, zullen hem niet wekken. Hij beschouwt ze veeleer als vermakelijke domheden. Ook zullen geene besluiten, dat men hem „met leedwezen beschouwt,” hem bijzonder verontrusten, even zoo weinig als de uitgedrukte verwachting, dat hij omstreeks de vestiging van het duizendjarige Rijk wel sterven zal. Ondanks al de vermaningen van Synode en „Conferentiën,” heeft Leviathan zelve maar een zeer gering gevoelen van zijne Christelijkheid, en eene soort van indruk, dat hem de algemeene Christus-regering op aarde wel wat ongemakkelijk zal vallen; doch hij bekommert zich nog niet veel om het vooruitzigt van op een zoo ver verwijderd tijdstip den geest te moeten geven.Maar laat iemand, uit het Noorden of uit het Zuiden, het zwaard des Geestes nemen, en er hem mede tusschen de schilden slaan, dan zal hij ondervinden welk eene soort van strijd Christianus met Apollyon had. Laat niemand, uit het Noorden of uit het Zuiden, wiens goede naam, of welvaart, of rijkdom, hem te dierbaar zijn om ze er aan op te offeren, dien krijgbeginnen! Laat niemand hem ondernemen, die niet bereid is, zijn goeden naam, ja des noods zijn leven, te haten. Om deze redenen zullen wij hier het voorbeeld van een martelaar aanvoeren, die voor deze zaak gestorven is; want men heeft naar waarheid gezegd, „dat het bloed der martelaren het zaad der Kerk is.”De Eerwaarde Elijah P. Lovejoy was de zoon eener vrouw uit Maine, een inboorling van dien Staat, die dor en bar in alle andere dingen, vruchtbaar is in edele gevoelens en heldhaftige daden. Van zijne jongelingsjaren zeggen wij niets; waarschijnlijk waren deze zoo als die van andere jonge lieden uit Maine. Wij vatten zijne geschiedenis op, waar wij hem als geestelijke in St. Louis vinden, en als uitgever van een Godsdienstig nieuwsblad. Al beleed hij ook niet ronduit een abolitionist te zijn, zoo liet hij zich evenwel openlijk en bepaald tegen de slavernij uit. Dit verwekte grooten haat en lokte gewelddadigheden uit. Kort daarna werd, in de straten van St. Louis, door eene zamenrotting, uit de aanzienlijkste lieden van die plaats bestaande, een neger, die de tot zijne gevangenneming uitgezondene beambten gewond had, levendig verbrand. Dit tooneel eener langzame marteling duurde tot dat de euveldaad volbragt was, terwijl men de gillende smeekingen van het slagtoffer om een spoedigen dood in den wind sloeg. In zijn last aan de jury beweerde de regter Lawless, dat er geene wettige straf op dit misdrijf viel toe te passen, omdat het, het bedrijf eener woedende menigte zijnde, boven de wet was. In rondborstige taal gaf Elijah Lovejoy zijn afschuw van de bemiddeling en van de beslissing te kennen. Om die reden werd zijne werkplaats door het gepeupel omver gehaald en vernield. Toen hij zich in St. Charles bevond, werd het huis door een hoop van zulke lieden, als de slavernij alleen daartoe kon aanhitsen, aangevallen, met oogmerk, om hem het leven te benemen. Zijne tot krankzinnigheid toe opgewondene vrouw hield de wacht aan zijne deur, tegen mannen strijdende, die met knodsen en dolkmessen gewapend waren, en zwoeren, dat zij zijn hartebloed wilden. De uiterste wanhoop eener vrouw en de hulp van vrienden, dreven den eersten aanval terug; maar toen de troep terugkeerde, wist hij te ontsnappen. Lovejoy kwam te Alton, in den Staat van Illinois, en begon daar zijn nieuwspapier uit te geven. Demenigte volgde hem. Zijne pers werd tot tweemaal toe vernield, en dagelijks werd hij met den dood gedreigd.Eer zijne pers ten derden male vernield werd, verscheen in zijn nieuwspapier eene oproeping tot eene bijeenkomst der vijanden van de slavernij en vrienden des vrijen onderzoeks in Illinois, ten einde onder de bestaande crisis geschikte maatregelen te beramen en uit te voeren. Deze oproeping werd door omstreeks twee honderd en vijftig personen uit verschillende gedeelten van den Staat onderteekend, waaronder ook de Eerwaarde E. Beecher, destijds Voorzitter van het „Illinois College.” Zij bragt een groot aantal menschen bijeen. Toen de beraadslagingen begonnen, drongen ook de volksleiders zich onder hen; er ontstond eene groote gisting, en ten slotte werd de bijeenkomst door de kwalijk gezinden overschreeuwd en uit elkander gedreven. Toen werd besloten een anti-slavernij-genootschap op te rigten, en eene verklaring van gevoelens, benevens een adres aan het volk van den Staat, in het licht te zenden. Er werden bedreigingen gedaan, dat, zoo Mr. Lovejoy met het drukken van zijn blad voortging, het gepeupel zijne drukpers zou vernielen. In dezen staat van spanning sprak Mr. Beecher, op verzoek van het genootschap, twee leerredenen uit, die de gevoelens en voorgenomene handelwijze er van in het licht stelden. Zij werden achtervolgens openbaar gemaakt, terwijl het volgende uittreksel den lezer een denkbeeld zal geven van hetgeen zij waren.1. Wij zullen trachten onze medeburgers te overreden om zich boven alle eigenbatige, geldzuchtige, staatkundige en plaatselijke belangen te verheffen; en, uit een diep gevoel van Gods tegenwoordigheid, alleen de eeuwige en onveranderlijke grondbeginselen van waarheid in het oog te houden, die door geene menschelijke wetten of volksgevoelens veranderd of vernietigd kunnen worden.2. Wij zullen trachten het geschil voor te stellen als een geschil tusschen deze gemeente en God; als een onderwerp dat Hem diep ter harte gaat, en waaromtrent groote en gewigtige pligten jegens Hem en onze medeburgers op ons rusten.3. Wij zullen trachten, zoo veel in ons vermogen is, de hevigheid van den strijd der partijen te verzachten, alle onheiligedrift te vermijden, en wederkeerig vertrouwen en welwillendheid aan te kweeken, zoowel als innige belangstelling in de welvaart van alle gedeelten onzer natie, en eene sterke begeerte om hare Unie te bewaren en haar hoogsten bloei te bevorderen.Ons gansche vertrouwen rust op waarheid en liefde, en op de invloeden des Heiligen Geestes. Wij begeeren niemand door eene onderdrukkende magt van het algemeen gevoelen te noodzaken om tegen zijn geweten of overtuiging te handelen; maar een iegelijk tot onbevooroordeeld nadenken en onpartijdig onderzoek in de vreeze Gods op te wekken, is alles wat wij verlangen.En, om dit doel te bereiken, zullen wij ons van dezelfde middelen bedienen als die gebezigd worden om den openbaren geest nopens alle andere groote zedelijke onderwerpen te verlichten en te verheffen:—persoonlijken invloed, openbare adressen, den kansel en de drukpers.4. Wij zullen trachten een nieuw en grondig onderzoek der grondbeginselen van menschelijk regt, en van het verband van alle regtvaardige wetgeving daarmede, te bevorderen; terwijl wij onze beginselen zullen afleiden uit de natuur van den menschelijken geest, uit de betrekkingen van den mensch tot God, en uit den geopenbaarden wil van den Schepper.5. Wij zullen vervolgens trachten de slavenwetten van ons land bij het licht dier beginselen te toetsen, en te bewijzen dat zij uit haren aard zondig zijn, en dat zij zoowel met den wil van God als met al de belangen van den meester, den slaaf, en de geheele maatschappij in strijd zijn.6. Wij zullen wijders trachten aan te toonen op welke wijze gemeenten, waar zulke wetten bestaan, zich te gelijk, in volmaakte veiligheid en vrede, van de schuld zoowel als van de gevaren van het systeem zullen kunnen bevrijden.7. En, zoo lang de gemeenten in haar geheel niet mogten te overreden zijn om hare pligten te betrachten, zullen wij pogingen aanwenden om de individuëele slavenhouders in zulke gemeenten hunne verpligtingen voor te houden en op het hart te drukken.Tegen doeleinden, in dezen geest en op die wijze voorgesteld,zou men denken dat redelijkerwijze niets ware in te brengen. De eenige zwarigheid die zij medebragten was deze, dat zij, hoe kalm en minzaam ook, bleken ernstig gemeend te zijn; en op eenmaal werd Leviathan volkomen wakker.De eerste praktikale vraag was: Zal de derde drukpers verdedigd worden, of zal men ook deze laten vernielen?Er was eene vreeselijke spanning en eene groote volksbeweging. De schroomvallige, voorzigtige, rustlievende meerderheid, die in alle steden te vinden is, die zich om geen triomf van eenig beginsel bekommert, zoo zij slecht haar eigen belang kan bevorderen, was kleinmoedig en weifelachtig, en moedigde alzoo de kwalijkgezinden aan. Alle drangredenen werden te hulp geroepen om Mr. Beecher en Mr. Lovejoy van hunne pogingen om de drukpers te herstellen, te doen afzien. Den eerstgenoemde zeide men dat er in Missouri eene premie op zijn hoofd gezet was—eene fatsoenlijke manier van overtuigen in de slavenhoudende gedeelten van dit land. Mr. Lovejoy had men al sinds zoo langen tijd, dag en nacht, gedreigd te zullen vermoorden, dat het argument bij hem al wat afgesleten geraakt was. Aan Mr. Beecher zeide men, dat de belangen van het collegie, welks voorzitter hij was, zouden worden opgeofferd, en dat, zoo hij al verkoos zijne eigene veiligheid te wagen, hij geen regt had om die belangen in de waagschaal te stellen. Maar Mr. Beecher en Mr. Lovejoy gevoelden beide, dat het hier het hoofdbeginsel, dat der vrije inrigtingen gold, hetwelk te dier tijd, over het geheele land, door opoffering van het regt van vrije beraadslaging aan de kreten van het gepeupel, ernstig bedreigd werd; en dat zulk een antecedent tot zeer ver uitziende en zeer gevaarlijke gevolgtrekkingen zou kunnen leiden.In eene openbare bijeenkomst rigtte Mr. Beecher eene toespraak tot de burgers over het regt tot handhaving van het vrije onderzoek, en van ieders regt tot vrije uiting zijner gemoedelijke overtuiging. Hij las hun eenige dier welsprekende zinsneden voor, waarin Dr. Channing, onder gelijksoortige omstandigheden, die zelfde regten te Boston had verdedigd.Hij las hen uittreksels voor uit buitenlandsche nieuwspapieren, waaruit bleek, hoe het Amerikaansch karakter in vreemde landen miskend werd door den invloed der Lynch-wet en de gewelddadigheden der menigte. Hij verdedigde het regt vanMr. Lovejoy, om zijne gemoedelijke overtuiging door de drukpers openbaar te maken; en eindelijk las hij uittreksels uit eenige zuidelijke dagbladen voor, waarin de handelwijze van den grooten hoop strengelijk veroordeeld, en het regt van Mr. Lovejoy om zijne gevoelens te openbaren, verdedigd werd. Ten slotte stelde hij het nemen der volgende besluiten voor:Dat de vrije mededeeling van gevoelens een der onschatbaarste regten van den mensch is; en dat ieder burger over alle onderwerpen vrijelijk spreken, schrijven of drukken mag, behoudens zijne verantwoordelijkheid voor het misbruik dier vrijheid.Dat de handhaving dezer beginselen onafhankelijk behoort te zijn van alle inschikkelijkheid jegens personen of gevoelens.Dat zij inzonderheid behooren gehandhaafd te worden ten aanzien vanimpopulairegevoelens, dewijl geene andere de bescherming der wet behoeven.Dat wij alleen op deze gronden, en zonder aanzien van staatkundige en zedelijke verschillen, gezind zijn de drukpers en eigendommen des uitgevers van denAlton Observerte beschermen, en hem in zijn regt te ondersteunen om openbaar te maken wat hem goeddunkt, hem alleen verantwoordelijk stellende jegens de wetten des lands.Deze besluiten, aldus voorgesteld, zouden in eene laatste bijeenkomst der burgers, die den volgenden dag moest plaats hebben, in overweging genomen worden.Die bijeenkomst had plaats. Hun eerste stap was, Mr. Beecher en allen, die geene burgers van dat district waren, van het regt van beraadslaging over het aan te bieden rapport uit te sluiten. De commissie rapporteerde dan, dat zij de bestaande spanning ten hoogste betreurde; dat zij nogtans de sterke overtuiging koesterde, dat de burgers zich van alle onwettige daden zouden onthouden; dat de eischen des tijds gematigde en verzoenende maatregelen wenschelijk maakten; en dat men, alhoewel niet gezind om de vrije mededeeling in het algemeen te belemmeren, het met dat al noodig voor de openbare rust hield, dat Mr. Lovejoy geen openbaar nieuwsblad in die stad uitgaf; zonder daarmede in het allerminst iets nadeeligs voor het karakter of de bedoelingen van Mr. Lovejoy te willenzeggen. Alles wat de Vergadering voor dit oogenblik verlangde, waste hooren of Mr. Lovejoy gezind was zich aan haar verlangen te onderwerpen.Een lid der Commissie stond op, en betuigde zijne sympathie voor Mr. Lovejoy, dien hij voorstelde als iemand, die onder rampspoeden gebukt ging, terwijl hij hoopte, dat men indachtig zoude zijn, dat hij vrouw en kinderen te verzorgen had, en vertrouwde dat men hem zoo weinig schande zou willen aandoen als mogelijk was; doch dat hij, en zijne geheele partij met hem, de noodzakelijkheid zouden inzien van in eene schikking te treden, en Alton te verlaten. Wat daarop volgde, wordt hier met de woorden van Mr. Beecher verhaald, die in de Vergadering tegenwoordig was.Toen broeder Lovejoy opstond om op de bovengemelde redevoering te antwoorden, lette ik met belangstelling, om niet te zeggen met angst, op zijn gelaat. Met eene kalme, rustige houding naderde hij het gestoelte van den Voorzitter, en sprak in den toon van een diep, teeder, en naauwelijks wederhouden gevoel, het volgende:„Ik gevoel, mijnheer de Voorzitter, dat dit het plegtigste oogenblik in mijn leven is. Ik vertrouw eenigermate de verantwoordelijkheid te gevoelen, die er in dit oogenblik op mij rust jegens deze mijne medeburgers, jegens de Kerk, waarvan ik een dienaar ben, jegens mijn vaderland en jegens God. En laat ik, eer ik voortga, u mogen verzoeken, om niets van hetgeen ik zeggen zal, als oneerbiedigheid jegens deze Vergadering te beschouwen. Ik koester geen zoodanig gevoelen, dat zij verre. En zoo ik niet altoos overeenkomstig hare wenschen spreek of handel, dan is het, omdat ik dit gewetenshalve niet doen kan.„Het is noodig dat ik de geheele zaak, zoo als ik haar begrijp, voor deze Vergadering bloot leg. Ik sta hier niet om over de zaak te redetwisten, zoo als zij door het rapport van de Commissie is voorgesteld. Het eenige, wat mij verwondert, is, dat de achtenswaardigegentleman, de Voorzitter van die Commissie, wiens karakter ik zeer hoogacht, hoewel de eer niet hebbende van hem persoonlijk te kennen,—het eenige wat mij, zeg ik, verwondert, is, hoe diegentlemaner toe heeft kunnen besluiten om zulk een rapport in te leveren.„Mijnheer de Voorzitter, ik stem niet toe dat het de taak dezer Vergadering is, te beslissen of ik al dan niet een openbaar nieuwspapier in deze stad zal uitgeven. De heeren zijn, zoo als de regtsgeleerden zeggen, van een verkeerd punt uitgegaan. Ik heb hetregtom het te doen. Ik weet, dat ik het regt heb om mijne gevoelens vrijelijk uit te spreken en openbaar te maken, alleen onderworpen aan de wetten des lands voor het misbruik van dat regt. Dat regt is mij door mijn Schepper gegeven, en is mij door de grondwet der Vereenigde Staten en van dezen Staat, plegtig gewaarborgd. Wat ik van u wensch te weten, is, of gij mij wilt beschermen in de uitoefening van dat regt, dan wel of ik, zoo als tot nog toe, voor persoonlijke beleedigingen en aanrandingen zal moeten blootstaan. Er wordt van deze besluiten en van de daarbij voorgestelde maatregelen gesproken als van eene schikking—eene schikking tusschen twee partijen. Dit is niet zoo, mijnheer de Voorzitter. Er is hier slechts ééne partij. Het is eenvoudig de vraag of de wet zal gehandhaafd worden, dan of het gepeupel de vrijheid zal hebben om haar, zoo als het thans doet, met voeten te blijven treden, door de regten van een onschuldig mensch ongestraft te schenden.„Mijnheer de Voorzitter, wat valt hier van mijne zijde te schikken? Hen te vergeven, die mij zoo grootelijks beleedigd hebben; voor hun tijdelijk en eeuwig welzijn te bidden; het heil van stad en staat te blijven wenschen, ondanks al het leed en den smaad, die ik er in ondergaan heb;—zoo men dit alles onder de bedoelde schikking verstaat, dan ben ik van harte genegen haar te maken. Mijne regten zijn schandelijk en baldadig gehoond; dit weet ik, gevoel ik, en kan het nimmer vergeten. Maar hen te vergeven, die dit gedaan hebben, dat kan ik en doe ik.„Maar zoo men door eene schikking verstaat, dat ik zal ophouden datgene te doen wat mijn pligt van mij vordert, dan kan ik haar niet maken. En de reden daarvoor is, dat ik God meer vrees dan de menschen. Geloof niet dat ik mij ligtvaardig tegen het algemeene gevoelen zou willen aankanten. De goede meening mijner medemenschen is mij dierbaar, en om hunne gunst te verkrijgen zou ik veel opofferen, alleen geene grondbeginselen. Wanneer mij gevergd wordt dezete laten varen, dan wordt mij meer gevergd dan ik geven mag. Men heeft het feit aangevoerd dat ik, eenige dagen geleden, heb aangeboden de uitgave van denObserveraan anderen over te laten. Dat is waar. Ik deed zulks, omdat sommigen dachten of zeiden dat dat blad in andere handen betere bescherming zou vinden. Mijn aanbod werd nogtans van de hand gewezen, en sedert hebben wij berigten van de vrienden en begunstigers van het blad in alle gedeelten van den Staat ontvangen. Allen hadden maar één gevoelen, en dit was, dat het blad door niemand anders dan mij kon worden staande gehouden. Het is derhalve eene zeer verschillende vraag, of ik vrijwillig, of op verzoek van vrienden, mijn post zal overgeven, dan wel of ik dien op den eisch van het gepeupel verlaten zal. Tot het eerste ben ik ten allen tijde bereid, wanneer de omstandigheden zulks vorderen, dewijl ik mijne persoonlijke wenschen of belangen nooit in strijd wil brengen met de zaak van dien Meester, wiens dienaar ik ben. Maar het laatste, wees daarvan verzekerd, zal ikNOOITdoen. God—zoo zeggen alle mijne broederen, en zoo denk ook ik—heeft mij in den weg Zijner Voorzienigheid de verantwoordelijkheid opgelegd van mijnen grond hier te verdedigen; en, mijnheer de Voorzitter, ik ben er toe besloten, dit te doen. Uit Maine, uitMassachusetts, uit Connecticut, uit New-York, uitPennsylvanië,—ja, uit Kentucky, uit Mississippi, uit Missouri—komt eene stem tot mij, die mij in naam van alles, wat in den hemel of op aarde dierbaar is, toeroept, om standvastig te blijven; en, met Gods hulp,ZAL IK STANDVASTIG BLIJVEN. Ik weet, dat ik alleen sta, en dat uwer vele zijn. Mijne kracht zou tegen u allen weinig kunnen baten. Gij kunt mij verpletteren zoo gij wilt: maar ik zal op mijn post sterven, want ik kan noch wil hem verlaten.„Waarom zou ik uit Alton vlugten? Is dit geen vrije Staat? Toen ik te St. Louis door het gepeupel werd aangevallen, kwam ik herwaarts, als naar de woonplaats van wet en vrijheid. Het gepeupel heeft mij ook hier vervolgd, en waarom zou ik op nieuw vlugten? Waar kan ik veilig zijn, zoo het hier niet is? Heb ik geen regt om de bescherming der wetten in te roepen? Wat zou ik elders meer kunnen hebben? Sir, mijne vlugt zelve zou het gepeupel nog des te stouter maken, om mij overal te vervolgen,waar ik henen ging. Neen, Sir, er is geen middel, om aan het gepeupel te ontsnappen, dan het spoor van mijnen pligt te verlaten; en dat zal ik, met Gods hulp, nimmer doen.„Het is hier gezegd geworden, dat mijne hand tegen allen is, en de hand van allen tegen mij. Het laatste gedeelte van dat zeggen is eene maar al te smartelijke waarheid. Ik vind inderdaad bijkans elke hand tegenmijopgeheven; maar tegen wien in deze plaats is mijne hand opgeheven geweest? Ik beroep mij op allen hier aanwezig: wien uwer heb ik beleedigd? Wiens karakter heb ik belasterd? Wiens familie heb ik overlast aangedaan? Met wiens zaken heb ik mij bemoeid? Zoo daar iemand is, dat hij opsta en tegen mij getuige.—Niemand antwoordt.„En zeggen uwe besluiten zelve niet, dat gij tegen mijn bijzonder of persoonlijk karakter niets weet in te brengen? En kan iemand gelooven, dat, zoo daar iets tegen in te brengen ware, het niet geschieden zoude? Zoo ik mij in eenig opzet tegen de wet vergrepen heb, ben ik in deze gemeente niet zoo bemind, dat het bezwaarlijk vallen zou mij te overtuigen. Gij hebt geregtshoven, regters en jurys; zij vinden niets tegen mij. En nu komt gij bijeen met het doel, om een man, wiens onschuld algemeen bekend is, te verbannen, om geene andere oorzaak, dan dat hij denken en spreken durft, zoo als God en zijn geweten hem ingeven. Zal zulk eene handelwijze den toets van uw vaderland, van uwe nakomelingschap, en, bovenal, van den oordeelsdag kunnen doorstaan? Want bedenkt, dat de Regter, die op dien dag zal vonnissen, geen aannemer des persoons is. Ik smeek u, staat stil en overweegt! De tegenwoordige spanning zal weldra voorbij zijn; de stem des gewetens zal zich eindelijk doen hooren. En wanneer gij, op een of ander tijdstip van onbevooroordeeld nadenken, zelfs nog in deze wereld, u de tooneelen van dit uur te binnen brengt, dan zult gij genoodzaakt zijn te zeggen: „Hij sprak de waarheid; hij sprak de waarheid!”„Maar men heeft u tot zachtmoedigheid en medelijden vermaand, en om den rampspoed mijner uitbanning niet noodeloos met schande te verzwaren. Sir, ik verwerp zulk een medelijden. Gij kunt mij niet schandvlekken. Oneer, valschheid en laster hebben hun vermogen reeds uitgeput. Mijne schouders hebben den last gedragen, tot dat zij eraan gewoon zijn geworden. Gij kunt mij ophangen, zoo als het gepeupel de lieden uit Vicksburg ophing! Gij kunt mij aan een staak verbranden, zoo als het Mac Intosh te St. Louis deed, of gij kunt mij van lid tot lid van elkander scheuren, of mij in den Mississippi werpen, zoo als gij dikwijls gedreigd hebt, maar gij kunt mij niet schandvlekken. Ik, en ik alleen, kan mij schandvlekken; en de onuitwischbaarste schande zou zijn, in een tijd als deze, mijn Meester te verloochenen door Zijne zaak te verlaten. Hij stierf voor mij, en ik zou ten hoogste onwaardig zijn Zijn naam te dragen, wanneer ik weigerde, om, des noods, voor Hem te sterven!„Verder heeft men u gezegd, dat ik een huisgezin heb, dat op mijne zorg steunt, en dit heeft men als eene reden doen gelden, dat ik zoo zachtzinnig mogelijk wierde uitgebannen. Het is waar, mijnheer de Voorzitter, ik ben echtgenoot en vader; en dit is een der bitterste inmengsels in den lijdensbeker, dien ik geroepen word, om te drinken. Ik ben er toe gebragt, om de wijsheid van den raad des Apostels te gevoelen: „Het is beter niet te trouwen.” Ik weet, Sir, dat ik in dezen strijd niet alleen mijn eigen leven, maar ook dat van anderen waag. Ik geloof niet, dat mijne vrouw ooit weder van den schok zal bekomen der verschrikkelijke tooneelen, die zij te St. Charles heeft doorgestaan. En wat gebeurde nog onlangs, toen ik mij naar huis begaf? De vrees voor het gepeupel, dat rondom de woning bijeen schoolde, had haar naar de vliering gedreven; en naauwelijks was ik in huis, of mijne vensters werden door de steenworpen van het graauw verbrijzeld, en zij zoo verschrikt, dat het haar dien geheelen nacht onmogelijk was te slapen of te rusten. Ik word gejaagd als een veldhoen op de bergen; ik word als een uitvaagsel in uwe Staten vervolgd, en de beschermende magt der wetten tegen gewelddadigheid, die zelfs door den snoodsten misdadiger mag worden ingeroepen, roep ik te vergeefs in.„Denk echter niet, dat ik ongelukkig ben. Denk niet, dat mijne gedane keuze mij berouwt. Terwijl alles rondom mij oproer en geweld is, is het vrede in mijn binnenste. Een goedkeurend geweten en de beloonende glimlach van God is eene volkomene vergoeding voor alles, wat ik verliet, en voor alles, wat ik onderga. Ja, Sir, ik geniet een vrede,dien niets kan verstoren. Ik slaap zacht en ongestoord, alleen dan uitgezonderd, wanneer de steenworpen van het graauw mij doen ontwaken.„Neen, Sir, ik ben niet ongelukkig. Ik heb de kosten berekend, en ben volkomen bereid, om al het mijne in de dienst van God op te offeren. Ja, Sir, ik gevoel het gansche gewigt van het door mij aangeboden offer, terwijl ik mij hier verbind, om dezen strijd tot het uiterste vol te houden. (Vergeef deze tranen—zij vloeijen onwillekeurig, en niet om mij-zelven, maar om anderen). Maar ik word geroepen, om vader en moeder, en vrouw en kinderen, om Jezus wille te verzaken; en als Zijn verklaarde belijder ben ik daartoe gereed. Naar het mij toeschijnt is thans de tijd daar, om die verbindtenis na te komen, Sir, ik durf niet uit Alton wegvlugten. Zoo ik het beproefde, zou ik ondervinden, dat de Engel des Heeren, met zijn vlammend zwaard, mij overal vervolgde, waar ik henen ging. Omdat ik God vrees, vrees ik niemand van allen, die zich in deze stad tegen mij stellen. Neen, Sir, de strijd is hier begonnen, en moet hier voleindigd worden. Voor God en voor u allen verbind ik mij hier, om hem voort te zetten, zoo het noodig is, tot den dood toe. Zoo ik val, dan zal mijn graf in Alton gedolven worden.”Lovejoy was welgemaakt van persoon, hoogst beschaafd in stem en manieren; en het pathos van deze laatste verklaring, met den edelsten eenvoud uitgesproken, roerde alle aanwezigen, en bragt een diep stilzwijgen te weeg. Het was een dier oogenblikken, waarin de gevoelens van een auditorium in de balans trillen, en één korrel ze naar deze of gene zijde kan doen overslaan. Zoo er in dat oogenblik een voorstel gedaan ware, om hem bijstand te verleenen, zou het zijn doorgegaan. De betoovering werd vernietigd door een anderen dienaar des Evangelies, die opstond en eene homilie uitsprak over de noodzakelijkheid eener schikking, terwijl hij Mr. Lovejoy aanbeval op het voorbeeld van Paulus te zien, die in eene mand uit een venster te Damascus was nedergelaten; alsof Alton eene heidensche stad onder eene despotische regering geweest ware! Nu de begoocheling eenmaal verbroken was, werd de Vergadering woelig en driftig, terwijl het alle mogelijke beschuldigingen op de abolitionisten regende. De Vergadering nam dedoor de commissie voorgestelde besluiten aan, en weigerde hare hulp tot handhaving der wet tegen wettelooze gewelddadigheid; en het gepeupel begreep zeer goed, dat men het zou laten begaan, ook wanneer het alles deed, wat het wilde. Daar het nu gebleken was, dat Mr. Lovejoy niet wijken zoude, was de ontwikkeling van de crisis der zaak te voorzien, wanneer zijne drukpers aan wal zou worden gebragt.Gedurende de volgende drie dagen scheen er eene soort van reactie te komen. Men had een der invloedrijkste leiders van de menigte hooren zeggen, dat het vernielen van drukpersen nergens toe diende, en dat er geld genoeg in het Oosten was, om er zich nieuwe te bezorgen, en dat men de dweepers even zoo goed kon laten loopen.Dit gaf de besluitelooze stedelijke autoriteiten eenigen moed, en de vrienden van de drukpers meenden, dat, zoo zij haar eenmaal aan wal, en veilig in het pakhuis van de heeren Godfrey en Gilman konden krijgen, de crisis ongemerkt zou voorbijgaan. Zij zonden derhalve eene expresse aan den kapitein om de landing der boot uit te stellen tot drie uren in den morgen, en na een vervelend wachten gingen de aanvoerders van het gepeupel naar huis; de pers kwam veilig aan land, en ieder dacht dat de onrust gelukkig voorbij was. Onder dien indruk verliet Mr. Beecher Alton, en keerde huiswaarts.Wij zullen eenige uittreksels mededeelen uit het verhaal van Mr. Beecher, zijne laatste ontmoeting met Mr. Lovejoy in dien nacht vermeldende, waarin de pers aan land gekomen en geborgen was.Kort na het bepaalde uur voor de landing der boot, stond Mr. Lovejoy op, en verzocht mij met hem te gaan zien wat de uitslag was. De maan was ondergegaan en het was nog donker, doch de dag begon aan te breken; en hier en ginds scheen een licht door het venster van de eene of andere ziekenkamer, of van iemand die zeer vroeg was opgestaan. De straten waren ledig en stil, en het geluid onzer voetstappen kaatste van de wanden terug die wij voorbij gingen. Weinig vermoedde hij op dat uur den strijd waarvan de volgende nacht getuige zou zijn; dat deze zelfde straten de kreten zouden weergalmen van een razend gepeupel, en met zijn hartebloed geverfd zouden worden.Wij vonden de boot aan wal, en de pers in het pakhuis, terwijl men bezig was met haar naar de derde verdieping te hijschen. Wij verheugden ons allen dat er geene volksbeweging had plaats gehad, en de pers in veiligheid was; en allen meenden nu, dat het gevaar voorbij was. Wij waren verzekerd, dat het pakhuis door zoo weinige menschen als wij persoonlijk in volksoploopen hadden bezig gezien, niet stormenderhand kon overweldigd worden; en al wilde de meerderheid der burgers de pers dan ook al niet helpen verdedigen, zoo vreesden wij toch niet, dat zij in een aanval op haar zouden mededoen. Die meening was zoo sterk, dat men zeer weinige menschen genoegzaam achtte, om de pers voortaan te bewaken; en men kwam overeen, dat het gezelschap in sectiën van zes man zou verdeeld worden, om bij toerbeurten des nachts de wacht te houden. Daar zij den ganschen nacht niet geslapen hadden, boden Mr. Lovejoy en ik ons aan, om ons tot aan den morgen met de bewaking der pers te belasten; en zij gingen huiswaarts.Weldra begon de morgen aan te lichten; en dien morgen zal ik nooit vergeten. Wie, die ooit aan de oevers van den magtigen stroom gestaan heeft, die toenmaals voorbij mij heenrolde, kan de verhevene aandoeningen vergeten, die zijn hart deden kloppen, terwijl hij in zijne verbeelding de kanalen van gemeenschap trok, door hem en zijne takken door de onbegrensde gewesten dezer westelijke wereld geopend? Ik dacht aan toekomstige eeuwen, en aan de ontelbare millioenen, die aan dezen trotschen stroom zouden wonen; en dat niets dan de waarheid hen zou vrij maken. Nimmer gevoelde ik zoo zeer de waarde van het regt, waarvoor wij streden, om die waarheid onbelemmerd te onderzoeken en onbevreesd te verkondigen. O, hoe verheven is de zedelijke magt! Door haar is het, dat God het heelal bestuurt. Door haar zal Hij de natiën bevrijden.Ik begaf mij naar het dak en beklom het hoogste punt van den muur. De naderende dag begon den hemel en de rivier te bepurperen, en de bedrijvige woeligheid van den ambachtsman begon zich reeds te laten hooren. Met vreugde staarde ik op de tooneelen beneden mij. Ik gevoelde, dat er zonder bloedstorting een veldslag voor God en de waarheid gewonnen was, en dat Alton van eeuwige schande bevrijdwas. En toen de langs hoe meer naderende dag den geheelen omtrek begon te verlichten, toen dacht ik aan die veel heilrijker zon, die thans aan de wereldkim begon te rijzen, en haar weldra in stroomen van schitterend licht zou doen baden.Ook broeder Lovejoy was gelukkig. Hij was niet in verrukking; hij was rustig en bedaard, doch zijn gelaat drukte het gevoel zijner ziel uit. Het was eene kalme en rustige vreugde, want Hij vertrouwde van God, dat de strijd gewonnen was, en dat de banier eener ontboeide drukpers over dien trotschen stroom golven zoude.IJdele hoop! Hoe spoedig zou zij in het graf eens martelaars begraven worden! IJdel, zeide ik? Neen: zij is niet ijdel. Hij spreekt nog, al is hij gestorven; en eene vereenigde wereld kan zijne stem nooit tot zwijgen brengen.Het einde van het treurspel is spoedig verhaald. Eene vrijwillige compagnie, waartoe Lovejoy behoorde, vormde zich onder denmayor, tot bescherming der wet. Den volgenden avond, om tien uren, bestormde het gepeupel het gebouw. Het pakhuis bestond uit twee steenen gebouwen in één blok, met deuren en vensters aan beide einden, maar zonder vensters aan de zijden. Het dak was van hout. Gilman opende de eind-deur van de derde verdieping, en vroeg wat men verlangde. Zij eischten de pers. Hij weigerde haar over te leveren, en verzocht hen ernstig, zich zonder gewelddadigheden te verwijderen, met de verzekering dat, nadien het eigendom aan hunne bewaring was toevertrouwd, zij het met gevaar van hun leven zouden verdedigen. Na eenige vruchtelooze pogingen, schreeuwde het gepeupel, dat men het dak zou in brand steken. Mr. Lovejoy begaf zich met eenige anderen naar buiten, om het voor dien aanval te beveiligen, en werd door iemand uit den hoop voorbedachtelijk ter neder geschoten. Na deze verwonding behield hij nog naauwelijks kracht genoeg, om naar het pakhuis terug te keeren, klom ééne verdieping op, viel, en blies den adem uit.Die binnen waren, beproefden nu te capituleren, doch dit werd al vloekende door het graauw geweigerd, dat het pakhuis dreigde te verbranden, en hen neder te schieten, zoo zij er uit kwamen. Ten laatste werd het gebouw werkelijk inbrand gestoken, en zij vlugtten naar buiten, terwijl het gepeupel op hen vuurde. Zoo eindigde het Altonsche treurspel.Toen de edele moeder van Lovejoy zijn dood vernam, zeide zij: „Het is wel. Liever had ik, dat hij zóó stierf, dan dat hij zijne beginselen verzaakte!” Zoo lang het zulke moeders bezit, is Amerika nog niet verloren. Was zij niet gezegend, die zulk een zoon op dusdanige wijze kon afstaan? Wie was die vrouw, welke God voor de gezegendste onder de vrouwen verklaarde? Was zij het niet, die haren dierbaarste zag kruisigen? Zoo geheel anders ziet God, dan de menschen!1Deze zoo schoone dichterlijke beschrijving van den „Leviathan” is getrokken uit het 40steen 41stehoofdstuk van Job.Vertaler.

Hoofdstuk III.Martelaarschap.

Tijdens de Methodistische en Presbyteriaansche Kerken de tegen de slavernij gerigte besluiten namen, die wij hebben opgeteekend, zou de kerk het slavernij-systeem met betrekkelijk geringe moeite hebben kunnen ten onder brengen. Dit was de ondervinding der Kwakers, die er toenmaals de proef van namen, en in die proef slaagden. De maatregel dien zij volgden, was de eenvoudigst mogelijke. Zij verdeelden hunne Kerk in ringen of districten, en benoemden geregelde commissiën, wier taak het was van huis tot huis te gaan, en de regelen der Kerk op elken slavenhouder, een voor een, toe te passen. Dit werd in zulk een geest van eenvoudigheid en broederlijke liefde bewerkstelligd, dat slechts weinigen aan die stem geen gehoor gaven. Zij gaven zich rustig over, gehoorzaam aan de inspraak van hun geweten en den invloed hunner broederen. Deze handelwijze, hoe zacht ook, oefende dezelfde kracht uit, als de kalme zomerzon, die, door weinige uren geduldig schijnens, den ijsberg doet smelten, waarop al de winterstormen hunne krachten te vergeefs verspild hadden. O, mogten al de andere gezindheden dien zoo gelukkigen maatregel bedacht en gevolgd hebben! Maar de dag is voorbij, dat dit gedrochtelijke kwaad door zachte middelen van overreding zoo gemakkelijk te overwinnen was.Toen de Kwakers hunne poging in het werk stelden, was deze Leviathan in het riet en de biezen van Amerika jong en kaal, en had zijne krachten nog niet leeren kennen. Toen zou men hem „met een angel hebben kunnen trekken;” toen zou men „een verbond met hem hebben kunnen aangaan, en hem tot een eeuwigen slaaf maken;” maar nu is de Leviathan volwassen. „Ziet, zijne hope zal feilen; niemand is zoo koen, dat hij hem opwekken zoude; hij zal voor zijn gezigte nedergeslagen worden. Zeer uitnemende zijn zijne sterke schilden; elk een gesloten als een naauwdrukkend zegel. Het eene is zoo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tusschen komen.De stukken zijns vleesches kleven te zamen; elk een is vast in hem, het wordt niet bewogen. Zijn hart is vast, gelijk een steen, ja vast gelijk een deel des ondersten molensteens. Raakt hem iemand met den zwaarde, dat zal niet bestaan. Hij acht het ijzer als stroo en het staal voor verrot hout. De pijl zal hem niet doen vlieden: de slingersteenen worden hem in stoppelen veranderd. Hij belacht de drilling der lans. Op aarde is niets met hem te vergelijken: hij is een Koning over alle jonge hoogmoedige dieren.”1Er zijn er, die zich nog altoos aan de herschenschim vasthouden, dat, op de eene of andere wijze, zonder eenige bijzonder sterke poging of tegenstand, door eene zachte, inschikkelijke, redenerende handelwijze, de Leviathan bekeerd, gedoopt, en tot Christen gemaakt zal worden. Laten zij het beproeven. Zulk eene manier heeft men al sedert lang als niets beteekenend leeren beschouwen. Maar zoodra Leviathan begint te zien, dat het hun ernst wordt, zullen zij de gevolgen er van ondervinden. De beraadslagingen van alle Synoden in de Vereenigde Staten, die bewijzen, dat hij een kwaad isper se, zullen hem niet wekken. Hij beschouwt ze veeleer als vermakelijke domheden. Ook zullen geene besluiten, dat men hem „met leedwezen beschouwt,” hem bijzonder verontrusten, even zoo weinig als de uitgedrukte verwachting, dat hij omstreeks de vestiging van het duizendjarige Rijk wel sterven zal. Ondanks al de vermaningen van Synode en „Conferentiën,” heeft Leviathan zelve maar een zeer gering gevoelen van zijne Christelijkheid, en eene soort van indruk, dat hem de algemeene Christus-regering op aarde wel wat ongemakkelijk zal vallen; doch hij bekommert zich nog niet veel om het vooruitzigt van op een zoo ver verwijderd tijdstip den geest te moeten geven.Maar laat iemand, uit het Noorden of uit het Zuiden, het zwaard des Geestes nemen, en er hem mede tusschen de schilden slaan, dan zal hij ondervinden welk eene soort van strijd Christianus met Apollyon had. Laat niemand, uit het Noorden of uit het Zuiden, wiens goede naam, of welvaart, of rijkdom, hem te dierbaar zijn om ze er aan op te offeren, dien krijgbeginnen! Laat niemand hem ondernemen, die niet bereid is, zijn goeden naam, ja des noods zijn leven, te haten. Om deze redenen zullen wij hier het voorbeeld van een martelaar aanvoeren, die voor deze zaak gestorven is; want men heeft naar waarheid gezegd, „dat het bloed der martelaren het zaad der Kerk is.”De Eerwaarde Elijah P. Lovejoy was de zoon eener vrouw uit Maine, een inboorling van dien Staat, die dor en bar in alle andere dingen, vruchtbaar is in edele gevoelens en heldhaftige daden. Van zijne jongelingsjaren zeggen wij niets; waarschijnlijk waren deze zoo als die van andere jonge lieden uit Maine. Wij vatten zijne geschiedenis op, waar wij hem als geestelijke in St. Louis vinden, en als uitgever van een Godsdienstig nieuwsblad. Al beleed hij ook niet ronduit een abolitionist te zijn, zoo liet hij zich evenwel openlijk en bepaald tegen de slavernij uit. Dit verwekte grooten haat en lokte gewelddadigheden uit. Kort daarna werd, in de straten van St. Louis, door eene zamenrotting, uit de aanzienlijkste lieden van die plaats bestaande, een neger, die de tot zijne gevangenneming uitgezondene beambten gewond had, levendig verbrand. Dit tooneel eener langzame marteling duurde tot dat de euveldaad volbragt was, terwijl men de gillende smeekingen van het slagtoffer om een spoedigen dood in den wind sloeg. In zijn last aan de jury beweerde de regter Lawless, dat er geene wettige straf op dit misdrijf viel toe te passen, omdat het, het bedrijf eener woedende menigte zijnde, boven de wet was. In rondborstige taal gaf Elijah Lovejoy zijn afschuw van de bemiddeling en van de beslissing te kennen. Om die reden werd zijne werkplaats door het gepeupel omver gehaald en vernield. Toen hij zich in St. Charles bevond, werd het huis door een hoop van zulke lieden, als de slavernij alleen daartoe kon aanhitsen, aangevallen, met oogmerk, om hem het leven te benemen. Zijne tot krankzinnigheid toe opgewondene vrouw hield de wacht aan zijne deur, tegen mannen strijdende, die met knodsen en dolkmessen gewapend waren, en zwoeren, dat zij zijn hartebloed wilden. De uiterste wanhoop eener vrouw en de hulp van vrienden, dreven den eersten aanval terug; maar toen de troep terugkeerde, wist hij te ontsnappen. Lovejoy kwam te Alton, in den Staat van Illinois, en begon daar zijn nieuwspapier uit te geven. Demenigte volgde hem. Zijne pers werd tot tweemaal toe vernield, en dagelijks werd hij met den dood gedreigd.Eer zijne pers ten derden male vernield werd, verscheen in zijn nieuwspapier eene oproeping tot eene bijeenkomst der vijanden van de slavernij en vrienden des vrijen onderzoeks in Illinois, ten einde onder de bestaande crisis geschikte maatregelen te beramen en uit te voeren. Deze oproeping werd door omstreeks twee honderd en vijftig personen uit verschillende gedeelten van den Staat onderteekend, waaronder ook de Eerwaarde E. Beecher, destijds Voorzitter van het „Illinois College.” Zij bragt een groot aantal menschen bijeen. Toen de beraadslagingen begonnen, drongen ook de volksleiders zich onder hen; er ontstond eene groote gisting, en ten slotte werd de bijeenkomst door de kwalijk gezinden overschreeuwd en uit elkander gedreven. Toen werd besloten een anti-slavernij-genootschap op te rigten, en eene verklaring van gevoelens, benevens een adres aan het volk van den Staat, in het licht te zenden. Er werden bedreigingen gedaan, dat, zoo Mr. Lovejoy met het drukken van zijn blad voortging, het gepeupel zijne drukpers zou vernielen. In dezen staat van spanning sprak Mr. Beecher, op verzoek van het genootschap, twee leerredenen uit, die de gevoelens en voorgenomene handelwijze er van in het licht stelden. Zij werden achtervolgens openbaar gemaakt, terwijl het volgende uittreksel den lezer een denkbeeld zal geven van hetgeen zij waren.1. Wij zullen trachten onze medeburgers te overreden om zich boven alle eigenbatige, geldzuchtige, staatkundige en plaatselijke belangen te verheffen; en, uit een diep gevoel van Gods tegenwoordigheid, alleen de eeuwige en onveranderlijke grondbeginselen van waarheid in het oog te houden, die door geene menschelijke wetten of volksgevoelens veranderd of vernietigd kunnen worden.2. Wij zullen trachten het geschil voor te stellen als een geschil tusschen deze gemeente en God; als een onderwerp dat Hem diep ter harte gaat, en waaromtrent groote en gewigtige pligten jegens Hem en onze medeburgers op ons rusten.3. Wij zullen trachten, zoo veel in ons vermogen is, de hevigheid van den strijd der partijen te verzachten, alle onheiligedrift te vermijden, en wederkeerig vertrouwen en welwillendheid aan te kweeken, zoowel als innige belangstelling in de welvaart van alle gedeelten onzer natie, en eene sterke begeerte om hare Unie te bewaren en haar hoogsten bloei te bevorderen.Ons gansche vertrouwen rust op waarheid en liefde, en op de invloeden des Heiligen Geestes. Wij begeeren niemand door eene onderdrukkende magt van het algemeen gevoelen te noodzaken om tegen zijn geweten of overtuiging te handelen; maar een iegelijk tot onbevooroordeeld nadenken en onpartijdig onderzoek in de vreeze Gods op te wekken, is alles wat wij verlangen.En, om dit doel te bereiken, zullen wij ons van dezelfde middelen bedienen als die gebezigd worden om den openbaren geest nopens alle andere groote zedelijke onderwerpen te verlichten en te verheffen:—persoonlijken invloed, openbare adressen, den kansel en de drukpers.4. Wij zullen trachten een nieuw en grondig onderzoek der grondbeginselen van menschelijk regt, en van het verband van alle regtvaardige wetgeving daarmede, te bevorderen; terwijl wij onze beginselen zullen afleiden uit de natuur van den menschelijken geest, uit de betrekkingen van den mensch tot God, en uit den geopenbaarden wil van den Schepper.5. Wij zullen vervolgens trachten de slavenwetten van ons land bij het licht dier beginselen te toetsen, en te bewijzen dat zij uit haren aard zondig zijn, en dat zij zoowel met den wil van God als met al de belangen van den meester, den slaaf, en de geheele maatschappij in strijd zijn.6. Wij zullen wijders trachten aan te toonen op welke wijze gemeenten, waar zulke wetten bestaan, zich te gelijk, in volmaakte veiligheid en vrede, van de schuld zoowel als van de gevaren van het systeem zullen kunnen bevrijden.7. En, zoo lang de gemeenten in haar geheel niet mogten te overreden zijn om hare pligten te betrachten, zullen wij pogingen aanwenden om de individuëele slavenhouders in zulke gemeenten hunne verpligtingen voor te houden en op het hart te drukken.Tegen doeleinden, in dezen geest en op die wijze voorgesteld,zou men denken dat redelijkerwijze niets ware in te brengen. De eenige zwarigheid die zij medebragten was deze, dat zij, hoe kalm en minzaam ook, bleken ernstig gemeend te zijn; en op eenmaal werd Leviathan volkomen wakker.De eerste praktikale vraag was: Zal de derde drukpers verdedigd worden, of zal men ook deze laten vernielen?Er was eene vreeselijke spanning en eene groote volksbeweging. De schroomvallige, voorzigtige, rustlievende meerderheid, die in alle steden te vinden is, die zich om geen triomf van eenig beginsel bekommert, zoo zij slecht haar eigen belang kan bevorderen, was kleinmoedig en weifelachtig, en moedigde alzoo de kwalijkgezinden aan. Alle drangredenen werden te hulp geroepen om Mr. Beecher en Mr. Lovejoy van hunne pogingen om de drukpers te herstellen, te doen afzien. Den eerstgenoemde zeide men dat er in Missouri eene premie op zijn hoofd gezet was—eene fatsoenlijke manier van overtuigen in de slavenhoudende gedeelten van dit land. Mr. Lovejoy had men al sinds zoo langen tijd, dag en nacht, gedreigd te zullen vermoorden, dat het argument bij hem al wat afgesleten geraakt was. Aan Mr. Beecher zeide men, dat de belangen van het collegie, welks voorzitter hij was, zouden worden opgeofferd, en dat, zoo hij al verkoos zijne eigene veiligheid te wagen, hij geen regt had om die belangen in de waagschaal te stellen. Maar Mr. Beecher en Mr. Lovejoy gevoelden beide, dat het hier het hoofdbeginsel, dat der vrije inrigtingen gold, hetwelk te dier tijd, over het geheele land, door opoffering van het regt van vrije beraadslaging aan de kreten van het gepeupel, ernstig bedreigd werd; en dat zulk een antecedent tot zeer ver uitziende en zeer gevaarlijke gevolgtrekkingen zou kunnen leiden.In eene openbare bijeenkomst rigtte Mr. Beecher eene toespraak tot de burgers over het regt tot handhaving van het vrije onderzoek, en van ieders regt tot vrije uiting zijner gemoedelijke overtuiging. Hij las hun eenige dier welsprekende zinsneden voor, waarin Dr. Channing, onder gelijksoortige omstandigheden, die zelfde regten te Boston had verdedigd.Hij las hen uittreksels voor uit buitenlandsche nieuwspapieren, waaruit bleek, hoe het Amerikaansch karakter in vreemde landen miskend werd door den invloed der Lynch-wet en de gewelddadigheden der menigte. Hij verdedigde het regt vanMr. Lovejoy, om zijne gemoedelijke overtuiging door de drukpers openbaar te maken; en eindelijk las hij uittreksels uit eenige zuidelijke dagbladen voor, waarin de handelwijze van den grooten hoop strengelijk veroordeeld, en het regt van Mr. Lovejoy om zijne gevoelens te openbaren, verdedigd werd. Ten slotte stelde hij het nemen der volgende besluiten voor:Dat de vrije mededeeling van gevoelens een der onschatbaarste regten van den mensch is; en dat ieder burger over alle onderwerpen vrijelijk spreken, schrijven of drukken mag, behoudens zijne verantwoordelijkheid voor het misbruik dier vrijheid.Dat de handhaving dezer beginselen onafhankelijk behoort te zijn van alle inschikkelijkheid jegens personen of gevoelens.Dat zij inzonderheid behooren gehandhaafd te worden ten aanzien vanimpopulairegevoelens, dewijl geene andere de bescherming der wet behoeven.Dat wij alleen op deze gronden, en zonder aanzien van staatkundige en zedelijke verschillen, gezind zijn de drukpers en eigendommen des uitgevers van denAlton Observerte beschermen, en hem in zijn regt te ondersteunen om openbaar te maken wat hem goeddunkt, hem alleen verantwoordelijk stellende jegens de wetten des lands.Deze besluiten, aldus voorgesteld, zouden in eene laatste bijeenkomst der burgers, die den volgenden dag moest plaats hebben, in overweging genomen worden.Die bijeenkomst had plaats. Hun eerste stap was, Mr. Beecher en allen, die geene burgers van dat district waren, van het regt van beraadslaging over het aan te bieden rapport uit te sluiten. De commissie rapporteerde dan, dat zij de bestaande spanning ten hoogste betreurde; dat zij nogtans de sterke overtuiging koesterde, dat de burgers zich van alle onwettige daden zouden onthouden; dat de eischen des tijds gematigde en verzoenende maatregelen wenschelijk maakten; en dat men, alhoewel niet gezind om de vrije mededeeling in het algemeen te belemmeren, het met dat al noodig voor de openbare rust hield, dat Mr. Lovejoy geen openbaar nieuwsblad in die stad uitgaf; zonder daarmede in het allerminst iets nadeeligs voor het karakter of de bedoelingen van Mr. Lovejoy te willenzeggen. Alles wat de Vergadering voor dit oogenblik verlangde, waste hooren of Mr. Lovejoy gezind was zich aan haar verlangen te onderwerpen.Een lid der Commissie stond op, en betuigde zijne sympathie voor Mr. Lovejoy, dien hij voorstelde als iemand, die onder rampspoeden gebukt ging, terwijl hij hoopte, dat men indachtig zoude zijn, dat hij vrouw en kinderen te verzorgen had, en vertrouwde dat men hem zoo weinig schande zou willen aandoen als mogelijk was; doch dat hij, en zijne geheele partij met hem, de noodzakelijkheid zouden inzien van in eene schikking te treden, en Alton te verlaten. Wat daarop volgde, wordt hier met de woorden van Mr. Beecher verhaald, die in de Vergadering tegenwoordig was.Toen broeder Lovejoy opstond om op de bovengemelde redevoering te antwoorden, lette ik met belangstelling, om niet te zeggen met angst, op zijn gelaat. Met eene kalme, rustige houding naderde hij het gestoelte van den Voorzitter, en sprak in den toon van een diep, teeder, en naauwelijks wederhouden gevoel, het volgende:„Ik gevoel, mijnheer de Voorzitter, dat dit het plegtigste oogenblik in mijn leven is. Ik vertrouw eenigermate de verantwoordelijkheid te gevoelen, die er in dit oogenblik op mij rust jegens deze mijne medeburgers, jegens de Kerk, waarvan ik een dienaar ben, jegens mijn vaderland en jegens God. En laat ik, eer ik voortga, u mogen verzoeken, om niets van hetgeen ik zeggen zal, als oneerbiedigheid jegens deze Vergadering te beschouwen. Ik koester geen zoodanig gevoelen, dat zij verre. En zoo ik niet altoos overeenkomstig hare wenschen spreek of handel, dan is het, omdat ik dit gewetenshalve niet doen kan.„Het is noodig dat ik de geheele zaak, zoo als ik haar begrijp, voor deze Vergadering bloot leg. Ik sta hier niet om over de zaak te redetwisten, zoo als zij door het rapport van de Commissie is voorgesteld. Het eenige, wat mij verwondert, is, dat de achtenswaardigegentleman, de Voorzitter van die Commissie, wiens karakter ik zeer hoogacht, hoewel de eer niet hebbende van hem persoonlijk te kennen,—het eenige wat mij, zeg ik, verwondert, is, hoe diegentlemaner toe heeft kunnen besluiten om zulk een rapport in te leveren.„Mijnheer de Voorzitter, ik stem niet toe dat het de taak dezer Vergadering is, te beslissen of ik al dan niet een openbaar nieuwspapier in deze stad zal uitgeven. De heeren zijn, zoo als de regtsgeleerden zeggen, van een verkeerd punt uitgegaan. Ik heb hetregtom het te doen. Ik weet, dat ik het regt heb om mijne gevoelens vrijelijk uit te spreken en openbaar te maken, alleen onderworpen aan de wetten des lands voor het misbruik van dat regt. Dat regt is mij door mijn Schepper gegeven, en is mij door de grondwet der Vereenigde Staten en van dezen Staat, plegtig gewaarborgd. Wat ik van u wensch te weten, is, of gij mij wilt beschermen in de uitoefening van dat regt, dan wel of ik, zoo als tot nog toe, voor persoonlijke beleedigingen en aanrandingen zal moeten blootstaan. Er wordt van deze besluiten en van de daarbij voorgestelde maatregelen gesproken als van eene schikking—eene schikking tusschen twee partijen. Dit is niet zoo, mijnheer de Voorzitter. Er is hier slechts ééne partij. Het is eenvoudig de vraag of de wet zal gehandhaafd worden, dan of het gepeupel de vrijheid zal hebben om haar, zoo als het thans doet, met voeten te blijven treden, door de regten van een onschuldig mensch ongestraft te schenden.„Mijnheer de Voorzitter, wat valt hier van mijne zijde te schikken? Hen te vergeven, die mij zoo grootelijks beleedigd hebben; voor hun tijdelijk en eeuwig welzijn te bidden; het heil van stad en staat te blijven wenschen, ondanks al het leed en den smaad, die ik er in ondergaan heb;—zoo men dit alles onder de bedoelde schikking verstaat, dan ben ik van harte genegen haar te maken. Mijne regten zijn schandelijk en baldadig gehoond; dit weet ik, gevoel ik, en kan het nimmer vergeten. Maar hen te vergeven, die dit gedaan hebben, dat kan ik en doe ik.„Maar zoo men door eene schikking verstaat, dat ik zal ophouden datgene te doen wat mijn pligt van mij vordert, dan kan ik haar niet maken. En de reden daarvoor is, dat ik God meer vrees dan de menschen. Geloof niet dat ik mij ligtvaardig tegen het algemeene gevoelen zou willen aankanten. De goede meening mijner medemenschen is mij dierbaar, en om hunne gunst te verkrijgen zou ik veel opofferen, alleen geene grondbeginselen. Wanneer mij gevergd wordt dezete laten varen, dan wordt mij meer gevergd dan ik geven mag. Men heeft het feit aangevoerd dat ik, eenige dagen geleden, heb aangeboden de uitgave van denObserveraan anderen over te laten. Dat is waar. Ik deed zulks, omdat sommigen dachten of zeiden dat dat blad in andere handen betere bescherming zou vinden. Mijn aanbod werd nogtans van de hand gewezen, en sedert hebben wij berigten van de vrienden en begunstigers van het blad in alle gedeelten van den Staat ontvangen. Allen hadden maar één gevoelen, en dit was, dat het blad door niemand anders dan mij kon worden staande gehouden. Het is derhalve eene zeer verschillende vraag, of ik vrijwillig, of op verzoek van vrienden, mijn post zal overgeven, dan wel of ik dien op den eisch van het gepeupel verlaten zal. Tot het eerste ben ik ten allen tijde bereid, wanneer de omstandigheden zulks vorderen, dewijl ik mijne persoonlijke wenschen of belangen nooit in strijd wil brengen met de zaak van dien Meester, wiens dienaar ik ben. Maar het laatste, wees daarvan verzekerd, zal ikNOOITdoen. God—zoo zeggen alle mijne broederen, en zoo denk ook ik—heeft mij in den weg Zijner Voorzienigheid de verantwoordelijkheid opgelegd van mijnen grond hier te verdedigen; en, mijnheer de Voorzitter, ik ben er toe besloten, dit te doen. Uit Maine, uitMassachusetts, uit Connecticut, uit New-York, uitPennsylvanië,—ja, uit Kentucky, uit Mississippi, uit Missouri—komt eene stem tot mij, die mij in naam van alles, wat in den hemel of op aarde dierbaar is, toeroept, om standvastig te blijven; en, met Gods hulp,ZAL IK STANDVASTIG BLIJVEN. Ik weet, dat ik alleen sta, en dat uwer vele zijn. Mijne kracht zou tegen u allen weinig kunnen baten. Gij kunt mij verpletteren zoo gij wilt: maar ik zal op mijn post sterven, want ik kan noch wil hem verlaten.„Waarom zou ik uit Alton vlugten? Is dit geen vrije Staat? Toen ik te St. Louis door het gepeupel werd aangevallen, kwam ik herwaarts, als naar de woonplaats van wet en vrijheid. Het gepeupel heeft mij ook hier vervolgd, en waarom zou ik op nieuw vlugten? Waar kan ik veilig zijn, zoo het hier niet is? Heb ik geen regt om de bescherming der wetten in te roepen? Wat zou ik elders meer kunnen hebben? Sir, mijne vlugt zelve zou het gepeupel nog des te stouter maken, om mij overal te vervolgen,waar ik henen ging. Neen, Sir, er is geen middel, om aan het gepeupel te ontsnappen, dan het spoor van mijnen pligt te verlaten; en dat zal ik, met Gods hulp, nimmer doen.„Het is hier gezegd geworden, dat mijne hand tegen allen is, en de hand van allen tegen mij. Het laatste gedeelte van dat zeggen is eene maar al te smartelijke waarheid. Ik vind inderdaad bijkans elke hand tegenmijopgeheven; maar tegen wien in deze plaats is mijne hand opgeheven geweest? Ik beroep mij op allen hier aanwezig: wien uwer heb ik beleedigd? Wiens karakter heb ik belasterd? Wiens familie heb ik overlast aangedaan? Met wiens zaken heb ik mij bemoeid? Zoo daar iemand is, dat hij opsta en tegen mij getuige.—Niemand antwoordt.„En zeggen uwe besluiten zelve niet, dat gij tegen mijn bijzonder of persoonlijk karakter niets weet in te brengen? En kan iemand gelooven, dat, zoo daar iets tegen in te brengen ware, het niet geschieden zoude? Zoo ik mij in eenig opzet tegen de wet vergrepen heb, ben ik in deze gemeente niet zoo bemind, dat het bezwaarlijk vallen zou mij te overtuigen. Gij hebt geregtshoven, regters en jurys; zij vinden niets tegen mij. En nu komt gij bijeen met het doel, om een man, wiens onschuld algemeen bekend is, te verbannen, om geene andere oorzaak, dan dat hij denken en spreken durft, zoo als God en zijn geweten hem ingeven. Zal zulk eene handelwijze den toets van uw vaderland, van uwe nakomelingschap, en, bovenal, van den oordeelsdag kunnen doorstaan? Want bedenkt, dat de Regter, die op dien dag zal vonnissen, geen aannemer des persoons is. Ik smeek u, staat stil en overweegt! De tegenwoordige spanning zal weldra voorbij zijn; de stem des gewetens zal zich eindelijk doen hooren. En wanneer gij, op een of ander tijdstip van onbevooroordeeld nadenken, zelfs nog in deze wereld, u de tooneelen van dit uur te binnen brengt, dan zult gij genoodzaakt zijn te zeggen: „Hij sprak de waarheid; hij sprak de waarheid!”„Maar men heeft u tot zachtmoedigheid en medelijden vermaand, en om den rampspoed mijner uitbanning niet noodeloos met schande te verzwaren. Sir, ik verwerp zulk een medelijden. Gij kunt mij niet schandvlekken. Oneer, valschheid en laster hebben hun vermogen reeds uitgeput. Mijne schouders hebben den last gedragen, tot dat zij eraan gewoon zijn geworden. Gij kunt mij ophangen, zoo als het gepeupel de lieden uit Vicksburg ophing! Gij kunt mij aan een staak verbranden, zoo als het Mac Intosh te St. Louis deed, of gij kunt mij van lid tot lid van elkander scheuren, of mij in den Mississippi werpen, zoo als gij dikwijls gedreigd hebt, maar gij kunt mij niet schandvlekken. Ik, en ik alleen, kan mij schandvlekken; en de onuitwischbaarste schande zou zijn, in een tijd als deze, mijn Meester te verloochenen door Zijne zaak te verlaten. Hij stierf voor mij, en ik zou ten hoogste onwaardig zijn Zijn naam te dragen, wanneer ik weigerde, om, des noods, voor Hem te sterven!„Verder heeft men u gezegd, dat ik een huisgezin heb, dat op mijne zorg steunt, en dit heeft men als eene reden doen gelden, dat ik zoo zachtzinnig mogelijk wierde uitgebannen. Het is waar, mijnheer de Voorzitter, ik ben echtgenoot en vader; en dit is een der bitterste inmengsels in den lijdensbeker, dien ik geroepen word, om te drinken. Ik ben er toe gebragt, om de wijsheid van den raad des Apostels te gevoelen: „Het is beter niet te trouwen.” Ik weet, Sir, dat ik in dezen strijd niet alleen mijn eigen leven, maar ook dat van anderen waag. Ik geloof niet, dat mijne vrouw ooit weder van den schok zal bekomen der verschrikkelijke tooneelen, die zij te St. Charles heeft doorgestaan. En wat gebeurde nog onlangs, toen ik mij naar huis begaf? De vrees voor het gepeupel, dat rondom de woning bijeen schoolde, had haar naar de vliering gedreven; en naauwelijks was ik in huis, of mijne vensters werden door de steenworpen van het graauw verbrijzeld, en zij zoo verschrikt, dat het haar dien geheelen nacht onmogelijk was te slapen of te rusten. Ik word gejaagd als een veldhoen op de bergen; ik word als een uitvaagsel in uwe Staten vervolgd, en de beschermende magt der wetten tegen gewelddadigheid, die zelfs door den snoodsten misdadiger mag worden ingeroepen, roep ik te vergeefs in.„Denk echter niet, dat ik ongelukkig ben. Denk niet, dat mijne gedane keuze mij berouwt. Terwijl alles rondom mij oproer en geweld is, is het vrede in mijn binnenste. Een goedkeurend geweten en de beloonende glimlach van God is eene volkomene vergoeding voor alles, wat ik verliet, en voor alles, wat ik onderga. Ja, Sir, ik geniet een vrede,dien niets kan verstoren. Ik slaap zacht en ongestoord, alleen dan uitgezonderd, wanneer de steenworpen van het graauw mij doen ontwaken.„Neen, Sir, ik ben niet ongelukkig. Ik heb de kosten berekend, en ben volkomen bereid, om al het mijne in de dienst van God op te offeren. Ja, Sir, ik gevoel het gansche gewigt van het door mij aangeboden offer, terwijl ik mij hier verbind, om dezen strijd tot het uiterste vol te houden. (Vergeef deze tranen—zij vloeijen onwillekeurig, en niet om mij-zelven, maar om anderen). Maar ik word geroepen, om vader en moeder, en vrouw en kinderen, om Jezus wille te verzaken; en als Zijn verklaarde belijder ben ik daartoe gereed. Naar het mij toeschijnt is thans de tijd daar, om die verbindtenis na te komen, Sir, ik durf niet uit Alton wegvlugten. Zoo ik het beproefde, zou ik ondervinden, dat de Engel des Heeren, met zijn vlammend zwaard, mij overal vervolgde, waar ik henen ging. Omdat ik God vrees, vrees ik niemand van allen, die zich in deze stad tegen mij stellen. Neen, Sir, de strijd is hier begonnen, en moet hier voleindigd worden. Voor God en voor u allen verbind ik mij hier, om hem voort te zetten, zoo het noodig is, tot den dood toe. Zoo ik val, dan zal mijn graf in Alton gedolven worden.”Lovejoy was welgemaakt van persoon, hoogst beschaafd in stem en manieren; en het pathos van deze laatste verklaring, met den edelsten eenvoud uitgesproken, roerde alle aanwezigen, en bragt een diep stilzwijgen te weeg. Het was een dier oogenblikken, waarin de gevoelens van een auditorium in de balans trillen, en één korrel ze naar deze of gene zijde kan doen overslaan. Zoo er in dat oogenblik een voorstel gedaan ware, om hem bijstand te verleenen, zou het zijn doorgegaan. De betoovering werd vernietigd door een anderen dienaar des Evangelies, die opstond en eene homilie uitsprak over de noodzakelijkheid eener schikking, terwijl hij Mr. Lovejoy aanbeval op het voorbeeld van Paulus te zien, die in eene mand uit een venster te Damascus was nedergelaten; alsof Alton eene heidensche stad onder eene despotische regering geweest ware! Nu de begoocheling eenmaal verbroken was, werd de Vergadering woelig en driftig, terwijl het alle mogelijke beschuldigingen op de abolitionisten regende. De Vergadering nam dedoor de commissie voorgestelde besluiten aan, en weigerde hare hulp tot handhaving der wet tegen wettelooze gewelddadigheid; en het gepeupel begreep zeer goed, dat men het zou laten begaan, ook wanneer het alles deed, wat het wilde. Daar het nu gebleken was, dat Mr. Lovejoy niet wijken zoude, was de ontwikkeling van de crisis der zaak te voorzien, wanneer zijne drukpers aan wal zou worden gebragt.Gedurende de volgende drie dagen scheen er eene soort van reactie te komen. Men had een der invloedrijkste leiders van de menigte hooren zeggen, dat het vernielen van drukpersen nergens toe diende, en dat er geld genoeg in het Oosten was, om er zich nieuwe te bezorgen, en dat men de dweepers even zoo goed kon laten loopen.Dit gaf de besluitelooze stedelijke autoriteiten eenigen moed, en de vrienden van de drukpers meenden, dat, zoo zij haar eenmaal aan wal, en veilig in het pakhuis van de heeren Godfrey en Gilman konden krijgen, de crisis ongemerkt zou voorbijgaan. Zij zonden derhalve eene expresse aan den kapitein om de landing der boot uit te stellen tot drie uren in den morgen, en na een vervelend wachten gingen de aanvoerders van het gepeupel naar huis; de pers kwam veilig aan land, en ieder dacht dat de onrust gelukkig voorbij was. Onder dien indruk verliet Mr. Beecher Alton, en keerde huiswaarts.Wij zullen eenige uittreksels mededeelen uit het verhaal van Mr. Beecher, zijne laatste ontmoeting met Mr. Lovejoy in dien nacht vermeldende, waarin de pers aan land gekomen en geborgen was.Kort na het bepaalde uur voor de landing der boot, stond Mr. Lovejoy op, en verzocht mij met hem te gaan zien wat de uitslag was. De maan was ondergegaan en het was nog donker, doch de dag begon aan te breken; en hier en ginds scheen een licht door het venster van de eene of andere ziekenkamer, of van iemand die zeer vroeg was opgestaan. De straten waren ledig en stil, en het geluid onzer voetstappen kaatste van de wanden terug die wij voorbij gingen. Weinig vermoedde hij op dat uur den strijd waarvan de volgende nacht getuige zou zijn; dat deze zelfde straten de kreten zouden weergalmen van een razend gepeupel, en met zijn hartebloed geverfd zouden worden.Wij vonden de boot aan wal, en de pers in het pakhuis, terwijl men bezig was met haar naar de derde verdieping te hijschen. Wij verheugden ons allen dat er geene volksbeweging had plaats gehad, en de pers in veiligheid was; en allen meenden nu, dat het gevaar voorbij was. Wij waren verzekerd, dat het pakhuis door zoo weinige menschen als wij persoonlijk in volksoploopen hadden bezig gezien, niet stormenderhand kon overweldigd worden; en al wilde de meerderheid der burgers de pers dan ook al niet helpen verdedigen, zoo vreesden wij toch niet, dat zij in een aanval op haar zouden mededoen. Die meening was zoo sterk, dat men zeer weinige menschen genoegzaam achtte, om de pers voortaan te bewaken; en men kwam overeen, dat het gezelschap in sectiën van zes man zou verdeeld worden, om bij toerbeurten des nachts de wacht te houden. Daar zij den ganschen nacht niet geslapen hadden, boden Mr. Lovejoy en ik ons aan, om ons tot aan den morgen met de bewaking der pers te belasten; en zij gingen huiswaarts.Weldra begon de morgen aan te lichten; en dien morgen zal ik nooit vergeten. Wie, die ooit aan de oevers van den magtigen stroom gestaan heeft, die toenmaals voorbij mij heenrolde, kan de verhevene aandoeningen vergeten, die zijn hart deden kloppen, terwijl hij in zijne verbeelding de kanalen van gemeenschap trok, door hem en zijne takken door de onbegrensde gewesten dezer westelijke wereld geopend? Ik dacht aan toekomstige eeuwen, en aan de ontelbare millioenen, die aan dezen trotschen stroom zouden wonen; en dat niets dan de waarheid hen zou vrij maken. Nimmer gevoelde ik zoo zeer de waarde van het regt, waarvoor wij streden, om die waarheid onbelemmerd te onderzoeken en onbevreesd te verkondigen. O, hoe verheven is de zedelijke magt! Door haar is het, dat God het heelal bestuurt. Door haar zal Hij de natiën bevrijden.Ik begaf mij naar het dak en beklom het hoogste punt van den muur. De naderende dag begon den hemel en de rivier te bepurperen, en de bedrijvige woeligheid van den ambachtsman begon zich reeds te laten hooren. Met vreugde staarde ik op de tooneelen beneden mij. Ik gevoelde, dat er zonder bloedstorting een veldslag voor God en de waarheid gewonnen was, en dat Alton van eeuwige schande bevrijdwas. En toen de langs hoe meer naderende dag den geheelen omtrek begon te verlichten, toen dacht ik aan die veel heilrijker zon, die thans aan de wereldkim begon te rijzen, en haar weldra in stroomen van schitterend licht zou doen baden.Ook broeder Lovejoy was gelukkig. Hij was niet in verrukking; hij was rustig en bedaard, doch zijn gelaat drukte het gevoel zijner ziel uit. Het was eene kalme en rustige vreugde, want Hij vertrouwde van God, dat de strijd gewonnen was, en dat de banier eener ontboeide drukpers over dien trotschen stroom golven zoude.IJdele hoop! Hoe spoedig zou zij in het graf eens martelaars begraven worden! IJdel, zeide ik? Neen: zij is niet ijdel. Hij spreekt nog, al is hij gestorven; en eene vereenigde wereld kan zijne stem nooit tot zwijgen brengen.Het einde van het treurspel is spoedig verhaald. Eene vrijwillige compagnie, waartoe Lovejoy behoorde, vormde zich onder denmayor, tot bescherming der wet. Den volgenden avond, om tien uren, bestormde het gepeupel het gebouw. Het pakhuis bestond uit twee steenen gebouwen in één blok, met deuren en vensters aan beide einden, maar zonder vensters aan de zijden. Het dak was van hout. Gilman opende de eind-deur van de derde verdieping, en vroeg wat men verlangde. Zij eischten de pers. Hij weigerde haar over te leveren, en verzocht hen ernstig, zich zonder gewelddadigheden te verwijderen, met de verzekering dat, nadien het eigendom aan hunne bewaring was toevertrouwd, zij het met gevaar van hun leven zouden verdedigen. Na eenige vruchtelooze pogingen, schreeuwde het gepeupel, dat men het dak zou in brand steken. Mr. Lovejoy begaf zich met eenige anderen naar buiten, om het voor dien aanval te beveiligen, en werd door iemand uit den hoop voorbedachtelijk ter neder geschoten. Na deze verwonding behield hij nog naauwelijks kracht genoeg, om naar het pakhuis terug te keeren, klom ééne verdieping op, viel, en blies den adem uit.Die binnen waren, beproefden nu te capituleren, doch dit werd al vloekende door het graauw geweigerd, dat het pakhuis dreigde te verbranden, en hen neder te schieten, zoo zij er uit kwamen. Ten laatste werd het gebouw werkelijk inbrand gestoken, en zij vlugtten naar buiten, terwijl het gepeupel op hen vuurde. Zoo eindigde het Altonsche treurspel.Toen de edele moeder van Lovejoy zijn dood vernam, zeide zij: „Het is wel. Liever had ik, dat hij zóó stierf, dan dat hij zijne beginselen verzaakte!” Zoo lang het zulke moeders bezit, is Amerika nog niet verloren. Was zij niet gezegend, die zulk een zoon op dusdanige wijze kon afstaan? Wie was die vrouw, welke God voor de gezegendste onder de vrouwen verklaarde? Was zij het niet, die haren dierbaarste zag kruisigen? Zoo geheel anders ziet God, dan de menschen!

Tijdens de Methodistische en Presbyteriaansche Kerken de tegen de slavernij gerigte besluiten namen, die wij hebben opgeteekend, zou de kerk het slavernij-systeem met betrekkelijk geringe moeite hebben kunnen ten onder brengen. Dit was de ondervinding der Kwakers, die er toenmaals de proef van namen, en in die proef slaagden. De maatregel dien zij volgden, was de eenvoudigst mogelijke. Zij verdeelden hunne Kerk in ringen of districten, en benoemden geregelde commissiën, wier taak het was van huis tot huis te gaan, en de regelen der Kerk op elken slavenhouder, een voor een, toe te passen. Dit werd in zulk een geest van eenvoudigheid en broederlijke liefde bewerkstelligd, dat slechts weinigen aan die stem geen gehoor gaven. Zij gaven zich rustig over, gehoorzaam aan de inspraak van hun geweten en den invloed hunner broederen. Deze handelwijze, hoe zacht ook, oefende dezelfde kracht uit, als de kalme zomerzon, die, door weinige uren geduldig schijnens, den ijsberg doet smelten, waarop al de winterstormen hunne krachten te vergeefs verspild hadden. O, mogten al de andere gezindheden dien zoo gelukkigen maatregel bedacht en gevolgd hebben! Maar de dag is voorbij, dat dit gedrochtelijke kwaad door zachte middelen van overreding zoo gemakkelijk te overwinnen was.

Toen de Kwakers hunne poging in het werk stelden, was deze Leviathan in het riet en de biezen van Amerika jong en kaal, en had zijne krachten nog niet leeren kennen. Toen zou men hem „met een angel hebben kunnen trekken;” toen zou men „een verbond met hem hebben kunnen aangaan, en hem tot een eeuwigen slaaf maken;” maar nu is de Leviathan volwassen. „Ziet, zijne hope zal feilen; niemand is zoo koen, dat hij hem opwekken zoude; hij zal voor zijn gezigte nedergeslagen worden. Zeer uitnemende zijn zijne sterke schilden; elk een gesloten als een naauwdrukkend zegel. Het eene is zoo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tusschen komen.De stukken zijns vleesches kleven te zamen; elk een is vast in hem, het wordt niet bewogen. Zijn hart is vast, gelijk een steen, ja vast gelijk een deel des ondersten molensteens. Raakt hem iemand met den zwaarde, dat zal niet bestaan. Hij acht het ijzer als stroo en het staal voor verrot hout. De pijl zal hem niet doen vlieden: de slingersteenen worden hem in stoppelen veranderd. Hij belacht de drilling der lans. Op aarde is niets met hem te vergelijken: hij is een Koning over alle jonge hoogmoedige dieren.”1

Er zijn er, die zich nog altoos aan de herschenschim vasthouden, dat, op de eene of andere wijze, zonder eenige bijzonder sterke poging of tegenstand, door eene zachte, inschikkelijke, redenerende handelwijze, de Leviathan bekeerd, gedoopt, en tot Christen gemaakt zal worden. Laten zij het beproeven. Zulk eene manier heeft men al sedert lang als niets beteekenend leeren beschouwen. Maar zoodra Leviathan begint te zien, dat het hun ernst wordt, zullen zij de gevolgen er van ondervinden. De beraadslagingen van alle Synoden in de Vereenigde Staten, die bewijzen, dat hij een kwaad isper se, zullen hem niet wekken. Hij beschouwt ze veeleer als vermakelijke domheden. Ook zullen geene besluiten, dat men hem „met leedwezen beschouwt,” hem bijzonder verontrusten, even zoo weinig als de uitgedrukte verwachting, dat hij omstreeks de vestiging van het duizendjarige Rijk wel sterven zal. Ondanks al de vermaningen van Synode en „Conferentiën,” heeft Leviathan zelve maar een zeer gering gevoelen van zijne Christelijkheid, en eene soort van indruk, dat hem de algemeene Christus-regering op aarde wel wat ongemakkelijk zal vallen; doch hij bekommert zich nog niet veel om het vooruitzigt van op een zoo ver verwijderd tijdstip den geest te moeten geven.

Maar laat iemand, uit het Noorden of uit het Zuiden, het zwaard des Geestes nemen, en er hem mede tusschen de schilden slaan, dan zal hij ondervinden welk eene soort van strijd Christianus met Apollyon had. Laat niemand, uit het Noorden of uit het Zuiden, wiens goede naam, of welvaart, of rijkdom, hem te dierbaar zijn om ze er aan op te offeren, dien krijgbeginnen! Laat niemand hem ondernemen, die niet bereid is, zijn goeden naam, ja des noods zijn leven, te haten. Om deze redenen zullen wij hier het voorbeeld van een martelaar aanvoeren, die voor deze zaak gestorven is; want men heeft naar waarheid gezegd, „dat het bloed der martelaren het zaad der Kerk is.”

De Eerwaarde Elijah P. Lovejoy was de zoon eener vrouw uit Maine, een inboorling van dien Staat, die dor en bar in alle andere dingen, vruchtbaar is in edele gevoelens en heldhaftige daden. Van zijne jongelingsjaren zeggen wij niets; waarschijnlijk waren deze zoo als die van andere jonge lieden uit Maine. Wij vatten zijne geschiedenis op, waar wij hem als geestelijke in St. Louis vinden, en als uitgever van een Godsdienstig nieuwsblad. Al beleed hij ook niet ronduit een abolitionist te zijn, zoo liet hij zich evenwel openlijk en bepaald tegen de slavernij uit. Dit verwekte grooten haat en lokte gewelddadigheden uit. Kort daarna werd, in de straten van St. Louis, door eene zamenrotting, uit de aanzienlijkste lieden van die plaats bestaande, een neger, die de tot zijne gevangenneming uitgezondene beambten gewond had, levendig verbrand. Dit tooneel eener langzame marteling duurde tot dat de euveldaad volbragt was, terwijl men de gillende smeekingen van het slagtoffer om een spoedigen dood in den wind sloeg. In zijn last aan de jury beweerde de regter Lawless, dat er geene wettige straf op dit misdrijf viel toe te passen, omdat het, het bedrijf eener woedende menigte zijnde, boven de wet was. In rondborstige taal gaf Elijah Lovejoy zijn afschuw van de bemiddeling en van de beslissing te kennen. Om die reden werd zijne werkplaats door het gepeupel omver gehaald en vernield. Toen hij zich in St. Charles bevond, werd het huis door een hoop van zulke lieden, als de slavernij alleen daartoe kon aanhitsen, aangevallen, met oogmerk, om hem het leven te benemen. Zijne tot krankzinnigheid toe opgewondene vrouw hield de wacht aan zijne deur, tegen mannen strijdende, die met knodsen en dolkmessen gewapend waren, en zwoeren, dat zij zijn hartebloed wilden. De uiterste wanhoop eener vrouw en de hulp van vrienden, dreven den eersten aanval terug; maar toen de troep terugkeerde, wist hij te ontsnappen. Lovejoy kwam te Alton, in den Staat van Illinois, en begon daar zijn nieuwspapier uit te geven. Demenigte volgde hem. Zijne pers werd tot tweemaal toe vernield, en dagelijks werd hij met den dood gedreigd.

Eer zijne pers ten derden male vernield werd, verscheen in zijn nieuwspapier eene oproeping tot eene bijeenkomst der vijanden van de slavernij en vrienden des vrijen onderzoeks in Illinois, ten einde onder de bestaande crisis geschikte maatregelen te beramen en uit te voeren. Deze oproeping werd door omstreeks twee honderd en vijftig personen uit verschillende gedeelten van den Staat onderteekend, waaronder ook de Eerwaarde E. Beecher, destijds Voorzitter van het „Illinois College.” Zij bragt een groot aantal menschen bijeen. Toen de beraadslagingen begonnen, drongen ook de volksleiders zich onder hen; er ontstond eene groote gisting, en ten slotte werd de bijeenkomst door de kwalijk gezinden overschreeuwd en uit elkander gedreven. Toen werd besloten een anti-slavernij-genootschap op te rigten, en eene verklaring van gevoelens, benevens een adres aan het volk van den Staat, in het licht te zenden. Er werden bedreigingen gedaan, dat, zoo Mr. Lovejoy met het drukken van zijn blad voortging, het gepeupel zijne drukpers zou vernielen. In dezen staat van spanning sprak Mr. Beecher, op verzoek van het genootschap, twee leerredenen uit, die de gevoelens en voorgenomene handelwijze er van in het licht stelden. Zij werden achtervolgens openbaar gemaakt, terwijl het volgende uittreksel den lezer een denkbeeld zal geven van hetgeen zij waren.

1. Wij zullen trachten onze medeburgers te overreden om zich boven alle eigenbatige, geldzuchtige, staatkundige en plaatselijke belangen te verheffen; en, uit een diep gevoel van Gods tegenwoordigheid, alleen de eeuwige en onveranderlijke grondbeginselen van waarheid in het oog te houden, die door geene menschelijke wetten of volksgevoelens veranderd of vernietigd kunnen worden.2. Wij zullen trachten het geschil voor te stellen als een geschil tusschen deze gemeente en God; als een onderwerp dat Hem diep ter harte gaat, en waaromtrent groote en gewigtige pligten jegens Hem en onze medeburgers op ons rusten.3. Wij zullen trachten, zoo veel in ons vermogen is, de hevigheid van den strijd der partijen te verzachten, alle onheiligedrift te vermijden, en wederkeerig vertrouwen en welwillendheid aan te kweeken, zoowel als innige belangstelling in de welvaart van alle gedeelten onzer natie, en eene sterke begeerte om hare Unie te bewaren en haar hoogsten bloei te bevorderen.Ons gansche vertrouwen rust op waarheid en liefde, en op de invloeden des Heiligen Geestes. Wij begeeren niemand door eene onderdrukkende magt van het algemeen gevoelen te noodzaken om tegen zijn geweten of overtuiging te handelen; maar een iegelijk tot onbevooroordeeld nadenken en onpartijdig onderzoek in de vreeze Gods op te wekken, is alles wat wij verlangen.En, om dit doel te bereiken, zullen wij ons van dezelfde middelen bedienen als die gebezigd worden om den openbaren geest nopens alle andere groote zedelijke onderwerpen te verlichten en te verheffen:—persoonlijken invloed, openbare adressen, den kansel en de drukpers.4. Wij zullen trachten een nieuw en grondig onderzoek der grondbeginselen van menschelijk regt, en van het verband van alle regtvaardige wetgeving daarmede, te bevorderen; terwijl wij onze beginselen zullen afleiden uit de natuur van den menschelijken geest, uit de betrekkingen van den mensch tot God, en uit den geopenbaarden wil van den Schepper.5. Wij zullen vervolgens trachten de slavenwetten van ons land bij het licht dier beginselen te toetsen, en te bewijzen dat zij uit haren aard zondig zijn, en dat zij zoowel met den wil van God als met al de belangen van den meester, den slaaf, en de geheele maatschappij in strijd zijn.6. Wij zullen wijders trachten aan te toonen op welke wijze gemeenten, waar zulke wetten bestaan, zich te gelijk, in volmaakte veiligheid en vrede, van de schuld zoowel als van de gevaren van het systeem zullen kunnen bevrijden.7. En, zoo lang de gemeenten in haar geheel niet mogten te overreden zijn om hare pligten te betrachten, zullen wij pogingen aanwenden om de individuëele slavenhouders in zulke gemeenten hunne verpligtingen voor te houden en op het hart te drukken.

1. Wij zullen trachten onze medeburgers te overreden om zich boven alle eigenbatige, geldzuchtige, staatkundige en plaatselijke belangen te verheffen; en, uit een diep gevoel van Gods tegenwoordigheid, alleen de eeuwige en onveranderlijke grondbeginselen van waarheid in het oog te houden, die door geene menschelijke wetten of volksgevoelens veranderd of vernietigd kunnen worden.

2. Wij zullen trachten het geschil voor te stellen als een geschil tusschen deze gemeente en God; als een onderwerp dat Hem diep ter harte gaat, en waaromtrent groote en gewigtige pligten jegens Hem en onze medeburgers op ons rusten.

3. Wij zullen trachten, zoo veel in ons vermogen is, de hevigheid van den strijd der partijen te verzachten, alle onheiligedrift te vermijden, en wederkeerig vertrouwen en welwillendheid aan te kweeken, zoowel als innige belangstelling in de welvaart van alle gedeelten onzer natie, en eene sterke begeerte om hare Unie te bewaren en haar hoogsten bloei te bevorderen.

Ons gansche vertrouwen rust op waarheid en liefde, en op de invloeden des Heiligen Geestes. Wij begeeren niemand door eene onderdrukkende magt van het algemeen gevoelen te noodzaken om tegen zijn geweten of overtuiging te handelen; maar een iegelijk tot onbevooroordeeld nadenken en onpartijdig onderzoek in de vreeze Gods op te wekken, is alles wat wij verlangen.

En, om dit doel te bereiken, zullen wij ons van dezelfde middelen bedienen als die gebezigd worden om den openbaren geest nopens alle andere groote zedelijke onderwerpen te verlichten en te verheffen:—persoonlijken invloed, openbare adressen, den kansel en de drukpers.

4. Wij zullen trachten een nieuw en grondig onderzoek der grondbeginselen van menschelijk regt, en van het verband van alle regtvaardige wetgeving daarmede, te bevorderen; terwijl wij onze beginselen zullen afleiden uit de natuur van den menschelijken geest, uit de betrekkingen van den mensch tot God, en uit den geopenbaarden wil van den Schepper.

5. Wij zullen vervolgens trachten de slavenwetten van ons land bij het licht dier beginselen te toetsen, en te bewijzen dat zij uit haren aard zondig zijn, en dat zij zoowel met den wil van God als met al de belangen van den meester, den slaaf, en de geheele maatschappij in strijd zijn.

6. Wij zullen wijders trachten aan te toonen op welke wijze gemeenten, waar zulke wetten bestaan, zich te gelijk, in volmaakte veiligheid en vrede, van de schuld zoowel als van de gevaren van het systeem zullen kunnen bevrijden.

7. En, zoo lang de gemeenten in haar geheel niet mogten te overreden zijn om hare pligten te betrachten, zullen wij pogingen aanwenden om de individuëele slavenhouders in zulke gemeenten hunne verpligtingen voor te houden en op het hart te drukken.

Tegen doeleinden, in dezen geest en op die wijze voorgesteld,zou men denken dat redelijkerwijze niets ware in te brengen. De eenige zwarigheid die zij medebragten was deze, dat zij, hoe kalm en minzaam ook, bleken ernstig gemeend te zijn; en op eenmaal werd Leviathan volkomen wakker.

De eerste praktikale vraag was: Zal de derde drukpers verdedigd worden, of zal men ook deze laten vernielen?

Er was eene vreeselijke spanning en eene groote volksbeweging. De schroomvallige, voorzigtige, rustlievende meerderheid, die in alle steden te vinden is, die zich om geen triomf van eenig beginsel bekommert, zoo zij slecht haar eigen belang kan bevorderen, was kleinmoedig en weifelachtig, en moedigde alzoo de kwalijkgezinden aan. Alle drangredenen werden te hulp geroepen om Mr. Beecher en Mr. Lovejoy van hunne pogingen om de drukpers te herstellen, te doen afzien. Den eerstgenoemde zeide men dat er in Missouri eene premie op zijn hoofd gezet was—eene fatsoenlijke manier van overtuigen in de slavenhoudende gedeelten van dit land. Mr. Lovejoy had men al sinds zoo langen tijd, dag en nacht, gedreigd te zullen vermoorden, dat het argument bij hem al wat afgesleten geraakt was. Aan Mr. Beecher zeide men, dat de belangen van het collegie, welks voorzitter hij was, zouden worden opgeofferd, en dat, zoo hij al verkoos zijne eigene veiligheid te wagen, hij geen regt had om die belangen in de waagschaal te stellen. Maar Mr. Beecher en Mr. Lovejoy gevoelden beide, dat het hier het hoofdbeginsel, dat der vrije inrigtingen gold, hetwelk te dier tijd, over het geheele land, door opoffering van het regt van vrije beraadslaging aan de kreten van het gepeupel, ernstig bedreigd werd; en dat zulk een antecedent tot zeer ver uitziende en zeer gevaarlijke gevolgtrekkingen zou kunnen leiden.

In eene openbare bijeenkomst rigtte Mr. Beecher eene toespraak tot de burgers over het regt tot handhaving van het vrije onderzoek, en van ieders regt tot vrije uiting zijner gemoedelijke overtuiging. Hij las hun eenige dier welsprekende zinsneden voor, waarin Dr. Channing, onder gelijksoortige omstandigheden, die zelfde regten te Boston had verdedigd.

Hij las hen uittreksels voor uit buitenlandsche nieuwspapieren, waaruit bleek, hoe het Amerikaansch karakter in vreemde landen miskend werd door den invloed der Lynch-wet en de gewelddadigheden der menigte. Hij verdedigde het regt vanMr. Lovejoy, om zijne gemoedelijke overtuiging door de drukpers openbaar te maken; en eindelijk las hij uittreksels uit eenige zuidelijke dagbladen voor, waarin de handelwijze van den grooten hoop strengelijk veroordeeld, en het regt van Mr. Lovejoy om zijne gevoelens te openbaren, verdedigd werd. Ten slotte stelde hij het nemen der volgende besluiten voor:

Dat de vrije mededeeling van gevoelens een der onschatbaarste regten van den mensch is; en dat ieder burger over alle onderwerpen vrijelijk spreken, schrijven of drukken mag, behoudens zijne verantwoordelijkheid voor het misbruik dier vrijheid.Dat de handhaving dezer beginselen onafhankelijk behoort te zijn van alle inschikkelijkheid jegens personen of gevoelens.Dat zij inzonderheid behooren gehandhaafd te worden ten aanzien vanimpopulairegevoelens, dewijl geene andere de bescherming der wet behoeven.Dat wij alleen op deze gronden, en zonder aanzien van staatkundige en zedelijke verschillen, gezind zijn de drukpers en eigendommen des uitgevers van denAlton Observerte beschermen, en hem in zijn regt te ondersteunen om openbaar te maken wat hem goeddunkt, hem alleen verantwoordelijk stellende jegens de wetten des lands.

Dat de vrije mededeeling van gevoelens een der onschatbaarste regten van den mensch is; en dat ieder burger over alle onderwerpen vrijelijk spreken, schrijven of drukken mag, behoudens zijne verantwoordelijkheid voor het misbruik dier vrijheid.

Dat de handhaving dezer beginselen onafhankelijk behoort te zijn van alle inschikkelijkheid jegens personen of gevoelens.

Dat zij inzonderheid behooren gehandhaafd te worden ten aanzien vanimpopulairegevoelens, dewijl geene andere de bescherming der wet behoeven.

Dat wij alleen op deze gronden, en zonder aanzien van staatkundige en zedelijke verschillen, gezind zijn de drukpers en eigendommen des uitgevers van denAlton Observerte beschermen, en hem in zijn regt te ondersteunen om openbaar te maken wat hem goeddunkt, hem alleen verantwoordelijk stellende jegens de wetten des lands.

Deze besluiten, aldus voorgesteld, zouden in eene laatste bijeenkomst der burgers, die den volgenden dag moest plaats hebben, in overweging genomen worden.

Die bijeenkomst had plaats. Hun eerste stap was, Mr. Beecher en allen, die geene burgers van dat district waren, van het regt van beraadslaging over het aan te bieden rapport uit te sluiten. De commissie rapporteerde dan, dat zij de bestaande spanning ten hoogste betreurde; dat zij nogtans de sterke overtuiging koesterde, dat de burgers zich van alle onwettige daden zouden onthouden; dat de eischen des tijds gematigde en verzoenende maatregelen wenschelijk maakten; en dat men, alhoewel niet gezind om de vrije mededeeling in het algemeen te belemmeren, het met dat al noodig voor de openbare rust hield, dat Mr. Lovejoy geen openbaar nieuwsblad in die stad uitgaf; zonder daarmede in het allerminst iets nadeeligs voor het karakter of de bedoelingen van Mr. Lovejoy te willenzeggen. Alles wat de Vergadering voor dit oogenblik verlangde, waste hooren of Mr. Lovejoy gezind was zich aan haar verlangen te onderwerpen.

Een lid der Commissie stond op, en betuigde zijne sympathie voor Mr. Lovejoy, dien hij voorstelde als iemand, die onder rampspoeden gebukt ging, terwijl hij hoopte, dat men indachtig zoude zijn, dat hij vrouw en kinderen te verzorgen had, en vertrouwde dat men hem zoo weinig schande zou willen aandoen als mogelijk was; doch dat hij, en zijne geheele partij met hem, de noodzakelijkheid zouden inzien van in eene schikking te treden, en Alton te verlaten. Wat daarop volgde, wordt hier met de woorden van Mr. Beecher verhaald, die in de Vergadering tegenwoordig was.

Toen broeder Lovejoy opstond om op de bovengemelde redevoering te antwoorden, lette ik met belangstelling, om niet te zeggen met angst, op zijn gelaat. Met eene kalme, rustige houding naderde hij het gestoelte van den Voorzitter, en sprak in den toon van een diep, teeder, en naauwelijks wederhouden gevoel, het volgende:„Ik gevoel, mijnheer de Voorzitter, dat dit het plegtigste oogenblik in mijn leven is. Ik vertrouw eenigermate de verantwoordelijkheid te gevoelen, die er in dit oogenblik op mij rust jegens deze mijne medeburgers, jegens de Kerk, waarvan ik een dienaar ben, jegens mijn vaderland en jegens God. En laat ik, eer ik voortga, u mogen verzoeken, om niets van hetgeen ik zeggen zal, als oneerbiedigheid jegens deze Vergadering te beschouwen. Ik koester geen zoodanig gevoelen, dat zij verre. En zoo ik niet altoos overeenkomstig hare wenschen spreek of handel, dan is het, omdat ik dit gewetenshalve niet doen kan.„Het is noodig dat ik de geheele zaak, zoo als ik haar begrijp, voor deze Vergadering bloot leg. Ik sta hier niet om over de zaak te redetwisten, zoo als zij door het rapport van de Commissie is voorgesteld. Het eenige, wat mij verwondert, is, dat de achtenswaardigegentleman, de Voorzitter van die Commissie, wiens karakter ik zeer hoogacht, hoewel de eer niet hebbende van hem persoonlijk te kennen,—het eenige wat mij, zeg ik, verwondert, is, hoe diegentlemaner toe heeft kunnen besluiten om zulk een rapport in te leveren.„Mijnheer de Voorzitter, ik stem niet toe dat het de taak dezer Vergadering is, te beslissen of ik al dan niet een openbaar nieuwspapier in deze stad zal uitgeven. De heeren zijn, zoo als de regtsgeleerden zeggen, van een verkeerd punt uitgegaan. Ik heb hetregtom het te doen. Ik weet, dat ik het regt heb om mijne gevoelens vrijelijk uit te spreken en openbaar te maken, alleen onderworpen aan de wetten des lands voor het misbruik van dat regt. Dat regt is mij door mijn Schepper gegeven, en is mij door de grondwet der Vereenigde Staten en van dezen Staat, plegtig gewaarborgd. Wat ik van u wensch te weten, is, of gij mij wilt beschermen in de uitoefening van dat regt, dan wel of ik, zoo als tot nog toe, voor persoonlijke beleedigingen en aanrandingen zal moeten blootstaan. Er wordt van deze besluiten en van de daarbij voorgestelde maatregelen gesproken als van eene schikking—eene schikking tusschen twee partijen. Dit is niet zoo, mijnheer de Voorzitter. Er is hier slechts ééne partij. Het is eenvoudig de vraag of de wet zal gehandhaafd worden, dan of het gepeupel de vrijheid zal hebben om haar, zoo als het thans doet, met voeten te blijven treden, door de regten van een onschuldig mensch ongestraft te schenden.„Mijnheer de Voorzitter, wat valt hier van mijne zijde te schikken? Hen te vergeven, die mij zoo grootelijks beleedigd hebben; voor hun tijdelijk en eeuwig welzijn te bidden; het heil van stad en staat te blijven wenschen, ondanks al het leed en den smaad, die ik er in ondergaan heb;—zoo men dit alles onder de bedoelde schikking verstaat, dan ben ik van harte genegen haar te maken. Mijne regten zijn schandelijk en baldadig gehoond; dit weet ik, gevoel ik, en kan het nimmer vergeten. Maar hen te vergeven, die dit gedaan hebben, dat kan ik en doe ik.„Maar zoo men door eene schikking verstaat, dat ik zal ophouden datgene te doen wat mijn pligt van mij vordert, dan kan ik haar niet maken. En de reden daarvoor is, dat ik God meer vrees dan de menschen. Geloof niet dat ik mij ligtvaardig tegen het algemeene gevoelen zou willen aankanten. De goede meening mijner medemenschen is mij dierbaar, en om hunne gunst te verkrijgen zou ik veel opofferen, alleen geene grondbeginselen. Wanneer mij gevergd wordt dezete laten varen, dan wordt mij meer gevergd dan ik geven mag. Men heeft het feit aangevoerd dat ik, eenige dagen geleden, heb aangeboden de uitgave van denObserveraan anderen over te laten. Dat is waar. Ik deed zulks, omdat sommigen dachten of zeiden dat dat blad in andere handen betere bescherming zou vinden. Mijn aanbod werd nogtans van de hand gewezen, en sedert hebben wij berigten van de vrienden en begunstigers van het blad in alle gedeelten van den Staat ontvangen. Allen hadden maar één gevoelen, en dit was, dat het blad door niemand anders dan mij kon worden staande gehouden. Het is derhalve eene zeer verschillende vraag, of ik vrijwillig, of op verzoek van vrienden, mijn post zal overgeven, dan wel of ik dien op den eisch van het gepeupel verlaten zal. Tot het eerste ben ik ten allen tijde bereid, wanneer de omstandigheden zulks vorderen, dewijl ik mijne persoonlijke wenschen of belangen nooit in strijd wil brengen met de zaak van dien Meester, wiens dienaar ik ben. Maar het laatste, wees daarvan verzekerd, zal ikNOOITdoen. God—zoo zeggen alle mijne broederen, en zoo denk ook ik—heeft mij in den weg Zijner Voorzienigheid de verantwoordelijkheid opgelegd van mijnen grond hier te verdedigen; en, mijnheer de Voorzitter, ik ben er toe besloten, dit te doen. Uit Maine, uitMassachusetts, uit Connecticut, uit New-York, uitPennsylvanië,—ja, uit Kentucky, uit Mississippi, uit Missouri—komt eene stem tot mij, die mij in naam van alles, wat in den hemel of op aarde dierbaar is, toeroept, om standvastig te blijven; en, met Gods hulp,ZAL IK STANDVASTIG BLIJVEN. Ik weet, dat ik alleen sta, en dat uwer vele zijn. Mijne kracht zou tegen u allen weinig kunnen baten. Gij kunt mij verpletteren zoo gij wilt: maar ik zal op mijn post sterven, want ik kan noch wil hem verlaten.„Waarom zou ik uit Alton vlugten? Is dit geen vrije Staat? Toen ik te St. Louis door het gepeupel werd aangevallen, kwam ik herwaarts, als naar de woonplaats van wet en vrijheid. Het gepeupel heeft mij ook hier vervolgd, en waarom zou ik op nieuw vlugten? Waar kan ik veilig zijn, zoo het hier niet is? Heb ik geen regt om de bescherming der wetten in te roepen? Wat zou ik elders meer kunnen hebben? Sir, mijne vlugt zelve zou het gepeupel nog des te stouter maken, om mij overal te vervolgen,waar ik henen ging. Neen, Sir, er is geen middel, om aan het gepeupel te ontsnappen, dan het spoor van mijnen pligt te verlaten; en dat zal ik, met Gods hulp, nimmer doen.„Het is hier gezegd geworden, dat mijne hand tegen allen is, en de hand van allen tegen mij. Het laatste gedeelte van dat zeggen is eene maar al te smartelijke waarheid. Ik vind inderdaad bijkans elke hand tegenmijopgeheven; maar tegen wien in deze plaats is mijne hand opgeheven geweest? Ik beroep mij op allen hier aanwezig: wien uwer heb ik beleedigd? Wiens karakter heb ik belasterd? Wiens familie heb ik overlast aangedaan? Met wiens zaken heb ik mij bemoeid? Zoo daar iemand is, dat hij opsta en tegen mij getuige.—Niemand antwoordt.„En zeggen uwe besluiten zelve niet, dat gij tegen mijn bijzonder of persoonlijk karakter niets weet in te brengen? En kan iemand gelooven, dat, zoo daar iets tegen in te brengen ware, het niet geschieden zoude? Zoo ik mij in eenig opzet tegen de wet vergrepen heb, ben ik in deze gemeente niet zoo bemind, dat het bezwaarlijk vallen zou mij te overtuigen. Gij hebt geregtshoven, regters en jurys; zij vinden niets tegen mij. En nu komt gij bijeen met het doel, om een man, wiens onschuld algemeen bekend is, te verbannen, om geene andere oorzaak, dan dat hij denken en spreken durft, zoo als God en zijn geweten hem ingeven. Zal zulk eene handelwijze den toets van uw vaderland, van uwe nakomelingschap, en, bovenal, van den oordeelsdag kunnen doorstaan? Want bedenkt, dat de Regter, die op dien dag zal vonnissen, geen aannemer des persoons is. Ik smeek u, staat stil en overweegt! De tegenwoordige spanning zal weldra voorbij zijn; de stem des gewetens zal zich eindelijk doen hooren. En wanneer gij, op een of ander tijdstip van onbevooroordeeld nadenken, zelfs nog in deze wereld, u de tooneelen van dit uur te binnen brengt, dan zult gij genoodzaakt zijn te zeggen: „Hij sprak de waarheid; hij sprak de waarheid!”„Maar men heeft u tot zachtmoedigheid en medelijden vermaand, en om den rampspoed mijner uitbanning niet noodeloos met schande te verzwaren. Sir, ik verwerp zulk een medelijden. Gij kunt mij niet schandvlekken. Oneer, valschheid en laster hebben hun vermogen reeds uitgeput. Mijne schouders hebben den last gedragen, tot dat zij eraan gewoon zijn geworden. Gij kunt mij ophangen, zoo als het gepeupel de lieden uit Vicksburg ophing! Gij kunt mij aan een staak verbranden, zoo als het Mac Intosh te St. Louis deed, of gij kunt mij van lid tot lid van elkander scheuren, of mij in den Mississippi werpen, zoo als gij dikwijls gedreigd hebt, maar gij kunt mij niet schandvlekken. Ik, en ik alleen, kan mij schandvlekken; en de onuitwischbaarste schande zou zijn, in een tijd als deze, mijn Meester te verloochenen door Zijne zaak te verlaten. Hij stierf voor mij, en ik zou ten hoogste onwaardig zijn Zijn naam te dragen, wanneer ik weigerde, om, des noods, voor Hem te sterven!„Verder heeft men u gezegd, dat ik een huisgezin heb, dat op mijne zorg steunt, en dit heeft men als eene reden doen gelden, dat ik zoo zachtzinnig mogelijk wierde uitgebannen. Het is waar, mijnheer de Voorzitter, ik ben echtgenoot en vader; en dit is een der bitterste inmengsels in den lijdensbeker, dien ik geroepen word, om te drinken. Ik ben er toe gebragt, om de wijsheid van den raad des Apostels te gevoelen: „Het is beter niet te trouwen.” Ik weet, Sir, dat ik in dezen strijd niet alleen mijn eigen leven, maar ook dat van anderen waag. Ik geloof niet, dat mijne vrouw ooit weder van den schok zal bekomen der verschrikkelijke tooneelen, die zij te St. Charles heeft doorgestaan. En wat gebeurde nog onlangs, toen ik mij naar huis begaf? De vrees voor het gepeupel, dat rondom de woning bijeen schoolde, had haar naar de vliering gedreven; en naauwelijks was ik in huis, of mijne vensters werden door de steenworpen van het graauw verbrijzeld, en zij zoo verschrikt, dat het haar dien geheelen nacht onmogelijk was te slapen of te rusten. Ik word gejaagd als een veldhoen op de bergen; ik word als een uitvaagsel in uwe Staten vervolgd, en de beschermende magt der wetten tegen gewelddadigheid, die zelfs door den snoodsten misdadiger mag worden ingeroepen, roep ik te vergeefs in.„Denk echter niet, dat ik ongelukkig ben. Denk niet, dat mijne gedane keuze mij berouwt. Terwijl alles rondom mij oproer en geweld is, is het vrede in mijn binnenste. Een goedkeurend geweten en de beloonende glimlach van God is eene volkomene vergoeding voor alles, wat ik verliet, en voor alles, wat ik onderga. Ja, Sir, ik geniet een vrede,dien niets kan verstoren. Ik slaap zacht en ongestoord, alleen dan uitgezonderd, wanneer de steenworpen van het graauw mij doen ontwaken.„Neen, Sir, ik ben niet ongelukkig. Ik heb de kosten berekend, en ben volkomen bereid, om al het mijne in de dienst van God op te offeren. Ja, Sir, ik gevoel het gansche gewigt van het door mij aangeboden offer, terwijl ik mij hier verbind, om dezen strijd tot het uiterste vol te houden. (Vergeef deze tranen—zij vloeijen onwillekeurig, en niet om mij-zelven, maar om anderen). Maar ik word geroepen, om vader en moeder, en vrouw en kinderen, om Jezus wille te verzaken; en als Zijn verklaarde belijder ben ik daartoe gereed. Naar het mij toeschijnt is thans de tijd daar, om die verbindtenis na te komen, Sir, ik durf niet uit Alton wegvlugten. Zoo ik het beproefde, zou ik ondervinden, dat de Engel des Heeren, met zijn vlammend zwaard, mij overal vervolgde, waar ik henen ging. Omdat ik God vrees, vrees ik niemand van allen, die zich in deze stad tegen mij stellen. Neen, Sir, de strijd is hier begonnen, en moet hier voleindigd worden. Voor God en voor u allen verbind ik mij hier, om hem voort te zetten, zoo het noodig is, tot den dood toe. Zoo ik val, dan zal mijn graf in Alton gedolven worden.”

Toen broeder Lovejoy opstond om op de bovengemelde redevoering te antwoorden, lette ik met belangstelling, om niet te zeggen met angst, op zijn gelaat. Met eene kalme, rustige houding naderde hij het gestoelte van den Voorzitter, en sprak in den toon van een diep, teeder, en naauwelijks wederhouden gevoel, het volgende:

„Ik gevoel, mijnheer de Voorzitter, dat dit het plegtigste oogenblik in mijn leven is. Ik vertrouw eenigermate de verantwoordelijkheid te gevoelen, die er in dit oogenblik op mij rust jegens deze mijne medeburgers, jegens de Kerk, waarvan ik een dienaar ben, jegens mijn vaderland en jegens God. En laat ik, eer ik voortga, u mogen verzoeken, om niets van hetgeen ik zeggen zal, als oneerbiedigheid jegens deze Vergadering te beschouwen. Ik koester geen zoodanig gevoelen, dat zij verre. En zoo ik niet altoos overeenkomstig hare wenschen spreek of handel, dan is het, omdat ik dit gewetenshalve niet doen kan.

„Het is noodig dat ik de geheele zaak, zoo als ik haar begrijp, voor deze Vergadering bloot leg. Ik sta hier niet om over de zaak te redetwisten, zoo als zij door het rapport van de Commissie is voorgesteld. Het eenige, wat mij verwondert, is, dat de achtenswaardigegentleman, de Voorzitter van die Commissie, wiens karakter ik zeer hoogacht, hoewel de eer niet hebbende van hem persoonlijk te kennen,—het eenige wat mij, zeg ik, verwondert, is, hoe diegentlemaner toe heeft kunnen besluiten om zulk een rapport in te leveren.

„Mijnheer de Voorzitter, ik stem niet toe dat het de taak dezer Vergadering is, te beslissen of ik al dan niet een openbaar nieuwspapier in deze stad zal uitgeven. De heeren zijn, zoo als de regtsgeleerden zeggen, van een verkeerd punt uitgegaan. Ik heb hetregtom het te doen. Ik weet, dat ik het regt heb om mijne gevoelens vrijelijk uit te spreken en openbaar te maken, alleen onderworpen aan de wetten des lands voor het misbruik van dat regt. Dat regt is mij door mijn Schepper gegeven, en is mij door de grondwet der Vereenigde Staten en van dezen Staat, plegtig gewaarborgd. Wat ik van u wensch te weten, is, of gij mij wilt beschermen in de uitoefening van dat regt, dan wel of ik, zoo als tot nog toe, voor persoonlijke beleedigingen en aanrandingen zal moeten blootstaan. Er wordt van deze besluiten en van de daarbij voorgestelde maatregelen gesproken als van eene schikking—eene schikking tusschen twee partijen. Dit is niet zoo, mijnheer de Voorzitter. Er is hier slechts ééne partij. Het is eenvoudig de vraag of de wet zal gehandhaafd worden, dan of het gepeupel de vrijheid zal hebben om haar, zoo als het thans doet, met voeten te blijven treden, door de regten van een onschuldig mensch ongestraft te schenden.

„Mijnheer de Voorzitter, wat valt hier van mijne zijde te schikken? Hen te vergeven, die mij zoo grootelijks beleedigd hebben; voor hun tijdelijk en eeuwig welzijn te bidden; het heil van stad en staat te blijven wenschen, ondanks al het leed en den smaad, die ik er in ondergaan heb;—zoo men dit alles onder de bedoelde schikking verstaat, dan ben ik van harte genegen haar te maken. Mijne regten zijn schandelijk en baldadig gehoond; dit weet ik, gevoel ik, en kan het nimmer vergeten. Maar hen te vergeven, die dit gedaan hebben, dat kan ik en doe ik.

„Maar zoo men door eene schikking verstaat, dat ik zal ophouden datgene te doen wat mijn pligt van mij vordert, dan kan ik haar niet maken. En de reden daarvoor is, dat ik God meer vrees dan de menschen. Geloof niet dat ik mij ligtvaardig tegen het algemeene gevoelen zou willen aankanten. De goede meening mijner medemenschen is mij dierbaar, en om hunne gunst te verkrijgen zou ik veel opofferen, alleen geene grondbeginselen. Wanneer mij gevergd wordt dezete laten varen, dan wordt mij meer gevergd dan ik geven mag. Men heeft het feit aangevoerd dat ik, eenige dagen geleden, heb aangeboden de uitgave van denObserveraan anderen over te laten. Dat is waar. Ik deed zulks, omdat sommigen dachten of zeiden dat dat blad in andere handen betere bescherming zou vinden. Mijn aanbod werd nogtans van de hand gewezen, en sedert hebben wij berigten van de vrienden en begunstigers van het blad in alle gedeelten van den Staat ontvangen. Allen hadden maar één gevoelen, en dit was, dat het blad door niemand anders dan mij kon worden staande gehouden. Het is derhalve eene zeer verschillende vraag, of ik vrijwillig, of op verzoek van vrienden, mijn post zal overgeven, dan wel of ik dien op den eisch van het gepeupel verlaten zal. Tot het eerste ben ik ten allen tijde bereid, wanneer de omstandigheden zulks vorderen, dewijl ik mijne persoonlijke wenschen of belangen nooit in strijd wil brengen met de zaak van dien Meester, wiens dienaar ik ben. Maar het laatste, wees daarvan verzekerd, zal ikNOOITdoen. God—zoo zeggen alle mijne broederen, en zoo denk ook ik—heeft mij in den weg Zijner Voorzienigheid de verantwoordelijkheid opgelegd van mijnen grond hier te verdedigen; en, mijnheer de Voorzitter, ik ben er toe besloten, dit te doen. Uit Maine, uitMassachusetts, uit Connecticut, uit New-York, uitPennsylvanië,—ja, uit Kentucky, uit Mississippi, uit Missouri—komt eene stem tot mij, die mij in naam van alles, wat in den hemel of op aarde dierbaar is, toeroept, om standvastig te blijven; en, met Gods hulp,ZAL IK STANDVASTIG BLIJVEN. Ik weet, dat ik alleen sta, en dat uwer vele zijn. Mijne kracht zou tegen u allen weinig kunnen baten. Gij kunt mij verpletteren zoo gij wilt: maar ik zal op mijn post sterven, want ik kan noch wil hem verlaten.

„Waarom zou ik uit Alton vlugten? Is dit geen vrije Staat? Toen ik te St. Louis door het gepeupel werd aangevallen, kwam ik herwaarts, als naar de woonplaats van wet en vrijheid. Het gepeupel heeft mij ook hier vervolgd, en waarom zou ik op nieuw vlugten? Waar kan ik veilig zijn, zoo het hier niet is? Heb ik geen regt om de bescherming der wetten in te roepen? Wat zou ik elders meer kunnen hebben? Sir, mijne vlugt zelve zou het gepeupel nog des te stouter maken, om mij overal te vervolgen,waar ik henen ging. Neen, Sir, er is geen middel, om aan het gepeupel te ontsnappen, dan het spoor van mijnen pligt te verlaten; en dat zal ik, met Gods hulp, nimmer doen.

„Het is hier gezegd geworden, dat mijne hand tegen allen is, en de hand van allen tegen mij. Het laatste gedeelte van dat zeggen is eene maar al te smartelijke waarheid. Ik vind inderdaad bijkans elke hand tegenmijopgeheven; maar tegen wien in deze plaats is mijne hand opgeheven geweest? Ik beroep mij op allen hier aanwezig: wien uwer heb ik beleedigd? Wiens karakter heb ik belasterd? Wiens familie heb ik overlast aangedaan? Met wiens zaken heb ik mij bemoeid? Zoo daar iemand is, dat hij opsta en tegen mij getuige.—Niemand antwoordt.

„En zeggen uwe besluiten zelve niet, dat gij tegen mijn bijzonder of persoonlijk karakter niets weet in te brengen? En kan iemand gelooven, dat, zoo daar iets tegen in te brengen ware, het niet geschieden zoude? Zoo ik mij in eenig opzet tegen de wet vergrepen heb, ben ik in deze gemeente niet zoo bemind, dat het bezwaarlijk vallen zou mij te overtuigen. Gij hebt geregtshoven, regters en jurys; zij vinden niets tegen mij. En nu komt gij bijeen met het doel, om een man, wiens onschuld algemeen bekend is, te verbannen, om geene andere oorzaak, dan dat hij denken en spreken durft, zoo als God en zijn geweten hem ingeven. Zal zulk eene handelwijze den toets van uw vaderland, van uwe nakomelingschap, en, bovenal, van den oordeelsdag kunnen doorstaan? Want bedenkt, dat de Regter, die op dien dag zal vonnissen, geen aannemer des persoons is. Ik smeek u, staat stil en overweegt! De tegenwoordige spanning zal weldra voorbij zijn; de stem des gewetens zal zich eindelijk doen hooren. En wanneer gij, op een of ander tijdstip van onbevooroordeeld nadenken, zelfs nog in deze wereld, u de tooneelen van dit uur te binnen brengt, dan zult gij genoodzaakt zijn te zeggen: „Hij sprak de waarheid; hij sprak de waarheid!”

„Maar men heeft u tot zachtmoedigheid en medelijden vermaand, en om den rampspoed mijner uitbanning niet noodeloos met schande te verzwaren. Sir, ik verwerp zulk een medelijden. Gij kunt mij niet schandvlekken. Oneer, valschheid en laster hebben hun vermogen reeds uitgeput. Mijne schouders hebben den last gedragen, tot dat zij eraan gewoon zijn geworden. Gij kunt mij ophangen, zoo als het gepeupel de lieden uit Vicksburg ophing! Gij kunt mij aan een staak verbranden, zoo als het Mac Intosh te St. Louis deed, of gij kunt mij van lid tot lid van elkander scheuren, of mij in den Mississippi werpen, zoo als gij dikwijls gedreigd hebt, maar gij kunt mij niet schandvlekken. Ik, en ik alleen, kan mij schandvlekken; en de onuitwischbaarste schande zou zijn, in een tijd als deze, mijn Meester te verloochenen door Zijne zaak te verlaten. Hij stierf voor mij, en ik zou ten hoogste onwaardig zijn Zijn naam te dragen, wanneer ik weigerde, om, des noods, voor Hem te sterven!

„Verder heeft men u gezegd, dat ik een huisgezin heb, dat op mijne zorg steunt, en dit heeft men als eene reden doen gelden, dat ik zoo zachtzinnig mogelijk wierde uitgebannen. Het is waar, mijnheer de Voorzitter, ik ben echtgenoot en vader; en dit is een der bitterste inmengsels in den lijdensbeker, dien ik geroepen word, om te drinken. Ik ben er toe gebragt, om de wijsheid van den raad des Apostels te gevoelen: „Het is beter niet te trouwen.” Ik weet, Sir, dat ik in dezen strijd niet alleen mijn eigen leven, maar ook dat van anderen waag. Ik geloof niet, dat mijne vrouw ooit weder van den schok zal bekomen der verschrikkelijke tooneelen, die zij te St. Charles heeft doorgestaan. En wat gebeurde nog onlangs, toen ik mij naar huis begaf? De vrees voor het gepeupel, dat rondom de woning bijeen schoolde, had haar naar de vliering gedreven; en naauwelijks was ik in huis, of mijne vensters werden door de steenworpen van het graauw verbrijzeld, en zij zoo verschrikt, dat het haar dien geheelen nacht onmogelijk was te slapen of te rusten. Ik word gejaagd als een veldhoen op de bergen; ik word als een uitvaagsel in uwe Staten vervolgd, en de beschermende magt der wetten tegen gewelddadigheid, die zelfs door den snoodsten misdadiger mag worden ingeroepen, roep ik te vergeefs in.

„Denk echter niet, dat ik ongelukkig ben. Denk niet, dat mijne gedane keuze mij berouwt. Terwijl alles rondom mij oproer en geweld is, is het vrede in mijn binnenste. Een goedkeurend geweten en de beloonende glimlach van God is eene volkomene vergoeding voor alles, wat ik verliet, en voor alles, wat ik onderga. Ja, Sir, ik geniet een vrede,dien niets kan verstoren. Ik slaap zacht en ongestoord, alleen dan uitgezonderd, wanneer de steenworpen van het graauw mij doen ontwaken.

„Neen, Sir, ik ben niet ongelukkig. Ik heb de kosten berekend, en ben volkomen bereid, om al het mijne in de dienst van God op te offeren. Ja, Sir, ik gevoel het gansche gewigt van het door mij aangeboden offer, terwijl ik mij hier verbind, om dezen strijd tot het uiterste vol te houden. (Vergeef deze tranen—zij vloeijen onwillekeurig, en niet om mij-zelven, maar om anderen). Maar ik word geroepen, om vader en moeder, en vrouw en kinderen, om Jezus wille te verzaken; en als Zijn verklaarde belijder ben ik daartoe gereed. Naar het mij toeschijnt is thans de tijd daar, om die verbindtenis na te komen, Sir, ik durf niet uit Alton wegvlugten. Zoo ik het beproefde, zou ik ondervinden, dat de Engel des Heeren, met zijn vlammend zwaard, mij overal vervolgde, waar ik henen ging. Omdat ik God vrees, vrees ik niemand van allen, die zich in deze stad tegen mij stellen. Neen, Sir, de strijd is hier begonnen, en moet hier voleindigd worden. Voor God en voor u allen verbind ik mij hier, om hem voort te zetten, zoo het noodig is, tot den dood toe. Zoo ik val, dan zal mijn graf in Alton gedolven worden.”

Lovejoy was welgemaakt van persoon, hoogst beschaafd in stem en manieren; en het pathos van deze laatste verklaring, met den edelsten eenvoud uitgesproken, roerde alle aanwezigen, en bragt een diep stilzwijgen te weeg. Het was een dier oogenblikken, waarin de gevoelens van een auditorium in de balans trillen, en één korrel ze naar deze of gene zijde kan doen overslaan. Zoo er in dat oogenblik een voorstel gedaan ware, om hem bijstand te verleenen, zou het zijn doorgegaan. De betoovering werd vernietigd door een anderen dienaar des Evangelies, die opstond en eene homilie uitsprak over de noodzakelijkheid eener schikking, terwijl hij Mr. Lovejoy aanbeval op het voorbeeld van Paulus te zien, die in eene mand uit een venster te Damascus was nedergelaten; alsof Alton eene heidensche stad onder eene despotische regering geweest ware! Nu de begoocheling eenmaal verbroken was, werd de Vergadering woelig en driftig, terwijl het alle mogelijke beschuldigingen op de abolitionisten regende. De Vergadering nam dedoor de commissie voorgestelde besluiten aan, en weigerde hare hulp tot handhaving der wet tegen wettelooze gewelddadigheid; en het gepeupel begreep zeer goed, dat men het zou laten begaan, ook wanneer het alles deed, wat het wilde. Daar het nu gebleken was, dat Mr. Lovejoy niet wijken zoude, was de ontwikkeling van de crisis der zaak te voorzien, wanneer zijne drukpers aan wal zou worden gebragt.

Gedurende de volgende drie dagen scheen er eene soort van reactie te komen. Men had een der invloedrijkste leiders van de menigte hooren zeggen, dat het vernielen van drukpersen nergens toe diende, en dat er geld genoeg in het Oosten was, om er zich nieuwe te bezorgen, en dat men de dweepers even zoo goed kon laten loopen.

Dit gaf de besluitelooze stedelijke autoriteiten eenigen moed, en de vrienden van de drukpers meenden, dat, zoo zij haar eenmaal aan wal, en veilig in het pakhuis van de heeren Godfrey en Gilman konden krijgen, de crisis ongemerkt zou voorbijgaan. Zij zonden derhalve eene expresse aan den kapitein om de landing der boot uit te stellen tot drie uren in den morgen, en na een vervelend wachten gingen de aanvoerders van het gepeupel naar huis; de pers kwam veilig aan land, en ieder dacht dat de onrust gelukkig voorbij was. Onder dien indruk verliet Mr. Beecher Alton, en keerde huiswaarts.

Wij zullen eenige uittreksels mededeelen uit het verhaal van Mr. Beecher, zijne laatste ontmoeting met Mr. Lovejoy in dien nacht vermeldende, waarin de pers aan land gekomen en geborgen was.

Kort na het bepaalde uur voor de landing der boot, stond Mr. Lovejoy op, en verzocht mij met hem te gaan zien wat de uitslag was. De maan was ondergegaan en het was nog donker, doch de dag begon aan te breken; en hier en ginds scheen een licht door het venster van de eene of andere ziekenkamer, of van iemand die zeer vroeg was opgestaan. De straten waren ledig en stil, en het geluid onzer voetstappen kaatste van de wanden terug die wij voorbij gingen. Weinig vermoedde hij op dat uur den strijd waarvan de volgende nacht getuige zou zijn; dat deze zelfde straten de kreten zouden weergalmen van een razend gepeupel, en met zijn hartebloed geverfd zouden worden.Wij vonden de boot aan wal, en de pers in het pakhuis, terwijl men bezig was met haar naar de derde verdieping te hijschen. Wij verheugden ons allen dat er geene volksbeweging had plaats gehad, en de pers in veiligheid was; en allen meenden nu, dat het gevaar voorbij was. Wij waren verzekerd, dat het pakhuis door zoo weinige menschen als wij persoonlijk in volksoploopen hadden bezig gezien, niet stormenderhand kon overweldigd worden; en al wilde de meerderheid der burgers de pers dan ook al niet helpen verdedigen, zoo vreesden wij toch niet, dat zij in een aanval op haar zouden mededoen. Die meening was zoo sterk, dat men zeer weinige menschen genoegzaam achtte, om de pers voortaan te bewaken; en men kwam overeen, dat het gezelschap in sectiën van zes man zou verdeeld worden, om bij toerbeurten des nachts de wacht te houden. Daar zij den ganschen nacht niet geslapen hadden, boden Mr. Lovejoy en ik ons aan, om ons tot aan den morgen met de bewaking der pers te belasten; en zij gingen huiswaarts.Weldra begon de morgen aan te lichten; en dien morgen zal ik nooit vergeten. Wie, die ooit aan de oevers van den magtigen stroom gestaan heeft, die toenmaals voorbij mij heenrolde, kan de verhevene aandoeningen vergeten, die zijn hart deden kloppen, terwijl hij in zijne verbeelding de kanalen van gemeenschap trok, door hem en zijne takken door de onbegrensde gewesten dezer westelijke wereld geopend? Ik dacht aan toekomstige eeuwen, en aan de ontelbare millioenen, die aan dezen trotschen stroom zouden wonen; en dat niets dan de waarheid hen zou vrij maken. Nimmer gevoelde ik zoo zeer de waarde van het regt, waarvoor wij streden, om die waarheid onbelemmerd te onderzoeken en onbevreesd te verkondigen. O, hoe verheven is de zedelijke magt! Door haar is het, dat God het heelal bestuurt. Door haar zal Hij de natiën bevrijden.Ik begaf mij naar het dak en beklom het hoogste punt van den muur. De naderende dag begon den hemel en de rivier te bepurperen, en de bedrijvige woeligheid van den ambachtsman begon zich reeds te laten hooren. Met vreugde staarde ik op de tooneelen beneden mij. Ik gevoelde, dat er zonder bloedstorting een veldslag voor God en de waarheid gewonnen was, en dat Alton van eeuwige schande bevrijdwas. En toen de langs hoe meer naderende dag den geheelen omtrek begon te verlichten, toen dacht ik aan die veel heilrijker zon, die thans aan de wereldkim begon te rijzen, en haar weldra in stroomen van schitterend licht zou doen baden.Ook broeder Lovejoy was gelukkig. Hij was niet in verrukking; hij was rustig en bedaard, doch zijn gelaat drukte het gevoel zijner ziel uit. Het was eene kalme en rustige vreugde, want Hij vertrouwde van God, dat de strijd gewonnen was, en dat de banier eener ontboeide drukpers over dien trotschen stroom golven zoude.IJdele hoop! Hoe spoedig zou zij in het graf eens martelaars begraven worden! IJdel, zeide ik? Neen: zij is niet ijdel. Hij spreekt nog, al is hij gestorven; en eene vereenigde wereld kan zijne stem nooit tot zwijgen brengen.

Kort na het bepaalde uur voor de landing der boot, stond Mr. Lovejoy op, en verzocht mij met hem te gaan zien wat de uitslag was. De maan was ondergegaan en het was nog donker, doch de dag begon aan te breken; en hier en ginds scheen een licht door het venster van de eene of andere ziekenkamer, of van iemand die zeer vroeg was opgestaan. De straten waren ledig en stil, en het geluid onzer voetstappen kaatste van de wanden terug die wij voorbij gingen. Weinig vermoedde hij op dat uur den strijd waarvan de volgende nacht getuige zou zijn; dat deze zelfde straten de kreten zouden weergalmen van een razend gepeupel, en met zijn hartebloed geverfd zouden worden.

Wij vonden de boot aan wal, en de pers in het pakhuis, terwijl men bezig was met haar naar de derde verdieping te hijschen. Wij verheugden ons allen dat er geene volksbeweging had plaats gehad, en de pers in veiligheid was; en allen meenden nu, dat het gevaar voorbij was. Wij waren verzekerd, dat het pakhuis door zoo weinige menschen als wij persoonlijk in volksoploopen hadden bezig gezien, niet stormenderhand kon overweldigd worden; en al wilde de meerderheid der burgers de pers dan ook al niet helpen verdedigen, zoo vreesden wij toch niet, dat zij in een aanval op haar zouden mededoen. Die meening was zoo sterk, dat men zeer weinige menschen genoegzaam achtte, om de pers voortaan te bewaken; en men kwam overeen, dat het gezelschap in sectiën van zes man zou verdeeld worden, om bij toerbeurten des nachts de wacht te houden. Daar zij den ganschen nacht niet geslapen hadden, boden Mr. Lovejoy en ik ons aan, om ons tot aan den morgen met de bewaking der pers te belasten; en zij gingen huiswaarts.

Weldra begon de morgen aan te lichten; en dien morgen zal ik nooit vergeten. Wie, die ooit aan de oevers van den magtigen stroom gestaan heeft, die toenmaals voorbij mij heenrolde, kan de verhevene aandoeningen vergeten, die zijn hart deden kloppen, terwijl hij in zijne verbeelding de kanalen van gemeenschap trok, door hem en zijne takken door de onbegrensde gewesten dezer westelijke wereld geopend? Ik dacht aan toekomstige eeuwen, en aan de ontelbare millioenen, die aan dezen trotschen stroom zouden wonen; en dat niets dan de waarheid hen zou vrij maken. Nimmer gevoelde ik zoo zeer de waarde van het regt, waarvoor wij streden, om die waarheid onbelemmerd te onderzoeken en onbevreesd te verkondigen. O, hoe verheven is de zedelijke magt! Door haar is het, dat God het heelal bestuurt. Door haar zal Hij de natiën bevrijden.

Ik begaf mij naar het dak en beklom het hoogste punt van den muur. De naderende dag begon den hemel en de rivier te bepurperen, en de bedrijvige woeligheid van den ambachtsman begon zich reeds te laten hooren. Met vreugde staarde ik op de tooneelen beneden mij. Ik gevoelde, dat er zonder bloedstorting een veldslag voor God en de waarheid gewonnen was, en dat Alton van eeuwige schande bevrijdwas. En toen de langs hoe meer naderende dag den geheelen omtrek begon te verlichten, toen dacht ik aan die veel heilrijker zon, die thans aan de wereldkim begon te rijzen, en haar weldra in stroomen van schitterend licht zou doen baden.

Ook broeder Lovejoy was gelukkig. Hij was niet in verrukking; hij was rustig en bedaard, doch zijn gelaat drukte het gevoel zijner ziel uit. Het was eene kalme en rustige vreugde, want Hij vertrouwde van God, dat de strijd gewonnen was, en dat de banier eener ontboeide drukpers over dien trotschen stroom golven zoude.

IJdele hoop! Hoe spoedig zou zij in het graf eens martelaars begraven worden! IJdel, zeide ik? Neen: zij is niet ijdel. Hij spreekt nog, al is hij gestorven; en eene vereenigde wereld kan zijne stem nooit tot zwijgen brengen.

Het einde van het treurspel is spoedig verhaald. Eene vrijwillige compagnie, waartoe Lovejoy behoorde, vormde zich onder denmayor, tot bescherming der wet. Den volgenden avond, om tien uren, bestormde het gepeupel het gebouw. Het pakhuis bestond uit twee steenen gebouwen in één blok, met deuren en vensters aan beide einden, maar zonder vensters aan de zijden. Het dak was van hout. Gilman opende de eind-deur van de derde verdieping, en vroeg wat men verlangde. Zij eischten de pers. Hij weigerde haar over te leveren, en verzocht hen ernstig, zich zonder gewelddadigheden te verwijderen, met de verzekering dat, nadien het eigendom aan hunne bewaring was toevertrouwd, zij het met gevaar van hun leven zouden verdedigen. Na eenige vruchtelooze pogingen, schreeuwde het gepeupel, dat men het dak zou in brand steken. Mr. Lovejoy begaf zich met eenige anderen naar buiten, om het voor dien aanval te beveiligen, en werd door iemand uit den hoop voorbedachtelijk ter neder geschoten. Na deze verwonding behield hij nog naauwelijks kracht genoeg, om naar het pakhuis terug te keeren, klom ééne verdieping op, viel, en blies den adem uit.

Die binnen waren, beproefden nu te capituleren, doch dit werd al vloekende door het graauw geweigerd, dat het pakhuis dreigde te verbranden, en hen neder te schieten, zoo zij er uit kwamen. Ten laatste werd het gebouw werkelijk inbrand gestoken, en zij vlugtten naar buiten, terwijl het gepeupel op hen vuurde. Zoo eindigde het Altonsche treurspel.

Toen de edele moeder van Lovejoy zijn dood vernam, zeide zij: „Het is wel. Liever had ik, dat hij zóó stierf, dan dat hij zijne beginselen verzaakte!” Zoo lang het zulke moeders bezit, is Amerika nog niet verloren. Was zij niet gezegend, die zulk een zoon op dusdanige wijze kon afstaan? Wie was die vrouw, welke God voor de gezegendste onder de vrouwen verklaarde? Was zij het niet, die haren dierbaarste zag kruisigen? Zoo geheel anders ziet God, dan de menschen!

1Deze zoo schoone dichterlijke beschrijving van den „Leviathan” is getrokken uit het 40steen 41stehoofdstuk van Job.Vertaler.

1Deze zoo schoone dichterlijke beschrijving van den „Leviathan” is getrokken uit het 40steen 41stehoofdstuk van Job.

Vertaler.


Back to IndexNext