Hoofdstuk I.De invloed der Amerikaansche kerk op de slavernij.Er is geen land in de wereld, waar de godsdienstige invloed een grooter gezag uitoefent, dan in Amerika. Er is geen land, waar de geestelijkheid eene grootere magt bezit. Dit is te opmerkelijker, omdat in Amerika de godsdienst geheel van den Staat is afgescheiden, en de geestelijken geen dier kunstmatige middelen bezitten, om eenen invloed, die uit rang en rijkdom ontstaat, te doen gelden. Als eene klasse van menschen beschouwd, is de Amerikaansche geestelijkheid, over het algemeen, arm. De aan hare leden toegelegde bezoldigingen leveren niets meer dan het gewone levens-onderhoud op, en verschaffen hen geene middelen tot verkrijging van eigendom. Hunne levenswijze kan welvoegelijk en fatsoenlijk, doch ook niet meer zijn. De daadzaak dat, onder deze omstandigheden, de Amerikaansche geestelijkheid waarschijnlijk de vermogendste klasse van menschen in het land is, doet van zelve reeds een zeer gunstig vermoeden van haar opvatten. Als klasse beschouwd, mag men haar dan ook een zoowel verstandelijk als zedelijk overwigt toekennen.Het is eene welbekende daadzaak, dat de invloed der geestelijkheid, door onze staatsmannen als een zeer gewigtig bestanddeel bij de vorming hunner staatkundige berekeningen beschouwd wordt; en die invloed is zoo groot, dat geen staatsman het ooit wagen zoude, een maatregel door te drijven, waartegen de geheele geestelijkheid des lands zich aankantte. Zulk een graad van magt, al is zij ook enkel eene magt van opinie, redenering en voorbeeld, is niet zonder gevaar voor de reinheid van eenige klassen van menschen. Door staatkundige hoofden gevleid te worden, is altoos iets gevaarlijks voor de regtschapenheid en geestelijke gezindheid van menschen, die betuigen door grondbeginselen bestuurd te worden,welke niet van deze wereld zijn. Ook sluit het bezit eener zoo aanzienlijke magt, als wij beschreven hebben, eene zeer gewigtige verantwoordelijkheid in; dewijl, wanneer de geestelijkheid het vermogen bezit, om de eene of andere groote nationale onzedelijkheid te doen ophouden, de daadzaak, dat zij zulks niet doet, de zonde der nalatigheid in zeker opzigt op haar schijnt te doen nederkomen.Wij hebben, tot dusverre, van de geestelijkheid alleen gesproken; doch in Amerika, waar de geestelijke, in de meeste gevallen, door de Kerk verkozen, en door hare vrijwillige bijdragen onderhouden wordt, is de invloed van de Kerk, en die van de geestelijkheid, voor een zeer groot gedeelte, ééne en dezelfde. De geestelijkheid is het wezenlijk ideaal en de uitdrukking van de Kerk. Zij kiest en behoudt hem, omdat hij volkomener dan eenig ander, dien zij zou kunnen bekomen, hare denkbeelden van regt en waarheid uitdrukt. In allen gevalle moet de geestelijke door zijne Kerk onderhouden worden, zal hij zijne stelling in haar kunnen bewaren. De daadzaak, dat hij die bewaart, is over het algemeen een bewijs van beider eenheid van gevoelens, dewijl zij, zoo hij tot op eene aanmerkelijke hoogte van haar verschillen mogt, de magt heeft om hem te ontslaan, en een’ anderen te verkiezen.De invloed van een geestelijke, die op deze wijze door de vrije bewilliging van het verstand en hart zijner Kerk behouden wordt, is in sommige opzigten grooter, dan zelfs die van een Roomschen priester. De priester kan slechts door eene blinde geestelijke oppermagt heerschen, waartegen, zeer dikwijls, de rede haren twijfel inbrengt, terwijl zij eene uitwendige toestemming geeft; doch de gelukkige vrije leeraar maakt zich van de neigingen des harten door zijne eigene neigingen meester; overreedt het verstand door sterkere redeneerkracht; en terwijl hij aldus neiging, rede, geweten, en den geheelen mensch te baat neemt, ontleent hij uit de vrijheid der organisatie zelve, het bezit eener magt, grooter dan ooit uit een blind geestelijk despotismus kan voortvloeijen. Als een predikant hierin niet eenigermate in zijne gemeente slagen kan, noemt men hem onvoorspoedig; en hij die aan de verwezenlijking dezer beschrijving het meest nabij komt, bezit de hoogste en volkomenste soort van magt, en drukt het denkbeeld van een voorspoedig’ Amerikaansch’ predikant uit.Over dit onderwerp sprekende, zullen wij derhalve de Kerk en de geestelijkheid als vereenzelvigd beschouwen; het woord „Kerk,” in den Amerikaanschen zin van dat woord, bezigende voor die klasse van menschen, van alle benamingen, die, van naam-christenen onderscheiden, als betuigende werkelijk door de voorschriften van Christus geregeerd te worden, in ligchamengeorganiseerdzijn.Welke is dan de invloed van de Kerk op deze groote slavernij-kwestie?Zekere dingen laten zich reeds op de oppervlakte der zaak bespeuren. Die invloed namelijk heeft:1o. de slavernij niet doen ophouden;2o. er de toeneming niet van verhinderd;3o. de herroeping der wetten niet veroorzaakt, die de opvoeding der slaven verbieden;4o. geene daarstelling van wetten beproefd, die de scheiding der familiën verhinderen, en het huwelijk der slaven wettigen;5o. geen einde gemaakt aan den binnenlandschen slavenhandel; en6o. de uitbreiding van dit systeem, met alle zijne onregtvaardigheden, over nieuw aangewonnen landstreken niet verhinderd.Ten opzigte van deze stellingen zal er wel geen verschil van gevoelen kunnen bestaan.Wat is er dan gedaan?In antwoord hierop kan worden bevestigd:1o. Dat nagenoeg alle hoofdsecten of benamingen, te dezen of genen tijde, als zedelijke ligchamen beschouwd, eene besliste afkeuring van het systeem hebben uitgedrukt, en aangedrongen, dat er iets tot zijne afschaffing gedaan wierd.2o. Dat ééne benaming van christenen inzonderheid dat doel als uitsluitend ter harte genomen, en elk harer leden van eenig aandeel in slavenbezit getracht heeft te bevrijden. Wij bedoelen de kwakers. De wijze, waarop dat doel bereikt is geworden, zal de inhoud van een vlugschrift uitmaken, dat weldra door een lid hunner gemeente, den dichter J. G. Whittier, zal worden in het licht gegeven.3o. Dat individueele leden van alle benamingen, door den geest des Christendoms bezield, op verschillende wijzen tegen de slavernij hebben geprotesteerd.Thans zal het niet ongepast zijn, de door sommige der voornaamste kerkelijke ligchamen, nopens dit onderwerp uitgedrukte gevoelens meer bepaaldelijk en in de bijzonderheden te beschouwen.Het is regtmatig, dat door de schrijfster de bronnen worden aangewezen, waaruit de aanhalingen geput zijn. Dezulke, die betrekking hebben tot de handelingen van kerkelijke ligchamen in de Zuidelijke Staten, zijn voornamelijk getrokken uit een vlugschrift van den heer James G. Birney, getiteld: „De Kerk, het bolwerk der slavernij.” De schrijfster vervoegde zich bij een brief aan den heer Birney, waarin zij opgaven der door hem gebezigde bronnen verzocht. Zijn antwoord was, hoofdzakelijk, als volgt: dat het vlugschrift zoowel uit oorspronkelijke documenten was zaâmgesteld, als uit de kolommen der nieuwspapieren, die de gebeurtenissen vermeld hadden, tijdens zij waren voorgevallen. Het werd, in 1842, in Engeland vervaardigd en uitgegeven, met het doel, om het publiek aldaar een juist begrip te doen opvatten van den toestand der Amerikaansche Kerk en geestelijkheid. Mr. Birney zegt, dat het hem niet bewust is, dat ééne enkele der aangevoerde stellingen, hoezeer ook al zulk een geruimen tijd voor het oog der wereld geweest, ooit betwist is geworden; en dat hij, bewust van haren buitengewonen aard, zich de uiterste moeite getroost heeft, om er de authenticiteit van buiten twijfel te stellen.Wij beginnen met die der Zuidelijke Staten.1. De Presbyteriaansche Kerk.„Harmony Presbytery” van Zuid-Carolina.Nademaal vele personen in Schotland en Engeland, en andere in het noorden, oosten en westen onzes lands, de slavernij hebben aangeklaagd, als strijdig met Gods wetten, en sommigen hunner aan de Algemeene Vergadering onzer Kerk, en aan het Congres van de natie, memoriën en verzoekschriften hebben ingediend, met het erkende doel, om de slavenhouders in ongunst te brengen, en de betrekking tusschen meester en slaaf te vernietigen; en dewijl het uit de voormelde handelingen, zoowel als uit de daartoe betrekkelijke grondstellingen, redeneringen en omstandigheden, tenduidelijkste blijkt, dat deze personen „niet weten wat zij zeggen, noch waarvan zij getuigen;” en benevens die onwetendheid een geest van eigengeregtigheid en uitsluitende heiligheid openbaren, enz.1.Is besloten, dat, dewijl het koningrijk onzes Heeren niet van deze wereld is, Zijne kerk, als zoodanig, geen regt heeft, om eenige staatkundige of burgerlijke wet of instelling van menschen te vernietigen, te veranderen of te wijzigen, enz.2.Is besloten, dat de slavernij bestaan heeft van de dagen dier goede oude slavenhouders en aartsvaders, Abraham, Isaäc en Jacob (die nu in het koningrijk der hemelen zijn) af aan, tot op den tijd, wanneer de apostel Paulus een weggeloopen slaaf tot zijnen meester Philemon terug zond, en een Christelijken en broederlijken brief, die in den canon der Schriften vervat is, aan dien slavenhouder schreef; en dat de slavernij ook na de dagen des apostels bestaan heeft, en nog bestaat.3.Is besloten, dat aangezien de wederzijdsche pligten van meester en slaaf in de Schriften geleerd worden, op dezelfde wijze, als die van ouder en kind, en van echtgenoot en vrouw, het bestaan der slavernij zelve niet tegen den wil van God gekant is; en dat hij die een te teeder geweten bezit, om deze betrekking als wettig te erkennen, „al te regtvaardig” en „wijs is boven hetgeen geschreven staat;” en dat hij den hals onder het juk van menschen gebogen, zijne christelijke vrijheid des gewetens opgeofferd, en Gods onfeilbaar Woord voor de meeningen en gevoelens der menschen verlaten heeft.„The Charleston Union Presbytery.”Het is in het oog dezer vereeniging een uitgemaakt beginsel, dat de slavernij, zoo als zij bij ons bestaat, eene staatkundige instelling is, waarmede aan kerkelijke overheden geen het minste regt van bemoeijenis toekomt; en dat in betrekking tot dezen, elke zoodanige bemoeijenis, voornamelijk onder de thans aanwezige crisis, eenzedelijk kwaadzijn zoude, met de gevaarlijkste en noodlottigste gevolgen bezwaard.De dooronsgehandhaafde gevoelens,in gemeenschap met christenen van alle benamingen in de Zuidelijke Staten, zijn gevoelens, die door ons geweten zoo volmaakt worden goedgekeurd, en zoo vereenzelvigd zijn met onze heiligste gevoelens van pligt, dat wij die onder alle omstandigheden zouden volhouden.Is besloten, dat naar het gevoelen van deze „Presbyters”, het houden van slaven, wel verre van eeneZONDEin Gods oog te zijn, nergens in Zijn heilig woord veroordeeld wordt; dat het in overeenstemming is met het voorbeeld, of bestaanbaar met de voorschriften van aartsvaders, apostelen en profeten; en dat het even zoo min in strijd is met de broederlijkste beschouwing van het welzijn dier dienstknechten, welke God aan onze zorgen heeft aanbevolen.DeNew SchoolPresbyteriaansche kerk in Petersburg (in den staat van Virginië) nam, den 16 November 1838, het volgende besluit:Nademaal de Algemeene Vergadering, in den jare 1818, eene wet heeft doen doorgaan, bepalingen opzigtelijk de slaven behelzende welke onbestaanbaar zijn met onze burgerlijke instellingen, en daarbij plegtig verklaard wordt dat de slavernij eene zonde jegens God is; eene wet, evenzeer honende als beleedigende voor de geheele zuidelijke gemeente:1.Is besloten, dat wij, als slavenhouders, niet langer in betrekking kunnen blijven met eenige kerk, waar eene wet bestaat die aan slaven het regt toekent om hunne meesters voor het kerkelijk regtsgebied te betrekken,al ware het ook voor de handeling van hen, zonder hunne vooraf gevraagde en verkregene toestemming, te verkoopen.2.Is besloten, dat, aangezien het Groote Opperhoofd der Kerk de betrekking vanmeester en slaaferkend heeft, wij naar ons geweten gelooven, dat de slavernij geene zonde jegens God is, zoo als door de Algemeene Vergadering is verklaard geworden.Dit zal genoeg zijn om het gevoelen der Zuidelijke Presbyteriaansche Kerk te doen blijken. De volgende uittreksels raken de gevoelens van de Kerken der Baptisten. In 1835 boodde Vereeniging der Baptisten te Charleston aan de Wetgevende Vergadering van Zuid-Carolina een memorie aan, waarin het volgende voorkomt:Wijders geven de ondergeteekenden te kennen, dat gezegde Vereeniging niet van gevoelen is dat de Heilige Schriften de zaak der slavernijin het geheel tot een zedelijk vraagstuk gemaakt hebben. De Goddelijke Stichter onzer heilige godsdienst, in het bijzonder, vond de slavernij, als een gedeelte der bestaande maatschappelijke instellingen aanwezig, waarin het zijn doel niet waszich te mengenwanneer zij niet zondig waren, maar ze ten eenemale aan het bestuur der menschen over te laten. Zulks dan als eene vrijgelatene maatschappelijke schikking beschouwende, betrok hij tot het gebied zijner godsdienstleer alleenlijk de voorschriften der wederzijdsche verpligtingen dezer betrekking. De vraag, zoo als wij gelooven, is eene zuivere vraag van staats-economie. Zij bepaalt zich inderdaad tot deze: „Of de leden der arbeidende klasse van een land gekocht en verkocht, en, zoo als in dezen Staat het geval is, zelve een eigendom zullen worden; dan wel of zij huurlingen, en alleen hun arbeid eigendom zal worden, zoo als in sommige andere Staten.”Met andere woorden: Of een gebruiker den geheelen tijd der arbeiders op eenmaal koopen mag van hen die regt hebben om daarover te beschikken, met eene voortdurende betrekking van bescherming en verzorging over die arbeiders; dan wel of het hem slechts vergund zal zijn, dien tijd bij zekere gedeelten te koopen, met onderwerping aan hunne beoordeeling, en met geene zoodanige voortdurende verpligting van bescherming en verzorging.Het regt der meesters om over den tijd van hunne slaven te beschikken, is door den Schepper aller dingen uitdrukkelijk erkend, die voorzeker de vrijheid heeft om aan zulk eenen als Hem behaagt, het regt van eigendom over zeker voorwerp te schenken. Dat de wettige bezitter dit regt naar willekeur behoude, strijdt niet meerder tegen de wetten der maatschappij en goede zeden, dan dat hij de persoonlijke gaven behoude waarmede zijn Schepper hem gezegend heeft, of het geld en de landerijen, van zijne voorouders geërfd, of door eigene vlijt verkregen; en noch maatschappij noch ondeelbaren hebben in het eenegeval een meerder regt om een afstand zonder vergoeding te eischen, dan in het andere.En nademaal de vraag zuiver staathuishoudkundig is, en eene zoodanige welke in dit land tot de kennisneming der onderscheidene Staatsbesturen behoort, gelooven wij wijders dat de Staat van Zuid-Carolina alleen het regt heeft om het bestaan en den toestand der slavernij binnen de grenzen van haar grondgebied te regelen; terwijl wij aan elke inbreuk op dat regt, van waar of onder welk voorwendsel dan ook, den uitersten tegenstand zullen bieden.De Methodistische kerk bevindt zich, in sommige opzigten, met betrekking tot dit onderwerp, op een eigenaardig standpunt, omdat hare verordening en regelen van kerkelijke tucht de hevigste beschuldigingen tegen de slavernij bevatten, waarvoor de taal vatbaar is, met de dringendste eischen dat alle hare leden, die slaven houden, gecensureerd zullen worden; en deze aanklagten en eischen zijn door hare Algemeene Conferentie bevestigd geworden.Het scheen derhalve noodzakelijk dat de Zuidelijke Conferentie eenige kennis van deze daadzaak nam; hetwelk zij dan ook, met groote koelheid en duidelijkheid, op de volgende wijze deed:De Jaarlijksche Conferentie vanGeorgia:Heeft eenstemmig besloten, dat, nademaal er een artikel in onze kerkelijke verordening is, waarin gezegd wordt dat wij zoo zeer als ooit overtuigd zijn van het groote kwaad derslavernij; en nademaal het gezegde artikel door sommigenverdraaid, en op zoodanige wijze gebezigd is als om het begrip te doen ontstaan dat de Methodistische Episcopale kerk deslavernijals eenzedelijk kwaadbeschouwde;Is, dien ten gevolge,besloten, dat het gevoelen der Jaarlijksche Conferentie vanGeorgiamedebrengt, dat de slavernij, zoo als zij in de Vereenigde Staten aanwezig is,geen zedelijk kwaad is.Is besloten, dat wij de slavernij als eene burgerlijke en huiselijke instelling beschouwen, en als eene zoodanige, waarmede wij, als dienaars van Christus, niets anders tedoen hebben, dan den toestand van den slaaf te verbeteren, door te trachten hem en zijn meester met den heilrijken invloed der godsdienst van Christus te doordringen, en beiden op hunne weg ten hemel behulpzaam te zijn.Op het gedane voorsteliseenstemmigbesloten, dat de Jaarlijksche Conferentie vanGeorgiamet gevoelens van diepen eerbied en goedkeuring de dooronze onderscheidene superintendenten, of bisschoppen, gevolgde waardige handelwijze beschouwt,in het onderdrukkender pogingen, die door velen zijn aangewend om in kerk en staat eene beweging ten gunste van hetabolitionismuste wekken.Is, wijders,besloten, hen onze hartelijke en ijverige ondersteuning in de door hen opgevatte taak, toe te zeggen.Conferentie van Zuid-Carolina.De eerwaarde W. Martin heeft gelijksoortige besluiten als die van de Conferentie vanGeorgiavoorgesteld.De eerwaarde W. Capers, na zijne overtuiging te hebben uitgedrukt dat „het in de besluiten geopenbaarde gevoelen niet alleen door de leeraars van deze Conferentie, maar door het geheele Zuiden algemeen omhelsd wordt;” en na beweerd te hebben dat de eenige ware leer deze was: „het gaat Caesar, en niet de kerk aan” stelde hij het navolgende als een plaatsvervangend besluit voor:Nademaal wij van gevoelen zijn dat het onderwerp der slavernij in deze Vereenigde Staten niet tot de handelingen der Kerk, maar uitsluitend tot die der burgerlijke besturen behoort;Hebben wij, derhalve,besloten, dat deze Conferentie zich niet verder met de zaak bemoeijen zal, dan om ons leedwezen te betuigen dat zij ooit, onder welken vorm ook, tot eenig kerkelijk regtsgebied is betrokken geworden.Broeder Martin heeft het plaatsvervangend besluit goedgekeurd.Broeder Betts heeft gevraagd of het plaatsvervangend besluit kon geacht worden te bedoelendat de slavernij, zoo als zij onder ons bestaat, geen zedelijk kwaad was? Hij beschouwde het als met zulk eene verklaring gelijk staande.Broeder Gapers antwoordde,dat het zijne meening was, dat gevoelen volledig en ondubbelzinnig uit te drukken; en dat hij den vorm van een besluit gekozen had,niet alleen met het doel om eenige onregelmatige handelingen in het Noorden te bestraffen, maar ook met betrekking tot de Algemeene Conferentie. Indien de slavernij eenzedelijk kwaad(dat is,zondig) ware,alsdan zou de Kerk verpligt zijn er kennis van te nemen; doch onze overtuiging is, dat dit geene zaak is die tothaarregtsgebied behoort, maar dat zij uitsluitend aan hetburgerlijk gezagtoekomt, enbijgevolg niet zondigis.Het plaatsvervangend besluit werd dus eenstemmig aangenomen.In 1836 hield een Episcopaalsch geestelijke in Noord-Carolina, Freeman geheeten, in tegenwoordigheid van zijnen bisschop (de eerwaarde Levi S. Ives, Theol. Dr., een inboorling van een der vrije staten) twee leerredenen over de regten en pligten der slavenhouders. In dezen beproefde hij de slavernij, van blanken en zwarten beide, uit den Bijbel te regtvaardigen, en beweerde dat „zonder eene nieuwe openbaring uit den hemel, niemand bevoegd was om de slavernijONREGTte noemen.” De leerredenen werden in een vlugschrift gedrukt, voorafgegaan door een brief aan Mr. Freeman van den Bisschop van Noord-Carolina, waarin hij betuigde dat hij „met ongeveinsd en bijzonder genoegen” de leerredenen had aangehoord, en de openbaarmaking er van aanried, „als thans hoogst noodzakelijk.”„Het Protestantsche Episcopaalsche genootschap tot bevordering van het Christendom (!) in Zuid-Carolina” achtte een herdruk van Mr. Freeman’s vlugschrift nuttig, alseen godsdienstig tractaat!Toen naderhand de aanwinst van den nieuwen Staat van Texas de organisatie der Bisschoppelijke kerk aldaar noodzakelijk maakte, werd deze Mr. Freeman tot Bisschop van Texas benoemd.Nu zou de vraag kunnen ontstaan—en bij elken verstandigen denker onder het Christendom moet zij wel ontstaan:—kan het mogelijk zijn dat de slavernij in Amerika, zoo als zij door de wetten van dat land, en door de beslissingen zijnergeregtshoven omschreven, alle de vreeselijke misbruiken insluit die de wetten erkennen en bekrachtigen;—kan het mogelijk zijn, dat zij als eene regtmatige en gepaste instelling beschouwd wordt? Beschouwen deze Christenen alleenlijk de slavernij in het afgetrokkene, als eene instelling, die, onder eene gepaste wetgeving, goed zou kunnen worden, of verdedigen zij haar,zoo als zij thans in Amerika bestaat?Het is eene daadzaak, dat er in het Zuiden eene groote partij bestaat, die niet alleen de slavernij in het afgetrokkene verdedigt, maar ook de slavernij, zoo als zij in Amerika bestaat, in haar geheel en in hare deelen, de ergste misbruiken zelfs daarbij ingesloten.Uit het systeem kunnen vier gedeelten of gevolgen wettig worden afgeleid, die ten uiterste snood en afschuwelijk zijn.Het zijn deze:1.Het verbod van het getuigenis der kleurlingen in regtszaken.2.Het beletten der opvoeding.3.De binnenlandsche slavenhandel.4.De daaruit voortvloeijende scheiding der familiën.Wij zullen de bewijzen aanvoeren dat elk dezer punten, òf als grondstelling verdedigd, òf zonder afkeuring erkend is geworden, het zij door beslissingen van kerkelijke vergaderingen, het zij door schriften van invloedrijke geestelijken, zonder dat, door de ligchamen waartoe zij behooren, eenige afkeurende uitdrukking nopens hunne gevoelens is gebezigd geworden.In de eerste plaats, de uitsluiting van het getuigenis der kleurlingen in kerkelijke zaken. In 1810 werd door de Algemeene Conferentie van de Methodistische Episcopale kerk, het volgende besluit genomen:—”Dat het voor elken predikant onvoegzaam en onverdedigbaar is, aan kleurlingen het geven van getuigenis tegen blanken te vergunnen, in eenigen Staat waar hen dat voorregt door de wet ontzegd is.”Dit geschiedde alvorens de Methodistische kerk, zoo als zij later deed, zich ten gevolge der slavernij-kwestie, in Noordelijke en Zuidelijke Conferentiën gescheiden had. Zoowel Noordelijke als Zuidelijke leden stemden vóór het besluit.Nadat zulks was voorgevallen, ontwaakte het geweten van vele noordelijke predikanten, en verlangden zij eene nadere overweging. De zuidelijke leden daarentegen eischten op gebiedenden toon dat het besluit vast en onveranderd zou blijven.De geest der discussie moge uit het volgende uittreksel blijken.Mr. Peck, uit New-York, die de nadere overweging van het besluit had voorgesteld, drukte zich aldus uit:Dat besluit (zeide hij) was onder eigenaardige omstandigheden, in een tijdstip van opgewekte hartstogten, genomen, en hij had er vóór gestemdals een vrede-offer jegens het Zuiden, zonder de kracht der gebezigde bewoordingen naauwkeurig genoeg te overwegen; maar, na een weinig nadenkens was hij droevig geworden; en hij was maar eenmaal droevig geweest, en dat was den geheelen tijd; hij was overtuigd dat, zoo dat besluit in het register bleef,het voor de geheele noordelijke Kerk noodlottig zou worden.De Eerwaarde Dr. J. A. Few, van Georgia, de voorsteller van het oorspronkelijke besluit, stond nu op. Wat ik thans laat volgen, zijn uittreksels uit zijne rede. De onderhalingen zijn van mij.Ziet wat gij doet! Wat verklaart gij ons daar, zoo gij dezen weg op wilt! Wel, eenvoudig, zoo veel als: „wij kunnen u niet handhaven in den toestand dien gij niet vermijden kunt!” Wij kunnen u niet handhaven in denoodzakelijke voorwaardenvan het slavenbezit; één diernoodzakelijke voorwaardende verwerping van het getuigenis der kleurlingen zijnde! Zoo het niet zondig is slaven te houden, onder alle omstandigheden,dan is het ook niet zondig, ze onder de eenigste voorwaarde en onder de eenigste omstandigheden te houden, waaronder het mogelijk is ze te houden. De verwerping van het getuigenis der kleurlingen is een der noodzakelijke voorwaarden waaronder het slavenbezit bestaan kan; zoo als het dan ook, inderdaad, volstrekt onmogelijk is, dat het zonder dezelve besta; weshalve het niet zondig is, slaven te houdenonder de voorwaarden en omstandigheden waaronder zij in het Zuiden gehouden worden, in zooverre zij onder geene andere omstandigheden kunnen gehouden worden. *** Zoo gij gelooft dat het slavenbezit noodzakelijk zondig is, dan gelooft gij ook noodwendig dat wij zondaars zijn; en, is dit zoo, verklaar het dan rond enopenlijk,en laten wij van u scheiden. *** Wij behooren duidelijk, naauwkeurig en rondborstig de stelling te weten die gij nemen zult. Wij kunnen ons niet langer aan uwe bemoeizucht onderwerpen. Wij hebben er genoeg van gekregen. Uwe ziekelijkesympathieënvervelen ons. *** Zoo gij niet gekant zijt tegen de grondbeginselen die er in liggen opgesloten, vereenigt u dan met ons,als eerlijke lieden, en gaat huiswaarts, en ziet de gevolgen onbeschroomd onder de oogen. Wij zeggen het nogmaals, gij zijt voor dezen staat van zaken verantwoordelijk; want gij zijt het die ons tot het verontrustende punt gedreven hebt, waar wij ons bevinden. ***Gijhebt dat besluit volstrekt noodzakelijk gemaakt voor de rust van het Zuiden! Maarthansherroept gij dat besluit! En gij trekt den Rubicon over! Laat ik niet misverstaan worden. Ik zeg,gijtrekt den Rubicon over! Zoo gij herroept, dan herroept gij ook het grondbeginsel dat het besluit medebrengt, en gij stelt het geheele Zuiden tegen u in slagorde,en wij moeten scheiden! *** Zoo gij de beginselen toestemt, die het in zich sluit, en noodwendig in de zaak liggen opgesloten, houdt ze dan ook vast, „al zouden de hemelen vergaan!” Maar, zoo gij op herziening blijft aandringen, dan vraag ik, in welk een daglicht uwe handelwijze in het Zuiden zal beschouwd worden? Welk besluit zal men er ginds uit trekken? Wel, dat gij ons niet dulden kunt, zoo lang als wij slaven houden! Voor het aangezigt der zon zal het besluit verklaren: „wij kunnen u niet dulden, mijne heeren, dewijl gij uwe slaven behoudt!” Uw verzet tegen het besluit is gegrond op uw verzet tegen de slavernij; gij kunt, derhalve, uwe stelling niet bewaren, tenzij gij u onder de abolitionisten schaart, en ons eenmaal en voor altoos veroordeelt, of tenzij gij de herziening van het besluit weigert.Het besluit bleef derhalve in kracht, met een ander besluit als aanhangsel, hetwelkde onverminderde belangstelling der Algemeene Conferentie voor de bevolking der kleurlingenuitdrukte.Het is allerduidelijkst dat zijonverminderd was, om de beste der redenen. Dat de bevolking der kleurlingen juist niet zeer van dankbaarheid over deze inschikkelijkheid doordrongen was, blijkt uit de daadzaak dat „the official members of the Sharpstreetand Ashby Coloured Methodist Church in Baltimore,” tegen de motie protesteerden en petitioneerden. Het navolgende is een uittreksel uit hun adres:De aanneming van zulk een besluit door onze hoogste kerkelijke regtbank—eene regtbank, zamengesteld uit de wijste en ervarenste broederen in de kerk, de uitverkoren bloem van acht en twintig Conferentiën,—heeft, zoo wij vreezen, eene onherstelbare schade gedaan aan 80,000 zielen waarvoor Christus gestorven is;—zielen die, door deze daad uwer vergadering, van de waardigheid van Christenen beroofd, op den trap der menschheid vernederd, en als misdadigers behandeld zijn geworden, om geene andere reden dan de kleur hunner huid! Uw besluit heeft, naar ons nederig gevoelen,krachtigverklaard, dat eene bloot natuurkundige eigenaardigheid, het handenwerk van onzen alwijzen en weldadigen Schepper, op het eerste aanzien een blijk oplevert van onbekwaamheid om de waarheid te spreken, of een onfeilbaar teeken is van onwaardigheid om getuigenis tegen een medeschepsel te geven, welks huid wit genoemd wordt. ***Broeders, uit den overvloed van ons hart hebben wij gesproken.Onze kwelling is voor u!Zoo gij eenig belang stelt in de verlossing van de 80,000 onsterfelijke zielen, die aan uwe zorg zijn toevertrouwd; zoo gijvijf en twintig honderd zielen in deze stad, met den wil bezield om de Kerk die hen gekoesterd en opgevoed heeft, nooit te verlaten, niet buiten die Kerk wilt stooten; zoo gij ons als kinderen van éénen en denzelfden Vader beschouwt, en, na rijpe overweging, met ons als leden van het ligchaam van Christus sympathiseren kunt;—zoo gij de vreeselijke, de geduchte verantwoordelijkheid niet op u laden wilt van niet slechts één, maar vele duizenden dezer „kleinen” te ergeren,—zoo smeeken wij u om het hatelijke besluit dat ons volk verwoest, uit het register uwer handelingen weg te schrappen.„Een Baltimoorsch kleurling”, aan den uitgever van denWachter Sionsschrijvende, zegt:Dit adres werd aan een der secretarissen, een afgezondenevan de Baltimoorsche Conferentie, overhandigd, en gevolgelijk door hem aan de bisschoppen ter hand gesteld. Hoe velen der leden van de Conferentie het gezien hebben, weet ik niet. Eén ding is zeker:het werd niet aan de Conferentie voorgelezen.Met betrekking tot het tweede punt—de verdediging der wetten, die den slaaf verbieden lezen en schrijven te leeren—hebben wij het volgende voorbeeld:—In den jare 1835 rigtte de „Chillicothe Presbytery, Ohio,” een Christelijk vertoogschrift aan de Presbytery van Mississippi, waarin uitdrukkelijk de oogpunten vermeld worden, waaruit zij de slavernij als onchristelijk beschouwt. Het achtste dier punten luidde als volgt:Dat eenig lid onzer kerk, die ten voordeele zal spreken of pleiten van zoodanige reeds bestaande of nog in te voeren wetten, die ten doel hebben de slaven in onwetendheid te houden, en hen te beletten het woord Gods te leeren lezen, zich schuldig maakt aan eene zware zonde, en daarvoor, als voor andere schandelijke misdaden, behoort gestraft te worden.Dit vertoogschrift werd door den eerw. James Smylie, gevestigd geestelijke van de Mississippi Presbytery, en later van de Amity Presbytery van Louisiana, in een vlugschrift van zeven en tachtig bladzijden beantwoord, waarin hij de slavernij in het algemeen en in het bijzonder verdedigt, op dezelfde wijze waarop alle andere misbruiken altoos zijn verdedigd geworden—met het woord van God. De tiende afdeeling van dit vlugschrift is aan de verdediging dezer wet gewijd. Hij wijdt zeven klein gedrukte bladzijden aan dit onderwerp. Hij zegt (pag. 63):In de beide Staten, Mississippi en Louisiana, bestaan er wetten, met zware strafbedreigingen vergezeld, die verbieden de slaven te leeren lezen,en die de goedkeuring wegdragen van het Godsdienstige gedeelte der denkende ledematen.Iets verder voegt hij er bij:De wetten die den slaven verbieden te leeren lezen, zijn eene vruchtbare bron van veel onwetendheid en onzedelijkheid onder de slaven. Het drukken, uitgeven en verspreiden van abolitie- en emancipatie- ademende grondbeginselen in deze Staten, was de oorzaak van het doorgaan dier wetten.Nu gaat hij verder, en zegt dat de onwetendheid en zedeloosheid die het gevolg dier wetten zijn, eigenlijk niet ten laste komen van hen die de wetten gemaakt hebben, maar van hen wier leerstellingen van emancipatie ze noodzakelijk gemaakt hebben. Over deze gevolgen van onwetendheid en ondeugd sprekende, zegt hij:Op wien komen zij neder? Zoo gij mij vergunnen wilt deze vraag te beantwoorden, dan beantwoord ik haar aldus: Op zulke groote en goede mannen als John Wesley, Jonathan Edwards, Bisschop Porteus, Paley, Horsley, Scott, Clark, Wilberforce, Sharpe, Clarkson, Fox, Johnson, Burke, en andere groote en goede mannen, die, zonder het woord Gods te onderzoeken, besloten hebben dat het een ware grondregel is, dat de slavernij in zich-zelve zondig is.Voorts heldert hij de noodzakelijkheid dier wetten door de volgende vergelijking op. Hij veronderstelt dat de leer verkondigd was geworden, dat het ouderlijke gezag eene onregtvaardige inbreuk was, die de maatschappij in banden sloeg; dat er genootschappen gevormd waren ter emancipatie van kinderen uit het gezag hunner ouders; dat alle boeken van dat beginsel doordrongen waren; en dat onder al deze invloeden, de kinderen onrustig en wederspannig geworden waren. Hij veronderstelt dat, onder deze omstandigheden, de ouders de zaak voor de wetgevers bragten, en aan dezen ter beoordeeling lieten. En nu beschrijft hij aldus het dilemma van de wetgevers:Deze vatten de zaak aan, en nemen het onderwerp ernstig en plegtig in overweging. Aan de eene zijde begrijpen zij, dat, zoo hunne kinderen den toegang hadden tot dezeleerstellingen, zij voor altoos ongelukkig zouden zijn. Hun dien toegang te laten, was nogtans onvermijdelijk, zoo zij hen leerden lezen. Hun het leeren lezen te beletten, was wreed, en zou hun beletten die kennis der Goddelijke wetten te verkrijgen, waarin zij zich anders zouden mogen verblijden. Bij deze treurige keuze tusschen twee kwaden als wetgevers nederzittende, moesten zij van die twee kwaden het minste kiezen. Met gevoelens van verontwaardiging jegens dezen bezield, die, onder den invloed van „verleidende geesten,” „leeringen der duivelen” onder hen gezonden hadden, en nog zonden, maar met bloedende harten over hunne kinderen, besloten zij dat hunne kinderen geen onderwijs in het lezen zouden ontvangen, tot dat de storm zou zijn overgewaaid; hopende dat de satan slechts voor een korten tijd zou zijn losgelaten. En gedurende dien tijd zullen zij hen mondeling onderwijzen, en daardoor verhinderen dat zij met die booze leerstellingen besmet worden.Zoo veel wat die wet betreft.Gaan wij thans over tot den binnenlandschen slavenhandel. Deze handel bestaat in het koopen en verkoopen van menschelijke wezens,alleen met oogmerk om winst te doen.Een meester die slaven verkrijgt, of een meester die slaven koopt met oogmerk om ze op zijne plantaadje of in zijne familie te houden, kan verondersteld worden nog eenig ander doel te hebben danalleenlijk winst te doen. In zekere gevallen mag hij verondersteld worden eenig belang te stellen in het geluk of welzijn van den slaaf. De slavenhandelaar koopt en verkoopt slechtsmet het eenige doel om winst te bejagen.Met betrekking tot dit misbruik, heeft de Chillicothe Presbytery in het door ons aangehaalde document, het volgend besluit genomen:Is besloten, dat het koopen, verkoopen of houden van een slaaf,om winstbejag, eene afschuwelijke zonde en aanstoot is, waarvan de kerkelijke regtbanken behooren kennis te nemen.In het antwoord waaruit wij reeds eenige zinsneden aanhaalden, zegt de heer Smylie (pag. 13):Als het koopen, verkoopen of houden van een slaaf, om winstbejag, eene afschuwelijke zonde en aanstoot is, zoo als gij beweert, dan, inderdaad, zijn drie-vierden van alle Episcopalen, Methodisten, Baptisten en Presbyterianen in de elf Staten der Unie, uit den duivel.En verder:Te vragen of slavenhouders of slavenkoopers uit den duivel zijn, schijnt mij toe zoo veel te zijn als te vragen of God al dan niet een waarachtige getuige is; dat is, voor zoo veel het Gods getuigenis, en niet enkel het getuigenis van de Chillicothe Presbytery is, dat het koopen, verkoopen en houden van slaven „eene afschuwelijke zonde en aanstoot is.”En wederom (pag. 21):Als de taal slechts in staat is om duidelijke en bepaalde begrippen te geven, dan weet ik niet hoe zij duidelijker en ondubbelzinniger eenige gedachte of denkbeeld aan den geest zou kunnen voorstellen, dan het vijf en twintigste hoofdstuk van Leviticus duidelijk en ondubbelzinnig het feit daarstelt, dat de slavernij door God-zelven werd goedgekeurd, en dat het koopen, verkoopen, houden en schenken van slaven,als eigendom, handelingen zijn, door Hem-zelven geregeld.****Welke taal kan uitdrukkelijker aantoonen, niet dat God de slavernij slechts oogluikende toeliet, maar dat Hij, om het minste te zeggen, eengeschreven verlofaan de Hebreën, destijds het beste volk in de wereld, gaf, om tot voortdurende dienstbaarheid,mannen en vrouwen te koopen, te houden en te geven? Wat wordt er nu van de bewering der Chillicothe Presbytery? *** Is het wezenlijk een feit, dat God eenmaal eene geschrevene toelating aan zijn eigen dierbaar volk gaf („gij zult koopen”) om datgene te doen wat in zichzelve zondig is? Ja om datgene te doen wat de Chillicothe Presbytery zegt eene „afschuwelijke zonde en aanstoot” te zijn?God besluit dat zijne eigene kinderen mogen, of liever „zullen,” „koopen, bezitten en houden” slaven en slavinnen, in dienstbaarheid,voor altoos. Maar de Chillicothe Presbytery besluit dat „het koopen, verkoopen of houden van slaven, om winstbejag, eene afschuwelijke zonde en aanstoot is.”Het is onze meening niet, te zeggen dat Mr. Smylie, onder het schrijven van deze uitspraken, den binnenlandschen slavenhandel bepaaldelijk voor den geest had; maar wij zeggen dat geen slavenhandelaar eene duidelijker en meer regtstreeksche verdediging van zijnen handel zou kunnen verlangen, dan deze.Ten opzigte, eindelijk, van de ontbinding der huwelijksbetrekking, die het noodzakelijk gevolg is van dit soort van koophandel, zijn door regterlijke overheden van de kerk de volgende beslissingen genomen.In 1835 gaf de „Savannah River (Baptist) Association” op de vraag:Of, in een geval van onvrijwillige scheiding van zulk eenen aard dat alle vooruitzigt op hereeniging in het vervolg daardoor zou worden uitgesloten, aan de partijen kan vergund worden andermaal te huwen?het volgende antwoord:Dat zulk eene scheiding, tusschen personen in den toestand als waarin onze slaven verkeeren,burgerlijkeene scheiding doorden doodis, en zij gelooven dat zulks, in Gods oog, mede aldus zou beschouwd worden. Tweede huwelijken, in zoodanige gevallen, te verbieden, zou zijn de partijen niet slechts aan harderen dwang en sterkere verzoeking, maar ook aan dekerkelijke censuurbloot te stellen, wegens de daad van aan hunne meesters te hebben gehoorzaamd, wier toestemming niet te verwachten is in een maatregel, strijdig met de regtvaardigheid jegens de slaven, en met den geest van dat gebod, hetwelk het huwelijk onder de Christenen regelt.De slaven hebben geene vrijheid van daad, en eene ontbinding door den dood ligt niet meer ten eenemale buiten hunne toestemming en medewerking, dan eene ontbinding door zulk eene scheiding.Aan de „Shiloh Baptist Association,” die, eenige jaren geleden, te Gourdvine vergaderde, werd, volgens denReligious Herald, door „Hedman Church” de volgende vraag voorgesteld:Mag aan een’ dienstbare, wiens echtgenoot of vrouw door zijnen of haren meester verkocht is geworden, een tweede huwelijk vergund worden?Het vraagstuk werd aan eene commissie in handen gesteld, die het volgende antwoord gaf, dat, na beraadslaging, werd aangenomen:Dat, de omstandigheden in aanmerking genomen, waaronder in dit land de dienstbaren zich bevinden, de commissie eenstemmig van gevoelen is, dat het beter is, den dienstbaren onder zulke omstandigheden te vergunnen een anderen man of vrouw te nemen.De Eerwaarde Charles C. Jones, die ernstig en onvermoeid voor het welzijn der slaven arbeidde, iemand van wien het redelijkerwijze te vermoeden is, dat hij, zoo iemand, dit onderwerp zeer ter harte neemt, maakt, bij zijne schatting van den zedelijken toestand der negers, eenvoudig de opmerking, dat, nademaal echtgenoot en vrouw aan al de wisselvalligheden van het eigendomsregt onderworpen zijn, en door verdeeling van bezittingen, verrekening van schulden, en dergelijke, gescheiden kunnen worden, de huwelijksbetrekking natuurlijkerwijze veel van hare heiligheid verliest, en zegt wijders:Het is een contract van welvoegelijkheid, voordeel of genoegen, dat naar den wil van partijen kan aangegaan of ontbonden worden, en dat zonder afschuwelijke zonde, of benadeeling der eigendomsbelangen van iemand ter wereld.In deze uitspraak drukt hij, naar wij veronderstellen, hetalgemeenedenkbeeld van slaven en meesters over den aard dezer instelling uit, en niet zijn eigen. Wij leiden zulks af uit het feit dat hij, in zijnen catechismus, den slaaf de heiligheid en voortdurendheid der betrekking poogt in te prenten.Maar, wanneer de vroomste en godsvruchtigste mannen die het Zuiden bezit, en die hun leven wijden aan de bevordering van het welzijn der slaven, zoo kalm, en zonder eenige afkeuring, dezen staat van zaken beschouwen als een staat waarmede het Christendom hen de roeping niet oplegt zich te bemoeijen, wat is er dan van de wereld in het algemeen te verwachten?Ten aanzien der in het vlugschrift van Mr. Smylie uitgedrukte gevoelens, moet worden opgemerkt dat zij, in het aanhangsel, door een document in naam van twee Presbyteries ondersteund worden, welk document, hoewel het minder tot kleine bijzonderheden afdaalt, zich op hetzelfde grondgebied plaatst als Mr. Smylie. Deze Eerwaarde James Smylie was een dergenen, aan wien, in vereeniging met den Eerwaarden John L. Montgomery, door de synode van Mississippi, in 1839, de last werd opgedragen om een catechismus tot onderwijs der negers te schrijven of te compileren.Mr. Jones zegt, in zijne „Geschiedenis van het Godsdienstig Onderwijs der negers,” (pag. 83). „De Eerwaarde James Smylie en de Eerwaarde C. Blair houden zich met dit goede werk (het onderwijs der negers) systematisch en op den duur in Mississippi bezig.” De eerstgenoemde geestelijke wordt gekenschetst als een „bejaarden en onvermoeiden vader.” In het onderwijs der negers is hij uitnemend geslaagd. Een groot gedeelte der negers in zijne oude gemeente kan zoowel den catechismus van Williston als den Westminsterschen, zeer juist opzeggen.” Gaarne wenschte de Schrijfster, wijdloopige uittreksels van Mr. Smylie’s vlugschrift te kunnen mededeelen. Er zou veel uit te leeren zijn met betrekking tot de wijze waarop zulk een onderrigt op de rigting van geest, de hebbelijkheid van denken, en de beschouwingswijze van geestelijke zaken, werken moet. De man is ontwijfelbaar en hartelijk opregt in zijne gevoelens, en schijnt die met de overvloedigste en triomferendste blijdschap, als de allerlaatste verbetering der theologische wetenschap, te willen volhouden. Wij kunnen aan de verzoeking geen weêrstand bieden om een gedeelte zijnerInleidingaf te schrijven, al ware het enkel om het daardoor geworpene licht op de denkwijze, die aan onze Zuidwestelijke wateren wordt aangetroffen.Het volgende overzigt onder het oog des publieks brengende, arbeidde de schrijver niet geheel, of voor een goed gedeelte, onder den invloed eener hoop of begeerte om de inzigten der Chillicothe Presbytery te verbeteren. Hij hoopte met de uitgave eene wezenlijke dienst te bewijzen aan anderen, zoowel als aan de Presbytery.Door zijn verkeer met godsdienstige genootschappen van allerlei benamingen, was het hem duidelijk geworden dat het beginsel der abolitionisten, namelijk,dat de slavernij in zich zelve zondig is, veld had gewonnen, en zich met de godsdienstige en gewetensbezwaren van velen in de gemeente zoo zeer had ineen geweven, dat zij er zich niet slechts ongelukkig door gevoelden, maar dat zelfs hunne aandacht van de groote en gewigtige pligten eens huisvaders jegens zijn huisgezin werd afgetrokken. Het oog des geestes, op de slavernij zelve gevestigd als op eene verdorvene bron, waaruit, noodwendig, geene andere dan verdorvene wateren konden vloeijen, werd onophoudelijk ingespannen met het opzoeken van eenig plan, door hetwelk, in den een of anderen toekomstigen tijd, de bron ten eenemale kon worden opgedroogd; terwijl men nooit overwoog, of zelfs maar droomde, dat de slavernij, op zich zelve beschouwd, eene onschadelijke betrekking was, en dat de gansche dwaling berustte in het verzuim der pligten, welke die betrekking met zich brengt.Zoo er eene bewustheid van schuld op het gemoed blijft rusten, dan is het, wat de uitwerking betreft, volmaakt hetzelfde of het geweten al dan niet in dwaling verkeert. Al behoort Gods woord alléén de gids van het geweten te zijn, is zulks echter niet altoos het geval. Van daar, dat er somtijds gewetensbezwaren bestaan over het nalaten van datgene, wat door Gods woord veroordeeld wordt.De wilde van het eiland Borneo, die nalaat zijn vader te dooden, en hem met zijne dadels op te eten, wanneer hij oud geworden is, wordt jammerlijk door de wroegingen van een beschuldigend geweten gefolterd, wanneer zijne kinderlijke teederheid en medelijden het overwigt bekomen hebben op zijn gewaanden pligt van zijn vader te dooden. Op dezelfde wijze lijdt menig slavenhouder, wiens geweten niet door het woord van God, maar door de leeringenvan menschen geleid wordt, de geeselslagen van een schuldig geweten, zelfs wanneer hij, overeenkomstig de Schrift, met zijnen slaaf „regtvaardiglijk handelt,” eenvoudig omdat hij zijn slaaf niet emancipeert, zonder betrekking tot het goede of kwade dat zulk eene daad ten gevolge zou hebben.„Hoe liefelijk op de bergen” zouden—naar de schatting van den schrijver—„de voetstappen van hem zijn, die”—aan den wilde van Borneo—„de blijde boodschap verkondigde” dat zijn gedrag, in het sparen van het leven zijns teederen en geliefden vaders, geene zonde was! *** Even zoo liefelijk en behagelijk, vertrouwt de schrijver, zal het voor een eerlijken, schroomvalligen en naauwgezetten slavenhouder zijn, uit het woord van God de blijde boodschap te vernemen dat de slavernij zelve niet zondig is. Thans van eene nachtmerrie ontheven die zijne krachten tot volvoering van zijnen pligt jegens zijne slaven verlamde, gaat hij opgeruimd tot krachtige handeling over. Het is thans niet meer zoo als vroeger, toen hij de slavernij als zondig in haar zelve beschouwde. Thans kan hij, met de hoop van verhoord te worden, bidden dat God zijne pogingen zegene om zijne slaven op te kweeken in de tucht en in de vreeze des Heeren; terwijl hij voorheen werd terug gehouden door de bedenking—„zoo ik onregtvaardigheid in mijn harte overleg, de Heere zal mij niet hooren.” In plaats van, zoo als vroeger, druilende en mijmerende over zijnen toestand, het hoofd te laten hangen, heft hij thans het hoofd op, en volgt vrolijk het gebaande pad zijner pligten.Hij wordt niet meer in verzoeking gebragt om Gods woord van ter zijde in te zien, en te zeggen: „Hebt gij mij gevonden, o mijn vijand,” gekomen om mij mijne slaven te ontrooven, en mij arm te maken, zonder hen te verrijken? In plaats van, zoo als vroeger, het woord van God te beschouwen als met geesels en scorpioenen gewapend om hem in den hemel te zweepen, gevoelt hij dat „zijne wegen wegen van vrolijkheid, en zijne paden vrede zijn.” Thans onderscheidende tusschen het wezenlijke woord van God, en datgene wat blootelijk de leeringen en geboden van menschen zijn, is het raadsel opgelost dat voorheen onoplosbaar geschenenhad, namelijk: „De wet des Heeren is volmaakt, bekeerende de ziele.”1Zoo gij het ondernemen wildet zulk een man te beantwoorden door te zeggen dat zijn argument te veel bewijst; dat noch Christus, noch zijne Apostelen eenig uitdrukkelijk verbod hebben uitgesproken tegen de worstelingen der zwaardvechters, of de spelen in de renbanen, en het, derhalve, regtmatig zijn zou, ze in Amerika in te voeren;—het is zeer waarschijnlijk dat hij er van harte zijne toestemming aan geven zou, en van oordeel zijn dat het eene goede speculatie zou opleveren. Als een verder staaltje van de ongegeneerde opgeruimdheid die een hoofdtrek van dit voortbrengsel schijnt, zie men op pag. 58, waar het Latijnsche motto:Facilis descensus Averni, sed revocare, etc., de volgende zeer vrije en echt Westersche vertaling erlangt, die, zoo als hij goedhartig zegt, ten dienste dergenen gegeven wordt die geen Latijn verstaan:—„Het is gemakkelijk naar den duivel te gaan, maar het heeft van den duivel in om weêr terug te komen.”Sommige liefdelooze menschen zullen misschien hierop zeggen, dat de predikers van zulke leerstellingen al den schijn hebben van op dit punt eene op ondervinding gegronde kennis te bezitten. Het denkbeeld van dezen jovialen ouden vader, eene klasse van zwarte „Sams” en jonge „Topsys” in de geheimenissen van den Assembly’s Catechismus onderwijzende, is inderdaad schilderachtig!Dat Mr. Smylie’s gevoelens ten opzigte der slavernij, door voorname geestelijken van alle godsdienstige benamingen ruimschoots ondersteund en uitgebreid zijn geworden, zouden wij met boekdeelen vol aanhalingen kunnen bewijzen.Er blijft, echter, nog een tweede hoofdpunt, met betrekking tot den invloed der zuidelijke Kerk en geestelijkheid, ter beschouwing over.Het is welbekend, dat de zuidelijke staatkundige vereeniging op haar gekozen standpunt van de stelling uitgaat, dat de instelling der slavernij geen onderwerp van beraadslaging mag uitmaken. In de meeste der slaven-staten bestaan ergestrenge wetten, die aan een ieder die zich verstouten mogt iets over het onderwerp te spreken of te schrijven, tenzij in zijn voordeel, met boete, gevangenis, ja met den dood bedreigen. Dit heeft niet enkel jegens burgers van slaven-staten plaats gehad, maar men heeft de sterkste neiging aan den dag gelegd om met de burgers van vrije Staten eveneens te handelen; en waar deze discussiën niet door regelmatige wetten konden verhinderd worden, heeft men het bezigen van onwettige middelen aangemoedigd. In de uitgegevene brieven en redevoeringen van Horace Mann, worden er de volgende voorbeelden van aangetroffen (pag. 467). In 1831 loofde het Wetgevend Ligchaam van Georgië vijf duizend dollars uit aan een iegelijk, die zekeren burger van Massachusetts, met name William Lloyd Garrison, in Georgië gevangen nemen, en geregtelijk overtuigen zoude. Deze wet werd door den Gouverneur, W. Lumpkin, den 26stenDecember 1831, bekrachtigd. Bij eene „meeting” van slavenhouders te Sterling, in denzelfden Staat, den 4denSeptember 1835 gehouden, werd den Gouverneur vormelijk aanbevolen, om bij openbare aankondiging vijf duizend dollars belooning te bieden voor de gevangenneming van den een’ of anderen uit tien personen, alle, op één na, burgers van New-York en Massachusetts, wier namen werden opgegeven. Het dagbladMilledgeville Federal Unionvan den 1stenFebruarij 1836, behelsde eene uitloving van tien duizend dollars voor het vangen of rooven van den Eerwaarden A. A. Phelps, van New-York. Het Committé van Waakzaamheid der parochie vanEast-Felicianabood, in hetLouisville Journalvan den 15denOctober 1835, vijftig duizend dollars aan een ieder die Arthur Tappan, van New-York, in zijne handen zou leveren. Op eene openbare bijeenkomst, te Mount Meigs, in den Staat Alabama, den 13denAugustus 1836 onder voorzitting van Mr. Bedford Ginress gehouden, werd eene belooning van vijftig duizend dollars uitgeloofd voor de gevangenneming van denzelfden Arthur Tappan, of van Le Roy Sunderland, een Methodistisch geestelijke van New-York. Bijgevolg—dewijl niemand dier personen kon gegrepen worden dan met schending der wetten van den Staat welks burgers zij waren—was dit een openbaar aanbod van belooning voor een schelmstuk. In al de Zuidelijke Staten werden vereenigingen, onder dennaam van Committés van Waakzaamheid, gevormd, het nemen van maatregelen tot onderdrukking van abolitionistische gevoelens, en het doen straffen van verdachte personen door de Lynch-wet beoogende. Te Charleston, in Zuid-Carolina, drong een troep van deze lieden gewelddadig in het postkantoor, en hield, naar genoegen, eene algemeene inspectie der aanwezige brieven; en van alles wat door hen beschouwd werd als eene gevaarlijke en tegen de slavernij gekante strekking te hebben, werd een openlijk vreugdevuur op de straat gemaakt. Eenige dagen later werd eene groote openbare bijeenkomst gehouden, tot voltooijing der voorloopige maatregelen om de verspreiding van anti-slavernijgezinde grondbeginselen te beletten, en tot aanduiding van personen die men van abolitionismus verdacht hield, ten einde zij onder het bereik der Lynch-wet mogten geraken. Gelijksoortige volksbijeenkomsten werden in al de Zuidelijke en Westelijke Staten gehouden. Op een van deze, in 1835 te Clinton, Staat Mississippi, gehouden, werden de volgende besluiten genomen:Is besloten, dat, in het Zuiden en Westen, de slavernij niet als een zedelijk of staatkundig kwaad beschouwd, maar, in betrekking tot denwerkelijken, en niet dezen of genen Utopischen toestand der slaven, als een zegen, beide voor meester en slaaf, gehouden wordt.Is besloten, dat het ons bepaald gevoelen is, dat iedereen, die, met oogmerk om de bedoelingen der abolitionisten te verwezenlijken, zich verstouten durft om eenige der opruijende tractaten of nieuwspapieren te verspreiden, die men thans in dit land poogt in te voeren, in het oog van God en menschen de doodstraf regtvaardiglijk verdiend heeft; en dat wij niet twijfelen dat deze ook de straf zijn zoude van zulk een misdadiger, in welk gedeelte van den Staat Mississippi hij ook gevonden mogt worden.Is besloten, dat aan de geestelijkheid van den Staat Mississippi zal worden aanbevolen om zich ten aanzien van dit onderwerp openlijk te verklaren; en dat haar verder stilzwijgen met betrekking tot hetzelve, in dezen tijd van crisis, naar ons gevoelen, eene ernstige censuur waardig zijn zoude.De behandeling waaraan personen waren blootgesteld, die, als van anti-slavernijgezinde gevoelens verdacht, het ongeluk hadden van een dier Committés van Waakzaamheid in handen te vallen, kan uit het volgende verhaal worden opgemaakt. Schrijfster dezes kan er zich al de omstandigheden nog duidelijk van te binnen brengen, dewijl het slagtoffer dezer onregtvaardigheid een lid van het seminarium was, hetwelk destijds onder het opzigt van haren vader stond.Amos Dresser, thans zendeling in Jamaïca, was theologisch student aan het seminarium te Lane, nabij Cincinnati. In de vacantie (Augustus 1835) ondernam hij in den StaatTennesseebijbels te verkoopen, met oogmerk om middelen bijeen te brengen tot voortzetting zijner studiën. Zich aldaar bevindende, viel hij onder verdenking van een abolitionist te zijn; werd, onder het bijwonen eener godsdienstige zamenkomst in de nabuurschap van Nashville, de hoofdstad van den Staat, door het Committé van Waakzaamheid gearresteerd, en, na een inquisitoriaal onderzoek, dat een ganschen namiddag en avond duurde, veroordeeld om twintig zweepslagen op het naakte ligchaam te ontvangen, tusschen elf en twaalf uren op Zaturdag avond werd het vonnis, in tegenwoordigheid der meeste leden van het Committé, en van een woedend en vloekend gepeupel, aan hem voltrokken. Het Committé van Waakzaamheid (eene onwettige vereeniging) bestond uit zestig personen. Onder deze bevonden zich zeven-en-twintig kerkelijken; één hunner was een catechiseermeester; een ander, deouderling, die, slechts weinige dagen te voren, in de Presbyteriaansche kerk, aan Mr. Dresser het brood en den wijn van ’s Heeren Avondmaal had uitgereikt.Het valt spoedig in het oog dat het grondbeginsel, in behandelingen als deze opgesloten, meer omvat dan de slavernijkwestie. Het vraagstuk was inderdaad dit: of het van zoo veel belang is, Afrikaansche slaven te houden, dat het, ter handhaving daarvan, regtmatig zij, vrije Amerikanen van de vrijheid van geweten, de vrijheid van spreken, en de vrijheid der drukpers te berooven? Het is ligtelijk te ontwaren, dat de toelating van dit grondbeginsel zeer ernstige veranderingenin het bestuur van een land zou na zich slepen; omdat het zeer duidelijk is, dat, wanneer al deze beginselen van onze vrije regering voor de eene zaak mogen worden opgegeven, zij het ook voor de andere mogen worden; en dat dit noodwendig de strekking zou hebben tot vernietiging dier vrijheid van gevoelens en denkbeelden, die als het uitmuntendste der Amerikaansche instellingen beschouwd wordt.De vraag is thans deze: heeft de kerk zich met de wereld vereenigd in het gevoelen dat de instelling der slavernij zoo gewigtig en begeerlijk is, dat zulks eene goedkeurende beschouwing der Lynch-wet en de opoffering der regten van een vrij onderzoek zou kunnen wettigen? Wij antwoorden den lezer met de volgende daadzaken en aanhalingen:Bij gelegenheid der boven beschrevene groote bijeenkomst te Charleston in Zuid Carolina, berigt ons deCharleston Courier„dat de in één ligchaam vereenigde geestelijkheid van alle godsdienstige benamingen de handeling bijwoonde, er hare goedkeuring aan schonk, en door hare tegenwoordigheid het indrukwekkende van het tooneel aanmerkelijk verhoogde.” Er valt wel niet aan te twijfelen dat de tegenwoordigheid der in één ligchaam vereenigde geestelijkheid van alle godsdienstige benamingen, bij eene vergadering tot zulk een doel gehouden, waarlijk eenindrukwekkend tooneelwas!Op deze bijeenkomst werd besloten:Dat de vergadering haren dank verschuldigd is aan de eerwaarde heeren der geestelijkheid in deze stad, die zoo vaardig en doelmatig aan het algemeene gevoelen hebben beantwoord, door het sluiten hunner scholen, waarin debevolking der vrije kleurlingenonderwezen werd; en dat deze vergadering zulks beschouwt als eene vaderlandlievende daad, allen roem waardig, en wier navolging door andere onderwijzers van soortgelijke scholen in den Staat, wenschelijk ware.Hier doet zich de vraag op, of hun Heer, ten dage des oordeels, er zich op dezelfde wijze over uiten zal.De ongerustheid der slavenhouders in Virginië was niet gering; terwijl de geestelijkheid in de stad Richmond, de hoofdplaats, niet minder vaardig was dan die van Charlestonom „aan het algemeen gevoelen” te beantwoorden. Dienvolgens vergaderden hare leden den 29stenJulij, en besloten,eenstemmig:Dat wij de ongeroepene en hoogst ongepaste bemoeijing des volks van eenigen anderen Staat met de huiselijke betrekkingen tusschen meester en slaaf, ten ernstigste afkeuren.Dat het door onzen Heer Jezus Christus en zijne Apostelen gegeven voorbeeld, door zich in de slavernij-kwestie niet te mengen, maar eenparig de betrekkingen van meester en dienstknecht te erkennen, en aan beiden een volledig en liefderijk onderwijs te schenken, de navolging van alle dienaren des Evangelies waardig is.Dat wij geenerlei vlugschrift of nieuwspapier van abolitionistische genootschappen beschermen of ontvangen willen, en dat wij den omloop van alle zoodanige papieren onder de gemeente zullen tegengaan.De Eerwaarde J. C. Postell, een Methodistisch leeraar in Zuid-Carolina, besloot den volgenden zeer hevigen brief aan den uitgever vanZion’s Watchman, een te New-York uitgegeven Methodistisch anti-slavernij gezind nieuwsblad, op de navolgende wijze: (De lezer zal zien dat de daarin vervatte beschimping eene toespeling is op den prijs van vijftig duizend dollars, dien men in het Zuiden op zijn lijf gesteld had, zoo als wij straks verhaald hebben.)Maar, als gij verlangt de slaven op te voeden, dan zal ik u zeggen hoe gij het geld er voor krijgen kunt, zonderZion’s Watchmanuit te geven. Kom gij met den ouden Arthur Tappan dezen winter naar het Zuiden, en men zal er honderd-duizend dollars voor u ligten. New-Orleans zelve zal er voor verpand worden. Geene verdere kennis met u begeerende, en nooit verwachtende u in tijd of eeuwigheid meer dan eenmaal te zien, dat is ten dage des oordeels, onderschrijf ik mij, de vriend des Bijbels en de vijand der abolitionisten,J. C. Postell.Orangeburgh, 21 Julij 1836.De Eerwaarde Thomas S. Witherspoon, een lid der Presbyteriaansche kerk, zegt, aan den uitgever van denEmancipatorschrijvende:Ik bewijs mijne bevoegdheid om den slaaf in dienstbaarheid te houden, uit de Schriften des Ouden en Nieuwen Testaments. Het beginsel om den Heiden in dienstbaarheid te houden, is door God erkend. *** Als de trage voortgang der wetten te talmachtig is om onze grieven te herstellen, dan hebben wij hier in het Zuiden het onfeilbare middel van Regter Lynch aangenomen; en inderdaad, ik acht dit een der krachtigste en heilzaamste geneesmiddelen voor de ziekte van het noordelijk fanatismus, dat er kan bedacht worden, terwijl ik niet twijfel of mijn vriend de uitgever van denEmancipator and Human Rightszou er de uitwerking zeer goed van ondervinden, zoo het hem slechts door een zuidelijken doctor werd toegediend. In allezedelijkeaangelegenheden beroep ik mij op den Bijbel. *** Laten uwe zendelingen het eens durven wagen om Potomac te doorkruisen, en ik kan u niet beloven dat hun een beter lot zal te beurt vallen dan Haman. Wacht u derhalve wel van een gehoond doch grootmoedig volk tot daden van wanhoop te drijven!De Eerwaarde Robert N. Anderson, insgelijks een lid der Presbyteriaansche kerk, zegt, in een brief aan de zittingen der Presbyteriaansche vereenigingen binnen de grenzen van de „West-Hanover Presbytery.”Bij de naderende vastgestelde bijeenkomst, ben ik voornemens eene voorafspraak en reeks van besluiten betreffende het onderwerp van het gebruik van wijn bij ’s Heeren Avondmaal aan te bieden; als ook eene voorafspraak en reeks van besluiten betreffende het onderwerp der verraderlijke en afschuwelijk slechte bemoeijenis der noordelijke en oostelijke geestdrijvers met onze staatkundige en burgerlijke regten, ons eigendom en onze huiselijke zaken. Het is u bekend dat onze geestelijkheid, te regt of ten onregte, meer dan de geestelijkheid van andere benamingen door het publiek wordt verdacht gehouden. Nu,waarde Christen broeders,druk ik nederig mijn ernstigen wensch uit, dat gij ukwijten moogt als mannen. Zoo er het een of ander afgedwaald schaap van een leeraar onder u wezen mogt, besmet met de bloedhonds-beginselen van het abolitionisme, laat hij uitgedreven, den mond gestopt, geëxcommuniceerd, en aan hetpubliekovergeleverd worden,om op andere wijze met hem te werk te gaan.Uw toegenegene broeder in den Heere,Robert N. Anderson.De eerwaarde William S. Plummer, Theol. Dr. van Richmond, een lid van de „Old School” der Presbyteriaansche kerk, levert een ander voorbeeld van dezelfde soort op. Hij was van Richmond afwezig, toen de geestelijkheid dier stad zich gemeenschappelijk zuiverde van de beschuldiging dat zij jegens de abolitie gunstig gezind was. Bij zijne terugkomst liet hij geen tijd verloren gaan om aan den voorzitter van het committé van briefwisseling zijne overeenkomst van gevoelens met zijne ambtsbroeders kenbaar te maken. De aangehaalde zinsneden zijn uit zijnen brief aan den Voorzitter getrokken.Ik heb deze aangelegenheid, van haren eersten aanvang af, zorgvuldig gadegeslagen, en alles wat ik, zoowel van hare voorstanders als van hare vijanden, nopens haren aard gezien of gehoord heb, heeft mij onberouwelijk in de overtuiging bevestigd, dat, laat het karakter der abolitionisten in het oog van den Regter der gansche aarde wezen wat het wille, dit de bemoeiziekste, onbeschaamdste, roekeloosste, wreedste en slechtste opruijing is, die ik immer gezien heb.Als de abolitionisten het gansche land in gloed willen zetten, dan is niets billijker dan dat zij de eerste warmte van het vuur krijgen.Ten slotte. De abolitionisten zijn, even als de ongeloovigen, ten eenemale onbekwaam tot het martelaarschap om hunne gevoelens. Laten zij slechts weten datzij gegrepen(lynched)zullen worden, zoo zij zich onder ons begeven, en zij zullen wel zorg dragen om ons uit den weg te blijven. Er is geen enkele onder hen, die meer voornemensis om voor deze zaak zijn bloed te storten, dan om oorlog met den grooten Turk te beginnen.In de vergadering der gemeente van de „New School” zeide de Eerwaarde Dr. Hill, uit Virginië:De abolitionisten hebben de dienstbaarheid van den slaaf harder gemaakt. Zoo ik u eenige der vuile streken, door deze abolitionisten bedreven, verhalen konde, zoudt gij u niet verwonderen. Eenigen hunner zijn gegrepen (lynched) geworden, en het was goed aan hen besteed.Dit alles toont genoegzaam hoe de betrekkelijke waarde van slavernij en van het regt van vrije nasporing, door de zuidelijke kerk en geestelijkheid opgevat en uitgedrukt wordt. Het toont insgelijks, dat zij de slavernij als zoo gewigtig beschouwen, dat zij daden van onwettig geweld kunnen toelaten en aanmoedigen, en zich om harentwille aan al de gevaren van het aanmoedigen eener janhagel regering blootstellen. Deze aanhalingen en beschouwingen toonen op voldoende wijze het standpunt, waarop de zuidelijke kerk, met betrekking tot het behandelde onderwerp, zich geplaatst heeft.Voor velen dezer gevoelens, hoe stuitend zij ook mogen voorkomen, zou eenige verdediging kunnen gevonden worden in die verblindende kracht der gewoonte, en in alle die met de opvoeding ingezogene, onderdrukkend werkende invloeden, die altoos het gevolg zijn van het slavernijstelsel, en die noodwendig eene zekere verstomping van het zedelijk gevoel in de ziel van zulk eenen moet te weeg brengen, die van de kindschheid af aan onder die invloeden werd opgekweekt.Er ligt dan ook in de hebbelijkheden van den geest, onder een stelsel gevormd hetwelk door eene aanhoudende toevlugtneming tot kracht en geweld ondersteund wordt, eene noodzakelijke neiging tot dooding des gevoels, met opzigt tot het misdadige van kracht en geweld, op den medemensch toegepast. De geheele manier van beschaving, onder zulk eene instelling gevormd, is door een populairen schrijver, niet onaardig, „de dolkmes-manier” genoemd geworden; en het behoeft ons niet te verwonderen dat godsdienstig karakter en denkbeelden er een eigenaardigen, strijdzuchtigen tint door aannemen, zeer vervan den geest des Evangelies. Een godsdienstig man, in het Zuiden geboren en opgevoed, heeft met al deze moeijelijkheden te kampen, wanneer hij zich tot den waren geest des Evangelies zoekt te verheffen.Zeker schrijver heeft gezegd, dat, na de Hervorming, de beste mannen, als opgevoed onder een stelsel van magt en despotismus, en van kindsbeen af gewoon geraakt om door kracht, en niet door rede, te zien bewijzen, al ligtelijk de vraag: of men ketters verbranden moest, deden overgaan in de vraag: wie van hunne tegenstanders er verbrand moesten worden.Het slavernij-systeem is een eenvoudige teruggang der maatschappij tot de ergste misbruiken der middeleeuwen. Wij moeten er ons, derhalve, niet over verwonderen, de gevoelens en daden der middeleeuwen nopens burgerlijke en godsdienstige verdraagzaamheid te zien heerschen.Hoe sterk wij de hier aangevoerde onwaardige beschouwingen van God en godsdienst, in zulke verklaringen als wij hebben aangehaald, ook verfoeijen en betreuren mogen; hoe godslasterlijk en ongerijmd zij ons ook mogen toeschijnen; toch is het blijkbaar dat zij door hare auteuren met opregtheid geuit werden; en ziedaar juist het treurigste van de zaak. Zij zijn even zoo opregt als Paulus toen hij dreiging en moord blies, en bij zichzelven overtuigd was dat hij tegen den naam van Jezus vele wederpartijdige dingen doenmoest. Zij zijn even zoo opregt als de Bramin en Hindoe, die gewetenshalve een bloed- en wreedheidademende godsdienst ondersteunt. Zij zijn evenzoo opregt als vele verlichte, geleerde en Christelijke mannen in Europa, die, onder stelsels van burgerlijk en godsdienstig despotismus geboren en opgevoed, waarmede al hunne dierbaarste huiselijke en burgerlijke verbindtenissen ten naauwste verknocht zijn, en wier invloed al hunne gewoonten en denkbeelden beheerscht, die stelsels, uit opregte gemoedelijkheid, ten sterkste verdedigen.In de gemoedelijke overtuiging, zelfs wanneer zij de ergste soort van gevoelens betreft, ligt iets waaraan men eene zekere mate van eerbied niet weigeren kan. Dat de godsdienst, in de door ons aangehaalde verklaringen uitgedrukt, zoo echt Antichristisch is als de godsdienst der Roomsche kerk, zal wel door geen enkel gevoelig mensch die zich buiten het bereik van Amerikaanschen invloed bevindt, ontkend worden.Dat er onder dit godsdienststelsel, met al zijne valsche grondbeginselen en schadelijke invloeden, zeer opregte Christenen zijn kunnen, zal een onbevangen oordeel moeten toestemmen. De kerk van Rome heeft haren Fénélon, haren Thomas à Kempis gehad; en de zuidelijke kerk, die deze grondbeginselen heeft aangenomen, heeft ook mannen opgeleverd die zich boven het peil van hun systema hebben weten te verheffen. Ten tijde der hervorming, zoowel als thans, telde de Roomsche kerk duizenden van biddende, godvruchtige, nederige Christenen in haren schoot, die, gelijk bloemen in de rotskloven, alleen door Gods oog geteld konden worden. En zoo hopen wij dat te midden der rotsen en ijsbergen van deze afschuwelijke geestelijke en tijdelijke dwingelandij, ook paradijsbloemen van geduldige, biddende en zelfverloochenende Christenen bloeijen; terwijl het, onder eenen aanval op het verschrikkelijke systeem waaronder zij zijn geboren en opgevoed, de diepste smart veroorzaakt, dat daarbij ook hunne geliefkoosde gevoelens en verbindtenissen geweld moet worden aangedaan. In eene andere en betere wereld zullen zij misschien de beweegredenen van hen die zulks deden, weten te schatten.Doch nu doet zich eene andere beschouwing aan den geest voor. Deze zuidelijke Christenen zijn in kerkelijke betrekkingen met Christenen uit de noordelijke en vrije Staten verbonden geweest, waarmede zij, door hunne afgevaardigden, in hunne verschillende kerkelijke vergaderingen, jaarlijksche bijeenkomsten hielden. Ingeval van zulk eene vereeniging, mogt men hopen dat die verlagende beschouwingen van het Christendom, en die levenloosheid van het openbare gevoelen, die de onvermijdelijke gevolgen eener opvoeding onder het slavenstelsel zijn, door aanraking met Christenen in de vrije Staten gewijzigd zouden worden, van welken het toch, als onder vrije instellingen opgevoed, natuurlijkerwijze te veronderstellen was dat zij met den sterksten afschuw van zulke gevoelens vervuld zouden zijn. Men zou gemeend hebben dat de kerk en de geestelijkheid der vrije Staten natuurlijk de krachtigste pogingen zouden hebben aangewend, om, door alle middelen die onder hun bereik waren, hunne broeders van dwalingen te overtuigen, zoo onteerende voor het Christendom, en tot zulke vreeselijke practische gevolgen leidende. Men zou ook gedacht hebben dat, zoo zij er al niet in slagen mogten hunnebroederen te overtuigen, zij het als pligt jegens het Christendom beschouwd zouden hebben, zich-zelven, door de ernstigste, plegtigste, en onophoudelijkste protesten, van alle medepligtigheid met deze gevoelens te zuiveren.Laat ons thans onderzoeken wat, in wezenlijkheid, door de noordelijke kerk te dezen aanzien verrigt is.Alvorens tot dat onderzoek over te gaan, zullen wij de door de zuidelijke kerk gedane verklaringen overzien, en beschouwen welke beginselen door haar zijn gehuldigd. Het zijn, namelijk, deze:1. Dat de slavernij eene onschuldige en wettige betrekking is, evenzeer als die van ouder en kind, echtgenoot en vrouw, of eenige andere wettige maatschappelijke betrekking. („Harmony Presbytery” van Zuid-Carolina).2. Dat zij bestaanbaar is met de broederlijkste beschouwing van het welzijn der slaven. („Charleston Union Presbytery.”)3. Dat meesters niet gecensureerd behooren te worden voor het verkoopen van slaven zonder hunne toestemming. (New School, Presbyteriaansche kerk in Petersburg).4. Dat het regt om, uit winstbejag, menschen te koopen, te verkoopen, en in slavernij te houden, door Gods uitdrukkelijke toelating gegeven is. (James Smylie en zijne „Presbyteries.”)5. Dat de wetten, die de opvoeding van den slaaf verbieden, regtmatig zijn, en door het denkende gedeelte der Christelijke gemeenschap worden goedgekeurd. (Dezelfden).6. Dat de zaak der slavernij in het geheel geen zedelijk, maar slechts een zuiver staathuishoudkundig vraagstuk is. (Baptisten-Vereeniging te Charleston).7. Dat het regt der meesters om over den tijd hunner slaven te beschikken, door den Schepper aller dingen uitdrukkelijk erkend is. (Dezelfde).8. Dat de slavernij, zoo als zij in de Vereenigde Staten aanwezig is, geen zedelijk kwaad is. (Conferentie van Georgië, Methodisten).9. Dat, zonder eene nieuwe openbaring uit den hemel, niemand bevoegd is de slavernij onregt te noemen.10. Dat de scheiding der slaven door verkoop, moet beschouwd worden als eene scheiding door den dood, en hetaan de partijen vergund mag worden te hertrouwen. („Shiloh Baptist Association” en „Savannah River Association.”)11. Dat het getuigenis van kleurlingen onder de gemeenteleden tegen eenen blanke, niet zal worden aangenomen. (Kerk der Methodisten).Ten slotte is het, door de uitgedrukte grondbeginselen en handelingen van Christenen uit verschillende benamingen, duidelijk erkend, dat zij het als regtmatig en billijk beschouwen, alle onderzoek nopens dit onderwerp door de Lynch-wet te smoren.Men zou gemeend hebben dat deze beginselen, als van belijders des Christendoms afkomstig, vreemd genoeg waren om bij hunne noordelijke broeders zeer veel aandacht te wekken. Ook valt het in het oog dat zij, als beginselen, beginselen zijn van eene zeer uitgebreide toepassing, die op de ondermijning van alle godsdienstige en zedelijke grondslagen uitloopt. Behelzen zij geene waarheid, dan zijn zij voorzeker ketterijen die een gewonen maatstaf verre te buiten gaan, en gevolgen insluiten die niet minder buitengewoon zijn. Keeren wij thans tot ons onderzoek, naar de handelwijze der noordelijke kerk met betrekking tot die beginselen terug.1Ps. XIX: 8, alwaar de Engelsche vertaling heeft: „rejoicing” (verheugende) „the heart” (het hart, of:de ziele.)Vertaler.
Hoofdstuk I.De invloed der Amerikaansche kerk op de slavernij.Er is geen land in de wereld, waar de godsdienstige invloed een grooter gezag uitoefent, dan in Amerika. Er is geen land, waar de geestelijkheid eene grootere magt bezit. Dit is te opmerkelijker, omdat in Amerika de godsdienst geheel van den Staat is afgescheiden, en de geestelijken geen dier kunstmatige middelen bezitten, om eenen invloed, die uit rang en rijkdom ontstaat, te doen gelden. Als eene klasse van menschen beschouwd, is de Amerikaansche geestelijkheid, over het algemeen, arm. De aan hare leden toegelegde bezoldigingen leveren niets meer dan het gewone levens-onderhoud op, en verschaffen hen geene middelen tot verkrijging van eigendom. Hunne levenswijze kan welvoegelijk en fatsoenlijk, doch ook niet meer zijn. De daadzaak dat, onder deze omstandigheden, de Amerikaansche geestelijkheid waarschijnlijk de vermogendste klasse van menschen in het land is, doet van zelve reeds een zeer gunstig vermoeden van haar opvatten. Als klasse beschouwd, mag men haar dan ook een zoowel verstandelijk als zedelijk overwigt toekennen.Het is eene welbekende daadzaak, dat de invloed der geestelijkheid, door onze staatsmannen als een zeer gewigtig bestanddeel bij de vorming hunner staatkundige berekeningen beschouwd wordt; en die invloed is zoo groot, dat geen staatsman het ooit wagen zoude, een maatregel door te drijven, waartegen de geheele geestelijkheid des lands zich aankantte. Zulk een graad van magt, al is zij ook enkel eene magt van opinie, redenering en voorbeeld, is niet zonder gevaar voor de reinheid van eenige klassen van menschen. Door staatkundige hoofden gevleid te worden, is altoos iets gevaarlijks voor de regtschapenheid en geestelijke gezindheid van menschen, die betuigen door grondbeginselen bestuurd te worden,welke niet van deze wereld zijn. Ook sluit het bezit eener zoo aanzienlijke magt, als wij beschreven hebben, eene zeer gewigtige verantwoordelijkheid in; dewijl, wanneer de geestelijkheid het vermogen bezit, om de eene of andere groote nationale onzedelijkheid te doen ophouden, de daadzaak, dat zij zulks niet doet, de zonde der nalatigheid in zeker opzigt op haar schijnt te doen nederkomen.Wij hebben, tot dusverre, van de geestelijkheid alleen gesproken; doch in Amerika, waar de geestelijke, in de meeste gevallen, door de Kerk verkozen, en door hare vrijwillige bijdragen onderhouden wordt, is de invloed van de Kerk, en die van de geestelijkheid, voor een zeer groot gedeelte, ééne en dezelfde. De geestelijkheid is het wezenlijk ideaal en de uitdrukking van de Kerk. Zij kiest en behoudt hem, omdat hij volkomener dan eenig ander, dien zij zou kunnen bekomen, hare denkbeelden van regt en waarheid uitdrukt. In allen gevalle moet de geestelijke door zijne Kerk onderhouden worden, zal hij zijne stelling in haar kunnen bewaren. De daadzaak, dat hij die bewaart, is over het algemeen een bewijs van beider eenheid van gevoelens, dewijl zij, zoo hij tot op eene aanmerkelijke hoogte van haar verschillen mogt, de magt heeft om hem te ontslaan, en een’ anderen te verkiezen.De invloed van een geestelijke, die op deze wijze door de vrije bewilliging van het verstand en hart zijner Kerk behouden wordt, is in sommige opzigten grooter, dan zelfs die van een Roomschen priester. De priester kan slechts door eene blinde geestelijke oppermagt heerschen, waartegen, zeer dikwijls, de rede haren twijfel inbrengt, terwijl zij eene uitwendige toestemming geeft; doch de gelukkige vrije leeraar maakt zich van de neigingen des harten door zijne eigene neigingen meester; overreedt het verstand door sterkere redeneerkracht; en terwijl hij aldus neiging, rede, geweten, en den geheelen mensch te baat neemt, ontleent hij uit de vrijheid der organisatie zelve, het bezit eener magt, grooter dan ooit uit een blind geestelijk despotismus kan voortvloeijen. Als een predikant hierin niet eenigermate in zijne gemeente slagen kan, noemt men hem onvoorspoedig; en hij die aan de verwezenlijking dezer beschrijving het meest nabij komt, bezit de hoogste en volkomenste soort van magt, en drukt het denkbeeld van een voorspoedig’ Amerikaansch’ predikant uit.Over dit onderwerp sprekende, zullen wij derhalve de Kerk en de geestelijkheid als vereenzelvigd beschouwen; het woord „Kerk,” in den Amerikaanschen zin van dat woord, bezigende voor die klasse van menschen, van alle benamingen, die, van naam-christenen onderscheiden, als betuigende werkelijk door de voorschriften van Christus geregeerd te worden, in ligchamengeorganiseerdzijn.Welke is dan de invloed van de Kerk op deze groote slavernij-kwestie?Zekere dingen laten zich reeds op de oppervlakte der zaak bespeuren. Die invloed namelijk heeft:1o. de slavernij niet doen ophouden;2o. er de toeneming niet van verhinderd;3o. de herroeping der wetten niet veroorzaakt, die de opvoeding der slaven verbieden;4o. geene daarstelling van wetten beproefd, die de scheiding der familiën verhinderen, en het huwelijk der slaven wettigen;5o. geen einde gemaakt aan den binnenlandschen slavenhandel; en6o. de uitbreiding van dit systeem, met alle zijne onregtvaardigheden, over nieuw aangewonnen landstreken niet verhinderd.Ten opzigte van deze stellingen zal er wel geen verschil van gevoelen kunnen bestaan.Wat is er dan gedaan?In antwoord hierop kan worden bevestigd:1o. Dat nagenoeg alle hoofdsecten of benamingen, te dezen of genen tijde, als zedelijke ligchamen beschouwd, eene besliste afkeuring van het systeem hebben uitgedrukt, en aangedrongen, dat er iets tot zijne afschaffing gedaan wierd.2o. Dat ééne benaming van christenen inzonderheid dat doel als uitsluitend ter harte genomen, en elk harer leden van eenig aandeel in slavenbezit getracht heeft te bevrijden. Wij bedoelen de kwakers. De wijze, waarop dat doel bereikt is geworden, zal de inhoud van een vlugschrift uitmaken, dat weldra door een lid hunner gemeente, den dichter J. G. Whittier, zal worden in het licht gegeven.3o. Dat individueele leden van alle benamingen, door den geest des Christendoms bezield, op verschillende wijzen tegen de slavernij hebben geprotesteerd.Thans zal het niet ongepast zijn, de door sommige der voornaamste kerkelijke ligchamen, nopens dit onderwerp uitgedrukte gevoelens meer bepaaldelijk en in de bijzonderheden te beschouwen.Het is regtmatig, dat door de schrijfster de bronnen worden aangewezen, waaruit de aanhalingen geput zijn. Dezulke, die betrekking hebben tot de handelingen van kerkelijke ligchamen in de Zuidelijke Staten, zijn voornamelijk getrokken uit een vlugschrift van den heer James G. Birney, getiteld: „De Kerk, het bolwerk der slavernij.” De schrijfster vervoegde zich bij een brief aan den heer Birney, waarin zij opgaven der door hem gebezigde bronnen verzocht. Zijn antwoord was, hoofdzakelijk, als volgt: dat het vlugschrift zoowel uit oorspronkelijke documenten was zaâmgesteld, als uit de kolommen der nieuwspapieren, die de gebeurtenissen vermeld hadden, tijdens zij waren voorgevallen. Het werd, in 1842, in Engeland vervaardigd en uitgegeven, met het doel, om het publiek aldaar een juist begrip te doen opvatten van den toestand der Amerikaansche Kerk en geestelijkheid. Mr. Birney zegt, dat het hem niet bewust is, dat ééne enkele der aangevoerde stellingen, hoezeer ook al zulk een geruimen tijd voor het oog der wereld geweest, ooit betwist is geworden; en dat hij, bewust van haren buitengewonen aard, zich de uiterste moeite getroost heeft, om er de authenticiteit van buiten twijfel te stellen.Wij beginnen met die der Zuidelijke Staten.1. De Presbyteriaansche Kerk.„Harmony Presbytery” van Zuid-Carolina.Nademaal vele personen in Schotland en Engeland, en andere in het noorden, oosten en westen onzes lands, de slavernij hebben aangeklaagd, als strijdig met Gods wetten, en sommigen hunner aan de Algemeene Vergadering onzer Kerk, en aan het Congres van de natie, memoriën en verzoekschriften hebben ingediend, met het erkende doel, om de slavenhouders in ongunst te brengen, en de betrekking tusschen meester en slaaf te vernietigen; en dewijl het uit de voormelde handelingen, zoowel als uit de daartoe betrekkelijke grondstellingen, redeneringen en omstandigheden, tenduidelijkste blijkt, dat deze personen „niet weten wat zij zeggen, noch waarvan zij getuigen;” en benevens die onwetendheid een geest van eigengeregtigheid en uitsluitende heiligheid openbaren, enz.1.Is besloten, dat, dewijl het koningrijk onzes Heeren niet van deze wereld is, Zijne kerk, als zoodanig, geen regt heeft, om eenige staatkundige of burgerlijke wet of instelling van menschen te vernietigen, te veranderen of te wijzigen, enz.2.Is besloten, dat de slavernij bestaan heeft van de dagen dier goede oude slavenhouders en aartsvaders, Abraham, Isaäc en Jacob (die nu in het koningrijk der hemelen zijn) af aan, tot op den tijd, wanneer de apostel Paulus een weggeloopen slaaf tot zijnen meester Philemon terug zond, en een Christelijken en broederlijken brief, die in den canon der Schriften vervat is, aan dien slavenhouder schreef; en dat de slavernij ook na de dagen des apostels bestaan heeft, en nog bestaat.3.Is besloten, dat aangezien de wederzijdsche pligten van meester en slaaf in de Schriften geleerd worden, op dezelfde wijze, als die van ouder en kind, en van echtgenoot en vrouw, het bestaan der slavernij zelve niet tegen den wil van God gekant is; en dat hij die een te teeder geweten bezit, om deze betrekking als wettig te erkennen, „al te regtvaardig” en „wijs is boven hetgeen geschreven staat;” en dat hij den hals onder het juk van menschen gebogen, zijne christelijke vrijheid des gewetens opgeofferd, en Gods onfeilbaar Woord voor de meeningen en gevoelens der menschen verlaten heeft.„The Charleston Union Presbytery.”Het is in het oog dezer vereeniging een uitgemaakt beginsel, dat de slavernij, zoo als zij bij ons bestaat, eene staatkundige instelling is, waarmede aan kerkelijke overheden geen het minste regt van bemoeijenis toekomt; en dat in betrekking tot dezen, elke zoodanige bemoeijenis, voornamelijk onder de thans aanwezige crisis, eenzedelijk kwaadzijn zoude, met de gevaarlijkste en noodlottigste gevolgen bezwaard.De dooronsgehandhaafde gevoelens,in gemeenschap met christenen van alle benamingen in de Zuidelijke Staten, zijn gevoelens, die door ons geweten zoo volmaakt worden goedgekeurd, en zoo vereenzelvigd zijn met onze heiligste gevoelens van pligt, dat wij die onder alle omstandigheden zouden volhouden.Is besloten, dat naar het gevoelen van deze „Presbyters”, het houden van slaven, wel verre van eeneZONDEin Gods oog te zijn, nergens in Zijn heilig woord veroordeeld wordt; dat het in overeenstemming is met het voorbeeld, of bestaanbaar met de voorschriften van aartsvaders, apostelen en profeten; en dat het even zoo min in strijd is met de broederlijkste beschouwing van het welzijn dier dienstknechten, welke God aan onze zorgen heeft aanbevolen.DeNew SchoolPresbyteriaansche kerk in Petersburg (in den staat van Virginië) nam, den 16 November 1838, het volgende besluit:Nademaal de Algemeene Vergadering, in den jare 1818, eene wet heeft doen doorgaan, bepalingen opzigtelijk de slaven behelzende welke onbestaanbaar zijn met onze burgerlijke instellingen, en daarbij plegtig verklaard wordt dat de slavernij eene zonde jegens God is; eene wet, evenzeer honende als beleedigende voor de geheele zuidelijke gemeente:1.Is besloten, dat wij, als slavenhouders, niet langer in betrekking kunnen blijven met eenige kerk, waar eene wet bestaat die aan slaven het regt toekent om hunne meesters voor het kerkelijk regtsgebied te betrekken,al ware het ook voor de handeling van hen, zonder hunne vooraf gevraagde en verkregene toestemming, te verkoopen.2.Is besloten, dat, aangezien het Groote Opperhoofd der Kerk de betrekking vanmeester en slaaferkend heeft, wij naar ons geweten gelooven, dat de slavernij geene zonde jegens God is, zoo als door de Algemeene Vergadering is verklaard geworden.Dit zal genoeg zijn om het gevoelen der Zuidelijke Presbyteriaansche Kerk te doen blijken. De volgende uittreksels raken de gevoelens van de Kerken der Baptisten. In 1835 boodde Vereeniging der Baptisten te Charleston aan de Wetgevende Vergadering van Zuid-Carolina een memorie aan, waarin het volgende voorkomt:Wijders geven de ondergeteekenden te kennen, dat gezegde Vereeniging niet van gevoelen is dat de Heilige Schriften de zaak der slavernijin het geheel tot een zedelijk vraagstuk gemaakt hebben. De Goddelijke Stichter onzer heilige godsdienst, in het bijzonder, vond de slavernij, als een gedeelte der bestaande maatschappelijke instellingen aanwezig, waarin het zijn doel niet waszich te mengenwanneer zij niet zondig waren, maar ze ten eenemale aan het bestuur der menschen over te laten. Zulks dan als eene vrijgelatene maatschappelijke schikking beschouwende, betrok hij tot het gebied zijner godsdienstleer alleenlijk de voorschriften der wederzijdsche verpligtingen dezer betrekking. De vraag, zoo als wij gelooven, is eene zuivere vraag van staats-economie. Zij bepaalt zich inderdaad tot deze: „Of de leden der arbeidende klasse van een land gekocht en verkocht, en, zoo als in dezen Staat het geval is, zelve een eigendom zullen worden; dan wel of zij huurlingen, en alleen hun arbeid eigendom zal worden, zoo als in sommige andere Staten.”Met andere woorden: Of een gebruiker den geheelen tijd der arbeiders op eenmaal koopen mag van hen die regt hebben om daarover te beschikken, met eene voortdurende betrekking van bescherming en verzorging over die arbeiders; dan wel of het hem slechts vergund zal zijn, dien tijd bij zekere gedeelten te koopen, met onderwerping aan hunne beoordeeling, en met geene zoodanige voortdurende verpligting van bescherming en verzorging.Het regt der meesters om over den tijd van hunne slaven te beschikken, is door den Schepper aller dingen uitdrukkelijk erkend, die voorzeker de vrijheid heeft om aan zulk eenen als Hem behaagt, het regt van eigendom over zeker voorwerp te schenken. Dat de wettige bezitter dit regt naar willekeur behoude, strijdt niet meerder tegen de wetten der maatschappij en goede zeden, dan dat hij de persoonlijke gaven behoude waarmede zijn Schepper hem gezegend heeft, of het geld en de landerijen, van zijne voorouders geërfd, of door eigene vlijt verkregen; en noch maatschappij noch ondeelbaren hebben in het eenegeval een meerder regt om een afstand zonder vergoeding te eischen, dan in het andere.En nademaal de vraag zuiver staathuishoudkundig is, en eene zoodanige welke in dit land tot de kennisneming der onderscheidene Staatsbesturen behoort, gelooven wij wijders dat de Staat van Zuid-Carolina alleen het regt heeft om het bestaan en den toestand der slavernij binnen de grenzen van haar grondgebied te regelen; terwijl wij aan elke inbreuk op dat regt, van waar of onder welk voorwendsel dan ook, den uitersten tegenstand zullen bieden.De Methodistische kerk bevindt zich, in sommige opzigten, met betrekking tot dit onderwerp, op een eigenaardig standpunt, omdat hare verordening en regelen van kerkelijke tucht de hevigste beschuldigingen tegen de slavernij bevatten, waarvoor de taal vatbaar is, met de dringendste eischen dat alle hare leden, die slaven houden, gecensureerd zullen worden; en deze aanklagten en eischen zijn door hare Algemeene Conferentie bevestigd geworden.Het scheen derhalve noodzakelijk dat de Zuidelijke Conferentie eenige kennis van deze daadzaak nam; hetwelk zij dan ook, met groote koelheid en duidelijkheid, op de volgende wijze deed:De Jaarlijksche Conferentie vanGeorgia:Heeft eenstemmig besloten, dat, nademaal er een artikel in onze kerkelijke verordening is, waarin gezegd wordt dat wij zoo zeer als ooit overtuigd zijn van het groote kwaad derslavernij; en nademaal het gezegde artikel door sommigenverdraaid, en op zoodanige wijze gebezigd is als om het begrip te doen ontstaan dat de Methodistische Episcopale kerk deslavernijals eenzedelijk kwaadbeschouwde;Is, dien ten gevolge,besloten, dat het gevoelen der Jaarlijksche Conferentie vanGeorgiamedebrengt, dat de slavernij, zoo als zij in de Vereenigde Staten aanwezig is,geen zedelijk kwaad is.Is besloten, dat wij de slavernij als eene burgerlijke en huiselijke instelling beschouwen, en als eene zoodanige, waarmede wij, als dienaars van Christus, niets anders tedoen hebben, dan den toestand van den slaaf te verbeteren, door te trachten hem en zijn meester met den heilrijken invloed der godsdienst van Christus te doordringen, en beiden op hunne weg ten hemel behulpzaam te zijn.Op het gedane voorsteliseenstemmigbesloten, dat de Jaarlijksche Conferentie vanGeorgiamet gevoelens van diepen eerbied en goedkeuring de dooronze onderscheidene superintendenten, of bisschoppen, gevolgde waardige handelwijze beschouwt,in het onderdrukkender pogingen, die door velen zijn aangewend om in kerk en staat eene beweging ten gunste van hetabolitionismuste wekken.Is, wijders,besloten, hen onze hartelijke en ijverige ondersteuning in de door hen opgevatte taak, toe te zeggen.Conferentie van Zuid-Carolina.De eerwaarde W. Martin heeft gelijksoortige besluiten als die van de Conferentie vanGeorgiavoorgesteld.De eerwaarde W. Capers, na zijne overtuiging te hebben uitgedrukt dat „het in de besluiten geopenbaarde gevoelen niet alleen door de leeraars van deze Conferentie, maar door het geheele Zuiden algemeen omhelsd wordt;” en na beweerd te hebben dat de eenige ware leer deze was: „het gaat Caesar, en niet de kerk aan” stelde hij het navolgende als een plaatsvervangend besluit voor:Nademaal wij van gevoelen zijn dat het onderwerp der slavernij in deze Vereenigde Staten niet tot de handelingen der Kerk, maar uitsluitend tot die der burgerlijke besturen behoort;Hebben wij, derhalve,besloten, dat deze Conferentie zich niet verder met de zaak bemoeijen zal, dan om ons leedwezen te betuigen dat zij ooit, onder welken vorm ook, tot eenig kerkelijk regtsgebied is betrokken geworden.Broeder Martin heeft het plaatsvervangend besluit goedgekeurd.Broeder Betts heeft gevraagd of het plaatsvervangend besluit kon geacht worden te bedoelendat de slavernij, zoo als zij onder ons bestaat, geen zedelijk kwaad was? Hij beschouwde het als met zulk eene verklaring gelijk staande.Broeder Gapers antwoordde,dat het zijne meening was, dat gevoelen volledig en ondubbelzinnig uit te drukken; en dat hij den vorm van een besluit gekozen had,niet alleen met het doel om eenige onregelmatige handelingen in het Noorden te bestraffen, maar ook met betrekking tot de Algemeene Conferentie. Indien de slavernij eenzedelijk kwaad(dat is,zondig) ware,alsdan zou de Kerk verpligt zijn er kennis van te nemen; doch onze overtuiging is, dat dit geene zaak is die tothaarregtsgebied behoort, maar dat zij uitsluitend aan hetburgerlijk gezagtoekomt, enbijgevolg niet zondigis.Het plaatsvervangend besluit werd dus eenstemmig aangenomen.In 1836 hield een Episcopaalsch geestelijke in Noord-Carolina, Freeman geheeten, in tegenwoordigheid van zijnen bisschop (de eerwaarde Levi S. Ives, Theol. Dr., een inboorling van een der vrije staten) twee leerredenen over de regten en pligten der slavenhouders. In dezen beproefde hij de slavernij, van blanken en zwarten beide, uit den Bijbel te regtvaardigen, en beweerde dat „zonder eene nieuwe openbaring uit den hemel, niemand bevoegd was om de slavernijONREGTte noemen.” De leerredenen werden in een vlugschrift gedrukt, voorafgegaan door een brief aan Mr. Freeman van den Bisschop van Noord-Carolina, waarin hij betuigde dat hij „met ongeveinsd en bijzonder genoegen” de leerredenen had aangehoord, en de openbaarmaking er van aanried, „als thans hoogst noodzakelijk.”„Het Protestantsche Episcopaalsche genootschap tot bevordering van het Christendom (!) in Zuid-Carolina” achtte een herdruk van Mr. Freeman’s vlugschrift nuttig, alseen godsdienstig tractaat!Toen naderhand de aanwinst van den nieuwen Staat van Texas de organisatie der Bisschoppelijke kerk aldaar noodzakelijk maakte, werd deze Mr. Freeman tot Bisschop van Texas benoemd.Nu zou de vraag kunnen ontstaan—en bij elken verstandigen denker onder het Christendom moet zij wel ontstaan:—kan het mogelijk zijn dat de slavernij in Amerika, zoo als zij door de wetten van dat land, en door de beslissingen zijnergeregtshoven omschreven, alle de vreeselijke misbruiken insluit die de wetten erkennen en bekrachtigen;—kan het mogelijk zijn, dat zij als eene regtmatige en gepaste instelling beschouwd wordt? Beschouwen deze Christenen alleenlijk de slavernij in het afgetrokkene, als eene instelling, die, onder eene gepaste wetgeving, goed zou kunnen worden, of verdedigen zij haar,zoo als zij thans in Amerika bestaat?Het is eene daadzaak, dat er in het Zuiden eene groote partij bestaat, die niet alleen de slavernij in het afgetrokkene verdedigt, maar ook de slavernij, zoo als zij in Amerika bestaat, in haar geheel en in hare deelen, de ergste misbruiken zelfs daarbij ingesloten.Uit het systeem kunnen vier gedeelten of gevolgen wettig worden afgeleid, die ten uiterste snood en afschuwelijk zijn.Het zijn deze:1.Het verbod van het getuigenis der kleurlingen in regtszaken.2.Het beletten der opvoeding.3.De binnenlandsche slavenhandel.4.De daaruit voortvloeijende scheiding der familiën.Wij zullen de bewijzen aanvoeren dat elk dezer punten, òf als grondstelling verdedigd, òf zonder afkeuring erkend is geworden, het zij door beslissingen van kerkelijke vergaderingen, het zij door schriften van invloedrijke geestelijken, zonder dat, door de ligchamen waartoe zij behooren, eenige afkeurende uitdrukking nopens hunne gevoelens is gebezigd geworden.In de eerste plaats, de uitsluiting van het getuigenis der kleurlingen in kerkelijke zaken. In 1810 werd door de Algemeene Conferentie van de Methodistische Episcopale kerk, het volgende besluit genomen:—”Dat het voor elken predikant onvoegzaam en onverdedigbaar is, aan kleurlingen het geven van getuigenis tegen blanken te vergunnen, in eenigen Staat waar hen dat voorregt door de wet ontzegd is.”Dit geschiedde alvorens de Methodistische kerk, zoo als zij later deed, zich ten gevolge der slavernij-kwestie, in Noordelijke en Zuidelijke Conferentiën gescheiden had. Zoowel Noordelijke als Zuidelijke leden stemden vóór het besluit.Nadat zulks was voorgevallen, ontwaakte het geweten van vele noordelijke predikanten, en verlangden zij eene nadere overweging. De zuidelijke leden daarentegen eischten op gebiedenden toon dat het besluit vast en onveranderd zou blijven.De geest der discussie moge uit het volgende uittreksel blijken.Mr. Peck, uit New-York, die de nadere overweging van het besluit had voorgesteld, drukte zich aldus uit:Dat besluit (zeide hij) was onder eigenaardige omstandigheden, in een tijdstip van opgewekte hartstogten, genomen, en hij had er vóór gestemdals een vrede-offer jegens het Zuiden, zonder de kracht der gebezigde bewoordingen naauwkeurig genoeg te overwegen; maar, na een weinig nadenkens was hij droevig geworden; en hij was maar eenmaal droevig geweest, en dat was den geheelen tijd; hij was overtuigd dat, zoo dat besluit in het register bleef,het voor de geheele noordelijke Kerk noodlottig zou worden.De Eerwaarde Dr. J. A. Few, van Georgia, de voorsteller van het oorspronkelijke besluit, stond nu op. Wat ik thans laat volgen, zijn uittreksels uit zijne rede. De onderhalingen zijn van mij.Ziet wat gij doet! Wat verklaart gij ons daar, zoo gij dezen weg op wilt! Wel, eenvoudig, zoo veel als: „wij kunnen u niet handhaven in den toestand dien gij niet vermijden kunt!” Wij kunnen u niet handhaven in denoodzakelijke voorwaardenvan het slavenbezit; één diernoodzakelijke voorwaardende verwerping van het getuigenis der kleurlingen zijnde! Zoo het niet zondig is slaven te houden, onder alle omstandigheden,dan is het ook niet zondig, ze onder de eenigste voorwaarde en onder de eenigste omstandigheden te houden, waaronder het mogelijk is ze te houden. De verwerping van het getuigenis der kleurlingen is een der noodzakelijke voorwaarden waaronder het slavenbezit bestaan kan; zoo als het dan ook, inderdaad, volstrekt onmogelijk is, dat het zonder dezelve besta; weshalve het niet zondig is, slaven te houdenonder de voorwaarden en omstandigheden waaronder zij in het Zuiden gehouden worden, in zooverre zij onder geene andere omstandigheden kunnen gehouden worden. *** Zoo gij gelooft dat het slavenbezit noodzakelijk zondig is, dan gelooft gij ook noodwendig dat wij zondaars zijn; en, is dit zoo, verklaar het dan rond enopenlijk,en laten wij van u scheiden. *** Wij behooren duidelijk, naauwkeurig en rondborstig de stelling te weten die gij nemen zult. Wij kunnen ons niet langer aan uwe bemoeizucht onderwerpen. Wij hebben er genoeg van gekregen. Uwe ziekelijkesympathieënvervelen ons. *** Zoo gij niet gekant zijt tegen de grondbeginselen die er in liggen opgesloten, vereenigt u dan met ons,als eerlijke lieden, en gaat huiswaarts, en ziet de gevolgen onbeschroomd onder de oogen. Wij zeggen het nogmaals, gij zijt voor dezen staat van zaken verantwoordelijk; want gij zijt het die ons tot het verontrustende punt gedreven hebt, waar wij ons bevinden. ***Gijhebt dat besluit volstrekt noodzakelijk gemaakt voor de rust van het Zuiden! Maarthansherroept gij dat besluit! En gij trekt den Rubicon over! Laat ik niet misverstaan worden. Ik zeg,gijtrekt den Rubicon over! Zoo gij herroept, dan herroept gij ook het grondbeginsel dat het besluit medebrengt, en gij stelt het geheele Zuiden tegen u in slagorde,en wij moeten scheiden! *** Zoo gij de beginselen toestemt, die het in zich sluit, en noodwendig in de zaak liggen opgesloten, houdt ze dan ook vast, „al zouden de hemelen vergaan!” Maar, zoo gij op herziening blijft aandringen, dan vraag ik, in welk een daglicht uwe handelwijze in het Zuiden zal beschouwd worden? Welk besluit zal men er ginds uit trekken? Wel, dat gij ons niet dulden kunt, zoo lang als wij slaven houden! Voor het aangezigt der zon zal het besluit verklaren: „wij kunnen u niet dulden, mijne heeren, dewijl gij uwe slaven behoudt!” Uw verzet tegen het besluit is gegrond op uw verzet tegen de slavernij; gij kunt, derhalve, uwe stelling niet bewaren, tenzij gij u onder de abolitionisten schaart, en ons eenmaal en voor altoos veroordeelt, of tenzij gij de herziening van het besluit weigert.Het besluit bleef derhalve in kracht, met een ander besluit als aanhangsel, hetwelkde onverminderde belangstelling der Algemeene Conferentie voor de bevolking der kleurlingenuitdrukte.Het is allerduidelijkst dat zijonverminderd was, om de beste der redenen. Dat de bevolking der kleurlingen juist niet zeer van dankbaarheid over deze inschikkelijkheid doordrongen was, blijkt uit de daadzaak dat „the official members of the Sharpstreetand Ashby Coloured Methodist Church in Baltimore,” tegen de motie protesteerden en petitioneerden. Het navolgende is een uittreksel uit hun adres:De aanneming van zulk een besluit door onze hoogste kerkelijke regtbank—eene regtbank, zamengesteld uit de wijste en ervarenste broederen in de kerk, de uitverkoren bloem van acht en twintig Conferentiën,—heeft, zoo wij vreezen, eene onherstelbare schade gedaan aan 80,000 zielen waarvoor Christus gestorven is;—zielen die, door deze daad uwer vergadering, van de waardigheid van Christenen beroofd, op den trap der menschheid vernederd, en als misdadigers behandeld zijn geworden, om geene andere reden dan de kleur hunner huid! Uw besluit heeft, naar ons nederig gevoelen,krachtigverklaard, dat eene bloot natuurkundige eigenaardigheid, het handenwerk van onzen alwijzen en weldadigen Schepper, op het eerste aanzien een blijk oplevert van onbekwaamheid om de waarheid te spreken, of een onfeilbaar teeken is van onwaardigheid om getuigenis tegen een medeschepsel te geven, welks huid wit genoemd wordt. ***Broeders, uit den overvloed van ons hart hebben wij gesproken.Onze kwelling is voor u!Zoo gij eenig belang stelt in de verlossing van de 80,000 onsterfelijke zielen, die aan uwe zorg zijn toevertrouwd; zoo gijvijf en twintig honderd zielen in deze stad, met den wil bezield om de Kerk die hen gekoesterd en opgevoed heeft, nooit te verlaten, niet buiten die Kerk wilt stooten; zoo gij ons als kinderen van éénen en denzelfden Vader beschouwt, en, na rijpe overweging, met ons als leden van het ligchaam van Christus sympathiseren kunt;—zoo gij de vreeselijke, de geduchte verantwoordelijkheid niet op u laden wilt van niet slechts één, maar vele duizenden dezer „kleinen” te ergeren,—zoo smeeken wij u om het hatelijke besluit dat ons volk verwoest, uit het register uwer handelingen weg te schrappen.„Een Baltimoorsch kleurling”, aan den uitgever van denWachter Sionsschrijvende, zegt:Dit adres werd aan een der secretarissen, een afgezondenevan de Baltimoorsche Conferentie, overhandigd, en gevolgelijk door hem aan de bisschoppen ter hand gesteld. Hoe velen der leden van de Conferentie het gezien hebben, weet ik niet. Eén ding is zeker:het werd niet aan de Conferentie voorgelezen.Met betrekking tot het tweede punt—de verdediging der wetten, die den slaaf verbieden lezen en schrijven te leeren—hebben wij het volgende voorbeeld:—In den jare 1835 rigtte de „Chillicothe Presbytery, Ohio,” een Christelijk vertoogschrift aan de Presbytery van Mississippi, waarin uitdrukkelijk de oogpunten vermeld worden, waaruit zij de slavernij als onchristelijk beschouwt. Het achtste dier punten luidde als volgt:Dat eenig lid onzer kerk, die ten voordeele zal spreken of pleiten van zoodanige reeds bestaande of nog in te voeren wetten, die ten doel hebben de slaven in onwetendheid te houden, en hen te beletten het woord Gods te leeren lezen, zich schuldig maakt aan eene zware zonde, en daarvoor, als voor andere schandelijke misdaden, behoort gestraft te worden.Dit vertoogschrift werd door den eerw. James Smylie, gevestigd geestelijke van de Mississippi Presbytery, en later van de Amity Presbytery van Louisiana, in een vlugschrift van zeven en tachtig bladzijden beantwoord, waarin hij de slavernij in het algemeen en in het bijzonder verdedigt, op dezelfde wijze waarop alle andere misbruiken altoos zijn verdedigd geworden—met het woord van God. De tiende afdeeling van dit vlugschrift is aan de verdediging dezer wet gewijd. Hij wijdt zeven klein gedrukte bladzijden aan dit onderwerp. Hij zegt (pag. 63):In de beide Staten, Mississippi en Louisiana, bestaan er wetten, met zware strafbedreigingen vergezeld, die verbieden de slaven te leeren lezen,en die de goedkeuring wegdragen van het Godsdienstige gedeelte der denkende ledematen.Iets verder voegt hij er bij:De wetten die den slaven verbieden te leeren lezen, zijn eene vruchtbare bron van veel onwetendheid en onzedelijkheid onder de slaven. Het drukken, uitgeven en verspreiden van abolitie- en emancipatie- ademende grondbeginselen in deze Staten, was de oorzaak van het doorgaan dier wetten.Nu gaat hij verder, en zegt dat de onwetendheid en zedeloosheid die het gevolg dier wetten zijn, eigenlijk niet ten laste komen van hen die de wetten gemaakt hebben, maar van hen wier leerstellingen van emancipatie ze noodzakelijk gemaakt hebben. Over deze gevolgen van onwetendheid en ondeugd sprekende, zegt hij:Op wien komen zij neder? Zoo gij mij vergunnen wilt deze vraag te beantwoorden, dan beantwoord ik haar aldus: Op zulke groote en goede mannen als John Wesley, Jonathan Edwards, Bisschop Porteus, Paley, Horsley, Scott, Clark, Wilberforce, Sharpe, Clarkson, Fox, Johnson, Burke, en andere groote en goede mannen, die, zonder het woord Gods te onderzoeken, besloten hebben dat het een ware grondregel is, dat de slavernij in zich-zelve zondig is.Voorts heldert hij de noodzakelijkheid dier wetten door de volgende vergelijking op. Hij veronderstelt dat de leer verkondigd was geworden, dat het ouderlijke gezag eene onregtvaardige inbreuk was, die de maatschappij in banden sloeg; dat er genootschappen gevormd waren ter emancipatie van kinderen uit het gezag hunner ouders; dat alle boeken van dat beginsel doordrongen waren; en dat onder al deze invloeden, de kinderen onrustig en wederspannig geworden waren. Hij veronderstelt dat, onder deze omstandigheden, de ouders de zaak voor de wetgevers bragten, en aan dezen ter beoordeeling lieten. En nu beschrijft hij aldus het dilemma van de wetgevers:Deze vatten de zaak aan, en nemen het onderwerp ernstig en plegtig in overweging. Aan de eene zijde begrijpen zij, dat, zoo hunne kinderen den toegang hadden tot dezeleerstellingen, zij voor altoos ongelukkig zouden zijn. Hun dien toegang te laten, was nogtans onvermijdelijk, zoo zij hen leerden lezen. Hun het leeren lezen te beletten, was wreed, en zou hun beletten die kennis der Goddelijke wetten te verkrijgen, waarin zij zich anders zouden mogen verblijden. Bij deze treurige keuze tusschen twee kwaden als wetgevers nederzittende, moesten zij van die twee kwaden het minste kiezen. Met gevoelens van verontwaardiging jegens dezen bezield, die, onder den invloed van „verleidende geesten,” „leeringen der duivelen” onder hen gezonden hadden, en nog zonden, maar met bloedende harten over hunne kinderen, besloten zij dat hunne kinderen geen onderwijs in het lezen zouden ontvangen, tot dat de storm zou zijn overgewaaid; hopende dat de satan slechts voor een korten tijd zou zijn losgelaten. En gedurende dien tijd zullen zij hen mondeling onderwijzen, en daardoor verhinderen dat zij met die booze leerstellingen besmet worden.Zoo veel wat die wet betreft.Gaan wij thans over tot den binnenlandschen slavenhandel. Deze handel bestaat in het koopen en verkoopen van menschelijke wezens,alleen met oogmerk om winst te doen.Een meester die slaven verkrijgt, of een meester die slaven koopt met oogmerk om ze op zijne plantaadje of in zijne familie te houden, kan verondersteld worden nog eenig ander doel te hebben danalleenlijk winst te doen. In zekere gevallen mag hij verondersteld worden eenig belang te stellen in het geluk of welzijn van den slaaf. De slavenhandelaar koopt en verkoopt slechtsmet het eenige doel om winst te bejagen.Met betrekking tot dit misbruik, heeft de Chillicothe Presbytery in het door ons aangehaalde document, het volgend besluit genomen:Is besloten, dat het koopen, verkoopen of houden van een slaaf,om winstbejag, eene afschuwelijke zonde en aanstoot is, waarvan de kerkelijke regtbanken behooren kennis te nemen.In het antwoord waaruit wij reeds eenige zinsneden aanhaalden, zegt de heer Smylie (pag. 13):Als het koopen, verkoopen of houden van een slaaf, om winstbejag, eene afschuwelijke zonde en aanstoot is, zoo als gij beweert, dan, inderdaad, zijn drie-vierden van alle Episcopalen, Methodisten, Baptisten en Presbyterianen in de elf Staten der Unie, uit den duivel.En verder:Te vragen of slavenhouders of slavenkoopers uit den duivel zijn, schijnt mij toe zoo veel te zijn als te vragen of God al dan niet een waarachtige getuige is; dat is, voor zoo veel het Gods getuigenis, en niet enkel het getuigenis van de Chillicothe Presbytery is, dat het koopen, verkoopen en houden van slaven „eene afschuwelijke zonde en aanstoot is.”En wederom (pag. 21):Als de taal slechts in staat is om duidelijke en bepaalde begrippen te geven, dan weet ik niet hoe zij duidelijker en ondubbelzinniger eenige gedachte of denkbeeld aan den geest zou kunnen voorstellen, dan het vijf en twintigste hoofdstuk van Leviticus duidelijk en ondubbelzinnig het feit daarstelt, dat de slavernij door God-zelven werd goedgekeurd, en dat het koopen, verkoopen, houden en schenken van slaven,als eigendom, handelingen zijn, door Hem-zelven geregeld.****Welke taal kan uitdrukkelijker aantoonen, niet dat God de slavernij slechts oogluikende toeliet, maar dat Hij, om het minste te zeggen, eengeschreven verlofaan de Hebreën, destijds het beste volk in de wereld, gaf, om tot voortdurende dienstbaarheid,mannen en vrouwen te koopen, te houden en te geven? Wat wordt er nu van de bewering der Chillicothe Presbytery? *** Is het wezenlijk een feit, dat God eenmaal eene geschrevene toelating aan zijn eigen dierbaar volk gaf („gij zult koopen”) om datgene te doen wat in zichzelve zondig is? Ja om datgene te doen wat de Chillicothe Presbytery zegt eene „afschuwelijke zonde en aanstoot” te zijn?God besluit dat zijne eigene kinderen mogen, of liever „zullen,” „koopen, bezitten en houden” slaven en slavinnen, in dienstbaarheid,voor altoos. Maar de Chillicothe Presbytery besluit dat „het koopen, verkoopen of houden van slaven, om winstbejag, eene afschuwelijke zonde en aanstoot is.”Het is onze meening niet, te zeggen dat Mr. Smylie, onder het schrijven van deze uitspraken, den binnenlandschen slavenhandel bepaaldelijk voor den geest had; maar wij zeggen dat geen slavenhandelaar eene duidelijker en meer regtstreeksche verdediging van zijnen handel zou kunnen verlangen, dan deze.Ten opzigte, eindelijk, van de ontbinding der huwelijksbetrekking, die het noodzakelijk gevolg is van dit soort van koophandel, zijn door regterlijke overheden van de kerk de volgende beslissingen genomen.In 1835 gaf de „Savannah River (Baptist) Association” op de vraag:Of, in een geval van onvrijwillige scheiding van zulk eenen aard dat alle vooruitzigt op hereeniging in het vervolg daardoor zou worden uitgesloten, aan de partijen kan vergund worden andermaal te huwen?het volgende antwoord:Dat zulk eene scheiding, tusschen personen in den toestand als waarin onze slaven verkeeren,burgerlijkeene scheiding doorden doodis, en zij gelooven dat zulks, in Gods oog, mede aldus zou beschouwd worden. Tweede huwelijken, in zoodanige gevallen, te verbieden, zou zijn de partijen niet slechts aan harderen dwang en sterkere verzoeking, maar ook aan dekerkelijke censuurbloot te stellen, wegens de daad van aan hunne meesters te hebben gehoorzaamd, wier toestemming niet te verwachten is in een maatregel, strijdig met de regtvaardigheid jegens de slaven, en met den geest van dat gebod, hetwelk het huwelijk onder de Christenen regelt.De slaven hebben geene vrijheid van daad, en eene ontbinding door den dood ligt niet meer ten eenemale buiten hunne toestemming en medewerking, dan eene ontbinding door zulk eene scheiding.Aan de „Shiloh Baptist Association,” die, eenige jaren geleden, te Gourdvine vergaderde, werd, volgens denReligious Herald, door „Hedman Church” de volgende vraag voorgesteld:Mag aan een’ dienstbare, wiens echtgenoot of vrouw door zijnen of haren meester verkocht is geworden, een tweede huwelijk vergund worden?Het vraagstuk werd aan eene commissie in handen gesteld, die het volgende antwoord gaf, dat, na beraadslaging, werd aangenomen:Dat, de omstandigheden in aanmerking genomen, waaronder in dit land de dienstbaren zich bevinden, de commissie eenstemmig van gevoelen is, dat het beter is, den dienstbaren onder zulke omstandigheden te vergunnen een anderen man of vrouw te nemen.De Eerwaarde Charles C. Jones, die ernstig en onvermoeid voor het welzijn der slaven arbeidde, iemand van wien het redelijkerwijze te vermoeden is, dat hij, zoo iemand, dit onderwerp zeer ter harte neemt, maakt, bij zijne schatting van den zedelijken toestand der negers, eenvoudig de opmerking, dat, nademaal echtgenoot en vrouw aan al de wisselvalligheden van het eigendomsregt onderworpen zijn, en door verdeeling van bezittingen, verrekening van schulden, en dergelijke, gescheiden kunnen worden, de huwelijksbetrekking natuurlijkerwijze veel van hare heiligheid verliest, en zegt wijders:Het is een contract van welvoegelijkheid, voordeel of genoegen, dat naar den wil van partijen kan aangegaan of ontbonden worden, en dat zonder afschuwelijke zonde, of benadeeling der eigendomsbelangen van iemand ter wereld.In deze uitspraak drukt hij, naar wij veronderstellen, hetalgemeenedenkbeeld van slaven en meesters over den aard dezer instelling uit, en niet zijn eigen. Wij leiden zulks af uit het feit dat hij, in zijnen catechismus, den slaaf de heiligheid en voortdurendheid der betrekking poogt in te prenten.Maar, wanneer de vroomste en godsvruchtigste mannen die het Zuiden bezit, en die hun leven wijden aan de bevordering van het welzijn der slaven, zoo kalm, en zonder eenige afkeuring, dezen staat van zaken beschouwen als een staat waarmede het Christendom hen de roeping niet oplegt zich te bemoeijen, wat is er dan van de wereld in het algemeen te verwachten?Ten aanzien der in het vlugschrift van Mr. Smylie uitgedrukte gevoelens, moet worden opgemerkt dat zij, in het aanhangsel, door een document in naam van twee Presbyteries ondersteund worden, welk document, hoewel het minder tot kleine bijzonderheden afdaalt, zich op hetzelfde grondgebied plaatst als Mr. Smylie. Deze Eerwaarde James Smylie was een dergenen, aan wien, in vereeniging met den Eerwaarden John L. Montgomery, door de synode van Mississippi, in 1839, de last werd opgedragen om een catechismus tot onderwijs der negers te schrijven of te compileren.Mr. Jones zegt, in zijne „Geschiedenis van het Godsdienstig Onderwijs der negers,” (pag. 83). „De Eerwaarde James Smylie en de Eerwaarde C. Blair houden zich met dit goede werk (het onderwijs der negers) systematisch en op den duur in Mississippi bezig.” De eerstgenoemde geestelijke wordt gekenschetst als een „bejaarden en onvermoeiden vader.” In het onderwijs der negers is hij uitnemend geslaagd. Een groot gedeelte der negers in zijne oude gemeente kan zoowel den catechismus van Williston als den Westminsterschen, zeer juist opzeggen.” Gaarne wenschte de Schrijfster, wijdloopige uittreksels van Mr. Smylie’s vlugschrift te kunnen mededeelen. Er zou veel uit te leeren zijn met betrekking tot de wijze waarop zulk een onderrigt op de rigting van geest, de hebbelijkheid van denken, en de beschouwingswijze van geestelijke zaken, werken moet. De man is ontwijfelbaar en hartelijk opregt in zijne gevoelens, en schijnt die met de overvloedigste en triomferendste blijdschap, als de allerlaatste verbetering der theologische wetenschap, te willen volhouden. Wij kunnen aan de verzoeking geen weêrstand bieden om een gedeelte zijnerInleidingaf te schrijven, al ware het enkel om het daardoor geworpene licht op de denkwijze, die aan onze Zuidwestelijke wateren wordt aangetroffen.Het volgende overzigt onder het oog des publieks brengende, arbeidde de schrijver niet geheel, of voor een goed gedeelte, onder den invloed eener hoop of begeerte om de inzigten der Chillicothe Presbytery te verbeteren. Hij hoopte met de uitgave eene wezenlijke dienst te bewijzen aan anderen, zoowel als aan de Presbytery.Door zijn verkeer met godsdienstige genootschappen van allerlei benamingen, was het hem duidelijk geworden dat het beginsel der abolitionisten, namelijk,dat de slavernij in zich zelve zondig is, veld had gewonnen, en zich met de godsdienstige en gewetensbezwaren van velen in de gemeente zoo zeer had ineen geweven, dat zij er zich niet slechts ongelukkig door gevoelden, maar dat zelfs hunne aandacht van de groote en gewigtige pligten eens huisvaders jegens zijn huisgezin werd afgetrokken. Het oog des geestes, op de slavernij zelve gevestigd als op eene verdorvene bron, waaruit, noodwendig, geene andere dan verdorvene wateren konden vloeijen, werd onophoudelijk ingespannen met het opzoeken van eenig plan, door hetwelk, in den een of anderen toekomstigen tijd, de bron ten eenemale kon worden opgedroogd; terwijl men nooit overwoog, of zelfs maar droomde, dat de slavernij, op zich zelve beschouwd, eene onschadelijke betrekking was, en dat de gansche dwaling berustte in het verzuim der pligten, welke die betrekking met zich brengt.Zoo er eene bewustheid van schuld op het gemoed blijft rusten, dan is het, wat de uitwerking betreft, volmaakt hetzelfde of het geweten al dan niet in dwaling verkeert. Al behoort Gods woord alléén de gids van het geweten te zijn, is zulks echter niet altoos het geval. Van daar, dat er somtijds gewetensbezwaren bestaan over het nalaten van datgene, wat door Gods woord veroordeeld wordt.De wilde van het eiland Borneo, die nalaat zijn vader te dooden, en hem met zijne dadels op te eten, wanneer hij oud geworden is, wordt jammerlijk door de wroegingen van een beschuldigend geweten gefolterd, wanneer zijne kinderlijke teederheid en medelijden het overwigt bekomen hebben op zijn gewaanden pligt van zijn vader te dooden. Op dezelfde wijze lijdt menig slavenhouder, wiens geweten niet door het woord van God, maar door de leeringenvan menschen geleid wordt, de geeselslagen van een schuldig geweten, zelfs wanneer hij, overeenkomstig de Schrift, met zijnen slaaf „regtvaardiglijk handelt,” eenvoudig omdat hij zijn slaaf niet emancipeert, zonder betrekking tot het goede of kwade dat zulk eene daad ten gevolge zou hebben.„Hoe liefelijk op de bergen” zouden—naar de schatting van den schrijver—„de voetstappen van hem zijn, die”—aan den wilde van Borneo—„de blijde boodschap verkondigde” dat zijn gedrag, in het sparen van het leven zijns teederen en geliefden vaders, geene zonde was! *** Even zoo liefelijk en behagelijk, vertrouwt de schrijver, zal het voor een eerlijken, schroomvalligen en naauwgezetten slavenhouder zijn, uit het woord van God de blijde boodschap te vernemen dat de slavernij zelve niet zondig is. Thans van eene nachtmerrie ontheven die zijne krachten tot volvoering van zijnen pligt jegens zijne slaven verlamde, gaat hij opgeruimd tot krachtige handeling over. Het is thans niet meer zoo als vroeger, toen hij de slavernij als zondig in haar zelve beschouwde. Thans kan hij, met de hoop van verhoord te worden, bidden dat God zijne pogingen zegene om zijne slaven op te kweeken in de tucht en in de vreeze des Heeren; terwijl hij voorheen werd terug gehouden door de bedenking—„zoo ik onregtvaardigheid in mijn harte overleg, de Heere zal mij niet hooren.” In plaats van, zoo als vroeger, druilende en mijmerende over zijnen toestand, het hoofd te laten hangen, heft hij thans het hoofd op, en volgt vrolijk het gebaande pad zijner pligten.Hij wordt niet meer in verzoeking gebragt om Gods woord van ter zijde in te zien, en te zeggen: „Hebt gij mij gevonden, o mijn vijand,” gekomen om mij mijne slaven te ontrooven, en mij arm te maken, zonder hen te verrijken? In plaats van, zoo als vroeger, het woord van God te beschouwen als met geesels en scorpioenen gewapend om hem in den hemel te zweepen, gevoelt hij dat „zijne wegen wegen van vrolijkheid, en zijne paden vrede zijn.” Thans onderscheidende tusschen het wezenlijke woord van God, en datgene wat blootelijk de leeringen en geboden van menschen zijn, is het raadsel opgelost dat voorheen onoplosbaar geschenenhad, namelijk: „De wet des Heeren is volmaakt, bekeerende de ziele.”1Zoo gij het ondernemen wildet zulk een man te beantwoorden door te zeggen dat zijn argument te veel bewijst; dat noch Christus, noch zijne Apostelen eenig uitdrukkelijk verbod hebben uitgesproken tegen de worstelingen der zwaardvechters, of de spelen in de renbanen, en het, derhalve, regtmatig zijn zou, ze in Amerika in te voeren;—het is zeer waarschijnlijk dat hij er van harte zijne toestemming aan geven zou, en van oordeel zijn dat het eene goede speculatie zou opleveren. Als een verder staaltje van de ongegeneerde opgeruimdheid die een hoofdtrek van dit voortbrengsel schijnt, zie men op pag. 58, waar het Latijnsche motto:Facilis descensus Averni, sed revocare, etc., de volgende zeer vrije en echt Westersche vertaling erlangt, die, zoo als hij goedhartig zegt, ten dienste dergenen gegeven wordt die geen Latijn verstaan:—„Het is gemakkelijk naar den duivel te gaan, maar het heeft van den duivel in om weêr terug te komen.”Sommige liefdelooze menschen zullen misschien hierop zeggen, dat de predikers van zulke leerstellingen al den schijn hebben van op dit punt eene op ondervinding gegronde kennis te bezitten. Het denkbeeld van dezen jovialen ouden vader, eene klasse van zwarte „Sams” en jonge „Topsys” in de geheimenissen van den Assembly’s Catechismus onderwijzende, is inderdaad schilderachtig!Dat Mr. Smylie’s gevoelens ten opzigte der slavernij, door voorname geestelijken van alle godsdienstige benamingen ruimschoots ondersteund en uitgebreid zijn geworden, zouden wij met boekdeelen vol aanhalingen kunnen bewijzen.Er blijft, echter, nog een tweede hoofdpunt, met betrekking tot den invloed der zuidelijke Kerk en geestelijkheid, ter beschouwing over.Het is welbekend, dat de zuidelijke staatkundige vereeniging op haar gekozen standpunt van de stelling uitgaat, dat de instelling der slavernij geen onderwerp van beraadslaging mag uitmaken. In de meeste der slaven-staten bestaan ergestrenge wetten, die aan een ieder die zich verstouten mogt iets over het onderwerp te spreken of te schrijven, tenzij in zijn voordeel, met boete, gevangenis, ja met den dood bedreigen. Dit heeft niet enkel jegens burgers van slaven-staten plaats gehad, maar men heeft de sterkste neiging aan den dag gelegd om met de burgers van vrije Staten eveneens te handelen; en waar deze discussiën niet door regelmatige wetten konden verhinderd worden, heeft men het bezigen van onwettige middelen aangemoedigd. In de uitgegevene brieven en redevoeringen van Horace Mann, worden er de volgende voorbeelden van aangetroffen (pag. 467). In 1831 loofde het Wetgevend Ligchaam van Georgië vijf duizend dollars uit aan een iegelijk, die zekeren burger van Massachusetts, met name William Lloyd Garrison, in Georgië gevangen nemen, en geregtelijk overtuigen zoude. Deze wet werd door den Gouverneur, W. Lumpkin, den 26stenDecember 1831, bekrachtigd. Bij eene „meeting” van slavenhouders te Sterling, in denzelfden Staat, den 4denSeptember 1835 gehouden, werd den Gouverneur vormelijk aanbevolen, om bij openbare aankondiging vijf duizend dollars belooning te bieden voor de gevangenneming van den een’ of anderen uit tien personen, alle, op één na, burgers van New-York en Massachusetts, wier namen werden opgegeven. Het dagbladMilledgeville Federal Unionvan den 1stenFebruarij 1836, behelsde eene uitloving van tien duizend dollars voor het vangen of rooven van den Eerwaarden A. A. Phelps, van New-York. Het Committé van Waakzaamheid der parochie vanEast-Felicianabood, in hetLouisville Journalvan den 15denOctober 1835, vijftig duizend dollars aan een ieder die Arthur Tappan, van New-York, in zijne handen zou leveren. Op eene openbare bijeenkomst, te Mount Meigs, in den Staat Alabama, den 13denAugustus 1836 onder voorzitting van Mr. Bedford Ginress gehouden, werd eene belooning van vijftig duizend dollars uitgeloofd voor de gevangenneming van denzelfden Arthur Tappan, of van Le Roy Sunderland, een Methodistisch geestelijke van New-York. Bijgevolg—dewijl niemand dier personen kon gegrepen worden dan met schending der wetten van den Staat welks burgers zij waren—was dit een openbaar aanbod van belooning voor een schelmstuk. In al de Zuidelijke Staten werden vereenigingen, onder dennaam van Committés van Waakzaamheid, gevormd, het nemen van maatregelen tot onderdrukking van abolitionistische gevoelens, en het doen straffen van verdachte personen door de Lynch-wet beoogende. Te Charleston, in Zuid-Carolina, drong een troep van deze lieden gewelddadig in het postkantoor, en hield, naar genoegen, eene algemeene inspectie der aanwezige brieven; en van alles wat door hen beschouwd werd als eene gevaarlijke en tegen de slavernij gekante strekking te hebben, werd een openlijk vreugdevuur op de straat gemaakt. Eenige dagen later werd eene groote openbare bijeenkomst gehouden, tot voltooijing der voorloopige maatregelen om de verspreiding van anti-slavernijgezinde grondbeginselen te beletten, en tot aanduiding van personen die men van abolitionismus verdacht hield, ten einde zij onder het bereik der Lynch-wet mogten geraken. Gelijksoortige volksbijeenkomsten werden in al de Zuidelijke en Westelijke Staten gehouden. Op een van deze, in 1835 te Clinton, Staat Mississippi, gehouden, werden de volgende besluiten genomen:Is besloten, dat, in het Zuiden en Westen, de slavernij niet als een zedelijk of staatkundig kwaad beschouwd, maar, in betrekking tot denwerkelijken, en niet dezen of genen Utopischen toestand der slaven, als een zegen, beide voor meester en slaaf, gehouden wordt.Is besloten, dat het ons bepaald gevoelen is, dat iedereen, die, met oogmerk om de bedoelingen der abolitionisten te verwezenlijken, zich verstouten durft om eenige der opruijende tractaten of nieuwspapieren te verspreiden, die men thans in dit land poogt in te voeren, in het oog van God en menschen de doodstraf regtvaardiglijk verdiend heeft; en dat wij niet twijfelen dat deze ook de straf zijn zoude van zulk een misdadiger, in welk gedeelte van den Staat Mississippi hij ook gevonden mogt worden.Is besloten, dat aan de geestelijkheid van den Staat Mississippi zal worden aanbevolen om zich ten aanzien van dit onderwerp openlijk te verklaren; en dat haar verder stilzwijgen met betrekking tot hetzelve, in dezen tijd van crisis, naar ons gevoelen, eene ernstige censuur waardig zijn zoude.De behandeling waaraan personen waren blootgesteld, die, als van anti-slavernijgezinde gevoelens verdacht, het ongeluk hadden van een dier Committés van Waakzaamheid in handen te vallen, kan uit het volgende verhaal worden opgemaakt. Schrijfster dezes kan er zich al de omstandigheden nog duidelijk van te binnen brengen, dewijl het slagtoffer dezer onregtvaardigheid een lid van het seminarium was, hetwelk destijds onder het opzigt van haren vader stond.Amos Dresser, thans zendeling in Jamaïca, was theologisch student aan het seminarium te Lane, nabij Cincinnati. In de vacantie (Augustus 1835) ondernam hij in den StaatTennesseebijbels te verkoopen, met oogmerk om middelen bijeen te brengen tot voortzetting zijner studiën. Zich aldaar bevindende, viel hij onder verdenking van een abolitionist te zijn; werd, onder het bijwonen eener godsdienstige zamenkomst in de nabuurschap van Nashville, de hoofdstad van den Staat, door het Committé van Waakzaamheid gearresteerd, en, na een inquisitoriaal onderzoek, dat een ganschen namiddag en avond duurde, veroordeeld om twintig zweepslagen op het naakte ligchaam te ontvangen, tusschen elf en twaalf uren op Zaturdag avond werd het vonnis, in tegenwoordigheid der meeste leden van het Committé, en van een woedend en vloekend gepeupel, aan hem voltrokken. Het Committé van Waakzaamheid (eene onwettige vereeniging) bestond uit zestig personen. Onder deze bevonden zich zeven-en-twintig kerkelijken; één hunner was een catechiseermeester; een ander, deouderling, die, slechts weinige dagen te voren, in de Presbyteriaansche kerk, aan Mr. Dresser het brood en den wijn van ’s Heeren Avondmaal had uitgereikt.Het valt spoedig in het oog dat het grondbeginsel, in behandelingen als deze opgesloten, meer omvat dan de slavernijkwestie. Het vraagstuk was inderdaad dit: of het van zoo veel belang is, Afrikaansche slaven te houden, dat het, ter handhaving daarvan, regtmatig zij, vrije Amerikanen van de vrijheid van geweten, de vrijheid van spreken, en de vrijheid der drukpers te berooven? Het is ligtelijk te ontwaren, dat de toelating van dit grondbeginsel zeer ernstige veranderingenin het bestuur van een land zou na zich slepen; omdat het zeer duidelijk is, dat, wanneer al deze beginselen van onze vrije regering voor de eene zaak mogen worden opgegeven, zij het ook voor de andere mogen worden; en dat dit noodwendig de strekking zou hebben tot vernietiging dier vrijheid van gevoelens en denkbeelden, die als het uitmuntendste der Amerikaansche instellingen beschouwd wordt.De vraag is thans deze: heeft de kerk zich met de wereld vereenigd in het gevoelen dat de instelling der slavernij zoo gewigtig en begeerlijk is, dat zulks eene goedkeurende beschouwing der Lynch-wet en de opoffering der regten van een vrij onderzoek zou kunnen wettigen? Wij antwoorden den lezer met de volgende daadzaken en aanhalingen:Bij gelegenheid der boven beschrevene groote bijeenkomst te Charleston in Zuid Carolina, berigt ons deCharleston Courier„dat de in één ligchaam vereenigde geestelijkheid van alle godsdienstige benamingen de handeling bijwoonde, er hare goedkeuring aan schonk, en door hare tegenwoordigheid het indrukwekkende van het tooneel aanmerkelijk verhoogde.” Er valt wel niet aan te twijfelen dat de tegenwoordigheid der in één ligchaam vereenigde geestelijkheid van alle godsdienstige benamingen, bij eene vergadering tot zulk een doel gehouden, waarlijk eenindrukwekkend tooneelwas!Op deze bijeenkomst werd besloten:Dat de vergadering haren dank verschuldigd is aan de eerwaarde heeren der geestelijkheid in deze stad, die zoo vaardig en doelmatig aan het algemeene gevoelen hebben beantwoord, door het sluiten hunner scholen, waarin debevolking der vrije kleurlingenonderwezen werd; en dat deze vergadering zulks beschouwt als eene vaderlandlievende daad, allen roem waardig, en wier navolging door andere onderwijzers van soortgelijke scholen in den Staat, wenschelijk ware.Hier doet zich de vraag op, of hun Heer, ten dage des oordeels, er zich op dezelfde wijze over uiten zal.De ongerustheid der slavenhouders in Virginië was niet gering; terwijl de geestelijkheid in de stad Richmond, de hoofdplaats, niet minder vaardig was dan die van Charlestonom „aan het algemeen gevoelen” te beantwoorden. Dienvolgens vergaderden hare leden den 29stenJulij, en besloten,eenstemmig:Dat wij de ongeroepene en hoogst ongepaste bemoeijing des volks van eenigen anderen Staat met de huiselijke betrekkingen tusschen meester en slaaf, ten ernstigste afkeuren.Dat het door onzen Heer Jezus Christus en zijne Apostelen gegeven voorbeeld, door zich in de slavernij-kwestie niet te mengen, maar eenparig de betrekkingen van meester en dienstknecht te erkennen, en aan beiden een volledig en liefderijk onderwijs te schenken, de navolging van alle dienaren des Evangelies waardig is.Dat wij geenerlei vlugschrift of nieuwspapier van abolitionistische genootschappen beschermen of ontvangen willen, en dat wij den omloop van alle zoodanige papieren onder de gemeente zullen tegengaan.De Eerwaarde J. C. Postell, een Methodistisch leeraar in Zuid-Carolina, besloot den volgenden zeer hevigen brief aan den uitgever vanZion’s Watchman, een te New-York uitgegeven Methodistisch anti-slavernij gezind nieuwsblad, op de navolgende wijze: (De lezer zal zien dat de daarin vervatte beschimping eene toespeling is op den prijs van vijftig duizend dollars, dien men in het Zuiden op zijn lijf gesteld had, zoo als wij straks verhaald hebben.)Maar, als gij verlangt de slaven op te voeden, dan zal ik u zeggen hoe gij het geld er voor krijgen kunt, zonderZion’s Watchmanuit te geven. Kom gij met den ouden Arthur Tappan dezen winter naar het Zuiden, en men zal er honderd-duizend dollars voor u ligten. New-Orleans zelve zal er voor verpand worden. Geene verdere kennis met u begeerende, en nooit verwachtende u in tijd of eeuwigheid meer dan eenmaal te zien, dat is ten dage des oordeels, onderschrijf ik mij, de vriend des Bijbels en de vijand der abolitionisten,J. C. Postell.Orangeburgh, 21 Julij 1836.De Eerwaarde Thomas S. Witherspoon, een lid der Presbyteriaansche kerk, zegt, aan den uitgever van denEmancipatorschrijvende:Ik bewijs mijne bevoegdheid om den slaaf in dienstbaarheid te houden, uit de Schriften des Ouden en Nieuwen Testaments. Het beginsel om den Heiden in dienstbaarheid te houden, is door God erkend. *** Als de trage voortgang der wetten te talmachtig is om onze grieven te herstellen, dan hebben wij hier in het Zuiden het onfeilbare middel van Regter Lynch aangenomen; en inderdaad, ik acht dit een der krachtigste en heilzaamste geneesmiddelen voor de ziekte van het noordelijk fanatismus, dat er kan bedacht worden, terwijl ik niet twijfel of mijn vriend de uitgever van denEmancipator and Human Rightszou er de uitwerking zeer goed van ondervinden, zoo het hem slechts door een zuidelijken doctor werd toegediend. In allezedelijkeaangelegenheden beroep ik mij op den Bijbel. *** Laten uwe zendelingen het eens durven wagen om Potomac te doorkruisen, en ik kan u niet beloven dat hun een beter lot zal te beurt vallen dan Haman. Wacht u derhalve wel van een gehoond doch grootmoedig volk tot daden van wanhoop te drijven!De Eerwaarde Robert N. Anderson, insgelijks een lid der Presbyteriaansche kerk, zegt, in een brief aan de zittingen der Presbyteriaansche vereenigingen binnen de grenzen van de „West-Hanover Presbytery.”Bij de naderende vastgestelde bijeenkomst, ben ik voornemens eene voorafspraak en reeks van besluiten betreffende het onderwerp van het gebruik van wijn bij ’s Heeren Avondmaal aan te bieden; als ook eene voorafspraak en reeks van besluiten betreffende het onderwerp der verraderlijke en afschuwelijk slechte bemoeijenis der noordelijke en oostelijke geestdrijvers met onze staatkundige en burgerlijke regten, ons eigendom en onze huiselijke zaken. Het is u bekend dat onze geestelijkheid, te regt of ten onregte, meer dan de geestelijkheid van andere benamingen door het publiek wordt verdacht gehouden. Nu,waarde Christen broeders,druk ik nederig mijn ernstigen wensch uit, dat gij ukwijten moogt als mannen. Zoo er het een of ander afgedwaald schaap van een leeraar onder u wezen mogt, besmet met de bloedhonds-beginselen van het abolitionisme, laat hij uitgedreven, den mond gestopt, geëxcommuniceerd, en aan hetpubliekovergeleverd worden,om op andere wijze met hem te werk te gaan.Uw toegenegene broeder in den Heere,Robert N. Anderson.De eerwaarde William S. Plummer, Theol. Dr. van Richmond, een lid van de „Old School” der Presbyteriaansche kerk, levert een ander voorbeeld van dezelfde soort op. Hij was van Richmond afwezig, toen de geestelijkheid dier stad zich gemeenschappelijk zuiverde van de beschuldiging dat zij jegens de abolitie gunstig gezind was. Bij zijne terugkomst liet hij geen tijd verloren gaan om aan den voorzitter van het committé van briefwisseling zijne overeenkomst van gevoelens met zijne ambtsbroeders kenbaar te maken. De aangehaalde zinsneden zijn uit zijnen brief aan den Voorzitter getrokken.Ik heb deze aangelegenheid, van haren eersten aanvang af, zorgvuldig gadegeslagen, en alles wat ik, zoowel van hare voorstanders als van hare vijanden, nopens haren aard gezien of gehoord heb, heeft mij onberouwelijk in de overtuiging bevestigd, dat, laat het karakter der abolitionisten in het oog van den Regter der gansche aarde wezen wat het wille, dit de bemoeiziekste, onbeschaamdste, roekeloosste, wreedste en slechtste opruijing is, die ik immer gezien heb.Als de abolitionisten het gansche land in gloed willen zetten, dan is niets billijker dan dat zij de eerste warmte van het vuur krijgen.Ten slotte. De abolitionisten zijn, even als de ongeloovigen, ten eenemale onbekwaam tot het martelaarschap om hunne gevoelens. Laten zij slechts weten datzij gegrepen(lynched)zullen worden, zoo zij zich onder ons begeven, en zij zullen wel zorg dragen om ons uit den weg te blijven. Er is geen enkele onder hen, die meer voornemensis om voor deze zaak zijn bloed te storten, dan om oorlog met den grooten Turk te beginnen.In de vergadering der gemeente van de „New School” zeide de Eerwaarde Dr. Hill, uit Virginië:De abolitionisten hebben de dienstbaarheid van den slaaf harder gemaakt. Zoo ik u eenige der vuile streken, door deze abolitionisten bedreven, verhalen konde, zoudt gij u niet verwonderen. Eenigen hunner zijn gegrepen (lynched) geworden, en het was goed aan hen besteed.Dit alles toont genoegzaam hoe de betrekkelijke waarde van slavernij en van het regt van vrije nasporing, door de zuidelijke kerk en geestelijkheid opgevat en uitgedrukt wordt. Het toont insgelijks, dat zij de slavernij als zoo gewigtig beschouwen, dat zij daden van onwettig geweld kunnen toelaten en aanmoedigen, en zich om harentwille aan al de gevaren van het aanmoedigen eener janhagel regering blootstellen. Deze aanhalingen en beschouwingen toonen op voldoende wijze het standpunt, waarop de zuidelijke kerk, met betrekking tot het behandelde onderwerp, zich geplaatst heeft.Voor velen dezer gevoelens, hoe stuitend zij ook mogen voorkomen, zou eenige verdediging kunnen gevonden worden in die verblindende kracht der gewoonte, en in alle die met de opvoeding ingezogene, onderdrukkend werkende invloeden, die altoos het gevolg zijn van het slavernijstelsel, en die noodwendig eene zekere verstomping van het zedelijk gevoel in de ziel van zulk eenen moet te weeg brengen, die van de kindschheid af aan onder die invloeden werd opgekweekt.Er ligt dan ook in de hebbelijkheden van den geest, onder een stelsel gevormd hetwelk door eene aanhoudende toevlugtneming tot kracht en geweld ondersteund wordt, eene noodzakelijke neiging tot dooding des gevoels, met opzigt tot het misdadige van kracht en geweld, op den medemensch toegepast. De geheele manier van beschaving, onder zulk eene instelling gevormd, is door een populairen schrijver, niet onaardig, „de dolkmes-manier” genoemd geworden; en het behoeft ons niet te verwonderen dat godsdienstig karakter en denkbeelden er een eigenaardigen, strijdzuchtigen tint door aannemen, zeer vervan den geest des Evangelies. Een godsdienstig man, in het Zuiden geboren en opgevoed, heeft met al deze moeijelijkheden te kampen, wanneer hij zich tot den waren geest des Evangelies zoekt te verheffen.Zeker schrijver heeft gezegd, dat, na de Hervorming, de beste mannen, als opgevoed onder een stelsel van magt en despotismus, en van kindsbeen af gewoon geraakt om door kracht, en niet door rede, te zien bewijzen, al ligtelijk de vraag: of men ketters verbranden moest, deden overgaan in de vraag: wie van hunne tegenstanders er verbrand moesten worden.Het slavernij-systeem is een eenvoudige teruggang der maatschappij tot de ergste misbruiken der middeleeuwen. Wij moeten er ons, derhalve, niet over verwonderen, de gevoelens en daden der middeleeuwen nopens burgerlijke en godsdienstige verdraagzaamheid te zien heerschen.Hoe sterk wij de hier aangevoerde onwaardige beschouwingen van God en godsdienst, in zulke verklaringen als wij hebben aangehaald, ook verfoeijen en betreuren mogen; hoe godslasterlijk en ongerijmd zij ons ook mogen toeschijnen; toch is het blijkbaar dat zij door hare auteuren met opregtheid geuit werden; en ziedaar juist het treurigste van de zaak. Zij zijn even zoo opregt als Paulus toen hij dreiging en moord blies, en bij zichzelven overtuigd was dat hij tegen den naam van Jezus vele wederpartijdige dingen doenmoest. Zij zijn even zoo opregt als de Bramin en Hindoe, die gewetenshalve een bloed- en wreedheidademende godsdienst ondersteunt. Zij zijn evenzoo opregt als vele verlichte, geleerde en Christelijke mannen in Europa, die, onder stelsels van burgerlijk en godsdienstig despotismus geboren en opgevoed, waarmede al hunne dierbaarste huiselijke en burgerlijke verbindtenissen ten naauwste verknocht zijn, en wier invloed al hunne gewoonten en denkbeelden beheerscht, die stelsels, uit opregte gemoedelijkheid, ten sterkste verdedigen.In de gemoedelijke overtuiging, zelfs wanneer zij de ergste soort van gevoelens betreft, ligt iets waaraan men eene zekere mate van eerbied niet weigeren kan. Dat de godsdienst, in de door ons aangehaalde verklaringen uitgedrukt, zoo echt Antichristisch is als de godsdienst der Roomsche kerk, zal wel door geen enkel gevoelig mensch die zich buiten het bereik van Amerikaanschen invloed bevindt, ontkend worden.Dat er onder dit godsdienststelsel, met al zijne valsche grondbeginselen en schadelijke invloeden, zeer opregte Christenen zijn kunnen, zal een onbevangen oordeel moeten toestemmen. De kerk van Rome heeft haren Fénélon, haren Thomas à Kempis gehad; en de zuidelijke kerk, die deze grondbeginselen heeft aangenomen, heeft ook mannen opgeleverd die zich boven het peil van hun systema hebben weten te verheffen. Ten tijde der hervorming, zoowel als thans, telde de Roomsche kerk duizenden van biddende, godvruchtige, nederige Christenen in haren schoot, die, gelijk bloemen in de rotskloven, alleen door Gods oog geteld konden worden. En zoo hopen wij dat te midden der rotsen en ijsbergen van deze afschuwelijke geestelijke en tijdelijke dwingelandij, ook paradijsbloemen van geduldige, biddende en zelfverloochenende Christenen bloeijen; terwijl het, onder eenen aanval op het verschrikkelijke systeem waaronder zij zijn geboren en opgevoed, de diepste smart veroorzaakt, dat daarbij ook hunne geliefkoosde gevoelens en verbindtenissen geweld moet worden aangedaan. In eene andere en betere wereld zullen zij misschien de beweegredenen van hen die zulks deden, weten te schatten.Doch nu doet zich eene andere beschouwing aan den geest voor. Deze zuidelijke Christenen zijn in kerkelijke betrekkingen met Christenen uit de noordelijke en vrije Staten verbonden geweest, waarmede zij, door hunne afgevaardigden, in hunne verschillende kerkelijke vergaderingen, jaarlijksche bijeenkomsten hielden. Ingeval van zulk eene vereeniging, mogt men hopen dat die verlagende beschouwingen van het Christendom, en die levenloosheid van het openbare gevoelen, die de onvermijdelijke gevolgen eener opvoeding onder het slavenstelsel zijn, door aanraking met Christenen in de vrije Staten gewijzigd zouden worden, van welken het toch, als onder vrije instellingen opgevoed, natuurlijkerwijze te veronderstellen was dat zij met den sterksten afschuw van zulke gevoelens vervuld zouden zijn. Men zou gemeend hebben dat de kerk en de geestelijkheid der vrije Staten natuurlijk de krachtigste pogingen zouden hebben aangewend, om, door alle middelen die onder hun bereik waren, hunne broeders van dwalingen te overtuigen, zoo onteerende voor het Christendom, en tot zulke vreeselijke practische gevolgen leidende. Men zou ook gedacht hebben dat, zoo zij er al niet in slagen mogten hunnebroederen te overtuigen, zij het als pligt jegens het Christendom beschouwd zouden hebben, zich-zelven, door de ernstigste, plegtigste, en onophoudelijkste protesten, van alle medepligtigheid met deze gevoelens te zuiveren.Laat ons thans onderzoeken wat, in wezenlijkheid, door de noordelijke kerk te dezen aanzien verrigt is.Alvorens tot dat onderzoek over te gaan, zullen wij de door de zuidelijke kerk gedane verklaringen overzien, en beschouwen welke beginselen door haar zijn gehuldigd. Het zijn, namelijk, deze:1. Dat de slavernij eene onschuldige en wettige betrekking is, evenzeer als die van ouder en kind, echtgenoot en vrouw, of eenige andere wettige maatschappelijke betrekking. („Harmony Presbytery” van Zuid-Carolina).2. Dat zij bestaanbaar is met de broederlijkste beschouwing van het welzijn der slaven. („Charleston Union Presbytery.”)3. Dat meesters niet gecensureerd behooren te worden voor het verkoopen van slaven zonder hunne toestemming. (New School, Presbyteriaansche kerk in Petersburg).4. Dat het regt om, uit winstbejag, menschen te koopen, te verkoopen, en in slavernij te houden, door Gods uitdrukkelijke toelating gegeven is. (James Smylie en zijne „Presbyteries.”)5. Dat de wetten, die de opvoeding van den slaaf verbieden, regtmatig zijn, en door het denkende gedeelte der Christelijke gemeenschap worden goedgekeurd. (Dezelfden).6. Dat de zaak der slavernij in het geheel geen zedelijk, maar slechts een zuiver staathuishoudkundig vraagstuk is. (Baptisten-Vereeniging te Charleston).7. Dat het regt der meesters om over den tijd hunner slaven te beschikken, door den Schepper aller dingen uitdrukkelijk erkend is. (Dezelfde).8. Dat de slavernij, zoo als zij in de Vereenigde Staten aanwezig is, geen zedelijk kwaad is. (Conferentie van Georgië, Methodisten).9. Dat, zonder eene nieuwe openbaring uit den hemel, niemand bevoegd is de slavernij onregt te noemen.10. Dat de scheiding der slaven door verkoop, moet beschouwd worden als eene scheiding door den dood, en hetaan de partijen vergund mag worden te hertrouwen. („Shiloh Baptist Association” en „Savannah River Association.”)11. Dat het getuigenis van kleurlingen onder de gemeenteleden tegen eenen blanke, niet zal worden aangenomen. (Kerk der Methodisten).Ten slotte is het, door de uitgedrukte grondbeginselen en handelingen van Christenen uit verschillende benamingen, duidelijk erkend, dat zij het als regtmatig en billijk beschouwen, alle onderzoek nopens dit onderwerp door de Lynch-wet te smoren.Men zou gemeend hebben dat deze beginselen, als van belijders des Christendoms afkomstig, vreemd genoeg waren om bij hunne noordelijke broeders zeer veel aandacht te wekken. Ook valt het in het oog dat zij, als beginselen, beginselen zijn van eene zeer uitgebreide toepassing, die op de ondermijning van alle godsdienstige en zedelijke grondslagen uitloopt. Behelzen zij geene waarheid, dan zijn zij voorzeker ketterijen die een gewonen maatstaf verre te buiten gaan, en gevolgen insluiten die niet minder buitengewoon zijn. Keeren wij thans tot ons onderzoek, naar de handelwijze der noordelijke kerk met betrekking tot die beginselen terug.1Ps. XIX: 8, alwaar de Engelsche vertaling heeft: „rejoicing” (verheugende) „the heart” (het hart, of:de ziele.)Vertaler.
Hoofdstuk I.De invloed der Amerikaansche kerk op de slavernij.Er is geen land in de wereld, waar de godsdienstige invloed een grooter gezag uitoefent, dan in Amerika. Er is geen land, waar de geestelijkheid eene grootere magt bezit. Dit is te opmerkelijker, omdat in Amerika de godsdienst geheel van den Staat is afgescheiden, en de geestelijken geen dier kunstmatige middelen bezitten, om eenen invloed, die uit rang en rijkdom ontstaat, te doen gelden. Als eene klasse van menschen beschouwd, is de Amerikaansche geestelijkheid, over het algemeen, arm. De aan hare leden toegelegde bezoldigingen leveren niets meer dan het gewone levens-onderhoud op, en verschaffen hen geene middelen tot verkrijging van eigendom. Hunne levenswijze kan welvoegelijk en fatsoenlijk, doch ook niet meer zijn. De daadzaak dat, onder deze omstandigheden, de Amerikaansche geestelijkheid waarschijnlijk de vermogendste klasse van menschen in het land is, doet van zelve reeds een zeer gunstig vermoeden van haar opvatten. Als klasse beschouwd, mag men haar dan ook een zoowel verstandelijk als zedelijk overwigt toekennen.Het is eene welbekende daadzaak, dat de invloed der geestelijkheid, door onze staatsmannen als een zeer gewigtig bestanddeel bij de vorming hunner staatkundige berekeningen beschouwd wordt; en die invloed is zoo groot, dat geen staatsman het ooit wagen zoude, een maatregel door te drijven, waartegen de geheele geestelijkheid des lands zich aankantte. Zulk een graad van magt, al is zij ook enkel eene magt van opinie, redenering en voorbeeld, is niet zonder gevaar voor de reinheid van eenige klassen van menschen. Door staatkundige hoofden gevleid te worden, is altoos iets gevaarlijks voor de regtschapenheid en geestelijke gezindheid van menschen, die betuigen door grondbeginselen bestuurd te worden,welke niet van deze wereld zijn. Ook sluit het bezit eener zoo aanzienlijke magt, als wij beschreven hebben, eene zeer gewigtige verantwoordelijkheid in; dewijl, wanneer de geestelijkheid het vermogen bezit, om de eene of andere groote nationale onzedelijkheid te doen ophouden, de daadzaak, dat zij zulks niet doet, de zonde der nalatigheid in zeker opzigt op haar schijnt te doen nederkomen.Wij hebben, tot dusverre, van de geestelijkheid alleen gesproken; doch in Amerika, waar de geestelijke, in de meeste gevallen, door de Kerk verkozen, en door hare vrijwillige bijdragen onderhouden wordt, is de invloed van de Kerk, en die van de geestelijkheid, voor een zeer groot gedeelte, ééne en dezelfde. De geestelijkheid is het wezenlijk ideaal en de uitdrukking van de Kerk. Zij kiest en behoudt hem, omdat hij volkomener dan eenig ander, dien zij zou kunnen bekomen, hare denkbeelden van regt en waarheid uitdrukt. In allen gevalle moet de geestelijke door zijne Kerk onderhouden worden, zal hij zijne stelling in haar kunnen bewaren. De daadzaak, dat hij die bewaart, is over het algemeen een bewijs van beider eenheid van gevoelens, dewijl zij, zoo hij tot op eene aanmerkelijke hoogte van haar verschillen mogt, de magt heeft om hem te ontslaan, en een’ anderen te verkiezen.De invloed van een geestelijke, die op deze wijze door de vrije bewilliging van het verstand en hart zijner Kerk behouden wordt, is in sommige opzigten grooter, dan zelfs die van een Roomschen priester. De priester kan slechts door eene blinde geestelijke oppermagt heerschen, waartegen, zeer dikwijls, de rede haren twijfel inbrengt, terwijl zij eene uitwendige toestemming geeft; doch de gelukkige vrije leeraar maakt zich van de neigingen des harten door zijne eigene neigingen meester; overreedt het verstand door sterkere redeneerkracht; en terwijl hij aldus neiging, rede, geweten, en den geheelen mensch te baat neemt, ontleent hij uit de vrijheid der organisatie zelve, het bezit eener magt, grooter dan ooit uit een blind geestelijk despotismus kan voortvloeijen. Als een predikant hierin niet eenigermate in zijne gemeente slagen kan, noemt men hem onvoorspoedig; en hij die aan de verwezenlijking dezer beschrijving het meest nabij komt, bezit de hoogste en volkomenste soort van magt, en drukt het denkbeeld van een voorspoedig’ Amerikaansch’ predikant uit.Over dit onderwerp sprekende, zullen wij derhalve de Kerk en de geestelijkheid als vereenzelvigd beschouwen; het woord „Kerk,” in den Amerikaanschen zin van dat woord, bezigende voor die klasse van menschen, van alle benamingen, die, van naam-christenen onderscheiden, als betuigende werkelijk door de voorschriften van Christus geregeerd te worden, in ligchamengeorganiseerdzijn.Welke is dan de invloed van de Kerk op deze groote slavernij-kwestie?Zekere dingen laten zich reeds op de oppervlakte der zaak bespeuren. Die invloed namelijk heeft:1o. de slavernij niet doen ophouden;2o. er de toeneming niet van verhinderd;3o. de herroeping der wetten niet veroorzaakt, die de opvoeding der slaven verbieden;4o. geene daarstelling van wetten beproefd, die de scheiding der familiën verhinderen, en het huwelijk der slaven wettigen;5o. geen einde gemaakt aan den binnenlandschen slavenhandel; en6o. de uitbreiding van dit systeem, met alle zijne onregtvaardigheden, over nieuw aangewonnen landstreken niet verhinderd.Ten opzigte van deze stellingen zal er wel geen verschil van gevoelen kunnen bestaan.Wat is er dan gedaan?In antwoord hierop kan worden bevestigd:1o. Dat nagenoeg alle hoofdsecten of benamingen, te dezen of genen tijde, als zedelijke ligchamen beschouwd, eene besliste afkeuring van het systeem hebben uitgedrukt, en aangedrongen, dat er iets tot zijne afschaffing gedaan wierd.2o. Dat ééne benaming van christenen inzonderheid dat doel als uitsluitend ter harte genomen, en elk harer leden van eenig aandeel in slavenbezit getracht heeft te bevrijden. Wij bedoelen de kwakers. De wijze, waarop dat doel bereikt is geworden, zal de inhoud van een vlugschrift uitmaken, dat weldra door een lid hunner gemeente, den dichter J. G. Whittier, zal worden in het licht gegeven.3o. Dat individueele leden van alle benamingen, door den geest des Christendoms bezield, op verschillende wijzen tegen de slavernij hebben geprotesteerd.Thans zal het niet ongepast zijn, de door sommige der voornaamste kerkelijke ligchamen, nopens dit onderwerp uitgedrukte gevoelens meer bepaaldelijk en in de bijzonderheden te beschouwen.Het is regtmatig, dat door de schrijfster de bronnen worden aangewezen, waaruit de aanhalingen geput zijn. Dezulke, die betrekking hebben tot de handelingen van kerkelijke ligchamen in de Zuidelijke Staten, zijn voornamelijk getrokken uit een vlugschrift van den heer James G. Birney, getiteld: „De Kerk, het bolwerk der slavernij.” De schrijfster vervoegde zich bij een brief aan den heer Birney, waarin zij opgaven der door hem gebezigde bronnen verzocht. Zijn antwoord was, hoofdzakelijk, als volgt: dat het vlugschrift zoowel uit oorspronkelijke documenten was zaâmgesteld, als uit de kolommen der nieuwspapieren, die de gebeurtenissen vermeld hadden, tijdens zij waren voorgevallen. Het werd, in 1842, in Engeland vervaardigd en uitgegeven, met het doel, om het publiek aldaar een juist begrip te doen opvatten van den toestand der Amerikaansche Kerk en geestelijkheid. Mr. Birney zegt, dat het hem niet bewust is, dat ééne enkele der aangevoerde stellingen, hoezeer ook al zulk een geruimen tijd voor het oog der wereld geweest, ooit betwist is geworden; en dat hij, bewust van haren buitengewonen aard, zich de uiterste moeite getroost heeft, om er de authenticiteit van buiten twijfel te stellen.Wij beginnen met die der Zuidelijke Staten.1. De Presbyteriaansche Kerk.„Harmony Presbytery” van Zuid-Carolina.Nademaal vele personen in Schotland en Engeland, en andere in het noorden, oosten en westen onzes lands, de slavernij hebben aangeklaagd, als strijdig met Gods wetten, en sommigen hunner aan de Algemeene Vergadering onzer Kerk, en aan het Congres van de natie, memoriën en verzoekschriften hebben ingediend, met het erkende doel, om de slavenhouders in ongunst te brengen, en de betrekking tusschen meester en slaaf te vernietigen; en dewijl het uit de voormelde handelingen, zoowel als uit de daartoe betrekkelijke grondstellingen, redeneringen en omstandigheden, tenduidelijkste blijkt, dat deze personen „niet weten wat zij zeggen, noch waarvan zij getuigen;” en benevens die onwetendheid een geest van eigengeregtigheid en uitsluitende heiligheid openbaren, enz.1.Is besloten, dat, dewijl het koningrijk onzes Heeren niet van deze wereld is, Zijne kerk, als zoodanig, geen regt heeft, om eenige staatkundige of burgerlijke wet of instelling van menschen te vernietigen, te veranderen of te wijzigen, enz.2.Is besloten, dat de slavernij bestaan heeft van de dagen dier goede oude slavenhouders en aartsvaders, Abraham, Isaäc en Jacob (die nu in het koningrijk der hemelen zijn) af aan, tot op den tijd, wanneer de apostel Paulus een weggeloopen slaaf tot zijnen meester Philemon terug zond, en een Christelijken en broederlijken brief, die in den canon der Schriften vervat is, aan dien slavenhouder schreef; en dat de slavernij ook na de dagen des apostels bestaan heeft, en nog bestaat.3.Is besloten, dat aangezien de wederzijdsche pligten van meester en slaaf in de Schriften geleerd worden, op dezelfde wijze, als die van ouder en kind, en van echtgenoot en vrouw, het bestaan der slavernij zelve niet tegen den wil van God gekant is; en dat hij die een te teeder geweten bezit, om deze betrekking als wettig te erkennen, „al te regtvaardig” en „wijs is boven hetgeen geschreven staat;” en dat hij den hals onder het juk van menschen gebogen, zijne christelijke vrijheid des gewetens opgeofferd, en Gods onfeilbaar Woord voor de meeningen en gevoelens der menschen verlaten heeft.„The Charleston Union Presbytery.”Het is in het oog dezer vereeniging een uitgemaakt beginsel, dat de slavernij, zoo als zij bij ons bestaat, eene staatkundige instelling is, waarmede aan kerkelijke overheden geen het minste regt van bemoeijenis toekomt; en dat in betrekking tot dezen, elke zoodanige bemoeijenis, voornamelijk onder de thans aanwezige crisis, eenzedelijk kwaadzijn zoude, met de gevaarlijkste en noodlottigste gevolgen bezwaard.De dooronsgehandhaafde gevoelens,in gemeenschap met christenen van alle benamingen in de Zuidelijke Staten, zijn gevoelens, die door ons geweten zoo volmaakt worden goedgekeurd, en zoo vereenzelvigd zijn met onze heiligste gevoelens van pligt, dat wij die onder alle omstandigheden zouden volhouden.Is besloten, dat naar het gevoelen van deze „Presbyters”, het houden van slaven, wel verre van eeneZONDEin Gods oog te zijn, nergens in Zijn heilig woord veroordeeld wordt; dat het in overeenstemming is met het voorbeeld, of bestaanbaar met de voorschriften van aartsvaders, apostelen en profeten; en dat het even zoo min in strijd is met de broederlijkste beschouwing van het welzijn dier dienstknechten, welke God aan onze zorgen heeft aanbevolen.DeNew SchoolPresbyteriaansche kerk in Petersburg (in den staat van Virginië) nam, den 16 November 1838, het volgende besluit:Nademaal de Algemeene Vergadering, in den jare 1818, eene wet heeft doen doorgaan, bepalingen opzigtelijk de slaven behelzende welke onbestaanbaar zijn met onze burgerlijke instellingen, en daarbij plegtig verklaard wordt dat de slavernij eene zonde jegens God is; eene wet, evenzeer honende als beleedigende voor de geheele zuidelijke gemeente:1.Is besloten, dat wij, als slavenhouders, niet langer in betrekking kunnen blijven met eenige kerk, waar eene wet bestaat die aan slaven het regt toekent om hunne meesters voor het kerkelijk regtsgebied te betrekken,al ware het ook voor de handeling van hen, zonder hunne vooraf gevraagde en verkregene toestemming, te verkoopen.2.Is besloten, dat, aangezien het Groote Opperhoofd der Kerk de betrekking vanmeester en slaaferkend heeft, wij naar ons geweten gelooven, dat de slavernij geene zonde jegens God is, zoo als door de Algemeene Vergadering is verklaard geworden.Dit zal genoeg zijn om het gevoelen der Zuidelijke Presbyteriaansche Kerk te doen blijken. De volgende uittreksels raken de gevoelens van de Kerken der Baptisten. In 1835 boodde Vereeniging der Baptisten te Charleston aan de Wetgevende Vergadering van Zuid-Carolina een memorie aan, waarin het volgende voorkomt:Wijders geven de ondergeteekenden te kennen, dat gezegde Vereeniging niet van gevoelen is dat de Heilige Schriften de zaak der slavernijin het geheel tot een zedelijk vraagstuk gemaakt hebben. De Goddelijke Stichter onzer heilige godsdienst, in het bijzonder, vond de slavernij, als een gedeelte der bestaande maatschappelijke instellingen aanwezig, waarin het zijn doel niet waszich te mengenwanneer zij niet zondig waren, maar ze ten eenemale aan het bestuur der menschen over te laten. Zulks dan als eene vrijgelatene maatschappelijke schikking beschouwende, betrok hij tot het gebied zijner godsdienstleer alleenlijk de voorschriften der wederzijdsche verpligtingen dezer betrekking. De vraag, zoo als wij gelooven, is eene zuivere vraag van staats-economie. Zij bepaalt zich inderdaad tot deze: „Of de leden der arbeidende klasse van een land gekocht en verkocht, en, zoo als in dezen Staat het geval is, zelve een eigendom zullen worden; dan wel of zij huurlingen, en alleen hun arbeid eigendom zal worden, zoo als in sommige andere Staten.”Met andere woorden: Of een gebruiker den geheelen tijd der arbeiders op eenmaal koopen mag van hen die regt hebben om daarover te beschikken, met eene voortdurende betrekking van bescherming en verzorging over die arbeiders; dan wel of het hem slechts vergund zal zijn, dien tijd bij zekere gedeelten te koopen, met onderwerping aan hunne beoordeeling, en met geene zoodanige voortdurende verpligting van bescherming en verzorging.Het regt der meesters om over den tijd van hunne slaven te beschikken, is door den Schepper aller dingen uitdrukkelijk erkend, die voorzeker de vrijheid heeft om aan zulk eenen als Hem behaagt, het regt van eigendom over zeker voorwerp te schenken. Dat de wettige bezitter dit regt naar willekeur behoude, strijdt niet meerder tegen de wetten der maatschappij en goede zeden, dan dat hij de persoonlijke gaven behoude waarmede zijn Schepper hem gezegend heeft, of het geld en de landerijen, van zijne voorouders geërfd, of door eigene vlijt verkregen; en noch maatschappij noch ondeelbaren hebben in het eenegeval een meerder regt om een afstand zonder vergoeding te eischen, dan in het andere.En nademaal de vraag zuiver staathuishoudkundig is, en eene zoodanige welke in dit land tot de kennisneming der onderscheidene Staatsbesturen behoort, gelooven wij wijders dat de Staat van Zuid-Carolina alleen het regt heeft om het bestaan en den toestand der slavernij binnen de grenzen van haar grondgebied te regelen; terwijl wij aan elke inbreuk op dat regt, van waar of onder welk voorwendsel dan ook, den uitersten tegenstand zullen bieden.De Methodistische kerk bevindt zich, in sommige opzigten, met betrekking tot dit onderwerp, op een eigenaardig standpunt, omdat hare verordening en regelen van kerkelijke tucht de hevigste beschuldigingen tegen de slavernij bevatten, waarvoor de taal vatbaar is, met de dringendste eischen dat alle hare leden, die slaven houden, gecensureerd zullen worden; en deze aanklagten en eischen zijn door hare Algemeene Conferentie bevestigd geworden.Het scheen derhalve noodzakelijk dat de Zuidelijke Conferentie eenige kennis van deze daadzaak nam; hetwelk zij dan ook, met groote koelheid en duidelijkheid, op de volgende wijze deed:De Jaarlijksche Conferentie vanGeorgia:Heeft eenstemmig besloten, dat, nademaal er een artikel in onze kerkelijke verordening is, waarin gezegd wordt dat wij zoo zeer als ooit overtuigd zijn van het groote kwaad derslavernij; en nademaal het gezegde artikel door sommigenverdraaid, en op zoodanige wijze gebezigd is als om het begrip te doen ontstaan dat de Methodistische Episcopale kerk deslavernijals eenzedelijk kwaadbeschouwde;Is, dien ten gevolge,besloten, dat het gevoelen der Jaarlijksche Conferentie vanGeorgiamedebrengt, dat de slavernij, zoo als zij in de Vereenigde Staten aanwezig is,geen zedelijk kwaad is.Is besloten, dat wij de slavernij als eene burgerlijke en huiselijke instelling beschouwen, en als eene zoodanige, waarmede wij, als dienaars van Christus, niets anders tedoen hebben, dan den toestand van den slaaf te verbeteren, door te trachten hem en zijn meester met den heilrijken invloed der godsdienst van Christus te doordringen, en beiden op hunne weg ten hemel behulpzaam te zijn.Op het gedane voorsteliseenstemmigbesloten, dat de Jaarlijksche Conferentie vanGeorgiamet gevoelens van diepen eerbied en goedkeuring de dooronze onderscheidene superintendenten, of bisschoppen, gevolgde waardige handelwijze beschouwt,in het onderdrukkender pogingen, die door velen zijn aangewend om in kerk en staat eene beweging ten gunste van hetabolitionismuste wekken.Is, wijders,besloten, hen onze hartelijke en ijverige ondersteuning in de door hen opgevatte taak, toe te zeggen.Conferentie van Zuid-Carolina.De eerwaarde W. Martin heeft gelijksoortige besluiten als die van de Conferentie vanGeorgiavoorgesteld.De eerwaarde W. Capers, na zijne overtuiging te hebben uitgedrukt dat „het in de besluiten geopenbaarde gevoelen niet alleen door de leeraars van deze Conferentie, maar door het geheele Zuiden algemeen omhelsd wordt;” en na beweerd te hebben dat de eenige ware leer deze was: „het gaat Caesar, en niet de kerk aan” stelde hij het navolgende als een plaatsvervangend besluit voor:Nademaal wij van gevoelen zijn dat het onderwerp der slavernij in deze Vereenigde Staten niet tot de handelingen der Kerk, maar uitsluitend tot die der burgerlijke besturen behoort;Hebben wij, derhalve,besloten, dat deze Conferentie zich niet verder met de zaak bemoeijen zal, dan om ons leedwezen te betuigen dat zij ooit, onder welken vorm ook, tot eenig kerkelijk regtsgebied is betrokken geworden.Broeder Martin heeft het plaatsvervangend besluit goedgekeurd.Broeder Betts heeft gevraagd of het plaatsvervangend besluit kon geacht worden te bedoelendat de slavernij, zoo als zij onder ons bestaat, geen zedelijk kwaad was? Hij beschouwde het als met zulk eene verklaring gelijk staande.Broeder Gapers antwoordde,dat het zijne meening was, dat gevoelen volledig en ondubbelzinnig uit te drukken; en dat hij den vorm van een besluit gekozen had,niet alleen met het doel om eenige onregelmatige handelingen in het Noorden te bestraffen, maar ook met betrekking tot de Algemeene Conferentie. Indien de slavernij eenzedelijk kwaad(dat is,zondig) ware,alsdan zou de Kerk verpligt zijn er kennis van te nemen; doch onze overtuiging is, dat dit geene zaak is die tothaarregtsgebied behoort, maar dat zij uitsluitend aan hetburgerlijk gezagtoekomt, enbijgevolg niet zondigis.Het plaatsvervangend besluit werd dus eenstemmig aangenomen.In 1836 hield een Episcopaalsch geestelijke in Noord-Carolina, Freeman geheeten, in tegenwoordigheid van zijnen bisschop (de eerwaarde Levi S. Ives, Theol. Dr., een inboorling van een der vrije staten) twee leerredenen over de regten en pligten der slavenhouders. In dezen beproefde hij de slavernij, van blanken en zwarten beide, uit den Bijbel te regtvaardigen, en beweerde dat „zonder eene nieuwe openbaring uit den hemel, niemand bevoegd was om de slavernijONREGTte noemen.” De leerredenen werden in een vlugschrift gedrukt, voorafgegaan door een brief aan Mr. Freeman van den Bisschop van Noord-Carolina, waarin hij betuigde dat hij „met ongeveinsd en bijzonder genoegen” de leerredenen had aangehoord, en de openbaarmaking er van aanried, „als thans hoogst noodzakelijk.”„Het Protestantsche Episcopaalsche genootschap tot bevordering van het Christendom (!) in Zuid-Carolina” achtte een herdruk van Mr. Freeman’s vlugschrift nuttig, alseen godsdienstig tractaat!Toen naderhand de aanwinst van den nieuwen Staat van Texas de organisatie der Bisschoppelijke kerk aldaar noodzakelijk maakte, werd deze Mr. Freeman tot Bisschop van Texas benoemd.Nu zou de vraag kunnen ontstaan—en bij elken verstandigen denker onder het Christendom moet zij wel ontstaan:—kan het mogelijk zijn dat de slavernij in Amerika, zoo als zij door de wetten van dat land, en door de beslissingen zijnergeregtshoven omschreven, alle de vreeselijke misbruiken insluit die de wetten erkennen en bekrachtigen;—kan het mogelijk zijn, dat zij als eene regtmatige en gepaste instelling beschouwd wordt? Beschouwen deze Christenen alleenlijk de slavernij in het afgetrokkene, als eene instelling, die, onder eene gepaste wetgeving, goed zou kunnen worden, of verdedigen zij haar,zoo als zij thans in Amerika bestaat?Het is eene daadzaak, dat er in het Zuiden eene groote partij bestaat, die niet alleen de slavernij in het afgetrokkene verdedigt, maar ook de slavernij, zoo als zij in Amerika bestaat, in haar geheel en in hare deelen, de ergste misbruiken zelfs daarbij ingesloten.Uit het systeem kunnen vier gedeelten of gevolgen wettig worden afgeleid, die ten uiterste snood en afschuwelijk zijn.Het zijn deze:1.Het verbod van het getuigenis der kleurlingen in regtszaken.2.Het beletten der opvoeding.3.De binnenlandsche slavenhandel.4.De daaruit voortvloeijende scheiding der familiën.Wij zullen de bewijzen aanvoeren dat elk dezer punten, òf als grondstelling verdedigd, òf zonder afkeuring erkend is geworden, het zij door beslissingen van kerkelijke vergaderingen, het zij door schriften van invloedrijke geestelijken, zonder dat, door de ligchamen waartoe zij behooren, eenige afkeurende uitdrukking nopens hunne gevoelens is gebezigd geworden.In de eerste plaats, de uitsluiting van het getuigenis der kleurlingen in kerkelijke zaken. In 1810 werd door de Algemeene Conferentie van de Methodistische Episcopale kerk, het volgende besluit genomen:—”Dat het voor elken predikant onvoegzaam en onverdedigbaar is, aan kleurlingen het geven van getuigenis tegen blanken te vergunnen, in eenigen Staat waar hen dat voorregt door de wet ontzegd is.”Dit geschiedde alvorens de Methodistische kerk, zoo als zij later deed, zich ten gevolge der slavernij-kwestie, in Noordelijke en Zuidelijke Conferentiën gescheiden had. Zoowel Noordelijke als Zuidelijke leden stemden vóór het besluit.Nadat zulks was voorgevallen, ontwaakte het geweten van vele noordelijke predikanten, en verlangden zij eene nadere overweging. De zuidelijke leden daarentegen eischten op gebiedenden toon dat het besluit vast en onveranderd zou blijven.De geest der discussie moge uit het volgende uittreksel blijken.Mr. Peck, uit New-York, die de nadere overweging van het besluit had voorgesteld, drukte zich aldus uit:Dat besluit (zeide hij) was onder eigenaardige omstandigheden, in een tijdstip van opgewekte hartstogten, genomen, en hij had er vóór gestemdals een vrede-offer jegens het Zuiden, zonder de kracht der gebezigde bewoordingen naauwkeurig genoeg te overwegen; maar, na een weinig nadenkens was hij droevig geworden; en hij was maar eenmaal droevig geweest, en dat was den geheelen tijd; hij was overtuigd dat, zoo dat besluit in het register bleef,het voor de geheele noordelijke Kerk noodlottig zou worden.De Eerwaarde Dr. J. A. Few, van Georgia, de voorsteller van het oorspronkelijke besluit, stond nu op. Wat ik thans laat volgen, zijn uittreksels uit zijne rede. De onderhalingen zijn van mij.Ziet wat gij doet! Wat verklaart gij ons daar, zoo gij dezen weg op wilt! Wel, eenvoudig, zoo veel als: „wij kunnen u niet handhaven in den toestand dien gij niet vermijden kunt!” Wij kunnen u niet handhaven in denoodzakelijke voorwaardenvan het slavenbezit; één diernoodzakelijke voorwaardende verwerping van het getuigenis der kleurlingen zijnde! Zoo het niet zondig is slaven te houden, onder alle omstandigheden,dan is het ook niet zondig, ze onder de eenigste voorwaarde en onder de eenigste omstandigheden te houden, waaronder het mogelijk is ze te houden. De verwerping van het getuigenis der kleurlingen is een der noodzakelijke voorwaarden waaronder het slavenbezit bestaan kan; zoo als het dan ook, inderdaad, volstrekt onmogelijk is, dat het zonder dezelve besta; weshalve het niet zondig is, slaven te houdenonder de voorwaarden en omstandigheden waaronder zij in het Zuiden gehouden worden, in zooverre zij onder geene andere omstandigheden kunnen gehouden worden. *** Zoo gij gelooft dat het slavenbezit noodzakelijk zondig is, dan gelooft gij ook noodwendig dat wij zondaars zijn; en, is dit zoo, verklaar het dan rond enopenlijk,en laten wij van u scheiden. *** Wij behooren duidelijk, naauwkeurig en rondborstig de stelling te weten die gij nemen zult. Wij kunnen ons niet langer aan uwe bemoeizucht onderwerpen. Wij hebben er genoeg van gekregen. Uwe ziekelijkesympathieënvervelen ons. *** Zoo gij niet gekant zijt tegen de grondbeginselen die er in liggen opgesloten, vereenigt u dan met ons,als eerlijke lieden, en gaat huiswaarts, en ziet de gevolgen onbeschroomd onder de oogen. Wij zeggen het nogmaals, gij zijt voor dezen staat van zaken verantwoordelijk; want gij zijt het die ons tot het verontrustende punt gedreven hebt, waar wij ons bevinden. ***Gijhebt dat besluit volstrekt noodzakelijk gemaakt voor de rust van het Zuiden! Maarthansherroept gij dat besluit! En gij trekt den Rubicon over! Laat ik niet misverstaan worden. Ik zeg,gijtrekt den Rubicon over! Zoo gij herroept, dan herroept gij ook het grondbeginsel dat het besluit medebrengt, en gij stelt het geheele Zuiden tegen u in slagorde,en wij moeten scheiden! *** Zoo gij de beginselen toestemt, die het in zich sluit, en noodwendig in de zaak liggen opgesloten, houdt ze dan ook vast, „al zouden de hemelen vergaan!” Maar, zoo gij op herziening blijft aandringen, dan vraag ik, in welk een daglicht uwe handelwijze in het Zuiden zal beschouwd worden? Welk besluit zal men er ginds uit trekken? Wel, dat gij ons niet dulden kunt, zoo lang als wij slaven houden! Voor het aangezigt der zon zal het besluit verklaren: „wij kunnen u niet dulden, mijne heeren, dewijl gij uwe slaven behoudt!” Uw verzet tegen het besluit is gegrond op uw verzet tegen de slavernij; gij kunt, derhalve, uwe stelling niet bewaren, tenzij gij u onder de abolitionisten schaart, en ons eenmaal en voor altoos veroordeelt, of tenzij gij de herziening van het besluit weigert.Het besluit bleef derhalve in kracht, met een ander besluit als aanhangsel, hetwelkde onverminderde belangstelling der Algemeene Conferentie voor de bevolking der kleurlingenuitdrukte.Het is allerduidelijkst dat zijonverminderd was, om de beste der redenen. Dat de bevolking der kleurlingen juist niet zeer van dankbaarheid over deze inschikkelijkheid doordrongen was, blijkt uit de daadzaak dat „the official members of the Sharpstreetand Ashby Coloured Methodist Church in Baltimore,” tegen de motie protesteerden en petitioneerden. Het navolgende is een uittreksel uit hun adres:De aanneming van zulk een besluit door onze hoogste kerkelijke regtbank—eene regtbank, zamengesteld uit de wijste en ervarenste broederen in de kerk, de uitverkoren bloem van acht en twintig Conferentiën,—heeft, zoo wij vreezen, eene onherstelbare schade gedaan aan 80,000 zielen waarvoor Christus gestorven is;—zielen die, door deze daad uwer vergadering, van de waardigheid van Christenen beroofd, op den trap der menschheid vernederd, en als misdadigers behandeld zijn geworden, om geene andere reden dan de kleur hunner huid! Uw besluit heeft, naar ons nederig gevoelen,krachtigverklaard, dat eene bloot natuurkundige eigenaardigheid, het handenwerk van onzen alwijzen en weldadigen Schepper, op het eerste aanzien een blijk oplevert van onbekwaamheid om de waarheid te spreken, of een onfeilbaar teeken is van onwaardigheid om getuigenis tegen een medeschepsel te geven, welks huid wit genoemd wordt. ***Broeders, uit den overvloed van ons hart hebben wij gesproken.Onze kwelling is voor u!Zoo gij eenig belang stelt in de verlossing van de 80,000 onsterfelijke zielen, die aan uwe zorg zijn toevertrouwd; zoo gijvijf en twintig honderd zielen in deze stad, met den wil bezield om de Kerk die hen gekoesterd en opgevoed heeft, nooit te verlaten, niet buiten die Kerk wilt stooten; zoo gij ons als kinderen van éénen en denzelfden Vader beschouwt, en, na rijpe overweging, met ons als leden van het ligchaam van Christus sympathiseren kunt;—zoo gij de vreeselijke, de geduchte verantwoordelijkheid niet op u laden wilt van niet slechts één, maar vele duizenden dezer „kleinen” te ergeren,—zoo smeeken wij u om het hatelijke besluit dat ons volk verwoest, uit het register uwer handelingen weg te schrappen.„Een Baltimoorsch kleurling”, aan den uitgever van denWachter Sionsschrijvende, zegt:Dit adres werd aan een der secretarissen, een afgezondenevan de Baltimoorsche Conferentie, overhandigd, en gevolgelijk door hem aan de bisschoppen ter hand gesteld. Hoe velen der leden van de Conferentie het gezien hebben, weet ik niet. Eén ding is zeker:het werd niet aan de Conferentie voorgelezen.Met betrekking tot het tweede punt—de verdediging der wetten, die den slaaf verbieden lezen en schrijven te leeren—hebben wij het volgende voorbeeld:—In den jare 1835 rigtte de „Chillicothe Presbytery, Ohio,” een Christelijk vertoogschrift aan de Presbytery van Mississippi, waarin uitdrukkelijk de oogpunten vermeld worden, waaruit zij de slavernij als onchristelijk beschouwt. Het achtste dier punten luidde als volgt:Dat eenig lid onzer kerk, die ten voordeele zal spreken of pleiten van zoodanige reeds bestaande of nog in te voeren wetten, die ten doel hebben de slaven in onwetendheid te houden, en hen te beletten het woord Gods te leeren lezen, zich schuldig maakt aan eene zware zonde, en daarvoor, als voor andere schandelijke misdaden, behoort gestraft te worden.Dit vertoogschrift werd door den eerw. James Smylie, gevestigd geestelijke van de Mississippi Presbytery, en later van de Amity Presbytery van Louisiana, in een vlugschrift van zeven en tachtig bladzijden beantwoord, waarin hij de slavernij in het algemeen en in het bijzonder verdedigt, op dezelfde wijze waarop alle andere misbruiken altoos zijn verdedigd geworden—met het woord van God. De tiende afdeeling van dit vlugschrift is aan de verdediging dezer wet gewijd. Hij wijdt zeven klein gedrukte bladzijden aan dit onderwerp. Hij zegt (pag. 63):In de beide Staten, Mississippi en Louisiana, bestaan er wetten, met zware strafbedreigingen vergezeld, die verbieden de slaven te leeren lezen,en die de goedkeuring wegdragen van het Godsdienstige gedeelte der denkende ledematen.Iets verder voegt hij er bij:De wetten die den slaven verbieden te leeren lezen, zijn eene vruchtbare bron van veel onwetendheid en onzedelijkheid onder de slaven. Het drukken, uitgeven en verspreiden van abolitie- en emancipatie- ademende grondbeginselen in deze Staten, was de oorzaak van het doorgaan dier wetten.Nu gaat hij verder, en zegt dat de onwetendheid en zedeloosheid die het gevolg dier wetten zijn, eigenlijk niet ten laste komen van hen die de wetten gemaakt hebben, maar van hen wier leerstellingen van emancipatie ze noodzakelijk gemaakt hebben. Over deze gevolgen van onwetendheid en ondeugd sprekende, zegt hij:Op wien komen zij neder? Zoo gij mij vergunnen wilt deze vraag te beantwoorden, dan beantwoord ik haar aldus: Op zulke groote en goede mannen als John Wesley, Jonathan Edwards, Bisschop Porteus, Paley, Horsley, Scott, Clark, Wilberforce, Sharpe, Clarkson, Fox, Johnson, Burke, en andere groote en goede mannen, die, zonder het woord Gods te onderzoeken, besloten hebben dat het een ware grondregel is, dat de slavernij in zich-zelve zondig is.Voorts heldert hij de noodzakelijkheid dier wetten door de volgende vergelijking op. Hij veronderstelt dat de leer verkondigd was geworden, dat het ouderlijke gezag eene onregtvaardige inbreuk was, die de maatschappij in banden sloeg; dat er genootschappen gevormd waren ter emancipatie van kinderen uit het gezag hunner ouders; dat alle boeken van dat beginsel doordrongen waren; en dat onder al deze invloeden, de kinderen onrustig en wederspannig geworden waren. Hij veronderstelt dat, onder deze omstandigheden, de ouders de zaak voor de wetgevers bragten, en aan dezen ter beoordeeling lieten. En nu beschrijft hij aldus het dilemma van de wetgevers:Deze vatten de zaak aan, en nemen het onderwerp ernstig en plegtig in overweging. Aan de eene zijde begrijpen zij, dat, zoo hunne kinderen den toegang hadden tot dezeleerstellingen, zij voor altoos ongelukkig zouden zijn. Hun dien toegang te laten, was nogtans onvermijdelijk, zoo zij hen leerden lezen. Hun het leeren lezen te beletten, was wreed, en zou hun beletten die kennis der Goddelijke wetten te verkrijgen, waarin zij zich anders zouden mogen verblijden. Bij deze treurige keuze tusschen twee kwaden als wetgevers nederzittende, moesten zij van die twee kwaden het minste kiezen. Met gevoelens van verontwaardiging jegens dezen bezield, die, onder den invloed van „verleidende geesten,” „leeringen der duivelen” onder hen gezonden hadden, en nog zonden, maar met bloedende harten over hunne kinderen, besloten zij dat hunne kinderen geen onderwijs in het lezen zouden ontvangen, tot dat de storm zou zijn overgewaaid; hopende dat de satan slechts voor een korten tijd zou zijn losgelaten. En gedurende dien tijd zullen zij hen mondeling onderwijzen, en daardoor verhinderen dat zij met die booze leerstellingen besmet worden.Zoo veel wat die wet betreft.Gaan wij thans over tot den binnenlandschen slavenhandel. Deze handel bestaat in het koopen en verkoopen van menschelijke wezens,alleen met oogmerk om winst te doen.Een meester die slaven verkrijgt, of een meester die slaven koopt met oogmerk om ze op zijne plantaadje of in zijne familie te houden, kan verondersteld worden nog eenig ander doel te hebben danalleenlijk winst te doen. In zekere gevallen mag hij verondersteld worden eenig belang te stellen in het geluk of welzijn van den slaaf. De slavenhandelaar koopt en verkoopt slechtsmet het eenige doel om winst te bejagen.Met betrekking tot dit misbruik, heeft de Chillicothe Presbytery in het door ons aangehaalde document, het volgend besluit genomen:Is besloten, dat het koopen, verkoopen of houden van een slaaf,om winstbejag, eene afschuwelijke zonde en aanstoot is, waarvan de kerkelijke regtbanken behooren kennis te nemen.In het antwoord waaruit wij reeds eenige zinsneden aanhaalden, zegt de heer Smylie (pag. 13):Als het koopen, verkoopen of houden van een slaaf, om winstbejag, eene afschuwelijke zonde en aanstoot is, zoo als gij beweert, dan, inderdaad, zijn drie-vierden van alle Episcopalen, Methodisten, Baptisten en Presbyterianen in de elf Staten der Unie, uit den duivel.En verder:Te vragen of slavenhouders of slavenkoopers uit den duivel zijn, schijnt mij toe zoo veel te zijn als te vragen of God al dan niet een waarachtige getuige is; dat is, voor zoo veel het Gods getuigenis, en niet enkel het getuigenis van de Chillicothe Presbytery is, dat het koopen, verkoopen en houden van slaven „eene afschuwelijke zonde en aanstoot is.”En wederom (pag. 21):Als de taal slechts in staat is om duidelijke en bepaalde begrippen te geven, dan weet ik niet hoe zij duidelijker en ondubbelzinniger eenige gedachte of denkbeeld aan den geest zou kunnen voorstellen, dan het vijf en twintigste hoofdstuk van Leviticus duidelijk en ondubbelzinnig het feit daarstelt, dat de slavernij door God-zelven werd goedgekeurd, en dat het koopen, verkoopen, houden en schenken van slaven,als eigendom, handelingen zijn, door Hem-zelven geregeld.****Welke taal kan uitdrukkelijker aantoonen, niet dat God de slavernij slechts oogluikende toeliet, maar dat Hij, om het minste te zeggen, eengeschreven verlofaan de Hebreën, destijds het beste volk in de wereld, gaf, om tot voortdurende dienstbaarheid,mannen en vrouwen te koopen, te houden en te geven? Wat wordt er nu van de bewering der Chillicothe Presbytery? *** Is het wezenlijk een feit, dat God eenmaal eene geschrevene toelating aan zijn eigen dierbaar volk gaf („gij zult koopen”) om datgene te doen wat in zichzelve zondig is? Ja om datgene te doen wat de Chillicothe Presbytery zegt eene „afschuwelijke zonde en aanstoot” te zijn?God besluit dat zijne eigene kinderen mogen, of liever „zullen,” „koopen, bezitten en houden” slaven en slavinnen, in dienstbaarheid,voor altoos. Maar de Chillicothe Presbytery besluit dat „het koopen, verkoopen of houden van slaven, om winstbejag, eene afschuwelijke zonde en aanstoot is.”Het is onze meening niet, te zeggen dat Mr. Smylie, onder het schrijven van deze uitspraken, den binnenlandschen slavenhandel bepaaldelijk voor den geest had; maar wij zeggen dat geen slavenhandelaar eene duidelijker en meer regtstreeksche verdediging van zijnen handel zou kunnen verlangen, dan deze.Ten opzigte, eindelijk, van de ontbinding der huwelijksbetrekking, die het noodzakelijk gevolg is van dit soort van koophandel, zijn door regterlijke overheden van de kerk de volgende beslissingen genomen.In 1835 gaf de „Savannah River (Baptist) Association” op de vraag:Of, in een geval van onvrijwillige scheiding van zulk eenen aard dat alle vooruitzigt op hereeniging in het vervolg daardoor zou worden uitgesloten, aan de partijen kan vergund worden andermaal te huwen?het volgende antwoord:Dat zulk eene scheiding, tusschen personen in den toestand als waarin onze slaven verkeeren,burgerlijkeene scheiding doorden doodis, en zij gelooven dat zulks, in Gods oog, mede aldus zou beschouwd worden. Tweede huwelijken, in zoodanige gevallen, te verbieden, zou zijn de partijen niet slechts aan harderen dwang en sterkere verzoeking, maar ook aan dekerkelijke censuurbloot te stellen, wegens de daad van aan hunne meesters te hebben gehoorzaamd, wier toestemming niet te verwachten is in een maatregel, strijdig met de regtvaardigheid jegens de slaven, en met den geest van dat gebod, hetwelk het huwelijk onder de Christenen regelt.De slaven hebben geene vrijheid van daad, en eene ontbinding door den dood ligt niet meer ten eenemale buiten hunne toestemming en medewerking, dan eene ontbinding door zulk eene scheiding.Aan de „Shiloh Baptist Association,” die, eenige jaren geleden, te Gourdvine vergaderde, werd, volgens denReligious Herald, door „Hedman Church” de volgende vraag voorgesteld:Mag aan een’ dienstbare, wiens echtgenoot of vrouw door zijnen of haren meester verkocht is geworden, een tweede huwelijk vergund worden?Het vraagstuk werd aan eene commissie in handen gesteld, die het volgende antwoord gaf, dat, na beraadslaging, werd aangenomen:Dat, de omstandigheden in aanmerking genomen, waaronder in dit land de dienstbaren zich bevinden, de commissie eenstemmig van gevoelen is, dat het beter is, den dienstbaren onder zulke omstandigheden te vergunnen een anderen man of vrouw te nemen.De Eerwaarde Charles C. Jones, die ernstig en onvermoeid voor het welzijn der slaven arbeidde, iemand van wien het redelijkerwijze te vermoeden is, dat hij, zoo iemand, dit onderwerp zeer ter harte neemt, maakt, bij zijne schatting van den zedelijken toestand der negers, eenvoudig de opmerking, dat, nademaal echtgenoot en vrouw aan al de wisselvalligheden van het eigendomsregt onderworpen zijn, en door verdeeling van bezittingen, verrekening van schulden, en dergelijke, gescheiden kunnen worden, de huwelijksbetrekking natuurlijkerwijze veel van hare heiligheid verliest, en zegt wijders:Het is een contract van welvoegelijkheid, voordeel of genoegen, dat naar den wil van partijen kan aangegaan of ontbonden worden, en dat zonder afschuwelijke zonde, of benadeeling der eigendomsbelangen van iemand ter wereld.In deze uitspraak drukt hij, naar wij veronderstellen, hetalgemeenedenkbeeld van slaven en meesters over den aard dezer instelling uit, en niet zijn eigen. Wij leiden zulks af uit het feit dat hij, in zijnen catechismus, den slaaf de heiligheid en voortdurendheid der betrekking poogt in te prenten.Maar, wanneer de vroomste en godsvruchtigste mannen die het Zuiden bezit, en die hun leven wijden aan de bevordering van het welzijn der slaven, zoo kalm, en zonder eenige afkeuring, dezen staat van zaken beschouwen als een staat waarmede het Christendom hen de roeping niet oplegt zich te bemoeijen, wat is er dan van de wereld in het algemeen te verwachten?Ten aanzien der in het vlugschrift van Mr. Smylie uitgedrukte gevoelens, moet worden opgemerkt dat zij, in het aanhangsel, door een document in naam van twee Presbyteries ondersteund worden, welk document, hoewel het minder tot kleine bijzonderheden afdaalt, zich op hetzelfde grondgebied plaatst als Mr. Smylie. Deze Eerwaarde James Smylie was een dergenen, aan wien, in vereeniging met den Eerwaarden John L. Montgomery, door de synode van Mississippi, in 1839, de last werd opgedragen om een catechismus tot onderwijs der negers te schrijven of te compileren.Mr. Jones zegt, in zijne „Geschiedenis van het Godsdienstig Onderwijs der negers,” (pag. 83). „De Eerwaarde James Smylie en de Eerwaarde C. Blair houden zich met dit goede werk (het onderwijs der negers) systematisch en op den duur in Mississippi bezig.” De eerstgenoemde geestelijke wordt gekenschetst als een „bejaarden en onvermoeiden vader.” In het onderwijs der negers is hij uitnemend geslaagd. Een groot gedeelte der negers in zijne oude gemeente kan zoowel den catechismus van Williston als den Westminsterschen, zeer juist opzeggen.” Gaarne wenschte de Schrijfster, wijdloopige uittreksels van Mr. Smylie’s vlugschrift te kunnen mededeelen. Er zou veel uit te leeren zijn met betrekking tot de wijze waarop zulk een onderrigt op de rigting van geest, de hebbelijkheid van denken, en de beschouwingswijze van geestelijke zaken, werken moet. De man is ontwijfelbaar en hartelijk opregt in zijne gevoelens, en schijnt die met de overvloedigste en triomferendste blijdschap, als de allerlaatste verbetering der theologische wetenschap, te willen volhouden. Wij kunnen aan de verzoeking geen weêrstand bieden om een gedeelte zijnerInleidingaf te schrijven, al ware het enkel om het daardoor geworpene licht op de denkwijze, die aan onze Zuidwestelijke wateren wordt aangetroffen.Het volgende overzigt onder het oog des publieks brengende, arbeidde de schrijver niet geheel, of voor een goed gedeelte, onder den invloed eener hoop of begeerte om de inzigten der Chillicothe Presbytery te verbeteren. Hij hoopte met de uitgave eene wezenlijke dienst te bewijzen aan anderen, zoowel als aan de Presbytery.Door zijn verkeer met godsdienstige genootschappen van allerlei benamingen, was het hem duidelijk geworden dat het beginsel der abolitionisten, namelijk,dat de slavernij in zich zelve zondig is, veld had gewonnen, en zich met de godsdienstige en gewetensbezwaren van velen in de gemeente zoo zeer had ineen geweven, dat zij er zich niet slechts ongelukkig door gevoelden, maar dat zelfs hunne aandacht van de groote en gewigtige pligten eens huisvaders jegens zijn huisgezin werd afgetrokken. Het oog des geestes, op de slavernij zelve gevestigd als op eene verdorvene bron, waaruit, noodwendig, geene andere dan verdorvene wateren konden vloeijen, werd onophoudelijk ingespannen met het opzoeken van eenig plan, door hetwelk, in den een of anderen toekomstigen tijd, de bron ten eenemale kon worden opgedroogd; terwijl men nooit overwoog, of zelfs maar droomde, dat de slavernij, op zich zelve beschouwd, eene onschadelijke betrekking was, en dat de gansche dwaling berustte in het verzuim der pligten, welke die betrekking met zich brengt.Zoo er eene bewustheid van schuld op het gemoed blijft rusten, dan is het, wat de uitwerking betreft, volmaakt hetzelfde of het geweten al dan niet in dwaling verkeert. Al behoort Gods woord alléén de gids van het geweten te zijn, is zulks echter niet altoos het geval. Van daar, dat er somtijds gewetensbezwaren bestaan over het nalaten van datgene, wat door Gods woord veroordeeld wordt.De wilde van het eiland Borneo, die nalaat zijn vader te dooden, en hem met zijne dadels op te eten, wanneer hij oud geworden is, wordt jammerlijk door de wroegingen van een beschuldigend geweten gefolterd, wanneer zijne kinderlijke teederheid en medelijden het overwigt bekomen hebben op zijn gewaanden pligt van zijn vader te dooden. Op dezelfde wijze lijdt menig slavenhouder, wiens geweten niet door het woord van God, maar door de leeringenvan menschen geleid wordt, de geeselslagen van een schuldig geweten, zelfs wanneer hij, overeenkomstig de Schrift, met zijnen slaaf „regtvaardiglijk handelt,” eenvoudig omdat hij zijn slaaf niet emancipeert, zonder betrekking tot het goede of kwade dat zulk eene daad ten gevolge zou hebben.„Hoe liefelijk op de bergen” zouden—naar de schatting van den schrijver—„de voetstappen van hem zijn, die”—aan den wilde van Borneo—„de blijde boodschap verkondigde” dat zijn gedrag, in het sparen van het leven zijns teederen en geliefden vaders, geene zonde was! *** Even zoo liefelijk en behagelijk, vertrouwt de schrijver, zal het voor een eerlijken, schroomvalligen en naauwgezetten slavenhouder zijn, uit het woord van God de blijde boodschap te vernemen dat de slavernij zelve niet zondig is. Thans van eene nachtmerrie ontheven die zijne krachten tot volvoering van zijnen pligt jegens zijne slaven verlamde, gaat hij opgeruimd tot krachtige handeling over. Het is thans niet meer zoo als vroeger, toen hij de slavernij als zondig in haar zelve beschouwde. Thans kan hij, met de hoop van verhoord te worden, bidden dat God zijne pogingen zegene om zijne slaven op te kweeken in de tucht en in de vreeze des Heeren; terwijl hij voorheen werd terug gehouden door de bedenking—„zoo ik onregtvaardigheid in mijn harte overleg, de Heere zal mij niet hooren.” In plaats van, zoo als vroeger, druilende en mijmerende over zijnen toestand, het hoofd te laten hangen, heft hij thans het hoofd op, en volgt vrolijk het gebaande pad zijner pligten.Hij wordt niet meer in verzoeking gebragt om Gods woord van ter zijde in te zien, en te zeggen: „Hebt gij mij gevonden, o mijn vijand,” gekomen om mij mijne slaven te ontrooven, en mij arm te maken, zonder hen te verrijken? In plaats van, zoo als vroeger, het woord van God te beschouwen als met geesels en scorpioenen gewapend om hem in den hemel te zweepen, gevoelt hij dat „zijne wegen wegen van vrolijkheid, en zijne paden vrede zijn.” Thans onderscheidende tusschen het wezenlijke woord van God, en datgene wat blootelijk de leeringen en geboden van menschen zijn, is het raadsel opgelost dat voorheen onoplosbaar geschenenhad, namelijk: „De wet des Heeren is volmaakt, bekeerende de ziele.”1Zoo gij het ondernemen wildet zulk een man te beantwoorden door te zeggen dat zijn argument te veel bewijst; dat noch Christus, noch zijne Apostelen eenig uitdrukkelijk verbod hebben uitgesproken tegen de worstelingen der zwaardvechters, of de spelen in de renbanen, en het, derhalve, regtmatig zijn zou, ze in Amerika in te voeren;—het is zeer waarschijnlijk dat hij er van harte zijne toestemming aan geven zou, en van oordeel zijn dat het eene goede speculatie zou opleveren. Als een verder staaltje van de ongegeneerde opgeruimdheid die een hoofdtrek van dit voortbrengsel schijnt, zie men op pag. 58, waar het Latijnsche motto:Facilis descensus Averni, sed revocare, etc., de volgende zeer vrije en echt Westersche vertaling erlangt, die, zoo als hij goedhartig zegt, ten dienste dergenen gegeven wordt die geen Latijn verstaan:—„Het is gemakkelijk naar den duivel te gaan, maar het heeft van den duivel in om weêr terug te komen.”Sommige liefdelooze menschen zullen misschien hierop zeggen, dat de predikers van zulke leerstellingen al den schijn hebben van op dit punt eene op ondervinding gegronde kennis te bezitten. Het denkbeeld van dezen jovialen ouden vader, eene klasse van zwarte „Sams” en jonge „Topsys” in de geheimenissen van den Assembly’s Catechismus onderwijzende, is inderdaad schilderachtig!Dat Mr. Smylie’s gevoelens ten opzigte der slavernij, door voorname geestelijken van alle godsdienstige benamingen ruimschoots ondersteund en uitgebreid zijn geworden, zouden wij met boekdeelen vol aanhalingen kunnen bewijzen.Er blijft, echter, nog een tweede hoofdpunt, met betrekking tot den invloed der zuidelijke Kerk en geestelijkheid, ter beschouwing over.Het is welbekend, dat de zuidelijke staatkundige vereeniging op haar gekozen standpunt van de stelling uitgaat, dat de instelling der slavernij geen onderwerp van beraadslaging mag uitmaken. In de meeste der slaven-staten bestaan ergestrenge wetten, die aan een ieder die zich verstouten mogt iets over het onderwerp te spreken of te schrijven, tenzij in zijn voordeel, met boete, gevangenis, ja met den dood bedreigen. Dit heeft niet enkel jegens burgers van slaven-staten plaats gehad, maar men heeft de sterkste neiging aan den dag gelegd om met de burgers van vrije Staten eveneens te handelen; en waar deze discussiën niet door regelmatige wetten konden verhinderd worden, heeft men het bezigen van onwettige middelen aangemoedigd. In de uitgegevene brieven en redevoeringen van Horace Mann, worden er de volgende voorbeelden van aangetroffen (pag. 467). In 1831 loofde het Wetgevend Ligchaam van Georgië vijf duizend dollars uit aan een iegelijk, die zekeren burger van Massachusetts, met name William Lloyd Garrison, in Georgië gevangen nemen, en geregtelijk overtuigen zoude. Deze wet werd door den Gouverneur, W. Lumpkin, den 26stenDecember 1831, bekrachtigd. Bij eene „meeting” van slavenhouders te Sterling, in denzelfden Staat, den 4denSeptember 1835 gehouden, werd den Gouverneur vormelijk aanbevolen, om bij openbare aankondiging vijf duizend dollars belooning te bieden voor de gevangenneming van den een’ of anderen uit tien personen, alle, op één na, burgers van New-York en Massachusetts, wier namen werden opgegeven. Het dagbladMilledgeville Federal Unionvan den 1stenFebruarij 1836, behelsde eene uitloving van tien duizend dollars voor het vangen of rooven van den Eerwaarden A. A. Phelps, van New-York. Het Committé van Waakzaamheid der parochie vanEast-Felicianabood, in hetLouisville Journalvan den 15denOctober 1835, vijftig duizend dollars aan een ieder die Arthur Tappan, van New-York, in zijne handen zou leveren. Op eene openbare bijeenkomst, te Mount Meigs, in den Staat Alabama, den 13denAugustus 1836 onder voorzitting van Mr. Bedford Ginress gehouden, werd eene belooning van vijftig duizend dollars uitgeloofd voor de gevangenneming van denzelfden Arthur Tappan, of van Le Roy Sunderland, een Methodistisch geestelijke van New-York. Bijgevolg—dewijl niemand dier personen kon gegrepen worden dan met schending der wetten van den Staat welks burgers zij waren—was dit een openbaar aanbod van belooning voor een schelmstuk. In al de Zuidelijke Staten werden vereenigingen, onder dennaam van Committés van Waakzaamheid, gevormd, het nemen van maatregelen tot onderdrukking van abolitionistische gevoelens, en het doen straffen van verdachte personen door de Lynch-wet beoogende. Te Charleston, in Zuid-Carolina, drong een troep van deze lieden gewelddadig in het postkantoor, en hield, naar genoegen, eene algemeene inspectie der aanwezige brieven; en van alles wat door hen beschouwd werd als eene gevaarlijke en tegen de slavernij gekante strekking te hebben, werd een openlijk vreugdevuur op de straat gemaakt. Eenige dagen later werd eene groote openbare bijeenkomst gehouden, tot voltooijing der voorloopige maatregelen om de verspreiding van anti-slavernijgezinde grondbeginselen te beletten, en tot aanduiding van personen die men van abolitionismus verdacht hield, ten einde zij onder het bereik der Lynch-wet mogten geraken. Gelijksoortige volksbijeenkomsten werden in al de Zuidelijke en Westelijke Staten gehouden. Op een van deze, in 1835 te Clinton, Staat Mississippi, gehouden, werden de volgende besluiten genomen:Is besloten, dat, in het Zuiden en Westen, de slavernij niet als een zedelijk of staatkundig kwaad beschouwd, maar, in betrekking tot denwerkelijken, en niet dezen of genen Utopischen toestand der slaven, als een zegen, beide voor meester en slaaf, gehouden wordt.Is besloten, dat het ons bepaald gevoelen is, dat iedereen, die, met oogmerk om de bedoelingen der abolitionisten te verwezenlijken, zich verstouten durft om eenige der opruijende tractaten of nieuwspapieren te verspreiden, die men thans in dit land poogt in te voeren, in het oog van God en menschen de doodstraf regtvaardiglijk verdiend heeft; en dat wij niet twijfelen dat deze ook de straf zijn zoude van zulk een misdadiger, in welk gedeelte van den Staat Mississippi hij ook gevonden mogt worden.Is besloten, dat aan de geestelijkheid van den Staat Mississippi zal worden aanbevolen om zich ten aanzien van dit onderwerp openlijk te verklaren; en dat haar verder stilzwijgen met betrekking tot hetzelve, in dezen tijd van crisis, naar ons gevoelen, eene ernstige censuur waardig zijn zoude.De behandeling waaraan personen waren blootgesteld, die, als van anti-slavernijgezinde gevoelens verdacht, het ongeluk hadden van een dier Committés van Waakzaamheid in handen te vallen, kan uit het volgende verhaal worden opgemaakt. Schrijfster dezes kan er zich al de omstandigheden nog duidelijk van te binnen brengen, dewijl het slagtoffer dezer onregtvaardigheid een lid van het seminarium was, hetwelk destijds onder het opzigt van haren vader stond.Amos Dresser, thans zendeling in Jamaïca, was theologisch student aan het seminarium te Lane, nabij Cincinnati. In de vacantie (Augustus 1835) ondernam hij in den StaatTennesseebijbels te verkoopen, met oogmerk om middelen bijeen te brengen tot voortzetting zijner studiën. Zich aldaar bevindende, viel hij onder verdenking van een abolitionist te zijn; werd, onder het bijwonen eener godsdienstige zamenkomst in de nabuurschap van Nashville, de hoofdstad van den Staat, door het Committé van Waakzaamheid gearresteerd, en, na een inquisitoriaal onderzoek, dat een ganschen namiddag en avond duurde, veroordeeld om twintig zweepslagen op het naakte ligchaam te ontvangen, tusschen elf en twaalf uren op Zaturdag avond werd het vonnis, in tegenwoordigheid der meeste leden van het Committé, en van een woedend en vloekend gepeupel, aan hem voltrokken. Het Committé van Waakzaamheid (eene onwettige vereeniging) bestond uit zestig personen. Onder deze bevonden zich zeven-en-twintig kerkelijken; één hunner was een catechiseermeester; een ander, deouderling, die, slechts weinige dagen te voren, in de Presbyteriaansche kerk, aan Mr. Dresser het brood en den wijn van ’s Heeren Avondmaal had uitgereikt.Het valt spoedig in het oog dat het grondbeginsel, in behandelingen als deze opgesloten, meer omvat dan de slavernijkwestie. Het vraagstuk was inderdaad dit: of het van zoo veel belang is, Afrikaansche slaven te houden, dat het, ter handhaving daarvan, regtmatig zij, vrije Amerikanen van de vrijheid van geweten, de vrijheid van spreken, en de vrijheid der drukpers te berooven? Het is ligtelijk te ontwaren, dat de toelating van dit grondbeginsel zeer ernstige veranderingenin het bestuur van een land zou na zich slepen; omdat het zeer duidelijk is, dat, wanneer al deze beginselen van onze vrije regering voor de eene zaak mogen worden opgegeven, zij het ook voor de andere mogen worden; en dat dit noodwendig de strekking zou hebben tot vernietiging dier vrijheid van gevoelens en denkbeelden, die als het uitmuntendste der Amerikaansche instellingen beschouwd wordt.De vraag is thans deze: heeft de kerk zich met de wereld vereenigd in het gevoelen dat de instelling der slavernij zoo gewigtig en begeerlijk is, dat zulks eene goedkeurende beschouwing der Lynch-wet en de opoffering der regten van een vrij onderzoek zou kunnen wettigen? Wij antwoorden den lezer met de volgende daadzaken en aanhalingen:Bij gelegenheid der boven beschrevene groote bijeenkomst te Charleston in Zuid Carolina, berigt ons deCharleston Courier„dat de in één ligchaam vereenigde geestelijkheid van alle godsdienstige benamingen de handeling bijwoonde, er hare goedkeuring aan schonk, en door hare tegenwoordigheid het indrukwekkende van het tooneel aanmerkelijk verhoogde.” Er valt wel niet aan te twijfelen dat de tegenwoordigheid der in één ligchaam vereenigde geestelijkheid van alle godsdienstige benamingen, bij eene vergadering tot zulk een doel gehouden, waarlijk eenindrukwekkend tooneelwas!Op deze bijeenkomst werd besloten:Dat de vergadering haren dank verschuldigd is aan de eerwaarde heeren der geestelijkheid in deze stad, die zoo vaardig en doelmatig aan het algemeene gevoelen hebben beantwoord, door het sluiten hunner scholen, waarin debevolking der vrije kleurlingenonderwezen werd; en dat deze vergadering zulks beschouwt als eene vaderlandlievende daad, allen roem waardig, en wier navolging door andere onderwijzers van soortgelijke scholen in den Staat, wenschelijk ware.Hier doet zich de vraag op, of hun Heer, ten dage des oordeels, er zich op dezelfde wijze over uiten zal.De ongerustheid der slavenhouders in Virginië was niet gering; terwijl de geestelijkheid in de stad Richmond, de hoofdplaats, niet minder vaardig was dan die van Charlestonom „aan het algemeen gevoelen” te beantwoorden. Dienvolgens vergaderden hare leden den 29stenJulij, en besloten,eenstemmig:Dat wij de ongeroepene en hoogst ongepaste bemoeijing des volks van eenigen anderen Staat met de huiselijke betrekkingen tusschen meester en slaaf, ten ernstigste afkeuren.Dat het door onzen Heer Jezus Christus en zijne Apostelen gegeven voorbeeld, door zich in de slavernij-kwestie niet te mengen, maar eenparig de betrekkingen van meester en dienstknecht te erkennen, en aan beiden een volledig en liefderijk onderwijs te schenken, de navolging van alle dienaren des Evangelies waardig is.Dat wij geenerlei vlugschrift of nieuwspapier van abolitionistische genootschappen beschermen of ontvangen willen, en dat wij den omloop van alle zoodanige papieren onder de gemeente zullen tegengaan.De Eerwaarde J. C. Postell, een Methodistisch leeraar in Zuid-Carolina, besloot den volgenden zeer hevigen brief aan den uitgever vanZion’s Watchman, een te New-York uitgegeven Methodistisch anti-slavernij gezind nieuwsblad, op de navolgende wijze: (De lezer zal zien dat de daarin vervatte beschimping eene toespeling is op den prijs van vijftig duizend dollars, dien men in het Zuiden op zijn lijf gesteld had, zoo als wij straks verhaald hebben.)Maar, als gij verlangt de slaven op te voeden, dan zal ik u zeggen hoe gij het geld er voor krijgen kunt, zonderZion’s Watchmanuit te geven. Kom gij met den ouden Arthur Tappan dezen winter naar het Zuiden, en men zal er honderd-duizend dollars voor u ligten. New-Orleans zelve zal er voor verpand worden. Geene verdere kennis met u begeerende, en nooit verwachtende u in tijd of eeuwigheid meer dan eenmaal te zien, dat is ten dage des oordeels, onderschrijf ik mij, de vriend des Bijbels en de vijand der abolitionisten,J. C. Postell.Orangeburgh, 21 Julij 1836.De Eerwaarde Thomas S. Witherspoon, een lid der Presbyteriaansche kerk, zegt, aan den uitgever van denEmancipatorschrijvende:Ik bewijs mijne bevoegdheid om den slaaf in dienstbaarheid te houden, uit de Schriften des Ouden en Nieuwen Testaments. Het beginsel om den Heiden in dienstbaarheid te houden, is door God erkend. *** Als de trage voortgang der wetten te talmachtig is om onze grieven te herstellen, dan hebben wij hier in het Zuiden het onfeilbare middel van Regter Lynch aangenomen; en inderdaad, ik acht dit een der krachtigste en heilzaamste geneesmiddelen voor de ziekte van het noordelijk fanatismus, dat er kan bedacht worden, terwijl ik niet twijfel of mijn vriend de uitgever van denEmancipator and Human Rightszou er de uitwerking zeer goed van ondervinden, zoo het hem slechts door een zuidelijken doctor werd toegediend. In allezedelijkeaangelegenheden beroep ik mij op den Bijbel. *** Laten uwe zendelingen het eens durven wagen om Potomac te doorkruisen, en ik kan u niet beloven dat hun een beter lot zal te beurt vallen dan Haman. Wacht u derhalve wel van een gehoond doch grootmoedig volk tot daden van wanhoop te drijven!De Eerwaarde Robert N. Anderson, insgelijks een lid der Presbyteriaansche kerk, zegt, in een brief aan de zittingen der Presbyteriaansche vereenigingen binnen de grenzen van de „West-Hanover Presbytery.”Bij de naderende vastgestelde bijeenkomst, ben ik voornemens eene voorafspraak en reeks van besluiten betreffende het onderwerp van het gebruik van wijn bij ’s Heeren Avondmaal aan te bieden; als ook eene voorafspraak en reeks van besluiten betreffende het onderwerp der verraderlijke en afschuwelijk slechte bemoeijenis der noordelijke en oostelijke geestdrijvers met onze staatkundige en burgerlijke regten, ons eigendom en onze huiselijke zaken. Het is u bekend dat onze geestelijkheid, te regt of ten onregte, meer dan de geestelijkheid van andere benamingen door het publiek wordt verdacht gehouden. Nu,waarde Christen broeders,druk ik nederig mijn ernstigen wensch uit, dat gij ukwijten moogt als mannen. Zoo er het een of ander afgedwaald schaap van een leeraar onder u wezen mogt, besmet met de bloedhonds-beginselen van het abolitionisme, laat hij uitgedreven, den mond gestopt, geëxcommuniceerd, en aan hetpubliekovergeleverd worden,om op andere wijze met hem te werk te gaan.Uw toegenegene broeder in den Heere,Robert N. Anderson.De eerwaarde William S. Plummer, Theol. Dr. van Richmond, een lid van de „Old School” der Presbyteriaansche kerk, levert een ander voorbeeld van dezelfde soort op. Hij was van Richmond afwezig, toen de geestelijkheid dier stad zich gemeenschappelijk zuiverde van de beschuldiging dat zij jegens de abolitie gunstig gezind was. Bij zijne terugkomst liet hij geen tijd verloren gaan om aan den voorzitter van het committé van briefwisseling zijne overeenkomst van gevoelens met zijne ambtsbroeders kenbaar te maken. De aangehaalde zinsneden zijn uit zijnen brief aan den Voorzitter getrokken.Ik heb deze aangelegenheid, van haren eersten aanvang af, zorgvuldig gadegeslagen, en alles wat ik, zoowel van hare voorstanders als van hare vijanden, nopens haren aard gezien of gehoord heb, heeft mij onberouwelijk in de overtuiging bevestigd, dat, laat het karakter der abolitionisten in het oog van den Regter der gansche aarde wezen wat het wille, dit de bemoeiziekste, onbeschaamdste, roekeloosste, wreedste en slechtste opruijing is, die ik immer gezien heb.Als de abolitionisten het gansche land in gloed willen zetten, dan is niets billijker dan dat zij de eerste warmte van het vuur krijgen.Ten slotte. De abolitionisten zijn, even als de ongeloovigen, ten eenemale onbekwaam tot het martelaarschap om hunne gevoelens. Laten zij slechts weten datzij gegrepen(lynched)zullen worden, zoo zij zich onder ons begeven, en zij zullen wel zorg dragen om ons uit den weg te blijven. Er is geen enkele onder hen, die meer voornemensis om voor deze zaak zijn bloed te storten, dan om oorlog met den grooten Turk te beginnen.In de vergadering der gemeente van de „New School” zeide de Eerwaarde Dr. Hill, uit Virginië:De abolitionisten hebben de dienstbaarheid van den slaaf harder gemaakt. Zoo ik u eenige der vuile streken, door deze abolitionisten bedreven, verhalen konde, zoudt gij u niet verwonderen. Eenigen hunner zijn gegrepen (lynched) geworden, en het was goed aan hen besteed.Dit alles toont genoegzaam hoe de betrekkelijke waarde van slavernij en van het regt van vrije nasporing, door de zuidelijke kerk en geestelijkheid opgevat en uitgedrukt wordt. Het toont insgelijks, dat zij de slavernij als zoo gewigtig beschouwen, dat zij daden van onwettig geweld kunnen toelaten en aanmoedigen, en zich om harentwille aan al de gevaren van het aanmoedigen eener janhagel regering blootstellen. Deze aanhalingen en beschouwingen toonen op voldoende wijze het standpunt, waarop de zuidelijke kerk, met betrekking tot het behandelde onderwerp, zich geplaatst heeft.Voor velen dezer gevoelens, hoe stuitend zij ook mogen voorkomen, zou eenige verdediging kunnen gevonden worden in die verblindende kracht der gewoonte, en in alle die met de opvoeding ingezogene, onderdrukkend werkende invloeden, die altoos het gevolg zijn van het slavernijstelsel, en die noodwendig eene zekere verstomping van het zedelijk gevoel in de ziel van zulk eenen moet te weeg brengen, die van de kindschheid af aan onder die invloeden werd opgekweekt.Er ligt dan ook in de hebbelijkheden van den geest, onder een stelsel gevormd hetwelk door eene aanhoudende toevlugtneming tot kracht en geweld ondersteund wordt, eene noodzakelijke neiging tot dooding des gevoels, met opzigt tot het misdadige van kracht en geweld, op den medemensch toegepast. De geheele manier van beschaving, onder zulk eene instelling gevormd, is door een populairen schrijver, niet onaardig, „de dolkmes-manier” genoemd geworden; en het behoeft ons niet te verwonderen dat godsdienstig karakter en denkbeelden er een eigenaardigen, strijdzuchtigen tint door aannemen, zeer vervan den geest des Evangelies. Een godsdienstig man, in het Zuiden geboren en opgevoed, heeft met al deze moeijelijkheden te kampen, wanneer hij zich tot den waren geest des Evangelies zoekt te verheffen.Zeker schrijver heeft gezegd, dat, na de Hervorming, de beste mannen, als opgevoed onder een stelsel van magt en despotismus, en van kindsbeen af gewoon geraakt om door kracht, en niet door rede, te zien bewijzen, al ligtelijk de vraag: of men ketters verbranden moest, deden overgaan in de vraag: wie van hunne tegenstanders er verbrand moesten worden.Het slavernij-systeem is een eenvoudige teruggang der maatschappij tot de ergste misbruiken der middeleeuwen. Wij moeten er ons, derhalve, niet over verwonderen, de gevoelens en daden der middeleeuwen nopens burgerlijke en godsdienstige verdraagzaamheid te zien heerschen.Hoe sterk wij de hier aangevoerde onwaardige beschouwingen van God en godsdienst, in zulke verklaringen als wij hebben aangehaald, ook verfoeijen en betreuren mogen; hoe godslasterlijk en ongerijmd zij ons ook mogen toeschijnen; toch is het blijkbaar dat zij door hare auteuren met opregtheid geuit werden; en ziedaar juist het treurigste van de zaak. Zij zijn even zoo opregt als Paulus toen hij dreiging en moord blies, en bij zichzelven overtuigd was dat hij tegen den naam van Jezus vele wederpartijdige dingen doenmoest. Zij zijn even zoo opregt als de Bramin en Hindoe, die gewetenshalve een bloed- en wreedheidademende godsdienst ondersteunt. Zij zijn evenzoo opregt als vele verlichte, geleerde en Christelijke mannen in Europa, die, onder stelsels van burgerlijk en godsdienstig despotismus geboren en opgevoed, waarmede al hunne dierbaarste huiselijke en burgerlijke verbindtenissen ten naauwste verknocht zijn, en wier invloed al hunne gewoonten en denkbeelden beheerscht, die stelsels, uit opregte gemoedelijkheid, ten sterkste verdedigen.In de gemoedelijke overtuiging, zelfs wanneer zij de ergste soort van gevoelens betreft, ligt iets waaraan men eene zekere mate van eerbied niet weigeren kan. Dat de godsdienst, in de door ons aangehaalde verklaringen uitgedrukt, zoo echt Antichristisch is als de godsdienst der Roomsche kerk, zal wel door geen enkel gevoelig mensch die zich buiten het bereik van Amerikaanschen invloed bevindt, ontkend worden.Dat er onder dit godsdienststelsel, met al zijne valsche grondbeginselen en schadelijke invloeden, zeer opregte Christenen zijn kunnen, zal een onbevangen oordeel moeten toestemmen. De kerk van Rome heeft haren Fénélon, haren Thomas à Kempis gehad; en de zuidelijke kerk, die deze grondbeginselen heeft aangenomen, heeft ook mannen opgeleverd die zich boven het peil van hun systema hebben weten te verheffen. Ten tijde der hervorming, zoowel als thans, telde de Roomsche kerk duizenden van biddende, godvruchtige, nederige Christenen in haren schoot, die, gelijk bloemen in de rotskloven, alleen door Gods oog geteld konden worden. En zoo hopen wij dat te midden der rotsen en ijsbergen van deze afschuwelijke geestelijke en tijdelijke dwingelandij, ook paradijsbloemen van geduldige, biddende en zelfverloochenende Christenen bloeijen; terwijl het, onder eenen aanval op het verschrikkelijke systeem waaronder zij zijn geboren en opgevoed, de diepste smart veroorzaakt, dat daarbij ook hunne geliefkoosde gevoelens en verbindtenissen geweld moet worden aangedaan. In eene andere en betere wereld zullen zij misschien de beweegredenen van hen die zulks deden, weten te schatten.Doch nu doet zich eene andere beschouwing aan den geest voor. Deze zuidelijke Christenen zijn in kerkelijke betrekkingen met Christenen uit de noordelijke en vrije Staten verbonden geweest, waarmede zij, door hunne afgevaardigden, in hunne verschillende kerkelijke vergaderingen, jaarlijksche bijeenkomsten hielden. Ingeval van zulk eene vereeniging, mogt men hopen dat die verlagende beschouwingen van het Christendom, en die levenloosheid van het openbare gevoelen, die de onvermijdelijke gevolgen eener opvoeding onder het slavenstelsel zijn, door aanraking met Christenen in de vrije Staten gewijzigd zouden worden, van welken het toch, als onder vrije instellingen opgevoed, natuurlijkerwijze te veronderstellen was dat zij met den sterksten afschuw van zulke gevoelens vervuld zouden zijn. Men zou gemeend hebben dat de kerk en de geestelijkheid der vrije Staten natuurlijk de krachtigste pogingen zouden hebben aangewend, om, door alle middelen die onder hun bereik waren, hunne broeders van dwalingen te overtuigen, zoo onteerende voor het Christendom, en tot zulke vreeselijke practische gevolgen leidende. Men zou ook gedacht hebben dat, zoo zij er al niet in slagen mogten hunnebroederen te overtuigen, zij het als pligt jegens het Christendom beschouwd zouden hebben, zich-zelven, door de ernstigste, plegtigste, en onophoudelijkste protesten, van alle medepligtigheid met deze gevoelens te zuiveren.Laat ons thans onderzoeken wat, in wezenlijkheid, door de noordelijke kerk te dezen aanzien verrigt is.Alvorens tot dat onderzoek over te gaan, zullen wij de door de zuidelijke kerk gedane verklaringen overzien, en beschouwen welke beginselen door haar zijn gehuldigd. Het zijn, namelijk, deze:1. Dat de slavernij eene onschuldige en wettige betrekking is, evenzeer als die van ouder en kind, echtgenoot en vrouw, of eenige andere wettige maatschappelijke betrekking. („Harmony Presbytery” van Zuid-Carolina).2. Dat zij bestaanbaar is met de broederlijkste beschouwing van het welzijn der slaven. („Charleston Union Presbytery.”)3. Dat meesters niet gecensureerd behooren te worden voor het verkoopen van slaven zonder hunne toestemming. (New School, Presbyteriaansche kerk in Petersburg).4. Dat het regt om, uit winstbejag, menschen te koopen, te verkoopen, en in slavernij te houden, door Gods uitdrukkelijke toelating gegeven is. (James Smylie en zijne „Presbyteries.”)5. Dat de wetten, die de opvoeding van den slaaf verbieden, regtmatig zijn, en door het denkende gedeelte der Christelijke gemeenschap worden goedgekeurd. (Dezelfden).6. Dat de zaak der slavernij in het geheel geen zedelijk, maar slechts een zuiver staathuishoudkundig vraagstuk is. (Baptisten-Vereeniging te Charleston).7. Dat het regt der meesters om over den tijd hunner slaven te beschikken, door den Schepper aller dingen uitdrukkelijk erkend is. (Dezelfde).8. Dat de slavernij, zoo als zij in de Vereenigde Staten aanwezig is, geen zedelijk kwaad is. (Conferentie van Georgië, Methodisten).9. Dat, zonder eene nieuwe openbaring uit den hemel, niemand bevoegd is de slavernij onregt te noemen.10. Dat de scheiding der slaven door verkoop, moet beschouwd worden als eene scheiding door den dood, en hetaan de partijen vergund mag worden te hertrouwen. („Shiloh Baptist Association” en „Savannah River Association.”)11. Dat het getuigenis van kleurlingen onder de gemeenteleden tegen eenen blanke, niet zal worden aangenomen. (Kerk der Methodisten).Ten slotte is het, door de uitgedrukte grondbeginselen en handelingen van Christenen uit verschillende benamingen, duidelijk erkend, dat zij het als regtmatig en billijk beschouwen, alle onderzoek nopens dit onderwerp door de Lynch-wet te smoren.Men zou gemeend hebben dat deze beginselen, als van belijders des Christendoms afkomstig, vreemd genoeg waren om bij hunne noordelijke broeders zeer veel aandacht te wekken. Ook valt het in het oog dat zij, als beginselen, beginselen zijn van eene zeer uitgebreide toepassing, die op de ondermijning van alle godsdienstige en zedelijke grondslagen uitloopt. Behelzen zij geene waarheid, dan zijn zij voorzeker ketterijen die een gewonen maatstaf verre te buiten gaan, en gevolgen insluiten die niet minder buitengewoon zijn. Keeren wij thans tot ons onderzoek, naar de handelwijze der noordelijke kerk met betrekking tot die beginselen terug.1Ps. XIX: 8, alwaar de Engelsche vertaling heeft: „rejoicing” (verheugende) „the heart” (het hart, of:de ziele.)Vertaler.
Hoofdstuk I.De invloed der Amerikaansche kerk op de slavernij.
Er is geen land in de wereld, waar de godsdienstige invloed een grooter gezag uitoefent, dan in Amerika. Er is geen land, waar de geestelijkheid eene grootere magt bezit. Dit is te opmerkelijker, omdat in Amerika de godsdienst geheel van den Staat is afgescheiden, en de geestelijken geen dier kunstmatige middelen bezitten, om eenen invloed, die uit rang en rijkdom ontstaat, te doen gelden. Als eene klasse van menschen beschouwd, is de Amerikaansche geestelijkheid, over het algemeen, arm. De aan hare leden toegelegde bezoldigingen leveren niets meer dan het gewone levens-onderhoud op, en verschaffen hen geene middelen tot verkrijging van eigendom. Hunne levenswijze kan welvoegelijk en fatsoenlijk, doch ook niet meer zijn. De daadzaak dat, onder deze omstandigheden, de Amerikaansche geestelijkheid waarschijnlijk de vermogendste klasse van menschen in het land is, doet van zelve reeds een zeer gunstig vermoeden van haar opvatten. Als klasse beschouwd, mag men haar dan ook een zoowel verstandelijk als zedelijk overwigt toekennen.Het is eene welbekende daadzaak, dat de invloed der geestelijkheid, door onze staatsmannen als een zeer gewigtig bestanddeel bij de vorming hunner staatkundige berekeningen beschouwd wordt; en die invloed is zoo groot, dat geen staatsman het ooit wagen zoude, een maatregel door te drijven, waartegen de geheele geestelijkheid des lands zich aankantte. Zulk een graad van magt, al is zij ook enkel eene magt van opinie, redenering en voorbeeld, is niet zonder gevaar voor de reinheid van eenige klassen van menschen. Door staatkundige hoofden gevleid te worden, is altoos iets gevaarlijks voor de regtschapenheid en geestelijke gezindheid van menschen, die betuigen door grondbeginselen bestuurd te worden,welke niet van deze wereld zijn. Ook sluit het bezit eener zoo aanzienlijke magt, als wij beschreven hebben, eene zeer gewigtige verantwoordelijkheid in; dewijl, wanneer de geestelijkheid het vermogen bezit, om de eene of andere groote nationale onzedelijkheid te doen ophouden, de daadzaak, dat zij zulks niet doet, de zonde der nalatigheid in zeker opzigt op haar schijnt te doen nederkomen.Wij hebben, tot dusverre, van de geestelijkheid alleen gesproken; doch in Amerika, waar de geestelijke, in de meeste gevallen, door de Kerk verkozen, en door hare vrijwillige bijdragen onderhouden wordt, is de invloed van de Kerk, en die van de geestelijkheid, voor een zeer groot gedeelte, ééne en dezelfde. De geestelijkheid is het wezenlijk ideaal en de uitdrukking van de Kerk. Zij kiest en behoudt hem, omdat hij volkomener dan eenig ander, dien zij zou kunnen bekomen, hare denkbeelden van regt en waarheid uitdrukt. In allen gevalle moet de geestelijke door zijne Kerk onderhouden worden, zal hij zijne stelling in haar kunnen bewaren. De daadzaak, dat hij die bewaart, is over het algemeen een bewijs van beider eenheid van gevoelens, dewijl zij, zoo hij tot op eene aanmerkelijke hoogte van haar verschillen mogt, de magt heeft om hem te ontslaan, en een’ anderen te verkiezen.De invloed van een geestelijke, die op deze wijze door de vrije bewilliging van het verstand en hart zijner Kerk behouden wordt, is in sommige opzigten grooter, dan zelfs die van een Roomschen priester. De priester kan slechts door eene blinde geestelijke oppermagt heerschen, waartegen, zeer dikwijls, de rede haren twijfel inbrengt, terwijl zij eene uitwendige toestemming geeft; doch de gelukkige vrije leeraar maakt zich van de neigingen des harten door zijne eigene neigingen meester; overreedt het verstand door sterkere redeneerkracht; en terwijl hij aldus neiging, rede, geweten, en den geheelen mensch te baat neemt, ontleent hij uit de vrijheid der organisatie zelve, het bezit eener magt, grooter dan ooit uit een blind geestelijk despotismus kan voortvloeijen. Als een predikant hierin niet eenigermate in zijne gemeente slagen kan, noemt men hem onvoorspoedig; en hij die aan de verwezenlijking dezer beschrijving het meest nabij komt, bezit de hoogste en volkomenste soort van magt, en drukt het denkbeeld van een voorspoedig’ Amerikaansch’ predikant uit.Over dit onderwerp sprekende, zullen wij derhalve de Kerk en de geestelijkheid als vereenzelvigd beschouwen; het woord „Kerk,” in den Amerikaanschen zin van dat woord, bezigende voor die klasse van menschen, van alle benamingen, die, van naam-christenen onderscheiden, als betuigende werkelijk door de voorschriften van Christus geregeerd te worden, in ligchamengeorganiseerdzijn.Welke is dan de invloed van de Kerk op deze groote slavernij-kwestie?Zekere dingen laten zich reeds op de oppervlakte der zaak bespeuren. Die invloed namelijk heeft:1o. de slavernij niet doen ophouden;2o. er de toeneming niet van verhinderd;3o. de herroeping der wetten niet veroorzaakt, die de opvoeding der slaven verbieden;4o. geene daarstelling van wetten beproefd, die de scheiding der familiën verhinderen, en het huwelijk der slaven wettigen;5o. geen einde gemaakt aan den binnenlandschen slavenhandel; en6o. de uitbreiding van dit systeem, met alle zijne onregtvaardigheden, over nieuw aangewonnen landstreken niet verhinderd.Ten opzigte van deze stellingen zal er wel geen verschil van gevoelen kunnen bestaan.Wat is er dan gedaan?In antwoord hierop kan worden bevestigd:1o. Dat nagenoeg alle hoofdsecten of benamingen, te dezen of genen tijde, als zedelijke ligchamen beschouwd, eene besliste afkeuring van het systeem hebben uitgedrukt, en aangedrongen, dat er iets tot zijne afschaffing gedaan wierd.2o. Dat ééne benaming van christenen inzonderheid dat doel als uitsluitend ter harte genomen, en elk harer leden van eenig aandeel in slavenbezit getracht heeft te bevrijden. Wij bedoelen de kwakers. De wijze, waarop dat doel bereikt is geworden, zal de inhoud van een vlugschrift uitmaken, dat weldra door een lid hunner gemeente, den dichter J. G. Whittier, zal worden in het licht gegeven.3o. Dat individueele leden van alle benamingen, door den geest des Christendoms bezield, op verschillende wijzen tegen de slavernij hebben geprotesteerd.Thans zal het niet ongepast zijn, de door sommige der voornaamste kerkelijke ligchamen, nopens dit onderwerp uitgedrukte gevoelens meer bepaaldelijk en in de bijzonderheden te beschouwen.Het is regtmatig, dat door de schrijfster de bronnen worden aangewezen, waaruit de aanhalingen geput zijn. Dezulke, die betrekking hebben tot de handelingen van kerkelijke ligchamen in de Zuidelijke Staten, zijn voornamelijk getrokken uit een vlugschrift van den heer James G. Birney, getiteld: „De Kerk, het bolwerk der slavernij.” De schrijfster vervoegde zich bij een brief aan den heer Birney, waarin zij opgaven der door hem gebezigde bronnen verzocht. Zijn antwoord was, hoofdzakelijk, als volgt: dat het vlugschrift zoowel uit oorspronkelijke documenten was zaâmgesteld, als uit de kolommen der nieuwspapieren, die de gebeurtenissen vermeld hadden, tijdens zij waren voorgevallen. Het werd, in 1842, in Engeland vervaardigd en uitgegeven, met het doel, om het publiek aldaar een juist begrip te doen opvatten van den toestand der Amerikaansche Kerk en geestelijkheid. Mr. Birney zegt, dat het hem niet bewust is, dat ééne enkele der aangevoerde stellingen, hoezeer ook al zulk een geruimen tijd voor het oog der wereld geweest, ooit betwist is geworden; en dat hij, bewust van haren buitengewonen aard, zich de uiterste moeite getroost heeft, om er de authenticiteit van buiten twijfel te stellen.Wij beginnen met die der Zuidelijke Staten.1. De Presbyteriaansche Kerk.„Harmony Presbytery” van Zuid-Carolina.Nademaal vele personen in Schotland en Engeland, en andere in het noorden, oosten en westen onzes lands, de slavernij hebben aangeklaagd, als strijdig met Gods wetten, en sommigen hunner aan de Algemeene Vergadering onzer Kerk, en aan het Congres van de natie, memoriën en verzoekschriften hebben ingediend, met het erkende doel, om de slavenhouders in ongunst te brengen, en de betrekking tusschen meester en slaaf te vernietigen; en dewijl het uit de voormelde handelingen, zoowel als uit de daartoe betrekkelijke grondstellingen, redeneringen en omstandigheden, tenduidelijkste blijkt, dat deze personen „niet weten wat zij zeggen, noch waarvan zij getuigen;” en benevens die onwetendheid een geest van eigengeregtigheid en uitsluitende heiligheid openbaren, enz.1.Is besloten, dat, dewijl het koningrijk onzes Heeren niet van deze wereld is, Zijne kerk, als zoodanig, geen regt heeft, om eenige staatkundige of burgerlijke wet of instelling van menschen te vernietigen, te veranderen of te wijzigen, enz.2.Is besloten, dat de slavernij bestaan heeft van de dagen dier goede oude slavenhouders en aartsvaders, Abraham, Isaäc en Jacob (die nu in het koningrijk der hemelen zijn) af aan, tot op den tijd, wanneer de apostel Paulus een weggeloopen slaaf tot zijnen meester Philemon terug zond, en een Christelijken en broederlijken brief, die in den canon der Schriften vervat is, aan dien slavenhouder schreef; en dat de slavernij ook na de dagen des apostels bestaan heeft, en nog bestaat.3.Is besloten, dat aangezien de wederzijdsche pligten van meester en slaaf in de Schriften geleerd worden, op dezelfde wijze, als die van ouder en kind, en van echtgenoot en vrouw, het bestaan der slavernij zelve niet tegen den wil van God gekant is; en dat hij die een te teeder geweten bezit, om deze betrekking als wettig te erkennen, „al te regtvaardig” en „wijs is boven hetgeen geschreven staat;” en dat hij den hals onder het juk van menschen gebogen, zijne christelijke vrijheid des gewetens opgeofferd, en Gods onfeilbaar Woord voor de meeningen en gevoelens der menschen verlaten heeft.„The Charleston Union Presbytery.”Het is in het oog dezer vereeniging een uitgemaakt beginsel, dat de slavernij, zoo als zij bij ons bestaat, eene staatkundige instelling is, waarmede aan kerkelijke overheden geen het minste regt van bemoeijenis toekomt; en dat in betrekking tot dezen, elke zoodanige bemoeijenis, voornamelijk onder de thans aanwezige crisis, eenzedelijk kwaadzijn zoude, met de gevaarlijkste en noodlottigste gevolgen bezwaard.De dooronsgehandhaafde gevoelens,in gemeenschap met christenen van alle benamingen in de Zuidelijke Staten, zijn gevoelens, die door ons geweten zoo volmaakt worden goedgekeurd, en zoo vereenzelvigd zijn met onze heiligste gevoelens van pligt, dat wij die onder alle omstandigheden zouden volhouden.Is besloten, dat naar het gevoelen van deze „Presbyters”, het houden van slaven, wel verre van eeneZONDEin Gods oog te zijn, nergens in Zijn heilig woord veroordeeld wordt; dat het in overeenstemming is met het voorbeeld, of bestaanbaar met de voorschriften van aartsvaders, apostelen en profeten; en dat het even zoo min in strijd is met de broederlijkste beschouwing van het welzijn dier dienstknechten, welke God aan onze zorgen heeft aanbevolen.DeNew SchoolPresbyteriaansche kerk in Petersburg (in den staat van Virginië) nam, den 16 November 1838, het volgende besluit:Nademaal de Algemeene Vergadering, in den jare 1818, eene wet heeft doen doorgaan, bepalingen opzigtelijk de slaven behelzende welke onbestaanbaar zijn met onze burgerlijke instellingen, en daarbij plegtig verklaard wordt dat de slavernij eene zonde jegens God is; eene wet, evenzeer honende als beleedigende voor de geheele zuidelijke gemeente:1.Is besloten, dat wij, als slavenhouders, niet langer in betrekking kunnen blijven met eenige kerk, waar eene wet bestaat die aan slaven het regt toekent om hunne meesters voor het kerkelijk regtsgebied te betrekken,al ware het ook voor de handeling van hen, zonder hunne vooraf gevraagde en verkregene toestemming, te verkoopen.2.Is besloten, dat, aangezien het Groote Opperhoofd der Kerk de betrekking vanmeester en slaaferkend heeft, wij naar ons geweten gelooven, dat de slavernij geene zonde jegens God is, zoo als door de Algemeene Vergadering is verklaard geworden.Dit zal genoeg zijn om het gevoelen der Zuidelijke Presbyteriaansche Kerk te doen blijken. De volgende uittreksels raken de gevoelens van de Kerken der Baptisten. In 1835 boodde Vereeniging der Baptisten te Charleston aan de Wetgevende Vergadering van Zuid-Carolina een memorie aan, waarin het volgende voorkomt:Wijders geven de ondergeteekenden te kennen, dat gezegde Vereeniging niet van gevoelen is dat de Heilige Schriften de zaak der slavernijin het geheel tot een zedelijk vraagstuk gemaakt hebben. De Goddelijke Stichter onzer heilige godsdienst, in het bijzonder, vond de slavernij, als een gedeelte der bestaande maatschappelijke instellingen aanwezig, waarin het zijn doel niet waszich te mengenwanneer zij niet zondig waren, maar ze ten eenemale aan het bestuur der menschen over te laten. Zulks dan als eene vrijgelatene maatschappelijke schikking beschouwende, betrok hij tot het gebied zijner godsdienstleer alleenlijk de voorschriften der wederzijdsche verpligtingen dezer betrekking. De vraag, zoo als wij gelooven, is eene zuivere vraag van staats-economie. Zij bepaalt zich inderdaad tot deze: „Of de leden der arbeidende klasse van een land gekocht en verkocht, en, zoo als in dezen Staat het geval is, zelve een eigendom zullen worden; dan wel of zij huurlingen, en alleen hun arbeid eigendom zal worden, zoo als in sommige andere Staten.”Met andere woorden: Of een gebruiker den geheelen tijd der arbeiders op eenmaal koopen mag van hen die regt hebben om daarover te beschikken, met eene voortdurende betrekking van bescherming en verzorging over die arbeiders; dan wel of het hem slechts vergund zal zijn, dien tijd bij zekere gedeelten te koopen, met onderwerping aan hunne beoordeeling, en met geene zoodanige voortdurende verpligting van bescherming en verzorging.Het regt der meesters om over den tijd van hunne slaven te beschikken, is door den Schepper aller dingen uitdrukkelijk erkend, die voorzeker de vrijheid heeft om aan zulk eenen als Hem behaagt, het regt van eigendom over zeker voorwerp te schenken. Dat de wettige bezitter dit regt naar willekeur behoude, strijdt niet meerder tegen de wetten der maatschappij en goede zeden, dan dat hij de persoonlijke gaven behoude waarmede zijn Schepper hem gezegend heeft, of het geld en de landerijen, van zijne voorouders geërfd, of door eigene vlijt verkregen; en noch maatschappij noch ondeelbaren hebben in het eenegeval een meerder regt om een afstand zonder vergoeding te eischen, dan in het andere.En nademaal de vraag zuiver staathuishoudkundig is, en eene zoodanige welke in dit land tot de kennisneming der onderscheidene Staatsbesturen behoort, gelooven wij wijders dat de Staat van Zuid-Carolina alleen het regt heeft om het bestaan en den toestand der slavernij binnen de grenzen van haar grondgebied te regelen; terwijl wij aan elke inbreuk op dat regt, van waar of onder welk voorwendsel dan ook, den uitersten tegenstand zullen bieden.De Methodistische kerk bevindt zich, in sommige opzigten, met betrekking tot dit onderwerp, op een eigenaardig standpunt, omdat hare verordening en regelen van kerkelijke tucht de hevigste beschuldigingen tegen de slavernij bevatten, waarvoor de taal vatbaar is, met de dringendste eischen dat alle hare leden, die slaven houden, gecensureerd zullen worden; en deze aanklagten en eischen zijn door hare Algemeene Conferentie bevestigd geworden.Het scheen derhalve noodzakelijk dat de Zuidelijke Conferentie eenige kennis van deze daadzaak nam; hetwelk zij dan ook, met groote koelheid en duidelijkheid, op de volgende wijze deed:De Jaarlijksche Conferentie vanGeorgia:Heeft eenstemmig besloten, dat, nademaal er een artikel in onze kerkelijke verordening is, waarin gezegd wordt dat wij zoo zeer als ooit overtuigd zijn van het groote kwaad derslavernij; en nademaal het gezegde artikel door sommigenverdraaid, en op zoodanige wijze gebezigd is als om het begrip te doen ontstaan dat de Methodistische Episcopale kerk deslavernijals eenzedelijk kwaadbeschouwde;Is, dien ten gevolge,besloten, dat het gevoelen der Jaarlijksche Conferentie vanGeorgiamedebrengt, dat de slavernij, zoo als zij in de Vereenigde Staten aanwezig is,geen zedelijk kwaad is.Is besloten, dat wij de slavernij als eene burgerlijke en huiselijke instelling beschouwen, en als eene zoodanige, waarmede wij, als dienaars van Christus, niets anders tedoen hebben, dan den toestand van den slaaf te verbeteren, door te trachten hem en zijn meester met den heilrijken invloed der godsdienst van Christus te doordringen, en beiden op hunne weg ten hemel behulpzaam te zijn.Op het gedane voorsteliseenstemmigbesloten, dat de Jaarlijksche Conferentie vanGeorgiamet gevoelens van diepen eerbied en goedkeuring de dooronze onderscheidene superintendenten, of bisschoppen, gevolgde waardige handelwijze beschouwt,in het onderdrukkender pogingen, die door velen zijn aangewend om in kerk en staat eene beweging ten gunste van hetabolitionismuste wekken.Is, wijders,besloten, hen onze hartelijke en ijverige ondersteuning in de door hen opgevatte taak, toe te zeggen.Conferentie van Zuid-Carolina.De eerwaarde W. Martin heeft gelijksoortige besluiten als die van de Conferentie vanGeorgiavoorgesteld.De eerwaarde W. Capers, na zijne overtuiging te hebben uitgedrukt dat „het in de besluiten geopenbaarde gevoelen niet alleen door de leeraars van deze Conferentie, maar door het geheele Zuiden algemeen omhelsd wordt;” en na beweerd te hebben dat de eenige ware leer deze was: „het gaat Caesar, en niet de kerk aan” stelde hij het navolgende als een plaatsvervangend besluit voor:Nademaal wij van gevoelen zijn dat het onderwerp der slavernij in deze Vereenigde Staten niet tot de handelingen der Kerk, maar uitsluitend tot die der burgerlijke besturen behoort;Hebben wij, derhalve,besloten, dat deze Conferentie zich niet verder met de zaak bemoeijen zal, dan om ons leedwezen te betuigen dat zij ooit, onder welken vorm ook, tot eenig kerkelijk regtsgebied is betrokken geworden.Broeder Martin heeft het plaatsvervangend besluit goedgekeurd.Broeder Betts heeft gevraagd of het plaatsvervangend besluit kon geacht worden te bedoelendat de slavernij, zoo als zij onder ons bestaat, geen zedelijk kwaad was? Hij beschouwde het als met zulk eene verklaring gelijk staande.Broeder Gapers antwoordde,dat het zijne meening was, dat gevoelen volledig en ondubbelzinnig uit te drukken; en dat hij den vorm van een besluit gekozen had,niet alleen met het doel om eenige onregelmatige handelingen in het Noorden te bestraffen, maar ook met betrekking tot de Algemeene Conferentie. Indien de slavernij eenzedelijk kwaad(dat is,zondig) ware,alsdan zou de Kerk verpligt zijn er kennis van te nemen; doch onze overtuiging is, dat dit geene zaak is die tothaarregtsgebied behoort, maar dat zij uitsluitend aan hetburgerlijk gezagtoekomt, enbijgevolg niet zondigis.Het plaatsvervangend besluit werd dus eenstemmig aangenomen.In 1836 hield een Episcopaalsch geestelijke in Noord-Carolina, Freeman geheeten, in tegenwoordigheid van zijnen bisschop (de eerwaarde Levi S. Ives, Theol. Dr., een inboorling van een der vrije staten) twee leerredenen over de regten en pligten der slavenhouders. In dezen beproefde hij de slavernij, van blanken en zwarten beide, uit den Bijbel te regtvaardigen, en beweerde dat „zonder eene nieuwe openbaring uit den hemel, niemand bevoegd was om de slavernijONREGTte noemen.” De leerredenen werden in een vlugschrift gedrukt, voorafgegaan door een brief aan Mr. Freeman van den Bisschop van Noord-Carolina, waarin hij betuigde dat hij „met ongeveinsd en bijzonder genoegen” de leerredenen had aangehoord, en de openbaarmaking er van aanried, „als thans hoogst noodzakelijk.”„Het Protestantsche Episcopaalsche genootschap tot bevordering van het Christendom (!) in Zuid-Carolina” achtte een herdruk van Mr. Freeman’s vlugschrift nuttig, alseen godsdienstig tractaat!Toen naderhand de aanwinst van den nieuwen Staat van Texas de organisatie der Bisschoppelijke kerk aldaar noodzakelijk maakte, werd deze Mr. Freeman tot Bisschop van Texas benoemd.Nu zou de vraag kunnen ontstaan—en bij elken verstandigen denker onder het Christendom moet zij wel ontstaan:—kan het mogelijk zijn dat de slavernij in Amerika, zoo als zij door de wetten van dat land, en door de beslissingen zijnergeregtshoven omschreven, alle de vreeselijke misbruiken insluit die de wetten erkennen en bekrachtigen;—kan het mogelijk zijn, dat zij als eene regtmatige en gepaste instelling beschouwd wordt? Beschouwen deze Christenen alleenlijk de slavernij in het afgetrokkene, als eene instelling, die, onder eene gepaste wetgeving, goed zou kunnen worden, of verdedigen zij haar,zoo als zij thans in Amerika bestaat?Het is eene daadzaak, dat er in het Zuiden eene groote partij bestaat, die niet alleen de slavernij in het afgetrokkene verdedigt, maar ook de slavernij, zoo als zij in Amerika bestaat, in haar geheel en in hare deelen, de ergste misbruiken zelfs daarbij ingesloten.Uit het systeem kunnen vier gedeelten of gevolgen wettig worden afgeleid, die ten uiterste snood en afschuwelijk zijn.Het zijn deze:1.Het verbod van het getuigenis der kleurlingen in regtszaken.2.Het beletten der opvoeding.3.De binnenlandsche slavenhandel.4.De daaruit voortvloeijende scheiding der familiën.Wij zullen de bewijzen aanvoeren dat elk dezer punten, òf als grondstelling verdedigd, òf zonder afkeuring erkend is geworden, het zij door beslissingen van kerkelijke vergaderingen, het zij door schriften van invloedrijke geestelijken, zonder dat, door de ligchamen waartoe zij behooren, eenige afkeurende uitdrukking nopens hunne gevoelens is gebezigd geworden.In de eerste plaats, de uitsluiting van het getuigenis der kleurlingen in kerkelijke zaken. In 1810 werd door de Algemeene Conferentie van de Methodistische Episcopale kerk, het volgende besluit genomen:—”Dat het voor elken predikant onvoegzaam en onverdedigbaar is, aan kleurlingen het geven van getuigenis tegen blanken te vergunnen, in eenigen Staat waar hen dat voorregt door de wet ontzegd is.”Dit geschiedde alvorens de Methodistische kerk, zoo als zij later deed, zich ten gevolge der slavernij-kwestie, in Noordelijke en Zuidelijke Conferentiën gescheiden had. Zoowel Noordelijke als Zuidelijke leden stemden vóór het besluit.Nadat zulks was voorgevallen, ontwaakte het geweten van vele noordelijke predikanten, en verlangden zij eene nadere overweging. De zuidelijke leden daarentegen eischten op gebiedenden toon dat het besluit vast en onveranderd zou blijven.De geest der discussie moge uit het volgende uittreksel blijken.Mr. Peck, uit New-York, die de nadere overweging van het besluit had voorgesteld, drukte zich aldus uit:Dat besluit (zeide hij) was onder eigenaardige omstandigheden, in een tijdstip van opgewekte hartstogten, genomen, en hij had er vóór gestemdals een vrede-offer jegens het Zuiden, zonder de kracht der gebezigde bewoordingen naauwkeurig genoeg te overwegen; maar, na een weinig nadenkens was hij droevig geworden; en hij was maar eenmaal droevig geweest, en dat was den geheelen tijd; hij was overtuigd dat, zoo dat besluit in het register bleef,het voor de geheele noordelijke Kerk noodlottig zou worden.De Eerwaarde Dr. J. A. Few, van Georgia, de voorsteller van het oorspronkelijke besluit, stond nu op. Wat ik thans laat volgen, zijn uittreksels uit zijne rede. De onderhalingen zijn van mij.Ziet wat gij doet! Wat verklaart gij ons daar, zoo gij dezen weg op wilt! Wel, eenvoudig, zoo veel als: „wij kunnen u niet handhaven in den toestand dien gij niet vermijden kunt!” Wij kunnen u niet handhaven in denoodzakelijke voorwaardenvan het slavenbezit; één diernoodzakelijke voorwaardende verwerping van het getuigenis der kleurlingen zijnde! Zoo het niet zondig is slaven te houden, onder alle omstandigheden,dan is het ook niet zondig, ze onder de eenigste voorwaarde en onder de eenigste omstandigheden te houden, waaronder het mogelijk is ze te houden. De verwerping van het getuigenis der kleurlingen is een der noodzakelijke voorwaarden waaronder het slavenbezit bestaan kan; zoo als het dan ook, inderdaad, volstrekt onmogelijk is, dat het zonder dezelve besta; weshalve het niet zondig is, slaven te houdenonder de voorwaarden en omstandigheden waaronder zij in het Zuiden gehouden worden, in zooverre zij onder geene andere omstandigheden kunnen gehouden worden. *** Zoo gij gelooft dat het slavenbezit noodzakelijk zondig is, dan gelooft gij ook noodwendig dat wij zondaars zijn; en, is dit zoo, verklaar het dan rond enopenlijk,en laten wij van u scheiden. *** Wij behooren duidelijk, naauwkeurig en rondborstig de stelling te weten die gij nemen zult. Wij kunnen ons niet langer aan uwe bemoeizucht onderwerpen. Wij hebben er genoeg van gekregen. Uwe ziekelijkesympathieënvervelen ons. *** Zoo gij niet gekant zijt tegen de grondbeginselen die er in liggen opgesloten, vereenigt u dan met ons,als eerlijke lieden, en gaat huiswaarts, en ziet de gevolgen onbeschroomd onder de oogen. Wij zeggen het nogmaals, gij zijt voor dezen staat van zaken verantwoordelijk; want gij zijt het die ons tot het verontrustende punt gedreven hebt, waar wij ons bevinden. ***Gijhebt dat besluit volstrekt noodzakelijk gemaakt voor de rust van het Zuiden! Maarthansherroept gij dat besluit! En gij trekt den Rubicon over! Laat ik niet misverstaan worden. Ik zeg,gijtrekt den Rubicon over! Zoo gij herroept, dan herroept gij ook het grondbeginsel dat het besluit medebrengt, en gij stelt het geheele Zuiden tegen u in slagorde,en wij moeten scheiden! *** Zoo gij de beginselen toestemt, die het in zich sluit, en noodwendig in de zaak liggen opgesloten, houdt ze dan ook vast, „al zouden de hemelen vergaan!” Maar, zoo gij op herziening blijft aandringen, dan vraag ik, in welk een daglicht uwe handelwijze in het Zuiden zal beschouwd worden? Welk besluit zal men er ginds uit trekken? Wel, dat gij ons niet dulden kunt, zoo lang als wij slaven houden! Voor het aangezigt der zon zal het besluit verklaren: „wij kunnen u niet dulden, mijne heeren, dewijl gij uwe slaven behoudt!” Uw verzet tegen het besluit is gegrond op uw verzet tegen de slavernij; gij kunt, derhalve, uwe stelling niet bewaren, tenzij gij u onder de abolitionisten schaart, en ons eenmaal en voor altoos veroordeelt, of tenzij gij de herziening van het besluit weigert.Het besluit bleef derhalve in kracht, met een ander besluit als aanhangsel, hetwelkde onverminderde belangstelling der Algemeene Conferentie voor de bevolking der kleurlingenuitdrukte.Het is allerduidelijkst dat zijonverminderd was, om de beste der redenen. Dat de bevolking der kleurlingen juist niet zeer van dankbaarheid over deze inschikkelijkheid doordrongen was, blijkt uit de daadzaak dat „the official members of the Sharpstreetand Ashby Coloured Methodist Church in Baltimore,” tegen de motie protesteerden en petitioneerden. Het navolgende is een uittreksel uit hun adres:De aanneming van zulk een besluit door onze hoogste kerkelijke regtbank—eene regtbank, zamengesteld uit de wijste en ervarenste broederen in de kerk, de uitverkoren bloem van acht en twintig Conferentiën,—heeft, zoo wij vreezen, eene onherstelbare schade gedaan aan 80,000 zielen waarvoor Christus gestorven is;—zielen die, door deze daad uwer vergadering, van de waardigheid van Christenen beroofd, op den trap der menschheid vernederd, en als misdadigers behandeld zijn geworden, om geene andere reden dan de kleur hunner huid! Uw besluit heeft, naar ons nederig gevoelen,krachtigverklaard, dat eene bloot natuurkundige eigenaardigheid, het handenwerk van onzen alwijzen en weldadigen Schepper, op het eerste aanzien een blijk oplevert van onbekwaamheid om de waarheid te spreken, of een onfeilbaar teeken is van onwaardigheid om getuigenis tegen een medeschepsel te geven, welks huid wit genoemd wordt. ***Broeders, uit den overvloed van ons hart hebben wij gesproken.Onze kwelling is voor u!Zoo gij eenig belang stelt in de verlossing van de 80,000 onsterfelijke zielen, die aan uwe zorg zijn toevertrouwd; zoo gijvijf en twintig honderd zielen in deze stad, met den wil bezield om de Kerk die hen gekoesterd en opgevoed heeft, nooit te verlaten, niet buiten die Kerk wilt stooten; zoo gij ons als kinderen van éénen en denzelfden Vader beschouwt, en, na rijpe overweging, met ons als leden van het ligchaam van Christus sympathiseren kunt;—zoo gij de vreeselijke, de geduchte verantwoordelijkheid niet op u laden wilt van niet slechts één, maar vele duizenden dezer „kleinen” te ergeren,—zoo smeeken wij u om het hatelijke besluit dat ons volk verwoest, uit het register uwer handelingen weg te schrappen.„Een Baltimoorsch kleurling”, aan den uitgever van denWachter Sionsschrijvende, zegt:Dit adres werd aan een der secretarissen, een afgezondenevan de Baltimoorsche Conferentie, overhandigd, en gevolgelijk door hem aan de bisschoppen ter hand gesteld. Hoe velen der leden van de Conferentie het gezien hebben, weet ik niet. Eén ding is zeker:het werd niet aan de Conferentie voorgelezen.Met betrekking tot het tweede punt—de verdediging der wetten, die den slaaf verbieden lezen en schrijven te leeren—hebben wij het volgende voorbeeld:—In den jare 1835 rigtte de „Chillicothe Presbytery, Ohio,” een Christelijk vertoogschrift aan de Presbytery van Mississippi, waarin uitdrukkelijk de oogpunten vermeld worden, waaruit zij de slavernij als onchristelijk beschouwt. Het achtste dier punten luidde als volgt:Dat eenig lid onzer kerk, die ten voordeele zal spreken of pleiten van zoodanige reeds bestaande of nog in te voeren wetten, die ten doel hebben de slaven in onwetendheid te houden, en hen te beletten het woord Gods te leeren lezen, zich schuldig maakt aan eene zware zonde, en daarvoor, als voor andere schandelijke misdaden, behoort gestraft te worden.Dit vertoogschrift werd door den eerw. James Smylie, gevestigd geestelijke van de Mississippi Presbytery, en later van de Amity Presbytery van Louisiana, in een vlugschrift van zeven en tachtig bladzijden beantwoord, waarin hij de slavernij in het algemeen en in het bijzonder verdedigt, op dezelfde wijze waarop alle andere misbruiken altoos zijn verdedigd geworden—met het woord van God. De tiende afdeeling van dit vlugschrift is aan de verdediging dezer wet gewijd. Hij wijdt zeven klein gedrukte bladzijden aan dit onderwerp. Hij zegt (pag. 63):In de beide Staten, Mississippi en Louisiana, bestaan er wetten, met zware strafbedreigingen vergezeld, die verbieden de slaven te leeren lezen,en die de goedkeuring wegdragen van het Godsdienstige gedeelte der denkende ledematen.Iets verder voegt hij er bij:De wetten die den slaven verbieden te leeren lezen, zijn eene vruchtbare bron van veel onwetendheid en onzedelijkheid onder de slaven. Het drukken, uitgeven en verspreiden van abolitie- en emancipatie- ademende grondbeginselen in deze Staten, was de oorzaak van het doorgaan dier wetten.Nu gaat hij verder, en zegt dat de onwetendheid en zedeloosheid die het gevolg dier wetten zijn, eigenlijk niet ten laste komen van hen die de wetten gemaakt hebben, maar van hen wier leerstellingen van emancipatie ze noodzakelijk gemaakt hebben. Over deze gevolgen van onwetendheid en ondeugd sprekende, zegt hij:Op wien komen zij neder? Zoo gij mij vergunnen wilt deze vraag te beantwoorden, dan beantwoord ik haar aldus: Op zulke groote en goede mannen als John Wesley, Jonathan Edwards, Bisschop Porteus, Paley, Horsley, Scott, Clark, Wilberforce, Sharpe, Clarkson, Fox, Johnson, Burke, en andere groote en goede mannen, die, zonder het woord Gods te onderzoeken, besloten hebben dat het een ware grondregel is, dat de slavernij in zich-zelve zondig is.Voorts heldert hij de noodzakelijkheid dier wetten door de volgende vergelijking op. Hij veronderstelt dat de leer verkondigd was geworden, dat het ouderlijke gezag eene onregtvaardige inbreuk was, die de maatschappij in banden sloeg; dat er genootschappen gevormd waren ter emancipatie van kinderen uit het gezag hunner ouders; dat alle boeken van dat beginsel doordrongen waren; en dat onder al deze invloeden, de kinderen onrustig en wederspannig geworden waren. Hij veronderstelt dat, onder deze omstandigheden, de ouders de zaak voor de wetgevers bragten, en aan dezen ter beoordeeling lieten. En nu beschrijft hij aldus het dilemma van de wetgevers:Deze vatten de zaak aan, en nemen het onderwerp ernstig en plegtig in overweging. Aan de eene zijde begrijpen zij, dat, zoo hunne kinderen den toegang hadden tot dezeleerstellingen, zij voor altoos ongelukkig zouden zijn. Hun dien toegang te laten, was nogtans onvermijdelijk, zoo zij hen leerden lezen. Hun het leeren lezen te beletten, was wreed, en zou hun beletten die kennis der Goddelijke wetten te verkrijgen, waarin zij zich anders zouden mogen verblijden. Bij deze treurige keuze tusschen twee kwaden als wetgevers nederzittende, moesten zij van die twee kwaden het minste kiezen. Met gevoelens van verontwaardiging jegens dezen bezield, die, onder den invloed van „verleidende geesten,” „leeringen der duivelen” onder hen gezonden hadden, en nog zonden, maar met bloedende harten over hunne kinderen, besloten zij dat hunne kinderen geen onderwijs in het lezen zouden ontvangen, tot dat de storm zou zijn overgewaaid; hopende dat de satan slechts voor een korten tijd zou zijn losgelaten. En gedurende dien tijd zullen zij hen mondeling onderwijzen, en daardoor verhinderen dat zij met die booze leerstellingen besmet worden.Zoo veel wat die wet betreft.Gaan wij thans over tot den binnenlandschen slavenhandel. Deze handel bestaat in het koopen en verkoopen van menschelijke wezens,alleen met oogmerk om winst te doen.Een meester die slaven verkrijgt, of een meester die slaven koopt met oogmerk om ze op zijne plantaadje of in zijne familie te houden, kan verondersteld worden nog eenig ander doel te hebben danalleenlijk winst te doen. In zekere gevallen mag hij verondersteld worden eenig belang te stellen in het geluk of welzijn van den slaaf. De slavenhandelaar koopt en verkoopt slechtsmet het eenige doel om winst te bejagen.Met betrekking tot dit misbruik, heeft de Chillicothe Presbytery in het door ons aangehaalde document, het volgend besluit genomen:Is besloten, dat het koopen, verkoopen of houden van een slaaf,om winstbejag, eene afschuwelijke zonde en aanstoot is, waarvan de kerkelijke regtbanken behooren kennis te nemen.In het antwoord waaruit wij reeds eenige zinsneden aanhaalden, zegt de heer Smylie (pag. 13):Als het koopen, verkoopen of houden van een slaaf, om winstbejag, eene afschuwelijke zonde en aanstoot is, zoo als gij beweert, dan, inderdaad, zijn drie-vierden van alle Episcopalen, Methodisten, Baptisten en Presbyterianen in de elf Staten der Unie, uit den duivel.En verder:Te vragen of slavenhouders of slavenkoopers uit den duivel zijn, schijnt mij toe zoo veel te zijn als te vragen of God al dan niet een waarachtige getuige is; dat is, voor zoo veel het Gods getuigenis, en niet enkel het getuigenis van de Chillicothe Presbytery is, dat het koopen, verkoopen en houden van slaven „eene afschuwelijke zonde en aanstoot is.”En wederom (pag. 21):Als de taal slechts in staat is om duidelijke en bepaalde begrippen te geven, dan weet ik niet hoe zij duidelijker en ondubbelzinniger eenige gedachte of denkbeeld aan den geest zou kunnen voorstellen, dan het vijf en twintigste hoofdstuk van Leviticus duidelijk en ondubbelzinnig het feit daarstelt, dat de slavernij door God-zelven werd goedgekeurd, en dat het koopen, verkoopen, houden en schenken van slaven,als eigendom, handelingen zijn, door Hem-zelven geregeld.****Welke taal kan uitdrukkelijker aantoonen, niet dat God de slavernij slechts oogluikende toeliet, maar dat Hij, om het minste te zeggen, eengeschreven verlofaan de Hebreën, destijds het beste volk in de wereld, gaf, om tot voortdurende dienstbaarheid,mannen en vrouwen te koopen, te houden en te geven? Wat wordt er nu van de bewering der Chillicothe Presbytery? *** Is het wezenlijk een feit, dat God eenmaal eene geschrevene toelating aan zijn eigen dierbaar volk gaf („gij zult koopen”) om datgene te doen wat in zichzelve zondig is? Ja om datgene te doen wat de Chillicothe Presbytery zegt eene „afschuwelijke zonde en aanstoot” te zijn?God besluit dat zijne eigene kinderen mogen, of liever „zullen,” „koopen, bezitten en houden” slaven en slavinnen, in dienstbaarheid,voor altoos. Maar de Chillicothe Presbytery besluit dat „het koopen, verkoopen of houden van slaven, om winstbejag, eene afschuwelijke zonde en aanstoot is.”Het is onze meening niet, te zeggen dat Mr. Smylie, onder het schrijven van deze uitspraken, den binnenlandschen slavenhandel bepaaldelijk voor den geest had; maar wij zeggen dat geen slavenhandelaar eene duidelijker en meer regtstreeksche verdediging van zijnen handel zou kunnen verlangen, dan deze.Ten opzigte, eindelijk, van de ontbinding der huwelijksbetrekking, die het noodzakelijk gevolg is van dit soort van koophandel, zijn door regterlijke overheden van de kerk de volgende beslissingen genomen.In 1835 gaf de „Savannah River (Baptist) Association” op de vraag:Of, in een geval van onvrijwillige scheiding van zulk eenen aard dat alle vooruitzigt op hereeniging in het vervolg daardoor zou worden uitgesloten, aan de partijen kan vergund worden andermaal te huwen?het volgende antwoord:Dat zulk eene scheiding, tusschen personen in den toestand als waarin onze slaven verkeeren,burgerlijkeene scheiding doorden doodis, en zij gelooven dat zulks, in Gods oog, mede aldus zou beschouwd worden. Tweede huwelijken, in zoodanige gevallen, te verbieden, zou zijn de partijen niet slechts aan harderen dwang en sterkere verzoeking, maar ook aan dekerkelijke censuurbloot te stellen, wegens de daad van aan hunne meesters te hebben gehoorzaamd, wier toestemming niet te verwachten is in een maatregel, strijdig met de regtvaardigheid jegens de slaven, en met den geest van dat gebod, hetwelk het huwelijk onder de Christenen regelt.De slaven hebben geene vrijheid van daad, en eene ontbinding door den dood ligt niet meer ten eenemale buiten hunne toestemming en medewerking, dan eene ontbinding door zulk eene scheiding.Aan de „Shiloh Baptist Association,” die, eenige jaren geleden, te Gourdvine vergaderde, werd, volgens denReligious Herald, door „Hedman Church” de volgende vraag voorgesteld:Mag aan een’ dienstbare, wiens echtgenoot of vrouw door zijnen of haren meester verkocht is geworden, een tweede huwelijk vergund worden?Het vraagstuk werd aan eene commissie in handen gesteld, die het volgende antwoord gaf, dat, na beraadslaging, werd aangenomen:Dat, de omstandigheden in aanmerking genomen, waaronder in dit land de dienstbaren zich bevinden, de commissie eenstemmig van gevoelen is, dat het beter is, den dienstbaren onder zulke omstandigheden te vergunnen een anderen man of vrouw te nemen.De Eerwaarde Charles C. Jones, die ernstig en onvermoeid voor het welzijn der slaven arbeidde, iemand van wien het redelijkerwijze te vermoeden is, dat hij, zoo iemand, dit onderwerp zeer ter harte neemt, maakt, bij zijne schatting van den zedelijken toestand der negers, eenvoudig de opmerking, dat, nademaal echtgenoot en vrouw aan al de wisselvalligheden van het eigendomsregt onderworpen zijn, en door verdeeling van bezittingen, verrekening van schulden, en dergelijke, gescheiden kunnen worden, de huwelijksbetrekking natuurlijkerwijze veel van hare heiligheid verliest, en zegt wijders:Het is een contract van welvoegelijkheid, voordeel of genoegen, dat naar den wil van partijen kan aangegaan of ontbonden worden, en dat zonder afschuwelijke zonde, of benadeeling der eigendomsbelangen van iemand ter wereld.In deze uitspraak drukt hij, naar wij veronderstellen, hetalgemeenedenkbeeld van slaven en meesters over den aard dezer instelling uit, en niet zijn eigen. Wij leiden zulks af uit het feit dat hij, in zijnen catechismus, den slaaf de heiligheid en voortdurendheid der betrekking poogt in te prenten.Maar, wanneer de vroomste en godsvruchtigste mannen die het Zuiden bezit, en die hun leven wijden aan de bevordering van het welzijn der slaven, zoo kalm, en zonder eenige afkeuring, dezen staat van zaken beschouwen als een staat waarmede het Christendom hen de roeping niet oplegt zich te bemoeijen, wat is er dan van de wereld in het algemeen te verwachten?Ten aanzien der in het vlugschrift van Mr. Smylie uitgedrukte gevoelens, moet worden opgemerkt dat zij, in het aanhangsel, door een document in naam van twee Presbyteries ondersteund worden, welk document, hoewel het minder tot kleine bijzonderheden afdaalt, zich op hetzelfde grondgebied plaatst als Mr. Smylie. Deze Eerwaarde James Smylie was een dergenen, aan wien, in vereeniging met den Eerwaarden John L. Montgomery, door de synode van Mississippi, in 1839, de last werd opgedragen om een catechismus tot onderwijs der negers te schrijven of te compileren.Mr. Jones zegt, in zijne „Geschiedenis van het Godsdienstig Onderwijs der negers,” (pag. 83). „De Eerwaarde James Smylie en de Eerwaarde C. Blair houden zich met dit goede werk (het onderwijs der negers) systematisch en op den duur in Mississippi bezig.” De eerstgenoemde geestelijke wordt gekenschetst als een „bejaarden en onvermoeiden vader.” In het onderwijs der negers is hij uitnemend geslaagd. Een groot gedeelte der negers in zijne oude gemeente kan zoowel den catechismus van Williston als den Westminsterschen, zeer juist opzeggen.” Gaarne wenschte de Schrijfster, wijdloopige uittreksels van Mr. Smylie’s vlugschrift te kunnen mededeelen. Er zou veel uit te leeren zijn met betrekking tot de wijze waarop zulk een onderrigt op de rigting van geest, de hebbelijkheid van denken, en de beschouwingswijze van geestelijke zaken, werken moet. De man is ontwijfelbaar en hartelijk opregt in zijne gevoelens, en schijnt die met de overvloedigste en triomferendste blijdschap, als de allerlaatste verbetering der theologische wetenschap, te willen volhouden. Wij kunnen aan de verzoeking geen weêrstand bieden om een gedeelte zijnerInleidingaf te schrijven, al ware het enkel om het daardoor geworpene licht op de denkwijze, die aan onze Zuidwestelijke wateren wordt aangetroffen.Het volgende overzigt onder het oog des publieks brengende, arbeidde de schrijver niet geheel, of voor een goed gedeelte, onder den invloed eener hoop of begeerte om de inzigten der Chillicothe Presbytery te verbeteren. Hij hoopte met de uitgave eene wezenlijke dienst te bewijzen aan anderen, zoowel als aan de Presbytery.Door zijn verkeer met godsdienstige genootschappen van allerlei benamingen, was het hem duidelijk geworden dat het beginsel der abolitionisten, namelijk,dat de slavernij in zich zelve zondig is, veld had gewonnen, en zich met de godsdienstige en gewetensbezwaren van velen in de gemeente zoo zeer had ineen geweven, dat zij er zich niet slechts ongelukkig door gevoelden, maar dat zelfs hunne aandacht van de groote en gewigtige pligten eens huisvaders jegens zijn huisgezin werd afgetrokken. Het oog des geestes, op de slavernij zelve gevestigd als op eene verdorvene bron, waaruit, noodwendig, geene andere dan verdorvene wateren konden vloeijen, werd onophoudelijk ingespannen met het opzoeken van eenig plan, door hetwelk, in den een of anderen toekomstigen tijd, de bron ten eenemale kon worden opgedroogd; terwijl men nooit overwoog, of zelfs maar droomde, dat de slavernij, op zich zelve beschouwd, eene onschadelijke betrekking was, en dat de gansche dwaling berustte in het verzuim der pligten, welke die betrekking met zich brengt.Zoo er eene bewustheid van schuld op het gemoed blijft rusten, dan is het, wat de uitwerking betreft, volmaakt hetzelfde of het geweten al dan niet in dwaling verkeert. Al behoort Gods woord alléén de gids van het geweten te zijn, is zulks echter niet altoos het geval. Van daar, dat er somtijds gewetensbezwaren bestaan over het nalaten van datgene, wat door Gods woord veroordeeld wordt.De wilde van het eiland Borneo, die nalaat zijn vader te dooden, en hem met zijne dadels op te eten, wanneer hij oud geworden is, wordt jammerlijk door de wroegingen van een beschuldigend geweten gefolterd, wanneer zijne kinderlijke teederheid en medelijden het overwigt bekomen hebben op zijn gewaanden pligt van zijn vader te dooden. Op dezelfde wijze lijdt menig slavenhouder, wiens geweten niet door het woord van God, maar door de leeringenvan menschen geleid wordt, de geeselslagen van een schuldig geweten, zelfs wanneer hij, overeenkomstig de Schrift, met zijnen slaaf „regtvaardiglijk handelt,” eenvoudig omdat hij zijn slaaf niet emancipeert, zonder betrekking tot het goede of kwade dat zulk eene daad ten gevolge zou hebben.„Hoe liefelijk op de bergen” zouden—naar de schatting van den schrijver—„de voetstappen van hem zijn, die”—aan den wilde van Borneo—„de blijde boodschap verkondigde” dat zijn gedrag, in het sparen van het leven zijns teederen en geliefden vaders, geene zonde was! *** Even zoo liefelijk en behagelijk, vertrouwt de schrijver, zal het voor een eerlijken, schroomvalligen en naauwgezetten slavenhouder zijn, uit het woord van God de blijde boodschap te vernemen dat de slavernij zelve niet zondig is. Thans van eene nachtmerrie ontheven die zijne krachten tot volvoering van zijnen pligt jegens zijne slaven verlamde, gaat hij opgeruimd tot krachtige handeling over. Het is thans niet meer zoo als vroeger, toen hij de slavernij als zondig in haar zelve beschouwde. Thans kan hij, met de hoop van verhoord te worden, bidden dat God zijne pogingen zegene om zijne slaven op te kweeken in de tucht en in de vreeze des Heeren; terwijl hij voorheen werd terug gehouden door de bedenking—„zoo ik onregtvaardigheid in mijn harte overleg, de Heere zal mij niet hooren.” In plaats van, zoo als vroeger, druilende en mijmerende over zijnen toestand, het hoofd te laten hangen, heft hij thans het hoofd op, en volgt vrolijk het gebaande pad zijner pligten.Hij wordt niet meer in verzoeking gebragt om Gods woord van ter zijde in te zien, en te zeggen: „Hebt gij mij gevonden, o mijn vijand,” gekomen om mij mijne slaven te ontrooven, en mij arm te maken, zonder hen te verrijken? In plaats van, zoo als vroeger, het woord van God te beschouwen als met geesels en scorpioenen gewapend om hem in den hemel te zweepen, gevoelt hij dat „zijne wegen wegen van vrolijkheid, en zijne paden vrede zijn.” Thans onderscheidende tusschen het wezenlijke woord van God, en datgene wat blootelijk de leeringen en geboden van menschen zijn, is het raadsel opgelost dat voorheen onoplosbaar geschenenhad, namelijk: „De wet des Heeren is volmaakt, bekeerende de ziele.”1Zoo gij het ondernemen wildet zulk een man te beantwoorden door te zeggen dat zijn argument te veel bewijst; dat noch Christus, noch zijne Apostelen eenig uitdrukkelijk verbod hebben uitgesproken tegen de worstelingen der zwaardvechters, of de spelen in de renbanen, en het, derhalve, regtmatig zijn zou, ze in Amerika in te voeren;—het is zeer waarschijnlijk dat hij er van harte zijne toestemming aan geven zou, en van oordeel zijn dat het eene goede speculatie zou opleveren. Als een verder staaltje van de ongegeneerde opgeruimdheid die een hoofdtrek van dit voortbrengsel schijnt, zie men op pag. 58, waar het Latijnsche motto:Facilis descensus Averni, sed revocare, etc., de volgende zeer vrije en echt Westersche vertaling erlangt, die, zoo als hij goedhartig zegt, ten dienste dergenen gegeven wordt die geen Latijn verstaan:—„Het is gemakkelijk naar den duivel te gaan, maar het heeft van den duivel in om weêr terug te komen.”Sommige liefdelooze menschen zullen misschien hierop zeggen, dat de predikers van zulke leerstellingen al den schijn hebben van op dit punt eene op ondervinding gegronde kennis te bezitten. Het denkbeeld van dezen jovialen ouden vader, eene klasse van zwarte „Sams” en jonge „Topsys” in de geheimenissen van den Assembly’s Catechismus onderwijzende, is inderdaad schilderachtig!Dat Mr. Smylie’s gevoelens ten opzigte der slavernij, door voorname geestelijken van alle godsdienstige benamingen ruimschoots ondersteund en uitgebreid zijn geworden, zouden wij met boekdeelen vol aanhalingen kunnen bewijzen.Er blijft, echter, nog een tweede hoofdpunt, met betrekking tot den invloed der zuidelijke Kerk en geestelijkheid, ter beschouwing over.Het is welbekend, dat de zuidelijke staatkundige vereeniging op haar gekozen standpunt van de stelling uitgaat, dat de instelling der slavernij geen onderwerp van beraadslaging mag uitmaken. In de meeste der slaven-staten bestaan ergestrenge wetten, die aan een ieder die zich verstouten mogt iets over het onderwerp te spreken of te schrijven, tenzij in zijn voordeel, met boete, gevangenis, ja met den dood bedreigen. Dit heeft niet enkel jegens burgers van slaven-staten plaats gehad, maar men heeft de sterkste neiging aan den dag gelegd om met de burgers van vrije Staten eveneens te handelen; en waar deze discussiën niet door regelmatige wetten konden verhinderd worden, heeft men het bezigen van onwettige middelen aangemoedigd. In de uitgegevene brieven en redevoeringen van Horace Mann, worden er de volgende voorbeelden van aangetroffen (pag. 467). In 1831 loofde het Wetgevend Ligchaam van Georgië vijf duizend dollars uit aan een iegelijk, die zekeren burger van Massachusetts, met name William Lloyd Garrison, in Georgië gevangen nemen, en geregtelijk overtuigen zoude. Deze wet werd door den Gouverneur, W. Lumpkin, den 26stenDecember 1831, bekrachtigd. Bij eene „meeting” van slavenhouders te Sterling, in denzelfden Staat, den 4denSeptember 1835 gehouden, werd den Gouverneur vormelijk aanbevolen, om bij openbare aankondiging vijf duizend dollars belooning te bieden voor de gevangenneming van den een’ of anderen uit tien personen, alle, op één na, burgers van New-York en Massachusetts, wier namen werden opgegeven. Het dagbladMilledgeville Federal Unionvan den 1stenFebruarij 1836, behelsde eene uitloving van tien duizend dollars voor het vangen of rooven van den Eerwaarden A. A. Phelps, van New-York. Het Committé van Waakzaamheid der parochie vanEast-Felicianabood, in hetLouisville Journalvan den 15denOctober 1835, vijftig duizend dollars aan een ieder die Arthur Tappan, van New-York, in zijne handen zou leveren. Op eene openbare bijeenkomst, te Mount Meigs, in den Staat Alabama, den 13denAugustus 1836 onder voorzitting van Mr. Bedford Ginress gehouden, werd eene belooning van vijftig duizend dollars uitgeloofd voor de gevangenneming van denzelfden Arthur Tappan, of van Le Roy Sunderland, een Methodistisch geestelijke van New-York. Bijgevolg—dewijl niemand dier personen kon gegrepen worden dan met schending der wetten van den Staat welks burgers zij waren—was dit een openbaar aanbod van belooning voor een schelmstuk. In al de Zuidelijke Staten werden vereenigingen, onder dennaam van Committés van Waakzaamheid, gevormd, het nemen van maatregelen tot onderdrukking van abolitionistische gevoelens, en het doen straffen van verdachte personen door de Lynch-wet beoogende. Te Charleston, in Zuid-Carolina, drong een troep van deze lieden gewelddadig in het postkantoor, en hield, naar genoegen, eene algemeene inspectie der aanwezige brieven; en van alles wat door hen beschouwd werd als eene gevaarlijke en tegen de slavernij gekante strekking te hebben, werd een openlijk vreugdevuur op de straat gemaakt. Eenige dagen later werd eene groote openbare bijeenkomst gehouden, tot voltooijing der voorloopige maatregelen om de verspreiding van anti-slavernijgezinde grondbeginselen te beletten, en tot aanduiding van personen die men van abolitionismus verdacht hield, ten einde zij onder het bereik der Lynch-wet mogten geraken. Gelijksoortige volksbijeenkomsten werden in al de Zuidelijke en Westelijke Staten gehouden. Op een van deze, in 1835 te Clinton, Staat Mississippi, gehouden, werden de volgende besluiten genomen:Is besloten, dat, in het Zuiden en Westen, de slavernij niet als een zedelijk of staatkundig kwaad beschouwd, maar, in betrekking tot denwerkelijken, en niet dezen of genen Utopischen toestand der slaven, als een zegen, beide voor meester en slaaf, gehouden wordt.Is besloten, dat het ons bepaald gevoelen is, dat iedereen, die, met oogmerk om de bedoelingen der abolitionisten te verwezenlijken, zich verstouten durft om eenige der opruijende tractaten of nieuwspapieren te verspreiden, die men thans in dit land poogt in te voeren, in het oog van God en menschen de doodstraf regtvaardiglijk verdiend heeft; en dat wij niet twijfelen dat deze ook de straf zijn zoude van zulk een misdadiger, in welk gedeelte van den Staat Mississippi hij ook gevonden mogt worden.Is besloten, dat aan de geestelijkheid van den Staat Mississippi zal worden aanbevolen om zich ten aanzien van dit onderwerp openlijk te verklaren; en dat haar verder stilzwijgen met betrekking tot hetzelve, in dezen tijd van crisis, naar ons gevoelen, eene ernstige censuur waardig zijn zoude.De behandeling waaraan personen waren blootgesteld, die, als van anti-slavernijgezinde gevoelens verdacht, het ongeluk hadden van een dier Committés van Waakzaamheid in handen te vallen, kan uit het volgende verhaal worden opgemaakt. Schrijfster dezes kan er zich al de omstandigheden nog duidelijk van te binnen brengen, dewijl het slagtoffer dezer onregtvaardigheid een lid van het seminarium was, hetwelk destijds onder het opzigt van haren vader stond.Amos Dresser, thans zendeling in Jamaïca, was theologisch student aan het seminarium te Lane, nabij Cincinnati. In de vacantie (Augustus 1835) ondernam hij in den StaatTennesseebijbels te verkoopen, met oogmerk om middelen bijeen te brengen tot voortzetting zijner studiën. Zich aldaar bevindende, viel hij onder verdenking van een abolitionist te zijn; werd, onder het bijwonen eener godsdienstige zamenkomst in de nabuurschap van Nashville, de hoofdstad van den Staat, door het Committé van Waakzaamheid gearresteerd, en, na een inquisitoriaal onderzoek, dat een ganschen namiddag en avond duurde, veroordeeld om twintig zweepslagen op het naakte ligchaam te ontvangen, tusschen elf en twaalf uren op Zaturdag avond werd het vonnis, in tegenwoordigheid der meeste leden van het Committé, en van een woedend en vloekend gepeupel, aan hem voltrokken. Het Committé van Waakzaamheid (eene onwettige vereeniging) bestond uit zestig personen. Onder deze bevonden zich zeven-en-twintig kerkelijken; één hunner was een catechiseermeester; een ander, deouderling, die, slechts weinige dagen te voren, in de Presbyteriaansche kerk, aan Mr. Dresser het brood en den wijn van ’s Heeren Avondmaal had uitgereikt.Het valt spoedig in het oog dat het grondbeginsel, in behandelingen als deze opgesloten, meer omvat dan de slavernijkwestie. Het vraagstuk was inderdaad dit: of het van zoo veel belang is, Afrikaansche slaven te houden, dat het, ter handhaving daarvan, regtmatig zij, vrije Amerikanen van de vrijheid van geweten, de vrijheid van spreken, en de vrijheid der drukpers te berooven? Het is ligtelijk te ontwaren, dat de toelating van dit grondbeginsel zeer ernstige veranderingenin het bestuur van een land zou na zich slepen; omdat het zeer duidelijk is, dat, wanneer al deze beginselen van onze vrije regering voor de eene zaak mogen worden opgegeven, zij het ook voor de andere mogen worden; en dat dit noodwendig de strekking zou hebben tot vernietiging dier vrijheid van gevoelens en denkbeelden, die als het uitmuntendste der Amerikaansche instellingen beschouwd wordt.De vraag is thans deze: heeft de kerk zich met de wereld vereenigd in het gevoelen dat de instelling der slavernij zoo gewigtig en begeerlijk is, dat zulks eene goedkeurende beschouwing der Lynch-wet en de opoffering der regten van een vrij onderzoek zou kunnen wettigen? Wij antwoorden den lezer met de volgende daadzaken en aanhalingen:Bij gelegenheid der boven beschrevene groote bijeenkomst te Charleston in Zuid Carolina, berigt ons deCharleston Courier„dat de in één ligchaam vereenigde geestelijkheid van alle godsdienstige benamingen de handeling bijwoonde, er hare goedkeuring aan schonk, en door hare tegenwoordigheid het indrukwekkende van het tooneel aanmerkelijk verhoogde.” Er valt wel niet aan te twijfelen dat de tegenwoordigheid der in één ligchaam vereenigde geestelijkheid van alle godsdienstige benamingen, bij eene vergadering tot zulk een doel gehouden, waarlijk eenindrukwekkend tooneelwas!Op deze bijeenkomst werd besloten:Dat de vergadering haren dank verschuldigd is aan de eerwaarde heeren der geestelijkheid in deze stad, die zoo vaardig en doelmatig aan het algemeene gevoelen hebben beantwoord, door het sluiten hunner scholen, waarin debevolking der vrije kleurlingenonderwezen werd; en dat deze vergadering zulks beschouwt als eene vaderlandlievende daad, allen roem waardig, en wier navolging door andere onderwijzers van soortgelijke scholen in den Staat, wenschelijk ware.Hier doet zich de vraag op, of hun Heer, ten dage des oordeels, er zich op dezelfde wijze over uiten zal.De ongerustheid der slavenhouders in Virginië was niet gering; terwijl de geestelijkheid in de stad Richmond, de hoofdplaats, niet minder vaardig was dan die van Charlestonom „aan het algemeen gevoelen” te beantwoorden. Dienvolgens vergaderden hare leden den 29stenJulij, en besloten,eenstemmig:Dat wij de ongeroepene en hoogst ongepaste bemoeijing des volks van eenigen anderen Staat met de huiselijke betrekkingen tusschen meester en slaaf, ten ernstigste afkeuren.Dat het door onzen Heer Jezus Christus en zijne Apostelen gegeven voorbeeld, door zich in de slavernij-kwestie niet te mengen, maar eenparig de betrekkingen van meester en dienstknecht te erkennen, en aan beiden een volledig en liefderijk onderwijs te schenken, de navolging van alle dienaren des Evangelies waardig is.Dat wij geenerlei vlugschrift of nieuwspapier van abolitionistische genootschappen beschermen of ontvangen willen, en dat wij den omloop van alle zoodanige papieren onder de gemeente zullen tegengaan.De Eerwaarde J. C. Postell, een Methodistisch leeraar in Zuid-Carolina, besloot den volgenden zeer hevigen brief aan den uitgever vanZion’s Watchman, een te New-York uitgegeven Methodistisch anti-slavernij gezind nieuwsblad, op de navolgende wijze: (De lezer zal zien dat de daarin vervatte beschimping eene toespeling is op den prijs van vijftig duizend dollars, dien men in het Zuiden op zijn lijf gesteld had, zoo als wij straks verhaald hebben.)Maar, als gij verlangt de slaven op te voeden, dan zal ik u zeggen hoe gij het geld er voor krijgen kunt, zonderZion’s Watchmanuit te geven. Kom gij met den ouden Arthur Tappan dezen winter naar het Zuiden, en men zal er honderd-duizend dollars voor u ligten. New-Orleans zelve zal er voor verpand worden. Geene verdere kennis met u begeerende, en nooit verwachtende u in tijd of eeuwigheid meer dan eenmaal te zien, dat is ten dage des oordeels, onderschrijf ik mij, de vriend des Bijbels en de vijand der abolitionisten,J. C. Postell.Orangeburgh, 21 Julij 1836.De Eerwaarde Thomas S. Witherspoon, een lid der Presbyteriaansche kerk, zegt, aan den uitgever van denEmancipatorschrijvende:Ik bewijs mijne bevoegdheid om den slaaf in dienstbaarheid te houden, uit de Schriften des Ouden en Nieuwen Testaments. Het beginsel om den Heiden in dienstbaarheid te houden, is door God erkend. *** Als de trage voortgang der wetten te talmachtig is om onze grieven te herstellen, dan hebben wij hier in het Zuiden het onfeilbare middel van Regter Lynch aangenomen; en inderdaad, ik acht dit een der krachtigste en heilzaamste geneesmiddelen voor de ziekte van het noordelijk fanatismus, dat er kan bedacht worden, terwijl ik niet twijfel of mijn vriend de uitgever van denEmancipator and Human Rightszou er de uitwerking zeer goed van ondervinden, zoo het hem slechts door een zuidelijken doctor werd toegediend. In allezedelijkeaangelegenheden beroep ik mij op den Bijbel. *** Laten uwe zendelingen het eens durven wagen om Potomac te doorkruisen, en ik kan u niet beloven dat hun een beter lot zal te beurt vallen dan Haman. Wacht u derhalve wel van een gehoond doch grootmoedig volk tot daden van wanhoop te drijven!De Eerwaarde Robert N. Anderson, insgelijks een lid der Presbyteriaansche kerk, zegt, in een brief aan de zittingen der Presbyteriaansche vereenigingen binnen de grenzen van de „West-Hanover Presbytery.”Bij de naderende vastgestelde bijeenkomst, ben ik voornemens eene voorafspraak en reeks van besluiten betreffende het onderwerp van het gebruik van wijn bij ’s Heeren Avondmaal aan te bieden; als ook eene voorafspraak en reeks van besluiten betreffende het onderwerp der verraderlijke en afschuwelijk slechte bemoeijenis der noordelijke en oostelijke geestdrijvers met onze staatkundige en burgerlijke regten, ons eigendom en onze huiselijke zaken. Het is u bekend dat onze geestelijkheid, te regt of ten onregte, meer dan de geestelijkheid van andere benamingen door het publiek wordt verdacht gehouden. Nu,waarde Christen broeders,druk ik nederig mijn ernstigen wensch uit, dat gij ukwijten moogt als mannen. Zoo er het een of ander afgedwaald schaap van een leeraar onder u wezen mogt, besmet met de bloedhonds-beginselen van het abolitionisme, laat hij uitgedreven, den mond gestopt, geëxcommuniceerd, en aan hetpubliekovergeleverd worden,om op andere wijze met hem te werk te gaan.Uw toegenegene broeder in den Heere,Robert N. Anderson.De eerwaarde William S. Plummer, Theol. Dr. van Richmond, een lid van de „Old School” der Presbyteriaansche kerk, levert een ander voorbeeld van dezelfde soort op. Hij was van Richmond afwezig, toen de geestelijkheid dier stad zich gemeenschappelijk zuiverde van de beschuldiging dat zij jegens de abolitie gunstig gezind was. Bij zijne terugkomst liet hij geen tijd verloren gaan om aan den voorzitter van het committé van briefwisseling zijne overeenkomst van gevoelens met zijne ambtsbroeders kenbaar te maken. De aangehaalde zinsneden zijn uit zijnen brief aan den Voorzitter getrokken.Ik heb deze aangelegenheid, van haren eersten aanvang af, zorgvuldig gadegeslagen, en alles wat ik, zoowel van hare voorstanders als van hare vijanden, nopens haren aard gezien of gehoord heb, heeft mij onberouwelijk in de overtuiging bevestigd, dat, laat het karakter der abolitionisten in het oog van den Regter der gansche aarde wezen wat het wille, dit de bemoeiziekste, onbeschaamdste, roekeloosste, wreedste en slechtste opruijing is, die ik immer gezien heb.Als de abolitionisten het gansche land in gloed willen zetten, dan is niets billijker dan dat zij de eerste warmte van het vuur krijgen.Ten slotte. De abolitionisten zijn, even als de ongeloovigen, ten eenemale onbekwaam tot het martelaarschap om hunne gevoelens. Laten zij slechts weten datzij gegrepen(lynched)zullen worden, zoo zij zich onder ons begeven, en zij zullen wel zorg dragen om ons uit den weg te blijven. Er is geen enkele onder hen, die meer voornemensis om voor deze zaak zijn bloed te storten, dan om oorlog met den grooten Turk te beginnen.In de vergadering der gemeente van de „New School” zeide de Eerwaarde Dr. Hill, uit Virginië:De abolitionisten hebben de dienstbaarheid van den slaaf harder gemaakt. Zoo ik u eenige der vuile streken, door deze abolitionisten bedreven, verhalen konde, zoudt gij u niet verwonderen. Eenigen hunner zijn gegrepen (lynched) geworden, en het was goed aan hen besteed.Dit alles toont genoegzaam hoe de betrekkelijke waarde van slavernij en van het regt van vrije nasporing, door de zuidelijke kerk en geestelijkheid opgevat en uitgedrukt wordt. Het toont insgelijks, dat zij de slavernij als zoo gewigtig beschouwen, dat zij daden van onwettig geweld kunnen toelaten en aanmoedigen, en zich om harentwille aan al de gevaren van het aanmoedigen eener janhagel regering blootstellen. Deze aanhalingen en beschouwingen toonen op voldoende wijze het standpunt, waarop de zuidelijke kerk, met betrekking tot het behandelde onderwerp, zich geplaatst heeft.Voor velen dezer gevoelens, hoe stuitend zij ook mogen voorkomen, zou eenige verdediging kunnen gevonden worden in die verblindende kracht der gewoonte, en in alle die met de opvoeding ingezogene, onderdrukkend werkende invloeden, die altoos het gevolg zijn van het slavernijstelsel, en die noodwendig eene zekere verstomping van het zedelijk gevoel in de ziel van zulk eenen moet te weeg brengen, die van de kindschheid af aan onder die invloeden werd opgekweekt.Er ligt dan ook in de hebbelijkheden van den geest, onder een stelsel gevormd hetwelk door eene aanhoudende toevlugtneming tot kracht en geweld ondersteund wordt, eene noodzakelijke neiging tot dooding des gevoels, met opzigt tot het misdadige van kracht en geweld, op den medemensch toegepast. De geheele manier van beschaving, onder zulk eene instelling gevormd, is door een populairen schrijver, niet onaardig, „de dolkmes-manier” genoemd geworden; en het behoeft ons niet te verwonderen dat godsdienstig karakter en denkbeelden er een eigenaardigen, strijdzuchtigen tint door aannemen, zeer vervan den geest des Evangelies. Een godsdienstig man, in het Zuiden geboren en opgevoed, heeft met al deze moeijelijkheden te kampen, wanneer hij zich tot den waren geest des Evangelies zoekt te verheffen.Zeker schrijver heeft gezegd, dat, na de Hervorming, de beste mannen, als opgevoed onder een stelsel van magt en despotismus, en van kindsbeen af gewoon geraakt om door kracht, en niet door rede, te zien bewijzen, al ligtelijk de vraag: of men ketters verbranden moest, deden overgaan in de vraag: wie van hunne tegenstanders er verbrand moesten worden.Het slavernij-systeem is een eenvoudige teruggang der maatschappij tot de ergste misbruiken der middeleeuwen. Wij moeten er ons, derhalve, niet over verwonderen, de gevoelens en daden der middeleeuwen nopens burgerlijke en godsdienstige verdraagzaamheid te zien heerschen.Hoe sterk wij de hier aangevoerde onwaardige beschouwingen van God en godsdienst, in zulke verklaringen als wij hebben aangehaald, ook verfoeijen en betreuren mogen; hoe godslasterlijk en ongerijmd zij ons ook mogen toeschijnen; toch is het blijkbaar dat zij door hare auteuren met opregtheid geuit werden; en ziedaar juist het treurigste van de zaak. Zij zijn even zoo opregt als Paulus toen hij dreiging en moord blies, en bij zichzelven overtuigd was dat hij tegen den naam van Jezus vele wederpartijdige dingen doenmoest. Zij zijn even zoo opregt als de Bramin en Hindoe, die gewetenshalve een bloed- en wreedheidademende godsdienst ondersteunt. Zij zijn evenzoo opregt als vele verlichte, geleerde en Christelijke mannen in Europa, die, onder stelsels van burgerlijk en godsdienstig despotismus geboren en opgevoed, waarmede al hunne dierbaarste huiselijke en burgerlijke verbindtenissen ten naauwste verknocht zijn, en wier invloed al hunne gewoonten en denkbeelden beheerscht, die stelsels, uit opregte gemoedelijkheid, ten sterkste verdedigen.In de gemoedelijke overtuiging, zelfs wanneer zij de ergste soort van gevoelens betreft, ligt iets waaraan men eene zekere mate van eerbied niet weigeren kan. Dat de godsdienst, in de door ons aangehaalde verklaringen uitgedrukt, zoo echt Antichristisch is als de godsdienst der Roomsche kerk, zal wel door geen enkel gevoelig mensch die zich buiten het bereik van Amerikaanschen invloed bevindt, ontkend worden.Dat er onder dit godsdienststelsel, met al zijne valsche grondbeginselen en schadelijke invloeden, zeer opregte Christenen zijn kunnen, zal een onbevangen oordeel moeten toestemmen. De kerk van Rome heeft haren Fénélon, haren Thomas à Kempis gehad; en de zuidelijke kerk, die deze grondbeginselen heeft aangenomen, heeft ook mannen opgeleverd die zich boven het peil van hun systema hebben weten te verheffen. Ten tijde der hervorming, zoowel als thans, telde de Roomsche kerk duizenden van biddende, godvruchtige, nederige Christenen in haren schoot, die, gelijk bloemen in de rotskloven, alleen door Gods oog geteld konden worden. En zoo hopen wij dat te midden der rotsen en ijsbergen van deze afschuwelijke geestelijke en tijdelijke dwingelandij, ook paradijsbloemen van geduldige, biddende en zelfverloochenende Christenen bloeijen; terwijl het, onder eenen aanval op het verschrikkelijke systeem waaronder zij zijn geboren en opgevoed, de diepste smart veroorzaakt, dat daarbij ook hunne geliefkoosde gevoelens en verbindtenissen geweld moet worden aangedaan. In eene andere en betere wereld zullen zij misschien de beweegredenen van hen die zulks deden, weten te schatten.Doch nu doet zich eene andere beschouwing aan den geest voor. Deze zuidelijke Christenen zijn in kerkelijke betrekkingen met Christenen uit de noordelijke en vrije Staten verbonden geweest, waarmede zij, door hunne afgevaardigden, in hunne verschillende kerkelijke vergaderingen, jaarlijksche bijeenkomsten hielden. Ingeval van zulk eene vereeniging, mogt men hopen dat die verlagende beschouwingen van het Christendom, en die levenloosheid van het openbare gevoelen, die de onvermijdelijke gevolgen eener opvoeding onder het slavenstelsel zijn, door aanraking met Christenen in de vrije Staten gewijzigd zouden worden, van welken het toch, als onder vrije instellingen opgevoed, natuurlijkerwijze te veronderstellen was dat zij met den sterksten afschuw van zulke gevoelens vervuld zouden zijn. Men zou gemeend hebben dat de kerk en de geestelijkheid der vrije Staten natuurlijk de krachtigste pogingen zouden hebben aangewend, om, door alle middelen die onder hun bereik waren, hunne broeders van dwalingen te overtuigen, zoo onteerende voor het Christendom, en tot zulke vreeselijke practische gevolgen leidende. Men zou ook gedacht hebben dat, zoo zij er al niet in slagen mogten hunnebroederen te overtuigen, zij het als pligt jegens het Christendom beschouwd zouden hebben, zich-zelven, door de ernstigste, plegtigste, en onophoudelijkste protesten, van alle medepligtigheid met deze gevoelens te zuiveren.Laat ons thans onderzoeken wat, in wezenlijkheid, door de noordelijke kerk te dezen aanzien verrigt is.Alvorens tot dat onderzoek over te gaan, zullen wij de door de zuidelijke kerk gedane verklaringen overzien, en beschouwen welke beginselen door haar zijn gehuldigd. Het zijn, namelijk, deze:1. Dat de slavernij eene onschuldige en wettige betrekking is, evenzeer als die van ouder en kind, echtgenoot en vrouw, of eenige andere wettige maatschappelijke betrekking. („Harmony Presbytery” van Zuid-Carolina).2. Dat zij bestaanbaar is met de broederlijkste beschouwing van het welzijn der slaven. („Charleston Union Presbytery.”)3. Dat meesters niet gecensureerd behooren te worden voor het verkoopen van slaven zonder hunne toestemming. (New School, Presbyteriaansche kerk in Petersburg).4. Dat het regt om, uit winstbejag, menschen te koopen, te verkoopen, en in slavernij te houden, door Gods uitdrukkelijke toelating gegeven is. (James Smylie en zijne „Presbyteries.”)5. Dat de wetten, die de opvoeding van den slaaf verbieden, regtmatig zijn, en door het denkende gedeelte der Christelijke gemeenschap worden goedgekeurd. (Dezelfden).6. Dat de zaak der slavernij in het geheel geen zedelijk, maar slechts een zuiver staathuishoudkundig vraagstuk is. (Baptisten-Vereeniging te Charleston).7. Dat het regt der meesters om over den tijd hunner slaven te beschikken, door den Schepper aller dingen uitdrukkelijk erkend is. (Dezelfde).8. Dat de slavernij, zoo als zij in de Vereenigde Staten aanwezig is, geen zedelijk kwaad is. (Conferentie van Georgië, Methodisten).9. Dat, zonder eene nieuwe openbaring uit den hemel, niemand bevoegd is de slavernij onregt te noemen.10. Dat de scheiding der slaven door verkoop, moet beschouwd worden als eene scheiding door den dood, en hetaan de partijen vergund mag worden te hertrouwen. („Shiloh Baptist Association” en „Savannah River Association.”)11. Dat het getuigenis van kleurlingen onder de gemeenteleden tegen eenen blanke, niet zal worden aangenomen. (Kerk der Methodisten).Ten slotte is het, door de uitgedrukte grondbeginselen en handelingen van Christenen uit verschillende benamingen, duidelijk erkend, dat zij het als regtmatig en billijk beschouwen, alle onderzoek nopens dit onderwerp door de Lynch-wet te smoren.Men zou gemeend hebben dat deze beginselen, als van belijders des Christendoms afkomstig, vreemd genoeg waren om bij hunne noordelijke broeders zeer veel aandacht te wekken. Ook valt het in het oog dat zij, als beginselen, beginselen zijn van eene zeer uitgebreide toepassing, die op de ondermijning van alle godsdienstige en zedelijke grondslagen uitloopt. Behelzen zij geene waarheid, dan zijn zij voorzeker ketterijen die een gewonen maatstaf verre te buiten gaan, en gevolgen insluiten die niet minder buitengewoon zijn. Keeren wij thans tot ons onderzoek, naar de handelwijze der noordelijke kerk met betrekking tot die beginselen terug.
Er is geen land in de wereld, waar de godsdienstige invloed een grooter gezag uitoefent, dan in Amerika. Er is geen land, waar de geestelijkheid eene grootere magt bezit. Dit is te opmerkelijker, omdat in Amerika de godsdienst geheel van den Staat is afgescheiden, en de geestelijken geen dier kunstmatige middelen bezitten, om eenen invloed, die uit rang en rijkdom ontstaat, te doen gelden. Als eene klasse van menschen beschouwd, is de Amerikaansche geestelijkheid, over het algemeen, arm. De aan hare leden toegelegde bezoldigingen leveren niets meer dan het gewone levens-onderhoud op, en verschaffen hen geene middelen tot verkrijging van eigendom. Hunne levenswijze kan welvoegelijk en fatsoenlijk, doch ook niet meer zijn. De daadzaak dat, onder deze omstandigheden, de Amerikaansche geestelijkheid waarschijnlijk de vermogendste klasse van menschen in het land is, doet van zelve reeds een zeer gunstig vermoeden van haar opvatten. Als klasse beschouwd, mag men haar dan ook een zoowel verstandelijk als zedelijk overwigt toekennen.
Het is eene welbekende daadzaak, dat de invloed der geestelijkheid, door onze staatsmannen als een zeer gewigtig bestanddeel bij de vorming hunner staatkundige berekeningen beschouwd wordt; en die invloed is zoo groot, dat geen staatsman het ooit wagen zoude, een maatregel door te drijven, waartegen de geheele geestelijkheid des lands zich aankantte. Zulk een graad van magt, al is zij ook enkel eene magt van opinie, redenering en voorbeeld, is niet zonder gevaar voor de reinheid van eenige klassen van menschen. Door staatkundige hoofden gevleid te worden, is altoos iets gevaarlijks voor de regtschapenheid en geestelijke gezindheid van menschen, die betuigen door grondbeginselen bestuurd te worden,welke niet van deze wereld zijn. Ook sluit het bezit eener zoo aanzienlijke magt, als wij beschreven hebben, eene zeer gewigtige verantwoordelijkheid in; dewijl, wanneer de geestelijkheid het vermogen bezit, om de eene of andere groote nationale onzedelijkheid te doen ophouden, de daadzaak, dat zij zulks niet doet, de zonde der nalatigheid in zeker opzigt op haar schijnt te doen nederkomen.
Wij hebben, tot dusverre, van de geestelijkheid alleen gesproken; doch in Amerika, waar de geestelijke, in de meeste gevallen, door de Kerk verkozen, en door hare vrijwillige bijdragen onderhouden wordt, is de invloed van de Kerk, en die van de geestelijkheid, voor een zeer groot gedeelte, ééne en dezelfde. De geestelijkheid is het wezenlijk ideaal en de uitdrukking van de Kerk. Zij kiest en behoudt hem, omdat hij volkomener dan eenig ander, dien zij zou kunnen bekomen, hare denkbeelden van regt en waarheid uitdrukt. In allen gevalle moet de geestelijke door zijne Kerk onderhouden worden, zal hij zijne stelling in haar kunnen bewaren. De daadzaak, dat hij die bewaart, is over het algemeen een bewijs van beider eenheid van gevoelens, dewijl zij, zoo hij tot op eene aanmerkelijke hoogte van haar verschillen mogt, de magt heeft om hem te ontslaan, en een’ anderen te verkiezen.
De invloed van een geestelijke, die op deze wijze door de vrije bewilliging van het verstand en hart zijner Kerk behouden wordt, is in sommige opzigten grooter, dan zelfs die van een Roomschen priester. De priester kan slechts door eene blinde geestelijke oppermagt heerschen, waartegen, zeer dikwijls, de rede haren twijfel inbrengt, terwijl zij eene uitwendige toestemming geeft; doch de gelukkige vrije leeraar maakt zich van de neigingen des harten door zijne eigene neigingen meester; overreedt het verstand door sterkere redeneerkracht; en terwijl hij aldus neiging, rede, geweten, en den geheelen mensch te baat neemt, ontleent hij uit de vrijheid der organisatie zelve, het bezit eener magt, grooter dan ooit uit een blind geestelijk despotismus kan voortvloeijen. Als een predikant hierin niet eenigermate in zijne gemeente slagen kan, noemt men hem onvoorspoedig; en hij die aan de verwezenlijking dezer beschrijving het meest nabij komt, bezit de hoogste en volkomenste soort van magt, en drukt het denkbeeld van een voorspoedig’ Amerikaansch’ predikant uit.
Over dit onderwerp sprekende, zullen wij derhalve de Kerk en de geestelijkheid als vereenzelvigd beschouwen; het woord „Kerk,” in den Amerikaanschen zin van dat woord, bezigende voor die klasse van menschen, van alle benamingen, die, van naam-christenen onderscheiden, als betuigende werkelijk door de voorschriften van Christus geregeerd te worden, in ligchamengeorganiseerdzijn.
Welke is dan de invloed van de Kerk op deze groote slavernij-kwestie?
Zekere dingen laten zich reeds op de oppervlakte der zaak bespeuren. Die invloed namelijk heeft:
Ten opzigte van deze stellingen zal er wel geen verschil van gevoelen kunnen bestaan.
Wat is er dan gedaan?
In antwoord hierop kan worden bevestigd:
Thans zal het niet ongepast zijn, de door sommige der voornaamste kerkelijke ligchamen, nopens dit onderwerp uitgedrukte gevoelens meer bepaaldelijk en in de bijzonderheden te beschouwen.
Het is regtmatig, dat door de schrijfster de bronnen worden aangewezen, waaruit de aanhalingen geput zijn. Dezulke, die betrekking hebben tot de handelingen van kerkelijke ligchamen in de Zuidelijke Staten, zijn voornamelijk getrokken uit een vlugschrift van den heer James G. Birney, getiteld: „De Kerk, het bolwerk der slavernij.” De schrijfster vervoegde zich bij een brief aan den heer Birney, waarin zij opgaven der door hem gebezigde bronnen verzocht. Zijn antwoord was, hoofdzakelijk, als volgt: dat het vlugschrift zoowel uit oorspronkelijke documenten was zaâmgesteld, als uit de kolommen der nieuwspapieren, die de gebeurtenissen vermeld hadden, tijdens zij waren voorgevallen. Het werd, in 1842, in Engeland vervaardigd en uitgegeven, met het doel, om het publiek aldaar een juist begrip te doen opvatten van den toestand der Amerikaansche Kerk en geestelijkheid. Mr. Birney zegt, dat het hem niet bewust is, dat ééne enkele der aangevoerde stellingen, hoezeer ook al zulk een geruimen tijd voor het oog der wereld geweest, ooit betwist is geworden; en dat hij, bewust van haren buitengewonen aard, zich de uiterste moeite getroost heeft, om er de authenticiteit van buiten twijfel te stellen.
Wij beginnen met die der Zuidelijke Staten.
1. De Presbyteriaansche Kerk.„Harmony Presbytery” van Zuid-Carolina.Nademaal vele personen in Schotland en Engeland, en andere in het noorden, oosten en westen onzes lands, de slavernij hebben aangeklaagd, als strijdig met Gods wetten, en sommigen hunner aan de Algemeene Vergadering onzer Kerk, en aan het Congres van de natie, memoriën en verzoekschriften hebben ingediend, met het erkende doel, om de slavenhouders in ongunst te brengen, en de betrekking tusschen meester en slaaf te vernietigen; en dewijl het uit de voormelde handelingen, zoowel als uit de daartoe betrekkelijke grondstellingen, redeneringen en omstandigheden, tenduidelijkste blijkt, dat deze personen „niet weten wat zij zeggen, noch waarvan zij getuigen;” en benevens die onwetendheid een geest van eigengeregtigheid en uitsluitende heiligheid openbaren, enz.1.Is besloten, dat, dewijl het koningrijk onzes Heeren niet van deze wereld is, Zijne kerk, als zoodanig, geen regt heeft, om eenige staatkundige of burgerlijke wet of instelling van menschen te vernietigen, te veranderen of te wijzigen, enz.2.Is besloten, dat de slavernij bestaan heeft van de dagen dier goede oude slavenhouders en aartsvaders, Abraham, Isaäc en Jacob (die nu in het koningrijk der hemelen zijn) af aan, tot op den tijd, wanneer de apostel Paulus een weggeloopen slaaf tot zijnen meester Philemon terug zond, en een Christelijken en broederlijken brief, die in den canon der Schriften vervat is, aan dien slavenhouder schreef; en dat de slavernij ook na de dagen des apostels bestaan heeft, en nog bestaat.3.Is besloten, dat aangezien de wederzijdsche pligten van meester en slaaf in de Schriften geleerd worden, op dezelfde wijze, als die van ouder en kind, en van echtgenoot en vrouw, het bestaan der slavernij zelve niet tegen den wil van God gekant is; en dat hij die een te teeder geweten bezit, om deze betrekking als wettig te erkennen, „al te regtvaardig” en „wijs is boven hetgeen geschreven staat;” en dat hij den hals onder het juk van menschen gebogen, zijne christelijke vrijheid des gewetens opgeofferd, en Gods onfeilbaar Woord voor de meeningen en gevoelens der menschen verlaten heeft.
1. De Presbyteriaansche Kerk.„Harmony Presbytery” van Zuid-Carolina.
Nademaal vele personen in Schotland en Engeland, en andere in het noorden, oosten en westen onzes lands, de slavernij hebben aangeklaagd, als strijdig met Gods wetten, en sommigen hunner aan de Algemeene Vergadering onzer Kerk, en aan het Congres van de natie, memoriën en verzoekschriften hebben ingediend, met het erkende doel, om de slavenhouders in ongunst te brengen, en de betrekking tusschen meester en slaaf te vernietigen; en dewijl het uit de voormelde handelingen, zoowel als uit de daartoe betrekkelijke grondstellingen, redeneringen en omstandigheden, tenduidelijkste blijkt, dat deze personen „niet weten wat zij zeggen, noch waarvan zij getuigen;” en benevens die onwetendheid een geest van eigengeregtigheid en uitsluitende heiligheid openbaren, enz.
1.Is besloten, dat, dewijl het koningrijk onzes Heeren niet van deze wereld is, Zijne kerk, als zoodanig, geen regt heeft, om eenige staatkundige of burgerlijke wet of instelling van menschen te vernietigen, te veranderen of te wijzigen, enz.
2.Is besloten, dat de slavernij bestaan heeft van de dagen dier goede oude slavenhouders en aartsvaders, Abraham, Isaäc en Jacob (die nu in het koningrijk der hemelen zijn) af aan, tot op den tijd, wanneer de apostel Paulus een weggeloopen slaaf tot zijnen meester Philemon terug zond, en een Christelijken en broederlijken brief, die in den canon der Schriften vervat is, aan dien slavenhouder schreef; en dat de slavernij ook na de dagen des apostels bestaan heeft, en nog bestaat.
3.Is besloten, dat aangezien de wederzijdsche pligten van meester en slaaf in de Schriften geleerd worden, op dezelfde wijze, als die van ouder en kind, en van echtgenoot en vrouw, het bestaan der slavernij zelve niet tegen den wil van God gekant is; en dat hij die een te teeder geweten bezit, om deze betrekking als wettig te erkennen, „al te regtvaardig” en „wijs is boven hetgeen geschreven staat;” en dat hij den hals onder het juk van menschen gebogen, zijne christelijke vrijheid des gewetens opgeofferd, en Gods onfeilbaar Woord voor de meeningen en gevoelens der menschen verlaten heeft.
„The Charleston Union Presbytery.”Het is in het oog dezer vereeniging een uitgemaakt beginsel, dat de slavernij, zoo als zij bij ons bestaat, eene staatkundige instelling is, waarmede aan kerkelijke overheden geen het minste regt van bemoeijenis toekomt; en dat in betrekking tot dezen, elke zoodanige bemoeijenis, voornamelijk onder de thans aanwezige crisis, eenzedelijk kwaadzijn zoude, met de gevaarlijkste en noodlottigste gevolgen bezwaard.De dooronsgehandhaafde gevoelens,in gemeenschap met christenen van alle benamingen in de Zuidelijke Staten, zijn gevoelens, die door ons geweten zoo volmaakt worden goedgekeurd, en zoo vereenzelvigd zijn met onze heiligste gevoelens van pligt, dat wij die onder alle omstandigheden zouden volhouden.Is besloten, dat naar het gevoelen van deze „Presbyters”, het houden van slaven, wel verre van eeneZONDEin Gods oog te zijn, nergens in Zijn heilig woord veroordeeld wordt; dat het in overeenstemming is met het voorbeeld, of bestaanbaar met de voorschriften van aartsvaders, apostelen en profeten; en dat het even zoo min in strijd is met de broederlijkste beschouwing van het welzijn dier dienstknechten, welke God aan onze zorgen heeft aanbevolen.
„The Charleston Union Presbytery.”
Het is in het oog dezer vereeniging een uitgemaakt beginsel, dat de slavernij, zoo als zij bij ons bestaat, eene staatkundige instelling is, waarmede aan kerkelijke overheden geen het minste regt van bemoeijenis toekomt; en dat in betrekking tot dezen, elke zoodanige bemoeijenis, voornamelijk onder de thans aanwezige crisis, eenzedelijk kwaadzijn zoude, met de gevaarlijkste en noodlottigste gevolgen bezwaard.De dooronsgehandhaafde gevoelens,in gemeenschap met christenen van alle benamingen in de Zuidelijke Staten, zijn gevoelens, die door ons geweten zoo volmaakt worden goedgekeurd, en zoo vereenzelvigd zijn met onze heiligste gevoelens van pligt, dat wij die onder alle omstandigheden zouden volhouden.
Is besloten, dat naar het gevoelen van deze „Presbyters”, het houden van slaven, wel verre van eeneZONDEin Gods oog te zijn, nergens in Zijn heilig woord veroordeeld wordt; dat het in overeenstemming is met het voorbeeld, of bestaanbaar met de voorschriften van aartsvaders, apostelen en profeten; en dat het even zoo min in strijd is met de broederlijkste beschouwing van het welzijn dier dienstknechten, welke God aan onze zorgen heeft aanbevolen.
DeNew SchoolPresbyteriaansche kerk in Petersburg (in den staat van Virginië) nam, den 16 November 1838, het volgende besluit:
Nademaal de Algemeene Vergadering, in den jare 1818, eene wet heeft doen doorgaan, bepalingen opzigtelijk de slaven behelzende welke onbestaanbaar zijn met onze burgerlijke instellingen, en daarbij plegtig verklaard wordt dat de slavernij eene zonde jegens God is; eene wet, evenzeer honende als beleedigende voor de geheele zuidelijke gemeente:1.Is besloten, dat wij, als slavenhouders, niet langer in betrekking kunnen blijven met eenige kerk, waar eene wet bestaat die aan slaven het regt toekent om hunne meesters voor het kerkelijk regtsgebied te betrekken,al ware het ook voor de handeling van hen, zonder hunne vooraf gevraagde en verkregene toestemming, te verkoopen.2.Is besloten, dat, aangezien het Groote Opperhoofd der Kerk de betrekking vanmeester en slaaferkend heeft, wij naar ons geweten gelooven, dat de slavernij geene zonde jegens God is, zoo als door de Algemeene Vergadering is verklaard geworden.
Nademaal de Algemeene Vergadering, in den jare 1818, eene wet heeft doen doorgaan, bepalingen opzigtelijk de slaven behelzende welke onbestaanbaar zijn met onze burgerlijke instellingen, en daarbij plegtig verklaard wordt dat de slavernij eene zonde jegens God is; eene wet, evenzeer honende als beleedigende voor de geheele zuidelijke gemeente:
1.Is besloten, dat wij, als slavenhouders, niet langer in betrekking kunnen blijven met eenige kerk, waar eene wet bestaat die aan slaven het regt toekent om hunne meesters voor het kerkelijk regtsgebied te betrekken,al ware het ook voor de handeling van hen, zonder hunne vooraf gevraagde en verkregene toestemming, te verkoopen.
2.Is besloten, dat, aangezien het Groote Opperhoofd der Kerk de betrekking vanmeester en slaaferkend heeft, wij naar ons geweten gelooven, dat de slavernij geene zonde jegens God is, zoo als door de Algemeene Vergadering is verklaard geworden.
Dit zal genoeg zijn om het gevoelen der Zuidelijke Presbyteriaansche Kerk te doen blijken. De volgende uittreksels raken de gevoelens van de Kerken der Baptisten. In 1835 boodde Vereeniging der Baptisten te Charleston aan de Wetgevende Vergadering van Zuid-Carolina een memorie aan, waarin het volgende voorkomt:
Wijders geven de ondergeteekenden te kennen, dat gezegde Vereeniging niet van gevoelen is dat de Heilige Schriften de zaak der slavernijin het geheel tot een zedelijk vraagstuk gemaakt hebben. De Goddelijke Stichter onzer heilige godsdienst, in het bijzonder, vond de slavernij, als een gedeelte der bestaande maatschappelijke instellingen aanwezig, waarin het zijn doel niet waszich te mengenwanneer zij niet zondig waren, maar ze ten eenemale aan het bestuur der menschen over te laten. Zulks dan als eene vrijgelatene maatschappelijke schikking beschouwende, betrok hij tot het gebied zijner godsdienstleer alleenlijk de voorschriften der wederzijdsche verpligtingen dezer betrekking. De vraag, zoo als wij gelooven, is eene zuivere vraag van staats-economie. Zij bepaalt zich inderdaad tot deze: „Of de leden der arbeidende klasse van een land gekocht en verkocht, en, zoo als in dezen Staat het geval is, zelve een eigendom zullen worden; dan wel of zij huurlingen, en alleen hun arbeid eigendom zal worden, zoo als in sommige andere Staten.”Met andere woorden: Of een gebruiker den geheelen tijd der arbeiders op eenmaal koopen mag van hen die regt hebben om daarover te beschikken, met eene voortdurende betrekking van bescherming en verzorging over die arbeiders; dan wel of het hem slechts vergund zal zijn, dien tijd bij zekere gedeelten te koopen, met onderwerping aan hunne beoordeeling, en met geene zoodanige voortdurende verpligting van bescherming en verzorging.Het regt der meesters om over den tijd van hunne slaven te beschikken, is door den Schepper aller dingen uitdrukkelijk erkend, die voorzeker de vrijheid heeft om aan zulk eenen als Hem behaagt, het regt van eigendom over zeker voorwerp te schenken. Dat de wettige bezitter dit regt naar willekeur behoude, strijdt niet meerder tegen de wetten der maatschappij en goede zeden, dan dat hij de persoonlijke gaven behoude waarmede zijn Schepper hem gezegend heeft, of het geld en de landerijen, van zijne voorouders geërfd, of door eigene vlijt verkregen; en noch maatschappij noch ondeelbaren hebben in het eenegeval een meerder regt om een afstand zonder vergoeding te eischen, dan in het andere.En nademaal de vraag zuiver staathuishoudkundig is, en eene zoodanige welke in dit land tot de kennisneming der onderscheidene Staatsbesturen behoort, gelooven wij wijders dat de Staat van Zuid-Carolina alleen het regt heeft om het bestaan en den toestand der slavernij binnen de grenzen van haar grondgebied te regelen; terwijl wij aan elke inbreuk op dat regt, van waar of onder welk voorwendsel dan ook, den uitersten tegenstand zullen bieden.
Wijders geven de ondergeteekenden te kennen, dat gezegde Vereeniging niet van gevoelen is dat de Heilige Schriften de zaak der slavernijin het geheel tot een zedelijk vraagstuk gemaakt hebben. De Goddelijke Stichter onzer heilige godsdienst, in het bijzonder, vond de slavernij, als een gedeelte der bestaande maatschappelijke instellingen aanwezig, waarin het zijn doel niet waszich te mengenwanneer zij niet zondig waren, maar ze ten eenemale aan het bestuur der menschen over te laten. Zulks dan als eene vrijgelatene maatschappelijke schikking beschouwende, betrok hij tot het gebied zijner godsdienstleer alleenlijk de voorschriften der wederzijdsche verpligtingen dezer betrekking. De vraag, zoo als wij gelooven, is eene zuivere vraag van staats-economie. Zij bepaalt zich inderdaad tot deze: „Of de leden der arbeidende klasse van een land gekocht en verkocht, en, zoo als in dezen Staat het geval is, zelve een eigendom zullen worden; dan wel of zij huurlingen, en alleen hun arbeid eigendom zal worden, zoo als in sommige andere Staten.”Met andere woorden: Of een gebruiker den geheelen tijd der arbeiders op eenmaal koopen mag van hen die regt hebben om daarover te beschikken, met eene voortdurende betrekking van bescherming en verzorging over die arbeiders; dan wel of het hem slechts vergund zal zijn, dien tijd bij zekere gedeelten te koopen, met onderwerping aan hunne beoordeeling, en met geene zoodanige voortdurende verpligting van bescherming en verzorging.Het regt der meesters om over den tijd van hunne slaven te beschikken, is door den Schepper aller dingen uitdrukkelijk erkend, die voorzeker de vrijheid heeft om aan zulk eenen als Hem behaagt, het regt van eigendom over zeker voorwerp te schenken. Dat de wettige bezitter dit regt naar willekeur behoude, strijdt niet meerder tegen de wetten der maatschappij en goede zeden, dan dat hij de persoonlijke gaven behoude waarmede zijn Schepper hem gezegend heeft, of het geld en de landerijen, van zijne voorouders geërfd, of door eigene vlijt verkregen; en noch maatschappij noch ondeelbaren hebben in het eenegeval een meerder regt om een afstand zonder vergoeding te eischen, dan in het andere.
En nademaal de vraag zuiver staathuishoudkundig is, en eene zoodanige welke in dit land tot de kennisneming der onderscheidene Staatsbesturen behoort, gelooven wij wijders dat de Staat van Zuid-Carolina alleen het regt heeft om het bestaan en den toestand der slavernij binnen de grenzen van haar grondgebied te regelen; terwijl wij aan elke inbreuk op dat regt, van waar of onder welk voorwendsel dan ook, den uitersten tegenstand zullen bieden.
De Methodistische kerk bevindt zich, in sommige opzigten, met betrekking tot dit onderwerp, op een eigenaardig standpunt, omdat hare verordening en regelen van kerkelijke tucht de hevigste beschuldigingen tegen de slavernij bevatten, waarvoor de taal vatbaar is, met de dringendste eischen dat alle hare leden, die slaven houden, gecensureerd zullen worden; en deze aanklagten en eischen zijn door hare Algemeene Conferentie bevestigd geworden.
Het scheen derhalve noodzakelijk dat de Zuidelijke Conferentie eenige kennis van deze daadzaak nam; hetwelk zij dan ook, met groote koelheid en duidelijkheid, op de volgende wijze deed:
De Jaarlijksche Conferentie vanGeorgia:Heeft eenstemmig besloten, dat, nademaal er een artikel in onze kerkelijke verordening is, waarin gezegd wordt dat wij zoo zeer als ooit overtuigd zijn van het groote kwaad derslavernij; en nademaal het gezegde artikel door sommigenverdraaid, en op zoodanige wijze gebezigd is als om het begrip te doen ontstaan dat de Methodistische Episcopale kerk deslavernijals eenzedelijk kwaadbeschouwde;Is, dien ten gevolge,besloten, dat het gevoelen der Jaarlijksche Conferentie vanGeorgiamedebrengt, dat de slavernij, zoo als zij in de Vereenigde Staten aanwezig is,geen zedelijk kwaad is.Is besloten, dat wij de slavernij als eene burgerlijke en huiselijke instelling beschouwen, en als eene zoodanige, waarmede wij, als dienaars van Christus, niets anders tedoen hebben, dan den toestand van den slaaf te verbeteren, door te trachten hem en zijn meester met den heilrijken invloed der godsdienst van Christus te doordringen, en beiden op hunne weg ten hemel behulpzaam te zijn.Op het gedane voorsteliseenstemmigbesloten, dat de Jaarlijksche Conferentie vanGeorgiamet gevoelens van diepen eerbied en goedkeuring de dooronze onderscheidene superintendenten, of bisschoppen, gevolgde waardige handelwijze beschouwt,in het onderdrukkender pogingen, die door velen zijn aangewend om in kerk en staat eene beweging ten gunste van hetabolitionismuste wekken.Is, wijders,besloten, hen onze hartelijke en ijverige ondersteuning in de door hen opgevatte taak, toe te zeggen.
De Jaarlijksche Conferentie vanGeorgia:
Heeft eenstemmig besloten, dat, nademaal er een artikel in onze kerkelijke verordening is, waarin gezegd wordt dat wij zoo zeer als ooit overtuigd zijn van het groote kwaad derslavernij; en nademaal het gezegde artikel door sommigenverdraaid, en op zoodanige wijze gebezigd is als om het begrip te doen ontstaan dat de Methodistische Episcopale kerk deslavernijals eenzedelijk kwaadbeschouwde;
Is, dien ten gevolge,besloten, dat het gevoelen der Jaarlijksche Conferentie vanGeorgiamedebrengt, dat de slavernij, zoo als zij in de Vereenigde Staten aanwezig is,geen zedelijk kwaad is.
Is besloten, dat wij de slavernij als eene burgerlijke en huiselijke instelling beschouwen, en als eene zoodanige, waarmede wij, als dienaars van Christus, niets anders tedoen hebben, dan den toestand van den slaaf te verbeteren, door te trachten hem en zijn meester met den heilrijken invloed der godsdienst van Christus te doordringen, en beiden op hunne weg ten hemel behulpzaam te zijn.
Op het gedane voorsteliseenstemmigbesloten, dat de Jaarlijksche Conferentie vanGeorgiamet gevoelens van diepen eerbied en goedkeuring de dooronze onderscheidene superintendenten, of bisschoppen, gevolgde waardige handelwijze beschouwt,in het onderdrukkender pogingen, die door velen zijn aangewend om in kerk en staat eene beweging ten gunste van hetabolitionismuste wekken.
Is, wijders,besloten, hen onze hartelijke en ijverige ondersteuning in de door hen opgevatte taak, toe te zeggen.
Conferentie van Zuid-Carolina.
De eerwaarde W. Martin heeft gelijksoortige besluiten als die van de Conferentie vanGeorgiavoorgesteld.
De eerwaarde W. Capers, na zijne overtuiging te hebben uitgedrukt dat „het in de besluiten geopenbaarde gevoelen niet alleen door de leeraars van deze Conferentie, maar door het geheele Zuiden algemeen omhelsd wordt;” en na beweerd te hebben dat de eenige ware leer deze was: „het gaat Caesar, en niet de kerk aan” stelde hij het navolgende als een plaatsvervangend besluit voor:
Nademaal wij van gevoelen zijn dat het onderwerp der slavernij in deze Vereenigde Staten niet tot de handelingen der Kerk, maar uitsluitend tot die der burgerlijke besturen behoort;Hebben wij, derhalve,besloten, dat deze Conferentie zich niet verder met de zaak bemoeijen zal, dan om ons leedwezen te betuigen dat zij ooit, onder welken vorm ook, tot eenig kerkelijk regtsgebied is betrokken geworden.Broeder Martin heeft het plaatsvervangend besluit goedgekeurd.Broeder Betts heeft gevraagd of het plaatsvervangend besluit kon geacht worden te bedoelendat de slavernij, zoo als zij onder ons bestaat, geen zedelijk kwaad was? Hij beschouwde het als met zulk eene verklaring gelijk staande.Broeder Gapers antwoordde,dat het zijne meening was, dat gevoelen volledig en ondubbelzinnig uit te drukken; en dat hij den vorm van een besluit gekozen had,niet alleen met het doel om eenige onregelmatige handelingen in het Noorden te bestraffen, maar ook met betrekking tot de Algemeene Conferentie. Indien de slavernij eenzedelijk kwaad(dat is,zondig) ware,alsdan zou de Kerk verpligt zijn er kennis van te nemen; doch onze overtuiging is, dat dit geene zaak is die tothaarregtsgebied behoort, maar dat zij uitsluitend aan hetburgerlijk gezagtoekomt, enbijgevolg niet zondigis.
Nademaal wij van gevoelen zijn dat het onderwerp der slavernij in deze Vereenigde Staten niet tot de handelingen der Kerk, maar uitsluitend tot die der burgerlijke besturen behoort;
Hebben wij, derhalve,besloten, dat deze Conferentie zich niet verder met de zaak bemoeijen zal, dan om ons leedwezen te betuigen dat zij ooit, onder welken vorm ook, tot eenig kerkelijk regtsgebied is betrokken geworden.
Broeder Martin heeft het plaatsvervangend besluit goedgekeurd.
Broeder Betts heeft gevraagd of het plaatsvervangend besluit kon geacht worden te bedoelendat de slavernij, zoo als zij onder ons bestaat, geen zedelijk kwaad was? Hij beschouwde het als met zulk eene verklaring gelijk staande.
Broeder Gapers antwoordde,dat het zijne meening was, dat gevoelen volledig en ondubbelzinnig uit te drukken; en dat hij den vorm van een besluit gekozen had,niet alleen met het doel om eenige onregelmatige handelingen in het Noorden te bestraffen, maar ook met betrekking tot de Algemeene Conferentie. Indien de slavernij eenzedelijk kwaad(dat is,zondig) ware,alsdan zou de Kerk verpligt zijn er kennis van te nemen; doch onze overtuiging is, dat dit geene zaak is die tothaarregtsgebied behoort, maar dat zij uitsluitend aan hetburgerlijk gezagtoekomt, enbijgevolg niet zondigis.
Het plaatsvervangend besluit werd dus eenstemmig aangenomen.
In 1836 hield een Episcopaalsch geestelijke in Noord-Carolina, Freeman geheeten, in tegenwoordigheid van zijnen bisschop (de eerwaarde Levi S. Ives, Theol. Dr., een inboorling van een der vrije staten) twee leerredenen over de regten en pligten der slavenhouders. In dezen beproefde hij de slavernij, van blanken en zwarten beide, uit den Bijbel te regtvaardigen, en beweerde dat „zonder eene nieuwe openbaring uit den hemel, niemand bevoegd was om de slavernijONREGTte noemen.” De leerredenen werden in een vlugschrift gedrukt, voorafgegaan door een brief aan Mr. Freeman van den Bisschop van Noord-Carolina, waarin hij betuigde dat hij „met ongeveinsd en bijzonder genoegen” de leerredenen had aangehoord, en de openbaarmaking er van aanried, „als thans hoogst noodzakelijk.”
„Het Protestantsche Episcopaalsche genootschap tot bevordering van het Christendom (!) in Zuid-Carolina” achtte een herdruk van Mr. Freeman’s vlugschrift nuttig, alseen godsdienstig tractaat!
Toen naderhand de aanwinst van den nieuwen Staat van Texas de organisatie der Bisschoppelijke kerk aldaar noodzakelijk maakte, werd deze Mr. Freeman tot Bisschop van Texas benoemd.
Nu zou de vraag kunnen ontstaan—en bij elken verstandigen denker onder het Christendom moet zij wel ontstaan:—kan het mogelijk zijn dat de slavernij in Amerika, zoo als zij door de wetten van dat land, en door de beslissingen zijnergeregtshoven omschreven, alle de vreeselijke misbruiken insluit die de wetten erkennen en bekrachtigen;—kan het mogelijk zijn, dat zij als eene regtmatige en gepaste instelling beschouwd wordt? Beschouwen deze Christenen alleenlijk de slavernij in het afgetrokkene, als eene instelling, die, onder eene gepaste wetgeving, goed zou kunnen worden, of verdedigen zij haar,zoo als zij thans in Amerika bestaat?
Het is eene daadzaak, dat er in het Zuiden eene groote partij bestaat, die niet alleen de slavernij in het afgetrokkene verdedigt, maar ook de slavernij, zoo als zij in Amerika bestaat, in haar geheel en in hare deelen, de ergste misbruiken zelfs daarbij ingesloten.
Uit het systeem kunnen vier gedeelten of gevolgen wettig worden afgeleid, die ten uiterste snood en afschuwelijk zijn.
Het zijn deze:
1.Het verbod van het getuigenis der kleurlingen in regtszaken.
2.Het beletten der opvoeding.
3.De binnenlandsche slavenhandel.
4.De daaruit voortvloeijende scheiding der familiën.
Wij zullen de bewijzen aanvoeren dat elk dezer punten, òf als grondstelling verdedigd, òf zonder afkeuring erkend is geworden, het zij door beslissingen van kerkelijke vergaderingen, het zij door schriften van invloedrijke geestelijken, zonder dat, door de ligchamen waartoe zij behooren, eenige afkeurende uitdrukking nopens hunne gevoelens is gebezigd geworden.
In de eerste plaats, de uitsluiting van het getuigenis der kleurlingen in kerkelijke zaken. In 1810 werd door de Algemeene Conferentie van de Methodistische Episcopale kerk, het volgende besluit genomen:—”Dat het voor elken predikant onvoegzaam en onverdedigbaar is, aan kleurlingen het geven van getuigenis tegen blanken te vergunnen, in eenigen Staat waar hen dat voorregt door de wet ontzegd is.”
Dit geschiedde alvorens de Methodistische kerk, zoo als zij later deed, zich ten gevolge der slavernij-kwestie, in Noordelijke en Zuidelijke Conferentiën gescheiden had. Zoowel Noordelijke als Zuidelijke leden stemden vóór het besluit.
Nadat zulks was voorgevallen, ontwaakte het geweten van vele noordelijke predikanten, en verlangden zij eene nadere overweging. De zuidelijke leden daarentegen eischten op gebiedenden toon dat het besluit vast en onveranderd zou blijven.De geest der discussie moge uit het volgende uittreksel blijken.
Mr. Peck, uit New-York, die de nadere overweging van het besluit had voorgesteld, drukte zich aldus uit:
Dat besluit (zeide hij) was onder eigenaardige omstandigheden, in een tijdstip van opgewekte hartstogten, genomen, en hij had er vóór gestemdals een vrede-offer jegens het Zuiden, zonder de kracht der gebezigde bewoordingen naauwkeurig genoeg te overwegen; maar, na een weinig nadenkens was hij droevig geworden; en hij was maar eenmaal droevig geweest, en dat was den geheelen tijd; hij was overtuigd dat, zoo dat besluit in het register bleef,het voor de geheele noordelijke Kerk noodlottig zou worden.
Dat besluit (zeide hij) was onder eigenaardige omstandigheden, in een tijdstip van opgewekte hartstogten, genomen, en hij had er vóór gestemdals een vrede-offer jegens het Zuiden, zonder de kracht der gebezigde bewoordingen naauwkeurig genoeg te overwegen; maar, na een weinig nadenkens was hij droevig geworden; en hij was maar eenmaal droevig geweest, en dat was den geheelen tijd; hij was overtuigd dat, zoo dat besluit in het register bleef,het voor de geheele noordelijke Kerk noodlottig zou worden.
De Eerwaarde Dr. J. A. Few, van Georgia, de voorsteller van het oorspronkelijke besluit, stond nu op. Wat ik thans laat volgen, zijn uittreksels uit zijne rede. De onderhalingen zijn van mij.
Ziet wat gij doet! Wat verklaart gij ons daar, zoo gij dezen weg op wilt! Wel, eenvoudig, zoo veel als: „wij kunnen u niet handhaven in den toestand dien gij niet vermijden kunt!” Wij kunnen u niet handhaven in denoodzakelijke voorwaardenvan het slavenbezit; één diernoodzakelijke voorwaardende verwerping van het getuigenis der kleurlingen zijnde! Zoo het niet zondig is slaven te houden, onder alle omstandigheden,dan is het ook niet zondig, ze onder de eenigste voorwaarde en onder de eenigste omstandigheden te houden, waaronder het mogelijk is ze te houden. De verwerping van het getuigenis der kleurlingen is een der noodzakelijke voorwaarden waaronder het slavenbezit bestaan kan; zoo als het dan ook, inderdaad, volstrekt onmogelijk is, dat het zonder dezelve besta; weshalve het niet zondig is, slaven te houdenonder de voorwaarden en omstandigheden waaronder zij in het Zuiden gehouden worden, in zooverre zij onder geene andere omstandigheden kunnen gehouden worden. *** Zoo gij gelooft dat het slavenbezit noodzakelijk zondig is, dan gelooft gij ook noodwendig dat wij zondaars zijn; en, is dit zoo, verklaar het dan rond enopenlijk,en laten wij van u scheiden. *** Wij behooren duidelijk, naauwkeurig en rondborstig de stelling te weten die gij nemen zult. Wij kunnen ons niet langer aan uwe bemoeizucht onderwerpen. Wij hebben er genoeg van gekregen. Uwe ziekelijkesympathieënvervelen ons. *** Zoo gij niet gekant zijt tegen de grondbeginselen die er in liggen opgesloten, vereenigt u dan met ons,als eerlijke lieden, en gaat huiswaarts, en ziet de gevolgen onbeschroomd onder de oogen. Wij zeggen het nogmaals, gij zijt voor dezen staat van zaken verantwoordelijk; want gij zijt het die ons tot het verontrustende punt gedreven hebt, waar wij ons bevinden. ***Gijhebt dat besluit volstrekt noodzakelijk gemaakt voor de rust van het Zuiden! Maarthansherroept gij dat besluit! En gij trekt den Rubicon over! Laat ik niet misverstaan worden. Ik zeg,gijtrekt den Rubicon over! Zoo gij herroept, dan herroept gij ook het grondbeginsel dat het besluit medebrengt, en gij stelt het geheele Zuiden tegen u in slagorde,en wij moeten scheiden! *** Zoo gij de beginselen toestemt, die het in zich sluit, en noodwendig in de zaak liggen opgesloten, houdt ze dan ook vast, „al zouden de hemelen vergaan!” Maar, zoo gij op herziening blijft aandringen, dan vraag ik, in welk een daglicht uwe handelwijze in het Zuiden zal beschouwd worden? Welk besluit zal men er ginds uit trekken? Wel, dat gij ons niet dulden kunt, zoo lang als wij slaven houden! Voor het aangezigt der zon zal het besluit verklaren: „wij kunnen u niet dulden, mijne heeren, dewijl gij uwe slaven behoudt!” Uw verzet tegen het besluit is gegrond op uw verzet tegen de slavernij; gij kunt, derhalve, uwe stelling niet bewaren, tenzij gij u onder de abolitionisten schaart, en ons eenmaal en voor altoos veroordeelt, of tenzij gij de herziening van het besluit weigert.
Ziet wat gij doet! Wat verklaart gij ons daar, zoo gij dezen weg op wilt! Wel, eenvoudig, zoo veel als: „wij kunnen u niet handhaven in den toestand dien gij niet vermijden kunt!” Wij kunnen u niet handhaven in denoodzakelijke voorwaardenvan het slavenbezit; één diernoodzakelijke voorwaardende verwerping van het getuigenis der kleurlingen zijnde! Zoo het niet zondig is slaven te houden, onder alle omstandigheden,dan is het ook niet zondig, ze onder de eenigste voorwaarde en onder de eenigste omstandigheden te houden, waaronder het mogelijk is ze te houden. De verwerping van het getuigenis der kleurlingen is een der noodzakelijke voorwaarden waaronder het slavenbezit bestaan kan; zoo als het dan ook, inderdaad, volstrekt onmogelijk is, dat het zonder dezelve besta; weshalve het niet zondig is, slaven te houdenonder de voorwaarden en omstandigheden waaronder zij in het Zuiden gehouden worden, in zooverre zij onder geene andere omstandigheden kunnen gehouden worden. *** Zoo gij gelooft dat het slavenbezit noodzakelijk zondig is, dan gelooft gij ook noodwendig dat wij zondaars zijn; en, is dit zoo, verklaar het dan rond enopenlijk,en laten wij van u scheiden. *** Wij behooren duidelijk, naauwkeurig en rondborstig de stelling te weten die gij nemen zult. Wij kunnen ons niet langer aan uwe bemoeizucht onderwerpen. Wij hebben er genoeg van gekregen. Uwe ziekelijkesympathieënvervelen ons. *** Zoo gij niet gekant zijt tegen de grondbeginselen die er in liggen opgesloten, vereenigt u dan met ons,als eerlijke lieden, en gaat huiswaarts, en ziet de gevolgen onbeschroomd onder de oogen. Wij zeggen het nogmaals, gij zijt voor dezen staat van zaken verantwoordelijk; want gij zijt het die ons tot het verontrustende punt gedreven hebt, waar wij ons bevinden. ***Gijhebt dat besluit volstrekt noodzakelijk gemaakt voor de rust van het Zuiden! Maarthansherroept gij dat besluit! En gij trekt den Rubicon over! Laat ik niet misverstaan worden. Ik zeg,gijtrekt den Rubicon over! Zoo gij herroept, dan herroept gij ook het grondbeginsel dat het besluit medebrengt, en gij stelt het geheele Zuiden tegen u in slagorde,en wij moeten scheiden! *** Zoo gij de beginselen toestemt, die het in zich sluit, en noodwendig in de zaak liggen opgesloten, houdt ze dan ook vast, „al zouden de hemelen vergaan!” Maar, zoo gij op herziening blijft aandringen, dan vraag ik, in welk een daglicht uwe handelwijze in het Zuiden zal beschouwd worden? Welk besluit zal men er ginds uit trekken? Wel, dat gij ons niet dulden kunt, zoo lang als wij slaven houden! Voor het aangezigt der zon zal het besluit verklaren: „wij kunnen u niet dulden, mijne heeren, dewijl gij uwe slaven behoudt!” Uw verzet tegen het besluit is gegrond op uw verzet tegen de slavernij; gij kunt, derhalve, uwe stelling niet bewaren, tenzij gij u onder de abolitionisten schaart, en ons eenmaal en voor altoos veroordeelt, of tenzij gij de herziening van het besluit weigert.
Het besluit bleef derhalve in kracht, met een ander besluit als aanhangsel, hetwelkde onverminderde belangstelling der Algemeene Conferentie voor de bevolking der kleurlingenuitdrukte.
Het is allerduidelijkst dat zijonverminderd was, om de beste der redenen. Dat de bevolking der kleurlingen juist niet zeer van dankbaarheid over deze inschikkelijkheid doordrongen was, blijkt uit de daadzaak dat „the official members of the Sharpstreetand Ashby Coloured Methodist Church in Baltimore,” tegen de motie protesteerden en petitioneerden. Het navolgende is een uittreksel uit hun adres:
De aanneming van zulk een besluit door onze hoogste kerkelijke regtbank—eene regtbank, zamengesteld uit de wijste en ervarenste broederen in de kerk, de uitverkoren bloem van acht en twintig Conferentiën,—heeft, zoo wij vreezen, eene onherstelbare schade gedaan aan 80,000 zielen waarvoor Christus gestorven is;—zielen die, door deze daad uwer vergadering, van de waardigheid van Christenen beroofd, op den trap der menschheid vernederd, en als misdadigers behandeld zijn geworden, om geene andere reden dan de kleur hunner huid! Uw besluit heeft, naar ons nederig gevoelen,krachtigverklaard, dat eene bloot natuurkundige eigenaardigheid, het handenwerk van onzen alwijzen en weldadigen Schepper, op het eerste aanzien een blijk oplevert van onbekwaamheid om de waarheid te spreken, of een onfeilbaar teeken is van onwaardigheid om getuigenis tegen een medeschepsel te geven, welks huid wit genoemd wordt. ***Broeders, uit den overvloed van ons hart hebben wij gesproken.Onze kwelling is voor u!Zoo gij eenig belang stelt in de verlossing van de 80,000 onsterfelijke zielen, die aan uwe zorg zijn toevertrouwd; zoo gijvijf en twintig honderd zielen in deze stad, met den wil bezield om de Kerk die hen gekoesterd en opgevoed heeft, nooit te verlaten, niet buiten die Kerk wilt stooten; zoo gij ons als kinderen van éénen en denzelfden Vader beschouwt, en, na rijpe overweging, met ons als leden van het ligchaam van Christus sympathiseren kunt;—zoo gij de vreeselijke, de geduchte verantwoordelijkheid niet op u laden wilt van niet slechts één, maar vele duizenden dezer „kleinen” te ergeren,—zoo smeeken wij u om het hatelijke besluit dat ons volk verwoest, uit het register uwer handelingen weg te schrappen.
De aanneming van zulk een besluit door onze hoogste kerkelijke regtbank—eene regtbank, zamengesteld uit de wijste en ervarenste broederen in de kerk, de uitverkoren bloem van acht en twintig Conferentiën,—heeft, zoo wij vreezen, eene onherstelbare schade gedaan aan 80,000 zielen waarvoor Christus gestorven is;—zielen die, door deze daad uwer vergadering, van de waardigheid van Christenen beroofd, op den trap der menschheid vernederd, en als misdadigers behandeld zijn geworden, om geene andere reden dan de kleur hunner huid! Uw besluit heeft, naar ons nederig gevoelen,krachtigverklaard, dat eene bloot natuurkundige eigenaardigheid, het handenwerk van onzen alwijzen en weldadigen Schepper, op het eerste aanzien een blijk oplevert van onbekwaamheid om de waarheid te spreken, of een onfeilbaar teeken is van onwaardigheid om getuigenis tegen een medeschepsel te geven, welks huid wit genoemd wordt. ***
Broeders, uit den overvloed van ons hart hebben wij gesproken.Onze kwelling is voor u!Zoo gij eenig belang stelt in de verlossing van de 80,000 onsterfelijke zielen, die aan uwe zorg zijn toevertrouwd; zoo gijvijf en twintig honderd zielen in deze stad, met den wil bezield om de Kerk die hen gekoesterd en opgevoed heeft, nooit te verlaten, niet buiten die Kerk wilt stooten; zoo gij ons als kinderen van éénen en denzelfden Vader beschouwt, en, na rijpe overweging, met ons als leden van het ligchaam van Christus sympathiseren kunt;—zoo gij de vreeselijke, de geduchte verantwoordelijkheid niet op u laden wilt van niet slechts één, maar vele duizenden dezer „kleinen” te ergeren,—zoo smeeken wij u om het hatelijke besluit dat ons volk verwoest, uit het register uwer handelingen weg te schrappen.
„Een Baltimoorsch kleurling”, aan den uitgever van denWachter Sionsschrijvende, zegt:
Dit adres werd aan een der secretarissen, een afgezondenevan de Baltimoorsche Conferentie, overhandigd, en gevolgelijk door hem aan de bisschoppen ter hand gesteld. Hoe velen der leden van de Conferentie het gezien hebben, weet ik niet. Eén ding is zeker:het werd niet aan de Conferentie voorgelezen.
Dit adres werd aan een der secretarissen, een afgezondenevan de Baltimoorsche Conferentie, overhandigd, en gevolgelijk door hem aan de bisschoppen ter hand gesteld. Hoe velen der leden van de Conferentie het gezien hebben, weet ik niet. Eén ding is zeker:het werd niet aan de Conferentie voorgelezen.
Met betrekking tot het tweede punt—de verdediging der wetten, die den slaaf verbieden lezen en schrijven te leeren—hebben wij het volgende voorbeeld:—
In den jare 1835 rigtte de „Chillicothe Presbytery, Ohio,” een Christelijk vertoogschrift aan de Presbytery van Mississippi, waarin uitdrukkelijk de oogpunten vermeld worden, waaruit zij de slavernij als onchristelijk beschouwt. Het achtste dier punten luidde als volgt:
Dat eenig lid onzer kerk, die ten voordeele zal spreken of pleiten van zoodanige reeds bestaande of nog in te voeren wetten, die ten doel hebben de slaven in onwetendheid te houden, en hen te beletten het woord Gods te leeren lezen, zich schuldig maakt aan eene zware zonde, en daarvoor, als voor andere schandelijke misdaden, behoort gestraft te worden.
Dat eenig lid onzer kerk, die ten voordeele zal spreken of pleiten van zoodanige reeds bestaande of nog in te voeren wetten, die ten doel hebben de slaven in onwetendheid te houden, en hen te beletten het woord Gods te leeren lezen, zich schuldig maakt aan eene zware zonde, en daarvoor, als voor andere schandelijke misdaden, behoort gestraft te worden.
Dit vertoogschrift werd door den eerw. James Smylie, gevestigd geestelijke van de Mississippi Presbytery, en later van de Amity Presbytery van Louisiana, in een vlugschrift van zeven en tachtig bladzijden beantwoord, waarin hij de slavernij in het algemeen en in het bijzonder verdedigt, op dezelfde wijze waarop alle andere misbruiken altoos zijn verdedigd geworden—met het woord van God. De tiende afdeeling van dit vlugschrift is aan de verdediging dezer wet gewijd. Hij wijdt zeven klein gedrukte bladzijden aan dit onderwerp. Hij zegt (pag. 63):
In de beide Staten, Mississippi en Louisiana, bestaan er wetten, met zware strafbedreigingen vergezeld, die verbieden de slaven te leeren lezen,en die de goedkeuring wegdragen van het Godsdienstige gedeelte der denkende ledematen.
In de beide Staten, Mississippi en Louisiana, bestaan er wetten, met zware strafbedreigingen vergezeld, die verbieden de slaven te leeren lezen,en die de goedkeuring wegdragen van het Godsdienstige gedeelte der denkende ledematen.
Iets verder voegt hij er bij:
De wetten die den slaven verbieden te leeren lezen, zijn eene vruchtbare bron van veel onwetendheid en onzedelijkheid onder de slaven. Het drukken, uitgeven en verspreiden van abolitie- en emancipatie- ademende grondbeginselen in deze Staten, was de oorzaak van het doorgaan dier wetten.
De wetten die den slaven verbieden te leeren lezen, zijn eene vruchtbare bron van veel onwetendheid en onzedelijkheid onder de slaven. Het drukken, uitgeven en verspreiden van abolitie- en emancipatie- ademende grondbeginselen in deze Staten, was de oorzaak van het doorgaan dier wetten.
Nu gaat hij verder, en zegt dat de onwetendheid en zedeloosheid die het gevolg dier wetten zijn, eigenlijk niet ten laste komen van hen die de wetten gemaakt hebben, maar van hen wier leerstellingen van emancipatie ze noodzakelijk gemaakt hebben. Over deze gevolgen van onwetendheid en ondeugd sprekende, zegt hij:
Op wien komen zij neder? Zoo gij mij vergunnen wilt deze vraag te beantwoorden, dan beantwoord ik haar aldus: Op zulke groote en goede mannen als John Wesley, Jonathan Edwards, Bisschop Porteus, Paley, Horsley, Scott, Clark, Wilberforce, Sharpe, Clarkson, Fox, Johnson, Burke, en andere groote en goede mannen, die, zonder het woord Gods te onderzoeken, besloten hebben dat het een ware grondregel is, dat de slavernij in zich-zelve zondig is.
Op wien komen zij neder? Zoo gij mij vergunnen wilt deze vraag te beantwoorden, dan beantwoord ik haar aldus: Op zulke groote en goede mannen als John Wesley, Jonathan Edwards, Bisschop Porteus, Paley, Horsley, Scott, Clark, Wilberforce, Sharpe, Clarkson, Fox, Johnson, Burke, en andere groote en goede mannen, die, zonder het woord Gods te onderzoeken, besloten hebben dat het een ware grondregel is, dat de slavernij in zich-zelve zondig is.
Voorts heldert hij de noodzakelijkheid dier wetten door de volgende vergelijking op. Hij veronderstelt dat de leer verkondigd was geworden, dat het ouderlijke gezag eene onregtvaardige inbreuk was, die de maatschappij in banden sloeg; dat er genootschappen gevormd waren ter emancipatie van kinderen uit het gezag hunner ouders; dat alle boeken van dat beginsel doordrongen waren; en dat onder al deze invloeden, de kinderen onrustig en wederspannig geworden waren. Hij veronderstelt dat, onder deze omstandigheden, de ouders de zaak voor de wetgevers bragten, en aan dezen ter beoordeeling lieten. En nu beschrijft hij aldus het dilemma van de wetgevers:
Deze vatten de zaak aan, en nemen het onderwerp ernstig en plegtig in overweging. Aan de eene zijde begrijpen zij, dat, zoo hunne kinderen den toegang hadden tot dezeleerstellingen, zij voor altoos ongelukkig zouden zijn. Hun dien toegang te laten, was nogtans onvermijdelijk, zoo zij hen leerden lezen. Hun het leeren lezen te beletten, was wreed, en zou hun beletten die kennis der Goddelijke wetten te verkrijgen, waarin zij zich anders zouden mogen verblijden. Bij deze treurige keuze tusschen twee kwaden als wetgevers nederzittende, moesten zij van die twee kwaden het minste kiezen. Met gevoelens van verontwaardiging jegens dezen bezield, die, onder den invloed van „verleidende geesten,” „leeringen der duivelen” onder hen gezonden hadden, en nog zonden, maar met bloedende harten over hunne kinderen, besloten zij dat hunne kinderen geen onderwijs in het lezen zouden ontvangen, tot dat de storm zou zijn overgewaaid; hopende dat de satan slechts voor een korten tijd zou zijn losgelaten. En gedurende dien tijd zullen zij hen mondeling onderwijzen, en daardoor verhinderen dat zij met die booze leerstellingen besmet worden.
Deze vatten de zaak aan, en nemen het onderwerp ernstig en plegtig in overweging. Aan de eene zijde begrijpen zij, dat, zoo hunne kinderen den toegang hadden tot dezeleerstellingen, zij voor altoos ongelukkig zouden zijn. Hun dien toegang te laten, was nogtans onvermijdelijk, zoo zij hen leerden lezen. Hun het leeren lezen te beletten, was wreed, en zou hun beletten die kennis der Goddelijke wetten te verkrijgen, waarin zij zich anders zouden mogen verblijden. Bij deze treurige keuze tusschen twee kwaden als wetgevers nederzittende, moesten zij van die twee kwaden het minste kiezen. Met gevoelens van verontwaardiging jegens dezen bezield, die, onder den invloed van „verleidende geesten,” „leeringen der duivelen” onder hen gezonden hadden, en nog zonden, maar met bloedende harten over hunne kinderen, besloten zij dat hunne kinderen geen onderwijs in het lezen zouden ontvangen, tot dat de storm zou zijn overgewaaid; hopende dat de satan slechts voor een korten tijd zou zijn losgelaten. En gedurende dien tijd zullen zij hen mondeling onderwijzen, en daardoor verhinderen dat zij met die booze leerstellingen besmet worden.
Zoo veel wat die wet betreft.
Gaan wij thans over tot den binnenlandschen slavenhandel. Deze handel bestaat in het koopen en verkoopen van menschelijke wezens,alleen met oogmerk om winst te doen.
Een meester die slaven verkrijgt, of een meester die slaven koopt met oogmerk om ze op zijne plantaadje of in zijne familie te houden, kan verondersteld worden nog eenig ander doel te hebben danalleenlijk winst te doen. In zekere gevallen mag hij verondersteld worden eenig belang te stellen in het geluk of welzijn van den slaaf. De slavenhandelaar koopt en verkoopt slechtsmet het eenige doel om winst te bejagen.
Met betrekking tot dit misbruik, heeft de Chillicothe Presbytery in het door ons aangehaalde document, het volgend besluit genomen:
Is besloten, dat het koopen, verkoopen of houden van een slaaf,om winstbejag, eene afschuwelijke zonde en aanstoot is, waarvan de kerkelijke regtbanken behooren kennis te nemen.
Is besloten, dat het koopen, verkoopen of houden van een slaaf,om winstbejag, eene afschuwelijke zonde en aanstoot is, waarvan de kerkelijke regtbanken behooren kennis te nemen.
In het antwoord waaruit wij reeds eenige zinsneden aanhaalden, zegt de heer Smylie (pag. 13):
Als het koopen, verkoopen of houden van een slaaf, om winstbejag, eene afschuwelijke zonde en aanstoot is, zoo als gij beweert, dan, inderdaad, zijn drie-vierden van alle Episcopalen, Methodisten, Baptisten en Presbyterianen in de elf Staten der Unie, uit den duivel.
Als het koopen, verkoopen of houden van een slaaf, om winstbejag, eene afschuwelijke zonde en aanstoot is, zoo als gij beweert, dan, inderdaad, zijn drie-vierden van alle Episcopalen, Methodisten, Baptisten en Presbyterianen in de elf Staten der Unie, uit den duivel.
En verder:
Te vragen of slavenhouders of slavenkoopers uit den duivel zijn, schijnt mij toe zoo veel te zijn als te vragen of God al dan niet een waarachtige getuige is; dat is, voor zoo veel het Gods getuigenis, en niet enkel het getuigenis van de Chillicothe Presbytery is, dat het koopen, verkoopen en houden van slaven „eene afschuwelijke zonde en aanstoot is.”
Te vragen of slavenhouders of slavenkoopers uit den duivel zijn, schijnt mij toe zoo veel te zijn als te vragen of God al dan niet een waarachtige getuige is; dat is, voor zoo veel het Gods getuigenis, en niet enkel het getuigenis van de Chillicothe Presbytery is, dat het koopen, verkoopen en houden van slaven „eene afschuwelijke zonde en aanstoot is.”
En wederom (pag. 21):
Als de taal slechts in staat is om duidelijke en bepaalde begrippen te geven, dan weet ik niet hoe zij duidelijker en ondubbelzinniger eenige gedachte of denkbeeld aan den geest zou kunnen voorstellen, dan het vijf en twintigste hoofdstuk van Leviticus duidelijk en ondubbelzinnig het feit daarstelt, dat de slavernij door God-zelven werd goedgekeurd, en dat het koopen, verkoopen, houden en schenken van slaven,als eigendom, handelingen zijn, door Hem-zelven geregeld.****Welke taal kan uitdrukkelijker aantoonen, niet dat God de slavernij slechts oogluikende toeliet, maar dat Hij, om het minste te zeggen, eengeschreven verlofaan de Hebreën, destijds het beste volk in de wereld, gaf, om tot voortdurende dienstbaarheid,mannen en vrouwen te koopen, te houden en te geven? Wat wordt er nu van de bewering der Chillicothe Presbytery? *** Is het wezenlijk een feit, dat God eenmaal eene geschrevene toelating aan zijn eigen dierbaar volk gaf („gij zult koopen”) om datgene te doen wat in zichzelve zondig is? Ja om datgene te doen wat de Chillicothe Presbytery zegt eene „afschuwelijke zonde en aanstoot” te zijn?
Als de taal slechts in staat is om duidelijke en bepaalde begrippen te geven, dan weet ik niet hoe zij duidelijker en ondubbelzinniger eenige gedachte of denkbeeld aan den geest zou kunnen voorstellen, dan het vijf en twintigste hoofdstuk van Leviticus duidelijk en ondubbelzinnig het feit daarstelt, dat de slavernij door God-zelven werd goedgekeurd, en dat het koopen, verkoopen, houden en schenken van slaven,als eigendom, handelingen zijn, door Hem-zelven geregeld.
****
Welke taal kan uitdrukkelijker aantoonen, niet dat God de slavernij slechts oogluikende toeliet, maar dat Hij, om het minste te zeggen, eengeschreven verlofaan de Hebreën, destijds het beste volk in de wereld, gaf, om tot voortdurende dienstbaarheid,mannen en vrouwen te koopen, te houden en te geven? Wat wordt er nu van de bewering der Chillicothe Presbytery? *** Is het wezenlijk een feit, dat God eenmaal eene geschrevene toelating aan zijn eigen dierbaar volk gaf („gij zult koopen”) om datgene te doen wat in zichzelve zondig is? Ja om datgene te doen wat de Chillicothe Presbytery zegt eene „afschuwelijke zonde en aanstoot” te zijn?
God besluit dat zijne eigene kinderen mogen, of liever „zullen,” „koopen, bezitten en houden” slaven en slavinnen, in dienstbaarheid,voor altoos. Maar de Chillicothe Presbytery besluit dat „het koopen, verkoopen of houden van slaven, om winstbejag, eene afschuwelijke zonde en aanstoot is.”
God besluit dat zijne eigene kinderen mogen, of liever „zullen,” „koopen, bezitten en houden” slaven en slavinnen, in dienstbaarheid,voor altoos. Maar de Chillicothe Presbytery besluit dat „het koopen, verkoopen of houden van slaven, om winstbejag, eene afschuwelijke zonde en aanstoot is.”
Het is onze meening niet, te zeggen dat Mr. Smylie, onder het schrijven van deze uitspraken, den binnenlandschen slavenhandel bepaaldelijk voor den geest had; maar wij zeggen dat geen slavenhandelaar eene duidelijker en meer regtstreeksche verdediging van zijnen handel zou kunnen verlangen, dan deze.
Ten opzigte, eindelijk, van de ontbinding der huwelijksbetrekking, die het noodzakelijk gevolg is van dit soort van koophandel, zijn door regterlijke overheden van de kerk de volgende beslissingen genomen.
In 1835 gaf de „Savannah River (Baptist) Association” op de vraag:
Of, in een geval van onvrijwillige scheiding van zulk eenen aard dat alle vooruitzigt op hereeniging in het vervolg daardoor zou worden uitgesloten, aan de partijen kan vergund worden andermaal te huwen?
Of, in een geval van onvrijwillige scheiding van zulk eenen aard dat alle vooruitzigt op hereeniging in het vervolg daardoor zou worden uitgesloten, aan de partijen kan vergund worden andermaal te huwen?
het volgende antwoord:
Dat zulk eene scheiding, tusschen personen in den toestand als waarin onze slaven verkeeren,burgerlijkeene scheiding doorden doodis, en zij gelooven dat zulks, in Gods oog, mede aldus zou beschouwd worden. Tweede huwelijken, in zoodanige gevallen, te verbieden, zou zijn de partijen niet slechts aan harderen dwang en sterkere verzoeking, maar ook aan dekerkelijke censuurbloot te stellen, wegens de daad van aan hunne meesters te hebben gehoorzaamd, wier toestemming niet te verwachten is in een maatregel, strijdig met de regtvaardigheid jegens de slaven, en met den geest van dat gebod, hetwelk het huwelijk onder de Christenen regelt.De slaven hebben geene vrijheid van daad, en eene ontbinding door den dood ligt niet meer ten eenemale buiten hunne toestemming en medewerking, dan eene ontbinding door zulk eene scheiding.
Dat zulk eene scheiding, tusschen personen in den toestand als waarin onze slaven verkeeren,burgerlijkeene scheiding doorden doodis, en zij gelooven dat zulks, in Gods oog, mede aldus zou beschouwd worden. Tweede huwelijken, in zoodanige gevallen, te verbieden, zou zijn de partijen niet slechts aan harderen dwang en sterkere verzoeking, maar ook aan dekerkelijke censuurbloot te stellen, wegens de daad van aan hunne meesters te hebben gehoorzaamd, wier toestemming niet te verwachten is in een maatregel, strijdig met de regtvaardigheid jegens de slaven, en met den geest van dat gebod, hetwelk het huwelijk onder de Christenen regelt.De slaven hebben geene vrijheid van daad, en eene ontbinding door den dood ligt niet meer ten eenemale buiten hunne toestemming en medewerking, dan eene ontbinding door zulk eene scheiding.
Aan de „Shiloh Baptist Association,” die, eenige jaren geleden, te Gourdvine vergaderde, werd, volgens denReligious Herald, door „Hedman Church” de volgende vraag voorgesteld:
Mag aan een’ dienstbare, wiens echtgenoot of vrouw door zijnen of haren meester verkocht is geworden, een tweede huwelijk vergund worden?
Mag aan een’ dienstbare, wiens echtgenoot of vrouw door zijnen of haren meester verkocht is geworden, een tweede huwelijk vergund worden?
Het vraagstuk werd aan eene commissie in handen gesteld, die het volgende antwoord gaf, dat, na beraadslaging, werd aangenomen:
Dat, de omstandigheden in aanmerking genomen, waaronder in dit land de dienstbaren zich bevinden, de commissie eenstemmig van gevoelen is, dat het beter is, den dienstbaren onder zulke omstandigheden te vergunnen een anderen man of vrouw te nemen.
Dat, de omstandigheden in aanmerking genomen, waaronder in dit land de dienstbaren zich bevinden, de commissie eenstemmig van gevoelen is, dat het beter is, den dienstbaren onder zulke omstandigheden te vergunnen een anderen man of vrouw te nemen.
De Eerwaarde Charles C. Jones, die ernstig en onvermoeid voor het welzijn der slaven arbeidde, iemand van wien het redelijkerwijze te vermoeden is, dat hij, zoo iemand, dit onderwerp zeer ter harte neemt, maakt, bij zijne schatting van den zedelijken toestand der negers, eenvoudig de opmerking, dat, nademaal echtgenoot en vrouw aan al de wisselvalligheden van het eigendomsregt onderworpen zijn, en door verdeeling van bezittingen, verrekening van schulden, en dergelijke, gescheiden kunnen worden, de huwelijksbetrekking natuurlijkerwijze veel van hare heiligheid verliest, en zegt wijders:
Het is een contract van welvoegelijkheid, voordeel of genoegen, dat naar den wil van partijen kan aangegaan of ontbonden worden, en dat zonder afschuwelijke zonde, of benadeeling der eigendomsbelangen van iemand ter wereld.
Het is een contract van welvoegelijkheid, voordeel of genoegen, dat naar den wil van partijen kan aangegaan of ontbonden worden, en dat zonder afschuwelijke zonde, of benadeeling der eigendomsbelangen van iemand ter wereld.
In deze uitspraak drukt hij, naar wij veronderstellen, hetalgemeenedenkbeeld van slaven en meesters over den aard dezer instelling uit, en niet zijn eigen. Wij leiden zulks af uit het feit dat hij, in zijnen catechismus, den slaaf de heiligheid en voortdurendheid der betrekking poogt in te prenten.Maar, wanneer de vroomste en godsvruchtigste mannen die het Zuiden bezit, en die hun leven wijden aan de bevordering van het welzijn der slaven, zoo kalm, en zonder eenige afkeuring, dezen staat van zaken beschouwen als een staat waarmede het Christendom hen de roeping niet oplegt zich te bemoeijen, wat is er dan van de wereld in het algemeen te verwachten?
Ten aanzien der in het vlugschrift van Mr. Smylie uitgedrukte gevoelens, moet worden opgemerkt dat zij, in het aanhangsel, door een document in naam van twee Presbyteries ondersteund worden, welk document, hoewel het minder tot kleine bijzonderheden afdaalt, zich op hetzelfde grondgebied plaatst als Mr. Smylie. Deze Eerwaarde James Smylie was een dergenen, aan wien, in vereeniging met den Eerwaarden John L. Montgomery, door de synode van Mississippi, in 1839, de last werd opgedragen om een catechismus tot onderwijs der negers te schrijven of te compileren.
Mr. Jones zegt, in zijne „Geschiedenis van het Godsdienstig Onderwijs der negers,” (pag. 83). „De Eerwaarde James Smylie en de Eerwaarde C. Blair houden zich met dit goede werk (het onderwijs der negers) systematisch en op den duur in Mississippi bezig.” De eerstgenoemde geestelijke wordt gekenschetst als een „bejaarden en onvermoeiden vader.” In het onderwijs der negers is hij uitnemend geslaagd. Een groot gedeelte der negers in zijne oude gemeente kan zoowel den catechismus van Williston als den Westminsterschen, zeer juist opzeggen.” Gaarne wenschte de Schrijfster, wijdloopige uittreksels van Mr. Smylie’s vlugschrift te kunnen mededeelen. Er zou veel uit te leeren zijn met betrekking tot de wijze waarop zulk een onderrigt op de rigting van geest, de hebbelijkheid van denken, en de beschouwingswijze van geestelijke zaken, werken moet. De man is ontwijfelbaar en hartelijk opregt in zijne gevoelens, en schijnt die met de overvloedigste en triomferendste blijdschap, als de allerlaatste verbetering der theologische wetenschap, te willen volhouden. Wij kunnen aan de verzoeking geen weêrstand bieden om een gedeelte zijnerInleidingaf te schrijven, al ware het enkel om het daardoor geworpene licht op de denkwijze, die aan onze Zuidwestelijke wateren wordt aangetroffen.
Het volgende overzigt onder het oog des publieks brengende, arbeidde de schrijver niet geheel, of voor een goed gedeelte, onder den invloed eener hoop of begeerte om de inzigten der Chillicothe Presbytery te verbeteren. Hij hoopte met de uitgave eene wezenlijke dienst te bewijzen aan anderen, zoowel als aan de Presbytery.
Door zijn verkeer met godsdienstige genootschappen van allerlei benamingen, was het hem duidelijk geworden dat het beginsel der abolitionisten, namelijk,dat de slavernij in zich zelve zondig is, veld had gewonnen, en zich met de godsdienstige en gewetensbezwaren van velen in de gemeente zoo zeer had ineen geweven, dat zij er zich niet slechts ongelukkig door gevoelden, maar dat zelfs hunne aandacht van de groote en gewigtige pligten eens huisvaders jegens zijn huisgezin werd afgetrokken. Het oog des geestes, op de slavernij zelve gevestigd als op eene verdorvene bron, waaruit, noodwendig, geene andere dan verdorvene wateren konden vloeijen, werd onophoudelijk ingespannen met het opzoeken van eenig plan, door hetwelk, in den een of anderen toekomstigen tijd, de bron ten eenemale kon worden opgedroogd; terwijl men nooit overwoog, of zelfs maar droomde, dat de slavernij, op zich zelve beschouwd, eene onschadelijke betrekking was, en dat de gansche dwaling berustte in het verzuim der pligten, welke die betrekking met zich brengt.
Zoo er eene bewustheid van schuld op het gemoed blijft rusten, dan is het, wat de uitwerking betreft, volmaakt hetzelfde of het geweten al dan niet in dwaling verkeert. Al behoort Gods woord alléén de gids van het geweten te zijn, is zulks echter niet altoos het geval. Van daar, dat er somtijds gewetensbezwaren bestaan over het nalaten van datgene, wat door Gods woord veroordeeld wordt.
De wilde van het eiland Borneo, die nalaat zijn vader te dooden, en hem met zijne dadels op te eten, wanneer hij oud geworden is, wordt jammerlijk door de wroegingen van een beschuldigend geweten gefolterd, wanneer zijne kinderlijke teederheid en medelijden het overwigt bekomen hebben op zijn gewaanden pligt van zijn vader te dooden. Op dezelfde wijze lijdt menig slavenhouder, wiens geweten niet door het woord van God, maar door de leeringenvan menschen geleid wordt, de geeselslagen van een schuldig geweten, zelfs wanneer hij, overeenkomstig de Schrift, met zijnen slaaf „regtvaardiglijk handelt,” eenvoudig omdat hij zijn slaaf niet emancipeert, zonder betrekking tot het goede of kwade dat zulk eene daad ten gevolge zou hebben.
„Hoe liefelijk op de bergen” zouden—naar de schatting van den schrijver—„de voetstappen van hem zijn, die”—aan den wilde van Borneo—„de blijde boodschap verkondigde” dat zijn gedrag, in het sparen van het leven zijns teederen en geliefden vaders, geene zonde was! *** Even zoo liefelijk en behagelijk, vertrouwt de schrijver, zal het voor een eerlijken, schroomvalligen en naauwgezetten slavenhouder zijn, uit het woord van God de blijde boodschap te vernemen dat de slavernij zelve niet zondig is. Thans van eene nachtmerrie ontheven die zijne krachten tot volvoering van zijnen pligt jegens zijne slaven verlamde, gaat hij opgeruimd tot krachtige handeling over. Het is thans niet meer zoo als vroeger, toen hij de slavernij als zondig in haar zelve beschouwde. Thans kan hij, met de hoop van verhoord te worden, bidden dat God zijne pogingen zegene om zijne slaven op te kweeken in de tucht en in de vreeze des Heeren; terwijl hij voorheen werd terug gehouden door de bedenking—„zoo ik onregtvaardigheid in mijn harte overleg, de Heere zal mij niet hooren.” In plaats van, zoo als vroeger, druilende en mijmerende over zijnen toestand, het hoofd te laten hangen, heft hij thans het hoofd op, en volgt vrolijk het gebaande pad zijner pligten.
Hij wordt niet meer in verzoeking gebragt om Gods woord van ter zijde in te zien, en te zeggen: „Hebt gij mij gevonden, o mijn vijand,” gekomen om mij mijne slaven te ontrooven, en mij arm te maken, zonder hen te verrijken? In plaats van, zoo als vroeger, het woord van God te beschouwen als met geesels en scorpioenen gewapend om hem in den hemel te zweepen, gevoelt hij dat „zijne wegen wegen van vrolijkheid, en zijne paden vrede zijn.” Thans onderscheidende tusschen het wezenlijke woord van God, en datgene wat blootelijk de leeringen en geboden van menschen zijn, is het raadsel opgelost dat voorheen onoplosbaar geschenenhad, namelijk: „De wet des Heeren is volmaakt, bekeerende de ziele.”1
Zoo gij het ondernemen wildet zulk een man te beantwoorden door te zeggen dat zijn argument te veel bewijst; dat noch Christus, noch zijne Apostelen eenig uitdrukkelijk verbod hebben uitgesproken tegen de worstelingen der zwaardvechters, of de spelen in de renbanen, en het, derhalve, regtmatig zijn zou, ze in Amerika in te voeren;—het is zeer waarschijnlijk dat hij er van harte zijne toestemming aan geven zou, en van oordeel zijn dat het eene goede speculatie zou opleveren. Als een verder staaltje van de ongegeneerde opgeruimdheid die een hoofdtrek van dit voortbrengsel schijnt, zie men op pag. 58, waar het Latijnsche motto:Facilis descensus Averni, sed revocare, etc., de volgende zeer vrije en echt Westersche vertaling erlangt, die, zoo als hij goedhartig zegt, ten dienste dergenen gegeven wordt die geen Latijn verstaan:—„Het is gemakkelijk naar den duivel te gaan, maar het heeft van den duivel in om weêr terug te komen.”
Sommige liefdelooze menschen zullen misschien hierop zeggen, dat de predikers van zulke leerstellingen al den schijn hebben van op dit punt eene op ondervinding gegronde kennis te bezitten. Het denkbeeld van dezen jovialen ouden vader, eene klasse van zwarte „Sams” en jonge „Topsys” in de geheimenissen van den Assembly’s Catechismus onderwijzende, is inderdaad schilderachtig!
Dat Mr. Smylie’s gevoelens ten opzigte der slavernij, door voorname geestelijken van alle godsdienstige benamingen ruimschoots ondersteund en uitgebreid zijn geworden, zouden wij met boekdeelen vol aanhalingen kunnen bewijzen.
Er blijft, echter, nog een tweede hoofdpunt, met betrekking tot den invloed der zuidelijke Kerk en geestelijkheid, ter beschouwing over.
Het is welbekend, dat de zuidelijke staatkundige vereeniging op haar gekozen standpunt van de stelling uitgaat, dat de instelling der slavernij geen onderwerp van beraadslaging mag uitmaken. In de meeste der slaven-staten bestaan ergestrenge wetten, die aan een ieder die zich verstouten mogt iets over het onderwerp te spreken of te schrijven, tenzij in zijn voordeel, met boete, gevangenis, ja met den dood bedreigen. Dit heeft niet enkel jegens burgers van slaven-staten plaats gehad, maar men heeft de sterkste neiging aan den dag gelegd om met de burgers van vrije Staten eveneens te handelen; en waar deze discussiën niet door regelmatige wetten konden verhinderd worden, heeft men het bezigen van onwettige middelen aangemoedigd. In de uitgegevene brieven en redevoeringen van Horace Mann, worden er de volgende voorbeelden van aangetroffen (pag. 467). In 1831 loofde het Wetgevend Ligchaam van Georgië vijf duizend dollars uit aan een iegelijk, die zekeren burger van Massachusetts, met name William Lloyd Garrison, in Georgië gevangen nemen, en geregtelijk overtuigen zoude. Deze wet werd door den Gouverneur, W. Lumpkin, den 26stenDecember 1831, bekrachtigd. Bij eene „meeting” van slavenhouders te Sterling, in denzelfden Staat, den 4denSeptember 1835 gehouden, werd den Gouverneur vormelijk aanbevolen, om bij openbare aankondiging vijf duizend dollars belooning te bieden voor de gevangenneming van den een’ of anderen uit tien personen, alle, op één na, burgers van New-York en Massachusetts, wier namen werden opgegeven. Het dagbladMilledgeville Federal Unionvan den 1stenFebruarij 1836, behelsde eene uitloving van tien duizend dollars voor het vangen of rooven van den Eerwaarden A. A. Phelps, van New-York. Het Committé van Waakzaamheid der parochie vanEast-Felicianabood, in hetLouisville Journalvan den 15denOctober 1835, vijftig duizend dollars aan een ieder die Arthur Tappan, van New-York, in zijne handen zou leveren. Op eene openbare bijeenkomst, te Mount Meigs, in den Staat Alabama, den 13denAugustus 1836 onder voorzitting van Mr. Bedford Ginress gehouden, werd eene belooning van vijftig duizend dollars uitgeloofd voor de gevangenneming van denzelfden Arthur Tappan, of van Le Roy Sunderland, een Methodistisch geestelijke van New-York. Bijgevolg—dewijl niemand dier personen kon gegrepen worden dan met schending der wetten van den Staat welks burgers zij waren—was dit een openbaar aanbod van belooning voor een schelmstuk. In al de Zuidelijke Staten werden vereenigingen, onder dennaam van Committés van Waakzaamheid, gevormd, het nemen van maatregelen tot onderdrukking van abolitionistische gevoelens, en het doen straffen van verdachte personen door de Lynch-wet beoogende. Te Charleston, in Zuid-Carolina, drong een troep van deze lieden gewelddadig in het postkantoor, en hield, naar genoegen, eene algemeene inspectie der aanwezige brieven; en van alles wat door hen beschouwd werd als eene gevaarlijke en tegen de slavernij gekante strekking te hebben, werd een openlijk vreugdevuur op de straat gemaakt. Eenige dagen later werd eene groote openbare bijeenkomst gehouden, tot voltooijing der voorloopige maatregelen om de verspreiding van anti-slavernijgezinde grondbeginselen te beletten, en tot aanduiding van personen die men van abolitionismus verdacht hield, ten einde zij onder het bereik der Lynch-wet mogten geraken. Gelijksoortige volksbijeenkomsten werden in al de Zuidelijke en Westelijke Staten gehouden. Op een van deze, in 1835 te Clinton, Staat Mississippi, gehouden, werden de volgende besluiten genomen:
Is besloten, dat, in het Zuiden en Westen, de slavernij niet als een zedelijk of staatkundig kwaad beschouwd, maar, in betrekking tot denwerkelijken, en niet dezen of genen Utopischen toestand der slaven, als een zegen, beide voor meester en slaaf, gehouden wordt.Is besloten, dat het ons bepaald gevoelen is, dat iedereen, die, met oogmerk om de bedoelingen der abolitionisten te verwezenlijken, zich verstouten durft om eenige der opruijende tractaten of nieuwspapieren te verspreiden, die men thans in dit land poogt in te voeren, in het oog van God en menschen de doodstraf regtvaardiglijk verdiend heeft; en dat wij niet twijfelen dat deze ook de straf zijn zoude van zulk een misdadiger, in welk gedeelte van den Staat Mississippi hij ook gevonden mogt worden.Is besloten, dat aan de geestelijkheid van den Staat Mississippi zal worden aanbevolen om zich ten aanzien van dit onderwerp openlijk te verklaren; en dat haar verder stilzwijgen met betrekking tot hetzelve, in dezen tijd van crisis, naar ons gevoelen, eene ernstige censuur waardig zijn zoude.
Is besloten, dat, in het Zuiden en Westen, de slavernij niet als een zedelijk of staatkundig kwaad beschouwd, maar, in betrekking tot denwerkelijken, en niet dezen of genen Utopischen toestand der slaven, als een zegen, beide voor meester en slaaf, gehouden wordt.
Is besloten, dat het ons bepaald gevoelen is, dat iedereen, die, met oogmerk om de bedoelingen der abolitionisten te verwezenlijken, zich verstouten durft om eenige der opruijende tractaten of nieuwspapieren te verspreiden, die men thans in dit land poogt in te voeren, in het oog van God en menschen de doodstraf regtvaardiglijk verdiend heeft; en dat wij niet twijfelen dat deze ook de straf zijn zoude van zulk een misdadiger, in welk gedeelte van den Staat Mississippi hij ook gevonden mogt worden.
Is besloten, dat aan de geestelijkheid van den Staat Mississippi zal worden aanbevolen om zich ten aanzien van dit onderwerp openlijk te verklaren; en dat haar verder stilzwijgen met betrekking tot hetzelve, in dezen tijd van crisis, naar ons gevoelen, eene ernstige censuur waardig zijn zoude.
De behandeling waaraan personen waren blootgesteld, die, als van anti-slavernijgezinde gevoelens verdacht, het ongeluk hadden van een dier Committés van Waakzaamheid in handen te vallen, kan uit het volgende verhaal worden opgemaakt. Schrijfster dezes kan er zich al de omstandigheden nog duidelijk van te binnen brengen, dewijl het slagtoffer dezer onregtvaardigheid een lid van het seminarium was, hetwelk destijds onder het opzigt van haren vader stond.
Amos Dresser, thans zendeling in Jamaïca, was theologisch student aan het seminarium te Lane, nabij Cincinnati. In de vacantie (Augustus 1835) ondernam hij in den StaatTennesseebijbels te verkoopen, met oogmerk om middelen bijeen te brengen tot voortzetting zijner studiën. Zich aldaar bevindende, viel hij onder verdenking van een abolitionist te zijn; werd, onder het bijwonen eener godsdienstige zamenkomst in de nabuurschap van Nashville, de hoofdstad van den Staat, door het Committé van Waakzaamheid gearresteerd, en, na een inquisitoriaal onderzoek, dat een ganschen namiddag en avond duurde, veroordeeld om twintig zweepslagen op het naakte ligchaam te ontvangen, tusschen elf en twaalf uren op Zaturdag avond werd het vonnis, in tegenwoordigheid der meeste leden van het Committé, en van een woedend en vloekend gepeupel, aan hem voltrokken. Het Committé van Waakzaamheid (eene onwettige vereeniging) bestond uit zestig personen. Onder deze bevonden zich zeven-en-twintig kerkelijken; één hunner was een catechiseermeester; een ander, deouderling, die, slechts weinige dagen te voren, in de Presbyteriaansche kerk, aan Mr. Dresser het brood en den wijn van ’s Heeren Avondmaal had uitgereikt.
Amos Dresser, thans zendeling in Jamaïca, was theologisch student aan het seminarium te Lane, nabij Cincinnati. In de vacantie (Augustus 1835) ondernam hij in den StaatTennesseebijbels te verkoopen, met oogmerk om middelen bijeen te brengen tot voortzetting zijner studiën. Zich aldaar bevindende, viel hij onder verdenking van een abolitionist te zijn; werd, onder het bijwonen eener godsdienstige zamenkomst in de nabuurschap van Nashville, de hoofdstad van den Staat, door het Committé van Waakzaamheid gearresteerd, en, na een inquisitoriaal onderzoek, dat een ganschen namiddag en avond duurde, veroordeeld om twintig zweepslagen op het naakte ligchaam te ontvangen, tusschen elf en twaalf uren op Zaturdag avond werd het vonnis, in tegenwoordigheid der meeste leden van het Committé, en van een woedend en vloekend gepeupel, aan hem voltrokken. Het Committé van Waakzaamheid (eene onwettige vereeniging) bestond uit zestig personen. Onder deze bevonden zich zeven-en-twintig kerkelijken; één hunner was een catechiseermeester; een ander, deouderling, die, slechts weinige dagen te voren, in de Presbyteriaansche kerk, aan Mr. Dresser het brood en den wijn van ’s Heeren Avondmaal had uitgereikt.
Het valt spoedig in het oog dat het grondbeginsel, in behandelingen als deze opgesloten, meer omvat dan de slavernijkwestie. Het vraagstuk was inderdaad dit: of het van zoo veel belang is, Afrikaansche slaven te houden, dat het, ter handhaving daarvan, regtmatig zij, vrije Amerikanen van de vrijheid van geweten, de vrijheid van spreken, en de vrijheid der drukpers te berooven? Het is ligtelijk te ontwaren, dat de toelating van dit grondbeginsel zeer ernstige veranderingenin het bestuur van een land zou na zich slepen; omdat het zeer duidelijk is, dat, wanneer al deze beginselen van onze vrije regering voor de eene zaak mogen worden opgegeven, zij het ook voor de andere mogen worden; en dat dit noodwendig de strekking zou hebben tot vernietiging dier vrijheid van gevoelens en denkbeelden, die als het uitmuntendste der Amerikaansche instellingen beschouwd wordt.
De vraag is thans deze: heeft de kerk zich met de wereld vereenigd in het gevoelen dat de instelling der slavernij zoo gewigtig en begeerlijk is, dat zulks eene goedkeurende beschouwing der Lynch-wet en de opoffering der regten van een vrij onderzoek zou kunnen wettigen? Wij antwoorden den lezer met de volgende daadzaken en aanhalingen:
Bij gelegenheid der boven beschrevene groote bijeenkomst te Charleston in Zuid Carolina, berigt ons deCharleston Courier„dat de in één ligchaam vereenigde geestelijkheid van alle godsdienstige benamingen de handeling bijwoonde, er hare goedkeuring aan schonk, en door hare tegenwoordigheid het indrukwekkende van het tooneel aanmerkelijk verhoogde.” Er valt wel niet aan te twijfelen dat de tegenwoordigheid der in één ligchaam vereenigde geestelijkheid van alle godsdienstige benamingen, bij eene vergadering tot zulk een doel gehouden, waarlijk eenindrukwekkend tooneelwas!
Op deze bijeenkomst werd besloten:
Dat de vergadering haren dank verschuldigd is aan de eerwaarde heeren der geestelijkheid in deze stad, die zoo vaardig en doelmatig aan het algemeene gevoelen hebben beantwoord, door het sluiten hunner scholen, waarin debevolking der vrije kleurlingenonderwezen werd; en dat deze vergadering zulks beschouwt als eene vaderlandlievende daad, allen roem waardig, en wier navolging door andere onderwijzers van soortgelijke scholen in den Staat, wenschelijk ware.
Dat de vergadering haren dank verschuldigd is aan de eerwaarde heeren der geestelijkheid in deze stad, die zoo vaardig en doelmatig aan het algemeene gevoelen hebben beantwoord, door het sluiten hunner scholen, waarin debevolking der vrije kleurlingenonderwezen werd; en dat deze vergadering zulks beschouwt als eene vaderlandlievende daad, allen roem waardig, en wier navolging door andere onderwijzers van soortgelijke scholen in den Staat, wenschelijk ware.
Hier doet zich de vraag op, of hun Heer, ten dage des oordeels, er zich op dezelfde wijze over uiten zal.
De ongerustheid der slavenhouders in Virginië was niet gering; terwijl de geestelijkheid in de stad Richmond, de hoofdplaats, niet minder vaardig was dan die van Charlestonom „aan het algemeen gevoelen” te beantwoorden. Dienvolgens vergaderden hare leden den 29stenJulij, en besloten,eenstemmig:
Dat wij de ongeroepene en hoogst ongepaste bemoeijing des volks van eenigen anderen Staat met de huiselijke betrekkingen tusschen meester en slaaf, ten ernstigste afkeuren.Dat het door onzen Heer Jezus Christus en zijne Apostelen gegeven voorbeeld, door zich in de slavernij-kwestie niet te mengen, maar eenparig de betrekkingen van meester en dienstknecht te erkennen, en aan beiden een volledig en liefderijk onderwijs te schenken, de navolging van alle dienaren des Evangelies waardig is.Dat wij geenerlei vlugschrift of nieuwspapier van abolitionistische genootschappen beschermen of ontvangen willen, en dat wij den omloop van alle zoodanige papieren onder de gemeente zullen tegengaan.
Dat wij de ongeroepene en hoogst ongepaste bemoeijing des volks van eenigen anderen Staat met de huiselijke betrekkingen tusschen meester en slaaf, ten ernstigste afkeuren.
Dat het door onzen Heer Jezus Christus en zijne Apostelen gegeven voorbeeld, door zich in de slavernij-kwestie niet te mengen, maar eenparig de betrekkingen van meester en dienstknecht te erkennen, en aan beiden een volledig en liefderijk onderwijs te schenken, de navolging van alle dienaren des Evangelies waardig is.
Dat wij geenerlei vlugschrift of nieuwspapier van abolitionistische genootschappen beschermen of ontvangen willen, en dat wij den omloop van alle zoodanige papieren onder de gemeente zullen tegengaan.
De Eerwaarde J. C. Postell, een Methodistisch leeraar in Zuid-Carolina, besloot den volgenden zeer hevigen brief aan den uitgever vanZion’s Watchman, een te New-York uitgegeven Methodistisch anti-slavernij gezind nieuwsblad, op de navolgende wijze: (De lezer zal zien dat de daarin vervatte beschimping eene toespeling is op den prijs van vijftig duizend dollars, dien men in het Zuiden op zijn lijf gesteld had, zoo als wij straks verhaald hebben.)
Maar, als gij verlangt de slaven op te voeden, dan zal ik u zeggen hoe gij het geld er voor krijgen kunt, zonderZion’s Watchmanuit te geven. Kom gij met den ouden Arthur Tappan dezen winter naar het Zuiden, en men zal er honderd-duizend dollars voor u ligten. New-Orleans zelve zal er voor verpand worden. Geene verdere kennis met u begeerende, en nooit verwachtende u in tijd of eeuwigheid meer dan eenmaal te zien, dat is ten dage des oordeels, onderschrijf ik mij, de vriend des Bijbels en de vijand der abolitionisten,J. C. Postell.Orangeburgh, 21 Julij 1836.
Maar, als gij verlangt de slaven op te voeden, dan zal ik u zeggen hoe gij het geld er voor krijgen kunt, zonderZion’s Watchmanuit te geven. Kom gij met den ouden Arthur Tappan dezen winter naar het Zuiden, en men zal er honderd-duizend dollars voor u ligten. New-Orleans zelve zal er voor verpand worden. Geene verdere kennis met u begeerende, en nooit verwachtende u in tijd of eeuwigheid meer dan eenmaal te zien, dat is ten dage des oordeels, onderschrijf ik mij, de vriend des Bijbels en de vijand der abolitionisten,
J. C. Postell.
Orangeburgh, 21 Julij 1836.
De Eerwaarde Thomas S. Witherspoon, een lid der Presbyteriaansche kerk, zegt, aan den uitgever van denEmancipatorschrijvende:
Ik bewijs mijne bevoegdheid om den slaaf in dienstbaarheid te houden, uit de Schriften des Ouden en Nieuwen Testaments. Het beginsel om den Heiden in dienstbaarheid te houden, is door God erkend. *** Als de trage voortgang der wetten te talmachtig is om onze grieven te herstellen, dan hebben wij hier in het Zuiden het onfeilbare middel van Regter Lynch aangenomen; en inderdaad, ik acht dit een der krachtigste en heilzaamste geneesmiddelen voor de ziekte van het noordelijk fanatismus, dat er kan bedacht worden, terwijl ik niet twijfel of mijn vriend de uitgever van denEmancipator and Human Rightszou er de uitwerking zeer goed van ondervinden, zoo het hem slechts door een zuidelijken doctor werd toegediend. In allezedelijkeaangelegenheden beroep ik mij op den Bijbel. *** Laten uwe zendelingen het eens durven wagen om Potomac te doorkruisen, en ik kan u niet beloven dat hun een beter lot zal te beurt vallen dan Haman. Wacht u derhalve wel van een gehoond doch grootmoedig volk tot daden van wanhoop te drijven!
Ik bewijs mijne bevoegdheid om den slaaf in dienstbaarheid te houden, uit de Schriften des Ouden en Nieuwen Testaments. Het beginsel om den Heiden in dienstbaarheid te houden, is door God erkend. *** Als de trage voortgang der wetten te talmachtig is om onze grieven te herstellen, dan hebben wij hier in het Zuiden het onfeilbare middel van Regter Lynch aangenomen; en inderdaad, ik acht dit een der krachtigste en heilzaamste geneesmiddelen voor de ziekte van het noordelijk fanatismus, dat er kan bedacht worden, terwijl ik niet twijfel of mijn vriend de uitgever van denEmancipator and Human Rightszou er de uitwerking zeer goed van ondervinden, zoo het hem slechts door een zuidelijken doctor werd toegediend. In allezedelijkeaangelegenheden beroep ik mij op den Bijbel. *** Laten uwe zendelingen het eens durven wagen om Potomac te doorkruisen, en ik kan u niet beloven dat hun een beter lot zal te beurt vallen dan Haman. Wacht u derhalve wel van een gehoond doch grootmoedig volk tot daden van wanhoop te drijven!
De Eerwaarde Robert N. Anderson, insgelijks een lid der Presbyteriaansche kerk, zegt, in een brief aan de zittingen der Presbyteriaansche vereenigingen binnen de grenzen van de „West-Hanover Presbytery.”
Bij de naderende vastgestelde bijeenkomst, ben ik voornemens eene voorafspraak en reeks van besluiten betreffende het onderwerp van het gebruik van wijn bij ’s Heeren Avondmaal aan te bieden; als ook eene voorafspraak en reeks van besluiten betreffende het onderwerp der verraderlijke en afschuwelijk slechte bemoeijenis der noordelijke en oostelijke geestdrijvers met onze staatkundige en burgerlijke regten, ons eigendom en onze huiselijke zaken. Het is u bekend dat onze geestelijkheid, te regt of ten onregte, meer dan de geestelijkheid van andere benamingen door het publiek wordt verdacht gehouden. Nu,waarde Christen broeders,druk ik nederig mijn ernstigen wensch uit, dat gij ukwijten moogt als mannen. Zoo er het een of ander afgedwaald schaap van een leeraar onder u wezen mogt, besmet met de bloedhonds-beginselen van het abolitionisme, laat hij uitgedreven, den mond gestopt, geëxcommuniceerd, en aan hetpubliekovergeleverd worden,om op andere wijze met hem te werk te gaan.Uw toegenegene broeder in den Heere,Robert N. Anderson.
Bij de naderende vastgestelde bijeenkomst, ben ik voornemens eene voorafspraak en reeks van besluiten betreffende het onderwerp van het gebruik van wijn bij ’s Heeren Avondmaal aan te bieden; als ook eene voorafspraak en reeks van besluiten betreffende het onderwerp der verraderlijke en afschuwelijk slechte bemoeijenis der noordelijke en oostelijke geestdrijvers met onze staatkundige en burgerlijke regten, ons eigendom en onze huiselijke zaken. Het is u bekend dat onze geestelijkheid, te regt of ten onregte, meer dan de geestelijkheid van andere benamingen door het publiek wordt verdacht gehouden. Nu,waarde Christen broeders,druk ik nederig mijn ernstigen wensch uit, dat gij ukwijten moogt als mannen. Zoo er het een of ander afgedwaald schaap van een leeraar onder u wezen mogt, besmet met de bloedhonds-beginselen van het abolitionisme, laat hij uitgedreven, den mond gestopt, geëxcommuniceerd, en aan hetpubliekovergeleverd worden,om op andere wijze met hem te werk te gaan.
Uw toegenegene broeder in den Heere,
Robert N. Anderson.
De eerwaarde William S. Plummer, Theol. Dr. van Richmond, een lid van de „Old School” der Presbyteriaansche kerk, levert een ander voorbeeld van dezelfde soort op. Hij was van Richmond afwezig, toen de geestelijkheid dier stad zich gemeenschappelijk zuiverde van de beschuldiging dat zij jegens de abolitie gunstig gezind was. Bij zijne terugkomst liet hij geen tijd verloren gaan om aan den voorzitter van het committé van briefwisseling zijne overeenkomst van gevoelens met zijne ambtsbroeders kenbaar te maken. De aangehaalde zinsneden zijn uit zijnen brief aan den Voorzitter getrokken.
Ik heb deze aangelegenheid, van haren eersten aanvang af, zorgvuldig gadegeslagen, en alles wat ik, zoowel van hare voorstanders als van hare vijanden, nopens haren aard gezien of gehoord heb, heeft mij onberouwelijk in de overtuiging bevestigd, dat, laat het karakter der abolitionisten in het oog van den Regter der gansche aarde wezen wat het wille, dit de bemoeiziekste, onbeschaamdste, roekeloosste, wreedste en slechtste opruijing is, die ik immer gezien heb.Als de abolitionisten het gansche land in gloed willen zetten, dan is niets billijker dan dat zij de eerste warmte van het vuur krijgen.Ten slotte. De abolitionisten zijn, even als de ongeloovigen, ten eenemale onbekwaam tot het martelaarschap om hunne gevoelens. Laten zij slechts weten datzij gegrepen(lynched)zullen worden, zoo zij zich onder ons begeven, en zij zullen wel zorg dragen om ons uit den weg te blijven. Er is geen enkele onder hen, die meer voornemensis om voor deze zaak zijn bloed te storten, dan om oorlog met den grooten Turk te beginnen.
Ik heb deze aangelegenheid, van haren eersten aanvang af, zorgvuldig gadegeslagen, en alles wat ik, zoowel van hare voorstanders als van hare vijanden, nopens haren aard gezien of gehoord heb, heeft mij onberouwelijk in de overtuiging bevestigd, dat, laat het karakter der abolitionisten in het oog van den Regter der gansche aarde wezen wat het wille, dit de bemoeiziekste, onbeschaamdste, roekeloosste, wreedste en slechtste opruijing is, die ik immer gezien heb.
Als de abolitionisten het gansche land in gloed willen zetten, dan is niets billijker dan dat zij de eerste warmte van het vuur krijgen.
Ten slotte. De abolitionisten zijn, even als de ongeloovigen, ten eenemale onbekwaam tot het martelaarschap om hunne gevoelens. Laten zij slechts weten datzij gegrepen(lynched)zullen worden, zoo zij zich onder ons begeven, en zij zullen wel zorg dragen om ons uit den weg te blijven. Er is geen enkele onder hen, die meer voornemensis om voor deze zaak zijn bloed te storten, dan om oorlog met den grooten Turk te beginnen.
In de vergadering der gemeente van de „New School” zeide de Eerwaarde Dr. Hill, uit Virginië:
De abolitionisten hebben de dienstbaarheid van den slaaf harder gemaakt. Zoo ik u eenige der vuile streken, door deze abolitionisten bedreven, verhalen konde, zoudt gij u niet verwonderen. Eenigen hunner zijn gegrepen (lynched) geworden, en het was goed aan hen besteed.
De abolitionisten hebben de dienstbaarheid van den slaaf harder gemaakt. Zoo ik u eenige der vuile streken, door deze abolitionisten bedreven, verhalen konde, zoudt gij u niet verwonderen. Eenigen hunner zijn gegrepen (lynched) geworden, en het was goed aan hen besteed.
Dit alles toont genoegzaam hoe de betrekkelijke waarde van slavernij en van het regt van vrije nasporing, door de zuidelijke kerk en geestelijkheid opgevat en uitgedrukt wordt. Het toont insgelijks, dat zij de slavernij als zoo gewigtig beschouwen, dat zij daden van onwettig geweld kunnen toelaten en aanmoedigen, en zich om harentwille aan al de gevaren van het aanmoedigen eener janhagel regering blootstellen. Deze aanhalingen en beschouwingen toonen op voldoende wijze het standpunt, waarop de zuidelijke kerk, met betrekking tot het behandelde onderwerp, zich geplaatst heeft.
Voor velen dezer gevoelens, hoe stuitend zij ook mogen voorkomen, zou eenige verdediging kunnen gevonden worden in die verblindende kracht der gewoonte, en in alle die met de opvoeding ingezogene, onderdrukkend werkende invloeden, die altoos het gevolg zijn van het slavernijstelsel, en die noodwendig eene zekere verstomping van het zedelijk gevoel in de ziel van zulk eenen moet te weeg brengen, die van de kindschheid af aan onder die invloeden werd opgekweekt.
Er ligt dan ook in de hebbelijkheden van den geest, onder een stelsel gevormd hetwelk door eene aanhoudende toevlugtneming tot kracht en geweld ondersteund wordt, eene noodzakelijke neiging tot dooding des gevoels, met opzigt tot het misdadige van kracht en geweld, op den medemensch toegepast. De geheele manier van beschaving, onder zulk eene instelling gevormd, is door een populairen schrijver, niet onaardig, „de dolkmes-manier” genoemd geworden; en het behoeft ons niet te verwonderen dat godsdienstig karakter en denkbeelden er een eigenaardigen, strijdzuchtigen tint door aannemen, zeer vervan den geest des Evangelies. Een godsdienstig man, in het Zuiden geboren en opgevoed, heeft met al deze moeijelijkheden te kampen, wanneer hij zich tot den waren geest des Evangelies zoekt te verheffen.
Zeker schrijver heeft gezegd, dat, na de Hervorming, de beste mannen, als opgevoed onder een stelsel van magt en despotismus, en van kindsbeen af gewoon geraakt om door kracht, en niet door rede, te zien bewijzen, al ligtelijk de vraag: of men ketters verbranden moest, deden overgaan in de vraag: wie van hunne tegenstanders er verbrand moesten worden.
Het slavernij-systeem is een eenvoudige teruggang der maatschappij tot de ergste misbruiken der middeleeuwen. Wij moeten er ons, derhalve, niet over verwonderen, de gevoelens en daden der middeleeuwen nopens burgerlijke en godsdienstige verdraagzaamheid te zien heerschen.
Hoe sterk wij de hier aangevoerde onwaardige beschouwingen van God en godsdienst, in zulke verklaringen als wij hebben aangehaald, ook verfoeijen en betreuren mogen; hoe godslasterlijk en ongerijmd zij ons ook mogen toeschijnen; toch is het blijkbaar dat zij door hare auteuren met opregtheid geuit werden; en ziedaar juist het treurigste van de zaak. Zij zijn even zoo opregt als Paulus toen hij dreiging en moord blies, en bij zichzelven overtuigd was dat hij tegen den naam van Jezus vele wederpartijdige dingen doenmoest. Zij zijn even zoo opregt als de Bramin en Hindoe, die gewetenshalve een bloed- en wreedheidademende godsdienst ondersteunt. Zij zijn evenzoo opregt als vele verlichte, geleerde en Christelijke mannen in Europa, die, onder stelsels van burgerlijk en godsdienstig despotismus geboren en opgevoed, waarmede al hunne dierbaarste huiselijke en burgerlijke verbindtenissen ten naauwste verknocht zijn, en wier invloed al hunne gewoonten en denkbeelden beheerscht, die stelsels, uit opregte gemoedelijkheid, ten sterkste verdedigen.
In de gemoedelijke overtuiging, zelfs wanneer zij de ergste soort van gevoelens betreft, ligt iets waaraan men eene zekere mate van eerbied niet weigeren kan. Dat de godsdienst, in de door ons aangehaalde verklaringen uitgedrukt, zoo echt Antichristisch is als de godsdienst der Roomsche kerk, zal wel door geen enkel gevoelig mensch die zich buiten het bereik van Amerikaanschen invloed bevindt, ontkend worden.Dat er onder dit godsdienststelsel, met al zijne valsche grondbeginselen en schadelijke invloeden, zeer opregte Christenen zijn kunnen, zal een onbevangen oordeel moeten toestemmen. De kerk van Rome heeft haren Fénélon, haren Thomas à Kempis gehad; en de zuidelijke kerk, die deze grondbeginselen heeft aangenomen, heeft ook mannen opgeleverd die zich boven het peil van hun systema hebben weten te verheffen. Ten tijde der hervorming, zoowel als thans, telde de Roomsche kerk duizenden van biddende, godvruchtige, nederige Christenen in haren schoot, die, gelijk bloemen in de rotskloven, alleen door Gods oog geteld konden worden. En zoo hopen wij dat te midden der rotsen en ijsbergen van deze afschuwelijke geestelijke en tijdelijke dwingelandij, ook paradijsbloemen van geduldige, biddende en zelfverloochenende Christenen bloeijen; terwijl het, onder eenen aanval op het verschrikkelijke systeem waaronder zij zijn geboren en opgevoed, de diepste smart veroorzaakt, dat daarbij ook hunne geliefkoosde gevoelens en verbindtenissen geweld moet worden aangedaan. In eene andere en betere wereld zullen zij misschien de beweegredenen van hen die zulks deden, weten te schatten.
Doch nu doet zich eene andere beschouwing aan den geest voor. Deze zuidelijke Christenen zijn in kerkelijke betrekkingen met Christenen uit de noordelijke en vrije Staten verbonden geweest, waarmede zij, door hunne afgevaardigden, in hunne verschillende kerkelijke vergaderingen, jaarlijksche bijeenkomsten hielden. Ingeval van zulk eene vereeniging, mogt men hopen dat die verlagende beschouwingen van het Christendom, en die levenloosheid van het openbare gevoelen, die de onvermijdelijke gevolgen eener opvoeding onder het slavenstelsel zijn, door aanraking met Christenen in de vrije Staten gewijzigd zouden worden, van welken het toch, als onder vrije instellingen opgevoed, natuurlijkerwijze te veronderstellen was dat zij met den sterksten afschuw van zulke gevoelens vervuld zouden zijn. Men zou gemeend hebben dat de kerk en de geestelijkheid der vrije Staten natuurlijk de krachtigste pogingen zouden hebben aangewend, om, door alle middelen die onder hun bereik waren, hunne broeders van dwalingen te overtuigen, zoo onteerende voor het Christendom, en tot zulke vreeselijke practische gevolgen leidende. Men zou ook gedacht hebben dat, zoo zij er al niet in slagen mogten hunnebroederen te overtuigen, zij het als pligt jegens het Christendom beschouwd zouden hebben, zich-zelven, door de ernstigste, plegtigste, en onophoudelijkste protesten, van alle medepligtigheid met deze gevoelens te zuiveren.
Laat ons thans onderzoeken wat, in wezenlijkheid, door de noordelijke kerk te dezen aanzien verrigt is.
Alvorens tot dat onderzoek over te gaan, zullen wij de door de zuidelijke kerk gedane verklaringen overzien, en beschouwen welke beginselen door haar zijn gehuldigd. Het zijn, namelijk, deze:
1. Dat de slavernij eene onschuldige en wettige betrekking is, evenzeer als die van ouder en kind, echtgenoot en vrouw, of eenige andere wettige maatschappelijke betrekking. („Harmony Presbytery” van Zuid-Carolina).
2. Dat zij bestaanbaar is met de broederlijkste beschouwing van het welzijn der slaven. („Charleston Union Presbytery.”)
3. Dat meesters niet gecensureerd behooren te worden voor het verkoopen van slaven zonder hunne toestemming. (New School, Presbyteriaansche kerk in Petersburg).
4. Dat het regt om, uit winstbejag, menschen te koopen, te verkoopen, en in slavernij te houden, door Gods uitdrukkelijke toelating gegeven is. (James Smylie en zijne „Presbyteries.”)
5. Dat de wetten, die de opvoeding van den slaaf verbieden, regtmatig zijn, en door het denkende gedeelte der Christelijke gemeenschap worden goedgekeurd. (Dezelfden).
6. Dat de zaak der slavernij in het geheel geen zedelijk, maar slechts een zuiver staathuishoudkundig vraagstuk is. (Baptisten-Vereeniging te Charleston).
7. Dat het regt der meesters om over den tijd hunner slaven te beschikken, door den Schepper aller dingen uitdrukkelijk erkend is. (Dezelfde).
8. Dat de slavernij, zoo als zij in de Vereenigde Staten aanwezig is, geen zedelijk kwaad is. (Conferentie van Georgië, Methodisten).
9. Dat, zonder eene nieuwe openbaring uit den hemel, niemand bevoegd is de slavernij onregt te noemen.
10. Dat de scheiding der slaven door verkoop, moet beschouwd worden als eene scheiding door den dood, en hetaan de partijen vergund mag worden te hertrouwen. („Shiloh Baptist Association” en „Savannah River Association.”)
11. Dat het getuigenis van kleurlingen onder de gemeenteleden tegen eenen blanke, niet zal worden aangenomen. (Kerk der Methodisten).
Ten slotte is het, door de uitgedrukte grondbeginselen en handelingen van Christenen uit verschillende benamingen, duidelijk erkend, dat zij het als regtmatig en billijk beschouwen, alle onderzoek nopens dit onderwerp door de Lynch-wet te smoren.
Men zou gemeend hebben dat deze beginselen, als van belijders des Christendoms afkomstig, vreemd genoeg waren om bij hunne noordelijke broeders zeer veel aandacht te wekken. Ook valt het in het oog dat zij, als beginselen, beginselen zijn van eene zeer uitgebreide toepassing, die op de ondermijning van alle godsdienstige en zedelijke grondslagen uitloopt. Behelzen zij geene waarheid, dan zijn zij voorzeker ketterijen die een gewonen maatstaf verre te buiten gaan, en gevolgen insluiten die niet minder buitengewoon zijn. Keeren wij thans tot ons onderzoek, naar de handelwijze der noordelijke kerk met betrekking tot die beginselen terug.
1Ps. XIX: 8, alwaar de Engelsche vertaling heeft: „rejoicing” (verheugende) „the heart” (het hart, of:de ziele.)Vertaler.
1Ps. XIX: 8, alwaar de Engelsche vertaling heeft: „rejoicing” (verheugende) „the heart” (het hart, of:de ziele.)
Vertaler.